Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2224(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0173/2018

Ingediende teksten :

A8-0173/2018

Debatten :

PV 11/06/2018 - 18
CRE 11/06/2018 - 18

Stemmingen :

PV 12/06/2018 - 5.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0247

Aangenomen teksten
PDF 277kWORD 82k
Dinsdag 12 juni 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
De modernisering van het onderwijs in de EU
P8_TA(2018)0247A8-0173/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2018 over de modernisering van het onderwijs in de EU (2017/2224(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid – Een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien het recht op onderwijs als gedefinieerd in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding(1),

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 en 19 mei 2015 over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 met als titel "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381) en de resolutie van het Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(5),

–  gezien artikel 2 van het Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, over het recht op onderwijs,

–  gezien Resolutie 1904 (2012) van de Raad van Europa over het recht op keuzevrijheid in het onderwijs,

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) getiteld "Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(6),

–  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(7),

–  gezien de Verklaring van Parijs van 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non‑discriminatie door middel van onderwijs,

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow‑up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(8),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 juni 2016 over "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (SWD(2016)0195),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(9),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2016 getiteld "Onderwijs verbeteren en moderniseren" (COM(2016)0941),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 getiteld "Een goede start in het leven dankzij ontwikkeling van scholen en uitstekend onderwijs" (COM(2017)0248),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 getiteld "Een nieuwe EU‑agenda voor het hoger onderwijs" (COM(2017)0247),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 30 mei 2017 voor een aanbeveling van de Raad over het volgen van afgestudeerden (COM(2017)0249),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 5 oktober 2017 voor een aanbeveling van de Raad inzake een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (COM(2017)0563 – SWD(2017)0322),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 november 2017 over de modernisering van scholen en het hoger onderwijs,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2017 getiteld "Nieuwe Europese onderwijsstrategie",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 januari 2018 voor een aanbeveling van de Raad inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie van onderwijs (COM(2018)0023),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 januari 2018 voor een aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (COM(2018)0024),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

–  gezien het eindrapport van de sociale top over eerlijke werkgelegenheid en groei die op 17 november 2017 plaatsvond in Göteborg, Zweden(12),

–  gezien de conclusies van de Raad over "Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen", die werden aangenomen op de 3 090e vergadering van de Raad over onderwijs, jeugd, cultuur en sport van 19 en 20 mei 2011(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 1984 over onderwijsvrijheid in de Europese Gemeenschap(14),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de internationalisering van het hoger onderwijs(15),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029) en de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over datzelfde onderwerp (16),

–  gezien artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Handvest van de Raad van Europa inzake onderwijs op het gebied van democratisch burgerschap en mensenrechten, aangenomen in het kader van Aanbeveling CM/Rec(2010)7,

–  gezien artikel 10 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979,

–  gezien strategische doelstelling B van de verklaring en het actieprogramma van Peking (1995),

–  gezien de artikelen 28 en 29 van het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in september 2015 werd aangenomen en die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen 4 en 5,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0173/2018),

A.  overwegende dat krachtens artikel 6, onder e), van het VWEU de bevoegdheid op het vlak van onderwijs en opleiding bij de lidstaten berust, maar dat de Europese Unie een cruciale ondersteunende rol heeft bij het formuleren van uitdagingen en doelen en bij de bevordering van het uitwisselen van optimale werkmethoden;

B.  overwegende dat het recht op onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en dat onderwijs in alle vormen en op alle niveaus de volgende onderling samenhangende en essentiële kenmerken moet vertonen: a) beschikbaarheid, b) toegankelijkheid, c) aanvaardbaarheid en d) aanpasbaarheid;

C.  overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten als belangrijkste prioriteit hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren heeft;

D.  overwegende dat het verwezenlijken van gelijke kansen een belangrijke functie van onderwijs is, en dat toegang tot onderwijs dan ook inclusief moet worden gemaakt; overwegende dat er daarom meer inspanningen nodig zijn om erop toe te zien dat iedereen, vooral de meest kwetsbare personen, zoals gehandicapten, mensen met speciale behoeften en kansarme groepen, dezelfde kansen hebben om onderwijs of een opleiding te volgen en te voltooien en vaardigheden op te doen op elk niveau;

E.  overwegende dat Europese onderwijssystemen een enorme rijkdom aan culturele, sociale en taalkundige verscheidenheid vertonen en dat de lidstaten gelijkaardige onderwijsdoelstellingen en -uitdagingen hebben, waaronder het garanderen van gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen, zodat deze zaken op Europees niveau kunnen worden aangepakt;

F.  overwegende dat de mate waarin onderwijssystemen kunnen voldoen aan maatschappelijke, economische en persoonlijke behoeften afhangt van hun kwaliteit, toegankelijkheid, verscheidenheid, efficiëntie, kapitaal en de beschikbaarheid van voldoende mensen en financiële en materiële middelen;

G.  overwegende dat erop moet worden gewezen dat onderwijs, waaronder lerarenopleidingen, gebukt ging onder de economische en financiële crisis en dat overheidsfinanciering voor onderwijs van groot belang is voor de onderwijsstelsels in de EU; overwegende dat permanente en meer financiële overheidssteun voor onderwijs, zo ook voor leerkrachten en hun werkomstandigheden, alsmede voor onderzoek cruciaal is voor het waarborgen van gratis, inclusief en toegankelijk openbaar onderwijs;

H.  overwegende dat onderwijs en opleiding de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren moeten bevorderen, zodat zij kunnen uitgroeien tot proactieve en verantwoordelijke burgers die graag in een technologisch geavanceerde en geglobaliseerde wereld leven en werken en zijn uitgerust met de belangrijkste competenties voor een leven lang leren, d.w.z. een combinatie van kennis, vaardigheden en gedragingen die nodig zijn voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap en werk;

I.  overwegende dat onderwijskwaliteit een bepalende factor is voor de resultaten van leerlingen en studenten en dat daarom een krachtige ondersteuning van excellentie van onderwijs en leerkrachten een van de prioriteiten voor samenwerking op EU-niveau is op het vlak van onderwijs en opleiding;

J.  overwegende dat het recht op onderwijs ook bestaat uit de vrijheid om een onderwijsinstelling op te zetten, op basis van de nodige eerbiediging van de democratische beginselen, en uit het recht van ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen worden opgevoed en onderwezen volgens hun persoonlijke religieuze, filosofische en pedagogische overtuigingen;

K.  overwegende dat de open coördinatiemethode die wordt gehanteerd in het onderwijs de lidstaten in staat stelt een gemeenschappelijke strategie voor onderwijs en opleiding op te zetten en uit te voeren, waartoe ook het onlineplatform ET 2020 (Onderwijs en Opleiding 2020) behoort; overwegende dat de criteria voor deze strategie elk jaar worden geanalyseerd en geëvalueerd in de publicatie "Onderwijs- en opleidingenmonitor", zowel voor de afzonderlijke lidstaten als voor de EU als geheel;

L.  overwegende dat in de meest recente "Onderwijs- en opleidingenmonitor", die uitkwam in 2017, de Commissie inziet dat, ofschoon er voortdurend vooruitgang wordt geboekt om het aantal vroegtijdige schoolverlaters terug te dringen, dit aantal in de EU nog altijd erg hoog ligt;

M.  overwegende dat volgens de resultaten van de meest recente PISA-tests 20,6 % van de Europese leerlingen problemen heeft met het verwerven van basisvaardigheden op het vlak van lezen, rekenen en exacte vakken en dat een beduidend aantal Europese burgers een gebrekkige geletterdheid vertoont; overwegende dat dit aanleiding geeft tot ernstige zorgen op het gebied van vervolgstudies, persoonlijke ontwikkeling en een actieve deelname aan het openbare leven en op de arbeidsmarkt;

N.  overwegende dat het garanderen van toegang tot hoogwaardige diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang voor alle kinderen cruciaal is om ze een positieve start in het leven en het onderwijs te kunnen bieden;

O.  overwegende dat de kwaliteit van het personeel een essentiële factor is voor diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

P.  overwegende dat de bevordering van de mobiliteit van studenten en personeel een belangrijk onderdeel vormt van de Europese stelsels voor hoger onderwijs, waarmee wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van jongeren en economische en sociale vooruitgang kan worden aangewakkerd; overwegende dat er behoefte is aan kwalitatieve verbeteringen en meer financiële steun om de mobiliteit van studenten en personeel in het kader van Erasmus+ uit te breiden;

Q.  overwegende dat methodologische en digitale innovaties als instrument kunnen dienen om de toegang tot inhoud en kennis uit te breiden, maar geen vervanging kunnen zijn voor persoonlijk contact en uitwisselingen tussen studenten onderling en studenten en leerkrachten, noch tot prioriteit mogen worden gemaakt van onderwijsstelsels;

R.  overwegende dat gendergelijkheid een grondbeginsel van de Europese Unie is dat verankerd is in de Verdragen en een vast onderdeel moet vormen van alle beleidsdomeinen van de Unie, met inbegrip van onderwijs en cultuur;

S.  overwegende dat onderwijs een krachtig middel is om genderongelijkheid en discriminatie tegen te gaan, terwijl het bestaande discriminatie vaak ook klakkeloos kan overnemen of zelfs verergeren; overwegende dat genderongelijkheid in het onderwijs zowel de persoonlijke ontwikkeling als de werkgelegenheid belemmert en invloed heeft op talrijke sociaal-culturele gebieden;

T.  overwegende dat, ondanks het feit dat vrouwen drie vijfde (57,6 %) uitmaken van alle afgestudeerden in het hoger onderwijs, de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in 2015 nog altijd 11,6 procentpunten bedroeg(17);

Kennis als belangrijk economisch middel en een bron voor het welbevinden van burgers

1.  bekrachtigt dat universeel hoogwaardig onderwijs een essentiële factor is voor persoonlijke, culturele, sociale en professionele ontwikkeling in een kennismaatschappij;

2.  is van mening dat de waarborging van gemeenschappelijke Europese waarden, de verwezenlijking van de economische en sociale doelstellingen van de EU en de bewerkstelliging van het concurrentievermogen en duurzame groei gekoppeld zijn aan hoogwaardig onderwijs door de bevordering van democratische waarden, mensenrechten, sociale cohesie, integratie en het succes van individuele personen;

3.  onderstreept hoe belangrijk onderwijs is bij de invulling van de toekomst van Europa, zowel economisch als sociaal gezien, terwijl het daarnaast voorziet in de behoeften van de Europese burgers en een gemeenschap opbouwt van burgers met een uiteenlopende achtergrond, die echter met elkaar verbonden zijn vanwege hun gemeenschappelijke kernwaarden;

4.  onderstreept dat hoogwaardige onderwijs- en opleidingsstelsels actief burgerschap en gemeenschappelijke waarden bevorderen, en zodoende bijdragen aan een open, inclusieve, pluralistische, democratische en tolerante samenleving;

5.  benadrukt de rol van onderwijs bij het helpen ontwikkelen van ethische en burgerlijke waarden en door ervoor te zorgen dat leerlingen actieve, verantwoordelijke en tolerante leden van de samenleving worden die in staat zijn hun democratische rechten en verantwoordelijkheden in de samenleving uit te oefenen en te verdedigen, diversiteit hoog in het vaandel hebben staan, een actieve rol spelen in het democratische leven en verantwoordelijkheid voor zichzelf en hun gemeenschappen nemen; benadrukt in dit verband het belang van lessen over burgerschap, moraal en milieu;

6.  benadrukt dat hoogwaardig en inclusief onderwijs jongeren de nodige kennis, vaardigheden, mediageletterdheid, kritisch en zelfstandig denken en een democratische houding moet bijbrengen zodat ze uitdagingen aan kunnen gaan, actieve Europese burgers kunnen worden en succes kunnen hebben in het leven en op de arbeidsmarkt maar ook de toekomst van de wereld kunnen vormgeven;

7.  onderstreept dat het waarborgen van gelijke toegang tot hoogwaardig inclusief onderwijs de sleutel is voor de verwezenlijking van blijvende sociale cohesie, door ten strijde te trekken tegen armoede, de sociale uitsluiting van mensen uit een kansarm of kwetsbaar milieu, en genderstereotypen, en daarom nog altijd een doorslaggevende factor is voor sociale mobiliteit;

8.  merkt op dat hoogwaardig onderwijs innovatie en onderzoek kan stimuleren met relevantie en nut voor de samenleving;

9.  beseft hoe belangrijk onderwijs is voor het ontwikkelen van culturele vaardigheden en het aanmoedigen van culturele ontwikkeling; moedigt sterkere synergieën tussen de onderwijs- en culturele sector aan, die behaald moeten worden door een actieve rol voor cultuur en kunst te ondersteunen in de context van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs;

10.  wijst op de rol die onderwijs speelt bij de ontwikkeling van methoden om een leven lang te leren, waarmee mensen zich gemakkelijker kunnen aanpassen aan de veranderende eisen van de moderne wereld;

11.  wijst erop dat scholen en onderwijsinstellingen cruciaal zijn om een positieve houding ten opzichte van (een leven lang) leren aan te nemen en te koesteren;

De veranderende realiteit van het onderwijs en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan

12.  is van mening dat een alomvattend onderwijsbeleid met een sterk politiek en publiek draagvlak cruciaal is voor het hervormingsproces van het onderwijs, en dat het om deze doelstellingen te halen essentieel is om de samenleving als geheel maar ook alle relevante en geïnteresseerde belanghebbenden erbij te betrekken, zo ook ouders;

13.  is van mening dat doeltreffend bestuur en toereikende financiering voor alle onderwijsomgevingen, moderne, hoogwaardige leermiddelen en lesmethoden, gemotiveerde en bekwame leraren en een leven lang leren cruciaal zijn om rechtvaardigheid, verscheidenheid en excellentie in het onderwijs te bereiken;

14.  benadrukt het potentieel van nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT) en innovatie als instrumenten om nieuwe mogelijkheden aan te bieden in het onderwijs, doeltreffender tegemoet te komen aan de behoeften van afzonderlijke studenten (waaronder speciale onderwijsbehoeften), de flexibiliteit bij het leren en onderwijzen, een persoonlijke aanpak en de verantwoordelijkheid te vergroten en interactieve vormen van samenwerking en communicatie te bevorderen;

15.  benadrukt de mogelijkheden die digitalisering en nieuwe gemeenschappelijke onderwijsplatforms bieden voor modern onderwijs, vooral als het gaat om leren en onderwijs op afstand en "blended learning" (een combinatie van contact- en afstandsonderwijs), waardoor onderwijs flexibeler kan worden door het lesaanbod nauwer af te stemmen op de leefsituatie van studenten, met positieve gevolgen voor een leven lang leren, de kwaliteit van het onderwijs, toegankelijkheid en de ontwikkeling van toekomstige vaardigheden; wijst op de noodzaak van aan de leeftijd aangepaste ICT- en mediaprogramma's waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkeling en het welzijn van kinderen, en het belang van zowel verantwoord gebruik als kritisch denken wordt benadrukt;

16.  merkt op dat doeltreffende leer- en lesmethoden waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale technologie gelijkwaardige toegang vereisen, evenals een hoog niveau van digitale vaardigheden, kwalitatief hoogstaande leermiddelen, opleidingen in technologieaanpassingen voor pedagogische doeleinden en de bevordering van de houding en motivatie die nodig zijn voor zinvolle digitale participatie; is van mening dat digitale vaardigheden en vaardigheden in mediageletterdheid een essentieel onderdeel moeten vormen van het onderwijsbeleid en onder andere burgerschapscompetenties en kritisch denken moeten omvatten; benadrukt dat bronnen, hun betrouwbaarheid en projecten over mediageletterdheid in dit verband aan een kritische beoordeling moeten worden onderworpen;

17.  beseft dat er in een steeds verder geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld innovatieve en relevante leer-, onderwijs- en beoordelingsmethoden nodig zijn, evenals een toereikende onderwijsinfrastructuur waarmee werk in groepjes en teamonderwijs mogelijk wordt en waarmee creatief denken en oplossingsgerichtheid worden gestimuleerd, samen met andere progressieve onderwijsmethoden; benadrukt hoe belangrijk het is om studenten, leerkrachten en andere medewerkers op scholen te betrekken bij de beoordeling of en hoe de leerdoelstellingen zijn gehaald;

18.  merkt op dat er inspanningen nodig zijn om het onderwijsparadigma zodanig aan te passen dat er een evenwicht wordt bereikt tussen een op leerkracht- en op inhoud gerichte aanpak, die specifiek wordt afgestemd op individuele studenten en hun leefomstandigheden, waarbij een begripsgerichte benadering wordt gehanteerd en leermethoden worden gecombineerd die zijn aangepast aan zowel conventionele als onlineleermodellen, zodat het onderwijsproces persoonlijker wordt als gevolg waarvan het percentage leerlingen dat op school blijft en hun opleiding afmaakt stijgt;

19.  onderstreept dat onderwijssystemen interdisciplinaire, coöperatieve en creatieve benaderingen en teamwork moeten bevorderen en ontwikkelen die erop gericht zijn leerlingen en studenten niet alleen toe te rusten met kennis en vaardigheden, waaronder horizontale en zachte vaardigheden, maar ook met professionele, horizontale, sociale en burgerschapscompetenties;

20.  wijst erop dat het verzorgen van kwalitatief hoogstaand onderwijs en goede leermethoden een continu proces is waarin dialoog, het delen van ervaringen en het stellen van vragen centraal staan en waaraan prioriteit moet worden verleend bij een eventuele modernisering van het onderwijs;

21.  benadrukt dat de bevordering van gelijke toegang tot hoogwaardig, inclusief onderwijs essentieel is voor de onafhankelijkheid en de integratie in de samenleving van studenten met een handicap; verzoekt lidstaten de toegang tot regulier inclusief onderwijs van hoge kwaliteit te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van alle studenten met een handicap, wat bijvoorbeeld betekent dat er wordt voorzien in tweetalig inclusief onderwijs voor dove kinderen vanwege hun specifieke taalkundige behoeften; verzoekt scholen zowel formele als informele gedifferentieerde diensten en extra begeleiding te bieden, waarbij ook het potentieel van nieuwe technologieën wordt benut zodat wordt voorzien in de individuele behoeften van alle studenten; roept de Commissie op scholen te monitoren op hun niet-afwijzingsbeleid en speciale indicatoren voor gehandicapten in de Europa 2020-strategie op te nemen;

22.  houdt vol dat het Europese onderwijs er in de eerste plaats op gericht moet zijn om argumentatievaardigheden, reflectie en wetenschappelijke nieuwsgierigheid aan te leren, dat het moet kunnen voortbouwen op de fundamenten van een kunstminnende, wetenschappelijke en technische humanistische cultuur, en dat het, uitgaande van de praktische realiteit van het lokale, regionale, nationale en Europese leven, de nodige opleiding moet bieden om nationale en Europese problemen op te lossen en bewustzijn te kweken voor de problemen die er binnen de internationale gemeenschap bestaan;

23.  ziet in dat er individuele verschillen bestaan in cognitieve vermogens en karaktereigenschappen die in contact treden met sociale en omgevingsfactoren en zo de onderwijsresultaten beïnvloeden; benadrukt in dit verband dat onderwijs efficiënter, gelijkwaardiger en eerlijker is als er rekening wordt gehouden met deze verschillen;

24.  beseft dat het in een competitieve wereld cruciaal is Europees talent zo vroeg mogelijk te spotten en te bevorderen;

25.  benadrukt dat het verbeteren van de gemiddelde onderwijsresultaten aansluit bij het stimuleren van excellentie onder getalenteerde studenten; wijst er in dit verband op dat er passende interventieprogramma's moeten worden ontworpen om karaktereigenschappen te ontplooien die relevant zijn om het potentieel van mensen volledig tot wasdom te laten komen;

26.  benadrukt dat er aandacht moet worden besteed aan visueel vermogen als een nieuwe vaardigheid om je te kunnen redden in het leven, aangezien mensen tegenwoordig veel meer communiceren met beelden dan op traditionele manieren;

27.  wijst op het voorstel voor het opzetten van een Europese onderwijsruimte, dat werd gepresenteerd tijdens de sociale top over eerlijke werkgelegenheid en groei die in 2017 plaatsvond in Göteborg; wijst erop dat dit initiatief samenwerking, wederzijdse erkenning van diploma's en kwalificaties en meer mobiliteit en groei in de hand moet werken;

28.  schaart zich achter de conclusies van de Raad van 14 december 2017 waarin werd gepleit voor een grotere studentenmobiliteit en de deelname van studenten aan onderwijs- en culturele activiteiten, onder andere via een Europese studentenkaart waarmee de erkenning van in andere lidstaten verworven universitaire punten gemakkelijker moet worden;

29.  is van mening dat het programma Erasmus+ het vlaggenschipprogramma van de EU is op het gebied van onderwijs en dat de impact en de populariteit ervan door de jaren heen onomstotelijk bewezen zijn; pleit dan ook voor een aanzienlijke verhoging van de financiering voor dit programma in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021‑2027, om het toegankelijker en inclusiever te maken en meer studenten en leerkrachten te kunnen bereiken;

30.  onderstreept dat jeugdwerkloosheid overal in de Unie voorkomt en volgens de statistieken ongeveer twee keer zo hoog is als het gemiddelde algemene werkloosheidspercentage; toont zich bezorgd over de alarmerend hoge percentages in de lidstaten in het Middellandse Zeegebied, met uitschieters in Spanje (44,4 %), Italië (37,8 %), en Griekenland (47,3 % voor jeugdwerkloosheid en 30,5 % voor jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's)), volgens Eurostat;

31.  wijst erop dat ondanks de 2 miljoen vacatures in de EU meer dan 30 % van de gekwalificeerde jongeren met een diploma werk verricht dat niet aansluit bij hun vaardigheden of ambities, terwijl 40 % van de Europese werkgevers problemen ondervindt bij het werven van mensen met de vereiste vaardigheden(18);

32.  bevestigt dat een genderperspectief voor ogen moet worden gehouden in onderwijssystemen op alle niveaus, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die onder meervoudige vormen van discriminatie lijden, met inbegrip van personen met een handicap, personen die zichzelf tot de LGBTI's rekenen en mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

33.  benadrukt dat hoogwaardige en toegankelijke voor- en vroegschoolse educatie en opvang niet alleen het fundament vormt voor rechtvaardigere en doeltreffendere onderwijssystemen, maar ook de persoonlijke ontwikkeling, het welzijn en de doeltreffendheid van verdere scholing waarborgt;

34.  hamert op de enorme voordelen voor alle kinderen, vooral die met een kansarme achtergrond, van voor- en vroegschoolse educatie en opvang, en benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat elk kind daar terecht kan; stelt in dit verband bezorgd vast dat in verscheidene lidstaten de vraag naar plaatsen in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang het aanbod overstijgt, vooral voor jongere kinderen;

35.  onderstreept het belang van toezicht op de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie en opvang om kinderen in staat te stellen hun cognitieve vaardigheden te ontwikkelen en om na te gaan of de belangen van het kind optimaal gediend worden;

Schoolonderwijs

36.  beschouwt alle scholen als autonome centra waar kritisch en creatief denken wordt gestimuleerd en democratische waarden en actief burgerschap worden bevorderd; is van mening dat scholen erop gericht moeten zijn om jongeren te helpen de vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor een correct begrip van gebruik van de beschikbare informatie, en om ze te helpen autonome leermethodes en taalvaardigheid te ontwikkelen;

37.  wijst erop dat de specifieke behoeften van alle studenten centraal moeten staan bij het doeltreffend functioneren van scholen, waartoe gezamenlijke doelstellingen moeten worden geformuleerd, er een duidelijke agenda moet worden opgesteld voor de uitvoering ervan en alle schoolmedewerkers en belanghebbenden in voorkomend geval nauw met elkaar moeten samenwerken;

38.  is van mening dat moderne studieprogramma's moeten uitgaan van competenties, en daarnaast persoonlijke vaardigheden en het vermogen om op een gezonde en toekomstgerichte manier te leven moeten versterken en gericht moeten zijn op procesevaluaties en fysiek en emotioneel welbevinden; vindt dat elke student de mogelijkheid moet hebben om zijn of haar intellectuele potentieel te ontplooien; benadrukt dat het ontwikkelen en versterken van vaardigheden een continu proces is dat plaatsvindt op alle onderwijsniveaus en zich voortzet op de arbeidsmarkt, en dat er zowel in het onderwijsproces als bij de erkenning van onderwijskwalificaties aandacht moet zijn voor vaardigheden en competenties;

39.  onderstreept dat de verwerving van fundamentele taal- en numerieke vaardigheden essentieel is voor het verdere leerproces, de persoonlijke ontwikkeling en de verwerving van digitale competenties; benadrukt dat het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET2020) en de nieuwe agenda voor vaardigheden van de Commissie als aanvulling moeten dienen van nationale maatregelen en de lidstaten op dit vlak moeten ondersteunen; verzoekt de lidstaten en de onderwijsinstellingen om basisvaardigheden te versterken met oplossingen als projectmatig en probleemgestuurd leren;

40.  is van mening dat de lidstaten moeten garanderen dat niemand van school gaat zonder basisvaardigheden, waaronder digitale basisvaardigheden; onderstreept dat de meeste banen tegenwoordig betere taal-, reken-, digitale en andere cruciale vaardigheden vereisen, en dat moderne onderwijssystemen daarom alle acht sleutelcompetenties moeten combineren die genoemd worden in het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, waar ook kennis en attitudes onder vallen; is ingenomen met het feit dat in dit voorstel digitale vaardigheden worden gedefinieerd als basisvaardigheden;

41.  is van mening dat school ondanks de impact van nieuwe technologie op het onderwijs een fundamentele leeromgeving moet blijven waar potentieel wordt ontwikkeld en waar eenieder ruimte en tijd kan vinden voor persoonlijke en sociale groei;

42.  vestigt de aandacht op het feit dat een grotere autonomie van scholen op het vlak van lesprogramma's, beoordeling en financiering geleid heeft tot betere prestaties van leerlingen, mits er sprake is van doeltreffend schoolbestuur en verantwoordelijkheidsgevoel van scholen voor de leermethoden van leerlingen;

43.  benadrukt de positieve gevolgen van culturele verscheidenheid en meertaligheid op scholen voor de cognitieve en taalontwikkeling van leerlingen, en voor de bevordering van intercultureel bewustzijn, respect en pluralisme;

44.  benadrukt dat het leren van talen moet worden aangemoedigd zodat iedereen naast zijn moedertaal twee extra talen spreekt, en dat moet worden gestimuleerd dat op de middelbare school ten minste twee vakken worden aangeboden in een vreemde taal;

45.  wijst erop dat uitwisselingen van middelbare scholen zeer nuttig zijn om leerlingen aan te sporen zich de kennis, vaardigheden, houdingen en waarden eigen te maken die onlosmakelijk verbonden zijn met dynamisch Europees burgerschap en constructief en kritisch te leren denken;

46.  benadrukt dat scholen meer moeten worden opengesteld voor de erkenning van niet-formele en informele leervormen en betere doorstroommogelijkheden tussen verschillende onderwijspaden (bijv. technische en academische trajecten);

47.  onderstreept dat studenten moeten worden aangespoord om technieken voor zelfbeoordeling te hanteren om hun leervorderingen te meten; spoort onderwijsinstellingen aan erop toe te zien dat hulpmiddelen om feedback te krijgen betrouwbare informatie verschaffen door een combinatie van verschillende instrumenten te gebruiken, zoals studentenvragenlijsten, werkgroepen en ideeënbussen;

48.  benadrukt hoe belangrijk het is een actief leven te leiden door te sporten; benadrukt in dit verband dat fysieke activiteiten en lichamelijke opvoeding moeten worden bevorderd en een grotere rol moeten krijgen in onderwijscurricula op alle niveaus, met uitgebreidere mogelijkheden voor een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen en lokale sportorganisaties; moedigt tevens onderwijsinitiatieven en buitenschoolse activiteiten aan om studenten te helpen voorzien in hun persoonlijke behoeften en belangen maar daarnaast te bemiddelen met lokale gemeenschappen;

49.  onderstreept het belang van kwalitatief hoogwaardig onderwijs, beroepsopleiding en gemeenschaps- en vrijwilligersactiviteiten om bij te dragen aan een hogere status van een professionele roeping;

50.  merkt op dat een aanzienlijk aantal nieuwe banen wordt gecreëerd in bedrijfstakken die zich bezighouden met hernieuwbare energie, en dat groene sectoren en beroepen dienovereenkomstig behandeld moeten worden in schoolcurricula;

51.  benadrukt dat informatieverwerking, kritisch denkvermogen en de vaardigheid om verworven kennis toe te passen essentiële doelstellingen van academisch onderwijs zijn;

52.  wijst op de noodzaak om de kennisdriehoek te versterken en de relatie tussen onderzoek en onderwijs te verbeteren door voldoende middelen uit te trekken voor relevante programma's en door erop toe te zien dat studenten die betrokken zijn bij onderzoeksprogramma's beschikken over de financiële middelen om hun onderzoek uit te voeren;

53.  is van mening dat hogeronderwijssystemen flexibeler en opener moeten worden en dat duale opleidingstrajecten moeten worden bevorderd op universiteiten en instellingen voor een vervolgstudie, met name door stages aan te moedigen, om de erkenning van informeel en niet-formeel leren mogelijk te maken, betere doorstroommogelijkheden te garanderen tussen verschillende onderwijsniveaus, zo ook tussen beroepsonderwijs en hoger onderwijs, en verschillende uitvoeringsvormen van programma's toe te staan; benadrukt dat het bovenstaande gebaseerd moet zijn op een beter begrip van de prestaties van afgestudeerden;

Hoger onderwijs

54.  benadrukt in het kader van de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte hoe belangrijk het is om samenwerking te ondersteunen en voort te bouwen op het potentieel van alle Europese instellingen voor hoger onderwijs en van studenten om netwerken, internationale samenwerking en concurrentie te stimuleren;

55.  is van mening dat de Europese instellingen voor hoger onderwijs voor een groot deel gevormd moeten worden door een alomvattende benadering van internationalisering, inclusief een verbeterde mobiliteit van personeel en studenten (ook via stages en leerlingplaatsen), en een internationale dimensie van studieprogramma's, onderwijs, onderzoek, samenwerking en aanvullende activiteiten;

56.  pleit voor meer aandacht voor interdisciplinaire studieprogramma's, en is er voorstander van dat zowel de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM) als de sociale en menswetenschappen beter onder de aandacht worden gebracht; benadrukt dat de deelname van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen aan de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde en in de desbetreffende beroepen moet worden gestimuleerd;

57.  pleit ervoor dat het hoger onderwijs midden in de samenleving moet staan om innovatieve groei en maatschappelijk welzijn te bevorderen; is van mening dat samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en externe belanghebbenden wenselijk is, aangezien laatstgenoemden met kennis en expertise een bijdrage kunnen leveren aan de opzet en uitvoering van studieprogramma's voor het hoger onderwijs; benadrukt wel dat de verantwoordelijkheid voor de besluitvorming altijd moet liggen bij de studenten en pedagogische experts;

58.  onderkent de cruciale rol die academici en studenten spelen bij de verspreiding van kennis, empirische bevindingen en feiten onder het grote publiek; moedigt in dit verband economisch en politiek onafhankelijk onderzoek aan dat relevant en nuttig is voor de samenleving;

59.  benadrukt de rol van op onderzoek gebaseerd onderwijs en pedagogisch onderzoek als middel om actief leren en de ontwikkeling van vaardigheden te bevorderen en didactische methoden te verbeteren;

60.  onderstreept dat studenten moeten worden aangespoord om technieken voor zelfbeoordeling te hanteren om hun leervorderingen te meten;

De leerkracht die garant staat voor kwaliteitsonderwijs

61.  is van mening dat leerkrachten en hun vaardigheden, toewijding en doeltreffendheid de basis vormen van het onderwijs;

62.  onderstreept de noodzaak om het beroep van leerkracht aantrekkelijk te maken voor een groter aantal gemotiveerde kandidaten met een degelijke academische of professionele achtergrond en pedagogische kwaliteiten voor het beroep van leerkracht; verzoekt om procedures die geschikt zijn voor het beoogde doel en om specifieke maatregelen en initiatieven om de beroepsstatus, opleiding, carrièremogelijkheden en arbeidsvoorwaarden, waaronder salaris, te verbeteren, om onstabiele arbeidsvormen te vermijden en sociale rechten, veiligheid en bescherming te garanderen, en om leerkrachten ondersteuning te bieden die bestaat uit mentorprogramma's, intercollegiaal leren en de uitwisseling van optimale werkmethoden; roept de Commissie op een grotere mate van gendergelijkheid in het onderwijs te bevorderen;

63.  benadrukt hoe belangrijk het is om te investeren in lerarenopleidingen en deze opnieuw vorm te geven, zowel in de beginfase als gedurende hun hele professionele ontwikkeling als leerkracht, om ze uit te rusten met solide en actuele kennis, vaardigheden en competenties die essentieel zijn voor een hoog onderwijsniveau en onder andere bestaan uit gevarieerde lesmethoden, zoals onderwijs op afstand dat mogelijk is dankzij digitale leertechnologieën; benadrukt het belang van de voortdurende professionele ontwikkeling van leerkrachten, waaronder programma's voor een leven lang leren en opfriscursussen, en van om- en bijscholingsmogelijkheden tijdens hun loopbaan, waarmee praktische oplossingen worden aangedragen voor de uitdagingen waarmee leerkrachten in de klas te maken krijgen, en mogelijkheden om deel te nemen aan internationale uitwisselingen voor leerkrachten zodat er een institutionele leercultuur wordt gecreëerd;

64.  is het ermee eens dat de hoogstaande pedagogische, psychologische en methodologische opleiding van schoolleerkrachten en docenten in het hoger onderwijs een cruciale voorwaarde is voor het succesvolle onderwijs aan toekomstige generaties; benadrukt in dit verband dat optimale werkmethoden moeten worden gedeeld en dat er vaardigheden en competenties worden ontwikkeld via internationale samenwerking, mobiliteitsprogramma's zoals Erasmus+ en betaalde stages in andere lidstaten;

65.  benadrukt de cruciale rol van de leerkracht bij het creëren van een inclusieve leeromgeving waarin een reeks methoden en benaderingen moet worden gehanteerd om tegemoet te komen aan uiteenlopende behoeften, zodat alle leerlingen kunnen worden betrokken bij de planning, verwezenlijking en beoordeling van hun leerresultaten; onderkent de wezenlijke taak van leerkrachten als proactieve gidsen en mentoren die laten zien hoe je informatie moet beoordelen, een ondersteunende rol op zich nemen bij moeilijkheden en leerlingen klaarstomen voor het leven;

66.  is van mening dat de betrokkenheid van leerkrachten en schooldirecteuren bij de modernisering van onderwijssystemen doorslaggevend is om hervormingsprocessen doeltreffend te laten verlopen en het onderwijzend personeel warm te maken voor verdere verbeteringen in het schoolbeleid;

67.  is van mening dat een algemeen geldend schoolbeleid doeltreffende ondersteuning moet garanderen voor leerkrachten om de verwezenlijking van onderwijsdoelen, een stimulerend schoolklimaat, een efficiënte werking en ontwikkeling van de school en coöperatief bestuur te waarborgen;

68.  is zich bewust van de belangrijke rol van leerkrachten en van samenwerking tussen ouders, leraren en schoolautoriteiten binnen het formele, niet-formele en informele onderwijs door huidige en toekomstige generaties bij te staan; juicht in dit verband intensievere samenwerking tussen alle belangrijke spelers in het formele, niet-formele en informele onderwijs toe;

69.  is van mening dat nauwere samenwerking tussen leerkrachten, onderzoekers en academici gunstig uitpakt voor alle betrokken partijen, leidt tot de verbetering en modernisering van de lessen, leermethoden en pedagogische aanpak, en innovaties, creativiteit en nieuwe vaardigheden bevordert;

Aanbevelingen

70.  is van mening dat de Europese onderwijsruimte gericht moet zijn op de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelen, waaronder het waarborgen van goed onderwijs voor iedereen, en gevormd moet worden op basis van de afstemming op en de kritische beoordeling van bestaande beleidsmaatregelen, onderwijstrends en -statistieken zowel binnen als buiten de EU teneinde samenhang, consistentie en haalbare resultaten te garanderen, maar tegelijkertijd ook een nieuwe impuls geeft aan de ontwikkeling hiervan en de eerbiediging van de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit, vrijheid en evenredigheid, en van de institutionele en didactische autonomie;

71.  vindt dat de Europese onderwijsruimte het Bolognaproces niet in gevaar mag brengen of mag vervangen en dat het Bolognaproces juist verder moet worden ontwikkeld en aangescherpt; benadrukt het belang van wederzijdse koppelingen en complementariteit tussen de Europese onderwijsruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs;

72.  verzoekt de lidstaten zich te scharen achter het opzetten van een Europese onderwijsruimte en de samenwerking te intensiveren om de doelstellingen ervan uit te werken en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie in dit verband de voorwaarden te scheppen voor het uitwisselen van ideeën en optimale werkmethoden om die doelstellingen te halen;

73.  schaart zich achter een nieuw Europees netwerk van universiteiten als basis voor nauwere samenwerking waarbij instellingen voor hoger onderwijs zowel binnen als buiten de EU worden betrokken, aan de hand van een bottom-upbenadering en initiatieven van de universiteiten zelf, die er onder andere toe moeten bijdragen dat de Europese onderwijsruimte een innovatievere, vitalere en aantrekkelijkere ruimte voor onderwijs en onderzoek wordt;

74.  verzoekt de lidstaten onderwijs te erkennen als investering in menselijk kapitaal, en meer en transparante overheidsfinanciering beschikbaar te stellen voor het ontplooien van initiatieven die gericht zijn op de verbetering van de kwaliteit, inclusiviteit en gelijkwaardigheid in het onderwijs en leren;

75.  benadrukt dat grotere investeringen in onderwijs- en opleidingsstelsels, alsook de modernisering en aanpassing daarvan een cruciale voorwaarde vormen voor sociale en economische vooruitgang; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om te waarborgen dat sociale investeringen, met name in onderwijs en opleidingen voor iedereen, prioriteit krijgen in de volgende programmeringsperiode van het MFK voor 2020-2026;

76.  stimuleert met het oog op inclusiever onderwijs en een vrije onderwijskeuze toereikende financiële steun voor scholen van alle categorieën en niveaus, zowel openbare scholen als particuliere scholen zonder winstoogmerk, mits het aangeboden lesprogramma gebaseerd is op de beginselen die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en voldoet aan de rechtssystemen en voorschriften en regelgeving over de kwaliteit van onderwijs en het gebruik van dergelijke fondsen in de lidstaat in kwestie;

77.  acht het tijd om de broodnodige investeringen te doen in onderwijsinfrastructuur in de minder ontwikkelde regio's, waarbij er altijd op moet worden gelet dat de investeringen zijn afgestemd op de specifieke regionale situatie; benadrukt dat het in dit verband met name van belang is om via de Europese Investeringsbank en de Europese fondsen meer steun uit te trekken voor regionale initiatieven om het onderwijs verder te ontwikkelen;

78.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervaringen en beste praktijken uit te wisselen op het vlak van mechanismen en methoden voor overheidsfinanciering, waaronder prestatiegebonden financiering en financiering van concurrerend onderzoek, om tot een duurzame en transparante diversifiëring van financiering te komen;

79.  pleit voor een nauwere samenwerking tussen lidstaten bij de modernisering van het onderwijs; dringt er bij de lidstaten op aan te beginnen met de tenuitvoerlegging van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten waarmee manieren worden aangereikt om ongelijkheden in Europa terug te dringen via onderwijs, opleiding en een leven lang leren;

80.  benadrukt de rol van het Europees semester bij de bevordering van nationale hervormingen, door de landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van onderwijs te definiëren;

81.  verwacht dat het actieplan voor digitaal onderwijs de lidstaten en onderwijsinstellingen zal ondersteunen bij het intensievere, doeltreffendere en op leeftijd en ontwikkeling afgestemde gebruik van geavanceerde technologie bij het leren, tijdens de lessen en beoordelingen, die voldoet aan de normen voor kwaliteitsborging; is van mening dat elk actieplan voor digitaal onderwijs een koppeling moet maken tussen digitale onderwijsmethoden en kwalificatiekaders op basis van leerresultaten, en die koppeling regelmatig moet beoordelen;

82.  raadt lidstaten en onderwijsinstellingen aan het gebruik van studentgerichte en geïndividualiseerde leermethoden te bevorderen, waaronder op maat gemaakte cursussen die gebaseerd zijn op en een combinatie vormen van de academische en beroepservaringen van de student en innovatieve methoden en interactie tussen de leerkrachten en de studenten, om ondersteuning te bieden bij vervolgonderwijs en het halen van de beoogde leerresultaten waarbij studenten actief invulling geven aan hun eigen leerproces;

83.  verzoekt de lidstaten een holistische aanpak van onderwijs te hanteren en studenten specifieke en flexibele leermogelijkheden te bieden waarmee ze uitgerust worden met de nodige kerncompetenties voor een succesvolle intrede op de arbeidsmarkt;

84.  pleit ervoor om onderzoekend, actief, projectmatig en probleemgestuurd leren beter te integreren in onderwijsprogramma's van alle niveaus teneinde samenwerking en teamwork te bevorderen; doet de aanbeveling dat onderwijssystemen gericht zijn op het verbeteren van horizontale, zachte en levensvaardigheden;

85.  herhaalt dat het recht op onderwijs moet worden gegarandeerd aan alle personen met een handicap, van de kleuterschool tot de universiteit, en benadrukt hoe belangrijk het is om te beschikken over het juiste lesmateriaal en technische apparatuur, beoordelingsinstrumenten en gekwalificeerd personeel zodat personen met een handicap ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken van dit recht;

86.  steunt en stimuleert de uitvoering van maatregelen voor de ontwikkeling van mediageletterdheid en kritisch denkvermogen via onderwijs en opleiding; wijst op de op dit vlak gedane toezegging, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van 30 mei 2016; verzoekt de Commissie in dit verband om beleidsontwikkelingen op het vlak van mediageletterdheid op EU-niveau te coördineren teneinde de meest recente kennis en beste praktijken op dit gebied te verspreiden; roept de Commissie en de lidstaten op specifieke maatregelen te nemen ter bevordering en ondersteuning van projecten voor media- en digitale geletterdheid, zoals het proefproject Mediageletterdheid voor iedereen, en om een alomvattend beleid inzake media- en digitale geletterdheid te ontwikkelen waarin schoolonderwijs centraal staat;

87.  spoort de lidstaten aan mogelijkheden te bieden om cruciale competenties te ontwikkelen teneinde vaardigheden op te doen en bij te houden, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan basisvaardigheden, de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde, taalvaardigheid, ondernemerschapsvaardigheden, digitale competenties, creativiteit, kritisch denkvermogen en teamwork; spoort de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van het EU-kader van kerncompetenties in alle onderwijssettings te bevorderen en dit kader ook toe te passen op formeel, niet‑formeel en informeel leren, waardoor het potentieel ervan als cruciaal hulpmiddel voor een leven lang leren optimaal wordt benut;

88.  spoort de lidstaten aan om een leven lang leren onder de aandacht van de bevolking te brengen en een genderperspectief in de ontwikkeling van de desbetreffende beleidsmaatregelen en programma's te integreren, met speciale aandacht voor laagopgeleide vrouwen, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, om hun de kans te geven bepaalde vaardigheden te ontwikkelen;

89.  schaart zich achter het aangescherpte EU-criterium voor deelname aan een leven lang leren; verzoekt de Commissie in dit verband voorstellen te doen voor aanbevelingen inzake optimale werkmethoden om deze ambitieuze doelstelling te halen; juicht een grotere nadruk op een leven lang leren op alle onderwijsniveaus toe; benadrukt in dit verband de rol van instellingen voor hoger onderwijs bij de verwezenlijking van een strategie voor een leven lang leren, het onderwijs aan mensen met een baan, de ontwikkeling van competenties en het creëren van een leercultuur voor mensen van alle leeftijden en met uiteenlopende achtergronden;

90.  spoort de Commissie aan de lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling, bevordering en verbetering van opleidings- en onderwijsprogramma's die volwassenonderwijs en de actieve integratie van volwassenen in het onderwijssysteem mogelijk maken; wijst erop dat het volwassenonderwijs een breed scala aan leertrajecten en flexibele leermogelijkheden moet bieden, waaronder begeleiding voor mensen bij het plannen van hun trajecten voor een leven lang leren, tweedekansprogramma's voor mensen die nooit naar school zijn geweest, vroegtijdige schoolverlaters en gesjeesde leerlingen; verzoekt de Commissie haar toezeggingen na te komen, zoals de vaardighedengarantie waarover wordt gerept in de nieuwe EU-agenda voor vaardigheden, en zich in te spannen om de arbeidsmogelijkheden voor laagopgeleide volwassenen in de EU te verbeteren;

91.  verzoekt de lidstaten intergenerationele projecten op te zetten om beter te begrijpen met welke uitdagingen ouderen kampen en om deze mensen de mogelijkheid te bieden om hun vaardigheden, kennis en ervaring te delen;

92.  juicht de ontwikkeling van synergieën en samenwerkingsverbanden tussen formele, niet‑formele en informele onderwijsvormen toe; is ingenomen met de in de laatste paar jaren geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Raad betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren uiterlijk in 2018; verzoekt de lidstaten echter ook na 2018 hun inspanningen voort te zetten om de tenuitvoerlegging van die aanbevelingen verder te verbeteren, relevante juridische kaders in het leven te roepen en uitvoerige validatiestrategieën op te zetten waardoor validatie mogelijk wordt; benadrukt dat de erkenning van informeel en niet‑formeel onderwijs, onder andere via gratis onlinecursussen, naadloos aansluit bij het idee om onderwijs open te stellen voor kansarme groeperingen;

93.  benadrukt de cruciale rol van ouders als onderdeel van de onderwijsdriehoek door kinderen te begeleiden bij het maken van huiswerk; wijst op de voordelen van ouders die betrokken zijn bij het onderwijs van hun kind om betere leerresultaten te bereiken, het welzijn van leerlingen te vergroten en de school in staat te stellen zich verder te ontwikkelen;

94.  verzoekt de Commissie haar steun te verlenen aan grensoverschrijdende initiatieven voor open onlineonderwijs;

95.  benadrukt dat de kwaliteit van onderwijs moet worden afgemeten aan de mate waarin een leerling niet alleen kennis en competenties heeft opgedaan maar ook heeft geleerd hoe hij of zij een leven lang kan blijven leren en creativiteit aan de dag kan leggen;

96.  staat achter de Commissie die een scorebord wil opzetten om de ontwikkeling van de belangrijkste competenties bij te houden, en zich hardmaakt voor onderwijs, leren en opleiding op basis van competenties;

97.  verzoekt de lidstaten om genderstereotypen in het onderwijs te bestrijden, opdat vrouwen dezelfde kansen en keuzevrijheid hebben bij de loopbaan die zij nastreven; is in dit verband bezorgd over de aanhoudende stereotypen in lesmaterialen in sommige lidstaten en de verschillende verwachtingen die leerkrachten hebben van het gedrag van meisjes en jongens; wijst op de noodzaak om zowel tijdens de lerarenopleiding als in bijscholingscursussen van leraren, maar ook in de lessen zelf, aandacht te schenken aan het beginsel van gendergelijkheid, om zo te waarborgen dat leerlingen ongeacht hun geslacht hun volledige potentieel kunnen benutten; verzoekt de lidstaten om bij de toepassing van gendergelijkheid in de leerplannen en programma's van regionale onderwijsstelsels bijzondere aandacht te schenken aan de ultraperifere regio's, gezien het hoge aantal gevallen van geweld tegen vrouwen aldaar; benadrukt dat in onderwijssystemen op alle niveaus een genderperspectief moet worden opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die het slachtoffer zijn van discriminatie;

98.  dringt er bij de lidstaten op aan de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie in onderwijsinstellingen te bevorderen, zowel in formele als informele leervormen;

99.  stelt voor dat de Commissie en/of de lidstaten een Europese/nationale gendergelijkheidsprijs voor onderwijsinstellingen invoeren en promoten met het oog op de bevordering van goede praktijken;

100.  benadrukt dat onderwijs een belangrijk hulpmiddel is om sociale inclusie te bewerkstelligen en om het vaardigheidsniveau en de kwalificaties van zowel minderjarige als volwassen migranten en vluchtelingen te verbeteren; moedigt in deze context het uitwisselen van optimale werkmethoden toe op het vlak van integratie via onderwijs en de overdracht van gemeenschappelijke waarden, een betere en eenvoudigere erkenning van diploma's en kwalificaties, het aanbieden van beurzen, het opzetten van partnerschappen met universiteiten in de landen van herkomst en het voortbouwen op de waardevolle ervaring van de onderwijscorridors;

101.  benadrukt dat er meer moet worden gedaan om toegang te garanderen tot onderwijs en opleidingen op alle niveaus voor leerlingen die afkomstig zijn van autochtone minderheden, en om steun te bieden aan onderwijsinstellingen die diensten aanbieden in de moedertaal van autochtone etnische of taalkundige minderheden; verzoekt de Commissie programma's die gericht zijn op de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op het vlak van onderwijs in regionale en minderheidstalen in Europa meer onder de aandacht te brengen; spoort de lidstaten aan meer mogelijkheden te bieden voor onderwijs in de moedertaal van leerlingen en studenten;

102.  spoort de lidstaten aan taalvaardigheidsniveaus op te schroeven door goede werkmethoden te hanteren, zoals de afgifte van officiële getuigschriften van de beheersing van een vreemde taal onder een bepaalde leeftijd;

103.  verzoekt de lidstaten en de Commissie een stelsel van innovatieve en flexibele beurzen in het leven te roepen om talent en artistieke en sportieve gaven op het vlak van onderwijs en opleiding te stimuleren; ondersteunt de lidstaten die beursregelingen willen invoeren voor studenten met goede studie-, sportieve en artistieke resultaten;

104.  is in dit verband ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa (COM(2016)0381), waarin oplossingen worden aangedragen voor de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan bepaalde vaardigheden, en manieren worden voorgesteld voor het vinden van een goed systeem voor de erkenning van vaardigheden; spoort de lidstaten in dit verband aan kwalitatief hoogstaande duale onderwijssystemen op te zetten (die zeer waardevol zijn vanwege hun holistische persoonlijke aanpak en vanwege de ontwikkeling van vaardigheden voor een leven lang leren) evenals beroepsopleidingen, in samenwerking met lokale en regionale spelers, en aansluitend bij de specifieke aard van elk onderwijssysteem; wijst op de voordelen en de groeiende aantrekkingskracht van het hybride systeem voor beroepsonderwijs en -opleiding waarin in gelijke mate leertrajecten in klassenverband en op de werkplek worden gecombineerd;

105.  beveelt beter schoolkeuzeadvies aan als essentieel hulpmiddel om verschillende onderwijssystemen op flexibele wijze samen te brengen en tegelijkertijd kennis en vaardigheden uit te breiden en te actualiseren;

106.  is voorstander van en stimuleert school- en beroepskeuzeadvies als een wezenlijke onderwijstaak voor de persoonlijke en sociale ontwikkeling van de jonge generaties;

107.  is van mening dat ondernemerschap niet alleen een motor voor groei en werkgelegenheid is, maar ook een middel om economieën concurrerender en innovatiever te maken, wat bijdraagt aan de versterking van de positie van vrouwen;

108.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economie kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is daarom van mening dat lessen in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moeten hebben en onderwerpen moeten behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen, de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, om te streven naar een socialere, inclusievere en duurzamere economie;

109.  verzoekt de lidstaten om hun onderwijs te richten op ondernemerschap en financiën, vrijwilligerswerk en beheersing van vreemde talen en om ook prioriteit aan deze vaardigheden te verlenen in programma's op het gebied van beroepsonderwijs en ‑opleiding;

110.  roept de Commissie en de lidstaten op de concrete arbeidskansen van het beroepsonderwijs en -opleiding en het belang daarvan voor de arbeidsmarkt te bevorderen;

111.  verzoekt de lidstaten loopbaanbegeleiding op te zetten waarmee het gemakkelijker wordt om de vaardigheden en talenten van leerlingen en studenten in kaart te brengen en het proces van maatonderwijs te verbeteren;

112.  vestigt de aandacht op de bijzondere onderwijssituatie van kinderen en tieners van wie de ouders voor hun werk door Europa reizen, en verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten naar de bijzondere situatie van deze kinderen en tieners en de uitdagingen waarmee zij te maken hebben op het gebied van voorschools en schoolonderwijs;

113.  vindt dat de Commissie krachtens artikel 349 VWEU meer steun moet verlenen aan lidstaten met ultraperifere regio's om hun onderwijssystemen op alle niveaus te verbeteren;

114.  spoort de lidstaten en regionale autoriteiten aan regelmatig de relevantie van onderwijsbeleid, strategieën en programma's te beoordelen en te controleren, waarbij ook rekening wordt gehouden met de feedback van leerkrachten en leerlingen, zodat onderwijssystemen kunnen blijven voorzien in de veranderende behoeften van het land in kwestie en kunnen blijven inspelen op de plaatselijke sociaal-economische situatie; raadt aan meer dwarsverbanden tot stand te brengen tussen het onderwijsbeleid en ander beleid om de efficiëntie en resultaten van onderwijshervormingen te bevorderen en te kunnen beoordelen;

115.  wijst erop dat de prestaties en effectbeoordelingen van de EU-programma's die gericht zijn op jeugdwerkgelegenheid moeten worden bijgehouden; benadrukt het belang van doeltreffende en duurzame investeringen;

116.  waardeert de activiteiten van de Commissie ten gunste van de modernisering van onderwijssystemen en verzoekt de lidstaten in dit verband meer betrokken te zijn bij en zich meer in te zetten voor de uitvoering van voorgestelde verbeteringen;

117.  spoort de lidstaten aan om in samenwerking met de Commissie onderwijsinstellingen te ondersteunen bij hun hervormingsprocessen door gespecialiseerde contactpunten toe te wijzen op nationaal en/of regionaal niveau die relevante informatie, begeleiding en hulp aanbieden;

118.  herhaalt dat er op rechten gebaseerde en genderbewuste leeromgevingen gecreëerd moeten worden waarin studenten kunnen leren over mensenrechten, met inbegrip van vrouwen- en kinderrechten, fundamentele waarden en burgerparticipatie, de rechten en verantwoordelijkheden van burgers, democratie en de rechtsstaat en daar ook voor leren opkomen, waarbij zij vertrouwen hebben in hun eigen identiteit, weten dat hun stem wordt gehoord en zich door hun gemeenschap gewaardeerd voelen;

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

119.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor gratis en eerlijke toegang tot hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en opvang, en spoort ze aan om de nodige maatregelen te nemen waarmee aan de materiële en financiële voorwaarden kan worden voldaan zodat elk kind zonder discriminatie deel kan nemen aan voor- en vroegschoolse educatie, en om te zorgen voor meer plekken op crèches en kleuterscholen;

120.  verzoekt de Commissie te overwegen een gemeenschappelijk Europees kader voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang vast te stellen, uitgaande van de beginselen die zijn voorgesteld in het kwaliteitskader; is voorstander van een Europese benchmark voor de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie, die moet worden ontworpen in samenwerking met leerkrachten en in de sector werkzame personen en in overeenstemming met nationale of regionale kwaliteitsindicatoren;

121.  is van mening dat de lidstaten zich meer moeten inzetten om de bestuursorganen van instellingen voor voor- en vroegschoolse educatie aan te sporen de mogelijkheid van Europese projecten te bekijken; wijst erop dat de beroepsorganisaties op die manier in staat zullen zijn innovaties in het onderwijs bij te houden en zo voorschoolse educatie zinvoller te maken;

122.  blijft erbij dat instellingen voor voor- en vroegschoolse educatie niet mogen worden uitgesloten van de Europese onderwijsruimte; is van mening dat ook deze instellingen de uitwisseling van kennis onder de lidstaten moeten bevorderen, vooral met het oog op het delen van informatie tijdens de uitvoering van innovatieve projecten;

123.  pleit voor nauwere samenwerking tussen personeel in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang en leerkrachten in het kleuteronderwijs, teneinde de kwaliteit van het onderwijs en de koppelingen tussen onderwijsniveaus te verbeteren, kleuters voor te bereiden op de overgang naar de basisschool en de aandacht te richten op de ontwikkeling van het kind; benadrukt hoe belangrijk de contacten zijn tussen de aanbieders van voor- en vroegschoolse educatie en opvang en de ouders of verzorgers van kinderen, tussen het schoolpersoneel en kinderen en tussen kinderen onderling;

124.  spoort de lidstaten aan de financiering voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang te verhogen evenals de economische ondersteuning en initiatieven (zoals belastingkortingen, subsidies of vrijstelling van kosten) voor ouders en verzorgers, vooral met een sociaal-economisch kansarmere achtergrond, zodat zij ook gebruik kunnen maken van diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang en dit ook wordt aangemoedigd;

125.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in personeel om deze loopbaan aantrekkelijker te maken voor meer mensen en zodoende de beschikbaarheid van hoog gekwalificeerd personeel in voor- en vroegschoolse educatie en opvang te garanderen;

126.  verzoekt de lidstaten hun systemen te hervormen en te verbeteren om de Barcelona-doelstelling te halen dat ten minste 33 % van de kinderen onder de drie jaar moet deelnemen aan programma's op het vlak van voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

Schoolonderwijs

127.  pleit voor de uitvoering van een schoolomvattende aanpak om de sociale integratie, toegankelijkheid, het democratische bestuur, de kwaliteit en de diversiteit van het onderwijs te verbeteren en het aantal vroegtijdige schoolverlaters te beperken en het probleem van jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen aan te pakken, maar tegelijkertijd leerresultaten, de behoeften en het welzijn van studenten en hun betrokkenheid bij het schoolleven centraal te stellen bij alle activiteiten; pleit voor de bevordering en ondersteuning van democratische structuren voor de vertegenwoordiging van schoolleerlingen;

128.  onderstreept dat het hoge aantal jongeren dat geen werk heeft en evenmin onderwijs of een opleiding volgt – bijna 6,3 miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar – teruggedrongen kan worden met maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en door scholen praktischer te maken en meer te verbinden met hun lokale omgeving, en door banden aan te gaan met lokale ondernemingen, lokale autoriteiten, maatschappelijke instellingen en ngo's; is van mening dat vroegtijdig schoolverlaten, een van de redenen dat bepaalde jongeren geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen, aangepakt kan worden door armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; acht het ook belangrijk studenten te ondersteunen bij het vinden van hun eigen leermethoden, waaronder onlinecursussen en een combinatie van blended learning; is ingenomen met de tenuitvoerlegging van relevante en aantrekkelijke onderwijsprogramma's en sterke en goed ontwikkelde begeleidingssystemen met kwalitatief hoogwaardige adviesdiensten en studieoriëntatie voor alle studenten;

129.  benadrukt dat er meer mogelijkheden en structuren moeten komen voor interne en externe samenwerkingsverbanden op schoolniveau, waaronder interdisciplinaire samenwerking, teamonderwijs, schoolclusters en de communicatie met partijen die betrokken zijn bij het ontwerp en de tenuitvoerlegging van leertrajecten, onder andere ouders; wijst op het belang van internationale uitwisselingen en partnerschappen tussen scholen door middel van programma's als Erasmus+ en e‑Twinning;

130.  benadrukt dat schoolonderwijs ook flexibeler gemaakt moet worden om beter in te kunnen spelen op de leefomstandigheden van studenten, bijv. door meer gebruik te maken van onlinediensten zodat bijvoorbeeld mogelijkheden voor blended learning kunnen worden verbeterd;

131.  is van mening dat hoe eerder mensen STEAM-vaardigheden verwerven, des te beter hun kansen zijn op toekomstig succes in onderwijs of werk; moedigt dan ook meer STEAM-initiatieven aan op scholen, en parallel daaraan de bevordering van sociale en menswetenschappen, onder andere door middel van nauwere en meer gevarieerde samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

132.  spoort de Commissie aan de ontwikkeling van taalvaardigheden bij jonge Europeanen in formele en niet-formele leeromgevingen te steunen door innovatieve, meertalige pedagogische methoden te ontwikkelen, de beste meertalige pedagogische praktijken te delen en de taalbeheersing van leerkrachten op een hoger plan te tillen;

133.  spoort de lidstaten en de Commissie aan bestaande initiatieven te ondersteunen en alomvattende beleidsmaatregelen in het leven te roepen en uit te voeren met betrekking tot inclusief onderwijs en strategieën die gericht zijn op de aanpak van specifieke behoeften, waarmee de rechten van de meest kwetsbare groepen worden bevorderd, er inclusievere leeromgevingen tot stand komen en openheid en betrokkenheid worden gestimuleerd; verzoekt de Commissie om samen met het Europees Agentschap voor bijzondere onderwijsbehoeften en inclusief onderwijs innovatieve methoden en didactische hulpmiddelen te ontwikkelen om inclusie te bevorderen en in de behoeften van elke leerling te voorzien;

134.  beveelt de lidstaten aan lessen over de EU op te nemen in het lesprogramma van middelbare scholen om leerlingen bekend te maken met de werking en de geschiedenis van de Unie en de waarden van het Europees burgerschap;

135.  benadrukt hoe belangrijk het is om kennis over de geschiedenis van vrouwenemancipatie en in het bijzonder het vrouwenkiesrecht op te nemen en te bevorderen in de curricula van scholen en de lessen, ook naar aanleiding van symbolische jubilea (bijv. 100 jaar stemrecht voor vrouwen in Polen en Duitsland in 2018), met het oog op bewustwording en daarmee de bevordering van vrouwenrechten in een onderwijscontext;

136.  benadrukt het belang van voorlichting over gezondheid en relaties, waarin kinderen en jongeren leren over relaties op basis van gelijkheid, instemming, respect en wederkerigheid, en over rechten van vrouwen en meisjes, waaronder reproductieve en seksuele rechten, als middel om stereotypen tegen te gaan, gendergerelateerd geweld te voorkomen en het welzijn te bevorderen;

137.  juicht trainingen van het Rode Kruis op scholen voor leerlingen, leerkrachten en niet-onderwijzend personeel toe, als hulpmiddel om essentiële EHBO-vaardigheden op te doen en te kunnen handelen in een noodsituatie;

138.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een proefregeling op te zetten waarmee uitwisselingen van middelbare scholieren worden ondersteund en in het kader waarvan ze ten minste een semester in een andere lidstaat doorbrengen;

139.  verzoekt de lidstaten het gebruik van gestandaardiseerde teksten niet vaker dan nodig te gebruiken als instrumenten om het niveau van verworven kennis en vaardigheden te beoordelen;

140.  spoort de lidstaten aan te overwegen maatregelen te nemen om te erop toe te zien dat studieperioden in het buitenland die niet leiden tot een diploma of kwalificatie erkend worden; verzoekt de Commissie in dit verband richtsnoeren voor te stellen voor de erkenning van studieperioden in het buitenland, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande goede praktijken in de lidstaten, het beginsel van wederzijdse waardering tussen onderwijssystemen, de op sleutelcompetenties gebaseerde aanpak en de specifieke kenmerken van nationale onderwijsstelsels en culturen;

141.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten de problemen pesten, cyberpesten, intimidatie, verslaving en geweld aan te pakken door op schoolniveau en in samenwerking met de rechtstreeks betrokkenen en alle belanghebbenden (vooral leerkrachten, ouderverenigingen en ngo's die op dit terrein actief zijn) preventieprogramma's en bewustmakingscampagnes over inclusie te ontwikkelen;

142.  stelt voor dat de lidstaten, hun onderwijsinstellingen en de Commissie sport op school actiever bevorderen;

Hoger onderwijs

143.  dringt erop aan bij de totstandbrenging van de Europese onderwijsruimte uit te gaan van de mogelijkheden van reeds bestaande kaders, zoals de Europese onderzoeksruimte, de Innovatie-unie en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, op een manier dat ze elkaar kunnen versterken en aanvullen;

144.  spoort de lidstaten aan ten minste 2 % van hun bbp te investeren in hoger onderwijs en te voldoen aan de EU-benchmark om uiterlijk in 2020 3 % van het bbp van de Unie geïnvesteerd te hebben in O&O;

145.  stelt voor dat de lidstaten en regionale autoriteiten bij de besteding van nationale en regionale middelen en bij de toewijzing van de Europese structuur- en investeringsfondsen prioriteit verlenen aan onderwijsprogramma's en de bevordering van de samenwerking tussen het hoger onderwijs, de arbeidsmarkt, onderzoeksgemeenschappen en de samenleving als geheel;

146.  verzoekt de lidstaten een inclusievere en meer toegankelijke mobiliteit van studenten, stagiairs, begeleiders van leerlingplaatsen, onderzoekers en administratief personeel te bevorderen, omdat mobiliteit zowel bijdraagt tot hun persoonlijke en professionele ontwikkeling als tot een hogere kwaliteit van leren, onderwijzen, onderzoek en administratie; pleit voor de bevordering van mobiliteit voor iedereen, onder andere door middel van een soepele erkenning van in het buitenland behaalde studiepunten en academische en beroepskwalificaties, toereikende financiering en persoonlijke bijstand, garanties voor sociale rechten en in voorkomend geval de opname van mobiliteit als onderdeel van onderwijsprogramma's; wijst in dit verband op de nieuwe initiatieven van de Commissie, met inbegrip van de eCard om studentenmobiliteit over de grenzen te vergemakkelijken;

147.  is van mening dat de financiering voor de mobiliteit van onderwijzend personeel en onderzoekers moet worden verhoogd door niet alleen onkosten te vergoeden maar ook studie-/onderzoeksbeurzen te verstrekken, de duur van perioden in het buitenland te verlengen, goedkeuringsprocedures te vereenvoudigen en co-mentorschappen van leerkrachten en onderzoekers te stimuleren;

148.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen mobiliteit in het volwassenonderwijs een impuls te geven, zoals al het geval is in het programma Erasmus+;

149.  benadrukt dat de wederzijdse grensoverschrijdende erkenning en compatibiliteit van kwalificaties en universitaire diploma's gegarandeerd moeten worden waarmee het systeem van kwaliteitsborging op EU-niveau en in alle landen die zich hebben aangesloten bij de Europese ruimte voor hoger onderwijs versterkt wordt;

150.  benadrukt dat er uitvoerige strategieën en geschikte instrumenten moeten worden ontwikkeld om de kwaliteit van nieuwe onderwijs- en leermethoden te kunnen bepalen, bijv. e-leren, open onlinecursussen voor een groot publiek (MOOC's) en vrij toegankelijke hulpbronnen; onderkent in dit verband de rol van de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs (ENQA) en andere relevante Europese netwerken, gezien hun bijdrage aan de totstandbrenging van kwaliteitsborging;

151.  roept de Commissie en de lidstaten op de nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs beter onder de aandacht te brengen bij instellingen voor hoger onderwijs, regionale en lokale autoriteiten en werkgevers, teneinde te voldoen aan de behoeften van instellingen voor hoger onderwijs en studenten, en de uitdagingen waarmee ze kampen het hoofd te bieden, contacten te leggen met lokale en regionale spelers, lokale gemeenschappen te bereiken, lokale en regionale ontwikkeling en innovatie te bevorderen, te werken aan inclusieve en onderling verbonden systemen voor hoger onderwijs, de samenwerking met het beroepsleven te verbeteren en in te gaan op de regionale behoeften aan vaardigheden; spoort de instellingen voor hoger onderwijs daarnaast aan meer betrokken te raken bij lokale en regionale ontwikkeling, onder andere door deel te nemen aan coöperatieve gemeenschapsprojecten;

152.  pleit voor het nakomen van de verbintenissen in de nieuwe agenda voor vaardigheden, waaronder de ondersteuning van lidstaten bij hun inspanningen om meer informatie beschikbaar te stellen over hoe afgestudeerden het doen op de arbeidsmarkt; is in dit verband ingenomen met het voorstel om uiterlijk in 2020 een Europees systeem voor het volgen van het carrièrepad van afgestudeerden op te zetten; is van mening dat informatie over het carrièrepad van afgestudeerden en de verzameling van accurate en relevante gegevens (niet alleen op nationaal maar ook op EU-niveau) essentieel is voor kwaliteitsborging en de ontwikkeling van hoogwaardig onderwijs;

153.  spoort de Commissie aan haar inspanningen op te voeren om de onderzoeks- en innovatiekloof tussen lidstaten en regio's te dichten door nieuwe initiatieven voor te stellen in het kader van de Marie Skłodowska-Curie-acties, en de combinatie van onderzoeks- en onderwijsactiviteiten te steunen voor begunstigden van de Marie Skłodowska-Curie-acties, die zich opmaken voor een academische carrière;

154.  stelt voor dat de STE(A)M-coalitie van de EU moet bestaan uit een breed scala aan disciplines om studenten voor te bereiden op het leven en een baan in een dynamisch veranderende realiteit;

155.  is het eens met de toekenning van studiepunten in het kader van het Europees puntenoverdrachtssysteem aan studenten die vrijwilligerswerk voor de gemeenschap doen, als een manier om bij te dragen aan de professionele en persoonlijke ontwikkeling van studenten;

156.  benadrukt dat programma's voor internationale samenwerking, culturele diplomatie en beleidsdialogen met derde landen op het vlak van hoger onderwijs niet alleen de kennisoverdracht vergemakkelijken, maar ook bijdragen aan een betere kwaliteit en een hogere internationale status van het Europees hoger onderwijs, en daarnaast onderzoek en innovatie stimuleren, mobiliteit en de interculturele dialoog bevorderen en internationale ontwikkeling aanwakkeren in overeenstemming met de EU-doelstellingen voor extern optreden;

157.  is van mening dat toekomstbestendige onderwijssystemen ook lessen over duurzaamheid en vredesopbouw moet omvatten en deel moet uitmaken van een bredere beraadslaging over professionele geletterdheid in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen, waarbij de nadruk niet alleen op economische groei, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling en op een betere gezondheid en een beter welzijn van studenten moet liggen;

158.  verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven aan te wakkeren om studenten beter voor te bereiden op hun eerste schreden op de arbeidsmarkt en actie te ondernemen om de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan bepaalde vaardigheden aan te pakken; pleit in dit opzicht voor de opname van hoogwaardige en relevante stageplaatsen, die worden erkend via ECTS-studiepunten, in programma's voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleidingen, voor de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, het bedrijfsleven, de onderzoekssector en lokale en regionale economische spelers voor het op poten zetten van kwalitatief hoogstaande systemen voor duaal onderwijs en duale beroepsopleidingen, loopbaanbegeleiding, leerlingplaatsen, stages evenals op de realiteit gebaseerde opleidingen, die onderdeel moeten uitmaken van de curricula in het beroeps- en hoger onderwijs; verzoekt de lidstaten daarnaast om het recht te garanderen van elke jongere in de EU op het vinden van een baan, een leerlingplaats, een aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding;

159.  is van mening dat het, om de kwaliteit van leerlingplaatsen en stages te waarborgen, van fundamenteel belang is dat er een contract wordt gesloten waarin de rollen en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen worden afgebakend en dat een omschrijving bevat van de duur, leerdoelen en taken die overeenkomen met duidelijk omschreven vaardigheden die verworven moeten worden, de aard van de dienstbetrekking, een toereikende vergoeding/beloning, onder andere voor overwerk, alsmede regelingen voor sociale bescherming en sociale zekerheid op grond van de geldende nationale wetgeving, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten, of beide;

160.  benadrukt dat stages en leerlingplaatsen een passende leerinhoud en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden moeten omvatten, om de cruciale rol ervan voor de overgang van onderwijs naar het beroepsleven te waarborgen; benadrukt dat stages en leerlingplaatsen nooit mogen worden gebruikt als vervanging voor banen, en dat stagiairs en leerlingen nooit mogen worden behandeld als goedkope of zelfs onbetaalde werkkrachten;

161.  stelt voor dat universiteiten en opleidingscentra basisopleidingen en bijscholingscursussen verzorgen voor leerkrachten in het beroepsonderwijs, met bijdragen van experts op de werkterreinen die overeenstemmen met de vakgebieden die aan bod komen in de beroepsopleidingen;

De leerkracht die garant staat voor kwaliteitsonderwijs

162.  verzoekt de Commissie en de lidstaten leerkrachten te ondersteunen bij het integreren van innovatie en technologie in hun lessen door hun digitale vaardigheden te verbeteren, en door ze relevante hulpmiddelen en begeleiding aan te reiken, bijv. door meer opfriscursussen aan te bieden en door onlinegemeenschappen en open leermiddelen en cursussen te ontwikkelen;

163.  staat achter de oprichting van een academie voor onderwijs en leren als een aanvullende voorziening voor leerkrachten om beste praktijken op Europees niveau te oefenen en uit te wisselen, door een centrum voor online-uitwisselingen, het delen van ervaringen en van elkaar leren aan te bieden, dat tevens als locatie kan dienen voor regelmatige bijeenkomsten in de vorm van workshops, seminars en conferenties om de samenwerking tussen leerkrachten te bevorderen, de kwaliteit van de lessen te verbeteren en de professionele ontwikkelingen van leerkrachten te stimuleren; verzoekt de Commissie een project voor te stellen voor de oprichting van een dergelijke academie die ook gebaseerd moet worden op de ervaring die is opgedaan met de European Schoolnet Academy;

164.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat docenten van instellingen voor hoger onderwijs een pedagogische opleiding volgen en dat in aanwervingsprocedures ten minste evenveel belang wordt gehecht aan pedagogische als aan onderzoeksvaardigheden; benadrukt de rol van op onderzoek gebaseerd onderwijs en pedagogisch onderzoek om een studentgerichte aanpak in het onderwijs te stimuleren, actief leren en de ontwikkeling van vaardigheden te bevorderen en didactische methoden te verbeteren;

165.  verzoekt de lidstaten stimuleringsmaatregelen te introduceren om jonge mensen en gekwalificeerde leerkrachten aan te trekken en te motiveren om aan de slag te gaan in het onderwijssysteem;

166.  benadrukt dat de professionele status van personeel in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang moet worden erkend;

167.  verzoekt om ondersteuning voor leraren die meertalige lessen verzorgen, aangezien dit een belangrijke factor vormt voor de internationalisering van het onderwijs;

168.  benadrukt de rol van intercultureel leren als onderdeel van de lerarenopleiding om de interculturele vaardigheden van leerkrachten te verbeteren, teneinde de Europese cultuur, gemeenschappelijke waarden en een Europese onderwijsdimensie te bevorderen; merkt op dat interculturele competenties essentieel zijn om te kunnen werken in steeds diversere samenlevingen en om internationalisering op schoolniveau te stimuleren;

169.  is zich bewust van de noodzaak om synergieën te creëren tussen de kennis van leerkrachten en het technologische potentieel van leerlingen en zo de leerresultaten te optimaliseren;

170.  pleit voor de opname van lerarenstages in alle stadia van de lerarenopleiding, onder begeleiding van getrainde mentoren;

171.  spoort leerkrachten en schooldirecteuren aan om innovatie te bevorderen en het voortouw te nemen in het introduceren en ontwikkelen van innovaties in de schoolomgeving;

172.  spoort instellingen voor hoger onderwijs aan prioriteit en ondersteuning te verlenen aan de verbetering en actualisering van de pedagogische kennis van leerkrachten en onderzoekers in het hoger onderwijs en dit ook te belonen, waaronder de didactische mogelijkheden die worden geboden door moderne technologie, als een manier om studenten beter te laten presteren en de onderwijsmethoden doeltreffender te maken;

173.  schaart zich achter de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve en ambitieuze lestechnieken en onderwijsnormen om beter in te spelen op de behoeften van studenten en instellingen voor hoger onderwijs en op de uitdagingen van een snel veranderende wereld;

o
o   o

174.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 22.
(2) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 30.
(3) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(4) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0360.
(6) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(8) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 2.
(9) Aangenomen teksten P8_TA(2017)0018.
(10) PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
(11) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(12) http://www.socialsummit17.se/wp-content/uploads/2017/11/Concluding-report-Gothenburg-summit.pdf
(13) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/educ/122123.pdf
(14) PB C 104 van 16.4.1984, blz. 69.
(15) PB C 135 van 26.5.2010, blz. 12.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0303.
(17) http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Gender_statistics
(18) http://www.cedefop.europa.eu/en/publications-and-resources/publications/3072, en https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1502en_0.pdf

Laatst bijgewerkt op: 8 januari 2019Juridische mededeling