Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2259(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0162/2018

Ingediende teksten :

A8-0162/2018

Debatten :

PV 30/05/2018 - 28
CRE 30/05/2018 - 28

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0240

Aangenomen teksten
PDF 174kWORD 68k
Donderdag 31 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Uitvoering van de EU-strategie voor jongeren
P8_TA(2018)0240A8-0162/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren (2017/2259(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 9, 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 14, 15, 21, 24 en 32,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat in 2010 door de EU is geratificeerd,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien de resolutie van de Raad over een werkplan van de Europese Unie voor jongeren voor 2016-2018(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie(3),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 over de invoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief(4),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(5),

–  gezien de evaluatie van de Commissie van de EU-strategie voor jongeren(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over de toekomst van het programma Erasmus+(8),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(9),

–  gezien de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs, die werd aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU in Parijs op 17 maart 2015,

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018), dat door de Raad werd aangenomen op 23 november 2015(10),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet‑formeel en informeel leren(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2015 getiteld "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding" (COM(2015)0408),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld: "EU 2020: een Europese strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over de beoordeling van de EU-strategie voor jongeren 2013‑2015(12),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages(13),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien de resolutie van de Raad van Europa van 25 november 2008 over het jeugdbeleid van de Raad van Europa (CM/Res(2008)23),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa van 31 mei 2017 over jeugdwerk (CM/Rec(2017)4),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(14),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(15),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Comité van de Regio's – Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(16),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(17),

–  gezien het schaduwverslag over jeugdbeleid, dat is uitgebracht door het Europees Jeugdforum,

–  gezien de resolutie van het Europees Jeugdforum over de EU-strategie voor jongeren(18),

–  gezien de standpuntnota "Engage. Inform. Empower" (Betrokkenheid, informatie, zeggenschap) van de Europese organisatie voor voorlichting en adviesverlening aan jongeren (ERYICA),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 over de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0162/2018),

A.  overwegende dat de negatieve effecten van de recessie op de vooruitzichten van jongeren om hun volledige potentieel te ontplooien, overal in de Europese Unie nog steeds voelbaar zijn;

B.  overwegende dat veel lidstaten, vooral in Zuid-Europa, ver verwijderd blijven van hun niveau van voor de crisis op het vlak van een aantal jeugdindicatoren, zoals werkgelegenheid, welzijn en sociale bescherming;

C.  overwegende dat de kleiner wordende verschillen op regionaal niveau in de gehele EU zichtbaar zijn; overwegende dat veel regio's nog steeds een lagere arbeidsparticipatiegraad kennen dan voor de crisis;

D.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid de afgelopen jaren geleidelijk is afgenomen, maar volgens Eurostat in januari 2018 toch nog 16,1 % bedroeg, en in sommige lidstaten zelfs meer dan 34 %; overwegende dat dit percentage is toegenomen ten opzichte van 2008 (15,6 %); overwegende dat uit deze cijfers blijkt dat er geen standaardoplossing is om jongeren hun volledige potentieel te laten verwezenlijken; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de ultraperifere regio's zorgwekkend hoog is en in sommige van die regio's, zoals Mayotte, zelfs boven de 50 % ligt;

E.  overwegende dat achtergestelde groepen, zoals etnische minderheden, mensen met speciale behoeften, vrouwen, leden van de LGHBTIQ-gemeenschap, migranten en vluchtelingen – die op barrières stuiten bij het betreden van de arbeidsmarkt en de toegang tot cultuur, sociale dienstverlening en onderwijs – het meest getroffen worden door de sociaaleconomische crisis;

F.  overwegende dat onderwijs de gevolgen van sociaaleconomische ongelijkheid helpt beperken door het bijbrengen van de vaardigheden en competenties die nodig zijn om de overdracht van achterstand van de ene generatie op de andere te beperken;

G.  overwegende dat het algemene gebrek aan investeringen in jongeren en hun rechten jongeren zal beletten hun rechten op te eisen, uit te oefenen en te verdedigen, zal bijdragen aan de verergering van verschijnselen als bevolkingsafname, schooluitval, gebrekkige beroepskwalificaties, laattijdige betreding van de arbeidsmarkt, gebrek aan financiële onafhankelijkheid, mogelijk slecht functionerende socialezekerheidsstelsels, wijdverbreide arbeidsonzekerheid en sociale uitsluiting;

H.  overwegende dat de problemen waarmee jongeren te kampen hebben op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, alsook wat betreft maatschappelijk en politiek engagement, niet uniform zijn en dat sommige groepen hier onevenredig veel sterker mee te maken hebben dan andere; overwegende dat er meer moet worden gedaan om degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan of er geheel buiten staan, te ondersteunen;

I.  overwegende dat het voortbestaan van lokale scholen en onderwijsinstellingen in alle Europese regio's essentieel is als het erop aankomt jongeren beter onderwijs te bieden, en dat de EU de regio's bij deze uitdaging ten volle moet steunen;

J.  overwegende dat vooral voor onderwijs, interculturele dialoog, strategische communicatie en nauwere samenwerking tussen de lidstaten een cruciale rol is weggelegd om marginalisering en radicalisering van jongeren te voorkomen en hun weerbaarheid te vergroten;

K.  overwegende dat jongeren actief betrokken moeten worden bij de planning, ontwikkeling, tenuitvoerlegging, controle en evaluatie van alle beleidsmaatregelen met gevolgen voor jongeren; overwegende dat 57 % van de jongerenorganisaties in de EU van mening is dat bij het ontwikkelen van jeugdbeleid geen rekening wordt gehouden met hun deskundigheid(19);

L.   overwegende dat het van belang is dat jongerenorganisaties, om volledig legitiem te kunnen zijn, voldoende representatief en inclusief zijn voor jongeren;

M.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren weliswaar een doorlopende strategie is die voortdurend wordt bijgeschaafd, maar dat de doelstellingen nog steeds zeer breed en ambitieus zijn; overwegende dat er sprake is van een gebrek aan deugdelijk vastgestelde referentiecriteria;

N.  overwegende dat in de EU-strategie voor jongeren 2010-2018 wordt gehamerd op een gestructureerde dialoog tussen jongeren en beleidsmakers;

O.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren er hoofdzakelijk op gericht is meer en gelijke kansen te creëren voor alle Europese jongeren;

P.  overwegende dat jongeren moeten worden geholpen en het heft in eigen handen moeten kunnen nemen om de ernstige problemen waarmee ze momenteel kampen aan te kunnen pakken en de uitdagingen waarvoor ze zich in de toekomst geplaatst zullen zien het hoofd te kunnen bieden dankzij relevanter, doeltreffender en beter gecoördineerd jeugdbeleid, beter en toegankelijk onderwijs en de gerichte inzet van het economische, arbeids- en sociale beleid op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau;

Q.  overwegende dat de EU de afgelopen jaren in het kader van haar strategie voor jongeren een aantal initiatieven, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie heeft opgezet die tot doel hebben meer en gelijke kansen voor alle jongeren in het onderwijs en op de arbeidsmarkt te creëren en de integratie, empowerment en actieve maatschappelijke participatie van jongeren te bevorderen;

R.  overwegende dat het EU-optreden ten aanzien van jongeren moet worden gemainstreamd door de jongerendimensie op te nemen in de bestaande en toekomstige beleidsmaatregelen en financieringsprogramma's, met name in alle belangrijke beleidsdomeinen: economie, werkgelegenheid en sociale zaken, cohesie, gezondheid, vrouwen, medezeggenschap, migratie, cultuur, media en onderwijs;

S.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de toekomstige EU-strategie voor jongeren in de diverse beleidssectoren en instellingen gecoördineerd moet worden;

T.  overwegende dat er een genderperspectief moet worden opgenomen in de besluitvorming over het jeugdbeleid waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke uitdagingen en omstandigheden van met name jonge vrouwen en meisjes met een uiteenlopende culturele en religieuze achtergrond; overwegende dat specifieke gendergevoelige maatregelen moeten worden opgenomen in het jeugdbeleid, zoals de preventie van geweld tegen vrouwen en meisjes, onderwijs op het gebied van gendergelijkheid en seksuele voorlichting; overwegende dat vrouwen gemiddeld een 1,4 maal grotere kans hebben om geen werk te hebben en geen onderwijs of opleiding te volgen (NEET) dan mannen(20) en dat er voortdurende inspanningen nodig zijn ter verhoging van het participatieniveau op de arbeidsmarkt van jonge vrouwen – vooral na zwangerschapsverlof en onder alleenstaande moeders – en vroegtijdige schoolverlaters, laagopgeleiden, gehandicapte jongeren en alle jongeren die het slachtoffer dreigen te worden van discriminatie;

U.  overwegende dat er voortdurende inspanningen nodig zijn om de maatschappelijke participatie van jongeren te bevorderen, vooral voor gehandicapten, migranten, vluchtelingen, NEET's en degenen die het risico lopen op sociale uitsluiting;

V.  overwegende dat onderwijs een cruciale factor is in de bestrijding van sociale uitsluiting en dat investeren in vaardigheden en competenties dus cruciaal is om de hoge werkloosheidscijfers, met name onder NEET's, aan te pakken;

W.  overwegende dat in artikel 9 VWEU wordt bepaald dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houdt met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid;

X.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren een goede basis heeft gelegd voor een vruchtbare en zinvolle samenwerking in jeugdzaken;

Y.  overwegende dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de afgelopen driejarige cyclus van de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) niet goed en precies genoeg kan worden beoordeeld en dat het erg moeilijk is de situaties van de verschillende lidstaten met elkaar te vergelijken omdat het ontbreekt aan benchmarks en indicatoren en de uitvoeringsinstrumenten elkaar overlappen;

Z.  overwegende dat beroepsoriëntatie en toegang tot informatie over arbeidsmogelijkheden en onderwijstrajecten essentieel zijn voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs en de overgang naar de arbeidsmarkt;

AA.  overwegende dat de EU bij de vaststelling van de doelstellingen van deze strategie en de tenuitvoerlegging en evaluatie ervan nauw moet samenwerken met nationale, regionale en lokale instanties;

Uitdagingen voor jongeren en lessen die uit het huidige beleidvormingsproces van de EU op jeugdgebied kunnen worden getrokken

1.  betreurt het dat bezuinigingsmaatregelen voor de lange termijn, met name verlaging van de financiële middelen voor onderwijs, cultuur en jeugdbeleid, negatieve gevolgen hebben gehad voor jongeren en hun levensomstandigheden; waarschuwt ervoor dat jongeren, vooral de meest kansarme, zoals jongeren met een handicap, jonge vrouwen, minderheden en personen met speciale behoeften, zwaar worden getroffen door toenemende ongelijkheid, het risico op uitsluiting, onzekerheid en discriminatie;

2.  is ingenomen met de resultaten van de Europese samenwerking in jeugdzaken, in het kader waarvan de problemen waarmee de meeste Europeanen worstelen aangepakt kunnen worden en nationale beleidsmakers gesteund kunnen worden door ze te voorzien van expertise, aanbevelingen en legitimiteit, en door met succes meer EU‑financiering vrij te maken;

3.  beschouwt de open coördinatiemethode als geschikte maar nog steeds ontoereikende methode voor de invulling van het jeugdbeleid en dus moet worden aangevuld met andere maatregelen; herhaalt zijn oproep tot nauwere samenwerking en uitwisseling van optimale werkmethoden in jeugdzaken op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau; dringt er bij de lidstaten op aan duidelijke prestatie-indicatoren en benchmarks overeen te komen om de geboekte vooruitgang te kunnen monitoren;

4.  onderkent de positieve resultaten die met de EU-strategie voor jongeren zijn bereikt dankzij de ontwikkeling van sectoroverschrijdende werkzaamheden en een gestructureerde dialoog om de deelname van jongeren te garanderen, en is van mening dat de betrokken actoren en belanghebbenden over de hele lijn meer bewust moeten worden gemaakt van de doelstellingen en instrumenten van de strategie; merkt met name op dat de bottom‑upbenadering bij de gestructureerde dialoog een toegevoegde waarde vertegenwoordigt en moet worden gehandhaafd; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om bij de ontwikkeling van de nieuwe strategie rekening te houden met de resultaten van de zesde cyclus van de gestructureerde dialoog die gericht is op de toekomstige strategie;

5.  stelt voor om lokale en regionale autoriteiten te betrekken bij het jeugdbeleid, vooral in de lidstaten waar zij bevoegdheden op dit vlak hebben;

6.  is verheugd over beleidsinitiatieven die gericht zijn op de ondersteuning van de jeugd in Europa, met name Investeren in de jongeren van Europa, het Europees solidariteitscorps en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; is echter van mening dat deze instrumenten beter moeten aansluiten op de EU-strategie voor jongeren en een bottom‑upbenadering moeten volgen; verzoekt de Commissie dan ook om systematisch alle beleidsvoorstellen met betrekking tot jongeren te koppelen aan de overkoepelende strategie en daar alle belanghebbenden, waaronder sociale partners en het maatschappelijk middenveld, bij te betrekken door te kiezen voor een holistische langetermijnaanpak met duidelijk gedefinieerde horizontale doelstellingen;

7.  dringt bij de Commissie aan op de instelling van een horizontale werkgroep voor de coördinatie van de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren in de toekomst, met deelname van de EU-instellingen, waaronder het Europees Parlement, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld, met name vakbonden en jongerenorganisaties;

8.  dringt er bij de Commissie op aan doeltreffende instrumenten te creëren voor de coördinatie tussen de betrokken diensten en een van haar vicevoorzitters te belasten met de mainstreaming van jongeren als cluster;

9.  moedigt de lidstaten aan de Europese pijler van sociale rechten als uitgangspunt te nemen voor het opstellen van wetgeving met betrekking tot jongeren;

10.  benadrukt dat het van belang is een gezonde levensstijl te bevorderen om ziektes te voorkomen, en acht het nodig om jongeren te voorzien van correcte informatie over en hulp bij ernstige psychische problemen zoals tabak-, alcohol- en drugsgebruik en ‑verslaving;

11.  wijst erop dat evaluatie van de uitvoering van de jongerenstrategie in de lidstaten door de Commissie belangrijk is om meer controles en toezicht ter plaatste mogelijk te maken; vraagt de Commissie doelstellingen voor de EU-strategie voor jongeren vast te stellen die kwalitatief en kwantitatief kunnen worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke lidstaat of regio; vraagt de Commissie meer financiële middelen uit te trekken voor programma's en acties die jongeren voorbereiden op de wereld van de arbeid;

Jongeren een stem geven in de EU-strategie voor jongeren

12.  pleit ervoor dat de toekomstige EU-strategie gericht moet zijn op deelname van en moet draaien om jongeren en de vergroting van hun welzijn, en dat zij de behoeften, de ambities en diversiteit van alle jongeren in Europa moet weerspiegelen en ervoor moet zorgen dat jongeren meer toegang krijgen tot creatieve instrumenten waarmee nieuwe technologieën gemoeid zijn;

13.  is van mening dat de EU solidariteit met jongeren aan de dag moet leggen en hen steeds beter in staat moet stellen om deel te nemen aan de samenleving door specifieke maatregelen te ontwikkelen zoals mainstreaming van vrijwilligerswerk, ondersteuning van jongerenwerk, ontwikkeling van nieuwe instrumenten, met name die waarmee nieuwe technologieën gemoeid zijn, en bevordering van uitwisseling op basis van solidariteit, gemeenschapszin, vrije ruimte en democratische dialoog; erkent daarom het belang van jongerenverenigingen als ruimte waarbinnen jongeren kunnen groeien en een gevoel van actief burgerschap kunnen ontwikkelen; verzoekt de lidstaten de actieve betrokkenheid van jongeren in vrijwilligersorganisaties te faciliteren; benadrukt dat meer maatschappelijke participatie van jongeren niet alleen een belangrijke verwezenlijking op zich is, maar ook als opstap kan fungeren naar meer politieke participatie;

14.  wijst er in dit verband op dat niet-formeel en informeel leren, naast deelname aan sport en vrijwilligersactiviteiten, een belangrijke rol speelt bij het stimuleren van de ontwikkeling van burgerlijke, sociale en interculturele competenties en vaardigheden onder jonge Europeanen;

15.  verzoekt de lidstaten te voorzien in nationale rechtskaders en passende financiële middelen voor vrijwilligerswerk;

16.  dringt er met klem bij de Commissie en de lidstaten op aan om jongeren, en met name die met minder kansen en degenen die buiten de formele organisatiestructuren staan, aan te sporen een actieve en kritische rol te gaan spelen en mee te doen aan de beleidsvorming, zodat zij invloed kunnen uitoefenen op besluiten die gevolgen hebben voor hun leven, door hun zowel online als offline democratische instrumenten ter beschikking te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen en risico's van sociale media, en door de belanghebbenden, zoals sociale partners, het maatschappelijk middenveld en jongerenorganisaties, te betrekken bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, monitoring en beoordeling van jeugdbeleid;

17.  verzoekt de lidstaten jongeren aan te moedigen tot volledige deelname aan het verkiezingsproces;

18.  acht het noodzakelijk dat de gestructureerde dialoog tussen jongeren en besluitvormers blijft voortbestaan in het volgende Europese samenwerkingskader op het gebied van jeugdzaken; is van mening dat de gestructureerde dialoog stelselmatig steeds meer jongeren en steeds meer verschillende doelgroepen jongeren moet betreffen en wijst erop dat de nationale en Europese werkgroepen voldoende financiële steun moeten krijgen om daarvoor te zorgen; verzoekt de lidstaten de deelname van nationale, regionale en lokale beleidsmakers aan de gestructureerde dialoog met jongeren aan te moedigen;

19.  vraagt de lidstaten transparant te werk te gaan bij het voorleggen van hun rekeningen en bij het besteden van de middelen die zijn bestemd voor het bevorderen van duurzame werkgelegenheidsperspectieven voor jongeren; wijst er in dit verband op hoe belangrijk het is dat de lidstaten desgevraagd gedetailleerde gegevens over de situatie van hun jongeren verstrekken;

20.  onderstreept dat het ontbreekt aan stelselmatige verslaglegging en betrouwbare gegevens over de tenuitvoerlegging van de strategie; vraagt de lidstaten en de Commissie daarom werk te maken van een betere samenwerking tussen de nationale en regionale statistische diensten bij het indienen van relevante en geactualiseerde statistische gegevens over jongeren, die van belang zijn om de mate van succes van de uitgevoerde strategie te kunnen bepalen; meent dat de driejaarlijkse verslagen vergezeld moeten gaan van deze statistische gegevens;

21.  wijst er nogmaals op dat de deelname van jongeren aan nationale en lokale verkiezingen een dalende lijn vertoont en dat jongeren politiek engagement nodig hebben en het resultaat van hun bijdrage moeten kunnen zien; herinnert eraan dat de mogelijkheden om ervaring op te doen met politieke participatie in hun eigen omgeving en in plaatselijke gemeenschappen vanaf jonge leeftijd een cruciale stap is om het gevoel van Europees burgerschap te versterken en jongeren in staat te stellen actieve burgers te worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom regionale en lokale instanties aan te sporen erop toe te zien dat jongeren en jongerenorganisaties volledig en effectief kunnen deelnemen aan en betrokken worden bij de besluitvorming en de verkiezingsprocessen;

22.  verzoekt de lidstaten de nationale jeugdraden te betrekken bij de toezicht- en uitvoeringscomités van de EU-strategie voor jongeren;

23.  benadrukt de mogelijkheden die de technologie biedt om contact te leggen met jongeren en verzoekt de EU hun meer mogelijkheden te geven voor maatschappelijke participatie via e‑platforms;

24.  constateert dat veel jongeren helaas nog steeds vinden dat zij weinig toegang hebben tot de mogelijkheden die hun via de diverse programma's van de Unie worden geboden, ondanks de aanhoudende inspanningen van de Commissie om daarover te communiceren; verzoekt de Commissie haar communicatiekanalen te verbeteren;

Gelijke mogelijkheden voor een gegarandeerde langdurige integratie in de arbeidsmarkt

25.  maakt zich grote zorgen over de blijvend hoge jeugdwerkloosheidspercentages in de hele EU, met name in Zuid-Europa; herinnert eraan dat het scheppen van hoogwaardige banen en werkgelegenheid moet worden gewaarborgd en een belangrijk engagement ten behoeve van de jongeren moet blijven, en dringt in dit verband aan op maatregelen ter bevordering van de overstap van jongeren van onderwijs naar werk door te voorzien in hoogwaardige stage- en leerplaatsen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om structurele hervormingen van de arbeidsmarkt en billijke arbeidsvoorwaarden en lonen te bevorderen, zodat jongeren niet worden gediscrimineerd wanneer zij hun intrede doen op de arbeidsmarkt; benadrukt dat het van belang is dat er sociale rechten voor nieuwe arbeidsvormen worden gedefinieerd, dat er goede beroepsstages worden gecreëerd en dat er een sociale dialoog wordt opgezet;

26.  benadrukt het belang van initiatieven van nationale, regionale en lokale autoriteiten om op maat gesneden regelingen en gepersonaliseerde steun vast te stellen om alle NEET's te kunnen bereiken; herhaalt dat plaatselijke stakeholders zoals de sociale partners, vakbonden en maatschappelijke en jeugdorganisaties daarbij moeten worden betrokken;

27.  pleit voor speciale maatregelen om de precaire situatie van jonge vrouwen op de arbeidsmarkt aan te pakken, met bijzondere aandacht voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de oververtegenwoordiging van vrouwen in atypische vormen van arbeid zonder sociale bescherming;

28.  benadrukt dat het noodzakelijk is te zorgen voor billijke arbeidsvoorwaarden en voldoende sociale bescherming voor degenen die werkzaam zijn in de zogeheten nieuwe vormen van werkgelegenheid, waarin jongeren oververtegenwoordigd zijn;

29.  is van mening dat er ook maatregelen moeten worden genomen om jonge migranten in te passen in de arbeidsmarkt, met volledige inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling;

30.  benadrukt dat een inclusief jongerenbeleid sociale programma's ter facilitering van politieke en culturele participatie moet verdedigen en bevorderen; is voorts van mening dat behoorlijk en gereguleerd werk dat gestoeld is op collectieve arbeidsovereenkomsten, zonder onzekere arbeidsverhoudingen, met toereikende lonen en kwalitatief hoogwaardige openbare diensten voor iedereen, belangrijk zijn voor het maatschappelijk welzijn van jongeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten om eerlijke arbeidsvoorwaarden en een afdoende sociale bescherming te bevorderen, ook met betrekking tot nieuwe vormen van werk;

31.  herinnert eraan dat werkgelegenheid en ondernemerschap tot de acht prioriteiten behoren die in de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) zijn vastgesteld; benadrukt dat jeugdwerk en niet-formeel leren, vooral zoals dit in jongerenorganisaties wordt ontwikkeld, van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van het potentieel van jongeren, met inbegrip van ondernemersvaardigheden, en hen in staat stellen een brede waaier aan competenties te ontwikkelen die hun kansen op de arbeidsmarkt kunnen vergroten;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten grensoverschrijdende beroeps- en opleidingsmogelijkheden aan te moedigen, meer te investeren in beroepsonderwijs en ‑opleiding en dit als een aantrekkelijke opleidingskeuze te presenteren;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om regionale en lokale autoriteiten te steunen en te investeren in nieuwe levenskansen voor jongeren zodat ze hun creativiteit en hun volledige potentieel kunnen ontplooien, ondernemerschap voor jongeren te ondersteunen en de maatschappelijke inclusie van jongeren te bevorderen, ten voordele van hun gemeenschap;

34.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een op rechten gebaseerde benadering van jeugd en werkgelegenheid te hanteren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat jongeren een goede stage en baan kunnen krijgen waarbij hun rechten geëerbiedigd worden, zoals het recht op een vaste baan met een loon waarvan ze kunnen leven, daarbij sociale bescherming genieten en verzekerd zijn van een waardig en autonoom leven;

35.  spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan controles uit te voeren bij bedrijven die herhaaldelijk opeenvolgende stages aanbieden zonder daarna banen aan te bieden, om te voorkomen dat arbeidsovereenkomsten worden vervangen door zogenaamde stages;

36.  is ingenomen met het feit dat meer dan 1,6 miljoen jongeren steun hebben ondervonden van maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief(21); benadrukt dat er meer inspanningen en financiële verbintenissen nodig zijn; benadrukt dat het noodzakelijk is jongeren in NEET-situaties die te maken hebben met meervoudige obstakels beter te bereiken en de kwaliteit van het aanbod in het kader van de jongerengarantie te verbeteren door duidelijke kwaliteitscriteria en ‑normen vast te stellen, met inbegrip van toegang tot sociale bescherming, een minimuminkomen en arbeidsrechten; verzoekt de lidstaten hun systemen voor toezicht, verslaglegging en prestatiebeoordeling daadwerkelijk te verbeteren en ervoor te zorgen dat middelen van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gebruikt worden als aanvulling op en niet ter vervanging van nationale financiering;

37.  beklemtoont bovendien dat aandacht moet worden besteed aan de kwaliteit op het gebied van mentorschap en begeleiding, de kwaliteit en de toereikendheid van de eigenlijke individuele opleiding, stage of baan, en aan de kwaliteit van het resultaat ten opzichte van de vastgestelde doelstellingen; onderstreept in dit verband dat de toepassing van de reeds bestaande kwaliteitskaders, zoals het Europees kwaliteitskader, in het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet worden gewaarborgd; is van mening dat jongeren ook bij de controle van de kwaliteit van het aanbod betrokken moeten worden;

38.  wijst erop dat maatregelen waarmee de integratie van NEET's op de arbeidsmarkt wordt bevorderd, waaronder betaalde stages en leerplaatsen, financieel ondersteund moeten worden door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief of toekomstige Europese instrumenten, waarbij elke vorm van baanvervangend werk of misbruik van werkende jongeren moet worden vermeden;

39.  merkt op dat het bevorderen van de ondernemersgeest onder jongeren een prioriteit is en dat de formele en niet-formele onderwijsstelsels de meest doeltreffende maatregelen zijn om ondernemerschap van jongeren te stimuleren; benadrukt dat ondernemerschap een middel is om jeugdwerkloosheid en sociale uitsluiting tegen te gaan en innovatie te bevorderen; meent daarom dat de jongerenstrategie het scheppen van een gunstig klimaat voor jonge ondernemers moet ondersteunen;

40.  herinnert eraan dat het bereiken van NEET's het hoofddoel van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is en verzoekt de lidstaten derhalve met klem om meer te doen om de NEET-populatie in kaart te brengen en te bereiken, en met name de meest kwetsbare jongeren, zoals jongeren met een handicap, en daarbij rekening te houden met hun speciale behoeften;

41.  verzoekt de lidstaten en de Commissie innovatieve en flexibele beurzen in het leven te roepen om talent en artistieke en sportieve gaven op het vlak van onderwijs en opleiding te stimuleren; ondersteunt de lidstaten die beursregelingen willen invoeren voor studenten met goede studie-, sportieve en artistieke resultaten;

42.  benadrukt dat 38 % van de jongeren moeilijk toegang heeft tot informatie; benadrukt dat het van belang is te zorgen voor een collectieve aanpak ten aanzien van de begeleiding, de ondersteuning en de voorlichting van jongeren over hun rechten en mogelijkheden;

43.  benadrukt voorts dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet alleen moet focussen op hoogopgeleide jonge NEET's, maar ook op laaggeschoolde en niet‑werkende jongeren en jongeren die niet zijn ingeschreven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening;

44.  benadrukt dat de arbeidsmobiliteit binnen de EU, ondanks de hoge werkloosheid, beperkt blijft; wijst er daarom op hoe belangrijk de mobiliteit van werknemers is voor een concurrerende arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten daartoe grensoverschrijdende arbeids- en opleidingsmogelijkheden te stimuleren;

45.  wijst op de belangrijke rol die 55‑plussers spelen bij de opleiding van jongeren op de werkplek; pleit net als de Commissie voor het opzetten van programma's die deze mensen de mogelijkheid bieden om in de aanloop naar de pensioengerechtigde leeftijd geleidelijk uit de arbeidsmarkt uit te treden, met name door eerst over te stappen op een deeltijdregeling tijdens welke ze ook jongeren opleiden en helpen om zich in te werken;

46.  onderstreept de belangrijke rol die ondernemingen spelen bij de verwerving van vaardigheden en het scheppen van banen voor jongeren; wijst erop dat onderwijs en opleiding op gebieden die verband houden met het bevorderen van ondernemerschap kunnen bijdragen tot ontwikkeling op lange termijn, versterking van het Europese concurrentievermogen en de bestrijding van werkloosheid;

47.  verzoekt de lidstaten de beoogde effecten van de vast te stellen maatregelen te vermelden in hun actieplannen; onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is dat de lidstaten garanties bieden dat de getroffen maatregelen de werkgelegenheid daadwerkelijk hebben bevorderd; benadrukt dat de duurzaamheid van het te voeren beleid moet worden gemeten;

Duurzame ontwikkeling: de toekomst voor jongeren

48.  is er stellig van overtuigd dat hoogwaardig formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en dito opleidingen een grondrecht zijn; is dan ook van mening dat de toegang tot alle niveaus van hoogwaardig onderwijs moet worden gegarandeerd voor alle Europeanen, ongeacht hun sociaaleconomische status, etnische afkomst, geslacht, of fysieke of cognitieve handicaps; onderstreept de belangrijke rol die het formele, niet‑formele en informele onderwijs heeft om jongeren de kennis, de vaardigheden en de competenties bij te brengen om geëngageerde burgers te worden en deel te nemen aan het Europese project; verzoekt de lidstaten derhalve specifiek beleid te ontwikkelen en moedigt in dit verband aan dat artistiek en creatief onderwijs in de onderwijsprogramma's even belangrijk worden geacht als technologische vakken (STEM);

49.  benadrukt het belang van modernisering van het onderwijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten de opneming van nieuwe vaardigheden en competenties in het onderwijs te stimuleren, zoals burgerschap, kritisch denken en ondernemingszin, en de ontwikkeling van nieuwe leermiddelen te stimuleren die de participatie in en de toegankelijkheid van onderwijs vergroten;

50.  is zeer verontrust over het bijzonder prangende probleem van kinderarmoede waardoor maar liefst 25 miljoen kinderen in de EU getroffen worden (meer dan 26,4 % van alle Europeanen in de leeftijd tot 18 jaar) in gezinnen die elke dag kampen met een gebrek aan voldoende inkomsten en basisvoorzieningen; is van mening dat het jongerenbeleid een bijdrage kan leveren op gebieden zoals kinder- en gezinsbeleid; ;

51.  is ernstig bezorgd over het verschijnsel van voortijdige schoolverlating en pleit daarom voor passende oplossingen om dat aan te pakken teneinde de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken;

52.  moedigt de Commissie aan om initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op de bevordering van actief en kritisch burgerschap, respect, verdraagzaamheid, waarden en intercultureel leren, en benadrukt in dit verband de cruciale rol van EU-programma's zoals Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger; verzoekt de Commissie en de lidstaten mogelijkheden voor dialogen met jongeren op te zetten over een breed scala aan onderwerpen, zoals seks, geslacht, beleid, solidariteit en milieu, recht, geschiedenis en cultuur;

53.  is ervan overtuigd dat geletterdheid, onder meer op het gebied van digitale middelen en media, rekenvaardigheid en de basisvaardigheden die essentieel zijn voor de autonomie en voor een veelbelovende toekomst voor jongeren, een prioriteit moeten zijn op Europees, nationaal en lokaal niveau; dringt er dan ook bij de Commissie en de lidstaten op aan zich meer in te spannen om fundamentele leervaardigheden en competenties aan te bieden voor iedereen;

54.  verzoekt de Commissie initiatieven met formeel onderwijs en informeel leren aan te moedigen om innovatie, creativiteit en ondernemerschap bij jongeren te ondersteunen en om de saamhorigheid en het begrip tussen jongeren van verschillende groepen te bevorderen;

55.  constateert in dit verband met grote bezorgdheid dat er nog steeds een hoog aantal Europese burgers is met slechte lees- en schrijfvaardigheden en met functionele, digitale en media-ongeletterdheid, wat een ernstig probleem vormt voor een goede deelname aan het openbare leven en de arbeidsmarkt;

56.  herinnert eraan dat het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten luidt dat iedereen recht heeft op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren om de vaardigheden te verwerven en te onderhouden die nodig zijn om ten volle aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen en te kunnen omgaan met veranderingen op de arbeidsmarkt; benadrukt daarom dat het van belang is om in de nieuwe programmeringsperiode van het MFK voor 2021-2027 prioriteit toe te kennen aan onderwijs en opleiding en te zorgen voor sociale investeringen daarin;

57.  is sterk van mening dat het sociale scorebord dat was ingevoerd in het kader van de Europese pijler van sociale rechten, moet worden gebruikt om de EU-strategie voor jongeren te beoordelen; verzoekt de Commissie een reeks specifieke indicatoren vast te stellen om de EU-strategie voor jongeren te beoordelen, zoals onderwijs, vaardigheden, een leven lang leren, gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, gezondheidszorg, digitale toegang, levensomstandigheden en armoede;

58.  benadrukt de cruciale rol van het gezin en van leerkrachten bij de ondersteuning van jongeren die worden gepest op school of op internet; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om maatregelen te nemen tegen deze vormen van gedrag, die gevolgen hebben voor het geestelijk welzijn van jongeren, in het bijzonder door vanaf de lagere school de juiste digitale vaardigheden te ontwikkelen, zoals voorzien in de actieplan voor digitaal onderwijs;

59.  is van mening dat er om de maatregelen op het gebied van onderwijs, jeugdzaken en sport doeltreffender te maken, gezamenlijke doelstellingen en instrumenten voor het meten van de beleidsimpact moeten worden ontwikkeld op basis van internationale studies;

60.  onderstreept het schadelijke effect van stress op het welzijn van jongeren op school, in de beroepsopleiding, op de arbeidsmarkt en in hun privéleven; verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in programma's voor geestelijke gezondheid en de belanghebbende partijen aan te sporen om jongeren te helpen op dit vlak;

61.  benadrukt het belang van geestelijk en lichamelijk welzijn van jonge Europeanen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om buitenschoolse sportactiviteiten te stimuleren en campagnes te voeren ter bevordering van bewust eten;

62.  onderstreept het belang van bevordering van de interculturele dialoog in de sport, onder meer via het opzetten van platforms waarbij jongeren, vluchtelingen en migranten betrokken zijn;

63.  is van mening dat, gezien de complexiteit van het jongerenbeleid en de effecten ervan, onderzoekssamenwerking moet worden gestimuleerd teneinde empirisch onderbouwde antwoorden en maatregelen en preventieve oplossingen te ontwikkelen die het welzijn en de weerbaarheid van jongeren bevorderen;

64.  benadrukt het belang van cultuur, niet alleen voor de bestrijding van geweld, racisme, radicalisering en intolerantie, maar ook voor de ontwikkeling van een Europese identiteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten cultuur te bevorderen, daarin te investeren en gelijke toegang voor iedereen te garanderen;

65.  benadrukt dat jongerenorganisaties een cruciale rol spelen in de maatschappelijke participatie en integratie van jongeren; verzoekt de lidstaten daarom jongerenorganisaties te steunen en hun rol in de ontwikkeling van competenties en de maatschappelijke inclusie te onderkennen, en in samenwerking met de jongeren de instelling van jongerenraden op alle niveaus te ondersteunen;

66.  hamert op het belang van de validatie van niet-formeel en informeel leren voor de empowerment van de lerenden, aangezien dit essentieel is voor de ontwikkeling van een samenleving die gebaseerd is op sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen en bijdraagt aan de ontwikkeling van burgerschapsvaardigheden en zelfontplooiing; betreurt dat werkgevers en aanbieders van formeel onderwijs niet voldoende de waarde en relevantie erkennen van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven via niet-formeel en informeel leren; wijst erop dat het gebrek aan vergelijkbaarheid en coherentie tussen de validatieaanpakken van de EU-landen een bijkomende belemmering vormt; verzoekt de lidstaten te blijven toewerken naar een nationaal erkennings- en validatiesysteem en te zorgen voor voldoende financiering voor vaardigheden die via niet-formeel onderwijs zijn verworven, waarbij verwezen wordt naar de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren;

Betere afstemming en steun uit financieringsinstrumenten voor de EU-strategie voor jongeren

67.  is van mening dat de EU-strategie voor jongeren het MFK moet volgen en moet aansluiten bij de doelstellingen voor duurzame ontwikkelingen en alle relevante vlaggenschipinitiatieven, programma's en beleidsstrategieën, door een systematische dialoog aan te gaan met de bevoegde organen, duidelijke doelen en streefcijfers te formuleren en een passend coördinatiemechanisme op te zetten;

68.  herinnert eraan dat de EU vanwege het subsidiariteitsbeginsel op het gebied van jeugdzaken alleen maatregelen kan nemen om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen; wijst op het belang van samenhang tussen EU- en nationale financiering en verzoekt de Commissie derhalve synergieën met nationale, regionale en lokale initiatieven te faciliteren om duplicatie, overlapping of herhaling van activiteiten te voorkomen;

69.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de overheidsinvesteringen in onderwijs- en jeugdgerelateerde initiatieven te verhogen;

70.  is er vast van overtuigd dat de middelen die beschikbaar zijn om diverse initiatieven en beleidsmaatregelen voor jongeren te ondersteunen, zoals het Erasmus+-programma, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het programma Europa voor de burger, in het volgende MFK beduidend moeten worden verhoogd om de jongeren meer kansen te bieden en uitsluiting te voorkomen;

71.  is ingenomen met het Europees solidariteitscorps – een programma om de solidariteit tussen jonge Europeanen, vrijwilligerswerk en de ontwikkeling van inclusief burgerschap te bevorderen; herhaalt het standpunt van het Parlement dat het nieuwe initiatief naar behoren moet worden gefinancierd met verse middelen en dat het programma niet moet worden gebruikt als optie om de jeugdwerkloosheid aan te pakken;

72.  is er stellig van overtuigd dat het programma Europa voor de burger actief burgerschap, burgerschapsvorming en dialoog moet blijven stimuleren en een gevoel van Europese identiteit tot stand moet brengen; wijst op het geringe succes van het programma, dat te wijten is aan een gebrek aan financiering; pleit voor een aanzienlijke verhoging van de middelen voor het programma;

73.  dringt er bij de Commissie op aan het Erasmusprogramma voor jonge ondernemers te handhaven; spoort de lidstaten en de Commissie ertoe aan dit programma gezamenlijk te promoten, in samenwerking met de kamers van koophandel, het bedrijfsleven en de jongeren zelf, zonder de kernactiviteiten uit het oog te verliezen;

74.  herhaalt zijn steun voor de versterking van het programma Creatief Europa dat specifieke mobiliteitsregelingen biedt voor jonge kunstenaars en jongeren die werkzaam zijn in culturele en creatieve sectoren;

75.  benadrukt het belang van Erasmus+, dat een essentieel instrument is om te zorgen voor actieve en geëngageerde jonge burgers; is er stellig van overtuigd dat Erasmus+ gericht moet zijn op alle jongeren, ook die met minder kansen, en dat de hogere ambities voor de volgende programmeringsperiode tot uiting moeten komen in een aanzienlijke verhoging van de middelen om het volledige potentieel van het programma te kunnen ontsluiten en om te zorgen voor vereenvoudiging van de procedures dankzij de invoering van elektronische systemen voor de toegang tot grensoverschrijdende diensten en studentengegevens, zoals het "e‑card"-project;

76.  verzoekt om een betere afstemming tussen de EU-strategie voor jongeren en Erasmus+ door de tijdschema's voor de uitvoering op elkaar af te stemmen, door de Erasmus+-verordening te wijzigen om de doelstellingen van de strategie te ondersteunen via gemeenschappelijke "jeugddoelen", en door Cruciale Actie 3 tot het belangrijkste uitvoeringsmiddel van de strategie te bestempelen;

77.  benadrukt dat de begroting voor de EU-strategie voor jongeren niet toereikend is om de doelstellingen van het programma te halen; wenst daarom dat er in het volgende MFK een aanzienlijk hoger bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt uitgetrokken en dat de lidstaten in hun nationale begroting ruimte creëren voor werkgelegenheidsregelingen voor jongeren; wijst voorts op de noodzaak om de geldende leeftijdsgrens op te trekken van 25 tot 29 jaar, aangezien vele pas afgestudeerden en nieuwkomers op de arbeidsmarkt tussen de 25 en 30 jaar oud zijn;

78.  pleit, onverminderd het subsidiariteitsbeginsel, voor een harmonisering van het begrip jongere, met een leeftijdsgrens die in de gehele EU van toepassing is; moedigt alle lidstaten aan om aan deze harmonisering bij te dragen en belemmeringen voor het meten van de vooruitgang en voor het formuleren van de doelstellingen weg te nemen;

79.  pleit voor de bevordering van het toekomstige EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie voor de ontwikkeling van geïntegreerde, empirisch onderbouwde antwoorden en maatregelen en preventieve oplossingen die het welzijn en de weerbaarheid van jongeren bevorderen;

80.  wijst op de bevindingen en risico's die erop wijzen dat door de Commissie beheerde acties (waaronder uitwisselingsprogramma's voor studenten) door de nationale autoriteiten worden geacht aan de vereisten van de jongerenstrategie te voldoen en dat sommige lidstaten hun financiële middelen terugtrekken uit beleidsgebieden die steun uit de EU-begroting krijgen(22);

o
o   o

81.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 1.
(3) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(4) EUCO 37/13.
(5) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(6) http://ec.europa.eu/assets/eac/dgs/education_culture/more_info/evaluations/docs/youth/youth-strategy-2016_en.pdf
(7) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0359.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0018.
(10) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 17.
(11) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0426.
(13) PB C 88 van 27.3.2014, blz. 1.
(14) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 57.
(15) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 76.
(16) PB C 120 van 5.4.2016, blz. 22.
(17) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 16.
(18) https://www.youthforum.org/resolution-eu-youth-strategy-0
(19) Schaduwverslag over jeugdbeleid, uitgebracht door het Europees Jeugdforum.
(20) Society at a Glance 2016 – OECD Social Indicators.
(21) Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten (P8_TA(2018)0018).
(22) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/615645/EPRS_STU(2018)615645_EN.pdf

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling