Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2117(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0064/2018

Ingediende teksten :

A8-0064/2018

Debatten :

PV 02/05/2018 - 32
CRE 02/05/2018 - 32

Stemmingen :

PV 03/05/2018 - 7.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0203

Aangenomen teksten
PDF 240kWORD 67k
Donderdag 3 mei 2018 - Brussel Definitieve uitgave
Huidige situatie en vooruitzichten van de schapen- en geitensector in de EU
P8_TA(2018)0203A8-0064/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over de huidige situatie en de vooruitzichten van de schapen- en geitensector (2017/2117(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbevelingen van het Europees Forum voor schapenvlees dat in 2015 en in 2016 is georganiseerd onder auspiciën van de Commissie,

–  gezien het onderzoek, dat de beleidsondersteunende afdeling B van het Europees Parlement op verzoek van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling heeft doen uitvoeren over de toekomst van de sector schapen- en geitenvlees in Europa,

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2008 over de toekomst van de sector schapen- en geitenvlees in Europa(1),

–  gezien de door de Commissie verrichte "beoordeling van de maatregelen van het GLB in de schapen- en geitensector" uit 2011,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over het EU-actieplan voor natuur, mens en economie,

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (COM(2017)0339),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten,

–  gezien de conclusies van de Nederlandse Ombudsman in 2012 in zijn rapport over de aanpak van de overheid rondom Q-koorts(3) en in 2017 in zijn onderzoek naar de lessen die de Nederlandse overheid uit de Q-koorts epidemie(4) heeft getrokken,

–  gezien artikel 52 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0064/2018),

A.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij in de meeste lidstaten wordt gekenmerkt door lage winsten, met inkomens die tot de laagste in de EU behoren, hetgeen grotendeels te verklaren is door de hoge operationele en regelgevingskosten, die soms zelfs de verkoopprijzen overstijgen, en zware administratieve lasten, die ertoe leiden dat er steeds meer bedrijven moeten sluiten;

B.  overwegende dat onevenwichtigheden in de voedselvoorzieningsketen deze sectoren nog kwetsbaarder maken en dat de Commissie daartegen tot dusver niet de noodzakelijke, door het Parlement gevraagde regelgevingsmaatregelen heeft getroffen;

C.  overwegende dat het onmogelijk is de schapen- en geitenproductie op te zetten en in stand te houden zonder garantie op stabiele inkomsten voor de veehouders;

D.  overwegende dat de schapen- en geitenfokkerij in Europa seizoensgebonden is, in tegenstelling tot in andere regio's in de wereld, die het helle jaar door volledig kunnen fokken en produceren; overwegende dat het sterk seizoensgebonden karakter kan leiden tot economische onzekerheid voor veehouders en producenten;

E.  overwegende dat beide sectoren potentieel hebben om banen te scheppen en te behouden in achtergestelde gebieden, zoals afgelegen regio's en berggebieden;

F.  overwegende dat de schapen- en de geitensector een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van en werkgelegenheid in talrijke kwetsbare landelijke gebieden en stedelijke agglomeraties, in het bijzonder dankzij de verkoop van schapen- en geitenvlees en hoogwaardige zuivelproducten, die via korte, lokale toeleveringsketens op de markt kunnen worden gebracht;

G.  overwegende dat schapenfokkers moeite hebben om gekwalificeerde en soms zelfs ongeschoolde arbeidskrachten te vinden;

H.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij in talrijke lidstaten deel uitmaakt van het culturele erfgoed en hoogwaardige traditionele producten oplevert;

I.  overwegende dat de schapen- en geitensector moet voldoen aan de hoogste normen ter wereld inzake voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eerbiediging van het milieu;

J.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij, met name als die gebaseerd is op begrazing, een belangrijke rol speelt in de ecologische duurzaamheid, aangezien die gebezigd wordt in 70 % van de EU-gebieden met geografische handicaps, waaronder afgelegen en relatief ontoegankelijke regio's, en zo bijdraagt aan het behoud van de biodiversiteit (met inbegrip van inheemse rassen) en aan de bestrijding van erosie, ongewenste ophoping van biomassa, schade aan oevers en dijken, lawines en bos- en heidebranden;

K.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij een belangrijke sociaaleconomische bijdrage levert aan het Europese platteland doordat zij de landbouw en de werkgelegenheid in minder begunstigde gebieden in stand houdt en hoogwaardige traditionele producten levert;

L.  overwegende dat de generatievernieuwing onder veehouders moet worden verbeterd om het voortbestaan van dit soort veehouderij te verzekeren en een halt toe te roepen aan de snelle ontvolking van veel landelijke gebieden, waar basisdiensten en dienstverlening voor gezinnen schaars zijn, wat vooral gevolgen heeft voor vrouwen, die op vaak onzichtbare wijze een groot deel van het werk in de sector voor hun rekening nemen;

M.  overwegende dat deze sectoren dankzij factoren zoals beperkte kapitalisering, een goed ontwikkelde collectieve organisatie, wederzijdse bijstand en coöperatieve bedrijven met uitrusting voor gemeenschappelijk gebruik, een gunstig klimaat en goede kansen bieden voor jongeren die vee willen houden in een kleinschalige structuur of voor het starten van bedrijven;

N.  overwegende dat de gemiddelde leeftijd van de schapen- en geitenhouders stijgt en dat er onvoldoende kennisoverdracht plaatsvindt tussen generaties, hetgeen de vlotte werking van beide sectoren in de weg staat en het gevaar inhoudt dat er in de toekomst gebrek aan vaardigheden en kennis zal ontstaan; overwegende dat fokkers en producenten van verwerkte kwaliteitsproducten, zoals ambachtelijke kaas, vaak niet over de nodige marketing- en verkoopvaardigheden beschikken om hun producten op een aantrekkelijke manier in de handel te brengen;

O.  overwegende dat schapen- en geitenhouderij in de EU in de meeste gevallen extensief is, bijvoorbeeld op grasland; overwegende dat die houderij in sommige lidstaten op een intensief model gebaseerd is;

P.  overwegende dat deze sectoren bijdragen aan de instandhouding van gebieden van hoge ecologische of natuurwaarde, zoals weiden en arm grasland, graasgebieden met houtachtige planten en in bossen (dehesas), en minder vruchtbaar land, en dat zij ook een cruciale rol spelen bij het korthouden van ondergroei;

Q.  overwegende dat de definitie van blijvend grasland voor de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2017/2393(5) onvoldoende rekening hield met mediterraan grasland met overblijvende houtachtige plantensoorten, zoals dehesas en andere ecosystemen die verband houden met de boslandbouw, waardoor minder areaal in aanmerking kwam voor directe steun en de veehouders in deze gebieden werden benadeeld;

R.  overwegende dat het herdersbestaan een traditionele activiteit is binnen de extensieve veeteelt, die vooral wordt bedreven in berggebieden en die ontwikkeling mogelijk maakt in moeilijk toegankelijke of moeilijk te bewerken gebieden met een lage agronomische waarde, er zo voor zorgt dat er in deze gebieden een economische activiteit kan blijven bestaan;

S.  overwegende dat transhumance in sommige lidstaten deel uitmaakt van de veeteeltpraktijken;

T.  overwegende dat in het huidige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is voorzien in steun voor verschillende inheemse schapen- en geitenrassen;

U.  overwegende dat die rassen goed zijn aangepast aan de plaatselijke omgeving en een substantiële rol spelen in de instandhouding van de biodiversiteit en het natuurlijke evenwicht in hun habitats;

V.  overwegende dat inheemse rassen veel beter aangepast zijn aan de omstandigheden en kenmerken van het gebied waarin zij voorkomen;

W.  overwegende dat er momenteel 25 miljoen minder schapen zijn dan in de jaren '80 en dat de productie de afgelopen 17 jaar met meer dan 20 % is gedaald;

X.  overwegende dat de consumptie van schapen- en geitenvlees de afgelopen jaren aanzienlijk is gedaald, in het geval van schapenvlees van 3,5 kilo per persoon in 2001 tot 2 kilo nu, en dat die neerwaartse trend in 2017 heeft doorgezet, vooral onder jongeren;

Y.  overwegende dat de markt voor geitenvlees in Europa erg specifiek is, aangezien de productie in hoge mate geconcentreerd is in Griekenland, Spanje en Frankrijk bevindt en er vooral in Portugal, Italië en Griekenland veel geitenvlees wordt gegeten;

Z.  overwegende dat de productie van geitenvlees, afkomstig van geitenlammeren of volwassen uitstootdieren, seizoensgebonden is en een bijproduct van de zuivelproductie is dat gecontroleerd wordt door een gering aantal marktdeelnemers en waarvan de verkoopprijs niet hoog genoeg is om de veehouders te vergoeden;

AA.  overwegende dat de beperkte beschikbaarheid van geitenvlees in verkooppunten de zichtbaarheid van het product aantast, waardoor de consument minder geitenvlees eet;

AB.  overwegende dat de schapen- en geitensector goed is voor 3 % van de Europese melkproductie en 9 % van de Europese kaasproductie en dat er in de Europese Unie in totaal 1,5 miljoen mensen werkzaam zijn in deze sectoren;

AC.  overwegende dat de consumptie van geitenmelk- en kaas de afgelopen jaren in een aantal lidstaten aanzienlijk is toegenomen;

AD.  overwegende dat de productie van schapenvlees in de Unie slecht zo'n 87 % van de vraag dekt en dat de invoer uit derde landen, vooral uit Nieuw-Zeeland, het concurrentievermogen van de producten uit de EU aantast in de gevoeligste periodes van het jaar (Pasen en Kerstmis), maar ook tijdens de rest van het jaar, aangezien Nieuw-Zeeland en Australië grote exporteurs van schapenvlees zijn;

AE.  overwegende dat Nieuw-Zeeland de afgelopen jaren meer vers of gekoeld vlees is gaan uitvoeren en zijn traditionele uitvoer van bevroren vlees heeft beperkt, waardoor zijn invloed op de Europese markt voor vers vlees toeneemt en de prijzen die aan de Europese producenten worden betaald, dalen; overwegende dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de komende onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland;

AF.  overwegende dat de Europese producenten vaak niet op gelijke voet concurreren met de invoer uit derde landen, waarvoor vaak minder strenge kwaliteitsnormen, regelgevingseisen en milieunormen gelden;

AG.  overwegende de schapen- en de geitensector een gevoelige sector is die bij de lopende onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomsten tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland en Australië moet worden beschermd of volledig uitgesloten moet worden van die overeenkomsten;

AH.  overwegende dat sommige regio's in het nabuurschap van de EU belangstelling tonen voor schapen- en geitenproducten uit de EU, hetgeen een kans betekent voor de producenten in de EU die helaas niet ten volle wordt benut;

AI.  overwegende dat brexit aanzienlijke veranderingen teweeg zou kunnen brengen in de schapenvleeshandel binnen de EU, aangezien het VK de grootste producent en de belangrijkste haven van binnenkomst voor de invoer uit derde landen is;

AJ.  overwegende dat het VK ongeveer de helft van zijn marktquota voor schapenvlees uit Nieuw-Zeeland betrekt en bijna twee derde uit Australië en dat de Unie niet van de ene dag op de andere onder haar internationale verbintenissen uit kan, wat de door de brexit veroorzaakte onzekerheid nog verder vergroot;

AK.  overwegende dat schapen- en geitenwol een duurzame, hernieuwbare en biologisch afbreekbare grondstof voor de textielsector is;

AL.  overwegende dat wol niet als landbouwproduct is erkend uit hoofde van bijlage I bij het VWEU, maar slechts als dierlijke bijproduct is ingedeeld in Verordening (EU) nr. 142/2011;

AM.  overwegende dat de schapenhouders door dit gebrek aan erkenning worden benadeeld ten opzichte van andere veehouders, omdat voor wol strengere voorschriften gelden tijdens het vervoer dan voor erkende landbouwproducten, en omdat er voor wol geen marktinterventies via een gedeelde marktorganisatie mogelijk zijn;

AN.  overwegende dat de schapen- en geitenproductie hoofdzakelijk extensief van aard is, waardoor zij rechtstreeks in contact staat met in het wild levende dieren, waarvan de gezondheidstoestand niet kan worden gegarandeerd;

AO.  overwegende dat het scrapieplan van Verordening (EG) nr. 999/2001 tot een beperking van de uitwisseling van fokvee met 100 % heeft geleid en dat de scrapie-genotypering voor kleine, inheemse rassen een daling van het aantal mannelijke fokdieren met 50 % tot gevolg heeft gehad;

AP.  overwegende dat recente uitbraken van dierziekten hebben aangetoond dat een uitbraak in één lidstaat een bedreiging voor de gehele Europese landbouwmarkt kan vormen, zoals gebleken is bij de diverse epidemieën die de Europese Unie getroffen hebben, waarvan sommige, zoals de grootste Q-koortsepidemie ooit die tussen 2007 en 2011 in de geitenhouderij woedde, gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid;

AQ.  overwegende dat het vaccineren van schapen en geiten de kuddes in de lidstaten beschermt tegen grensoverschrijdende ziekten, waardoor het risico van het overslaan van ziektes naar andere lidstaten wordt beperkt en de effecten van antimicrobiële resistentie worden afgezwakt;

AR.  overwegende dat immunisatie door vaccinatie volgens het Europees "één gezondheid"-Actieplan tegen antimicrobiële resistentie een kosteneffectieve volksgezondheidsmaatregel is in de strijd tegen antimicrobiële resistentie, ondanks het feit dat het gebruik van antibiotica op de korte termijn goedkoper is, en dat het plan ook voorziet in maatregelen om te stimuleren dat er meer gebruik wordt gemaakt van diagnoses, antimicrobiële alternatieven en vaccins;

AS.  overwegende dat het systeem voor de elektronische identificatie van schapen en geiten de traceerbaarheid van de dieren effectief garandeert, maar dat het verlies van oormerken of onopzettelijke fouten bij het uitlezen ervan tot soms onevenredig zware sancties kunnen leiden;

AT.  overwegende dat de veehouders ook problemen ondervinden bij de toepassing van de huidige identificatievoorschriften voor geitenlammeren;

AU.  overwegende dat de bescherming die de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) bepaalde diersoorten biedt, en met name grote carnivoren, de verslechtering van hun natuurlijke habitats en de vermindering van het aantal en de kwaliteit van hun natuurlijke prooien, in combinatie met de ontvolking van het platteland en het ontbreken van investeringen in preventiemaatregelen door de lidstaten, hebben bijgedragen tot een toename van het aantal aanvallen op schapen- en geitenbeslagen in alle regio's, wat de toch al precaire situatie waarin sommige bedrijven verkeren nog verder aanscherpt en traditionele vormen van landbouw en veeteelt in vele gebieden in het gedrang brengt;

AV.  overwegende dat roofdieren en grote carnivoren in sommige regio's van de Europese Unie een goede instandhoudingsstatus hebben bereikt;

AW.  overwegende dat erover moet worden gedacht om de mogelijkheid in te voeren om de beschermingsstatus van soorten in bepaalde regio's te wijzigen zodra de gewenste instandhoudingsstatus is bereikt;

AX.  overwegende dat schapen- en geitenhouders worden geconfronteerd met heel wat bureaucratie en administratieve lasten die niet alleen voortvloeien uit hoofde het GLB, maar ook uit andere EU-regelgeving, zoals die inzake de behandeling van niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten;

AY.  overwegende dat de markt voor schapen- en geitenvlees sterk versnipperd is en met een gebrek aan transparantie in de verslaglegging over de marktprijzen kampt;

AZ.  overwegende dat er in sommige lidstaten maar zeer weinig slachthuizen zijn, hetgeen de ontwikkeling van de sectoren in die lidstaten belemmert;

BA.  overwegende dat de herstructurering van de slachtindustrie, de naleving van de gezondheidsregels en het dalende aantal slachtingen ten gevolge van de afname van de veehouderijactiviteiten in talrijke regio's hebben geleid tot de verdwijning van de economische instrumenten die noodzakelijk zijn om de lokale toeleveringsketens toegevoegde waarde te geven en in stand te houden;

BB.  overwegende dat onder andere de herstructurering van de slachtindustrie, de maatregelen die zijn ingevoerd naar aanleiding van de "gekkekoeienziekte" en het hygiëne- en gezondheidspakket, in veel landen hebben geleid tot de verdwijning van diverse instrumenten die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de rechtstreekse lokale verkoop, alsook tot hogere slachtkosten;

BC.  overwegende dat mobiele melkinstallaties en slachthuizen of maatregelen om dergelijke faciliteiten ter plekke beschikbaar te maken belangrijk en noodzakelijk zijn om de productiviteit van de schapen- en geitenhouderij te bevorderen;

BD.  overwegende dat de verscheidenheid van eindproducten in de schapen- en geitenvleessector vaak minder groot is dan bij andere soorten vlees, waardoor die producten minder aantrekkelijk zijn en er bijgevolg minder vraag naar is onder de consumenten;

BE.  overwegende dat de toegevoegde waarde van de vleesproductie moet worden verbeterd en er vernieuwende formules moeten worden ingevoerd die beter zijn afgestemd op het consumptiepatroon van jongeren;

BF.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij niet alleen de consumenten in de EU voorziet van een breed scala aan vlees-, zuivel- en wolproducten, maar ook een vitale culturele rol speelt in talrijke gemeenschappen, met evenementen zoals het kukeri-feest in Bulgarije en de capra-tradities in Roemenië;

BG.  overwegende dat er in talrijke lidstaten een steeds grotere markt bestaat voor lokale en biologische landbouwproducten, die beantwoorden aan de vraag van consumenten naar transparantie en kwaliteit;

BH.  overwegende dat de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1151/2012 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 665/2014 de facultatieve kwaliteitsaanduiding "product uit de bergen" mogen gebruiken om producten uit de schapen- en geitenhouderij die afkomstig zijn uit berggebieden meer zichtbaarheid te geven;

BI.  overwegende dat de kwaliteitsregelingen van de EU, en met name de BGA- (beschermde geografische aanduiding) en de BOB- (beschermde oorsprongsbenaming) keurmerken, een middel vormen om de producten uit de schapen- en geitenhouderij meer zichtbaarheid te geven en bijgevolg betere kansen te creëren om die met succes op de markt te brengen;

BJ.  overwegende dat sommige lidstaten geen structureel beleid kennen voor de ontwikkeling van beide of een van beide sectoren, hetgeen de ontwikkeling ervan in de weg staat;

BK.  overwegende dat dergelijk beleid aanbevelingen zou kunnen omvatten voor verschillende fases, zoals het fokken (rassenselectie, productie van rammen, enz.), alsook voor de marktrealisatie;

Betere ondersteuning

1.  steunt de aanbevelingen die in 2016 zijn gepubliceerd door het Forum voor schapenvlees dat onder auspiciën van de Commissie werd gehouden, en meer in het bijzonder de noodzaak milieubetalingen in te voeren ter erkenning van de rol die de schapen- en geitensector speelt bij het leveren van collectieve goederen, met name in geval van extensieve begrazing, op gebieden als bodemverbetering en het behoud van biodiversiteit, ecosystemen, ecologisch belangrijke gebieden en waterkwaliteit, het voorkomen van klimaatverandering, overstromingen, lawines, bosbranden en daarmee gepaard gaande erosie, en het behoud van het landschap en de werkgelegenheid; benadrukt dat deze aanbevelingen ook zouden moeten gelden voor geitenvlees en voor melkproducten van schapen en geiten;

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen om stimulansen te bieden aan landbouwers die transhumance toepassen;

3.  pleit ervoor om bij de komende hervorming van het GLB de vrijwillige gekoppelde steun voor de schapen- en geitensector en andere relevante maatregelen voor beide sectoren te behouden of indien mogelijk te verhogen, met gedifferentieerde subsidies voor veebeslagen die worden geweid, om de leegloop in deze sectoren in de EU af te remmen, gezien het feit dat veel schapen- en geitenhouders sterk afhankelijk zijn van rechtstreekse betalingen;

4.  onderstreept dat de regeling inzake vrijwillige gekoppelde steun in het kader van de overeenkomst die is bereikt bij de onderhandelingen over Verordening (EU) 2017/2393 wordt vereenvoudigd en verduidelijkt omdat geen gewag meer wordt gemaakt van kwantitatieve beperkingen en productiebehoud en bepaalde subsidiabiliteitscriteria en het totale budget jaarlijks door de lidstaten kunnen worden herzien;

5.  verzoekt de lidstaten om de agromilieubetalingen uit te breiden naar grasland dat gebruikt wordt voor begrazing door schapen en geiten en steun te verlenen aan houders die voor meer dierenwelzijn zorgen;

6.  is ingenomen met de overeenkomst die is bereikt bij de onderhandelingen over de Verordening (EU) 2017/2393, waarin de specifieke eigenschappen van mediterraan grasland, zoals dehesas, worden erkend, waardoor er eerlijkere regelingen kunnen worden getroffen inzake land dat in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen en er een einde wordt gemaakt aan de intrinsieke discriminatie van de begrazing van arm grasland en silvo-pastorale systemen;

7.  benadrukt het belang van dit soort weidegronden voor de brandpreventie, maar constateert dat deze verbeteringen nog steeds facultatief zijn voor de lidstaten;

8.  meent dat andere ecosystemen die verband houden met de begraasde boslandbouw in dat opzicht evenmin mogen worden gediscrimineerd en vraagt om het criterium van 50 % gras in bebost gebied waaraan veehouders moeten voldoen om een rechtstreekse areaalbetaling te kunnen krijgen, te schrappen voor de geiten- en schapenhouders;

9.  pleit ervoor om dieren ook te laten grazen in gebieden van ecologisch belang, met inbegrip van droog en arm grasland zoals dat in sommige minder begunstigde regio's voorkomt;

10.  benadrukt dat begrazing niet moet worden toegestaan als het gevaar bestaat dat gevoelige natuurgebieden geschaad worden; onderstreept in dat verband het grote belang van herkauwers in de exploitatie van ruwe vezels;

11.  acht het noodzakelijk om meer steun te verlenen aan jonge boeren en nieuwe starters, zowel via de rechtstreekse steun als via steun uit hoofde van het plattelandsontwikkelingsbeleid, in overeenstemming met het nationaal beleid, met het oog op de invoering van maatregelen om het opzetten of overnemen van schapen- en geitenhouderijen te stimuleren, aangezien de hoge gemiddelde leeftijd in de veeteelt, die zelfs duidelijk hoger is dan die in andere landbouwberoepen vanwege de geringe winstgevendheid, een van de belangrijkste uitdagingen vormt voor de leefbaarheid van het platteland en de voedselzekerheid in de Unie;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de specifieke problemen die worden gesignaleerd door vertegenwoordigende organisaties van vrouwen die in deze sector werken, door onder meer maatregelen te nemen om hun zichtbaarheid te vergroten, eigendom en mede-eigendom te stimuleren en te voorzien in de nodige diensten om gezinnen te ondersteunen;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke programma's uit te werken om vrouwen in staat te stellen hun plek te vinden in deze specifieke sectoren, aangezien dit een grote bijdrage zou kunnen leveren aan de noodzakelijke generatievernieuwing in de sector en de instandhouding van de schapen- en geitenhouderij als familiebedrijf;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om beter te waken over de diversiteit van de genetische hulpbronnen in de schapen- en geitensector, gezien het belang daarvan voor de productiviteit (vruchtbaarheid enz.), de kwaliteit van de producten en de aanpassing van de dieren aan hun omgeving;

15.  is ingenomen met de huidige steun om inheemse rassen en rassen van kenmerkende kwaliteit te bevorderen, zoals biologische certificatie;

16.  benadrukt dat in dit verband bij de fokplannen rekening moet worden gehouden met de instandhouding van lokale en landrassen;

17.  benadrukt hoe belangrijk inheemse schapen- en geitenrassen zijn voor de begrazing van het Alpengebied, aangezien dat niet door andere diersoorten kan worden benut;

18.  roept de Commissie op maatregelen te nemen om de steun voor dit soort schapen- en geitenhouderij op te voeren;

19.  verzoekt om meer steun voor producentenorganisaties in de schapen- en geitensector;

20.  houdt rekening met de ontwikkeling van subsidies in deze sectoren, die van het allergrootste belang is om de efficiëntie en het concurrentievermogen in de productie te vergroten, de productkwaliteit te verbeteren en het vermogen van de EU om haar eigen vraag naar schapenvlees te dekken, te vergroten, aangezien dit allemaal doelen zijn die stroken met de doelstellingen van de EU op het gebied van efficiëntie-ontwikkeling en kwaliteitsverbetering;

Afzetbevordering en innovatie

21.  verzoekt de Commissie om meer steun te verlenen voor onderzoek naar innovatieve productiemethoden en -technologieën om het concurrentievermogen van de schapen-en geitensector te vergroten en de afzet van vlees-, zuivel- en wolproducten te bevorderen op de interne markt, waarbij de nadruk niet alleen moet liggen op traditionele producten zoals kaas, maar ook op nieuwere soorten vleesproducten, zodat er een aanbod ontstaat dat beantwoordt aan de verwachtingen van de consumenten en de marktvraag; verzoekt de Commissie eveneens een regelmatigere consumptie aan te moedigen door middel van informatiecampagnes over recepten en bereidingswijzen die aangepast zijn aan de nieuwe consumptiepatronen, ook in nieuwe opkomende markten in buurlanden en in het oosten, en waarin de nadruk wordt gelegd op de voedingswaarde en gezondheidsvoordelen van schapen- en geitenvlees;

22.  acht het noodzakelijk het idee te ontkrachten dat lamsvlees moeilijk te bereiden zou zijn en de huidige trend om rood vlees te vermijden te keren;

23.  wijst erop dat er absoluut inspanningen moeten worden geleverd om de consumptie van schapen- en geitenvlees te vergroten als de productie in de EU wordt opgevoerd;

24.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om binnen de volgende door de Unie gesubsidieerde afzetbevorderingscampagnes in een specifieke begrotingslijn voor vlees- en melkproducten van geiten en schapen te voorzien;

25.  onderstreept dat reclamecampagnes om de consumptie van producten van geiten en schapen te verhogen in de gehele EU voldoende financiering moeten krijgen;

26.  wenst dat vachten en wol worden opgenomen onder de producten die voor steun in aanmerking komen;

27.  verzoekt de Commissie campagnes te coördineren om de invoering van BGA- en BOB-keurmerken voor producten van schapen en geiten te stimuleren om die aantrekkelijker te maken; verzoekt om een grondige studie naar de afzetmogelijkheden voor wol om producenten van een grotere opbrengst te verzekeren;

28.  spoort meer lidstaten ertoe aan om de facultatieve kwaliteitsaanduiding "product uit de bergen" te gebruiken, zoals voorzien in de huidige EU-regelgeving, die een instrument vormt om de producten meer zichtbaarheid te geven en consumenten in staat te stellen om een beter geïnformeerde keuze te maken;

29.  benadrukt de noodzaak van invoering van garantiemerken voor vlees van schapen- en geitenlammeren, zowel voor individuele producenten als voor producentenverenigingen als mogelijke begunstigden van steun voor kenmerkende kwaliteit; benadrukt dat die merken moeten worden goedgekeurd door de bevoegde lokale autoriteit overeenkomstig de toepasselijke regelingen en bepalingen inzake het gebruik van dergelijke merken;

30.  verzoekt om steun voor EU-brede promotie-evenementen rond de schapen- en geitensector, zoals festivals of andere soortgelijke jaarlijkse evenementen, als middel om de bevolking meer bewust te maken van de voordelen van deze sectoren voor de EU, het milieu en de burgers;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de benutting van het grote potentieel van traditionele praktijken in de schapen- en geitenhouderij te ondersteunen via agrotoerisme;

Goede praktijken

32.  verzoekt de Commissie om de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van een schapen- en geitensector waarin de toegevoegde waarde op de bedrijven kan worden gemaximaliseerd via een kwaliteitsvol beleid dat bevorderlijk is voor de productie van melkproducten op het bedrijf, die hoofdzakelijk in korte ketens en op plaatselijke markten worden afgezet; wijst er in dit verband op dat de Commissie erop moet toezien dat de hygiënevoorschriften in alle lidstaten beter worden toegepast, in het bijzonder door gebruik te maken van de "Europese gids voor goede hygiënische praktijken in de ambachtelijke kaasproductie" die in samenwerking met de Commissie is uitgewerkt door het FACE-netwerk (Farmhouse and Artisan Cheese & Dairy Producers European Network);

33.  verzoekt de Commissie om een onlineplatform op te zetten voor de schapen- en de geitensector, dat hoofdzakelijk bestemd moet zijn voor het uitwisselen van goede praktijken en gegevens van de lidstaten;

34.  dringt er bij de Commissie op aan om richtsnoeren voor goede afzetpraktijken voor producten uit de schapen- en geitensector op te stellen, die vervolgens kunnen worden verspreid in de lidstaten en onder de beroepsorganisaties;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om meer aandacht te schenken aan de wolproducerende en -verwerkende sector door de tenuitvoerlegging van programma's voor de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de actoren in de wolverwerkingsketen te ondersteunen;

36.  dringt er bij de Commissie op aan om na te gaan of bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en Verordening (EU) nr. 142/2011 inzake de behandeling van dierlijke bijproducten een uitzondering kan worden gemaakt voor wol, aangezien het gaat om een product dat niet bestemd is voor menselijke consumptie;

Marktverbetering

37.  roept de Commissie op om voorstellen in te dienen inzake prijstransparantie in de schapen- en geitensector teneinde consumenten en producenten informatie te verstrekken over productprijzen;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te overwegen om de regelingen inzake hele geslachte dieren te harmoniseren opdat zij de werkelijke kosten weerspiegelen, zonder afbreuk te doen aan de biodiversiteit waarvoor lokale rassen zorgen, en om een Europese waarnemingspost in het leven te roepen die toezicht houdt op de prijzen en de productiekosten van schapen- en geitenvlees; wijst op het belang van toezicht op de marges in de gehele voedselvoorzieningsketen, ook wat de groothandelsprijzen betreft;

39.  waarschuwt ervoor dat een stagnerende of dalende vraag en een hogere productie tot lagere prijzen voor de producenten kunnen leiden;

40.  herinnert eraan dat producenten van schapen- of geitenmelk die verenigd zijn in producentenorganisaties, uit hoofde van artikel 149 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 de mogelijkheid hebben om gezamenlijke contractuele onderhandelingen te voeren voor maximaal 33 % van de nationale productie en 3,5 % van de Europese productie; onderstreept dat die drempels hoofdzakelijk zijn ingevoerd voor de productie van rauwe koemelk en bijgevolg beperkend zijn en weinig zijn aangepast aan de productie van kleine herkauwers, in het bijzonder wanneer veehouders zich willen organiseren in verenigingen van lokale producentenorganisaties of producentenorganisaties van meerdere kopers of wanneer zij te maken hebben met grote industriële concerns;

41.  vraagt om precieze indicatoren uit te werken om een nauwere follow-up van de productie en consumptie van en de handel in geitenvlees mogelijk te maken, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen volwassen dieren en lammeren;

42.  is van mening dat de onderhandelingspositie en de marktmacht van de producenten in de voedselvoorzieningsketen moeten worden verbeterd door de regels inzake contractuele betrekkingen voor de schapen- en geitensector uit te breiden, zowel voor vlees- als voor zuivelproducten, door producentenorganisaties en brancheorganisaties op te zetten zoals dat reeds gebeurt in andere landbouw- en veeteeltsectoren, in overeenstemming met het akkoord dat is bereikt in het kader van Verordening (EU) 2017/2393, teneinde het concurrentievermogen te vergroten en de productiviteit van de sector, die momenteel laag is, te verbeteren;

43.  vraagt om voor schapenvlees dezelfde BOB- en BGA-keurmerken in te voeren als voor ham, overeenkomstig artikel 172 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, als beheersmaatregel om ervoor te zorgen dat het aanbod beter kan worden afgestemd op de vraag;

44.  onderstreept dat producentenorganisaties en verenigingen van producentenorganisaties voor schapen- of geitenmelk zich aan de bindende plafonds van artikel 149 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kunnen onttrekken als zij overeenkomstig artikel 152 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2393 samen een economische activiteit verrichten (afzetbevordering, kwaliteitscontrole, verpakking, etikettering of verwerking);

45.  moedigt alle lidstaten die dat nog niet doen om de financiële steun uit het melkpakket uit te breiden tot de schapen- en geitenmelksector;

46.  meent dat moet worden voorkomen dat producten van de schapen- en geitenhouderij onder de producentenprijs worden verkocht;

47.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten een onderzoek in te stellen naar de toeleveringsketen van schapen- en geitenvlees (en daarbij onder meer onderscheid te maken tussen vlees van volwassen dieren en dat van lammeren) om ervoor te zorgen dat de landbouwers een eerlijke marktprijs voor hun producten krijgen;

48.  wijst in dat verband op het belang van rechtstreekse afzet van producten van de schapen- en geitenhouderij;

49.  verzoekt de Commissie rechtstreekse verkoop door producenten en producentenverenigingen te stimuleren om kunstmatige prijsstijgingen te beperken;

50.  pleit voor de ontwikkeling van lokale toeleveringsketens in de schapenhouderij als middel om de inkomsten van de schapenhouderijen te verhogen en vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, en vraagt de lidstaten en de Commissie om bijzondere aandacht te besteden aan hun openbaar beleid inzake lokale slachthuizen, die onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van deze lokale toeleveringsketens;

51.  herinnert eraan dat de producenten uit hoofde van artikel 150 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 maatregelen kunnen treffen om het aanbod van kaas, in het bijzonder van schapen- of geitenmelk met een BOB- of BGA-keurmerk, te reguleren;

52.  is ingenomen met het feit dat deze instrumenten in het kader van de overeenkomst die bij de onderhandelingen over Verordening (EU) 2017/2393 is bereikt, tot na 2020 zijn verlengd;

53.  acht het noodzakelijk om veehouders te stimuleren om hun aanbod te concentreren in samenwerkingsverbanden zoals coöperaties om zo hun onderhandelingspositie binnen de toeleveringsketen te versterken, de productie van de aangesloten veehouders meerwaarde te bieden en acties op te zetten die de kosten helpen verlagen of die moeilijk op individueel niveau te realiseren zijn, zoals innovatie en fokadvies;

54.  spoort de autoriteiten in de lidstaten waar beroepsorganisaties in de schapen- en geitensector duidelijk belangstelling hebben getoond, aan om strategieën voor de ontwikkeling van die sectoren op de middellange en de lange termijn uit te werken, met suggesties om de rassenselectie en de marktdoorbraak van producten te verbeteren;

55.  roept de Commissie en de lidstaten op om programma's te starten die de producenten aanmoedigen tot het oprichten van producenten- en afzetverenigingen, tot rechtstreekse verkoop en tot de productie van en toekenning van keurmerken aan bijzondere kwaliteiten van vlees- en melkproducten van geiten en schapen (bijvoorbeeld biologische producten of regionale specialiteiten);

56.  verzoekt de Commissie om de administratieve formaliteiten te verlichten voor het openen van kleine kaasmakerijen binnen schapen- en geitenhouderijen, waardoor de veehouders de kans krijgen om de toegevoegde waarde van hun bedrijf te vergroten;

57.  dringt er bij de Commissie op aan om aanvullende hulpmiddelen en instrumenten te overwegen die de sectoren kunnen helpen om het hoofd te bieden aan crises, mondiale uitdagingen aan te gaan en hun duurzame ontwikkeling te verzekeren;

58.  acht het noodzakelijk om over instrumenten voor crisispreventie en -beheer te kunnen beschikken in de schapen- en geitensector, om prijsschommelingen te beperken, een correcte vergoeding van de producenten mogelijk te maken en een gunstig klimaat te creëren voor investeringen en voor overnames door jongeren;

59.  wijst erop dat de kwaliteit van schapen- en geitenvlees sterk afhankelijk is van het voedsel van de dieren en dat de mededingingsvoorwaarden in de schapen- en geitensector in de EU bijgevolg sterk verschillen van regio tot regio;

60.  verzoekt de nationale overheden te waarborgen dat de producenten toegang hebben tot de markten en dat er gespecialiseerde afzetkanalen worden opgezet;

Brexit en handelsovereenkomsten

61.  vraagt de Commissie om te analyseren hoe de situatie op de schapenmarkt eruit zal zien na de brexit en om de nodige maatregelen te nemen om ernstige marktverstoringen te voorkomen, onder meer door een doeltreffender vangnet voor prijzen en markten in te voeren om de sector te beschermen tegen de effecten van de brexit;

62.  dringt er bij de Commissie op aan om, in afwachting van haar beoordeling van de effecten van de brexit op de schapen- en geitensector, voorzichtigheid te betrachten bij de onderhandelingen over de nieuwe vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland en Australië en met name de toekomst van het contingent van 287 000 ton equivalent geslacht gewicht schapenvlees dat door de EU is toegewezen aan Nieuw-Zeeland en gemiddeld voor ongeveer 75 % wordt benut en waarvan momenteel ongeveer 48 % door het VK wordt gebruikt, en van het contingent van 19 200 ton equivalent geslacht gewicht schapenvlees, dat door de EU aan Australië is toegewezen en gemiddeld voor bijna 100 % wordt benut en waarvan momenteel ongeveer 75 % door het VK wordt gebruikt;

63.  is van mening dat in de nieuwe vrijhandelsovereenkomsten moet worden bepaald dat de contingenten die aan Nieuw-Zeeland en Australië worden toegekend voor de uitvoer van lamsvlees naar de EU worden gesplitst in onderscheiden categorieën voor enerzijds vers of gekoeld en anderzijds bevroren vlees; herinnert eraan dat lammeren in de EU heel vaak op de markt worden gebracht als ze zes of negen maanden oud zijn, terwijl ze in Nieuw-Zeeland vaak worden verkocht als ze twaalf maanden oud zijn; onderstreept dat de preferentiële markttoegang niet mag worden verhoogd tot boven de bestaande tariefcontingenten;

64.  herinnert eraan dat het Parlement schapenvlees als bijzonder gevoelig heeft aangemerkt voor de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland en in zijn resolutie van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad voor het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor handelsonderhandelingen met Nieuw-Zeeland(6) heeft gepleit om de meest gevoelige sectoren mogelijk buiten beschouwing te laten;

65.  herhaalt dat de hoge Europese normen op het vlak van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid in elke vrijhandelsovereenkomst volledig moeten worden geëerbiedigd; merkt op dat de huidige tariefcontingenten voor Nieuw-Zeeland gevolgen hebben voor de productie van schapenvlees in de EU;

66.  is bezorgd over de brief die de Verenigde Staten en zes andere grote exporteurs van landbouwproducten (Argentinië, Brazilië, Canada, Nieuw-Zeeland, Thailand en Uruguay) op 26 september 2017 aan de vertegenwoordigers van het VK en de EU bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hebben doen toekomen over interne discussies over een eventuele herverdeling van de tariefcontingenten tussen het VK en de overige lidstaten;

67.  onderstreept dat het van belang is dat het VK na zijn vertrek uit de Unie zijn huidige aandeel in de tariefcontingenten behoudt en dat er een overeenkomst wordt bereikt waarin het aanbod aan ingevoerd schapenvlees op de markten van het VK en van de EU niet te groot is, om nadelige gevolgen voor de producenten in het VK en in de EU te voorkomen;

68.  begrijpt dat de Britse schapenvleessector sterk afhankelijk is van de EU-markt, maar is van mening dat deze situatie zowel uitdagingen stelt als kansen biedt;

69.  is van mening dat de terugtrekking van het VK uit de EU een kans moet zijn om de Europese schapen- en geitensector verder te ontwikkelen teneinde de EU minder afhankelijk te maken van de invoer van schapen- en geitenvlees uit Nieuw-Zeeland;

70.  betreurt dat de meer dan 1 400 Europese landbouwproducten met een beschermde geografische aanduiding niet automatisch een gelijkwaardige bescherming krijgen op de markten van derde landen die onder de door de Unie gesloten internationale handelsovereenkomsten vallen;

71.  vraagt om bij het sluiten van nieuwe handelsovereenkomsten met derde landen rekening te houden met de onzekere situatie van de schapen- en geitenhouders, meer bepaald door deze bedrijfstakken op te nemen in de lijst van gevoelige sectoren of zelfs uit te sluiten van de onderhandelingen, om te vermijden dat er bepalingen worden vastgesteld die het Europese productiemodel en de lokale economieën op de een of andere wijze in het gedrang te brengen;

72.  benadrukt dat de productiekosten en de productienormen van de voornaamste schapen- en geitenvlees exporterende landen beduidend lager zijn dan die in Europa;

73.  onderstreept dat deze sectoren een passende behandeling moeten krijgen, bijvoorbeeld via de invoering van tariefcontingenten of passende overgangsperioden, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de gecumuleerde effecten van handelsovereenkomsten op de landbouw, of zelfs door deze sectoren uit te sluiten van de onderhandelingen;

74.  wijst in dat verband ook vooral op de ernstige dierenwelzijnsproblemen en milieugevolgen van grote vervoersafstanden van en naar verafgelegen landen;

75.  roept de Commissie op om in de Unie een verplichte regeling voor EU-etikettering voor schapenvleesproducten in te voeren, zo mogelijk met één in de hele EU gebruikt logo dat consumenten in staat stelt onderscheid te maken tussen EU-producten en producten uit derde landen; stelt voor dat dat label gecertificeerd wordt op grond van een aantal criteria, zoals een garantiesysteem voor landbouwbedrijven en een aanduiding van het land van herkomst, zodat consumenten zich volledig bewust zijn van de plaats van herkomst van het product;

76.  is van mening dat het systeem zo moet worden opgezet dat de bestaande promotionele etiketteringssystemen in de lidstaten en de regio's niet worden ondermijnd;

77.  roept de Commissie op bijstand te verlenen bij het openen van exportmarkten voor schapenvlees en slachtafval uit de EU in landen waar op dit moment onnodige beperkingen gelden;

78.  verzoekt de Commissie te overwegen om de uitvoer van de Unie naar Noord-Afrika te vergroten, aangezien dit een groeimarkt is die de kwaliteit en de voedselveiligheid die de EU garandeert, weet te waarderen;

79.  verzoekt de Commissie om verslagen op te stellen over de mogelijke doelmarkten voor vlees- en zuivelproducten van schapen en geiten uit de EU;

80.  verzoekt de Commissie om de kwaliteit van de door de EU uitgevoerde producten te bevorderen, in het bijzonder via strikte gezondheidsnormen en traceerbaarheidsvereisten, die schapen- en geitenvlees van een hogere kwaliteit garanderen dan het door Nieuw-Zeeland en Australië uitgevoerde vlees; wijst erop dat de bijzondere nadruk die de EU legt op kwaliteit benadrukt moet worden om de consumptie van Europees schapen- en geitenvlees te stimuleren;

Elektronisch identificatiesysteem

81.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op te overwegen om de tolerantieniveaus die worden toegepast wanneer sancties worden opgelegd aan veehouders die bij het merken van schapen en de toepassing van het systeem voor elektronische identificatie onopzettelijke fouten hebben gemaakt, te harmoniseren, onder de strikte voorwaarde dat dit leidt niet tot acceptatie van een hogere foutenmarge dan voor de preventieve diergezondheidszorg en in het licht van de "één gezondheid"-aanpak verantwoord is;

82.  erkent het belang van een eenvormige aanpak en verbetering van de preventieve diergezondheidszorg in de Unie;

83.  benadrukt dat de lidstaten zonder uitzondering de wetgeving moeten toepassen;

84.  onderstreept dat er bij schapen die extensief worden geweid in gebieden met natuurlijke beperkingen meer oormerken verloren gaan dan bij ander vee in laagvlakten en vraagt de Commissie om dit te erkennen;

85.  verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of er een vereenvoudigd identificatiesysteem kan worden opgezet voor kleine beslagen in de extensieve veeteelt bestemd voor lokale ketens, zonder afbreuk te doen aan de effectieve traceerbaarheid van producten, en meer flexibele en op groei gerichte bepalingen in te voeren met betrekking tot het gebruik van elektronische oormerken;

86.  merkt op dat identificatiesystemen zo moeten worden ontworpen dat de administratieve rompslomp tot een minimum wordt beperkt; onderstreept dat producenten met lage inkomens financiële bijstand nodig zullen hebben om dure verplichte systemen voor elektronische identificatie in te voeren;

Gezondheidsaspecten

87.  stelt vast dat uitbraken van dierziekten desastreuze gevolgen hebben voor het welzijn van dieren, boeren en omwonenden;

88.  benadrukt dat de gezondheid van mens en dier te allen tijde voorop moet staan;

89.  is van mening dat er meer moet worden gedaan om grensoverschrijdende uitbraken van dierziekten te voorkomen en de gevolgen van antimicrobiële resistentie te verkleinen, en dat vaccinatie moet worden bevorderd om de verspreiding van infecties bij schapen en geiten tegen te gaan;

90.  roept de Commissie op om, in overeenstemming met het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie, stimulansen en ondersteuning te voorzien voor schapen- en geitenhouders die een hoge vaccinatiegraad van hun dieren kunnen aantonen, aangezien er voor die houders anders weinig marktprikkels zouden zijn om dat te doen;

91.  verzoekt de Commissie te zorgen dat zij beter kan reageren op het uitbreken van dierepidemieën, zoals blauwtong, door middel van een nieuwe EU-strategie voor diergezondheid, de financiering van onderzoek, een schadeloosstelling voor verliezen, voorschotten op betalingen enz.;

92.  roept de Commissie op een plan van aanpak op te stellen om ziekte en sterfte onder bokjes te voorkomen waarbij uitgegaan wordt van de intrinsieke waarde van het dier en waarbij zowel het welzijn van de bokjes als dat van de geiten voorop staat;

93.  roept de Commissie op om het gebruik van vaccins met immuunprecisie te faciliteren als een eerste maatregel ter bestrijding van mogelijke ziekte-uitbraken in de sector;

94.  benadrukt de noodzaak om de beschikbaarheid van medicinale en veterinaire producten voor de schapen- en geitensector op EU-niveau te verbeteren door het farmaceutisch onderzoek te ondersteunen en het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen te vereenvoudigen;

95.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gezondheidstoestand van de in het wild levende diersoorten opnieuw te bekijken, in het bijzonder in gebieden waar extensieve veeteelt wordt bedreven;

Roofdieren

96.  herinnert eraan dat de toename van het aantal roofdieren onder meer toe te schrijven is aan de huidige EU-regelgeving inzake de instandhouding van inheemse wilde diersoorten;

97.  is voorstander van een herziening van de desbetreffende bijlagen bij de habitatrichtlijn om de verspreiding van roofdieren in bepaalde beweidingsgebieden te controleren en te beheren;

98.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de flexibiliteit die die richtlijn biedt voor het aanpakken van deze problemen op een wijze die de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden niet in het gedrang brengt;

99.  onderstreept dat in alle suggesties die worden overwogen, moet worden uitgegaan van een objectieve, op wetenschappelijke feiten gebaseerde aanpak waarin rekening wordt gehouden met het gedrag van dieren, de verhoudingen tussen roofdier en prooi, een nauwkeurige kwantificering per regio van het predatierisico door soorten die in de habitatrichtlijn worden opgesomd, hybridisatie, de dynamiek van verspreidingsgebieden en andere ecologische kwesties;

100.  onderstreept dat het aantal aanvallen op vee door wolven en niet-beschermde kruisingen tussen wolven en honden blijft stijgen, ondanks het feit dat de veehouders en de gemeenschap hier steeds meer middelen voor inzetten;

101.  wijst erop dat de grenzen van de aanbevolen en getroffen maatregelen om het vee te beschermen thans in zicht komen, zoals blijkt uit het feit dat het aantal gedode dieren aanzienlijk is gestegen;

102.  merkt op dat dit gebrek aan doeltreffendheid de toekomst van milieuvriendelijke veehouderijen, zoals de herderseconomie, waarbij het vee buiten wordt gehouden, in het gedrang brengt, aangezien sommige veehouders hun dieren beginnen op te sluiten, hetgeen er op termijn niet alleen toe leidt dat een immens, bijzonder extensief areaal niet meer benut wordt, waardoor een hoog risico op bosbranden en lawines ontstaat, maar ook dat veehouders ertoe worden aangezet om voor intensievere houderijvormen te kiezen;

103.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, alsook de lokale en regionale autoriteiten, om in overleg met veehouders en andere belanghebbenden plattelandsontwikkelingsmaatregelen te overwegen om het vee te beschermen, de verliezen veroorzaakt door aanvallen van grote roofdieren, waaronder ook roofdieren die niet krachtens de habitatrichtlijn zijn beschermd, naar behoren te vergoeden en de steun zo aan te passen dat de beslagen kunnen worden aangevuld;

104.  acht het noodzakelijk dat er maatregelen worden genomen om de beschermingsstatus van roofdieren in het kader van het Verdrag van Bern te herzien;

105.  verzoekt de lidstaten om de aanbevelingen van dat verdrag toe te passen om de verspreiding van hybride wolfshonden, die de instandhouding van de soort canis lupus in het gedrang brengen en verantwoordelijk zijn voor het merendeel van de aanvallen op schapen- en geitenbeslagen, tegen te gaan;

106.  wijst op het gedeeltelijke succes van regelingen om bepaalde rassen herdershonden opnieuw te introduceren om wolven of op zijn minst kruisingen af te schrikken;

107.  stelt voor dat er "wolvenombudsmannen" worden aangewezen om te bemiddelen tussen de verschillende belangen en bij geschillen over de beschermingsstatus en de noodzaak van schadeloosstelling voor door wolven gedode dieren, naar het voorbeeld van het geslaagde model voor berenombudsmannen dat in sommige lidstaten bestaat;

108.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de aanbevelingen van het Parlement in zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie;

109.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om met het oog op de verbetering van de arbeidssituatie in de sector programma's te ontwikkelen om de opleiding van waak- en herdershonden te verbeteren en de veehouders te leren die honden op de juiste manier in te zetten, en verzoekt met het oog daarop om spoedige verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking en uitwisseling van ideeën en succesvolle werkwijzen tussen overheden, veehouders en natuurbeschermers met betrekking tot grote roofdieren;

110.  verzoekt om de instelling van beschermde weidegebieden waarin grote roofdieren onder controle kunnen worden gehouden, zodat hun terugkeer niet tot een achteruitgang op het gebied van dierenwelzijn (transhumance, open stallen, enz.) of van de traditionele landbouw en veeteelt (zomerweiden in berggebieden) leidt;

Slachthuizen

111.  wijst erop dat er in de slachtbedrijven steeds meer concentratie plaatsvindt, wat tot uiting komt in het feit dat groepen vleesverwerkingsbedrijven de volledige vleestoeleveringsketen van levend dier tot verpakt vers vlees controleren, en dat dit niet alleen tot langere afstanden voor het vervoer van levende dieren leidt, maar ook tot hogere kosten en een daling van het rendement voor de producenten;

112.  verzoekt de Commissie om steunmaatregelen vast te stellen voor het opzetten van slachtinrichtingen en het vereenvoudigen van vergunningsprocedures;

113.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om werk te maken van de ontwikkeling van lokale netwerken die kunnen helpen om de inkomsten te verbeteren door de oprichting van plaatselijke en mobiele slachthuizen te faciliteren, die onmisbaar zijn voor de structurering van deze ketens;

Opleiding

114.  verzoekt de lidstaten scholingsprogramma's op te zetten om vertegenwoordigers van de sector opleidingen aan te bieden om hun te leren hoe zij hun producten kunnen valoriseren, zodat zij kunnen concurreren met andere vlees- en zuivelproducten;

115.  acht het absoluut noodzakelijk om in de lidstaten waar veel van dit soort veehouderijen aanwezig zijn op transhumance gerichte herdersscholen op te richten, om zo te voorzien in een alternatieve bron van werk in de veehouderij die de generatievernieuwing bevordert en tegelijkertijd het aanzien en de maatschappelijke erkenning van traditionele beroepen, zoals het herdersbestaan, vergroot;

116.  acht het noodzakelijk om niet alleen de innovatie (landbouwpraktijken, nieuwe producten enz.), maar ook de adviesdiensten en de initiële en voortgezette opleiding in de schapen- en geitensector te bevorderen;

Andere punten

117.  verzoekt de Commissie om de relevante EU-wetgeving te implementeren en te handhaven, in het bijzonder Richtlijn (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het transport;

118.  acht het noodzakelijk dat gevolg wordt gegeven aan de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat bescherming van dierenwelzijn niet ophoudt aan de EU-buitengrenzen en dat transporteurs van dieren die vanuit de Europese Unie vertrekken, zich daarom ook buiten de EU aan de Europese regels voor dierenwelzijn moeten houden;

119.  vestigt de aandacht op de waterschaarste in veel regio's waar geiten en schapen worden gehouden en in het bijzonder in de regio's in het Middellandse Zeegebied, en wijst erop dat die situatie door de klimaatverandering alleen maar erger zal worden;

120.  wijst erop dat het bijgevolg noodzakelijk is om een beter beheer van de waterhuishouding te verzekeren via aangepaste voorzieningen, rekening houdend met spreiding van neerslag over het jaar en de duurzaamheid;

o
o   o

121.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 286 E van 27.11.2009, blz. 41.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0441.
(3) https://www.nationaleombudsman.nl/onderzoeken/2012/100
(4) https://www.nationaleombudsman.nl/onderzoeken/2017030-onderzoek-naar-de-lessen-die-de-overheid-uit-de-qkoorts-epidemie-heeft
(5) Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15).
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0420.

Laatst bijgewerkt op: 7 november 2018Juridische mededeling