Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 1 maart 2018 - BrusselDefinitieve uitgave
Verzekeringsdistributie: toepassingsdatum van de omzettingsmaatregelen van de lidstaten ***I
 Bilaterale overeenkomst tussen de EU en de VS inzake prudentiële maatregelen betreffende verzekering en herverzekering ***
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Annemie Turtelboom
 Benoeming van een lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad
 Instelling van een bijzondere commissie financiële misdrijven, belastingontwijking en belastingontduiking (TAX3)
 Definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken ***I
 Verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied *
 Genetisch gemodificeerde mais DAS-59122-7
 Genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/006 ES/Galicia kleding
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/007 SE/Ericsson
 Besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen
 Situatie van de grondrechten in de EU in 2016
 Vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU
 Bankenunie – jaarverslag 2017
 De drooglegging van inkomstenbronnen voor jihadi's – bestrijding van de financiering van terrorisme
 EU-prioriteiten voor de 62e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw

Verzekeringsdistributie: toepassingsdatum van de omzettingsmaatregelen van de lidstaten ***I
PDF 242kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/97 wat betreft de toepassingsdatum van de omzettingsmaatregelen van de lidstaten (COM(2017)0792 – C8-0449/2017 – 2017/0350(COD))
P8_TA(2018)0044A8-0024/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0792),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53, lid 1, en 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0449/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0024/2018),

A.  overwegende dat het om redenen van urgentie gerechtvaardigd is om tot stemming over te gaan vóór het verstrijken van de in artikel 6 van het Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bedoelde termijn van acht weken;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 1 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/97 wat betreft de toepassingsdatum van de omzettingsmaatregelen van de lidstaten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/411.)


Bilaterale overeenkomst tussen de EU en de VS inzake prudentiële maatregelen betreffende verzekering en herverzekering ***
PDF 244kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de bilaterale overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake prudentiële maatregelen betreffende verzekering en herverzekering (08054/2017 – C8-0338/2017 – 2017/0075(NLE))
P8_TA(2018)0045A8-0008/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08054/2017),

–  gezien de bilaterale overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake prudentiële maatregelen betreffende verzekering en herverzekering (08065/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 114 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0338/2017),

–  gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)(1),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0008/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.

(1) PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Annemie Turtelboom
PDF 232kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over de voordracht van Annemie Turtelboom voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0008/2018 – 2018/0801(NLE))
P8_TA(2018)0046A8-0027/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0008/2018),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0027/2018),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole het kandidaat-lid van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 20 februari 2018 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Annemie Turtelboom tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad
PDF 245kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het voorstel van de Commissie tot de benoeming van een lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (N8-0052/2018 – C8-0036/2018 – 2018/0901(NLE))
P8_TA(2018)0047A8-0030/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 februari 2018 om de heer Boštjan Jazbec te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (N8-0052/2018),

–  gezien artikel 56, lid 6, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien artikel 122 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0030/2018),

A.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt bepaald dat de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad ("de afwikkelingsraad"), naar wie wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening, worden benoemd op basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving alsook bankafwikkeling;

B.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt bepaald dat bij de selectieprocedure de beginselen van genderevenwicht, ervaring en beroepsbekwaamheid in acht worden genomen;

C.  overwegende dat de Commissie op 20 december 2017 overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 een eerste lijst heeft vastgesteld van kandidaten voor de functie van lid van de afwikkelingsraad, waarnaar wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 de eerste lijst is voorgelegd aan het Parlement;

E.  overwegende dat de Commissie op 14 februari 2018 een voorstel heeft aangenomen om de heer Boštjan Jazbec te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en dit heeft ingediend bij het Parlement;

F.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement de kwalificaties van de voor de functie van lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name met het oog op de vereisten in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

G.  overwegende dat de commissie de heer Boštjan Jazbec op 21 februari 2018 heeft gehoord, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens heeft geantwoord op vragen van commissieleden;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie om de heer Boštjan Jazbec te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voor een termijn van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.


Instelling van een bijzondere commissie financiële misdrijven, belastingontwijking en belastingontduiking (TAX3)
PDF 164kWORD 50k
Besluit van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3) (2018/2574(RSO))
P8_TA(2018)0048B8-0125/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Conferentie van voorzitters,

–  gezien zijn besluit van 12 februari 2015(1) over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (de "Bijzondere Commissie TAXE 1"),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(2),

–  gezien zijn besluit van 2 december 2015(3) over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (de "Bijzondere Commissie TAXE 2"),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(4),

–  gezien zijn besluit van 8 juni 2016(5) over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (de "PANA-enquêtecommissie"),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(6),

–  gezien artikel 197 van zijn Reglement,

1.  besluit tot instelling van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking met de volgende bevoegdheden:

   a) het voortbouwen op en het aanvullen van het werk van de Bijzondere Commissies TAXE 1 en 2, met bijzondere aandacht voor de doeltreffende tenuitvoerlegging - door de lidstaten, de Commissie en/of de Raad - van de aanbevelingen in de hierboven vermelde resoluties van 25 november 2015 en 6 juli 2016, alsook voor hun impact;
   b) het voortbouwen op en het aanvullen van het werk van de PANA-enquêtecommissie, met bijzondere aandacht voor de doeltreffende tenuitvoerlegging - door de lidstaten, de Commissie en/of de Raad - van de aanbevelingen in de hierboven vermelde resolutie van 13 december 2017, alsook voor hun impact;
   c) het in kaart brengen van de vooruitgang die de lidstaten boeken bij het beëindigen van de belastingpraktijken die belastingontwijking en/of belastingontduiking mogelijk maken die schade toebrengt aan de soepele werking van de interne markt, zoals bedoeld in zijn hierboven vermelde resoluties van 25 november 2015 en 6 juli 2016, en de aanbeveling van 13 december 2017;
   d) het beoordelen van de wijze waarop de btw-regels van de EU werden omzeild in het kader van de Paradise Papers, en het meer in het algemeen evalueren van de impact van btw-fraude en de regels inzake administratieve samenwerking in de Unie; het analyseren van het beleid inzake de uitwisseling van informatie en coördinatie tussen de lidstaten en Eurofisc;
   e) het leveren van een bijdrage aan het lopende debat over het belasten van de digitale economie;
   f) het beoordelen van de nationale regelingen op het gebied van belastingvoordelen (zoals de burgerschapsprogramma's);
   g) het nauwkeurig volgen van het lopende werk van de Commissie en de lidstaten in, en hun bijdrage aan, internationale organisaties, met inbegrip van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de G20, de VN en de FATF, met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de Commissie economische en monetaire zaken met betrekking tot belastingkwesties;
   h) het inzien van de documenten die voor haar werk relevant zijn, en het leggen van de nodige contacten en het houden van hoorzittingen met internationale, Europese (waaronder de Groep gedragscode belastingregeling ondernemingen) en nationale instellingen en fora, de nationale parlementen en regeringen van de lidstaten en van derde landen, alsook met vertegenwoordigers van de wetenschappelijke wereld, ondernemingen en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de sociale partners, en dit in nauwe samenwerking met de vaste commissies; het rekening houden hierbij met het doeltreffende gebruik van de hulpbronnen van het EP;
   i) het analyseren en beoordelen van de "derde landen"-dimensie van belastingontwijkingspraktijken, inclusief de impact op ontwikkelingslanden; het monitoren van de verbeteringen en de bestaande onvolkomenheden op het gebied van de uitwisseling van informatie met derde landen in dit verband, met bijzondere aandacht voor de direct van de Kroon afhankelijke gebieden en de overzeese gebieden;
   j) het beoordelen van het proces van de Commissie voor het beoordelen van landen en het opnemen ervan op de lijst van derde landen met een hoog risico in de gedelegeerde handeling inzake de bestrijding van witwaspraktijken;
   k) het beoordelen van de methodologie, de landentoetsing en de impact van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (de zwarte lijst van de EU van belastingparadijzen), alsook de verwijdering van landen van de lijst en de aan derde landen opgelegde sancties;
   l) het onderzoeken van de gevolgen van de door de lidstaten gesloten bilaterale belastingovereenkomsten;
   m) het formuleren van de door haar noodzakelijke geachte aanbevelingen op dit gebied;

2.  besluit dat de Bijzondere Commissie bij haar werk rekening moet houden met de recente onthullingen van 5 november 2017 in de Paradise Papers, alsook met alle relevante ontwikkelingen op haar bevoegdhedengebied tijdens de duur van haar mandaat;

3.  besluit dat de Bijzondere Commissie 45 leden zal tellen;

4.  besluit dat de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie ingaat op de datum waarop dit besluit wordt vastgesteld en 12 maanden zal duren.

(1) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 42.
(2) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.
(3) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 201.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.
(5) PB L 166 van 24.6.2016, blz. 10.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0491.


Definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken ***I
PDF 704kWORD 93k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 1 maart 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (COM(2016)0750 – C8-0496/2016 – 2016/0392(COD))(1)
P8_TA(2018)0049A8-0021/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De voor gedistilleerde dranken geldende maatregelen moeten bijdragen tot het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming, het voorkomen van bedrieglijke praktijken en het verwezenlijken van transparantie van de markt en eerlijke concurrentie. Zij moeten de faam die gedistilleerde dranken uit de Unie in de Unie zelf en op de wereldmarkt genieten, hooghouden door rekening te blijven houden met de traditionele methoden die bij de productie van gedistilleerde dranken worden gebruikt en met de toegenomen vraag naar bescherming en voorlichting van de consument. Ook met technologische vernieuwing met betrekking tot gedistilleerde dranken moet rekening worden gehouden wanneer deze de kwaliteit helpt te verbeteren zonder afbreuk te doen aan het traditionele karakter van de betrokken gedistilleerde dranken. De productie van gedistilleerde dranken is sterk verbonden met de landbouwsector. Deze band blijkt niet alleen uit het feit dat de productie van gedistilleerde dranken een belangrijk afzetkanaal voor de landbouw van de Unie is, hij is tevens bepalend voor de kwaliteit en de faam van de in de Unie geproduceerde gedistilleerde dranken. Deze sterke band met de landbouwsector moet daarom door het regelgevingskader worden benadrukt.
(3)  De voor gedistilleerde dranken geldende maatregelen moeten bijdragen tot het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming, het wegnemen van informatieasymmetrie, het voorkomen van bedrieglijke praktijken en het verwezenlijken van transparantie van de markt en eerlijke concurrentie. Zij moeten de faam die gedistilleerde dranken uit de Unie in de Unie zelf en op de wereldmarkt genieten, hooghouden door rekening te blijven houden met de traditionele methoden die bij de productie van gedistilleerde dranken worden gebruikt en met de toegenomen vraag naar bescherming en voorlichting van de consument. Ook met technologische vernieuwing met betrekking tot gedistilleerde dranken moet rekening worden gehouden wanneer deze de kwaliteit helpt te verbeteren zonder afbreuk te doen aan het traditionele karakter van de betrokken gedistilleerde dranken. De productie van gedistilleerde dranken valt binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad1 ter en Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad1 quater, en is sterk verbonden met de landbouwsector. Deze band blijkt niet alleen uit het feit dat de productie van gedistilleerde dranken een belangrijk afzetkanaal voor de landbouw van de Unie is, hij is tevens bepalend voor de kwaliteit, de veiligheid en de faam van de in de Unie geproduceerde gedistilleerde dranken. Deze sterke band met de agrovoedingssector moet daarom door het regelgevingskader worden benadrukt.
____________________________
1 bis Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31, 1.2.2002, blz. 1).
1 ter Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304, 22.11.2011, blz. 18).
1 quater Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (PB L 95, 7.4.2017, blz. 1).
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)   De maatregelen die van toepassing zijn op gedistilleerde dranken vormen een geval apart ten opzichte van de algemene regels voor de agrovoedingssector. De bijzondere kenmerken hangen in dit geval samen met het feit dat traditionele productiemethoden nog steeds in stand worden gehouden, dat gedistilleerde dranken nauw verbonden zijn met de landbouwsector, dat er hoogwaardige producten worden gebruikt en dat de bescherming van de consumentenveiligheid hoog in het vaandel wordt gedragen, met de belofte van de sector gedistilleerde dranken om hier nooit van af te zullen stappen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Om een eenvormiger regelgeving voor gedistilleerde dranken te waarborgen, moeten in deze verordening duidelijke criteria voor de definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en voor de bescherming van geografische aanduidingen worden vastgesteld. Tevens moet zij regels bevatten inzake het gebruik van ethylalcohol of distillaten uit landbouwproducten bij de productie van alcoholhoudende dranken en inzake het gebruik van de verkoopbenamingen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van levensmiddelen.
(4)  Om een eenvormiger regelgeving voor gedistilleerde dranken te waarborgen, moeten in deze verordening duidelijke criteria voor de definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en voor de bescherming van geografische aanduidingen worden vastgesteld, zonder afbreuk te doen aan de diversiteit van de officiële talen en alfabetten in de Unie. Tevens moet zij regels bevatten inzake het gebruik van ethylalcohol of distillaten uit landbouwproducten bij de productie van alcoholhoudende dranken en inzake het gebruik van de verkoopbenamingen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van levensmiddelen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  In sommige gevallen zullen exploitanten van levensmiddelenbedrijven de oorsprong van gedistilleerde dranken moeten of willen aangeven om de consument te attenderen op de kwaliteiten van hun product. Dergelijke oorsprongsaanduidingen moeten aan geharmoniseerde criteria voldoen. Daarom moeten specifieke bepalingen inzake de aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst in de presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken worden vastgesteld.
(15)  In sommige gevallen zullen exploitanten van levensmiddelenbedrijven de oorsprong van gedistilleerde dranken moeten of willen aangeven om de consument te attenderen op de kwaliteiten van hun product. Daarom moeten specifieke bepalingen inzake de aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst in de presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken worden vastgesteld.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Wat de bescherming van geografische aanduidingen betreft, is het belangrijk terdege rekening te houden met de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom ("TRIPS-overeenkomst"), en met name de artikelen 22 en 23, en met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ("GATT-overeenkomst"), die bij Besluit 94/800/EG van de Raad12 zijn goedgekeurd.
(17)  Wat de bescherming van geografische aanduidingen betreft, is het belangrijk terdege rekening te houden met de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom ("TRIPS-overeenkomst"), en met name de artikelen 22 en 23, en met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ("GATT-overeenkomst"), die bij Besluit 94/800/EG van de Raad12 zijn goedgekeurd. Om de bescherming te verbeteren en namaak doeltreffender te bestrijden, moet deze bescherming tevens gelden voor goederen die door het douanegebied van de Unie worden doorgevoerd.
__________________
__________________
12 Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1).
12 Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad13 is niet van toepassing op gedistilleerde dranken. Daarom moeten regels inzake de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken worden vastgesteld. Geografische aanduidingen die aangeven dat een gedistilleerde drank zijn oorsprong heeft op het grondgebied van een land of in een regio of plaats op dat grondgebied, moeten, wanneer een bepaalde kwaliteit, faam of ander kenmerk van die gedistilleerde drank hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan zijn geografische oorsprong, door de Commissie worden geregistreerd.
(18)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad13 is niet van toepassing op gedistilleerde dranken. Daarom moeten regels inzake de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken worden vastgesteld. Geografische aanduidingen die aangeven dat een gedistilleerde drank zijn oorsprong heeft op het grondgebied van een land of in een regio of plaats op dat grondgebied, moeten, wanneer een bepaalde kwaliteit, faam, traditionele verwerkings- en productiemethode of ander kenmerk van die gedistilleerde drank hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan zijn geografische oorsprong, door de Commissie worden geregistreerd.
_________________
_________________
13 Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).
13 Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  Gedistilleerde dranken met een geografische aanduiding die gebaseerd zijn op wijn zonder beschermde oorsprongsaanduiding en die overeenkomstig deze verordening zijn geregistreerd, moeten dezelfde beheersinstrumenten op het gebied van productiepotentieel kunnen genieten als die welke beschikbaar zijn uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
_______________________
1 bisVerordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347, 20.12.2013, blz. 617).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Er moeten procedures voor de registratie, wijziging en eventuele annulering van geografische aanduidingen van de Unie of van derde landen overeenkomstig de TRIPS-overeenkomst worden vastgesteld, waarbij de status van bestaande beschermde geografische aanduidingen van de Unie automatisch wordt erkend. Teneinde de procedureregels inzake geografische aanduidingen in alle betrokken sectoren consistent te maken, moeten zulke procedures voor gedistilleerde dranken worden ingesteld naar het voorbeeld van de in Verordening (EU) nr. 1151/2012 vastgestelde uitgebreidere en beproefde procedures voor landbouwproducten en levensmiddelen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van gedistilleerde dranken. Om de registratieprocedures te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumenten informatie elektronisch kunnen raadplegen, moet een elektronisch register van geografische aanduidingen worden aangelegd.
(19)  Er moeten procedures voor de registratie, wijziging en eventuele annulering van geografische aanduidingen van de Unie of van derde landen overeenkomstig de TRIPS-overeenkomst worden vastgesteld, waarbij de status van bestaande geregistreerde geografische aanduidingen van de Unie automatisch wordt erkend. Teneinde de procedureregels inzake geografische aanduidingen in alle betrokken sectoren consistent te maken, moeten zulke procedures voor gedistilleerde dranken worden ingesteld naar het voorbeeld van in Verordening (EU) nr. 1151/2012 vastgestelde soortgelijke procedures die worden gebruikt voor landbouwproducten en levensmiddelen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van gedistilleerde dranken. Om de registratieprocedures te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumenten informatie elektronisch kunnen raadplegen, moet een transparant, omvattend en eenvoudig toegankelijk elektronisch register van geografische aanduidingen worden aangelegd dat dezelfde juridische waarde heeft als bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008. De in het kader van Verordening (EG) nr. 110/2008 geregistreerde geografische aanduidingen moeten automatisch in het register van de Commissie worden opgenomen. De Commissie moet de verificatie van geografische aanduidingen die overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 110/2008 zijn opgenomen in bijlage III bij die verordening afronden voordat deze verordening in werking treedt.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De autoriteiten van de lidstaten moeten met het toezicht op de naleving van deze verordening worden belast en de Commissie moet die naleving kunnen monitoren en controleren. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten worden verplicht relevante informatie met elkaar te delen.
(20)  Voor het behoud van de faam en de waarde van de sector gedistilleerde dranken is het essentieel dat er een hoog kwaliteitsniveau wordt gehandhaafd. De autoriteiten van de lidstaten moeten worden belast met het toezicht op de instandhouding van het kwaliteitsniveau door naleving van deze verordening. De Commissie moet die naleving echter kunnen monitoren en controleren om te verifiëren of de verordening op uniforme wijze wordt uitgevoerd. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten worden verplicht relevante informatie met elkaar te delen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Bij de toepassing van een kwaliteitsbeleid en met het oog op een hoge kwaliteit van gedistilleerde dranken en een grote verscheidenheid in de sector gedistilleerde dranken, moeten de lidstaten regels inzake de definitie, presentatie en etikettering van op hun grondgebied geproduceerde gedistilleerde dranken kunnen vaststellen die strenger zijn dan die welke in deze verordening zijn vastgesteld.
(21)  Bij de toepassing van een kwaliteitsbeleid en met het oog op een hoge kwaliteit van gedistilleerde dranken en een grote verscheidenheid in de sector gedistilleerde dranken, moeten de lidstaten regels inzake de productie, definitie, presentatie en etikettering van op hun grondgebied geproduceerde gedistilleerde dranken kunnen vaststellen die strenger zijn dan die welke in deze verordening zijn vastgesteld.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Om rekening te houden met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen, de noodzaak om de economische productie- en afzetomstandigheden te verbeteren, de traditionele rijpingsprocessen en, in uitzonderlijke gevallen, de wetgeving van invoerende derde landen, en met het oog op de bescherming van geografische aanduidingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging of afwijkingen van de technische definities en vereisten van de categorieën gedistilleerde dranken en van de specifieke regels inzake bepaalde van die categorieën als bedoeld in hoofdstuk I van deze verordening, de etikettering en de presentatie als bedoeld in hoofdstuk II van deze verordening, de geografische aanduidingen als bedoeld in hoofdstuk III van deze verordening en de controles en uitwisseling van informatie als bedoeld in hoofdstuk IV van deze verordening.
(22)  Om rekening te houden met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen, de noodzaak om de economische productie- en afzetomstandigheden te verbeteren, de traditionele rijpingsprocessen en, in uitzonderlijke gevallen, de wetgeving van invoerende derde landen, en met het oog op de volledige bescherming van geografische aanduidingen en met inachtneming van het belang van traditionele praktijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging of afwijkingen van de technische definities en vereisten van de categorieën gedistilleerde dranken en van de specifieke regels inzake bepaalde van die categorieën als bedoeld in hoofdstuk I van deze verordening, de etikettering en de presentatie als bedoeld in hoofdstuk II van deze verordening, de geografische aanduidingen als bedoeld in hoofdstuk III van deze verordening en de controles en uitwisseling van informatie als bedoeld in hoofdstuk IV van deze verordening.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Teneinde snel te reageren op economische en technologische ontwikkelingen met betrekking tot de onder deze verordening vallende gedistilleerde dranken waarvoor er geen categorie en technische specificaties bestaan om de consumenten en de economische belangen van de producenten te beschermen en de gegeven productie- en kwaliteitsvereisten voor die gedistilleerde dranken eenvormig te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de toevoeging, onder bepaalde voorwaarden, van nieuwe categorieën gedistilleerde dranken aan die welke zijn vermeld in respectievelijk deel I en II van bijlage II bij deze verordening, en van de technische specificaties daarvan.
Schrappen
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 1 – letter d – punt i – inleidende formule
(i)  hetzij rechtstreeks aan de hand van een van de volgende methoden:
(i)  hetzij rechtstreeks aan de hand van een van de volgende methoden, afzonderlijk of in combinatie:
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 1 – letter d – punt i – streepje 2
—  maceratie of soortgelijke bewerkingen van plantaardige materialen in ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaten uit landbouwproducten of gedistilleerde dranken of een mengsel daarvan in de zin van deze verordening;
—  maceratie of soortgelijke bewerkingen van plantaardige materialen in ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaten uit landbouwproducten of gedistilleerde dranken of een combinatie daarvan in de zin van deze verordening;
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 1 – letter d – punt i – streepje 3 – inleidende formule
—  de toevoeging van één van de volgende producten aan ethylalcohol uit landbouwproducten, aan distillaten uit landbouwproducten of aan gedistilleerde dranken:
—  de toevoeging van één of meer van de volgende producten aan ethylalcohol uit landbouwproducten, aan distillaten uit landbouwproducten of aan gedistilleerde dranken:
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 1 – letter d – punt ii – inleidende formule
(ii)  hetzij door aan een gedistilleerde drank een van de volgende producten toe te voegen:
(ii)  hetzij door aan een gedistilleerde drank een van de volgende producten toe te voegen, afzonderlijk of in combinatie:
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 1 – letter d – punt ii – streepje 4 bis (nieuw)
—  dranken;
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 3 – inleidende formule
(3)  "mengsel": een in bijlage II, deel I, opgenomen of met een geografische aanduiding overeenkomende gedistilleerde drank die gemengd is met een van de volgende producten:
(3)  "mengsel": een in bijlage II, deel I, opgenomen of met een geografische aanduiding overeenkomende gedistilleerde drank die gemengd is met een of meer van de volgende producten:
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 3 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  ethylalcohol uit landbouwproducten;
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 4 – inleidende formule
(4)  "samengestelde term": de combinatie van de termen van een verkoopbenaming van een in bijlage II, deel I, opgenomen gedistilleerde drank of de termen van een geografische aanduiding die een gedistilleerde drank beschrijven waarvan alle alcohol van het eindproduct afkomstig is, met een van de volgende termen:
(4)  "samengestelde term": de combinatie van de termen van een verkoopbenaming van een in bijlage II, deel I, opgenomen gedistilleerde drank of de termen van een geografische aanduiding die een gedistilleerde drank beschrijven waarvan alle alcohol van het eindproduct afkomstig is, met een of meer van de volgende termen:
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 6
(6)  "geografische aanduiding": een aanduiding die aangeeft dat een gedistilleerde drank zijn oorsprong op het grondgebied van een land of in een regio of plaats op dat grondgebied heeft, voor zover een bepaalde kwaliteit, faam of andere eigenschap van die gedistilleerde drank hoofdzakelijk aan zijn geografische oorsprong is toe te schrijven;
(6)  "geografische aanduiding": een overeenkomstig deze verordening geregistreerde naam die aangeeft dat een gedistilleerde drank zijn oorsprong op het grondgebied van een land of in een regio of plaats op dat grondgebied heeft, voor zover een bepaalde kwaliteit, faam of andere eigenschap van die gedistilleerde drank hoofdzakelijk aan zijn geografische oorsprong is toe te schrijven;
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 7
(7)  "productdossier": een bij de aanvraag voor de bescherming van een geografische aanduiding gevoegd dossier waarin de specificaties waaraan de gedistilleerde drank moet voldoen, zijn vastgesteld;
(7)  "productdossier": een bij de aanvraag voor de bescherming van een geografische aanduiding gevoegd dossier waarin de specificaties waaraan de gedistilleerde drank moet voldoen, zijn vastgesteld en dat overeenstemt met het "technisch dossier" als bedoeld in Verordening (EG) nr. 110/2008;
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 11 bis (nieuw)
(11 bis)  "groepering": verbond van producenten, verwerkers of invoerders van gedistilleerde dranken die zich per branche organiseren en een aanzienlijke omzet genereren;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 11 ter (nieuw)
(11 ter)  "uit landbouwproducten": verkregen uit landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij het VWEU.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  De alcohol die wordt gebruikt om alcoholhoudende dranken te produceren en om bij de bereiding van alcoholhoudende dranken kleurstoffen, aroma's of andere toegestane additieven op te lossen of te verdunnen, is ethylalcohol uit landbouwproducten.
1.  De alcohol die wordt gebruikt om gedistilleerde dranken te produceren en om bij de bereiding van gedistilleerde dranken kleurstoffen, aroma's of andere toegestane additieven op te lossen of te verdunnen, is ethylalcohol uit landbouwproducten.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  De distillaten die worden gebruikt om alcoholhoudende dranken te produceren en om bij de bereiding van alcoholhoudende dranken kleurstoffen, aroma's of andere toegestane additieven op te lossen of te verdunnen, zijn uitsluitend distillaten uit landbouwproducten.
2.  De distillaten die worden gebruikt om gedistilleerde dranken te produceren en om bij de bereiding van gedistilleerde dranken kleurstoffen, aroma's of andere toegestane additieven op te lossen of te verdunnen, zijn uitsluitend distillaten uit landbouwproducten.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien ethylalcohol of distillaten uit landbouwproducten in de handel worden gebracht, worden de grondstoffen waaruit deze zijn verkregen op de begeleidende elektronische documenten vermeld.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter e
(e)  uitsluitend worden verzoet overeenkomstig bijlage I, punt 3), en met het oog op het op smaak afmaken van het product.
(e)  niet worden verzoet, tenzij met het oog op het op smaak afmaken van het product. Het maximumgehalte aan zoetstoffen, uitgedrukt in invertsuiker, blijft onder de drempels die voor elke categorie zijn vastgesteld in bijlage II.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter e
(e)  mogen worden verzoet overeenkomstig bijlage I, punt 3, om specifieke productkenmerken te verkrijgen waarbij rekening moet worden gehouden met de desbetreffende wetgeving van de lidstaten.
(e)  mogen worden verzoet.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3 – letter e
(e)  worden verzoet overeenkomstig bijlage I, punt 3, om specifieke productkenmerken te verkrijgen.
(e)  worden verzoet.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Gedelegeerde bevoegdheden
Gedelegeerde bevoegdheden
1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
(a)   de wijziging van de in bijlage I opgenomen technische definities;
(a)  de wijziging van de in bijlage I opgenomen technische definities.
(b)  de wijziging van de vereisten van de categorieën gedistilleerde dranken als bedoeld in bijlage II, deel I, en de specifieke voorschriften voor bepaalde in bijlage II, deel II, vermelde gedistilleerde dranken.
De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde gedelegeerde handelingen gaan niet verder dan nodig is om te voldoen aan de behoeften die zijn gebleken in verband met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen of de behoefte aan productinnovatie.
De in de eerste alinea, onder a), bedoelde gedelegeerde handelingen houden rekening met het belang van traditionele praktijken in de lidstaten en gaan niet verder dan nodig is om te voldoen aan de behoeften die zijn gebleken in verband met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen of de behoefte aan productinnovatie.
2.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de toevoeging van nieuwe categorieën gedistilleerde dranken aan bijlage II.
Een nieuwe categorie kan worden toegevoegd onder de volgende voorwaarden:
(a)  het onder een bepaalde naam en overeenkomstig eenvormige technische specificaties in de handel brengen van een gedistilleerde drank is economisch en technisch noodzakelijk om de belangen van consumenten en producenten te vrijwaren;
(b)  de gedistilleerde drank heeft een significant marktaandeel in ten minste één lidstaat;
(c)  voor de nieuwe categorie wordt een gangbare naam gekozen of, wanneer dat niet mogelijk is, een naam van beschrijvende aard die met name naar de voor de productie van de gedistilleerde drank gebruikte grondstof verwijst;
(d)  de technische specificaties voor de nieuwe categorie worden vastgesteld en gebaseerd op een evaluatie van de bestaande kwaliteits- en productieparameters die op de markt van de Unie worden gebruikt. Bij de vaststelling van de technische specificaties wordt de toepasselijke consumentenbeschermingswetgeving van de Unie nageleefd en wordt rekening gehouden met alle ter zake relevante internationale normen. Zij moeten ervoor zorgen dat de concurrentie tussen de producenten in de Unie eerlijk verloopt en gedistilleerde dranken uit de Unie grote faam genieten.
3.  In uitzonderlijke gevallen waarin het recht van een invoerend derde land zulks vereist, is de Commissie ook bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende afwijkingen van de vereisten uit hoofde van de technische definities als vastgesteld in bijlage I, van de vereisten voor de categorieën gedistilleerde dranken als vastgesteld in bijlage II, deel I, en van de specifieke voorschriften voor bepaalde in bijlage II, deel II, opgenomen gedistilleerde dranken.
3.  In uitzonderlijke gevallen waarin het recht van een invoerend derde land zulks vereist, is de Commissie ook bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende afwijkingen van de vereisten uit hoofde van de technische definities als vastgesteld in bijlage I, van de vereisten voor de categorieën gedistilleerde dranken als vastgesteld in bijlage II, deel I, en van de specifieke voorschriften voor bepaalde in bijlage II, deel II, opgenomen gedistilleerde dranken.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De namen van grondstoffen of plantennamen die gereserveerd zijn voor het aanduiden van dranken die behoren tot bepaalde productcategorieën van gedistilleerde dranken mogen in de aanduiding en presentatie van alle levensmiddelen, met inbegrip van gedistilleerde dranken, worden gebruikt, mits wordt gegarandeerd dat de consument niet wordt misleid, met name in het geval van gedistilleerde dranken.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  Een gedistilleerde drank die voldoet aan de vereisten voor meer dan een van de categorieën gedistilleerde dranken 15 tot en met 47 van bijlage II, deel I, mag worden verkocht onder een of meer van de voor die categorieën vastgestelde verkoopbenamingen.
3.  Een gedistilleerde drank die voldoet aan de vereisten voor meer dan een van de categorieën gedistilleerde dranken die zijn opgenomen in bijlage II, deel I, mag op de markt worden gebracht onder een of meer van de voor die categorieën vastgestelde verkoopbenamingen.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4 – alinea 2 – inleidende formule
Indien een verkoopbenaming wordt aangevuld of vervangen overeenkomstig de eerste alinea, onder a), mag de daar bedoelde geografische aanduiding enkel worden aangevuld:
Indien een wettelijke benaming wordt aangevuld of vervangen overeenkomstig de eerste alinea, onder a), mag de daar bedoelde geografische aanduiding enkel worden aangevuld:
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4 – alinea 2 – letter a
(a)  hetzij met termen die reeds op 20 februari 2008 in gebruik waren voor bestaande geografische aanduidingen in de zin van artikel 34, lid 1; of
(a)  hetzij met termen die reeds op 20 februari 2008 in gebruik waren voor bestaande geografische aanduidingen in de zin van artikel 34, lid 1, met inbegrip van de termen die van oudsher in de lidstaten worden gebruikt om aan te geven dat een product een beschermde oorsprongsbenaming heeft uit hoofde van het nationale recht; of
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4 – alinea 2 – letter b
(b)  met in het desbetreffende productdossier vermelde termen.
(b)  met alle in het desbetreffende productdossier toegestane termen.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1 – letter a
(a)  de bij de productie van een levensmiddel gebruikte alcohol is uitsluitend afkomstig van de gedistilleerde dranken waarnaar in de samengestelde term wordt verwezen of waarop wordt gezinspeeld, met uitzondering van de ethylalcohol die kan voorkomen in de voor de productie van dat levensmiddel gebruikte aroma's; en
(a)  de bij de productie van een levensmiddel gebruikte alcohol is uitsluitend afkomstig van de gedistilleerde dranken waarnaar in de samengestelde term wordt verwezen of waarop wordt gezinspeeld, met uitzondering van de ethylalcohol uit landbouwproducten die als draagstof mag worden gebruikt voor in de voor de productie van dat levensmiddel gebruikte aroma's; en
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 5
5.  De zinspeling op een categorie gedistilleerde drank of op een geografische aanduiding mag bij de presentatie van een levensmiddel niet op dezelfde regel staan als de verkoopbenaming. Onverminderd artikel 10, lid 3, tweede alinea, wordt bij de presentatie van alcoholische dranken voor de zinspeling een kleinere lettergrootte gebruikt dan voor de verkoopbenaming en de samengestelde term.
5.  Onverminderd artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 mag de zinspeling op een categorie gedistilleerde drank of op een geografische aanduiding bij de presentatie van een levensmiddel niet op dezelfde regel staan als de verkoopbenaming. Onverminderd artikel 10, lid 3, tweede alinea, van onderhavige verordening wordt bij de presentatie van alcoholische dranken voor de zinspeling een kleinere lettergrootte gebruikt dan voor de verkoopbenaming en de samengestelde term.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Etikettering in het geval van toegevoegde alcohol
Wanneer alcohol in de zin van punt 4 van bijlage I, al dan niet verdund, is toegevoegd aan een gedistilleerde drank van de categorieën 1 tot en met 14 van bijlage II, draagt die gedistilleerde drank de verkoopbenaming "gedistilleerde drank". De drank mag geen benaming dragen die in de categorieën 1 tot en met 14 is gereserveerd.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 – alinea 1
Een mengsel draagt de verkoopbenaming "gedistilleerde drank".
Een mengsel draagt de verkoopbenaming "gedistilleerde drank" die duidelijk op een opvallende plaats op het etiket wordt vermeld.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3
3.  In de presentatie of etikettering van een gedistilleerde drank mag een rijpingsduur of ouderdom uitsluitend worden gespecificeerd indien deze betrekking heeft op het jongste alcoholhoudende bestanddeel en op voorwaarde dat de gedistilleerde drank is gerijpt onder toezicht van de belastingautoriteiten van een lidstaat of onder een toezicht dat gelijke waarborgen biedt.
3.  In de presentatie of etikettering van een gedistilleerde drank mag een rijpingsduur of ouderdom uitsluitend worden gespecificeerd indien deze betrekking heeft op het jongste alcoholhoudende bestanddeel en op voorwaarde dat alle handelingen om de gedistilleerde drank te doen rijpen, hebben plaatsgevonden onder toezicht van de belastingautoriteiten van een lidstaat of onder toezicht dat gelijke waarborgen biedt. De Commissie brengt een openbaar register tot stand van de door elke lidstaat aangewezen instanties voor het toezicht op rijpingsprocessen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Als in de presentatie of etikettering van een gedistilleerde drank de rijpingsduur of ouderdom wordt vermeld, moet deze ook in de begeleidende elektronische documenten worden opgenomen.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  In afwijking van lid 3 van dit artikel mag, voor brandy die gerijpt is met gebruikmaking van het dynamische rijpingssysteem (het "criaderas y solera"-systeem), de gemiddelde ouderdom van de brandy, berekend als beschreven in bijlage II bis, alleen worden vermeld in de presentatie of etikettering als de rijping van de brandy aan een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem is onderworpen. De gemiddelde ouderdom in de etikettering van brandy wordt uitgedrukt in jaren en bevat een verwijzing naar het "criaderas y solera"-systeem.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1
1.  Wanneer de oorsprong van een gedistilleerde drank wordt vermeld, komt deze overeen met het land of het gebied van oorsprong overeenkomstig artikel 60 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad16.
1.  Wanneer de oorsprong van een gedistilleerde drank wordt vermeld, komt deze overeen met de plaats of regio waar de fase in het productieproces van het eindproduct plaatsvond waarin aan de gedistilleerde drank het eigen karakter en de wezenlijke hoedanigheden werden gegeven.
__________________
16 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – alinea 1 bis (nieuw)
Onverminderd het eerste lid mogen in het geval van in de Unie geproduceerde gedistilleerde dranken die bestemd zijn voor de uitvoer de geografische aanduidingen en de termen die in bijlage II bij deze verordening cursief staan aangegeven, vergezeld gaan van vertalingen indien dat bij wet verplicht is in het invoerende land.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Gebruik van het symbool van de Unie voor beschermde geografische aanduidingen
Gebruik van het symbool van de Unie voor geografische aanduidingen
Het symbool van de Unie voor beschermde geografische aanduidingen mag worden gebruikt voor de etikettering en presentatie van gedistilleerde dranken.
Het symbool van de Unie voor beschermde geografische aanduidingen dat is vastgesteld uit hoofde van artikel 12, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 mag worden gebruikt voor de presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken met een geografische aanduiding.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 16
Artikel 16
Artikel 16
Gedelegeerde bevoegdheden
Gedelegeerde bevoegdheden
1.  Om rekening te houden met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen en de noodzaak om de economische productie- en afzetomstandigheden te verbeteren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake:
1.  Om rekening te houden met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen en de noodzaak om de economische productie- en afzetomstandigheden te verbeteren en tegelijkertijd te waarborgen dat consumenten worden beschermd en dat rekening wordt gehouden met traditionele praktijken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen inzake:
(a)  wijzigingen van de regels inzake vermeldingen op het etiket van gedistilleerde dranken met betrekking tot samengestelde termen of zinspelingen;
(a)  wijzigingen van de regels inzake vermeldingen op het etiket van gedistilleerde dranken met betrekking tot samengestelde termen of zinspelingen;
(b)  wijzigingen van de regels inzake de presentatie en etikettering van mengsels; en
(b)  wijzigingen van de regels inzake de presentatie en etikettering van mengsels; en
(c)  de actualisering en aanvulling van referentiemethoden van de Unie voor de analyse van gedistilleerde dranken.
(c)  de actualisering en aanvulling van referentiemethoden van de Unie voor de analyse van gedistilleerde dranken.
2.  Om rekening te houden met traditionele rijpingsprocessen in de lidstaten is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake afwijkingen van artikel 11, lid 3, wat betreft de specificatie van de rijpingsperiode of ouderdom in de presentatie of de etikettering van een gedistilleerde drank.
2.  Om rekening te houden met traditionele rijpingsprocessen in de lidstaten is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake afwijkingen van artikel 11, lid 3, wat betreft de specificatie van de rijpingsperiode of ouderdom in de presentatie of de etikettering van een gedistilleerde drank.
3.  In uitzonderlijke gevallen waarin het recht van een invoerend derde land zulks vereist, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake afwijkingen van de in dit hoofdstuk vervatte bepalingen inzake presentatie en etikettering.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1
1.  Elke exploitant die een overeenkomstig het desbetreffende productdossier geproduceerde gedistilleerde drank in de handel brengt, mag beschermde geografische aanduidingen gebruiken.
1.  Elke exploitant die een overeenkomstig het desbetreffende productdossier geproduceerde gedistilleerde drank in de handel brengt, mag geografische aanduidingen gebruiken.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – inleidende formule
2.  Beschermde geografische aanduidingen en de gedistilleerde dranken die deze beschermde namen overeenkomstig het productdossier dragen, worden beschermd tegen:
2.  Geografische aanduidingen en de gedistilleerde dranken die deze beschermde namen overeenkomstig het productdossier dragen, worden beschermd tegen:
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – letter a – punt i
(i)  voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde naam horende productdossier; of
(i)  voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde naam horende productdossier, ook wanneer deze producten als ingrediënt worden gebruikt, of
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – letter b
(b)  elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product of de dienst is aangegeven, of indien de beschermde naam is vertaald of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals "soort", "type", "methode", "op de wijze van", "imitatie", "smaak", "zoals" en dergelijke;
(b)  elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product of de dienst is aangegeven, of indien de beschermde naam is vertaald of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals "soort", "type", "stijl", "methode", "op de wijze van", "imitatie", "smaak", "zoals" en dergelijke, ook wanneer deze producten als ingrediënt worden gebruikt;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – letter c
(c)  elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, reclamemateriaal of documenten voor het betrokken product, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;
(c)  elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard, de ingrediënten of de wezenlijke hoedanigheden van het product in de presentatie of de etikettering van het product die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  Beschermde geografische aanduidingen mogen in de Unie geen soortnamen in de zin van artikel 32, lid 1, worden.
3.  Geografische aanduidingen mogen in de Unie geen soortnamen in de zin van artikel 32, lid 1, worden.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De bescherming van de in lid 2 bedoelde geografische aanduidingen geldt ook voor goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen zonder dat zij binnen de Unie in het vrije verkeer worden gebracht.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 4
4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het onwettige gebruik van beschermde geografische aanduidingen als bedoeld in lid 2 te voorkomen of te beëindigen.
4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het onwettige gebruik van geografische aanduidingen als bedoeld in lid 2 te voorkomen of te beëindigen.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De lidstaten mogen de bepalingen die zijn vastgesteld in de artikelen 61 tot en met 72 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten toepassen op arealen waar wijnen worden geproduceerd die geschikt zijn voor de productie van gedistilleerde dranken met een geografische aanduiding. Voor de toepassing van die bepalingen kunnen deze arealen worden beschouwd als arealen waar wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding mogen worden geproduceerd.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter e
(e)  een beschrijving van de werkwijze voor het verkrijgen van de gedistilleerde drank en, in voorkomend geval, van de authentieke en onveranderlijke plaatselijke methoden, alsmede informatie over de verpakking indien de aanvragende groepering aangeeft en op afdoende en productspecifieke wijze motiveert dat de verpakking in het afgebakende geografische gebied moet plaatsvinden om de kwaliteit te behouden, om de oorsprong te waarborgen of om de controle te verzekeren, rekening houdend met het Unierecht, in het bijzonder het recht betreffende het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten;
(e)  een beschrijving van de werkwijze voor het produceren van de gedistilleerde drank en, in voorkomend geval, van de authentieke en onveranderlijke plaatselijke methoden, alsmede informatie over de verpakking indien de aanvrager of aanvragende groepering (hierna beide "aanvrager" genoemd) aangeeft en op afdoende en productspecifieke wijze motiveert dat de verpakking in het afgebakende geografische gebied moet plaatsvinden om de kwaliteit te behouden, om de oorsprong te waarborgen of om de controle te verzekeren, rekening houdend met het Unierecht, in het bijzonder het recht betreffende het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter f
(f)  bijzonderheden die het verband staven tussen een bepaalde kwaliteit, faam of ander kenmerk van de gedistilleerde drank en de onder d) bedoelde geografische oorsprong;
(f)  de bijzonderheden die het verband met de geografische omgeving of de geografische oorsprong bevestigen;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – alinea 1 – letter a
(a)  de naam en het adres van de aanvragende groepering en van de autoriteiten of, indien beschikbaar, van de organen die verifiëren of de bepalingen van het productdossier worden nageleefd;
(a)  de naam en het adres van de aanvrager en van de autoriteiten of, indien beschikbaar, van de organen die verifiëren of de bepalingen van het productdossier worden nageleefd;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – alinea 1 – letter c – punt i
(i)  de belangrijkste gegevens van het productdossier: de naam, een beschrijving van de gedistilleerde drank met, in voorkomend geval, de specifieke verpakkings- en etiketteringsregels en een beknopte afbakening van het geografische gebied;
(i)  de belangrijkste gegevens van het productdossier: de naam, categorie, een beschrijving van de gedistilleerde drank met, in voorkomend geval, de specifieke verpakkings- en etiketteringsregels en een beknopte afbakening van het geografische gebied;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – letter a
(a)  de naam en het adres van de aanvragende groepering;
(a)  de naam en het adres van de aanvrager;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – letter c
(c)  een verklaring van de lidstaat dat de aanvraag van de groepering die voor een gunstig besluit in aanmerking komt, voldoet aan de voorwaarden van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde bepalingen;
(c)  een verklaring van de lidstaat dat de aanvraag van de aanvrager die voor een gunstig besluit in aanmerking komt, voldoet aan de voorwaarden van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde bepalingen;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – alinea 3
Een gezamenlijke aanvraag wordt bij de Commissie ingediend door een betrokken lidstaat of door een aanvragende groepering in een betrokken derde land, hetzij rechtstreeks, hetzij via de autoriteiten van dat derde land. Zij omvat de in artikel 20, lid 2, onder c), bedoelde verklaring van alle betrokken lidstaten. Aan de in artikel 20 vastgestelde vereisten wordt in alle betrokken lidstaten en derde landen voldaan.
Een gezamenlijke aanvraag wordt bij de Commissie ingediend door een betrokken lidstaat of door een aanvrager in een betrokken derde land, hetzij rechtstreeks, hetzij via de autoriteiten van dat derde land. Zij omvat de in artikel 20, lid 2, onder c), bedoelde verklaring van alle betrokken lidstaten. Aan de in artikel 20 vastgestelde vereisten wordt in alle betrokken lidstaten en derde landen voldaan.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 5
5.  Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geografisch gebied in een derde land, wordt de aanvraag bij de Commissie ingediend, hetzij rechtstreeks, hetzij via de autoriteiten van het betrokken derde land.
5.  Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geografisch gebied in een derde land, wordt de aanvraag bij de Commissie ingediend via de autoriteiten van het betrokken derde land.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 22
Artikel 22
Schrappen
Voorlopige nationale bescherming
1.  Een lidstaat mag, uitsluitend op voorlopige basis, op nationaal niveau een naam overeenkomstig deze verordening beschermen, met ingang van de datum waarop de aanvraag bij de Commissie is ingediend.
2.  Deze nationale bescherming loopt af op de datum waarop een besluit inzake registratie krachtens deze verordening wordt genomen of de aanvraag wordt ingetrokken.
3.  Wanneer een naam niet overeenkomstig dit hoofdstuk wordt geregistreerd, ligt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van die nationale bescherming volledig bij de betrokken lidstaat.
4.  De door de lidstaten krachtens lid 1 getroffen maatregelen hebben uitsluitend op nationaal niveau werking en hebben geen gevolgen voor het intra-uniale noch het internationale handelsverkeer.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1
1.  De Commissie onderzoekt op gepaste wijze alle door haar uit hoofde van artikel 21 ontvangen aanvragen om te controleren of de aanvraag gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet. Dit onderzoek neemt niet langer dan twaalf maanden in beslag. Indien deze termijn wordt overschreden, stelt de Commissie de aanvrager schriftelijk in kennis van de redenen voor de vertraging.
1.  De Commissie onderzoekt op gepaste wijze alle door haar uit hoofde van artikel 21 ontvangen aanvragen om te controleren of de aanvraag gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet. Dit onderzoek bestaat uit een controle om na te gaan of de aanvraag geen kennelijke fouten bevat en neemt doorgaans niet meer dan zes maanden in beslag. Indien deze termijn wordt overschreden, stelt de Commissie de aanvrager onverwijld schriftelijk in kennis van de redenen voor de vertraging.
De Commissie maakt ten minste maandelijks de lijst openbaar van de namen waarvoor bij haar registratieaanvragen zijn ingediend, en de datum waarop die aanvragen zijn ingediend.
De Commissie maakt ten minste maandelijks de lijst openbaar van de namen waarvoor bij haar registratieaanvragen zijn ingediend, en de datum waarop die aanvragen zijn ingediend.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.  Indien de Commissie, op basis van de informatie die zij tijdens het krachtens artikel 23, lid 1, eerste alinea, verrichte onderzoek heeft verkregen, oordeelt dat niet aan de registratievoorwaarden wordt voldaan, stelt zij uitvoeringshandelingen vast waarbij de aanvraag wordt verworpen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
1.  Indien de Commissie, op basis van de informatie die zij tijdens het krachtens artikel 23, lid 1, eerste alinea, verrichte onderzoek heeft verkregen, oordeelt dat niet aan de registratievoorwaarden wordt voldaan, stelt zij overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarbij de aanvraag wordt verworpen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  Indien de Commissie geen aankondiging van bezwaar of geen ontvankelijk met redenen omkleed bezwaarschrift krachtens artikel 24 ontvangt, stelt zij zonder de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure toe te passen, uitvoeringshandelingen vast waarbij de naam wordt geregistreerd.
2.  Indien de Commissie geen aankondiging van bezwaar of geen ontvankelijk met redenen omkleed bezwaarschrift krachtens artikel 24 ontvangt, stelt zij overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarbij de naam wordt geregistreerd.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – letter a
(a)  ofwel registreert zij, indien overeenstemming is bereikt, de naam door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure, en wijzigt zij, indien nodig, de krachtens artikel 23, lid 2, bekendgemaakte informatie, mits deze wijzigingen niet ingrijpend zijn; of
(a)  ofwel stelt zij, indien overeenstemming is bereikt, overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast om de naam te registreren en wijzigt zij, indien nodig, de krachtens artikel 23, lid 2, bekendgemaakte informatie, mits deze wijzigingen niet ingrijpend zijn; of
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – letter b
(b)  ofwel stelt zij, indien er geen overeenstemming is bereikt, uitvoeringshandelingen vast waarbij over de registratie wordt besloten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
(b)  ofwel stelt zij, indien er geen overeenstemming is bereikt, overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarbij over de registratie wordt besloten.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
Wanneer het nationale recht van toepassing is, volgt de aanvraag de in het nationale recht vastgelegde procedure.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3
3.  Het onderzoek van de aanvraag wordt op de voorgestelde wijziging toegespitst.
3.  Het onderzoek van de aanvraag heeft uitsluitend betrekking op de voorgestelde wijziging.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – alinea 1 – inleidende formule
In de volgende gevallen kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang, uitvoeringshandelingen vaststellen om de registratie van een beschermde geografische aanduiding te annuleren:
In de volgende gevallen is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen, op eigen initiatief of op verzoek van elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang, teneinde de registratie van een beschermde geografische aanduiding te annuleren:
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – alinea 1 – letter b
(b)  indien er sedert ten minste zeven jaar geen product op de markt is gebracht onder de als geografische aanduiding geregistreerde naam.
(b)  indien er sedert ten minste zeven opeenvolgende jaren geen product op de markt is gebracht onder de als geografische aanduiding geregistreerde naam.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – alinea 3
De in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Schrappen
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – alinea 3 bis (nieuw)
De handelingen tot annulering van geografische aanduidingen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – alinea 1
De Commissie stelt, zonder de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure toe te passen, uitvoeringshandelingen vast betreffende het aanleggen en actueel houden van een openbaar elektronisch register van krachtens deze regeling erkende geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (hierna het "register" genoemd).
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast betreffende het aanleggen en actueel houden van een openbaar elektronisch register van krachtens deze regeling erkende geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (hierna het "register" genoemd) dat in de plaats komt van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 en dezelfde juridische waarde heeft. Het register [voetnoot met een rechtstreekse link naar de desbetreffende website invoegen] verleent rechtstreeks toegang tot alle productdossiers voor gedistilleerde dranken die als geografische aanduidingen zijn geregistreerd.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – alinea 2
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen nadere regels vaststellen betreffende de vorm en de inhoud van het register. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen om nadere regels vast te stellen betreffende de vorm en de inhoud van het register.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – alinea 3
Geografische aanduidingen van in derde landen geproduceerde gedistilleerde dranken die in de Unie zijn beschermd krachtens een internationale overeenkomst waarbij de Unie een overeenkomstsluitende partij is, mogen als geografische aanduiding in het register worden opgenomen.
Geografische aanduidingen van in derde landen geproduceerde gedistilleerde dranken die in de Unie zijn beschermd krachtens een internationale overeenkomst waarbij de Unie een overeenkomstsluitende partij is, mogen pas als geografische aanduiding in het register worden opgenomen nadat de Commissie hiertoe een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken overeenkomstig artikel 2 van deze verordening geldt onverminderd de beschermde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van producten als gedefinieerd in artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 3
3.  Een naam wordt niet als geografische aanduiding beschermd indien de productie- of voorbereidende stadia die verplicht zijn voor de desbetreffende categorie gedistilleerde drank niet in het betrokken geografische gebied plaatsvinden.
3.  Een naam wordt niet als geografische aanduiding beschermd indien de stadia die verplicht zijn voor de desbetreffende categorie gedistilleerde drank niet in het betrokken geografische gebied plaatsvinden.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 34
Artikel 34
Artikel 34
Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot bestaande beschermde geografische aanduidingen
Bevoegdheden met betrekking tot bestaande geografische aanduidingen
1.  Onverminderd lid 2 worden krachtens Verordening (EG) nr. 110/2008 beschermde geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken automatisch beschermd als geografische aanduidingen krachtens de onderhavige verordening. De Commissie neemt deze geografische aanduidingen op in het register.
Krachtens Verordening (EG) nr. 110/2008 beschermde geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken worden automatisch beschermd als geografische aanduidingen krachtens de onderhavige verordening. De Commissie neemt deze geografische aanduidingen op in het register.
2.  Gedurende ten hoogste twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening kan de Commissie, middels uitvoeringshandelingen, op eigen initiatief de bescherming van de in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 110/2008 bedoelde geografische aanduidingen annuleren indien deze niet in overeenstemming zijn met artikel 2, lid 1, punt 6. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 1 – alinea 1 – letter b
(b)  controleorgaan in de zin van artikel 2, tweede alinea, punt 5, van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad19, dat optreedt als orgaan voor productcertificering.
(b)  gemachtigde instantie in de zin van artikel 3, punt 5, van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad19, die optreedt als orgaan voor productcertificering.
__________________
__________________
19 Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).
19 Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 1 – alinea 2
Ongeacht de nationale wetgeving van de lidstaten komen de kosten voor de verificatie van de inachtneming van het productdossier ten laste van de aan die controles onderworpen exploitanten van levensmiddelenbedrijven.
Ongeacht de nationale wetgeving van de lidstaten komen de kosten voor de verificatie van de inachtneming van het productdossier ten laste van de aan die controles onderworpen exploitanten.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 5
5.  De in de leden 1 en 2 bedoelde bevoegde autoriteiten of organen die verifiëren of de beschermde geografische aanduiding voldoet aan het productdossier, zijn objectief en onpartijdig. Zij beschikken over het gekwalificeerde personeel en de middelen die nodig zijn om hun taak te vervullen.
5.  De in de leden 1 en 2 bedoelde bevoegde autoriteiten of organen die verifiëren of de geografische aanduiding voldoet aan het productdossier, zijn objectief en onpartijdig. Zij beschikken over het gekwalificeerde personeel en de middelen die nodig zijn om hun taak te vervullen.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 1
1.  De in Verordening (EG) nr. 882/2004 vastgestelde procedures en vereisten gelden mutatis mutandis voor de in de artikelen 35 en 36 van deze verordening bedoelde controles.
1.  De in Verordening (EU) 2017/625 vastgestelde procedures en vereisten gelden mutatis mutandis voor de in de artikelen 35 en 36 van deze verordening bedoelde controles.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de werkzaamheden voor de controles van de verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk specifiek worden opgenomen in een aparte afdeling in de meerjarige nationale controleplannen overeenkomstig de artikelen 41, 42 en 43 van Verordening (EG) nr. 882/2004.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de werkzaamheden voor de controles van de verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk specifiek worden opgenomen in een aparte afdeling in de meerjarige nationale controleplannen overeenkomstig de artikelen 109 tot en met 111 van Verordening (EU) 2017/625.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 3
3.  De in artikel 44, lid 1, van Verordening (EG) nr. 882/2004 bedoelde jaarverslagen omvatten een afzonderlijke afdeling met de in die bepaling bedoelde informatie betreffende de controle van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening.
3.  De in artikel 113, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde jaarverslagen omvatten een afzonderlijke afdeling met de in die bepaling bedoelde informatie betreffende de controle van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 38
Artikel 38
Artikel 38
Gedelegeerde bevoegdheden
Gedelegeerde bevoegdheden
1.  Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de productie in het afgebakende geografische gebied is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
(a)  de aanvullende criteria voor de afbakening van het geografische gebied; en
(b)  de beperkingen en afwijkingen met betrekking tot de productie in het afgebakende geografische gebied.
2.  Met het oog op de kwaliteit en de traceerbaarheid van het product kan de Commissie, middels overeenkomstig artikel 43 vastgestelde gedelegeerde handelingen, de voorwaarden vaststellen waaronder het productdossier informatie betreffende verpakking als bedoeld in artikel 19, onder e), of een specifieke etiketteringsregel als bedoeld in artikel 19, onder h), mag bevatten.
3.  Om de rechten of de rechtmatige belangen van producenten of exploitanten van levensmiddelenbedrijven te waarborgen, kan de Commissie middels overeenkomstig artikel 43 vastgestelde gedelegeerde handelingen:
3.  Om de rechten of de rechtmatige belangen van producenten of exploitanten te waarborgen, kan de Commissie middels overeenkomstig artikel 43 vastgestelde gedelegeerde handelingen:
(a)  vaststellen in welke gevallen een individuele producent de bescherming van een geografische aanduiding kan aanvragen;
(a)  vaststellen in welke gevallen een individuele producent de bescherming van een geografische aanduiding kan aanvragen;
(b)  de voorwaarden vaststellen met betrekking tot een aanvraag voor de bescherming van een geografische aanduiding, de inleidende nationale procedures, het onderzoek door de Commissie, de bezwaarprocedure en de annulering van geografische aanduidingen, met inbegrip van gevallen waarin een geografisch gebied zich over meer dan een land uitstrekt.
(b)  de voorwaarden vaststellen met betrekking tot een aanvraag voor de bescherming van een geografische aanduiding, de inleidende nationale procedures, het onderzoek door de Commissie, de bezwaarprocedure en de annulering van geografische aanduidingen, met inbegrip van gevallen waarin een geografisch gebied zich over meer dan een land uitstrekt.
4.  Om ervoor te zorgen dat productdossiers relevante en beknopte informatie verschaffen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende regels die grenzen stellen aan de informatie in het productdossier, indien zulks noodzakelijk is om buitensporig omvangrijke registratieaanvragen te vermijden.
4.  Om ervoor te zorgen dat productdossiers relevante en beknopte informatie verschaffen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende regels die grenzen stellen aan de informatie in het productdossier, indien zulks noodzakelijk is om buitensporig omvangrijke registratieaanvragen te vermijden.
5.  Om het administratieve proces van een wijzigingsaanvraag te vergemakkelijken, onder meer indien de wijziging bestaat in een tijdelijke verandering van het productdossier die het gevolg is van een door de overheid opgelegde verplichte gezondheids- of fytosanitaire maatregel of die verband houdt met door de bevoegde autoriteiten formeel erkende natuurrampen of ongunstige weersomstandigheden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de voorwaarden en vereisten te bepalen van de procedure betreffende de wijzigingen die zowel door de lidstaten als door de Commissie moeten worden goedgekeurd.
5.  Om het administratieve proces van een wijzigingsaanvraag te vergemakkelijken, onder meer indien de wijziging bestaat in een tijdelijke verandering van het productdossier die het gevolg is van een door de overheid opgelegde verplichte gezondheids- of fytosanitaire maatregel of die verband houdt met door de bevoegde autoriteiten formeel erkende natuurrampen of ongunstige weersomstandigheden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de voorwaarden en vereisten te bepalen van de procedure betreffende de wijzigingen die zowel door de lidstaten als door de Commissie moeten worden goedgekeurd.
6.  Om onrechtmatig gebruik van geografische aanduidingen te voorkomen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de passende maatregelen die de lidstaten in dit verband ten uitvoer dienen te leggen.
6.  Om onrechtmatig gebruik van geografische aanduidingen te voorkomen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de passende maatregelen die de lidstaten in dit verband ten uitvoer dienen te leggen.
7.  Om de doeltreffendheid van de in dit hoofdstuk bedoelde controles te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nodige maatregelen betreffende de mededelingen van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven aan de bevoegde autoriteiten.
7.  Om de doeltreffendheid van de in dit hoofdstuk bedoelde controles te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nodige maatregelen betreffende de mededelingen van de exploitanten aan de bevoegde autoriteiten.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 1
1.  De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de controles van gedistilleerde dranken. Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd en wijzen de bevoegde autoriteiten aan die belast zijn met het controleren van de naleving van deze verordening.
1.  De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de controles van gedistilleerde dranken overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625. Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd en wijzen de bevoegde autoriteiten aan die belast zijn met het controleren van de naleving van deze verordening.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 2
2.  De bevoegdheid om de in de artikelen 5, 16, 38, 41 en artikel 46, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening voor onbepaalde tijd verleend.
2.  De bevoegdheid om de in de artikelen 5, 16, 27, 29, 30, 38, 41 en artikel 46, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [PB: gelieve de datum van inwerkingtreding van deze verordening in te voegen]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op met betrekking tot de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 46 – lid 3 – alinea 1
3.  De artikelen 19 tot en met 23 en de artikelen 28 en 29 zijn van toepassing op de beschermings- en wijzigingsaanvragen en annuleringsverzoeken die na de toepassingsdatum van deze verordening worden ingediend.
3.  De artikelen 19 tot en met 23 en de artikelen 28 en 29 zijn van toepassing op de beschermings- en wijzigingsaanvragen en annuleringsverzoeken die na de toepassingsdatum van deze verordening worden ingediend. In de verwijzing naar productspecificaties als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 7, worden in voorkomend geval ook de technische dossiers opgenomen van gedistilleerde dranken die krachtens Verordening (EG) nr. 110/2008 beschermd zijn, in het bijzonder met betrekking tot dit artikel en de artikelen 18, 28, 29, 35, 38 en 39 van onderhavige verordening.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Onder "uit landbouwproducten" wordt verstaan verkregen uit landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij het VWEU.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
(1 ter)  Onder "distillatie" wordt verstaan een proces waarbij een alcoholhoudend mengsel van stoffen of een alcoholische vloeistof wordt verhit en de damp die hierbij ontstaat vervolgens weer wordt gecondenseerd (vloeibaar wordt gemaakt). Het doel van dit thermische proces is het scheiden van stoffen in het oorspronkelijke mengsel of het versterken van bepaalde sensorische kenmerken van de alcoholische vloeistof. De distillatie vindt een of meerdere keren plaats, afhankelijk van de productcategorie, de productiemethode of de gebruikte apparatuur.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 2– alinea 2
Worden de gebruikte grondstoffen vermeld, dan moet het distillaat uitsluitend uit die grondstoffen zijn verkregen.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
(2 bis)  In het kader van deze verordening wordt de algemene term "distillatie" gebruikt voor zowel enkelvoudige als meervoudige distillatie of herdistillatie.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 3 – letter e bis (nieuw)
(e bis)   stevia;
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 3 – letter f
(f)  andere natuurlijke koolhydraten die een soortgelijke werking hebben als de onder a) tot en met e) bedoelde producten.
(f)  andere natuurlijke stoffen of landbouwgrondstoffen die een soortgelijke werking hebben als de onder a) tot en met e) bedoelde producten.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 4
(4)  Onder "toevoeging van alcohol" wordt verstaan de bewerking waarbij ethylalcohol uit landbouwproducten of distillaten uit landbouwproducten of beide worden toegevoegd aan een gedistilleerde drank.
(4)  Onder "toevoeging van alcohol" wordt verstaan de bewerking waarbij ethylalcohol uit landbouwproducten of distillaten uit landbouwproducten of beide worden toegevoegd aan een gedistilleerde drank. Het gebruik van alcohol uit landbouwproducten voor het verdunnen of oplossen van kleurstoffen, aroma's of andere toegestane additieven die bij de bereiding van gedistilleerde dranken worden gebruikt, wordt niet als toevoeging van alcohol beschouwd.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Onder "aromatisering" wordt verstaan de toevoeging van aroma's of voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen bij de bereiding van een gedistilleerde drank.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 14
(14)  Onder "kleuring" wordt verstaan het gebruik bij de bereiding van een gedistilleerde drank van een of meer kleurstoffen in de zin van bijlage I, punt 2, van Verordening (EG) nr. 1333/2008.
(14)  Onder "kleuring" wordt verstaan het gebruik bij de productie van een gedistilleerde drank van een of meer kleurstoffen in de zin van bijlage I, punt 2, van Verordening (EG) nr. 1333/2008.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 16 bis (nieuw)
(16 bis)   Onder "plaats van bereiding" wordt verstaan de plaats of regio waar de fase van het productieproces van het eindproduct plaatsvond die de gedistilleerde drank zijn eigen karakter en zijn wezenlijke definitieve eigenschappen heeft gegeven.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 1 – punt 16 ter (nieuw)
(16 ter)   Onder "aanduiding" wordt verstaan de termen die worden gebruikt in de etikettering, de presentatie en de verpakking, in de documenten die de drank bij het vervoer ervan vergezellen, in de handelsdocumenten, vooral de facturen en de leveringsbonnen, en in reclame voor de drank.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 1 – letter a – punt ii
(ii)  een uitsluitend door alcoholische vergisting en distillatie van suikerrietsap verkregen gedistilleerde drank die de specifieke aromatische kenmerken van rum bezit en een gehalte aan vluchtige stoffen heeft dat ten minste 225 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol bedraagt. Deze gedistilleerde drank kan in de handel worden gebracht met het woord "boeren-", dat de verkoopbenaming "rum" nader omschrijft, vergezeld van een van de geregistreerde geografische aanduidingen van de Franse overzeese departementen en de autonome regio Madeira.
(ii)  een uitsluitend door alcoholische vergisting en distillatie van suikerrietsap verkregen gedistilleerde drank die de specifieke aromatische kenmerken van rum bezit en een gehalte aan vluchtige stoffen heeft dat ten minste 225 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol bedraagt. Deze gedistilleerde drank kan alleen in de handel worden gebracht met het woord "boeren-", dat de wettelijke benaming "rum" nader omschrijft, als dit vergezeld gaat van een van de geregistreerde geografische aanduidingen van de Franse overzeese departementen en de autonome regio Madeira.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 1 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  Rum mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter van het eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 2 – titel
2.  Whisky of whiskey
2.  Whisky of whiskey
(De woorden " Whisky of whiskey " moeten cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 2 – letter c
(c)  Er mag geen alcohol, al dan niet verdund, aan worden toegevoegd in de zin van bijlage I, punt 54.
(c)  Er mag geen alcohol, al dan niet verdund, aan worden toegevoegd in de zin van bijlage I, punt 4.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 2 – letter d
(d)  Whisky of whiskey wordt niet verzoet of gearomatiseerd en bevat geen andere additieven dan zuivere karamel voor de kleuring.
(d)  Whisky of whiskey wordt niet verzoet of gearomatiseerd en bevat geen andere additieven dan zuivere karamel (E150a) voor de kleuring.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 3 – letter b
(b)  Behalve in het geval van Korn bedraagt het alcoholvolumegehalte van gedistilleerde drank van granen ten minste 37 %.
(b)  Behalve in het geval van Korn bedraagt het alcoholvolumegehalte van gedistilleerde drank van granen ten minste 35 %.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 3 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  Gedistilleerde drank van granen mag worden verzoet tot maximaal 10 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 4 – letter d
(d)  Wijn-eau-de-vie wordt niet gearomatiseerd. Dit sluit traditionele productiemethoden niet uit.
(d)  Wijn-eau-de-vie wordt niet gearomatiseerd. Dit sluit de toevoeging van stoffen die traditioneel bij de productie ervan worden gebruikt niet uit. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast om te specificeren welke stoffen in de hele Unie worden toegestaan en baseert zich daarbij op de traditionele productieprocessen in de afzonderlijke lidstaten.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 4 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  Wijn-eau-de-vie mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 4 – letter f ter (nieuw)
(f ter)  De term "wijn-eau-de-vie" in combinatie met "azijn" is nog steeds toegestaan voor de aanduiding, presentatie en etikettering van azijn.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 5 – titel
5.  Brandy of Weinbrand
5.  Brandy of Weinbrand
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 5 – letter d
(d)  Brandy of Weinbrand wordt niet gearomatiseerd. Dit sluit traditionele productiemethoden niet uit.
(d)  Brandy of Weinbrand wordt niet gearomatiseerd. Dit sluit de toevoeging van stoffen die traditioneel bij de productie ervan worden gebruikt niet uit. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast om te specificeren welke stoffen in de hele Unie worden toegestaan en baseert zich daarbij op de traditionele productieprocessen in de afzonderlijke lidstaten.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 5 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  Brandy of Weinbrand mag worden verzoet tot maximaal 35 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
(De woorden "Brandy of Weinbrand" moeten cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 6 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  Druivendraf-eau-de-vie of marc mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 7 – letter a – punt iv
(iv)  voor vruchtendraf-eau-de-vie van steenvruchten bedraagt het gehalte aan cyaanwaterstof ten hoogste 7 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol;
(iv)  voor vruchtendraf-eau-de-vie van steenvruchten bedraagt het gehalte aan cyaanwaterstof ten hoogste gram per hectoliter alcohol van 100 % vol; in het geval van vruchtendraf-eau-de-vie van steenvruchten wordt het ethylcarbamaatgehalte van 1 milligram per liter eindproduct niet overschreden.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 7 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  Vruchtendraf-eau-de-vie mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 8 – titel
8.  Rozijnen- of krenten-eau-de-vie of raisin brandy
8.  Rozijnen- of krenten-eau-de-vie of raisin brandy
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 8 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  Rozijnen- of krenten-eau-de-vie of raisin brandy mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
(De woorden "raisin brandy" moeten cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 9 – letter a – punt iv
(iv)  in het geval van eaux-de-vie van steenvruchten heeft hij een gehalte aan cyaanwaterstof dat ten hoogste 7 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol bedraagt.
(iv)  in het geval van eaux-de-vie van steenvruchten wordt een gehalte aan cyaanwaterstof van 1 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol niet overschreden. In het geval van eaux-de-vie van steenvruchten wordt het ethylcarbamaatgehalte van 1 milligram per liter eindproduct niet overschreden.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 9 – letter b – punt ii bis (nieuw)
(ii bis)  – elsbessen (Sorbus torminalis (L.) Crantz),
–  peerlijsterbessen (Sorbus domestica L.),
–  rozenbottels (Rosa canina L.),
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 9 – letter f – alinea 3 bis (nieuw)
Als alternatief mag de verkoopbenaming "Obstler" worden gebruikt voor vruchten-eau-de-vie die uitsluitend is geproduceerd van verschillende variëteiten appelen, peren of beide.
(Het woord "Obstler" moet cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 9 – letter h
(h)  Indien twee of meer soorten vruchten, bessen of groenten samen zijn gedistilleerd, is de verkoopbenaming van het product "vruchten-eau-de-vie" of, waar van toepassing, "groenten-eau-de-vie". Deze verkoopbenaming mag worden aangevuld met de naam van elk van die vruchten-, bessen- of groentesoorten, vermeld in afnemende volgorde van de gebruikte hoeveelheden.
(h)  Indien twee of meer soorten vruchten, bessen of groenten samen zijn gedistilleerd, is de verkoopbenaming van het product "vruchten-en-groenten-eau-de-vie" wanneer het beslag van voornamelijk vruchten of bessen samen wordt gedistilleerd, of "groenten-en-vruchten-eau-de-vie" wanneer het beslag van voornamelijk groenten samen wordt gedistilleerd. Deze verkoopbenaming mag worden aangevuld met de naam van elk van die vruchten-, bessen- of groentesoorten, vermeld in afnemende volgorde van de gebruikte hoeveelheden.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 9 – letter h bis (nieuw)
(h bis)  Vruchten-eau-de-vie mag worden verzoet tot maximaal 18 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 10 – letter d
(d)  Appelcider-eau-de-vie en perencider-eau-de-vie worden niet gearomatiseerd.
(d)  Appelcider-eau-de-vie en perencider-eau-de-vie worden niet gearomatiseerd. Dit sluit traditionele productiemethoden echter niet uit.
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 10 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  Appelcider-eau-de-vie en perencider-eau-de-vie mogen worden verzoet tot maximaal 15 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 11 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  Honing-eau-de-vie mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 12 – titel
12.  Hefebrand
12.  Hefebrand of moer-eau-de-vie
(De woorden "of moer-eau-de-vie" moeten cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 12 – letter a
(a)  Hefebrand of moer-eau-de-vie is een gedistilleerde drank die uitsluitend is verkregen door distillatie tot minder dan 86 % vol van wijnmoer of moer van vergiste vruchten.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 12 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  Hefebrand of moer-eau-de-vie mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
(Het woord "Hefebrand" moet cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 13 – titel
13.  Bierbrand of eau-de-vie de bière
13.  Bierbrand of eau-de-vie de bière
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 13 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  Bierbrand of eau-de-vie de bière mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
(De woorden "Bierbrand of eau-de-vie de bière" moeten cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 14 – titel
14.  Topinambur
14.  Topinambur of aardpeer-eau-de-vie
(De woorden "of aardpeer-eau-de-vie" moeten cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 14 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  Topinambur of aardpeer-eau-de-vie mag worden verzoet tot maximaal 20 gram per liter eindproduct, uitgedrukt in invertsuiker, met het oog op het op smaak afmaken van het product.
(Het woord "Topinambur" moet cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 15 – letter a – alinea 3
De maximale residugehalten zijn die welke in bijlage I, punt 1, zijn vastgesteld voor ethylalcohol uit landbouwproducten, behalve dat het methanolgehalte in het eindproduct niet meer mag bedragen dan 10 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol.
De maximale residugehalten voor ethylalcohol uit landbouwproducten die wordt gebruikt om wodka te produceren, zijn die welke in bijlage I, punt 1, zijn vastgesteld, behalve dat het methanolgehalte in het eindproduct niet meer mag bedragen dan 10 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 15 – letter b
(b)  Het alcoholvolumegehalte van wodka bedraagt ten minste 37,5 %.
(b)  Het alcoholvolumegehalte van wodka bedraagt niet minder dan 37,5 % en niet meer dan 80 %.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 15 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  Wodka wordt niet gekleurd.
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 15 – letter d
(d)  Op de aanduiding, presentatie of etikettering van wodka die niet uitsluitend is geproduceerd uit aardappelen of granen, wordt de vermelding "geproduceerd uit …" aangebracht, aangevuld met de naam van de grondstoffen die zijn gebruikt voor de productie van de ethylalcohol uit landbouwproducten.
(d)  Op de aanduiding, presentatie of etikettering van wodka die niet uitsluitend is geproduceerd uit aardappelen of granen of beide, wordt de vermelding "geproduceerd uit …" aangebracht, aangevuld met de naam van de grondstoffen die zijn gebruikt voor de productie van de ethylalcohol uit landbouwproducten.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 15 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  Wodka mag worden verzoet met het oog op het op smaak afmaken van het product. Het eindproduct mag echter niet meer dan 10 gram per liter aan zoetstoffen bevatten, uitgedrukt als invertsuikerequivalent.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 15 – letter d ter (nieuw)
(d ter)  Als alternatief mag in elke lidstaat de verkoopbenaming "vodka" worden gebruikt.
(Het woord "vodka" moet cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 16 – letter a – punt i
(i)  hij is verkregen door maceratie van onder punt ii) genoemde vruchten of bessen, hetzij gedeeltelijk vergist, hetzij niet vergist, eventueel aangevuld, per 100 kg vergiste vruchten of bessen, met ten hoogste 20 l ethylalcohol uit landbouwproducten of met uit dezelfde vruchten verkregen eau-de-vie of distillaat of met een mengsel daarvan, gevolgd door distillatie tot minder dan 86 % vol;
(i)  hij is verkregen door maceratie van onder punt ii) genoemde vruchten of bessen, hetzij gedeeltelijk vergist, hetzij niet vergist, eventueel aangevuld, per 100 kg vergiste vruchten of bessen, met ten hoogste 20 l ethylalcohol uit landbouwproducten of met uit dezelfde vruchten verkregen eau-de-vie of distillaat of met een combinatie daarvan, gevolgd door distillatie tot minder dan 86 % vol;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 16 – letter a – punt ii – streepje 9
–  lijsterbessen (Sorbus aucuparia L.),
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 16 – letter a – punt ii – streepje 10
–  peerlijsterbessen (Sorbus domestica L.),
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 16 – letter a – punt ii – streepje 32 bis (nieuw)
—  appelbessen (Aronia),
—  vogelkers (Prunus padus L.).
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 17 – letter a
(a)  Geist (voorafgegaan door de naam van de vrucht of de gebruikte grondstoffen) is een gedistilleerde drank die wordt verkregen door in categorie 16, onder a), ii), vermelde niet-vergiste vruchten en bessen, dan wel groenten, noten of andere plantaardige materialen zoals kruiden of rozenblaadjes te macereren in ethylalcohol uit landbouwproducten, gevolgd door distillatie tot minder dan 86 % vol.
(a)  Geist (voorafgegaan door de naam van de vrucht of de gebruikte grondstoffen) is een gedistilleerde drank die wordt verkregen door in categorie 16, onder a), ii), vermelde niet-vergiste vruchten en bessen, dan wel groenten, noten, paddenstoelen of andere plantaardige materialen zoals kruiden of rozenblaadjes te macereren in ethylalcohol uit landbouwproducten, gevolgd door distillatie tot minder dan 86 % vol.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 17 – titel
17.  Geist (voorafgegaan door de naam van de vrucht of de gebruikte grondstoffen)
17.   Geist (voorafgegaan door de naam van de vrucht of de gebruikte grondstoffen)
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 17 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  Het gebruik van de benaming "-geist" die wordt voorafgegaan door een andere term dan de naam van een vrucht blijft toegestaan voor fantasienamen in de sector gedistilleerde dranken.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 19 – letter a
(a)  Met jeneverbessen gearomatiseerde gedistilleerde drank is een gedistilleerde drank die is verkregen door ethylalcohol uit landbouwproducten of granen-eau-de-vie of granendistillaat of een mengsel daarvan te aromatiseren met jeneverbessen (Juniperus communis L. en/of Juniperus oxicedrus L.).
(a)  Met jeneverbessen gearomatiseerde gedistilleerde drank is een gedistilleerde drank die is verkregen door ethylalcohol uit landbouwproducten of granen-eau-de-vie of granendistillaat of een combinatie daarvan te aromatiseren met jeneverbessen (Juniperus communis L. en/of Juniperus oxicedrus L.).
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 20 – titel
20.  Gin
20.  Gin
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 21 – titel
21.  Gedistilleerde gin
21.  Gedistilleerde gin
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 21 – letter a – punt ii
(ii)  een mengsel van het product van een dergelijke distillatie en ethylalcohol uit landbouwproducten met dezelfde samenstelling, dezelfde zuiverheid en hetzelfde alcoholgehalte; om gedistilleerde gin te aromatiseren mogen ook aromastoffen en/of aromatiserende preparaten zoals bedoeld in categorie 20, onder c), worden gebruikt.
(ii)  een combinatie van het product van een dergelijke distillatie en ethylalcohol uit landbouwproducten met dezelfde samenstelling, dezelfde zuiverheid en hetzelfde alcoholgehalte; om gedistilleerde gin te aromatiseren mogen ook aromastoffen en/of aromatiserende preparaten zoals bedoeld in categorie 20, onder c), worden gebruikt.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 22 – titel
22.  London gin
22.  London gin
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 22 – letter c
(c)  De term London gin mag worden aangevuld met de term dry.
(c)  De term London gin mag de term dry omvatten.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 24 – titel
24.  Akvavit of aquavit
24.  Akvavit of aquavit
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 26 – titel
26.  Pastis
26.  Pastis
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 27 – titel
27.  Pastis de Marseille
27.  Pastis de Marseille
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 28 – titel
28.  Anis
28.  Anis
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 28 – letter b
(b)  Het alcoholvolumegehalte van anis bedraagt ten minste 37 %.
(b)  Het alcoholvolumegehalte van anis bedraagt ten minste 35 %.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 29 – titel
29.  Gedistilleerde anis
29.  Gedistilleerde anis
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 30 – titel
30.  Gedistilleerde drank met bittere smaak of bitter
30.  Gedistilleerde drank met bittere smaak of bitter
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 30 – letter a
(a)  Gedistilleerde drank met bittere smaak of bitter is een gedistilleerde drank met een overheersend bittere smaak die wordt verkregen door aromatisering van ethylalcohol uit landbouwproducten met aromastoffen.
(a)  Gedistilleerde drank met bittere smaak of bitter is een gedistilleerde drank met een overheersend bittere smaak die wordt verkregen door aromatisering van ethylalcohol uit landbouwproducten met aromastoffen of aromatiserende preparaten of beide.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 31 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  Het gehalte aan suiker van gearomatiseerde wodka, uitgedrukt in invertsuiker, bedraagt ten hoogste 100 gram per liter.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 31 – letter d ter (nieuw)
(d ter)  De term "wodka" mag in alle officiële talen van de Unie worden vervangen door "vodka".
(Het woord "vodka" moet cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 32 – letter a – punt ii
(ii)  is geproduceerd met ethylalcohol uit landbouwproducten of met een distillaat uit landbouwproducten of met een of meer gedistilleerde dranken of met een mengsel daarvan, die zijn verzoet en waaraan een of meer aroma's, landbouwproducten of voedingsmiddelen zijn toegevoegd.
(ii)  is geproduceerd met ethylalcohol uit landbouwproducten of met een distillaat uit landbouwproducten of met een of meer gedistilleerde dranken of met een combinatie daarvan, die zijn verzoet en waaraan een of meer aroma's, landbouwproducten of voedingsmiddelen zijn toegevoegd.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 32 – letter d – alinea 2 bis (nieuw)
Als alternatief mag in elke lidstaat de verkoopbenaming "liqueur" worden gebruikt.
(Het woord "liqueur" moet cursief worden aangegeven indien goedgekeurd)
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 32 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  De verkoopbenaming "likeur" kan ook worden aangevuld met de naam van het aroma of voedingsmiddel dat bij de bereiding van het product wordt gebruikt.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 34 – titel
34.  Crème de cassis
34.  Crème de cassis
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 35 – titel
35.  Guignolet
35.  Guignolet
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 36 – titel
36.  Punch au rhum
36.  Punch au rhum
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 37 – titel
37.  Sloe gin
37.  Sloe gin
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 38 – titel
38.   Met sleepruimen gearomatiseerde gedistilleerde drank of Pacharán
31 bis.   Met sleepruimen gearomatiseerde gedistilleerde drank of Pacharán
(De categorie "met sleepruimen gearomatiseerde gedistilleerde drank of Pacharán" moet tussen de categorieën 31 "Wodka" en 32 "Likeur" worden geplaatst)
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 39 – titel
39.  Sambuca
39.  Sambuca
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 39 – letter a – punt ii
(ii)  hij heeft een gehalte aan suiker, uitgedrukt in invertsuiker, van ten minste 370 gram per liter;
(ii)  hij heeft een gehalte aan suiker, uitgedrukt in invertsuiker, van ten minste 350 gram per liter;
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 40 – titel
40.  Maraschino, marrasquino of maraskino
40.  Maraschino, marrasquino of maraskino
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 41 – titel
41.  Nocino
41.  Nocino
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 42 – titel
42.  Eierlikeur of advocaat of avocat of advokat
42.  Eierlikeur of advocaat of avocat of advokat
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 42 – letter a
(a)  Eierlikeur of advocaat of avocat of advokat is een al dan niet gearomatiseerde gedistilleerde drank op basis van ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaat of eau-de-vie, of een mengsel daarvan, die de ingrediënten kwaliteitseigeel, eiwit en suiker of honing bevat. Het gehalte aan suiker of honing, uitgedrukt in invertsuiker, bedraagt ten minste 150 gram per liter. Het gehalte aan kwaliteitseigeel bedraagt ten minste 140 gram per liter eindproduct.
(a)  Eierlikeur of advocaat of avocat of advokat is een al dan niet gearomatiseerde gedistilleerde drank op basis van ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaat of eau-de-vie, of een combinatie daarvan, die de ingrediënten eigeel, eiwit en suiker of honing bevat. Het gehalte aan suiker of honing, uitgedrukt in invertsuiker, bedraagt ten minste 150 gram per liter. Het gehalte aan kwaliteitseigeel bedraagt ten minste 140 gram per liter eindproduct. Wanneer eieren worden gebruikt van een andere soort kip dan de Gallus gallus, moet dit worden vermeld op het etiket.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 42 – letter c
(c)  Bij de bereiding van advocaat of avocat of advokat mogen uitsluitend aromastoffen en aromatiserende preparaten worden gebruikt.
(c)  Bij de bereiding van eierlikeur of advocaat of avocat of advokat mogen uitsluitend levensmiddelen met aromatiserende eigenschappen, natuurlijke aromastoffen en aromatiserende preparaten worden gebruikt.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 42 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  Bij de bereiding van eierlikeur of advocaat of avocat of advokat mag room worden gebruikt.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 43 – letter a
(a)  Likeur met ei is een al dan niet gearomatiseerde gedistilleerde drank op basis van ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaat of eau-de-vie, of een mengsel daarvan, die de kenmerkende ingrediënten kwaliteitseigeel, eiwit en suiker of honing bevat. Het gehalte aan suiker of honing, uitgedrukt in invertsuiker, bedraagt ten minste 150 gram per liter. Het gehalte aan eigeel bedraagt ten minste 70 gram per liter eindproduct.
(a)  Likeur met ei is een al dan niet gearomatiseerde gedistilleerde drank op basis van ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaat of eau-de-vie, of een combinatie daarvan, die de kenmerkende ingrediënten kwaliteitseigeel, eiwit en suiker of honing bevat. Het gehalte aan suiker of honing, uitgedrukt in invertsuiker, bedraagt ten minste 150 gram per liter. Het gehalte aan eigeel bedraagt ten minste 70 gram per liter eindproduct.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 44 – titel
44.  Mistrà
44.  Mistrà
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 45 – titel
45.  Väkevä glögi of spritglögg
45.  Väkevä glögi of spritglögg
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel I – categorie 46 – titel
46.  Berenburg of Beerenburg
46.  Berenburg of Beerenburg
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – deel II – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.  Guignolet Kirsch is een in Frankrijk geproduceerde drank die wordt verkregen door vermenging van guignolet en kirsch, waarbij ten minste 3 % van de in het eindproduct aanwezige zuivere alcohol afkomstig moet zijn van kirsch. Het alcoholvolumegehalte van Guignolet Kirsch bedraagt ten minste 15 %. Wat de etikettering en de presentatie betreft, wordt het woord "Guignolet" in de presentatie of op de etikettering in letters van hetzelfde type, dezelfde grootte en dezelfde kleur als die van, en op dezelfde regel als, het woord "Kirsch" vermeld, waarbij dit in het geval van flessen op het buiketiket moet zijn. De informatie over alcoholische samenstelling vermeldt het volumepercentage zuivere alcohol dat guignolet en kirsch elk vertegenwoordigen in het totale volumegehalte aan zuivere alcohol van Guignolet Kirsch.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Bijlage II bis (nieuw)
BIJLAGE II bis
RIJPING MET BEHULP VAN HET DYNAMISCHE RIJPINGSSYSTEEM "CRIADERAS Y SOLERA"
Rijping met behulp van het dynamische rijpingssysteem "criaderas y solera" bestaat uit het periodiek extraheren van een deel van de brandy uit elk van de eikenhouten fusten en vaten van eenzelfde rijpingstrap, en het overeenkomstig bijvullen met uit de voorgaande rijpingstrap geëxtraheerde brandy.
Definities
Rijpingstrappen: elke groep eikenhouten fusten en vaten met hetzelfde rijpingsniveau die de brandy doorloopt tijdens het rijpingsproces. Elke trap wordt een "criadera" genoemd, behalve de laatste trap net voor de brandy wordt gebotteld, die de "solera" wordt genoemd.
Extractie: deelvolume van brandy dat uit elk eikenhouten fust of vat van dezelfde trap wordt onttrokken om te worden toegevoegd aan de eikenhouten fusten en vaten van de volgende rijpingstrap of, in het geval van de solera, om te worden gebotteld.
Bijvulling: volume van brandy uit de eikenhouten fusten en vaten van een bepaalde rijpingstrap dat wordt toegevoegd aan en wordt gemengd met de inhoud van de eikenhouten fusten en vaten van de volgende rijpingstrap.
Gemiddelde ouderdom: tijdsaanduiding die overeenkomt met de omloopsnelheid van de totale voorraad brandy die het rijpingsproces ondergaat, berekend als het totale volume aan brandy in alle rijpingstrappen gedeeld door het volume van de extracties uit de laatste trap – de solera – in één jaar.
De gemiddelde ouderdom van de brandy die uit de solera wordt onttrokken, kan worden berekend met behulp van de volgende formule: t̅ = Vt/Ve
waarbij:
− ̅t̅ de gemiddelde ouderdom is, uitgedrukt in jaren;
− Vt het totale volume van de voorraad in het rijpingssysteem is, uitgedrukt in liters zuivere alcohol;
− Ve het totale volume product is dat gedurende een jaar wordt onttrokken om te worden gebotteld, uitgedrukt in liters zuivere alcohol.
Minimale gemiddelde ouderdom. In het geval van eikenhouten fusten en vaten van minder dan 1 000 liter is het aantal jaarlijkse extracties en bijvullingen gelijk aan of lager dan tweemaal het aantal trappen in het systeem, teneinde te waarborgen dat het jongste bestanddeel een ouderdom van zes maanden of meer heeft.
In het geval van eikenhouten fusten en vaten van 1 000 liter of meer is het aantal jaarlijkse extracties en bijvullingen gelijk aan of lager dan het aantal trappen in het systeem, teneinde te waarborgen dat het jongste bestanddeel een ouderdom van één jaar of meer heeft.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0021/2018).


Verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied *
PDF 435kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot te rapporteren grensoverschrijdende constructies (COM(2017)0335 – C8-0195/2017 – 2017/0138(CNS))
P8_TA(2018)0050A8-0016/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2017)0335),

–  gezien de artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0195/2017),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(1),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0016/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Het valt de lidstaten almaar moeilijker om hun nationale belastinggrondslagen tegen uitholling te beschermen naarmate fiscale planningstructuren steeds gesofisticeerder worden en vaak profiteren van de toegenomen mobiliteit van kapitaal en personen binnen de interne markt. Deze structuren bestaan gewoonlijk uit constructies die zich over meerdere rechtsgebieden uitstrekken, waarbij belastbare winsten worden verschoven naar gunstigere belastingregimes of de totale belastingdruk op een belastingplichtige wordt verlaagd. Daardoor lopen de lidstaten vaak aanzienlijke belastinginkomsten mis en kunnen zij moeilijker een groeivriendelijk fiscaal beleid voeren. Het is dan ook van wezenlijk belang dat de belastingautoriteiten van de lidstaten volledige en relevante informatie over mogelijk agressieve fiscale constructies krijgen. Hiermee zouden deze autoriteiten snel kunnen reageren op schadelijke belastingpraktijken en mazen dichten door wetgeving vast te stellen of door passende risicobeoordelingen en belastingcontroles te verrichten.
(2)  Het valt de lidstaten almaar moeilijker om hun nationale belastinggrondslagen tegen uitholling te beschermen naarmate agressieve en ingewikkelde fiscale planningstructuren steeds gesofisticeerder worden en vaak profiteren van de toegenomen mobiliteit van kapitaal en personen binnen de interne markt. Die structuren bestaan gewoonlijk uit constructies die zich over meerdere rechtsgebieden uitstrekken, waarbij de belastbare winsten van bedrijven en particulieren worden verschoven naar gunstigere belastingregimes of de belastingdruk op belastingplichtigen wordt verlaagd. Daardoor lopen de lidstaten vaak aanzienlijke belastinginkomsten mis. Bovendien neemt de spread tussen de vennootschapstarieven binnen de lidstaten en tussen de lidstaten toe, en het is van groot belang dat er niet getornd wordt aan het beginsel van gelijke belasting. Hierdoor kunnen lidstaten moeilijker een groeivriendelijk fiscaal beleid voeren. Het is dan ook van wezenlijk belang dat de belastingautoriteiten van de lidstaten volledige en relevante informatie krijgen over constructies die belastingontduiking en -ontwijking gemakkelijker maken. Hiermee zouden deze autoriteiten snel kunnen reageren op schadelijke belastingpraktijken en mazen dichten door wetgeving vast te stellen of door passende risicobeoordelingen en belastingcontroles te verrichten. Het uitblijven van een reactie van de belastingautoriteiten over gerapporteerde regelingen mag echter niet worden geïnterpreteerd als een impliciete goedkeuring door hen. Rapportagemodellen moeten beknopt en gebruiksvriendelijk zijn om te vermijden dat de hoeveelheid informatie die door deze richtlijn kan worden gegenereerd verhindert dat er doeltreffende maatregelen worden genomen voor gemelde praktijken.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Aangezien het merendeel van de mogelijk agressieve fiscale planningconstructies zich over meer dan één rechtsgebied uitstrekt, zou de melding van inlichtingen over dergelijke constructies nog meer resultaat opleveren als die inlichtingen ook tussen de lidstaten zouden worden uitgewisseld. Met name de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen belastingdiensten is van wezenlijk belang om deze autoriteiten de informatie te bezorgen die zij nodig hebben om op te treden wanneer zij agressieve fiscale praktijken vaststellen.
(3)  Aangezien het merendeel van de mogelijk agressieve fiscale planningconstructies zich over meer dan één rechtsgebied uitstrekt, zou de melding van inlichtingen over dergelijke constructies nog meer resultaat opleveren als die inlichtingen ook tussen de lidstaten zouden worden uitgewisseld. Met name de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen belastingdiensten en coördinatie van de financiële inlichtingeneenheden die zich bezighouden met het witwassen van geld en terrorismefinanciering zijn van wezenlijk belang om deze autoriteiten de informatie te bezorgen die zij nodig hebben om op te treden wanneer zij agressieve fiscale praktijken vaststellen. De lidstaten moeten echter worden aangespoord om gelijkaardige meldingsvereisten op te stellen voor constructies die alleen in hun eigen rechtsgebied voorkomen.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Vanuit het inzicht dat een transparant kader voor de ontplooiing van bedrijfsactiviteiten kan bijdragen aan de bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking op de interne markt, is aan de Commissie gevraagd om initiatieven te nemen voor de verplichte melding van mogelijk agressieve fiscale planningconstructies overeenkomstig actiepunt 12 van het OESO-project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS). In dit verband heeft het Europees Parlement aangedrongen op strengere maatregelen tegen intermediairs die hun medewerking verlenen aan constructies die tot belastingontwijking en -ontduiking kunnen leiden.
(4)  Vanuit het inzicht dat een transparant kader voor de ontplooiing van bedrijfsactiviteiten kan bijdragen aan de bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking op de interne markt, is aan de Commissie gevraagd om initiatieven te nemen voor de verplichte melding van mogelijk agressieve fiscale planningconstructies overeenkomstig actiepunt 12 van het OESO-project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS). In dit verband heeft het Europees Parlement de essentiële rol aangetoond van intermediairs bij het verstrekken van advies over, het opzetten en beheren van belastingregelingen en aangedrongen op strengere maatregelen tegen intermediairs die hun medewerking verlenen aan constructies die tot belastingontwijking en -ontduiking kunnen leiden.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Er dient te worden herinnerd aan het feit dat bepaalde financiële intermediairs en andere aanbieders van belastingadvies hun cliënten kennelijk actief hebben geholpen om geld in het buitenland te verbergen. En hoewel de bij Richtlijn 2014/107/EU van de Raad27 ingevoerde CRS een belangrijke stap voorwaarts is naar de totstandbrenging van een transparant fiscaal kader in de Unie, althans wat financiële rekeninggegevens betreft, is er nog ruimte voor verbetering.
(5)  Er dient te worden herinnerd aan het feit dat bepaalde financiële intermediairs en andere aanbieders van belastingadvies en accountants hun cliënten actief hebben geholpen om geld in het buitenland te verbergen. En hoewel de bij Richtlijn 2014/107/EU van de Raad27 ingevoerde CRS een belangrijke stap voorwaarts is naar de totstandbrenging van een transparant fiscaal kader in de Unie, althans wat financiële rekeninggegevens betreft, is er nog ruimte voor verbetering. Bovendien moet de capaciteit van de lidstaten op het gebied van de verwerking van de ontvangen financiële informatie worden verbeterd en moeten de belastingautoriteiten, waar nodig, kunnen beschikken over meer financiële, personele en IT-middelen, en moeten deze middelen op een adequaat niveau worden gehandhaafd.
_________________
_________________
27 Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1).
27 Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1).
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  De melding van mogelijk agressieve fiscale planningconstructies met een grensoverschrijdende dimensie kan daadwerkelijk bijdragen aan de inspanningen die worden geleverd om een eerlijk belastingklimaat op de interne markt te scheppen. In dit verband zou het opleggen van een verplichting aan intermediairs om de belastingautoriteiten te informeren over bepaalde grensoverschrijdende constructies die mogelijkerwijs kunnen worden gebruikt voor belastingontwijking, een stap in de goede richting betekenen. Om dit in te bedden in een meer omvattend beleid, zou het ook van groot belang zijn dat de belastingautoriteiten deze inlichtingen in een volgende fase, dat wil zeggen na de melding, delen met hun tegenhangers in andere lidstaten. Een dergelijke regeling moet ook de CRS doeltreffender maken. Voorts zou het van wezenlijk belang zijn dat de Commissie toegang krijgt tot voldoende inlichtingen zodat zij kan toezien op de goede werking van deze richtlijn. Deze toegang tot inlichtingen voor de Commissie ontheft een lidstaat niet van zijn verplichtingen inzake het melden van staatssteun bij de Commissie.
(6)  De melding van mogelijk agressieve fiscale planningconstructies met een grensoverschrijdende dimensie kan daadwerkelijk bijdragen aan de inspanningen die worden geleverd om een eerlijk belastingklimaat op de interne markt te scheppen. In dit verband zou het opleggen van een verplichting aan intermediairs, accountants en, in voorkomend geval, belastingplichtigen, om de belastingautoriteiten te informeren over bepaalde grensoverschrijdende constructies die mogelijkerwijs kunnen worden gebruikt voor belastingontwijking, een noodzakelijke stap in de goede richting betekenen. Om dit in te bedden in een meer omvattend beleid, zou het ook van groot belang zijn dat de belastingautoriteiten deze inlichtingen in een volgende fase, dat wil zeggen na de melding, automatisch delen met hun tegenhangers in andere lidstaten. Een dergelijke regeling moet ook de CRS doeltreffender maken. Voorts zou het van wezenlijk belang zijn dat de Commissie toegang krijgt tot relevante inlichtingen zodat zij kan toezien op de goede werking van deze richtlijn en haar verantwoordelijkheid kan nemen op het gebied van het mededingingsbeleid. Deze toegang tot inlichtingen voor de Commissie ontheft een lidstaat niet van zijn verplichtingen inzake het melden van staatssteun bij de Commissie. Ten slotte moet de Commissie een lijst publiceren van de gemelde grensoverschrijdende fiscale constructies die mogelijkerwijs kunnen worden gebruikt voor belastingontwijking, zonder te verwijzen naar de intermediair of de belastingbetaler, om de rechtszekerheid voor intermediairs en belastingbetalers te verbeteren.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Er wordt erkend dat de kans groter is dat het afschrikkende effect dat met de melding van mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningconstructies wordt beoogd, wordt bereikt wanneer de belastingautoriteiten de relevante informatie vroegtijdig ontvangen, dat wil zeggen vóórdat de gemelde constructie daadwerkelijk geïmplementeerd is. Wanneer de meldingsplicht naar de belastingplichtige verschuift, zou het praktisch zijn om de verplichte melding van een mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningconstructie naar een iets later tijdstip te verplaatsen omdat een belastingplichtige zich aanvankelijk niet altijd bewust is van de aard van de constructie. Om een en ander te vergemakkelijken voor de belastingdiensten van de lidstaten, kan de daaropvolgende automatische uitwisseling van inlichtingen over deze constructies om het kwartaal plaatsvinden.
(7)  Er wordt erkend dat de kans groter is dat het afschrikkende effect dat met de melding van mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningconstructies wordt beoogd, wordt bereikt wanneer de belastingautoriteiten de relevante informatie vroegtijdig ontvangen, dat wil zeggen vóórdat de gemelde constructie daadwerkelijk geïmplementeerd is. Daarnaast moeten er passende sancties worden opgelegd om dergelijke regelingen te voorkomen en tegen te gaan. Wanneer de meldingsplicht naar de belastingplichtige verschuift, zou het praktisch zijn om de verplichte melding van een mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningconstructie naar een iets later tijdstip te verplaatsen. Om een en ander te vergemakkelijken voor de belastingdiensten van de lidstaten, kan de daaropvolgende automatische uitwisseling van inlichtingen over deze constructies om het kwartaal plaatsvinden.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Intellectuele-eigendomsrechten spelen een steeds grotere rol en worden steeds belangrijker in bedrijfsmodellen en belastingstructuren van grote bedrijven. Dit onderstreept de noodzaak van een betere inlichtingenuitwisseling met betrekking tot belastingontwijkingsconstructies, gelet op de talrijke gemakkelijke mogelijkheden die het gebruik van intellectuele-eigendomsrechten met zich meebrengt voor een artificiële overdracht van winsten.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)   Het ontbreken van brede, openbare rapportering per land over relevante financiële cijfers van grote multinationals heeft de zwakke betrouwbaarheid van de verzamelde gegevens over offshorestructuren in de hand gewerkt. Dat wordt nog benadrukt door het feit dat veel van de recente belangrijke belastingontwijkingsconstructies onzichtbaar zijn in de huidige commerciële databases voor financiële bedrijfsrekeningen. Door deze statistische lacunes worden de belastingautoriteiten gehinderd bij hun pogingen tot het uitvoeren van risicobeoordelingen in rechtsgebieden waar het risico hoog is. Dit onderstreept het belang van een betere inlichtingenuitwisseling over fiscale planningstructuren.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Aangezien dergelijke wetgeving zich primair moet richten op de goede werking van de interne markt, is het zaak op Unieniveau geen voorschriften vast te stellen die verder gaan dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken. Daarom dienen gemeenschappelijke voorschriften inzake melding uitsluitend te gelden voor grensoverschrijdende situaties, dat wil zeggen situaties in meer dan één lidstaat of een lidstaat en een derde land. Vanwege de mogelijke gevolgen voor de werking van de interne markt kan in die omstandigheden worden gerechtvaardigd dat gemeenschappelijke voorschriften moeten worden vastgesteld veeleer dan dat de lidstaten de zaak op nationaal niveau regelen.
(10)  Aangezien dergelijke wetgeving zich primair moet richten op de goede werking van de interne markt en beperking van belastingontduiking en -ontwijking, is het zaak op Unieniveau geen voorschriften vast te stellen die verder gaan dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken. Daarom dienen gemeenschappelijke voorschriften inzake melding uitsluitend te gelden voor grensoverschrijdende situaties, dat wil zeggen situaties in meer dan één lidstaat of een lidstaat en een derde land. Vanwege de mogelijke gevolgen voor de werking van de interne markt is het in die omstandigheden gerechtvaardigd dat gemeenschappelijke voorschriften worden vastgesteld veeleer dan dat de lidstaten de zaak op nationaal niveau regelen. Als een lidstaat verder gelijkaardige rapportagemaatregelen neemt, moet de verzamelde extra informatie worden gedeeld met andere lidstaten indien die relevant is.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   Aangezien misschien niet alle lidstaten beschikken over de prikkels om doeltreffende sancties op te stellen en uit te voeren om te zorgen voor een consequente tenuitvoerlegging van deze richtlijn in alle lidstaten, moeten inlichtingen automatisch worden uitgewisseld tussen de belastingautoriteiten, ook op het gebied van opgelegde sancties en situaties waarin de lidstaat ervan heeft afgezien een sanctie op te leggen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Om de kansen te vergroten dat deze richtlijn doeltreffend is, dienen de lidstaten sancties vast te stellen voor overtredingen van de nationale omzettingsbepalingen en erop toe te zien dat deze sancties ook werkelijk worden toegepast, dat ze evenredig zijn en een afschrikkend effect hebben.
(13)  Om de kansen te vergroten dat deze richtlijn doeltreffend is, dienen de lidstaten sancties vast te stellen voor overtredingen van de nationale omzettingsbepalingen en erop toe te zien dat deze sancties, inclusief financiële sancties, ook werkelijk onverwijld worden toegepast, dat ze doelmatig en evenredig zijn en een afschrikkend effect hebben. De lidstaten moeten bij de Commissie een openbaar toegankelijke lijst indienen van intermediairs en belastingbetalers aan wie sancties zijn opgelegd op grond van deze richtlijn, met vermelding van hun naam, nationaliteit en woonplaats.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen in verband met de actualisering van de wezenskenmerken, teneinde in de lijst van wezenskenmerken mogelijk agressieve fiscale planningconstructies of reeksen van constructies op te nemen naar aanleiding van geactualiseerde informatie over die constructies of reeksen van constructies die is verkregen uit de verplichte melding van dergelijke constructies.
(14)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen in verband met de actualisering van de wezenskenmerken. Om de twee jaar moet de Commissie een ontwerpactualisering publiceren van de lijst van wezenskenmerken, waarin agressieve fiscale planning wordt gedefinieerd, teneinde nieuwe of gewijzigde belastingontduikings- en -ontwijkingsconstructies die sinds de vorige actualisering zijn ontdekt, te publiceren. Vier maanden na de publicatie van het ontwerp worden de wezenskenmerken van kracht.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Om te verzekeren dat de wezenskenmerken op een uniforme manier worden gebruikt en geïnterpreteerd, moet de Commissie regelmatig de activiteiten van de belastingautoriteiten controleren, overeenkomstig deze richtlijn.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de werking van de interne markt te verbeteren door het gebruik van grensoverschrijdende agressieve fiscale planningconstructies te ontmoedigen, niet voldoende door afzonderlijke en ongecoördineerde maatregelen van de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt vanwege het feit dat zij gericht is op de bestrijding van regelingen die worden opgezet om zo mogelijk te profiteren van marktinefficiënties die voortvloeien uit de wisselwerking tussen uiteenlopende nationale belastingregels, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken, met name gelet op het feit dat zij uitsluitend geldt voor constructies van een grensoverschrijdende dimensie met ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land.
(18)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de catastrofale gevolgen van belastingontduiking en -ontwijking voor de overheidsrekeningen aanzienlijk te beperken en de werking van de interne markt te verbeteren door het gebruik van grensoverschrijdende agressieve fiscale planningconstructies te ontmoedigen, niet voldoende door afzonderlijke en ongecoördineerde maatregelen van de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt vanwege het feit dat zij gericht is op de bestrijding van regelingen die worden opgezet om zo mogelijk te profiteren van marktinefficiënties die voortvloeien uit de wisselwerking tussen uiteenlopende nationale belastingregels, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, met name gelet op het feit dat zij uitsluitend geldt voor constructies van een grensoverschrijdende dimensie met ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 3 – punt 18 – letter c
c)  een of meer van de partijen bij de constructie of reeks van constructies oefent haar bedrijf uit in een ander rechtsgebied via een in dat rechtsgebied gelegen vaste inrichting en de constructie of reeks van constructies maakt alle of een deel van de activiteiten van die vaste inrichting uit;
c)  een of meer van de partijen bij de constructie of reeks van constructies oefent haar bedrijfsactiviteit uit in een ander rechtsgebied via een in dat rechtsgebied gelegen vaste inrichting of gecontroleerde buitenlandse vennootschap van welke aard dan ook, en de constructie of reeks van constructies maakt alle of een deel van de activiteiten van die vaste inrichting uit;
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 3 – punt 18 – letter d
d)  een of meer van de partijen bij de constructie of reeks van constructies oefent haar bedrijf uit in een ander rechtsgebied via een niet in dat rechtsgebied gelegen vaste inrichting en de constructie of reeks van constructies maakt alle of een deel van de activiteiten van die vaste inrichting uit;
d)  een of meer van de partijen bij de constructie of reeks van constructies oefent haar bedrijfsactiviteit uit in een ander rechtsgebied zonder dat een belastbare aanwezigheid wordt gecreëerd in dat rechtsgebied;
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 3 – punt 20
20.  "wezenskenmerk", een typische eigenschap of typisch kenmerk van een constructie of reeks van constructies die (dat) is vermeld in bijlage IV;
20.  "wezenskenmerk", een constructie of reeks van constructies die is vermeld in bijlage IV;
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 3 – punt 23 – letter c bis (nieuw)
c bis)  een belastingplichtige is de uiteindelijk begunstigde van een andere belastingplichtige, in de zin van Richtlijn (EU) 2015/849.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Bij het uitvoeren van wettelijke controles van de jaarrekeningen van hun cliënten zijn accountants onderworpen aan de verplichtingen inzake identificatie en melding van mogelijke overtredingen door de gecontroleerde entiteit of zijn intermediairs van de verplichtingen inzake identificatie en melding als bepaald in dit artikel waarvan de accountant kennis heeft genomen. Iedere lidstaat neemt de noodzakelijke maatregelen om accountants te verplichten om binnen 10 werkdagen over dergelijke overtredingen inlichtingen te verstrekken aan de bevoegde autoriteiten, te rekenen vanaf de dag na de publicatie van hun accountantsverslag.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 2 – alinea 1
2.  Iedere lidstaat neemt de noodzakelijke maatregelen om intermediairs het recht op ontheffing te geven van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over een te rapporteren grensoverschrijdende constructie of reeks van dergelijke constructies wanneer zij krachtens het nationale recht van die lidstaat aanspraak maken op een wettelijk verschoningsrecht. In dergelijke omstandigheden komt de verplichting om inlichtingen over een dergelijke constructie of reeks van constructies te verstrekken, bij de belastingplichtige te liggen en intermediairs dienen belastingplichtigen hiervan in kennis te stellen.
2.  Iedere lidstaat kan, in voorkomend geval, de noodzakelijke maatregelen nemen om intermediairs het recht op ontheffing te geven van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over een te rapporteren grensoverschrijdende constructie of reeks van dergelijke constructies wanneer zij krachtens het nationale recht van die lidstaat aanspraak maken op een wettelijk verschoningsrecht. In dergelijke omstandigheden komt de verplichting om inlichtingen over een dergelijke constructie of reeks van constructies te verstrekken, bij de belastingplichtige te liggen en intermediairs dienen belastingplichtigen hiervan schriftelijk in kennis te stellen en een door de belastingplichtige ondertekend ontvangstbewijs bij te houden. De belastingplichtige verstrekt binnen 10 werkdagen aan de bevoegde autoriteiten inlichtingen over de te rapporteren grensoverschrijdende constructies of reeks van dergelijke constructies.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 4
4.  Iedere lidstaat neemt de noodzakelijke maatregelen om intermediairs en belastingplichtigen te verplichten inlichtingen te verstrekken over te rapporteren grensoverschrijdende constructies die zijn geïmplementeerd tussen [datum van politieke overeenkomst] en 31 december 2018. De intermediairs en, in voorkomend geval, de belastingplichtigen verstrekken inlichtingen over die te rapporteren grensoverschrijdende constructies uiterlijk 31 maart 2019.
4.  Iedere lidstaat neemt de noodzakelijke maatregelen om intermediairs, accountants en belastingplichtigen te verplichten inlichtingen te verstrekken over te rapporteren grensoverschrijdende constructies die actief zijn op ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en de constructies die van kracht worden na deze datum.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om de fiscale constructies te beoordelen die zijn gemeld via de uitwisseling van inlichtingen krachtens deze richtlijn, en stelt de nodige middelen daartoe ter beschikking van hun belastingautoriteiten.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 6 – letter a
(a)  de identificatiegegevens van intermediairs en belastingplichtigen, met inbegrip van hun naam, fiscale woonplaats en fiscaal identificatienummer (TIN), en in voorkomend geval van de personen die een verbonden onderneming vormen met de intermediair of belastingplichtige;
(a)  de identificatiegegevens van intermediairs, of, in voorkomend geval, accountants en belastingplichtigen, met inbegrip van hun naam, nationaliteit, fiscale woonplaats en fiscaal identificatienummer (TIN), en in voorkomend geval van de personen die een verbonden onderneming vormen met de intermediair of belastingplichtige;
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 6 – letter c
(c)  een samenvatting van de inhoud van de te rapporteren grensoverschrijdende constructie of reeks van dergelijke constructies, met onder meer de benaming waaronder zij algemeen bekend staat, indien voorhanden, en een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of constructies, in algemene bewoordingen gesteld, die niet mag niet leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of van inlichtingen waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde;
(c)  een samenvatting van de inhoud van de te rapporteren grensoverschrijdende constructie of reeks van dergelijke constructies, met onder meer de benaming waaronder zij algemeen bekend staat, indien voorhanden, en een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of constructies, in algemene bewoordingen gesteld, die niet mag niet leiden tot de openbaarmaking van een intellectueel-eigendoms-, nijverheids- of beroepsgeheim, of van inlichtingen waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde;
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 6 – letter d
(d)  de datum waarop de implementatie van de te rapporteren grensoverschrijdende constructie of de eerste stap in een reeks van dergelijke constructies van start zal gaan of is gegaan;
(d)  de begindatum van de implementatie van de te rapporteren grensoverschrijdende constructie of de eerste stap in een reeks van dergelijke constructies;
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 6 – letter e
(e)  nadere bijzonderheden van de nationale belastingbepalingen waarvan de toepassing tot een fiscaal voordeel leidt, indien van toepassing;
(e)  nadere bijzonderheden van de nationale belastingbepalingen die de grondslag vormen voor de te rapporteren constructies of reeks van constructies, indien van toepassing;
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 6 – letter h
(h)  personen in de andere lidstaten, indien die er zijn, op wie de te rapporteren grensoverschrijdende constructie of reeks van dergelijke constructies naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij vermeld dient te worden met welke lidstaten de desbetreffende intermediairs of belastingplichtigen verbonden zijn.
(h)  personen in de andere lidstaten, indien die er zijn, op wie de te rapporteren grensoverschrijdende constructie of reeks van dergelijke constructies naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij vermeld dient te worden met welke lidstaten de desbetreffende intermediairs, accountants of belastingplichtigen verbonden zijn.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 7
7.  Om de in lid 5 van dit artikel bedoelde inlichtingenuitwisseling te vergemakkelijken, stelt de Commissie de nadere regels vast voor de uitvoering van dit artikel, daaronder begrepen maatregelen om de verstrekking van de in lid 6 van dit artikel bedoelde inlichtingen te standaardiseren, in het kader van de procedure voor de vaststelling van het standaardformulier als bedoeld in artikel 20, lid 5.
7.  Om de in lid 5 van dit artikel bedoelde inlichtingenuitwisseling te vergemakkelijken, stelt de Commissie de nadere regels vast en voldoende middelen beschikbaar voor de uitvoering van dit artikel, daaronder begrepen maatregelen om de verstrekking van de in lid 6 van dit artikel bedoelde inlichtingen te standaardiseren, in het kader van de procedure voor de vaststelling van het standaardformulier als bedoeld in artikel 20, lid 5.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 8 bis bis bis – lid 8
8.  De Commissie heeft geen toegang tot de in lid 6, onder a), c) en h), bedoelde gegevens.
8.  De Commissie heeft toegang tot de in lid 6, onder b), c), d), e), f) en g), bedoelde gegevens. De Commissie maakt een lijst van de gerapporteerde grensoverschrijdende constructies openbaar, zonder te verwijzen naar de desbetreffende intermediair of belastingbetaler.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 21 – lid 5 – alinea 1
De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2017 een beveiligd centraal gegevensbestand van de lidstaten betreffende administratieve samenwerking op belastinggebied en zorgt voor de technische en logistieke ondersteuning daarvan; in dat centraal gegevensbestand kunnen in het kader van artikel 8 bis, leden 1 en 2, van deze richtlijn te verstrekken inlichtingen worden opgeslagen om te voldoen aan de automatische uitwisseling als bedoeld in die leden.
De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2017 een beveiligd centraal gegevensbestand betreffende administratieve samenwerking op belastinggebied, waartoe alleen de lidstaten en de Commissie toegang hebben, en zorgt voor de technische en logistieke ondersteuning daarvan; in dat centraal gegevensbestand kunnen in het kader van artikel 8 bis, leden 1 en 2, van deze richtlijn te verstrekken inlichtingen worden opgeslagen om te voldoen aan de automatische uitwisseling als bedoeld in die leden.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 21 – lid 5 – alinea 2
De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2018 een beveiligd centraal gegevensbestand van de lidstaten betreffende administratieve samenwerking op belastinggebied en zorgt voor de technische en logistieke ondersteuning daarvan; in dat centraal gegevensbestand kunnen in het kader van artikel 8 bis bis bis, leden 5, 6 en 7, van deze richtlijn te verstrekken inlichtingen worden opgeslagen om te voldoen aan de automatische uitwisseling als bedoeld in die leden.
De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2018 een beveiligd centraal gegevensbestand betreffende administratieve samenwerking op belastinggebied, waartoe alleen de lidstaten en de Commissie toegang hebben, en zorgt voor de technische en logistieke ondersteuning daarvan; in dat centraal gegevensbestand kunnen in het kader van artikel 8 bis bis bis, van deze richtlijn te verstrekken inlichtingen worden opgeslagen om te voldoen aan de automatische uitwisseling als bedoeld in dat artikel. Daarnaast worden de inlichtingen die worden uitgewisseld in het kader van de automatische uitwisseling krachtens artikel 8, 8 bis en 8 bis bis, ook toegankelijk via het centraal gegevensbestand, waartoe alleen de lidstaten en de Commissie toegang hebben.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 21 – lid 5 – alinea 3
De bevoegde autoriteiten van alle lidstaten hebben toegang tot de in dit gegevensbestand opgeslagen inlichtingen. De Commissie heeft ook toegang tot de in dit gegevensbestand opgeslagen inlichtingen, evenwel met inachtneming van de in artikel 8 bis, lid 8, en artikel 8 bis bis bis, lid 8, genoemde beperkingen. De noodzakelijke praktische regelingen worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure.
De bevoegde autoriteiten van alle lidstaten en de Commissie hebben toegang tot de in dit gegevensbestand opgeslagen inlichtingen. De noodzakelijke praktische regelingen worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 3
3.  De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in de artikelen 8, 8 bis, 8 bis bis en 8 bis bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
3.  De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in de artikelen 8, 8 bis, 8 bis bis en 8 bis bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling; de kwaliteit en de hoeveelheid uitgewisselde inlichtingen; en de voorgestelde of ten uitvoer gelegde wetgevingswijzigingen op basis van de mazen in het wettelijk kader die door deze inlichtingen aan het licht werden gebracht. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld. Op basis van deze beoordelingen doet de Commissie wetgevingsvoorstellen om de mazen in het bestaande recht te dichten.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
(5 bis)  In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:
"3 bis. De lidstaten doen de Commissie het aantal gerapporteerde constructies of reeks van constructies toekomen, zoals opgesomd in bijlage IV, tezamen met een omschrijving van dergelijke constructies, de nationaliteit van de belastingbetalers die voordeel halen uit deze constructies en het aantal sancties - en de zwaarte van die sancties - dat is opgelegd aan intermediairs of belastingbetalers die dergelijke constructies hebben gerapporteerd. De Commissie stelt jaarlijks een openbaar rapport op met deze informatie.".
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw)
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 – lid 3 ter (nieuw)
(5 ter)  In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:
"3 ter. De lidstaten doen de Commissie jaarlijks een lijst toekomen van de grensoverschrijdende constructies die volgens de relevante belastingautoriteiten in overeenstemming zijn met deze richtlijn."
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 23 bis bis – alinea 1
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage IV te wijzigen en in de lijst van wezenskenmerken mogelijk agressieve fiscale planningconstructies of reeksen van constructies op te nemen naar aanleiding van geactualiseerde informatie over die constructies of reeksen van constructies die is verkregen uit de verplichte melding van dergelijke constructies.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage IV te wijzigen en in de lijst van wezenskenmerken mogelijk agressieve fiscale planningconstructies of reeksen van constructies op te nemen naar aanleiding van geactualiseerde informatie over die constructies of reeksen van constructies die is verkregen uit de verplichte melding van dergelijke constructies. De Commissie doet dat om de twee jaar, op basis van de informatie die beschikbaar zal zijn over nieuwe of gewijzigde belastingontduikings- en -ontwijkingsconstructies, en publiceert het ontwerp van haar nieuwe criteria vier maanden voor de inwerkingtreding ervan.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 25 bis – alinea 1
De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen ter uitvoering van de artikelen 8 bis bis en 8 bis bis bis, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties waarin wordt voorzien, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen ter uitvoering van de artikelen 8 bis bis en 8 bis bis bis, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties waarin wordt voorzien, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De Commissie kan een tabel met richtsancties publiceren.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 26 bis – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Uiterlijk op … [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn], en vervolgens om de drie jaar, brengt de Commissie verslag uit over de evaluatie van deze richtlijn aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Annex 1
Richtlijn 2011/16/EU
Bijlage IV – Main benefit test – alinea 1
Aan de toets is voldaan wanneer het belangrijkste voordeel van een constructie of een reeks van constructies erin bestaat een belastingvoordeel te behalen, voor zover kan worden aangetoond dat dat voordeel het resultaat is dat van een dergelijke constructie of reeks van constructies, onder andere dankzij de specifieke vormgeving ervan, kan worden verwacht.
Aan de toets is voldaan wanneer een van de belangrijkste voordelen van een constructie of een reeks van constructies erin bestaat een belastingvoordeel te behalen, voor zover kan worden aangetoond dat dat voordeel het resultaat is dat van een dergelijke constructie of reeks van constructies, onder andere dankzij de specifieke vormgeving ervan, kan worden verwacht.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.


Genetisch gemodificeerde mais DAS-59122-7
PDF 285kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D054772-02 – 2018/2568(RSP))
P8_TA(2018)0051B8-0122/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D054772-02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

–  gezien de stemming van 16 januari 2018 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 18 mei 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid werd goedgekeurd en op 29 juni 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bij Beschikking 2007/702/EG van de Commissie een vergunning werd verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 59122 (hierna: "gg-mais 59122"); overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 23 maart 2007, voorafgaand aan deze beschikking van de Commissie, overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 3 april 2007 is gepubliceerd(5) (hierna: "het eerste EFSA-advies");

B.  overwegende dat Pioneer Overseas Corporation en Dow AgroSciences Ltd. (hierna: "de aanvrager") op 19 juli 2016 gezamenlijk een aanvraag hebben ingediend voor de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met gg-mais 59122, overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais 59122 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

C.  overwegende dat de EFSA op 18 mei 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 29 juni 2017 is gepubliceerd(6) (hierna: "het tweede EFSA-advies");

D.  overwegende dat gg-mais 59122 de Cry34Ab1- en Cry35Ab1-eiwitten tot expressie brengt, die resistentie geven tegen schadelijke coleoptera die behoren tot het geslacht Diabrotica, zoals de larven van de maiswortelkever, alsook het PAT-eiwit, dat tolerantie geeft voor herbiciden die glufosinaat bevatten;

E.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking moet nemen;

F.  overwegende dat de lidstaten tijdens de drie maanden durende overlegperiode tal van kritische opmerkingen hebben ingediend met betrekking tot het eerste EFSA-advies(7), onder meer betreffende het ontoereikende toezichtsplan, het risico dat niet-doelorganismen worden blootgesteld aan Bt-toxinen, het ontbreken van een grond voor de conclusie dat "diervoeders op basis van gg-mais 59122 substantieel gelijkwaardig aan, nutritioneel gelijkwaardig aan en even veilig zijn als diervoeders op basis van commerciële mais", en – in verband met de 90-dagenstudie met ratten – het feit dat gg-mais 59122 slechts in één dosisniveau is toegediend voor de hele studie, hetgeen in strijd is met de aanbevelingen van de desbetreffende OESO-richtsnoeren;

G.  overwegende dat de EFSA, nadat de aanvrager om een verlenging van de vergunning had verzocht, is gevraagd om gegevens te beoordelen die door de aanvrager waren ingediend, waaronder de milieumonitoringverslagen na het in de handel brengen en elf tussen 2007 en 2016 gepubliceerde primaire onderzoeksstudies; overwegende dat de EFSA op basis van haar beoordeling van de ingediende gegevens een gunstig advies heeft uitgebracht (het tweede EFSA-advies waarnaar eerder in de tekst is verwezen), met de conclusie dat er "geen nieuwe gevaren of gewijzigde blootstelling en geen nieuwe wetenschappelijke onzekerheden waren vastgesteld die tot een verandering van de conclusies van de oorspronkelijke risicobeoordeling van mais 59122 zouden leiden";

H.  overwegende dat de lidstaten tijdens de overlegperiode van drie maanden tal van kritische opmerkingen hebben ingediend met betrekking tot het tweede EFSA-advies(8), waarin ze onder meer aankaarten "dat de voor gg-mais 59122 uitgevoerde monitoring niet in staat is betekenisvolle resultaten aan te dragen voor de huidige beoordeling en er niet in slaagt de onzekerheden weg te nemen in verband met de risicobeoordeling die voorafgaand aan de verlening van de vergunning is verricht, bijv. wat blootstelling van het milieu betreft" en dat "de monitoringmethode die is gehanteerd voor gg-mais 59122 niet strookt met de voorschriften van bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG";

I.  overwegende dat één lidstaat zich afvroeg waarom de aanvrager verschillende openbare studies waarin de immunogeniteit van Cry-eiwitten bij muizen wordt aangetoond, heeft weggelaten uit zijn aanvraag, waardoor deze dus ook niet zijn beoordeeld door de EFSA, en dat deze lidstaat ervoor pleitte dat de vergunning pas zou worden verlengd als de bezorgdheid in verband met de immunogeniteit en de adjuvans capaciteit van de Cry-eiwitten die tot expressie worden gebracht in gg-mais 59122 wordt weggenomen;

J.  overwegende dat één lidstaat opmerkte dat de Unie het Verdrag inzake biologische diversiteit heeft goedgekeurd, uit hoofde waarvan exporterende en importerende landen zich moeten houden aan een aantal internationale verantwoordelijkheden met betrekking tot biodiversiteit, en dat het daarom van belang is rekening te houden met de gevolgen van het invoeren van gg-mais 59122 naar de Unie, zowel wat biodiversiteit in de Unie als biodiversiteit in de landen waar de gewassen worden geteeld betreft;

K.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting en derhalve onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(9); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 verstrijkt(10);

L.  overwegende dat het gebruik van complementaire herbiciden tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst steeds residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze er een onvermijdelijk bestanddeel van uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde gewassen meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers(11);

M.  overwegende dat er in geen van beide EFSA-adviezen een beoordeling is verricht van de residuen van besproeiing met glufosinaat; overwegende dat er residuen van glufosinaat aanwezig zullen zijn op gg-mais 59122 die in de Unie wordt ingevoerd om te worden gebruikt als levensmiddel en diervoeder;

N.  overwegende dat het vanuit het oogpunt van voedselveiligheid onaanvaardbaar en ook uiterst inconsistent zou zijn om een vergunning te verlenen voor de invoer van genetisch gemodificeerde mais die tolerantie geeft voor glufosinaat terwijl de goedkeuring voor het gebruik van glufosinaat in de Unie op 31 juli 2018 verstrijkt vanwege de voortplantingstoxiciteit(12);

O.  overwegende dat de stemming op 16 januari 2018 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd; overwegende dat twaalf lidstaten tegen stemden en dat twaalf lidstaten, die samen slechts 38,83 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl vier lidstaten zich van stemming onthielden;

P.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(13);

Q.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(14) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

R.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en milieubescherming;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(15) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de bevoegde wetgevers dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt over de toelating van een ggo, hetzij voor de teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, de Commissie het voorstel intrekt;

6.  dringt er in het bijzonder bij de Commissie op aan geen vergunningen te verlenen voor de invoer van genetisch gemodificeerde gewassen die bedoeld zijn om als levensmiddel of als diervoeder te worden gebruikt en die tolerantie geven voor een complementair herbicide dat verboden is of in de nabije toekomst zal worden verboden in de Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4861
(4)–––––––––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0396).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0397).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0398).
(5) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/470
(6) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4861
(7) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2016-00526
(8) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2016-00526
(9) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(10) Punt 7 van de Bijlage bij de Uitvoeringsverordening van de Commissie (EU) 2015/404 (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6).
(11) https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7
(12) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01002
(13) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(14) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.
(15) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603
PDF 299kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6) en genetisch gemodificeerde mais die twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (D054771-02 – 2018/2569(RSP))
P8_TA(2018)0052B8-0124/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6) en genetisch gemodificeerde mais die twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert (D054771-02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de stemming van 16 januari 2018 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 28 juni 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 1 augustus 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe S.A. op 13 september 2013 bij de nationale bevoegde instantie van België een aanvraag heeft ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van producten die bestaan uit genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de aanvraag met betrekking tot die toepassingen gold voor alle drie de subcombinaties van genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603;

C.  overwegende dat genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 twee genen bevat voor resistentie tegen glyfosaat, en de eiwitten Cry1A.105 en Cry2Ab2 produceert die resistentie bieden tegen specifieke schubvleugelige insecten;

D.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 28 juni 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 1 augustus 2017 is gepubliceerd(5);

E.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

F.  overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend(6); overwegende dat een van de meest kritische opmerkingen is dat in de analyse van de samenstelling geen residuen van de complementaire herbiciden en de metabolieten daarvan zijn opgenomen; dat er vanwege twijfels over onder andere studies waarin melding wordt gemaakt van een toename van het aantal gevallen van blaasstenen bij muizen die zich voeden met MON 89034, geen conclusies kunnen worden getrokken over de risico's in verband met het gebruik van dit genetisch gemodificeerde organisme (ggo) in menselijke of dierlijke voeding; dat er meer informatie nodig is voordat de risicobeoordeling kan worden afgerond en dat er geen conclusies mogelijk zijn met betrekking tot subchronische (er is geen 90-dagenstudie uitgevoerd), langetermijn-, reproductieve of ontwikkelingseffecten van de volledige levensmiddelen- en/of diervoederketen;

G.  overwegende dat de bevoegde autoriteit van één lidstaat de aandacht heeft gevestigd op het feit dat er voor genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (behandeld met glyfosaat) statistisch significante verschillen met het niet-genetisch gemodificeerde referentiemiddel zijn vastgesteld voor 16 graanbestanddelen(7) en 2 bestanddelen van voedergewassen(8), dat er statistisch nog sterker afwijkende bestanddelen van graan (42) zijn ontdekt bij een vergelijking van de genetisch gemodificeerde mais die niet was behandeld met glyfosaat en het niet-genetisch gemodificeerde referentiemiddel daarvan, en dat een significante afname in het vitaminen- en mineralengehalte van gewassen een grote bron van zorg is voor de gezondheid van mens en dier aangezien ondervoeding van het type B een wereldwijd probleem is;

H.  overwegende dat een van de bevindingen in een onafhankelijke studie(9) was dat vanwege die statistische verschillen kan worden aangenomen dat de genetisch gemodificeerde mais wezenlijk verschilt van het referentiemiddel wat betreft een groot aantal kenmerken van de samenstelling en biologische eigenschappen en dat de veranderingen als op zich staande gegevens misschien geen veiligheidsrisico vormen, maar dat alle effecten samen en het feit dat ze zo beduidend zijn als uitgangspunt hadden moeten worden genomen voor grondiger onderzoek; overwegende dat de EFSA geen nadere studies heeft uitgevoerd;

I.  overwegende dat de aanvrager geen experimentele gegevens heeft verstrekt voor de subcombinaties MON 87427 × MON 89034 en MON 87427 × NK603; overwegende dat het ggo-panel van de EFSA na extrapolatie van de experimentele gegevens die verstrekt zijn voor de andere subcombinaties en uit één transformatiestap bestaande modificaties, weliswaar verwacht dat de twee subcombinaties even veilig zijn als de beoordeelde, uit één transformatiestap bestaande modificaties van mais, MON 89034 × NK603 en MON 87427 × MON 89034 × NK603, maar dat er geen evaluatie is uitgevoerd van de onzekerheid in verband met de extrapolatie; overwegende dat deze tekortkoming de algemene conclusie van het EFSA-advies kan ondergraven en mogelijk zelfs indruist tegen de "Guidance on Uncertainty Analysis in Scientific Assessment" (Richtsnoeren voor de onzekerheidsanalyse bij wetenschappelijke evaluaties) van de EFSA, gepubliceerd in januari 2018(10); overwegende dat een vergunning niet mag worden overwogen zonder een grondige beoordeling van de experimentele gegevens voor elke subcombinatie van een modificatie die bestaat uit meerdere transformatiestappen;

J.  overwegende dat het ggo-panel van de EFSA vaststelde dat het door de aanvrager ingediende milieumonitoringplan na het in de handel brengen voor de in drie transformatiestappen gemodificeerde mais geen bepalingen omvat voor de twee subcombinaties MON 87427 × MON 89034 en MON 87427 × NK603, en daarom de aanvrager adviseerde het plan dienovereenkomstig aan te passen; overwegende dat uit het door de aanvrager ingediende monitoringplan blijkt dat dit advies niet is opgevolgd(11);

K.  overwegende dat een van de voornaamste doeleinden van modificaties die uit meer dan één transformatiestap bestaan, is om de tolerantie van het gewas voor glyfosaat te vergroten (zowel NK603 als MON 87427 vormen EPSPS-enzymen die tolerantie voor glyfosaat vertonen); overwegende dat er dan ook van uitgegaan moet worden dat het gewas zal worden blootgesteld aan hogere en ook herhaaldelijke doses glyfosaat, wat niet alleen zal leiden tot een grotere aanwezigheid van residuen in de oogst maar ook van invloed kan zijn op de samenstelling van de gewassen en hun agronomische eigenschappen; overwegende dat dit aspect niet aan bod kwam in de risicobeoordeling; overwegende dat er in het EFSA-advies ook geen beoordeling is uitgevoerd van de residuen na besproeiing met glyfosaat;

L.  overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat glyfosaat kankerverwekkend is en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen; overwegende dat het Parlement een bijzondere commissie heeft ingesteld voor de goedkeuringsprocedure van de Unie voor pesticiden, die mede zal onderzoeken of het bedrijfsleven ongepaste invloed heeft uitgeoefend op de conclusies van de agentschappen van de Unie over kankerverwekkende eigenschappen;

M.  overwegende dat er volgens het pesticidenpanel van de EFSA op basis van de tot dusver verstrekte gegevens geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van residuen die afkomstig zijn van het besproeien van genetisch gemodificeerde gewassen met glyfosaatmengsels(12); overwegende dat toevoegingsmiddelen en mengsels daarvan die in commerciële glyfosaatsproeistoffen worden gebruikt, giftiger kunnen zijn dan de werkzame stof alleen(13); overwegende dat de Unie al een toevoegingsmiddel dat bekend staat als POE-tallowamine van de markt gehaald heeft vanwege bezorgdheid over de giftige eigenschappen ervan; overwegende dat problematische toevoegingsmiddelen en mengsels echter nog steeds toegestaan kunnen zijn in de landen waar deze genetisch gemodificeerde mais wordt verbouwd;

N.  overwegende dat ingevoerde genetisch gemodificeerde mais in de Unie op grote schaal wordt gebruikt voor diervoeder; overwegende dat er volgens een collegiaal getoetste wetenschappelijke studie een verband kan bestaan tussen glyfosaat in voeder voor drachtige zeugen en een toename van het aantal gevallen van ernstige aangeboren afwijkingen bij hun biggen(14);

O.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen;

P.  overwegende dat insectresistente eigenschappen van de modificatie die bestaat uit meer dan één transformatiestap het gevolg zijn van MON 89034 die Bt-eiwitten vormt (Cry1A.105 en Cry2Ab2) die resistent zijn tegen specifieke schubvleugelige insecten (bijv. de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis)); overwegende dat volgens een onafhankelijke studie, in het kader van de risicobeoordeling van de EFSA, de residuen van glyfosaat ook hadden moeten worden meegewogen als een belangrijke stressfactor aangezien de impact op cellen en organismen die tegelijkertijd blootgesteld worden aan diverse stressfactoren van groot belang kan zijn voor de doeltreffendheid van Bt-toxinen(15); overwegende dat in een wetenschappelijke studie uit 2017 over de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van Bt-toxinen en residuen die afkomstig zijn van besproeiing met complementaire herbiciden is geconcludeerd dat er speciale aandacht moet worden besteed aan de residuen van herbiciden en de interactie daarvan met Bt-toxinen(16); overwegende dat dit niet onderzocht was door de EFSA;

Q.  overwegende dat de stemming op 16 januari 2018 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd; overwegende dat 14 lidstaten tegen stemden en slechts 11 lidstaten, waarmee slechts 38,75 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigd was, vóór stemden, terwijl drie lidstaten zich van stemming onthielden;

R.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(17);

S.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(18) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

T.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo's op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de bevoegde wetgevers dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt over de toelating van een ggo, hetzij voor teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, de Commissie het voorstel intrekt;

6.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.  verzoekt de Commissie te eisen dat er veel nauwkeuriger wordt getest op gezondheidsrisico's die modificaties met meerdere transformatiestappen zoals genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 met zich meebrengen;

8.  verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's, voor toxicologie en voor toezicht na het in de handel brengen, die gericht zijn op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

9.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer voor levensmiddelen en diervoeders;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4922
(4)–––––––––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0396).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0397).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0398).
(5) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4922
(6) Bijlage G – opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-00765
(7) ADF (zuurtolerante vezel), as, calcium, magnesium, fosfor, zink, arginine, glycine, stearinezuur, niacine, α-tocoferol, ferulazuur en ρ-cumarinezuur. Zie blz. 94 van Bijlage G – opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel (http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-00765) en blz. 13 van het advies van de EFSA (https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4922).
(8) Vocht en calcium.
(9) https://www.testbiotech.org/sites/default/files/Testbiotech_Comment_Maize%20MON%2087427%20%C3%97%20MON%2089034%20%C3%97%20NK603%20.pdf
(10) https://www.efsa.europa.eu/en/press/news/180124-0
(11) Bijlage F – Post-market environmental monitoring plan ("milieumonitoringplan na het in de handel brengen") http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-00765
(12) Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat. EFSA Journal 2015; 13(11):4302: http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4302/epdf
(13) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3955666
(14) https://www.omicsonline.org/open-access/detection-of-glyphosate-in-malformed-piglets-2161-0525.1000230.php?aid=27562
(15) https://www.testbiotech.org/sites/default/files/Testbiotech_Comment_Maize%20MON%2087427%20%C3%97%20MON%2089034%20%C3%97%20NK603%20.pdf
(16) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5236067/
(17) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(18) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/006 ES/Galicia kleding
PDF 262kWORD 51k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Spanje – EGF/2017/006 ES/Galicia kleding) (COM(2017)0686 – C8-0011/2018 – 2018/2014(BUD))
P8_TA(2018)0053A8-0033/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0686 – C8-0011/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0033/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Spanje aanvraag EGF/2017/006 ES/Galicia apparel heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG naar aanleiding van 303 gedwongen ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 – afdeling 14 (Vervaardiging van kleding) in de NUTS 2-regio Galicië (ES11) in Spanje;

D.  overwegende dat de aanvraag was ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 2, van de EFG-verordening, in afwijking van de criteria van artikel 4, lid 1, onder b), van die verordening, dat bepaalt dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in hetzelfde NACE Rev. 2-afdelingsniveau en gevestigd zijn in één of twee aan elkaar grenzende regio's van NUTS-niveau 2 in een lidstaat;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, van de EFG-verordening, en dat Spanje recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 720 000 EUR, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 1 200 000 EUR;

2.  wijst erop dat de Spaanse autoriteiten op 19 juli 2017 de aanvraag hebben ingediend en dat, nadat er aanvullende gegevens zijn verstrekt door Spanje, de Commissie haar beoordeling op 28 november 2017 heeft afgerond en het Parlement hiervan op 15 januari 2018 in kennis is gesteld;

3.  wijst erop dat Spanje de ontslagen verklaart door te verwijzen naar grote structurele veranderingen in de mondiale handelspatronen ingevolge de globalisering, meer in het bijzonder de liberalisering van de handel in textiel en kleding na het verstrijken van het Multivezelakkoord van de Wereldhandelsorganisatie eind 2004, wat heeft geleid tot ingrijpende structurele veranderingen in de wereldhandel;

4.  herinnert eraan dat de gedwongen ontslagen in vijf ondernemingen naar verwachting enorme gevolgen zullen hebben voor het getroffen gebied, en dat de gevolgen van de ontslagen verband houden met de moeilijkheden om een andere baan te vinden, het gebrek aan banen, door de afstand van het grondgebied van de grote industriële centra, het lage opleidingsniveau van de ontslagen werknemers, hun specifieke beroepsvaardigheden die zijn opgedaan in een sector in verval, en het grote aantal werkzoekenden;

5.  benadrukt dat Ordes, de regio die getroffen is door de ontslagen, sterk afhankelijk is van de kledingindustrie en in de afgelopen jaren een scherpe daling van het aantal kledingproducenten heeft gekend; betreurt het dat het bbp per inwoner van de regio ook is afgenomen;

6.  is van mening dat, rekening houdend met de afnemende bevolking, het bbp per inwoner en de industriële basis van de betreffende regio, de aanvraag beantwoordt aan de criteria voor steunverlening uit het EFG, ondanks dat er sprake is van minder dan 500 ontslagen;

7.  is zich ervan bewust dat de stijging van de invoer in de Unie de prijzen onder druk heeft gezet, wat een negatief effect heeft gehad op de financiële situatie van ondernemingen in de textielsector van de Unie, en geleid heeft tot een algemene tendens in de textiel- en kledingindustrie om de productie naar lagelonenlanden buiten de Unie te verplaatsen; erkent dat dit in Galicië heeft geresulteerd in een gestage afname van het aantal textielondernemingen en bijgevolg in de toename van ontslagen;

8.  benadrukt dat 83,5 % van de beoogde begunstigden vrouw is en dat de grote meerderheid van hen tussen de 30 en 54 jaar oud is; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen voor het vergroten van de kans dat deze kwetsbare groep opnieuw een baan vindt;

9.  is bezorgd dat dergelijke ontslagen de werkloosheidssituatie waarmee deze regio sinds het begin van de economische en financiële crisis te kampen heeft, nog kunnen verergeren;

10.  wijst erop dat Spanje zes soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) ontvangstbijeenkomsten en voorbereidende workshops, (ii) loopbaanbegeleiding, (iii) opleiding, (iv) intensieve hulp bij het zoeken naar werk, (v) begeleiding door een mentor na herintreding, (vi) stimulerende maatregelen; is van mening dat de bijdrage in de uitgaven voor verzorgers van afhankelijke personen van bijzonder belang zijn met het oog op het profiel van de ontslagen werknemers;

11.  is van mening dat de te organiseren beroepsopleidingen het spectrum van mogelijkheden voor werklozen moeten verbreden, dat de opleidingsactiviteiten moeten worden gekoppeld aan een verkennende studie van de ontwikkeling van de werkgelegenheid, die moet worden opgenomen in de acties van deze financiering, en dat hiermee de mogelijkheden van loopbanen moeten worden uitgebreid zonder dat sprake is van gendervooroordelen of beperking tot niet-gekwalificeerde banen;

12.  is van mening dat het goedgekeurde programma initiatieven moet ondersteunen, door advies en financiële steun, voor de vorming van coöperatieve ondernemingen door de personen die de voorgenomen individuele dienstverlening ontvangen;

13.  wijst erop dat het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening gericht moet zijn op initiatieven die bijdragen tot werkgelegenheid, tot bijscholing van werknemers en tot de maximale benutting van hun beroepservaring met het oog op een betere aansluiting op het bedrijfsleven, inclusief coöperatieve ondernemingen, en moet worden gecoördineerd met bestaande programma's van de Unie, waaronder het Europees Sociaal Fonds;

14.  stelt vast dat het gecoördineerde pakket van individuele diensten werd opgesteld in overleg met de sociale partners;

15.  betreurt het dat deze aanvraag geen enkele maatregel bevat voor jongeren die geen baan hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET’s), gelet op de tendens dat jongeren uit de regio wegtrekken op zoek naar meer economische kansen;

16.  stelt vast dat de maatregelen inzake inkomenssteun 18,21 % zullen uitmaken van het totale pakket van individuele maatregelen, hetgeen ruim onder het maximum van 35 % ligt dat is vastgelegd in de EFG-verordening; en dat deze acties afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan opleidingsactiviteiten en activiteiten in verband met het zoeken van een baan;

17.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 7 van de EFG-verordening het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en op de benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie; is verheugd over de mededeling van Spanje dat het gecoördineerde pakket veel potentieel biedt om een dergelijke overgang te bevorderen;

18.  benadrukt dat de Spaanse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen;

19.  is ingenomen met het feit dat Spanje heeft bevestigd dat een financiële bijdrage uit het EFG niet in de plaats zal komen van maatregelen die de betrokken ondernemingen verplicht zijn te nemen krachtens het nationale recht of ingevolge collectieve arbeidsovereenkomsten, of van maatregelen voor herstructurerende ondernemingen of sectors;

20.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

21.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

22.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

23.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ingevolge een aanvraag van Spanje – EGF/2017/006 ES/Galicia kleding)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/515.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/007 SE/Ericsson
PDF 265kWORD 52k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden – EGF/2017/007 SE/Ericsson) (COM(2017)0782 – C8-0010/2018 – 2018/2012(BUD))
P8_TA(2018)0054A8-0032/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0782 – C8-0010/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0032/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld om de terugkeer naar de arbeidsmarkt van de ontslagen werknemers te vergemakkelijken;

C.  overwegende dat Zweden aanvraag EGF/2017/007 SE/Ericsson heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 2 388 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 – afdeling 26 (Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten) in de regio's van NUTS-niveau 2 Stockholm (SE11), Västsverige (SE23) en Östra Mellansverige (SE12), alsook in de regio Sydsverige (SE22);

D.  overwegende dat de aanvraag is gebaseerd op de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, downstreamproducenten en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

E.  overwegende dat er de afgelopen paar jaar meer aanvragen zijn ingediend voor dezelfde of aanverwante sectoren voor grote ondernemingen;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 13, lid 1, van de EFG-verordening en dat Zweden recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 2 130 400 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 3 550 667 EUR;

2.  wijst erop dat de Zweedse autoriteiten op 9 augustus 2017 de aanvraag hebben ingediend en dat na ontvangst van aanvullende gegevens van Zweden de beoordeling door de Commissie op 18 december 2017 is afgerond en het Parlement hiervan op 15 januari 2018 in kennis is gesteld;

3.  herinnert eraan dat dit reeds de tweede Zweedse aanvraag is voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van gedwongen ontslagen bij Ericsson, na een eerdere aanvraag in maart 2016 en een positief besluit desbetreffend(4);

4.  betreurt de geringe benutting van het vorige EFG-dossier uit 2016 met betrekking tot ontslagen bij Ericsson, maar is verheugd dat daaruit lering getrokken is; stelt met tevredenheid vast dat voormalige werknemers waarop de huidige aanvraag betrekking heeft de mogelijkheid zullen hebben onderwijs en opleidingen te volgen zonder negatieve gevolgen voor hun ontslagvergoeding;

5.  stelt vast dat Zweden de aanvraag onderbouwt door erop te wijzen dat de ontslagen verband houden met grote structurele veranderingen in de mondiale handelspatronen als gevolg van de globalisering, en met name met de negatieve groei in het vooral op hardware gerichte bedrijfsmodel van de telecomindustrie voor Ericsson in Zweden, vanwege de mondiale concurrentie; wijst erop dat Ericsson zijn personeelsbestand in Zweden geleidelijk heeft afgebouwd, maar tegelijkertijd wereldwijd is gegroeid;

6.  is zich bewust van de grote vraag naar mensen met vaardigheden op it-gebied in de verschillende regio's, en van het feit dat er een kloof gaapt tussen de vaardigheden van het door Ericsson ontslagen personeel en de eisen op arbeidsmarkt; onderkent dat grote aantallen mensen met dezelfde vaardigheden op hetzelfde moment worden ontslagen in dezelfde geografische gebieden; is van mening dat met name productiemedewerkers en oudere werknemers hulp nodig hebben; merkt op dat het EFG ook kan bijdragen tot grensoverschrijdend verkeer van werknemers van krimpende sectoren in sommige lidstaten naar groeisectoren in andere lidstaten;

7.  merkt op dat er verschillende categorieën werknemers zijn ontslagen, zowel productiemedewerkers als hoger personeel; is bezorgd dat sommige werknemers geconfronteerd worden met een arbeidsmarkt waar weinig vraag is in traditionele productiesectoren; wijst erop dat er grootschalige omscholingsmaatregelen nodig zouden zijn om deze werknemers kansen in de publieke of private dienstensector te bieden;

8.  wijst erop dat de aanvraag betrekking heeft op 2 388 gedwongen ontslagen werknemers bij Ericsson, waarvan er 900 in aanmerking zullen komen voor de voorgestelde maatregelen; wijst erop dat meer dan 30 % van de betrokkenen tussen de 55 en de 64 jaar oud is en over voor de hardware-sector van de telecomindustrie specifieke vaardigheden beschikt, waar op de huidige arbeidsmarkt geen vraag meer naar is, en dat zij derhalve op die markt nauwelijks nog kansen op het vinden van een baan hebben en dus langdurig werkloos dreigen te worden; is daarom ingenomen dat het project aandacht besteed aan maatregelen voor groepen in een achterstandspositie;

9.  is verheugd over het besluit om speciale hulp te verlenen aan ontslagen werknemers van boven de 50 jaar die het gevaar lopen langdurig werkloos te worden, en aan degenen met leermoeilijkheden of een lichamelijke handicap, gezien de grotere uitdagingen waarmee zij naar alle waarschijnlijkheid geconfronteerd zullen worden bij het vinden van ander werk;

10.   neemt er kennis van dat de kosten van vergoedingen en stimulansen voor ontslagen werknemers bijna het plafond van 35 % van de totale kosten van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening bereiken zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, en dat deze acties afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan opleidingsactiviteiten en activiteiten in verband met het zoeken van een baan;

11.  wijst erop dat Zweden vijf soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) advisering en loopbaanplanning, ii) maatregelen voor groepen in een achterstandspositie, iii) steun bij het opzetten van een eigen bedrijf, iv) onderwijs en opleiding, en v) sollicitatie- en mobiliteitstoelagen; merkt tevens op dat de voorgestelde maatregelen ontslagen werknemers helpen hun vaardigheden aan te passen en de overgang naar een nieuwe baan vergemakkelijken of hen helpen bij het opzetten van een eigen onderneming; benadrukt dat de beschreven maatregelen actieve arbeidsmarktmaatregelen betreffen die behoren tot de in artikel 7, lid 1, van de EFG-verordening vastgestelde subsidiabele acties, en niet in de plaats komen van socialebeschermingsmaatregelen; is ingenomen met het besluit van Zweden om in februari 2017 te beginnen met het verlenen van individuele diensten aan de beoogde begunstigden, vóór de indiening van de EFG-aanvraag;

12.  stelt vast dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met de beoogde begunstigden en hun vertegenwoordigers, alsook met de plaatselijke overheidsinstanties; dringt aan op meer overleg met ondernemers om de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en onderwijs aan te doen sluiten op hun behoeften;

13.  herinnert eraan dat, overeenkomstig artikel 7 van de EFG-verordening, het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de op die markten benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie; is ingenomen met de verplichting voor de Zweedse openbare dienst voor arbeidsvoorziening om milieu-eisen op te nemen in zijn aanbestedingen en zijn eigen praktijk;

14.  benadrukt dat de Zweedse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen;

15.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

16.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit, de duur en duurzaamheid van de banen, het aantal en percentage van zelfstandigen en nieuwe ondernemingen, en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

18.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

19.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering naar aanleiding van de aanvraag van Zweden – EGF/2017/007 SE/Ericsson

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/514.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Besluit (EU) 2016/1858 van het Europees Parlement en de Raad van 11 oktober 2016 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Zweden — EGF/2016/002 SE/Ericsson) (PB L 284 van 20.10.2016, blz. 25).


Besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen
PDF 151kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen (2018/2541(RSP))
P8_TA(2018)0055B8-0119/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van 20 december 2017 op grond van artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) inzake de rechtsstaat in Polen, getiteld "Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat" (COM(2017)0835),

–  gezien de aanbeveling (EU) 2018/103 van de Commissie van 20 december 2017over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van de Aanbevelingen (EU) 2016/1374, (EU) 2017/146 en (EU) 2017/1520(1),

–  gezien het besluit van de Commissie om de zaak Polen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken overeenkomstig artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wegens inbreuk op het Unierecht door de wet tot wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken(3) en zijn eerdere resoluties over dit onderwerp,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in zijn resolutie van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken wordt gesteld dat er momenteel in Polen een duidelijk risico bestaat van ernstige inbreuk op de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU;

1.  is ingenomen met het besluit van de Commissie van 20 december 2017 om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen en schaart zich achter de oproep van de Commissie aan de Poolse autoriteiten om de problemen op te lossen;

2.  verzoekt de Raad snel maatregelen te nemen overeenkomstig de in artikel 7, lid 1, VEU vastgestelde bepalingen;

3.  verzoekt de Commissie en de Raad om het Parlement volledig en regelmatig op de hoogte te houden van de geboekte vooruitgang en genomen maatregelen in elk stadium van de procedure;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, aan de president, de regering en het parlement van Polen, aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, aan de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

(1) PB L 17 van 23.1.2018, blz. 50.
(2) SEC(2017)0560.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0442.


Situatie van de grondrechten in de EU in 2016
PDF 218kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de EU in 2016 (2017/2125(INI))
P8_TA(2018)0056A8-0025/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de verwijzingen in eerdere verslagen naar de situatie van de grondrechten in de Europese Unie,

–  gezien zijn eerdere resoluties en eerdere resoluties van andere Europese en internationale instellingen en organen,

–  gezien de verslagen van nationale, Europese en internationale ngo's,

–  gezien de werkzaamheden van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), de Raad van Europa en de Commissie van Venetië,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien de werkzaamheden van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie verzoekschriften,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Afrikaanse en Europese leiders over de situatie van migranten in Libië van 1 december 2017 na de top van de Afrikaanse Unie en de Europese Unie (AU-EU) in Abidjan,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0025/2018),

A.  overwegende dat de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten, de grondrechten, de democratie, de beginselen van de rechtsstaat en de waarden en beginselen die zijn neergelegd in de verdragen van de Unie, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de internationale mensenrechteninstrumenten de basis van de Europese integratie vormen;

B.  overwegende dat in artikel 2 VEU is bepaald dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust, dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben, en dat deze waarden door de EU en door elke lidstaat afzonderlijk in alle interne en externe beleidsmaatregelen consequent moeten worden geëerbiedigd en actief moeten worden bevorderd; overwegende dat in artikel 17 VEU is bepaald dat de Commissie toeziet op de toepassing van de Verdragen;

C.  overwegende dat de eerbiediging van de rechtstaat een essentiële voorwaarde is voor de bescherming van de grondrechten, en overwegende dat de lidstaten de eindverantwoordelijkheid dragen voor het waarborgen van de mensenrechten van alle burgers door middel van het vaststellen en ten uitvoer leggen van internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat de rechtsstaat en de grondrechten voortdurend geconsolideerd moeten worden; overwegende dat elke poging om deze beginselen te ondermijnen niet alleen schadelijk is voor de betrokken lidstaat, maar ook voor de Unie in haar geheel;

D.  overwegende de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overeenkomstig artikel 6, lid 2, VEU een verdragsverplichting is;

E.  overwegende dat de bescherming van de mensenrechten van de kwetsbaarste groepen speciale aandacht verdient;

F.  overwegende dat de afwijkende bestuurspraktijken van sommige lidstaten getuigen van een selectieve benadering ten aanzien van de lusten en lasten van het EU-lidmaatschap, en dat de weigering van deze lidstaten om het Europees recht, de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de voorspelbaarheid van het overheidsoptreden ten volle te eerbiedigen, de geloofwaardigheid van de EU als ruimte van recht aantast;

G.  overwegende Europa ook in 2016 te maken heeft gehad met een toestroom van migranten en asielzoekers(1); overwegende dat veel van deze migranten via uiterst gevaarlijke routes reizen, ten prooi vallen aan smokkelaars en criminelen en een grote kans hebben het slachtoffer te worden van geweld, misbruik en uitbuiting; overwegende dat volgens cijfers van de UNHCR 27 % van de migranten die via de Middellandse Zee Europa bereiken, kinderen zijn; overwegende dat volgens rapporten van Unicef-IOM (Internationale Organisatie voor Migratie) ongeveer een kwart van de langs de centrale Middellandse Zeeroute ondervraagde jongeren nooit naar school is geweest;

H.  overwegende dat vluchtelingen, asielzoekers en migranten in 2016 op grote schaal te maken hebben gehad met racisme en xenofobie, en overwegende dat kwetsbare bevolkingsgroepen nog altijd verhoudingsgewijs vaak het slachtoffer zijn van discriminatie en geweld en een grote kans hebben om nieuwe trauma's op te lopen;

I.  overwegende dat de hoge migratiedruk waarmee bepaalde lidstaten al een aantal jaren te maken hebben noopt tot daadwerkelijke Europese solidariteit, zodat er passende opvangvoorzieningen worden gerealiseerd voor de meest behoeftige en kwetsbaarste personen; overwegende dat veel migranten ten prooi vallen aan smokkelaars en criminelen en een grote kans hebben om het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, onder meer in de vorm van geweld, misbruik en uitbuiting;

J.  overwegende dat vrouwen en kinderen een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel, uitbuiting en seksueel misbruik door mensensmokkelaars en dat er daarom systemen in het leven geroepen moeten worden voor de bescherming van kinderen en dat de bestaande systemen versterkt moeten worden, ter voorkoming van en als reactie op tegen kinderen gerichte vormen van geweld, misbruik, verwaarlozing en uitbuiting, zoals toegezegd in het actieplan van Valletta;

K.  overwegende dat de aanhoudende terroristische aanvallen in de hele EU op grote schaal hebben geleid tot wantrouwen tegenover moslims (zowel EU-burgers als migranten) en dat bepaalde politieke partijen dit gevoel van wantrouwen gebruiken om cultureel isolationisme te prediken en de haat tegen personen met een andere achtergrond aan te wakkeren;

L.  overwegende dat de systematische toepassing van noodmaatregelen en bijzondere gerechtelijke en administratieve maatregelen en de invoering van grenscontroles vrijwel geen afschrikkend effect hebben op terroristen, die in veel gevallen langdurig ingezetenen of zelfs onderdanen van de EU-lidstaten zijn;

M.  overwegende dat diverse lidstaten in reactie op de komst van asielzoekers en migranten politieke maatregelen hebben genomen, zoals de herinvoering van controles aan de binnengrenzen van het Schengengebied, en dat het hierbij lijkt te gaan om permanente en niet slechts tijdelijke maatregelen;

N.  overwegende dat onder haatdragende uitingen moet worden verstaan het verspreiden, aanmoedigen, bevorderen of rechtvaardigen op welke wijze dan ook, zowel online als offline, van rassenhaat, vreemdelingenhaat, vooroordelen tegen het geslacht van personen of hun ras, huidskleur, etnische of sociale herkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, hun eigendom, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, of andere vormen van haat die op onverdraagzaamheid zijn gebaseerd, waaronder het bevorderen van racistische en xenofobe ideeën, beleidsmaatregelen en praktijken, het houden van racistische en xenofobe toespraken en het verspreiden van nepnieuws; overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe soorten media onlinehaattaal bevordert; overwegende dat de Raad van Europa heeft verklaard dat het fenomeen haattaal op internet nader bestudeerd moet worden en dat er stappen genomen moeten worden om dit fenomeen te reguleren en dat er gezocht moet worden naar nieuwe manieren om deze vorm van retoriek te bestrijden;

O.  overwegende dat het gevaar bestaat dat de toename van rassenhaat, raciaal geweld, haat en geweld op basis van gender en vreemdelingenhaat, in de vorm van haatmisdrijven, nepnieuws, de anonieme verspreiding van berichten via sociale netwerken of andere onlineplatformen, protesten of politieke propaganda in de lidstaten normaal gaat worden gevonden;

P.  overwegende dat moderne maatschappijen niet kunnen functioneren en zich niet kunnen ontwikkelen zonder vrije, onafhankelijke, professionele en betrouwbare massamedia, die feiten natrekken, bereid zijn verschillende meningen onder het voetlicht te brengen, hun bronnen beschermen, de veiligheid van journalisten waarborgen en tevens de vrijheid van meningsuiting waarborgen en nepnieuws tot een minimum beperken; overwegende dat de publieke media een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de onafhankelijkheid van de media;

Q.  overwegende dat uit alle recente rapporten van internationale en Europese agentschappen en organisaties en maatschappelijke organisaties, waaronder ngo's, blijkt dat er op veel gebieden vooruitgang is geboekt; overwegende dat er desondanks in een aantal lidstaten nog altijd sprake is van mensenrechtenschendingen, zoals discriminatie van minderheden, corruptie, het tolereren van haatdragende uitingen, slechte detentieomstandigheden en slechte leefomstandigheden van migranten;

R.  overwegende dat uit het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", van maart 2014 blijkt dat één op de drie vrouwen in Europa als volwassene minstens één keer met fysiek of seksueel geweld te maken heeft gekregen en dat één op de vijf vrouwen te maken heeft gehad met intimidatie via internet; overwegende dat geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, zowel fysiek als psychologisch, in de EU op grote schaal voorkomen en beschouwd moeten worden als een extreme vorm van discriminatie die voorkomt in alle lagen van de bevolking; overwegende dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van geweld aan te sporen hiervan melding te doen en hulp te zoeken;

S.  overwegende dat de eerbiediging van de rechten van personen die tot een minderheid behoren en de eerbiediging van het recht op gelijke behandeling tot de grondbeginselen van de EU behoren; overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat de EU momenteel, afgezien van inbreukprocedures, slechts over instrumenten met een beperkte doeltreffendheid beschikt om te reageren op systematische en institutionele uitingen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat tegen minderheden; overwegende dat er tussen de lidstaten verschillen bestaan waar het de erkenning van minderheden en de eerbiediging van hun rechten betreft; overwegende dat er ondanks talrijke verzoeken aan de Commissie slechts in beperkte mate stappen zijn gezet om een effectieve bescherming van minderheden te garanderen;

T.  overwegende dat digitale media kinderen zeer veel kansen bieden, maar kinderen tegelijkertijd aan nieuwe gevaren blootstellen; overwegende dat kinderen les moeten krijgen over hun grondrechten in de digitale wereld, om hun veiligheid daarin te vergroten; overwegende dat kinderhulplijnen onmisbare instrumenten zijn in gevallen van schending van de rechten van kinderen; overwegende dat de ontwikkeling van digitale geletterdheid, waaronder media- en informatievaardigheden, bevorderd moet worden en onderdeel moet zijn van het curriculum van het basisonderwijs vanaf de allereerste schooljaren; overwegende dat de grondrechten in de digitale wereld op dezelfde wijze en in dezelfde omvang moeten worden bevorderd en beschermd als in de werkelijke wereld;

U.  overwegende dat e-overheidsdiensten in de EU in 2016 nog toegankelijker zijn geworden; overwegende dat het Europese e-justitieportaal burgers en beoefenaars van juridische beroepen informatie biedt over Europese en nationale juridische procedures en de werking van het justitieel systeem;

Rechtsstaat

1.  is van oordeel dat dat noch de nationale soevereiniteit, noch de subsidiariteit een rechtvaardiging of legitimering kan vormen voor het feit dat een lidstaat zich systematisch onttrekt aan de fundamentele waarden van de Europese Unie die als leidraad hebben gediend bij de opstelling van de inleidende artikelen van de Europese verdragen waarbij alle lidstaten zich vrijwillig hebben aangesloten met de belofte zich hieraan te zullen houden;

2.  merkt op dat de naleving van de criteria van Kopenhagen, waartoe de lidstaten gehouden zijn vanaf het moment dat zij tot de EU toetreden, voortdurend bewaakt moet worden en het onderwerp moet zijn van een voortdurende dialoog tussen het Parlement, de Commissie en de Raad;

3.  herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU als hoedster van de Verdragen gerechtigd en bevoegd is erop toe te zien dat de lidstaten de beginselen van de rechtsstaat en de andere waarden van artikel 2 VEU eerbiedigen; is derhalve van oordeel dat de maatregelen die de Commissie neemt om deze taak uit te voeren en om erop toe te zien dat er nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die waren voordat de lidstaten tot de Unie toetraden, geen schending van de soevereiniteit van de lidstaten vormen; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de Raad om zich eveneens in te zetten voor de rechtsstaat en behoorlijk bestuur; is ingenomen met het plan om in het kader van de Raad Algemene Zaken een regelmatige dialoog te houden over de rechtsstaat en verzoekt de Raad door te gaan op de ingeslagen weg en alle lidstaten regelmatig te evalueren;

4.  neemt kennis van de inspanningen van de Commissie om bepaalde lidstaten ertoe te brengen de rechtstaat opnieuw volledig te eerbiedigen, maar wijst er tevens op dat de instrumenten die daar nu voor worden ingezet niet volstaan; is van mening dat alle mogelijkheden voor het voeren van dialogen moeten worden onderzocht, maar vindt dat dergelijke dialogen niet oneindig hoeven te worden voortgezet als zij niet tot meetbare resultaten leiden; vindt het belangrijk dat artikel 7 VEU niet slechts als theoretisch instrument wordt beschouwd, maar daadwerkelijk wordt toegepast als alle andere middelen falen; herinnert er in dit kader aan dat toepassing van artikel 7 niet automatisch leidt tot oplegging van sancties aan de betrokken lidstaat;

5.  benadrukt dat de EU behoefte heeft aan een gemeenschappelijke benadering ten aanzien van het bestuur in een democratie en de toepassing van fundamentele waarden, en dat een dergelijke benadering, die er nog niet is, tot stand gebracht moet worden door middel van democratische besluitvorming en het bundelen van ervaringen op het gebied van Europees bestuur; is van oordeel dat er bij een dergelijke gemeenschappelijke benadering in ieder geval sprake moet zijn van een en dezelfde opvatting ten aanzien van de rol van de meerderheid in een democratie, om te voorkomen dat ontsporingen leiden tot een tirannie van de meerderheid;

6.  wijst op het intrinsieke verband tussen de rechtsstaat en de grondrechten; wijst op de massale protesten van EU-burgers, waarmee zij laten zien hoezeer zij gehecht zijn aan hun grondrechten en aan de Europese waarden; benadrukt in dit verband dat het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke waarden van de EU en het Handvest onder de aandacht van alle Europeanen te brengen;

7.  is van mening dat de verschillende uitleg die de lidstaten geven aan en de niet-naleving van de waarden van artikel 2 VEU de cohesie van het Europese project verzwakken, afbreuk doen aan de rechten van alle Europeanen en het noodzakelijke wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten doen verminderen;

8.  herinnert aan de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016(2), waarin het Parlement pleit voor de instelling van een Europees mechanisme voor democratie, de rechtstaat en grondrechten; meent dat een dergelijk mechanisme centraal moet staan in een gecoördineerde Europese aanpak op het gebied van governance, die momenteel ontbreekt; verzoekt de Commissie een voorstel tot instelling van een dergelijk mechanisme in te dienen, dat in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

9.  benadrukt dat een breder kader voor de monitoring van de rechtsstaat zal leiden tot meer cohesie tussen de bestaande instrumenten, een betere doeltreffendheid en tot jaarlijkse kostenbesparingen; benadrukt dat het belangrijk is dat er in het hele monitoringproces uiteenlopende en onafhankelijke bronnen worden gebruikt; wijst erop dat het belangrijk is dat schendingen van de grondrechten worden voorkomen en dat er niet pas wordt gereageerd als dergelijke schendingen zich herhaald voordoen;

10.  veroordeelt ten sterkste dat er steeds vaker beperkingen van de vrijheid van vergadering worden opgelegd, en dat er in sommige gevallen sprake is van gewelddadig optreden door de overheid tegen demonstranten; wijst er nogmaals op dat deze fundamentele vrijheden een zeer belangrijke rol spelen als het gaat om het functioneren van democratische maatschappijen en verzoekt de Commissie zich actief in te zetten voor de bevordering van deze rechten, overeenkomstig de internationale normen op het gebied van de mensenrechten;

11.  brengt in herinnering dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van groot belang is voor de bescherming van alle grondrechten, de democratie en de rechtsstaat;

12.  wijst erop dat het Parlement in zijn resolutie van 25 oktober 2016 de Commissie heeft verzocht om in samenwerking met het maatschappelijk middenveld een bewustmakingscampagne op te zetten en uit te voeren om de burgers en inwoners van de Unie de kans te bieden helemaal vertrouwd te raken met de rechten die zij hebben op grond van de Verdragen en het Handvest (zoals het recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en stemrecht) en in deze campagne informatie te verstrekken over het recht van burgers op een voorziening in rechte bij inbreuken op democratie, de rechtsstaat en grondrechten door nationale regeringen of instellingen van de Unie en de daartoe te volgen procedures;

13.  verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om in samenwerking met het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) geactualiseerde databanken bij te houden over de situatie van de mensenrechten in de afzonderlijke lidstaten;

14.  herinnert eraan dat corruptie de rechtstaat, de democratie, de mensenrechten en de gelijke behandeling van alle burgers in gevaar brengt; benadrukt dat corruptie een bedreiging vormt voor deugdelijk bestuur en voor een eerlijk en sociaal rechtssysteem, en economische groei afremt; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen om zich actiever in te zetten voor de bestrijding van corruptie, door regelmatig te controleren hoe de publieke (Europese en nationale) middelen worden ingezet;

15.  benadrukt dat getuigen en informanten een belangrijke rol spelen bij de vervolging en bestraffing van criminele organisaties die zich bezighouden met criminele activiteiten en van degenen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van de rechtsstaat;

16.  verzoekt de lidstaten om zich in te zetten voor de spoedige instelling van het Europees Openbaar Ministerie;

Migratie en integratie

17.  merkt op dat gewelddadige conflicten, vervolging, ongelijkheid, terrorisme, repressieve regimes, natuurrampen, door mensen veroorzaakte crises en chronische armoede in derde landen de belangrijkste factoren zijn die migratie in de hand werken;

18.  herinnert eraan dat er nog steeds veel asielzoekers en migranten zijn die op irreguliere wijze de buitengrenzen van de EU willen overschrijden en daarbij het leven verliezen of te maken krijgen met diverse andere gevaren;

19.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat diverse lidstaten hun beleid op het gebied van migratie en asiel hebben aangescherpt en dat bepaalde lidstaten hun verplichtingen op deze gebieden niet ten volle nakomen;

20.  verzoekt de EU en haar lidstaten om solidariteit en eerbiediging van de grondrechten van migranten en asielzoekers centraal te plaatsen in het EU-migratiebeleid;

21.  verzoekt de lidstaten het aangenomen gemeenschappelijke Europese asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving te eerbiedigen en volledig ten uitvoer te leggen, met name om asielzoekers te beschermen tegen geweld, discriminatie en verdere trauma's tijdens de asielprocedure, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen; wijst erop dat één op de drie asielzoekers een kind is en dat deze groep bijzonder kwetsbaar is; roept de Unie en de lidstaten op meer te doen om te voorkomen dat niet-begeleide minderjarigen vermist raken;

22.  is ingenomen met de samenwerking tussen het FRA en Frontex bij het opstellen van een handboek voor de behandeling van kinderen aan landsgrenzen;

23.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de opvangvoorzieningen in de lidstaten zeer verschillend zijn en dat personen die om internationale bescherming verzoeken in sommige lidstaten niet verzekerd zijn van een passende en waardige behandeling;

24.  veroordeelt krachtig de sterke toename van mensenhandel en is van oordeel dat degenen die zich hieraan schuldig maken, waaronder ambtenaren en andere overheidsfunctionarissen, hiervoor ter verantwoording moeten worden geroepen en voor de rechter moeten worden gebracht, en verzoekt de lidstaten om hun samenwerking te versterken en hun inspanningen op het gebied van de bestrijding van georganiseerde misdaad, waaronder mensenhandel en -smokkel, uitbuiting, dwangarbeid, seksueel misbruik en foltering, te intensiveren en de slachtoffers ervan beter te beschermen;

25.  wijst erop dat vrouwen en kinderen een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel, uitbuiting en seksueel misbruik door mensenhandelaren;

26.  vindt dat er veilige en legale manieren voor migratie gecreëerd moeten worden en dat de rechten van personen die Europa niet op legale wijze kunnen binnenkomen het beste beschermd kunnen worden door de onderliggende oorzaken van migratiestromen aan te pakken, te werken aan duurzame oplossingen voor conflicten en samenwerkingsverbanden en partnerschappen op te zetten; denkt dat op deze wijze bijgedragen wordt aan een snelle en krachtige ontwikkeling van landen van herkomst en doorreis, doordat daardoor de plaatselijke economieën ontwikkeld worden en ter plaatse nieuwe kansen worden geboden, en tevens geïnvesteerd wordt in de ontwikkeling van asielstelsels van landen van doorreis die het internationale recht en de grondrechten ten volle eerbiedigen;

27.  dringt er bij de Unie en de lidstaten op aan veilige en de legale routes voor vluchtelingen te realiseren en, in het bijzonder, het aantal hervestigingsplaatsen voor de kwetsbaarste groepen vluchtelingen te verhogen;

28.  wijst erop dat in het kader van het terugkeerbeleid de grondrechten van migranten ten volle moeten worden geëerbiedigd, waaronder het recht op non-refoulement; is van mening dat ervoor gezorgd moet worden dat de waardigheid van terugkeerders wordt beschermd en dringt er daarom op aan dat vrijwillige terugkeer gestimuleerd wordt en dat er meer hulp geboden wordt bij de re-integratie in de landen van herkomst;

29.  benadrukt dat de Unie de totstandbrenging van opvang- en integratiebeleid in alle lidstaten moet stimuleren en vindt het onaanvaardbaar dat bepaalde lidstaten stellen dat het migratieprobleem niet hun verantwoordelijkheid is; benadrukt dat de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie in alle beleidsmaatregelen op het gebied van migratie en integratie geëerbiedigd moeten worden; is ingenomen met de oprichting van het Europees integratienetwerk en pleit voor een betere uitwisseling van beste praktijken op het gebied van integratie tussen de lidstaten;

30.  wijst erop dat migranten, zowel kinderen als volwassenen, met oog op hun integratie in het gastland onderwijs geboden moeten krijgen; wijst op de speciale behoeften van migranten in dit verband, met name taalonderwijs; benadrukt dat in elke lidstaat maatregelen moeten worden genomen om migranten toegang te geven tot gezondheidszorg en goede opvangvoorzieningen en dat mogelijkheden geboden moeten worden voor gezinshereniging;

31.  benadrukt dat het belangrijk is dat er aan de bevolking als geheel leermiddelen beschikbaar worden gesteld ter bevordering van de interculturele dialoog;

32.  benadrukt dat er in alle lidstaten bij voorrang maatregelen moeten worden genomen om alle migrantenkinderen passende en waardige opvangvoorzieningen, taallessen, scholing in het kader van de interculturele dialoog, onderwijs en beroepsonderwijs te bieden;

33.  roept de lidstaten op hun voorzieningen ten behoeve van de bescherming van kinderen te verbeteren, met inbegrip van voorzieningen voor minderjarige asielzoekers, vluchtelingen en migranten; dringt er bij de Commissie op aan een samenhangend concept voor voogdijstelsels te formuleren, teneinde de belangen van niet-begeleide minderjarigen optimaal te kunnen behartigen; pleit voor de ontwikkeling en invoering van specifieke procedures ter bescherming van alle kinderen, in overeenstemming met het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind;

34.  vindt het absoluut noodzakelijk dat personen met verschillende religieuze achtergronden, ook personen die al heel lang in de Europese Unie wonen, zo goed mogelijk in de Europese samenleving integreren;

35.  benadrukt dat door de ontwikkeling van strategieën voor sociale inclusie en onderwijs en beleid ter bestrijding van discriminatie en uitsluiting voorkomen kan worden dat kwetsbare personen zich aansluiten bij gewelddadige extremistische organisaties;

36.  pleit ervoor dat veiligheidsmaatregelen die erop gericht zijn alle vormen van radicalisering en terrorisme te bestrijden, met name in de justitiële sfeer aangevuld worden met langetermijnbeleid dat radicalisering en aanwerving van burgers van de Unie door gewelddadige extremistische organisaties moet voorkomen;

37.  maakt zich zorgen over de zorgwekkende toename van uitingen van haat, haatdragende taal en nepnieuws; veroordeelt door racisme, vreemdelingenhaat, religieuze onverdraagzaamheid of vooroordelen tegen personen met een handicap, seksuele geaardheid of genderidentiteit ingegeven haatmisdrijven en haatpropaganda, die dagelijks in de EU plaatsvinden; wijst erop dat het gedogen van de verspreiding van haattaal en nepnieuws een voedingsbodem vormt voor populisme en extremisme; is van mening dat deze ontwikkeling een halt toe geroepen kan worden door systematische civielrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen;

38.  onderstreept dat de moedwillige verspreiding van onjuiste informatie over welke categorie in de EU levende personen dan ook, de rechtsstaat en de grondrechten een enorme bedreiging vormt voor de democratische waarden en de eenheid van de EU;

39.  wijst erop dat sociale netwerken en de anonimiteit die geboden wordt door een grote verscheidenheid aan mediaplatforms allerlei vormen van haatdragende taal, waaronder extreemrechtse en jihadistische uitlatingen, in de hand werken en is van oordeel dat het internet geen omgeving mag zijn waar geen wetten en regels gelden;

40.  wijst erop dat de vrijheid van meningsuiting, informatievrijheid en vrijheid van de media van wezenlijk belang zijn voor de democratie en de rechtsstaat; is fel tegenstander van geweld tegen en het onder druk zetten of bedreigen van journalisten en de media, onder meer in verband met de openbaarmaking van informatie over schendingen van de grondrechten;

41.  vindt het volstrekt onjuist dat haatdragende taal, op aansporing van of gesteund door overheden, politieke partijken of politieke leiders en verspreid via sociale media, steeds vaker geaccepteerd wordt;

42.  herinnert eraan dat onderwijs en bewustmaking van de bevolking de sleutel vormen tot de bestrijding van deze fenomenen; verzoekt de lidstaten om bewustmakingscampagnes op te zetten in scholen en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te steunen bij hun inspanningen op dit gebied door met name richtsnoeren uit te werken voor dergelijke activiteiten;

43.  is van oordeel dat politie en justitie in de lidstaten op systematische wijze moeten worden geschoold op het gebied van haatmisdrijven en dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven moeten worden gestimuleerd om aangifte te doen; pleit voor het opzetten van een EU-breed opleidingsprogramma voor rechtshandhavingsambtenaren in de EU, gericht op een doeltreffende bestrijding van haatmisdrijven en haatdragende taal; benadrukt dat een dergelijke opleiding verzorgd zou moeten worden door het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), op basis van beste praktijken op nationaal niveau en de activiteiten van het FRA;

44.  is ingenomen met het feit dat de Commissie een groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid heeft opgericht;

45.  roept deze door de Commissie opgerichte groep op hoog niveau op om met name te werken aan de harmonisatie van de definities van "haatmisdrijf" en "haatdragende taal" in heel Europa; is van mening dat deze groep zich tevens moet buigen over haattaal en het oproepen tot geweld door politici;

46.  dringt erop aan dat deze tendensen worden tegengegaan door het toezicht op, het onderzoek naar en de vervolging van personen die uitlatingen doen of teksten verspreiden die onverenigbaar zijn met het Europees recht door de bevoegde justitiële instanties te verbeteren, maar daarbij wel het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer te beschermen, een en ander in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en IT-bedrijven;

47.  verzoekt de Commissie in dit kader een voorstel in te dienen tot herschikking van het Kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht;

Discriminatie

48.  veroordeelt alle vormen van discriminatie, onder meer op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, zoals neergelegd in artikel 21 van het Handvest, en tevens elke vorm van onverdraagzaamheid of vreemdelingenhaat, en herinnert aan artikel 2 VEU;

49.  is van oordeel dat secularisme, in die zin dat kerk en staat strikt gescheiden zijn, en de neutraliteit van de staat van het allergrootste belang zijn om de vrijheid van godsdienst of overtuiging te beschermen, de gelijke behandeling van alle godsdiensten en overtuigingen te waarborgen en discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging te bestrijden;

50.  merkt op dat het voorstel van 2008 voor een richtlijn inzake gelijke behandeling nog altijd door de Raad moet worden goedgekeurd; herhaalt zijn oproep aan de Raad zo snel mogelijk zijn standpunt over dit voorstel te bepalen;

51.  wijst nogmaals op de verplichting van de lidstaten om Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden volledig om te zetten;

52.  herinnert eraan dat de mensenrechten een universeel karakter hebben en dat geen enkele minderheid mag worden gediscrimineerd; benadrukt dat de rechten van minderheden onlosmakelijk verbonden zijn met het beginsel van de rechtsstaat; merkt op dat er een hoger risico is dat de rechten van minderheden worden geschonden wanneer de rechtsstaat niet wordt geëerbiedigd;

53.  veroordeelt de discriminatie, segregatie, haattaal, door haat ingegeven misdrijven en sociale uitsluiting waarvan de Roma het slachtoffer zijn; veroordeelt de voortdurende discriminatie van de Roma bij de toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en de arbeidsmarkt; herinnert eraan dat alle Europese burgers evenveel bijstand en bescherming moeten krijgen, ongeacht hun etnische afkomst;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenspraak met vertegenwoordigers van minderheden betrouwbare en vergelijkbare gegevens over gelijkheid te verzamelen teneinde ongelijkheden en discriminatie in kaart te brengen;

55.  roept de lidstaten op goede praktijken uit te wisselen en beproefde oplossingen toe te passen bij het aanpakken van de problemen van minderheden in de gehele Europese Unie;

56.  benadrukt het belang van gelijkheidsbeleid dat alle etnische, culturele en religieuze minderheden in staat stelt ongehinderd hun grondrechten uit te oefenen;

57.  spoort de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan het Kaderverdrag voor de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden te ratificeren; herinnert voorts aan de noodzaak om de beginselen die in het kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) zijn ontwikkeld, ten uitvoer te leggen;

58.  dringt er bij de lidstaten op aan naar behoren aandacht te besteden aan de rechten van minderheden, het recht op het gebruiken van een minderheidstaal te waarborgen en de taaldiversiteit in de Unie te beschermen; verzoekt de Commissie om versterking van haar plan om het lesgeven in en gebruiken van regionale talen te bevorderen als mogelijke manier om taaldiscriminatie in de EU aan te pakken;

59.  benadrukt dat lessen over de waarde van tolerantie deel moeten uitmaken van het lesprogramma van scholen, om kinderen te leren hoe zij vormen van discriminatie, bijvoorbeeld discriminatie van moslims, joden Afrikanen, Roma, LGBTI's of andere minderheden, kunnen herkennen;

60.  verzoekt de Commissie de beste praktijken van de lidstaten op het gebied van de aanpak van genderstereotypen op school te delen;

61.  betreurt dat LGBTI's te maken hebben met intimidatie en pesterijen en dat zij in hun dagelijks leven op diverse gebieden gediscrimineerd worden;

62.  veroordeelt alle vormen van discriminatie van LGBTI's; spoort de lidstaten aan om wetgeving en beleidsmaatregelen ter bestrijding van homo- en transfobie vast te stellen;

63.  spoort de Commissie aan om te komen met een agenda voor gelijke rechten en kansen voor alle burgers, rekening houdend met de bevoegdheden van de lidstaten, en toe te zien op een goede omzetting en tenuitvoerlegging van EU-wetgeving met betrekking tot de rechten van LGBTI's; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om nauw samen te werken met maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de rechten van LGBTI's;

64.  roept de lidstaten die wetgeving betreffende partnerschappen en/of huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht hebben vastgesteld, op tot erkenning van door andere lidstaten vastgestelde bepalingen met soortgelijke rechtsgevolgen; wijst nogmaals op de verplichting van de lidstaten om Richtlijn 2004/38/EG volledig ten uitvoer te leggen, ook ten aanzien van koppels van hetzelfde geslacht en hun kinderen; is ingenomen met het feit dat steeds meer lidstaten wetten inzake samenwoning, samenlevingscontracten en het huwelijk aannemen en/of hun bestaande wetgeving ter zake aanpassen om een einde te maken aan discriminatie op grond van de seksuele geaardheid van personen in een relatie met een persoon van hetzelfde geslacht en hun kinderen, en verzoekt de andere lidstaten soortgelijke wetten aan te nemen; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor de volledige wederzijdse erkenning in de hele EU van de rechtskracht van alle documenten van de burgerlijke stand, met inbegrip van wettelijke erkenning van de genderidentiteit, huwelijken en geregistreerde partnerschappen, om de discriminerende wettelijke en administratieve belemmeringen weg te nemen waar burgers mee kampen wanneer ze hun recht op vrij verkeer uitoefenen;

65.  is ingenomen met de initiatieven om conversietherapie bij LGBTI-personen en pathologisering van transidentiteiten te verbieden, en dringt er bij alle lidstaten op aan vergelijkbare maatregelen te treffen die het recht op genderidentiteit en genderexpressie eerbiedigen en steunen;

66.  betreurt dat transgenders in de meeste lidstaten nog steeds als personen met een psychische aandoening worden beschouwd en roept deze lidstaten op hun nationale classificatiesystemen voor psychische aandoeningen te herzien, alternatieve niet-stigmatiserende toegangsmodellen te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat medisch noodzakelijke behandelingen beschikbaar blijven voor alle transgenders; betreurt dat diverse lidstaten voorafgaand aan de erkenning van het geslacht van transgenders (bijvoorbeeld in een paspoort of officieel identiteitsdocument) nog steeds verlangen dat er aan bepaalde eisen is voldaan, zoals het hebben ondergaan van bepaalde medische ingrepen, of voorafgaand aan de erkenning van de genderidentiteit verlangen dat transgenders zich laten steriliseren; merkt op dat het stellen van dergelijke eisen duidelijk een schendingen van de mensenrechten inhoudt; verzoekt de Commissie om de lidstaten richtsnoeren te bieden over de wijze waarop de wettelijke erkenning van de genderidentiteit in Europa het best kan worden geregeld; roept de lidstaten op geslachtsverandering te erkennen en toegang te bieden tot snelle, toegankelijke en transparante procedures voor de erkenning van de genderidentiteit, zonder medische vereisten zoals operaties of sterilisatie of toestemming van een psychiater;

67.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om zich ervoor in te zetten dat bij de herziening van de internationale classificatie van ziekten (ICD) van de Wereldgezondheidsorganisatie transgenderidentiteiten uit de pathologische sfeer worden getrokken; verzoekt de Commissie meer inspanningen te verrichten om te voorkomen dat gendervariatie bij kinderen een nieuwe diagnose in de ICD wordt;

68.  dringt er bij de Commissie op aan om gegevens te verzamelen over schendingen van de mensenrechten waar interseksuele personen in alle aspecten van hun leven mee te maken krijgen, en om de lidstaten richtsnoeren te verschaffen met beste praktijken om de grondrechten van interseksuele personen te beschermen; betreurt dat in de EU-lidstaten nog steeds interseksuele kinderen worden geopereerd om ze te "normaliseren", terwijl dat medisch niet nodig is en medische ingrepen bij kinderen vaak leiden tot langdurige psychologische schade;

69.  roept de lidstaten op de slachtofferrichtlijn(3) volledig om te zetten en de leemten in hun systemen ter bescherming van de rechten van slachtoffers op te sporen en te verhelpen, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de rechten van kwetsbare groepen, zoals kinderen, minderheden en slachtoffers van haatmisdrijven;

70.  verzoekt de EU en de lidstaten dringend om alle vormen van geweld tegen en discriminatie van vrouwen te bestrijden en de personen die zich daaraan schuldig maken te vervolgen; verzoekt de lidstaten met name om elke vorm van huiselijk geweld en seksuele uitbuiting, onder meer bij minderjarige vluchtelingen en migranten, alsmede vroegtijdige of gedwongen huwelijken doeltreffend te bestrijden;

71.  verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen en regelmatige opleidingen aan te bieden voor personeel van politie en justitie over nieuwe vormen van geweld tegen vrouwen;

72.  is verheugd dat alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben ondertekend en dat de Europese Unie het ondertekend heeft; verzoekt de lidstaten die het verdrag nog niet hebben geratificeerd dat alsnog te doen;

73.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen in de strijd tegen seksuele intimidatie en seksueel geweld op te voeren;

74.  herinnert eraan dat armoede op hoge leeftijd een probleem is dat met name bij vrouwen speelt, aangezien de loonkloof tussen mannen en vrouwen een pensioenkloof tot gevolg heeft;

75.  roept de lidstaten op om passende beleidsmaatregelen op te stellen om gepensioneerde vrouwen te ondersteunen en de structurele oorzaken van verschillen in salaris tussen mannen en vrouwen weg te werken;

76.  benadrukt de noodzaak om discriminatie van personen met een handicap een halt toe te roepen en hun gelijke sociale en politieke rechten toe te kennen, waaronder het stemrecht, zoals vastgelegd in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

77.  wijst erop dat de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen verband houdt met meerdere mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht om niet te worden blootgesteld aan foltering, het recht op gezondheid, het recht op privacy, het recht op onderwijs en het verbod op discriminatie; benadrukt in dit verband dat personen met een handicap evenveel recht hebben als anderen om hun grondrechten uit te oefenen;

78.  verzoekt de EU en de lidstaten het grondrecht van toegang tot preventieve gezondheidszorg te erkennen; beklemtoont dat de Unie, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, een belangrijke rol moet spelen bij het vergroten van de kennis en het bevorderen van beproefde praktijken op dit gebied, ook in de context van de gezondheidsstrategie van de EU, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten; herinnert er in dit verband aan dat samenhang en consistentie tussen het interne en het externe mensenrechtenbeleid van de EU van groot belang zijn;

79.  benadrukt dat elk systeem voor grootschalige en willekeurige observatie door inlichtingendiensten een ernstige inbreuk op de grondrechten van de burgers vormt; benadrukt dat elk wetgevingsvoorstel in de lidstaten dat betrekking heeft op de toezichtcapaciteiten van inlichtingendiensten in overeenstemming moet zijn met het Handvest en met de beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid en wettigheid;

80.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het alarmnummer voor het melden van vermiste kinderen (116 000) en het nummer van de hulplijn voor kinderen (116 111) onder de aandacht te brengen bij de burgers in het algemeen en bij de nationale actoren die actief zijn op het gebied van kinderbescherming in het bijzonder; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat burgers toegang hebben tot passende en kindvriendelijke diensten, die in de hele EU 24 uur per dag, 7 dagen per week toegankelijk zijn; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarvoor, indien nodig, voldoende middelen toe te wijzen;

81.  vraagt de EU-instellingen en de lidstaten met klem de handen ineen te slaan in de strijd tegen schendingen van de rechten van kinderen via internet; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie(4) om te zetten en op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen; verzoekt de lidstaten om de wettelijke mogelijkheden, technische vaardigheden en financiële middelen van rechtshandhavingsinstanties te versterken, zodat er meer kan worden samengewerkt, onder meer met Europol, om dit fenomeen aan te pakken; wijst erop dat personen die werken met kinderen een belangrijke rol spelen als het gaat om het herkennen van de tekenen van fysiek of psychisch geweld bij kinderen, waaronder cyberpesten; verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat personen die met kinderen werken voorlichting krijgen en geschoold worden in het herkennen van dergelijke signalen;

82.  wijst op de positieve trend die in een aantal lidstaten zichtbaar is wat betreft de rechten van slachtoffers; merkt echter op dat er nog altijd merkbare lacunes zijn in de dienstverlening op het gebied van slachtofferhulp;

83.  is ingenomen met het EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020 en met het actieplan voor Europese e-justitie 2014-2018;

84.  spoort de Commissie aan om EU-coördinatoren aan te wijzen voor afrofobie en zigeunerhaat en deze coördinatoren te belasten met de taak om de coördinatie en samenwerking tussen EU-instellingen, EU-agentschappen, lidstaten en internationale actoren te verbeteren, bestaand EU-beleid aan te scherpen en nieuw EU-beleid te ontwikkelen om afrofobie en zigeunerhaat aan te pakken; benadrukt in het bijzonder dat de EU-coördinator voor zigeunerhaat tot taak moet krijgen de werkzaamheden van de "Non-discrimination and Roma Coordination Unit" van de Commissie te versterken en aan te vullen, door het team te versterken, toereikende middelen toe te wijzen en meer personeel aan te trekken, zodat er voldoende capaciteit is om zigeunerhaat te bestrijden, de kennis over de zigeunervervolging te vergroten en ervoor te zorgen dat deze holocaust niet in de vergetelheid raakt; pleit voor de vaststelling van Europese kaders voor nationale strategieën ter bestrijding van afrofobie, antisemitisme en islamofobie;

85.  veroordeelt de stappen van regeringen van lidstaten om het maatschappelijk middenveld en ngo's te ondermijnen en zwart te maken; dringt er bij de lidstaten op aan maatschappelijke organisaties te steunen, aangezien deze vaak belangrijk werk verrichten in aanvulling op de door de staat geleverde maatschappelijke diensten of zelfs leemten opvullen die door de staat niet worden verholpen;

86.  stelt voor een Europese coördinator voor de burgerruimte en democratie aan te wijzen, die belast is met het coördineren van de werkzaamheden van de EU en de lidstaten op dit gebied, die de rol van toezichthouder vervult en die fungeert als aanspreekpunt voor ngo's, waar ngo's gevallen van intimidatie waardoor zij hun werkzaamheden niet of minder goed kunnen uitvoeren kunnen melden;

87.  verzoekt de Commissie richtsnoeren vast te stellen voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, evenals indicatoren voor de burgerruimte;

o
o   o

88.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) http://migration.iom.int/docs/2016_Flows_to_Europe_Overview.pdf
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(3) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad.
(4) Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).


Vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU
PDF 237kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 inzake vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU (2017/2115(INI))
P8_TA(2018)0057A8-0014/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2011 over de gezondheid van honingbijen en de problemen van de bijenteeltsector(1),

–  gezien de conclusies van de Raad Landbouw en Visserij (8606/11 ADD 1 REV 1) over de mededeling van de Commissie over de gezondheid van honingbijen (COM(2010)0714),

–  gezien de werkzaamheden naar aanleiding van de Europese week van de bij en de bestuiving – EU Bee Week – die sinds 2012 in het Europees Parlement wordt georganiseerd,

–  gezien het verslag van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) "Collecting and Sharing Data on Bee Health: Towards a European Bee Partnership" van september 2017, waarin het Europees partnerschap voor bijen tot stand wordt gebracht,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0014/2018),

A.  overwegende dat de bijenteeltsector integraal deel uitmaakt van de Europese landbouw en meer dan 620 000 bijenhouders in de EU vertegenwoordigt(2); overwegende dat de bijenteelt in brede kring als hobby wordt uitgeoefend of voor de productie van honing voor eigen gebruik, maar ook beroepsmatig wordt beoefend;

B.  overwegende dat de economische waarde van bijen bestuiving omvat en de productie van honing, bijenwas en andere bijenproducten, terwijl houten geraamten of bijenkasten en apitoerisme ook van groot belang zijn;

C.  overwegende dat de bijenteeltsector van enorm belang is voor de EU en in grote mate bijdraagt aan de samenleving, zowel economisch met rond de 14,2 miljard EUR per jaar als ecologisch, door het ecologisch evenwicht en de biodiversiteit in stand te houden aangezien 84 % van de plantensoorten en 76 % van de voedselproductie in Europa afhankelijk is van bestuiving door wilde en tamme bijen;

D.  overwegende dat bijen en andere bestuivers zorgen voor bestuiving en derhalve de vermenigvuldiging van diverse gekweekte en wilde planten waarborgen alsook de voedselproductie en voedselzekerheid en de biodiversiteit in stand houden – en dit alles gratis in Europa en in de wereld; overwegende dat in de EU het belang van bestuiving niet voldoende wordt erkend en vaak als vanzelfsprekend wordt beschouwd, terwijl in de VS bijvoorbeeld jaarlijks in totaal twee miljard EUR wordt uitgegeven aan kunstmatige bestuiving; overwegende dat Europa de thuisbasis vormt voor ongeveer 10 % van de mondiale bijendiversiteit; overwegende dat volgens het "Institut National de Recherche Agronomique" (het Franse Nationaal agronomisch onderzoeksinstituut) bijensterfte 150 miljard EUR zou kosten op mondiaal niveau, ofwel 10 % van de marktwaarde van voeding, hetgeen aantoont dat er maatregelen nodig zijn ter bescherming van bestuivende insecten;

E.  overwegende dat recente studies van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) uitwijst dat een verhoging van de dichtheid en de verscheidenheid van bestuivende insecten een directe invloed heeft op de gewasproductiviteit en dat dit wereldwijd kleinschalige landbouwers kan helpen om hun gemiddelde productiviteit met 24 % te verhogen;

F.  overwegende dat niet alle landen beschikken over een registratiesysteem voor bijenhouders en -kasten dat het gemakkelijker zou maken om de ontwikkeling van de sector, de markt en de bijengezondheid te volgen;

G.  overwegende dat de Commissie in 2004 een bedrag van 32 miljoen EUR toewees aan de nationale bijenteeltprogramma's, dat geheel ten goede kwam aan de bijenteelt, en overwegende dat dit bedrag in 2016 weliswaar was gestegen naar 36 miljoen EUR, maar dat dit nog lang niet toereikend is (en slechts 0,0003 % van de GLB-begroting vertegenwoordigt);

H.  overwegende dat het aantal honingbijkolonies tussen 2014 en 2016 is gestegen met 47,8 % als gevolg van de toetreding van nieuwe lidstaten, maar dat de EU-financiering slechts met 12 % werd verhoogd, wat betekent dat de beschikbare EU-financiering ontoereikend is om de bijenpopulatie in stand te houden en bijenhouders goed bij te kunnen staan bij de vernieuwing van hun bijenkolonies na het verlies van bijenbestanden in lidstaten die te kampen hebben met een hoge bijensterfte;

I.  overwegende dat ondanks deze statistische stijging veel professionele bijenhouders hun activiteiten gestaakt hebben, en in een aantal lidstaten het aantal bijenkolonies met maar liefst 50 % of meer is gedaald(3), vanwege de effecten van de klimaatverandering (bijv. lentevorst, droogte, branden), bepaalde chemische actieve stoffen en verstoringen op de interne honingmarkt in de EU; overwegende dat er ook nu nog diverse gevallen van verliezen in de winter en afwijkingen worden gemeld;

J.  overwegende dat de nationale programma's voor de bijenteeltsector met medefinanciering van de EU over de hele linie een positief effect hebben; overwegende dat het waarschijnlijker is dat het de nationale tenuitvoerlegging is die soms een gebrek aan vertrouwen kan genereren in de sector, waardoor de financiering niet volledig wordt benut;

K.  overwegende dat de bijenteeltsector met een ernstig demografisch en vergrijzingsprobleem te kampen heeft, aangezien slechts een klein percentage van de bijenhouders jonger is dan vijftig jaar, hetgeen de toekomst van de sector in gevaar brengt; overwegende dat de bijenteelt kansen op werkgelegenheid en integratie voor jongeren in plattelandsgebieden biedt, aangezien de toegang tot grond in veel Europese regio's beperkt is;

L.  overwegende dat goede theoretische kennis in combinatie met praktijkgerichte opleidingen bij kunnen dragen aan een beter inzicht in en een betere aanpak van de uitdagingen waar bijenkolonies mee te maken zullen krijgen, en dus van groot belang zijn; overwegende dat bijenhouders verantwoordelijk en professioneel te werk moeten gaan en in nauwe samenwerking met landbouwers om toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden zoals klimaatverandering, natuurrampen, vermindering van het aantal bijenweiden, aanvallen door wilde dieren en soorten trekvogels in sommige regio's (bijenkasten worden in grote mate blootgesteld aan zulke aanvallen van roofdieren aangezien de bijenteelt vaak in de openlucht plaatsvindt), en de hoge administratieve lasten in sommige lidstaten;

M.  overwegende dat deelnemers in het kader van de nationale bijenteeltprogramma's met medefinanciering van de EU de kans krijgen onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten uit te voeren; overwegende dat succesvolle projecten aanzienlijk kunnen bijdragen aan de versterking van de sector en het vermogen van deze sector om natuur- en marktcrises het hoofd te bieden; overwegende dat kennisoverdracht en de uitwisseling van goede en innovatieve werkwijzen meerwaarde opleveren voor de Europese bijenteeltsector, met name met ondersteuning van een specifiek programma zoals het huidige "Erasmus voor bijenhouders" onder de tweede pijler van het GLB;

N.  overwegende dat de zogeheten "nomadische" landbouw veel positieve aspecten vertoont maar ook enkele problematische punten, in het bijzonder als gevolg van het eerbiedigen van de regels om de verspreiding van risicosituaties te voorkomen; overwegende dat er om die reden zorgvuldiger controles noodzakelijk zijn;

O.  overwegende dat de huidige toenemende sterfte onder honingbijen en wilde bestuivers in Europa verontrustend is vanwege de negatieve gevolgen voor de landbouw, de biodiversiteit en ecosystemen; overwegende dat er verschillende stressfactoren zijn die tot een grotere bijensterfte leiden en die verschillen naargelang van het geografische gebied, de lokale kenmerken en klimatologische omstandigheden; overwegende dat deze factoren onder andere bestaan uit: de ernstige gevolgen van invasieve uitheemse soorten zoals Varroa destructor, de kleine kastkever (Aethina tumida), de Aziatische hoornaar (Vespa vellutina) en Amerikaans vuilbroed, dierziekteverwekkers zoals nosemose, de effecten van bepaalde werkzame stoffen op gewasbeschermingsmiddelen en andere biociden, de klimaatverandering, aantasting van het milieu, de teloorgang van habitats en de gestage verdwijning van bloeiende planten;overwegende dat bijen afhankelijk zijn van landbouwgrond, aangezien arealen en de diversiteit van gewassen hun voornaamste voedselbron is, en dat het dan ook zowel voor bijenhouders als voor landbouwers nuttig zou zijn om voor een bepaald type ecologisch aandachtsgebied de term "bijenteeltgebied" te hanteren, die vervolgens alom gebruikt kan worden in alle lidstaten, vooral tijdens de perioden waarin weinig planten in bloei staan;

P.  overwegende dat bijenhouders vaak machteloos staan tegenover bijenziekten en ‑parasieten wegens een gebrek aan informatie, opleiding en doeltreffende middelen om deze bedreigingen doeltreffend te bestrijden, zoals toegang tot geneesmiddelen voor de behandeling van bijen; overwegende dat bijenhouders steun ontvangen voor beschermende maatregelen tegen Varroa destructor, al hebben die maatregelen nog niet het gewenste succes aangezien de inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling tekort blijven schieten wat betreft de behandeling tegen parasietsoorten, het effect van de voeding van bijen en blootstelling aan chemische producten;

Q.  overwegende dat de verplichting van bijenhouders om ziekten en parasieten te melden leidt tot de stelselmatige vernietiging van bijenkasten en hen kan ontmoedigen deze zaken aan te geven; overwegende dat er op de markt maar een beperkt aantal geneesmiddelen voor bijenziekten verkrijgbaar is en dat dit niet strookt met de toenemende behoefte aan doeltreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik; overwegende dat er verschillende natuurlijke middelen zijn getest voor de bestrijding van de varroamijtziekte en dat drie van deze middelen inmiddels als basis voor organische behandeling worden gebruikt, te weten mierenzuur, oxaalzuur en thymol;

R.  overwegende dat op monocultuur gebaseerde landbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewassoorten en kruisingen die minder nectar en stuifmeel produceren en kortere bloeitijden kennen, zowel de biodiversiteit als de omvang van de gebieden die worden gebruikt als bijenweiden in hoge mate doen afnemen; overwegende dat Britse wetenschappers onlangs concludeerden dat lokale en regionale bijenrassen in bepaalde gebieden grotere overlevingskansen hebben dan honingbijen die uit andere gebieden afkomstig zijn(4); overwegende dat de gezondheid en duurzaamheid van de bijenteeltsector in Europa op lange termijn afhankelijk is van de gezondheid en duurzaamheid op de lange termijn van de lokale ecotypen honingbijen gezien hun diversiteit en hun vermogen zich aan te passen aan de lokale omgeving;

S.  overwegende dat het intergouvernementeel platform over biodiversiteits- en ecosysteemdiensten (IPBES) in zijn verslag van 26 februari 2016, en de Internationale Unie voor natuurbehoud (IUCN) in haar mondiale geïntegreerde beoordelingen over systemisch werkende insecticiden, hebben gewaarschuwd voor de daling van het aantal bestuivers; overwegende dat bijen een belangrijke graadmeter zijn van de kwaliteit van het milieu;

T.  overwegende dat bijenhouders, landbouwers, milieuactivisten en burgers maatregelen verwachten op basis van een duidelijke wetenschappelijke consensus over alle oorzaken voor bijensterfte, waaronder de effecten van werkzame stoffen in pesticiden (bijv. neonicotinoïden en bepaalde andere systemisch werkende insecticiden) die in kaart zijn gebracht door de EFSA;

U.  overwegende dat de variatie in wetenschappelijke bevindingen deels kan worden verklaard door de toepassing van verschillende analysemethoden en onderzoeksprotocollen; overwegende dat het gebrek aan coördinatie van het onderzoek naar bestuivers op EU-niveau en van toegankelijke en geharmoniseerde gegevens onder belanghebbenden leidt tot een wildgroei van uiteenlopende of tegenstrijdige onderzoeken;

V.  overwegende dat het cruciaal is om de dialoog en de samenwerking tussen alle betrokken partijen (bijenhouders, landbouwers, wetenschappers, ngo's, lokale overheden, de gewasbeschermingssector, de particuliere sector, dierenartsen en het grote publiek) in stand te houden en te verdiepen, om het onderzoek te coördineren en alle belangrijke gegevens die verzameld zijn tijdig te delen;

W.  overwegende dat er een algemene behoefte bestaat aan een gemeenschappelijke en geharmoniseerde databank, die informatie moet bevatten over onder andere het gewastype en de landbouwpraktijken, de aanwezigheid van schadelijke soorten en ziekten, de klimatologische en meteorologische omstandigheden, het landschap en de infrastructuur, de dichtheid van de bijenkolonies en het sterftecijfer onder bijen per regio, alsmede aan relevante digitale hulpmiddelen en technologieën die ongevaarlijk zijn voor bijen, en media als voorgesteld door het in juni 2017 gelanceerde initiatief "European Bee Partnership"; overwegende dat de resultaten van de uitgebreide wetenschappelijke evaluatie van de EFSA, die al meer dan een jaar te laat zijn, nodig zijn om besluiten te kunnen nemen op basis van de meest actuele stand van de wetenschap; overwegende dat er zo snel mogelijk duidelijke resultaten van alle indicatoren voor bijengezondheid nodig zijn om de bijensterfte een halt toe te roepen en terug te dringen, met name door middel van veldproeven; overwegende dat bijenhouders, landbouwers en burgers van de Commissie verwachten dat zij samen met de bevoegde EU-agentschappen en deskundigen uit de lidstaten de richtsnoeren van de EFSA voor het evalueren van de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op bijen nauwlettend in de gaten houdt, en van de lidstaten verwachten dat zij deze correct ten uitvoer leggen;

X.  overwegende dat de productie van honing ook wordt beïnvloed door de weersomstandigheden, aangezien warm en vochtig weer de honingproductie bevordert, terwijl koud en nat weer de productie juist belemmert; overwegende dat de verliezen in de herfst en de winter bijdragen aan de vermindering van bijenkolonies en aan een teruglopende honingproductie, die in sommige lidstaten kan oplopen tot 50 % en in bepaalde regio's zelfs tot 100 %;

Y.  overwegende dat er aandacht moet uitgaan naar de uiteenlopende omvang van honingbijpopulaties in verschillende landbouwgebieden, aangezien de populatie in bepaalde honingproducerende landen groeit, maar in andere landen achteruitgaat;

Z.  overwegende dat bijenhouders wegens de verhoogde bijensterfte genoopt zijn vaker nieuwe kolonies te kopen, met een stijging van de productiekosten als gevolg; overwegende dat de kostprijs voor een bijenkolonie sinds 2002 ten minste verviervoudigd is; overwegende dat de vervanging van een bijenkolonie vaak gepaard gaat met een daling van de productie op korte en middellange termijn, omdat nieuwe kolonies minder productief zijn aan het begin van hun plaatsing; overwegende dat bijenhouders nooit zoveel kolonies gebruiken voor de honingproductie als blijkt uit de statistieken, aangezien zij het oorspronkelijke aantal kolonies in de loop van het jaar opnieuw opbouwen, hetgeen ten koste gaat van de omvang van de productie omdat voor het herstel van verloren gegane bijenkolonies ook honing nodig is;

AA.  overwegende dat de hoeveelheid geproduceerde en uitgevoerde honing in bepaalde derde landen verdubbeld is in de afgelopen vijftien jaar, overwegende dat de EU in nauwelijks 60 % van haar eigen honingconsumptie voorziet en dat percentage niet stijgt, terwijl het aantal bijenkasten in de EU tussen 2003 en 2016 bijna verdubbeld is en dat het aantal bijenhouders in dezelfde periode is gestegen van ongeveer 470 000 tot ongeveer 620 000; overwegende dat Roemenië, Spanje en Hongarije in 2016 de drie grootste honingproducenten in Europa waren, gevolgd door Duitsland, Italië en Griekenland;

AB.  overwegende dat de EU jaarlijks ongeveer 40 % van haar honing invoert, overwegende dat de ingevoerde honing in 2015 gemiddeld 2,3 keer goedkoper was dan de in de EU geproduceerde honing; overwegende dat de EU jaarlijks ongeveer 200 000 ton honing invoert, vooral uit China, Oekraïne, Argentinië en Mexico, wat voor Europese bijenhouders een aanzienlijk concurrentienadeel oplevert ten opzichte van producenten uit derde landen en een hogere mate van zelfvoorziening onmogelijk maakt; overwegende dat ingevoerde honing vaak niet voldoet aan de normen die voor bijenhouders in de EU gelden;

AC.  overwegende dat de consumenten vaak denken dat zij uit de EU afkomstige honing gebruiken, terwijl een deel van die honing in feite een mengsel van honing uit de EU en uit derde landen is en dat een groot deel van de ingevoerde honing namaak is;

AD.  overwegende dat de honing uit 's werelds belangrijkste honingproducerende regio's sinds 2002 is gestagneerd of afgenomen als gevolg van de slechte bijengezondheid en dat de hoeveelheid in China geproduceerde honing is verdubbeld (naar ongeveer 450 000 ton vanaf 2012), oftewel meer dan de gezamenlijke honingproductie van de EU, Argentinië, Mexico, de Verenigde Staten en Canada;

AE.  overwegende dat in 2015 meer dan de helft van de invoer van honing naar de EU afkomstig was uit China – ongeveer 100 000 ton, een verdubbeling ten opzichte van 2002 – ofschoon het aantal bijenkolonies in andere delen van de wereld is afgenomen; overwegende dat volgens verenigingen van bijenhouders en professionele imkers een groot gedeelte van de uit China ingevoerde honing versneden kan zijn met exogene suikers afkomstig van suikerriet of mais; overwegende dat niet alle lidstaten in staat zijn analyses uit te voeren voor het opsporen van onregelmatigheden in de ingevoerde honing bij grensposten aan de buitengrenzen van de EU;

AF.  overwegende dat honing het op twee na meest nagemaakte product ter wereld is; overwegende dat namaak de Europese bijenhouders ernstige schade berokkent en de consumenten blootstelt aan ernstige gezondheidsgevaren;

AG.  overwegende dat de bedrijven die honing exporteren vanuit China het chlooramfenicolprobleem uit 2002 volgens deskundigen niet hebben opgelost door te voldoen aan de regels, maar door harsfilters te gebruiken;

AH.  overwegende dat de Raad Landbouw en Visserij op zijn bijeenkomst in december 2015 punten van zorg ten aanzien van de kwaliteit van de in de EU ingevoerde honing aan de orde heeft gesteld, evenals het concurrentievermogen van de Europese bijenteeltsector; overwegende dat de Commissie naar aanleiding daarvan opdracht gaf tot gecentraliseerde honingtests;

AI.  overwegende dat de honingmonsters in de lidstaten werden getest door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, dat onder meer vaststelde dat 20 % van de aan de buitengrenzen van de EU en bij importeurs genomen monsters niet voldeed aan de samenstellingscriteria en/of de productieprocessen voor honing zoals gedefinieerd in de honingrichtlijn (2001/110/EG) en dat bij 14 % van de monsters toegevoegde suiker is aangetroffen; overwegende dat namaakhoning en versneden honing desondanks nog steeds in Europa wordt ingevoerd;

AJ.  overwegende dat honing volgens de in de EU gebruikte Codex Alimentarius een natuurproduct is waaraan geen stoffen mogen worden toegevoegd of onttrokken en dat niet mag worden gedroogd buiten de bijenkorf;

AK.  overwegende dat de onevenwichtige situatie die als gevolg van de grootschalige invoer van versneden en goedkope honing, is ontstaan op de Europese honingmarkt ertoe heeft geleid dat de aankoopprijs van honing in de belangrijkste honingproducerende landen van de EU (Roemenië, Spanje, Hongarije, Bulgarije, Portugal, Frankrijk, Italië, Griekenland en Kroatië) tussen 2014 en 2016 was gehalveerd waardoor de Europese bijenhouders in een moeilijke en nadelige situatie verkeren;

AL.  overwegende dat in de tweede paragraaf van punt a) van artikel 2, lid 4, van de honingrichtlijn zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/63/EU is bepaald dat wanneer honing afkomstig is uit meer dan één lidstaat of uit een derde land de verplichte vermelding van de landen van oorsprong in voorkomend geval mag worden vervangen door een van de volgende vermeldingen: "gemengde EU-honing", "gemengde niet-EU-honing" of "gemengde EU- en niet-EU-honing". overwegende dat de vermelding "gemengde EU- en niet-EU-honing" niet voldoende informatie bevat voor de consument;

AM.  overwegende dat vele honingverpakkers en -handelaren deze manier van oorsprongsaanduiding nu gebruiken om het werkelijke land van herkomst te verbergen, evenals het aandeel honing in het eindproduct uit de verschillende landen in kwestie, nu de kopers steeds beter op de hoogte zijn en levensmiddelen uit bepaalde landen wantrouwen; overwegende dat veel grote honingproducerende landen, zoals de VS, Canada, Argentinië of Mexico, veel strengere eisen hanteren ten aanzien van de etikettering van honing dan de vereenvoudigde indicatie van de EU, en op die manier veel betere garanties bieden dan de EU wat betreft het verschaffen van de nodige informatie aan consumenten;

AN.  overwegende dat de huidige regelgeving geen rekening houdt met frauduleuze praktijken inzake verwerkte producten, zoals koekjes, cornflakes, snoepgoed enz.; overwegende dat de aanduiding "honing" consumenten een misleidend beeld kan geven van de daadwerkelijke inhoud van het product in kwestie, aangezien deze aanduiding vaak wordt gebruikt wanneer veel minder dan 50 % van het suikergehalte van het product afkomstig is van honing;

AO.  overwegende dat het initiatief "Europees honingontbijt" uit 2014 een groot succes was en dat dit uitstekende initiatief toegankelijk is voor alle lidstaten die op deze manier kunnen helpen kinderen aan te leren gezond voedsel te eten, zoals honing, en de bijenteeltsector kunnen stimuleren; overwegende dat Slovenië op 11 mei 2015 tijdens de bijeenkomst van de Raad Landbouw en Visserij de VN heeft opgeroepen om 20 mei uit te roepen tot Wereldbijendag, en dat dit idee kon bogen op brede steun van alle lidstaten en werd goedgekeurd door de FAO tijdens de Conferentie van Rome in juli 2017; overwegende dat is besloten bijzondere aandacht te besteden aan de bijenteeltsector met het oog op de landbouw, gewasbescherming en duurzame landbouw aangezien bijen wereldwijd een sterke invloed hebben op het ecologisch evenwicht;

AP.  overwegende dat de programma's in het kader van de regeling voor schoolfruit, -groente en -melk in de EU een essentieel middel zijn om kinderen weer in contact te brengen met de landbouw en de verscheidenheid aan landbouwproducten van de EU, met name de producten die in hun eigen regio worden geproduceerd; overwegende dat de lidstaten op basis van deze programma's naast de bevordering van vers fruit, verse groenten en consumptiemelk, ook andere lokale, regionale of nationale specialiteiten in het programma kunnen opnemen, waaronder honing;

AQ.  overwegende dat de betrokkenheid van lokale producenten bij programma's in het kader van de regeling voor schoolfruit, -groente en -melk weliswaar extra administratieve en financiële lasten met zich meebrengt, maar dat de mogelijke voordelen als gevolg van het verhogen van het bewustzijn over de voedingswaarde van honing, het belang van de bijenteeltsector, het aansporen tot verhoogde consumptie en de enthousiaste betrokkenheid van voornamelijk lokale bijenhouders, een gunstig effect op de sector en de honingketen in het algemeen kunnen hebben; overwegende dat lokale producenten problemen ervaren bij deelname aan de programma's in het kader van de EU-schoolregeling als gevolg van de restrictieve toepassing van de wetgeving inzake de rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden honing in sommige lidstaten; overwegende dat het onontbeerlijk is om de lokale productie en de consumptie van lokale producten te bevorderen;

AR.  overwegende dat de honingconsumptie zeer uiteenloopt per lidstaat: waar de gemiddelde consumptie in West-Europese lidstaten 2,5-2,7 kg per persoon bedraagt, bedraagt die in de lidstaten die vanaf 2004 tot de EU zijn toegetreden soms slechts 0,7 kg; overwegende dat de Europese kwaliteitsregelingen, en met name de regeling voor geografische aanduidingen (GA), van groot belang zijn voor het behoud en de schepping van werkgelegenheid; overwegende dat tot dusver meer dan dertig GA's voor honing zijn geregistreerd; overwegende dat de etiketten "Europees" en "Made in Europe" vaak met kwalitatief hoogwaardige producten worden geassocieerd;

AS.  overwegende dat honing positieve fysiologische effecten sorteert, met name op gezondheidsgebied, dankzij de antiseptische, ontstekingsremmende en helende eigenschappen ervan, die nadrukkelijker kunnen worden erkend in het toekomstige landbouwbeleid;

AT.  overwegende dat talloze voorbeelden van zelforganisatie en rechtstreekse verkoop door de bijenhouders zelf laten zien dat de verkoop van honing, met name biologische honing, en andere bijenteeltproducten met korte toeleveringsketens en op markten van lokale producenten zeer succesvol is;

AU.  overwegende dat de bijenteelt in stedelijke gebieden in de afgelopen jaren steeds populairder is geworden en mogelijk meer burgers, waaronder kinderen, bekend te maken met de aard en voordelen van de bijenteelt; overwegende dat het planten van bloemen in tuinen en stedelijke gebieden door burgers en/of de lokale en regionale overheden tevens bijdraagt aan een betere voedselvoorziening voor bestuivers;

AV.  overwegende dat andere bijenteeltproducten zoals stuifmeel, propolis, bijenwas, bijengif en koninginnengelei aanzienlijk bijdragen aan het welzijn van burgers, worden gebruikt als kwalitatief hoogwaardige voedingsmiddelen en een populair onderdeel vormen van een natuurlijke manier van leven; overwegende dat ze tevens een belangrijke rol spelen in de gezondheidszorg- en de cosmeticasector en daarom een aanvullende bron vormen voor het verbeteren van de economische situatie van bijenhouders; overwegende dat deze producten echter niet zijn gedefinieerd in de honingrichtlijn en dat deze omissie de tenuitvoerlegging van een doeltreffend sectoraal beleid tegenwerkt en de op kwaliteitsverbetering gerichte maatregelen en de strijd tegen fraude en namaak belemmert; overwegende dat elke lidstaat kan besluiten tot een teeltverbod op ggo's op zijn grondgebied om de Europese consument te beschermen tegen door genetisch gemodificeerd stuifmeel verontreinigde honing;

AW.  overwegende dat grote hoeveelheden honing in de EU worden ingevoerd en dat dit in veel gevallen tot grote verstoringen van en zelfs crises op de EU-honingmarkt leidt en bijdraagt aan de verzwakking van de Europese bijenteeltsector; overwegende dat de bijenteeltsector in de EU prioriteit moet krijgen bij de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten en dat honing en andere bijenproducten als "gevoelige producten" moeten worden aangemerkt;

Het belang van de bijenteelt

1.  onderstreept dat honingbijen, naast wilde bijen en andere bestuivers, ecosystemische en agrarische basisdiensten verlenen door bloemen, waaronder gewassen, te bestuiven, en dat de Europese landbouw en met name de teelt van entomofile planten (door insecten bestoven planten) niet zouden bestaan; onderstreept in dit verband het belang van het GLB dat gericht is op duurzame ontwikkeling en een betere biodiversiteit, wat niet alleen beter is voor het overleven en de herbevolking van de bijenbestanden, maar ook voor gewasopbrengsten;

2.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de bijenteelt in de toekomstige voorstellen voor het landbouwbeleid een prominente plaats krijgt, wat ondersteuning en vereenvoudiging, onderzoek en innovatie en opleidingsprogramma's voor de bijenteelt betreft;

3.  onderstreept het feit dat, hoewel de EU verdere actie voor bijenhouders en bijen kan ondernemen, het nodig is de bijdrage te erkennen die het huidige GLB levert ter ondersteuning van de bijenteelt en ook voor de mogelijke verbetering van het milieu en de biodiversiteit via diverse instrumenten, zoals maatregelen voor gewasdiversificatie, ecologischeaandachtsgebieden (EAG's), Natura 2000, biologische landbouw, andere milieumaatregelen in de landbouw die er mee voor zorgen dat bijenkolonies zich vestigen, maatregelen voor de bescherming van het klimaat of het Europees innovatiepartnerschap;

EU-ondersteuning voor bijenhouders

4.  onderstreept dat de financiering van de bijenteelt voor de voedselproductie en voor therapeutische doeleinden moet worden gestructureerd op een meer gerichte en doeltreffende wijze, en dat deze financiering in een toekomstig landbouwbeleid (verwacht vanaf 2021) op passende wijze moet worden verhoogd;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te voorzien in steun voor de EU-bijenteeltsector door middel van krachtige beleidsinstrumenten en passende financieringsmaatregelen die afgestemd zijn op het huidige bijenbestand; stelt daarom een verhoging voor van 50 % van de EU-begrotingslijn voor nationale bijenteeltprogramma's, om rekening te houden met de huidige honingbijpopulatie in de EU en het belang van de sector als geheel; moedigt alle lidstaten er krachtig toe aan overeenkomstig artikel 55 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten een nationaal programma voor hun bijenteeltsector te ontwikkelen;

6.  verzoekt de Commissie grondig de opname te overwegen van een nieuwe steunregeling voor bijenhouders in het GLB na 2020, om te zorgen voor een adequate afspiegeling van de ecologische rol van bijen als bestuivers; onderstreept in verband hiermee het feit dat rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, inclusief degene die hun activiteiten uitoefenen in de ultraperifere en bergachtige gebieden en op eilanden; verzoekt de Commissie voorts aanvullende maatregelen te onderzoeken, bijvoorbeeld steun voor de aankoop van kunstraten;

7.  verzoekt de bijenhouders een actieve dialoog aan te gaan met de bevoegde autoriteiten met het oog op een doeltreffender toepassing van de nationale bijenteeltprogramma's, met als doel deze te verbeteren en eventuele problemen te remediëren;

Risicobeheer

8.  verzoekt de Commissie een studie te laten uitvoeren naar de haalbaarheid van een regeling voor het beheer van risico's in de bijenteelt, in het kader van de nationale bijenteeltprogramma's, teneinde de productieverliezen van professionele bijenhouders te dragen; suggereert daarom een vergoeding voor die wordt berekend overeenkomstig de gemiddelde omzet van de getroffen bedrijven; onderstreept dat verzekeringsmaatschappijen in diverse lidstaten weigeren bijenkolonies te verzekeren en dat bijenhouders moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot de risicobeheerinstrumenten in het kader van de tweede pijler van het GLB; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de toegang van bijenhouders tot risicobeheerinstrumenten te faciliteren;

Door de EU medegefinancierde nationale bijenteeltprogramma's

9.  benadrukt het feit dat een passende opleiding in de bijenteelt nodig is en moedigt de lidstaten ertoe aan dit als voorwaarde op te nemen in de nationale programma's; is van mening dat uitgaven voor de aankoop van bijenteeltuitrusting, als deze in aanmerking komt en medegefinancierd wordt in het kader van individuele nationale bijenteeltprogramma's, in aanmerking moeten worden genomen over de hele programmeringsperiode van drie jaar en niet alleen in het programmeringsjaar waar de uitgaven zijn gedaan;

10.  verzoekt de lidstaten de invoering in hun nationale bijenteeltprogramma's te overwegen van een compensatieregeling voor de sterfte van bijenkolonies als gevolg van natuurrampen, ziekten of de activiteit van roofdieren;

11.  verzoekt de Commissie een wijziging voor te stellen van het tijdschema van het programmeringsjaar, wat de nationale bijenteeltprogramma's betreft, waarbij de afsluiting van het jaar zou worden verschoven naar 30 oktober, gezien het feit dat het programmeringsjaar krachtens de vigerende verordening afloopt op 31 juli, een datum die valt tijdens het hoogtepunt van het bijenseizoen in sommige lidstaten, zodat dit tijdstip ongeschikt is;

12.  wijst erop dat de verspreiding van bruine beren en andere roofdieren in sommige regio's in Europa bijenhouders voor nieuwe uitdagingen stelt, wat hun persoonlijke veiligheid en economische activiteiten betreft, en verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te ontwikkelen om deze situatie aan te pakken, met name door het vergoeden van de veroorzaakte schade;

Onderzoek, opleiding en onderwijs

13.  suggereert de thema's en de resultaten van het onderzoek op het gebied van bijenteelt uit te breiden en te delen onder de lidstaten, zoals onder andere met het consortium "Apitherapy project" – met name in geval van financiering door de EU – om dubbel werk te voorkomen; vraagt in verband hiermee de oprichting van een gemeenschappelijke, op EU-niveau geharmoniseerde digitale gegevensbank voor de uitwisseling van informatie tussen bijenhouders, onderzoekers en alle betrokken partijen; verzoekt de Commissie daarom Europese onderzoeksprogramma's op het gebied van de bijenteelt te bevorderen en te versterken, bijvoorbeeld het onderzoeksprogramma van de EFSA in het kader van het project "Collecting and Sharing Data on Bee Health: Towards a European Bee Partnership"; is van mening dat grotere publieke en particuliere investeringen in technische en wetenschappelijke knowhow van essentieel belang is en moet worden gestimuleerd, zowel op nationaal als op EU-niveau, met name op het gebied van genetische en veterinaire aspecten en de ontwikkeling van innoverende geneesmiddelen voor de gezondheid van bijen; steunt de werkzaamheden van de referentie-instituten en -laboratoria van de EU, die resulteren in een verbeterde onderzoekscoördinatie, onder meer voor het verrichten van nader onderzoek naar de oorzaken van de bijensterfte;

14.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor passende basis- en beroepsopleidingsprogramma's voor bijenhouders; wijst erop dat het lesmateriaal naast de landbouw- en andere economische aspecten van de bijenteelt ook kennis moet omvatten over bestuiving en andere milieupraktijken, zoals het in stand houden van het ecologisch evenwicht en het behouden van de biodiversiteit, alsmede het verbeteren van de overlevingskansen van bestuivers in agrarische landschappen; is van mening dat specifieke opleidingsmodules over deze kwesties ook moeten worden ontwikkeld in samenwerking met de bijenhouders voor landbouwproducenten die zich bezighouden met het bebouwen van grond; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer samenwerking en het delen van kennis en informatie te bevorderen, inclusief geavanceerde systemen voor vroegtijdige waarschuwing tussen boeren en bijenhouders, bosbouwers, wetenschappers en dierenartsen over sproeiperioden en ander insecticidegebruik, preventie en bestrijding van ziekten, technologieën die niet schadelijk zijn voor bijen en gewasbeschermingsmethoden die de sterfte van bestuivers zo veel mogelijk beperken;

15.  verzoekt de Commissie aanbevelingen vast te stellen voor de ondersteuning van verschillende hoogwaardige nationale basis- en beroepsopleidingsprogramma's over de bijenteelt in de EU; dringt aan op programma's om jongeren ertoe aan te moedigen om te kiezen voor het beroep van bijenhouder, gezien de dringende noodzaak van generatievernieuwing in de sector; acht het nodig het potentieel van de bijenteeltsector verder te ontwikkelen op manieren die zijn afgestemd op de behoeften van alle bijenhouders; verzoekt de Commissie ook om in samenwerking met de lidstaten en de sector een code van goede praktijken op het gebied van bijenteelt op te stellen, die wordt ondersteund door de toegang tot kwalitatief hoogstaande opleidingen op het niveau van de lidstaten; met betrekking tot beroepsopleiding, moedigt universitaire faculteiten diergeneeskunde ertoe aan de gebieden van veterinair toezicht en betrokkenheid te versterken; is van mening dat programma's als Horizon 2020 en Erasmus+ onderzoek en opleiding op het gebied van apitherapie moeten stimuleren;

Aspecten in verband met de gezondheid van bijen en het milieu

16.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit dat de toenemende sterfte en de daling van het aantal honingbijen en wilde bestuivers, inclusief wilde bijen, in Europa een zware negatieve weerslag zullen hebben op de landbouw, de voedselproductie en de continuïteit van de voedselvoorziening, de biodiversiteit, de duurzaamheid van het milieu en ecosystemen;

17.  wijst erop dat de EU en haar lidstaten de onmiddellijke maatregelen moeten nemen die nodig zijn om een grootschalige langetermijnstrategie voor de gezondheid en herpopulatie van bijen ten uitvoer te leggen, teneinde het momenteel afnemende wildebijenbestand in de EU in stand te houden, inclusief via agromilieumaatregelen ter ondersteuning van de vestiging van bijenkolonies;

18.  benadrukt het feit dat biodiversiteit belangrijk is voor de gezondheid en het welzijn van bijen, omdat zij bijen foeragegebieden en natuurlijke en semi-natuurlijke habitats biedt, samen met uitgebreid blijvend grasland; vestigt de aandacht op het geleidelijk verdwijnen van waardevolle bijenvoerplanten, bijvoorbeeld korenbloemen, wikke, distels of witte klaver, als gevolg van het inadequate gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, alsmede het afnemende gebruik van grasland voor grazen en het toenemende gebruik ervan voor de productie van hooi; wijst erop dat dit resulteert in een tekort aan stuifmeel en zo leidt tot ondervoeding bij bijen, hetgeen bijdraagt tot de verslechterende gezondheid van bijen en de toenemende gevoeligheid van bijen voor ziektekiemen en parasieten; benadrukt het feit dat wilde bloemen en insectvriendelijke soorten in heel Europa moeten worden beschermd; herinnert eraan dat "bijenteeltgebieden" met een wegingsfactor van 1,5 een type EAG zijn in het kader van de vergroening van het GLB; verzoekt de Commissie, zaadkwekerijen en landbouwers teeltprogramma's te bevorderen voor kwalitatief hoogstaande planten met een hoge en bewezen honingdragende of stuifmeeldragende capaciteit in de selectiecriteria, met voorkeur voor een maximale biologische diversiteit van aan de lokale omstandigheden aangepaste en plaatselijk aanwezige soorten en rassen;

19.  wijst erop dat passende financiële stimulansen nodig zijn voor biologische bijenhouders, gezien de bijkomende voorwaarden waaraan zij moeten voldoen en de toenemende impact van het milieu;

20.  onderstreept het feit dat de uitzonderlijke diversiteit en het buitengewone genetisch erfgoed en aanpassingsvermogen van lokale, inheemse honingbijenpopulaties die zich stuk voor stuk generaties lang hebben aangepast aan de specifieke kenmerken van hun lokale milieu, moeten worden beschermd, en herinnert eraan dat genoemde diversiteit belangrijk is in het kader van de strijd tegen invasieve soorten, inclusief parasieten en ziekten;

21.  merkt op dat landbouw op basis van monocultuur de biodiversiteit vermindert en kan leiden tot onvoldoende bestuiving en het verdwijnen van honingdragende planten, en verzoekt de lidstaten strategieën te ontwikkelen voor het zaaien van nectarhoudende planten op ongebruikte grond; onderstreept in verband hiermee dat het behoud van de abiotische hulpbronnen, met name grond en water, evenals een aanzienlijke diversiteit van pollen en een grote verscheidenheid aan voeding van essentieel belang zijn voor de bescherming van bijen;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom te voorzien in de nodige stimulansen voor het aanmoedigen van lokaal ontwikkelde praktijken, om ecotypen en de teelt van honingbijen in de hele EU te behouden;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te treffen ter bevordering van de juridische bescherming van en financiële steun voor lokale ecotypen en populaties van honingbijen in de hele EU, onder meer door middel van juridisch beschermde gebieden voor inheemse honingbijen;

24.  verzoekt de Commissie een inventaris op te stellen om de bestaande en nieuwe gezondheidsrisico's op EU- en internationaal niveau te evalueren, teneinde een actieplan vast te stellen om de bijensterfte te bestrijden;

25.  dringt er bij de Commissie op aan vooruitgang te boeken met de tenuitvoerlegging van de proefprojecten over bijen en andere bestuivers als graadmeters van de gezondheid van het milieu en de habitats, aangezien deze van nut kunnen blijken voor de ontwikkeling van toekomstig beleid;

26.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bij de verstrekking van landbouwsubsidies uit de diverse GLB-begrotingsonderdelen rekening wordt gehouden met bijvriendelijke werkwijzen, zoals de vaststelling van EAG's of de teelt op braakliggend land van wilde bloemen die bijen verkiezen;

27.  benadrukt dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast om bestuivers in het algemeen te beschermen, zowel gedomesticeerde als wilde;

28.  constateert dat gezonde bijen beter bestand zijn tegen parasieten, ziekten en predatie; begrijpt dat bepaalde invasieve uitheemse soorten zoals de Varroa destructor, de kleine kastkever (Aethina tumida), de Aziatische hoornaar (een soort die zeer agressief is naar andere insecten toe) en Amerikaans vuilbroed, alsmede bepaalde ziekteverwekkers zoals nosemose, belangrijke oorzaken van bijensterfte zijn en ernstige economische schade berokkenen aan de bijenhouders; bevestigt zijn steun aan het door het Parlement gestarte proefproject betreffende het teelt- en selectieprogramma voor onderzoek naar de weerstand tegen Varroa; verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan toegepast onderzoek in de hele EU door middel van effectieve fokprogramma's voor het produceren van bijensoorten die bestand zijn tegen invasieve soorten en ziekten en die over de eigenschap "Varroagevoelige hygiëne" (varroa-sensitive hygiene, VGH) beschikken; gezien het risico dat sommige invasieve uitheemse soorten, zoals de Varroa destructor, resistentie tegen bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik kunnen ontwikkelen, spoort de lidstaten ertoe aan jaarlijks tests uit te voeren om de resistentie te bepalen van mijten tegen verschillende actieve stoffen in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik; stelt voor de verplichte bestrijding van Varroa op EU-niveau te behouden;

29.  verzoekt de Commissie alle op dit terrein actieve geneesmiddelenproducenten te betrekken bij onderzoek naar bijengeneesmiddelen, onder meer met het oog op de bestrijding van de Varroa destructor en het voorkomen van negatieve neveneffecten op het immuunsysteem van de bijen als gevolg van deze geneesmiddelen, en verzoekt haar een gemeenschappelijk IT-platform op te zetten om de beste oplossingen en geneesmiddelen met de belanghebbenden te delen, de beschikbaarheid van diergeneeskundige producten die van vitaal belang zijn voor bijenteelt, te verbeteren, dierenartsen een grotere rol te laten spelen bij het beheer van de gezondheid van bijen en bijenhouders op de hoogte te brengen van alle beschikbare oplossingen; dringt aan op overheids- en particulier onderzoek naar biologische en fysische alternatieve methoden die onschadelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier, alsmede het gebruik van natuurlijke stoffen en preparaten voor de bestrijding van varroase, rekening houdend met de specifieke voordelen van biologische behandelingen;

30.  merkt op dat de resultaten van de controleacties ter beoordeling van de gezondheid van bijen die in een aantal lidstaten zijn uitgevoerd, belangrijk zijn en gedeeld moeten worden met de andere lidstaten en met de Commissie;

31.  verzoekt de lidstaten en de regio's alle mogelijke middelen in te zetten om de lokale en regionale honingbijsoorten (ondersoorten van de Apis mellifera) te beschermen tegen de onwenselijke verspreiding van genaturaliseerde of invasieve uitheemse soorten met een rechtstreeks of onrechtstreeks effect op bestuivers; steunt de herpopulatie van bijenvolkeren die verloren zijn door invasieve uitheemse soorten, met bijen van lokale inheemse soorten; beveelt de lidstaten aan centra te creëren voor het telen en beschermen van inheemse bijensoorten; onderstreept in verband hiermee dat het belangrijk is teeltstrategieën te ontwikkelen om de frequentie van waardevolle kenmerken in lokale honingbijpopulaties te vergroten; wijst op de mogelijkheden die worden geboden in het kader van Verordening (EU) nr. 1143/2014 betreffende invasieve uitheemse soorten, alsmede mogelijkerwijze in het kader van de onlangs goedgekeurde verordeningen inzake diergezondheid en plantgezondheid (respectievelijk Verordening (EU) 2016/429 en Verordening (EU) 2016/2031); spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat verontreinigde was die is ingevoerd uit China, bij bijen vaak gezondheidsproblemen kan veroorzaken;

32.  dringt aan op een weloverwogen procedure voor de uitbreiding van de lijst van invasieve plantensoorten die kunnen leiden tot een vermindering van de diversiteit van de bijenweiden in de EU;

Chemische stoffen die schadelijk zijn voor bijen

33.  verzoekt de Commissie de goedkeuring op te schorten van de werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen die een gevaar vormen voor de gezondheid van bijen op basis van de wetenschappelijke bevindingen van de EFSA op basis van veldproeven, tot de publicatie van de definitieve gedetailleerde effectbeoordeling van de EFSA; herhaalt dat elk besluitvormingsproces gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke beoordeling en bevindingen;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gevolg te geven aan de vaste wetenschappelijke consensus en een verbod in te stellen op de werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, inclusief neonicotinoïden en systemische insecticiden waarvan wetenschappelijk bewezen is (op basis van de resultaten van laboratoriumanalyses en met name van veldproeven) dat zij gevaarlijk zijn voor de gezondheid van bijen; verzoekt tegelijkertijd om de tenuitvoerlegging van veilige alternatieve producten of agronomische methoden (bijvoorbeeld diverse effectieve vormen van plaagbeheer met een lage input aan pesticiden, biologische controle en geïntegreerde plaagbestrijding) ter vervanging van de werkzame stoffen die een risico vormen voor bijen;

35.  verzoekt de Commissie samen met de bevoegde EU-agentschappen en deskundigen uit de lidstaten nauw toezicht te houden op de EFSA-richtsnoeren voor het evalueren van de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op bijen en verzoekt de lidstaten deze richtsnoeren ten uitvoer te leggen;

36.  onderstreept dat elk product dat stoffen bevat waarvan vast staat dat zij bij agrarisch gebruik schadelijk zijn voor bijen, moet worden geëtiketteerd als "schadelijk voor bijen";

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onmiddellijk het wetenschappelijk onderzoek op te voeren, met een duidelijk bepaald tijdschema, naar alle stoffen die een gevaar kunnen vormen voor de gezondheid van bijen;

38.  benadrukt dat de langetermijneffecten van systemische gewasbeschermingsmiddelen worden onderschat; is ingenomen met de recente goedkeuring van een proefproject inzake milieumonitoring van het gebruik van pesticiden met behulp van honingbijen;

39.  erkent dat onafhankelijk, collegiaal getoetst wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat de resistentie van bijen aanzienlijk afneemt als gevolg van cumulatieve blootstelling aan chemische stoffen, waardoor bijen niet bestand zijn tegen stressoren, zoals jaren met veel neerslag, een tekort aan nectar, ziekten of parasieten;

40.  herinnert aan Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden, met name artikel 14 hiervan, waarin alle landbouwers verplicht worden de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming vanaf 2014 op hun landbouwbedrijf toe te passen, en artikel 9, waarmee een algeheel verbod wordt ingesteld op sproeien vanuit de lucht;

41.  stipt aan dat de EU het gebruik van vier insecticiden op basis van neonicotinoïden (clothianidine, thiamethoxam, imidacloprid en fipronil) tijdelijk heeft beperkt om de effecten ervan op bijen te verminderen;

Strijd tegen namaakhoning

42.  verwacht dat de lidstaten en de Commissie garanderen dat ingevoerde honing en andere bijenproducten volledig voldoen aan de hoogwaardige normen van de EU, om op deze manier zowel de honingproducenten in derde landen aan te pakken die oneerlijke methoden toepassen als EU-verpakkers en -handelaren die willens en wetens ingevoerde namaakhoning vermengen met Europese honing;

43.  verzoekt de Commissie doeltreffende procedures inzake laboratoriumanalyse te ontwikkelen, bijvoorbeeld kernspinresonantietests, om voor bijen specifieke peptiden en andere voor bijen specifieke markers op te sporen, teneinde gevallen van namaakhoning op te sporen, en verzoekt de lidstaten overtreders strengere straffen op te leggen; verzoekt de Commissie hierbij internationaal erkende particuliere laboratoria, zoals het Franse EUROFINS of het Duitse QSI, te betrekken, voor het uitvoeren van de meest geavanceerde onderzoeken; verzoekt de Commissie een officiële honingdatabank te ontwikkelen waarin honingsoorten worden ingedeeld naar herkomst, aan de hand van een gemeenschappelijke analysemethode;

44.  merkt op dat honingverpakkingsbedrijven, die honing mengen of verwerken van meer producenten, onderworpen zijn aan het EU-toezicht op de voedselveiligheid, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 853/2004; is van mening dat dit moet worden uitgebreid naar alle bedrijven die ingevoerde honing verwerken; specificeert dat moet worden vermeden financiële of administratieve lasten te creëren voor bijenhouders in de EU die hun eigen honing verpakken;

45.  benadrukt het feit dat de gesuggereerde maatregelen het EU-toezicht op honingverpakkers in derde landen zou versterken, zodat de officiële controleurs kunnen nagaan of namaakhoning is gebruikt en gegarandeerd wordt dat deze uit de voedselketen wordt verwijderd;

46.  is van oordeel dat honing altijd identificeerbaar moet zijn, over de hele voedselvoorzieningsketen, en dat hij moet kunnen worden geclassificeerd volgens zijn plantaardige oorsprong, ongeacht of het gaat om een binnenlands of een ingevoerd product, behalve in gevallen van rechtstreekse transacties tussen producenten en consumenten; dringt vraagt in verband hiermee dat de traceerbaarheidsvereiste voor honing wordt verstrengd; is van mening dat ondernemingen die buitenlandse honing invoeren en ook groothandelaars de EU-regels moeten naleven en alleen bijenteeltproducten mogen verkopen die voldoen aan de definitie van honing overeenkomstig de Codex Alimentarius;

47.  verzoekt de Commissie de "honingrichtlijn" te wijzigen, om te voorzien in duidelijke definities en de belangrijkste onderscheidende kenmerken te bepalen van alle bijenteeltproducten, zoals monoflorale en multiflorale honing, propolis, koninginnengelei, bijenwas, pollenballen, bijenbrood en bijengif, zoals reeds eerder in door het Parlement aangenomen teksten is bepleit;

48.  verzoekt de Commissie een diepgaand onderzoek uit te voeren naar de werking van de EU-markt voor bijenvoeders, supplementen en geneesmiddelen en de nodige maatregelen te nemen om de markt te stroomlijnen en om namaak en illegale handel in deze producten te voorkomen;

49.  verzoekt de Commissie protocollen inzake "geenactiedrempels" (no-action level, NAL), "actiedrempels" (reference points for action, RPA's) of maximale residulimieten (maximum residue limits, MRL's) voor honing en andere bijenteeltproducten vast te stellen om stoffen te dekken die voor de Europese bijenteeltsector niet mogen worden toegelaten en verzoekt haar de veterinaire grenscontroles en controles op de interne markt te harmoniseren, gezien het feit dat, voor honing, de invoer van producten van slechte kwaliteit, namaak en surrogaten de markt verstoren en druk blijven veroorzaken op de prijzen en uiteindelijk de kwaliteit op de interne markt, en dat er een gelijk speelveld moet zijn voor producten en producenten van de EU en van derde landen;

50.  is zich bewust van het praktische belang van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor levensmiddelen en diervoeders en verzoekt de Commissie daarom gevallen van honing die duidelijk namaak is, altijd op de RASFF-lijst (Rapid Alert System for Food and Feed) te plaatsen;

51.  verzoekt de Commissie de verspreiding van harsgefilterde honing zo snel mogelijk te verbieden, aangezien deze honing hoegenaamd niets van biologische waarde bevat;

52.  dringt aan op continue controles op de kwaliteit van honing die wordt ingevoerd uit derde landen waarvan de wetgeving de behandeling van bijenkolonies met antibiotica toestaat;

53.  verzoekt de Commissie productienormen op te stellen voor kunstraten, waarin de respectieve toegestane gehalten opgenomen moeten zijn van paraffine, sporen van vuilbroed en residuen van acaricide, met dien verstande dat het gehalte acaricideresiduen in de was waarvan kunstraten worden gemaakt, niet van dien aard mag zijn dat de residuen in de honing kunnen raken;

54.  verzoekt de Commissie grondig de grootschalige invoer te controleren van honing uit China overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1036 en met name de verrichtingen te controleren van bedrijven die honing exporteren uit China en een evaluatie uit te voeren van de kwaliteit, het kwantitatieve aandeel en de verkoopprijs van de honing op de EU-markt voor honing;

55.  is van mening dat het, gezien de grote hoeveelheden honing die uit China worden ingevoerd, een trend die de afgelopen 15 jaar is toegenomen, de aankoopprijs van honing die onder de reële productiekosten in de EU ligt en de slechte kwaliteit van ingevoerde "fabriekshoning" (in plaats van geproduceerde honing), voor de Commissie duidelijk moge zijn dat hoognodig een onderzoek moet worden ingesteld naar de praktijken van bepaalde Chinese exporteurs, om eventueel een antidumpingprocedure in te leiden;

56.  verzoekt de Commissie officiële bemonstering per partij en tests van honing uit derde landen aan de buitengrenzen van de EU verplicht te stellen overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 (voorheen Verordening (EG) nr. 882/2004);

57.  merkt op dat in de honingrichtlijn, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/63/EU is bepaald dat het land waar de honing is vergaard, op het etiket moet worden vermeld, indien de honing afkomstig is uit één lidstaat of derde land; merkt evenwel op dat verdere maatregelen nodig zijn om fraude op het gebied van bijenteeltproducten te bestrijden en oneerlijke concurrentie door namaakhoning tegen te gaan;

58.  herinnert de Commissie eraan dat de consumenten het recht hebben om de plaats van herkomst van alle levensmiddelen te kennen; is evenwel van mening dat etiketvermeldingen als "gemengde EU-honing", "gemengde niet-EU-honing" en met name "gemengde EU- en niet-EU-honing" de oorsprong van de honing compleet verborgen houden voor de consument en bijgevolg niet voldoen aan de principes van de EU-wetgeving inzake consumentenbescherming; verzoekt de Commissie daarom te zorgen voor nauwkeurige en verplichte etikettering van honing en bijenteeltproducten en voor een grotere harmonisatie van de honingproductie, in overeenstemming met de wetgeving inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten, om te voorkomen dat consumenten misleid worden en om de opsporing van fraude te faciliteren; erkent het succes van de rechtstreekse verkoop van honing, hetgeen een deel van het probleem met betrekking tot de vermelding van de oorsprong op het etiket wegneemt;

59.  vraagt dat de beschrijving "gemengde EU- en niet-EU-honing" op etiketten wordt vervangen door een precieze indicatie van het land of de landen waaruit de in het eindproduct gebruikte honing afkomstig is en dat deze worden opgelijst in de volgorde die overeenkomt met het procentuele aandeel in het eindproduct (met als extra vermelding het percentage van elk land in een bepaald product);

60.  verzoekt de Commissie de honingrichtlijn te wijzigen met betrekking tot het gebruik van het woord "honing" of de formulering "bevat honing" of "gemaakt met honing" in de aanduiding van verwerkte producten, alsmede in alle grafische of niet-grafische elementen die aangeven dat het product honing bevat, om ervoor te zorgen dat deze formuleringen alleen mogen worden gebruikt als ten minste 50 % van het suikergehalte in het product afkomstig is van honing;

61.  steunt het idee dat de lidstaten het verplicht stellen om de plaats van herkomst van de honing te vermelden op honing en andere bijenproducten, zoals het geval is voor bepaalde vlees- en zuivelproducten;

Bevordering van bijenproducten en therapeutisch gebruik van honing

62.  is tevreden met het Europees honingontbijtinitiatief en moedigt de lidstaten ertoe aan kinderen te informeren over lokaal vervaardigde producten en de herontdekking van aloude productietradities; wijst erop dat honing calorierijk is en in matige hoeveelheden kan worden gebruikt ter vervanging van geraffineerde suiker en andere zoetstoffen, hetgeen een positief effect heeft op de volksgezondheid;

63.  benadrukt dat honing een van de landbouwproducten is die kan worden opgenomen in de regeling voor schoolfruit, -groente en -melk; moedigt de lidstaten ertoe aan de deelname van lokale honingproducenten aan deze schoolprogramma's te bevorderen en benadrukt het feit dat het belangrijk is educatieve maatregelen te nemen om jongeren bewust te maken van lokale producten en tegelijkertijd de wereld van de landbouw open te stellen voor kinderen;

64.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om de jaarlijkse EU-steun voor deze programma's te verhogen met 50 %, om ervoor te zorgen dat zij doeltreffend kunnen functioneren, met de organisatie van wedstrijden voor peuterscholen en de behoorlijke opname daarin van lokale producten zoals honing, olijven en olijfolie;

65.  verzoekt de Commissie een verslag op te stellen over de hoeveelheid honing die wordt geconsumeerd en de consumptiepatronen in alle lidstaten en een ander verslag over de diverse therapeutische praktijken in de EU waarbij gebruik wordt gemaakt van honing, pollen, koninginnengelei en bijengif; onderstreept het toenemende belang van apitherapie als natuurlijk alternatief voor een behandeling met conventionele geneesmiddelen en moedigt alle lidstaten er daarom toe aan deze producten te bevorderen bij medische en paramedische beroepsbeoefenaars en het publiek in de EU;

66.  verzoekt de Commissie de vrijwillige invoering te overwegen van het merk "honing uit de EU" voor honing die voor 100 % uitsluitend afkomstig is uit de EU-lidstaten; verzoekt de Commissie ook alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de VN 20 mei uitroepen tot Wereldbijendag;

67.  verzoekt de Commissie een specifiek bedrag uit de EU-voorlichtingsbegroting toe te wijzen aan het voeren van reclame voor EU-honingproducten voor consumptie en medische doeleinden, inclusief maatregelen als het bevorderen van de directe verkoop van honing op lokale markten, publieke honingproeverijen, workshops en andere evenementen moedigt de lidstaten ertoe aan de lokale en regionale verkoop van honing, met name biologische honing, te stimuleren met alle middelen waarover zij beschikken, met name door intensieve ondersteuning te bieden aan korte toeleveringsketens via hun programma's voor plattelandsontwikkeling en door het bevorderen van kwaliteitsproducten op basis van regelingen voor geografische aanduidingen; erkent dat de consumptie van lokaal geproduceerde honing een rol kan spelen als middel om weerstand op te bouwen tegen lokale allergenen; verzoekt de Commissie bijenwas op te nemen als product dat valt onder Verordening (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, gezien de toenemende belangstelling ervoor van consumenten en producenten, alsmede de reeds lang bestaande traditionele productie ervan in sommige lidstaten;

68.  stelt voor dat de lidstaten het gebruik van bijenteeltproducten als pollen, propolis en koninginnengelei in de geneesmiddelenindustrie aanmoedigen met alle middelen waarover zij beschikken;

69.  verzoekt de Commissie de harmonisatie te bevorderen van de wetgeving van de lidstaten met betrekking tot biologische honingproductie, om alle verschillen weg te nemen die de Europese biologische bijenhouders kunnen beletten de markt te betreden volgens dezelfde regels;

70.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat honing en andere bijenproducten worden beschouwd als "gevoelige producten" bij lopende of toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden, omdat rechtstreekse concurrentie de bijenteeltsector in de EU kan blootstellen aan buitensporige of onhoudbare druk; verzoekt de Commissie daarom om deze producten uit te sluiten van het toepassingsgebied van onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten samen met de landbouw- en de bijenteeltsector een etiketteringssysteem te ontwikkelen om de totstandbrenging te bevorderen van een bijvriendelijk productiesysteem;

72.  is verheugd over de actuele trend van "stedelijke bijenteelt" en vraagt tegelijk een nauwe, verplichte samenwerking tussen regionale bijenhoudersverenigingen en de autoriteiten en de invoering van minimumnormen om een einde te maken aan illegale teeltpraktijken en de moedwillige verspreiding van plagen en ziekten in bijenpopulaties te voorkomen;

o
o   o

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 43.
(2) https://ec.europa.eu/agriculture/honey_nl
(3) Dit leidt tot een lagere productiviteit omdat bijenhouders hun bijenbestanden moeten aanvullen om dezelfde hoeveelheid honing te produceren.
(4) "Honey bee genotypes and the environment", in: Journal of Agricultural Research 53(2), blz. 183-187 (2014)


Bankenunie – jaarverslag 2017
PDF 307kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over de bankenunie – jaarverslag 2017 (2017/2072(INI))
P8_TA(2018)0058A8-0019/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016(1),

–  gezien de feedback van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) over de resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016,

–  gezien het verslag van de Commissie van 11 oktober 2017 over het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) opgericht uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 (COM(2017)0591),

–  gezien de voorstellen tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (CRR) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (CRD IV),

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017 inzake wijzigingen van het Uniekader voor kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen(2),

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) van 9 juli 2017 over de gevolgen van de IFRS voor de financiële stabiliteit,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juli 2017 over het Actieplan inzake niet‑renderende leningen in Europa,

–  gezien het verslag van de subgroep inzake niet-renderende leningen van het Comité financiële diensten van de Raad van 31 mei 2017,

–  gezien de leidraad voor banken inzake niet-renderende leningen van de ECB van 20 maart 2017 en de openbare raadpleging over het ontwerpaddendum bij deze leidraad van 4 oktober 2017,

–  gezien het raadplegingsdocument van de Commissie van 10 november 2017 over wettelijke prudentiële backstops om ontoereikende voorzieningen op te vangen voor nieuw verstrekte leningen die niet-renderend worden,

–  gezien het verslag van het ESRB van 11 juli 2017 over het afwikkelen van niet‑renderende leningen in Europa,

–  gezien de openbare raadpleging van de Commissie van 10 juli 2017 over de ontwikkeling van secundaire markten voor niet-renderende leningen en noodlijdende activa en de bescherming van door een zekerheid gedekte crediteuren bij wanbetaling door kredietnemers,

–  gezien de beoordeling van de ECB van 6 juni 2017 waarin zij tot de conclusie is gekomen dat Banco Popular Español S.A. failliet ging of waarschijnlijk failliet zou gaan,

–  gezien de verklaring van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 7 juni 2017 over de vaststelling van een afwikkelingsbesluit voor Banco Popular Español S.A.,

–  gezien de beoordeling van de ECB van 23 juni 2017 waarin zij tot de conclusie is gekomen dat Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza failliet gingen of waarschijnlijk failliet zouden gaan,

–  gezien de verklaring van de GAR van 23 juni 2017 over het besluit om geen afwikkelingsmaatregelen te nemen ten aanzien van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 25 juni 2017 over de goedkeuring van staatssteun voor het verlaten van de markt door Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca overeenkomstig het Italiaanse insolventierecht, waarbij sommige delen aan Intesa Sanpaolo worden verkocht,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 4 juli 2017 over de goedkeuring van staatssteun ter ondersteuning van een preventieve herkapitalisatie van Monte dei Paschi di Siena,

–  gezien de versie van februari 2017 van de ECB-gids voor de gerichte toetsing van interne modellen (TRIM),

–  gezien de ontwerpversie van juli 2017 van de ECB-gids voor inspecties ter plaatse en onderzoeken van interne modellen,

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) van 31 mei 2017 over algemene beginselen ter ondersteuning van toezichtsconvergentie in het kader van de uittreding van het VK uit de EU, evenals haar drie adviezen van 13 juli 2017 over toezichtsconvergentie op het gebied van vermogensbeheer, beleggingsondernemingen en secundaire markten in het kader van de uittreding van het VK uit de EU,

–  gezien het advies van de Europese Bankautoriteit (EBA) van 12 oktober 2017 over aangelegenheden in verband met de uittreding van het VK uit de EU,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2017 over verscherping van het geïntegreerd toezicht ter versterking van de kapitaalmarktenunie en de financiële integratie in een veranderende omgeving (COM(2017)0542) en de voorstellen van de Commissie van 20 september 2017 over de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFT), met inbegrip van het "omnibusvoorstel" tot wijziging van de governance, financiering en bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's),

–  gezien de openbare raadplegingen van de ECB van 21 september 2017 over de ontwerpgidsen inzake de beoordeling van aanvragen voor vergunningen als kredietinstelling respectievelijk fintechkredietinstelling,

–  gezien de lijst van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) van voorwaarden voor totale verliesabsorberende capaciteit (TLAC) van november 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU, en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn herstel en afwikkeling van banken – BRRD),

–  gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (GAM-verordening),

–  gezien de voorstellen van de Commissie van 23 november 2016 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU betreffende de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG, Richtlijn 2002/47/EG, Richtlijn 2012/30/EU, Richtlijn 2011/35/EU, Richtlijn 2005/56/EG, Richtlijn 2004/25/EG en Richtlijn 2007/36/EG (COM(2016)0852), en voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (COM(2016)0851),

–  gezien het advies van de ECB van 8 november 2017 inzake herzieningen van het crisisbeheerkader van de Unie(3),

–  gezien speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 19 december 2017 getiteld "De Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad: de werkzaamheden aan een uitdagende opdracht voor de bankenunie zijn gestart, maar er is nog een lange weg te gaan",

–  gezien de intrekking door de Commissie van het voorstel betreffende structurele maatregelen ter verbetering van de weerbaarheid van EU-kredietinstellingen (COM(2014)0043),

–  gezien het document van de Commissie van 27 april 2017 getiteld "Inbreukenpakket april: voornaamste besluiten" (MEMO/17/1045),

–  gezien het risicodashboard van de EBA, het ESMA-verslag over trends, risico's en kwetsbaarheden nr. 2 (2017), het risicodashboard van het ESRB, het jaarverslag 2016 van het ESRB, de evaluatie van het ESRB van april 2017 inzake macroprudentieel beleid in de EU,

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/2399 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft de rang van ongedekte schuldinstrumenten in de insolventierangorde,

–  gezien artikel 107, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis ("bankenmededeling")(5),

–  gezien Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (DGSD),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 november 2015 getiteld "Naar de voltooiing van de bankenunie" (COM(2015)0587),

–  gezien de conclusies van de Raad Ecofin van 17 juni 2016 over een routekaart voor de voltooiing van de bankenunie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 oktober 2017 over de voltooiing van de bankenunie (COM(2017)0592),

–  gezien de EU Shadow Banking Monitor nr. 2 van het ESRB van mei 2017,

–  gezien het verslag van het ESRB van maart 2015 over de regelgevende behandeling van blootstellingen aan staatsschulden,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0019/2018),

A.  overwegende dat het totale aantal kredietinstellingen in de eurozone eind 2016 op niet-geconsolideerde basis 5 073 bedroeg, tegen 5 474 eind 2015 en 6 768 eind 2008, hetgeen overeenkomt met een daling van 25 % in de periode van 2008 tot 2016; overwegende dat het totale aantal kredietinstellingen in de eurozone eind 2016 op geconsolideerde basis 2 290 bedroeg, tegen 2 904 in 2008 en 2 379 eind 2015(6); overwegende dat het echter wenselijk is om hierbij ook aan te geven hoe het aandeel van "too big to fail"-banken zich gedurende dezelfde periode heeft ontwikkeld;

B.  overwegende dat er sprake is van grote verschillen in het totale volume en de percentages niet-renderende leningen (NPL's) tussen de lidstaten en dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de banken in de landen met het hoogste percentage niet-renderende leningen; overwegende dat het volume NPL's volgens het verslag van het ESRB van juli 2017 over de afwikkeling van niet-renderende leningen in Europa ("Resolving non-performing loans in Europe") 1 biljoen EUR bedroeg; overwegende dat de grootste banken in Europa volgens het driemaandelijkse risicodashboard van de EBA per 30 juni 2017 een gewogen gemiddeld percentage NPL's (NPL's, vóór aftrek van waardeverminderingen, gedeeld door de totale leningen) van 4,47 % rapporteerden; overwegende dat dit percentage de afgelopen 30 maanden een dalende trend vertoont;

C.  overwegende dat de derivatenmarkt in de EU volgens recente studie van de ESMA goed is voor een nominale waarde van 453 000 miljard EUR;

D.  overwegende dat de bankenunie moet worden versterkt omdat zij een fundamentele doelstelling voor de financiële stabiliteit van de eurozone is en een onmisbare bouwsteen van een echte economische en monetaire unie vormt; overwegende dat er verdere inspanningen nodig zijn om de bankenunie te voltooien, aangezien deze onvoltooid blijft zolang het ontbreekt aan een budgettair vangnet voor het gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds (GAF) en een derde pijler, wat een Europese aanpak van deposito(her)verzekering is; overwegende dat ECB-president Mario Draghi herhaaldelijk heeft verklaard dat een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) een fundamentele pijler van de bankenunie blijft; overwegende dat een voltooide bankenunie fundamenteel is om de onderlinge verwevenheid tussen overheden en banken te verkleinen; overwegende dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om van bail-outs over te schakelen op bail-ins; overwegende dat risico's in sommige nationale bankenstelsels nog altijd onvoldoende worden aangepakt; overwegende dat de huidige gunstige economische omstandigheden een kans bieden om de nodige hervormingen door te voeren en zo de bankenunie te voltooien;

E.  overwegende dat een echte opschoning van de balansen van banken na de crisis is uitgebleven, wat de economische groei nog steeds hindert; overwegende dat de kapitaal- en liquiditeitsratio's van de banken in de EU de voorbije jaren in het algemeen zijn verbeterd, maar dat sommige banken, ook grote banken, nog steeds ondergekapitaliseerd zijn; overwegende dat er nog steeds risico's voor de financiële stabiliteit zijn, maar dat die al aanzienlijk zijn verminderd sinds met de totstandbrenging van de bankenunie is begonnen; overwegende dat het institutionele en regelgevingskader voor Europese banken fundamenteel is versterkt;

F.  overwegende dat de bankenunie openstaat voor deelname van lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd; overwegende dat tot dusver geen enkele EU-lidstaat heeft besloten op basis daarvan deel te nemen; overwegende dat verscheidene lidstaten momenteel overleg voeren over de mogelijkheid om tot de bankenunie toe te treden; overwegende dat verscheidene financiële instellingen voordelen zien in deelname aan de bankenunie;

G.  overwegende dat onze werkzaamheden met betrekking tot de kapitaalmarktenunie de druk om de werkzaamheden met betrekking tot de bankenunie te voltooien, niet mogen doen afnemen, aangezien de bankenunie nog altijd van essentieel belang is voor de financiële stabiliteit in het van banken afhankelijke landschap van de EU;

H.  overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid van de banken het verschaffen van financiële middelen aan de reële economie is;

I.  overwegende dat de ECB enige flexibiliteit nodig heeft bij de uitoefening van haar toezichthoudende rol, maar dat verreikende en principiële beslissingen uiteindelijk moeten worden overgelaten aan de Europese wetgever;

1.  vraagt de Commissie een verordening als wetgevingsinstrument te gebruiken wanneer zij bankwetgeving voorstelt;

Toezicht

2.  neemt kennis van de beoordelingen van de ECB over het faillissement of het waarschijnlijke faillissement van banken in 2017; stelt ook vast dat het toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijke afwikkelingsmechanisme in deze context hebben gewerkt, en is het met de Commissie eens dat de procedures op grond waarvan wordt besloten of een bank al dan niet failliet gaat of waarschijnlijk failliet zal gaan, moeten worden verbeterd;

3.  wijst op de komende stresstests die de EBA in 2018 zal uitvoeren; vraagt de EBA, het ESRB, de ECB en de Commissie bij het vaststellen van de stresstests consistente methoden, scenario's en veronderstellingen te gebruiken om een potentiële vertekening van de resultaten zoveel mogelijk te vermijden en te voorkomen dat, zoals al is voorgekomen, de resultaten van de stresstests niet stroken met afwikkelingsbesluiten die kort na de presentatie van deze resultaten worden genomen; benadrukt evenwel dat de soliditeit van een bank niet uitsluitend kan worden vastgesteld aan de hand van een beoordeling van de balans op een bepaald moment, aangezien die soliditeit wordt gewaarborgd door een dynamische wisselwerking tussen de bank en de markten en wordt beïnvloed door verschillende elementen in de economie als geheel; is voorts van mening dat de eigen stresstests die de ECB op de overige banken onder haar toezicht toepast, baat zouden kunnen hebben bij meer transparantie;

4.  benadrukt het belang van de samenwerking tussen de EBA als regelgevende autoriteit en het GTM als toezichthoudende autoriteit; wijst in dit verband op de taakverdeling tussen de ECB en de EBA en op het verschillende geografische toepassingsgebied van de activiteiten van deze instellingen; beveelt in dit verband aan om de concrete coördinatie van de door beide instellingen te nemen initiatieven waar mogelijk te verbeteren om de consistentie van het gemeenschappelijke rulebook te garanderen, maar erkent dat het GTM een leidende rol moet hebben wanneer bankenuniespecifieke problemen of lacunes in de regelgeving worden vastgesteld;

5.  is verheugd over het feit dat de bankenunie de uitwisseling van relevante informatie tussen toezichthoudende autoriteiten en de verzameling en uitwisseling van gegevens over het Europese bankenstelsel heeft verbeterd, wat bijvoorbeeld bijdraagt tot betere benchmarks en een holistischer toezicht op grensoverschrijdende bankengroepen mogelijk maakt; is ingenomen met het uitstekende werk van de gezamenlijke toezichtsteams (JST's); merkt op dat de Commissie gebieden heeft vastgesteld waarop verbetering nodig is met betrekking tot de uitwisseling van informatie en coördinatie tussen het ECB-bankentoezicht en de GAR, met name wat betreft de cruciale vraagstukken of een instelling in aanmerking komt voor preventieve herkapitalisatie en of een bank al dan niet failliet gaat of waarschijnlijk failliet zal gaan; merkt op dat het huidige memorandum van overeenstemming tussen de ECB en de GAR niet omvattend genoeg is om ervoor te zorgen dat de GAR van de ECB alle informatie krijgt die hij nodig heeft om zijn taken tijdig en efficiënt te vervullen; verzoekt de ECB en de GAR de huidige besprekingen over de actualisering van hun memorandum van overeenstemming aan te grijpen als een gelegenheid om bestaande lacunes te dichten en de doeltreffendheid van afwikkelingsmaatregelen te verbeteren; vraagt dat er verbeteringen worden aangebracht in de praktische regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de toezichthoudende en regelgevende autoriteiten, wat van cruciaal belang is om afwikkelingsmaatregelen soepel en doeltreffend te laten verlopen, alsook tussen alle Europese en nationale instanties die bij vroegtijdige interventie en afwikkeling betrokken zijn; vraagt de ECB en de GAR hun dagelijkse samenwerking verder te verbeteren en hun werkrelatie te intensiveren; pleit in dit verband voor een wijziging van de desbetreffende GTM-verordening om het mogelijk te maken dat een vertegenwoordiger van de GAR de bijeenkomsten van de raad van toezicht van het GTM als permanente waarnemer bijwoont; pleit voor een interinstitutioneel akkoord tussen de ECB en de Europese Rekenkamer met een nadere omschrijving van de informatie-uitwisseling tussen beide instellingen met betrekking tot hun respectieve in de Verdragen vastgestelde mandaat;

6.  merkt op dat de bepalingen van de BRRD betreffende preventieve herkapitalisatie in 2017 zijn toegepast; merkt op dat het gebruik van beoordelingen van de kwaliteit van activa om te bepalen of aan de voorwaarden voor preventieve herkapitalisatie wordt voldaan, moet worden verduidelijkt; benadrukt dat voorafgaande beoordelingen van de activa moeten zijn gebaseerd op degelijk bewijsmateriaal, waarmee onder meer wordt aangetoond dat de bank solvabel is en de EU-regels inzake staatssteun naleeft; vraagt de Commissie, het GTM en de GAR na te denken over hoe voor meer transparantie kan worden gezorgd bij de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen en het nemen van afwikkelingsbesluiten;

7.  spreekt andermaal zijn bezorgdheid uit over het grote aantal NPL's in bepaalde rechtsgebieden; is ingenomen met de inspanningen van verschillende lidstaten om het aantal NPL's te verminderen; is het met de Commissie eens dat "hoewel de lidstaten en de banken zelf primair verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van niet-renderende leningen, [...] een combinatie van nationale en Europese inspanningen de beste manier [is] om het aantal niet-renderende leningen te reduceren en te voorkomen dat in de toekomst nieuwe niet-renderende leningen op de balansen van banken verschijnen"(7);

8.  is in het algemeen ingenomen met de werkzaamheden van verschillende EU-instellingen en ‑organen ter zake; zou evenwel een betere coördinatie tussen hun inspanningen toejuichen; vraagt deze actoren en de lidstaten naar behoren en spoedig uitvoering te geven aan de conclusies van de Raad van 11 juli 2017 over het actieplan inzake NPL's in Europa; kijkt uit naar het pakket maatregelen om het aantal NPL's sneller te verminderen, dat in de komende maanden zal worden voorgesteld; steunt in dit verband het besluit van de Commissie om te onderzoeken of de prudentiële regels voor nieuwe leningen die niet-renderend worden, op EU-niveau kunnen worden geharmoniseerd; vraagt de Commissie wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te nemen om de verstrekking van informatie aan potentiële beleggers, de oprichting van speciale ondernemingen voor activabeheer ("bad banks") en de ontwikkeling van secundaire markten voor NPL's aan te moedigen teneinde het enorme probleem van NPL's aan te pakken; herinnert eraan dat de lidstaten waar nodig het insolventiekader moeten verbeteren en harmoniseren, onder meer door werk te maken van het voorstel van de Commissie inzake vroegtijdige herstructurering en een tweede kans, teneinde de meest kwetsbare debiteuren, zoals kmo's en huishoudens, te beschermen;

9.  is ingenomen met het voornemen om de balansen van banken sneller op te schonen, maar wijst erop dat het verplicht verkopen van NPL's op een niet-liquide en ondoorzichtige markt kan leiden tot ongerechtvaardigde waardeverminderingen op de balans van banken; herhaalt dat het bezorgd is over het ontwerpaddendum bij de ECB-leidraad inzake NPL's; benadrukt dat de ECB tijdens dit monitoring- en beoordelingsproces in het kader van de regelingen voor bankentoezicht op geen enkele wijze aan de prerogatieven van de EU-wetgever mag raken; herinnert eraan dat de algemene beginselen voor het maken van wetten in de EU, die effectbeoordelingen, raadpleging en de beoordeling van evenredigheid en subsidiariteit voorschrijven, ook relevant zijn voor wetgeving van niveau 3;

10.  herhaalt dat het zich zorgen maakt over de risico's die voortvloeien uit het aanhouden van activa van niveau 3, waaronder derivaten, en met name uit de moeilijkheden bij de waardering ervan; is in dit verband verheugd dat de EBA in de stresstestprocedures voor 2018 specifieke risicobeheersmaatregelen heeft opgenomen voor instrumenten van niveau 2 en niveau 3; vraagt het GTM nogmaals met klem om van deze kwestie in 2018 een prioriteit van het gemeenschappelijk toezicht te maken;

11.  wijst er nogmaals op dat er aan staatsschuld risico's verbonden zijn; merkt op dat financiële instellingen in sommige lidstaten te veel hebben belegd in door hun eigen overheid uitgegeven obligaties, wat een buitensporige "thuisvoorkeur" inhoudt, terwijl een van de voornaamste doelstellingen van de bankenunie erin bestaat het risico als gevolg van de onderlinge verwevenheid van banken en staatsschuld te verkleinen; merkt op dat het om de risico's voor de financiële stabiliteit te beperken, beter zou zijn als banken hun overheidsobligatieportefeuilles meer zouden diversifiëren; is van oordeel dat het regelgevingskader van de EU inzake de prudentiële behandeling van staatsschulden dient te stroken met de internationale norm; wijst op de lopende werkzaamheden van het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) met betrekking tot landenrisico, en meer bepaald zijn recente discussienota over de regelgevende behandeling van blootstellingen aan staatsschulden; kijkt dan ook met veel belangstelling uit naar het resultaat van de werkzaamheden van de FSB met betrekking tot staatsschuld, als leidraad voor verdere besluiten; wijst op de cruciale rol van staatsobligaties als het gaat om het leveren van hoogwaardige liquide middelen voor beleggers en stabiele financieringsbronnen voor overheden; neemt in dit verband nota van de lopende werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot zogenoemde door overheidsobligaties gedekte effecten (SBBS) als mogelijkheid om de kwestie te helpen oplossen; herinnert eraan dat SBBS geen vorm van wederzijdse waarborging van schulden zouden zijn; is van mening dat een inbreng van de kant van marktdeelnemers voor interesse van de markt in SBBS kan helpen zorgen;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is de in interne modellen vastgestelde tekortkomingen te verhelpen om de geloofwaardigheid ervan te herstellen en een gelijk speelveld tussen instellingen tot stand te brengen; wijst in dit verband op het door de afdeling Ondersteuning economische governance bestelde externe onderzoeksdocument met als titel "Welke conclusies kunnen worden getrokken uit de benchmarking van het marktrisico door de EBA van 2016?", waarin onder meer staat: "als de resultaten van de benchmarkingstudie van de EBA correct zijn, en voor zover de instrumenten in de testportfolio representatief zijn, zijn de interne marktrisicomodellen die de Europese banken momenteel gebruiken, sterk in strijd met het beginsel van een gelijk speelveld (als verschillende banken dezelfde portfolio aanhouden, moeten zij verplicht worden hetzelfde bedrag aan eigen vermogen aan te houden)"; merkt in dit verband op dat het BCBS het eens is met de wijzigingen met het oog op de voltooiing van Bazel III en neemt nota van de beoordeling door de EBA van het effect daarvan op het bankwezen in de EU; herinnert eraan dat de overeenkomst niet tot een aanzienlijke toename van de kapitaalvereisten mag leiden en geen afbreuk mag doen aan het vermogen van banken om de reële economie, en met name kmo's, te financieren; is verheugd over de werkzaamheden die de ECB heeft verricht om de adequaatheid van interne modellen te beoordelen, zoals de nieuwe ECB-gids voor TRIM, teneinde iets te doen aan de uiteenlopende risicogewichten die kredietinstellingen toepassen op risicogewogen activa van dezelfde categorie; is ten slotte ingenomen met de werkzaamheden die de EBA in het kader van haar benchmarkingactiviteiten heeft verricht; is van mening dat de kapitaalpositie van banken onder meer kan worden versterkt door minder dividend uit te keren en vers aandelenkapitaal aan te trekken, en dat de versterking van de algehele financiële positie van Europese banken een prioriteit moet blijven;

13.  benadrukt dat de voorstellen van internationale fora op een zodanige wijze in EU-recht moeten worden omgezet dat rekening wordt gehouden met de kenmerken van de Europese bankensector;

14.  benadrukt dat met name de richtsnoeren van het BCBS niet zomaar volledig in EU-recht mogen worden omgezet zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van het Europese bankenstelsel en het evenredigheidsbeginsel;

15.  herinnert aan het beginsel van scheiding van de monetaire beleidsfunctie en de toezichthoudende functie van het GTM en acht de naleving ervan van cruciaal belang om belangenconflicten te vermijden; meent dat dit beginsel in de regel goed wordt nageleefd; is van mening dat het criterium om te bepalen of gedeelde diensten geschikt zijn, de beleidsrelevantie moet zijn van de taken die ze uitvoeren; is daarom van mening dat gedeelde diensten geen probleem vormen wanneer ze betrekking hebben op kwesties die niet gevoelig zijn voor de beleidsvorming, maar een reden tot bezorgdheid kunnen zijn en aanvullende waarborgen kunnen vergen wanneer dat niet het geval is;

16.  is van mening dat de betrokkenheid van meer ECB-medewerkers bij inspecties ter plaatse kan helpen om het bankentoezicht nog onafhankelijker te maken van nationale overwegingen;

17.  neemt kennis van het hervormingspakket voor het bankwezen dat de Commissie in november 2016 heeft voorgesteld; onderstreept het belang van de versnelde procedure die heeft geleid tot de overeenkomst over de geleidelijke invoering van de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) 9 en de overgangsregelingen voor de vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen voor schulden van bepaalde overheidsinstanties van lidstaten die in valuta van lidstaten luiden (Verordening (EU) 2017/2395) teneinde abrupte gevolgen ("cliff effects") voor het eigen vermogen van kredietinstellingen te voorkomen; neemt evenwel kennis van het standpunt van de ECB en de EBA dat een overgangsregeling er niet toe mag leiden dat de toepassing van IFRS 9 onnodige vertraging oploopt; benadrukt dat er moet worden gecontroleerd welk effect IFRS 9 heeft op de aard en de toewijzing van kredieten door banken, alsook op de eventuele procyclische effecten als gevolg van de conjunctuurgevoeligheid van kredietrisicoparameters; vraagt het ESRB en het GTM deze kwesties te onderzoeken; vraagt de EBA en de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) in dit verband de nodige richtsnoeren te verschaffen;

18.  wijst erop dat instellingen tal van soortgelijke toezichtverslagen in uiteenlopende formaten moeten indienen bij een hele reeks autoriteiten, wat een aanzienlijke extra last betekent; pleit derhalve voor de invoering van een gestandaardiseerde verslaglegging, waarbij een centraal aanspreekpunt de vragen van alle toezichthoudende autoriteiten bundelt, deze doorstuurt naar de onder toezicht staande instellingen en de verzamelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten doorstuurt; benadrukt dat op die manier kan worden voorkomen dat meermaals dezelfde vragen worden gesteld en om dezelfde gegevens wordt gevraagd, wat niet alleen zou leiden tot minder administratieve rompslomp voor de banken en de bevoegde autoriteiten, maar ook tot efficiënter toezicht;

19.  erkent dat er met de uitvoering van de toezichtsvereisten hoge kosten gemoeid zijn, die met name voor kleinere banken moeilijk te behappen zijn; is van mening dat de ECB in bepaalde toezichtsregelingen meer rekening zou kunnen houden met het evenredigheidsbeginsel wanneer zij haar toezichtstaken uitvoert; benadrukt daarom dat er dringend meer inspanningen moeten worden gedaan om het bankentoezicht evenrediger te maken voor kleine instellingen die weinig risico inhouden; benadrukt dat meer evenredigheid in geen geval betekent dat de toezichtsnormen worden verlaagd, maar alleen dat de administratieve lasten zullen worden verminderd, bijvoorbeeld op het vlak van naleving en openbaarmakingsvereisten; is dan ook verheugd dat de Commissie het in haar antwoord op het jaarverslag over de bankenunie van 2016 met het Parlement eens is dat de verslagleggingsvereisten moeten worden gestroomlijnd, en dat zij inspanningen levert om het toezicht evenrediger te maken;

20.  wijst erop dat de keuzemogelijkheden en discretionaire bevoegdheden in de EU-wetgeving inzake bankentoezicht zoveel mogelijk moeten worden geharmoniseerd; is van mening dat deze voor zover mogelijk van voorbijgaande aard moeten zijn en moeten worden afgeschaft zodra ze niet meer gerechtvaardigd zijn, teneinde de dagelijkse werkzaamheden van de Europese en de nationale toezichthouders niet te ingewikkeld te maken;

21.  benadrukt dat in het regelgevingskader rekening moet worden gehouden met de bijzondere operationele beginselen en de specifieke taken van coöperatieve banken, en dat de toezichthoudende autoriteiten deze in acht moeten nemen en in hun praktijk en benaderingen moeten integreren;

22.  herinnert aan zijn resolutie van 17 mei 2017(8) over fintech; is van oordeel dat fintechondernemingen, die dezelfde activiteiten verrichten als andere actoren van het financiële stelsel, zich derhalve voor hun activiteiten aan dezelfde regels moeten houden; pleit in dit verband voor een benadering inzake fintechondernemingen waarbij een juist evenwicht wordt getroffen tussen bescherming van de consument, handhaving van de financiële stabiliteit en aanmoediging van innovatie; neemt in dit verband kennis van de werkzaamheden van de Commissie, het voorstel om technologische innovatie op te nemen in het mandaat van de ETA's en de openbare raadpleging over de ontwerpgids van de ECB inzake de beoordeling van aanvragen voor vergunningen als fintechbank;

23.  erkent dat banken door de toenemende digitalisering van alle aspecten van het bankwezen veel kwetsbaarder zijn geworden voor risico's op het gebied van cyberveiligheid; benadrukt dat het beheer van cyberveiligheid in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de banken zelf is; wijst op de cruciale rol van cyberveiligheid voor bankdiensten en benadrukt dat financiële instellingen moeten worden gestimuleerd om de lat hoog te leggen bij het beschermen van consumentengegevens en het garanderen van de cyberveiligheid; vraagt de toezichthoudende autoriteiten de risico's voor de cyberveiligheid nauwlettend te monitoren en te beoordelen, en vraagt de financiële instellingen in de hele EU de lat hoog te leggen bij het beschermen van consumentengegevens en het garanderen van de cyberveiligheid; is verheugd over het initiatief van de ECB om onder toezicht staande banken te verplichten omvangrijke cyberaanvallen te rapporteren via een realtime-waarschuwingsdienst, en over de inspecties ter plaatse door het GTM om toezicht te houden op de cyberveiligheid; vraagt het GTM zijn inspanningen op te voeren en cyberveiligheid formeel tot een van zijn voornaamste prioriteiten te maken;

24.  is verheugd over de werkzaamheden van de EBA, de ESMA en het GTM om in de context van de uittreding van het VK uit de EU convergentie van het toezicht in de hand te werken teneinde de ontwikkeling van regelgevings- en toezichtarbitragerisico's te beperken; is van mening dat, ongeacht welk model voor samenwerking op het gebied van toezicht tussen de EU en het VK wordt ontwikkeld, de financiële stabiliteit van de EU, haar regelgevings- en toezichtsstelsel en ‑normen en de toepassing daarvan in acht moeten worden genomen; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat banken voorbereid zijn en over degelijke noodplannen beschikken om de ontwrichtende gevolgen van de brexit te beperken; vreest dat met name sommige kleinere banken achterlopen bij hun voorbereidingen op de brexit en vraagt hen hun inspanningen op te voeren; wijst erop dat het verkrijgen van een bankvergunning en het laten goedkeuren van interne modellen verscheidene jaren kan duren en dat hiermee rekening dient te worden gehouden;

25.  neemt kennis van de voorstellen over de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFT), waaronder het "omnibusvoorstel" tot wijziging van het bestuur, de financiering en de bevoegdheden van de ETA's;

26.  maakt zich zorgen over ontwikkelingen waaruit naar voren komt dat bankgroepen gebruikmaken van steeds complexere structuren en actief zijn via entiteiten die zich aan het bankentoezicht onttrekken, maar grotendeels dezelfde activiteiten verrichten als banken; neemt in dit verband nota van het voorstel van de Commissie over beleggingsondernemingen, dat zou moeten helpen een gelijk speelveld voor beleggingsondernemingen en kredietinstellingen tot stand te brengen en de mazen te dichten waarvan grote beleggingsondernemingen gebruik kunnen maken om de kapitaalvereisten voor banken te omzeilen;

27.  is bezorgd over de uitbreiding van schaduwbankieren in de EU; neemt nota van de EU Shadow Banking Monitor 2017 van het ESRB, waarin wordt gewezen op een aantal risico's en zwakke plekken in het schaduwbankwezen in de EU die in de gaten moeten worden gehouden; vraagt daarom om gecoördineerde maatregelen om deze risico's aan te pakken en te zorgen voor eerlijke concurrentie en financiële stabiliteit; erkent evenwel dat er sinds de financiële crisis beleidsmaatregelen zijn getroffen om risico's van financiële instabiliteit als gevolg van schaduwbankieren aan te pakken; moedigt de autoriteiten aan om nieuwe risico's voor de financiële stabiliteit nauwgezet te monitoren en aan te pakken en maatregelen om de bankensector te reguleren, vergezeld te laten gaan van passende regulering van schaduwbankieren; betreurt dat de Commissie er in haar antwoorden op het verslag van vorig jaar(9) niet op laatstgenoemde kwestie is ingegaan;

28.  is van mening dat verbeteringen weliswaar wenselijk zijn, met name op het gebied van communicatie en transparantie, maar dat de bankenunie een zeer positieve en fundamentele verandering blijft voor de lidstaten die de euro gebruiken; herinnert eraan dat de bankenunie openstaat voor alle lidstaten; moedigt alle lidstaten die geen lid van de eurozone zijn, aan om de nodige stappen te zetten om zich aan te sluiten bij de bankenunie, teneinde die geleidelijk aan op één lijn te brengen met de hele interne markt;

29.  is verheugd over de vooruitgang die met het besluit van de ECB van juni 2017 is geboekt, waardoor deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten in zekere mate kunnen worden gedelegeerd; herhaalt dat het van oordeel is dat een wijziging van de regelgeving noodzakelijk is om de raad van toezicht in staat te stellen de besluitvorming over bepaalde routinekwesties vaker en gemakkelijker te delegeren aan bevoegde ambtenaren; herhaalt positief te staan tegenover een dergelijke wijziging, die het toezicht van de ECB op de banken doelmatiger en doeltreffender kan helpen maken; vraagt de ECB aan te geven welke besluitvormingsbevoegdheden kunnen worden gedelegeerd;

Afwikkeling

30.  is ingenomen met de eerste toepassing van de nieuwe afwikkelingsregeling in 2017; neemt nota van het grote aantal rechtszaken dat in verband met dit dossier bij het Gerecht van de EU is aangespannen; verzoekt de Commissie na te gaan of en hoe dit de doeltreffendheid van de nieuwe afwikkelingsregeling in gevaar zou kunnen brengen en de toepassing van het afwikkelingskader in feite onmogelijk zou kunnen maken; verzoekt de GAR en de Commissie gezamenlijk een samenvatting te publiceren van de vaakst geuite grieven in die rechtszaken; is van mening dat de bankdossiers van 2017 vragen opwerpen over transparantie en communicatie, en vraagt dat er bij toekomstige afwikkelingsbesluiten meer transparantie aan de dag wordt gelegd, onder meer door het Europees Parlement onder duidelijke en passende voorwaarden inzage te geven in belangrijke documenten op grond waarvan afwikkelingsbesluiten worden genomen, zoals de waarderingsrapporten van onafhankelijke taxateurs, teneinde vooraf meer inzicht te geven in de afwikkelingsregeling; vraagt de medewetgevers tijdens de medebeslissingsprocedure over voorstellen van de Commissie inzake TLAC/MREL en het moratoriuminstrument lering te trekken uit de bankdossiers van 2017;

31.  is bezorgd over de gebrekkige afstemming tussen de staatssteunregels en de Uniewetgeving met betrekking tot de door de BRRD en de DGSD geboden mogelijkheid om depositogarantiestelsels te laten participeren in een afwikkeling, zoals in de vorige verslagen is vermeld(10); verzoekt de Commissie haar interpretatie van de staatssteunregels onder verwijzing naar artikel 11, leden 3 en 6, van de DGSD te herzien om ervoor te zorgen dat de preventieve en alternatieve maatregelen waarin de Europese wetgever voorziet, daadwerkelijk kunnen worden toegepast; is van mening dat in de bankdossiers van 2017 is bevestigd dat, zoals ook in de BRRD staat, de lidstaten een gewone insolventieprocedure mogen volgen, waarbij in sommige gevallen sprake kan zijn van "liquidatiesteun"; is van mening dat de arbitragemogelijkheden die bij recente afwikkelingszaken aan het licht zijn gekomen, onder meer het gevolg zijn van de discrepantie tussen de regels inzake staatssteun die van toepassing zijn krachtens respectievelijk de afwikkelingsregeling en de nationale insolventiewetgeving; verzoekt de Commissie de kaders voor de insolventie van banken in de Unie, met inbegrip van de bankenmededeling van 2013, te herzien om lering te trekken uit de bankdossiers van 2017;

32.  herinnert eraan dat met de BRRD wordt beoogd de continuïteit van kritieke functies te waarborgen, negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te voorkomen, overheidsmiddelen te beschermen door het beroep van falende instellingen op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken, en gedekte deposanten en beleggers, alsmede geldmiddelen en activa van cliënten te beschermen; herinnert eraan dat buitengewone openbare financiële steun alleen mag worden gebruikt om "een ernstige verstoring in de economie op te heffen" en "de financiële stabiliteit te vrijwaren", en "niet mag worden gebruikt om verliezen goed te maken die een instelling heeft geleden of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal lijden"; is van mening dat buitengewone openbare financiële steun zo nodig ook gepaard moet gaan met corrigerende maatregelen; vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk werk te maken van de in artikel 32, lid 4, laatste alinea, van de BRRD bedoelde beoordeling, die al sinds 2015 op zich laat wachten; merkt op dat preventieve herkapitalisatie een instrument is om bankencrises het hoofd te bieden;

33.  verzoekt de Commissie jaarlijks opnieuw na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de vereisten voor de toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU inzake de mogelijkheid van staatssteun in de financiële sector;

34.  verzoekt de Commissie te beoordelen of de bankensector sinds het begin van de crisis heeft geprofiteerd van impliciete subsidies en staatssteun door de verstrekking van onconventionele liquiditeitssteun;

35.  is verheugd dat de GAR heeft verklaard voorrang te geven aan het verbeteren van de afwikkelbaarheid van kredietinstellingen, en is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt met de vaststelling van bindende doelstellingen inzake afzonderlijke minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) op geconsolideerd niveau; benadrukt het belang van operationele en geloofwaardige afwikkelingsplannen en erkent in dat verband dat eenkanalige strategieën problemen kunnen inhouden voor de financiële stabiliteit van de landen van ontvangst als ze niet naar behoren zijn ontworpen; onderstreept dat er een doeltreffende regeling nodig is om inbreuken op deze vereiste aan te pakken en dat in de MREL rekening moet worden gehouden met de bedrijfsmodellen van de instellingen om de afwikkelbaarheid van deze instellingen te garanderen; vraagt de GAR een volledige lijst op te stellen van de belemmeringen voor afwikkelbaarheid in de nationale of Europese wetgeving; benadrukt dat de herziening van de BRRD in geen geval mag achterblijven bij de internationaal overeengekomen normen;

36.  is verheugd dat er een akkoord is bereikt over de verdere harmonisatie van de rangorde van ongedekte schuldinstrumenten door middel van Richtlijn (EU) 2017/2399; vraagt dat de lidstaten dit akkoord snel uitvoeren zodat banken schuld kunnen uitgeven in de nieuwe insolventiecategorie en daarbij de nodige buffers kunnen opbouwen; blijft bij zijn standpunt, zoals verwoord in het vorige verslag(11), dat voor bail-in in aanmerking komende instrumenten alleen mogen worden verkocht aan geschikte beleggers die potentiële verliezen kunnen absorberen zonder dat dit hun eigen financiële positie in gevaar brengt; beveelt daarom aan dat de afwikkelingsautoriteiten controleren in hoeverre voor bail-in in aanmerking komende instrumenten in handen zijn van niet-professionele beleggers en dat de EBA deze bedragen jaarlijks openbaar maakt en, in voorkomend geval, waarschuwingen en aanbevelingen voor corrigerende maatregelen uitvaardigt;

37.  neemt nota van de in behandeling zijnde wetgevingsvoorstellen tot omzetting van de totale verliesabsorberende capaciteit (TLAC) in het recht van de Unie teneinde de risico's in de Europese bankensector te verminderen;

38.  herinnert eraan dat de inhoud van het interinstitutioneel akkoord over het GAF uiteindelijk in het wetgevingskader van de Unie moet worden opgenomen; herinnert eraan dat een budgettair vangnet essentieel is om te zorgen voor een geloofwaardig en efficiënt afwikkelingskader, om systeemcrises in de bankenunie het hoofd te kunnen bieden en om te voorkomen dat banken met overheidsgeld moeten worden gered; neemt kennis van het voorstel van de Commissie om het Europees Stabiliteitsmechanisme om te vormen tot een Europees Monetair Fonds, waar de budgettaire vangnetfunctie voor het GAF zou worden ondergebracht;

39.  is ingenomen met het werk dat de GAR heeft verricht om zijn capaciteit voor de afwikkeling van banken op het niveau van de Unie op te bouwen; stelt echter vast dat momenteel nog volop aan de afwikkelingsplanning wordt gewerkt; merkt ook op dat de GAR met een groot personeelstekort kampt; vraagt de GAR zijn aanwervingsinspanningen te intensiveren en vraagt de nationale autoriteiten gedetacheerde deskundigen gemakkelijk ter beschikking van de GAR te stellen; herinnert er in dit verband aan dat binnen de GAR een passend evenwicht moet worden gevonden tussen personeel van het centrale niveau en personeel van nationale afwikkelingsautoriteiten, en dat er een duidelijke taakverdeling moet zijn tussen de GAR en de nationale afwikkelingsautoriteiten; is in dit verband ingenomen met de stappen die de GAR heeft ondernomen om de rollen en taken binnen het GTM toe te wijzen; wijst erop dat de GAR niet alleen verantwoordelijk is voor banken die onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan, maar ook voor grote grensoverschrijdende instellingen; vraagt de lidstaten, de nationale bevoegde autoriteiten en de ECB zo te werk te gaan dat de extra last en complexiteit voor de GAR als gevolg van dit verschil in toepassingsgebied zoveel mogelijk wordt beperkt;

40.  vraagt dat de voorafgaande bijdragen aan het GAF op transparante wijze worden berekend, door informatie over de berekeningsmethode te verstrekken en inspanningen te doen om de informatie over de resultaten van de berekening te harmoniseren;

41.  is bezorgd over de mogelijke invloed van afwikkelingsbesluiten op de structuur van het bankenstelsel; vraagt de Commissie deze kwestie nauwlettend te volgen, follow-up te geven aan de genomen besluiten en het Europees Parlement regelmatig in kennis te stellen van haar bevindingen;

Depositoverzekering

42.  is verheugd over het besluit van de EBA om de gegevens die zij overeenkomstig artikel 10, lid 10, van de DGSD jaarlijks ontvangt, te publiceren; stelt voor om de presentatie van de gegevens te verbeteren zodat de toereikendheid van de financiering van de depositogarantiestelsels rechtstreeks kan worden vergeleken; wijst er evenwel op dat de opbouw van de beschikbare financiële middelen voor een aantal depositogarantiestelsels moet worden versneld om de streefbedragen tegen 3 juli 2024 te bereiken;

43.  verzoekt de EBA haar analyse uit te breiden tot onder meer de alternatieve financieringsplannen die de lidstaten overeenkomstig artikel 10, lid 9, van de DGSD hebben opgezet, en deze analyse samen met de overeenkomstig artikel 10, lid 10, van de DGSD ontvangen gegevens te publiceren;

44.  vestigt de aandacht op de vele keuzemogelijkheden en de grote manoeuvreerruimte in het kader van de DGSD; is van mening dat een verdere harmonisatie van de regels voor depositogarantiestelsels noodzakelijk is om een gelijk speelveld binnen de bankenunie tot stand te brengen;

45.  herinnert eraan dat de bescherming van deposito's een gemeenschappelijke kwestie is voor alle EU-burgers en dat de bankenunie zonder derde pijler niet volledig is; voert momenteel op commissieniveau discussies over het voorstel voor een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS); neemt in dit verband nota van de mededeling van de Commissie van 11 oktober 2017;

46.  merkt op dat er nog steeds wordt gediscussieerd over wat de juiste rechtsgrond is voor de oprichting van het voorgestelde Europees depositoverzekeringsfonds;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de EBA, de Commissie, de ECB, de GAR, de nationale parlementen en de bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 40, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0041.
(2) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 5.
(3) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 17.
(4) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 24.
(5) PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.
(6) Europese Centrale Bank, Rapport over financiële structuren ("Report on Financial Structures"), oktober 2016, blz. 23-24.
(7) Mededeling van de Commissie over de voltooiing van de bankenunie, 11 oktober 2017 (COM(2017)0592), blz. 15.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0211.
(9) Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over “de bankenunie – jaarverslag 2016”, paragraaf 9.
(10) Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016, paragraaf 38.
(11) Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016, paragraaf 48.


De drooglegging van inkomstenbronnen voor jihadi's – bestrijding van de financiering van terrorisme
PDF 300kWORD 62k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 1 maart 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid inzake de drooglegging van inkomstenbronnen voor jihadi's – bestrijding van de financiering van terrorisme (2017/2203(INI))
P8_TA(2018)0059A8-0035/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme van 1999,

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over de situatie in Noord-Irak/Mosul(1) en zijn resolutie van 30 april 2015 over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh(2),

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96(3),

–  gezien de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties en de resoluties 1267 (1999), 1373 (2001), 1989 (2011), 2133 (2014), 2199 (2015), 2253 (2015) en 2368 (2017) van de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie(4),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van Richtlijn 2009/101/EG (COM(2016)0450),

–  gezien de verklaring van Manama inzake de bestrijding van terrorismefinanciering van 9 november 2014,

–  gezien de beste praktijken van de Financiële-actiegroep (FATF) inzake gerichte financiële sancties in verband met terrorisme en terrorismefinanciering,

–  gezien de verklaring van de FATF van 24 oktober 2014 over het bestrijden van de financiering van de terroristische organisatie Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS) en over het verslag van de FATF van februari 2015 over de financiering van ISIS,

–  gezien het op 18 oktober 2017 door de Commissie gepubliceerde elfde verslag over de totstandbrenging van een Veiligheidsunie,

–  gezien het bijvoegsel bij het memorandum van Algiers inzake goede praktijken ter voorkoming en ontkenning van de voordelen van ontvoering voor losgeld door terroristen, van het Mondiaal Forum Terrorismebestrijding (GCTF) van september 2015,

–  gezien de G7-verklaring van Taormina van 26 mei 2017 over de bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme,

–  gezien de onlangs opgerichte Bijzondere Commissie terrorisme,

–  gezien artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de EU inzake de bescherming van persoonsgegevens,

–  gezien Verordening (EU) 2015/827 van de Raad van 28 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië(5),

–  gezien het actieplan van de Commissie van februari 2016 ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering,

–  gezien het verslag 2017 van Europol over terrorisme in de EU – situatie en trend (TE-SAT),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2017 over de beoordeling van risico's op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die van invloed zijn op de interne markt en verband houden met grensoverschrijdende activiteiten (COM(2017)0340),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(6),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(7),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2017 betreffende de invoer van cultuurgoederen (COM(2017)0375),

–  gezien het op 27 juli 2017 door de Commissie gepubliceerde negende verslag over de totstandbrenging van een Veiligheidsunie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 oktober 2017 aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad getiteld "Elfde verslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie" (COM(2017)0608),

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0035/2018),

A.  overwegende dat een van de fundamentele onderdelen van de bestrijding van terrorisme het afsnijden van de toegang tot financieringsbronnen is, onder meer via de verborgen circuits van fraude en belastingontduiking, witwassen van geld en belastingparadijzen;

B.  overwegende dat bepaalde financiering mogelijk afkomstig is uit Europese landen om elders te worden gebruikt door terroristische organisaties, terwijl andere financiering afkomstig is van buiten Europa en bestemd is voor het financieren van radicalisering en daadwerkelijke terroristische aanslagen; overwegende dat de externe en de interne dimensie van de bestrijding van terrorisme met elkaar verbonden zijn en dat het afsnijden van de toegang tot financieringsbronnen van terrorisme deel moet uitmaken van een bredere EU-strategie waarin de externe en de interne veiligheidsdimensies worden geïntegreerd;

C.  overwegende dat moderne communicatienetwerken en met name crowdfunding een goedkope en efficiënte manier zijn gebleken om fondsen te werven voor de financiering van terroristische activiteiten of om een jihadistennetwerk te beheren; overwegende dat terroristische groeperingen erin zijn geslaagd aanvullende fondsen te werven voor hun activiteiten via phishingaanvallen en identiteitsdiefstal of de aankoop van gegevens van gestolen creditcards op onlinefora;

D.  overwegende dat deze financiering op drie manieren kan worden gebruikt: voor terroristische aanslagen waarvoor een aanzienlijke inbreng van geldmiddelen is vereist, voor andere aanslagen die weliswaar een even gruwelijk effect hebben, maar waarvoor minder geld is vereist, en voor de financiering van propaganda die eenlingen kan aanzetten tot het plegen van een aanslag die zeer weinig voorbereiding of geld vereist; overwegende dat de respons in al deze gevallen doeltreffend dient te zijn;

E.  overwegende dat op wettige wijze verkregen fondsen door de ontvanger kunnen worden doorgesluisd naar derde partijen, individuen, groepen, bedrijven of entiteiten die betrokken zijn bij terroristische activiteiten;

F.  overwegende dat terrorisme een grensoverschrijdend misdrijf is en een doeltreffende respons daarom eveneens grensoverschrijdend en holistisch dient te zijn, waarbij coördinatie tussen financiële instellingen, rechtshandhavingsdiensten en rechterlijke instanties en de uitwisseling van relevante informatie over natuurlijke en rechtspersonen en verdachte activiteiten van essentieel belang zijn, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van privacy belangrijke grondrechten zijn;

G.  overwegende dat het bewustzijn ten aanzien van het verband tussen witwassen van geld en belastingontduiking enerzijds en georganiseerde misdaad en terrorismefinanciering anderzijds aanzienlijk is toegenomen als gevolg van gegevenslekken in de afgelopen jaren, en dat deze kwesties veel internationale politieke aandacht hebben gekregen; overwegende dat, zoals erkend door de Commissie, in recente mediaberichten ook een verband is gelegd tussen grootschalige btw- en accijnsfraude en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme(8);

H.  overwegende dat de financiering van terrorisme in bijna alle Europese jurisdicties strafbaar is gesteld als afzonderlijk misdrijf;

I.  overwegende dat financiële gegevens een belangrijk instrument zijn om inlichtingen te verzamelen teneinde terroristische netwerken te analyseren en te analyseren hoe hun activiteiten beter kunnen worden verstoord; overwegende dat een adequate handhaving van wetgeving ter voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme nog steeds noodzakelijk is; overwegende dat voor de bestrijding van de financiering van terrorisme veelomvattende en preventieve strategieën zijn vereist, die zijn gebaseerd op de uitwisseling van basisgegevens en verbeterde coördinatie tussen de financiële-inlichtingeneenheden, inlichtingendiensten en rechtshandhavingsdiensten; overwegende dat deze gegevens veranderende trends in de internationale financiering moeten omvatten, zoals bitmap, SWIFT-codering, cryptovaluta en de desbetreffende reguleringsmechanismen; overwegende dat de wereldwijde aanpak van terrorismefinanciering gepaard moet gaan met wereldwijde normen inzake transparantie ten aanzien van de uiteindelijk begunstigde eigenaren van vennootschapsrechtelijke entiteiten, trusts en soortgelijke regelingen, teneinde licht te werpen op de financiële ondoorzichtigheid die het witwassen van criminele opbrengsten en de financiering van terroristische organisaties en actoren vergemakkelijkt;

J.  overwegende dat het huidige informele Europese platform binnen de bestaande structuren moet worden geformaliseerd, zodat de verzameling van gegevens, die op dit moment verspreid is over de 28 lidstaten, wordt gecentraliseerd, en zodat de lidstaten gegevens kunnen delen over hun mate van betrokkenheid en de vorderingen bij het bestrijden van de financiering van terrorisme; overwegende dat deze gegevensuitwisseling proactief moet zijn;

K.  overwegende dat een aantal internationale non-profitorganisaties, liefdadigheidsinstellingen, andere stichtingen, netwerken en particuliere donoren, die sociale of culturele doelen dienen of beweren te dienen, de basis hebben gelegd voor het financiële vermogen van ISIS/Da'esh, Al Qaida en andere jihadistische organisaties en als dekmantel optreden voor misbruikpraktijken; overwegende dat de observatie van en het verzamelen van inlichtingen over deze organisaties, hun financiers, hun activiteiten en hun banden met actoren in de EU, die vaak zeer uitgebreid zijn, daarom van primair belang zijn; overwegende dat hun steun aan de uitbreiding van het jihadistische radicalisme in Afrika, het Midden-Oosten, Azië en Europa moet worden geblokkeerd; overwegende dat deze expansie aan de EU-grenzen en in de buur- en partnerlanden van de EU bijzonder alarmerend is; overwegende dat de volledige tenuitvoerlegging van de FATF-aanbevelingen op deze gebieden door de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC) en zijn leden van cruciaal belang is voor de bestrijding van wereldwijd terrorisme;

L.  overwegende dat het wereldwijde fondsenwervingsnetwerk van Al Qaida stoelt op donaties aan liefdadigheidsinstellingen en ngo's, die via sociale media en onlinefora communiceren met donoren; overwegende dat er ook accounts zijn gebruikt om aanhangers te vragen om donaties ten behoeve van de jihad; overwegende dat in de afgelopen jaren verschillende apps voor smartphones zijn ontwikkeld door terroristische organisaties om hun bereik te maximaliseren en hun aanhangers, die zich voor het merendeel in de Golfstaten bevinden, aan te zetten tot donaties;

M.  overwegende dat microstaten en staten met een slechte staat van dienst op het gebied van de rechtsstaat bijzonder kwetsbaar zijn en het risico lopen hotspots te worden voor de financiering van terrorisme;

N.  overwegende dat inlichtingen erop duiden dat instellingen en individuen in de Golfstaten financiële en logistieke steun bieden aan ISIS/Da'esh, Al Qaida en andere radicale groeperingen; overwegende dat zonder deze financiering veel van deze terroristische groeperingen niet zelfvoorzienend zouden zijn;

O.  overwegende dat ISIS/Da'esh en Al Qaida financieel zelfvoorzienend zijn geworden; overwegende dat ISIS/Da'esh en Al Qaida pogen hun geld naar Syrië en Irak te sluizen door middel van olie-export en investeringen in bedrijven, onder meer via geldkoeriers en professionele koeriers, onwettige overdracht van middelen en geld- en professionele diensten; overwegende dat ISIS/Da'esh en Al Qaida de opbrengsten van hun criminele activiteiten witwassen door allerlei soorten bedrijven en eigendommen te kopen; overwegende dat ISIS/Da'esh en Al Qaida ook de opbrengsten van gestolen antieke voorwerpen en gesmokkelde kunststukken en -voorwerpen witwassen door ze in het buitenland te verkopen, onder meer op markten in de lidstaten; overwegende dat de illegale handel in o.a. goederen, vuurwapens, olie, drugs, sigaretten en cultuurgoederen, alsmede mensenhandel, slavernij, uitbuiting van kinderen, racketeering en afpersing manieren zijn geworden voor terroristische groeperingen om aan financiële middelen te komen; overwegende dat de toenemende banden tussen de georganiseerde misdaad en terroristische groeperingen een toenemende veiligheidsdreiging voor de Unie vormen; overwegende dat deze bronnen ISIS/Da'esh en Al Qaida in staat zouden kunnen stellen toekomstige criminele activiteiten te blijven financieren na hun territoriale ineenstorting in Syrië en Irak;

P.  overwegende dat in het kader van een reeks internationale verbintenissen op basis van resoluties van de VN-Veiligheidsraad en nationaal recht een internationaal losgeldverbod is ingesteld; overwegende dat het VN-verbod in de praktijk niet wordt gesteund door belangrijke ondertekenaars die prioriteit geven aan de onmiddellijke veiligstelling van levens boven hun verbintenissen ter voorkoming van terrorisme, en zij daarmee de financiering van terroristische organisaties mogelijk maken;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) het volgende aan:

   a) verzoekt de lidstaten en de Commissie het afsnijden van de toegang van terroristische netwerken tot financieringsbronnen aan te merken als kernprioriteit, aangezien het een doeltreffend instrument is om de slagkracht van die netwerken te belemmeren; is van oordeel dat preventiestrategieën middels het delen van beste praktijken en de uitwisseling van verdachte en relevante gegevens tussen de inlichtingendiensten van essentieel belang zijn voor de bestrijding van de financiering van terrorisme en, meer in het algemeen, terroristische aanslagen; roept de inlichtingendiensten van de lidstaten daarom op een betere coördinatie en samenwerking tot stand te brengen door een stabiel Europees financiële-inlichtingenplatform voor terrorismebestrijding op te richten binnen het kader van de bestaande structuren (zoals Europol) om de oprichting van nog een agentschap te vermijden, dat bijzondere aandacht besteedt aan de proactieve uitwisseling van gegevens inzake financiële steun voor terroristische netwerken; is van mening dat middels een dergelijk platform een gemeenschappelijke databank zou worden gecreëerd die gegevens bevat van natuurlijke en rechtspersonen en verdachte transacties; benadrukt dat hoogwaardige gegevens die door een nationaal veiligheidsagentschap worden verzameld snel na vastlegging moeten worden doorgegeven aan het centrale systeem, dat gegevens van onderdanen van derde landen moet kunnen bevatten, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijke effecten op de grondrechten en met name het recht op de bescherming van persoonsgegevens en het beginsel van doelbinding; onderstreept dat de bedoelde informatie onder meer een register van banken, financiële instellingen en commerciële entiteiten binnen en buiten Europa zou moeten bevatten, evenals van derde landen waar bepaalde maatregelen ter bestrijding van de financiering van terrorisme ontbreken; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een dergelijk register op te stellen op basis van haar eigen criteria en analyse overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849; herhaalt dat degenen die direct of indirect verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren, organiseren of ondersteunen van terroristische handelingen aansprakelijk moeten worden gesteld voor hun daden;
   b) verzoekt de Europese landen, zowel de EU-lidstaten als derde landen, middelen ter beschikking te stellen voor programma's voor de uitwisseling van goede praktijken tussen hun inlichtingendiensten, onder meer op het gebied van onderzoek naar en analyse van de methoden voor rekrutering en geldoverdracht van terroristen en terroristische organisaties; beveelt aan om per kwartaal een beoordeling van de openbare dreiging te publiceren waarin de door Europol en het Inlichtingen- en situatiecentrum van de EU (IntCen) verzamelde inlichtingen en gegevens worden gecombineerd; verzoekt de lidstaten de inlichtingendiensten te voorzien van voldoende financiële en personele middelen;
   c) benadrukt hoe belangrijk het is, zoals ook de Financiële-actiegroep (FATF) – die een strategie ter bestrijding van terrorismefinanciering heeft ontwikkeld – nogmaals heeft aangegeven, dat informatie beter en sneller wordt gedeeld tussen de financiële-inlichtingeneenheden onderling en tussen de financiële-inlichtingeneenheden en veiligheidstroepen, rechtshandhavingsdiensten en inlichtingendiensten binnen hun eigen rechtsgebieden, tussen verschillende rechtsgebieden alsook met de privésector, in het bijzonder het bankwezen;
   d) is ingenomen met de betrokkenheid van de GCC bij de FATF; verzoekt de Commissie en de EDEO de partners van de EU, met name de GCC en zijn lidstaten, actief aan te sporen de FATF-aanbevelingen volledig ten uitvoer te leggen bij de aanpak van tekortkomingen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, en technische bijstand te verlenen om de vooruitgang op deze gebieden te bevorderen;
   e) verzoekt de VV/HV de inspanningen van de FATF te ondersteunen en prioriteit te verlenen aan de bestrijding van terrorismefinanciering, met name door VN-lidstaten met strategische tekortkomingen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering te identificeren en met die staten samen te werken;
   f) roept op tot versterking van de samenwerking tussen Europol en de belangrijkste strategische partners van de EU die een belangrijke rol spelen in de wereldwijde bestrijding van terrorisme; meent dat nauwere samenwerking het mogelijk zou maken de financiële harten van het terrorisme gemakkelijker op te sporen, te bestrijden en het ontstaan ervan te voorkomen; verzoekt de lidstaten beter gebruik te maken van het informele netwerk van Europese financiële-inlichtingeneenheden (FIU.net), op basis van het door Europol verrichte werk, door de vijfde antiwitwasrichtlijn ten uitvoer te leggen en regelgevende maatregelen aan te nemen voor het aanpakken van andere kwesties die voortvloeien uit de verschillen in status en bevoegdheden tussen de financiële-inlichtingeneenheden, met name met het oog op een vlottere coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de financiële-inlichtingeneenheden onderling en tussen deze eenheden enerzijds en rechtshandhavingsinstanties anderzijds, teneinde deze informatie te delen met het Europees inlichtingenplatform voor terrorismebestrijding;
   g) herinnert eraan dat een versterkte politieke dialoog, meer financiële bijstand en ondersteuning van de opbouw van capaciteiten voor terrorismebestrijding van de EU-partners die zich in de frontlinie van de strijd tegen terrorisme bevinden van het grootste belang zijn;
   h) verzoekt de lidstaten verdachte organisaties die betrokken zijn bij dit soort activiteiten, zoals illegale handel, smokkel, namaak en frauduleuze praktijken uitgebreider na te sporen door met Europol gezamenlijke onderzoeksteams op te zetten, en rechtshandhavingsdiensten eenvoudiger toegang te verschaffen tot gegevens van verdachte transacties, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en het recht op privacy; verzoekt de lidstaten met het oog hierop onderzoekers meer opleiding en specialisatie te bieden; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van opleidingsprogramma's voor rechtshandhavingsinstanties en justitiële autoriteiten in de lidstaten te ondersteunen en naar behoren te financieren;
   i) verzoekt de lidstaten en de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang en de genomen maatregelen inzake de bestrijding van terrorismefinanciering, en meer precies de inspanningen die zijn geleverd om de financiering van ISIS/Da'esh en Al Qaida te belemmeren; herinnert eraan dat sommige lidstaten meer dan andere hebben geïnvesteerd in de aanpak van terrorismefinanciering en dat de beste respons dan ook meer informatie-uitwisseling is, met name over de doeltreffendheid van de reeds genomen maatregelen;
   j) is verheugd over het voorstel van de Commissie om bankrekeningenregisters op te zetten en de toegang daartoe van financiële-inlichtingeneenheden en andere bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de bestrijding van witwassen van geld en de financiering van terrorisme, te vergemakkelijken; merkt op dat de Commissie binnenkort met een initiatief komt om rechtshandhavingsdiensten bredere toegang tot de registers te bieden; onderstreept de noodzaak om bij de uitwisseling van bankrekeninginformatie de regels inzake politiële en justitiële samenwerking in acht te nemen, met name in het kader van strafzaken; verzoekt in dit verband de lidstaten die Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken nog niet hebben omgezet dit zo spoedig mogelijk te doen;
   k) verzoekt de lidstaten de nodige wetgevingsmaatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat banken vooruitbetaalde debetkaarten uitdrukkelijk controleren, zodat deze slechts kunnen worden aangevuld middels bankoverschrijvingen vanaf tot personen herleidbare bankrekeningen; benadrukt het belang van het traceren van de herkomst van transacties zodat de inlichtingendiensten kunnen bepalen of een transactie een hoog risico heeft om te worden gebruikt voor terroristische of andere ernstige misdrijven; verzoekt de lidstaten voorts de nodige voorzieningen te treffen om het openen van een bankrekening voor iedereen die zich op hun grondgebied bevindt zo gemakkelijk mogelijk te maken;
   l) benadrukt dat er een einde moet worden gemaakt aan het witwassen van geld en belastingontwijking en -ontduiking via allerlei fiscale paradijzen, die een rol kunnen spelen in de financiering van terroristische netwerken; verzoekt de lidstaten in dit verband belastingontduiking te bestrijden en dringt er bij de Commissie op aan maatregelen voor te stellen en uit te voeren om nauw toezicht te kunnen houden op geldstromen en belastingparadijzen;
   m) neemt nota van het succes van de samenwerking met de VS en andere partners en van het nut van de informatie die is verkregen in het kader van de overeenkomst tussen de EU en de VS inzake het delen van informatie van het Terrorism Financing Tracking Program (TFTP) van de VS; verzoekt de Commissie de instelling van een specifiek Europees systeem op dit gebied voor te stellen ter aanvulling van het huidige kader en om de huidige leemten te dichten, in het bijzonder met betrekking tot de gemeenschappelijke betalingsruimte voor de euro (SEPA), hierbij rekening houdend met het evenwicht tussen veiligheid en individuele vrijheden; herinnert eraan dat op dit intracommunautaire systeem de Europese gegevensbeschermingsnormen van toepassing zouden zijn;
   n) verzoekt de VV/HV en de lidstaten in samenwerking met de EU-coördinator voor terrorismebestrijding een lijst op te stellen met personen en entiteiten die opereren onder weinig transparante regimes met een hoog percentage verdachte financiële activiteiten indien aanwijzingen bestaan dat de desbetreffende autoriteiten hebben verzuimd om op te treden, met name wanneer ze gelieerd zijn aan jihadistisch radicalisme; verzoekt de VV/HV en de lidstaten in de betrekkingen met een staat rekening te houden met de betrokkenheid van die staat bij de financiering van terrorisme;
   o) verzoekt de Raad van de Europese Unie meer gerichte sancties en andere beperkende maatregelen op te leggen aan alle personen en entiteiten die op welke wijze dan ook economische middelen ter beschikking stellen van ISIS/Da'esh, Al Qaida of andere jihadistische groeperingen; verzoekt om de bevriezing van de tegoeden, andere financiële activa en economische middelen van deze personen, groepen, ondernemingen en entiteiten (met inbegrip van tegoeden verkregen uit goederen waarvan de eigendom of waarover de zeggenschap rechtstreeks of indirect bij hen, of bij personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, berust); is verheugd over de instelling van het comité van de VN-Veiligheidsraad belast met het toezicht op de oplegging van sancties; merkt op dat alle lidstaten krachtens resolutie 2253(2015) van de VN-Veiligheidsraad verplicht zijn snel op te treden wanneer geldmiddelen of financiële activa van ISIS/Da'esh, Al Qaida en daaraan gelieerde personen, groepen, ondernemingen en entiteiten moeten worden geblokkeerd; verzoekt de VV/HV zich te scharen achter de oproep van de VN-Veiligheidsraad aan de VN-lidstaten om krachtige en resolute inspanningen te leveren om de stroom aan fondsen en andere financiële activa en economische middelen naar personen en entiteiten op de sanctielijst met betrekking tot ISIS/Da'esh en Al Qaida, af te snijden;
   p) verzoekt de EU-lidstaten om de instelling van een controle- en verrekeningssysteem voor opgave door gebedsplaatsen en onderwijsinstellingen, instituten, centra, liefdadigheidsinstellingen, culturele verenigingen of gelijksoortige entiteiten van de manier waarop zij de fondsen die zij van zowel buiten als binnen de EU ontvangen, verdelen, indien wordt vermoed dat zij banden hebben met terroristische groeperingen, alsook om de centralisatie in een databank van alle transacties die door transactiekantoren worden uitgevoerd, met toepassing van alle relevante waarborgen; roept op tot invoering van een verplichte controle vooraf van de oorsprong van het geld en van de bestemming in het geval van charitatieve giften wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er sprake is van banden met terrorisme, om kwaadwillige en ongewenste distributie voor terroristische doeleinden te voorkomen; dringt erop aan in het kader van specifieke programma's tegen islamofobie maatregelen te nemen om de toename van haatmisdrijven en aanvallen op moslims of andere racistische en xenofobe aanvallen om godsdienstige of etnische redenen te vermijden;
   q) verzoekt de lidstaten meer toezicht te houden op en regels vast te stellen voor traditionele vormen van geldoverdracht (zoals de hawala of de Chinese fei ch'ien) en informele systemen voor waardeoverdracht via de lopende procedure voor de aanneming van een verordening betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten (2016/0413(COD)), en het verplicht te stellen voor tussenpersonen die de transacties verrichten om iedere significante transactie die middels dit systeem plaatsvindt, op te geven bij de desbetreffende autoriteiten, waarbij de groepen die te maken krijgen met deze maatregelen erop worden gewezen dat hiermee niet wordt beoogd traditionele transacties binnen de familiekring te vervolgen, maar het geldverkeer van de georganiseerde misdaad, terroristische organisaties en industrieel/commercieel gewin uit zwart geld; roept er in dit verband toe op om:
   (i) verplicht te stellen dat iedere tussenpersoon en/of persoon die deelneemt aan dergelijke activiteiten (personen die de transactie regelen of het geld wisselen, tussenpersonen en regelaars, coördinatoren, personen die het geld ontvangen of verzenden/overmaken) zich bij de in het desbetreffende land bevoegde autoriteit laat registreren;
   (ii) verplicht te stellen dat iedere transactie wordt gemeld en gedocumenteerd op een manier die de uitwisseling van gegevens op verzoek vergemakkelijkt;
   (iii) afschrikkende straffen in te voeren voor de tussenpersoon en/of personen die participeren in niet-gemelde transacties;
   r) doet een beroep op de Commissie om wetgeving voor te stellen waarmee alle elektronische financiële transacties en bedrijven die elektronisch geld creëren, met inbegrip van tussenpersonen, beter kunnen worden gecontroleerd, teneinde te voorkomen dat fondsen worden omgezet door gebruikers die zich niet volledig kunnen identificeren, zoals het geval kan zijn als zij gebruikmaken van openbare netwerken of anonieme browsers; benadrukt in dit verband dat de omwisseling van cryptovaluta naar reëel geld en vice versa uitsluitend mag plaatsvinden via een identificeerbare bankrekening; verzoekt de Commissie te beoordelen welke implicaties e-gamingactiviteiten, virtuele valuta, cryptovaluta, blokketen- en FinTech-technologieën met zich meebrengen voor de financiering van terrorisme; verzoekt de Commissie bovendien om mogelijke maatregelen te overwegen, waaronder wetgeving om een regelgevingskader voor deze activiteiten tot stand te brengen om de instrumenten voor de financiering van terrorisme te beperken;
   s) verzoekt de Commissie en de lidstaten meer toezicht te houden op de regulering en controle van de handel in goud, edelstenen en edelmetalen, om te voorkomen dat deze goederen worden gebruikt voor de financiering van terroristische activiteiten; verzoekt om de vaststelling van criteria die door de lidstaten zijn overeengekomen en worden nageleefd; verzoekt de Commissie en de lidstaten al het handelsverkeer (uitvoer en invoer) met door jihadisten gecontroleerde gebieden te verbieden en te bestraffen, met uitzondering van de humanitaire-hulpgoederen waar de onderdrukte bevolking behoefte aan heeft; roept op tot de vervolging en bestraffing van eenieder (natuurlijke en rechtspersonen) die door onvoorzichtig handelen of te kwader trouw in welke vorm dan ook (waaronder aankoop, verkoop, distributie en bemiddeling) deelneemt aan de genoemde handel; wijst op het specifieke risico dat geld- of waardeoverdrachtsdiensten worden gebruikt voor de financiering van terrorisme; verzoekt de lidstaten het partnerschap en de samenwerking tussen aanbieders van geld- of waardeoverdrachtsdiensten en Europese rechtshandhavingsdiensten te versterken en richtsnoeren op te stellen om specifieke belemmeringen die het delen van informatie over verdachte transacties verhinderen, in kaart te brengen en aan te pakken;
   t) is ingenomen met het voorstel voor een verordening betreffende de invoer van cultuurgoederen en wijst op het belang ervan voor de aanpak van de illegale invoer van deze goederen met het oog op de financiering van terrorisme; verzoekt de Commissie een traceerbaarheidscertificaat te introduceren voor kunstvoorwerpen en antiquiteiten die op de EU-markt worden ingevoerd, met name voor goederen die afkomstig zijn uit gebieden of plaatsen onder heerschappij van gewapende niet-gouvernementele actoren, ofwel van organisaties, groeperingen of individuen die op de EU-terreurlijst staan; verzoekt de Commissie nauwer samen te werken met internationale organisaties zoals de VN, Unesco, Interpol, de Werelddouaneorganisatie en de Internationale Museumraad om de strijd op te voeren tegen de illegale handel in cultuurgoederen die wordt gebruikt om terrorisme te financieren; verzoekt de lidstaten politie-eenheden op te zetten die gespecialiseerd zijn in de handel in cultuurgoederen en de coördinatie hiervan tussen de lidstaten te bevorderen; verzoekt de lidstaten bedrijven die kunst verhandelen te verplichten iedere verdachte transactie te melden, en de verantwoordelijken van bedrijven die zich bezighouden met handel in kunstvoorwerpen en antiquiteiten en betrokken raken bij illegale handel in dit soort goederen doeltreffende, evenredige en ontmoedigende sancties op te leggen – of zelfs in voorkomende gevallen strafrechtelijk te vervolgen – omdat zij uit nalatigheid terroristische activiteiten financieren; verzoekt de Commissie om de steun aan derde landen, en met name buurlanden, te versterken in hun strijd tegen misdaad en mensenhandel als financieringsbron voor terrorisme;
   u) verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de herkomst, het vervoer en de tussenhandel in grondstoffen transparanter te maken, met name voor petrochemische stoffen, teneinde de traceerbaarheid te verbeteren en een einde te maken aan de onbewuste financiering van terroristische organisaties;
   v) verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is de toepasselijke verordeningen en richtlijnen zo te herzien dat financiële instellingen bij verdachte transacties van kleine en grote bedragen naar de reden van de transactie moeten vragen, om zo de betaling van losgeld aan terroristische organisaties tegen te gaan; verzoekt de lidstaten preventieve maatregelen te nemen gericht op de in risicozones aanwezige marktdeelnemers, teneinde hen te helpen bij het uitoefenen van hun activiteiten;
   w) dringt er bij de EDEO op aan voor de nieuwe GVDB-missie in Irak een specialist op het gebied van financiële inlichtingen aan te stellen die de Iraakse regering ondersteuning biedt bij het voorkomen dat financiële middelen en bezittingen van ISIS/Da'esh en Al Qaida aan het land worden onttrokken en tevens de Iraakse autoriteiten helpt bij het ontwikkelen van programma's ter bestrijding van het witwassen van geld;
   x) verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in het kader van hun dialogen met derde partnerlanden over de bestrijding van terrorisme, hun inspanningen te concentreren op politiële en justitiële samenwerking, evenals op de uitwisseling van gegevens en goede praktijken om op wereldniveau de synergie op het gebied van de bestrijding van terrorisme te versterken;
   y) is ingenomen met de oprichting van een netwerk van antiterrorismedeskundigen in de EU-delegaties; roept op tot de versterking van dit netwerk en tot de uitbreiding ervan naar meer regio's, met name de Hoorn van Afrika en Zuidoost-Azië; wijst op het belang van de opname van antiterrorismedoelen in het mandaat van de GVDB-missies en -operaties van de EU, met name in Libië, de Sahel, de Hoorn van Afrika en het Midden-Oosten; dringt er bij de EDEO op aan een specialist op het gebied van financiële inlichtingen aan te stellen bij zijn GVDB-missies in landen waar zich mogelijk terroristische vrijplaatsen bevinden en de Sahel, en op doeltreffende wijze een nauwe samenwerking met de plaatselijke regeringen tot stand te brengen;
   z) verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om derde partnerlanden aan te zetten tot de ondertekening en ratificatie van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme van 1999, waarin een aantal beginselen en normen zijn vastgelegd voor de uitbanning van de financiering van terrorisme, evenals om dit verdrag op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen;
   aa) benadrukt dat het aanpakken en verlichten van sociaal-economische problemen, het bevorderen van levensvatbare staten en het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten essentieel zijn om de voedingsbodem voor ISIS/Da'esh, Al Qaida en andere jihadistische groeperingen te verkleinen, onder meer wat betreft hun mate van financiële autonomie;
   ab) dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan de samenwerking te versterken met landen waar zich de opbrengsten bevinden die verkregen zijn uit drugshandel, mensenhandel of handel in goederen en met landen van herkomst van illegale sigaretten, zodat die in beslag kunnen worden genomen;
   ac) dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan op de internationale fora initiatieven te ontplooien om de transparantie met betrekking tot bedrijfseigendom te verbeteren door openbare registers van rechtspersonen, waaronder bedrijven, trusts en stichtingen, op te zetten, alsook een centraal register van bankrekeningen, financiële instrumenten, onroerend goed, levensverzekeringscontracten en andere desbetreffende activa die mogelijk worden misbruikt om geld wit te wassen en terrorisme te financieren;
   ad) verzoekt de Raad en de Commissie een mechanisme in te stellen en ten uitvoer te leggen om het Parlement jaarlijks een benchmarkverslag voor te leggen over de door de lidstaten en de Commissie genomen maatregelen tegen terrorismefinanciering;
   ae) dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan onze buitenlandse partners te ondersteunen bij hun binnenlandse inspanningen om geldstromen van particulieren naar organisaties die hulp en middelen zouden verstrekken aan terroristen een halt toe te roepen;
   af) dringt er bij de lidstaten op aan de door de Commissie voorgestelde btw-hervormingsvoorstellen spoedig aan te nemen, teneinde te voorkomen dat criminele organisaties de hiaten in het Europese btw-stelsel benutten om terrorisme en andere criminele activiteiten te financieren;
   ag) is tevreden met het voorstel van de Commissie voor een verordening over wederzijdse erkenning van bevelen tot bevriezing en inbeslagneming;
   ah) herhaalt zijn standpunt dat het bestrijden en verslaan van ISIS/Da'esh, Al Qaida en andere jihadistische groeperingen met financiële, militaire en ideologische middelen bovenaan de veiligheids- en defensieagenda moet blijven staan; verzoekt de EDEO zijn diplomatieke betrekkingen met de staten in de regio te benutten om dit gemeenschappelijke belang van de EU en de regionale actoren te benadrukken;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, en de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0422.
(2) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 55.
(3) PB L 169 van 8.7.2003, blz. 6.
(4) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(5) PB L 132 van 29.5.2015, blz. 1.
(6) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(7) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(8) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-17-3441_en.htm;https:/www.euractiv.com/section/economy-jobs/news/eu-targets-terror-financing-with-vat-fraud-crackdown/


EU-prioriteiten voor de 62e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw
PDF 270kWORD 58k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 1 maart 2018 over de EU‑prioriteiten voor de 62e zitting van de VN-commissie voor de status van vrouwen (2017/2194(INI))
P8_TA(2018)0060A8-0022/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de 62e zitting van de VN-commissie voor de status van vrouwen, haar prioritaire thema "uitdagingen en kansen bij het verwezenlijken van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes op het platteland" en haar evaluatiethema "deelname van vrouwen aan en toegang van vrouwen tot media en informatie- en communicatietechnologieën, en het effect en gebruik ervan als een instrument voor de bevordering van de positie van de vrouw",

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de Verklaring en het Actieprogramma van Peking voor de versterking van de positie van de vrouw en de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de tenuitvoerlegging van de Verklaring en het Actieprogramma van Peking die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking+5, +10, +15 en +20, respectievelijk op 9 juni 2000, 11 maart 2005, 2 maart 2010 en 9 maart 2015 werden aangenomen,

–  gezien artikel 157, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de bevordering van gendergelijkheid in de geestelijke gezondheid en het klinisch onderzoek(3),

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden(4),

–  gezien de VN-resolutie "Onze wereld transformeren: de 2030-Agenda voor duurzame ontwikkeling", die op 25 september 2015 werd goedgekeurd op de VN-wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te New York,

–  gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(5),

–  gezien het VN-verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien algemene aanbeveling nr. 34 (2016) van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen inzake de rechten van vrouwen op het platteland,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en zijn resolutie van 12 september 2017(6) over de toetreding van de EU tot dit verdrag,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs van 12 december 2015,

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0022/2018),

A.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een fundamenteel beginsel van de Unie is dat in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt erkend;

B.  overwegende dat met de vijfde duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG5) wordt beoogd overal ter wereld gendergelijkheid en versterking van de positie van alle vrouwen en meisjes te bereiken, en dat SDG5 volledig moet worden geïntegreerd in de Agenda 2030 om vooruitgang te boeken met alle doelstellingen en streefcijfers voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat in de SDG's de doelstelling is vastgelegd om de landbouwproductiviteit en het inkomen van kleine voedselproducenten, met name vrouwen, te verdubbelen;

C.  overwegende dat de Unie en haar lidstaten een voortrekkersrol moeten vervullen bij het versterken van de positie van vrouwen en meisjes en de plicht hebben zich in te zetten voor de verwezenlijking van volledige gendergelijkheid in de Unie, en dit doel te bevorderen in alle buitenlandse betrekkingen;

D.  overwegende dat de economische situatie en levensomstandigheden de laatste decennia grondig veranderd zijn en aanzienlijk afwijken tussen de verschillende landen;

E.  overwegende dat de huidige en toekomstige verworvenheden met betrekking tot gendergelijkheid door het uitblijven van overheidsacties op dit vlak in gevaar worden gebracht; overwegende dat het aanpakken van traditionele machtsverhoudingen tussen de seksen, stereotypen en overtuigingen van cruciaal belang is om te bewerkstelligen dat vrouwen een sterkere positie genieten en dat armoede wordt uitgeroeid;

F.  overwegende dat de soms door vrouwen geleden discriminatie ook op het platteland voorkomt; overwegende dat de meerderheid van de vrouwen in de wereld op het platteland woont en daarom een groter risico loopt op meervoudige discriminatie op grond van leeftijd, klasse, etniciteit, ras, handicap en genderidentiteit;

G.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in plattelandsgebieden betrekking heeft op een breed scala aan banen die zich tot ver buiten de conventionele landbouw uitstrekken;

H.  overwegende dat plattelandsvrouwen vaak minder betaald krijgen dan mannen voor hetzelfde werk, en hun werk – zoals onbetaalde zorgtaken – vaak formeel niet erkend wordt en niet tot uitdrukking komt in het aantal vrouwen dat eigenaar van een landbouwbedrijf is; overwegende dat vrouwen echter essentiële actoren zijn voor de verwezenlijking van de economische, ecologische en maatschappelijke transformaties die vereist zijn voor duurzame ontwikkeling;

I.  overwegende dat vrouwen, die vaak de primaire zorgverlener zijn in hun gezin en gemeenschap, te kampen hebben met talloze beperkingen wat betreft de toegang tot kinderopvang en bejaardenzorg, wat ertoe leidt dat vrouwen een onevenredige last dragen en hun integratie op de arbeidsmarkt wordt belemmerd; overwegende dat de verlening van kwaliteitszorg van essentieel belang is voor vrouwen en de evenwicht tussen werk en privéleven bevordert;

J.  overwegende dat vrouwen op het platteland beperkte toegang hebben tot openbare gezondheidsdiensten vanwege beperkte mobiliteit en een gebrekkige toegang tot vervoer of middelen om contact op te nemen met vervoersdiensten (zoals een mobiele telefoon); overwegende dat er behoefte is aan alomvattende gezondheidsdiensten die gericht zijn op het lichamelijk, geestelijk en emotioneel welzijn van vrouwen op het platteland (bijvoorbeeld om gendergerelateerd geweld het hoofd te bieden); overwegende dat toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidsrechten en voorlichting in plattelandsgebieden beperkter is;

K.  overwegende dat het voor de samenleving als geheel essentieel is de bevolking in plattelandsgebieden te handhaven, en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan gebieden met natuurlijke beperkingen, aangezien het behoud van het milieu en het landschap daarvan afhangt;

L.  overwegende dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen genderongelijkheid en milieuschade;

M.  overwegende dat klimaatverandering en de gevolgen daarvan specifieke en onevenredig negatieve gevolgen hebben voor vrouwen en meisjes in plattelandsgebieden; overwegende dat plattelandsvrouwen de overgang naar een duurzamere en ecologisch verantwoorde landbouw kunnen aanjagen en een belangrijke rol kunnen spelen bij het scheppen van groene banen; overwegende dat gelijke toegang voor vrouwelijke landbouwers tot grond en andere productiemiddelen van essentieel belang is voor het bereiken van gendergelijkheid, voedselzekerheid en een doeltreffend klimaatbeleid;

N.  overwegende dat jonge vrouwen in plattelandsgebieden nog altijd met ongelijkheid en talrijke vormen van discriminatie worden geconfronteerd; overwegende dat er maatregelen nodig zijn om daadwerkelijke gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen zodat er meer arbeidsmogelijkheden zijn, met inbegrip van zelfstandig ondernemerschap en in de STEM-sector, die hen in staat stellen op het platteland te blijven en daardoor de generatiewissel te waarborgen, en zo de toekomst van de sector zeker te stellen;

O.  overwegende dat de landbouwsector, waarin vrouwen een belangrijke rol spelen, van cruciaal belang is voor de vitaliteit van de plattelandsgebieden en voor de bevordering van de generatiewissel, de sociale samenhang en de economische groei; overwegende dat de landbouw in veilig, voedzaam en gezond voedsel moet voorzien; overwegende dat de landbouw ook moet bijdragen aan de diversiteit van het landschap, het beperken van de klimaatverandering en het behouden van biodiversiteit en cultureel erfgoed;

P.  overwegende dat voeding een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling en het welzijn van meisjes; overwegende dat slechte voeding leidt tot lichamelijke en geestelijke problemen zoals een verminderde groei, onvruchtbaarheid, lusteloosheid, vermoeidheid en slechte concentratie, waardoor het economische potentieel van vrouwen wordt verminderd en het welzijn van het gezin en de gemeenschap in ruimere zin wordt aangetast;

Q.  overwegende dat plattelandsvrouwen moeten kunnen deelnemen in besluitvormingsorganen in de publieke sfeer; overwegende dat een evenwichtige vertegenwoordiging onontbeerlijk is om gelijkheid te bewerkstelligen;

R.  overwegende dat, voor wat de preventie van arbeidsrisico's betreft, mannen en vrouwen aan verschillende factoren zijn blootgesteld; overwegende bijvoorbeeld dat berekeningen om de schadelijke effecten van chemische stoffen te beoordelen vaak gebaseerd zijn op de lichaamsbouw van mannen, die over het algemeen meer spiermassa hebben, en daarbij zelfs geen rekening wordt gehouden met specifieke aanbevelingen voor zwangere of borstvoeding gevende vrouwen; overwegende dat het derhalve noodzakelijk is verschillende factoren in aanmerking te nemen bij het vaststellen van maatregelen om de gezondheid van vrouwen in de landbouw te waarborgen;

S.  overwegende dat discriminatie ook vrouwen in de mediasector treft; overwegende dat de media een cruciale rol spelen binnen de hele samenleving en het daarom wenselijk is dat vrouwen – die ten minste 50 % van de samenleving vertegenwoordigen – op een eerlijke manier betrokken worden bij het creëren van mediacontent en besluitvorming in mediaorganisaties;

T.  overwegende dat de rol van de mediasector van cruciaal belang is voor de bevordering van gendergelijkheid, aangezien de media niet alleen rolmodellen en gedragsnormen laten zien, maar deze ook vormgeven, waardoor de publieke opinie en cultuur op een significante manier gestalte krijgen;

U.  overwegende dat berichtgeving in de media bijdraagt tot een breed begrip onder alle lagen van de samenleving van de complexiteit van de situaties van vrouwen en mannen;

V.  overwegende dat vrouwen en kinderen, die het grootste deel uitmaken van de vluchtelingen in kampen en de vluchtelingen die onderweg zijn op zoek naar veiligheid, onevenredig zwaar worden getroffen door conflicten;

W.  overwegende dat vrouwen in veel samenlevingen niet in gelijke mate recht hebben op land en eigendom via wettelijke middelen, waardoor de armoede toeneemt en de economische ontwikkeling van vrouwen wordt beperkt;

X.  overwegende dat transvrouwen worden geconfronteerd met onevenredige discriminatie op grond van hun genderidentiteit;

Y.  overwegende dat een betere ondersteuning van de kwestie van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten een randvoorwaarde is voor gendergelijkheid en een sterkere positie van vrouwen;

Z.  overwegende dat vrouwen ten gevolge van de sociale normen met betrekking tot de rol van vrouwen en mannen zich in een veel kwetsbaardere situatie bevinden, voornamelijk met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid, en wanneer er sprake is van schadelijke praktijken zoals genitale verminking of kinder-, tiener- en gedwongen huwelijken;

1.  beveelt de Raad het volgende aan:

Algemene voorwaarden voor het versterken van de positie van vrouwen en meisjes

Versterking van de positie van vrouwen op het platteland

Deelname van vrouwen aan en toegang van vrouwen tot media en informatie- en communicatietechnologieën, en het effect en gebruik ervan als een instrument voor de bevordering van de positie van de vrouw

   (a) zijn niet-aflatende inzet voor het Actieprogramma van Peking nogmaals te bevestigen;
   (b) moeders te ondersteunen die in plattelandsgebieden actief zijn als ondernemer, omdat zij met bijzondere uitdagingen te maken hebben; benadrukt dat het bij de bevordering van het ondernemerschap onder deze vrouwen niet alleen mag gaan om het geslaagd combineren van werk en privéleven, maar ook om het bevorderen van nieuwe arbeidskansen en een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden, en om het aanmoedigen van andere vrouwen om hun eigen project op poten te zetten;
   (c) een einde te maken aan alle vormen van discriminatie tegen alle vrouwen en meisjes overal ter wereld en de strijd aan te gaan met alle vormen van geweld, die ernstige schendingen van hun grondrechten inhouden – schendingen die op hun beurt een rechtstreeks gevolg zijn van deze discriminatie;
   (d) alle regeringen te betrekken bij en op te roepen tot de ontwikkeling van programma's die gericht zijn op de uitbanning van seksueel en gendergerelateerd geweld en schadelijke praktijken, zoals huwelijken op jonge leeftijd, gedwongen huwelijken, genitale verminking bij vrouwen en mensenhandel;
   (e) de lidstaten te verzoeken om genderstereotypen tegen te gaan en te investeren in de toegang van vrouwen en meisjes tot op maat gemaakt onderwijs, een leven lang leren en beroepsopleiding, met name in plattelandsgebieden en in de STEM-sector, alsook tot ondernemerschap en innovatie, aangezien dit belangrijke instrumenten zijn voor de verwezenlijking van de SDG's en de bevordering van gelijkheid in de landbouw- en voedingssector, alsmede in het toerisme en andere bedrijfstakken in plattelandsgebieden;
   (f) beleid te ontwerpen dat gericht is op het uitbannen van armoede en het waarborgen van een toereikende levensstandaard voor bijzonder kwetsbare groepen, waaronder vrouwen en meisjes, met name via socialebeschermingsstelsels;
   (g) voorlichting, maatregelen voor technische bijstand en de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de lidstaten te bevorderen wat betreft de invoering van een beroepsstatus voor meewerkende echtgenotes in de landbouw, die hun individuele rechten toekent zoals met name het recht op moederschapsverlof, sociale bescherming in geval van arbeidsongevallen, toegang tot opleiding en recht op pensioen;
   (h) een einde te maken aan de loonkloof tussen mannen en vrouwen, de levenslange inkomenskloof en de pensioenkloof;
   (i) de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten te verzoeken de universele toegang tot adequate kinderopvang en bejaardenzorg te waarborgen in plattelandsgebieden;
   (j) de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten te verzoeken om te zorgen voor betaalbare, kwaliteitsvolle voorzieningen en openbare en particuliere diensten voor het dagelijks leven, in het bijzonder in plattelandsgebieden en vooral op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en zorg; erop te wijzen dat in dit kader op het platteland behoefte is aan infrastructuur voor kinderopvang, diensten voor gezondheidszorg, onderwijsvoorzieningen, zorginstellingen voor ouderen en andere zorgbehoevenden, diensten voor plaatsvervanging in geval van ziekte of zwangerschap, alsook culturele diensten;
   (k) gendermainstreaming toe te passen, als instrument voor de integratie van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen en de bestrijding van discriminatie, op alle beleidsgebieden en in alle programma's met behulp van voldoende financiële en personele middelen;
   (l) de middelen vrij te maken die nodig zijn om gelijkheid te bewerkstelligen door gendermainstreaming toe te passen, op alle beleidsgebieden en in alle beleidsmaatregelen, onder meer door middel van genderbudgettering, als instrument voor de integratie van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen en de bestrijding van discriminatie;
   (m) de volledige betrokkenheid van het Parlement en zijn Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid te waarborgen bij het besluitvormingsproces met betrekking tot het standpunt van de Unie tijdens de 62e zitting van de VN‑commissie voor de status van vrouwen;
   (n) eraan te herinneren dat bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen de verplichting wordt ingevoerd om directe en indirecte discriminatie van vrouwen op alle gebieden uit te bannen aan de hand van juridische, politieke en beleidsmaatregelen, en dat artikel 14 van het verdrag de enige internationale verplichting is die betrekking heeft op de specifieke behoeften van vrouwen op het platteland;
   (o) ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen op het platteland beschikken over toegankelijk, betaalbaar en hoogwaardig formeel en informeel onderwijs dat ze in staat stelt nieuwe vaardigheden op te doen of bestaande vaardigheden te ontwikkelen op het gebied van management, financiën, economie, marketing en ondernemerschap, alsook over burgerschaps-, civiele en politieke vorming en technische en duurzame landbouwopleidingen; ervoor te zorgen dat vrouwen dezelfde kansen en keuzevrijheid hebben wat betreft de loopbaan die zij willen nastreven;
   (p) ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen op het platteland eenvoudig toegang hebben tot krediet en productiemiddelen, en dat zij steun krijgen voor hun innovatieve en ondernemingsinitiatieven;
   (q) toe te zien op het recht op en de toegang tot kwaliteitsvolle universele gezondheidszorg waarin rekening wordt gehouden met de fysiologische verschillen tussen mannen en vrouwen en die is afgestemd op de behoeften van vrouwen en meisjes op het platteland, met name voor wat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten betreft;
   (r) alle vormen van geweld tegen vrouwen te veroordelen en ervoor te zorgen dat slachtoffers in plattelands- en afgelegen gebieden een gelijke toegang tot hulp niet wordt ontzegd;
   (s) de doeltreffendheid, transparantie en democratische aard te verbeteren van internationale, nationale, regionale en lokale instellingen die de rol van vrouwen op het platteland ondersteunen en versterken door hun aanwezigheid te waarborgen middels gelijke deelname;
   (t) de overgang van vrouwen op het platteland van de informele naar de formele economie te vergemakkelijken en te erkennen dat vrouwen in plattelandsgebieden op verschillende terreinen werkzaam zijn en vaak de drijvende kracht zijn achter verandering in de richting van duurzame en ecologisch verantwoorde landbouw, voedselzekerheid en het scheppen van groene banen;
   (u) klimaatbestendig landbouwbeleid te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, waarin terdege rekening wordt gehouden met de specifieke bedreigingen waarmee vrouwen op het platteland te maken hebben als gevolg van door de mens veroorzaakte of natuurrampen;
   (v) toe te zien op de deelname van vrouwen en meisjes op het platteland aan de besluitvorming over de planning van en reactie op alle fasen van rampen en andere crises, van vroegtijdige waarschuwing tot noodhulp, herstel, rehabilitatie en wederopbouw, en hun bescherming en veiligheid in geval van rampen en andere crises te garanderen;
   (w) alle maatregelen te treffen die vereist zijn om een veilige, schone en gezonde omgeving te garanderen voor vrouwen op het platteland;
   (x) kwaliteitsvolle en toegankelijke infrastructuur en openbare diensten aan te bieden voor vrouwen en gemeenschappen op het platteland en te investeren in de ontwikkeling en het onderhoud ervan;
   (y) digitale ontwikkeling te vergemakkelijken, aangezien zij in belangrijke mate kan bijdragen tot het scheppen van nieuwe banen, de toegang tot zelfstandig ondernemerschap kan vereenvoudigen, het concurrentievermogen en de ontwikkeling van het toerisme kan stimuleren en een beter evenwicht tussen werk en privéleven kan creëren;
   (z) steun te bieden voor de oprichting en lopende activiteiten van lokale groeperingen, die regelmatig bijeen moeten komen om ontwikkelingsgerelateerde problemen en uitdagingen te bespreken en constructieve maatregelen te nemen;
   (aa) de lidstaten, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld te verzoeken de deelname van vrouwen aan besluitvorming en in de bestuursorganen van beroeps-, bedrijfs- en vakbondsverenigingen en -organisaties op het gebied van plattelandsbeleid, gezondheidszorg, onderwijs en landbouw, alsook in beheers- en vertegenwoordigingsorganen, te ondersteunen en te bevorderen door middel van een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen;
   (ab) de actieve rol van vrouwen in plattelandsgebieden en hun bijdrage aan de economie als ondernemers, hoofden van familiebedrijven en bevorderaars van duurzame ontwikkeling te erkennen en te steunen;
   (ac) toe te zien op de eigendomsrechten van vrouwen op het platteland, met name ten aanzien van landbouwbedrijven en erfenis van grond, wat een belangrijk instrument is voor hun economische empowerment en om hen in staat te stellen ten volle deel te nemen aan en te profiteren van plattelandsontwikkeling;
   (ad) de toegang van vrouwen op het platteland tot productiemiddelen, e-platforms, markten, afzetfaciliteiten en financiële diensten te garanderen; lokale, regionale en traditionele markten – met inbegrip van voedselmarkten – te bevorderen, aangezien deze plekken vrouwen gewoonlijk de meeste mogelijkheden bieden om hun producten rechtstreeks te verkopen, wat bevorderlijk is voor hun economische empowerment;
   (ae) de werkgelegenheid van vrouwen in de STEM-sector te bevorderen, met name in functies die bijdragen aan de circulaire economie en de strijd tegen klimaatverandering;
   (af) werkgelegenheidsbeleid, diensten en programma's te ontwikkelen om de precaire situatie aan te pakken van vrouwen op het platteland, die vaak in de informele sector werken en te maken hebben met meervoudige intersectionele discriminatie op grond van geslacht, leeftijd, klasse, religie, etnische afkomst, handicap of genderidentiteit; hulp op maat en ondersteuning te bieden met betrekking tot hun behoeften en belangen;
   (ag) programma's op te zetten om te waarborgen dat vrouwen en hun gezinnen toegang hebben tot universele socialebeschermingsstelsels die van invloed kunnen zijn op hun toekomstige pensioen en zo de pensioenkloof, die vele facetten heeft, kunnen verkleinen;
   (ah) naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen en statistieken op te stellen over de waarden, situaties, omstandigheden en behoeften van vrouwen op het platteland, aan de hand waarvan passend beleid kan worden ontwikkeld; de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden periodiek te monitoren;
   (ai) aan te dringen op de ratificering en tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met inbegrip van artikel 6 over "Vrouwen met een handicap"; de toegankelijkheid van producten, infrastructuren en diensten te waarborgen;
   (aj) de Commissie, de lidstaten, de regionale en lokale overheden op te roepen om betaalbare en kwalitatief hoogwaardige voorzieningen te bieden, alsook gerichte openbare en particuliere diensten voor het dagelijkse leven in plattelandsgebieden, en de nodige voorwaarden te scheppen om het evenwicht tussen werk en privéleven van vrouwen in plattelandsgebieden te verbeteren, met name door te zorgen voor adequate opvangvoorzieningen voor zorgbehoevenden, toegankelijke gezondheidszorg en openbaar vervoer;
   (ak) te benadrukken hoe belangrijk het is waarborgen op te nemen in het EU-beleid inzake de levens- en arbeidsomstandigheden van vrouwen die als seizoenarbeiders in de landbouw worden ingezet, met name wat betreft de noodzaak van sociale bescherming, ziektekostenverzekering en gezondheidszorg; regionale, lokale en nationale autoriteiten en andere instanties aan te moedigen de fundamentele mensenrechten van migrerende en seizoenarbeiders en hun gezinnen te waarborgen, in het bijzonder die van vrouwen en kwetsbare personen, en hun integratie in de lokale gemeenschap te bevorderen;
   (al) te zorgen voor toegang tot betrouwbare en snelle breedbandinternetinfrastructuur en -diensten; te investeren in en te werken aan het gebruik van nieuwe technologieën in plattelandsgebieden en in de landbouw; de belangrijke sociale, psychologische en economische voordelen hiervan te erkennen; aan te dringen op de ontwikkeling van een holistische benadering (het "digitale dorp"); gelijke kansen betreffende toegang tot en opleiding in het gebruik van deze technologieën te bevorderen;
   (am) aandacht te besteden aan de aanwezigheid en vooruitgang van vrouwen in de mediasector en aan niet-stereotiepe mediacontent;
   (an) de publieke mediaorganisaties aan te moedigen hun eigen beleid inzake gelijke kansen vast te stellen en zo te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de besluitvormingsorganen;
   (ao) erop toe te zien dat de toenemende seksualiserende afbeelding van vrouwen en meisjes in de media doeltreffend wordt bestreden, met gepaste eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting;
   (ap) mediaorganisaties aan te sporen tot het vermijden van procedures van een organisatiecultuur die vaak niet bevorderlijk is voor het evenwicht tussen werk en privéleven;
   (aq) de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de mediasector aan te pakken door middel van antidiscriminatiemaatregelen die gelijke beloning voor gelijk werk van vrouwen en mannen garanderen;
   (ar) alle nodige maatregelen te treffen tegen uitingen van geweld tegen onderzoeksjournalisten, met bijzondere aandacht voor vrouwelijke journalisten, die vaak kwetsbaarder zijn;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie.

(1) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 182.
(2) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 25.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0028.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0099.
(5) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0329.

Juridische mededeling