Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2712(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0259/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.2
CRE 31/05/2018 - 7.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0232

Aangenomen teksten
PDF 130kWORD 51k
Donderdag 31 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verdedigers van vrouwenrechten in Saudi-Arabië
P8_TA(2018)0232RC-B8-0259/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de situatie van voorvechters van vrouwenrechten in Saudi-Arabië (2018/2712(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Saudi-Arabië, met name die van 11 maart 2014 over Saudi-Arabië, de betrekkingen tussen Saudi-Arabië en de Europese Unie en de rol van Saudi-Arabië in het Midden-Oosten en Noord-Afrika(1), die van 12 februari 2015 over Raif Badawi(2), en die van 8 oktober 2015 over Ali Mohammed al-Nimr(3),

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting aan de Saudische blogger Raif Badawi in 2015,

–  gezien de verklaring van 29 mei 2018 van de woordvoerder van de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten over recente arrestaties in Saudi-Arabië, waaronder de arbitraire detentie en verdwijning, zonder een eerlijk proces, van Nawaf Talal Rasheed, een prins van de Al-Rashid-dynastie, en de zoon van de overleden dichter Nawaf Talal bin Abdul Aziz Al-Rashid,

–  gezien de verklaring van 18 mei 2018 van het hoofd van de dienst voor staatsveiligheid van Saudi-Arabië over de arrestatie van zeven verdachten,

–  gezien het nieuwe wetsontwerp inzake intimidatie zoals goedgekeurd door de Saudische Sjoera-raad op 28 mei 2018,

–  gezien de invloed op de mensenrechten (in Saudi-Arabië zelf en in de regio) van de sancties die Saudi-Arabië en andere landen aan Qatar hebben opgelegd, en gezien het rapport over de 'invloed van de Golf-crisis op de mensenrechten' van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) van december 2017,

–  gezien het lidmaatschap van Saudi-Arabië van de VN-Mensenrechtenraad en de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen, alsook het toekomstige lidmaatschap van het land van de Uitvoerende Raad van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen, dat in januari 2019 begint,

–  gezien de toespraak van Europees commissaris Christos Stylianides, namens de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), tijdens het debat in het Europees Parlement op 4 juli 2017 over de verkiezing van Saudi-Arabië tot lid van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen,

–  gezien de slotopmerkingen van 9 maart 2018 van het Comité voor de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen over het gecombineerde derde en vierde periodieke rapport over Saudi-Arabië(4),

–  gezien de gezamenlijke bijdrage over Saudi-Arabië namens ALQST, het Gulf Centre for Human Rights (GCHR) en de International Federation for Human Rights Leagues (FIDHR) voor de 69e zitting van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen op 7 maart 2018,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Saudische autoriteiten sinds 15 mei 2018 zeven vrouwen hebben gearresteerd - Loujain al-Hathloul, Aisha al-Mana, Madeha al-Ajroush, Iman al-Nafjan, Aziza al-Youssef, Hessah al-Sheikh en Walaa al-Shubbar - en vier mannen - Ibrahim Fahad Al-Nafjan, Ibrahim al-Modeimigh, Mohammad al-Rabiah en Abdulaziz al-Meshaal - voor hun inzet voor vrouwenrechten; overwegende dat deze gearresteerde mensenrechtenactivisten sindsdien in staat van beschuldiging zijn gesteld in verband met het verlenen van steun aan activiteiten van buitenlandse elementen, het werven van personen op gevoelige regeringsposities en het aan buitenlandse elementen ter beschikking stellen van geld met het oog op het destabiliseren van het koninkrijk; overwegende dat deze activisten bekend zijn vanwege hun campagne tegen het verbod voor vrouwen om een auto te besturen en hun inzet voor de afschaffing van het systeem van mannelijke voogdij; overwegende dat zij gearresteerd zijn voorafgaand aan de verwachte opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen op 24 juni 2018;

B.  overwegende dat Madeha al-Ajroush, Walaa al-Shubbar, Aisha al-Mana en Hessah al-Sheikh naar verluidt op 24 mei 2018 vrij zijn gelaten;

C.  overwegende dat de zaak-Loujain al-Hathloul bijzonder verontrustend is, aangezien zij in maart 2018 tegen haar wil van Abu Dhabi naar Saudi-Arabië is overgebracht na het bijwonen van een toetsingssessie over Saudi-Arabië van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen; overwegende dat haar een reisverbod was opgelegd tot aan haar recente arrestatie en dat ze nu, naar verluidt samen met andere activisten, in afzondering wordt gehouden;

D.  overwegende dat Saudi-Arabië tot de landen behoort waar voor vrouwen de zwaarste beperkingen gelden, ondanks recente regeringshervormingen gericht op het vergroten van de rechten van vrouwen op het gebied van werk; overwegende dat het Saudische politieke en sociale systeem onveranderd ondemocratisch en discriminerend is, vrouwen tot tweederangsburgers maakt, geen vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging kent, het grote aantal buitenlandse werknemers in het land sterk discrimineert, en elke tegengeluid hard aanpakt;

E.  overwegende dat het onderzoek naar en het werk aan deze zaak nog voortduurt en moeilijk informatie over de arrestaties kan worden verkregen omdat de Saudische autoriteiten nauwelijks mededelingen doen;

F.  overwegende dat de Saudische autoriteiten op 25 mei 2018 de prominente mensenrechtenactivist Mohammed al-Bajadi hebben gearresteerd, één van de oprichters van de verboden Saudische Vereniging voor civiele en politieke rechten, die de veiligheidsdiensten van mensenrechtenschendingen heeft beschuldigd;

G.  overwegende dat aan de regering gelieerde media en socialemediaplatforms binnen enkele dagen na de arrestatie van de mensenrechtenactivisten een vileine lastercampagne tegen hen zijn begonnen, en ze hebben weggezet als 'verraders' en een bedreiging voor de staatsveiligheid hebben genoemd; overwegende dat deskundigen van oordeel zijn dat de huidige lastercampagne tegen de mensenrechtenvoorvechters duidt op het voornemen hen mogelijkerwijs zeer zware straffen op te leggen;

H.  overwegende dat de Saudische samenleving geleidelijk maar voortdurend verandert, en verder overwegende dat de Saudische autoriteiten een aantal maatregelen hebben genomen ter verbetering van de erkenning van vrouwen als gelijkwaardige burgers, zoals het recht om te stemmen in gemeenteraadsverkiezingen, toegang tot de raadgevende Sjoera-raad en de nationale mensenrechtenraad, opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen en toegang tot openbare sportmanifestaties;

I.  overwegende dat de hervormingsagenda Vision 2030, gericht op een economische en sociale transformatie van het land op basis van de empowerment van vrouwen, een daadwerkelijke kans voor Saudische vrouwen kan zijn op hun wettelijke emancipatie, hetgeen absoluut noodzakelijk is om hen in staat te stellen hun rechten uit hoofde van het CEDAW ten volle uit te oefenen; overwegende dat de recente golf van arrestaties van voorvechters van vrouwenrechten haaks op dit doel lijkt te staan en de hervormingsagenda in gevaar zou kunnen brengen;

J.  overwegende dat de Saudische kroonprins Mohammad bin Salman met de mond steun voor de hervormingen van de vrouwenrechten heeft beleden, met name tijdens zijn rondreis door Europa en de Verenigde Staten, maar dat dergelijke hervormingen tot nu toe op de vingers van één hand te tellen zijn, en dat het systeem van mannelijke voogdij, het belangrijkste obstakel voor vrouwenrechten, in grote lijnen voortbestaat; overwegende dat hij daarnaast toezicht heeft uitgeoefend op een grootschalige campagne tegen prominente activisten, juristen en mensenrechtenvoorvechters, die aan intensiteit heeft gewonnen sinds hij zijn controle over de veiligheidsdiensten is beginnen te consolideren;

K.  overwegende dat Saudi-Arabië een waaier aan discriminerende wetten kent, met name de wettelijke bepalingen in verband met de persoonlijke status, de situatie van vrouwelijke arbeidsmigranten, het wetboek op de burgerlijke staat, de arbeidswetgeving, de nationaliteitswet en het systeem van mannelijke voogdij, dat de uitoefening door vrouwen van de meeste van hun rechten uit hoofde van het CEDAW afhankelijk stelt van de toestemming door een mannelijke voogd;

L.  overwegende dat Saudi-Arabië een levendige gemeenschap van onlinemensenrechtenactivisten en het grootste aantal Twittergebruikers van het Midden-Oosten heeft; overwegende dat Saudi-Arabië op de lijst van "vijanden van het internet" van Verslaggevers zonder Grenzen staat vanwege de censuur van de media en het internet in het land, en de bestraffing van diegenen die de regering of godsdienst bekritiseren; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de pers- en de mediavrijheid, zowel online als offline, cruciale voorwaarden en katalysatoren voor democratisering en hervorming zijn, evenals essentiële aspecten van de controle op de macht; overwegende dat de winnaar van de Sacharovprijs van 2015, Raif Badawi, nog altijd in de gevangenis zit, en dát uitsluitend voor het geweldloos tot uitdrukking brengen van zijn mening;

M.  overwegende dat Saudi-Arabië een score van 0,847 op de menselijke ontwikkelingsindex van de VN heeft, waarmee het land op plaats 38 van in totaal 188 landen en gebiedsdelen staat; overwegende dat Saudi-Arabië een score van 0,257 op de genderongelijkheidsindex van de VN heeft, waarmee het op plaats 50 van in totaal 159 landen staat op de index van 2015; overwegende dat Saudi-Arabië op plaats 138 van in totaal 144 landen staat in het "Global Gender Gap Report" 2017 van het World Economic Forum;

N.  overwegende dat het voorbehoud van Saudi-Arabië op het CEDAW volgens het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen onverenigbaar is met het doel en de strekking van het verdrag, en ontoelaatbaar op basis van artikel 28 van dat verdrag; overwegende dat Saudi-Arabië, toen het in 2013 met succes het lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad aanvroeg, heeft beloofd "zich te houden aan de hoogste normen met betrekking tot de bevordering en bescherming van de mensenrechten";

1.  verzoekt de Saudische autoriteiten een eind te maken aan alle vormen van intimidatie, waaronder van juridische aard, van Eman al-Nafjan, Aziza al-Youssef, Loujain al-Hathloul, Aisha al-Mana, Madiha al-Ajroush, Hessah Al-Sheikh, Walaa Al-Shubbar, Mohammed al-Rabiah en Ibrahim al-Modeimigh, en alle andere mensenrechtenactivisten in het land, zodat zij hun werk zonder ongerechtvaardigde belemmeringen en angst voor vergeldingsmaatregelen kunnen doen;

2.  veroordeelt de voortdurende repressie tegen mensenrechtenvoorvechters, waaronder voorvechters van vrouwenrechten, in Saudi-Arabië, die de geloofwaardigheid van het hervormingsproces in het land ondermijnt; roept de regering van Saudi-Arabië op alle mensenrechtenactivisten en andere gewetensbezwaarden die uitsluitend gevangenen zitten en veroordeeld zijn voor het gebruik maken van het recht op de vrijheid van meningsuiting en hun geweldloze inzet voor de mensenrechten, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; veroordeelt de voortdurende en stelselmatige discriminatie van vrouwen en meisjes in Saudi-Arabië;

3.  betoont zijn respect aan de Saudische vrouwen en vrouwenrechtenactivisten die iets proberen te doen aan de oneerlijke en discriminerende behandeling, alsmede aan diegenen die de mensenrechten verdedigen ondanks de moeilijkheden die hen dat oplevert;

4.  verwelkomt de in het kader van Vision 2030 beloofde opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen in het koninkrijk;

5.  beklemtoont dat alle gevangenen, waaronder mensenrechtenactivisten, behandeld moeten worden in overeenstemming met de voorwaarden als bedoeld in de "Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment" in resolutie 43/173 van de VN-Veiligheidsraad van 9 december 1988;

6.  neemt er kennis van dat meerdere internationale automerken, en met name enkele uit de EU, vooruitlopend op de opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen reeds op de doelgroep in kwestie gerichte reclameboodschappen hebben gemaakt;

7.  maakt zich ernstige zorgen over het op gender gebaseerde geweld in Saudi-Arabië, waarover bijna niet wordt bericht en nauwelijks documentatie bestaat, en dat wordt gerechtvaardigd met redenen als de noodzaak om vrouwen te disciplineren onder de voogdij van een man; dringt er met klem bij de Saudische autoriteiten op aan alomvattende wetgeving vast te stellen voor het specifiek definiëren en strafbaar stellen van alle vormen van op gender gebaseerd geweld tegen vrouwen, met name verkrachting, waaronder binnen het huwelijk, en seksueel geweld en seksuele intimidatie, en alle obstakels voor de toegang van vrouwen tot rechtbanken te elimineren;

8.  is ontstemd over het bestaan van het systeem van mannelijke voogdij, waarbij op een aantal gebieden nog altijd de toestemming van een mannelijke voogd vereist is, waaronder voor buitenlandse reizen, toegang tot gezondheidszorgdiensten, het kiezen van een woonplaats, huwelijk, het indienen van een klacht bij justitie, het verlaten van staatsopvanghuizen voor mishandelde vrouwen, en het verlaten van detentiecentra; beklemtoont dat dit systeem een weerspiegeling vormt van het diepgewortelde patriarchale systeem dat het land in zijn greep heeft;

9.  verzoekt de Saudische autoriteiten de wet op verenigingen en stichtingen van december 2015 te herzien om vrouwelijke activisten in staat te stellen zich aaneen te sluiten en vrij en onafhankelijk te werken, zonder ongerechtvaardigde bemoeienis door de autoriteiten; dringt ook aan op herziening van de wet op de terrorismebestrijding, de wet op de bestrijding van cybercriminaliteit en de wet op de pers en publicaties, die steeds weer worden gebruikt om mensenrechtenactivisten te vervolgen, alsook op herziening van alle discriminerende bepalingen in het huidige rechtssysteem;

10.  verzoekt de Saudische autoriteiten het Internationaal Verdrag inzake politieke en civiele rechten te ratificeren, de voorbehouden op het CEDAW in te trekken en het optioneel protocol bij het CEDAW te ratificeren, zodat Saudische vrouwen ten volle van de in dit verdrag vastgelegde rechten kunnen genieten, en een eind te maken aan kindhuwelijken, gedwongen huwelijken en de bindende kledingvoorschriften voor vrouwen; verzoekt Saudi-Arabië met klem een vaste uitnodiging te verstrekken aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad om het land te bezoeken;

11.  verzoekt de Saudische autoriteiten om onafhankelijke pers en media toe te staan en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering voor alle inwoners van het Saudi-Arabië te waarborgen; veroordeelt de repressie tegen mensenrechtenactivisten en demonstranten wanneer zij zonder geweld demonstreren; benadrukt dat op een vreedzame manier ijveren voor basisrechten in de wetgeving of het maken van kritische opmerkingen in de sociale media uitingen zijn van een onvervreemdbaar recht; verzoekt de Saudische autoriteiten met klem de beperkingen voor mensenrechtenactivisten om zich in de sociale media en de internationale pers uit te spreken, op te heffen;

12.  brengt in herinnering dat Saudi-Arabië met de steun van een aantal EU-lidstaten gekozen is als lid van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen;

13.  verzoekt de VV/HV, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten te zorgen voor volledige uitvoering van de EU-richtsnoeren met betrekking tot mensenrechtenvoorvechters, en de bescherming en ondersteuning van deze groep, en met name van vrouwelijke mensenrechtenvoorvechters, uit te breiden;

14.  verzoekt de EU tijdens de volgende sessie van de VN-Mensenrechtenraad een resolutie in te dienen over de situatie van mensenrechtenactivisten in Saudi-Arabië; verzoekt de EU tijdens de volgende bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad en de Commissie betreffende de status van vrouwen de kwestie van het lidmaatschap van landen met een twijfelachtige reputatie op het gebied van de mensenrechten, waaronder wat betreft de eerbiediging van vrouwenrechten en gendergelijkheid, aan de orde te stellen; verzoekt de EU in de VN-Mensenrechtenraad een voorstel voor te leggen voor de benoeming van een speciale rapporteur voor de mensenrechten in Saudi-Arabië;

15.  verzoekt de EU een discussie over mensenrechten, en met name over de situatie van vrouwelijke mensenrechtenactivisten, als een permanent onderwerp op de agenda van de jaarlijkse top tussen de EU en de Raad voor samenwerking van de Arabische Golfstaten, alsook andere bilaterale en multilaterale fora, te zetten; verzoekt de Raad te overwegen gerichte maatregelen vast te stellen tegen individuen die zich aan ernstige mensenrechtenschendingen schuldig maken; neemt er kennis van dat in de regels voor de toekenning van de Chaillot-prijs voor het bevorderen van de mensenrechten in de regio van de Raad voor samenwerking van de Arabische Golfstaten staat dat aanvragen alleen kunnen worden ingediend door personen die officieel ingeschreven zijn en 'constructieve contacten met de autoriteiten onderhouden';

16.  verzoekt de EDEO en de Commissie groepen van het maatschappelijk middenveld en individuen die zich voor de mensenrechten inzetten in Saudi-Arabië actief te ondersteunen, waaronder middels het organiseren van gevangenisbezoeken, waarneming bij processen en openbare verklaringen;

17.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten door te gaan met het voeren van een dialoog met Saudi-Arabië over mensenrechten, fundamentele vrijheden en de verontrustende rol van het land in de regio; spreekt zijn bereidheid uit tot het voeren van een constructieve en open dialoog met de Saudische autoriteiten, inclusief parlementsleden, over de implementatie van hun internationale mensenrechtenverplichtingen; dringt aan op een uitwisseling van expertise over juridische en wettelijke kwesties, gericht op het versterken van de bescherming van de rechten van het individu in Saudi-Arabië;

18.  roept de Saudische autoriteiten ertoe op de eventuele volgende zweepslagen tegen Raif Badawi niet uit te voeren en hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, aangezien hij wordt beschouwd als een gewetensbezwaarde die uitsluitend is veroordeeld en gevangen gezet vanwege de uitoefening van zijn recht op de vrijheid van meningsuiting; verzoekt de EU door te gaan met het ter sprake brengen van zijn zaak bij elk contact op hoog niveau;

19.  verzoekt de Saudische autoriteiten onmiddellijk een moratorium in te stellen op het gebruik van de doodstraf, als een stap in de richting van volledige afschaffing; dringt erop aan alle processen waarbij de doodstraf is opgelegd tegen het licht te houden, teneinde te waarborgen dat daarbij de internationale normen in acht zijn genomen;

20.  verzoekt de Saudische autoriteiten een eind te maken aan het aanzetten tot haat en discriminatie van religieuze minderheden, en van alle andere individuen en groepen waarvan de mensenrechten in Saudi-Arabië worden geschonden, met inbegrip van mensen uit landen in andere regio's;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de secretaris-generaal van de VN, de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten, de Commissie betreffende de status van vrouwen, de VN-Mensenrechtenraad, Zijne Koninklijke Hoogheid koning Salman bin Abdulaziz Al Saud en kroonprins Mohammad bin Salman Al Saud, de regering van het Koninkrijk Saudi-Arabië, en de secretaris-generaal van het Centrum voor nationale dialoog van het Koninkrijk Saudi-Arabië.

(1) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 64.
(2) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 29.
(3) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 34.
(4) CEDAW/C/SAU/CO/3-4.

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling