Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2064(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0238/2018

Ingediende teksten :

A8-0238/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/07/2018 - 9.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0299

Aangenomen teksten
PDF 140kWORD 54k
Woensdag 4 juli 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
P8_TA(2018)0299A8-0238/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Marokkaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08082018/2064(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Marokkaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0808),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0238/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, en dus het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie moeten eerbiedigen, en onder toezicht van een onafhankelijke autoriteit moeten staan, zoals uitdrukkelijk in het Handvest is bepaald, en aantoonbaar noodzakelijk en evenredig voor de vervulling van de taken van Europol moeten zijn;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat er in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) op wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds diverse overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, waaronder met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

G.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met het Koninkrijk Marokko op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Marokkaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan het Koninkrijk Marokko kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan het Koninkrijk Marokko overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Marokkaanse autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van het Koninkrijk Marokko te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

14.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk Marokko waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko aan andere autoriteiten in het Koninkrijk Marokko alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met het Koninkrijk Marokko het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschil in rechtskader, maatschappelijke kenmerken en culturele achtergrond tussen het Koninkrijk Marokko en de Europese Unie; benadrukt het feit dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in het Koninkrijk Marokko; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die het Koninkrijk Marokko in acht moet nemen wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken overeenkomstig artikel 218 VWEU;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van het Koninkrijk Marokko.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.

Laatst bijgewerkt op: 7 november 2019Juridische mededeling