Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2600(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0238/2018

Ingediende teksten :

B8-0238/2018

Debatten :

PV 31/05/2018 - 4
CRE 31/05/2018 - 4

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.12
CRE 31/05/2018 - 7.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0242

Aangenomen teksten
PDF 137kWORD 56k
Donderdag 31 mei 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
P8_TA(2018)0242B8-0238/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over het reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (2018/2600(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 153, lid 1, onder a) en b), artikel 155, lid 1, en artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 4 en 30 van het Europees Sociaal Handvest en de artikelen 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de antidiscriminatie- en antimisbruikmaatregelen van Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid – Bijlage: Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid(1) (de "richtlijn inzake deeltijdse arbeid"),

–  gezien Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd(2) (de "richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd"),

–  gezien Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(3) (de "arbeidstijdenrichtlijn"),

–  gezien Richtlijn 2008/104/EG van 19 november 2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende uitzendarbeid(4),

–  gezien Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(5) (de "richtlijn inzake een Europese ondernemingsraad"),

–  gezien Verdrag nr. 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, en Verdrag nr. 175 betreffende deeltijdwerk,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk(6),

–  gezien het in november 2017 door zijn directoraat-generaal Intern Beleid gepubliceerde onderzoek, getiteld "Temporary contracts, precarious employment, employees' fundamental rights and EU employment law" ("Tijdelijke arbeidsovereenkomsten, onzekere arbeidsomstandigheden, de grondrechten van werknemers en het arbeidsrecht van de EU")(7),

–  gezien de talrijke verzoekschriften over schendingen van de richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector(8), over de onzekere arbeidsomstandigheden van werknemers in de particuliere sector met een nulurencontract(9), over vakbondsvertegenwoordiging, over verschillen in socialezekerheidsstelsels(10) en over bezwaren tegen het toenemend aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten(11),

–  gezien de nieuwe voorstellen van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese arbeidsautoriteit (COM(2018)0131) en tot opstelling van een aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (COM(2018)0132),

–  gezien het resultaat van de hoorzitting van de Commissie verzoekschriften van 22 november 2017 over de "Bescherming van de rechten van werknemers in tijdelijk of onzeker dienstverband, op basis van ontvangen verzoekschriften",

–  gezien Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn(12),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie en tot intrekking van Richtlijn 91/533/EEG van de Raad (COM(2017)0797),

–  gezien de vraag aan de Commissie over "Reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd" (O-000054/2018 – B8‑0022/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie verzoekschriften,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het aantal werknemers in de EU met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een deeltijdse overeenkomst in de afgelopen 15 jaar is toegenomen als gevolg van de tenuitvoerlegging van bezuinigingsbeleid en de inperking van de arbeidsrechten, wat heeft geleid tot werkonzekerheid en -instabiliteit; overwegende dat er efficiënt beleid nodig is om de verschillende vormen van werk te bestrijken en werknemers adequaat te beschermen;

B.  overwegende dat onzekere arbeidsomstandigheden ontstaan door grote lacunes op het gebied van de doeltreffende bescherming van de rechten van werknemers op verschillende regelgevingsniveaus, met inbegrip van het primaire en secundaire recht van de EU en het recht van de lidstaten; overwegende dat verzoekschriften over verschillende soorten werk in volledige overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaten waarin de verzoekschriften in kwestie zijn ingediend en met het betreffende EU-recht in overweging moeten worden genomen; overwegende dat het sociaal en arbeidsbeleid van de EU gebaseerd is op het subsidiariteitsbeginsel;

C.  overwegende dat beleidsmaatregelen beter moeten worden afgestemd op het feit dat onzekere arbeidsomstandigheden een dynamisch verschijnsel zijn en op alle persoonlijke werkbetrekkingen van invloed zijn; overwegende dat gestreefd moet worden naar de bestrijding van onzekere arbeidsomstandigheden aan de hand van een geïntegreerd pakket van beleidsmaatregelen voor meerdere beleidsniveaus ter bevordering van inclusieve en doeltreffende arbeidsnormen, alsmede van doeltreffende maatregelen om ervoor te zorgen dat het gelijkheidsbeginsel wordt geëerbiedigd;

D.  overwegende dat de doelstelling om oneerlijke arbeidspraktijken die tot onzekere arbeidsomstandigheden leiden op doeltreffende wijze aan te pakken tevens moet worden nagestreefd met de IAO-agenda voor waardig werk als leidraad, die gericht is op nieuwe banen, arbeidsrechten en sociale bescherming en dialoog – met gendergelijkheid als horizontale doelstelling;

E.  overwegende dat uit gegevens van Eurostat en Eurofound over onvrijwillig tijdelijk werk, over verschillen tussen tijdelijke dienstverbanden met betrekking tot gender en leeftijd en over de onderbenutting van een aanzienlijk aantal deeltijdse werknemers blijkt dat er in toenemende mate sprake is van werkvormen die als niet-standaard of atypisch kunnen worden gekarakteriseerd; overwegende dat uit de naar gender en leeftijd uitgesplitste gegevens over werkloosheid blijkt dat de werkloosheid in de verschillende categorieën momenteel het laagst is sinds 2009;

F.  overwegende dat het aantal atypische en tijdelijke arbeidsovereenkomsten in de particuliere en de overheidssector in de loop der jaren in verscheidene lidstaten aanzienlijk is toegenomen, binnen een rechtskader waarin het misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd vanwege een gebrek aan doeltreffende en evenredige maatregelen niet adequaat kan worden voorkomen, noch kan worden bestraft; overwegende dat dit afbreuk heeft gedaan aan de integriteit van de Europese arbeidswetgeving en aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

G.  overwegende dat er een integraal EU-wetgevingskader bestaat dat het risico op onzekere arbeidsomstandigheden in verband met bepaalde soorten dienstverbanden moet beperken, en onder meer de richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, de richtlijn inzake deeltijdse arbeid, de richtlijn inzake tijdelijke arbeid, de arbeidstijdenrichtlijn, de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep, de richtlijn inzake gelijke behandeling van personen en de richtlijn inzake gelijke kansen en gelijke behandeling omvat;

H.  overwegende dat de behandeling door de Commissie van inbreukprocedures met betrekking tot de schending van de arbeidswetgeving van de EU door bepaalde lidstaten grote vertraging heeft opgelopen en dat dit geleid heeft tot het jarenlange voortslepen van het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en van de schending van de rechten van werknemers;

I.  overwegende dat recente informatie met betrekking tot verzoekschriften over het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector een licht heeft geworpen op de situatie van enkele tijdelijke werknemers die door de overheidsinstantie waarbij zij in dienst waren, ontslagen werden nadat tijdens gerechtelijke procedures was vastgesteld dat de desbetreffende werknemers slachtoffer waren geworden van het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en dat de instantie in kwestie daarmee in overtreding was van Richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;

J.  overwegende dat de lidstaten specifieke nationale wetgeving op het gebied van arbeidsovereenkomsten hebben en dat de arbeidsvoorwaarden daarom per lidstaat verschillen;

K.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften afdoend bewijs heeft ontvangen van onzekere arbeidsomstandigheden;

L.  overwegende dat ook werknemers met een nulurencontract uit hoofde van het EU-recht als werknemers moeten worden aangemerkt, aangezien zij tegen een vergoeding onder het gezag van een ander werken, wat betekent dat zij onder de sociale wetgeving van de EU vallen;

M.  overwegende dat onzekere werkomstandigheden, waaronder ook nulurencontracten worden verstaan, resulteren in ontoereikende toegang tot sociale bescherming en het recht op collectieve onderhandelingen ondermijnen, met name waar het vergoeding en bescherming na onterecht ontslag betreft, en dat deze tevens van invloed zijn op de loopbaanontwikkeling en opleiding van werknemers; overwegende dat onzekere werkomstandigheden in het algemeen hand in hand gaan met onzekere leefomstandigheden;

N.  overwegende dat vrouwen vaker deeltijds, tegen een laag loon of op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werken en daarmee een groter risico lopen op onzekere werkomstandigheden als gevolg van discriminatie op de arbeidsmarkt, en dat dit de vooruitgang op het gebied van de bestrijding en uitbanning van de pensioen- en loonkloof tussen mannen en vrouwen belemmert;

1.  verstaat onder onzekere arbeidsomstandigheden arbeidsomstandigheden die onder meer voortkomen uit het misbruik van tijdelijke arbeidsovereenkomsten en daarmee in strijd zijn met de internationale normen voor arbeidsvoorwaarden, de arbeidsrechten en het EU-recht; onderstreept dat onzekere arbeidsomstandigheden een grotere kans op sociaaleconomische kwetsbaarheid, onvoldoende middelen voor het leiden van een degelijk bestaan en ontoereikende sociale bescherming met zich meebrengen;

2.  beklemtoont dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen atypisch werk en het bestaan van onzeker werk; benadrukt dat de termen "atypisch" en "onzeker" niet als synoniemen kunnen worden gebruikt;

3.  neemt kennis van de resolutie van het Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk en van de ontvangen verzoekschriften, en benadrukt dat het risico op onzekere arbeidsomstandigheden afhangt van het soort overeenkomst maar ook van de volgende factoren:

   weinig of geen baanzekerheid als gevolg van de niet-vaste aard van het werk, zoals het geval is bij onvrijwillige en vaak marginale deeltijdovereenkomsten en, in sommige lidstaten, onduidelijke werktijden en veranderlijke taken als gevolg van werk op aanvraag;
   rudimentaire ontslagbescherming en onvoldoende sociale bescherming bij ontslag;
   onvoldoende beloning voor een fatsoenlijk levenspeil;
   geen of beperkte socialezekerheidsrechten of -uitkeringen;
   geen of beperkte bescherming tegen discriminatie;
   geen of geringe vooruitzichten op een betere positie op de arbeidsmarkt of loopbaanontwikkeling en opleiding;
   weinig collectieve rechten en beperkt recht op collectieve vertegenwoordiging van werknemers;
   arbeidsomstandigheden die niet aan de minimumregels voor veiligheid en gezondheid beantwoorden;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onzekere arbeidsomstandigheden, met inbegrip van nulurencontracten, tegen te gaan door zorg te dragen voor de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en voor de wijdverbreide eerbiediging van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede voor de concrete handhaving van zowel nationale als EU-wetgeving op nationaal niveau om het gebrek aan waardig werk aan de orde te stellen en een op rechten gebaseerde aanpak in te voeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten met alle sociale partners – met name met vakbonden – en met de betrokken belanghebbenden samen te werken om kwalitatief, zeker en goed betaald werk te bevorderen en op deze manier onder andere de arbeidsinspecties te versterken;

5.  verzoekt de Commissie met klem onmiddellijk wetgevende maatregelen te nemen om arbeidspraktijken die ten grondslag liggen aan onzekere werkomstandigheden op doeltreffende wijze aan te pakken;

6.  verzoekt de Commissie haar inspanningen om een einde te maken aan oneerlijke voorwaarden in arbeidsovereenkomsten te intensiveren door alle vormen van misbruik aan te pakken en alle mazen te dichten; neemt kennis van het nieuwe voorstel voor een richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, met als doel voor alle werknemers nieuwe rechten vast te stellen, en met name de arbeidsvoorwaarden voor werknemers die nieuwe en niet-standaardvormen van werk verrichten te verbeteren, alsmede de lasten voor werkgevers te beperken en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt te handhaven;

7.  is in het bijzonder ingenomen met de bepalingen inzake het recht om aanvullend werk te zoeken en het bijbehorende verbod op exclusiviteitsclausules en beperkingen met betrekking tot onverenigbaarheidsclausules, evenals met de bepalingen inzake het recht om op een redelijk tijdstip voorafgaand aan de startdatum van het dienstverband over deze datum geïnformeerd te worden;

8.  benadrukt dat de arbeidstijdenrichtlijn van toepassing kan en moet zijn op werknemers met een nulurencontract en dat dit derhalve betekent dat deze werknemers zich op de regels over minimale rustperioden en maximale werktijden kunnen beroepen;

9.  verzoekt de lidstaten bij het bepalen van het al dan niet bestaan van een dienstverband, rekening te houden met de indicatoren van de IAO om zo het gebrek aan bescherming als gevolg van onzekere arbeidsomstandigheden aan de orde te stellen;

10.  merkt op dat toegang tot sociale bescherming van cruciaal belang is voor de economische en sociale veiligheid van de beroepsbevolking, alsmede voor goed functionerende arbeidsmarkten die vruchtbare omgevingen vormen voor nieuwe banen en duurzame groei;

11.  onderstreept dat er inspecties moeten worden uitgevoerd, zodat werknemers die op basis van tijdelijke of flexibele arbeidsregelingen werken, ten minste dezelfde bescherming genieten als alle andere werknemers; merkt op dat er gericht moet worden getracht om bestaande instrumenten van de IAO in specifieke campagnes tegen onzekere arbeidsomstandigheden in te zetten, en dat er serieus moet worden nagedacht over de behoefte aan nieuwe bindende instrumenten en wettelijke maatregelen onzekere arbeidsomstandigheden te beperken en te verminderen en om onzekere arbeidsovereenkomsten minder aantrekkelijk te maken voor werkgevers;

12.  is er stellig van overtuigd dat er een algemene beoordeling moet worden uitgevoerd van de omstandigheden die een rol spelen bij de verlenging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aangezien de diensten die van werknemers die zich in een dergelijke situatie bevinden worden verlangd, klaarblijkelijk niet van tijdelijke aard zijn, wat betekent dat er sprake is van misbruik en specifiek van schending van clausule 5 van de raamovereenkomst van Richtlijn 1999/70/EG;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten volledige waarborging te bieden voor gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

14.  dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten een beoordeling uitvoeren van de wetgeving op het gebied van onzekere arbeidsomstandigheden en de manier waarop deze omstandigheden verband houden met gender; is van mening dat de aandacht moet worden gevestigd op bestaande maatregelen met betrekking tot de behoeften van vrouwen met onzeker werk, aangezien vrouwen reeds het meest onder deze onzekere omstandigheden lijden en dit zullen blijven doen;

15.  herinnert eraan dat Richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gebaseerd is op de veronderstelling dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer zijn en dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd slechts typisch zijn voor sommige sectoren, beroepen en activiteiten;

16.  veroordeelt de verlenging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om behoeften te dekken die niet van tijdelijke, maar van permanente aard zijn, omdat deze praktijk een inbreuk vormt op Richtlijn 1999/70/EG;

17.  merkt op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vastgesteld dat de omzetting van een overeenkomst voor bepaalde tijd naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd in overeenstemming is met de uit het EU-recht voortvloeiende vereisten, aangezien misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd aan de hand van deze maatregel kan worden voorkomen en de gevolgen van dergelijk misbruik hiermee definitief kunnen worden uitgebannen(13);

18.  beklemtoont dat de omzetting van een overeenkomst voor bepaalde tijd naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd moet worden beschouwd als een maatregel voor het doeltreffend voorkomen en bestraffen van misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd in zowel de particuliere als de overheidssector, en dat deze maatregel door alle lidstaten duidelijk en consequent moet worden opgenomen in de desbetreffende nationale rechtskaders voor arbeidsrecht;

19.  beklemtoont dat het omzetten van een overeenkomst voor bepaalde tijd van een werknemer die het slachtoffer is geworden van het misbruik van dergelijke overeenkomsten – een schending van Richtlijn 1999/70/EG – naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd, niet betekent dat de betrokken lidstaat wordt vrijgesteld van de verplichting om dit misbruik te bestraffen, noch dat de werknemer in kwestie niet langer de mogelijkheid heeft om een schadevergoeding te verkrijgen voor de schade die hij of zij in het verleden heeft geleden;

20.  onderstreept dat, indien een lidstaat besluit om discriminatie of misbruik van een tijdelijke werknemer en daarmee de schending van het EU-recht te bestraffen door de desbetreffende werknemer een vergoeding aan te bieden, deze vergoeding in ieder geval adequaat en doeltreffend moet zijn en alle geleden schade volledig moet dekken;

21.  benadrukt dat de begrotingsoverwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze van een lidstaat voor een bepaald sociaal beleid geen rechtvaardiging kunnen zijn voor het gebrek aan doeltreffende maatregelen voor het voorkomen en het naar behoren bestraffen van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd; benadrukt dat de invoering van dergelijke doeltreffende maatregelen, in volledige overeenstemming met het EU-recht, in wezen noodzakelijk is om de gevolgen van de schending van de rechten van werknemers volledig ongedaan te maken;

22.  veroordeelt het ontslag van werknemers van wie door de bevoegde rechterlijke instanties was vastgesteld dat zij slachtoffer waren geweest van het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aangezien dit een schending van Richtlijn 1999/70/EG behelst; is er stellig van overtuigd dat er, wanneer misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd wordt vastgesteld, een maatregel kan worden genomen om werknemers te beschermen door doeltreffende en gelijkwaardige waarborgen te bieden en daarmee misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van het EU-recht ongedaan te maken, alsmede de betrekking van de getroffen burgers veilig te stellen;

23.  vraagt de lidstaten de kwaliteit van ongebruikelijke banen te verbeteren door ten minste een reeks minimumnormen inzake sociale bescherming, minimumlonen en toegang tot opleiding en ontwikkeling vast te stellen;

24.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen ter eerbiediging, bevordering en verwerkelijking van de fundamentele beginselen en rechten op het werk die van toepassing zijn op mensen die werkzaam zijn in de informele economie, alsmede ter invoering van passende mechanismen of ter beoordeling van bestaande mechanismen die tot doel hebben om ervoor te zorgen dat de nationale wet- en regelgeving wordt nageleefd en om dienstverbanden zodanig te erkennen en te handhaven dat de overgang van de desbetreffende werknemers naar de formele economie wordt vergemakkelijkt;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten

(1) PB L 14 van 20.1.1998, blz. 9.
(2) PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43.
(3) PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.
(4) PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.
(5) PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0290.
(7) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596823/IPOL_STU(2017)596823_EN.pdf
(8) Verzoekschriften nrs. 0389/2015, 1328/2015, 0044/2016, 0988/2016, 1108/2016, 1202/2016, 1310/2016, 0188/2017, 0268/2017, 0283/2017, 0640/2017 en 0701/2017.
(9) Verzoekschriften nrs. 0019/2016, 0020/2016, 0021/2016, 0099/2017 en 1162/2017.
(10) Verzoekschriften nrs. 0019/2016 en 0442/2017.
(11) Verzoekschrift nr. 1043/ 2017.
(12) PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.
(13) Arrest van het Hof van Justitie van 26 november 2014, Mascolo, C‑22/13, ECLI:EU:C:2014:2401, alinea 55.

Laatst bijgewerkt op: 16 juli 2019Juridische mededeling