Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 14 maart 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Richtsnoeren voor het kader van de toekomstige betrekkingen EU-VK
 Statistieken van het spoorvervoer ***I
 Benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank
 Maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle ***I
 Verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië ***I
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/008 DE/Goodyear
 Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020
 Hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie
 Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2018
 Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018

Richtsnoeren voor het kader van de toekomstige betrekkingen EU-VK
PDF 220kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK (2018/2573(RSP))
P8_TA(2018)0069B8-0135/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken(1), en zijn resoluties van 3 oktober 2017(2) en 13 december 2017(3) over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarin de richtsnoeren zijn vastgelegd voor de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien het gezamenlijk verslag van de onderhandelaars van de Europese Unie en de regering van het Verenigd Koninkrijk van 8 december 2017 over de voortgang gedurende fase 1 van de onderhandelingen uit hoofde van artikel 50 VEU met betrekking tot de ordelijke terugtrekking van het Verenigd koninkrijk uit de Europese Unie, en het ontwerpterugtrekkingsakkoord van de Commissie van 28 februari 2018,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 15 december 2017 en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 29 januari 2018 tot aanvulling van het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarbij toestemming wordt verleend voor de start van onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het doel van de onderhandelingen tussen de Europese Unie (EU) en het Verenigd Koninkrijk (VK) op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is te zorgen voor een ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU;

B.  overwegende dat in artikel 50 VEU wordt bepaald dat bij de voorwaarden voor de terugtrekking van het VK ook rekening moet worden gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van het VK met de Unie;

C.  overwegende dat, nu in december 2017 voldoende vooruitgang is geboekt in de onderhandelingen over afzonderlijke kwesties in verband met de scheiding, het passend is vanaf nu te onderhandelen over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, op voorwaarde dat er evenredige vooruitgang is in de onderhandelingen over het ontwerpterugtrekkingsakkoord van de Commissie;

D.  overwegende dat deze onderhandelingen pas kunnen beginnen zodra de hoofdonderhandelaar van de EU van de EU-instellingen een mandaat heeft gekregen om ze te starten;

E.  overwegende dat elk akkoord over een kader van toekomstige betrekkingen zal worden behandeld als integrerend onderdeel van de algehele terugtrekkingsregeling en door het Europees Parlement zal worden gebruikt bij zijn beraadslagingen tijdens de goedkeuringsprocedure;

F.  overwegende dat het in het belang is van alle partijen dat het kader van de toekomstige betrekkingen zo gedetailleerd mogelijk is;

G.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk na de terugtrekking een derde land zal worden, ongeacht het kader dat voor zijn toekomstige betrekkingen met de EU wordt overeengekomen;

H.  overwegende dat, naast de elementen in de kennisgeving van het VK van 29 maart 2017 dat het voornemens is zich terug te trekken uit de Europese Unie, de premier van het Verenigd Koninkrijk een aantal toespraken heeft gehouden – in Lancaster House op 17 januari 2017, in Firenze op 22 september 2017, in München op 17 februari 2018 en, meest recentelijk, in Mansion House op 2 maart 2018; overwegende dat zij nog geen samenhangende kijk op de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK heeft gepresenteerd;

I.  overwegende dat het VK en de EU naaste buren blijven en veel gemeenschappelijke belangen zullen houden; overwegende dat deze nauwe betrekkingen in de vorm van een associatieovereenkomst tussen de EU en het VK kunnen worden beschouwd als een passend kader van de toekomstige betrekkingen, in het kader waarvan deze gemeenschappelijke belangen, inclusief nieuwe handelsbetrekkingen, kunnen worden beschermd en bevorderd;

J.  overwegende dat een associatieovereenkomst voor de toekomstige betrekkingen als voordeel heeft dat het een flexibel kader biedt dat uiteenlopende graden samenwerking op een brede reeks beleidsterreinen mogelijk maakt; overwegende dat samenwerking vereist dat beide partijen strenge normen handhaven en zich aan hun internationale verplichtingen op een aantal beleidsterreinen houden;

K.  overwegende dat het van cruciaal belang is de akkoorden van de EU met derde landen en internationale organisaties, waaronder de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst) te garanderen;

L.  overwegende dat de EU en het VK, als vertrekkende lidstaat, een dwingende verplichting hebben te zorgen voor een volledige en wederkerige benadering van de bescherming van de rechten van EU-burgers in het VK en van Britse burgers in de EU‑27;

M.  overwegende dat, met het oog op het behoud van het Goede Vrijdag-akkoord van 1998 in al zijn onderdelen en de rechten van de bevolking van Noord-Ierland, het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen moet nakomen om te garanderen dat er geen verharding komt van de grens op het eiland Ierland, hetzij door middel van gedetailleerde voorstellen die worden ingediend in de onderhandelingen over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, in de vorm van specifieke oplossingen voor Noord-Ierland, hetzij door een verdere convergentie van de regelgeving met het acquis van de EU;

N.  overwegende dat een overgangsregeling met een verlenging van het volledige EU‑acquis noodzakelijk zal zijn om een "cliff edge"-scenario (een abrupte beëindiging van de betrekkingen) te voorkomen wanneer het VK de EU verlaat, en om de onderhandelaars van de EU en het VK de mogelijkheid te geven over een overeenkomst inzake de toekomstige betrekkingen te onderhandelen;

O.  overwegende dat het wenselijk is dat de EU-instellingen en de lidstaten samen met openbare en particuliere instellingen aan het werk gaan om zich voor te bereiden op alle situaties die zich als gevolg van de onderhandelingen kunnen voordoen;

P.  overwegende dat de eenheid van de EU-instellingen en -lidstaten van cruciaal belang is om de belangen van de Unie en haar burgers te verdedigen tijdens de volgende fasen van de onderhandelingen, met name met betrekking tot het kader van de toekomstige betrekkingen, maar ook om te zorgen voor een succesvolle en tijdige afsluiting van deze onderhandelingen;

1.  herinnert eraan dat in artikel 50, lid 2, VEU wordt bepaald dat bij het akkoord inzake de voorwaarden voor de terugtrekking van een lidstaat ook rekening moet worden gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van deze staat met de EU;

2.  merkt op dat dit kader van de toekomstige betrekkingen de vorm moet krijgen van een politieke verklaring die gevoegd is bij het terugtrekkingsakkoord; benadrukt dat de inhoud van de verklaring zal worden beoordeeld door het Europees Parlement, wanneer dit wordt gevraagd aan het terugtrekkingsakkoord zijn goedkeuring te verlenen;

3.  herhaalt dat over een internationaal akkoord over de nieuwe betrekkingen tussen de EU en het VK pas formeel kan worden onderhandeld, wanneer het VK de EU heeft verlaten en een derde land is; herinnert eraan dat dit akkoord alleen kan worden gesloten met de volledige betrokkenheid en definitieve instemming van het Europees Parlement;

4.  herinnert eraan dat het Europees Parlement alleen zal instemmen met een kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, als dit kader in strikte overeenstemming is met de volgende beginselen:

   een derde land mag niet dezelfde rechten en voordelen hebben als een lidstaat van de Europese Unie of een lid van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of de EER,
   de integriteit en correcte werking van de interne markt, de douane-unie en de vier vrijheden moeten worden gewaarborgd, zonder dat er ruimte is voor een sectorspecifieke benadering,
   de autonomie van de besluitvorming van de EU moet behouden blijven,
   de rechtsorde van de EU en de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) op dit gebied moeten gewaarborgd zijn,
   de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals met name omschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de bijbehorende protocollen, het Europees Sociaal Handvest, het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en andere internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa, evenals de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, moeten voort geëerbiedigd worden,
   er moet een gelijk speelveld zijn, in het bijzonder met betrekking tot de verdere eerbiediging door het Verenigd Koninkrijk van de normen die zijn vastgesteld bij internationale verplichtingen en de wetgeving en het beleid van de Unie op het gebied van eerlijke en gereguleerde mededinging, inclusief overheidssteun, sociale rechten en de rechten van werknemers, en met name een gelijkwaardig niveau van sociale bescherming en bescherming tegen sociale dumping, milieu, klimaatverandering, bescherming van de consument, volksgezondheid, sanitaire en fytosanitaire maatregelen, gezondheid en welzijn van dieren, belastingen, inclusief de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking, het witwassen van geld, en gegevensbescherming en privacy, samen met een duidelijk handhavingsmechanisme om naleving te garanderen,
   de overeenkomsten van de EU met derde landen en internationale organisaties, met inbegrip van de EER-overeenkomst, moeten gevrijwaard zijn, met behoud van het algemene evenwicht van deze betrekkingen,
   de financiële stabiliteit van de EU en de naleving van haar stelsel en normen inzake regulering en toezicht, alsmede de toepassing hiervan, moeten gegarandeerd zijn,
   er moet een deugdelijk evenwicht zijn van rechten en plichten, inclusief indien nodig evenredige financiële bijdragen;

5.  herinnert eraan dat een associatieovereenkomst die op basis van onderhandelingen tussen de EU en het VK wordt gesloten, na de terugtrekking van het VK overeenkomstig artikel 8 VEU en artikel 217 VWEU, een passend kader voor de toekomstige betrekkingen kan bieden en een coherent bestuurskader kan garanderen, dat een degelijk mechanisme voor geschillenbeslechting moet omvatten, ter voorkoming van een proliferatie van bilaterale overeenkomsten en van de tekortkomingen die kenmerkend zijn voor de betrekkingen van de EU met Zwitserland;

6.  stelt voor dat deze toekomstige betrekkingen gebaseerd zijn op de volgende vier pijlers:

   handel en economische betrekkingen,
   buitenlands beleid, samenwerking op het gebied van veiligheid en ontwikkelingssamenwerking,
   interne veiligheid,
   thematische samenwerking;

Kader voor de toekomstige betrekkingen

7.  merkt op dat, gezien de gedeelde basis van gemeenschappelijke waarden van de EU en het VK, hun nauwe banden en de huidige convergentie van hun regelgeving op zowat alle gebieden, hun geografische nabijheid en gemeenschappelijke geschiedenis, inclusief het Britse lidmaatschap van de EU sinds meer dan 40 jaar, en ook de rol van het VK als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad en lid van de NAVO, het VK een belangrijke partner voor de EU zal blijven in alle vier voornoemde pijlers en het in het belang is van beide partijen om een partnerschap tot stand te brengen dat voortgezette samenwerking garandeert;

8.  merkt evenwel op dat deze samenwerking met het VK als derde land alleen kan plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen in paragraaf 4 van deze resolutie; herinnert eraan dat de EU bindende gemeenschappelijke regels, gemeenschappelijke instellingen en gemeenschappelijk mechanismen voor toezicht, handhaving en scheidsrechterlijke procedures heeft en dat derde landen, zelfs als hun wetgeving identiek of volledig convergerend is, niet dezelfde voordelen of markttoegang kunnen genieten als EU-lidstaten, bijvoorbeeld ten aanzien van de vier vrijheden en de financiële bijdragen uit de EU-begroting;

9.  is van mening dat het akkoord over de toekomstige betrekkingen specifieke bepalingen moet bevatten over het verkeer van burgers van de EU naar het VK en van het VK naar de EU na de overgangsperiode, die minstens in verhouding moeten staan tot de mate van samenwerking in de vier hieronder genoemde pijlers;

10.  herinnert eraan dat het Europees Parlement aan elk toekomstig akkoord tussen de EU en het VK zijn goedkeuring zal moeten hechten; benadrukt dat het onmiddellijk en volledig moet worden geïnformeerd in alle fasen van de procedure, overeenkomstig de artikelen 207, 217 en 218 VWEU en de desbetreffende jurisprudentie;

   (i) Handel en economische betrekkingen

11.  herhaalt dat het Britse lidmaatschap van de interne markt en de douane-unie de beste oplossing zou zijn zowel voor het VK als voor de EU-27 en de enige die kan zorgen voor duurzame vlotte handel en een volledig behoud van de voordelen van onze economische betrekkingen; herinnert eraan dat deelname aan de interne markt volledige naleving vereist van de vier vrijheden en opname van de desbetreffende EU-wetgeving, een gelijk speelveld, inclusief regels inzake mededinging en overheidssteun, bindende jurisprudentie van het HvJ-EU en bijdragen aan de EU-begroting; merkt op dat een douane-unie tarifaire belemmeringen en een aantal douanecontroles wegneemt, maar naleving vereist van het EU-handelsbeleid en een gemeenschappelijke buitengrens; neemt er kennis van dat de regering van het VK nog steeds zowel de interne markt als de douane-unie uitsluit;

12.  merkt op dat in een diepe en brede vrijhandelszone een bindend mechanisme vereist is voor convergentie met het EU-acquis en een bindende rol voor het HvJ-EU bij de uitlegging van het recht van de Unie en geen "cherry-picking" toegestaan is van sectoren van de interne markt;

13.  is van mening dat het huidige Britse standpunt alleen verenigbaar is met een handelsovereenkomst op grond van artikel 207 VWEU, die de handels en de economische pijler kan vormen van een associatieovereenkomst; is bereid om met het VK samen te werken op basis van de andere bovengenoemde modellen, mits het VK de elementen die het onbespreekbaar heeft verklaard, herbekijkt;

14.  herinnert eraan dat alle recente vrijhandelsovereenkomsten gebaseerd zijn op drie belangrijke onderdelen: markttoegang, samenwerking op het gebied van regelgeving, en regels; benadrukt het feit dat, bovenop de beginselen in bovenstaande paragraaf 4:

   het niveau van toegang tot de markt van de EU moet overeenstemmen met de graad van blijvende convergentie met en afstemming op de technische normen en voorschriften van de EU, zonder ruimte voor een sectorspecifieke benadering en met behoud van de integriteit van de interne markt,
   de autonomie van de EU om EU-recht en -normen vast te stellen moet gegarandeerd zijn, evenals de rol van het HvJ-EU als enige instantie die de EU‑wetgeving interpreteert,
   een gelijk speelveld wordt gegarandeerd en de EU-normen worden gewaarborgd om een neerwaartse spiraal en regelgevingsarbitrage door marktdeelnemers te voorkomen,
   regels van oorsprong moeten gebaseerd zijn op de normale preferentiële oorsprongsregels van de EU en de belangen van de EU-producenten,
   over wederzijdse markttoegang moet worden onderhandeld in volledige overeenstemming met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), inclusief voor goederen, diensten, overheidsopdrachten en in voorkomend geval buitenlandse directe investeringen, alsmede alle vormen van dienstverrichting, inclusief de verbintenissen inzake het grensoverschrijdende verkeer van natuurlijke personen (modus 4), en deze toegang moet worden geregeld in volledige overeenstemming met de EU-voorschriften inzake de principes van gelijke behandeling, met name voor werknemers,
   er moet onderhandeld worden over samenwerking op regelgevingsgebied, met bijzondere aandacht voor kmo's en met inachtneming van het vrijwillige karakter van samenwerking op regelgevingsgebied en van het recht op regulering in het algemeen belang, waarbij eraan moet worden herinnerd dat de bepalingen over samenwerking op regelgevingsgebied in een handelsovereenkomst geen perfecte kopie kunnen zijn van de regels die de vlotte handel mogelijk maken die het gevolg is van lidmaatschap van de interne markt;

15.  benadrukt het feit dat met dit akkoord tussen de EU en het VK het kader van de bestaande commerciële betrekkingen tussen de EU en derde landen behouden moet blijven en meeliften moet worden voorkomen door te zorgen voor consistentie, met het behoud van een specifiek systeem van tariefcontingenten en oorsprongsregels voor producten ten aanzien van derde landen;

16.  onderstreept het feit dat in het kader van een vrijhandelsovereenkomst de toegang voor diensten beperkt is en voor deze toegang steeds uitsluitingen, voorbehouden en uitzonderingen gelden;

17.  onderstreept het feit dat vertrek uit de interne markt ertoe zou leiden dat het VK zowel het paspoortrecht voor financiële diensten zou verliezen als de mogelijkheid filialen te openen in de EU onder toezicht van het VK; herinnert eraan dat de EU-wetgeving voorziet in de mogelijkheid om op sommige gebieden de voorschriften van derde landen te beschouwen als gelijkwaardig, op basis van een evenredige en risicogerichte benadering, en neemt kennis van het feit dat momenteel werkzaamheden op wetgevingsgebied worden verricht en dat de Commissie weldra voorstellen op dit gebied zal indienen; benadrukt het feit dat besluiten over gelijkwaardigheid altijd een unilateraal karakter hebben; benadrukt ook het feit dat, om financiële stabiliteit en volledige naleving van de EU-regelgeving en -normen en de toepassing hiervan te garanderen, een prudentiële uitzonderingsbepaling en beperkingen van de grensoverschrijdende verlening van financiële diensten een gebruikelijk kenmerk van vrijhandelsovereenkomsten zijn;

18.  benadrukt het feit dat een overeenkomst tussen de EU en het VK een degelijk mechanisme voor geschillenbeslechting moet omvatten, alsmede bestuursstructuren; benadrukt in verband hiermee het feit dat het HvJ-EU bevoegd is voor het interpreteren van kwesties in verband met het EU-recht;

19.  herinnert eraan dat het actuele standpunt van het VK en de elementen die het momenteel onbespreekbaar acht, zouden leiden tot douanecontroles en verificaties die gevolgen zouden hebben voor de mondiale toeleveringsketens en productieprocessen, zelfs als tarifaire belemmeringen kunnen worden vermeden; onderstreept het feit dat het belangrijk is dat er een hoog niveau van afstemming is tussen de gemeenschappelijke btw-ruimte van de EU en het VK; is van mening dat fiscale aangelegenheden in elk nieuw akkoord tussen het VK en de EU moeten worden opgenomen, om te zorgen voor maximale samenwerking tussen de EU en het VK en de van het VK afhankelijke gebieden op het gebied van vennootschapsbelasting;

20.  herhaalt dat, wat voedingsmiddelen en landbouwproducten betreft, toegang tot de EU‑markt afhankelijk is van strikte naleving van alle EU-recht en -normen, met name op het gebied van voedselveiligheid, ggo's, pesticiden, geografische aanduidingen, dierenwelzijn, etikettering en traceerbaarheid, sanitaire en fytosanitaire normen, en gezondheid van mens, dier en plant;

   (ii) Buitenlands beleid, samenwerking op het gebied van veiligheid en ontwikkelingssamenwerking

21.  merkt op, wat gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid betreft, dat het VK als derde land niet zal kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces van de EU en dat de gemeenschappelijke standpunten en acties van de EU alleen kunnen worden vastgesteld door de EU-lidstaten; wijst er evenwel op dat dit geen overlegmechanismen uitsluit die het VK in staat stellen zich bij de standpunten inzake buitenlands beleid, gezamenlijke acties, met name op het gebied van mensenrechten, of multilaterale samenwerking van de EU aan te sluiten, met name in het kader van de VN, de OVSE en de Raad van Europa; steunt coördinatie met betrekking tot het beleid en de tenuitvoerlegging van sancties, inclusief wapenembargo's en het gemeenschappelijk standpunt over wapenuitvoer;

22.  benadrukt het feit dat dit partnerschap kan worden gesloten in het kader van de deeelnamekaderovereenkomst (DKO) waarmee de rol wordt bepaald van derde landen, om het mogelijk te maken dat het VK deelneemt aan civiele en militaire missies en operaties van de EU (zonder leidende rol voor het VK), programma's en projecten, uitwisseling van inlichtingen, opleiding en uitwisseling van militair personeel, en samenwerking op het gebied van bewapening, inclusief projecten die worden ontwikkeld in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO); onderstreept het feit dat deze deelname geen afbreuk mag doen aan en in overeenstemming moet zijn met de desbetreffende standpunten, besluiten en wetgeving van de EU, inclusief wat overheidsopdrachten en transfers op het gebied van defensie betreft; wijst erop dat deze samenwerking afhankelijk is van volledige naleving van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht en de grondrechten van de EU;

23.  merkt op dat elke samenwerking op bovengenoemde gebieden die het delen omvat van gerubriceerde EU-informatie, met inbegrip van inlichtingen, afhankelijk is van een overeenkomst over veiligheidsinformatie voor de bescherming van gerubriceerde EU‑informatie;

24.  merkt op dat het VK, naar het voorbeeld van andere derde landen waarmee soortgelijke overeenkomsten zijn gesloten, kan deelnemen aan programma's van de Unie ter ondersteuning van defensie en externe veiligheid (zoals het Europees defensiefonds, Galileo en cyberveiligheidsprogramma's); staat open voor de mogelijkheid dat het VK blijft bijdragen aan de externe financieringsinstrumenten van de EU ter verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen, met name in de gemeenschappelijke buurlanden;

25.  merkt op dat het VK een belangrijke speler is op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp en dat de samenwerking tussen de EU en het VK op deze gebieden na de brexit voor beide partijen voordelig zou zijn;

   (iii) Interne veiligheid

26.  benadrukt dat het in het wederzijds belang van de EU en het VK is om een partnerschap tot stand te brengen dat zorgt voor voortgezette samenwerking op veiligheidsgebied, teneinde het hoofd te bieden aan gemeenschappelijke dreigingen, met name terrorisme en georganiseerde misdaad, en voorkomt dat de informatiestromen op dit gebied worden verstoord; merkt op dat derde landen (buiten het Schengengebied) geen bevoorrechte toegang genieten tot EU-instrumenten, waaronder databanken, op dit gebied en evenmin kunnen deelnemen aan het vaststellen van prioriteiten en de ontwikkeling van de meerjarige strategische doelstellingen of belangrijke operationele actieplannen in het kader van de EU-beleidscyclus;

27.  merkt ook op dat, naast het feit dat lopende procedures en onderzoeken waarbij het VK betrokken is, moeten worden beschermd door middel van een overgangsregeling, ook afzonderlijke regelingen zullen moeten worden vastgesteld met het VK als derde land met betrekking tot justitiële samenwerking in strafzaken, onder meer voor uitlevering en wederzijdse rechtshulp, in plaats van de huidige regelingen, zoals het Europees aanhoudingsbevel;

28.  is van mening dat toekomstige samenwerking kan worden ontwikkeld op basis van regelingen voor derde landen buiten het Schengengebied die de uitwisseling van veiligheidsgegevens en operationele samenwerking met EU-organen en mechanismen (zoals Europol en Eurojust) mogelijk maken;

29.  benadrukt het feit dat deze samenwerking rechtszekerheid moet bieden, moet berusten op garanties met betrekking tot de grondrechten als vastgelegd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en een beschermingsniveau moet bieden dat in wezen overeenkomt met dat van het Handvest; benadrukt voorts het feit dat deze samenwerking ten volle de Europese normen inzake gegevensbescherming moet eerbiedigen en gebaseerd moet zijn op effectieve handhaving en geschillenbeslechting; acht het noodzakelijk een oplossing te vinden voor de regulering van de toekomstige gegevensuitwisseling tussen de EU en het VK op het gebied van rechtshandhaving, inlichtingen en terrorismebestrijdingsoperaties; onderstreept het feit dat een adequaatheidsbesluit van de Commissie de voorkeur geniet en de veiligste optie is; herinnert eraan dat het VK in ieder geval moet voorzien in een niveau van gegevensbescherming dat even degelijk is als de gegevensbeschermingsvoorschriften van de Unie;

   (iv) Thematische samenwerking

30.  onderstreept het feit dat de beginselen in bovenstaande paragraaf 4 ook volledig en onvoorwaardelijk van toepassing moeten zijn op toekomstige samenwerking met het VK op een aantal gebieden van gemeenschappelijk belang; onderstreept het feit dat bij deze overeenkomsten een evenwicht moet worden gevonden tussen rechten en plichten dat vergelijkbaar is met het evenwicht in soortgelijke overeenkomsten met andere derde landen, evenwel rekening houdend met de geografische nabijheid en de nauwe banden tussen de EU en het VK;

31.  is van mening dat, in het licht van de hierboven beschreven beginselen en voorwaarden, en in het belang van passagiers, luchtvaartmaatschappijen, fabrikanten en vakbonden, connectiviteit moet worden gegarandeerd door middel van een overeenkomst inzake luchtvervoer en een overeenkomst inzake de veiligheid van de luchtvaart; benadrukt evenwel dat de mate van markttoegang afhankelijk is van de mate van convergentie van de regelgeving en aanpassing aan het EU-acquis, en van de invoering van een degelijk mechanisme voor geschillenbeslechting en arbitrage; sluit bovendien geen toekomstige samenwerking met het VK uit ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang in de vervoerssector;

32.  overweegt met betrekking tot visserij te onderhandelen over een nieuwe vorm van een voor derde landen bestemde bilaterale partnerschapsovereenkomst met het oog op de handhaving van een hoog niveau van samenwerking, coherentie en convergentie, het garanderen van stabiele en blijvende wederzijdse toegang tot de wateren en hulpbronnen overeenkomstig de beginselen en governancevoorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en duurzaam beheer van gedeelde bestanden teneinde de populaties van deze bestanden te herstellen en te handhaven boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren; onderstreept het feit dat gezamenlijk beheer van gedeelde bestanden de voortzetting vereist van de bijdrage van het VK aan de wetenschappelijke beoordeling van deze bestanden; benadrukt evenwel het feit dat over wederzijdse markttoegang voor visserijproducten moet worden onderhandeld in het kader van het toekomstige akkoord, en dat de toegang tot de interne markt van de EU afhankelijk moet zijn van de toegang voor EU-vaartuigen tot de Britse visgronden en de daar aanwezige hulpbronnen, alsmede van de mate van samenwerking bij het beheer van gedeelde bestanden;

33.  onderstreept de waarde van samenwerking op het gebied van cultuur en onderwijs, inclusief leren en de mobiliteit van jongeren, alsmede het feit dat de culturele en creatieve sectoren belangrijk zijn om de EU te helpen hechtere banden aan te knopen met zijn buurlanden, en hoopt op voortzetting van de samenwerking tussen de EU en het VK op die gebieden, inclusief via desbetreffende programma's als Erasmus of Creatief Europa;

34.  kan met betrekking tot samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie deelname overwegen van het VK als derde land aan het kaderprogramma van de EU voor onderzoek en innovatie en aan de ruimtevaartprogramma's van de EU, zonder netto-overdrachten van de EU-begroting naar het VK en zonder een rol voor het VK bij de besluitvorming;

35.  is van mening dat de beste optie voor het milieu, de bestrijding van de klimaatverandering, de volksgezondheid en de voedselveiligheid zou zijn dat het VK volledig bij de bestaande en toekomstige EU-wetgeving blijft aansluiten, inclusief nakoming van de verplichtingen en het nastreven van de doelstellingen voor 2030 die reeds zijn overeengekomen in het kader van het pakket schone lucht en het pakket schone energie van de EU; als dit evenwel niet het geval zou zijn, dringt aan op regelingen tussen de EU en het VK om nauwe samenwerking en strenge normen op deze punten te garanderen en grensoverschrijdende milieuproblemen aan te pakken; benadrukt het feit dat elke samenwerking met de EU-agentschappen op deze gebieden gebaseerd moet zijn op bilaterale overeenkomsten;

36.  kan overwegen soortgelijke regelingen voor derde landen te treffen op het gebied van energie, elektronische communicatie, cyberveiligheid en ICT; is met betrekking tot energie van mening dat bij deze regelingen de integriteit moet worden geëerbiedigd van de interne energiemarkt, moet worden bijdragen aan de continuïteit van de energievoorziening, duurzaamheid en het concurrentievermogen en rekening moet worden gehouden met de interconnectoren tussen de EU en het VK; verwacht dat het VK de strengste normen in acht neemt inzake nucleaire veiligheid, beveiliging en stralingsbescherming, inclusief voor afvaltransport en ontmanteling;

37.  is van mening dat het PEACE-programma van de EU, dat gericht is op het versterken van een vreedzame en stabiele samenleving door het stimuleren van verzoening in Noord-Ierland en de Ierse grensregio, moet worden gehandhaafd met verdere deelname van het VK;

   (v) Governance van het toekomstige akkoord

38.  wijst erop dat elk toekomstig akkoord tussen de EU en het VK met het VK als derde land de instelling moet omvatten van een samenhangend en solide governancesysteem als overkoepelend kader voor de vier pijlers, dat het gezamenlijk permanent toezicht/beheer van het akkoord en mechanismen voor geschillenbeslechting en handhaving met betrekking tot de interpretatie en toepassing van de bepalingen van het akkoord omvat;

39.  wijst erop dat het absoluut noodzakelijk is dat in dit governancesysteem de autonomie van de besluitvorming en de rechtsorde van de EU ten volle behouden blijven, inclusief de rol van het HvJ-EU als enige instantie die het EU-recht interpreteert;

40.  benadrukt het feit dat het ontwerp van de governanceregeling in verhouding moet staan tot de aard, de reikwijdte en de diepgang van de toekomstige betrekkingen en dat er rekening bij moet worden gehouden met het niveau van interconnectie, samenwerking en nabijheid;

41.  is het eens met het idee van de oprichting van een gezamenlijk comité dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering van het akkoord, het aanpakken van verschillen in de interpretatie en het te goeder trouw ten uitvoer leggen van de overeengekomen corrigerende maatregelen, en dat de regelgevingsautonomie van de EU, inclusief de wetgevingsbevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad, ten volle garandeert; benadrukt dat voor de vertegenwoordigers van de EU in dit comité passende mechanismen moeten gelden voor de aflegging van verantwoording, met betrokkenheid van het Europees Parlement;

42.  is van mening dat voor bepalingen op basis van concepten van het Unierecht, in de governanceregeling moet worden voorzien in verwijzing naar het HvJ-EU; herhaalt dat voor de toepassing en uitlegging van andere bepalingen van het akkoord dan die welke betrekking hebben op het recht van de Unie, een alternatief geschillenbeslechtingsmechanisme slechts kan worden overwogen indien dit waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt die gelijkwaardig zijn aan die van het HvJ‑EU;

   (vi) Gelijk speelveld

43.  herinnert eraan dat het VK en de van het VK afhankelijke gebieden de normen moeten blijven naleven en uitvoeren die gelden op grond van zijn internationale verplichtingen en de wetgeving en het beleid van de Unie, met name op de gebieden als bedoeld in bovenstaande paragraaf 4, op een manier die overeenkomt met de breedte en diepgang van de toekomstige betrekkingen; wijst op de voordelen van het behoud van convergentie van de regelgeving op basis van de wetgeving van de Unie;

44.  merkt op dat de breedte en diepgang van het akkoord over een gelijk speelveld van essentieel belang zullen zijn bij het bepalen van de omvang van de algemene toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK; herinnert eraan dat de voortdurende naleving door het VK van het Europees sociaal model hierbij een essentiële rol zal spelen;

45.  is er stellig van overtuigd dat het VK zich moet houden aan de zich ontwikkelende normen op het gebied van belasting en antiwitwaswetgeving binnen het acquis van de Unie, met inbegrip van fiscale transparantie, uitwisseling van informatie in belastingzaken en maatregelen tegen belastingontwijking, en dat het de situatie moet aanpakken van de van het VK afhankelijke gebieden en het feit dat deze de EU-criteria inzake goed bestuur en de EU-vereisten inzake transparantie niet naleven; dringt erop aan toegang tot de douane-unie strikt afhankelijk te stellen van naleving door het VK van de bovengenoemde normen;

46.  herhaalt nogmaals dat waarborgen moeten worden ingevoerd om de handhaving te garanderen zowel van strenge normen als van een gelijk speelveld op het gebied van milieubescherming, bestrijding van de klimaatverandering, voedselveiligheid en volksgezondheid; benadrukt het feit dat toegang tot de rechter en een behoorlijk klachtenmechanisme gegarandeerd moeten worden voor burgers en ngo's met betrekking tot de handhaving van arbeids- en milieunormen;

47.  merkt op dat, net als voor de rest van het akkoord, de bepalingen over een gelijk speelveld degelijke governancestructuren zullen vereisen die een passend beheer en toezicht, alsmede passende mechanismen voor geschillenbeslechting en handhaving moeten omvatten, met indien nodig sancties en voorlopige maatregelen, en met de verplichting voor beide partijen om onafhankelijke instellingen vast te stellen of, in voorkomend geval, te behouden die de uitvoering op effectieve wijze kunnen controleren en handhaven;

   (vii) Mogelijkheid van deelname aan EU-programma's

48.  benadrukt dat de werkwijze voor deelname door het VK aan acties en programma's van de EU zal worden bepaald door de regels die gelden voor derde landen buiten de EER; onderstreept het feit dat deelname door het VK gezamenlijk door de EU moet worden goedgekeurd, met inachtneming van alle toepasselijke regels en mechanismen en alle deelnemingsvoorwaarden, inclusief met betrekking tot financiering, uitvoering, controle en kwijting, zonder mogelijkheid van netto-overdrachten uit de EU-begroting naar het VK;

49.  herinnert eraan dat, als algemene regel, het VK als derde land niet kan deelnemen aan of toegang kan hebben tot EU-agentschappen; merkt evenwel op dat dit geen samenwerking uitsluit in specifieke gevallen, op streng gereguleerde wijze, mits alle toepasselijke voorschriften worden nageleefd en alle toepasselijke financiële bijdragen worden betaald; wijst erop dat in het volgende meerjarig financieel kader rekening zal moeten worden gehouden met de gevolgen van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK;

Terugtrekkingsakkoord

50.  is tevreden met het ontwerpterugtrekkingsakkoord van de Commissie van 28 februari 2018, dat grotendeels overeenstemt met de standpunten van het Parlement; merkt op dat het is opgesteld op basis van het wederzijds overeengekomen gezamenlijk verslag van 8 december 2017 en de EU-standpunten inzake andere kwesties in verband met de scheiding;

51.  is tevreden met de institutionele bepalingen en de mechanismen voor geschillenbeslechting die in het ontwerpterugtrekkingsakkoord zijn opgenomen, inclusief de opschorting van voordelen gedurende de overgangsperiode als bedoeld in artikel 165 van het ontwerpterugtrekkingsakkoord in geval van niet-nakoming van verplichtingen en bepalingen in verband met het terugtrekkingsakkoord;

   (i) Rechten van burgers

52.  is tevreden met de algemene aanpak inzake de rechten van de burgers in het tweede deel van het ontwerpterugtrekkingsakkoord van de Commissie, maar herhaalt dat het aanpakken van alle onopgeloste kwesties met betrekking tot de rechten van burgers en het waarborgen dat de rechten van EU-burgers die legaal verblijven in het Verenigd Koninkrijk en van burgers van het VK die legaal verblijven in de EU‑27 niet beïnvloed worden door de brexit, een van de belangrijkste kwesties zal zijn voor de goedkeuring van het Parlement; steunt de opneming van de verwijzing naar toekomstige echtgenoten; neemt kennis van de bepalingen inzake de administratieve procedures voor het verwerven van de status van permanent ingezetene en dringt erop aan dat gezinnen de procedure moeten kunnen inleiden door middel van een standaardformulier dat een declaratoir karakter heeft en de bewijslast legt bij de autoriteiten van het VK; onderstreept het feit dat het Europees Parlement zal controleren of deze procedures daadwerkelijk worden toegepast en of ze eenvoudig, duidelijk en kosteloos zijn; dringt erop aan dat toekomstige rechten op vrij verkeer in de hele EU voor Britse staatsburgers die momenteel woonachtig zijn in een lidstaat van de EU‑27, worden gewaarborgd, alsmede stemrecht bij de plaatselijke verkiezingen voor alle burgers die onder het ontwerpterugtrekkingsakkoord vallen; dringt tevens aan op een levenslang recht van de EU-burgers die onder het ontwerpterugtrekkingsakkoord vallen om terug te keren naar het VK, bescherming tegen de uitwijzing van burgers met een handicap en hun verzorgers, alsmede bescherming van de procedurele rechten in verband met verwijdering als bedoeld in Richtlijn 2004/38/EG en van de rechten van onderdanen van derde landen als vastgesteld in het EU-recht;

53.  dringt erop aan dat tijdens de overgangsperiode alle EU-burgers die naar het VK gaan, dezelfde rechten genieten als degene die zijn aangekomen voor het begin van de overgangsperiode; verwerpt in verband hiermee het voorstel in het recente beleidsdocument dat is gepubliceerd door de regering van het VK, waarin de discriminatie tussen EU-burgers die aankomen voor het begin van de overgangsperiode en degene die aankomen daarna, behouden wordt;

54.  herhaalt dat vele burgers van het VK zich fel hebben uitgesproken tegen het verlies van de rechten die zij momenteel genieten op grond van artikel 20 VWEU; stelt voor dat de EU-27 onderzoekt hoe dit verlies van rechten tot een minimum kan worden beperkt, binnen de mogelijkheden van het primaire EU-recht, met volledige inachtneming van de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie; neemt kennis van de recente verwijzing naar het HvJ-EU van een zaak die voor een Nederlandse rechter is gebracht betreffende het behoud van de rechten van het EU‑burgerschap voor burgers van het VK na de brexit;

   (ii) Ierland en Noord-Ierland

55.  is ingenomen met het Protocol betreffende Ierland en Noord-Ierland in het ontwerpterugtrekkingsakkoord van de Commissie, dat het in het gezamenlijk verslag van 8 december 2017 uiteengezette vangnetmechanisme operationeel maakt; benadrukt dat dit een concrete oplossing biedt om de noord-zuidsamenwerking te behouden en dat hiermee een harde grens tussen Noord-Ierland en Ierland wordt vermeden, die noodzakelijk is als geen alternatief wordt gevonden hetzij in het kader van de algemene betrekkingen tussen de EU en het VK hetzij via specifieke oplossingen die door het Verenigd Koninkrijk worden voorgesteld, als bedoeld in paragraaf 49 van het gezamenlijk verslag;

56.  herinnert aan het belangrijke engagement van het Verenigd Koninkrijk om ervoor te zorgen dat er geen sprake zal zijn van een vermindering met betrekking tot rechten, inclusief sociale en democratische rechten, waarborgen en gelijke kansen, zoals uiteengezet in het Goede Vrijdag-akkoord, in overeenstemming met de toezeggingen in het kader van het gezamenlijk verslag; dringt aan op de omzetting van alle elementen van de "common travel area" (gemeenschappelijk reisgebied) en wijst op de rechten van de EU-burgers op het gebied van vrij verkeer, als vastgesteld in het EU-recht en in het Goede Vrijdag-akkoord;

   (iii) Overgangsperiode

57.  herhaalt de beginselen in zijn resolutie van 13 december 2017, namelijk dat het VK na de datum van terugtrekking niet langer deel zal uitmaken van de EU-instellingen en ‑organen en niet langer zal bijdragen aan de besluitvorming, en dat de overgang alleen kan bestaan in de verlenging van het communautaire acquis en de verdere toepassing van de bestaande EU-instrumenten en -structuren op het gebied van regelgeving, begroting, toezicht, justitie en handhaving op het VK; steunt ten volle het onderhandelingsmandaat dat is vastgesteld in de onderhandelingsrichtsnoeren van de Europese Raad, de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad en de recente nota met het standpunt van de Commissie over dit onderwerp;

58.  is tevreden met het vierde deel van het ontwerpterugtrekkingsakkoord over een overgangsregeling en spreekt zijn steun hiervoor uit; herhaalt dat alle rechten die de burgers krachtens het Unierecht genieten, tijdens de overgangsperiode moeten worden verlengd; benadrukt het feit dat dit eveneens geldt voor EU-burgers die in het VK aankomen tijdens de overgangsperiode, die precies dezelfde rechten moeten genieten, met name inzake kinderbijslag, gezinshereniging en toegang tot beroepsmogelijkheden bij het HvJ-EU;

59.  herinnert eraan dat elke overgangsregeling volledig verenigbaar moet zijn met de WTO‑verplichtingen, om de handelsbetrekkingen met derde landen niet te verstoren;

60.  benadrukt dat alle toekomstige handelsovereenkomsten met derde landen na de terugtrekking die het VK na onderhandelingen sluit, pas in werking mogen treden aan het einde van de periode gedurende welke een overgangsregeling van toepassing is;

61.  herinnert eraan dat het VK vanaf de datum van zijn terugtrekking uit de EU geen gebruik meer zal kunnen maken van de internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de EU, de lidstaten die namens haar optreden of de EU en de lidstaten in een gezamenlijk optreden; neemt er kennis van dat het VK tijdens de overgangsperiode gebonden blijft aan de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten; benadrukt het feit dat het VK niet zal kunnen deelnemen aan de governancestructuren en besluitvormingsprocedures waarin in deze overeenkomsten is voorzien;

62.  wijst erop dat in het kader van het terugtrekkingsakkoord de overgangsregeling pas kan worden uitgevoerd zodra dit akkoord in werking treedt;

   (iv) Andere kwesties in verband met de scheiding

63.  dringt erop aan onverwijld overeenstemming te bereiken over alle scheidingsbepalingen in het derde deel van het ontwerpterugtrekkingsakkoord en dringt er bij het VK op aan een duidelijk standpunt te presenteren, waar dit nog niet is gebeurd, over alle onopgeloste kwesties met betrekking tot zijn ordelijke terugtrekking;

Paraatheid

64.  onderstreept het feit dat de Commissie en de lidstaten belangrijk werk hebben verricht op diverse niveaus met betrekking tot bewustmaking en paraatheid; benadrukt het feit dat, gezien de onzekerheid die door de brexit is ontstaan, niet alleen de EU-instellingen, maar ook de nationale instanties, marktdeelnemers en vooral burgers moeten worden gewaarschuwd en de behoorlijke informatie moeten krijgen, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden op alle mogelijke scenario's, inclusief een scenario waarbij het niet komt tot een akkoord; dringt er in het bijzonder op aan dat acties worden gestart die gericht zijn op een maximumaantal betrokken sectoren en personen, onder meer op de volgende gebieden:

   voortdurende en veilige toegang tot geneesmiddelen voor diergeneeskundig en menselijk gebruik en medische hulpmiddelen voor patiënten, met inbegrip van een continue en consistente levering van radio-isotopen,
   financiële diensten voor marktdeelnemers,
   paraatheid van kmo's en kleine bedrijven die handel drijven met het VK, zoals agrovoedingsproducenten en producenten van visserijproducten, die voor het eerst kunnen worden geconfronteerd met uitvoerprocedures en bepaalde soorten vereisten, met inbegrip van sanitaire en fytosanitaire normen,
   beperkingen en voorwaarden die kunnen voortvloeien uit het nieuwe wettelijke kader voor het vervoer van passagiers en goederen en de impact die deze kunnen hebben op de "just-in-time"-componenten van de keten inzake levensmiddelenvoorziening, -verwerking en distributie,
   capaciteit voor correcte etikettering, traceerbaarheid en daadwerkelijke oorsprong van landbouw- en visserijproducten, teneinde ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de normen inzake voedselveiligheid en dierenwelzijn en de verstrekking van accurate consumenteninformatie op levensmiddelen,
   het rechtskader inzake gegevensbescherming,
   een volledige omschrijving door de Commissie van de EU-wetgeving die wijziging behoeft als gevolg van de brexit;

o
o   o

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de nationale parlementen en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0102.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0361.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0490.


Statistieken van het spoorvervoer ***I
PDF 247kWORD 48k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistieken van het spoorvervoer (herschikking) (COM(2017)0353 – C8-0223/2017 – 2017/0146(COD))
P8_TA(2018)0070A8-0038/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0353),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0223/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 6 december 2017(1),

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief van 13 oktober 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie vervoer en toerisme overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0038/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistieken van het spoorvervoer (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/643.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank
PDF 238kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank (N8-0053/2018 – C8-0040/2018 – 2018/0804(NLE))
P8_TA(2018)0071A8-0056/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 (N8-0053/2018)(1),

–  gezien artikel 283, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C8-0040/2018),

–  gezien artikel 122 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0056/2018),

A.  overwegende dat de Europese Raad bij schrijven van 22 februari 2018 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Luis de Guindos tot vicepresident van de Europese Centrale Bank voor een ambtstermijn van acht jaar, ingaande op 1 juni 2018;

B.  overwegende dat zijn Commissie economische en monetaire zaken de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 283, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden en het uit artikel 130 van het Verdrag voortvloeiende gebod van totale onafhankelijkheid van de ECB; overwegende dat de commissie in het kader van dit onderzoek een curriculum vitae van de kandidaat heeft ontvangen, alsmede de antwoorden op de hem toegezonden schriftelijke vragenlijst;

C.  overwegende dat deze commissie de kandidaat vervolgens op 26 februari 2018 gedurende anderhalf uur heeft gehoord, waarbij hij een inleidende verklaring heeft afgelegd en daarna de door de leden van de commissie gestelde vragen heeft beantwoord;

D.  overwegende dat het Parlement zich zorgen maakt over het genderevenwicht, de selectieprocedure, de timing van de benoeming en de politieke onafhankelijkheid, en de Raad verzoekt met het Parlement de dialoog aan te gaan over hoe het proces van toekomstige benoemingen kan worden verbeterd;

1.  brengt positief advies uit over de aanbeveling van de Raad voor de benoeming van Luis de Guindos tot vicepresident van de Europese Centrale Bank;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, aan de Raad alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 67 van 22.2.2018, blz. 1.


Maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle ***I
PDF 240kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/66/EEG van de Raad tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (COM(2017)0742 – C8-0431/2017 – 2017/0329(COD))
P8_TA(2018)0072A8-0026/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0742),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0431/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2018(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0026/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/66/EEG van de Raad tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/597.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië ***I
PDF 244kWORD 41k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië (COM(2017)0559 – C8-0335/2017 – 2017/0242(COD))
P8_TA(2018)0073A8-0028/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0559),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 212, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0335/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die is aangenomen samen met Besluit nr. 778/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan Georgië(1),

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0028/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2018/598.)

(1) PB L 218 van 14.8.2013, blz. 15.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/008 DE/Goodyear
PDF 263kWORD 51k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Duitsland – EGF/2017/008 DE/Goodyear) (COM(2018)0061 – C8-0031/2018 – 2018/2025(BUD))
P8_TA(2018)0074A8-0061/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0061 – C8‑0031/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014‑2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG‑verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0061/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat de financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Duitsland aanvraag EGF/2017/008 DE/Goodyear heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 646 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 22 (Vervaardiging van producten van rubber of kunststof) in de regio van NUTS-niveau 2 Regierungsbezirk Karlsruhe (DE12) in Duitsland;

D.  overwegende dat de aanvraag is gebaseerd op de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening en dat Duitsland recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 2 165 231 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 3 608 719 EUR;

2.  neemt ter kennis dat de Duitse autoriteiten de aanvraag op 6 oktober 2017 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat Duitsland aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 9 februari 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis heeft gesteld;

3.  wijst erop dat het aandeel van Aziatische fabrikanten uit China, Taiwan en Singapore op de wereldmarkt voor banden is gestegen van 4 % in 2001 naar 20 % in 2013;

4.  merkt op dat Duitsland op 1 januari 2018 gestart is met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden, en dat de uitgaven voor de acties bijgevolg voor een financiële bijdrage uit het EFG in aanmerking zullen komen;

5.  neemt ter kennis dat Duitsland de ontslagen verklaart door te verwijzen naar grote structurele veranderingen in de mondiale handelspatronen ingevolge de globalisering en de negatieve gevolgen daarvan voor de productie van banden voor auto's uit het B‑segment in de Unie;

6.  wijst erop dat de ontslagen die bij Goodyear zijn gevallen naar verwachting een aanzienlijk negatief effect zullen hebben op de plaatselijke economie en dat de impact van de ontslagen samenhangt met de moeilijkheden om de betrokkenen aan een nieuwe baan te helpen vanwege de banenschaarste, de lage scholingsgraad van de ontslagen werknemers, het feit dat zij hun specifieke beroepsvaardigheden hebben opgebouwd in een tanende sector, en het hoge aantal werkzoekenden;

7.  beseft dat de EU-productie in de automobielindustrie en het marktaandeel ervan in de nasleep van de globalisering zijn gekelderd; neemt ter kennis dat er als gevolg daarvan bij Goodyear een aanzienlijke overcapaciteit is opgebouwd voor banden van het B‑segment, waardoor de onderneming gedwongen was een van haar Europese fabrieken te sluiten, die de grootste werkgever in de regio was; merkt op dat het EFG ook kan bijdragen tot grensoverschrijdend verkeer van werknemers van krimpende sectoren in sommige lidstaten naar groeisectoren in andere lidstaten;

8.  constateert dat de aanvraag betrekking heeft op 646 ontslagen werknemers bij Goodyear, van wie de meesten tussen de 30 en de 54 jaar oud zijn; wijst er ook op dat een aanzienlijk percentage van de ontslagen werknemers tussen de 55 en de 64 jaar oud is en vaardigheden heeft die specifiek bij de industriesector behoren; merkt voorts op dat circa 300 van de ontslagen werknemers ongeschoold zijn, een migratieachtergrond hebben en geen formele kwalificatie bezitten, waardoor zij op de regionale banenmarkt in het nadeel zijn; onderstreept dat het district Waghäusel waar Philippsburg gelegen is, structurele veranderingen doormaakt; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen voor het vergroten van de kans dat deze groepen opnieuw een baan vinden;

9.  wijst erop dat Duitsland zes soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) bijscholingsmaatregelen, (ii) peer groups / workshops, (iii) adviesdienst voor het opstarten van een onderneming, (iv) zoeken naar werk, (v) follow-up mentoring / veiligstellen van banen, en (vi) opleidingstoelage;

10.  stelt vast dat de maatregelen inzake inkomenssteun het in de verordening vastgelegde maximum van 35 % zullen uitmaken van het totale pakket van individuele maatregelen en dat die acties afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan opleidingsactiviteiten en activiteiten in verband met het zoeken van een baan;

11.  is verheugd over het overleg met de belanghebbenden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de ontslagen werknemers, de sociale partners en de regionale autoriteiten, alsmede de ondernemingsraad, de vakbond en de directie, dat plaatsvond in verband met het opstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening;

12.  is ingenomen met het besluit van de openbare dienst voor arbeidsvoorziening om rekening te houden met zowel de toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt als met de kwalificaties van de betrokken werknemers bij het uitstippelen van een strategie inzake kwalificaties en vaardigheden;

13.  herinnert eraan dat het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten ingevolge artikel 7 van de EFG-verordening in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en op de benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie; is verheugd over de verzekering dat de georganiseerde maatregelen in overeenstemming zijn met de duurzaamheidsstrategie van Duitsland en dat het orgaan dat is belast met het opzetten van twee re-integratiebedrijven beschikt over een duurzaamheidscertificering;

14.  stelt vast dat de Duitse autoriteiten de verzekering hebben gegeven dat voor de voorgestelde acties geen financiële steun zal worden ontvangen uit andere fondsen of financiële instrumenten van de Unie, dat dubbele financiering zal worden voorkomen en dat de maatregelen complementair zullen zijn met acties die uit de Structuurfondsen worden gefinancierd;

15.  neemt kennis van de bevestiging van Duitsland dat een financiële bijdrage uit het EFG niet in de plaats zal komen van maatregelen die de betrokken onderneming verplicht is te nemen krachtens het nationale recht of ingevolge collectieve arbeidsovereenkomsten, of van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

16.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit, de duur en duurzaamheid van de banen, het aantal en percentage van zelfstandigen en nieuwe ondernemingen, en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

18.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

19.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering naar aanleiding van een aanvraag van Duitsland – EGF/2017/008 DE/Goodyear

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/513.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020
PDF 387kWORD 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020 (2017/2052(INI))
P8_TA(2018)0075A8-0048/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(4),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën (COM(2017)0358),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(5),

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling",

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(6),

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016(7) en door de Raad op 5 oktober 2016(8),

–  gezien het verslag "Challenges facing civil society organisations working on human rights in the EU" van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien het initiatiefadvies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de financiering van organisaties van het maatschappelijk middenveld door de EU,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie visserij, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0048/2018),

A.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) in 2013 werd goedgekeurd en voor het eerst een reële afname ten opzichte van de vorige financiële programmeringsperiode inhield van zowel de vastleggings- als de betalingskredieten, ondanks de toegenomen bevoegdheden en de groeiende ambities van de EU op grond van respectievelijk het Verdrag van Lissabon en de Europa 2020-strategie; overwegende dat het voorts een aanzienlijk verschil vertoonde tussen de omvang van de vastleggings- en de betalingskredieten, wat mede geleid heeft tot een achterstand van onbetaalde rekeningen in de eerste twee jaren van het MFK; overwegende dat de late vaststelling van het MFK en de daarmee samenhangende rechtsgrondslagen mede debet waren aan vertragingen bij de uitvoering, waarvan de gevolgen nu nog steeds voelbaar zijn en die ertoe zouden kunnen leiden dat de betalingsverzoeken zich aan het eind van het huidige MFK ophopen en in de volgende periode terechtkomen; overwegende dat op aandringen van het Parlement nieuwe bepalingen in het MFK werden opgenomen om de globale plafonds in de hoogst mogelijke mate te benutten en om te voorzien in flexibiliteitsmechanismen;

B.  overwegende dat al snel bleek dat het MFK 2014-2020 niet toereikend was om te voldoen aan de werkelijke behoeften en politieke ambities, aangezien er van meet af aan een beroep op werd gedaan om een reeks crises en nieuwe uitdagingen aan te pakken op het gebied van investeringen, sociale uitsluiting, migratie en vluchtelingen, jeugdwerkloosheid, veiligheid, landbouw, het milieu en klimaatverandering, die niet konden worden voorzien op het moment dat het MFK werd vastgesteld; overwegende dat het huidige MFK als gevolg daarvan al na slechts twee jaar uitvoering de grenzen van het haalbare had bereikt, aangezien de beschikbare marges waren benut, de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in aanzienlijke mate waren gemobiliseerd, het bestaande beleid en de bestaande programma's onder druk zijn komen te staan of zelfs werden teruggeschroefd, en een aantal niet-budgettaire mechanismen werden gecreëerd als compensatie voor de ontoereikende omvang en flexibiliteit van de EU-begroting;

C.  overwegende dat deze tekortkomingen al duidelijk waren geworden bij de tussentijdse evaluatie en herziening van het MFK die eind 2016 plaatsvond, en onmiddellijk hadden moeten worden aangepakt, zoals blijkt uit de resolutie van het Parlement van 6 juli 2016; overwegende dat de goedgekeurde tussentijdse herziening een matige verruiming van het potentieel van de bestaande flexibiliteitsbepalingen heeft opgeleverd, maar niet tot een herziening van de MFK-plafonds heeft geleid;

D.  overwegende dat de Commissie in mei 2018 haar pakket met voorstellen zal presenteren over het MFK na 2020, onder meer over de toekomstige eigen middelen, terwijl Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad bepaalt dat dit vóór 1 januari 2018 had moeten gebeuren; overwegende dat zij naar verwachting kort daarna met ontwerpwetgevingsvoorstellen voor de financiële programma's en financieringsinstrumenten zal komen;

1.  neemt deze resolutie aan om het standpunt van het Parlement over het MFK na 2020 uiteen te zetten, met bijzondere aandacht voor de verwachte prioriteiten, omvang, structuur, duur, flexibiliteit en andere horizontale beginselen, en om te wijzen op de specifieke begrotingsrichtsnoeren voor de EU-beleidsgebieden die onder het volgende financieel kader vallen; verwacht van de Commissie dat zij haar wetgevingsvoorstel voor het volgende MFK samen met een nieuw ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord presenteert waarin rekening wordt gehouden met de standpunten en suggesties van het Parlement; benadrukt dat deze resolutie ook als basis dient voor de deelname van het Parlement aan de procedure met het oog op de vaststelling van het volgende MFK;

2.  neemt tegelijk een afzonderlijke resolutie(9) aan om zijn standpunt kenbaar te maken over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen; verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met het standpunt van het Parlement bij de opstelling van de wetgevingsvoorstellen over de eigen middelen van de EU, die ambitieus moeten zijn qua toepassingsgebied en samen met de voorstellen voor het MFK gepresenteerd moeten worden; benadrukt dat de ontvangsten en de uitgaven van het volgende MFK als één pakket zullen worden behandeld tijdens de komende onderhandelingen, en dat er geen overeenstemming over het MFK zal worden bereikt indien er terzelfder tijd geen vooruitgang wordt geboekt bij de eigen middelen;

I.Prioriteiten en uitdagingen van het volgende MFK

3.  is ingenomen met de discussie over het volgende MFK en beschouwt deze als een kans om de weg te bereiden voor een sterker en duurzamer Europa door middel van een van zijn meest tastbare instrumenten, de begroting van de Unie; is van mening dat het volgende MFK ingebed moet zijn in een bredere strategie en in een verhaal voor de toekomst van Europa; is van mening dat in het MFK de begrotingsmiddelen afgestemd moeten zijn op het politieke project en de beleidsprioriteiten van de EU;

4.  is ervan overtuigd dat het volgende MFK moet voortbouwen op de deugdelijk gegronde beleidslijnen en prioriteiten van de Unie, met het oog op de bevordering van vrede, democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid, de verhoging van de welvaart, duurzame economische groei op lange termijn en ontwikkeling en innovatie, hoogwaardige werkgelegenheid die fatsoenlijke banen oplevert, de bestrijding van de klimaatverandering en de stimulering van economische, sociale en territoriale cohesie alsmede solidariteit tussen de lidstaten en de burgers; beschouwt deze pijlers als voorwaarden voor een goed functionerende eengemaakte markt en economische en monetaire unie en voor de versterking van de positie van Europa in de wereld; gaat ervan uit dat zij meer dan ooit van belang zijn voor de inspanningen van Europa in de toekomst;

5.  is van mening dat het volgende MFK de Unie in staat moet stellen om oplossingen te bieden en sterker uit de crises van het afgelopen decennium te komen: de economische en financiële recessie, de jeugdwerkloosheid, aanhoudende armoede en sociale uitsluiting, de migratie- en vluchtelingenkwestie, de klimaatverandering en natuurrampen, de verslechtering van het leefmilieu en biodiversiteitsverlies, terrorisme en instabiliteit, om er slechts enkele te noemen; onderstreept dat deze wereldwijde, grensoverschrijdende uitdagingen met interne implicaties de onderlinge afhankelijkheid aantonen van onze economieën en samenlevingen, en de aandacht vestigen op de behoefte aan gemeenschappelijke acties;

6.  wijst erop dat de EU haar toezegging gestand moet doen om als voorloper te fungeren bij de tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), die een globaal stappenplan bieden om te komen tot meer duurzame, rechtvaardige en welvarende samenlevingen binnen de mogelijkheden van onze planeet; onderstreept dat het volgende MFK moet aansluiten bij de SDG's; stelt het op prijs dat de Commissie heeft toegezegd de SDG's in alle EU-beleidslijnen en -initiatieven te zullen integreren; verwacht van de EU dat zij haar verbintenissen met betrekking tot die doelstellingen nakomt; benadrukt verder dat de officiële bekendmaking van de Europese pijler van sociale rechten en de toezegging van de EU en de lidstaten om een socialer Europa te garanderen, moeten worden gesteund in de vorm van passende financiële middelen; is van mening dat op grond van de Overeenkomst van Parijs de klimaatgerelateerde uitgaven aanzienlijk moet worden opgetrokken ten opzichte van het huidige MFK en zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2017 bij 30 % moeten liggen;

7.  benadrukt dat het volgende MFK de Unie kansen biedt om te laten zien dat zij zich eensgezind opstelt en in staat is om in te spelen op politieke ontwikkelingen zoals de brexit, de groei van populistische en nationalistische bewegingen en veranderingen in mondiaal leiderschap; onderstreept dat verdeeldheid en zelfzuchtigheid geen antwoord kunnen bieden op wereldwijde problemen, noch op de bezorgdheid van de burgers; is van mening dat met name de brexitonderhandelingen aantonen dat de voordelen van het lidmaatschap van de Unie ruimschoots opwegen tegen de kosten van de begrotingsbijdrage; verzoekt in dit verband om volledige eerbiediging van het kader van de eerder aangegane verplichtingen, zoals in het geval van het Goede Vrijdagakkoord met betrekking tot de rechtsstaat en de democratie;

8.  dringt daarom aan op voortdurende steun voor het bestaande beleid, in het bijzonder de gevestigde en in de Verdragen verankerde EU-beleidsgebieden, met name het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid en het cohesiebeleid, aangezien de EU‑burgers dankzij dit beleid van de concrete voordelen van het Europese project kunnen profiteren; verwerpt elke poging om deze beleidsgebieden opnieuw te nationaliseren, aangezien dit de financiële lasten voor de belastingbetaler en de consument niet zou verlagen noch tot betere resultaten zou leiden, maar in plaats daarvan de groei, de solidariteit en de werking van de eengemaakte markt zou belemmeren en de verschillen en de ongelijkheid tussen regio's en economische sectoren zou doen toenemen; is voornemens voor de EU-27 hetzelfde financieringsniveau voor deze beleidsgebieden te waarborgen in de volgende programmeringsperiode, en tegelijkertijd de doeltreffendheid ervan verder te verbeteren en de bijbehorende procedures te vereenvoudigen;

9.  is van mening dat Europa toekomstperspectieven moet bieden aan de jongere generatie en aan de toekomstgerichte ondernemingen die de EU succesvoller maken op het wereldtoneel; is vastbesloten om twee EU-vlaggenschipprogramma's, te weten het kaderprogramma voor onderzoek en Erasmus+, aanzienlijk uit te breiden, omdat met de huidige middelen niet kan worden ingespeeld op de zeer grote belangstelling en de aanvragen van topkwaliteit; blijft hard in zijn steun voor een substantiële verhoging van de middelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en de ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) via de vervolgprogramma's van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme); is tevens voorstander van een versterking van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) 2.0;

10.  verzoekt de Unie haar rol te gaan spelen op drie nieuwe beleidsgebieden met interne en externe dimensies, die in de loop van het huidige MFK zijn opgekomen:

   door een alomvattend asiel-, migratie- en integratiebeleid te ontwikkelen en te financieren en de onderliggende oorzaken van migratie en ontheemding in derde landen aan te pakken,
   door de buitengrenzen te versterken en de stabiliteit te vergroten, met name door het opkomen voor de mensenrechten in het buitenland, conflictpreventie en ontwikkelingssamenwerking,
   door binnen Europa voor veiligheid voor alle Europese burgers te zorgen en door de onderzoeksinspanningen en defensiecapaciteiten te bundelen, waarbij wordt benadrukt dat maatregelen op deze gebieden niet ten koste mogen gaan van het ontwikkelingsbeleid van de EU;

11.  beklemtoont dat het toekomstige kader plaats moet bieden aan twee nieuwe soorten financiële steun die hoog op de economische agenda van de Unie staan, namelijk de voortzetting van de steunregelingen voor investeringen, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen, en de totstandbrenging van een stabilisatiefunctie voor de lidstaten van de eurozone, mogelijk door middel van het voorgestelde Europees Monetair Fonds, in combinatie met een specifieke convergentiefaciliteit voor lidstaten die zich bij de eurozone willen aansluiten;

12.  onderstreept dat als eerste stap de specifiek op de eurozone gerichte begrotingscapaciteit deel moet uitmaken van de begroting van de Unie, en boven op de MFK-plafonds moet worden berekend, zonder afbreuk te doen aan de andere MFK-programma's, en door de eurozone en andere deelnemende leden moet worden gefinancierd via een door de deelnemende lidstaten overeen te komen bron van inkomsten die als bestemmingsontvangsten en garanties moeten worden beschouwd; is van mening dat, zodra er een stabiele situatie is bereikt, de begrotingscapaciteit zou kunnen worden gefinancierd met echte eigen middelen overeenkomstig de aanbevelingen in het verslag-Monti over de toekomstige financiering van de EU;

13.  bevestigt het beginsel dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen, of zij zich nu aandienen bij de vaststelling van een nieuw MFK dan wel in de loop van de uitvoering daarvan, en onderstreept dat de financiering van nieuwe behoeften niet ten koste mag gaan van bestaande beleidsmaatregelen en programma's; verwacht bovendien dat er voldoende flexibiliteitsbepalingen zullen worden vastgesteld om te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden die zich in de loop van het MFK kunnen voordoen;

14.  is van mening dat een sterker en ambitieuzer Europa alleen kan worden verwezenlijkt als er meer financiële middelen voor worden vrijgemaakt; dringt, gezien bovengenoemde uitdagingen en prioriteiten en rekening houdend met de terugtrekking van het VK uit de Unie, aan op een aanzienlijke verhoging van de begroting van de Unie; schat dat de vereiste MFK-uitgavenplafonds 1,3 % van het bni van de EU‑27 bedragen, niettegenstaande de waaier aan instrumenten die niet in de maximumbedragen mogen worden meegeteld;

15.  is ervan overtuigd dat de invoering van nieuwe echte eigen middelen van de EU de enige mogelijkheid is om het volgende MFK op een passend niveau te financieren, tenzij de Raad overeenkomt om de nationale bijdragen aan de EU-begroting aanzienlijk te verhogen;

II.Horizontale kwesties

Beginselen van de EU-begroting en waarachtigheid van de begroting

16.  herinnert aan de Europese begrotingsbeginselen van eenheid, nauwkeurigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, additionaliteit, subsidiariteit, goed financieel beheer en transparantie, die bij het opstellen en uitvoeren van de Uniebegroting in acht moeten worden genomen;

17.  herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat tegenover de politieke ambitie van de Unie passende financiële middelen moeten staan, en wijst erop dat artikel 311 VWEU bepaalt dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven;

18.  wijst er in dit verband op dat de volledige uitvoering van de politieke besluiten en initiatieven van de Europese Raad slechts mogelijk is als de nodige financiering gewaarborgd is, en onderstreept dat elke andere benadering de waarachtigheid van de begroting van de Unie en het vertrouwen van de burgers ondermijnt;

19.  is van mening dat het MFK, door de politieke prioriteiten van de EU in concrete investeringen om te zetten, een uitstekend instrument vormt voor de langetermijnplanning van de uitgaven van de EU en om een bepaald stabiel niveau van overheidsinvesteringen in de lidstaten te waarborgen; betreurt echter dat het in de aanloop naar de goedkeuring van het volgende MFK ontbreekt aan een wederzijds overeengekomen strategie voor de lange termijn; brengt voorts in herinnering dat de EU-begroting voornamelijk een investeringsbegroting is die een aanvullende, complementaire financieringsbron vormt voor acties die op nationaal, regionaal en lokaal niveau worden ondernomen;

Duur

20.  is van mening dat het besluit over de duur van het MFK het juiste evenwicht moet houden tussen twee tegenstrijdige vereisten, namelijk enerzijds dat op verscheidene EU‑beleidsgebieden – in het bijzonder die onder gedeeld beheer, zoals landbouw en cohesie – moet kunnen worden uitgegaan van de stabiliteit en de voorspelbaarheid die worden geboden door een engagement van ten minste zeven jaar, en anderzijds dat er behoefte is aan de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht die voortvloeien uit de afstemming van elk financieel kader op de vijfjarige politieke cyclus van het Europees Parlement en de Europese Commissie;

21.  benadrukt dat het een politieke noodzaak is dat elk nieuwgekozen Parlement in staat is om gedurende zijn verkiezingscyclus aanzienlijk invloed uit te oefenen op het MFK, zowel wat de bedragen als wat de politieke prioriteiten betreft; benadrukt dat de verkiezingen voor het Europees Parlement de EU-burgers de kans bieden om rechtstreeks hun standpunt kenbaar te maken over de begrotingsprioriteiten van de Unie, die weerspiegeld moeten worden in een bindende aanpassing van het financieel kader na de verkiezingen; is daarom van mening dat tijdens elke politieke cyclus de Commissie met een voorstel moet komen en zowel het Parlement als de Raad een besluit moeten nemen over de vaststelling van het volgende MFK of over een verplichte tussentijdse herziening van het lopende MFK;

22.  onderstreept daarom dat de duur van het MFK geleidelijk moet evolueren in de richting van een periode van vijf plus vijf jaar in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening; verzoekt de Commissie een duidelijk voorstel uit te werken tot vaststelling van methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar; is ervan overtuigd dat een MFK voor slechts één periode van vijf jaar niet in overweging kan worden genomen gezien de ernstige belemmeringen die dit zou opleveren ten aanzien van de vereisten inzake programmering en tenuitvoerlegging op verschillende EU-beleidsgebieden;

23.  onderkent evenwel dat het tijdstip van de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement in het voorjaar van 2019 het niet mogelijk maakt om meteen een oplossing van vijf plus vijf jaar uit te voeren, aangezien het huidige MFK tot in december 2020 loopt en de afzonderlijke cycli niet bevredigend op elkaar afgestemd zouden worden; is daarom van mening dat het volgende MFK moet worden vastgesteld voor een periode van zeven jaar (2021-2027), met inbegrip van een verplichte herziening halverwege de looptijd, als overgangsoplossing die nog één keer toegepast moet worden;

Tussentijdse herziening

24.  is overtuigd van de noodzaak om vast te houden aan een juridisch bindende en verplichte tussentijdse evaluatie en herziening van het MFK, die in de nieuwe MFK‑verordening verankerd moet worden; herinnert eraan dat bij de tussentijdse herziening van 2016 voor de eerste keer in de geschiedenis een feitelijke herziening van de MFK-verordening plaatsvond en dat deze door zowel de Raad als het Parlement positief werd beoordeeld, met name voor wat betreft de versterking van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK;

25.  is van mening dat over de tussentijdse herziening van het MFK voor de periode 2021‑2027 tijdig een voorstel geformuleerd en een besluit genomen moet worden, zodat het volgende Parlement en de volgende Commissie het financieel kader dienovereenkomstig kunnen aanpassen; onderstreept dat elke herziening van het MFK de betrokkenheid van het Parlement moet garanderen en zijn bevoegdheden als tak van de begrotingsautoriteit moet waarborgen; onderstreept voorts dat elke werkelijke herziening ook een herziening moet inhouden van de MFK-plafonds, indien wordt vastgesteld dat deze ontoereikend zijn voor de resterende looptijd;

Flexibiliteit

26.  onderstreept dat de begrotingsautoriteit in het huidige MFK heeft ingestemd met grootschalig gebruik van de flexibiliteitsmechanismen en de speciale instrumenten van de MFK-verordening, om de aanvullende kredieten zeker te stellen die nodig waren om op ernstige crises in te spelen of om nieuwe politieke prioriteiten te financieren;

27.  is daarom van mening dat de flexibiliteitsbepalingen in het huidige MFK goed hebben gewerkt en oplossingen hebben geboden voor de aanzienlijke behoefte aan financiering om met name de uitdagingen op het gebied van migratie en vluchtelingen aan te pakken en iets te doen aan het tekort aan investeringen; brengt in herinnering dat het Parlement aan de basis lag van verschillende van deze bepalingen en dat het deze krachtig heeft verdedigd tijdens de vorige onderhandelingen over het MFK;

28.  is van mening dat deze bepalingen nog verder moeten worden versterkt om beter om te kunnen gaan met nieuwe uitdagingen, onverwachte gebeurtenissen en de veranderende politieke prioriteiten die ontstaan tijdens de uitvoering van een langetermijnplan zoals het MFK; dringt aan op grotere flexibiliteit voor het volgende MFK, zodat de globale MFK-plafonds voor vastleggings- en betalingskredieten maximaal benut kunnen worden;

Flexibiliteitsmechanismen in het MFK

29.  is van mening dat de plafonds van het volgende KMF moeten worden vastgesteld op een niveau dat niet alleen de financiering van het EU-beleid mogelijk maakt, maar ook voldoende marges bij de vastleggingen voor elke rubriek biedt;

30.  is ervan overtuigd dat alle niet-toegewezen marges zonder enige beperking naar toekomstige begrotingsjaren moeten worden overgedragen en door de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure moeten worden aangesproken voor elk noodzakelijk geacht doel; dringt er daarom op aan dat de overkoepelende marge voor vastleggingen wordt behouden, maar zonder enige beperking qua toepassingsgebied en tijd;

31.  herinnert eraan dat binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen uitsluitend de niet-toegewezen marges tot jaar N-1 kunnen worden ingezet, zodra zij zijn bevestigd in het kader van de technische aanpassing die aan de presentatie van de ontwerpbegroting voorafgaat; is evenwel van mening dat het essentieel is na te gaan op welke wijze ook de niet-toegewezen marges van jaar N kunnen worden ingezet, zodat bijkomende behoeften die in de loop van dat jaar kunnen ontstaan nog steeds gefinancierd kunnen worden;

32.  is er vast van overtuigd dat de vastleggingen waarvoor door de begrotingsautoriteit toestemming werd verleend, gebruikt moeten worden voor hun oorspronkelijke doel en dat al het mogelijke moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat dit op alle beleidsgebieden gebeurt; verzoekt met name de Commissie om hier actief naar te blijven streven; is er desondanks van overtuigd dat indien zich vrijmakingen voordoen als gevolg van de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de maatregelen waarvoor de bedragen bestemd waren, deze naar de EU-begroting moeten terugvloeien en door de begrotingsautoriteit moeten worden ingezet in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; is van mening dat de vrijmakingen rechtstreeks moeten worden opgenomen in de overkoepelende marge voor vastleggingen en niet in een van de speciale instrumenten of reserves;

33.  herinnert eraan dat vrijmakingen terug te voeren zijn op vastleggingen die al door de begrotingsautoriteit waren toegestaan en normaal gesproken tot de overeenkomstige betalingen hadden moeten leiden, indien de maatregelen waarvoor zij bestemd waren volgens plan waren uitgevoerd; benadrukt daarom dat het opnieuw inzetten van vrijmakingen in de EU-begroting naar behoren gerechtvaardigd is, maar geen middel mag zijn om de desbetreffende bepalingen inzake doorhaling van vastleggingen te omzeilen die in de verordeningen voor de diverse sectoren verankerd zijn;

34.  wijst erop dat de volledige overdracht van betalingsmarges door middel van de overkoepelende marge voor betalingen in het hele MFK gewaarborgd moet worden; verzet zich tegen elke beperking of plafonnering van de omvang van de marges die kunnen worden overgedragen, zoals in het huidige MFK, en herinnert eraan dat deze marges uitsluitend beschikbaar kunnen worden gesteld indien en voor zover de begrotingsautoriteit daartoe besluit; benadrukt dat de overkoepelende marge voor betalingen zou kunnen bijdragen aan de oplossing van een nieuwe betalingscrisis als die zich mocht voordoen;

35.  benadrukt dat in het kader van de MFK-verordening het herzien van plafonds in het geval van onvoorziene omstandigheden mogelijk moet blijven in het geval de beschikbare marges en speciale instrumenten volledig zijn benut of overschreden als gevolg van de financieringsbehoeften; pleit ervoor dat de MFK-verordening voorziet in een vereenvoudigde procedure voor een gerichte herziening onder een vooraf overeengekomen drempel;

36.  is voorstander van het handhaven van de mogelijkheid om de financiering van EU‑programma's naar voren of naar achteren te verschuiven teneinde anticyclische maatregelen te kunnen nemen die gelijklopen met de daadwerkelijke uitvoering, en betekenisvol op grote crises te kunnen reageren; dringt er voorts op aan de wetgevingsflexibiliteit, die momenteel is vastgelegd in punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) en voorziet in de mogelijkheid om het totale bedrag voor programma's die via de gewone wetgevingsprocedure zijn goedgekeurd met ten hoogste +/- 10 % te verhogen, verder op te trekken tot +/- 15 %;

37.  wijst op de flexibiliteit die kan worden gerealiseerd door middel van overschrijvingen binnen dezelfde MFK-rubriek met als doel de financiële middelen precies daar te plaatsen waar ze nodig zijn, zodat een betere uitvoering van de EU-begroting wordt gewaarborgd; is van mening dat een kleiner aantal rubrieken de flexibiliteit van het MFK ten goede zou komen; verzoekt de Commissie echter de begrotingsautoriteit op proactieve wijze te informeren en te raadplegen bij de uitvoering van grote autonome overschrijvingen;

Speciale MFK-instrumenten

38.  hecht zijn goedkeuring aan de globale structuur van de speciale MFK-instrumenten, met name het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de EU en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), en wijst op het grootschalige gebruik van middelen uit deze instrumenten in het huidige MFK; dringt aan op verbeteringen bij de financiële voorzieningen en de bepalingen betreffende de werking van deze instrumenten;

39.  dringt met name aan op een aanzienlijke verhoging van de financiële middelen van het flexibiliteitsinstrument tot een jaarlijkse toewijzing van ten minste 2 miljard EUR; herinnert eraan dat het flexibiliteitsinstrument geen verband houdt met een specifiek beleidsgebied en kan worden ingezet voor elk doel dat daarvoor geschikt wordt geacht; is daarom van mening dat dit instrument kan worden ingezet om te voorzien in nieuwe financiële behoeften die tijdens de looptijd van het MFK kunnen ontstaan;

40.  wijst erop dat de reserve voor noodhulp bestemd is om snel te kunnen inspelen op specifieke hulpbehoeften van derde landen in verband met onvoorziene gebeurtenissen, en benadrukt het buitengewone belang ervan in de huidige omstandigheden; dringt aan op een aanzienlijke verhoging van de financiële middelen van deze reserve tot een jaarlijkse toewijzing van 1 miljard EUR;

41.  wijst met name op de aanzienlijke beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU om bijstand te verlenen bij een aantal ernstige natuurrampen met grote gevolgen voor de begroting; benadrukt ook de positieve impact van dit instrument op de publieke opinie; stelt voor de financiële middelen van dit fonds te verhogen tot een jaarlijkse toewijzing van 1 miljard EUR;

42.  is van mening dat het potentieel van het EFG, waarmee de EU solidariteit betoont en steun biedt aan werknemers die hun baan verliezen als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of als gevolg van de wereldwijde economische en financiële crisis, niet optimaal is benut en dat dit verder kan worden verbeterd en in een langetermijnstrategie ingebed om in alle lidstaten ontslagen werknemers op doeltreffende wijze te bereiken en op de arbeidsmarkt te re-integreren; is van mening dat bij de komende herziening het toepassingsgebied van het EFG moet worden bekeken en de coördinatie met andere instrumenten moet worden verbeterd; is van mening dat het herziene EFG moet worden toegerust met een minstens even hoge jaarlijkse toewijzing in het nieuwe MFK;

43.  stelt voor om een speciale reserve aan te leggen voor de speciale MFK-instrumenten met de niet-benutte kredieten uit elk instrument; is van mening dat deze reserve zonder enige beperking in de tijd moet functioneren; vraagt dat deze reserve beschikbaar wordt gesteld voor elk speciaal MFK-instrument waarop een beroep wordt gedaan voor de financiering van uitgaven die de financiële capaciteit van het instrument te boven gaan, op grond van een besluit van de begrotingsautoriteit;

44.  merkt op dat momenteel voor elk van de speciale MFK-instrumenten verschillende regels gelden voor de periode voor de overdracht van niet-benutte kredieten; is van mening dat die moeten worden geharmoniseerd, zodat de N+1-regel op al deze instrumenten kan worden toegepast;

45.  is van mening dat de marge voor onvoorziene uitgaven als laatste redmiddel behouden moet blijven; benadrukt dat het hier gaat om een speciaal instrument dat alleen voor betalingskredieten kan worden ingezet, en dat het heeft bijgedragen aan de oplossing van de betalingscrisis van 2014; pleit daarom voor een opwaartse aanpassing van de maximale jaarlijkse toewijzing tot 0,05 % van het bni van de EU;

46.  onderstreept dat de speciale MFK-instrumenten boven op de MFK-plafonds voor zowel vastleggings- als betalingskredieten moeten worden berekend; is van mening dat de kwestie van het in de begroting opnemen van de betalingen van deze instrumenten op ondubbelzinnige wijze is geregeld bij de tussentijdse herziening van het MFK voor 2014-2020, waarmee een einde is gekomen aan het langslepende interpretatieconflict met de Raad; pleit ervoor in de MFK-verordening een duidelijke bepaling op te nemen volgens welke betalingen die voortvloeien uit vastleggingen in het kader van de speciale MFK-instrumenten, als aanvulling op de jaarlijkse MFK-betalingsplafonds moeten worden geteld;

47.  constateert dat het huidige IIA bepaalt dat voor de gebruikmaking van drie speciale MFK-instrumenten een bijzondere meerderheid in het Parlement nodig is; is van mening dat dit een verouderde bepaling is, die immers voor de bijzondere meerderheid gold die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nodig was voor de vaststelling van de EU-begroting; pleit voor een homogene benadering van de te volgen stemprocedures voor de gebruikmaking van deze instrumenten, waarvoor dezelfde regels moeten gelden als voor de vaststelling van de EU-begroting;

Ontvangsten – speciale reserve

48.  herhaalt zijn vaste standpunt dat alle ontvangsten die het gevolg zijn van boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op het mededingingsrecht van de EU, of die verband houden met te late betalingen van nationale bijdragen aan de EU‑begroting, als extra ontvangstenpost op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder dienovereenkomstige vermindering van de bni-bijdragen;

49.  pleit ervoor om hiertoe een speciale reserve aan te leggen inde EU-begroting, die geleidelijk zal worden aangevuld met alle soorten onvoorziene andere ontvangsten en die naar behoren wordt overgedragen om extra uitgavenmogelijkheden te creëren wanneer de behoefte hieraan zich voordoet; is van mening dat deze reserve moet worden toegewezen aan de speciale MFK-instrumenten en moet voorzien in extra aanvullingen, zowel in vastleggingen als in betalingen, indien de begrotingsautoriteit hiertoe besluit;

Doelmatige en doeltreffende besteding van EU-middelen

50.  erkent dat het verwezenlijken van Europese meerwaarde een van de grondbeginselen moet zijn bij de besluitvorming van de EU-instellingen over de aard van de uitgaven in het volgende MFK; wijst evenwel op het bestaan van uiteenlopende interpretaties van dit concept en dringt aan op één duidelijke en gemakkelijk te begrijpen definitie van de relevante criteria, waarin territoriale kenmerken moeten worden meegenomen en die, waar mogelijk, meetbare prestatie-indicatoren moeten omvatten; waarschuwt voor pogingen om een dergelijke definitie te gebruiken om louter op basis van kwantitatieve of kortzichtige economische overwegingen de relevantie van het beleid en de programma’s van de EU in twijfel te trekken;

51.  neemt kennis van de verwijzing naar het begrip Europese meerwaarde in verscheidene Commissiedocumenten; wijst nogmaals op de lijst van parameters die het Parlement in bovengenoemde resolutie van 24 oktober 2017 in dit verband heeft vastgesteld; herinnert eraan dat de EU-middelen moeten worden gebruikt voor de financiering van Europese collectieve goederen en om als katalysator te fungeren en de lidstaten impulsen te geven om op elk administratief niveau maatregelen te treffen om doelstellingen uit de Verdragen na te komen en gemeenschappelijke EU-doelstellingen te realiseren die anders niet zouden worden verwezenlijkt; is het ermee eens dat de EU‑begroting moet worden gebruikt voor de financiering van acties die ten goede komen aan de EU in haar geheel, die niet efficiënt kunnen worden gewaarborgd door één lidstaat alleen en die een betere kosteneffectiviteit kunnen opleveren dan louter op nationaal, regionaal of lokaal niveau ondernomen acties; is voorts van mening dat de EU-begroting een bijdrage dient te leveren aan de verwezenlijking en ondersteuning van vrede en stabiliteit in de buurlanden van de EU en daarbuiten; is van mening dat Europese meerwaarde wordt gecreëerd door zowel in gedeeld beheer als in direct beheer uitgevoerde programma’s, want dit zijn twee elkaar aanvullende methoden om EU‑doelstellingen te verwezenlijken; verwacht in het licht hiervan dat de lidstaten in de onderhandelingen over het volgende MFK geen logica van een "eerlijk rendement" zullen volgen waarbij alleen nationale belangen in de vorm van een nettosaldo tellen;

52.  is van mening dat een betere besteding, d.w.z. het efficiënt en niet-discriminerend gebruik van elke euro van de EU-begroting, niet alleen bereikt kan worden door EU‑middelen uit te trekken voor acties met de grootste Europese meerwaarde en de grootste verbetering van de prestaties van het beleid en de programma's van de EU, uitgaande van een gedegen evaluatie van de huidige uitgaven, maar ook door een grotere synergie te bereiken tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen, en door te zorgen voor tastbare verbeteringen van de uitgavenstructuur; ondersteunt de aanbevelingen in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer van 2016 inzake een doeltreffend meetinstrumentarium met indicatoren, een meer gestroomlijnde en evenwichtige verslaglegging over prestaties en een gemakkelijker toegang tot de beoordelingsresultaten;

53.  dringt aan op een echte vereenvoudiging van het begrotingssysteem van de EU in het volgende MFK om de absorptie te vergemakkelijken; onderstreept met name dat onnodige overlappingen tussen instrumenten waarmee soortgelijke maatregelen worden ondersteund, teruggedrongen moeten worden, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, kmo's of vervoer, zonder het risico te lopen dat belangrijke elementen van de verschillende programma's verloren gaan, en dat een einde moet worden gemaakt aan de bestaande concurrentie tussen verschillende financieringsvormen en -bronnen, om te zorgen voor maximale complementariteit en een samenhangend financieel kader; is van mening dat zo duidelijker met de burgers kan worden gecommuniceerd over de EU‑prioriteiten;

54.  onderstreept dat de "check-up" van de uitgaven van de EU er niet voor mag zorgen dat het ambitieniveau van de EU naar beneden wordt bijgesteld of dat programma's en beleidsmaatregelen van de EU naar sector worden opgesplitst, en evenmin mag leiden tot een vervanging van subsidies door financieringsinstrumenten om wat te kunnen besparen, aangezien verreweg de meeste door de EU-begroting ondersteunde acties niet geschikt zijn voor financiering via dergelijke instrumenten; is van mening dat de "check-up" eerder moet leiden tot de identificatie van manieren waarop de uitvoering van de EU-uitgavenprogramma’s kan worden verbeterd;

55.  pleit voor een verregaande harmonisatie van de regels met het doel om één pakket regels voor alle EU-begrotingsinstrumenten op te stellen, rekening houdend met fonds- en sectorspecifieke kenmerken,; spoort de Commissie aan de kwestie van de combinatie van verschillende financieringsbronnen aan te pakken door voor duidelijke richtsnoeren ter zake te zorgen en in alle lidstaten een gelijke toegang tot alle financieringsvormen te garanderen;

56.  pleit ook voor een werkelijke vereenvoudiging van de sectorale uitvoeringsregels voor begunstigden, en voor minder administratieve rompslomp door middel van verdere standaardisatie en vereenvoudiging van de procedures en de programmeringsdocumenten; wijst er verder op dat er meer moet worden gedaan voor de capaciteitsopbouw en de technische bijstand aan begunstigden; vraagt om een verschuiving naar op risico's gebaseerde evaluaties;

Eenheid, waarachtigheid van de begroting en transparantie

57.  herinnert eraan dat het beginsel van eenheid, dat bepaalt dat alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen, een in het Verdrag opgenomen eis is alsook een democratische basisvoorwaarde voor een transparante, legitieme begroting waarover verantwoording wordt afgelegd; betreurt het dat dit beginsel steeds vaker niet wordt nageleefd, terwijl de financiële complexiteit is toegenomen, van de historische erfenis van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) tot de instelling van het Europees stabiliteitsmechanisme en de recente uitdijing van ad‑hoc ingestelde niet‑budgettaire mechanismen in de vorm van innovatieve financieringsinstrumenten en externe trustfondsen of faciliteiten die niet in de balans van de Unie opgenomen zijn;

58.  plaatst vraagtekens bij de rechtvaardiging en de meerwaarde van de invoering van instrumenten buiten de Uniebegroting om; is van mening dat met besluiten tot vaststelling of behoud van dergelijke instrumenten in werkelijkheid wordt gepoogd de reële financiële behoeften te verbergen en de beperkingen van het MFK en de plafonds van de eigen middelen te omzeilen; betreurt dat als gevolg daarvan ook het Parlement in zijn drievoudige bevoegdheid als wetgevings-, begrotings- en controleautoriteit wordt gepasseerd en de doelstelling van meer transparantie jegens het grote publiek en begunstigden wordt ondergraven;

59.  herinnert daarom eens te meer aan zijn vaste standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds samen met andere instrumenten buiten het MFK moet worden geïntegreerd in de Uniebegroting om de legitimiteit van de begroting te versterken en het ontwikkelingsbeleid van de Unie doelmatiger en doeltreffender te maken; benadrukt evenwel dat de respectieve financiële middelen moeten worden toegevoegd aan de vastgestelde MFK-plafonds, zodat de budgettering van die instrumenten geen negatieve gevolgen heeft voor de financiering ervan, noch voor andere beleidsmaatregelen en programma's van de EU; is in beginsel ingenomen met het voorstel om het Europees stabiliteitsmechanisme in de financiën van de Unie op te nemen in de vorm van een Europees Monetair Fonds, onverminderd het toekomstige ontwerp daarvan;

60.  is van mening dat EU-trustfondsen een meerwaarde kunnen hebben doordat zij middelen van diverse donoren voor specifieke situaties bijeenbrengen, maar dat zij er niet toe mogen leiden dat geplande EU-financiering eenvoudig van een ander etiket wordt voorzien en dat de oorspronkelijke doelstellingen van de EU-financieringsinstrumenten worden veranderd; benadrukt dat er meer parlementaire controle moet komen op de oprichting en werking van dergelijke trustfondsen; stelt met klem dat EU-trustfondsen alleen moeten worden gebruikt om acties buiten de Unie te ondersteunen;

61.  is voorts van mening dat wanneer niet-budgettaire verrichtingen voor een bepaald deel noodzakelijk worden geacht om bepaalde specifieke doelstellingen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door het gebruik van financieringsinstrumenten of trustfondsen, deze zowel qua omvang als qua duur beperkt moeten blijven, volledig transparant moeten zijn, gerechtvaardigd moeten worden met een aantoonbare additionaliteit en meerwaarde en moeten berusten op krachtige besluitvormingsprocedures en bepalingen inzake de verantwoordingsplicht;

62.  is van mening dat in het volgende MFK de omvang van de bestemmingsontvangsten en de gevolgen ervan voor de werkelijke uitgaven, in het bijzonder wat de bestemmingsontvangsten betreft die voortvloeien uit bijdragen van derde landen, nauwkeuriger in de Uniebegroting moeten worden weergegeven; onderstreept dat dit des te meer geldt nu het VK aan een aantal EU-begrotingsprogramma's van het nieuwe MFK na 2020 wenst deel te nemen als derde land, zoals het in de onderhandelingen over zijn terugtrekking uit de Unie heeft aangegeven;

Betalingsniveau

63.  wijst erop dat betalingen een logisch en wettelijk gevolg zijn van vastleggingen, en dringt erop aan dat de toekomstige betalingsplafonds op een passend niveau worden vastgesteld, waarbij het verschil tussen de vastleggings- en de betalingskredieten beperkt en realistisch blijft; verwacht dat er in de toekomstige betalingsplafonds enerzijds rekening mee wordt gehouden dat de vastleggingen die voortvloeien uit de huidige financiële periode en pas na 2020 in betalingen zullen worden omgezet, gehonoreerd moeten worden, en anderzijds dat aan de verplichtingen in verband met de programma's en instrumenten voor de periode na 2020 moet worden voldaan;

64.  herinnert aan de achterstand van onbetaalde rekeningen die aan het eind van het vorige MFK was ontstaan en naar het huidige MFK is overgedragen, en waarschuwt voor een herhaling van een dergelijke betalingscrisis bij de overgang naar het volgende MFK, die ernstige gevolgen zou hebben voor begunstigden als studenten, universiteiten, kmo's en onderzoekers; wijst op de huidige trend van onderbenutting van betalingen als gevolg van vertragingen bij de uitvoering van de programma's in de periode 2014-2020, waardoor steeds meer openstaande verplichtingen betaalbaar zullen moeten worden gesteld uit de maximumbedragen van het volgende MFK; verzoekt de Commissie en de lidstaten, ook op het niveau van de ministers van Financiën, de onderliggende oorzaken van die vertragingen te analyseren en met concrete maatregelen te komen om de uitvoering in de toekomst te vereenvoudigen;

65.  wijst op het voorlopige resultaat van de onderhandelingen over de financiële afwikkeling in het kader van de terugtrekking van het VK uit de Unie, waarbij het VK volledig deelneemt aan de financiering en de uitvoering van de programma's voor 2014‑2020 met alle relevante financiële gevolgen van dien;

Financieringsinstrumenten

66.  benadrukt dat de EU-begroting beschikt over een breed scala aan instrumenten voor de financiering van activiteiten op EU-niveau, die in twee categorieën kunnen worden ingedeeld, te weten enerzijds subsidies en anderzijds financieringsinstrumenten in de vorm van garanties, leningen, risicodeling en aandelenfinanciering; wijst ook op het Europees Fonds voor strategische investeringen, dat tot doel heeft, ter aanvulling van beperkte financiering. particulier en publiek kapitaal in de hele EU aan te trekken voor projecten op voor de EU-economie belangrijke gebieden;

67.  onderkent dat de financieringsinstrumenten het in zich hebben de economische en politieke impact van de Uniebegroting te vergroten; beklemtoont evenwel dat zij alleen kunnen worden gebruikt in geval van suboptimale investeringsomstandigheden of marktfalen ten behoeve van projecten die ontvangsten genereren, en dat zij daarom slechts een aanvulling op subsidies kunnen vormen en geen alternatieve financieringsvorm; benadrukt dat de financieringsinstrumenten niet bedoeld mogen zijn om reeds bestaande publieke of particuliere financieringsregelingen te vervangen en in overeenstemming moeten zijn met de binnenlandse en internationale verplichtingen;

68.  herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie vast te stellen op welke terreinen het best subsidies gebruikt kunnen worden, op welke financieringsinstrumenten, en op welke subsidies met financieringsinstrumenten gecombineerd kunnen worden, en na te denken over een gepast evenwicht hiertussen; is ervan overtuigd dat subsidies in het volgende MFK de voornaamste methode moeten blijven om het EU-project te financieren; onderstreept dat leningen, garanties, risicodelende instrumenten en aandelenfinanciering voorzichtig moeten worden gebruikt, op basis van passende ex-antebeoordelingen en uitsluitend wanneer het gebruik ervan aantoonbaar een duidelijke meerwaarde en een hefboomeffect heeft; merkt op dat de praktische toepassing van financieringsinstrumenten en de synergie met subsidies kunnen worden verbeterd; verzoekt om grote inspanningen om de toegang tot de financieringsinstrumenten voor begunstigden makkelijker te maken, en om meer flexibiliteit in het sectoroverstijgende gebruik van verschillende financieringsinstrumenten om de beperkende regels te overwinnen die ontvangers beletten van meerdere programma's te profiteren voor projecten met bij elkaar passende doelen;

69.  verzoekt de Commissie in het volgende MFK de regels voor het gebruik van de financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en te harmoniseren met het oog op het creëren van synergieën tussen de verschillende instrumenten en een zo efficiënt mogelijke toepassing; neemt nota van een mogelijk voorstel, dat om een diepgaande discussie zou vragen, voor het in een enkel fonds bijeenbrengen van de financieringsinstrumenten op EU-niveau die onder centraal beheer staan; is van mening dat er een duidelijke structuur moet worden geboden met het oog op de keuze van de verschillende soorten financieringsinstrumenten voor de uiteenlopende beleidsgebieden en soorten acties en dat de betreffende financieringsinstrumenten nog steeds in afzonderlijke begrotingsonderdelen moeten worden opgenomen om duidelijkheid te bieden over de investeringen; onderstreept evenwel dat een dergelijke harmonisatie van de regels geen gevolgen kan hebben voor de financieringsinstrumenten die door de lidstaten worden beheerd in het kader van het cohesiebeleid of het extern optreden;

70.  wijst nogmaals op zijn herhaalde verzoeken om meer transparantie en democratisch toezicht op de uitvoering van financieringsinstrumenten die ondersteund worden door de Uniebegroting;

Structuur

71.  is van mening dat de structuur van het MFK de politieke en begrotingsprioriteiten van de EU beter zichtbaar moet maken voor de Europese burgers, en dringt aan op een duidelijkere presentatie van de EU-uitgaven op alle gebieden; is ervan overtuigd dat de hoofdpijlers van de toekomstige EU-uitgaven die in deze resolutie worden geschetst, als zodanig uit de verf moeten komen;

72.  is daarom van mening dat de huidige voorstelling van de rubrieken op een aantal punten verbetering behoeft, maar verzet zich tegen ongerechtvaardigde radicale veranderingen; stelt daarom de volgende structuur voor het MFK na 2020 voor:

Rubriek 1: een sterkere en duurzame economie

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

onder direct beheer:

–  onderzoek en innovatie

–  industrie, ondernemerschap en kleine en middelgrote ondernemingen

–  digitalisering van economie en samenleving

–  grote infrastructuurprojecten

–  vervoer, energie, ruimte

–  milieu en beperking van en aanpassing aan klimaatverandering

Rubriek 2: sterkere cohesie en solidariteit in Europa

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  economische, sociale en territoriale cohesie (onder gedeeld beheer):

 investeringen in innovatie, onderzoek, digitalisering, industriële transitie, kmo's, vervoer, aanpassing aan en beperking van klimaatverandering, milieu en energie

 werkgelegenheid, sociale zaken en sociale inclusie, gendergelijkheid, armoedebestrijding en demografische uitdagingen

–  onderwijs, jongeren en levenslang leren

–  cultuur, burgerschap, media en communicatie

–  democratie, de rechtsstaat en grondrechten

–  gezondheid en voedselveiligheid

–  asiel, migratie en integratie, justitie en consumentenzaken

–  ondersteuning van en coördinatie met nationale overheden

Rubriek 3: sterkere en duurzame landbouw en visserij

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  landbouw en plattelandsontwikkeling

–  maritieme zaken en visserij

Rubriek 4: grotere verantwoordelijkheid in de wereld

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  internationale samenwerking en ontwikkeling

–  nabuurschap

–  uitbreiding

–  humanitaire hulp

–  democratie, de rechtsstaat, grondrechten en gendergelijkheid

–  handel

Rubriek 5: veiligheid, vrede en stabiliteit voor iedereen

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  veiligheid, waaronder cyberveiligheid

–  crisisrespons en stabiliteit, met inbegrip van burgerbescherming

–  gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

–  defensie, waaronder onderzoek en innovatie

Rubriek 6: doeltreffend bestuur ten dienste van de Europeanen

–  financiering EU-personeel

–  financiering gebouwen en uitrusting van EU-instellingen

73.  dringt er bij de Commissie op aan in een bijlage bij de Europese begroting een overzicht te bieden van alle met de EU verband houdende uitgaven die buiten de EU-begroting om in het kader van intergouvernementele overeenkomsten en procedures plaatsvinden; is van mening dat deze informatie, indien zij jaarlijks wordt verstrekt, een vollediger beeld zou geven van alle investeringen die de lidstaten op Europees niveau hebben toegezegd;

III.Beleid

Een sterkere en duurzame economie

74.  benadrukt het belang van het voltooien van de Europese onderzoeksruimte, de energie-unie, de interne Europese vervoersruimte en de digitale eengemaakte markt als fundamentele onderdelen van de Europese eengemaakte markt;

75.  is van mening dat er in het volgende MFK sprake moet zijn van meer concentratie van begrotingsmiddelen op gebieden waar een duidelijke Europese meerwaarde verkregen kan worden en die de economische groei, het concurrentievermogen, de duurzaamheid en de werkgelegenheid in alle regio's van de EU stimuleren; benadrukt in dit verband het belang van onderzoek en innovatie voor de totstandbrenging van een duurzame, toonaangevende kenniseconomie, en betreurt dat als gevolg van het gebrek aan toereikende financiering in het huidige MFK slechts aan een klein deel van de hoogwaardige projecten op dit gebied EU-financiering werd verstrekt;

76.  dringt daarom aan op een aanzienlijke verhoging van de totale, voor het negende kaderprogramma (KP9) bestemde begrotingsmiddelen in het volgende MFK, die moeten worden vastgesteld op een niveau van minstens 120 miljard EUR; beschouwt dit niveau als passend om het mondiale concurrentievermogen en het wetenschappelijke, technologische en industriële leiderschap van Europa veilig te stellen, een antwoord te bieden op maatschappelijke uitdagingen en de klimaatdoelstellingen van de EU en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) te helpen verwezenlijken; dringt met name aan op inspanningen om baanbrekende, marktcreërende innovatie-initiatieven te stimuleren, in het bijzonder voor kmo's;

77.  vraagt ook om meer aandacht voor de uitvoering van onderzoek en innovatie door middel van gemeenschappelijke ondernemingen en andere instrumenten en voor het ondersteunen van investeringen in sleuteltechnologieën om zo iets te doen aan het tekort aan investeringen op het gebied van innovatie; benadrukt dat de verhoging van de middelen gepaard moet gaan met een vereenvoudiging van de financieringsprocedures; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie in dit verband en dringt aan op de voortzetting ervan in de volgende programmeringsperiode teneinde de aanvragers een betere toegang en een gelijk speelveld te verschaffen met behulp van een nieuw systeem voor de beoordeling van aanvragen; benadrukt dat er maatregelen moeten worden ontwikkeld om een evenwichtige deelname vanuit alle EU-lidstaten te stimuleren;

78.  is ingenomen met het recente voorstel van de Commissie om de komende jaren de financiering van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal te waarborgen; wijst uitdrukkelijk op het belang van dit fonds voor de financiering van onderzoek in deze industriële sector; is daarom van mening dat er een oplossing voor de langere termijn nodig is die de financiering ook na 2020 garandeert en tevens leidt tot opneming van het fonds in de Uniebegroting, zodat het Parlement zijn rol van begrotingscontrole-instantie ten volle kan vervullen;

79.  benadrukt dat kmo's en micro-ondernemingen belangrijke aanjagers zijn van economische groei, innovatie en werkgelegenheid, en 85 % van alle nieuwe banen creëren; wijst op hun belangrijke rol bij het economisch herstel en het stimuleren van een duurzame EU-economie; herinnert eraan dat er in de EU meer dan 20 miljoen kmo's zijn en dat zij 99 % van alle bedrijven uitmaken; is van mening dat het verbeteren van de toegang tot financiering voor kmo's in alle lidstaten een belangrijke beleidsdoelstelling moet blijven in het volgende MFK, teneinde hun concurrentievermogen en duurzaamheid verder te vergroten; onderstreept daarom dat het ondernemerschap moet worden bevorderd en het bedrijfsklimaat voor kmo's moet worden verbeterd, zodat zij zich in de hedendaagse mondiale economie ten volle kunnen ontplooien;

80.  is verheugd over het succes van het speciale EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme) in het kader van het huidige MFK; onderstreept het hoge uitvoeringsniveau van dit programma en wijst erop dat het in staat is nog meer middelen te absorberen; verzoekt daarom de financiële toewijzing aan het Cosme-programma te verdubbelen om het af te stemmen op de werkelijke behoeften van de EU-economie en de aanzienlijke belangstelling voor deelname;

81.  verklaart opnieuw veel waarde te hechten aan het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat ten doel heeft tijdens de looptijd van het huidige MFK 500 miljard EUR aan nieuwe investeringen in de reële economie aan te trekken; is van mening dat het EFSI reeds een krachtige en gerichte impuls heeft gegeven aan economische sectoren die duurzame groei en de werkgelegenheid bevorderen; wijst op het positieve effect van het EFSI op de verstrekking van financiering aan kmo's in de hele Unie; is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie om met een wetgevingsvoorstel te komen tot voortzetting en verbetering van deze investeringsregeling met een specifiek budget dat niet ten koste mag gaan van de bestaande beleidsmaatregelen en programma's in het nieuwe MFK; benadrukt dat elk wetgevingsvoorstel gebaseerd moet zijn op de conclusies van een door de Commissie uitgevoerde beoordeling en een onafhankelijke evaluatie; verwacht dat dankzij het nieuwe voorstel de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het EFSI doeltreffend zullen worden aangepakt en dat o.a. de geografische spreiding van het fonds wordt verbeterd, zodat de voordelen in de hele Unie worden ervaren;

82.  benadrukt het belang van het MFK voor sectoren die afhankelijk zijn van langetermijninvesteringen, zoals de sector duurzaam vervoer; wijst erop dat vervoersinfrastructuur de ruggengraat is van de eengemaakte markt en de basis vormt voor duurzame groei en nieuwe banen; merkt op dat de verwezenlijking van een interne Europese vervoersruimte met verbindingen naar de buurlanden grote vervoersinfrastructuur vereist en moet worden behandeld als een centrale prioriteit voor het concurrentievermogen van de EU en voor de economische, sociale en territoriale cohesie, ook voor perifere gebieden en eilanden; is daarom van mening dat het volgende MFK moet voorzien in voldoende financiering voor projecten waarmee met name een bijdrage wordt geleverd aan de voltooiing van het kernnetwerk en de corridors van het TEN‑V, dat verder moet worden uitgebreid; herinnert aan de tijdens de COP21 vastgestelde vervoersdoelstellingen met het oog op het bestrijden van de klimaatverandering en spoort de lidstaten aan te investeren in slim, duurzaam en geïntegreerd openbaar vervoer;

83.  benadrukt dat in een geactualiseerd en doeltreffender CEF-programma alle vervoerswijzen aan bod moeten komen, ook de weg- en spoorweginfrastructuur en de binnenwateren; is van mening dat daarin prioriteit moet worden toegekend aan grotere verbindingen tussen uitgebreide netwerken en vervoerswijzen die bijdragen tot een vermindering van de CO2-uitstoot, en dat de nadruk moet liggen op onderlinge verbindingen en op de voltooiing van het netwerk in perifere gebieden; herhaalt hoe belangrijk het is de interoperabiliteit te verbeteren via het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer en volledig te profiteren van het initiatief gericht op een gemeenschappelijk Europees luchtruim; dringt aan op voltooiing van het Europese digitale systeem voor luchtverkeersbeheer;

84.  dringt erop aan dat in het volgende MFK een specifieke begrotingslijn voor toerisme wordt opgenomen, om tot een echt Europees toerismebeleid te komen dat in aanzienlijke mate kan bijdragen aan de groei en nieuwe werkgelegenheid;

85.  verzoekt de Commissie investeringen te stimuleren in de ontwikkeling van technologieën van de volgende generatie en de uitrol daarvan te bevorderen; onderstreept hoe belangrijk het is financiering te waarborgen met het oog op de voltooiing van de digitale eengemaakte markt door optimaal gebruik te maken van het spectrum, te zorgen voor de modernisering van de vaste netwerken en de verdichting van de mobiele netwerken, de uitrol van 5G en gigabitconnectiviteit te bevorderen en verdere vooruitgang te boeken bij de harmonisatie van de EU-telecomvoorschriften om een passend regelgevingskader tot stand te brengen voor de verbetering van de internetconnectiviteit in de hele Unie; benadrukt dat CEF-Telecommunicatie de infrastructuur voor digitale diensten en breedbandnetwerken moet blijven ondersteunen door deze toegankelijk te maken, ook in afgelegen gebieden en op het platteland, en door de digitale geletterdheid, de interconnectiviteit en de interoperabiliteit te verbeteren; onderstreept dat steun moet worden verleend voor de digitalisering van de Europese samenleving en economie en dat moet worden geïnvesteerd in essentiële technologie, zoals big data, kunstmatige intelligentie en high performance computing, in infrastructuur en in digitale vaardigheden met het oog op de versterking van het concurrentievermogen van de EU en de verbetering van de levenskwaliteit van de Europeanen;

86.  acht het garanderen van een duurzame en betaalbare energievoorziening in Europa essentieel; dringt daarom aan op voortdurende ondersteuning van investeringen die de diversificatie van energiebronnen en ‑trajecten garanderen, de energiezekerheid en de onafhankelijkheid op energiegebied vergroten en de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie verhogen, onder meer in het kader van CEF-Energie; benadrukt met name hoe belangrijk het is te zorgen voor uitgebreide steun, in het bijzonder voor koolstofintensieve regio's, de energietransitie, de overschakeling naar een koolstofarme economie, de modernisering van de elektriciteitsopwekking, de verbetering van grensoverschrijdende interconnecties en de uitrol van slimme elektriciteitsnetten, technologieën voor CO2-afvang, -opslag en -benutting, en de modernisering van de stadsverwarming; is dan ook van mening dat de transformatie van de energiesector gezien de klimaatdoelstellingen moet worden ondersteund, met name in regio's en landen die van kolen afhankelijk zijn, om daadwerkelijk bij te dragen tot een strategische transitie naar een emissiearme economie; dringt aan op de oprichting van een globaal fonds om een eerlijke transitie te ondersteunen, met name door de ontwikkeling en toepassing van hernieuwbare energiebronnen, oplossingen voor energie-efficiëntie, energieopslag, oplossingen en infrastructuur voor elektrische mobiliteit, modernisering van de elektriciteitsproductie en -netten, geavanceerde technologieën voor energieopwekking, waaronder koolstofafvang en -opslag (CCS), koolstofafvang en -benutting (CCU) en kolenvergassing, modernisering van de stadsverwarming, o.a. door zeer efficiënte warmtekrachtkoppeling, vroegtijdige aanpassing aan toekomstige milieunormen en herstructurering van energie-intensieve sectoren, alsook door het aanpakken van de maatschappelijke, economische en milieugevolgen;

87.  onderstreept het strategische belang van grootschalige infrastructuurprojecten, namelijk de internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER), de European Geostationary Navigation Overlay Service (Egnos), het wereldwijd satellietnavigatiesysteem (Galileo), het programma voor aardobservatie (Copernicus) en de toekomstige satellietcommunicatie voor de overheid (Govsatcom) voor het concurrentievermogen, de veiligheid en de politieke invloed van de EU in de toekomst; wijst erop dat de financiering van deze grootschalige projecten door de EU-begroting moet zijn gewaarborgd, maar tegelijkertijd duidelijk moet worden afgebakend, om ervoor te zorgen dat eventuele kostenoverschrijdingen op dit gebied niet ten koste gaan van de financiering en de succesvolle uitvoering van ander EU-beleid, zoals in sommige individuele gevallen in het vorige MFK is gebleken; herinnert eraan dat hiertoe het maximumbedrag voor deze projecten momenteel is vastgelegd in de MFK-verordening, en dringt aan op gelijkaardige bepalingen in de nieuwe verordening;

88.  benadrukt het belang van en de vooraanstaande rol van de EU bij het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en de aanpak van de klimaatverandering, de achteruitgang van ecosystemen en het verlies van biodiversiteit; is van mening dat een stabiele en passende financiering van cruciaal belang is om de internationale verbintenissen die de EU bijvoorbeeld in de Overeenkomst van Parijs is aangegaan, te kunnen nakomen; wijst er nogmaals op dat het volgende MFK de Unie moet helpen bij het halen van die doelstellingen en moet bijdragen aan de overschakeling naar een koolstofarme economie tegen 2050; onderstreept dat de EU geen projecten en investeringen mag financieren die de verwezenlijking van die doelstellingen in de weg staan; verzoekt om de klimaatproblematiek stevig in de toekomstige EU-uitgaven te integreren; verzoekt in dit verband om een behoorlijke financiering van de betrokken programma's, zoals LIFE+, waarbij de financiële middelen ervoor moeten worden verdubbeld, en om de vaststelling van specifieke budgetten voor biodiversiteit en voor het beheer van het Natura 2000-netwerk;

Sterkere cohesie en solidariteit in Europa

89.  benadrukt dat het cohesiebeleid na 2020 het belangrijkste investeringsbeleid van de Europese Unie moet blijven en zich tot alle EU-regio's moet uitstrekken met het oog op de aanpak van complexe sociaaleconomische vraagstukken, waarbij het merendeel van de middelen op de meest kwetsbare regio's wordt toegespitst; is van mening dat met het cohesiebeleid niet alleen de in het Verdrag verankerde doelstellingen, te weten het verkleinen van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus en het bevorderen van de convergentie, moeten worden nagestreefd, maar dat dit beleid zich ook moet richten op de brede politieke doelstellingen van de EU, en stelt daarom voor de drie fondsen voor het cohesiebeleid – het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds – in het volgende MFK vooral toe te spitsen op de ondersteuning van groei en concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, digitalisering, de industriële transitie, kmo's, vervoer, aanpassing aan en matiging van klimaatverandering, ecologische duurzaamheid en een rechtvaardige energietransitie, werkgelegenheid, sociale integratie, gendergelijkheid, armoedebestrijding en demografische vraagstukken; benadrukt dat de drie fondsen samen de integrale onderdelen van het cohesiebeleid van de EU vormen en dat zij in het kader van dit beleid alleen gezamenlijk kunnen functioneren; dringt bovendien aan op een versterking van de territoriale samenwerking, inclusief een grensoverschrijdende component en een stedelijke beleidsdimensie, alsmede specifieke bepalingen voor plattelandsgebieden, bergregio's, eilanden en afgelegen gebieden;

90.  acht het van het grootste belang dat het financieringsniveau van het cohesiebeleid voor de EU-27 na 2020 ten minste wordt gehandhaafd op het niveau van de begroting voor 2014-2020 tegen constante prijzen; benadrukt dat het bbp een van de parameters moet blijven voor de toewijzing van middelen in het kader van het cohesiebeleid, maar is van mening dat dit moet worden aangevuld met een reeks sociale, milieu- en demografische indicatoren om beter rekening te houden met nieuwe vormen van ongelijkheid tussen en binnen regio's in alle lidstaten; is bovendien voorstander van handhaving in de nieuwe programmeringsperiode van de elementen die het cohesiebeleid in het huidige MFK moderner en meer resultaatgericht hebben gemaakt, namelijk de thematische concentratie, de ex-antevoorwaarden, het prestatiekader en de koppeling met economische governance;

91.  hecht groot belang aan de verbintenissen die voortvloeien uit artikel 9 VWEU inzake de verwezenlijking van een sociaal Europa en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten op basis van de duurzame groei van een zeer concurrerende sociale markteconomie, waarbij wordt gemikt op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, de solidariteit tussen de generaties en de bescherming van de rechten van het kind zoals verankerd in het Verdrag worden bevorderd; wijst erop dat om die uitvoering mogelijk te maken het sociale beleid naar behoren moet worden gefinancierd, en onderstreept de hieruit voortvloeiende behoefte aan versterking van de bestaande instrumenten die hieraan bijdragen, in het bijzonder het ESF, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, het EFG en het EaSI-programma; dringt erop aan dat deze instrumenten worden beschermd in het volgende MFK en hoofdzakelijk via subsidies blijven functioneren;

92.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en alle lidstaten voor de oprichting van een speciaal fonds voor de kindergarantie, waarbij kinderen in het middelpunt van een steeds breder armoedebestrijdingsbeleid worden geplaatst, en gezorgd wordt voor de overeenkomstige middelen voor de volledige uitvoering van de nodige beleidsmaatregelen, waaronder hulp aan ouders via gerichte tussenkomsten om sociale uitsluiting en werkloosheid te overwinnen;

93.  wijst erop dat het ESF in het bijzonder zijn steun aan de ontwikkeling van de sociale dialoog moet uitbreiden, met name door de capaciteitsopbouw van de sociale partners te verbeteren, ook op Europees sectoraal en intersectoraal niveau, en dat die verbintenis voor de lidstaten in alle regio's van de EU verplicht moet worden;

94.  benadrukt met name dat er doorlopend behoefte is aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en uitsluiting, in het bijzonder onder jongeren die geen onderwijs of een opleiding volgen en geen baan hebben (NEET's), in het kader van een brede benadering van het jeugdbeleid op EU-niveau; dringt daarom aan op een verdubbeling van de middelen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en op volledige tenuitvoerlegging van de jongerengarantie van de EU, waarbij een snelle en vereenvoudigde besteding van de middelen wordt gewaarborgd alsook een permanente, stabiele financiering in de volgende programmeringsperiode; onderstreept de noodzaak van een betere regelgeving om niet-discriminerende deelname aan het programma door jongeren die door hun sociaaleconomische achtergrond kansarm zijn, te waarborgen; is van mening dat investeringen ter bevordering van onderwijs en opleiding, in het bijzonder de ontwikkeling van digitale geletterdheid, tot de topprioriteiten van de EU blijven behoren; stelt met klem dat uit dit programma geen uitgaven mogen worden gefinancierd die voordien werden gedekt uit de nationale begrotingen;

95.  spreekt zijn steun uit voor programma's op het gebied van cultuur, onderwijs, media, jeugd, sport, democratie, burgerschap en maatschappelijke organisaties, die duidelijk hun Europese meerwaarde hebben bewezen en populair zijn en blijven onder de begunstigden; pleit daarom voor voortdurende investeringen in het kader van Onderwijs en Opleiding 2020 via de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger, om zo te trachten mensen van alle leeftijden en in het bijzonder jongeren te bereiken; betuigt nogmaals zijn steun voor de versterking van de externe dimensie van de programma's Erasmus+ en Creatief Europa; beveelt verder de voortzetting van het Europees solidariteitskorps aan, met voldoende middelen die niet ten koste van andere EU-programma's gaan; onderstreept tevens de aanzienlijke bijdrage die de culturele en creatieve sector levert aan de groei en de werkgelegenheid in de EU;

96.  beveelt aan een door de Commissie te beheren intern Europees fonds voor democratie op te zetten voor meer steun aan maatschappelijke organisaties en ngo's die werken op het gebied van democratie en mensenrechten;

97.  pleit er met name voor dat de middelen voor Erasmus+ in het volgende MFK ten minste worden verdrievoudigd, om veel meer jongeren, jongerenorganisaties, middelbare scholieren en leerlingen in heel Europa te bereiken en hun waardevolle bekwaamheden en levensvaardigheden bij te brengen via een leven lang leren, studentgerichte, niet-formele en informele leermogelijkheden, en vrijwilligers- en jeugdwerk; vraagt om speciale aandacht voor mensen uit een kansarm sociaaleconomisch milieu, zodat zij aan het programma kunnen deelnemen, alsmede voor mensen met een handicap;

98.  verzoekt de Commissie een vervolg te geven aan het project "Interrailpas voor Europa voor achttienjarigen" en voor het volgende MFK een specifiek programma uit te werken met voldoende jaarlijkse kredieten om alle aanvragen voor een gratis treinabonnement van jonge Europeanen die in een bepaald jaar 18 worden te bekostigen; onderstreept dat een dergelijk project een belangrijk onderdeel zou worden bij het versterken van het Europese bewustzijn en de Europese identiteit, met name met het oog op dreigingen zoals het populisme en de verspreiding van misleidende informatie; wijst er nogmaals op dat van de Commissie wordt verwacht dat zij een goede rechtsgrond voorstelt, om te kunnen bereiken wat met een dergelijk programma wordt beoogd;

99.  verwacht dat de Europese Unie in de periode na 2020 het accent zal kunnen verschuiven van crisismanagement naar een permanent gemeenschappelijk Europees beleid op het gebied van asiel en migratie; benadrukt dat de acties op dit gebied gedekt moeten worden door een specifiek instrument, namelijk het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF); beklemtoont dat het toekomstige fonds en de desbetreffende agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ) gedurende het gehele volgende MFK over voldoende financiering moeten beschikken om de omvattende uitdagingen op deze gebieden aan te kunnen gaan; is bovendien van mening dat het AMIF moet worden aangevuld met bijkomende onderdelen om deze kwestie ook op andere beleidsgebieden aan te pakken, met name via de Europese structuur- en investeringsfondsen en de instrumenten ter financiering van extern optreden, aangezien niet mag worden verwacht dat een enkel instrument soelaas kan bieden voor de omvangrijke en complexe behoeften op dit gebied; onderkent bovendien het belang van culturele, onderwijs-, jongeren- en sportprogramma's voor de integratie van vluchtelingen en migranten in de Europese samenleving; vraagt de Commissie te onderzoeken of de rol van de Europese steden in het Europese asielbeleid kan worden versterkt door het invoeren van een stimuleringsregeling met rechtstreekse financiële steun aan steden voor de huisvesting van vluchtelingen en economische ontwikkeling in ruil voor het opnemen van vluchtelingen en asielzoekers;

100.  onderkent de Europese meerwaarde van samenwerking bij de aanpak van gemeenschappelijke bedreigingen van de volksgezondheid; merkt op dat geen enkele lidstaat grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen alleen aankan, en dringt erop aan dat in het volgende MFK de verantwoordelijkheid van de EU wordt weerspiegeld om de SDG inzake volksgezondheid, zorgstelsels en milieugerelateerde gezondheidsproblemen te verwezenlijken en de lidstaten te ondersteunen bij het wegnemen van de toenemende ongelijkheden op gezondheidsgebied; is van mening dat het volgende MFK, uitgaande van het positieve resultaat van de lopende acties op dit gebied, een uitgebreid vervolgprogramma op gezondheidsgebied moet omvatten waarin deze kwesties grensoverschrijdend worden aangepakt, bijvoorbeeld met innovatieve oplossingen voor de zorgverstrekking, ook langs digitale weg, zoals de Europese referentienetwerken, en dat de lidstaten ondersteuning biedt in de vorm van deskundigheid en uitwisseling van gegevens, bewijsmateriaal en goede praktijken; herinnert eraan dat een goede gezondheid een basisvoorwaarde is voor het verwezenlijken van andere door de EU vastgestelde doelstellingen en dat beleid op het gebied van bijvoorbeeld landbouw, milieu, werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie ook gevolgen heeft voor de gezondheid van de Europeanen; dringt daarom aan op versterking van de gezondheidseffectbeoordelingen en op sectoroverschrijdende samenwerking op dit gebied in het volgende MFK;

Sterkere en duurzame landbouw en visserij

101.  bevestigt dat een gemoderniseerd gemeenschappelijk landbouwbeleid van fundamenteel belang is voor de voedselzekerheid en -autonomie, de instandhouding van de bevolking en de werkgelegenheid op het platteland, een duurzame ontwikkeling, de duurzaamheid van het milieu en de land- en bosbouw en de productie van gezonde, hoogwaardige en betaalbare levensmiddelen voor de Europeanen; wijst erop dat de eisen met betrekking tot voedsel en gezondheid zijn toegenomen, net als de noodzaak om de overstap van de Europese landbouw naar milieuvriendelijke landbouwmethoden te ondersteunen en de klimaatverandering aan te pakken; wijst erop dat het nodig is de boeren een verzekerd inkomen te garanderen en een sterkere koppeling aan te brengen tussen het GLB en de levering van collectieve goederen; onderstreept dat het GLB een van de meest geïntegreerde beleidsdomeinen is en dat het voornamelijk op EU-niveau wordt gefinancierd, dus niet via nationale uitgaven;

102.  benadrukt dat de GLB-begroting in het volgende MFK voor de EU-27 ten minste op het huidige niveau tegen constante prijzen moet worden gehandhaafd; benadrukt dat de nieuwe uitdagingen waarmee het nieuwe GLB te maken krijgt, om een stevige financiële toewijzing vragen die berust op een analyse van het huidige beleid en de toekomstige behoefte; onderstreept dat rechtstreekse betalingen een duidelijke EU‑meerwaarde bieden en de interne markt versterken, doordat concurrentieverstoringen tussen de lidstaten worden voorkomen; verzet zich dan ook tegen renationalisering en tegen de invoering van nationale medefinanciering voor rechtstreekse betalingen; benadrukt dat het noodzakelijk is de maatregelen te verlengen voor de instandhouding van de productie in sectoren die van vitaal belang zijn voor kwetsbare gebieden, de crisisreserve voor de landbouw te hervormen, de financiering te verhogen in functie van de maatregelen waarmee wordt gereageerd op de verschillende cyclische crises in gevoelige sectoren, nieuwe instrumenten te creëren die de prijsvolatiliteit kunnen temperen, en de financiering te verhogen voor programma's met speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen (Posei); verzoekt de Commissie met klem door te gaan met het convergentieproces bij rechtstreekse betalingen en te zorgen voor het noodzakelijke financiële en juridische kader voor de voedselvoorzieningsketen, teneinde oneerlijke handelspraktijken te bestrijden; wijst erop dat de plattelandsgebieden in de EU ernstige problemen ondervinden en daarom specifieke steun nodig hebben;

103.  benadrukt het sociaal-economische en ecologische belang van de visserijsector, het maritieme milieu en de "blauwe economie" en de bijdrage daarvan aan de onafhankelijkheid van de EU inzake duurzame voedselvoorziening, omdat zij de duurzaamheid van de Europese aquacultuur en visserij te waarborgen en de milieueffecten beperken; wijst erop dat het gemeenschappelijk visserijbeleid een exclusieve bevoegdheid van de EU is; benadrukt in dit verband dat een specifiek, omvangrijk, onafhankelijk en toegankelijk visserijfonds nodig blijft om dit beleid uit te voeren; verzoekt om het Programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen in de visserij opnieuw in te stellen, aangezien dit een zeer belangrijk programma is voor de ultraperifere gebieden in de EU; pleit ervoor om de omvang van de kredieten voor de visserijsector in het huidige MFK op zijn minst te handhaven en, indien nieuwe behoeften ontstaan, de kredieten voor maritieme zaken te verhogen; waarschuwt voor de mogelijke negatieve gevolgen van een harde brexit voor deze sector; merkt op dat andere financieringsinstrumenten aanvullende financieringsmogelijkheden kunnen bieden, boven op de niet terug te betalen steun;

Grotere verantwoordelijkheid in de wereld

104.  benadrukt dat de wereld geconfronteerd wordt met talrijke problemen, zoals conflicten, cyberaanvallen, terrorisme en radicalisering, desinformatie, natuurrampen, klimaatverandering en verslechtering van het leefmilieu, mensenrechtenschendingen en genderongelijkheid; is van mening dat de Unie een bijzondere politieke en financiële verantwoordelijkheid heeft, die berust op een werkelijk Europees, op regels en waarden gebaseerd buitenlands beleid, en op steun voor de stabiliteit, de veiligheid, het democratisch bestuur en de duurzame ontwikkeling van onze partners, alsmede op de uitroeiing van armoede en het reageren op crises;

105.  beklemtoont dat de middelen voor het extern optreden aanzienlijk moeten worden verhoogd, wil de Unie haar rol spelen in het kader van haar mondiale strategie en haar uitbreidings-, nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid en bij de omgang met noodsituaties; verwacht dat het volgende MFK tegemoetkomt aan de ongekend grote behoeften van de zuidelijke en oostelijke nabuurschapslanden die te maken hebben met conflicten en de gevolgen van de uitdagingen op het gebied van migratie en vluchtelingen; wil dat er meer middelen worden toegewezen met het oog op de toenemende behoefte aan humanitaire hulp na natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen, waarbij een kloof tussen vastleggingen en betalingen moet worden vermeden; is van mening dat de Unie haar bijdrage aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) moet verhogen; benadrukt bovendien de behoefte aan bijkomende hulpmiddelen om een investeringsplan voor Afrika te financieren om inclusieve groei en duurzame ontwikkeling te bevorderen, en zo enkele van de grondoorzaken van irreguliere migratie aan te pakken;

106.  herinnert eraan dat de Unie zich in haar ontwikkelingsbeleid laat leiden door een aantal verplichtingen, met name de SDG's, de actieagenda van Addis Abeba over financiering voor ontwikkeling, de klimaatovereenkomst van Parijs en de Europese consensus inzake ontwikkeling, alsmede de beginselen die gelden voor de beleidscoherentie voor ontwikkeling en de doeltreffendheid van hulp; vestigt de aandacht op de verbintenis van de EU en haar lidstaten om de officiële ontwikkelingshulp (ODA) tot 2030 op te trekken tot 0,7 % van het bbp, waarbij 20 % van de ODA van de EU naar sociale integratie en menselijke ontwikkeling gaat en 0,2 % van het bni van de EU wordt besteed aan ODA voor de minst ontwikkelde landen;

107.  merkt op dat ontwikkelingshulp een belangrijke rol kan spelen bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie en kan bijdragen aan de stabiliteit, maar is van mening dat de ODA niet mag worden gebruikt ter dekking van de vluchtelingenkosten in donorlanden; wijst op de potentiële rol van de ODA om de beschikbaarstelling van financiële middelen uit andere bronnen te faciliteren, en onderstreept dat er sterker met de particuliere sector moet worden samengewerkt via een mogelijke verlenging van het externe investeringsplan, uitgaande van een evaluatie van dit plan;

108.  steunt de rechtstreekse financiering van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten, met name in derde landen waar de democratie en de rechtsstaat gevaar lopen; benadrukt in dit verband dat de externe financieringsinstrumenten snel moeten inspringen op politieke ontwikkelingen en meer gewicht moeten geven aan het beginsel "meer voor meer";

109.  is bereid een vereenvoudigde, gestroomlijnde structuur te overwegen voor de externe financieringsinstrumenten, zolang dit leidt tot meer transparantie, verantwoordingsplicht, efficiëntie, samenhang en flexibiliteit en zolang de doelstellingen van het onderliggende beleid in acht worden genomen; dringt, gezien hun specifieke politieke en financiële karakter, aan op handhaving van aparte speciale instrumenten voor pretoetredingssteun, het nabuurschapsbeleid, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; merkt op dat een dergelijke structuur een in de begroting opgenomen EOF moet omvatten, dat boven op de overeengekomen plafonds komt zonder de Vredesfaciliteit voor Afrika, en dat de relevante trustfondsen en faciliteiten hierin transparanter moeten worden opgenomen;

110.  onderstreept het belang van meer flexibiliteit, waardoor het mogelijk is extra middelen beschikbaar te stellen en deze snel in te zetten; zou zich in het kader van een algemene middelenverhoging voor de externe financieringsinstrumenten een grotere niet-toegewezen reserve kunnen voorstellen om de ingebouwde flexibiliteit te verhogen; benadrukt echter dat deze flexibiliteit niet ten koste mag gaan van de beleidsdoelstellingen voor de lange termijn en de geografische en thematische prioriteiten, de voorspelbaarheid van langdurige steun, de parlementaire controle en het overleg met de partnerlanden en het maatschappelijk middenveld;

Veiligheid, vrede en stabiliteit voor iedereen

111.  is van mening dat de opneming van een nieuwe rubriek "Veiligheid, vrede en stabiliteit voor iedereen" zou laten zien dat de Unie prioriteit geeft aan deze opkomende beleidsverantwoordelijkheid, de specifieke aard daarvan erkent en samenhang tussen de interne en externe dimensie ervan tot stand brengt;

112.  benadrukt dat het niveau en de mechanismen voor financiering op het gebied van interne veiligheid vanaf het begin en voor de gehele duur van het volgende MFK moeten worden versterkt om te vermijden dat elk jaar stelselmatig een beroep wordt gedaan op de flexibiliteitsbepalingen van het MFK; dringt erop aan dat voldoende middelen worden verstrekt aan de rechtshandhavingsinstanties (Europol, Eurojust en Cepol) en dat het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen (eu-LISA) de middelen krijgt om zijn nieuwe taken uit te voeren en te beheren; beklemtoont de rol van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het inzicht in en de aanpak van de verschijnselen radicalisering, marginalisering, haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven;

113.  is van mening dat het volgende MFK de oprichting van een Europese defensie-unie moet ondersteunen; kijkt na de aankondigingen van de Commissie ter zake uit naar de desbetreffende wetgevingsvoorstellen, waaronder een specifiek EU-programma voor defensieonderzoek en een industrieel ontwikkelingsprogramma, aangevuld met investeringen van de lidstaten in gezamenlijk uitrusting; bevestigt in deze context zijn sterke overtuiging dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen; herinnert eraan dat een sterkere samenwerking op defensiegebied, de bundeling van onderzoeksinspanningen en uitrusting en het terugdringen van overlappingen de strategische autonomie en het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie zullen vergroten en tot aanzienlijke efficiëntiewinsten zullen leiden, die vaak op ongeveer 26 miljard EUR per jaar worden geschat;

114.  vraagt om een herbeoordeling van alle uitgaven voor externe veiligheid, nu er meer aandacht is voor veiligheid en defensie in de Unie; ziet met name uit naar een hervorming van het Athenamechanisme en van de Vredesfaciliteit voor Afrika na de opneming van het EOF in de begroting; is ingenomen met de recente verbintenissen van de lidstaten in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking en vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie de toekomstige financiering daarvan toe te lichten; dringt aan op een vervolgprogramma voor het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede dat gericht is op crisisrespons en capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling, waarbij een juridisch solide oplossing voor de militaire capaciteitsopbouw moet worden gevonden;

115.  benadrukt het enorme belang van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, dat gecoördineerde EU-bijstand mogelijk heeft gemaakt bij natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen binnen en buiten de Unie; wijst op de onbetwistbare toegevoegde waarde van civielebeschermingsoperaties bij de effectieve bestrijding van rampen, die steeds vaker voorkomen en complexer worden, en stelt dat deze operaties bovendien het gevoel van Europese solidariteit onder EU-burgers bevorderen in tijden van nood; is ingenomen met de recente voorstellen van de Commissie om de civiele bescherming in de EU te versterken door middel van sterkere maatregelen op het gebied van paraatheid en preventie, onder meer door de oprichting van een specifieke operationele reserve op Unieniveau; vraagt de extra inspanningen op dit gebied in het volgende MFK te koppelen aan adequate financiering;

Doeltreffend bestuur ten dienste van de Europeanen

116.  is van mening dat een sterk, goed werkend en hoogwaardig openbaar bestuur onmisbaar is voor de uitvoering van het Uniebeleid en voor het herwinnen van het vertrouwen van en het intensiveren van de dialoog met de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de burgers op alle niveaus; beklemtoont in dat verband de rol van de instellingen met democratisch gekozen leden; herinnert eraan dat de instellingen, organen en agentschappen van de EU de beoogde verlaging van het aantal personeelsleden met 5 % volgens de Rekenkamer hebben bereikt; is van oordeel dat er geen verdere horizontale inkrimping van deze aard mag worden toegepast; geeft aan sterk te zijn gekant tegen een herhaling van de zogenaamde herschikkingspool voor agentschappen;

117.  is ingenomen met de initiatieven van de instellingen, organen en agentschappen om de doeltreffendheid verder te vergroten door meer administratieve samenwerking en de bundeling van bepaalde functies, hetgeen besparingen voor de begroting van de Unie oplevert; beklemtoont dat voor bepaalde agentschappen nog meer efficiëntiewinst kan worden behaald, in het bijzonder door meer samenwerking tussen agentschappen met gelijkaardige taken, bijvoorbeeld op het gebied van toezicht op de financiële markten, en agentschappen met meerdere locaties; roept meer in het algemeen op tot een grondige evaluatie van de mogelijkheden om agentschappen te groeperen overeenkomstig de strategische aard van hun taakstelling en hun resultaten, teneinde onderlinge synergieën te realiseren, bijv. tussen de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten in Parijs;

118.  is van mening dat binnen de EU-instellingen en -organen sprake moet zijn van zowel een geografisch als een genderevenwicht;

119.  verzoekt de Commissie een regeling voor te stellen die inhoudt dat lidstaten die de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde waarden niet eerbiedigen, hiervan financiële gevolgen kunnen ondervinden; waarschuwt evenwel dat de eindbegunstigden van de EU-begroting op geen enkele wijze kunnen worden aangesproken op overtredingen van de regels waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn; is er daarom van overtuigd dat de begroting van de Unie niet het juiste instrument is om op te treden tegen de niet-naleving van artikel 2 VEU en dat eventuele financiële gevolgen los van de begrotingsuitvoering door de lidstaat moeten worden gedragen;

120.  benadrukt dat de beëindiging van discriminatie alsmede genderongelijkheid en geweld op basis van geslacht cruciaal is, wil de EU haar toezeggingen met betrekking tot een inclusief Europa gestand doen; is daarom voorstander van gendermainstreaming en een engagement voor gendergelijkheid op alle beleidsterreinen van de EU in het nieuwe MFK, en van een sterkere begrotingsdimensie bij de bestrijding van alle vormen van discriminatie, met bijzondere aandacht voor de genderdimensie in het migratie- en asielbeleid en in het externe beleid van de EU;

121.  benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat vrouwen toegang hebben tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en dat er in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de specifieke behoeften van kwetsbare personen, waaronder minderjarigen en andere groepen, zoals de LGBTI-gemeenschap;

122.  pleit ervoor specifieke steun te verlenen aan benadeelde doelgroepen, waarbij segregatiepraktijken uitdrukkelijk moeten worden uitgesloten, in het bijzonder personen met een handicap en Roma, en met name de benaming "Roma" op de lijst van begunstigden van het ESF en het EFRO te houden;

123.  stelt vast dat de ultraperifere regio's (UPR's) en de landen en gebieden overzee (LGO's) door hun geïsoleerde ligging ten opzichte van het Europese vasteland te maken hebben met specifieke natuurlijke, economische en sociale problemen; is van mening dat deze gebieden moeten kunnen profiteren van maatregelen op maat en naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingen; dringt aan op voortzetting van de financiële steun van de EU aan de UPR's en LGO's in het volgende MFK, en wel via het cohesiebeleid voor de UPR's en via een speciaal instrument voor de LGO's, ten behoeve van hun toegang tot onderzoeksprogramma's en de bestrijding van hun specifieke klimaatproblemen;

124.  dringt er, met het oog op een goed financieel beheer en de transparantie van de begroting van de Europese Unie, bij de Commissie op aan om na te denken over passende voorwaarden voor het voorkomen van corruptie en financiële fraude met betrekking tot de EU-middelen; spreekt met name zijn bezorgdheid uit over de douanefraude, die een aanzienlijk inkomensverlies voor de begroting van de Unie tot gevolg heeft; verzoekt de lidstaten die bezwaar hebben gemaakt tegen het rechtskader van de Unie voor douaneovertredingen en -sancties, hun standpunt te herzien om dit probleem spoedig te kunnen oplossen;

IV.Procedure en besluitvormingsproces

125.  herinnert eraan dat de vaststelling van de MFK-verordening alleen mogelijk is met goedkeuring van het Parlement; benadrukt bovendien dat het Parlement en de Raad, de twee takken van de begrotingsautoriteit, de jaarlijkse begroting van de EU op voet van gelijkheid vaststellen, terwijl de sectorale wetgeving tot vaststelling van veruit de meeste EU-programma's, met inbegrip van de daaraan toegewezen financiële middelen, volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt vastgesteld; verwacht daarom dat de rol en de prerogatieven van het Parlement, zoals bedoeld in de Verdragen, worden geëerbiedigd in de besluitvormingsprocedure over het volgende MFK; stelt dat de MFK-verordening niet de juiste plaats is voor wijzigingen in het Financieel Reglement van de EU; dringt er bij de Commissie op aan een apart voorstel tot herziening van het Financieel Reglement in te dienen, wanneer dit wijziging behoeft;

126.  toont zich bereid om onmiddellijk een gestructureerde dialoog over het MFK na 2020 aan te gaan met de Commissie en de Raad om de verdere onderhandelingen te vergemakkelijken en tegen het einde van deze zittingsperiode een overeenkomst mogelijk te maken; is bereid om de in deze resolutie vervatte standpunten te bespreken met de Raad, met het oog op een beter begrip van de verwachtingen van het Parlement ten aanzien van het volgende MFK;

127.  wijst erop dat de voorstellen van de Commissie voor mei 2018 zijn aangekondigd, en onderstreept dat een formeel besluit over het volgende MFK binnen één jaar moet worden genomen; is van oordeel dat er ondanks de aanvankelijke vertraging bij de presentatie van de voorstellen van de Commissie tijdig overeenstemming over het kader voor de periode na 2020 moet worden bereikt, om een belangrijk politiek signaal te doen uitgaan over het vermogen van de EU om tot een consensus te komen over de toekomst van de EU en over de bijbehorende financiële middelen; wijst erop dat dit tijdschema het onder meer mogelijk zal maken dat alle sectorale verordeningen snel worden goedgekeurd, zodat alle nieuwe programma's zonder vertraging op 1 januari 2021 van start kunnen gaan; herinnert eraan dat de nieuwe programma's in eerdere financiële kaders in feite pas enkele jaren na het begin van de periode van start gingen;

128.  is van mening dat het nieuw verkozen Parlement bij volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden en binnen de zes maanden na de Europese verkiezingen de Commissie mag verzoeken een voorstel in te dienen voor een herziening van de sectorale wetgeving tot vaststelling van de vervolgprogramma's van de EU voor het volgende MFK die tijdens de vorige zittingsperiode is aangenomen;

129.  onderstreept dan ook dat de inhoudelijke discussies tussen de drie instellingen onverwijld op gang moeten worden gebracht; benadrukt dat alle punten van de MFK‑verordening, met inbegrip van de MFK-plafonds, deel zullen uitmaken van de onderhandelingen over het MFK en ter tafel moeten blijven tot er een definitieve overeenkomst is bereikt; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de huidige MFK‑verordening en ten opzichte van de dominante rol die de Europese Raad in dit proces heeft gespeeld door een onherroepelijk besluit te nemen over een aantal punten, waaronder de MFK-plafonds en verscheidene bepalingen in verband met het sectoraal beleid;

130.  is van oordeel dat de procedures die verband houden met de komende onderhandelingen over het MFK, en met name de betrokkenheid van het Parlement bij de verschillende fasen van dit proces, onverwijld moeten worden afgesproken onder het Bulgaarse voorzitterschap en vóór de presentatie van de voorstellen voor het MFK; verwacht in deze context dat de Commissie tijdig evenveel informatie aan het Parlement zal verstrekken als aan de Raad; is van mening dat deze regelingen uiteindelijk in het IIA moeten worden opgenomen, zoals voor de jaarlijkse begrotingsprocedure het geval is;

131.  is van mening dat het unanimiteitsvereiste voor de vaststelling van de MFK-verordening het proces echt belemmert; verzoekt de Europese Raad in dit verband de passerellebepaling in artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken; herinnert er voorts aan dat ook de algemene passerelleclausule in artikel 48, lid 7, VEU in werking kan worden gesteld, teneinde de gewone wetgevingsprocedure toe te passen; benadrukt dat een overstap naar stemming met gekwalificeerde meerderheid voor de vaststelling van de MFK-verordening in overeenstemming zou zijn met het besluitvormingsproces voor de goedkeuring van praktisch alle meerjarige EU-programma's en met de jaarlijkse procedure voor de goedkeuring van de EU-begroting;

o
o   o

132.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0363.
(8) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0076.


Hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie
PDF 390kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (2017/2053(INI))
P8_TA(2018)0076A8-0041/2018

Het Europees Parlement,

—  gezien artikel 311 en artikel 332, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

—  gezien de artikelen 106 bis en 171 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

—  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

—  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad van 26 mei 2014 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(2),

—  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien(3),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2017 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld 'Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt' (COM(2017)0547),

—  gezien zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie(4),

—  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa(5),

—  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over de onderhandelingen over het MFK 2014‑2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?(6),

—  gezien zijn standpunt van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(7),

—  gezien zijn standpunt van 17 december 2014(8) over het stelsel van eigen middelen van de van de Europese Gemeenschappen,

—  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016(9) over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020,

—  gezien het verslag getiteld "De toekomstige financiering van de EU – slotverslag en aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen", van december 2016,

—  gezien artikel 1 van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

—  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie constitutionele zaken (A8‑0041/2018),

A.  overwegende dat de Europese Economische Gemeenschap overeenkomstig het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 slechts gedurende een overgangsperiode gefinancierd zou worden door nationale bijdragen en daarna door een stelsel van eigen middelen;

B.  overwegende dat de Europese Raad van Luxemburg in april 1970 besloot tot een stelsel van eigen middelen, waarmee een einde werd gemaakt aan nationale bijdragen en twee echte eigen middelen werden ingevoerd, namelijk landbouwheffingen en douanerechten, aangevuld met een derde eigenmiddelenbron op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw);

C.  overwegende dat de Europese Raad in juni 1988 een eigenmiddelenbron invoerde die gebaseerd was op het bni van de lidstaten, aangezien de inkomsten uit de bestaande eigen middelen niet toereikend waren om de totale uitgaven uit de EU-begroting te dekken;

D.  overwegende dat het aandeel van de bni-bijdrage aanzienlijk is toegenomen, van circa 11 % in 1988 tot 69 % in 2014, waarmee deze "aanvullende" en "voor evenwicht zorgende" middelenbron thans de belangrijkste bron van financiering voor de EU‑begroting is geworden; overwegende dat de btw-middelen momenteel goed zijn voor ongeveer 12 % van de EU-begroting en de traditionele eigen middelen (douanerechten, landbouwheffingen en suiker- en isoglucoseheffingen) voor ongeveer 13 %, terwijl het resterende percentage wordt gedekt door andere ontvangsten, zoals door EU-personeel betaalde belastingen of geldboetes die worden betaald door ondernemingen wegens overtreding van de mededingingsregels;

E.  overwegende dat, sinds de Europese Raad van Fontainebleau in 1984 de Britse korting invoerde, waarbij 66 % van de Britse nettobijdrage werd terugbetaald, geleidelijk verschillende andere kortingen en correctiemechanismen zijn ingevoerd om de tekortkomingen van de zogenaamde "operationele begrotingssaldo's" van bepaalde lidstaten aan te pakken; overwegende dat die correcties momenteel voornamelijk ofwel een vermindering van de financiering van de Britse correctie, ofwel een brutovermindering van de jaarlijkse btw- of bni-bijdrage betreffen;

F.  overwegende dat het Parlement de afgelopen tien jaar in een aantal resoluties de problemen en het complexe karakter van het stelsel van eigen middelen van de EU heeft benadrukt en bij herhaling heeft aangedrongen op een diepgaande hervorming om het stelsel eenvoudiger, transparanter en democratischer te maken, onder meer door nieuwe, echte eigen middelen in te voeren die de bni-bijdragen geleidelijk en in de mate van het mogelijke moeten vervangen;

G.  overwegende dat de Commissie in 2011 een ambitieus wetgevingspakket inzake de eigen middelen heeft voorgesteld (COM(2011)0510) en dat samen met de voorstellen voor het MFK 2014-2020 heeft gepresenteerd, met als doel de bijdragen van de lidstaten te vereenvoudigen, nieuwe eigen middelen – een hervormde btw en een belasting op financiële transacties (bft) – in te voeren en de correctiemechanismen te hervormen; overwegende dat die voorstellen door de Raad werden genegeerd;

H.  overwegende dat er naar aanleiding van de onderhandelingen over het MFK 2014‑2020 een Groep op hoog niveau eigen middelen (hierna "Groep op hoog niveau") werd opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de drie grootste EU-instellingen en voorgezeten door Mario Monti; overwegende dat de Groep op hoog niveau in december 2016 zijn slotverslag en aanbevelingen uitbracht, die de basis vormen voor de uitwerking van het standpunt van het Parlement zoals dat in deze resolutie uiteen wordt gezet; overwegende dat dit verslag unaniem is goedgekeurd door alle leden van de Groep, met inbegrip van de door de Raad benoemde leden;

1.  merkt op dat de Commissie uiterlijk in mei 2018 haar voorstellen voor het MFK voor de periode na 2020 zal presenteren; eist dat het door de Commissie voorgestelde toekomstige MFK ambitieuze voorstellen zal inhouden voor de herziening van het eigenmiddelenbesluit en alle daarmee samenhangende wetgevingshandelingen, alsook voor de invoering van nieuwe eigen middelen; benadrukt dat de uitgaven- en de ontvangstenzijde van het volgende MFK bij de komende onderhandelingen tussen de Raad en het Parlement als één pakket zullen worden behandeld; verklaart dat er geen akkoord over het MFK zal worden bereikt als er niet terzelfder tijd vooruitgang wordt geboekt inzake de eigen middelen;

2.  presenteert deze resolutie om zijn standpunt te verwoorden ten aanzien van de voornaamste elementen van de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, te weten de samenstelling van een pakket van nieuwe eigen middelen en de elementen van het huidige stelsel die behouden moeten blijven; verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van haar wetgevingsvoorstellen inzake de eigen middelen van de EU, die ambitieus moeten zijn qua draagwijdte en samen met de voorstellen voor het MFK voor de periode na 2020 moeten worden gepresenteerd, terdege rekening te houden met het standpunt van het Parlement; is ervan overtuigd dat het absoluut noodzakelijk is aanzienlijke vooruitgang te boeken aan de ontvangstenzijde van de EU-begroting om gemakkelijker een akkoord te kunnen bereiken over het volgende MFK;

I.Rechtskader en besluitvormingsproces

3.  herinnert eraan dat in artikel 311 VWEU het volgende wordt bepaald: "De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven. De begroting wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd"; benadrukt dat de wettelijke verplichting om de EU-begroting van echte eigen middelen te voorzien dus rechtstreeks voortvloeit uit het Verdrag;

4.  herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat "de ontvangsten en uitgaven op de Uniebegroting [...] in evenwicht [moeten] zijn; merkt bijgevolg op dat de ontvangsten alle uitgaven moeten dekken zoals die elk jaar door de begrotingsautoriteit worden vastgesteld; benadrukt dat de EU-begroting niet elk jaar een deficit mag vertonen of gefinancierd kan worden door geld te lenen op de financiële markten;

5.  merkt op dat de belangrijkste wetgevingshandeling waarin de bepalingen betreffende het stelsel van eigen middelen zijn neergelegd, het zogenaamde eigenmiddelenbesluit (EMB), door de Raad wordt vastgesteld met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Parlement, en dat dit besluit door alle lidstaten moet worden bekrachtigd; benadrukt dat dit een van de zwaarste wetgevingsprocedures is waarin het Verdrag voorziet;

6.  merkt op dat de Raad in dat wetgevingsbesluit onder meer het maximum van de eigen middelen bepaalt en nieuwe categorieën eigen middelen kan vaststellen of bestaande categorieën kan afschaffen; benadrukt dat het EMB weliswaar geen vervaldatum heeft, maar wel rechtstreeks gekoppeld is aan het respectieve MFK waarin het maximale uitgavenniveau is bepaald voor de periode waarop dat betrekking heeft;

7.  herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon nieuwe bepalingen bevat met betrekking tot de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen en erin voorziet dat de Raad, na goedkeuring door het Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een verordening kan vaststellen; betreurt echter dat diverse uitvoeringsbepalingen, met name die inzake de berekening van de bni-middelen, nog steeds in het EMB staan; pleit daarom voor een vlottere goedkeuringsprocedure voor het EMB; verzoekt de Raad en de Commissie om zich in het kader van een toekomstige Verdragsherziening achter de eis van het Parlement te scharen om artikel 311 VWEU te wijzigen, teneinde de rol van het Parlement in de procedure voor de vaststelling van eigen middelen te versterken;

8.  herinnert eraan dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor hun eigen fiscaal beleid en onderstreept dat de bevoegdheid tot het heffen van belastingen de kern van de soevereiniteit van de lidstaten vormt; benadrukt dat de hervorming van de eigen middelen van de EU geen overdracht van nationale soevereiniteit op dit gebied betekent, maar eerder het huidige stelsel in overeenstemming brengt met de letter en de geest van de EU‑Verdragen;

II.Waarom het huidige stelsel van eigen middelen op de schop moet

i.De tekortkomingen van het huidige stelsel aanpakken

9.  benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen uiterst complex, onbillijk en ondoorzichtig en voor de burgers van de EU volledig onbegrijpelijk is; wijst in het bijzonder op de ondoorzichtigheid van de berekeningen met betrekking tot de nationale kortingen en correctiemechanismen die van toepassing zijn op het stelsel van eigen middelen of de op statistische gegevens gebaseerde btw-middelen; benadrukt dat dit stelsel bovendien niet is onderworpen aan enige effectieve parlementaire controle op EU‑niveau en in wezen democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht ontbeert;

10.  benadrukt dat de wijze waarop het stelsel van eigen middelen zich heeft ontwikkeld, waarbij echte eigen middelen geleidelijk zijn vervangen door zogeheten nationale bijdragen, een onevenredige nadruk legt op de nettosaldo's tussen lidstaten, waardoor nauwelijks gekeken wordt naar de bijdrage die de EU-begroting levert aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke Europese doelen waarbij alle EU-burgers baat hebben; betreurt het daarom dat het totale aandeel van de nationale bijdragen aan de EU‑begroting, berekend op basis van het bni of als percentage van de op statistieken gebaseerde btw-middelen, ongeveer 83 % van de totale ontvangsten van de EU bedraagt;

11.  is ervan overtuigd dat de overheersende rol van de bni-middelen ertoe heeft geleid dat het begrotingsidee van de juste retour (evenredig rendement), dat de debatten in de Raad over zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde van de EU-begroting volledig beheerst, een nog grotere rol ging spelen; wijst in dit verband op de invoering van de Britse korting en een reeks daarmee samenhangende kortingen en andere correctiemechanismen aan de ontvangstenzijde, enerzijds, en anderzijds op het onvermogen om in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure overeenstemming te bereiken over een toereikend middelenniveau voor de EU-begroting; is van mening dat de EU moet afwijken van het concept van netto-exploitatiesaldo, aangezien in de praktijk alle lidstaten begunstigden van de EU-begroting zijn;

12.  is met name van mening dat de beslissing over de omvang van de jaarlijkse EU-begroting wordt beïnvloed door politieke en financiële overwegingen op nationaal niveau die een remmende factor vormen bij de begrotingsonderhandelingen, waardoor die vaak leiden tot een nulsomspel in de Raad tussen nettobetalers en netto-ontvangers, waarbij voorbijgegaan wordt aan de verplichtingen van de Unie, met inbegrip van die welke door de Raad zijn aangegaan; is van mening dat als gevolg daarvan een aantal EU-beleidsmaatregelen die de hoogste Europese meerwaarde te zien geven vaak de terreinen zijn waarop bezuinigingen worden voorgesteld en dat het EU-project als zodanig daardoor wordt verzwakt;

13.  merkt op dat de nationale bijdragen aan de EU-begroting in de nationale begrotingen duidelijk aan de uitgavenzijde worden opgevoerd en vaak worden beschouwd als een financiële last die zwaarder weegt dan de voordelen die teweeg worden gebracht door uitgaventerreinen van de EU die vaak minder zichtbaar zijn; benadrukt in dit verband dat er iets moet worden gedaan aan het gebrek aan publiek bewustzijn van de voordelen die de EU-begroting oplevert;

14.  is er derhalve van overtuigd dat het huidige stelsel van eigen middelen in wezen indruist tegen de letter en de geest van het Verdrag; herhaalt het standpunt dat het sinds geruime tijd huldigt, namelijk dat een grondige hervorming van de EU‑middelen onontbeerlijk is om de financiering van de EU-begroting weer in overeenstemming te brengen met het Verdrag en de behoeften van de Unie als geheel;

ii. Ervoor zorgen dat de Unie haar beleid kan financieren en kan inspelen op nieuwe uitdagingen

15.  onderstreept dat in het MFK voor de periode na 2020 zal moeten worden gezorgd voor een passende financiering van EU-beleid en -programma's met een duidelijke Europese meerwaarde, maar ook voor aanvullende middelen om in te spelen op nieuwe uitdagingen die al zijn geconstateerd op gebieden zoals groei en werkgelegenheid, klimaatverandering, milieubescherming, concurrentievermogen, cohesie, innovatie, migratie, controle aan de buitengrenzen van de EU, veiligheid en defensie;

16.  benadrukt bovendien dat de tekortkomingen van het huidige MFK moeten worden vermeden en dat van meet af aan moet worden gezorgd voor voldoende middelen om de Unie in staat te stellen haar beleidsagenda met voldoende financiële middelen uit te voeren en doeltreffend te reageren op onvoorziene gebeurtenissen of crises die zich kunnen voordoen tijdens de looptijd van het volgende financiële kader; benadrukt dat het terugkerende probleem van het tekort aan voldoende betalingskredieten in de jaarlijkse begrotingsprocedure moet worden opgelost; herinnert eraan dat alleen al vanwege de migratie- en vluchtelingencrisis ruimschoots gebruik moest worden gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK;

17.  verwacht dat de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU, hoe de financiële afwikkeling daarvan ook verloopt, ook voor het volgende MFK en alle daarmee verband houdende begrotingsbesluiten een belangrijke uitdaging zullen vormen; is ervan overtuigd dat de "brexit-kloof" moet worden overbrugd voordat er een besluit wordt genomen over het MFK voor de periode na 2020, en dat daarbij moet worden gewaarborgd dat de EU‑middelen niet minder worden en de EU-programma's geen negatieve gevolgen ondervinden;

18.  is ingenomen met het voorstel voor de invoering van een specifieke lijn voor de eurozone in de EU-begroting, dat de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, in zijn "State of the Union"-rede voor het Europees Parlement heeft gelanceerd en dat verder is uitgewerkt in de mededeling van de Commissie van 6 december 2017 over nieuwe instrumenten voor een stabiele eurozone binnen het kader van de Unie (COM(2017)0822); wenst dat er hiervoor binnen de EU-begroting een begrotingscapaciteit wordt gecreëerd die de huidige maxima overstijgt;

III.Naar een aanvaardbaar en evenwichtig stelsel van eigen middelen

i. Beginselen en aannames voor de invoering van een nieuw stelsel van eigen middelen

19.  pleit ervoor dat er, om stabiele financiën op EU-niveau te verkrijgen, een transparant, eenvoudiger en eerlijker nieuw stelsel van eigen middelen wordt ingevoerd dat voortbouwt op elementen van het huidige stelsel voor zover die doeltreffend zijn gebleken; is van mening dat de hervorming van het stelsel van eigen middelen gebaseerd moet zijn op een aantal leidende beginselen;

20.  benadrukt dat de ontvangsten gekoppeld moeten worden aan beleidsdoelstellingen, en met name aan de interne markt, de energie-unie en het milieu-, klimaat- en vervoersbeleid; is er in dit verband van overtuigd dat de EU-begroting zich moet richten op beleidsgebieden met Europese meerwaarde, zoals gedefinieerd in zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(10);

21.  onderstreept dat het operationeel gezien niet mogelijk is om nieuwe eigen middelen allemaal tegelijk in te voeren en wijst op de noodzaak van een geleidelijke invoering; is daarom van mening dat de hervorming van het stelsel van eigen middelen via een tweefasenbenadering kan worden bereikt: in de eerste plaats technisch minder complexe eigen middelen invoeren die gemakkelijk en tegen redelijke kosten kunnen worden geïnd, en vervolgens geleidelijk nieuwe eigen middelen toevoegen volgens een vast tijdschema, totdat zij alle op kruissnelheid zijn;

22.  is van mening dat de invoering van nieuwe eigen middelen een tweeledig doel moet dienen, namelijk in de eerste plaats het aandeel van de bni-bijdragen aanzienlijk verlagen (gestreefd wordt naar 40 %), wat besparingen voor de begrotingen van de lidstaten oplevert, en in de tweede plaats het mogelijk maken om in het kader van het MFK voor de periode na 2020 een hoger uitgavenpeil van de EU te financieren en daarbij ook de door de terugtrekking van het VK ontstane kloof te overbruggen; herinnert er in dit verband aan dat de nieuwe eigen middelen niet tot doel hebben de totale fiscale lasten te verzwaren voor de Europese belastingbetaler, die geen negatieve gevolgen mag ondervinden van de invoering van nieuwe eigen middelen;

23.  pleit voor de afschaffing van alle kortingen en correcties en voor een eerlijke behandeling van alle lidstaten; onderstreept in dit verband dat de brexit zal betekenen dat de korting voor het VK en de daarmee verband houdende "kortingen op de korting" overbodig zullen worden en zullen verdwijnen, terwijl hervorming van de op statistische gegevens gebaseerde btw-middelen onvermijdelijk zal worden;

24.  is van mening dat de traditionele eigen middelen, te weten de douanerechten, de landbouwrechten en de suiker- en isoglucoseheffingen, een betrouwbare en authentieke ontvangstenbron van de EU vormen, aangezien deze rechtstreeks voortvloeien uit het feit dat de EU een douane-unie is en uit de juridische bevoegdheden en het gemeenschappelijk handelsbeleid die daarmee gepaard gaan; is daarom van mening dat de traditionele eigen middelen als bron van ontvangsten voor de EU-begroting moeten blijven bestaan; is van mening dat als het aandeel van de door de lidstaten ingehouden inningskosten kleiner wordt, een groter aandeel van deze ontvangsten naar de EU-begroting kan gaan;

25.  erkent dat de bni-bijdrage een betrouwbare, stabiele en eerlijke bron van ontvangsten voor de EU-begroting vormt en zeer sterke steun geniet van een grote meerderheid van de lidstaten; is derhalve van mening dat deze bijdrage moet blijven bestaan, maar alleen als een evenwicht scheppende, aanvullende ontvangstenbron voor de EU-begroting, zodat er een einde komt aan de begrotingslogica van "juste retour"; benadrukt in dit verband dat ervoor moet worden gezorgd dat de bni-bijdragen op dezelfde wijze in alle nationale begrotingen worden ingedeeld, namelijk als ontvangsten die naar de EU gaan en niet als uitgaven van de nationale regeringen;

ii. Criteria voor het kiezen van nieuwe eigen middelen

26.  schaart zich achter het verslag van de Groep op hoog niveau eigen middelen volgens welke de volgende criteria in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van mogelijke nieuwe eigen middelen: billijkheid/eerlijkheid, efficiëntie, toereikendheid en stabiliteit, transparantie en eenvoud, democratische verantwoording en begrotingsdiscipline, focus op Europese meerwaarde, subsidiariteitsbeginsel en fiscale soevereiniteit van de lidstaten en beperking van de politieke transactiekosten;

27.  verzoekt de Commissie om op basis van het bovenstaande de invoering van het volgende pakket van nieuwe eigen middelen te beoordelen;

iii. Pakket van mogelijke nieuwe eigen middelen

a. Doelstelling: De interne markt consolideren en transparanter maken en een gelijker speelveld creëren

 Belasting over de toegevoegde waarde

28.  herinnert eraan dat de btw, sinds die bijna 50 jaar geleden werd ingevoerd, wordt gebruikt als basis voor de berekening van een van de eigen middelen van de EU-begroting en dat de btw-middelen momenteel ongeveer 12 % van de ontvangsten van de EU uitmaken;

29.  wijst er echter op dat het huidige stelsel ernstige tekortkomingen vertoont: de middelen worden berekend op basis van statistische gegevens, het stelsel is onnodig complex en heeft geen rechtstreekse koppeling met de burgers, het betreft louter de overdracht van een deel van de door de lidstaten geïnde ontvangsten en levert dus geen meerwaarde op ten opzichte van de bni-middelen, de bijdragegrondslag is niet transparant en er is geen gelijkheid tussen belastingbetalers;

30.  betreurt dat OLAF herhaaldelijk ernstige gevallen van douanefraude in lidstaten heeft vastgesteld die een aanzienlijke inkomstenderving voor de begroting van de Unie hebben veroorzaakt; vestigt de aandacht op Speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU", en vreest dat fraudeurs erin zullen blijven slagen de "zwakste schakel" tussen de lidstaten te vinden waarlangs zij toegang krijgen tot de douane-unie, en dat er ook tijdens het volgende MFK sprake zal zijn van verliezen voor de begroting van de Unie; roept de Commissie en de lidstaten op de nodige maatregelen te nemen om deze activiteiten, die schadelijk zijn voor de begroting van de Unie, een halt toe te roepen;

31.  herinnert aan het wetgevingsvoorstel uit 2011 inzake nieuwe btw-middelen, dat zou hebben geleid tot de toepassing van een vast, voor de gehele EU geldend tarief dat gebaseerd is op de nettowaarde van geleverde goederen en diensten of op de invoer van goederen waarvoor een gemeenschappelijke standaard-btw zou hebben gegolden; merkt op dat dit voorstel weliswaar niet werd aangenomen, maar dat de Europese Raad van februari 2013 de Raad aanmoedigde om aan dit dossier te blijven werken; is van mening dat de huidige context kansen biedt voor een doorbraak op dit gebied;

32.  is ingenomen met de visie op de eigen middelen uit de btw die in het voorstel van de Groep op hoog niveau wordt verwoord en die gericht is op vereenvoudiging, verlaging van de administratieve kosten en versterking van de samenhang tussen het btw-beleid van de EU en de feitelijke btw-ontvangsten;

33.  neemt nota van het btw-actieplan van de Commissie ("Naar een gemeenschappelijke btw‑ruimte in de EU  Tijd om knopen door te hakken"), dat op 7 april 2016 is gepubliceerd (COM(2016)0148), en van het vervolgvoorstel van 4 oktober 2017 voor een aantal grondbeginselen en belangrijke hervormingen voor de btw-ruimte in de EU; is voorstander van een grondige hervorming van het btw-stelsel in de EU die tot doel moet hebben de belastinggrondslag te verbreden, de fraudemogelijkheden te verkleinen en nieuwe ontvangsten te genereren; is van mening dat een deel van deze nieuwe ontvangsten moet worden toegewezen aan de EU-begroting;

34.  is van mening dat vereenvoudigde btw-middelen moeten worden gebaseerd op de gemeenschappelijke noemer van de btw-stelsels in de hele EU, en wijst erop dat dit bijgevolg dus niet alle specifieke nationale situaties zou uitsluiten die om uiteenlopende redenen gerechtvaardigd zijn;

35.  is voorstander van de vaststelling van een uniform heffingstarief (1 à 2 %) op de ontvangsten uit de hervormde btw, dat in zijn geheel door de overheid van de lidstaten wordt geïnd als eigenmiddelenbron van de Unie; is van mening dat een dergelijk systeem aanzienlijke en stabiele ontvangsten voor de EU zou opleveren tegen beperkte administratieve kosten;

36.  benadrukt dat de Commissie al wetgevingsvoorstellen heeft ingediend voor een ingrijpende hervorming van de btw-regels in de EU en dat er voor 2018 nog andere initiatieven worden verwacht; wijst met klem op de noodzaak om de btw-hervorming zo spoedig mogelijk en uiterlijk vóór het begin van het volgende MFK af te ronden;

37.  verzoekt de Commissie om, in afwachting van de vaststelling van de desbetreffende btw‑wetgeving, een voorstel te presenteren voor hervormde eigen btw-middelen, als onderdeel van haar komende wetgevingspakket betreffende de eigen middelen van de EU; is van mening dat bij dat voorstel rekening moet worden gehouden met de belangrijkste resultaten van de huidige besprekingen over de hervorming van het btw-stelsel;

 Vennootschapsbelasting

38.  herinnert eraan dat het Parlement er in zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(11) bij de Commissie op aandrong met een voorstel te komen voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), "met een geëigende en billijke verdeelsleutel, wat een integrale oplossing zou bieden voor de aanpak van schadelijke fiscale praktijken binnen de Unie, duidelijkheid en eenvoud voor bedrijven zou scheppen en grensoverschrijdende economische activiteiten binnen de Unie zou vergemakkelijken";

39.  neemt nota van de voorstellen van de Commissie voor een CCCTB en herhaalt zijn verzoek om deze geconsolideerde grondslag na een overgangsperiode uit te breiden tot alle bedrijven; benadrukt dat de huidige voorstellen voor een CCCTB ook betrekking moeten hebben op de digitale economie; stelt op basis van deze voorstellen voor dat de digitale aanwezigheid van een onderneming op dezelfde wijze moet worden behandeld als de fysieke vestiging door middel van de definiëring en vaststelling van een permanente digitale vestiging;

40.  is het eens met het oordeel van de Groep op hoog niveau dat de CCCTB de basis kan vormen voor een nieuwe eigenmiddelenbron die voldoet aan alle criteria van de groep; benadrukt dat de CCCTB ook een belangrijk element is in de ontwikkeling van de interne markt, die een Europees publiek goed is, omdat daarmee zowel misplaatste fiscale concurrentie tussen de lidstaten wordt voorkomen als belastingoptimalisatie die schadelijk is voor de gelijke concurrentievoorwaarden;

41.  herinnert eraan dat belastingontduiking in al haar vormen de EU een verlies oplevert dat door de Commissie op 1 biljoen EUR per jaar wordt geschat; wijst erop dat de gederfde belastingontvangsten via een gecoördineerd beleid ter bestrijding van belastingfraude en ‑ontduiking en een op transparantie, samenwerking en coördinatie gebaseerd kader moeten worden gerecupereerd;

42.  verzoekt de Commissie om, voortbouwend op de conclusies van de evaluatie van de CCCTB-richtlijn, de invoering van een nieuwe eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie voor te stellen die berekend wordt op basis van de ontvangsten van de lidstaten uit de CCCTB; is voorstander van de vaststelling van een uniform heffingstarief op de ontvangsten uit de CCCTB, die als eigenmiddelenbron moet worden geïnd; is van mening dat een dergelijk systeem aanzienlijke en stabiele ontvangsten voor de EU zou opleveren tegen beperkte administratieve kosten;

 Muntloon

43.  is van mening dat de opbrengsten die voortvloeien uit de winst van de Europese Centrale Bank (ECB-ontvangsten uit de uitgifte van betaalmiddelen) en daarmee dus rechtstreeks zijn gekoppeld aan de monetaire unie van de EU, de basis voor een nieuwe eigenmiddelenbron moeten vormen in plaats van te worden uitbetaald aan nationale schatkisten; is van mening dat een dergelijke bron rechtstreeks gekoppeld moet worden aan de specifieke begrotingslijn voor de eurozone in de EU-begroting;

b. Doelstelling: Financiële speculatie verminderen en fiscale rechtvaardigheid bevorderen in sectoren die gebruikmaken van agressieve belastingplanningsinstrumenten of agressieve belastingoptimalisatie.

 Een belasting op financiële transacties (bft) op Europees niveau

44.  is verheugd over de inspanningen die in het kader van nauwere samenwerking door een groep van elf lidstaten zijn gerealiseerd met het oog op de invoering van een belasting op financiële transacties (bft), naar aanleiding van het voorstel van de Commissie uit 2011; dringt er bij alle andere lidstaten op aan om zich bij die groep aan te sluiten om verstoring van de financiële markten te voorkomen en een soepel functioneren van de interne markt te waarborgen;

45.  schaart zich achter het oordeel van de Groep op hoog niveau dat de bft een mogelijke basis vormt voor een nieuwe eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie, maar dat ook andere vormen van belastingheffing op financiële activiteiten moeten worden verkend;

46.  pleit dan ook voor de invoering van een nieuwe eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie die moet worden berekend op basis van een gekozen methode om financiële activiteiten te belasten;

 Belasting op bedrijven in de digitale sector

47.  is verheugd over de conclusies van de informele Raad van ministers van Financiën van 16 september 2017 waarin wordt opgeroepen tot de ontwikkeling van nieuwe belastingregels voor de digitale sector, in reactie op een schrijven van vier ministers van Financiën waarin de Commissie gevraagd werd om onderzoek te doen naar doeltreffende oplossingen die zijn gebaseerd op het concept van een zogenoemde "egalisatiebelasting" op de omzet die door digitale bedrijven wordt gegenereerd in Europa; beklemtoont dat de Commissie in haar mededeling van 21 september 2017 getiteld "Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt" bevestigt dat de CCCTB een passend kader biedt voor een herziening van de regels met het oog op moderne en stabiele regelingen voor de belastingheffing op bedrijven in de digitale sector en voor het aanpakken van de uitdagingen die de digitale economie meebrengt; dringt aan op een op EU-niveau gecoördineerde benadering, zelfs voor kortetermijnoplossingen, om te voorkomen dat de interne markt verstoord wordt als gevolg van eenzijdig optreden en dat er digitale belastingparadijzen ontstaan;

48.  is het ermee eens dat er voor de digitale economie een modern en stabiel fiscaal kader moet zijn om innovatie te stimuleren, marktversnippering en oneerlijke concurrentie aan te pakken en alle spelers in staat te stellen te profiteren van de nieuwe billijke en evenwichtige voorwaarden, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat digitale bedrijven hun verschuldigd aandeel in de belastingen betalen daar waar zij hun winsten genereren; wijst er bovendien op dat het van essentieel belang is te zorgen voor fiscale zekerheid voor bedrijfsinvesteringen teneinde de huidige lacunes weg te werken en te voorkomen dat er binnen de interne markt nieuwe mazen in de belastingwetgeving ontstaan;

49.  acht het van cruciaal belang dat er fiscale maatregelen worden genomen voor de digitale markt om belastingontduiking en marktverstoring, agressieve fiscale planning of fiscale-optimalisatieregelingen en misbruik van Europese belastingvermijdingsmechanismen aan banden te leggen; is van mening dat dergelijke praktijken de mededinging binnen de interne markt verstoren en ervoor zorgen dat de lidstaten belastinginkomsten mislopen;

50.  pleit dan ook in principe voor de invoering van een eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie die afkomstig moet zijn van een belasting op transacties in de digitale economie; is echter van mening dat het, gezien de belangrijke onderhandelingen die momenteel gaande zijn op EU- en OESO-niveau, nog te vroeg is om te beslissen over de precieze regels voor de invoering van zo'n eigenmiddelenbron;

51.  is niettemin van mening dat alle regelingen die door de autoriteiten van de EU worden getroffen, zoals registratie- of monitoringsystemen of reguleringsmechanismen, het onmiddellijk mogelijk moeten maken om rechten of heffingen te innen ten gunste van de begroting van de Unie op basis van hun Europese toegevoegde waarde; is van mening dat dit publieke goederen van de EU zijn die, zoals als de Groep op hoog niveau stelt, een grondslag bieden voor de invoering van een heffing die valt onder de "andere ontvangsten" welke voortvloeien uit beleid van de Unie;

c. Doelstelling: De energietransitie bevorderen en de opwarming van de aarde tegengaan

 Milieubelastingen en -heffingen

52.  bevestigt dat de strijd tegen klimaatverandering, alsook de overgang naar een duurzame, circulaire en koolstofarme economie en de gezamenlijk overeengekomen doelstellingen van de energie-unie, belangrijke doelstellingen van het EU-beleid zijn;

53.  herhaalt dat het ervan overtuigd is dat alleen gemeenschappelijke energie- of milieubelastingen op EU-niveau kunnen zorgen voor eerlijke concurrentie tussen bedrijven en een goede werking van de interne markt en zodoende als motor kunnen fungeren voor een vooruitstrevender en duurzamer ontwikkelingsmodel;

54.  benadrukt het belang van groene belastingen als bij uitstek geschikt mechanisme om bij te dragen aan de Europese eigen middelen; doet een beroep op de Commissie om de voorstellen voor aanvullende milieugerelateerde eigen middelen verder te integreren, zoals geschetst in het verslag van de Groep op hoog niveau en door de commissaris voor de EU-begroting, die in overeenstemming zijn met bepaalde beleidsmaatregelen van de Unie, bijvoorbeeld op het gebied van energie (energiebelasting), milieu en klimaat (grenscorrectietaks voor koolstof, kunststofheffing en het emissiehandelssysteem (ETS)) en vervoer (belastingen op brandstof voor wegvoertuigen en vliegtickets), om toekomstige extra eigen middelen van de Unie te bevorderen;

55.  vraagt dat een groot deel van de inkomsten uit ETS-veilingen vanaf fase 4 (2021) wordt beschouwd als een nieuwe eigenmiddelenbron van de EU; herinnert eraan dat deze optie is besproken in de Groep op hoog niveau en expliciet door de Commissie wordt voorgesteld in haar mededeling van 14 februari 2018 getiteld "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018)0098); verzoekt daarnaast om invoering van een grenscorrectietaks voor koolstof als nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU-begroting, wat er ook toe moet leiden dat er een gelijk speelveld ontstaat in de internationale handel en dat er minder productieverplaatsingen plaatsvinden doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van ingevoerde goederen;

56.  verzoekt de Commissie na te denken over de invoering van een heffing op kunststof en artikelen voor eenmalig gebruik, teneinde het gebruik van duurzamere alternatieven aan te moedigen;

57.  is van mening dat eigen middelen op basis van een elektriciteitsbelasting zouden overlappen met het toepassingsgebied van ETS en problemen zouden opleveren voor de stabiliteit van het investeringsklimaat en de financiële lasten voor huishoudens;

58.  is van mening dat, wanneer de ene of andere eigenmiddelenbron voor een bepaalde lidstaat een buitensporig zware last betekent, die last kan worden verlicht door middel van aanvullende steun via EU-programma's voor een beperkte duur en een beperkt bedrag, in overeenstemming met de doelstellingen en streefdoelen van de Unie; benadrukt dat die steun niet moet worden verleend in de vorm van nieuwe kortingen of correcties aan de ontvangstenzijde van de EU-begroting;

59.  benadrukt dat de invoering van milieubelastingen en -heffingen geen invloed mag hebben op het recht van de lidstaten om de voorwaarden voor de exploitatie van hun energiebronnen te bepalen, tussen verschillende energiebronnen te kiezen en de algemene structuur van hun energievoorziening te bepalen;

iv. Andere ontvangstenbronnen

60.  herinnert eraan dat eigen middelen weliswaar het belangrijkste onderdeel van de ontvangsten van de EU-begroting moeten vormen, maar dat zij moeten worden aangevuld met wat in artikel 311 VWEU "andere ontvangsten" wordt genoemd, bestaande uit: door het personeel van de EU betaalde loonbelasting, ontvangsten die voortvloeien uit de administratieve werking van de instellingen, zoals de opbrengst van de verkoop van de goederen, huur en verhuur, de verlening van diensten en bankrente, bijdragen van derde landen aan bepaalde EU-programma’s, achterstandsrente, door bedrijven betaalde boetes, in de meeste gevallen wegens inbreuk op het EU-mededingingsrecht en ontvangsten afkomstig van opgenomen en verstrekte leningen;

61.  merkt op dat het saldo van elk begrotingsjaar in het geval van een overschot als ontvangstenpost op de begroting van het volgende begrotingsjaar wordt geboekt en dat andere ontvangsten, saldi en technische aanpassingen, inclusief het overschot van het voorgaande jaar, ongeveer 6 % van de totale ontvangsten uitmaken; onderstreept dat de "andere ontvangsten" in de afgelopen jaren voor het grootste deel bestonden uit geldboetes, die alleen al goed zijn voor 2,5 % van de totale ontvangsten (exclusief bestemmingsontvangsten);

62.  betreurt dat het potentieel van die andere ontvangsten tot dusver verwaarloosd is in het debat over de financiering van de EU; is van mening dat die ontvangsten, zelfs als ze vanwege hun omvang, veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid geen alternatief vormen voor andere eigen middelen, toch een mogelijke manier bieden om in het kader van het volgende MFK de toegenomen financiële behoeften te dekken;

63.  herinnert eraan dat de juridische procedures met betrekking tot deze ontvangsten en eventuele wijzigingen daarin flexibeler zijn dan die voor eigen middelen, omdat zij niet in het eigenmiddelenbesluit, maar in de secundaire wetgeving zijn vastgesteld en derhalve niet onderworpen zijn aan het unanimiteitsvereiste;

64.  herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat alle ontvangsten uit boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op het mededingingsrecht van de EU, of die verband houden met te late betalingen van nationale bijdragen aan de EU-begroting, als extra ontvangstenpost op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder dat de bni‑bijdragen dienovereenkomstig worden verlaagd;

65.  pleit ervoor om hiertoe een speciale reserve aan te leggen in de EU-begroting, die geleidelijk zal worden aangevuld met alle soorten onvoorziene andere ontvangsten en die naar behoren wordt overgedragen om extra uitgavenmogelijkheden te creëren wanneer de behoefte hieraan zich voordoet; is van mening dat deze reserve moet worden toegewezen aan de speciale MFK-instrumenten en moet voorzien in extra aanvullingen, zowel in vastleggingen als in betalingen, indien de begrotingsautoriteit hiertoe besluit;

66.  wijst nadrukkelijk op het potentieel voor de EU-begroting van vergoedingen die betaald moeten worden voor de uitvoering van beleidsmaatregelen van de EU, en in het bijzonder van Europese regelingen zoals het Europees systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias) voor onderdanen van derde landen; is van mening dat die ontvangsten in bepaalde gevallen kunnen worden gereserveerd voor hetzelfde beleid of doel; is van mening dat er voor de EU-programma's en -beleidsvormen van de periode na 2020 stelselmatiger rekening moet worden gehouden met dit soort verwachte ontvangsten, met als doel de EU-begroting van een aanvullende ontvangstenbron te voorzien;

67.  wijst erop dat in 2016 de aan decentrale EU-organen toegewezen ontvangsten, zoals vergoedingen en heffingen van industrieën en bijdragen uit nationale begrotingen, circa 1 miljard EUR bedroegen; verzoekt de Commissie om in het volgende MFK een coherente benadering voor te stellen ten aanzien van de financiering uit bijdragen van agentschappen;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(2) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 29.
(3) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39.
(4) PB C 27E van 31.1.2008, blz. 214.
(5) PB C 380E van 11.12.2012, blz. 89.
(6) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 11.
(7) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 994.
(8) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 82.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.


Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2018
PDF 273kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2018 (2017/2226(INI))
P8_TA(2018)0077A8-0047/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 121, lid 2, artikel 136 en artikel 148,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(1),

–  gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(8),

–  gezien de beoordeling van het Europees Begrotingscomité van 20 juni 2017 met betrekking tot de prospectieve begrotingskoers die passend is voor de eurozone,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25-26 maart 2010 en 17 juni 2010 en de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2015/1184 van de Raad van 14 juli 2015 betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Europese Unie(9),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 over het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact (COM(2015)0012),

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(11),

–  gezien het verslag over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"),

–  gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2017 betreffende verdere stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie – COM(2017)0821,

–  gezien de Europese economische najaarsprognose 2017 van de Commissie,

–  gezien de studies en grondige analyses over de coördinatie van het economisch beleid in de eurozone in het kader van het Europees semester die in opdracht van de Commissie economische en monetaire zaken zijn opgesteld (november 2015),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2015 over de jaarlijkse groeianalyse 2016 (COM(2015)0690), het waarschuwingsmechanismeverslag 2016 (COM(2015)0691) en het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid (COM(2015)0700),

–  gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten die werd getekend en afgekondigd op 17 november 2017 in Göteborg,

–  gezien Verordening (EU) 2017/825 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017–2020 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1305/2013,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie(12),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(13),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie aan de Raad van 22 november 2017 over het economisch beleid van de eurozone (COM(2017)0770),

–  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2018,

–  gezien het debat met de Commissie in het Europees Parlement over het pakket betreffende het Europees semester – Jaarlijkse groeianalyse 2018,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken, de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling, en het standpunt in de vorm van amendementen Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0047/2018),

A.  overwegende dat volgens de prognoses van de Commissie, hoewel de expansie van de Europese economie zal blijven voortduren, uit het tempo waarin nieuwe banen worden gecreëerd en waarin de koopkracht van de gezinnen toeneemt, kan worden afgeleid dat de dynamiek de komende twee jaar enigszins verloren gaat: de groei bereikte in 2017 in de EU 2,4 %, gevolgd door een geringe vertraging tot 2,2 % in 2018 en 2,0 % in 2019; overwegende dat niettemin verdere beleidsmaatregelen nodig zijn om onopgeloste problemen als gevolg van de mondiale economische crisis aan te pakken;

B.  overwegende dat de huidige situatie van de economie van de EU vraagt om ambitieuze en sociaal evenwichtige structurele hervormingen en investeringen in de lidstaten om te zorgen voor aanhoudende groei, werkgelegenheid, concurrentievermogen en een opwaartse convergentie;

C.  overwegende dat de groei van de particuliere consumptie dit jaar naar verwachting licht zal dalen en vervolgens in 2019 zal afvlakken en dat dit het gevolg is van de inflatie die hoger is dan in 2017, maar nog steeds lager dan, maar dichtbij de door de ECB nagestreefde 2 % ligt;

D.  overwegende dat de Europese investeringsbank en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), in aanvulling op de Europese structuur- en investeringsfondsen, de investeringen in de EU aanzienlijk hebben ondersteund; overwegende echter dat de particuliere investeringen nog steeds onder het niveau van 2008 liggen, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor mogelijke groei, het scheppen van banen en de productiviteit;

E.  overwegende dat de werkgelegenheid naar verwachting zal blijven toenemen, met in het tweede kwartaal van 2017 een record van 235,4 miljoen werkenden; overwegende dat sommige arbeidsmarktindicatoren wijzen op hardnekkige problemen, zoals de toenemende versnippering van de arbeidsmarkt, die de ongelijkheid in de hand werken, met name ten aanzien van jongeren en personen met een laag opleidingsniveau; overwegende dat de werkloosheid in de EU 7,5 % en in de eurozone 8,9 % bedraagt, percentages die weliswaar de laagste niveaus in respectievelijk negen en acht jaar zijn, maar die nog te hoog zijn, vooral onder jongeren; overwegende dat tussen vele lidstaten aanzienlijke verschillen blijven bestaan en dat de arbeidsparticipatiegraad nog steeds moet herstellen van de crisis en vooral de nationale streefcijfers van de Europa 2020-strategie nog niet heeft bereikt; overwegende dat de verborgen werkloosheid (van mensen die werkloos zijn, bereid zijn te werken, maar niet actief op zoek zijn naar een baan) in 2016 20 % bedroeg;

F.  overwegende dat verschillende lidstaten miljarden euro's aan inkomsten voor het beheer van de overheidsfinanciën zijn misgelopen door belastingontwijking, belastingontduiking en belastingfraude ten voordele van bepaalde grote bedrijven en ten nadele van de kmo's en andere belastingbetalers;

G.  overwegende dat de verbeterde economische situatie kansen biedt voor het doorvoeren van ambitieuze en sociaal evenwichtige structurele hervormingen, met name maatregelen ter bevordering van investeringen, aangezien het niveau van investeringen als aandeel van het bbp momenteel nog altijd lager ligt dan in de periode direct voorafgaand aan de financiële crisis, en ter verbetering van de situatie van de overheidsfinanciën, rekening houdend met de last die de demografische ontwikkelingen leggen op de schuldhoudbaarheid;

1.  neemt nota van de publicatie van het pakket rond de jaarlijkse groeianalyse 2018 en de voorgestelde beleidsmix van investeringen, ambitieuze en sociaal evenwichtige structurele hervormingen en verantwoorde overheidsfinanciën, die wordt gepresenteerd als een manier om de groei verder te bevorderen en het Europees herstel, de opwaartse convergentie en het concurrentievermogen te versterken; deelt de mening dat verdere vooruitgang moet worden geboekt bij de doorvoering van structurele hervormingen teneinde resultaten te boeken op het gebied van groei en banen, alsmede bij de voortzetting van de strijd tegen ongelijkheden die economische groei belemmeren;

Hoofdstuk 1 – Investeringen en groei

2.  onderstreept het hardnekkige structurele probleem dat potentiële productie, productiviteit en concurrentievermogen niet voldoende toenemen, in combinatie met een te laag niveau van particuliere en overheidsinvesteringen en het ontbreken van ambitieuze en sociaal evenwichtige structurele hervormingen in sommige lidstaten;

3.  herinnert eraan dat sommige lidstaten nog steeds over grote overschotten op de lopende rekening beschikken die zouden kunnen worden aangewend om particuliere en overheidsinvesteringen te stimuleren en de economische groei te bevorderen;

4.  herinnert aan het belang van een combinatie van particuliere en overheidsinvesteringen en structurele hervormingen om de economische groei te bevorderen en ten volle te benutten;

5.  onderstreept dat het belangrijk is overheidsinvesteringen in de EU te bevorderen teneinde een oplossing te bieden voor de huidige teruggang van de overheidsinvesteringen; dringt voorts aan op de voltooiing van de kapitaalmarktenunie teneinde particuliere investeringen in de gehele interne markt te bevorderen; is van mening dat het regelgevingskader voor particuliere investeringen verder moet worden verbeterd;

6.  benadrukt in dit verband de noodzaak van meer investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie alsook in technologische modernisering om de productiviteit te bevorderen; herinnert eraan dat investeringen in sectoren zoals infrastructuur, kinderopvang, sociale woningbouw, onderwijs, opleiding, gezondheidszorg onderzoek, digitale innovatie en de circulaire economie de productiviteit en/of de werkgelegenheid kunnen vergroten; dringt er bij de Commissie op aan landspecifieke aanbevelingen op te stellen met betrekking tot energie-efficiëntie en hulpbronnenconsumptie, en te waarborgen dat de landspecifieke aanbevelingen volledig stroken met de klimaatovereenkomst van Parijs;

7.  verzoekt de Commissie om de huidige belemmeringen voor belangrijke groeibevorderende infrastructuurprojecten te evalueren gedurende de gehele levenscyclus van dergelijke investeringen, en met het Parlement en de Raad manieren te bespreken om dergelijke belemmeringen in het bestaande rechtskader aan te pakken;

Hoofdstuk 2 – Verantwoorde overheidsfinanciën

8.  neemt nota van de in de aanbevelingen voor de eurozone voorgestelde algemene neutrale begrotingskoers en stelt vast dat de begrotingskoers in 2018 in een aantal lidstaten naar verwachting enigszins expansief zal zijn; herinnert eraan dat een consequente uitvoering en naleving van de belastingregels van de Unie, met inbegrip van de volledige naleving van de bestaande flexibiliteitsclausules, van essentieel belang zijn voor de werking van de EMU;

9.  benadrukt het feit dat de begrotingskoers op nationaal niveau en het niveau van de eurozone moet zorgen voor evenwicht tussen de duurzaamheid op de lange termijn van de overheidsfinanciën en -investeringen enerzijds, met volledig naleving van het stabiliteits- en groeipact, en de macro-economische stabilisatie op de korte termijn anderzijds;

10.  is ingenomen met de verbetering van de overheidsfinanciën, die van essentieel belang is om een sterkere, duurzamere en efficiëntere groei te realiseren, in het bijzonder de geleidelijk dalende schuld-bbp-verhouding in de EU en de eurozone en de dalende nominale begrotingstekorten; benadrukt tegelijkertijd dat de brutoschuldquote in de eurozone nog steeds rond de 90 % schommelt, terwijl diverse lidstaten ruim boven dit niveau zitten; onderstreept dat deze lidstaten hun hoge brutoschuldquote zo snel mogelijk moeten verlagen, aangezien dit veel gemakkelijker is in tijden van economisch herstel; herinnert eraan dat de vergrijzing van de samenleving en andere demografische ontwikkelingen een enorme last betekenen voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën; doet derhalve een beroep op de lidstaten om hun verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van de toekomstige generaties;

11.  onderstreept dat meer aandacht moet worden besteed aan de samenstelling en het beheer van de nationale begrotingen; is derhalve ingenomen met de toegenomen praktijk van uitgavenevaluaties en spoort de lidstaten aan de kwaliteit van hun begrotingen te beoordelen;

Hoofdstuk 3 – Structurele hervormingen

12.  herinnert eraan dat sommige lidstaten sociaal duurzame, milieuvriendelijke en groeibevorderende structurele hervormingen moeten blijven doorvoeren, vooral in het licht van een verbeterde economische situatie in de gehele EU en de groei van het bbp in bijna alle lidstaten teneinde het concurrentievermogen, het creëren van banen, de groei en de opwaartse convergentie te bevorderen;

13.  dringt erop aan de O&O-uitgaven dichter in de buurt van de EU 2020-doelstellingen te brengen; verzoekt de lidstaten adequaat beleid in te voeren en voor investeringen te zorgen, te (blijven) zorgen voor gelijke toegang tot hoger onderwijs en opleiding met inachtneming van de ontwikkeling van de arbeidsmarkt, met inbegrip van de opkomst van nieuwe beroepen;

14.  onderstreept dat digitalisering, globalisering en technologische veranderingen een radicale verandering van onze arbeidsmarkten teweegbrengen, die onder andere gepaard gaat met ingrijpende veranderingen in arbeidsvormen- en status die een aangepaste; overgang vergen; beklemtoont derhalve het belang van dynamische arbeidsmarkten met toegankelijke en hoogwaardige socialezekerheidsstelsels die kunnen inspringen op de nieuwe realiteit op de arbeidsmarkten;

15.  is van mening dat hervormingen die knelpunten voor investeringen wegnemen, onmiddellijke steun mogelijk maken voor economische activiteiten en tegelijkertijd de voorwaarden scheppen voor groei op de lange termijn;

16.  dringt aan op belastingherzieningen waarmee wordt gestreefd naar een billijker evenwicht bij de belastingen op kapitaal, arbeid en consumptie;

Hoofdstuk 4 – Investeringen en inclusie

17.  onderstreept dat het Europees Semester en de landspecifieke aanbevelingen moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, met inbegrip van die van de pijler van sociale rechten, en resultaten moeten boeken ten aanzien van groei en banen; is derhalve ingenomen met het "sociale scorebord" als een instrument om toe te zien op de tenuitvoerlegging van de sociale pijler;

18.  benadrukt dat in de afgelopen periode de reële loongroei is achtergebleven bij de groei van de productiviteit, terwijl zich op de arbeidsmarkt verbeteringen hebben voorgedaan; onderstreept tegen deze achtergrond dat er ruimte kan zijn voor loonsverhogingen in bepaalde sectoren en gebieden in gelijke tred met productiviteitsdoelstellingen teneinde een goede levensstandaard te waarborgen met inachtneming van het concurrentievermogen en de noodzaak ongelijkheden aan te pakken;

19.  wijst erop dat in het begrotingsbeleid rekening moet worden gehouden met het monetair beleid waarbij de onafhankelijkheid van de ECB moet worden gerespecteerd;

20.  dringt er bij de Commissie op aan een brede strategie ter ondersteuning van investeringen te ontwikkelen waarmee de ecologische duurzaamheid wordt bevorderd, en te zorgen voor een gedegen verband tussen de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en het Europees Semester;

21.  is ingenomen met het feit dat in de jaarlijkse groeianalyse 2018 wordt erkend dat efficiënte en billijke belastingstelsels die deugdelijke stimulansen voor economische activiteit bieden, noodzakelijk zijn; steunt de initiatieven van de Commissie om te komen tot meer transparantie en een hervormd btw-stelsel, en neemt nota van het werk dat is verricht om te komen tot een gemeenschappelijke geconsolideerde belastinggrondslag voor vennootschappen; is ingenomen met de internationale inspanningen ter bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en belastingontwijking; wijst erop dat de verbetering van de doeltreffendheid van nationale belastingstelsels de overheidsinkomsten aanzienlijk kan vergroten;

22.  verzoekt de lidstaten om gepaste maatregelen goed te keuren om jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET), evenals vluchtelingen te helpen en te integreren, en om in een vroeg stadium te anticiperen op de voorwaarden die hun vlotte overgang naar de arbeidsmarkt vergemakkelijken, teneinde te voorkomen dat zij in de zwarte economie terechtkomen en ervoor te zorgen dat overheidsdiensten beschikken over toereikende middelen; benadrukt dat de sociale partners een cruciale rol moeten spelen om de integratie van NEET en vluchtelingen te vergemakkelijken en te waarborgen dat ze op de arbeidsmarkt niet worden gediscrimineerd;

23.  is bezorgd over het feit dat kloven en discriminatie nog steeds de arbeidsmarkten in een aantal lidstaten bepalen hetgeen bijdraagt tot verschillen tussen mannen en vrouwen op het gebied van beloning, pensioen en participatie in de besluitvorming;

Hoofdstuk 5 – Europees Semester: eigen inbreng en uitvoering

24.  is ingenomen met de toegenomen aandacht voor de geaggregeerde begrotingskoers van de eurozone, en wijst op de verplichtingen van de afzonderlijke lidstaten om te voldoen aan het stabiliteits- en groeipact, met inbegrip van de volledige naleving van de daarin opgenomen flexibiliteitsclausules; benadrukt dat het concept van een geaggregeerde begrotingskoers niet inhoudt dat overschotten en tekorten in verschillende lidstaten tegen elkaar kunnen worden weggestreept;

25.  is bezorgd over de geringe naleving van de landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van de aanbevelingen die zijn gericht op de bevordering van de convergentie en het concurrentievermogen en de terugdringing van de macro-economische onevenwichtigheden; is van mening dat meer nationale eigen inbreng door middel van daadwerkelijke publieke debatten op nationaal niveau zou leiden tot een betere tenuitvoerlegging van de landspecifieke aanbevelingen; acht het belangrijk ervoor te zorgen dat de nationale parlementen over landverslagen en landspecifieke aanbevelingen debatteren; is van mening dat regionale en plaatselijke autoriteiten beter moeten worden betrokken bij het proces van het Europees Semester; verzoekt de Commissie alle bestaande instrumenten te gebruiken om de naleving af te dwingen van de landspecifieke aanbevelingen die gericht zijn op de aanpak van deze uitdagingen, die een bedreiging vormen voor de houdbaarheid van de monetaire unie;

26.  beklemtoont dat alle verdere stappen in de richting van een verdieping van de EMU gepaard moeten gaan met sterkere democratische controles; dringt erop aan dat, met het oog hierop, de rol van het Europees Parlement en de nationale parlementen wordt versterkt overeenkomstig het aansprakelijkheidsbeginsel; vraagt dat de sociale partners zowel op nationaal als Europees niveau worden geraadpleegd tijdens het onderhandelingsproces;

27.  is ingenomen met de erkenning door de Commissie dat corruptie in sommige lidstaten nog steeds een obstakel voor investeringen vormt en dat de eerbiediging van de rechtsstaat en onafhankelijke gerechtelijke en wetshandhavingsautoriteiten noodzakelijk zijn om een deugdelijke economische ontwikkeling te waarborgen; betreurt niettemin de afschaffing door de Commissie van het jaarlijkse corruptiebestrijdingsverslag en roept de Commissie op deze jaarlijkse analyse van corruptie in de lidstaten opnieuw in te voeren en methoden vast te stellen om deze te bestrijden;

Sectorale bijdragen aan het verslag over de jaarlijkse groeianalyse 2018

Begrotingen

28.  is van mening dat de EU-begrotingen een stimulans moeten vormen voor duurzame groei, convergentie, investeringen en hervormingen, via oplossingen en synergie ten aanzien van de nationale begrotingen; is daarom van mening dat de jaarlijkse groeianalyse als richtsnoer dient voor de lidstaten en voor de opstelling van de nationale en EU-begrotingen, met name bij de voorbereiding van het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020;

29.  herhaalt in dit verband dat er meer synergie moet zijn tussen de nationale begrotingen en de EU-begroting; wijst erop dat de Commissie vanwege haar betrokkenheid bij het Europees semester en bij de voorbereiding en uitvoering van de EU-begroting in dit opzicht een sleutelrol te vervullen heeft;

30.  is ingenomen met het voorstel voor meer synergie en tegen versnippering van de EU‑begroting, zoals uiteengezet in de aanbevelingen in het eindverslag van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen van december 2016 getiteld "De toekomstige financiering van de EU";

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

31.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een webportaal over gezondheidsbevordering en ziektepreventie te lanceren, dat actuele informatie over onderwerpen in verband met de bevordering van gezondheid en welzijn biedt en een belangrijke bron van duidelijke, betrouwbare informatie voor het brede publiek is; benadrukt dat dit portaal volledig toegankelijk moet zijn voor alle EU-burgers, inclusief mensen met dyslexie en andere soortgelijke problemen;

32.  dringt aan op een grotere coherentie met ander EU-beleid op het gebied van rampenpreventie en paraatheid, zoals de EU-strategie voor de aanpassing aan de klimaatverandering, de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Solidariteitsfonds, de milieuwetgeving en het onderzoeks- en innovatiebeleid;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en nationale parlementen van de lidstaten en de Europese Centrale Bank.

(1) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.
(2) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.
(3) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.
(4) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.
(5) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.
(6) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.
(7) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.
(8) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.
(9) PB L 192 van 18.7.2015, blz. 27.
(10) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.
(11) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 86.
(12) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 149.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0491.


Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018
PDF 253kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018 (2017/2260(INI))
P8_TA(2018)0078A8-0052/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 152, 153, 174 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name titel IV (solidariteit),

–  gezien het herziene Europees Sociaal Handvest,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met name 1, 3, 4, 5, 8, en 10,

–  gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten op 17 november 2017 in Gotenburg,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2018" (COM(2017)0690),

–  gezien het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 22 november 2017 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2018 (COM(2017)0674),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 november 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2017)0677),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 22 november 2017 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2017)0770),

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2018" (COM(2017)0771),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2018: Algemene beoordeling" (COM(2017)0800),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 inzake de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten (COM(2017)0250),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 april 2017, getiteld 'Taking stock of the 2013 Recommendation on "Investing in children: breaking the cycle of disadvantage"' (Balans van de aanbeveling uit 2013 "Investeren in kinderen: de cyclus van benadeling doorbreken") (SWD(2017)0258),

–  gezien de publicatie door de Commissie van de zevende uitgave van het jaarverslag "Employment and Social Developments in Europe (2017)" (Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa: verslag 2017), met bijzondere aandacht voor billijkheid en solidariteit tussen de generaties in Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2016)0071) en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 15 september 2016(2),

–  gezien het sociaal investeringspakket van de Commissie van 20 februari 2013, met onder meer Aanbeveling 2013/112/EU, getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020), alsook de resolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over EU-2020(4),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 over "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als centrale motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa,

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone(6),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(8),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(12),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(13),

–  gezien zijn standpunt van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(14),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(15),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(16),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(17),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(18),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien het verslag van Eurofound van 25 september 2017, getiteld "Developments in working life in Europe: EurWORK annual review 2016" (Ontwikkelingen in het arbeidsleven in Europa: jaarlijks overzicht 2016 van EurWork), en meer bepaald het hoofdstuk "Pay inequalities –Evidence, debate and policies" (Loonongelijkheid – Bewijzen, debat en beleid),

–  gezien de themagebonden update van Eurofound van 18 juli 2017 getiteld "Pay inequalities experienced by posted workers: Challenges to the "equal treatment" principle" (Ongelijke beloning van gedetacheerde werknemers: uitdagingen in verband met het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk), die een gedetailleerd overzicht bevat van de standpunten van regeringen en sociale partners in heel Europa met betrekking tot het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk,

–  gezien het verslag van Eurofound van 26 juni 2017, getiteld "Beroepsgerelateerde veranderingen en loonongelijkheid: Europese banenmonitor 2017",

–  gezien het verslag van Eurofound van 19 april 2017, getiteld "Sociale mobiliteit in de EU",

–  gezien het verslag van Eurofound van 13 maart 2017, getiteld "Inkomensongelijkheid en arbeidspatronen in Europa voor en na de grote recessie",

–  gezien de verslagen van Eurofound van 24 februari 2017 over de betrokkenheid van de sociale partners bij het Europees Semester: update 2016 en van 16 februari 2016 over de rol van de sociale partners bij het Europees Semester in de periode 2011 tot 2014,

–  gezien het overzichtsverslag van Eurofound van 17 november 2016, getiteld "Zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden",

–  gezien het verslag van Eurofound van 12 maart 2015, getiteld "Nieuwe vormen van werk",

–  gezien het verslag van Eurofound van 29 oktober 2013, getiteld "Vrouwen, mannen en arbeidsomstandigheden in Europa",

–  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2018,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0052/2018),

A.  overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad in de EU stijgt en in het tweede kwartaal van 2017 is uitgekomen op 72,3 %, wat overeenkomt met 235,4 miljoen mensen met een baan, en een stap vooruit betekent naar het streefcijfer van 75 % dat in de Europa 2020-strategie is neergelegd; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad in veel lidstaten echter sterk uiteenloopt, gaande van ver onder het EU-gemiddelde van 65 % in Griekenland, Kroatië, Italië en Spanje, tot meer dan 75 % in Nederland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Zweden, en de arbeidsparticipatiegraad nog steeds moet herstellen van de crisis en met name de nationale streefcijfers van de Europa 2020-strategie nog niet heeft bereikt; overwegende dat de werkgelegenheid bij ouderen, hoogopgeleide werknemers en mannen sterker is toegenomen dan bij jongeren, laaggeschoolde werknemers en vrouwen; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad gemeten in aantal gewerkte uren per werknemer in de EU 3 % en in de eurozone 4 % onder het niveau van voor de crisis blijft, hetgeen toe te schrijven is aan de toename van deeltijdarbeid en aan arbeidsduurverkorting voor voltijdse werknemers; overwegende dat in de EU op dit moment 18,9 miljoen mensen nog altijd geen baan hebben, dat de investeringen nog altijd te laag blijven, dat de loongroei zwak is en dat armoede onder werkenden blijft toenemen; wijst erop dat artikel 3 VWEU bepaalt dat de Unie streeft naar volledige werkgelegenheid;

B.  overwegende dat 18,9 miljoen mensen nog altijd geen baan hebben ondanks het feit dat de werkloosheid in de EU en in de eurozone op het laagste niveau ligt sinds negen, en 7,5 % respectievelijk 8,9 % bedraagt; overwegende dat de werkloosheidspercentages in de lidstaten echter nog altijd sterk uiteenlopen, gaande van ongeveer 4 % in Duitsland tot bijna 20 % in Spanje en 23,6 % in Griekenland; overwegende dat verborgen werkloosheid – werklozen die bereid zijn te werken maar niet actief op zoek zijn naar werk – 20 % in 2016 20 % bedroeg, terwijl het aandeel van de langdurig werklozen in de EU met meer dan 46,4 % nog steeds alarmerend hoog is, (het overeenkomstige cijfer voor de eurozone is 49,7 %); overwegende dat het werkloosheidscijfer in sommige lidstaten hoog blijft door een gebrek aan groei en structurele zwakte; overwegende dat ontoereikende hervormingen van de arbeidsmarkt tot een van de redenen voor de hoge werkloosheid behoort; overwegende dat de begeleiding van langdurig werklozen van essentieel belang is, aangezien deze toestand anders hun zelfvertrouwen, welbevinden en toekomstige ontwikkeling zal beginnen aantasten, waardoor zij het risico lopen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen en waardoor zowel de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels als het Europees sociaal model worden ondermijnd;

C.  overwegende dat deeltijdarbeid in vergelijking met 2008 met 11 % gestegen is en dat voltijdse arbeid in diezelfde periode met 2 % is gedaald, terwijl onvrijwillige deeltijdarbeid van 29,3 % in 2013 tot 27,7 % in 2016 gedaald is, maar nog altijd een vierde van dit soort arbeidsovereenkomsten vertegenwoordigt;

D.  overwegende dat de arbeidsmarktsegmentatie tussen vaste betrekkingen en atypische arbeidsvormen onrustwekkend blijft, waarbij het percentage tijdelijke arbeidsovereenkomsten in sommige lidstaten schommelt van 10 % tot 20 %, met zeer lage overgangspercentages naar vaste betrekkingen en waarbij tijdelijke banen eerder "een doodlopend straatje" dan een "opstapje" naar een vaste betrekking zijn; overwegende dat dit verschijnsel grote aantallen werknemers belet te profiteren van veilige, relatief goed betaalde werkgelegenheid en mooie vooruitzichten, dat dit een loonkloof teweegbrengt tussen werknemers in vaste dienst en tijdelijke werknemers;

E.  overwegende dat er weliswaar een lichte verbetering te zien valt in de jeugdwerkloosheid, maar dat deze met 16,6 % (18,7 % in de eurozone) nog steeds verontrustend hoog is; overwegende dat, volgens het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, jongeren vaker in dienst worden genomen in atypische arbeidsvormen, onder meer tijdelijke banen, onvrijwillige deeltijdbanen en slecht betaalde banen; overwegende dat er in 2016 nog steeds 6,3 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar zonder baan zaten en geen onderwijs of opleiding volgden (NEET's); overwegende dat de lidstaten de jeugdwerkloosheid kunnen aanpakken door de ontwikkeling en uitvoering van een regelgevingskader voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en een actief arbeidsmarktbeleid, gebaseerd op het verbod van discriminatie op grond van leeftijd in verband met artikel 19 VWEU en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

F.  overwegende dat de verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot de werkloosheidscijfers weliswaar kleiner zijn, maar nog steeds boven het niveau van voor de crisis liggen; overwegende dat langdurige werkloosheid in sommige lidstaten meer dan 50 % van de totale werkloosheid, in de EU 46,6 % en in de eurozone 49,7 % van de totale werkloosheid uitmaakt; overwegende dat het werkloosheidscijfer alleen personen volgt die geen baan hebben en die de voorbije vier weken actief werk hebben gezocht en dat het cijfer voor langdurige werkloosheid alleen het aandeel meet van de beroepsbevolking tussen 15 en 74 jaar die twaalf maanden of langer werkloos zijn;

G.  overwegende dat de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen nog altijd voortduurt en voor de EU 11,6 % bedraagt, met een genderspecifieke arbeidsparticipatiegraad van 76,9 % voor mannen en 65,3 % voor vrouwen, en dat er zelfs grotere verschillen zijn met niet in de EU geboren vrouwen en Romavrouwen; overwegende dat de genderkloof in deeltijdarbeid nog dieper is, met een verschil van 23 procentpunten in 2016, en dat deze in vier lidstaten hoger is dan 30 procentpunten, met een score van 23,5 % vrouwen die onvrijwillige deeltijdarbeid verrichten; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad van vrouwen met ten minste een kind jonger dan zes jaar 9 procentpunten lager ligt dan die van vrouwen zonder kinderen en dat 19 % van de potentiële vrouwelijke arbeidskrachten in de EU in 2016 inactief was omdat zij zorg droegen voor kinderen of zorgbehoevende volwassenen; overwegende dat vrouwen, door een lagere arbeidsparticipatiegraad voor voltijdequivalenten, een fors loonverschil lijden dat in 2015 voor de EU gemiddeld 16,3 % bedroeg, en varieerde van 26,9 % in Estland tot 5,5 % in Italië en Luxemburg;

H.  overwegende dat andere lidstaten worden geconfronteerd met structurele uitdagingen op de arbeidsmarkt zoals een lage participatie, mismatches in vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat er een stijgende behoefte is aan concrete maatregelen voor de integratie of re-integratie van inactieven om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

I.  overwegende dat de samenlevingen in de Europese Unie vergrijzen (bijna 20 % van de Europese bevolking is ouder dan 65 en volgens schattingen zal dit stijgen tot 25 % in 2050) en de afhankelijkheidsratio van ouderen stijgt, hetgeen een extra uitdaging voor de lidstaten vormt en ertoe kan verplichten aanpassingen door te voeren om goed gefinancierde stelsels van sociale zekerheid, gezondheidszorg en langdurige zorg te blijven waarborgen en aan de behoefte aan formele en informele zorgverlening tegemoet te komen; overwegende dat mantelzorgers een cruciale troef zijn voor de samenleving; overwegende dat de levensverwachting bij de geboorte in de EU‑28 in 2015 lichtjes is gedaald – ze werd geraamd op 80,6 jaar (0,3 jaar minder dan in 2014), namelijk 83,3 jaar voor vrouwen (0,3 jaar minder dan in 2014) en 77,9 jaar voor mannen (0,2 jaar minder dan in 2014); overwegende dat dit de eerste daling in de levensverwachting in de EU‑28 was sinds 2002 toen de gegevens over levensverwachting beschikbaar kwamen voor alle lidstaten, en dat deze daling in de meeste lidstaten kan worden waargenomen; overwegende dat het volgens Eurostat nog niet mogelijk is te zeggen of de daling in levensverwachting tussen 2014 en 2015 slechts tijdelijk is of zich in de volgende jaren zal doorzetten;

J.  overwegende dat de demografische uitdagingen factoren omvatten zoals ontvolking en de verspreiding van de bevolking, hetgeen groei bemoeilijkt in de regio's die daarmee worden geconfronteerd en de economische, sociale en territoriale cohesie in de EU bedreigt;

K.  overwegende dat het percentage voortijdige schoolverlaters rond de 20 % ligt in verschillende lidstaten zoals Malta, Spanje en Roemenië, en boven het EU-streefcijfer van 10 % ligt in Portugal, Bulgarije, Italië, Hongarije, het Verenigd Koninkrijk en Griekenland; overwegende dat voortijdig schoolverlaten een complexe uitdaging is op individueel, nationaal en Europees niveau; overwegende dat lage onderwijsprestaties het meeste voorkomen bij studenten met een kansarme sociaal-economische of een migratieachtergrond en bij degenen met speciale behoeften, rekening houdend met het feit dat het gemiddelde aandeel voor de EU van mensen met lage prestaties in wetenschap in het onderste sociaaleconomische kwartiel van de studentenbevolking volgens PISA 2015 ongeveer 34 % bedraagt, d.i. 26 procentpunten meer dan in het bovenste sociaal-economische kwartiel;

L.  overwegende dat de sector van de sociale economie 2 miljoen ondernemingen omvat (ruwweg 10 % van het totaal aantal ondernemingen in de EU) waarin meer dan 14 miljoen werknemers in dienst zijn (ongeveer 6,5 % van de werknemers in de EU); overwegende dat deze sector een belangrijke rol te vervullen heeft bij het aanpakken van de talloze uitdagingen waarmee de huidige samenlevingen worden geconfronteerd, niet in het minst de vergrijzing van de bevolking;

M.  overwegende dat 80 miljoen Europeanen een handicap hebben; overwegende dat de uitvoering van toegankelijkheidsmaatregelen ten behoeve van deze mensen nog steeds achterloopt;

N.  overwegende dat er weliswaar enige vooruitgang kan worden vastgesteld bij het terugdringen van armoede en sociale uitsluiting, maar dat er nog steeds benadeelde groepen in de samenleving zijn met een onaanvaardbare 119 miljoen Europeanen die het risico lopen van armoe of sociale uitsluiting, van wie meer dan 25 miljoen kinderen (dit is meer dan 1 kind op 4 van alle kinderen in de EU), terwijl regionale verschillen binnen lidstaten en de Unie als geheel ook voortduren, wat betekent dat de EU nog ver verwijderd is van het EU 2020-streefcijfer; overwegende dat de inkomensongelijkheid blijft groeien in twee derde van alle EU-lidstaten; overwegende dat in de EU als geheel, de rijkste 20 % van de huishoudens een inkomensaandeel ontving dat 5,1 keer zo hoog is als dat van de armste 20 %, dat deze verhouding 6,5 of hoger is in bepaalde oostelijke en zuidelijke Europese landen, bijna dubbel zo hoog als in bepaalde landen uit Centraal- en Noord-Europa die het best presteren; overwegende dat hoge ongelijkheidsniveaus een belemmering blijven voor gelijke kansen bij toegang tot onderwijs, opleiding en sociale bescherming, en dat ze daarom afbreuk doen aan sociale rechtvaardigheid, sociale samenhang en duurzame economische ontwikkeling;

O.  overwegende dat, volgens de publicatie "Employment and Social Developments in Europe 2017" (Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa) van de Commissie: verslag 2017) in 2015 118,8 miljoen mensen werden bedreigd met armoede of sociale uitsluiting, hetgeen 1,7 miljoen meer is dan in 2008 en ver verwijderd is van het in de Europa 2020-strategie vastgestelde streefcijfer om het aantal mensen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd met 20 miljoen te verminderen, waarbij de lidstaten heel uiteenlopende percentages vertonen, gaande van 5 % of minder in Tsjechië of Duitsland tot ongeveer 20 % in Griekenland en Spanje; overwegende dat dit percentage voor kinderen (0-17) in 2016 26,4 % bedroeg en daarmee hoger was dan de 24,2 % voor volwassenen (16-64) en bijna 10 procentpunten hoger dan ditzelfde percentage voor ouderen (65+), namelijk 18,3 %; overwegende dat het aantal kinderen in armoede in Europa alarmerend hoog blijft en dat ze momenteel met meer dan 25 miljoen zijn en overwegende dat de gevolgen van armoede voor kinderen een heel leven kunnen duren en de intergenerationele overdracht van kansarmoede voortzetten; overwegende dat sociaal beleid van belang is om tot cohesie te komen en de EU dichter bij de burgers te brengen;

P.  overwegende dat de armoede onder werkenden in heel Europa blijft toenemen, waarbij de hoogste niveaus worden opgetekend in Spanje (13,1 %), Griekenland (14 %) en Roemenië (18,6 %), hetgeen aantoont dat werkgelegenheid op zich niet altijd volstaat om mensen uit de armoede te halen, en uiteenlopende arbeidsmarktpatronen weergeeft, onder meer deeltijdse en/of tijdelijke banen, loonniveaus en arbeidsintensiteit in de huishoudens en slechte arbeidsomstandigheden; overwegende dat de loongroei in de EU zwak blijft, met een toename van minder dan 1 % in de voorbije twee jaar en dat de vergoedingen van werknemers in de EU vrij sterk uiteenlopen, gaande van 4,6 EUR per werkuur in Bulgarije tot 43,3 EUR in Luxemburg; overwegende dat de echte loongroei in 18 van de 28 lidstaten is achtergebleven bij de gemiddelde productiviteitstoename en zelfs achterblijft bij de verlaging van de werkloosheid; overwegende dat loonvorming een nationale bevoegdheid is;

Q.  overwegende dat onderwijs een bepalende factor is voor de integratie van jongeren in de arbeidsmarkt en allereerst de verantwoordelijkheid is van de lidstaten, hoewel met ondersteuning van de Commissie; overwegende dat onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit voor iedereen toegankelijk moet zijn, rekening houdend met het feit dat de arbeidsparticipatiegraad van jongeren met een hogere opleiding (tussen 20-34 jaar) in de EU 82,8 % bedraagt, hetgeen meer dan 10 procentpunten hoger is dan die van jongeren met een diploma van het hoger middelbaar onderwijs; overwegende dat beroepsopleiding geloofwaardiger begint te worden, zowel in de ogen van jonge Europeanen als voor bedrijven die hun competenties erkennen; overwegende dat opleiding die in een informele context werd verworven Europeanen ook van essentiële instrumenten voor de arbeidsmarkt voorziet;

R.  overwegende dat werknemers met het oog op de digitale transformatie ten minste over digitale basisvaardigheden moeten beschikken, maar dat naar schatting 44 % van de EU-bevolking deze niet heeft(19);

S.  overwegende dat volgens artikel 168 VWEU bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden verzekerd; overwegende dat dit zou bijdragen aan sociale inclusie, sociale rechtvaardigheid en gelijkheid; overwegende dat de technologische en wetenschappelijke vooruitgang, die in de jaarlijkse groeianalyse 2018 positief wordt onthaald, het mogelijk maakt betere, doeltreffendere en beter betaalbare behandelingen en geneesmiddelen te vinden; overwegende dat deze vooruitgang er mede voor zorgt dat mensen die aan bepaalde aandoeningen lijden, fit genoeg zijn om de arbeidsmarkt te betreden of om langer aan de slag te blijven; overwegende dat het bereiken van dit doel momenteel wordt tegengewerkt door hoge prijzen voor geneesmiddelen;

T.  overwegende dat het begrotingsbeleid in de lidstaten een rol speelt bij de stabilisatie van het macro-economische klimaat, terwijl dit ook nog andere doelstellingen nastreeft, zoals budgettaire houdbaarheid en herverdeling;

U.  overwegende dat de instelling en het beheer van socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat de Unie hier coördinerend, maar niet harmoniserend optreedt;

V.  overwegende dat het bruto beschikbaar gezinsinkomen per hoofd in verschillende lidstaten de niveaus van voor de crisis nog niet opnieuw heeft bereikt, en dat dit niveau in sommige lidstaten 20 tot 30 procentpunten lager ligt dan in 2008;

W.  overwegende dat de capaciteit van de EU-economie om langdurige groei aan te zwengelen kleiner is dan die van onze belangrijkste concurrenten; overwegende dat de potentiële groei in de EU volgens ramingen van de Commissie ongeveer 1,4 % is, terwijl die in de VS 2 % bedraagt;

X.  overwegende dat zwartwerk werknemers hun rechten ontneemt, sociale dumping aanmoedigt, ernstige gevolgen voor de begroting met zich meebrengt, en negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, de productiviteit, de kwaliteit van de arbeid en de ontwikkeling van vaardigheden, en voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het pensioenrechtenstelsel; overwegende dat de inspanningen om zwartwerk om te zetten in legaal werk moeten worden voortgezet;

Y.  overwegende dat de ultraperifere gebieden het hoofd moeten bieden aan enorme problemen die samenhangen met hun specifieke kenmerken en die hun groeipotentieel beperken; overwegende dat het werkloosheidspercentage in die gebieden tussen 11,2 % en 27,1 % en het percentage langdurig werklozen tussen 54,5 % en 80,9 % ligt; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in die gebieden hoger is dan 40 %;

Z.  overwegende dat de betrokkenheid van de sociale partners bij de opstelling van de nationale hervormingsprogramma's, volgens onderzoek van Eurofound, geleidelijk verbetert in de meeste lidstaten, hoewel er aanzienlijke verschillen in resultaten blijven bestaan in de kwaliteit en doeltreffendheid van de betrokkenheid van de nationale sociale partners bij het Europees Semester;

AA.  overwegende dat de aanstaande studie van Eurofound betreffende de betrokkenheid van de sociale partners bij het Europees Semester melding zal maken van een consolidatieproces en groeiende bewustwording, na werkgelegenheidsrichtsnoer nr. 7 over het verbeteren van de werking van arbeidsmarkten; overwegende dat de sociale partners niettemin benadrukken dat passende betrokkenheid moet worden gewaarborgd door de bevordering van zinvol en tijdig overleg, de uitwisseling van bijdragen en feedback, en door hun standpunten zichtbaarheid te geven;

1.  is ingenomen met de jaarlijkse groeianalyse 2018, samen met de geïntegreerde Europese pijler van sociale rechten, die wordt gezien als een belangrijk onderdeel van het algemene beleid voor hoogwaardige banen, duurzame groei en investeringen, gericht op de verhoging van de productiviteit en de lonen, het scheppen van banen, de vermindering van ongelijkheden en armoede en de verbetering van de sociale bescherming en de toegang tot en de kwaliteit van de openbare diensten; erkent dat de jaarlijkse groeianalyse is gebaseerd op een strategie van investeringen, structurele hervormingen en een verantwoorde omgang met overheidsgelden, die moet worden gekoppeld aan beleid en maatregelen voor het naleven van de beginselen en het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese pijler van sociale rechten; benadrukt dat de Commissie, in het kader van het Europees Semester, het beleidscoördinatieproces dient te verbeteren om negatieve trends die de ongelijkheden zouden kunnen doen toenemen en de sociale vooruitgang zouden kunnen afremmen of die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de sociale rechtvaardigheid beter te volgen, te voorkomen en te corrigeren, als een middel om economische coördinatie te koppelen aan prestaties op sociaal en werkgelegenheidsgebied; verzoekt de lidstaten de prioriteiten te volgen die worden benoemd in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat de analyse en de Europese pijler van sociale rechten vergezelt met het oog op hun nationale beleidsmaatregelen en strategieën ter bevordering van groei, hoogwaardige werkgelegenheid, sociale cohesie en sociale bescherming en inclusie; wijst op het belang van de bescherming van de rechten van werknemers en de bevordering van de onderhandelingspositie van de werknemers;

2.  benadrukt de noodzaak van sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen gericht op de verwezenlijking van de "sociale AAA-score", door verbetering van een inclusief arbeidsmarkt- en sociaal beleid die de aan de behoeften van werknemers en kwetsbare groepen tegemoetkomt, teneinde investeringen te stimuleren, hoogwaardige banen te scheppen, de actieve bevolking bij de verwerving van de nodige vaardigheden te ondersteunen, gelijke kansen op de arbeidsmarkt en eerlijke arbeidsvoorwaarden te bevorderen, de arbeidsproductiviteit te verhogen, loongroei en duurzame, adequate stelsels voor sociale bescherming te bevorderen, en de levensomstandigheden voor alle burgers te verbeteren; wijst uitdrukkelijk op de noodzaak om een gunstig bedrijfsklimaat te versterken voor zowel ondernemingen als werknemers met het oog op het scheppen van meer stabiele werkgelegenheid waarbij de sociale en economische dimensies in evenwicht zijn en beslissingen gezamenlijk en complementair worden genomen; verzoekt de lidstaten gaandeweg over te schakelen van belasting op arbeid naar belasting op andere bronnen zonder de sociale zekerheid in gevaar te brengen; verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om de sociale normen te verhogen en ongelijkheden terug te dringen;

3.  benadrukt dat sociale dialoog en collectieve onderhandelingen essentiële instrumenten zijn voor de vaststelling van billijke lonen en arbeidsomstandigheden door werkgevers en vakbonden, en dat krachtige systemen voor collectieve onderhandelingen de veerkracht van lidstaten in tijden van economische crises vergroten; herinnert eraan dat het recht op collectieve onderhandelingen een onderwerp is dat alle Europese werknemers aangaat en beslissende gevolgen heeft voor de democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van de eerbiediging van fundamentele sociale rechten, en dat collectieve onderhandelingen een Europees grondrecht vormen dat de Europese instellingen krachtens artikel 28 van het Handvest van de grondrechten moeten eerbiedigen; dringt in dit verband aan op beleid dat collectieve onderhandelingen en de positie van werknemers in de loonvormingssystemen eerbiedigt, bevordert en versterkt, wat een cruciale rol speelt bij de totstandbrenging van een hoog niveau van de arbeidsomstandigheden; meent dat dit alles nodig is om de totale vraag en het economisch herstel te steunen, de loonverschillen te verkleinen en armoede onder werkenden tegen te gaan;

4.  pleit voor een sterkere inzet om armoede en toenemende ongelijkheid te bestrijden en voor het stimuleren van sociale investeringen, met het oog op het economisch rendement en de sociale voordelen die deze met zich meebrengen; herinnert eraan dat economieën met een hogere graad van sociale investeringen schokbestendiger zijn; verzoekt de lidstaten en de Commissie, binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact, meer ruimte te bieden voor sociale overheidsinvesteringen en, waar nodig, meer te investeren in sociale infrastructuur en ondersteuning voor degenen die het ergst getroffen zijn, om ongelijkheid correct aan te pakken, met name via systemen voor sociale bescherming die adequate en goedgerichte inkomenssteun verlenen; verzoekt de Commissie om, in voorkomend geval, een grondigere beoordeling te verrichten van de soorten uitgaven die vast en zeker als sociale investeringen moeten worden beschouwd;

5.  meent dat het belangrijk is om de interculturele dialoog te bevorderen teneinde het voor migranten, vluchtelingen en asielzoekers gemakkelijker te maken hun intrede te doen op de arbeidsmarkt en zich te integreren in de samenleving; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de arbeidsmarktparticipatie van etnische minderheden nog steeds laag is; vraagt de lidstaten in dit verband om Richtlijn 2000/78/EG en Richtlijn 2000/43/EG correct ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat nieuwkomers nieuwe vaardigheden en kennis meebrengen, en dringt aan op de verdere ontwikkeling en bevordering van instrumenten om meertalige informatie te verstrekken over de bestaande mogelijkheden op het gebied van formeel en informeel leren, beroepsopleidingen, stages en vrijwilligerswerk;

6.  dringt er bij de Commissie op aan inspanningen te leveren teneinde mensen die aan bepaalde aandoeningen lijden, bijvoorbeeld chronische pijn, te helpen de arbeidsmarkt te betreden of er te blijven; meent dat de arbeidsmarkt op dergelijke situaties moet worden ingesteld en soepeler en niet-discriminerend moet worden gemaakt opdat de betrokkenen eveneens kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling van de EU en op die manier de druk op het socialezekerheidsstelsel verlichten;

7.  is ingenomen met de door de Commissie verleende steun voor investeringen ter verbetering van de milieuduurzaamheid en de erkenning van het potentieel daarvan voor de gehele economie; is het ermee eens dat steun voor de overgang naar een circulaire en groene economie een hoog potentieel heeft voor nettobanengroei;

8.  is verheugd over de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten en is van mening dat het Europees semester de ontwikkeling moet ondersteunen van de 20 daarin geformuleerde centrale beginselen over gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, eerlijke arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming en inclusie die als referentiepunt en als aanbeveling moeten dienen in de cyclus van beleidscoördinatie in het kader van het Europees Semester teneinde een daadwerkelijke "sociale AAA-score" voor Europa op te bouwen, economische groei te creëren en een voorspelbare, duurzame financiële situatie tot stand te brengen die ondergeschikt is aan de streefcijfers van het economische en het werkgelegenheidsbeleid en die aldus dienen om de geprioriteerde hoofddoelstellingen van de Europa 2020-strategie te behalen; wijst erop dat het coördinatieproces van het Europees Semester een essentieel middel is voor de consolidatie van de Europese sociale dimensie, waarvan de pijler van sociale rechten is afgeleid; beklemtoont dat de EPSR een eerste stap is door het opbouwen van een gezamenlijke aanpak van de bescherming en ontwikkeling van sociale rechten in de gehele EU, die moet worden weerspiegeld in de door de lidstaten nagestreefde maatregelen; verzoekt de Commissie daarom om met concrete voorstellen te komen om de sociale rechten te versterken door middel van concrete en specifieke instrumenten (wetgeving, beleidsvormingsmechanismen en financiële instrumenten) en concrete resultaten te bereiken; beklemtoont het primordiale belang van de grondrechten;

9.  erkent de inspanningen om de sociale dimensie van het Semester te versterken; pleit voor verdere maatregelen om de sociale en economische prioriteiten met elkaar in evenwicht te brengen en de kwaliteit van monitoring en aanbevelingen op sociaal gebied te verbeteren;

10.  is verheugd over het nieuwe scorebord, dat 14 hoofdindicatoren omvat voor het meten van de prestaties van de lidstaten op sociaal en werkgelegenheidsgebied aan de hand van drie brede criteria die in de context van de pijler zijn vastgesteld;

11.  onderstreept dat voor de EU gemiddeld op 11 van de 14 hoofdindicatoren een verbetering is geregistreerd gedurende het laatste beschikbare jaar, als bevestiging van de gestage verbetering op de arbeidsmarkt en op sociaal gebied die met het economisch herstel is opgetreden; merkt echter op dat er maatregelen nodig zijn om sociaal opwaartse convergentie te bereiken aan de hand van de in de sociale pijler vastgestelde criteria, zoals vastgesteld door de Commissie, en dat de analyse van de hoofdindicatoren aantoont dat in 17 van de 28 lidstaten sprake is van ten minste één "kritieke situatie";

12.  erkent dat, hoewel de economische en werkgelegenheidssituatie in de hele EU de afgelopen jaren is verbeterd, de opbrengsten niet altijd gelijkelijk zijn verdeeld, gezien het feit dat het aantal personen dat in een situatie van armoede en sociale uitsluiting leeft nog steeds te hoog is; maakt zich zorgen over toenemende ongelijkheid in de EU en haar lidstaten en over het groeiende aandeel werknemers, niet alleen deeltijdwerkers, die met armoede worden bedreigd; vraagt de Commissie en de lidstaten om zich te blijven inspannen voor de verbetering van de levensomstandigheden van deze personen, evenals voor een betere erkenning van de werkzaamheden en kennis van ngo's, armoedebestrijdingsorganisaties en personen die in een situatie van armoede verkeren, door hun deelname aan de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen; wijst erop dat hoge ongelijkheidsniveaus de output van de economie en het potentieel voor duurzame groei vermindert; benadrukt het feit dat de integratie van langdurig werklozen met behulp van persoonsgerichte maatregelen een cruciale factor is in de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en bijdraagt aan de duurzaamheid van nationale socialezekerheidsstelsels; pleit voor de oprichting en ontwikkeling van partnerschappen waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken zodat de nodige instrumenten worden aangereikt om doeltreffender in te spelen op de behoeften van de arbeidsmarkt, voor effectieve oplossingen te zorgen, en om langdurige werkloosheid te voorkomen; beklemtoont dat een doeltreffend arbeidsmarktbeleid ten uitvoer moet worden gelegd om de langdurige werkloosheid terug te dringen; meent dat de lidstaten werklozen verder moeten helpen door betaalbare, toegankelijke en hoogwaardige dienstverlening te verschaffen voor het zoeken naar werk, voor opleiding en omscholing, en dat ze tegelijkertijd degenen moeten beschermen die niet aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen;

13.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de sociale-ontwikkelingsdoelstellingen wanneer ze beleidsaanbevelingen voorstelt in het kader van het Europees Semester;

14.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de uiteenlopende arbeidsparticipatie- en werkloosheidspercentages in de verschillende lidstaten en waarschuwt met name voor de verontrustende omvang van gedeeltelijke en verborgen werkloosheid; is met name bezorgd over de omvang van de jeugdwerkloosheid, die meer dan 11 % bedraagt in de EU, met uitzondering van enkele lidstaten (Oostenrijk, Tsjechië, Nederland, Hongarije, Malta en Duitsland); is van mening dat het in sommige landen nog steeds hoge aantal NEET's en voortijdige schoolverlaters bijzonder zorgwekkend is; is in dit verband ingenomen met de verhoging van de subsidie voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met 2,4 miljard EUR voor de periode 2017‑2020; benadrukt dat, indien nodig, het verstrekken van aanvullende middelen op EU-niveau voor het initiatief moet worden overwogen en dat de lidstaten moeten garanderen dat de jongerengarantie volledig openstaat voor alle groepen, met inbegrip van kwetsbare personen; wijst op het Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt?;

15.  is het er met de Commissie over eens dat stelsels voor sociale bescherming het recht op een minimuminkomen moeten waarborgen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequaat minimuminkomen boven de armoedegrens, in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken en met de betrokkenheid van de sociale partners en ervoor te zorgen dat het toegankelijk is voor iedereen en is toegespitst op de meest behoeftige landen; is van mening dat minimumloonstelsels doeltreffend kunnen zijn bij de armoedebestrijding op voorwaarde dat ze gepaard gaan met toegang tot openbare goederen en diensten van goede en betaalbare kwaliteit en maatregelen om het (her)betreden van de arbeidsmarkt door mensen in kwetsbare situaties, die in staat zijn te werken, te bevorderen;

16.  verzoekt de Commissie een Europees socialezekerheidsnummer te creëren teneinde de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken, mensen te voorzien van een dossier met hun huidige en historische recht op verstrekkingen, en misbruik te voorkomen;

17.  herinnert de Commissie eraan dat toegang tot sociale bescherming van fundamenteel belang is voor het scheppen van billijke arbeidsvoorwaarden en dat het als follow‑up van het overleg met de sociale partners nodig is met concrete voorstellen te komen om te garanderen dat alle mensen in alle arbeidsvormen het recht op socialezekerheidsverstrekkingen opbouwen, met inbegrip van het recht op een passend pensioen;

18.  verzoekt de Commissie haar inspanningen aan de hand van het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het Europees Semester te versterken om alomvattende overheidsbeleidsmaatregelen in de lidstaten te ondersteunen door zich te richten op een vlottere overgang van onderwijs en (langdurige) werkloosheid naar arbeid, en verzoekt met name de volledige tenuitvoerlegging van de maatregelen op nationaal niveau die worden geschetst in de Aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(20); roept de lidstaten en de Commissie ertoe op een leven lang leren te stimuleren, in het bijzonder onder oudere werknemers, om hen te helpen hun vaardigheden aan te passen en hun inzetbaarheid te verhogen;

19.  maakt zich zorgen over de aanhoudend hoge armoedeniveaus in Europa bijna tien jaar na het begin van de crisis en de intergenerationele kloof die daarvan het gevolg is, ook in lidstaten met een lager aandeel van mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd; is vooral bezorgd over de toenemende percentages kinderen in armoede en werkende armen in verschillende lidstaten ondanks het macro-economisch herstel van de voorbije jaren; merkt op dat in meer dan een derde van de lidstaten sprake is van een kritieke situatie in verband met het aandeel kinderen dat deelneemt aan opvang en onderwijs voor peuters en kleuters; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij het ontwerpen en uitvoeren van structurele hervormingen, en de gevolgen daarvan voor de samenleving en de herverdeling te evalueren;

20.  verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te treffen om de armoede in Europa, en vooral de armoede bij kinderen, drastisch te verminderen, en met name concrete voorstellen te doen die kinderen in het middelpunt van het bestaande armoedebestrijdingsbeleid plaatsen, in overeenstemming met haar aanbeveling "Investeren in kinderen", en met inachtneming van de voorbereidende maatregelen die zijn vastgesteld in de EU-begrotingen van 2017 en 2018 en de resoluties van het EP, door ervoor te zorgen dat elk kind dat met armoede wordt bedreigd toegang krijgt tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en degelijke voeding; beklemtoont dat de lidstaten nationale plannen moeten goedkeuren voor de vermindering van kinderarmoede, door met name de beperkte gevolgen van sociale overdrachten voor de verlaging van het armoederisico aan te pakken;

21.  is verheugd over de aandacht die in de jaarlijkse groeianalyse 2018 wordt besteed aan passende sociale huisvesting en andere bijstand op het gebied van huisvesting als essentiële dienstverlening, die onder meer mensen in kwetsbare situaties beschermt tegen onrechtmatige gedwongen uitzetting en beslaglegging, en die dak- en thuisloosheid aanpakt; pleit voor versterkte monitoring van dak- en thuisloosheid en uitsluiting van huisvesting in het Semester en voor aanbevelingen waar dat nodig is;

22.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie ter vervanging van de huidige richtlijn schriftelijke verklaringen;

23.  wijst erop dat de werkloosheidspercentages bij jongeren en laaggeschoolde werknemers hoger zijn dan bij volwassen hoogopgeleide werknemers; verzoekt de Commissie en de lidstaten sneller werk te maken van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vaardighedenagenda om mensen met specifieke vaardigheidsproblemen bij te scholen en hen op die manier opnieuw te integreren in de arbeidsmarkt;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich maximaal in te zetten voor investeringen in betaalbaar, toegankelijk en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, opleidingen, arbeidsproductiviteit bevorderende innovatie, een actief arbeidsmarktbeleid, sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt, en in meer doeltreffende en op maat gesneden openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening – rekening houdend met de geografische demografische en inkomensverschillen binnen regio's en landen – om te waarborgen dat de verworven vaardigheden aansluiten bij de vraag vanuit de arbeidsmarkt, dat mensen zeggenschap hebben over zichzelf en ze op de arbeidsmarkt worden geïntegreerd, en het aantal vroegtijdige schoolverlaters wordt teruggedrongen; onderstreept in dit verband de groeiende vraag naar digitale en andere overdraagbare vaardigheden en wijst erop dat hun ontwikkeling dringend noodzakelijk is en moet gelden voor alle maatschappelijke groepen, met bijzondere aandacht voor laaggeschoolden en jongeren; herinnert aan het belang van initiatieven ter ondersteuning van de mobiliteit op lange termijn van lerenden in en jonge afgestudeerden van het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, die gekwalificeerd en mobiel personeel voor groeisectoren voortbrengen;

25.  is van mening dat de wederzijdse erkenning van kwalificaties gunstig zal zijn om de kloof tussen de tekorten aan vakmensen op de Europese arbeidsmarkt en werkzoekenden, vooral jongeren, te dichten; wijst erop dat kwalificaties en vaardigheden die tijdens niet-formeel en informeel leren worden verworven, belangrijk zijn in de mate dat zij de inzetbaarheid verbeteren van jongeren en van mensen die zich een tijd afzijdig hebben gehouden van de arbeidsmarkt om zorgtaken op zich te nemen; wijst er daarom op dat het belangrijk is een waarderingsstelsel vast te stellen voor niet‑formele en informele vormen van leren en ervaring opdoen, vooral wanneer kennis en/of ervaring werd opgedaan tijdens vrijwilligerswerk; is verheugd over het feit dat de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse rekening heeft gehouden met het belang van erkenning voor deze vaardigheden met het oog op de nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan beroepsopleidingen te verbeteren en het concept werkend leren te versterken, met inbegrip van kwalitatief hoogwaardige leerlingplaatsen;

26.  verzoekt de lidstaten het leerlingprogramma's te ondersteunen en de beschikbare Erasmus+-middelen voor stagiairs ten volle te benutten om de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van dit soort scholing te waarborgen; vestigt de aandacht van de Commissie op de noodzaak om de deelname aan dit programma door jongeren in de ultraperifere gebieden te stimuleren, zoals werd geschetst in de mededeling van de Commissie getiteld "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU";

27.  moedigt de lidstaten ertoe aan meer inspanningen te leveren om de landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van onderwijs en jeugd uit te voeren en de uitwisseling van beste praktijken te stimuleren;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten verder te gaan met initiatieven die bedoeld zijn om de toegang tot beter onderwijs, betere vaardigheden en werkgelegenheid te verhogen en tijdens al hun werkzaamheden in verband met vaardigheden te zorgen voor een sterkere focus op de groene en circulaire economie;

29.  is van mening dat een toekomstbestendige agenda voor vaardigheden ook leren op het gebied van duurzaamheid moet omvatten en deel moet uitmaken van een breder beraad over professionele geletterdheid in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen, waarbij de nadruk niet alleen op economische groei, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling en op een betere gezondheid en een beter welzijn van de lerenden moet liggen;

30.  is tevreden met de mededeling van de Commissie van 14 november 2017 met als titel "De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur" (COM(2017)0673), waarin ambitieuze doelstellingen zijn opgenomen op het gebied van onderwijs, met name de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte en een verbetering van het taalonderwijs in Europa;

31.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste sectoren behoren en dat creatief onderwijs overdraagbare vaardigheden ontwikkelt zoals creatief denken, probleemoplossend vermogen, teamwork en vindingrijkheid; roept ertoe op de kunsten en creatieve leerprocessen te integreren in het onderwijs in wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM), gezien de nauwe band tussen creativiteit en innovatie; wijst bovendien op het potentieel van de culturele en creatieve sector (CCS) voor het behoud en de bevordering van de Europese culturele en taaldiversiteit en voor economische groei, innovatie en werkgelegenheid, met name werkgelegenheid voor jongeren; benadrukt het feit dat verdere stimulering van en investering in de CCS een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan investering, groei, innovatie en werkgelegenheid; verzoekt de Commissie daarom te denken aan de mogelijkheden die worden geboden door de volledige CCS, met name ngo's en kleine verenigingen, bijvoorbeeld in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

32.  herinnert eraan dat meisjes en jonge vrouwen moeten worden aangemoedigd om ICT‑studies te volgen en roept de lidstaten ertoe op meisjes en jonge vrouwen aan te sporen om STEM-vakken te studeren, maar hier ook kunsten en menswetenschappen bij te nemen, en de vertegenwoordiging van vrouwen in STEM-sectoren te vergroten;

33.  verzoekt de lidstaten en de Commissie alle nodige maatregelen te nemen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, ter verbetering van de diensten en de wetgeving die van belang zijn voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven en voor de gendergelijkheid; dringt aan op het ontwikkelen van het aanbod aan toegankelijke, hoogwaardige en betaalbare kinderopvang, opvang van afhankelijke personen en vroegschoolse educatie en op het creëren van gunstige voorwaarden voor ouders en mantelzorgers door het opnemen van gezinsverlof ruimhartig toe te staan en flexibele arbeidsregelingen aan te bieden met gebruikmaking van de mogelijkheden van de moderne technologie, die, waar nodig, sociale bescherming waarborgen en in voldoende scholing voorzien; beklemtoont dat het echter noodzakelijk is om familieleden te ontlasten van de verplichte zorg en vraagt om een gereguleerd kader vast te stellen voor huispersoneel en zorgverstrekkers dat het evenwicht tussen werk en privéleven gemakkelijker zal maken en tegelijkertijd voor nieuwe banen zorgt; onderstreept in dit verband, het potentieel van publiek-private partnerschappen en de belangrijke rol van socialedienstverleners en ondernemingen in de sociale economie; benadrukt met klem dat het nodig is toe te zien op de sociale vooruitgang en de vooruitgang inzake gendergelijkheid en op de impact van de hervormingen in de loop van de tijd;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten streefcijfers in te voeren voor de zorg voor ouderen, mensen met een handicap en andere personen ten laste, zoals eerder is gedaan met de streefcijfers van Barcelona voor kinderopvang, met monitoringinstrumenten die ervoor zorgen dat deze streefcijfers worden gehaald; verzoekt de Commissie en de lidstaten te streven naar kwaliteitsnormen voor alle zorgdiensten, met inbegrip van hun beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid; verzoekt de lidstaten en de Commissie de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (Epsco) inzake het versterken van gemeenschapsgebaseerde ondersteuning en zorg voor zelfstandig leven in acht te nemen en te voorzien in een duidelijke strategie en aanzienlijke investeringen om moderne hoogwaardige gemeenschapsgebaseerde diensten te ontwikkelen en zorgverstrekkers, vooral mantelzorgers, meer steun te verlenen;

35.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de arbeidskwaliteit te verbeteren, zowel op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid als op dat van een loon dat een fatsoenlijke verlof- en gezinsplanning mogelijk maakt; beklemtoont dat het belangrijk is zwartwerk doeltreffend aan te pakken, door de sociale partners erbij te betrekken, en er passende boetes voor op te leggen; dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen om zwartwerk in legaal werk om te zetten te verdubbelen door hun arbeidsinspectiemechanismen te versterken en maatregelen in te voeren die werknemers in staat stellen van de informele naar de formele economie over te stappen; herinnert de lidstaten aan het bestaan van het Europees platform tegen zwartwerk, waaraan ze actief dienen deel te nemen door het te gebruiken voor de uitwisseling van goede praktijken en de aanpak van zwartwerk, brievenbusondernemingen en schijnzelfstandigheid, die allemaal zowel de kwaliteit van het werk en de toegang van werknemers tot socialebeschermingsstelsels als de nationale overheidsfinanciën in gevaar brengen, en leiden tot oneerlijke concurrentie tussen Europese ondernemingen; is ingenomen met nieuwe, door de Commissie voorgestelde initiatieven zoals het opzetten van een openbare raadpleging over een Europese Arbeidsautoriteit, of een Europees socialezekerheidsnummer; verzoekt de lidstaten arbeidsinspecties en andere relevante overheidsinstanties voldoende middelen te geven om het probleem van zwartwerk aan te pakken, maatregelen te ontwikkelen om werknemers in staat te stellen van de grijze naar de officiële economie over te stappen en de grensoverschrijdende samenwerking tussen inspectiediensten en de elektronische uitwisseling van gegevens te verbeteren teneinde de controles die bedoeld zijn om sociale fraude en zwartwerk te bestrijden doeltreffender te maken en de bureaucratie te verminderen;

36.  vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun actieve arbeidsmarktbeleid doeltreffend en doelmatig is en bedoeld is om de mobiliteit tussen sectoren en de herscholing van werknemers te ondersteunen, kwesties die steeds belangrijker zal worden naarmate onze arbeidsmarkten zich aanpassen aan de digitalisering van onze economieën;

37.  onderstreept de mogelijkheden die kmo's en sociale ondernemingen hebben waar het gaat om nieuwe banen en de economie als geheel; acht het van het grootste belang het hoge percentage mislukkingen bij startende ondernemingen te beoordelen om daar lering uit te trekken voor de toekomst, en het ondernemerschap te ondersteunen door middel van de ontwikkeling en ondersteuning van de modellen van de sociale en circulaire economie; acht het voorts cruciaal het bedrijfsklimaat te verbeteren door administratieve belemmeringen weg te nemen en de voorschriften aan te passen, de toegang tot financiële middelen te verbeteren en de ontwikkeling van fiscale modellen en vereenvoudigde procedures voor het naleven van de belastingregels te ondersteunen die kmo's, ondernemers, zelfstandigen, microbedrijven, starters en ondernemingen in de sociale economie ten goede komen, en belastingontduiking en een gebrek aan betrouwbare informatie voor het identificeren van belastinggrondslagen en hun daadwerkelijke eigenaren te voorkomen; verzoekt de lidstaten beleidsmaatregelen te ontwikkelen die bij jongeren van jongs af een verantwoordelijke en effectieve ondernemingscultuur bevorderen door hen de kans te bieden stages te volgen en bedrijven te bezoeken, en de juiste kennis bij te brengen om mislukking te voorkomen; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de Erasmusprogramma's voor jonge ondernemers voort te zetten; vraagt de lidstaten verenigingen en initiatieven te ondersteunen die jonge ondernemers helpen bij de ontwikkeling van innovatieve projecten;

38.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economische bedrijvigheid kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is daarom van mening dat onderwijs in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moet hebben en onder meer onderwerpen moet behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, om te streven naar een meer sociale, meer inclusieve en meer duurzame economie;

39.  wijst erop dat ondernemingen in de sociale economie van cruciaal belang zijn geweest om de gevolgen van de crisis te temperen; beklemtoont daarom dat dergelijke bedrijven meer ondersteuning moet worden geboden, met name voor toegang tot de verschillende vormen van financiering, met inbegrip van Europese fondsen, en hun administratieve last te verminderen; benadrukt dat ze een wettelijk kader moeten krijgen waarin hun activiteiten in de EU worden erkend en waarmee oneerlijke concurrentie wordt voorkomen; betreurt het feit dat de beoordeling van hun activiteiten niet is opgenomen in de jaarlijkse groeianalyse, zoals het Parlement had gevraagd;

40.  erkent dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt; meent in dit verband dat flexibele arbeidsovereenkomsten, onder meer vrijwillige tijdelijke en deeltijdcontracten, een belangrijke rol kunnen vervullen voor de verhoging van de arbeidsparticipatie voor groepen, ook vrouwen, die anders van de arbeidsmarkt uitgesloten zouden zijn;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in het onderzoek naar en de ontwikkeling te bevorderen van nieuwe productietechnieken en diensten in het kader van een rechtvaardige overgang; wijst erop dat zij kansen bieden om de productiviteit en duurzaamheid te verhogen, nieuwe hoogwaardige banen te scheppen en de ontwikkeling op lange termijn te stimuleren;

42.  vraagt de Commissie en de lidstaten om in overeenstemming met de Europa 2020-strategie investeringen in de sector O&O te stimuleren; is van mening dat investeringen in deze sector bijdragen aan een groter concurrentievermogen en een hogere productiviteit van de economie en ze op die manier bijdragen aan het scheppen van stabiele banen en hogere lonen;

43.  benadrukt dat het belangrijk is de toegang tot breedband te verzekeren in alle regio's, ook op het platteland en in regio's met ernstige en blijvende milieu- of demografische problemen, teneinde een harmonieuze ontwikkeling in de hele EU te bevorderen;

44.  ziet de bevolkingskrimp, waarmee de regio's in de EU in uiteenlopende mate te kampen hebben, als een van de ernstige belemmeringen voor ontwikkeling in de EU, die verschillende benaderingen en inspanningen vereist; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om deze uitdaging aan te pakken; onderstreept dat bevolkingskrimp een holistische benadering vereist, met aanpassing van de nodige infrastructuur, hoogwaardige banen met fatsoenlijke lonen, verbetering van de openbare dienstverlening en vrijwillige flexibele arbeidsregelingen, die gepaard moeten gaan met een adequate arbeidszekerheid en toegankelijke sociale bescherming;

45.  is verheugd dat de Commissie in haar Europees statistisch programma de noodzaak heeft opgenomen om te voorzien in statistieken inzake demografische uitdagingen zoals ontvolking of de verspreiding van de bevolking; is van mening dat dergelijke gegevens bijdragen aan het op een betrouwbare wijze in kaart brengen van de problemen waarmee de regio's nog steeds te maken hebben en ervoor zorgen dat er betere oplossingen kunnen worden gevonden; vraagt de Commissie om bij het uitwerken van het toekomstig meerjarig financieel kader rekening te houden met dergelijke statistieken (MFK);

46.  herinnert eraan dat een toenemende levensverwachting om een aanpassing van de pensioenstelsels vraagt, zodat de duurzaamheid ervan kan worden verzekerd en ouderen een goede levenskwaliteit kan worden gegarandeerd; benadrukt dat dit kan worden bereikt door de economische afhankelijkheidsratio te verlagen, onder meer door adequate arbeidsomstandigheden te bieden aan hen die langer willen blijven werken, en door op het niveau van de lidstaten en in samenwerking met de sociale partners – de noodzaak te evalueren om zowel de wettelijke als de daadwerkelijke pensioenleeftijd duurzaam te laten aansluiten bij de stijging van de levensverwachting en het aantal premiejaren, en door vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt te voorkomen, alsook vluchtelingen en migranten en jongeren op de arbeidsmarkt tegemoet te komen; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen wanneer zij overheids- en bedrijfspensioenregelingen versterken en te zorgen voor zorgpunten ter compensatie van verloren pensioenbijdragen van vrouwen en mannen doordat ze de zorg voor kinderen of langdurige zorg op zich hebben genomen en op die manier de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verminderen en een passend pensioeninkomen boven de armoedegrens te verstrekken en gepensioneerden in staat te stellen een waardig en onafhankelijk leven te leiden;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een beleid te voeren dat gericht is op actief ouder worden, de maatschappelijke integratie van ouderen en solidariteit tussen de generaties; herinnert eraan dat kosteneffectievere gezondheidszorgstelsels en langdurige zorg die tijdige toegang tot betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg van goede kwaliteit garanderen ook voor de productiviteit van fundamenteel belang zijn;

48.  is van mening dat het cohesiebeleid als belangrijkste investeringsbeleid van de Europese Unie doeltreffend is gebleken bij het verminderen van de ongelijkheid en het verbeteren van de inclusie en de armoedebestrijding en dat de middelen voor dit beleid daarom in het toekomstige meerjarig financieel kader moeten worden verhoogd; is van mening dat het Europees Sociaal Fonds moet worden gehandhaafd als belangrijkste instrument van de EU voor de integratie en re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt, evenals voor ondersteunende maatregelen op het gebied van sociale inclusie, armoedebestrijding en de bestrijding van ongelijkheid, en voor de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de middelen voor het Europees Sociaal Fonds worden verhoogd, ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten in het volgende MFK;

49.  benadrukt de noodzaak dat het EFSI groei en werkgelegenheid steunt in investeringsprojecten met een hoog risico, en jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid aanpakt; is echter bezorgd over het enorm onevenwichtige gebruik van het fonds door de EU‑15 in vergelijking met de EU‑13; beklemtoont voorts de rol van programma Werkgelegenheid en sociale vernieuwing in de bevordering van een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, het waarborgen van een adequate en fatsoenlijke sociale bescherming en voor de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede;

50.  dringt er bij de lidstaten op aan na te gaan of zij de belastingen op essentiële producten, met name levensmiddelen, zouden kunnen verlagen, een stap die een van de fundamenteelste maatregelen op het gebied van sociale rechtvaardigheid is;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te streven naar verdere integratie van mensen met een beperking in het arbeidsproces door wettelijke belemmeringen weg te nemen, discriminatie aan te pakken, werkplekken aan te passen en stimulansen in te voeren om deze mensen in dienst te nemen; herinnert eraan dat een aangepaste werkomgeving voor mensen met een beperking, hun integratie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus en doelgerichte financiële steun, essentiële maatregelen zijn om hen te helpen volledig deel te nemen aan de arbeidsmarkt en aan de samenleving in haar geheel; verzoekt de Commissie in het sociale scorebord indicatoren op te nemen betreffende de sociale en arbeidsintegratie van mensen met een beperking;

52.  is ingenomen met de integratie van de rechten van personen met een beperking in de voorgestelde nieuwe richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten die zijn gevoegd bij de jaarlijkse groeianalyse voor 2018; vraagt niettemin dat deze bepalingen concrete maatregelen omvatten om de geformuleerde doelstellingen te realiseren, overeenkomstig de verplichtingen van de EU en de lidstaten in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD);

53.  spoort de lidstaten aan de nodige maatregelen toe te passen voor de sociale inclusie van vluchtelingen en mensen die tot een etnische minderheid behoren en mensen met een migratieachtergrond;

54.  onderstreept dat het niet op elkaar aansluiten van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt een probleem voor werkgevers is dat in alle regio's in de EU speelt, ook in de meest ontwikkelde, en niet kan worden opgelost met onzekere of instabiele werkgelegenheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te bevorderen ter vergemakkelijking van de mobiliteit van werknemers tussen banen, sectoren en locaties, teneinde zowel in minder als in sterker ontwikkelde regio's aan de vraag naar werknemers te voldoen, en tegelijkertijd te zorgen voor stabiliteit en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en vooruitgang en promotie in het beroep mogelijk te maken; erkent dat de arbeidsmobiliteit binnen de EU over de grenzen van de lidstaten heen bijdraagt aan de invulling van vraag en aanbod; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts bijzondere aandacht te besteden aan de speciale omstandigheden waarin grensarbeiders en werknemers in perifere en ultraperifere regio's zich bevinden;

55.  betreurt het feit dat de ultraperifere regio's, na talloze verzoeken van het Parlement, nog steeds niet in de jaarlijkse groeianalyse zijn opgenomen; dringt er bij de Commissie op aan met het oog op de waarborging van de gelijkheid tussen de regio's en de bevordering van de opwaartse convergentie, waarover reeds veel discussie is gevoerd, de toepassing van artikel 349 VWEU te bevorderen in een poging om de integratie van de ultraperifere gebieden in de EU te stimuleren; beklemtoont dat de bijzondere aandacht die aan de ultraperifere gebieden wordt gegeven, moet worden gehandhaafd, niet alleen met betrekking tot de toewijzing van financiële middelen, maar ook in het licht van de gevolgen die Europese beleidsmaatregelen kunnen hebben op hun sociale situatie en arbeidsparticipatiegraad;

56.  benadrukt dat in de periode 2014‑2016 de reële loongroei is achtergebleven bij de groei van de productiviteit, ondanks verbeteringen op de arbeidsmarkt; herinnert eraan dat groei van de reële lonen als gevolg van toegenomen productiviteit van cruciaal belang is om ongelijkheid aan te pakken;

57.  onderstreept de rol in het hervormingsproces van de sociale partners als cruciale belanghebbenden, van de nationale praktijk inzake sociale dialoog en van het maatschappelijk middenveld alsmede de toegevoegde waarde die hun actieve betrokkenheid bij de voorbereiding, ordening en uitvoering van hervormingen oplevert; beklemtoont dat als de sociale partners daadwerkelijk betrokken worden bij het ontwerpen van de beleidsmaatregelen zij zich meer zullen inzetten voor de nationale hervormingen die worden vastgesteld als resultaat van de landenspecifieke aanbevelingen van het Semester en dat daardoor hun eigen verantwoordelijkheid voor de uitkomsten zal worden versterkt; verzoekt daarom de Commissie richtsnoeren voor dusdanige passende betrokkenheid van alle belanghebbenden voor te stellen; onderschrijft de opvatting dat nieuwe vormen van werkgelegenheid op de gemondialiseerde markt om nieuwe vormen van sociale en civiele dialoog vragen en verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan de totstandkoming van deze nieuwe vormen van sociale dialoog en de bescherming voor deze nieuwe vormen van werkgelegenheid; benadrukt dat alle werknemers over hun rechten moeten worden geïnformeerd en worden beschermd als zij klokkenluiden om misbruik melden; is van mening dat in elke fase van het proces van het Europees Semester sociale dialoog moet worden nagestreefd, als het de bedoeling is dat we in de richting van opwaartse convergentie evolueren; bekrachtigt dat de lidstaten de mensen moeten helpen bij het verwerven van de vaardigheden die op de arbeidsmarkt vereist zijn;

58.  wijst erop dat volgens het Cedefop en het scorebord voor EU-2020, de verdeling van vaardigheden bij de beroepsbevolking grotendeels overeenstemde met de kwalificatievereisten van de arbeidsmarkt in 2016, dat het arbeidsaanbod voor alle kwalificatietypes hoger was dan de vraag, en met name hoog was voor lage en gemiddelde kwalificaties; beklemtoont dat de prognoses van het Cedefop wijzen op een parallelle stijging van de vaardigheden aan vraag- en aanbodzijde tot 2025 en dat het niveau van de vaardigheden naar verwachting sneller zal veranderen voor de beroepsbevolking dan dat van de vaardigheden die voor de arbeidsmarkt vereist zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de problemen bij de toegang tot de arbeidsmarkt aandachtig opnieuw te bekijken; maakt zich zorgen over de stijging van het overkwalificatiepercentage (25 % in 2014);

59.  beklemtoont dat genderdiscriminatie, zoals de loonkloof of de kloof in de arbeidsparticipatiegraad tussen mannen en vrouwen, nog altijd ernstig is, aangezien het gemiddelde bruto-uurloon van mannelijke werknemers ongeveer 16 % hoger is dan dat van vrouwelijke werknemers; benadrukt dat deze verschillen voortvloeien uit de ondervertegenwoordiging van vrouwen in goedbetaalde sectoren, discriminatie op de arbeidsmarkt en het grote aantal vrouwen in deeltijdbanen; dringt aan op verdere vooruitgang om deze kloven te dichten; verzoekt de Commissie in dit verband in de Europa 2020-strategie een pijler voor gendergelijkheid en een overkoepelende doelstelling voor gendergelijkheid in te voeren;

60.  verzoekt de lidstaten om de genderdimensie en het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in hun nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's op te nemen door kwalitatieve streefdoelen vast te stellen en maatregelen te bedenken om de aanhoudende genderkloven aan te pakken;

61.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0355.
(3) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.
(4) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0451.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0418.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0403.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0360.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0260.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0039.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(14) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 157.
(15) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 19.
(16) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 48.
(17) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.
(18) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 40.
(19) Index van de digitale economie en maatschappij, Europese Commissie.
(20) PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.

Juridische mededeling