Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2129(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0156/2018

Ingediende teksten :

A8-0156/2018

Debatten :

PV 28/05/2018 - 24
CRE 28/05/2018 - 24

Stemmingen :

PV 30/05/2018 - 13.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0223

Aangenomen teksten
PDF 161kWORD 55k
Woensdag 30 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt
P8_TA(2018)0223A8-0156/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over de uitvoering van controlemaatregelen voor de vaststelling van de conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt (2017/2129(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1),

–  gezien de controleregeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), bestaande uit Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(2), Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad(3) en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten(7),

–  gezien Speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer van december 2017, getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU",

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het beheer van de visserijvloten in de ultraperifere gebieden(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0156/2018),

A.  overwegende dat de EU de grootste markt voor visserij- en aquacultuurproducten ter wereld is, goed voor 24 % van de totale wereldwijde invoer in 2016, en dat de EU voor meer dan 60 % van haar consumptie van deze producten afhankelijk is van invoer;

B.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 8 juli 2010 over de regeling inzake de invoer van visserij- en aquacultuurproducten in de EU(9) heeft benadrukt dat het één van de essentiële doelstellingen van het EU-beleid met betrekking tot de invoer van visserij- en aquacultuurproducten moet zijn om ervoor te zorgen dat invoerproducten in alle opzichten aan dezelfde vereisten beantwoorden die ook voor producten van de EU gelden, en dat EU-inspanningen inzake duurzame visvangst niet verenigbaar zijn met de import van producten afkomstig uit landen die hun visserijinspanningen intensiveren zonder zorg voor de duurzaamheid daarvan;

C.  overwegende dat de EU zich met de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497) verbindt tot een verantwoordelijker handelsbeleid als middel om de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen ten uitvoer te leggen;

D.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn om te controleren of vis van EU-producenten beantwoordt aan de sanitaire normen van de EU, en dat de Commissie voor ingevoerde vis derde landen machtigt tot het aanwijzen van inrichtingen die visserijproducten mogen uitvoeren naar de EU, op voorwaarde dat deze gelijkwaardige normen kunnen waarborgen;

E.  overwegende dat de ultraperifere regio's van de EU in het Caribisch gebied, de Indische Oceaan en de Atlantische Oceaan grenzen aan diverse derde landen wier voorschriften inzake visserij, productie en het in de handel brengen niet altijd overeenkomen met de Europese normen, waardoor er oneerlijke concurrentie met de lokale productie ontstaat;

F.  overwegende dat er met betrekking tot vissers tal van internationale instrumenten voorhanden zijn die moeten worden geratificeerd en uitgevoerd, zoals Verdrag nr. 188 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende werk in de visserijsector (ILO C188), de Overeenkomst van Kaapstad van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van 2012 en het Internationaal Verdrag van de IMO betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen (STCW-F);

G.  overwegende dat in de conclusies van wetenschappelijk advies nr. 3/2017 van 29 november 2017, getiteld "Food from the Oceans" (Voedsel uit de oceaan), wordt geadviseerd de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in te passen in alle beleidsdomeinen van de Unie en dezelfde aanpak te hanteren in andere internationale fora en bij de ondersteuning van andere regio's in de wereld, zodat er een evenwicht ontstaat tussen economische en milieudoelstellingen die verband houden met de productie van voedsel en met het mariene milieu;

1.  merkt op dat EU-marktdeelnemers alleen visserij- en aquacultuurproducten in de handel mogen brengen als ze een uitgebreide reeks regels naleven en beantwoorden aan strenge criteria, waaronder de regels van het GVB en normen inzake sanitaire vereisten, arbeid, veiligheid van vaartuigen en milieu; wijst erop dat al deze normen worden ondersteund door regelingen om naleving te waarborgen; is ervan overtuigd dat de combinatie hiervan leidt tot de creatie van strenge normen inzake de kwaliteit en duurzaamheid van een product, waarop de EU-consument terecht is gaan rekenen;

2.  is van mening dat het voor de duurzaamheid in derde landen goed zou zijn om voor hun visserij- en aquacultuurproducten de EU-normen inzake ecologische en sociale duurzaamheid na te leven, en dat dit ook bevorderlijk zou zijn voor een eerlijkere concurrentie tussen producten uit de EU en producten uit derde landen;

3.  is bezorgd over het feit dat bij de invoer van deze producten minder controles worden verricht, waarbij in de eerste plaats wordt gekeken naar gezondheidsnormen en naar de verordening betreffende illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-verordening)(10) en deze laatste controle enkel is bedoeld om te garanderen dat het product overeenkomstig de toepasselijke regels werd gevangen;

4.  benadrukt dat de EU alleen kan waarborgen dat ingevoerde en Europese visserij- en aquacultuurproducten gelijk worden behandeld – hetgeen een centrale doelstelling moet zijn van het visserijbeleid – door te eisen dat alle ingevoerde producten voldoen aan zowel de EU-normen op het gebied van instandhouding en beheer als de krachtens de EU-wetgeving opgelegde hygiënevoorschriften; wijst erop dat dit zou bijdragen tot eerlijkere concurrentie en een opwaardering van de normen voor de exploitatie van mariene hulpbronnen in derde landen;

5.  meent dat de inspanningen die de EU zich middels het GVB getroost om de bestanden in stand te houden en de visserij duurzaam te maken, niet verenigbaar zijn met de import van visserij- en aquacultuurproducten uit landen die hun visserijinspanningen opvoeren zonder zich te bekommeren om de duurzaamheid en die alleen oog hebben voor de kortetermijnwinsten;

6.  uit zijn bezorgdheid over de verschillende regels voor het in de handel brengen van vis, een situatie die een discriminerende markt tot gevolg heeft, ten nadele van EU-vissers en -producenten van aquacultuurproducten, en is van mening dat om die reden de controles op visserij- en aquacultuurproducten moeten worden opgevoerd en verbeterd;

7.  is van mening dat de toepassing van de controleverordening(11) in alle lidstaten moet worden aangescherpt, zodat de verordening op homogene en geharmoniseerde wijze wordt toegepast in alle stadia van de toeleveringsketen, met inbegrip van de diensten die worden geleverd in de detailhandel en in restaurants, en dit zowel voor EU-producten als voor ingevoerde producten; merkt op dat dit ook geldt voor etiketteringsvoorschriften;

Sanitaire normen

8.  is verontrust door de vaststelling dat het door de Unie opgelegde systeem dat door de bevoegde autoriteiten van derde landen wordt gehanteerd voor de toetsing van de sanitaire normen voor naar de EU uitgevoerde visserijproducten onvoldoende garandeert dat deze normen te allen tijde worden nageleefd;

9.  verzoekt de Commissie meer opleiding, technische bijstand en middelen voor institutionele capaciteitsopbouw te verstrekken om ontwikkelingslanden te helpen te voldoen aan de EU-regels; moedigt initiatieven aan zoals het programma "Betere opleiding voor veiliger voedsel" van het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid (DG SANTE), dat opleidingen voor officieel controlepersoneel uit ontwikkelingslanden organiseert over EU-normen voor visserij- en aquacultuurproducten;

10.  wijst met nadruk op het belang van een strenge toepassing van Europese wetgeving die verband houdt met gezondheidsnormen en -inspecties in al haar aspecten (voedselveiligheid, traceerbaarheid, preventie) op ingevoerde visserij- en aquacultuurproducten, met inbegrip van diervoeder en grondstoffen voor diervoeder, aangezien dit essentiële aspecten zijn voor de bescherming van de consument; dringt er in die zin bij de Commissie op aan om haar programma voor inspecties in derde landen te verbeteren door de missies van het Voedsel- en Veterinair Bureau te verfijnen, hoofdzakelijk door het aantal gecontroleerde inrichtingen bij elke missie te verhogen, teneinde resultaten te verkrijgen die beter stroken met de realiteit van het derde land;

11.  merkt op dat zelfs uit de controles die door DG SANTE zelf worden uitgevoerd blijkt dat sommige derde landen er totaal niet in slagen te garanderen dat producten beantwoorden aan de noodzakelijke gezondheidsnormen, althans wat vissers- en fabrieksvaartuigen en koelschepen betreft, hetgeen de gezondheidscontroles die worden verricht in inspectieposten aan de grenzen van de EU bemoeilijkt waar het gaat om controle op de naleving van de wettelijke sanitaire voorschriften;

12.  beschouwt het als onrustwekkend dat niet-EU-vissersvaartuigen die actief zijn in de kustwateren van West-Afrika volgens waarnemingen moeite hebben om de traceerbaarheid van producten en de naleving van sanitaire normen te waarborgen; is van mening dat niet volledig kan worden vertrouwd op de echtheid van de certificaten die door derde landen worden toegekend aan vaartuigen en ondernemingen die naar de EU mogen uitvoeren;

13.  meent dat het in tegenspraak is met het concept van de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat – dat ten grondslag ligt aan het GVB, met inbegrip van de IOO-verordening – om derde landen de mogelijkheid te bieden hun recht op het toekennen van deze certificaten te delegeren aan andere geselecteerde derde landen, zelfs aan een kuststaat, en dat dit met name geldt voor de verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat die het vangstcertificaat valideert; is van mening dat de Commissie een einde moet stellen aan de praktijk om derde landen de mogelijkheid te bieden deze bevoegdheid te delegeren aan andere landen;

14.  is bovendien van mening dat de bevoegde autoriteiten ten minste eenmaal per jaar een sanitaire controle van vissersvaartuigen moeten verrichten;

Arbeidsrechten

15.  wijst op de tegenstelling tussen de erg lovenswaardige staat van dienst van de lidstaten met betrekking tot het ratificeren van arbeidsverdragen inzake zeevarenden, en hun buitengewoon povere staat van dienst wat betreft het ratificeren van verdragen die betrekking hebben op vissers, en spoort de lidstaten ertoe aan de desbetreffende instrumenten onmiddellijk te ratificeren, waaronder ILO C188, de Overeenkomst van Kaapstad en het SCTW-F;

16.  is vol lof over de sociale partners die met succes gebruik hebben gemaakt van artikel 155 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) om Richtlijn (EU) 2017/159 van de Raad(12) tot stand te brengen, waarin ILO C188 gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd, maar betreurt dat de richtlijn geen betrekking heeft op zelfstandige vissers; spoort de Commissie ertoe aan het proces te voltooien door met een voorstel voor een aanvullende richtlijn te komen waarin handhavingsbepalingen zijn opgenomen, net als ze heeft gedaan voor de scheepvaart;

17.  dringt er in dit verband bij de Commissie op aan procedures op te starten om zich te beroepen op artikel 155 VWEU met betrekking tot het STCW-F-Verdrag, met het oog op een grotere veiligheid op zee bij het vissen, een beroepsbezigheid die alom bekendstaat als een van de gevaarlijkste ter wereld;

18.  staat achter de voortdurende inspanningen om het visserijbeleid van de EU te verbeteren en ecologisch duurzamer te maken, teneinde het langdurige voortbestaan van kustgemeenschappen te waarborgen en een bron van voedzame levensmiddelen in stand te houden; is van mening dat dit haaks staat op de steeds verdere openstelling van de EU-markt voor visserijproducten uit derde landen met minder strikte beheersregelingen; ziet dit als een gebrek aan coherentie tussen het visserijbeleid en het handelsbeleid;

Handelsbeleid

19.  betreurt dat de Commissie soms tegengestelde signalen geeft aan derde landen, bijvoorbeeld in de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten, of wanneer ze een land betere toegang verleent tot de EU-markt, ook al is dit land in het kader van de IOO-verordening of de verordening inzake niet-duurzame visserij(13) aangemerkt als land dat niet meewerkt;

20.  verzoekt de Commissie om het handelsbeleid en het visserijbeleid van de Unie nauw op elkaar af te stemmen, onder meer bij het voeren van onderhandelingen over handelsovereenkomsten waarin visserij aan bod komt; acht het van essentieel belang om een analyse te maken van de economische en sociale effecten van vrijhandelsovereenkomsten op de visserijproducten van de EU, om waar nodig te voorzien in passende vrijwaringsmaatregelen, en om bepaalde visserijproducten te beschouwen als gevoelig product;

21.  is van mening dat de EU, als grootste importeur van visserijproducten ter wereld, met andere landen die op grote schaal vis importeren de politieke verantwoordelijkheid deelt om ervoor te zorgen dat de handelsvoorschriften van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in overeenstemming zijn met de strengst mogelijke wereldwijde normen voor visserijbeheer en instandhouding van bestanden; verzoekt de Commissie in dit verband ervoor te zorgen dat de criteria voor eerlijke, transparante en duurzame handel in vis worden aangescherpt in de bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten van de EU;

22.  vraagt met klem dat er in door de Commissie onderhandelde vrijhandelsovereenkomsten en andere multilaterale overeenkomsten met handelsbepalingen aangescherpte hoofdstukken over duurzame ontwikkeling worden opgenomen waarin specifieke aandachtspunten van de visserij aan de orde worden gesteld, meer bepaald:

   een expliciete bekrachtiging van de voorschriften van de IOO-verordening en een verbintenis van de kant van het derde land om een procedure te starten om te voorkomen dat IOO-producten in de handel worden gebracht in dat land, teneinde te verhinderen dat ze onrechtstreeks in de EU terechtkomen;
   de eis ten aanzien van het derde land om belangrijke internationale instrumenten op het gebied van visserij – zoals het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, de VN-visbestandenovereenkomst, de overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de FAO (VN-Voedsel- en Landbouworganisatie) en de FAO-nalevingsovereenkomst – te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, en om zich te houden aan de normen van de desbetreffende regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's);

23.  dringt erop aan dat daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de belangen van de ultraperifere regio's bij het sluiten van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij of handelsovereenkomsten met derde landen, en dat zo nodig wordt voorzien in uitsluiting van gevoelige producten;

24.  verzoekt de Commissie bij het opstellen van een post-brexit-overeenkomst de toegang tot de EU-markt van visserij- en aquacultuurproducten uit het Verenigd Koninkrijk afhankelijk te stellen van toegang tot de Britse wateren voor vaartuigen uit de EU en van toepassing van het GVB;

25.  verzoekt de Commissie een wijziging van de SAP-verordening(14) voor te stellen om daarin voor de visserij belangrijke instrumenten op te nemen, zoals het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, de VN-visbestandenovereenkomst, de FAO-nalevingsovereenkomst en de overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de FAO, die alle moeten worden geratificeerd en toegepast, alsook bepalingen op grond waarvan de SAP+-status kan worden opgeschort wanneer de bepalingen van die instrumenten niet worden nageleefd;

26.  benadrukt dat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de hoofdstukken in vrijhandelsovereenkomsten die betrekking hebben op handel en duurzame ontwikkeling alleen kunnen worden weggewerkt en dat de desbetreffende bepalingen alleen kracht kan worden bijgezet als er een bindend geschillenbeslechtingsmechanisme wordt ingevoerd (met overleg tussen regeringen, een panelprocedure, openbare toegang tot documenten en raadpleging van het maatschappelijk middenveld), met de mogelijkheid om sancties op te leggen wanneer internationale verbintenissen niet worden nagekomen;

27.  is verontrust over de zwakke punten en mazen in de douanecontroles die beschreven worden in speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij de daarin vervatte aanbevelingen zo spoedig mogelijk uitvoeren;

28.  wijst erop dat er naast de algemene verplichtingen inzake bekendmaking van niet-financiële informatie voor grote bedrijven ook nog aanvullende, aangescherpte vereisten inzake zorgvuldigheidsverplichtingen zijn opgelegd aan marktdeelnemers van elke omvang (met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen) voor twee problematische sectoren – hout en conflictmineralen – die in de hele controleketen moeten worden toegepast; is van mening dat de visserij baat zou hebben bij soortgelijke verplichtingen en dringt er bij de Commissie op aan om na te gaan of het haalbaar is om voor visserijproducten zorgvuldigheidsvereisten in te voeren;

Handelsnormen

29.  stelt vast dat de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1379/2013 betreffende een gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten weliswaar van toepassing zijn op alle visserij- en aquacultuurproducten, maar dat de bepalingen betreffende etikettering voor consumenten slechts gelden voor een relatief kleine groep van producten en niet verplicht is voor bereidingen en conserven of verwerkte producten; is van mening dat de consumenteninformatie ook voor deze producten moet worden verbeterd, onder meer door bijkomende verplichte informatie aan te brengen op de etiketten; vindt dat de etikettering van deze producten moet worden verbeterd, zodat de consument goed geïnformeerd is en de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten gewaarborgd is;

30.  verzoekt de Commissie informatiecampagnes te bevorderen waarin wordt uitgelegd welke inspanningen de vis- en aquacultuurproducenten in de EU zich getroosten om duurzaamheid te garanderen, en waarin de nadruk wordt gelegd op de strenge kwaliteits- en milieunormen die de EU-wetgeving oplegt in vergelijking met die van derde landen;

31.  is van mening dat de eerbiediging van hoge normen op het vlak van milieu, hygiëne en gezondheid en op sociaal vlak door de EU-vloot wordt gewaarborgd door een strikte naleving van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van andere EU-wetgeving, en vraagt de Commissie bijgevolg met klem onverwijld de mogelijkheid te onderzoeken van de oprichting van een label tot identificatie van de visserijproducten van de EU;

32.  is ervan overtuigd dat de Europese consumenten dikwijls andere keuzen zouden maken als ze beter ingelicht zouden zijn over de ware aard van producten in de winkelrekken, over hun geografische oorsprong, hun kwaliteit en de omstandigheden waarin deze producten zijn geproduceerd of gevangen;

33.  is van mening dat ook de vermelding van de vlaggenstaat van het vaartuig dat de vis heeft gevangen deel moet uitmaken van de verplichte informatie op de etiketten van visserijproducten;

34.  is ingenomen met de onlangs door de Commissie opgestarte evaluatie van handelsnormen die tientallen jaren geleden zijn vastgesteld, om na te gaan welke normen moeten worden toegepast in de context van de huidige handelspraktijken en de beschikbare technologieën voor de traceerbaarheid van producten;

Controleregeling

35.  meent dat de drie verordeningen die samen de controleregeling vormen, kunnen worden beschouwd als een evenwichtig pakket en dat deze voor aanzienlijke verbeteringen hebben gezorgd in het visserijbeheer in de EU;

36.  uit woorden van lof voor de Commissie voor de manier waarop zij de IOO-verordening ten uitvoer heeft gebracht met betrekking tot derde landen, waarmee ze heeft bewezen dat de EU in haar rol van verantwoordelijke markstaat een gigantische invloed kan uitoefenen op de wereldwijde visserij; dringt er bij de Commissie op aan druk te blijven uitoefenen op derde landen voor het treffen van maatregelen om te voorkomen dat uit IOO-visserij afkomstige producten op hun markt terechtkomen;

37.  vestigt de aandacht op het onlangs gepubliceerde rapport van een aantal organisaties uit het maatschappelijk middenveld, waarin de invoerstromen van visserijproducten naar EU-landen worden geanalyseerd vanaf 2010, het jaar waarin de IOO-verordening in werking is getreden, en waarin wordt aangetoond hoe tekortkomingen in de controles op de invoer uit derde landen naar de lidstaten en niet-eenvormige normen ertoe kunnen leiden dat niet-conforme producten op de Europese markt belanden; verzoekt de lidstaten, de doorvoerlanden en de landen van bestemming dan ook om voor betere onderlinge coördinatie te zorgen om te garanderen dat vangstcertificaten die voor de invoer van visserijproducten worden afgegeven nauwkeuriger worden onderzocht; acht het van fundamenteel belang dat er een geharmoniseerd en gecoördineerd Europees computersysteem wordt opgezet dat de controles op de invoer van visserijproducten in de lidstaten kan vereenvoudigen;

38.  is van mening dat de Commissie en sommige lidstaten er niet in zijn geslaagd alle drie de verordeningen strikt toe te passen en te handhaven, zoals blijkt uit documenten van de Commissie, de Rekenkamer en onafhankelijke waarnemers;

39.  is van mening dat er naast de toepassing van de IOO-verordening ook een striktere controle moet plaatsvinden verderop in het proces van afzet van die vis, met name door middel van strengere audits ten aanzien van de lidstaten en van bedrijven die ervan worden verdacht producten te leveren die afkomstig zijn van illegale visserij;

40.  verzoekt de Commissie alle beschikbare middelen aan te wenden om ervoor te zorgen dat alle landen die visserij- en aquacultuurproducten uitvoeren naar de EU een strikt beleid inzake de instandhouding van bestanden toepassen; spoort de Commissie ertoe aan om in alle geëigende fora met die landen samen te werken, met name in de ROVB's;

41.  stelt vast dat mislukkingen op het vlak van tenuitvoerlegging betrekking hebben op vele aspecten, zoals:

   een ongelijk niveau van sancties en de mislukte toepassing van het puntensysteem in verschillende lidstaten;
   sancties die niet altijd voldoende afschrikkend, doeltreffend of evenredig zijn om herhaling van de inbreuken te voorkomen;
   ontoereikende gegevensvergaring en -uitwisseling door en tussen de lidstaten, met name vanwege het ontbreken van een gemeenschappelijke, compatibele databank;
   slechte traceerbaarheid van vis, onder meer bij het overschrijden van nationale grenzen;
   slechte controle op weging;
   grote verschillen op het vlak van de verificatie van ingevoerde producten en de plaats van binnenkomst, met inbegrip van vangstcertificaten;
   gebrek aan een voor alle lidstaten duidelijke en eenvormige definitie van ernstige inbreuken;

42.  wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat een geïmporteerd product dat in een haven van de ene lidstaat is afgekeurd, niet toch op de EU-markt komt via een haven van een andere lidstaat;

43.  is het ermee eens dat sommige bepalingen van de controleverordeningen voor interpretatie vatbaar zijn en een uniforme tenuitvoerlegging in de weg hebben gestaan, maar is van mening dat de Commissie en de lidstaten met de nodige openheid en politieke wil grotere inspanningen zouden kunnen leveren om een beter geharmoniseerde uitvoering van de bestaande wetgeving te waarborgen, bijvoorbeeld door richtsnoeren en interpretaties te verstrekken;

44.  wijst erop dat dit net de intentie was van de deskundigengroep inzake naleving van de verplichtingen uit hoofde van de visserijcontroleregeling van de Europese Unie, die is opgericht in het kader van de GVB-hervorming als forum waar de diverse spelers open en oordeelvrij konden spreken over tekortkomingen, en betreurt dat de groep zich tot nu toe niet in die zin heeft ontwikkeld;

45.  is van mening dat er veel meer moet worden gedaan om de onverkorte toepassing van het controlestelsel aan te moedigen, met passende vervolgmaatregelen in geval van gesignaleerde inbreuken, betere verslaglegging door de lidstaten over ondernomen acties, en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten onderling en met de Commissie;

46.  verzoekt de Commissie met klem alle middelen waarover zij beschikt aan te wenden om de lidstaten ertoe aan te sporen om de bepalingen van het controlestelsel volledig toe te passen, eventueel zelfs met inbegrip van inhouding van middelen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

47.  herhaalt de conclusie van zijn resolutie van 25 oktober 2016 over hoe we de controles op de visvangst homogeen kunnen maken in Europa(15) dat een herziening van de controleverordening of de IOO-verordening er specifiek op moet worden toegespitst om alleen die aspecten aan te pakken die doeltreffende en gelijke controles in alle lidstaten van de Unie in de weg staan;

48.  dringt erop aan de bevoegdheden van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) uit te breiden met het verrichten van controles op vaartuigen die onder de visserijovereenkomsten vallen, onder meer door bij de controles naar samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de ondertekenende staat te streven, en vraagt dat het EFCA met het oog hierop wordt voorzien van de nodige middelen;

49.  betreurt ten zeerste dat de Commissie heeft besloten een ingrijpende herziening van het hele controlestelsel te starten zonder overeenkomstig de richtsnoeren inzake beter wetgeven een behoorlijke openbare raadpleging te houden over de tenuitvoerlegging van de IOO-verordening, het mandaat van het EFCA of de herziening van het hele pakket; is van mening dat de organisatie van een formele openbare raadpleging over al deze elementen voordat er een herzieningsvoorstel wordt ingediend alle belanghebbenden de mogelijkheid zou bieden om voldoende inspraak te hebben in de herziening van deze uiterst kritieke pijler van het GVB;

50.  wijst er nadrukkelijk op dat een herziening niet mag leiden tot een afzwakking van de huidige maatregelen, maar eerder een verbetering en versterking moet inhouden van gelijke voorwaarden op het gebied van visserijcontrole, als enige manier om de "gemeenschappelijke" dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid te waarborgen;

51.  hamert erop dat het herziene controlestelsel onder meer de volgende basisbeginselen moet omvatten:

   voor de hele EU geldende standaarden en normen inzake inspecties op zee, in de haven en in de volledige controleketen;
   volledige traceerbaarheid van vis in de diverse stadia van de controleketen, van het vaartuig tot het uiteindelijke verkooppunt;
   volledige gegevens over vangsten door alle exploitanten, met inbegrip van vaartuigen met een lengte van minder dan 10 meter en recreatievissers;
   even hoge sancties in alle lidstaten;
   een gemeenschappelijke definitie van inbreuken;
   een door alle lidstaten op gelijke wijze toegepast puntensysteem;
   sancties die voldoende afschrikkend, doeltreffend en evenredig zijn;
   een voor de Commissie en alle lidstaten toegankelijk systeem voor de uitwisseling van alle informatie met betrekking tot waargenomen inbreuken en het wettelijk en gerechtelijk gevolg dat hieraan wordt gegeven;
   volledige toepassing van verbeteringen in de beschikbare technologieën, met de mogelijkheid om nieuwe technologieën toe te passen naarmate die zich ontwikkelen zonder dat daarvoor wetswijzigingen nodig zijn;
   ondubbelzinnige vaststelling van verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de regio's binnen de lidstaten;
   geen regionalisering van de controleverordening;

52.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk met haar voorstel voor de wijziging van de controleverordening te komen;

53.  benadrukt dat de bepalingen en beginselen van de IOO-verordening op geen enkele manier mogen worden gewijzigd of afgezwakt, gezien het enorme succes van deze verordening en de effecten ervan op de visserij in de hele wereld;

54.  hamert erop dat er bij het opnemen van derde landen in de procedures van de IOO-verordening voor de voorafgaande bepaling, de bepaling en het opstellen van de lijst geen enkele politieke inmenging mag zijn, en dat schrapping uit de lijst strikt gebaseerd moet zijn op de eis dat het betrokken land de door de Commissie noodzakelijk geachte verbeteringen volledig heeft gerealiseerd;

55.  is van mening dat de rol van het EFCA versterkt moet worden om het bureau een grotere rol toe te kennen bij de toepassing van de controle- en IOO-verordeningen, met inbegrip van de verificatie en kruiscontrole van gegevens in de hele controleketen, de planning en coördinatie van inspecties door de Commissie en de lidstaten en de verificatie van vangstcertificaten;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(4) Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).
(5) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.
(7) PB L 316 van 14.11.2012, blz. 34.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0195.
(9) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 119.
(10) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad.
(11) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad.
(12) PB L 25 van 31.1.2017, blz. 12.
(13) Verordening (EU) nr. 1026/2012.
(14) Verordening (EU) nr. 978/2012 (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0407.

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling