Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2037(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0178/2018

Ingediende teksten :

A8-0178/2018

Debatten :

PV 28/05/2018 - 25
CRE 28/05/2018 - 25

Stemmingen :

PV 30/05/2018 - 13.8
CRE 30/05/2018 - 13.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0224

Aangenomen teksten
PDF 224kWORD 82k
Woensdag 30 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
De toekomst van voedsel en landbouw
P8_TA(2018)0224A8-0178/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over de toekomst van voeding en landbouw (2018/2037(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "De toekomst van voeding en landbouw" (COM(2017)0713),

–  gezien de artikelen 38 en 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) waarbij het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de bijbehorende doelstellingen zijn vastgesteld,

–  gezien de artikelen 40 en 42 VWEU tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor landbouwproducten en de mate waarin de regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten van toepassing zijn,

–  gezien artikel 13 VWEU,

–  gezien artikel 349 VWEU, waarin de status van de ultraperifere gebieden is vastgesteld en de voorwaarden voor de toepassing van de Verdragen op deze gebieden zijn neergelegd,

–  gezien Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal(1) ("omnibusverordening"),

–  gezien Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren(2),

–  gezien het briefingdocument van de Europese Rekenkamer over de toekomst van het GLB, zoals bekendgemaakt op 19 maart 2018,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(3) en het verslag van de Commissie van 10 oktober 2017 inzake de nationale actieplannen van de lidstaten en de vooruitgang op het gebied van de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (COM(2017)0587),

–  gezien zijn besluit van 6 februari 2018 over de instelling, bevoegdheden, aantal leden en ambtstermijn van de speciale commissie Toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(4),

–  gezien Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 16/2017 getiteld "Programmering van plattelandsontwikkeling: minder complexiteit nodig en meer aandacht voor resultaten" en Speciaal verslag nr. 21/2017 getiteld "Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is",

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën (COM(2017)0358),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018)0098),

–  gezien de Cork 2.0-verklaring van 2016 getiteld "A Better Life in Rural Areas" (Een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden), die is afgegeven tijdens de Europese Conferentie over plattelandsontwikkeling,

–  gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over de huidige situatie en de vooruitzichten van de schapen- en geitensector in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over een Europese strategie voor de bevordering van eiwithoudende gewassen – Aanmoediging van de productie van eiwithoudende en peulgewassen in de Europese landbouwsector(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(7),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 inzake vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU(8),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven(9),

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over de instrumenten van het GLB ter vermindering van de prijsschommelingen op de landbouwmarkten(11),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over hoe het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden kan verbeteren(12),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(13),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2015 over de vooruitzichten van de zuivelmarkt van de EU – Evaluatie van de tenuitvoerlegging van het Zuivelpakket(14),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een mogelijke hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(15),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's over het GLB na 2020(16),

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de VN (SDG's), waarvan de meeste relevant zijn voor het GLB,

–  gezien het verslag van november 2016 van de taskforce landbouwmarkten getiteld "Naar betere marktresultaten: de positie van landbouwers in de toeleveringsketen versterken" en de conclusies daarvan,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs die is gesloten tijdens de VN-conferentie over klimaatverandering van 2015 (COP 21), en met name de verbintenissen die de Europese Unie is aangegaan in de vorm van "nationaal bepaalde bijdragen" om de wereldwijde doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken,

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 december 2016 over de uitvoering van de regeling houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (POSEI) (COM(2016)0797),

–  gezien de in 2016 aangekondigde evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR) (zie COM(2016)0316), een instrument dat er door een betere tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving en het milieubeleid van de EU toe moet bijdragen om hieruit voordeel te halen ten behoeve van het bedrijfsleven en de burgers,

–  gezien de brief van de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Begrotingscommissie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0178/2018),

A.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling over de toekomst van voeding en landbouw erkent dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) een van de oudste en meest geïntegreerde beleidsterreinen van de EU en van wereldwijd strategisch belang is, en zodanig moet worden opgezet dat de land- en bosbouwsector van de EU dankzij het GLB in staat is te beantwoorden aan de gerechtvaardigde wensen van de burger inzake voedselzekerheid en ‑veiligheid en de kwaliteit en duurzaamheid van voedsel, maar ook die inzake milieuzorg, biodiversiteit en de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen, klimaatactie, plattelandsontwikkeling, gezondheid, werkgelegenheid en strenge normen op het gebied van dierenwelzijn;

B.  overwegende dat nu vastgesteld moet worden dat het GLB aan hervorming toe is, wil het beter tegemoetkomen aan de behoeften van zowel zijn eerste doelgroep, de landbouwers, als de burgers in het algemeen;

C.  overwegende dat het GLB in heel Europa van cruciaal belang is voor ongeveer 12 miljoen landbouwbedrijven;

D.  overwegende dat landbouwgrond 47 % van het Europese grondgebied uitmaakt en dat er in de EU 22 miljoen landbouwers en werknemers in de landbouw zijn;

E.  overwegende dat het GLB gericht moet zijn op het waarborgen van voedselveiligheid en -soevereiniteit en van de veerkracht en duurzaamheid van de landbouwsystemen en -gebieden van de EU;

F.  overwegende dat de overkoepelende doelstelling van de EU van een multifunctionele, gediversifieerde, banenscheppende en eerlijke land- en bosbouwsector die wordt aangestuurd door duurzame landbouwpraktijken en waarin wordt gezorgd voor het behoud van levensvatbare familiebedrijven, die toegankelijk zijn voor en overgenomen kunnen worden door een nieuwe generatie, van essentieel belang blijft om de positieve externe effecten te sorteren en de collectieve goederen (voedingswaren, niet-voedingswaren en diensten) te leveren waar de Europese burger op rekent;

G.  overwegende dat het van het allergrootste belang is de huidige concentratie van macht in de handen van grootwinkelbedrijven en grote bedrijven een halt toe te roepen en terug te dringen;

H.  overwegende dat bij het wijzigen van het GLB moet worden uitgegaan van strategische doelstellingen ter versterking van het concurrentievermogen en ter waarborging van de kwaliteit en veiligheid van het voedsel;

I.  overwegende dat het GLB gedurende de afgelopen periode van meer dan 25 jaar regelmatig hervormingen heeft moeten ondergaan als gevolg van de openstelling van de Europese landbouw voor de internationale markten en door de opkomst van nieuwe uitdagingen zoals milieu en klimaat; overwegende dat het nu noodzakelijk is een nieuwe stap te zetten in dit voortdurende proces van aanpassing, om het GLB te vereenvoudigen, te moderniseren en om te buigen en ervoor te zorgen dat het in staat is de inkomsten van de landbouwers veilig te stellen en efficiënter tegemoet te komen aan de verwachtingen van de hele samenleving, met name als het gaat om voedselveiligheid en voedselzekerheid, klimaatverandering, volksgezondheid en werkgelegenheid, met waarborging van beleidszekerheid en financiële zekerheid voor de sector teneinde duurzame plattelandsgebieden te realiseren, het hoofd te bieden aan de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid en ervoor te zorgen dat de Europese milieu- en klimaatdoelstellingen worden gehaald, alsook de meerwaarde van de EU te vergroten;

J.  overwegende dat de mededeling van de Commissie over de lopende hervorming van het GLB weliswaar "De toekomst van voeding en landbouw" heet, maar dat de Commissie geen enkele garantie biedt voor het behoud van de GLB-begroting, en dat het van cruciaal belang is om dit te regelen voordat de komende wetgevingsvoorstellen worden ingediend; overwegende dat deze wetgevingsvoorstellen ervoor moeten zorgen dat er geen hernationalisering van het GLB plaatsvindt, dat de goede werking van de interne markt geen schade wordt toegebracht en dat er een echte vereenvoudiging voor de belanghebbenden tot stand wordt gebracht – niet alleen op EU-niveau, maar ook op het niveau van de lidstaten, op regionaal en lokaal niveau en binnen landbouwbedrijven – alsook dat flexibiliteit en rechtszekerheid worden gewaarborgd voor landbouwers en boseigenaren, zonder afbreuk te doen aan de hoge milieu-ambities, en dat de doelstellingen van het nieuwe GLB worden verwezenlijkt, zonder de lidstaten nieuwe beperkingen op te leggen en zo een nieuwe laag toe te voegen aan de reeds complexe structuur, wat tot vertragingen bij de uitvoering van nationale strategieën zou leiden;

K.  overwegende dat een nieuw uitvoeringssysteem een rechtstreekse band tussen de EU en de Europese landbouwers moet waarborgen;

L.  overwegende dat het GLB een belangrijke rol moet spelen bij het versterken van de productiviteit op de lange termijn en het concurrentievermogen van de sector en bij het voorkomen van stagnatie en volatiliteit van landbouwinkomens, aangezien deze inkomens ondanks de concentratie en intensivering van de productie en de toenemende productiviteit gemiddeld nog steeds lager liggen dan in de rest van de economie;

M.  overwegende dat rechtstreekse betalingen de eerste belangrijke vorm van stabiliteit en een inkomensvangnet voor landbouwers zijn, aangezien zij in bepaalde gebieden een aanzienlijk bestanddeel of zelfs wel 100 % van het jaarlijkse landbouwinkomen uitmaken; overwegende dat deze betalingen moeten worden voortgezet om landbouwers te helpen op gelijke voet te concurreren met derde landen;

N.  overwegende dat nieuwe waardeketens op het platteland op het gebied van de bio‑economie een gunstig groei- en werkgelegenheidspotentieel bieden voor plattelandsgebieden;

O.  overwegende dat rechtstreeks betalingen meer gericht moeten zijn op landbouwers, aangezien zij de mensen zijn die bijdragen aan de stabiliteit en de toekomst van onze plattelandsgebieden en zij economische risico's lopen op de markt;

P.  overwegende dat landbouwers de afgelopen jaren zijn geconfronteerd met een steeds grotere prijsvolatiliteit, die samenhangt met prijsschommelingen op mondiale markten en onzekerheid als gevolg van macro-economische ontwikkelingen, extern beleid, problemen op het gebied van handel, politieke en diplomatieke aangelegenheden, gezondheidscrises, overproductie in bepaalde Europese sectoren, klimaatverandering en steeds vaker voorkomende extreme weersomstandigheden in de EU;

Q.  overwegende dat specifieke instrumenten voor mediterrane sectoren deel moeten blijven uitmaken van de eerste pijler;

R.  overwegende dat het van het allergrootste belang is flexibele en snel reagerende instrumenten te verschaffen die gevoelige en strategische sectoren in staat stellen structurele veranderingen, zoals de mogelijke gevolgen van de brexit of van goedgekeurde bilaterale handelsovereenkomsten met de voornaamste partners van de EU, het hoofd te bieden;

S.  overwegende dat sectorale strategieën voor groenten en fruit, wijn en de bijenteelt verplicht moeten blijven voor de producerende landen en dat de specifieke kenmerken van de desbetreffende instrumenten en voorschriften gehandhaafd moeten worden;

T.  overwegende dat het van cruciaal belang is een gelijk speelveld, eerlijke prijzen en een redelijke levensstandaard te waarborgen voor landbouwers in alle regio's en de EU‑lidstaten en tegelijk betaalbare prijzen voor burgers en consumenten te waarborgen en ervoor te zorgen dat landbouwactiviteiten mogelijk zijn in alle delen van de Unie, ook in gebieden met natuurlijke beperkingen; overwegende dat het van cruciaal belang is de consumptie van en de toegang tot hoogwaardige en gezonde voeding te bevorderen, maar dat het tevens belangrijk is de verbintenissen op het gebied van sociale en ecologische duurzaamheid, klimaatactie, volksgezondheid, dieren- en plantengezondheid en ‑welzijn en een evenwichtige ontwikkeling van plattelandsgebieden na te komen;

U.  overwegende dat water en landbouw onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat het duurzaam beheer van water in de landbouwsector van essentieel belang is om een toereikende voedselproductie van hoge kwaliteit en de bescherming van de watervoorraden te waarborgen;

V.  overwegende dat het GLB in passende instrumenten moet voorzien om de kwetsbaarheid van de landbouw voor klimaatverandering aan te pakken en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de druk die op de zoetwatervoorraad wordt uitgeoefend door de landbouwsector, die verantwoordelijk is voor 50 % van het zoetwatergebruik in de EU, wordt beperkt;

W.  overwegende dat er in het kader van meer gelijkheid en legitimiteit een geactualiseerd, eenvoudiger en eerlijker systeem van betalingen moet worden ingevoerd;

X.  overwegende dat het huidige GLB de instrumenten ontbeert die noodzakelijk zijn om een fatsoenlijk inkomen te garanderen dat ertoe bijdraagt dat oudere landbouwers waardig kunnen leven;

Y.  overwegende dat het ontbreekt aan toereikende instrumenten om aan te moedigen dat bedrijven van de oudere generatie landbouwers worden overgedragen aan de jongere generatie;

Z.  overwegende dat volgens het briefingdocument van de Europese Rekenkamer van maart 2018 over de toekomst van het GLB in 2010 tegenover elke 100 landbouwondernemers boven de 55 jaar slechts 14 landbouwondernemers stonden die jonger waren dan 35, en in 2013 nog maar 10,8; overwegende dat de gemiddelde leeftijd van landbouwers in de EU in de periode 2004-2013 is gestegen van 49,2 tot 51,4 jaar; overwegende dat de kleinste landbouwbedrijven meestal in handen van oudere landbouwers zijn;

AA.  overwegende dat zich door de toenemende mondiale handel nieuwe kansen en uitdagingen aandienen, onder meer in verband met milieu, klimaatverandering, bescherming van wateren, gebrek aan landbouwgrond en bodemdegradatie, en dat het daardoor noodzakelijk wordt de internationale handelsregels aan te passen teneinde een gemeenschappelijk gelijk speelveld op basis van hoge normen en eerlijke en duurzame voorwaarden tot stand te brengen voor de uitwisseling van goederen en diensten, alsmede vernieuwde en doeltreffende handelsbeschermingsmechanismen, in overeenstemming met de bestaande sociale, economische en milieu-, gezondheids-, sanitaire en fytosanitaire en dierenwelzijnsnormen van de EU;

AB.  overwegende dat deze normen wereldwijd en met name in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) moeten worden bevorderd, terwijl de belangen van Europese producenten en consumenten worden beschermd door de Europese normen te waarborgen in handelsovereenkomsten voor invoer;

AC.  overwegende dat ca. 80 % van de benodigde eiwitten in de EU uit derde landen wordt ingevoerd en er tot dusver veel te weinig is gedaan om een eiwitstrategie in het GLB te verwerken;

AD.  overwegende dat de aandacht voor onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot hulpbronnenbesparende product- en procesinnovatie weliswaar moet worden toegejuicht, maar dat er meer moet gebeuren om de onderzoekscapaciteit en infrastructuur te ontwikkelen die noodzakelijk zijn om de resultaten van onderzoek om te zetten in voedings- en landbouw-, en duurzame boslandbouwpraktijken, gefaciliteerd door toereikende steun, en om een aanpak met meerdere actoren te bevorderen waarbij de landbouwers centraal staan, ondersteund door onafhankelijke, transparante en in toereikende mate met openbare middelen gefinancierde landbouwvoorlichtingsdiensten in alle lidstaten en regio's en door kennisuitwisseling en opleidingsdiensten op het niveau van de lidstaten;

AE.  overwegende dat rechtstreekse investeringssteun beter moet worden afgestemd op de eisen van economische en milieuprestaties en daarbij rekening moet worden gehouden met de behoeften van de landbouwbedrijven zelf;

AF.  overwegende dat de Europese Unie een reeks programma's heeft ontwikkeld op het gebied van ruimtevaart (Egnos en Galileo) en aardobservatie (Copernicus) waarvan de mogelijkheden voor een gemakkelijkere controle op de uitvoering van het GLB en de overgang van de Europese landbouw naar een precisielandbouw en een tweeledig, ecologisch en economisch prestatievermogen van de landbouwbedrijven, maximaal moeten worden benut;

AG.  overwegende dat het biotechnologisch onderzoek nu overwegend buiten de EU plaatsvindt, waarbij de nadruk doorgaans ligt op agrarisch-economische vraagstukken die voor de EU-sector niet van belang zijn, wat kan leiden tot verlies aan investeringen en focus;

AH.  overwegende dat de ervaring leert dat de productiekosten waarschijnlijk kunnen worden verminderd door te profiteren van natuurlijke processen om de opbrengsten en de veerkracht te verhogen, en deze processen aan te moedigen;

AI.  overwegende dat een concurrerende landbouw-, voedings- en bosbouwsector een grote rol moet blijven spelen bij het verwezenlijken van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU als vastgesteld in internationale overeenkomsten als COP21 en de SDG's van de VN, waarbij landbouwers gestimuleerd en betaald worden voor hun bijdrage en gesteund worden door het wegnemen van onnodige wettelijke en administratieve lasten bij de maatregelen die ze nemen;

AJ.  overwegende dat de verwachte stijging van het mondiale jaarlijkse gemiddelde van de oppervlaktetemperatuur in de 21e eeuw en de onmiddellijke gevolgen daarvan voor de klimaatomstandigheden een ecologisch duurzaam voedselsysteem noodzakelijk maken dat een veilige en overvloedige productie waarborgt, maar tegelijkertijd voorkomt dat de Unie afhankelijk wordt van andere markten;

AK.  overwegende dat het van belang is dat het toekomstige GLB strookt met de SDG's, de Overeenkomst van Parijs en het EU-beleid, met name op het gebied van duurzaamheid, milieu, klimaat, volksgezondheid en voeding;

AL.  overwegende dat de landbouw een van de economische sectoren vormt die volgens de verordening inzake de verdeling van inspanningen moeten bijdragen tot de doelstelling om de broeikasgasemissies tegen 2030 met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2005;

AM.  overwegende dat kleine landbouwbedrijven ongeveer 40 % van de landbouwbedrijven in de EU uitmaken, maar slechts 8 % van de GLB-subsidies ontvangen;

AN.  overwegende dat de 17 SDG's nieuwe, duidelijke doelstellingen voor het GLB in de periode na 2020 omvatten;

AO.  overwegende dat in het GLB gaandeweg milieudoelstellingen zijn geïntegreerd door ervoor te zorgen dat de desbetreffende voorschriften verenigbaar zijn met de milieueisen van de EU-wetgeving en dat landbouwers daaraan voldoen, en door duurzame landbouwpraktijken te bevorderen ter bescherming van het milieu en de biodiversiteit;

AP.  overwegende dat de geconsumeerde hoeveelheid verzadigde vetten en rood vlees nog steeds duidelijk boven de aanbevolen voedingsinname ligt en dat de voedingsindustrie nog steeds aanzienlijk bijdraagt tot broeikasgas- en stikstofemissies;

AQ.  overwegende dat door gesloten productiekringlopen, waarbij productie, verwerking en verpakking in dezelfde regio plaatsvinden, de meerwaarde in de regio in kwestie blijft, de lokale arbeidsmarkt meer werkgelegenheid te bieden heeft en landelijke gebieden nieuw leven kan worden ingeblazen;

AR.  overwegende dat het GLB economische en ecologische doelstellingen nastreeft die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat deze dualiteit in het kader van de hervorming van de eerste pijler en de vergroening behouden en zelfs versterkt moet worden om de overgang naar een duurzaam en goed presterend Europees landbouwmodel te bevorderen;

AS.  overwegende dat de Europese Unie bij het toekomstige GLB moet streven naar een aanzienlijke beperking van het gebruik van antibiotica in de landbouw en de voedingssector ter versterking van de duurzame landbouw;

AT.  overwegende dat de versterking van de veerkracht en duurzaamheid op lange termijn van de landbouwsystemen en ‑gronden van nut zal zijn voor de EU als geheel;

AU.  overwegende dat de Europese Rekenkamer heeft beklemtoond dat wegens de vergroeningsvereisten die de reeds bestaande praktijken vaak kenmerken, de vergroeningsbetalingen die in het kader van de hervorming van 2013 zijn ingevoerd bijkomende complexiteit en bureaucratie hebben gecreëerd, moeilijk te begrijpen zijn en volgens het advies van de Rekenkamer niet voldoende bijdragen aan een aanzienlijke verbetering van de prestaties van het GLB op het gebied van milieu en klimaat als gevolg van de opzet ervan, punten waarmee rekening moet worden gehouden bij het uitwerken van de nieuwe groene architectuur voor het GLB;

AV.  overwegende dat de Rekenkamer ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld in verband met de uitvoering van de tweede pijler, met name ten aanzien van het lange goedkeuringsproces en de complexe en bureaucratische aard van de programma's voor plattelandsontwikkeling;

AW.  overwegende dat bij een empirisch onderbouwde metabeoordeling van wetenschappelijke studies ("Fitness Check") is gebleken dat vergroeningsmaatregelen niet tot een aanzienlijke verbetering van de milieuprestaties hebben geleid en dat dit voornamelijk te wijten is aan het feit dat reeds aan de desbetreffende vereisten werd voldaan;

AX.  overwegende dat de doelstellingen van de Cork 2.0-verklaring inzake een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden bepalingen in verband met dynamische plattelandsgebieden, slimme multifunctionaliteit, biodiversiteit in de landbouw, de bosbouw en daarbuiten, zeldzame dierenrassen en instandhouding van gewassen omvatten, alsook bepalingen in verband met biologische landbouw, steun voor probleemgebieden en verplichtingen in het kader van Natura 2000; overwegende dat in de verklaring ook wordt gewezen op het belang van inspanningen om de ontvolking van plattelandsgebieden af te wenden, en de rol van vrouwen en jongeren daarbij, alsook op de noodzaak om beter gebruik te maken van de endogene hulpbronnen van plattelandsgebieden door geïntegreerde strategieën en multisectorale benaderingen ter versterking van de bottom‑upbenadering ten uitvoer te leggen en synergieën tussen de diverse actoren tot stand te brengen, wat het noodzakelijk maakt dat er wordt geïnvesteerd in de levensvatbaarheid van de plattelandsgebieden, natuurlijke hulpbronnen worden behouden en efficiënter worden beheerd, klimaatactie wordt aangemoedigd, kennis en innovatie worden gestimuleerd, het bestuur van plattelandsgebieden wordt verbeterd en het plattelandsbeleid en de uitvoering ervan worden vereenvoudigd;

AY.  overwegende dat in het GLB rekening moet worden gehouden met minder begunstigde gebieden, bijvoorbeeld regio's waar de concurrentie tussen stedelijke ontwikkeling en landbouw groot is, omdat de landbouwers in dergelijke gebieden kampen met aanvullende beperkingen op de toegang tot land;

AZ.  overwegende dat minder begunstigde gebieden, zoals ultraperifere en berggebieden, in het kader van het GLB een vergoeding moeten blijven ontvangen voor de bijkomende kosten in verband met hun specifieke problemen teneinde de landbouwactiviteiten in dergelijke gebieden in stand te houden;

BA.  overwegende dat het GLB de nodige aandacht moet besteden aan de grote voordelen voor het milieu van bepaalde sectoren, zoals de schapen- en geitenteelt of de teelt van eiwithoudende gewassen;

BB.  overwegende dat de bijenteelt van wezenlijk belang is voor de EU en een belangrijke bijdrage levert aan de samenleving, uit zowel economisch als milieuoogpunt;

BC.  overwegende dat het van essentieel belang is om de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen verder te versterken en om op de eengemaakte markt eerlijke concurrentie te waarborgen aan de hand van eerlijke en transparante regels die rekening houden met de specifieke kenmerken van de landbouw als het gaat om de relatie tussen productie en andere schakels van de voedselvoorzieningsketen, zowel upstream als downstream, en om te voorzien in stimulansen om risico's en crises doeltreffend te voorkomen met instrumenten voor een actief aanbodbeheer, die vraag en aanbod beter op elkaar kunnen afstemmen en door openbare instanties en op het niveau van de sector kunnen worden ingezet, zoals blijkt uit het verslag van de taskforce landbouwmarkten; overwegende dat aspecten die buiten de reikwijdte van het GLB vallen en van invloed zijn op het concurrentievermogen en het gelijke speelveld voor landbouwers eveneens naar behoren moeten worden afgewogen en geëvalueerd;

BD.  overwegende dat de nieuwe uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid en voedselautonomie waar de Europese landbouw in het kader van de politieke prioriteiten van de EU mee te maken zal krijgen – zoals vermeld in de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën – tot gevolg hebben dat er in het volgend meerjarig financieel kader (MFK) moet worden voorzien in de handhaving of verhoging van een landbouwbegroting in euro in constante prijzen om zowel bestaande als nieuwe uitdagingen aan te pakken;

BE.  overwegende dat de samenleving van landbouwers verwacht dat ze hun praktijken aanpassen en volledig duurzaam worden, en dat ze bij deze overgang met overheidsmiddelen moeten worden gesteund;

BF.  overwegende dat wijzigingen van het huidige GLB zodanig moeten worden doorgevoerd dat de sector op stabiliteit kan blijven rekenen, en dat landbouwers en boseigenaren rechts- en planningszekerheid wordt geboden, door te voorzien in passende overgangsperioden en ‑maatregelen;

BG.  overwegende dat het Parlement zijn rol bij het vaststellen van een duidelijk beleidskader ten volle moet kunnen spelen, teneinde een gemeenschappelijke ambitie op EU-niveau te behouden en voortzetting te geven aan het democratische debat over de strategische aspecten die van invloed zijn op het dagelijkse leven van alle burgers wat betreft het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, waaronder water, bodem en lucht, de kwaliteit van onze voeding, de financiële stabiliteit van landbouwproducenten, voedselveiligheid, gezondheid en de duurzame modernisering van landbouwpraktijken en praktijken inzake hygiëne, teneinde op Europees niveau een maatschappelijk contract tussen producenten en consumenten te sluiten;

BH.  overwegende dat een herziening van het GLB noodzakelijk is om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige uitdagingen, dat de medewetgevers in staat gesteld moeten worden hun taken volledig uit te voeren binnen een vastgesteld tijdskader, en dat er onzekerheden bestaan met betrekking tot de brexit;

BI.  overwegende dat de voedselzekerheid in Europa in de toekomst zowel voor het VK als voor de EU-27 moet worden gewaarborgd en dat er daarbij alles aan moet worden gedaan om verstoringen van de voedselproductie en -voorziening voor beide partijen tot een minimum te beperken; overwegende dat alles in het werk moet worden gesteld om de milieu- en voedselveiligheidsnormen onderling op elkaar af te stemmen, teneinde te waarborgen dat de burgers van het VK en van de EU niet worden geconfronteerd met een vermindering van de kwaliteit of veiligheid van voedingsmiddelen;

BJ.  overwegende dat het herstel, de instandhouding en de versterking van land- en bosbouwgerelateerde ecosystemen, ook in Natura 2000-gebieden, behoren tot de zes grootste prioriteiten voor plattelandsontwikkeling in de EU;

BK.  overwegende dat de EU thans een eiwitstrategie uitwerkt om te bevorderen dat zij in haar eigen behoefte aan plantaardige eiwitten kan voorzien;

BL.  overwegende dat in 2017 124 miljoen mensen in 51 landen werden getroffen door ernstige voedselonzekerheid, zijnde 16 miljoen meer dan in 2016; overwegende dat de meeste mensen die met voedselonzekerheid te kampen hebben, in plattelandsgebieden leven;

BM.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een kerndoelstelling van de EU en haar lidstaten is; overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden tal van rollen vervullen die landbouwbedrijven en plattelandsgemeenschappen levensvatbaar helpen houden; overwegende dat inspanningen om de ontvolking van plattelandsgebieden af te wenden nauw samenhangen met de kansen voor vrouwen en jongeren; overwegende dat plattelandsvrouwen nog steeds voor talloze uitdagingen staan, en dat het beleid op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling niet in toereikende mate over een genderdimensie beschikt; overwegende dat het geslacht van de begunstigden van rechtstreekse betalingen of plattelandsontwikkeling weliswaar geen betrouwbare indicator vormt voor het effect van programma's, maar dat vrouwen desalniettemin ondervertegenwoordigd zijn in de hoedanigheid van aanvrager of begunstigde;

BN.  overwegende dat, om de GLB-begroting tegenover de Europese belastingbetaler te verantwoorden, de financiering ervan in de toekomst gekoppeld moet zijn aan zowel de productie van veilige en hoogwaardige voeding als een duidelijke maatschappelijke meerwaarde in de vorm van duurzame landbouw, ambitieuze prestaties op het gebied van milieu en klimaat, de gezondheid en het welzijn van mens en dier, en andere effecten van het GLB op de samenleving, om voor een echt gelijk speelveld in de EU en daarbuiten te zorgen;

BO.  overwegende dat uit Speciale Eurobarometer 442 over de standpunten van de Europese bevolking ten aanzien van dierenwelzijn blijkt dat 82 % van de Europese burgers van mening is dat het dierenwelzijn in de landbouw beter moet worden beschermd;

BP.  overwegende dat het gebruik van pesticiden, de achteruitgang van de biodiversiteit en veranderingen in de landbouwomgeving negatieve gevolgen kunnen hebben voor het aantal bestuivers en de verscheidenheid aan soorten bestuivers; overwegende dat zowel gedomesticeerde als in het wild levende bestuivers met aanzienlijke uitdagingen worden geconfronteerd en dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de landbouw en de voedselzekerheid in de EU, gezien het feit dat de EU-productie grotendeels afhankelijk is van bestuivingsdiensten; overwegende dat in januari 2018 in het kader van het Europees bestuivingsinitiatief een openbare raadpleging is gestart om te bepalen welke benadering het meest geschikt en welke maatregelen noodzakelijk zijn om de achteruitgang van bestuivers in de EU een halt toe te roepen;

BQ.  overwegende dat er in het kader van plattelandsontwikkeling een specifieke maatregel moet komen, gestoeld op de acht beginselen van geïntegreerde gewasbescherming van de Europese Unie, om een aanzienlijke vermindering van het gebruik van pesticiden aan te moedigen en de toepassing van niet-chemische alternatieven te bevorderen;

BR.  overwegende dat minder begunstigde gebieden, zoals ultraperifere en berggebieden, in het kader van het GLB een vergoeding moeten blijven ontvangen voor de bijkomende kosten in verband met hun specifieke problemen teneinde de landbouwactiviteiten in dergelijke gebieden in stand te houden;

BS.  overwegende dat bij de toepassing van het GLB-raamwerk in de ultraperifere gebieden de draagwijdte van artikel 349 VWEU volledig moet worden benut, aangezien deze gebieden in een bijzonder ongunstige positie verkeren als gevolg van sociaal-economische ontwikkelingen, met betrekking tot aspecten zoals vergrijzing en ontvolking; overwegende dat Posei een efficiënt instrument is dat erop gericht is de structurering van de sector te ontwikkelen en te versterken door in te spelen op de specifieke problemen van de landbouw in de ultraperifere gebieden; overwegende dat de Commissie in haar verslag aan het Parlement en de Raad van 15 december 2016 over de tenuitvoerlegging van Posei tot de conclusie komt dat "[r]ekening houdend met de beoordeling van het programma [...] een wijziging van de basisverordening (Verordening (EU) nr. 228/2013) niet noodzakelijk [wordt] geacht";

BT.  overwegende dat zowel bosbeheer als boslandbouw met een bovenlaag van houtvegetatie boven grasland of een landbouwgewas een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de veerkracht van landbouwbedrijven en landschappen en aan de uitvoering van de vereiste milieumaatregelen en maatregelen ter beperking van klimaatverandering, en daarbij bosbouw- of landbouwproducten dan wel andere ecosysteemdiensten kunnen leveren, en daarmee de doelstellingen van het GLB versterken en het voor de circulaire economie en de bio-economie mogelijk maken om bij te dragen aan nieuwe bedrijfsmodellen die landbouwers, bosbouwers en plattelandsgebieden ten goede komen; overwegende dat de EU-bosstrategie een samenhangende, holistische kijk op het bosbeheer en de vele voordelen van bossen bevordert, en de boswaardeketen als geheel benadert, en dat het GLB een belangrijke rol speelt bij de doelstellingen ervan, en bijzondere aandacht schenkt aan de mediterrane bossen, die meer te lijden hebben van klimaatverandering en branden, waardoor de biodiversiteit en het productiepotentieel van de landbouw in gevaar worden gebracht;

Nieuwe betrekkingen tussen de Europese Unie, de lidstaten, regio's en landbouwers

1.  juicht het voornemen toe om het GLB ten gunste van landbouwers en om aan de verwachtingen van de burgers te voldoen, te vereenvoudigen en te moderniseren, maar benadrukt dat de absolute prioriteit bij een hervorming moet liggen bij de in het Verdrag van Rome opgenomen beginselen, de integriteit van de eengemaakte mark, en een echt gemeenschappelijk en door de EU adequaat gefinancierd beleid dat modern en resultaatgericht is, duurzame landbouw ondersteunt en veilige, kwalitatief hoogwaardige en diverse voedingsmiddelen, banen en groei in plattelandsgebieden garandeert;

2.  neemt nota van de mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw en is verheugd dat zij erkent dat een van de GLB-doelstellingen erin moet bestaan het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen te versterken en te waarborgen en bij te dragen tot de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU;

3.  dringt aan op een GLB waarin het omvormen van alle Europese boerderijen tot ondernemingen die economische en milieuprestatienormen verenigen de hoogste prioriteit heeft;

4.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat binnen het GLB de essentiële relatie tussen EU‑wetgevers, landbouwers en burgers wordt gehandhaafd; wijst elke mogelijkheid die ertoe leidt dat het GLB opnieuw wordt genationaliseerd van de hand, aangezien dit zou leiden tot grotere onevenwichtigheden met betrekking tot de concurrentie op de eengemaakte markt;

5.  wijst op de zeer belangrijke rol die kleine en middelgrote landbouwbedrijven spelen, een rol die moet worden erkend en naar waarde moet worden geschat;

6.  wijst erop dat de flexibiliteit waarover de lidstaten momenteel beschikken met betrekking tot de opties die zijn opgenomen in basisregels, het mogelijk maakt om in te spelen op specifieke situaties, maar tegelijkertijd aantoont dat delen van het GLB niet langer als gemeenschappelijk kunnen worden beschouwd; onderstreept dat het noodzakelijk is de concurrentievoorwaarden binnen de eengemaakte markt te handhaven en een gelijk speelveld te garanderen met betrekking tot de toegang tot steun voor landbouwers in verschillende lidstaten of regio's, terwijl er adequate en efficiënte oplossingen nodig zijn om een eventueel risico op verstoring van de concurrentie of risico's voor de cohesie te beperken;

7.  is van mening dat de lidstaten een redelijke mate van flexibiliteit moeten genieten binnen een krachtig gemeenschappelijk kader van op EU-niveau door de medewetgever goedgekeurde EU-regels, elementaire normen, interventie-instrumenten, controles en financiële toewijzingen, waarmee een gelijk speelveld voor landbouwers wordt gewaarborgd en met name een EU-benadering voor steun in het kader van de eerste pijler, om zo de naleving van de voorwaarden van eerlijke concurrentie te garanderen;

8.  is van mening dat, teneinde de uitvoering van het GLB efficiënter te laten verlopen en beter af te stemmen op de reële omstandigheden in de diverse soorten landbouw in Europa, de nationale keuzen die worden gemaakt binnen het kader van de door de EU gedefinieerde reeks beschikbare instrumenten binnen de eerste en tweede pijler, moeten worden gestroomlijnd en dat de lidstaten in samenwerking met alle relevante belanghebbenden hun eigen samenhangende en op feiten gebaseerde nationale strategieën moeten opstellen op basis van EU-doelstellingen en -indicatoren met betrekking tot de belangrijkste soorten mogelijke interventie-instrumenten, die eveneens op EU-niveau moeten worden gedefinieerd, en de selectiecriteria ervan, binnen een duidelijk en gemeenschappelijk kader van in de EU geldende regels, waarbij de regels en beginselen van de eengemaakte markt naar behoren worden geëerbiedigd;

9.  benadrukt dat aanvullende subsidiariteit enkel mag worden verleend als er sprake is van een sterke, gemeenschappelijke reeks EU-regels, ‑doelstellingen, ‑indicatoren en ‑controles;

10.  vraagt de Commissie de nodige aanpassingen aan het volgende GLB aan te brengen om gehoor te geven aan de oproep van het Parlement om geen landbouwsubsidies te gebruiken voor het fokken van stieren die voor stierengevechten worden gebruikt;

11.  onderstreept het risico van "gold‑plating" op nationaal en regionaal niveau en de hoge mate van onzekerheid voor landbouwers vanwege de mogelijkheid die de lidstaten krijgen om hun nationale plannen onafhankelijk van elkaar uit te stippelen en hun beslissingen jaarlijks te herzien, afhankelijk van de standpunten van de zittende regeringen; verzoekt de Commissie dan ook om, naast haar wetgevingsvoorstellen, een duidelijk en eenvoudig model voor nationale strategische plannen aan de medewetgevers voor te leggen om hen in staat te stellen de draagwijdte, de gedetailleerdheid en de inhoud van die plannen te beoordelen – daar dit essentiële elementen zullen zijn van het toekomstige Commissievoorstel – en te verduidelijken aan de hand van welke criteria deze nationale strategieën zullen worden beoordeeld;

12.  roept de Commissie op instrumenten te verschaffen voor een betere benutting van de synergieën tussen de middelen van het GLB en die van het cohesiebeleid;

13.  benadrukt dat het toekomstige GLB de verdeling van bevoegdheden binnen de lidstaten, die vaak zijn vastgelegd in de grondwet, ten volle moet eerbiedigen, met name de wettelijke bevoegdheden van de regio's van de EU bij het uitwerken, beheren en uitvoeren van haar beleid, zoals het Elfpo; benadrukt dat moet worden gegarandeerd dat landbouwers en andere begunstigden naar behoren worden betrokken bij alle stadia van beleidsontwikkeling;

14.  is verheugd dat de Commissie inspanningen levert om voor het ontwerp, de uitvoering en de controle van programma's een op resultaten gebaseerde benadering te hanteren, zodat de nadruk eerder ligt op betere prestaties dan op naleving, en tegelijkertijd zorgt voor passende en op risico's gebaseerde monitoring aan de hand van duidelijk omschreven, eenvoudigere, minder bureaucratische (met inbegrip van de preventie van gold‑plating), degelijke, transparante en meetbare indicatoren op EU-niveau, met onder meer passende controles van het ontwerp van maatregelen en programma's, de tenuitvoerlegging en sancties van lidstaten; acht het noodzakelijk om uniforme basiscriteria in te voeren voor het vaststellen van vergelijkbare sancties op gelijkwaardige gevallen van niet-naleving met betrekking tot de verschillende maatregelen die de lidstaten of regio's instellen om de gemeenschappelijke, door de EU geformuleerde algemene doelstellingen te verwezenlijken;

15.  benadrukt dat lidstaten bij een louter op resultaten gebaseerde benadering het risico lopen dat hun nationale toewijzingen achteraf worden verlaagd en financiering wordt opgeschort als zij, als gevolg van hun specifieke situatie, niet in staat zijn alle in hun nationale plannen uiteengezette resultaten te verwezenlijken;

16.  erkent dat het nieuwe uitvoeringssysteem de komende jaren zal moeten worden geperfectioneerd en aangepast, zodat landbouwers niet worden gestraft als gevolg van de overgang naar een op resultaten gebaseerd model;

17.  merkt echter op dat een potentiële vertraging in de goedkeuring van strategische plannen voor het GLB kan leiden tot late betalingen, een scenario dat moet worden voorkomen;

18.  is van mening dat de lidstaten binnen de eerste pijler programma's moeten kunnen kiezen uit een prioritaire catalogus die door de EU wordt opgesteld;

19.  roept ertoe op een systeem van passende institutionele en juridische aanpassingen te ontwikkelen dat bevorderlijk is voor de wijziging van het uitvoeringsmodel, om te voorkomen dat er aanvullende kosten moeten worden gemaakt en te vermijden dat de absorptie van fondsen in de lidstaten vermindert;

20.  is van mening dat bij de verzameling van informatie gebruik moet worden gemaakt van satellietbeelden en databanken van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem en niet van de gegevens die individuele landbouwers indienen;

21.  verzoekt de Commissie relevante synergieën tot stand te brengen tussen de voornaamste ruimtevaartprogramma's van de EU en het GLB, en vooral met het Copernicus-programma, dat van specifiek belang is voor de landbouwgemeenschap op het gebied van klimaatverandering en milieucontrole;

22.  dringt aan op maatregelen die de recycling van voedingsstoffen bevorderen; roept ertoe op om het landbouwstructuurbeleid in overeenstemming te brengen met de steunregeling voor milieumaatregelen, bijvoorbeeld door een betere combinatie van landbouw en veeteelt;

23.  vraagt om de vereenvoudigde regeling voor kleine landbouwers (SFS) te behouden;

24.  is van mening dat landbouwers met minder dan 5 hectare grond de kans moeten krijgen vrijwillig aan deze regeling deel te nemen;

25.  verzoekt de Commissie om financiële en prestatiecontroles en audits uit te voeren om te waarborgen dat in alle lidstaten functies voldoen aan dezelfde hoge normen en worden uitgevoerd aan de hand van dezelfde criteria, ongeacht de grotere flexibiliteit voor de lidstaten op het gebied van het ontwerp en beheer van programma's, en met name om te waarborgen dat alle in aanmerking komende landbouwers en plattelandsgemeenschappen in alle lidstaten tijdig middelen krijgen uitbetaald en de administratieve lasten voor de begunstigden tot een minimum worden beperkt;

26.  wijst erop dat het bij de vorige hervorming lastig was overeenstemming te bereiken over de definitie van een "actieve landbouwer"; is daarom van mening dat de output van een landbouwbedrijf (bijv. dat het land in goede landbouwkundige staat wordt gehouden, er goede veehouderijmethoden worden toegepast of een bijdrage wordt geleverd aan de circulaire economie) een gerichtere en beter kwantificeerbare oplossing zou kunnen zijn voor een dergelijke definitie;

27.  verwerpt de bezuiniging van 25 % op de begroting voor de plattelandsontwikkeling, die in het recente voorstel inzake het MFK 2021-2027 van 2 mei 2018 is opgenomen; onderstreept dat bezuinigingen op de begroting voor de landbouw en de plattelandsontwikkeling niet mogen leiden tot een afzwakking van de ambitie in vergelijking met het huidige GLB;

28.  is van mening dat alle spelers die betrokken zijn bij het proces van controle op de EU-financiën, waaronder de Rekenkamer, het resultaatgerichte controlesysteem op dezelfde manier moeten interpreteren, opdat de lidstaten en begunstigden niet worden geconfronteerd met onverwachte financiële correcties;

29.  benadrukt dat landbouwers ondernemers zijn en dat hun ondernemingsvrijheden moeten worden gegarandeerd om ervoor te zorgen dat zij hun producten voor behoorlijke prijzen op de markt kunnen aanbieden;

30.  benadrukt dat deeltijdlandbouwers en landbouwers met een gemengd inkomen niet mogen worden uitgesloten;

31.  juicht het voorstel van de Commissie toe om de lidstaten, regio's en landbouwers een grotere flexibiliteit toe te kennen in het kader van een hogere financiële drempel voor de de‑minimisregels op het gebied van landbouw, en ook de integriteit van de interne markt te behouden;

32.  roept de Commissie bovendien op de lidstaten meer flexibiliteit te bieden in het kader van de regels met betrekking tot staatssteun voor de landbouw zodat zij landbouwers kunnen aanmoedigen uit voorzorg vrijwillig meer te sparen om beter voorbereid te zijn op door het klimaat veroorzaakte en gezondheidsrisico's, waarvan er steeds meer zijn, en economische crises;

33.  roept er echter toe op de collectieve goederen die worden geleverd door micro- en kleine landbouwbedrijven, waaronder hun deelname aan coöperatieve en gemeenschapsinitiatieven, eerlijk te vergoeden;

34.  roept de lidstaten op grotere synergieën na te streven tussen het GLB en ander beleid en andere fondsen, zoals de cohesie-, structuur- en andere investeringsfondsen, om in plattelandsgebieden een meervoudig effect teweeg te brengen;

35.  pleit voor een betere beleidscoördinatie tussen het GLB en andere EU-beleidsmaatregelen en -acties, in het bijzonder met Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 91/676/EEG en Verordening (EG) nr. 1107/2009 – als middel om een duurzame bescherming van de watervoorraden te verzekeren, waarvan de kwantiteit en kwaliteit negatief worden beïnvloed door de landbouw; pleit voor stimulansen ter bevordering van lokale samenwerkingsprojecten tussen landbouwers en waterleveranciers om zo te zorgen voor een betere bescherming van de watervoorraden;

36.  merkt op dat veel dorpen en regio's in sommige lidstaten, ondanks hun rurale karakter, om administratieve redenen buiten het toepassingsgebied van plattelandsontwikkelingspramma's vallen, waardoor zij worden benadeeld;

37.  roept de lidstaten op flexibelere benaderingen te overwegen om deze regio's en de producenten die er gevestigd zijn, niet te benadelen;

Een slim, efficiënt, duurzaam en eerlijk GLB – resultaten boeken voor landbouwers, burgers, plattelandsgebieden en het milieu

38.  acht het noodzakelijk de huidige structuur met twee pijlers te behouden en benadrukt dat de pijlers samenhangend en complementair moeten zijn, waarbij de eerste pijler, die volledig met Europese fondsen wordt gefinancierd, een doeltreffend ondersteuningsmiddel vormt voor inkomenssteun, voor basismilieumaatregelen en voor de voortzetting van bestaande marktmaatregelen, en waarbij de tweede pijler tegemoetkomt aan de specifieke behoeften van de lidstaten; acht het tegelijkertijd echter noodzakelijk om landbouwers en andere begunstigden aan te sporen om acties te realiseren die ecologische en sociale collectieve goederen opleveren die niet door de markt worden vergoed, en om zowel nieuwe als bestaande landbouwmethoden op basis van gemeenschappelijke, uniforme en objectieve criteria te eerbiedigen, waarbij de lidstaten nog steeds de mogelijkheid moet worden geboden om specifieke benaderingen te hanteren om te beantwoorden aan lokale en sectorale omstandigheden; is van mening dat de overgang van alle Europese boerderijen naar duurzaamheid, en de volledige integratie van alle Europese boerderijen in de circulaire economie, waarbij economische en milieuprestatienormen worden verenigd zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de sociale of arbeidsnormen, de hoogste prioriteit heeft;

39.  herinnert de Commissie eraan dat de doelstellingen van het GLB, die zijn opgenomen in artikel 39 VWEU, als volgt luiden: de productiviteit van de landbouw doen toenemen om aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, de markten stabiliseren, de voorziening veiligstellen en redelijke prijzen verzekeren bij de levering aan verbruikers;

40.  onderstreept het potentieel van technologische innovatie voor een slimme en efficiënte sector die resultaten levert op het gebied van duurzaamheid, met name wat betreft het efficiënte gebruik van hulpbronnen, het monitoren van de gezondheid van gewassen en dieren en het milieu;

41.  verzoekt erom dat de toepassing van dergelijke innovaties via het GLB wordt vergemakkelijkt en ondersteund;

42.  is van mening dat de toekomstige GLB-structuur alleen resultaten kan opleveren als er voldoende middelen worden vrijgemaakt; dringt er daarom op aan dat de begroting van het GLB (in constante euro) in het volgende MFK wordt gehandhaafd of verhoogd om de ambities van een herzien en efficiënt GLB na 2020 te kunnen waarmaken;

43.  is van mening dat de landbouwsector bij een verdere liberalisering van de markt en de daarmee samenhangende vermindering van bescherming voor landbouwers, moet worden gecompenseerd, hetgeen in het bijzonder geldt voor landbouwbedrijven die worden geconfronteerd met concurrentienadelen – met name moeilijkheden die verband houden met het gebruik van landbouwgrond of met hun ligging in een bergachtig gebied –, en dat alleen dergelijke compensatiemaatregelen een extensief beheer van landbouwgrond en het behoud van het cultuurlandschap kunnen garanderen;

44.  benadrukt dat de GLB-begroting moet worden afgestemd op toekomstige behoeften en uitdagingen, zoals degene die voortvloeien uit de brexit en de vrijhandelsovereenkomsten die de EU heeft gesloten met haar belangrijkste handelspartners;

45.  wijst op de aanhoudende verschillen in ontwikkeling tussen stedelijke gebieden in verschillende regio's en lidstaten en is derhalve van mening dat cohesiecriteria een belangrijke rol moeten blijven spelen bij de distributie over de lidstaten van fondsen in het kader van de tweede pijler;

46.  onderstreept het belang van de toewijzing van een robuuste begroting voor de tweede pijler (beleid voor plattelandsontwikkeling) binnen de algehele GLB-begroting;

47.  is van mening dat landbouwers moeten worden ondersteund bij de transitie naar volledige duurzaamheid;

48.  is van mening dat de ontwikkeling van nieuw beleid en nieuwe doelstellingen voor de EU niet ten koste mag gaan van een succesvol GLB en de bijbehorende middelen;

49.  erkent de huidige onzekerheid omtrent de toekomstige GLB-begroting;

50.  benadrukt dat het GLB wordt bekostigd met geld van belastingbetalers uit alle lidstaten en dat belastingbetalers in de hele EU recht hebben op zekerheid dat deze middelen alleen op gerichte en transparante wijze worden gebruikt;

51.  is van mening dat nieuwe begrotingsonderdelen voor plattelandsontwikkeling waarvoor geen extra middelen beschikbaar worden gesteld, moeten worden vermeden;

52.  is van mening dat gerichtere steun noodzakelijk is voor diverse landbouwsystemen, met name kleine en middelgrote familiebedrijven en jonge landbouwers, zodat de regionale economieën kunnen worden versterkt door een landbouwsector die resultaten levert in economisch, ecologisch en maatschappelijk opzicht; is van mening dat dit kan worden verwezenlijkt door een verplicht herverdelend hoger steunpercentage voor de eerste hectaren van een bedrijf, dat is gekoppeld aan de gemiddelde omvang van een bedrijf in de lidstaten, gezien de grote verschillen in omvang van de landbouwbedrijven in de EU; benadrukt dat steun voor grotere bedrijven degressief moet zijn, rekening houdend met de schaalvoordelen, waarbij een verplicht maximumbedrag wordt ingesteld op Europees niveau, evenals flexibele criteria om rekening te houden met de capaciteit van boerderijen en coöperaties om stabiele werkgelegenheid te creëren waardoor mensen in plattelandsgebieden blijven wonen; is van mening dat de middelen die beschikbaar komen door plafonnering en degressie, in de lidstaat of regio moeten blijven waarvan ze afkomstig zijn;

53.  is van mening dat het cruciaal is te verzekeren dat steun wordt verstrekt aan "echte" landbouwers, die actief landbouw bedrijven om aan de kost te komen;

54.  acht het noodzakelijk een vereenvoudigde regeling te handhaven voor kleine producenten om de toegang tot en het beheer van de rechtstreekse betalingen van het GLB voor hen te vereenvoudigen;

55.  onderstreept dat in kaart dient te worden gebracht welke elementen centraal moeten staan in een goed gebalanceerd, transparant, eenvoudig en objectief systeem van sancties en stimulansen, in combinatie met een transparant systeem waarmee tijdig kan worden bepaald welke begunstigden in aanmerking komen voor overheidssteun voor het leveren van collectieve goederen, en dat een dergelijk systeem moet bestaan uit eenvoudige, vrijwillige en verplichte maatregelen en gericht moet zijn op resultaat om op die manier de nadruk te verschuiven van naleving naar feitelijke prestaties;

56.  benadrukt dat er op het platteland ook veel deeltijdbedrijven en bedrijven met een gemengd inkomen voorkomen die landbouw bedrijven om in hun levensonderhoud te voorzien en daarmee echte landbouwers zijn in de zin van de mededeling van de Commissie;

57.  dringt aan op modernisering van het bestaande systeem voor het berekenen van rechtstreekse betalingen in het kader van de eerste pijler, met name in lidstaten waar de waarde van de rechten nog steeds deels wordt gebaseerd op historische cijfers, door het te vervangen door een in de hele EU geldende methode voor het berekenen van betalingen, waarbij een basisbedrag bestemd is om het inkomenspeil van de landbouwers binnen bepaalde grenzen te ondersteunen en dat bedrag kan worden aangevuld met compensaties voor de bijdragen die zij leveren aan de totstandbrenging van collectieve goederen in overeenstemming met de EU-doelstellingen en streefcijfers tot 2030, teneinde het systeem eenvoudiger en transparanter te maken;

58.  is ingenomen met de eenvoudige, gerechtvaardigde, transparante en gemakkelijk uitvoerbare regeling inzake een enkele areaalbetaling (REAB) die in veel lidstaten met succes wordt toegepast; roept er daarom toe op de REAB na 2020 te handhaven en ervoor te zorgen dat de regeling in alle lidstaten en door alle landbouwers wordt gebruikt;

59.  onderstreept dat deze regeling in de plaats zou kunnen komen van het beheerstechnisch gecompliceerde systeem van betalingsaanspraken, wat zou leiden tot een aanzienlijke vermindering van de administratieve rompslomp;

60.  is van mening dat deze nieuwe betalingen geen verhandelbare waren mogen worden zodat hun doeltreffendheid op de lange termijn kan worden gewaarborgd;

61.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of betalingsverzoeken noodzakelijk zijn met betrekking tot verenigbaarheid met de WTO-regels;

62.  onderstreept dat de overheidsgelden van het huidige GLB die aan daadwerkelijke activiteiten van landbouwers worden besteed, zeer precieze en minutieuze controles ondergaan;

63.  is van mening dat met betalingen strikte gemeenschappelijke voorwaarden moeten zijn gemoeid, onder andere met betrekking tot milieuprestaties en de levering van andere collectieve goederen zoals hoogwaardige werkgelegenheid;

64.  herinnert eraan dat in de resolutie van het Parlement over de "stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven" wordt erkend dat betalingen op basis van hoeveelheid grond zonder duidelijke voorwaarden leiden tot verstoringen van de grondmarkt en derhalve bijdragen aan de steeds grotere concentratie van landbouwgrond in een paar handen;

65.  verduidelijkt dat collectieve goederen diensten zijn die boven de milieu-, klimaat- en dierenwelzijnswetgeving staan en onder meer betrekking hebben op waterbesparing, bescherming van de biodiversiteit, bescherming van de vruchtbaarheid van de bodem, bescherming van bestuivers, bescherming van de humuslaag en dierenwelzijn;

66.  benadrukt dat de rechtstreekse betalingen eerlijk moeten worden verdeeld over de lidstaten, hetgeen essentieel is voor de werking van de interne markt, en waarbij rekening moet worden gehouden met objectieve criteria zoals de bedragen die de lidstaten ontvangen in het kader van eerste en tweede pijler en met het feit dat de natuurlijke omstandigheden, de werkgelegenheid en sociaal-economische factoren, de algemene levensstandaard, de productiekosten, in het bijzonder de kosten van grond, en de koopkracht niet overal in Europa gelijk zijn;

67.  benadrukt dat een grotere convergentie tussen lidstaten van het bedrag aan directe betalingen alleen kan worden bereikt als de begroting voldoende wordt verhoogd;

68.  onderstreept dat rechtstreekse betalingen tot doel hebben boeren te ondersteunen bij de productie van voedsel en de bescherming van het milieu en het dierenwelzijn;

69.  is van mening dat betalingen in het kader van vrijwillige gekoppelde steun moeten worden behouden, onder de strikte voorwaarden dat een gelijk speelveld op de interne markt kan worden gewaarborgd, dat verstoring van de concurrentie (in het bijzonder met betrekking tot grondstoffen) wordt voorkomen, dat samenhang met de WTO-regels wordt gegarandeerd, en dat de verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelen niet in gevaar wordt gebracht, maar dat deze betalingen alleen mogen worden geactiveerd na een beoordeling door de Commissie; is van mening dat vrijwillige gekoppelde steun een instrument is om tegemoet te komen aan de behoeften van kwetsbare sectoren en specifieke doelstellingen met betrekking tot het milieu, het klimaat of de kwaliteit en het op de markt brengen van landbouwproducten, om landbouwpraktijken te stimuleren die voldoen aan hoge dierenwelzijns- en milieunormen, om in te spelen op specifieke problemen, met name die welke voortkomen uit het structurele concurrentienadeel van achtergestelde en berggebieden, maar ook problemen die eerder tijdelijk van aard zijn en bijvoorbeeld het gevolg zijn van een verschuiving van de oude regeling op basis van rechten naar een nieuw systeem; is verder van mening dat vrijwillige gekoppelde steun ook een instrument is om strategisch belangrijke productie, zoals eiwithoudende gewassen, in de toekomst te bevorderen of om te voorzien in compensatie voor de effecten van vrijhandelsovereenkomsten; benadrukt voorts dat betalingen in het kader van vrijwillige gekoppelde steun belangrijk zijn om de verscheidenheid aan landbouwproducten, de werkgelegenheid in de landbouw en duurzame productiesystemen in de EU te behouden;

70.  dringt erop aan dat betalingen uit de eerste pijler, met inbegrip van gekoppelde steun, per hectare en begunstigde worden beperkt tot het dubbele van het gemiddelde van de directe betalingen van de EU per hectare, dit om concurrentieverstoring te voorkomen;

71.  wijst erop dat landbouwers in tal van lidstaten problemen ondervinden met de wisseling van generaties en het aantrekken van nieuwkomers en dat elke nationale of regionale strategie hier dan ook aandacht aan moet besteden aan de hand van een alomvattende benadering, waarbij alle financiële middelen van het GLB dienen te worden gemobiliseerd, met inbegrip van de aanvullende betalingen voor jonge landbouwers in de eerste pijler en maatregelen om jonge landbouwers te helpen opstarten in de tweede pijler, die beiden verplicht zouden moeten worden gemaakt voor de lidstaten, alsook ondersteuning van nieuwe financieringsinstrumenten, zoals een instrument om toegang tot kapitaal te geven indien de beschikbare middelen beperkt zijn; wijst verder op het belang van nationale maatregelen die regelgevings- en economische belemmeringen wegnemen en tegelijkertijd opvolgingsplanning, pensioneringspakketten en toegang tot land stimuleren, en samenwerking zoals partnerschappen, deelpacht, veehouderij op contract en huurovereenkomsten tussen jonge en oude landbouwers faciliteren en aanmoedigen; is van mening dat de staatssteunregels rekening moeten houden met het belang van generatiewisseling en de teloorgang van familiale landbouw moeten voorkomen;

72.  is van mening dat de nieuwe wetgeving een duidelijker onderscheid moet maken tussen de criteria die de basis zijn van stimuleringsmaatregelen voor "jonge landbouwers" en voor "startende landbouwers" (jonge landbouwers op basis van leeftijd, startende landbouwers op basis van het aantal jaren sinds de oprichting van hun onderneming) om zo het potentieel voor beide groepen te verhogen en generatievernieuwing en verbetering van de levenskwaliteit in plattelandsgebieden te verwezenlijken;

73.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te erkennen dat de nieuwe maatschappelijke, technologische en economische veranderingen, zoals schone energie, digitalisering en slimme oplossingen effecten hebben op het leven op het platteland;

74.  vraagt de Commissie inspanningen te ondersteunen om de levenskwaliteit in plattelandsgebieden te verbeteren om mensen, en in het bijzonder jongeren, op die manier aan te moedigen op het platteland te blijven of daarnaar terug te keren, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om ondersteuning te geven bij de ontwikkeling van nieuwe diensten door ondernemers, op de eerste plaats aan vrouwen en jongeren;

75.  stelt met zorg vast dat door het tekort aan arbeidskrachten in verscheidene landbouwsectoren landbouwactiviteiten worden gestaakt; vraagt om steun te verlenen teneinde werknemers in de landbouwsector aan te trekken;

76.  benadrukt het belang van het delen van succesvolle modellen uit lidstaten waarmee jonge en oudere landbouwers ten behoeve van generatievernieuwing worden samengebracht;

77.  doet de aanbeveling om de toegang tot financiële middelen te verbeteren door nieuwkomers leningen met rentesubsidie te verstrekken;

78.  wijst erop dat er speciale aandacht en geïntegreerde inspanningen nodig zijn om plattelandsgebieden en rurale woongebieden tot slimme dorpen te laten ontwikkelen;

79.  pleit voor een betere samenwerking met de EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF) om financieringsinstrumenten in het leven te kunnen roepen ten behoeve van jonge landbouwers in alle lidstaten;

80.  dringt aan op een gelijk speelveld voor speciale technologische verbeteringen voor landelijke knooppunten en netwerken;

81.  onderstreept het belang van plattelandsontwikkeling, met inbegrip van het Leader-initiatief, voor het verbeteren van de synergieën van verschillende beleidsmaatregelen en het versterken van het concurrentievermogen, voor het bevorderen van doeltreffende en duurzame economieën, voor het ondersteunen van duurzame en multifunctionele land- en bosbouw die voedings- en niet-voedingsproducten produceren en diensten verlenen, die toegevoegde waarde en banen genereren; benadrukt het belang van plattelandsontwikkeling voor het stimuleren van partnerschappen tussen landbouwers, lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, en het bevorderen van bijkomende ondernemersactiviteiten en -kansen, die vaak niet-verplaatsbaar zijn, in de agrosector, het agrotoerisme, de rechtstreekse verkoop, door de gemeenschap gesteunde landbouw, de bio-economie, en de duurzame productie van bio-energie en hernieuwbare energie, die allemaal het behoud van economische activiteit in de regio helpen waarborgen; benadrukt daarom het belang van financiële versterking van de tweede pijler, waardoor het vermogen wordt vergroot om inkomsten te genereren, ontvolking, werkloosheid en armoede aan te pakken en sociale inclusie te stimuleren, alsmede om sociale diensten te verlenen en de sociaal-economische structuren in plattelandsgebieden te versterken, met als algemeen doel om de kwaliteit van het bestaan in die gebieden te verbeteren;

82.  doet een beroep op de Commissie om in de zittingsperiode vanaf 2020 een benadering te kiezen waarbij voor investeringen van meerdere fondsen gebruik kan worden gemaakt, om zo te zorgen voor een soepele tenuitvoerlegging van de geïntegreerde plattelandsontwikkelingsinstrumenten, zoals het slimmedorpeninitiatief;

83.  vraagt om een nieuw fonds voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling in het leven te roepen, voortbouwend op het Leader-initiatief en de ervaringen daaromtrent, met een reservering van 10 % in alle structuurfondsen voor doelstellingen die zijn bepaald in door lokale gemeenschappen geleide strategieën, zonder afbakening tussen de structuurfondsen, die op gedecentraliseerde basis moeten worden ingezet;

84.  benadrukt dat plattelandsontwikkelingsprogramma's toegevoegde waarde voor landbouwbedrijven dienen te hebben en hun belangrijke rol dienen te behouden bij het mogelijk maken van langetermijnactie met betrekking tot innovatieve praktijken en agromilieumaatregelen;

85.  is van mening dat binnen het Leader-initiatief extra aandacht moet worden besteed aan de behoeften en projecten van microfamiliebedrijven die verder gaat dan de noodzakelijke financiële steun;

86.  is van mening dat is aangetoond dat plattelandsgebieden landbouwactiviteiten nodig hebben die in handen zijn van kleine en middelgrote bedrijven van mannelijke en vrouwelijke landbouwers;

87.  onderstreept het belang van de handhaving van specifieke compenserende steun voor bedrijven in probleemgebieden, overeenkomstig de door de lidstaten in het licht van hun specifieke lokale kenmerken vastgestelde voorwaarden;

88.  wijst er bovendien met nadruk op dat de toepassing van financiële instrumenten bij plattelandsontwikkeling op vrijwillige basis dient te geschieden en dat de investeringen in plattelandsgebieden versterkt moeten worden;

89.  verzoekt de Commissie maatregelen voor het initiatief inzake slimme dorpen vast te stellen om van slimme dorpen een prioriteit te maken in het volgende beleid inzake plattelandsontwikkeling;

90.  is van mening dat onder de tweede pijler vallende financiering van bijenteelt gerichter en doeltreffender moet worden, en dat het nieuwe wetgevingskader moet voorzien in een nieuwe onder de eerste pijler vallende steunregeling voor bijenhouders, met inbegrip van directe steun per bijengemeenschap;

91.  benadrukt dat er een hoger cofinancieringspercentage moet gaan naar maatregelen die zijdelings met de landbouw verband houden;

92.  verzoekt de Commissie om een nieuwe, samenhangende, versterkte en vereenvoudigde randvoorwaardenregeling in te voeren in de eerste pijler, waarin de verschillende bestaande soorten milieuacties kunnen worden opgenomen en ten uitvoer gelegd, zoals het huidige systeem van randvoorwaarden en vergroeningsmaatregelen; benadrukt dat de basisvereisten van de eerste pijler voor het bereiken van duurzame landbouwontwikkeling verplicht moeten zijn en duidelijk de maatregelen en resultaten moeten vermelden die van landbouwers worden verwacht, om een gelijk speelveld te waarborgen, terwijl ze tegelijkertijd moeten zorgen voor minimale bureaucratie voor landbouwbedrijven en, met inachtneming van lokale omstandigheden, passende controle door de lidstaten; dringt daarnaast aan op een nieuwe en eenvoudige regeling die verplicht is voor lidstaten en facultatief voor landbouwers, gebaseerd op EU-regels die verder gaan dan de basisvereisten teneinde de omschakeling van landbouwers naar duurzame technieken en klimaat- en milieupraktijken die bovendien verenigbaar zijn met de agromilieu- en klimaatmaatregelen in de tweede pijler te stimuleren; is van mening dat de tenuitvoerlegging van deze regeling moet worden vastgelegd in de nationale strategische plannen binnen een EU-kader;

93.  verzoekt de Commissie te garanderen dat agromilieu- en klimaatmaatregelen voor plattelandsontwikkeling compensatie zullen blijven bieden voor de aanvullende kosten en de inkomstenderving in verband met de vrijwillige invoering van milieu- en klimaatvriendelijke praktijken door landbouwers, met de mogelijkheid om een extra stimulans te bieden om te investeren in milieubescherming, biodiversiteit en het hulpbronnenefficiëntie; is van mening dat deze programma's vereenvoudigd, doelgerichter en efficiënter moeten worden zodat landbouwers daadwerkelijk resultaten kunnen boeken bij de verwezenlijking van ambitieuze beleidsdoelen met betrekking tot milieubescherming, biodiversiteit, waterbeheer en klimaatactie en beperking van klimaatverandering, terwijl ze tegelijkertijd moeten zorgen voor minimale bureaucratie voor landbouwbedrijven en, met inachtneming van lokale omstandigheden, passende controle door lidstaten;

94.  dringt erop aan dat behalve de bedrijven die conform artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007 zuiver ecologische of biologische landbouw bedrijven en conform artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn vrijgesteld van vergroeningsvereisten, ook de bedrijven worden vrijgesteld die de agromilieumaatregelen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1305/2013 uitvoeren;

95.  onderstreept dat de mediterrane regio's van de EU kwetsbaarder zijn voor de effecten van klimaatverandering, zoals droogten, bosbranden en woestijnvorming, en dat landbouwers in deze gebieden derhalve grotere inspanningen zullen moeten leveren om hun bedrijfsvoering aan het veranderde milieu aan te passen;

96.  is van oordeel dat er in de toekomstige wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor moet worden gezorgd dat zo veel mogelijk landbouwers worden ondersteund bij hun op een duurzamere ontwikkeling van de landbouw gerichte moderniseringsinspanningen;

97.  roept ertoe op om ter vereenvoudiging van het GLB de huidige vrijstelling te handhaven en de kleinste bedrijven, van maximaal 15 hectare, niet te belasten met aanvullende milieu- en klimaatmaatregelen uit hoofde van het GLB;

98.  stelt voor om deze nieuwe vorm van vergroening vergezeld te doen gaan van aanzienlijke, gecoördineerde en doeltreffendere middelen in de tweede pijler, waarbij gerichte materiële en immateriële investeringen (kennisoverdracht, opleiding, advies, de uitwisseling van knowhow, netwerken en innovatie via de Europese innovatiepartnerschappen) een nieuwe manier vormen om verandering aan te jagen;

99.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar wetgevingsvoorstellen voor de GLB-hervorming passende maatregelen en instrumenten bevatten waardoor de productie van eiwithoudende gewassen wordt geïntegreerd in verbeterde vruchtwisselingssystemen om het huidige proteïnetekort weg te werken, de inkomens van de landbouwers te verbeteren en in te spelen op de hoofdproblemen waarmee de landbouw kampt, zoals klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, bodemverarming en de bescherming en het beheer van watervoorraden;

100.  is van mening dat een minimumbedrag van de totale beschikbare begroting voor de tweede pijler moet worden toegewezen aan agromilieu- en klimaatmaatregelen, waaronder biologische landbouw, CO2-vastlegging, bodemgezondheid, duurzame maatregelen voor bosbeheer, nutriëntenbeheerplanning voor de bescherming van biodiversiteit, en bestuiving en genetische diversiteit bij dieren en planten; wijst in dit verband op het belang van het behoud van Natura 2000-betalingen en de waarborging dat zij toereikend zijn om een echte stimulans te vormen voor landbouwers;

101.  onderstreept de noodzaak van betalingen in het kader van plattelandsontwikkeling aan mannelijke en vrouwelijke landbouwers die zich bevinden in gebieden met natuurlijke beperkingen, met moeilijke klimatologische omstandigheden, steile hellingen of beperkingen op het vlak van bodemkwaliteit; verzoekt om een vereenvoudiging en een betere focus van het plan voor gebieden met natuurlijke beperkingen voor de periode na 2020;

102.  herinnert eraan reeds te hebben onderstreept dat bij de geschiktheidscontrole van de Natura-richtlijn werd benadrukt dat voor meer samenhang met het GLB moet worden gezorgd, en wijst op de zorgwekkende achteruitgang van soorten en habitats in verband met de landbouw; verzoekt de Commissie de impact van het GLB op de biodiversiteit te evalueren; pleit voorts voor hogere Natura 2000-betalingen om meer prikkels te bieden voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, die in zeer slechte staat verkeren;

103.  vraagt om de tenuitvoerlegging en versterking van klimaatvriendelijke landbouwmaatregelen, aangezien het effect van klimaatverandering op de landbouw in Europa in de toekomst zal toenemen;

104.  is van oordeel dat de risico's die samenhangen met klimaatverandering en bodemdegradatie op alle landbouwgrond door het GLB moeten worden beheerst door te investeren in veerkrachtige en solide agro-ecosystemen, in ecologische infrastructuur om bebouwbare akkergrond te creëren, alsook door de bodemerosie terug te dringen, wisselbouw in te voeren of te verlengen, meer bomen toe te voegen aan het landschap en de biologische en structurele diversiteit binnen het landbouwbedrijf te bevorderen;

105.  is van oordeel dat het gebruik van oogstafval in plattelandsgebieden als een vernieuwbare, efficiënte en duurzame energiebron ondersteund en gestimuleerd moet worden;

106.  verzoekt de Commissie om innovatie, onderzoek en modernisering op het gebied van landbouw, boslandbouw en de voedingssector te stimuleren via de ondersteuning van een krachtig adviesstelsel en opleidingen die beter zijn afgestemd op de behoeften van GLB-begunstigden bij de ontwikkeling van hun praktijken in de richting van grotere duurzaamheid en bescherming van hulpbronnen, en door het ondersteunen van de toepassing van slimme technologieën om efficiënter te reageren op de uitdagingen op het gebied van gezondheid, milieu en concurrentie; benadrukt dat opleiding en voorlichting een allereerste voorwaarde moeten zijn bij het ontwerp en de uitvoering van programma's in alle lidstaten en dat het stimuleren van de overdracht van knowhow en de uitwisseling van modellen inzake beste praktijken tussen coöperaties en producentenorganisaties in de verschillende lidstaten, bijvoorbeeld via het Europees systeem voor gezondheidsinformatie en -kennis (AKIS), essentieel is; is van mening dat agro-ecologische methoden en de beginselen die aan precisielandbouw ten grondslag liggen aanzienlijke voordelen voor het milieu kunnen opleveren, het inkomen van landbouwers kunnen verhogen, het gebruik van landbouwmachines kunnen beperken en de hulpbronnenefficiëntie aanzienlijk kunnen verhogen;

107.  benadrukt hoe belangrijk en noodzakelijk het is dat het GLB, Horizon 2020 en andere ondersteunende financieringsregelingen landbouwers aanmoedigen om in nieuwe, aan de omvang van hun bedrijf aangepaste technologieën te investeren, zoals instrumenten voor precisielandbouw en digitale landbouw die de veerkracht en de milieueffecten van de landbouw verbeteren;

108.  doet een beroep op de Commissie om de ontwikkeling en invoering van innovatieve technologieën voor alle soorten landbouwbedrijven te stimuleren, ongeacht hun grootte en productie, of zij conventioneel of biologisch zijn, of het om een veehouderij of een akkerbedrijf gaat, en of zij een kleine of grote schaal hebben;

109.  vraagt de Commissie een GLB uit te werken dat zorgt voor meer innovatie, bijdraagt aan vorderingen op het gebied van de bio-economie en oplossingen aanreikt voor de biodiversiteit, het klimaat en het milieu;

110.  verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de levenskwaliteit in plattelandsgebieden en het leven daar aantrekkelijk te maken voor iedereen, met name voor de jongere generatie;

111.  is van mening dat de digitalisering en de binnen het GLB gestimuleerde precisielandbouw er niet toe mogen leiden dat landbouwers afhankelijker worden van aanvullende input of externe financiering of dat hen daardoor de toegang tot middelen wordt belet, maar dat deze van het open-sourcetype moeten zijn en op een inclusieve manier met landbouwers samen moeten worden ontwikkeld;

112.  vraagt dat de huidige programma's voor plattelandsontwikkeling, zoals goedgekeurd overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, van toepassing blijven tot 2024 of tot het moment dat er een nieuwe hervorming is aangenomen, onverminderd een bijstelling van het totale bedrag aan EU-steun voor plattelandsontwikkeling;

113.  is ingenomen met de inzet die de Commissie laat zien bij het promoten van het concept van slimme dorpen in de EU, dat het mogelijk maakt om door middel van een beter gecoördineerde ontwikkeling van de verschillende maatregelen de onvoldoende breedbandverbindingen, arbeidsmogelijkheden en dienstverlening in plattelandsgebieden aan te pakken;

114.  eist dat er via maatregelen in de tweede pijler gericht op investeringen in veiligheidsmaatregelen en opleiding actie wordt ondernemen tegen het serieuze probleem van bedrijfsongelukken, die op EU-landbouwbedrijven tot letsel en gevallen met dodelijke afloop leiden;

115.  dringt erop aan dat in het kader van de opbouw van een EU-strategie voor eiwithoudende gewassen het eenmalig toepassen van gewasbeschermingsmiddelen vóór of kort na het zaaien op alle akkers met eiwithoudende gewassen is toegestaan;

116.  is van mening dat investeringen in innovatie, onderwijs en opleiding essentieel zijn voor de toekomst van de Europese landbouw;

117.  wijst er met nadruk op dat een resultaatgerichte benadering op lidstaat- en regionaal niveau en door certificeringsregelingen geleverde innovatieve oplossingen nader moeten worden onderzocht in het kader van het toekomstige GLB, zonder nieuwe bureaucratie en controles ter plaatse;

118.  spreekt zich nadrukkelijk uit voor de invoering van doelgerichte moderniserings- en structuurverbeteringsmaatregelen in de tweede pijler om doelstellingen met hoge prioriteit te realiseren, zoals Digital Farming 4.0;

119.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de toegang van kleinschalige landbouwers en gemarginaliseerde groepen tot zaden en landbouwbenodigdheden te waarborgen en te stimuleren, evenals de uitwisseling van zaden en het publieke eigendom daarvan, tegelijk met duurzame traditionele technieken die een waarborg vormen voor het als mensenrecht erkende recht op voeding;

120.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om meer nadruk te leggen op ondernemingskansen met betrekking tot diensten aan en vanuit dorpen;

121.  merkt op dat elk landbouwbedrijf anders is en dat er dan ook behoefte is aan individuele oplossingen;

Een sterke positie voor landbouwers in het mondiale voedselsysteem

122.  verzoekt de Commissie het huidige kader van integrale gemeenschappelijke marktordening (integrale GMO) binnen de eerste pijler te behouden, met inbegrip van de specifieke beleidsinstrumenten en marktnormen, en de EU-regelingen voor fruit, groenten en melk op school te verbeteren; wijst op het belang van bestaande productiebeheersystemen voor specifieke producten en het behoud van verplichte programma's voor individuele sectoren (wijn, groenten en fruit, olijfolie, en bijenteelt) voor producerende landen, met als uiteindelijke doel om de duurzaamheid en het concurrentievermogen van elke sector te verbeteren, een gelijk speelveld te behouden en te zorgen voor toegang voor alle landbouwers;

123.  is van mening dat de positieve en "marktgeoriënteerde" ervaring van de operationele programma's van de integrale gemeenschappelijke marktordening in de groenten- en fruitsector, ten uitvoer gelegd door producentenorganisaties en gefinancierd op basis van de waarde van de productie, hun nut hebben bewezen voor het verbeteren van het concurrentievermogen, de structurering en de duurzaamheid van de doelsectoren; verzoekt de Commissie daarom te overwegen om soortgelijke operationele programma's in te voeren voor andere sectoren; is van mening dat dit met name van nut kan zijn voor producentenorganisaties waarin melkboeren in berg- en perifere gebieden van de Unie verenigd zijn en die hoogwaardige kwaliteitsproducten verwerken en op de markt brengen, en zo de melkproductie in deze moeilijke productiegebieden in stand houden;

124.  wijst erop dat ongelijke marktmacht een kostendekkende productie in de zuivelsector belemmert;

125.  vraagt aandacht voor de mogelijkheid om de regeling voor vrijwillige melkproductiebeperking bij de GMO onder te brengen;

126.  vraagt om de invoering van een nieuw zelfhulpinstrument voor olijfolie waarmee olie kan worden opgeslagen in jaren met overproductie en de olie voor de markt kan worden vrijgegeven als de productie lager is dan de vraag;

127.  benadrukt met klem dat het van cruciaal belang is dat het volgende GLB landbouwers op een efficiëntere, eerlijkere en snellere wijze ondersteunt, opdat deze zich staande kunnen houden in een context van prijs- en inkomensvolatiliteit als gevolg van klimaat-, gezondheids- en marktrisico's en slechte weersomstandigheden, door aanvullende stimulansen en marktomstandigheden te creëren voor de ontwikkeling en vrijwillige toepassing van risicobeheer- en stabiliseringsinstrumenten (verzekeringsregelingen, inkomensstabiliseringsinstrumenten, mechanismen voor individuele voorzieningen en onderlinge fondsen), en door toegang en verenigbaarheid met de bestaande nationale regelingen te waarborgen;

128.  roept op tot betere ondersteuning om de productie van peulgewassen in de EU te verhogen en tot het verlenen van specifieke steun aan extensieve veehouderijen van schapen en geiten, gezien de baten die deze sectoren opleveren voor het milieu, en de noodzaak om de afhankelijkheid van de EU van de invoer van eiwitten voor veevoer te verminderen;

129.  benadrukt dat een toekomstgericht GLB dusdanig moet zijn vormgegeven dat kritieke gezondheidskwesties beter worden aangepakt, zoals die met betrekking tot antimicrobiële resistentie, de luchtkwaliteit en gezondere voeding;

130.  onderstreept de uitdagingen voor de gezondheid van dieren en mensen als gevolg van antimicrobiële resistentie; is van mening dat het nieuwe rechtskader actief moet aanzetten tot een betere diergezondheid en dierenwelzijn als middel ter bestrijding van antibioticaresistentie, waardoor de volksgezondheid en de landbouwsector als geheel betere bescherming genieten;

131.  wijst op het feit dat marktrisico's ook kunnen worden beheerd door de markttoegang van landbouw- en voedingsproducten uit de EU tot exportmarkten te verbeteren;

132.  hamert erop dat de positie van primaire producenten in de voedselvoorzieningsketen moet worden versterkt, met name door een eerlijke verdeling van de toegevoegde waarde tussen producenten, verwerkers en de kleinhandel te garanderen, door de financiële middelen en stimulansen in te voeren die nodig zijn om de oprichting en ontwikkeling van economische organisaties te ondersteunen, zowel verticaal als horizontaal, zoals producentenorganisaties, met inbegrip van coöperaties en hun verenigingen en brancheorganisaties, door uniforme minimumnormen vast te stellen om oneerlijke en onrechtmatige handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen te bestrijden en door transparantie op de markten te versterken, alsook door betere instrumenten voor crisispreventie te ontwikkelen;

133.  onderstreept dat overeenkomstig de doelstellingen van artikel 39 VWEU en de in artikel 42 VWEU bedoelde uitzondering, de omnibusverordening de juridische verhouding tussen de bepalingen van de verordening inzake de integrale gemeenschappelijke marktorganisatie en de mededingingsregels van de EU heeft verduidelijkt en nieuwe collectieve mogelijkheden voor landbouwers heeft ingevoerd om hun onderhandelingspositie in de voedselvoorzieningsketen te versterken; is van mening dat deze bepalingen essentieel zijn binnen het kader van het toekomstige GLB en verder moeten worden verbeterd;

134.  is van mening dat, voortbouwend op de leerervaringen met de werking van de verschillende EU-marktobservatoria (melk, vlees, suiker en gewassen), deze instrumenten moeten worden uitgebreid naar andere landbouwsectoren en verder moeten worden ontwikkeld om betrouwbare gegevens en prognoses te bieden aan marktdeelnemers, zodat zij vroegtijdig gewaarschuwd kunnen worden en bij marktverstoringen snelle en preventieve maatregelen kunnen nemen om crises te voorkomen;

135.  dringt aan op betere ondersteuning en bevordering van lokale markten en korte voedselvoorzieningsketens; benadrukt de noodzaak om lokale diensten voor korte voedselvoorzieningsketens te ontwikkelen;

136.  roept de Commissie op om de regels voor producentenorganisaties en brancheorganisaties verder te verduidelijken en waar nodig te actualiseren, met name wat betreft het mededingingsbeleid en de maatregelen en afspraken van brancheorganisaties, om te voorzien in de maatschappelijke behoeften;

137.  benadrukt dat de historische marktbeheerinstrumenten van het GLB (overheidsinterventie en particuliere opslag) in de context van een gemondialiseerde economie niet langer efficiënt genoeg zijn en dat risicobeheerinstrumenten niet altijd toereikend zijn om het hoofd te bieden aan aanzienlijke prijsvolatiliteit en ernstige marktverstoringen;

138.  benadrukt daarom dat de integrale gemeenschappelijke marktordening in het toekomstige GLB een belangrijke rol als vangnet moet blijven spelen bij het snel stabiliseren van landbouwmarkten en het anticiperen op crises, en benadrukt het belang van de omnibusverordening voor het faciliteren en aanmoedigen van het complementaire gebruik van innovatieve instrumenten voor markt- en crisisbeheer, zoals vrijwillige sectorale overeenkomsten tussen producenten, producentenorganisaties, verenigingen van producentenorganisaties en brancheorganisaties en verwerkers om het aanbod in kwantitatieve zin te beheren (zoals de EU-reductieregeling voor melkproductie), en waar passend te verminderen, gebruikmakend van de ervaringen die zijn opgedaan tijdens de laatste marktcrises, met name in de zuivelsector;

139.  is verheugd over het werk dat wordt verricht ter ontwikkeling van een duurzame EU‑strategie voor eiwitten;

140.  constateert de noodzaak om in de hele EU lokale en regionale markten voor peulgewassen te creëren, hun milieuprestaties te verbeteren door het gebruik van wisselteelt, waarbij ook de afhankelijkheid van geïmporteerd diervoeder, meststoffen en pesticiden wordt verminderd, en om het rendabeler en economisch aantrekkelijk te maken om over te stappen op duurzamere landbouwpraktijken;

141.  is van mening dat de beheermaatregelen voor het aanbod van kazen en ham met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, alsook die voor het aanbod van wijn hun doeltreffendheid hebben bewezen doordat zij de duurzaamheid, de concurrentiepositie en de kwaliteit van de betrokken producten hebben verbeterd en daarom moeten worden gehandhaafd en waar nodig moeten worden uitgebreid naar alle producten met kwaliteitslabels, in overeenstemming met de doelstellingen van het GLB;

142.  dringt aan op een diepgaande herziening van de huidige regeling van de crisisreserve met het oog op de invoering van een praktisch en onafhankelijk EU-landbouwcrisisfonds dat wordt uitgezonderd van het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit, zodat er begrotingsoverdrachten kunnen plaatsvinden van het ene jaar naar het andere, met name wanneer de marktprijzen hoog genoeg zijn, en tegelijkertijd de crisisreserve tijdens de hele MFK-periode op een constant niveau kan worden gehouden, waardoor snellere, meer samenhangende en doeltreffendere preventieve acties en antwoorden mogelijk zijn als aanvulling op het gebruik van markt- en risicobeheerinstrumenten in het geval van ernstige crisissituaties, met inbegrip van crises die economische gevolgen hebben voor landbouwers als gevolg van problemen met de gezondheid van dieren, plantenziekten en voedselveiligheid alsook problemen die voortvloeien uit externe schokken die een invloed hebben op de landbouw;

143.  is van mening dat handelsovereenkomsten weliswaar gunstig zijn voor sommige landbouwsectoren in de EU, en nodig zijn om de positie van de EU op de mondiale landbouwmarkt te versterken en gunstig zijn voor de EU-economie als geheel, maar dat ze ook een aantal uitdagingen met zich meebrengen, met name voor kleine en middelgrote landbouwbedrijven en gevoelige sectoren, waarmee rekening moet worden gehouden, zoals de eerbiediging van sanitaire, fytosanitaire, milieu-, sociale en dierenwelzijnsnormen, die vragen om samenhang tussen het handelsbeleid en bepaalde doelstellingen van het GLB en die geen afbreuk mogen doen aan de hoge normen van Europa of Europese plattelandsgebieden in gevaar mogen brengen;

144.  benadrukt dat door de toepassing van verschillende normen het risico toeneemt dat Europese productieactiviteiten naar derde landen worden verplaatst, ten koste van de plattelandsontwikkeling, het milieu en, in bepaalde gevallen, de voedselkwaliteit;

145.  benadrukt dat de behoefte aan sterkere vrijwaringsmechanismen ook voorop moet staan bij de discussie over toekomstige handelsakkoorden (Mercosur, Nieuw-Zeeland, Australië enz.) en hun effecten op de landbouw in Europa;

146.  benadrukt dat het belangrijk is om te blijven werken aan een ruimere markttoegang voor Europese landbouwproducten, maar dat ook passende maatregelen nodig zijn voor de bescherming van de Europese landbouw, die rekening houden met sectorspecifieke zorgen, zoals vrijwaringsmechanismen om negatieve sociale en economische gevolgen voor kleine en middelgrote boerenbedrijven in de EU en derde landen te voorkomen, de potentiële uitsluiting van de meest gevoelige sectoren van de onderhandelingen en de toepassing van het beginsel van wederkerigheid van de productievoorwaarden, teneinde een gelijk speelveld te waarborgen tussen de landbouwers in de Europese Unie en hun buitenlandse concurrenten; hamert erop dat de Europese productie niet mag worden ondermijnd door inferieure en kwalitatief gebrekkige importproducten;

147.  verzoekt de Commissie om landbouw opnieuw als een strategische activiteit aan te merken en bij het in ogenschouw nemen van vrijhandelsovereenkomsten de landbouw niet meer op te vatten als een aanpassingsvariabele voor de andere aan de handel onderworpen sectoren en sleutelsectoren zoals de rauwemelkproductie te beschermen;

148.  is van oordeel dat de vereisten van de internationale handel en de WTO een zeer grote invloed hebben gehad op de reeks hervormingen van het GLB die zijn doorgevoerd sinds de jaren 1990; is van mening dat deze hervormingen de Europese landbouwproducten en de Europese agrovoedingssector concurrerender hebben gemaakt, maar dat zij ook grote delen van de landbouwsector hebben ondermijnd door hen bloot te stellen aan de instabiliteit van de wereldmarkten; is van mening dat het nu tijd is, zoals in de mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw in Europa wordt voorgesteld, om meer te focussen op andere doelstellingen van het GLB, zoals de levensstandaard van de landbouwers en aangelegenheden betreffende gezondheid, werkgelegenheid, milieu en klimaat;

149.  onderstreept dat het EU-handelsbeleid coherent moet zijn met andere EU-beleidsdomeinen, zoals ontwikkelingsbeleid en milieubeleid, en de verwezenlijking van de SDG's moet ondersteunen, en dat het kan bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het GLB, met name het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers; benadrukt dat de agrovoedingssector in de EU moet profiteren van de door export geboden groeimogelijkheden, aangezien naar schatting 90 % van de bijkomende wereldwijde vraag naar agrovoedingsproducten in het volgende decennium van buiten Europa zal komen; benadrukt dat het GLB moet voldoen aan de voedings-, milieu- en klimaatgerelateerde behoeften van de Europese samenleving alvorens te denken aan productie voor verkoop op de internationale markt; benadrukt dat zogenaamde ontwikkelingslanden over voldoende kansen moeten beschikken om een sterke agrovoedingssector op te zetten en te handhaven;

150.  is bovendien van mening dat goederen waarvan de productie in verband wordt gebracht met ontbossing, de illegale toe-eigening van land of hulpbronnen of mensenrechtenschendingen, geen toegang mogen krijgen tot de EU-markt;

151.  herinnert aan de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling waarin de EU en haar lidstaten hebben bevestigd zich te willen inzetten voor en het cruciale belang erkennen van doeltreffende naleving van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat is vastgelegd in artikel 208 VWEU, wat betekent dat er in alle beleidsmaatregelen van de EU die waarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor ontwikkelingslanden, waaronder maatregelen op het gebied van landbouwbeleid en -financiering, rekening moet worden gehouden met de doelstellingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking; is in dit kader van mening dat bij de hervorming van het GLB rekening moet worden gehouden met het recht van ontwikkelingslanden om hun landbouw- en voedselbeleid te ontwikkelen, zonder de voedselproductiecapaciteit en voedselzekerheid van deze landen, en met name de minst ontwikkelde landen, op de lange termijn in gevaar te brengen;

152.  herinnert aan de verplichtingen die de EU en haar lidstaten zijn aangegaan ten aanzien van de SDG's en onderstreept dat coherentie tussen het GLB en de SDG's van cruciaal belang is, met name in het geval van SDG 2 (geen honger), 5 (gendergelijkheid), 12 (verantwoorde consumptie en productie), 13 (klimaatactie), en 15 (leven op het land), waaraan het toekomstige GLB moet worden aangepast;

153.  dringt overeenkomstig het beginsel van begrotingsefficiëntie aan op coherentie en betere synergie tussen het GLB en alle overige EU-beleidsterreinen en internationale verplichtingen, met name op het gebied van energie, watervoorziening, grondgebruik, biodiversiteit en ecosystemen, en van de ontwikkeling van afgelegen en bergachtige gebieden;

154.  verzoekt de Commissie een systematische effectbeoordeling van de bepalingen betreffende de landbouwsector in alle handelsovereenkomsten uit te voeren en specifieke strategieën voor te stellen om te waarborgen dat geen enkele landbouwsector schade lijdt als gevolg van een handelsovereenkomst met een derde land;

155.  benadrukt dat procedés en productiemethoden (PPM) een belangrijk onderdeel vormen van de sociale, economische en milieunormen in de mondiale handel in landbouwproducten en spoort de Commissie aan er bij de WTO op aan te dringen PPM als zodanig te erkennen;

156.  onderstreept dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering en de verwezenlijking van de SDG's moeten behoren tot de grondbeginselen van elk handelsbeleid met betrekking tot landbouwproducten; merkt op dat de Commissie in haar discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering terecht wijst op de vraag naar meer eerlijke handel en duurzame en lokale producten als een veranderende trend in de globalisering; benadrukt dat het handelsbeleid van de EU in hoge mate kan bijdragen aan de verwezenlijking van de SDG's en de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

157.  wijst erop dat de EU van haar kant de exportsubsidies heeft afgeschaft en dat er in de huidige begroting van de EU geen begrotingslijn meer is voor exportsubsidies; verzoekt de handelspartners van de EU in dit verband toezeggingen te doen tot het terugdringen van handelsverstorende interne steun; doet een beroep op de WTO-leden die exportsubsidies blijven verlenen om het ministerieel besluit inzake uitvoerconcurrentie dat op 19 december 2015 in Nairobi is aangenomen, uit te voeren;

158.  eist dat de Commissie waakzaam blijft en dat de Unie meer defensieve maatregelen neemt ter oplossing van de bestaande en toekomstige belemmeringen van de markttoegang in derde landen, omdat deze in aantal en omvang toenemen, met inachtneming van het milieu en de mensenrechten, waaronder het recht op voedsel; onderstreept dat de meeste van deze belemmeringen gevolgen hebben voor landbouwproducten (27 % volgens de gegevensbank van de Commissie inzake markttoegang), vooral in de vorm van sanitaire en fytosanitaire maatregelen voor markttoegang;

159.  verzoekt de Commissie om te anticiperen op en rekening te houden met de gevolgen van de brexit bij de voorbereiding van de onderhandelingen en de berekening van quota;

160.  verzoekt de Commissie duidelijke en transparante initiatieven in gang te zetten om de productie-, veiligheids-, dierenwelzijns- en milieunormen van de EU, korte toeleveringsketens en regelingen voor kwaliteitsproductie verder te bevorderen, wat zou kunnen worden bereikt door middel van Europese regelingen voor oorsprongsetikettering, en door op de interne markt en de markten van derde landen maatregelen te nemen op het gebied van marketing en promotie voor sectoren die onder specifieke beleidsinstrumenten binnen het GLB vallen; dringt erop aan de administratieve lasten en overbodige voorwaarden te beperken om ook kleinere producenten de mogelijkheid te bieden aan deze regelingen deel te nemen; is verheugd over de gestage toename van de beschikbare begroting voor programma's voor afzetbevordering, en verzoekt de Commissie dringend om de stijgende lijn van de toewijzingen vast te houden vanwege de toenemende belangstelling van producenten;

161.  wijst op het belang van korte lokale en regionale toeleveringsketens, die vanuit milieuoogpunt duurzamer zijn omdat zij minder vervoer vereisen en derhalve minder vervuilen, terwijl de landbouwproducten verser en beter traceerbaar zijn;

162.  herinnert eraan hoe belangrijk het is om lokale landbouwers aan te sporen hun positie in de waardeketen te verbeteren door hen hulp en ondersteuning te bieden op het gebied van biologische producten en producten met toegevoegde waarde en op het gebied van nieuwe kennis en technologieën, aangezien duurzaamheid niet kan worden bereikt zonder directe maatregelen om natuurlijke hulpbronnen te behouden, te beschermen en te bevorderen;

163.  herinnert eraan dat lokale productie ook bevorderlijk is voor de lokale voedingscultuur en economie;

164.  benadrukt dat de focus in de landbouw van de toekomst zou moeten liggen op het produceren van voedsel van hoge kwaliteit, aangezien dat het terrein is waar het concurrentievoordeel van de EU ligt; onderstreept dat de EU-normen moeten worden gehandhaafd en aangescherpt waar dat haalbaar is; dringt aan op maatregelen om de productiviteit op de lange termijn en het concurrentievermogen van de levensmiddelensector verder te vergroten en om nieuwe technologieën in te voeren alsmede een efficiënter gebruik van hulpbronnen te bewerkstelligen, om aldus de rol van de EU als wereldleider te versterken;

165.  acht het onaanvaardbaar dat er kwaliteitsverschillen bestaan tussen op de interne markt verhandelde en via reclame aangeprezen producten die onder dezelfde merknaam en met dezelfde verpakking worden verkocht; verwelkomt de inspanningen van de Commissie om het probleem van tweeërlei kwaliteit van levensmiddelen op de interne markt aan te pakken, waaronder haar werkzaamheden voor een gemeenschappelijke testmethode;

166.  is ingenomen met de geboekte vooruitgang bij de bevordering van de Europese landbouwbelangen in de recente bilaterale handelsbesprekingen, met name wat betreft markttoegang voor hoogwaardige Europese agrovoedingsproducten en de bescherming van geografische aanduidingen in derde landen; vertrouwt erop dat deze tendens kan worden voortgezet en nog verder kan worden verbeterd;

Een transparant besluitvormingsproces voor een degelijk voorstel betreffende het GLB 2021-2028

167.  benadrukt dat het Parlement en de Raad via de medebeslissingsprocedure de algemene gemeenschappelijke doelstellingen, basisnormen, maatregelen en financiële toewijzingen moeten vastleggen en de passende mate van flexibiliteit moeten bepalen die nodig is om de lidstaten en hun regio's in staat te stellen in overeenstemming met de interne markt in te spelen op hun eigen specifieke kenmerken en behoeften om verstoringen van de mededinging die voortvloeien uit nationale keuzes te voorkomen;

168.  betreurt dat het hele proces van de programmering van het GLB voor de periode na 2020 – raadpleging, communicatie, effectbeoordeling en wetgevingsvoorstellen – andermaal met aanzienlijke vertraging van start gaat met het einde van de achtste zittingsperiode reeds in zicht, waardoor het debat over het toekomstige GLB dreigt te worden overschaduwd door verkiezingsdebatten en het moeilijk wordt om nog voor de Europese verkiezingen een definitief akkoord te bereiken;

169.  verzoekt de Commissie een overgangsverordening in te voeren waarmee het voor landbouwers mogelijk is om, bij vertraging van de aanneming van het GLB, toegang te behouden tot maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's, met name milieu- en investeringsmaatregelen;

170.  roept de lidstaten op er bij de uitvoering van de nieuwe hervorming voor te zorgen dat de uitbetaling aan landbouwers geen vertraging oploopt, en hun verantwoordelijkheid te nemen en landbouwers naar behoren te vergoeden als zich vertragingen voordoen;

171.  onderstreept evenwel dat voor het eind van de huidige mandaatsperiode zoveel mogelijk vooruitgang moet worden geboekt en dit thema aan bod moet komen tijdens de verkiezingscampagne voor het Europees Parlement;

172.  erkent dat het van belang is om bij het GLB-besluitvormingsproces instellingen en deskundigen te betrekken die verantwoordelijk zijn voor het gezondheids- en milieubeleid dat gevolgen heeft voor de biodiversiteit, de klimaatverandering en de lucht-, bodem- en waterverontreiniging;

173.  verzoekt de Commissie om de invoering van wezenlijke veranderingen in het ontwerp en/of de toepassing van het GLB te laten voorafgaan door een overgangsperiode die lang genoeg is om een zachte landing te waarborgen die de lidstaten de tijd geeft om het nieuwe beleid op goede en ordelijke wijze uit te voeren om te vermijden dat er vertragingen ontstaan in verband met de jaarlijkse betalingen voor landbouwers en de uitvoering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling;

174.  verzoekt de EU en haar lidstaten de dialoog met ontwikkelingslanden te versterken en hun expertise en financiële steun in te zetten ter bevordering van op kleinschalige en familiale landbouw gebaseerde duurzame landbouw, met vrouwen en jongeren als voornaamste doelgroep, overeenkomstig de toezegging die is gedaan in de verklaring getiteld "Investing in Youth for Accelerated Inclusive Growth and Sustainable Development" ("Investeren in de jeugd voor inclusieve groei en duurzame ontwikkeling"), die is uitgegeven tijdens de top tussen de Afrikaanse Unie en de Europese Unie van 2017; herinnert aan de bijdrage van vrouwen in plattelandsgebieden als ondernemers en bevorderaars van duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is dat zij hun potentieel op het gebied van duurzame landbouw en hun weerstandsvermogen in plattelandsgebieden ontwikkelen;

175.  herinnert eraan dat honger en ondervoeding in ontwikkelingslanden grotendeels in verband staan met een ontoereikende koopkracht en/of het onvermogen van arme plattelandsgebieden om zelfvoorzienend te zijn; verzoekt de EU dan ook dringend om ontwikkelingslanden actief te helpen bij het wegnemen van problemen die de productie van eigen landbouwgoederen in de weg staan (zoals slechte infrastructuur en gebrekkige logistiek);

176.  onderstreept dat in 2050 meer dan de helft van de bevolking van de minst ontwikkelde landen nog steeds op het platteland zal leven en dat de ontwikkeling van een duurzame landbouw in ontwikkelingslanden zal helpen om het potentieel van hun plattelandsgemeenschappen te benutten, ontvolking van het platteland tegen te gaan en de ondertewerkstelling, armoede en voedselonzekerheid te verminderen, hetgeen zal bijdragen tot de bestrijding van de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie;

177.  erkent de cruciale rol die ruimtevaarttechnologieën, zoals de technologieën die zijn ontwikkeld binnen de door het Europees GNSS-Agentschap beheerde ruimtevaart- en satellietprogramma's van de EU (Galileo, Egnos en Copernicus), bij de verwezenlijking van de SDG's van de VN kunnen spelen, aangezien deze technologieën betaalbare oplossingen bieden om gemakkelijker over te stappen op precisielandbouw, waarmee afval kan worden uitgebannen, tijd kan worden bespaard, de uitputting van grond kan worden beperkt en middelen optimaal kunnen worden ingezet;

178.  verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe technologieën en toepassingen in dienst van de ruimtevaart en het mondiale partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking kunnen worden ingezet voor het monitoren van gewassen, vee, bosbouw, visserijen en aquacultuur, en voor het ondersteunen van landbouwers, vissers, bosbouwers en beleidsmakers bij het ontwikkelen van diverse methoden ten behoeve van duurzame voedselproductie en bij het inspelen op de hieraan gerelateerde uitdagingen;

179.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in plattelandsgebieden waarborgen in hun actieplannen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in de structuren van de instellingen voor dialoog met de sector te ondersteunen, evenals in de besluitvormingsorganen van de beroepsorganisaties, coöperaties en verenigingen van de sector; is van mening dat de nieuwe EU-wetgeving de thematische subprogramma's voor vrouwen in plattelandsgebieden aanzienlijk moet verbeteren;

180.  benadrukt dat de Commissie de strikte handhaving van EU-wetgeving inzake dierenwelzijn te allen tijde en in alle lidstaten op dezelfde manier moet garanderen, met passende controles en sancties; verzoekt de Commissie om diergezondheid en dierenwelzijn, met inbegrip van het vervoer van dieren, te monitoren en hierover verslag uit te brengen; herinnert eraan dat producten die de EU binnenkomen, moeten voldoen aan de Europese dierenwelzijns-, milieu- en sociale normen; vraagt om financiële stimulansen voor de vrijwillige invoering van maatregelen op het gebied van dierenwelzijn die verder gaan dan de minimale wettelijke normen;

181.  dringt erop aan dat de Commissie relevante EU-wetgeving implementeert en handhaaft, in het bijzonder Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer; acht het in dit verband noodzakelijk dat gevolg wordt gegeven aan de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU dat bescherming van dierenwelzijn niet ophoudt aan de EU-buitengrenzen en dat transporteurs van dieren die vanuit de Europese Unie vertrekken, zich daarom ook buiten de EU aan de Europese regels voor dierenwelzijn moeten houden;

182.  dringt erop aan dat landbouwers die extra kosten maken wegens specifieke beperkingen in verband met de hoge natuurwaarde van gebieden zoals berggebieden, eilanden, ultraperifere gebieden en andere achtergestelde gebieden, speciale aandacht zouden moeten krijgen; is van mening dat voor deze regio's, vanwege hun specifieke beperkingen, GLB-financiering van essentieel belang is en dat bezuinigingen zeer schadelijke gevolgen zouden hebben voor veel landbouwproducten; spoort de lidstaten aan om kwaliteitsregelingen te ontwikkelen en in te voeren om geïnteresseerde producenten de mogelijkheid te bieden deze snel te gaan gebruiken;

183.  is van mening dat de begroting van Posei moet worden gehandhaafd op een niveau dat toereikend is om de uitdagingen op het gebied van landbouw in de ultraperifere gebieden het hoofd te kunnen bieden, zoals al meerdere malen door het Europees Parlement is gevraagd; toont zich verheugd over het meest recente verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Posei en is van mening dat programma's voor de ultraperifere gebieden en de programma's voor de kleine Egeïsche eilanden gescheiden moeten worden gehouden van de algemene regeling van de EU voor rechtstreekse betalingen, om een evenwichtige territoriale ontwikkeling te waarborgen, omdat hiermee het risico wordt voorkomen dat de productie wordt gestaakt wegens problemen die voortvloeien uit afgelegenheid, isolement, geringe omvang, moeilijke topografische omstandigheden of klimaat of uit economische afhankelijkheid van een gering aantal producten;

184.  verzoekt de Commissie om binnen het melkmarktobservatorium een aparte afdeling op te zetten voor de bestudering van de prijzen in de ultraperifere gebieden om snel te kunnen reageren wanneer zich een crisis in de sector voordoet; is van mening dat de definitie van "crisis" en de daaropvolgende maatregelen van de Commissie moeten worden aangepast aan de ultraperifere gebieden, gezien de omvang van de markt, de afhankelijkheid van een beperkt aantal economische activiteiten en de beperktere capaciteit voor diversificatie;

185.  dringt aan op een betere integratie van de "circulaire economie" om te zorgen voor het best en meest efficiënt mogelijke gebruik van primaire grondstoffen en bijproducten in de opkomende bio-economie, met inachtneming van de beperkte beschikbaarheid van biomassa, land en andere ecosysteemdiensten, en is van mening dat de ontwikkeling van bio-industrie in plattelandsgebieden tot nieuwe bedrijfsmodellen zou kunnen leiden die landbouwers en boseigenaren kunnen helpen om nieuwe markten voor hun producten te vinden en nieuwe banen te scheppen; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom de nodige steun te geven aan de land- en bosbouw, met het oog op een grotere bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de bio-economie in de EU; benadrukt dat de agrobosbouw, die veelzijdige recreatieve en productieve ecosystemen en microklimaten kan bieden, moet worden bevorderd en dat de lacunes die de ontwikkeling ervan zouden kunnen belemmeren moeten worden aangepakt;

186.  is van mening dat ondersteuning via agromilieu- en klimaatmaatregelen, aangevuld door ecoregelingen op het niveau van lidstaten, de kosten voor landbouwers om over te schakelen naar nieuwe duurzame praktijken moet dekken, bijvoorbeeld via bevordering en ondersteuning van agrobosbouw en andere duurzame maatregelen voor de bosbouw die biodiversiteit en genetische diversiteit in dieren- en plantensoorten ondersteunen, alsook de kosten van de aanpassing aan veranderende klimaatomstandigheden;

187.  verzoekt de Commissie om innovatie, onderzoek en modernisering op het gebied van agrobosbouw en bosbouw te garanderen door een krachtig en op deze sectoren toegesneden adviesstelsel, gerichte opleiding en maatoplossingen te ondersteunen teneinde innovatie en de uitwisseling van knowhow en beste praktijken tussen lidstaten te stimuleren, waarbij in het algemeen de nadruk moet liggen op nieuwe technologieën en digitalisering; onderstreept tegelijkertijd de cruciale rol van verenigingen van boseigenaren voor de overdracht van informatie en innovatie, de opleiding en nascholing van kleine boseigenaren en de tenuitvoerlegging van actief multifunctioneel bosbeheer;

o
o   o

188.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15.
(2) PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.
(3) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0022.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0203.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0095.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0057.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0197.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0099.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0504.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0427.
(13) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 62.
(14) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 7.
(15) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 10.
(16) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 10.

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling