Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2712(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0265/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0233

Aangenomen teksten
PDF 123kWORD 53k
Donderdag 31 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Sudan, met name de situatie van Noura Hussein Hammad
P8_TA(2018)0233RC-B8-0265/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over Sudan, met name de situatie van Noura Hussein Hammad (2018/2713(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Sudan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij de Republiek Sudan partij is sinds 1986,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Sudan partij is sinds 1990,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 inzake kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), dat de Algemene Vergadering van de VN in 1979 heeft aangenomen, en de Verklaring inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen (DEVAW), die de Algemene Vergadering van de VN in 1993 heeft aangenomen,

–  gezien resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2007, ingediend door de EU en nogmaals bevestigd in 2008, 2010, 2012, 2014 en 2016, die een pleidooi bevat voor een moratorium op de doodstraf,

–  gezien het Eerste Protocol bij het in 1981 aangenomen Afrikaans Handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika,

–  gezien de artikelen 16 en 21 van het Afrikaans Handvest inzake de rechten en het welzijn van het kind, dat in werking is getreden op 29 november 1999,

–  gezien het dringend beroepschrift met betrekking tot de situatie van Noura Hussein Hammad van 17 mei 2018 van het Afrikaanse Comité van deskundigen voor de rechten en het welzijn van het kind (ACERWC) aan de Republiek Sudan,

–  gezien de grondwet van Sudan van 2005,

–  gezien artikel 96 (mensenrechtenclausule) van de Overeenkomst van Cotonou, die de regering van Sudan in 2005 heeft ondertekend,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Noura Hussein Hammad door haar familie gedwongen werd met Abdulrahman Hammad te trouwen toen zij een kind van 16 was; overwegende dat Noura heeft aangevoerd dat zij eerst door haar man was verkracht met de hulp van leden van zijn familie; overwegende dat, volgens haar getuigenis, op 2 mei 2017 drie mannen Noura Hussein in bedwang hielden terwijl Abdulrahman haar verkrachtte; overwegende dat Noura, toen haar man haar de volgende dag opnieuw probeerde te verkrachten, hem uit zelfverdediging heeft doodgestoken; overwegende dat uit een later medisch onderzoek is gebleken dat zij ook gewond was geraakt tijdens het gevecht met haar man;

B.  overwegende dat Noura Hussein Hammad in de gevangenis van Omdurman heeft vastgezeten tot 29 april 2018, de dag waarop zij schuldig werd bevonden aan moord met voorbedachten rade; overwegende dat Noura Hussein Hammad, die nu 19 jaar oud is, door het Centraal Strafhof van Omdurman ter dood is veroordeeld wegens moord op de man die zij van haar vader moest trouwen; overwegende dat de familie van de man bij de veroordeling de doodstraf heeft gekozen als passende "straf" voor Hussein; overwegende dat tegen haar vonnis hoger beroep is ingesteld;

C.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten gegevens heeft verzameld waaruit blijkt dat het Hof het gedwongen huwelijk, de verkrachting en andere vormen van gendergerelateerd geweld tegen Hussein niet in aanmerking heeft genomen als verzachtende omstandigheden om de straf te verlichten; overwegende dat de VN-deskundige inzake standrechtelijke executies heeft aangevoerd dat het opleggen van de doodstraf wanneer er duidelijk bewijs is voor zelfverdediging, neerkomt op willekeurig doden;

D.  overwegende dat Sudan de 165e plaats inneemt op een totaal van 188 landen op de menselijke ontwikkelingsindex en op de VN-genderongelijkheidsindex; overwegende dat het VN-Comité voor de rechten van het kind en het Mensenrechtencomité van de VN hun ernstige bezorgdheid hebben geuit over de mensenrechtensituatie van vrouwen in Sudan; overwegende dat het rechtsstelsel van Sudan is gebaseerd op de islamitische sharia; overwegende dat is aangetoond dat vrouwen, wanneer zij in politiek, cultureel en economisch opzicht niet gelijkwaardig zijn aan mannen, het slachtoffer worden van gendergerelateerd geweld, ongeacht hun geloof, ras of nationaliteit;

E.  overwegende dat in de Sudanese grondwet is bepaald dat de staat vrouwen beschermt tegen onrecht en gendergelijkheid bevordert; overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in conflictgebieden, Pramila Patten, na haar bezoek aan Sudan van 18 tot en met 25 februari 2018 heeft vastgesteld dat er in Sudan een diepgewortelde cultuur heerst van ontkenning van seksueel geweld; overwegende dat gedwongen huwelijken, verkrachting binnen het huwelijk en gendergerelateerd geweld in Sudan als normaal worden beschouwd en dat al deze vormen van geweld gerechtvaardigd worden op grond van traditie, cultuur en godsdienst; overwegende dat de speciale openbaar aanklager tot dusver geen enkel geval van conflictgerelateerd seksueel geweld heeft onderzocht;

F.  overwegende dat het mandaat van het Internationaal Strafhof (ICC) om de straffeloosheid van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide aan te pakken ook betrekking heeft op wreedheden die vaak ten aanzien van vrouwen begaan worden, waaronder een breed scala aan seksuele en gendergerelateerde misdaden; overwegende dat het ICC op 4 maart 2009 een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd tegen president Omar al-Bashir van de Republiek Sudan, die in staat van beschuldiging is gesteld voor vijf aanklachten wegens misdaden tegen de menselijkheid: moord, uitroeiing, gedwongen overbrenging, marteling en verkrachting;

G.  overwegende dat er een wereldwijde campagne "Justice for Noura Hussein Hammad" is gestart om de doodstraf teniet te doen; overwegende dat sinds mei 2018 bijna een miljoen mensen een petitie met de titel "Justice for Noura Hussein Hammad" heeft ondertekend; overwegende dat de intimidatie van advocaten een aanval vormt op het recht op een eerlijk proces; overwegende dat Noura Hussein Hammad als slachtoffer van verkrachting psychologische ondersteuning nodig heeft;

H.  overwegende dat de zaak van Noura Hussein Hammad internationaal de aandacht heeft gevestigd op vrouwenrechten en op de problematiek van gedwongen huwelijken en verkrachting binnen het huwelijk in Sudan, waar de wettelijke huwbare leeftijd slechts tien jaar is; overwegende dat verkrachting binnen het huwelijk pas sinds 2015 wettelijk wordt erkend in Sudan; overwegende dat de gerechtelijke autoriteiten de erkenning daarvan als misdrijf evenwel weigeren;

I.  overwegende dat vrouwen- en kinderrechtenactivisten in toenemende mate campagne hebben gevoerd tegen gedwongen huwelijken van meisjes en huwelijken van minderjarige meisjes, een wijdverbreid verschijnsel in Sudan; overwegende dat het voorkomen van en reageren op alle vormen van geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes, met inbegrip van huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, een van de doelstellingen is van het EU-genderactieplan voor 2016-2020;

J.  overwegende dat door Human Rights Watch (HRW), zoals ook door de onafhankelijke VN-deskundige voor Sudan, in het World Report van 2017 is verklaard dat Sudanese veiligheidstroepen seksueel geweld, intimidatie en andere vormen van misbruik hebben gepleegd om vrouwelijke mensenrechtenactivisten in het hele land het stilzwijgen op te leggen; overwegende dat de advocaat van Noura Hussein Hammad door de Nationale Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (NISS) werd verboden een persconferentie te houden te midden van een steeds heviger intimidatiecampagne; overwegende dat Nahid Gabralla, directeur van SEEMA, een niet-gouvernementele organisatie die in Khartoem, de hoofdstad van Sudan, met slachtoffers en overlevenden van gendergerelateerd geweld werkt, verscheidene malen gevangen is genomen toen zij campagne voerde voor Noura Hussein Hammad, aangezien Sudan beperkingen oplegt aan de vrijheid van meningsuiting;

K.  overwegende dat Sudan een van de zeven landen is die nog steeds geen partij zijn bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);

L.  overwegende dat de EU momenteel voor 275 miljoen EUR aan projecten in Sudan financiert, voornamelijk via het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP); overwegende dat Sudan de herziene versie van de Overeenkomst van Cotonou niet heeft geratificeerd;

M.  overwegende dat vrouwen in Sudan te maken krijgen met discriminatie, willekeurige arrestaties en vernederende straffen; overwegende dat volgens de onafhankelijke VN-deskundige voor Sudan zogenoemde misdrijven tegen de openbare zeden, bijvoorbeeld in het geval van vrouwen die ervan worden beschuldigd "onfatsoenlijk" gekleed te gaan, evenals vernederende lijfstraffen in strijd zijn met de internationale mensenrechtennormen; overwegende dat de artikelen 151, 152, 154 en 156 van de Sudanese strafwet de voor vrouwen geldende beperkingen inzake de manier waarop zij zich in het openbaar kleden en gedragen, versterken; overwegende dat overtredingen van deze wetten strafbaar zijn met boetes en in bepaalde gevallen zelfs met geseling;

N.  overwegende dat de EU Sudan ondersteunt door een combinatie van ontwikkelingshulp en humanitaire bijstand, maar ook steun verleent aan de bijzonder controversiële operaties van het land op het gebied van grenstoezicht en bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel, onder meer in het kader van het zogenoemde ROCK-project;

1.  betreurt en veroordeelt de terdoodveroordeling van Noura Hussein Hammad; roept de Sudanese autoriteiten op de doodstraf in gevangenisstraf om te zetten en er ten volle rekening mee te houden dat mevrouw Hussein uit zelfverdediging handelde tegen een man met medeplichtigen die probeerde haar te verkrachten;

2.  verzoekt de Sudanese autoriteiten zich te houden aan het nationale recht en de internationale mensenrechtennormen, met inbegrip van het Protocol bij het Afrikaans Handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika, en het Protocol van het Hof van Justitie van de Afrikaanse Unie, dat op 11 juli 2003 is aangenomen; herinnert eraan dat het opleggen van de doodstraf wanneer er duidelijk bewijs is voor zelfverdediging, volgens de internationale normen neerkomt op willekeurig doden, met name in gevallen waarin vrouwen die handelen uit zelfverdediging, moord ten laste wordt gelegd;

3.  herinnert de Sudanese autoriteiten aan hun verplichting om de grondrechten te waarborgen, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces; hamert erop dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat bij het proces tegen Noura Hussein Hammad daadwerkelijk de hoogste normen inzake eerlijkheid en eerlijke rechtsbedeling in acht worden genomen;

4.  wijst er nogmaals op dat het van wezenlijk belang is om essentiële wetgeving in Sudan, waaronder de nationale veiligheidswet van 2010 en wetgeving inzake de media en maatschappelijke organisaties, te herzien en te hervormen, om deze in overeenstemming te brengen met internationale normen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging; uit zijn bezorgdheid over de zeer ruime bevoegdheden die aan de NISS zijn toegekend om tot arrestaties over te gaan en personen gevangen te nemen, terwijl de NISS willekeurig mensen arresteert en van hun vrijheid berooft die in veel gevallen worden gefolterd en op andere manieren worden mishandeld en terwijl NISS-medewerkers niet vervolgd kunnen worden;

5.  merkt op dat de Sudanese autoriteiten terwijl de gerechtelijke procedure loopt, nog steeds moeten tonen dat zij verkrachting of gendergerelateerd geweld niet tolereren en dat zij daarom het leven van een jonge vrouw moeten redden, dat al is verwoest om redenen buiten haar wil; roept de Sudanese autoriteiten op ervoor te zorgen dat in alle gevallen van gendergerelateerd en seksueel geweld, met inbegrip van verkrachting binnen het huwelijk en huiselijk geweld, vervolging wordt ingesteld en de daders ter verantwoording worden geroepen; dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan kindhuwelijken en gedwongen huwelijken en verkrachting binnen het huwelijk aan te pakken;

6.  dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan onmiddellijk een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen tegen de Sudanese veiligheidstroepen, die worden beschuldigd van het gebruik van geweld, intimidatie en andere vormen van misbruik ten aanzien van vrouwen;

7.  betreurt dat de NISS de verdediging van Noura Hussein Hammad heeft verboden een persconferentie te organiseren na haar veroordeling; veroordeelt met klem de intimidatie van mensenrechtenactivisten en advocaten in verband met de zaak van Noura Hussein Hammad;

8.  dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan de fysieke en psychologische integriteit van Noura Hussein Hammad tijdens haar opsluiting, evenals die van haar advocaten en familie, ten volle te beschermen;

9.  herhaalt sterk gekant te zijn tegen het gebruik van de doodstraf, in alle gevallen en onder alle omstandigheden; is van mening dat de doodstraf een inbreuk vormt op de menselijke waardigheid en neerkomt op wrede, onmenselijke en vernederende behandeling; roept de Sudanese autoriteiten op het VN-moratorium op de doodstraf na te leven; roept Sudan op het Verdrag tegen foltering en het CEDAW te ratificeren;

10.  wijst de Sudanese autoriteiten erop dat betere bescherming van de mensenrechten van vrouwen en strafbaarstelling van verkrachting binnen het huwelijk kunnen bijdragen tot het redden van talrijke levens, en situaties zoals die van Noura Hussein Hammad kunnen helpen voorkomen;

11.  veroordeelt met klem huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken en geweld tegen vrouwen en meisjes in Sudan en elders; wijst erop dat het huidige hoger beroep tegen het vonnis van Hussein, dat zich beperkt tot de formele en juridische aspecten van de veroordeling zonder enig onderzoek van de feiten, niet volstaat op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Sudan heeft geratificeerd; dringt er bij de autoriteiten op aan gehoor te geven aan de aanbeveling van het Comité voor de rechten van het kind en het recht inzake de burgerlijke stand te wijzigen om de leeftijd te verhogen waarop het wettelijk is toegestaan is om te trouwen;

12.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan te waarborgen dat bij de uitvoering van gezamenlijke projecten met de Sudanese autoriteiten het "berokken geen schade"-beginsel wordt gehanteerd, wat betekent dat samenwerking met plegers van schendingen van de mensenrechten is uitgesloten;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de president van Sudan, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de beide voorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling