Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2285(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0136/2018

Ingediende teksten :

A8-0136/2018

Debatten :

PV 02/05/2018 - 24
CRE 02/05/2018 - 24

Stemmingen :

PV 03/05/2018 - 7.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0200

Aangenomen teksten
PDF 281kWORD 57k
Donderdag 3 mei 2018 - Brussel Definitieve uitgave
Het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren"
P8_TA(2018)0200A8-0136/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren" – artikel 9, punt 7, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (2017/2285(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren" – artikel 9, punt 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen(1),

–  gezien artikel 37 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, over door de ESI-fondsen ondersteunde financieringsinstrumenten,

–  gezien artikel 5, punt 7, van Verordening (EU) nr. 1301/2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, over bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren(2),

–  gezien artikel 4, onder d), van Verordening (EU) nr. 1300/2013 inzake het Cohesiefonds, over bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans‑Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010(5),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over achterstandsregio's in de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU(8),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU(9),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011; inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit(10),

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2009 over het Groenboek over de toekomst van het TEN‑T-beleid(11),

–  gezien het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie van 9 oktober 2017, getiteld "Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst" (COM(2017)0583),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 getiteld "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU" (COM(2017)0623),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2017 getiteld "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU" (COM(2017)0534),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2013 getiteld "Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem" (COM(2013)0913),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien het Witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 4 februari 2009 getiteld "TEN-V: een beleidsevaluatie – Op weg naar een beter geïntegreerd trans-Europees vervoersnetwerk ten dienste van het gemeenschappelijke vervoersbeleid" (COM(2009)0044),

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van augustus 2016 getiteld "Work Package 1: Ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF)",

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van juni 2016 getiteld "Regional development trends in the EU - Work Package 1: Ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF)",

–  gezien het eindverslag van de Commissie van mei 2016 getiteld "Work Package 5: Ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF)",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 getiteld "Competitiveness in low-income and low-growth regions. The lagging regions report" (SWD(2017)0132),

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 4 mei 2010 getiteld "Raadpleging met het oog op de herziening van het beleid inzake de trans-Europese vervoersnetwerken"(COM(2010)0212),

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld "Approximated European Union greenhouse gas inventory: Proxy GHG emission estimates for 2016",

–  gezien de studie getiteld "The world is changing, transport, too", in opdracht van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement, Beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid, maart 2016,

–  gezien de studie getiteld "The future of the EU's transport infrastructure", in opdracht van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement, Beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid, januari 2010,

–  gezien het Eurostat-verslag van 2016 getiteld "Energy, transport and environment indicators – 2016 edition",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0136/2018),

A.  overwegende dat thematische concentratie, die bedoeld is om de doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) te vergroten en regio's te ondersteunen bij hun inspanningen om de Europa 2020-strategie te verwezenlijken, opzettelijk investeringen heeft geschaard onder thematische doelstelling 7: de verbetering van de kwaliteit van de vervoersinfrastructuur, met inbegrip van het efficiënte gebruik van de bestaande infrastructuur;

B.  overwegende dat met het CF en het EFRO steun wordt uitgetrokken voor de ontwikkeling van zowel het TEN-T-netwerk als van regionale en lokale vervoersinfrastructuur die zich niet in het TEN-T bevindt, met name in minder ontwikkelde lidstaten en in regio's waar nog steeds aanzienlijke inspanningen nodig zijn om de ontbrekende schakels aan te vullen, knelpunten op te heffen en rollend materieel te moderniseren;

C.  overwegende dat de vervoerssector en de infrastructuur voor deze sector een centrale en essentiële factor vormen in de ontwikkeling van een land en in het welzijn van de bevolking van de lidstaten, en dat de vervoerssector om deze reden een cruciaal investeringsdomein blijft waarmee wordt bijgedragen aan groei, concurrentievermogen en ontwikkeling door het economisch potentieel van elke EU‑regio te versterken en aldus de economische en sociale samenhang te bevorderen, door de interne markt te ondersteunen en zodoende de cohesie, integratie en sociaaleconomische inclusie van de burgers te faciliteren, het onevenwicht tussen de regio's aan te pakken, de toegang tot diensten en opleiding in de meest afgelegen gebieden met een risico van ontvolking te faciliteren en de netwerken voor het starten en ontwikkelen van bedrijfsactiviteit en ondernemingen te versterken;

D.  overwegende dat in de periode 2007-2013 81 miljard EUR, of bijna een derde (31 %) van de ESI-fondsen in vervoersinfrastructuur is geïnvesteerd; overwegende dat de positieve effecten van de investeringen in vervoersinfrastructuur van de EU met name en meer bepaald in Midden- en Oost-Europa het meest zichtbaar waren, en dat 69 % van de totale vervoersfinanciering daaraan werd toegewezen;

E.  overwegende dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 wordt gekenmerkt door een stijgende ESI- en CEF-begroting (financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen); overwegende dat er ondanks de negatieve gevolgen van de recente economische en financiële crisis en de vertraging in de uitvoering van de programmeringsperiode geen grote gevolgen zijn voor de vervoersinvesteringen; overwegende dat EU-investeringen in vervoersinfrastructuur behoren tot de beleidsmaatregelen die de hoogste Europese toegevoegde waarde hebben vanwege de overloopeffecten op onder meer de eengemaakte markt, waardoor alle lidstaten netto‑ontvangers van de investeringen zijn;

F.  overwegende dat succesvolle wegen-, spoor- en havenprojecten die uit de EU-begroting worden gefinancierd, bijdragen aan de economie, de groei, de industrie, de export, het toerisme, de handel, de werkgelegenheid, de heropleving van regio's en de omkering van ontvolking; overwegende dat er voorbeelden bestaan waaruit de Europese toegevoegde waarde blijkt, zoals de modernisering van de spoorlijn E30/C-E30 van Krakau naar Rzeszów in Polen, de spoorlijn van Sofia naar Plovdiv in Bulgarije, de spoortunnel (modules 5 en 6) in het centrum van Leipzig in Duitsland, de vernieuwing van het spoor van Votice naar Benešov u Prahy in Tsjechië, de vernieuwing van het Ülemiste-knooppunt in Tallinn (Estland), de renovatie van rijksweg DN6 van Alexandria naar Craiova in Roemenië, de hogesnelheidslijn van Madrid naar Valencia-Murcia in Spanje, de voltooiing van de Trakia-autosnelweg van Sofia naar de haven van Burgas aan de Zwarte Zee, metrolijn 4 van Boedapest in Hongarije, de metrolijnen van Sofia in Bulgarije en vele andere voorbeelden;

G.  overwegende dat TEN-T en vervoersinfrastructuur zoals wegen, (hogesnelheids)spoorlijnen, waterwegen en luchtverkeer EU-prioriteiten zijn en dat, als Europese investeringen achterblijven, toegenomen buitenlandse directe investeringen deze leemte zouden kunnen opvullen en winsten, belastingen en werkgelegenheid naar buiten de EU zouden kunnen verplaatsen, wat kan leiden tot meer afhankelijkheid en macro-economische instabiliteit van de regio's; overwegende dat een dergelijk proces op den duur de regionale aanwezigheid en het beleid van de Unie zou ondermijnen en dat dit zou leiden tot versnippering en divergentie;

H.  overwegende dat de ontwikkeling van de kernnetwerkcorridors een aantal integrale componenten omvat zoals infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (laadapparatuur) en intelligente, innoverende vervoerssystemen en dat deze corridors een essentiële rol spelen als katalysator voor het koolstofarm maken van het vervoerssysteem in zijn geheel;

I.  overwegende dat slim, toekomstbestendig, duurzaam en volledig onderling verbonden vervoer, energie en digitale netwerken een noodzakelijke voorwaarde vormen voor de voltooiing en soepele werking van de Europese eengemaakte markt en voor het verbinden van Europa met de wereldmarkt; overwegende dat dit echt cruciale punten zijn voor Europese economische productiviteitsgroei, territoriale cohesie en het welzijn van de burgers;

J.  overwegende dat een meer geïntegreerde aanpak voor investeringen in vervoersinfrastructuur knelpunten zal wegwerken, de multimodale connectiviteit zal verbeteren en de investeringen zal opvoeren in de verschuiving van het wegvervoer naar het spoor, in milieuvriendelijke voertuigen zoals elektrische auto's, en in spoor- en waterwegen; overwegende dat dit zal leiden tot energiediversificatie van het vervoer, groenere vervoersnetwerken en tot broeikasgasemissiereducties en een betere luchtkwaliteit en dat dit verdere maatregelen zal bevorderen ter bestrijding van de klimaatverandering;

K.  overwegende dat vervoer een belangrijke bouwsteen is van het energie- en klimaatbeleid van de EU en dat de EU-streefcijfers voor het minimumaandeel van hernieuwbare energie en voor de vermindering van broeikasgasemissies niet kunnen worden gehaald zonder een belangrijke bijdrage van het vervoer;

1.  onderstreept dat de CEF, het CF en het EFRO in de volgende programmeringsperiode de voornaamste EU-bronnen moeten blijven voor investeringen in vervoersinfrastructuur in het kader van de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren"; wenst dat vanwege de hoge Europese toegevoegde waarde en de uitgebreide overloopeffecten deze financieringsbronnen beschikbaar blijven en alle EU-lidstaten en -regio's op evenwichtige wijze bestrijken om bij te dragen tot de uitvoering van het EU‑cohesiebeleid;

2.  merkt op dat de interventielogica die ten grondslag ligt aan EU-investeringen in vervoersinfrastructuur een evenwichtige constructie van bronnen onder centraal en onder gedeeld beheer moet blijven voor de aanpak van beleids- en financieringsbehoeften; wijst erop dat de CEF bedoeld is om de EU-brede prioriteit van TEN-T-kerncorridors centraal aan te pakken, met inbegrip van aspecten met betrekking tot veiligheid, technologische innovatie en milieu; wijst er ook op dat het EFRO en het CF een sterke regionale dimensie hebben waarmee wordt ingespeeld op de lokale vraag (stedelijke en periurbane gebieden) en de regionale omstandigheden; vestigt er de aandacht op dat zij steun bieden voor de aansluiting op TEN-T en mobiliteit door middel van secundaire en tertiaire knooppunten en multimodale terminals (uitgebreid TEN-T-netwerk); onderstreept in dit verband dat de relevante budgetten voor de drie financieringsbronnen op evenwichtige wijze moeten worden versterkt om een ongelijke verdeling van de investeringen tussen de niveaus te vermijden; roept de Commissie op om vereenvoudigde, tijdige en flexibele procedures voor de overdraagbaarheid van middelen tussen regio's, operationele programma's en zwaartepunten in het kader van de ESI-fondsen te bevorderen, zodat op passende wijze kan worden ingespeeld op de veranderende economische realiteit en regionale vraag;

3.  is van mening dat de rol van aanvullende bronnen zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en financieringsinstrumenten moet worden bepaald met het oog op de complementariteit ervan met het EFRO en het CF en de additionaliteit ervan ten opzichte van kredietverlening door de EIB; merkt op dat de blendingoproep van 2017 voor de CEF op het gebied van vervoer ook is opgezet om deze synergieën te versterken, maar dat de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten en verdere ondersteuning van capaciteit eveneens nodig zijn; benadrukt in dit verband dat het EFSI als platform voor publiek-private partnerschappen (PPP's) moet fungeren door de financieringsinstrumenten op private investeringen en nationale/regionale financiering op projectniveau af te stemmen; merkt op dat voor banken aanvaardbare infrastructuurprojecten in de eerste plaats moeten worden ondersteund met leningen, EU-garanties of gemengde financiering, ter aanvulling van financiering uit hoofde van het EFRO, het CF of de CEF; is evenwel van mening dat subsidies de belangrijkste financieringsbron moeten blijven van investeringen in duurzaam openbaar vervoer;

4.  wijst erop dat voor infrastructuur een objectieve voorafgaande kwantificering van de vraag en toekomstige behoeften vereist is voordat de begroting en de uitvoeringsmethoden worden vastgesteld; onderstreept dat het in het kader van deze doelstellingen op het gebied van centrale netwerkinfrastructuren mogelijk moet zijn met de subsidiabiliteitscriteria van het EFRO en het CF de bestaande vraag op een passend territoriaal niveau in aanmerking te nemen; merkt tevens op dat modellering van het Europese grensoverschrijdende, regionale en lokale vervoersnetwerk doeltreffend kan zijn om aan te tonen waar investeringen een optimale Europese toegevoegde waarde kunnen opleveren;

5.  roept de Commissie op om met het oog op de bevordering van duurzaam vervoer en de opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren een checklist met subsidiabiliteitscriteria op te stellen waarin de lokale en regionale behoeften inzake vervoersinfrastructuur beter tot hun recht komen, om met behulp daarvan het totaal aan middelen voor vervoer en de vereiste investeringen te kunnen bepalen en prioriteiten te kunnen vaststellen; wijst erop dat gegevens van het EU-scorebord vervoer als uitgangspunt moeten worden genomen, aangezien die kwalitatief hoogstaand, betrouwbaar, actueel, gestructureerd en beschikbaar zijn; merkt voorts op dat deze checklist aspecten kan omvatten zoals multimodale connectiviteit, lokale en regionale omstandigheden, beschikbaarheid van alternatieve vervoerswijzen, veiligheid op de weg en spoorwegveiligheid, en milieueffecten;

6.  merkt op dat de investeringen in vervoersinfrastructuur uit hoofde van het EFRO, de CEF en het CF meer moeten worden afgestemd op de behoefte aan sterker geïntegreerde investeringen in basisvervoersinfrastructuur in minder ontwikkelde regio's en in bergachtige, afgelegen, dunbevolkte of ultraperifere gebieden met beperkte toegankelijkheid, wanneer de Europese toegevoegde waarde is gebleken uit een adequate kosten-batenanalyse, en merkt op dat de multimodale connectiviteit moet worden verbeterd; benadrukt dat verbetering van de toegankelijkheid in deze regio's een voorwaarde is voor economische ontwikkeling; roept de Commissie en de lidstaten op – door middel van een openbare raadpleging die aan de uitvoering van het project voorafgaat – een actievere betrokkenheid van overheidsinstanties bij vervoersoplossingen te stimuleren op nationaal, regionaal, maar ook op lokaal/stedelijk en plattelandsniveau, om optimale vervoersinvesteringen te ontwikkelen;

7.  merkt op dat duurzame innovaties in het vervoer synergieën en additionaliteit vereisen tussen de drie belangrijkste instrumenten – ESI-fondsen, CEF en Horizon 2020 en de opvolger daarvan;

8.  pleit ervoor dat met bijkomende middelen meer EFRO-steun voor Europese territoriale samenwerking wordt verleend, waarbij de nadruk ligt op belangrijke investeringen in duurzame vervoersinfrastructuur (zoals grensoverschrijdende waterwegen, havens, bruggen, spoorwegen, gekoppelde vervoerswijzen en interconnectieterminals enz.); begrijpt dat de nadruk moet liggen op aansluitingen in grensoverschrijdende regio's, met inbegrip van de buitengrenzen van de EU, en op adviesdiensten en capaciteitsopbouw op projectniveau; roept op belemmeringen weg te nemen om investeringen te vergemakkelijken, in het bijzonder grensoverschrijdende investeringen (in waterwegen, spoorweg- en wegvervoer) en toegang tot externe markten;

9.  roept wat projecten op het gebied van geïntegreerd vervoer betreft op tot het wegwerken van de hiaten inzake vervoersinfrastructuur met betrekking tot de Westelijke Balkan door zich te richten op verdere investeringen in connectiviteit en op het aanpakken van vervoersknelpunten, met name gezien de mededeling van de Commissie over het Europese perspectief voor de Westelijke Balkan; wijst in dit verband op het belang van de Europese territoriale samenwerking en de macroregionale strategieën voor projecten inzake geïntegreerd vervoer, en geeft zich rekenschap van de behoefte aan betere coördinatie van de vervoersplannen en -projecten om hiaten inzake vervoer weg te werken, bijv. met betrekking tot de Westelijke Balkan; wijst er in dit verband voorts op dat zeehavens en waterwegen heel vaak grensoverschrijdende entiteiten zijn en dat zij in aanmerking moeten komen voor hetzelfde medefinancieringspercentage als grensoverschrijdende spoorweg- en wegenprojecten;

10.  benadrukt dat de klimaatbescherming in het cohesiebeleid moet worden geïntegreerd om de doelstelling inzake duurzaam vervoer te verwezenlijken en aldus te voldoen aan de EU-doelstellingen inzake de terugdringing van CO2-emissies; verzoekt de Commissie de lidstaten te verplichten om EU-milieuwetgeving te integreren in de goedkeuring en planning van projecten die voor financiering in aanmerking komen, met name de richtlijnen inzake Natura 2000, de strategische milieubeoordelingen en de milieueffectbeoordelingen, de richtlijn inzake luchtkwaliteit, de kaderrichtlijn water, de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn, alsmede het mechanisme voor rapportage over vervoer en milieu (TERM) van het Europees Milieuagentschap;

11.  benadrukt dat er meer steun moet worden verleend voor de bevordering van verstandig beheer van het verkeer, onder meer door digitalisering, door een efficiënter gebruik van de bestaande infrastructuur en door een verschuiving naar daluren;

12.  dringt aan op een adequaat en ambitieus gemeenschappelijk Europees vervoersbeleid op basis van een financieringskader dat wordt geïntegreerd in en gecoördineerd met de EU‑instrumenten op het gebied van vervoer; is van mening dat thematische concentratie behouden moet blijven om op projectniveau vereenvoudiging en synergieën tussen verschillende financieringsbronnen mogelijk te maken; stelt voor een uniforme reeks regels in te stellen voor alle financieringsbronnen met betrekking tot alle thematische doelstellingen; acht het noodzakelijk de procedures inzake openbare aanbestedingen en de naleving van staatssteunregels te stroomlijnen, te standaardiseren en te versnellen;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten projecten in de volgende programmeringsperiode mee te blijven financieren volgens het beginsel "gebruiken of verliezen";

14.  is ingenomen met het werk van de Gezamenlijke Ondersteuning van projecten in de Europese regio's (Jaspers), het Europees expertisecentrum op het gebied van publiek-private partnerschappen (EPEC) en de Europese investeringsadvieshub (EIAH); verwacht echter dat de EIB-groep bij haar activiteiten op het gebied van vervoersinfrastructuur in de EU in een eerder stadium, bij de vaststelling en de beoordeling vooraf van projecten met Europese toegevoegde waarde, aanzienlijk meer middelen besteedt aan uitgebreide adviesverlening aan lokale, regionale en nationale autoriteiten;

15.  verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe verordening(en) inzake het cohesiebeleid na 2020 meer financiële middelen ter beschikking te stellen voor steden, zodat zij gezamenlijk aanbestedingen kunnen uitschrijven voor infrastructuur of technologieën die kunnen bijdragen tot het koolstofarm maken van het stedelijk vervoer en het verminderen van de luchtvervuiling door wegvoertuigen;

16.  steunt overeenkomstig de verklaring van Valletta over verkeersveiligheid de toewijzing van adequate middelen aan onderzoek, programma's en projecten om de verkeersveiligheid in Europa te bevorderen;

17.  benadrukt dat middelen moeten worden uitgetrokken ter ondersteuning van duurzame stedelijke mobiliteit, de ontwikkeling van intelligente vervoerssystemen, het ondersteunen van projecten voor fietsers en voetgangers en het verbeteren van de toegankelijkheid van het vervoer voor personen met een handicap;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(4) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.
(6) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0067.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0222.
(10) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 155.
(11) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 35.

Laatst bijgewerkt op: 7 november 2018Juridische mededeling