Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2087(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0165/2018

Ingediende teksten :

A8-0165/2018

Debatten :

PV 30/05/2018 - 29
CRE 30/05/2018 - 29

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.11
CRE 31/05/2018 - 7.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0241

Aangenomen teksten
PDF 161kWORD 57k
Donderdag 31 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp
P8_TA(2018)0241A8-0165/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG) (2017/2087(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(1) (hierna: "de richtlijn inzake ecologisch ontwerp") en de uitvoeringsverordeningen en vrijwillige overeenkomsten die krachtens die richtlijn zijn aangenomen,

–  gezien het Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 van de Commissie (COM(2016)0773), vastgesteld in overeenstemming met Richtlijn 2009/125/EG,

–  gezien Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU(2) (hierna: "de richtlijn inzake de etikettering van het energieverbruik",

–  gezien de doelstellingen van de Unie met betrekking tot broeikasgasemissiereducties en energie-efficiëntie,

–  gezien het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) van het UNFCCC,

–  gezien de ratificatie van het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering door de EU en de lidstaten,

–  gezien de in dit Akkoord opgenomen langetermijndoelstelling, namelijk om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur ruim onder 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden en via inspanningen te proberen de stijging te beperken tot 1,5 °C boven die niveaus,

–  gezien het algemeen milieuactieprogramma van de Unie voor de periode tot en met 2020 (Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013(3)),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een Europese strategie voor plastic in de circulaire economie (COM(2018)0028),

–  gezien de mededeling van de Commissie alsmede het werkdocument van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken op het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032 – SWD(2018)0020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 over de lijst van 2017 van voor de EU kritieke grondstoffen (COM(2017)0490),

–  gezien de conclusies van de Raad over eco-innovatie: de overgang naar een circulaire economie bewerkstelligen, zoals aangenomen op 18 december 2017(4),

–  gezien het rapport over de emissiekloof 2017 dat is opgesteld door het VN-Milieuprogramma in november 2017,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(5),

–  gezien de wetgeving van de EU inzake afval,

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(6),

–  gezien de Europese beoordeling van de uitvoering die werd opgesteld door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Parlement om te worden bijgevoegd bij de toetsing van de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0165/2018),

A.  overwegende dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp ten doel heeft de energie-efficiënte en het niveau van milieubescherming te verhogen door middel van geharmoniseerde vereisten die de werking van de interne markt waarborgen en de voortdurende vermindering van het algemene milieueffect van energiegerelateerde producten bevorderen; overwegende dat deze maatregelen ook een positieve uitwerking hebben op de energiezekerheid door de verlaging van het energiegebruik;

B.  overwegende dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp is voorzien in maatregelen die moeten worden genomen ter beperking van het milieueffect van energiegerelateerde producten gedurende de levenscyclus; overwegende dat besluiten op grond van de richtlijn tot nu toe grotendeels gericht waren op het beperken van het energieverbruik tijdens de gebruiksfase;

C.  overwegende dat de richtlijn een sterkere bijdrage zou kunnen leveren aan de inspanningen van de EU om de energie-efficiëntie te verbeteren en zou kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de klimaatactiedoelstellingen;

D.  overwegende dat de vermindering van het milieueffect van energiegerelateerde producten in de ecologisch-ontwerpfase, doordat wordt voorzien in minimumcriteria betreffende hun levensduur en verbeterbaarheid, repareerbaarheid, recycleerbaarheid en herbruikbaarheid, tot vele nieuwe banen kan leiden;

E.  overwegende dat begin 2018 29 specifieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp van kracht waren, die betrekking hadden op verschillende productgroepen, en dat drie in het kader van de richtlijn erkende vrijwillige overeenkomsten waren aangenomen;

F.  overwegende dat vrijwillige overeenkomsten en andere zelfregulerende maatregelen in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp gepresenteerd worden als alternatieven voor uitvoeringsbepalingen wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan; overwegende dat niet alle huidige vrijwillige overeenkomsten sneller en kostenefficiënter zijn gebleken dan regelgevingsmaatregelen;

G.  overwegende dat ecologisch ontwerp economische voordelen voor industrie en consumenten met zich meebrengt en aanzienlijk bijdraagt aan het beleid van de Unie op het gebied van klimaat, energie en de circulaire economie;

H.  overwegende dat de wetgeving inzake ecologisch ontwerp nauw verband houdt met de EU-wetgeving inzake de etikettering van het energieverbruik en dat maatregelen die uit hoofde van deze twee richtlijnen zijn aangenomen in ten laatste 2020 naar verwachting 55 miljard EUR per jaar aan extra omzet zullen genereren voor de industrie, de groothandel en de detailhandel, en naar schatting tot 2020 175 Mtoe per jaar aan besparingen op primaire energie zullen opleveren, en dus tot de helft van de energiebesparingsstreefwaarde van de Unie voor 2020 zullen realiseren, en de afhankelijkheid van energie-importen zullen reduceren; overwegende dat de wetgeving ook in belangrijke mate bijdraagt aan de verwezenlijking van de EU-klimaatdoelstellingen door de uitstoot van broeikasgassen met 320 ton CO2-equivalenten per jaar te verminderen; overwegende dat het energiebesparingspotentieel op de lange termijn zelfs nog groter is;

I.  overwegende dat consumenten volgens het boekhoudkundig verslag over de impact van ecologisch ontwerp ("Ecodesign Impact Accounting report", Europese Commissie, 2016) voor 2020 naar schatting in totaal tot 112 miljard EUR, of rond 490 EUR per jaar per huishouden, zullen besparen;

J.  overwegende dat meer dan 80 % van het milieueffect van energiegerelateerde producten in de ontwerpfase wordt vastgesteld;

K.  overwegende dat voor het grootste deel van de belanghebbenden drie belangrijke belemmeringen kunnen worden aangemerkt voor de volledige tenuitvoerlegging van de wetgeving: het gebrek aan duidelijke politieke steun en een duidelijke politieke richting, het trage verloop van de regelgevingsprocessen en de ontoereikendheid van het markttoezicht in de lidstaten;

L.  overwegende dat naar schatting 10 – 25 % van de producten op de markt niet voldoet aan de richtlijnen inzake ecologisch ontwerp en de etikettering van het energieverbruik, wat leidt tot een verlies van rond 10 % van de beoogde energiebesparingen en oneerlijke concurrentie;

M.  overwegende dat de huidige vrijstelling voor theaterverlichting van Verordeningen (EG) nr. 244/2009(7) en (EU) nr. 1194/2012 van de Commissie(8) een passende en efficiënte manier is om de specifieke behoeften en omstandigheden van theaters en de hele entertainmentsector te respecteren en deze vrijstelling moet worden gehandhaafd;

N.  overwegende dat, hoewel het toepassingsgebied van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp in 2009 werd uitgebreid tot alle energiegerelateerde producten (met uitzondering van vervoersmiddelen), nog geen producten die geen energie verbruiken zijn opgenomen onder de vereisten inzake ecologisch ontwerp;

O.  overwegende dat in de EU alle producten zodanig ontworpen, gefabriceerd en in de handel gebracht zouden moeten worden dat zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van gevaarlijke stoffen, mét waarborgen betreffende de veiligheid van de producten, zodat deze eenvoudiger gerecycleerd en opnieuw kunnen worden gebruikt, terwijl tegelijkertijd de beschermingsniveaus van de menselijke gezondheid en het milieu hoog worden gehouden;

P.  overwegende dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp gesteld wordt dat haar complementariteit met de REACH-verordening inzake chemische stoffen moet bijdragen tot de verhoging van hun respectieve effect en tot de formulering van coherente, door de fabrikanten toe te passen eisen; overwegende dat de eisen in verband met het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen en de recycling ervan tot dusverre beperkt zijn geweest;

Q.  overwegende dat er in het kader van de nieuwe verordening energie-etikettering een nieuwe databank wordt ontwikkeld en dat de databank voor het informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (ICSMS) in sommige, maar niet in alle lidstaten wordt gebruikt;

R.  overwegende dat het een van de hoofddoelstellingen van het algemeen milieuactieprogramma van de Unie voor de periode tot en met 2020 (7de MAP) is om de Unie te transformeren tot een hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie; overwegende dat in het MAP gesteld wordt dat het beleidskader van de Unie ervoor moet zorgen dat prioritaire producten die op de markt worden gebracht in de Unie een ecologisch ontwerp hebben om de hulpbronnenefficiëntie en de materiaalefficiëntie te optimaliseren;

S.  overwegende dat het EU-actieplan voor de circulaire economie het engagement omvat om aspecten van de circulaire economie te benadrukken in toekomstige productontwerpeisen in het kader van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp door stelselmatig zaken als repareerbaarheid, duurzaamheid, verbeterbaarheid en recycleerbaarheid, of de identificatie van bepaalde materialen of stoffen te analyseren;

T.  overwegende dat het Akkoord van Parijs een streefcijfer op lange termijn bevat dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2°C boven de pre-industriële niveaus te houden, en te trachten de stijging tot 1,5°C boven de pre-industriële niveaus te beperken; overwegende dat de EU eraan hecht zijn steentje bij te dragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen door emissieverlagingen in alle sectoren;

U.  overwegende dat maatregelen inzake ecologisch ontwerp de gehele levenscyclus van producten moeten bestrijken teneinde de hulpbronnenefficiëntie in de Unie te verbeteren, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat meer dan 80 % van het milieueffect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, die derhalve zeer belangrijk is voor de bevordering van circulaire economische aspecten, duurzaamheid, verbeterbaarheid, herstelbaarheid, hergebruik en recycleerbaarheid van een product;

V.  overwegende dat naast het maken van duurzamere en hulpbronnenefficiëntere producten de beginselen van de deeleconomie en de diensteneconomie moeten worden versterkt, terwijl de lidstaten bij het voorstellen van programma's om aan te sporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten en diensten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen, inclusief de huishoudens die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen;

W.  overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en daarom verplicht is maatregelen te nemen met het oog op het geleidelijk afbouwen van het gebruik van deze gevaarlijke stoffen, onder meer door het gebruik ervan in de ontwerpfase te beperken;

Een doeltreffend instrument om kosteneffectieve energiebesparingen te realiseren

1.  is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een succesvol instrument is gebleken voor de verbetering van de energie-efficiëntie, heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering van de broeikasgasemissies en economische voordelen voor de consumenten heeft opgeleverd;

2.   beveelt de Commissie aan meer productgroepen onder het toepasingsgebied te laten vallen, en deze te selecteren op basis van hun ecologischontwerppotentieel, waaronder hun energie-efficiëntiepotentieel en hun materiaalefficiëntiepotentieel, alsook andere milieu-aspecten, met gebruikmaking van de methodologie als bedoeld in artikel 15 van de richtlijn, en de huidige normen voortdurend te actualiseren, teneinde ten volle de vruchten te kunnen plukken van het toepassingsgebied en de doelstellingen van de richtlijn;

3.   benadrukt dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp de werking van de interne markt van de EU verbetert door de vaststelling van gemeenschappelijke productnormen; benadrukt dat de continu vaststelling van geharmoniseerde productvereisten op EU-niveau bevorderend werkt voor innovatie, onderzoek en het concurrentievermogen van Europese fabrikanten, en bijdraagt aan het waarborgen van eerlijke concurrentie, zonder dat dit onnodige administratieve lasten oplevert;

4.  herinnert eraan dat de richtlijn van de Commissie vereist dat zij met uitvoeringsmaatregelen komt wanneer een product voldoet aan de criteria, d.w.z. een significant handelsvolume, significant milieu-effect en potentieel voor verbetering; benadrukt de verantwoordelijkheid die op de Commissie rust met betrekking tot de uitvoering van dit mandaat en dat zij er voor moet zorgen dat de voordelen voor consumenten, de circulaire economie en het milieu op effectieve wijze worden verwezenlijkt, in de onderkenning dat dergelijke productnormen alleen op het niveau van de EU kunnen worden toegepast en dat de lidstaten derhalve afhankelijk zijn van de Commissie voor het nemen van de nodige maatregelen;

5.  is van mening dat de coördinatie met initiatieven die verband houden met de circulaire economie de doeltreffendheid van de richtlijn verder zou vergroten; verzoekt derhalve om een ambitieus plan inzake ecologisch ontwerp en de circulaire economie, dat zowel milieuvoordelen als kansen voor duurzame groei en werkgelegenheid oplevert, waaronder in de mkb-sector, alsmede voordelen voor de consumenten; wijst er in dit verband op dat door een grotere hulpbronnenefficiëntie en het gebruik van secondaire grondstoffen bij de fabricage een grote bedrage kan worden geleverd aan de vermindering van afval en de besparing van middelen;

6.  benadrukt dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp deel uitmaakt van een breder instrumentarium en dat de doeltreffendheid ervan afhankelijk is van synergieën met andere instrumenten, met name inzake de etikettering van het energieverbruik; is van mening dat overlappende voorschriften moeten worden voorkomen;

Het besluitvormingsproces versterken

7.  wijst in het bijzonder op de belangrijke rol van het overlegforum bij het samenbrengen van de industrie, maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden in het kader van het besluitvormingsproces, en is van mening dat deze entiteit goed werkt;

8.  is bezorgd over de soms aanzienlijke vertragingen bij de ontwikkeling en de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen, die onzekerheid voor marktdeelnemers creëren, in veel gemiste kansen op energiebesparingen voor de consumenten - en de bijbehorende broeikasgasemissieverlagingen - hebben geresulteerd, en ertoe kunnen leiden dat maatregelen achterlopen op technologische ontwikkelingen;

9.  wijst erop dat een deel van de vertragingen kan worden toegeschreven aan het feit dat er bij de Commissie beperkte middelen beschikbaar zijn; dringt erbij de Commissie op aan voldoende middelen te mobiliseren voor het eco-designproces, gezien de significante toegevoegde waarde van EU-wetgeving;

10.  verzoekt de Commissie met klem vertragingen bij de goedkeuring en de publicatie van uitvoeringsmaatregelen te voorkomen, en beveelt aan duidelijke termijnen en mijlpalen vast te stellen voor de afronding hiervan en voor de herziening van de bestaande voorschriften; onderstreept dat eco-designmaatregelen afzonderlijk moeten worden vastgesteld en onmiddellijk na de vaststelling ervan openbaar moeten worden gemaakt;

11.  benadrukt dat het tijdschema in het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 moet worden gerespecteerd;

12.  benadrukt dat eco-designvereisten gebaseerd moeten zijn op grondige technische analyses en effectbeoordelingen, waarbij de best presterende producten of technologieën op de markt en de technologische ontwikkeling in iedere sector als referentie worden gehanteerd; verzoekt de Commissie voorrang te verlenen aan de uitvoering en de herziening van maatregelen betreffende producten met het grootste potentieel voor zowel primaire-energiebesparingen, als de circulaire economie;

13.  onderkent dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp ook voorzien is in het gebruik van vrijwillige overeenkomsten; beklemtoont dat vrijwillige overeenkomsten kunnen worden gebruikt in plaats van uitvoeringsmaatregelen wanneer ze verreweg de meeste producten op de markt afdekken en geacht worden ten minste een identiek milieu-effect te waarborgen, en dat ze tot een sneller besluitvormingsproces moeten leiden; is van oordeel dat de doeltreffendheid van het toezicht op vrijwillige overeenkomsten moet worden vergroot en dat voor adequate betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld moet worden gezorgd; is in dit verband verheugd over Aanbeveling van de Commissie (EU) 2016/2125 inzake richtsnoeren betreffende zelfregulering door de industrie en verzoekt de Commissie nauw toe te zien op alle vrijwillige overeenkomsten die krachtens de richtlijn inzake ecologisch ontwerp worden erkend;

14.  moedigt de integratie van technologische leercurves in de methodologie voor het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten (Meerp) aan, om te anticiperen op technologische verbeteringen zodra de voorschriften in werking treden en ervoor te zorgen dat ze actueel blijven;

15.  dringt er bij de Commissie op aan in voorkomend geval beoordelingen over het vrijkomen van microplastics in het aquatisch milieu op te nemen in de ecodesign-maatregelen; dringt er bij de Commissie op aan bindende vereisten in te voeren voor microplasticfilters bij de herziening van de eco-designmaatregelen voor huishoudelijke wasmachines en drogers;

Van energiebesparingen tot hulpbronnenefficiëntie

16.  herhaalt zijn verzoek om een nieuwe impuls voor de aspecten van producten die verband houden met de circulaire economie en is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een aanzienlijk potentieel biedt voor het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie, dat nog niet benut is;

17.  is derhalve van mening dat bij de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp – naast de voortdurende inspanningen ter verbetering van de energie-efficiëntie – nu de volledige levenscyclus van elke productgroep die onder het toepassingsgebied valt, moet worden aangepakt, door middel van de vaststelling van minimumcriteria voor de efficiëntie van hulpbronnen, onder andere betrekking hebbend op de houdbaarheid, robuustheid, de herstelbaarheid en de mogelijkheid tot upgraden, maar ook op het potentieel voor gezamenlijk gebruik, het hergebruik, de schaalbaarheid, de recyclebaarheid, de mogelijkheid van herfabricage, het gebruik van gerecyclede materialen of secondaire grondstoffen, en het gebruik van kritieke grondstoffen;

18.  meent dat de keuze van de criteria aangaande de circulaire economie voor elke productgroep op duidelijke en objectieve wijze moet worden gemaakt, en dat de verwezenlijking van de criteria in kwestie eenvoudig meetbaar moet zijn tegen proportionele kosten, teneinde te waarborgen dat de richtlijn toepasbaar blijft;

19.  wenst dat diepgaande beoordelingen van het potentieel op het gebied van de circulaire economie systematisch worden uitgevoerd in het kader van de voorbereidende onderzoeken voor specifieke maatregelen inzake ecologisch ontwerp voor elke productcategorie;

20.  benadrukt dat fabrikanten duidelijke en objectieve aanwijzingen moeten verstrekken die gebruikers en onafhankelijke reparateurs in staat stellen de producten eenvoudiger te repareren, zonder hiervoor specifiek materiaal nodig te hebben; onderstreept eveneens dat informatie moet worden verstrekt over de beschikbaarheid van losse onderdelen en de levensduur van producten indien dit mogelijk is;

21.  wijst op de mogelijke voordelen van het zich focussen op andere milieuaspecten dan energiegebruik, zoals het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen, het vrijkomen van microplastics, afvalproductie en de input van grondstoffen, en dringt erop aan gebruik te maken van de instrumenten krachtens de richtlijn om de transparantie voor de consumenten te vergroten;

22.  is van mening dat omdat meer dan 80 % van het milieu-effect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, het in die fase is dat, in grote mate, een zorgwekkende stof kan worden vermeden, vervangen of beperkt; benadrukt dat het gebruik van materialen en stoffen van kritiek belang, zoals zeldzame aardmetalen, of stoffen van giftige aard of zorgwekkende stoffen, zoals POP’s en hormoonontregelaars, specifiek in ogenschouw moeten worden genomen in het kader van de uitgebreide criteria voor ecologisch ontwerp, teneinde - in voorkomend geval - het gebruik ervan te beperken of ze te vervangen, of er ten minste oor te zorgen dat deze stoffen aan het eind van de levenscyclus worden gewonnen/gescheiden, onverminderd andere op het niveau van de EU vastgestelde geharmoniseerde wettelijke vereisten voor die stoffen;

23.  dringt erop aan dat voorschriften inzake ecologisch ontwerp, in geval van energiegerelateerde producten, geen doelstellingen creëren die voor fabrikanten in de EU moeilijk kunnen worden gehaald, met name door het midden- en kleinbedrijf, wier potentieel met betrekking tot gepatenteerde technologie duidelijk geringer is dan ondernemingen die de markt domineren;

24.  is in dit opzicht ingenomen met het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp voor de periode 2016-2019, dat toezeggingen omvat om vereisten en normen te ontwikkelen voor materiaalefficiëntie, waarbij het gebruik van secondaire grondstoffen wordt ondersteund, en dringt er bij de Commissie op aan deze werkzaamheden bij voorrang af te ronden; is van mening dat dergelijke criteria productspecifiek moeten zijn, moeten worden gebaseerd op robuuste analyses, gericht moeten zijn op gebieden waarop een duidelijk potentieel voor verbetering bestaat en moeten kunnen worden afgedwongen en gecontroleerd door instanties voor markttoezicht; is van oordeel dat bij de vaststelling van goede praktijken het gebruik van resultaten van vroegere en lopende onderzoeksactiviteiten, alsook de nieuwste innovaties in de recycling van elektrische en elektronische apparatuur moet worden bevorderd;

25.  is van mening dat de ontwikkeling van een ‘systeembenadering’ waarbij niet alleen naar het product wordt gekeken maar naar het hele systeem dat nodig om producten te laten functioneren in het ecodesign-proces een steeds zwaarder wegende succesfactor wordt op weg naar hulpbronnenefficiëntie en dringt er bij de Commissie op aan meer van deze mogelijkheden op systeemniveau op te nemen in het volgende werkprogramma voor ecologisch ontwerp;

26.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan waterverbruikende producten waar aanzienlijke milieuvoordelen kunnen worden behaald en belangrijke besparingen voor consumenten;

27.  dringt er bij de Commissie op aan de terugwinning van kritieke grondstoffen uit mijnbouwafval aan te moedigen;

28.  neemt er nota van dat de Commissie maatregelen inzake informatie- en communicatietechnologieën (ICT), zoals mobiele telefoons en smartphones, heeft uitgesteld, in afwachting van verdere beoordelingen en gezien de snelle technologische veranderingen binnen deze productgroep; is echter van mening dat voor deze producten, die in grote aantallen worden verkocht en vaak worden vervangen, een duidelijk potentieel voor verbeteringen bestaat, met name wat de hulpbronnenefficiëntie betreft, en dat daarom criteria inzake ecologisch ontwerp op hen moeten worden toegepast en dat gewerkt moet worden aan het stroomlijnen van het regelgevingsproces; benadrukt dat zorgvuldig moet worden beoordeeld hoe het ecologisch ontwerp van productgroepen waarvoor repareerbaarheid en de vervanging van losse onderdelen belangrijke ecodesignparameters zijn, kan worden verbeterd;

29.  benadrukt dat de herstelbaarheid moet worden bevorderd door gedurende de gehele levensduur van een product reserveonderdelen beschikbaar te stellen tegen een prijs die redelijk is ten opzichte van de totale kostprijs van het product,

30.  dringt nogmaals aan op een grondige herziening van de Uniewetgeving voor producten, teneinde hulpbronnenefficiëntie daarin een prominentere plaats te geven; verzoekt de Commissie in dit verband te onderzoeken of de bestaande ecodesignmethodologie voor andere productcategorieën kan worden gebruikt naast energiegerelateerde producten, en - in voorkomend geval - voorstellen te presenteren voor nieuwe wetgeving;

31.  benadrukt dat het gebruik van gerecycleerde/secundaire materialen alleen kan worden gegarandeerd als er hoogwaardige secundaire materialen en een goed georganiseerde markt voor secundaire materialen beschikbaar zijn en dat hiervoor moet worden gezorgd;

32.  benadrukt hoe belangrijk het is producenten verantwoordelijk te stellen en de garantietermijnen en -voorwaarden uit te breiden, waarbij fabrikanten verplicht verantwoordelijk worden gesteld voor het beheer van de afvalfase van de levenscyclus van een product in overeenstemming met de relevante wetgeving van de Unie, aandacht wordt besteed aan het stimuleren van herstelbaarheid, verbeterbaarheid, modulariteit en recycleerbaarheid en wordt gewaarborgd dat het beheer van grondstoffen en afval binnen de Europese Unie blijft;

33.  dringt aan op uitbreiding van minimumwaarborgen voor duurzame consumptiegoederen;

Het markttoezicht verbeteren

34.  dringt aan op versterking van het toezicht op producten die op de interne markt worden gebracht door middel van een betere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, alsook door middel van de terbeschikkingstelling van passende financiële middelen aan de markttoezichtsautoriteiten;

35.  verzoekt de Commissie te bekijken of het mogelijk is een digitaal ‘productpaspoort’ te ontwikkelen, zoals geopperd in de conclusies van de Raad van 18 december 2017 over eco-innovatie, als een instrument voor het verstrekken van informatie over de materialen en stoffen die in producten worden gebruikt, hetgeen ook dienstig zou zijn in het kader van het markttoezicht;

36.  verzoekt om een coherenter en kostenefficiënter systeem voor markttoezicht in de Unie, teneinde de naleving van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp te waarborgen, en doet de volgende aanbevelingen:

   de nationale autoriteiten moeten worden verplicht de ICSMS-databank te gebruiken om alle resultaten te delen van controles van de naleving van productvoorschriften en uitgevoerde tests voor alle producten die onder de voorschriften inzake ecologisch ontwerp vallen; deze databank moet alle informatie bevatten over conforme en niet-conforme producten om onnodige testen in een andere lidstaat te vermijden, en moet gebruiksvriendelijk en gemakkelijk toegankelijk zijn;
   de algemene databank voor productregistratie voor producten met een energie-etiket moet worden uitgebreid tot alle producten die onder de voorschriften inzake ecologisch ontwerp vallen;
   de nationale autoriteiten moeten specifieke plannen opstellen voor hun markttoezichtsactiviteiten op het gebied van ecologisch ontwerp, en deze moeten worden medegedeeld aan de overige lidstaten en de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008(9); de lidstaten moeten in deze plannen ook voorzien in steekproefsgewijze inspecties;
   er moeten snelle screeningsmethoden worden toegepast om producten die niet voldoen aan de voorschriften op te sporen, en deze moeten worden uitgewerkt in samenwerking met deskundigen uit de industrie en ze moeten worden gedeeld met het publiek;
   de Commissie moet overwegen een minimumpercentage vast te stellen van te testen producten op de markt, alsook een mandaat ontwikkelen voor haar eigen onafhankelijke markttoezicht en - in voorkomend geval - voorstellen presenteren;
   er moeten afschrikkende maatregelen worden aangenomen, waaronder: sancties voor fabrikanten die de regels niet naleven die in verhouding staan tot de impact van de niet-naleving op de gehele Europese markt en compensaties voor consumenten die niet-conforme producten hebben gekocht, zelfs na de wettelijke garantieperiode, waaronder collectieve rechtsmiddelen;
   er moet bijzondere aandacht worden besteed aan online verkochte producten en invoer uit niet-EU-landen;
   er moet voor samenhang worden gezorgd met het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van voorschriften en procedures voor de naleving en de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten (COM(2017)0795), waarvan het toepassingsgebied ook producten omvat die onder de richtlijn inzake ecologisch ontwerp vallen; ondersteunt in dit verband de facilitering op het niveau van de EU van gezamenlijke tests;

37.  wijst op het belang van passende en duidelijk gedefinieerde geharmoniseerde normen voor tests, en benadrukt dat testprotocollen moeten worden ontwikkeld die zo veel mogelijk overeenkomen met de werkelijke omstandigheden; benadrukt dat de testmethoden robuust moeten zijn, en zodanig ontworpen en toegepast moeten worden dat manipulatie en opzettelijke of onopzettelijke verbetering van de resultaten uitgesloten is; is van oordeel dat de tests geen onredelijke lasten moeten opleveren voor bedrijven, en in het bijzonder kmo’s, die niet over dezelfde capaciteiten beschikken als hun grotere concurrenten; is verheugd over Verordening (EU) nr. 2016/2282 van de Commissie wat betreft het gebruik van toleranties in controleprocedures;

38.  verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij hun handhavingswerkzaamheden en nauwer met hen samen te werken wanneer een product niet conform blijkt; benadrukt dat de fabrikanten en importeurs behoefte hebben aan richtsnoeren inzake de gedetailleerde vereisten voor de documenten die de markttoezichtautoriteiten verlangen;

Andere aanbevelingen

39.  wijst erop dat het noodzakelijk is te zorgen voor consistentie en convergentie tussen de voorschriften inzake ecologisch ontwerp en horizontale voorschriften, zoals de Uniewetgeving inzake chemicaliën en afval, waaronder REACH en de AEEA- en BGGS-richtlijnen, en benadrukt de noodzaak om de synergieën met groene overheidsopdrachten en de EU-milieukeur te versterken;

40.  benadrukt de koppeling tussen de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en de richtlijn energieprestatie van gebouwen; dringt er bij de lidstaten op aan de acceptatie door de markt van efficiënte producten en diensten te bevorderen, en hun inspanningen op de gebieden inspecties en advisering op te voeren; is van mening dat de verbetering van het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten eveneens een positieve impact op de energieprestatie van gebouwen kan hebben;

41.  benadrukt dat het noodzakelijk is het publiek en met name de media voorafgaand aan de invoering van een maatregel duidelijke informatie te verstrekken over de voordelen van ecologisch ontwerp, en moedigt de Commissie en de lidstaten aan proactief te communiceren over de voordelen van maatregelen inzake ecologisch ontwerp die een integrerend onderdeel vormen van het proces voor de vaststelling van deze maatregelen en actiever met belanghebbenden in verbinding te treden om te zorgen dat het publiek de wetgeving beter begrijpt;

42.  benadrukt dat de overgang naar een duurzame en circulaire economie niet alleen veel kansen zal bieden maar ook sociale uitdagingen met zich zal brengen; wijst er - omdat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten - op dat de Commissie en de lidstaten in hun voorstellen voor programma's die aansporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen; is van oordeel dat de programma's in kwestie geen obstakel mogen vormen voor innovatie, maar de fabrikanten onverminderd in staat moeten stellen de consumenten een brede waaier aan kwaliteitsproducten aan te bieden, en dat ze ook de marktpenetratie moeten bevorderen van energiegerelateerde en waterverbruikende producten die een grotere hulpbronnenefficiëntie aan de dag leggen en besparingen voor de consumenten kunnen opleveren;

43.  dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om het goede voorbeeld te geven door de strategieën voor de circulaire economie en voor groene overheidsopdrachten (GPP) vast te stellen en deze volledig te benutten, zodat bij alle investeringen voorrang wordt gegeven aan bewezen duurzame producten, zoals producten met een ecologisch ontwerp, en wordt gezorgd voor de hoogste normen inzake hulpbronnenefficiëntie, en om ervoor te zorgen dat groene aanbestedingsprocedures ook in de particuliere sector steeds meer tot een gangbare praktijk gaan behoren;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(2) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1.
(3) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(4) http://www.consilium.europa.eu/media/32274/eco-innovation-conclusions.pdf
(5) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0287.
(7) Verordening (EG) nr. 244/2009 van de Commissie van 18 maart 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik (PB L 76 van 24.3.2009, blz. 3).
(8) Verordening (EU) nr. 1194/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor gerichte lampen, ledlampen en gerelateerde uitrusting betreft (PB L 342 van 14.12.2012, blz. 1).
(9) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling