Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 15 maart 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De situatie op de Maldiven
 De arrestatie van mensenrechtenverdedigers in Soedan, in het bijzonder de zaak van Sacharovprijswinnaar Salih Mahmoud Osman
 Doden uit mededogen in Oeganda
 Opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Comoren ***
 Opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Comoren (resolutie)
 Europass: kader voor vaardigheden en kwalificaties ***I
 Programma Creatief Europa (2014-2020) ***I
 Plaats van vestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau ***I
 Gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting *
 Gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting *
 Richtsnoeren voor de begroting 2019 – Afdeling III
 De situatie in Syrië
 Aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven)

De situatie op de Maldiven
PDF 181kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over de situatie op de Maldiven (2018/2630(RSP))
P8_TA(2018)0079RC-B8-0168/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie op de Maldiven, met name die van 16 september 2004(1), 30 april 2015(2), 17 december 2015(3) en 5 oktober 2017(4),

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de EDEO van 2 februari 2018 over het besluit van 1 februari 2018 van het Hooggerechtshof van de Maldiven(5), en van 6 februari 2018 over de situatie op de Maldiven(6),

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring van 30 januari 2018 van de Delegatie van de Europese Unie in overeenkomst met de hoofden van EU-missies in Colombo die bij de Maldiven zijn geaccrediteerd over de hernieuwde aanhouding van parlementslid Faris Maumoon(7),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij de Maldiven partij zijn,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en politieke rechten (IVBPR), waarbij de Maldiven partij zijn,

–  gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

–  gezien het officiële werkbezoek aan de Maldiven van 29 tot 31 oktober 2017 van de Delegatie voor de betrekkingen met de landen van Zuid-Azië van het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van 7 februari 2018 van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein,

–  gezien de verklaring van 6 februari 2018 van het bureau van de Delegatie voor Zuid-Azië van het Europees Parlement over de situatie op de Maldiven,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de Maldiven, als aangenomen door de Raad bij zijn 3598e bijeenkomst op 26 februari 2018,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de ontmoeting van de secretaris-generaal van de VN met Mohamed Asim, minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek der Maldiven, op 28 september 2017, waarbij bezorgdheid werd geuit over de politieke situatie in het land,

–  gezien de verklaring van de International Association of Lawyers (UIA) op 7 maart 2018, waarin ernstige bezorgdheid werd uitgedrukt over de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechtspraak op de Maldiven,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de eerste democratische verkiezingen in 2008 en de aanneming van een nieuwe grondwet hadden geleid tot de hoge verwachting dat de Maldiven een eind zouden maken aan decennia van autoritair bestuur, en zouden overgaan tot een democratisch stelsel; overwegende dat de recente ontwikkelingen de verwezenlijking van dit vooruitzicht ernstig bedreigen;

B.  overwegende dat leden van oppositiepartijen, onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten melding maken van toegenomen bedreigingen en aanvallen van de kant van de autoriteiten, de politie en extremistische groeperingen; overwegende dat er bezorgdheid is geuit over de sterk gepolitiseerde rechterlijke macht van de Maldiven, die in de loop der jaren misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden en de heersende partij heeft bevoordeeld en politici van de oppositie heeft tegengewerkt; overwegende dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat de aanklachten tegen politieke tegenstanders van president Abdulla Yameen Abdul Gayoom (hierna: president Yameen) wellicht politiek gemotiveerd waren; overwegende dat voormalig president Maumoon Abdul Gayoom in februari 2018 gearresteerd werd;

C.  overwegende dat de eerste ronde voor de presidentsverkiezingen in september 2018 zal plaatsvinden; overwegende dat de president de internationale gemeenschap heeft uitgenodigd om de verkiezingen waar te nemen;

D.  overwegende dat het Hooggerechtshof van de Maldiven op 1 februari 2018 besloten heeft de strafrechtelijke procedures tegen vooraanstaande politici te annuleren en toegegeven heeft dat de processen tegen hen oneerlijk waren verlopen; overwegende dat in dit besluit de onmiddellijke vrijlating van negen personen geëist werd, waaronder acht leiders van de politieke oppositie, onder wie de verbannen Mohamed Nasheen, en opgeroepen werd om 12 geschorste parlementsleden in hun ambt te herstellen; overwegende dat de regering een meerderheid in het parlement behoudt zolang deze 12 parlementsleden niet terugkeren;

E.  overwegende dat president Yameen na het besluit van het Hooggerechtshof op 5 februari 2018 voor een periode van vijftien dagen de noodtoestand heeft uitgeroepen; overwegende dat als gevolg van de uitroeping van de noodtoestand een groot aantal in de grondwet vervatte mensenrechten en fundamentele vrijheden werd opgeschort, met inbegrip van het recht op vreedzame vergadering en de vrijheid van onwettige arrestatie of gevangenhouding;

F.  overwegende dat twee voorzittende rechters van het Hooggerechtshof, met inbegrip van de opperrechter, werden gearresteerd, met als gevolg dat de resterende voorzittende rechters het oorspronkelijke besluit hebben geannuleerd; overwegende dat leden van het justitieel apparaat en politieke tegenstanders willekeurig gearresteerd werden, wat een duidelijke schending van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vormt;

G.  overwegende dat het parlement op 20 februari 2018, ondanks het vreedzame protest van honderden burgers, de noodtoestand toch nog met 30 dagen heeft verlengd, wat door de procureur-generaal van de Maldiven ongrondwettelijk werd bevonden, maar door het Hooggerechtshof in stand werd gehouden; overwegende dat de verlenging van de noodtoestand in het Parlement zonder het vereiste quorum werd goedgekeurd;

H.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken de recente verslechtering van de situatie op de Maldiven met bezorgdheid gevolgd heeft, en er bij iedereen in het land, met name de rechtshandhavingsinstanties, op heeft aangedrongen met terughoudendheid op te treden; overwegende dat tijdens de 37e zitting van de Mensenrechtenraad, op 8 maart 2018, namens 40 landen, waaronder alle EU-lidstaten, een gezamenlijke verklaring werd afgelegd, waarin de regering van de Maldiven werd opgeroepen om de grondwettelijke rechten en de onafhankelijkheid van de rechtbanken te herstellen, waarbij de Mensenrechtenraad zijn steun uitdrukte voor een behoorlijke werking van het parlement in het land en er bij de regering op aandrong de politieke gevangenen en hun families vrij te laten;

I.  overwegende dat maatschappelijke activisten en verdedigers van de mensenrechten op de Maldiven nog steeds geconfronteerd worden met bedreigingen en intimidatie door extremisten en gerechtelijke intimidatie door de autoriteiten, zoals in het geval van Shahindha Ismail, uitvoerend directeur van het Maldivian Democracy Network, die te maken kreeg met tegen haar gerichte nieuwsartikelen, doodsbedreigingen en een politieonderzoek, wegens haar verzet tegen religieus fundamentalisme en radicalisering;

J.  overwegende dat president Yameen herhaaldelijk heeft verklaard voornemens te zijn om de uitvoering van door de staat goedgekeurde executies te hervatten en daarmee een einde te maken aan een moratorium van 60 jaar; overwegende dat het Maldivische recht, in strijd met het internationale recht, toestaat dat minderjarigen worden veroordeeld tot een uitgestelde doodstraf die wordt uitgevoerd wanneer zij 18 worden; overwegende dat het Hooggerechtshof van de Maldiven minstens in drie zaken, met name die van Hussein Humaam Ahmed, Ahmed Murrath en Mohamed Nabeel, de doodstraf heeft bevestigd voor personen die veroordeeld waren na een proces dat niet aan de internationaal erkende normen voor een eerlijk proces voldeed, waardoor nu voor hen executie dreigt;

K.  overwegende dat de Maldiven de laatste jaren meer met radicale versies van de islam te maken krijgen; overwegende dat er ook bezorgdheid bestaat over de toenemende radicale islamistische strijdbaarheid en over het aantal geradicaliseerde jonge mannen en vrouwen die zich zouden hebben aangesloten bij ISIS;

L.  overwegende dat de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ), Verslaggevers zonder Grenzen (VZG) en het comité ter bescherming van journalisten een gezamenlijke verklaring hebben gedaan op 15 februari 2018, waarin zij hun diepe bezorgdheid hebben geuit over de beperkingen van en bedreigingen tegen de media en de persvrijheid op de Maldiven; overwegende dat de vicevoorzitter van de Progressieve Partij van de Maldiven (PPM), Abdul Raheem Abdullah, op 4 februari 2018 de veiligheidstroepen heeft opgeroepen om Raajje TV onmiddellijk stil te leggen, omdat hij de zender beschuldigde van het geven van zendtijd aan de leiders van de oppositie;

M.  overwegende dat de EU reeds lang betrekkingen onderhoudt met de Maldiven, bijvoorbeeld over de strijd tegen de klimaatverandering, en dat honderdduizenden Europese toeristen per jaar naar de Maldiven reizen;

1.  uit zijn grote bezorgdheid over de zwaar verslechterende politieke en mensenrechtensituatie op de Maldiven en het steeds autoritairdere bewind van president Yameen en zijn regering; neemt met instemming kennis van de conclusies van de Raad van 26 februari 2018 met betrekking tot de Maldiven;

2.  roept de regering van de Maldiven op om de noodtoestand onmiddellijk op te heffen, de instellingen en hun bevoegdheden te respecteren zoals bepaald is in de grondwet, en de grondrechten van de bevolking te respecteren, met inbegrip van het recht op vrije meningsuiting en op vergadering, en van de rechtsstaat; drukt zijn steeds grotere bezorgdheid uit over de recente maatregelen van de regering, die de democratie zwaar beschadigen en ondermijnen, en die de grondwet van de Maldiven en de internationale mensenrechtenverplichtingen van het land schenden; veroordeelt de aanhoudende intimidatie van en bedreigingen tegen journalisten, bloggers en mensenrechtenactivisten op de Maldiven; spoort de autoriteiten op de Maldiven aan om de veiligheid van alle maatschappelijke activisten, mensenrechtenverdedigers en werknemers in de media in het land te verzekeren, alsook om het mogelijk te maken dat zij hun werk veilig en ongehinderd uitvoeren, om bedreigingen tegen hen te onderzoeken en daders te vervolgen; betreurt de aanval op politieke tegenstanders op de Maldiven, en roept de regering op om alle aanklachten tegen personen die om politieke redenen vastgehouden worden te laten vallen en hen vrij te laten, onmiddellijk en onvoorwaardelijk;

3.  verneemt met instemming dat het Hooggerechtshof van de Maldiven op 1 februari 2018 besloten heeft de strafrechtelijke procedures tegen vooraanstaande politici te annuleren en 12 parlementsleden in hun ambt te herstellen; roept de Maldivische autoriteiten op om deze uitspraak na te leven;

4.  betreurt ten zeerste elke vorm van inmenging in het werk van het Hooggerechtshof van de Maldiven en de arrestaties van de voorzittende rechters; vraagt hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; is bezorgd over de toenemende vervaging van de scheiding van de uitvoerende, rechterlijke en andere machten op de Maldiven; verzoekt de verantwoordelijke autoriteiten om onmiddellijk maatregelen te nemen om de beginselen uit de grondwet weer in te voeren en te eerbiedigen;

5.  herhaalt zijn oproep aan de regering om de volledige onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te garanderen en alle burgers het recht op eerlijke en transparante rechtspraak zonder politieke beïnvloeding te waarborgen; betreurt ten zeerste elke vorm van inmenging in het werk van het Hooggerechtshof en het optreden tegen het justitieel apparaat en de rechters; vraagt de regering te verzekeren dat advocaten al hun beroepstaken vrij van intimidatie, belemmeringen, pesterijen of ongepaste inmenging kunnen verrichten;

6.  herhaalt zijn oproep aan de regering van de Maldiven om een inclusieve dialoog aan te gaan met de leiders van alle politieke partijen; herhaalt dat een dergelijke dialoog de weg vrijmaakt voor geloofwaardige, transparante en inclusieve verkiezingen; is van oordeel dat de EU er actief voor moet blijven ijveren dat de VN een dergelijke dialoog faciliteert;

7.  roept de regionale actoren op om samen te werken met de EU-lidstaten om politieke en democratische stabiliteit op de Maldiven te helpen verwezenlijken;

8.  is van mening dat de achteruitgang van de democratie, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de Maldiven alleen kan worden verholpen door een echte dialoog met alle politieke partijen en andere leiders van burgerbewegingen; is daarnaast van oordeel dat de regering als een eerste stap in de richting van verzoening alle momenteel opgesloten politici van de oppositie moet vrijlaten;

9.  herhaalt dat de EU sterk gekant is tegen de doodstraf, in alle gevallen en zonder uitzondering; veroordeelt met klem de aankondiging van de herinvoering van de doodstraf op de Maldiven, en dringt er bij de regering en het parlement van de Maldiven op aan om het moratorium op de doodstraf, dat al meer dan 60 jaar van kracht is, te eerbiedigen; roept op tot de universele afschaffing van de doodstraf, en vraagt de regering om alle vonnissen van doodstraf voor jongeren in te trekken en de executie van jeugdige daders te verbieden;

10.  uit scherpe kritiek op het feit dat het belijden van een andere godsdienst dan de islam zwaar bestraft wordt op de Maldiven; is bezorgd over het feit dat de wet over religieuze eenheid gebruikt wordt om de vrijheid van meningsuiting op de Maldiven te beperken;

11.  uit bezorgdheid over de gevolgen die de huidige situatie ook kan hebben op de veiligheid van buitenlandse bewoners en bezoekers; roept de VV/HV, de EU-delegatie op de Maldiven en de delegaties van de lidstaten op om hun reisadvies in dit verband nauw te coördineren;

12.  roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die willekeurig opgesloten zijn, waaronder vele journalisten en vreedzame demonstranten; veroordeelt alle geweld door de autoriteiten; roept de Maldivische autoriteiten op, in het bijzonder de rechtshandhavingsautoriteiten, om met terughoudendheid op te treden; roept de autoriteiten op een onderzoek te voeren naar iedereen die ervan verdacht wordt verantwoordelijk te zijn voor de misdrijven die gepleegd zijn, en om hen aansprakelijk te stellen;

13.  roept de EU op ten volle gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten om de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen op de Maldiven te bevorderen, mogelijk met inbegrip van de opschorting van financiële bijstand van de EU aan het land in afwachting van het herstel van de rechtsstaat en de naleving van de democratische beginselen; verzoekt de Raad om gerichte maatregelen en sancties in te voeren tegen degenen die de mensenrechten in het land ondermijnen, en om de buitenlandse tegoeden van leden van de Maldivische regering en hun grootste medestanders in de Maldivische zakenwereld te bevriezen en hun reisverboden op te leggen;

14.  roept de regering van de Maldiven op om een grondige hervorming van de rechterlijke macht uit te voeren, de onafhankelijkheid van de hoge raad van de magistratuur vast te stellen, de onafhankelijkheid van de procureur-generaal opnieuw vast te leggen, en een eerlijke rechtsgang en het recht op een eerlijk, onpartijdig en onafhankelijk proces te verzekeren;

15.  erkent dat, volgens de grondwet, in 2018 verkiezingen moeten worden gehouden; benadrukt dat onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen en dat moet worden verzekerd dat deze verkiezingen transparant en geloofwaardig zijn, dat de kiezers een daadwerkelijke keuze krijgen en dat de partijen ongehinderd campagne kunnen voeren;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regering van de Maldiven.

(1) PB C 140 E van 9.6.2005, blz. 165.
(2) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 60.
(3) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 134.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0383.
(5) https://eeas.europa.eu/headquarters/headquarters-homepage/39275/statement-spokesperson-decision-supreme-court-maldives_nl
(6) https://eeas.europa.eu/headquarters/headquarters-homepage/39413/statement-spokesperson-situation-maldives_nl
(7) https://eeas.europa.eu/delegations/sri-lanka/39021/joint-local-statement-renewed-arrest-mp-faris-maumoon_nl


De arrestatie van mensenrechtenverdedigers in Soedan, in het bijzonder de zaak van Sacharovprijswinnaar Salih Mahmoud Osman
PDF 180kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over de arrestatie van mensenrechtenverdedigers in Soedan, in het bijzonder de zaak van Sacharovprijswinnaar Salih Mahmoud Osman (2018/2631(RSP))
P8_TA(2018)0080RC-B8-0159/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Sudan,

–  gezien de verklaring van zijn ondervoorzitter verantwoordelijk voor het Sacharovprijsnetwerk en van de voorzitter van zijn Subcommissie mensenrechten van 9 februari 2018 over Salih Mahmoud Osman, winnaar van de Sacharovprijs,

–  gezien de verklaring van de EU-ambassadeurs en het hoofd van de EU-delegatie in Sudan van 11 januari 2018 over de recente protesten in Khartoum,

–  gezien resolutie 2400 (2018) van de VN-Veiligheidsraad, aangenomen tijdens de 8177e vergadering van de VN-Veiligheidsraad op 8 februari 2018,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 31 januari 2018 in verband met de besprekingen in de veiligheidsraad over dit onderwerp, getiteld "Reports of the Secretary-General on the Sudan and South Sudan",

–  gezien de verklaring van de VN-coördinator voor humanitaire hulp in Sudan, afgelegd in Khartoum op 9 oktober 2017, over de ontvoering van een hulpverlener in Darfur,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarin is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 27 juni 2016 over de eenzijdige afkondiging door de Sudanese regering van een staakt-het-vuren voor de duur van vier maanden,

–  gezien de herziene Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de situatie in Sudan een gevaar blijft vormen voor de internationale vrede en veiligheid in de regio; overwegende dat de Sudanese autoriteiten geweld hebben gebruikt tegen vreedzame demonstranten, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten;

B.  overwegende dat de Sudanese nationale inlichtingen- en veiligheidsdienst (NISS) minstens 140 leden van oppositiepartijen, mensenrechtenactivisten, studenten en vrouwenrechtenactivisten heeft gearresteerd en gevangen gezet naar aanleiding van sporadische protestacties die sinds 7 januari 2018 op diverse plaatsen in Sudan plaats hebben gevonden vanwege de prijsstijgingen van voedsel en medicijnen; overwegende dat de Sudanese troepen tijdens deze protesten met extreem veel geweld zijn opgetreden, en dat daardoor één demonstrant is omgekomen en diverse anderen gewond zijn geraakt en dat in het hele land journalisten en activisten het slachtoffer zijn van onderdrukking; overwegende dat de gebeurtenissen in januari en februari 2018 de meest recente voorbeelden zijn van de voortdurende onderdrukking in het land;

C.  overwegende dat zich onder de gearresteerden politieke tegenstanders bevinden, waaronder drie leiders van de Nationale Congrespartij, die willekeurig gearresteerd zijn en gevangen worden gehouden; overwegende dat verder onder meer de volgende politieke tegenstanders gearresteerd zijn: Mohamed Mukhtar al-Khatib, politiek secretaris van de Sudanese communistische partij, Mohamed Abdalla Aldoma, ondervoorzitter van de Umma-partij, Mohamed Farouk Salman, vooraanstaand leider van de Nationale Alliantie van Sudan, en twee leden van het centraal comité van de Sudanese communistische partij: Mohieldeen Eljalad en Sidgi Kaballo;

D.  overwegende dat de NISS op 1 februari 2018 in zijn advocatenkantoor Salih Mahmoud Osman heeft gearresteerd, deken van de orde van advocaten van Darfur en lid van de vereniging van democratische advocaten, die zich als mensenrechtenactivist heeft ingezet voor de totstandbrenging van de rechtsstaat en voor hervorming van het rechtsstelsel via de Nationale Vergadering van Sudan en die in 2007 de Sacharovprijs heeft gekregen; overwegende dat hij onlangs is overgebracht naar de gevangenis van Dabak, 20 kilometer ten noorden van Khartoum, en dat de autoriteiten weigeren informatie te verstrekken over zijn gezondheid en geen bezoek van zijn advocaat of familie toestaan;

E.  overwegende dat het hoofd van de EU-delegatie in Sudan na de arrestatie van Salih Mahmoud Osman een demarche heeft geïnitieerd met het Sudanese Ministerie van Buitenlandse Zaken en dat de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, Stavros Lambridinis, op 27 februari 2018 tijdens de 37e zitting van de VN‑Mensenrechtenraad een oproep heeft gedaan;

F.  overwegende dat er ook een aantal vrouwen het slachtoffer is geworden van deze golf van arrestaties; overwegende dat vrouwenrechtenactivisten te maken hebben met seksueel geweld, vervolging en gewelddadige bestraffingen door veiligheidstroepen van de regering; overwegende dat vrouwenorganisaties nauwlettend in het oog worden gehouden en actie voeren tegen wetgeving die vrouwen in het algemeen discrimineert;

G.  overwegende dat de regering van Sudan half februari 2018 de vrijlating van 80 gevangenen bekendmaakte, waaronder Rawa Jaafar Bakhit, Nahid Jabrallah, Amel Habani, Hanan Hassan Khalifa en Mohamed Abdalla Aldoma, die tijdens hun gevangenschap zijn mishandeld; overwegende dat het hoofd van de NISS aan de vrijlating van andere gevangenen de voorwaarde heeft verbonden dat zij moesten beloven geen protesten meer te organiseren; overwegende dat het verlangen van dergelijke verklaringen in strijd is met de internationale verplichtingen van Sudan op het gebied van de mensenrechten; overwegende dat er echter nog altijd vooraanstaande mensenrechtenactivisten en oppositieleden gevangen worden gehouden, waaronder Osman Salih en Amjeed Fareed, een mensenrechtenactivist die sinds 18 januari 2018 in Khartoum in gevangenschap wordt gehouden; overwegende dat deze personen gevangen worden gehouden zonder dat er tegen hen een aanklacht is ingediend en zonder dat zij voor een rechter zijn verschenen;

H.  overwegende dat mensenrechtenactivisten en maatschappelijke organisaties, waaronder advocaten en ordes van advocaten, bij het waarborgen van democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat, stabiliteit en duurzame ontwikkeling een belangrijke rol spelen;

I.  overwegende dat de activiteiten van maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen in ernstige mate worden beperkt en dat de NISS veelvuldig activiteiten van maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen dwarsboomt; overwegende dat er regelmatig internationale ngo's het land worden uitgezet en dat ngo's te maken hebben met druk en intimidatie door de regering;

J.  overwegende dat de nationale veiligheidswet uit 2010 en de wijziging van artikel 151 van de Grondwet die op 5 januari 2015 werd aangenomen de NISS zeer ruime bevoegdheden toekennen om tot arrestaties over te gaan en personen gevangen te nemen, en dat de NISS verdachten tot wel vier en een halve maand gevangen kan houden, zonder dat er een rechter aan te pas komt; overwegende dat er berichten zijn dat deze bevoegdheden worden misbruikt om mensen willekeurig te arresteren en gevangen te zetten en dat deze mensen in veel gevallen worden gefolterd of op andere wijze worden mishandeld; overwegende dat NISS-medewerkers krachtens dezelfde wet niet vervolgd kunnen worden op grond van handelingen die zij tijdens hun werkzaamheden hebben verricht, hetgeen heeft geleid tot een cultuur van algemene straffeloosheid;

K.  overwegende dat de VN er in mei 2016 bij Sudan op heeft aangedrongen de bepalingen van de nationale veiligheidswet uit 2010 die leiden tot straffeloosheid in te trekken en een onafhankelijk onderzoek in gang te zetten met het oog op de vervolging van misdaden naar internationaal recht en schendingen van de mensenrechten door leden van de NISS, gewapende troepen en de politie, maar dat de regering van Sudan deze aanbevelingen van de VN naast zich neer heeft gelegd;

L.  overwegende dat diverse mensenrechtenactivisten die gevangen hebben gezeten gefolterd en mishandeld zijn; overwegende dat vooral gevangen die in handen zijn van de NISS gevaar lopen het slachtoffer te worden van mishandeling; overwegende dat de NISS bekend staat om het mishandelen en folteren van gevangenen;

M.  overwegende dat het voortdurende geweld door regeringstroepen, regeringsgezinde milities en anti-regeringstroepen de achtergrond vormt voor voortdurende mishandelingen, willekeurige arrestaties, eenzame opsluiting en vermeende folteringen van mensenrechtenactivisten door het Sudanese leger en Sudanese veiligheidstroepen;

N.  overwegende dat de EDEO verklaard heeft dat de verlichting van de sancties van de Verenigde Staten tegen Sudan een belangrijke stap is in de richting van herintegratie van Sudan in de internationale gemeenschap, en heeft aangegeven dat de EU bereid is om Sudan in dit proces te begeleiden; overwegende dat de Sudanese regering tijdens het allereerste werkbezoek van de Subcommissie mensenrechten van het Parlement aan Sudan in december 2017 heeft aangegeven de banden met de internationale gemeenschap te willen aanhalen; overwegende dat Salih Mahmoud Osman diverse malen een bezoek heeft gebracht aan EU-instellingen, waaronder het Europees Parlement, om zijn ernstige bezwaren tegen het herstel van de betrekkingen tussen de EU en Sudan kenbaar te maken;

O.  overwegende dat de Sudanese autoriteiten Mohamed Aldoma hebben belemmerd om te reizen en op 8 maart 2018 zijn paspoort hebben ingenomen toen hij op weg was naar Caïro voor een medische behandeling na mishandelingen tijdens zijn gevangenschap;

P.  overwegende dat Sudan op de Wereldindex voor persvrijheid de 174e plaats inneemt van de 180; overwegende dat de pers- en de mediavrijheid nog altijd ernstig worden beperkt door de autoriteiten en door de pers- en publicatiewet, die censuur mogelijk maakt, alsmede inbeslagname en confiscatie van kranten, sluiting van mediakanalen en het blokkeren van internet; overwegende dat kranten regelmatig aan censuur worden onderworpen en na de druk worden geconfisqueerd, hetgeen niet alleen een politieke sanctie vormt, maar tevens een economische;

Q.  overwegende dat de vrijheid van religie onder druk blijft staan en dat afvalligheid, godslastering en de overstap van de Islam naar andere religies bij wet strafbaar zijn gesteld; overwegende dat de journalist Shamael al-Nur, die werkt voor het dagblad Al‑Tayyar, op 21 februari 2018 in staat van beschuldiging werd gesteld wegens afvalligheid, omdat hij een redactioneel artikel had geschreven over de nationale uitgaven op het gebied van de gezondheidszorg, en dat in Sudan op afvalligheid de doodstraf staat;

R.  overwegende dat het Internationaal Strafhof op 4 maart 2009 en 12 juli 2010 aanhoudingsbevelen heeft uitgevaardigd voor de Sudanese president Omar Hassan Ahmad al‑Bashir;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanhoudende vervolging van mensenrechtenactivisten en maatschappelijke organisaties in Sudan, in het bijzonder in de vorm van de aantasting van de vrijheid van uitdrukking, demonstratie, vergadering en religie, alsmede over de intimidatie van mensenrechtenactivisten, journalisten en ngo's die zich uitspreken tegen het regime;

2.  roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de Sacharovprijswinnaar Salih Mahmoud en van alle andere mensenrechtenactivisten, maatschappelijke activisten en oppositieleden die gevangen worden gehouden uitsluitend als gevolg van hun legitieme en vreedzame activiteiten ten behoeve van de mensenrechten en de democratie;

3.  veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen de foltering en mishandeling van gedetineerden; benadrukt dat de omstandigheden waarin personen gevangen worden gehouden in overeenstemming moeten zijn met internationale normen, met inbegrip van het VN-Pakket van grondbeginselen voor de bescherming van alle personen onder enige vorm van detentie of gevangenschap;

4.  roept de Sudanese autoriteiten op onderzoek te doen naar het gebruik van geweld tegen, foltering en mishandeling van vreedzame demonstranten, en om de daders voor de rechter te brengen; benadrukt dat zogenaamde informatie die is verkregen door foltering of mishandeling in geen geval als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mag worden toegelaten;

5.  betreurt dat mensenrechtenactivisten in Sudan het mikpunt zijn van onderdrukking en roept de autoriteiten op onder alle omstandigheden te garanderen dat zij hun legitieme activiteiten kunnen uitvoeren zonder angst voor represailles en zonder enige beperking, met inbegrip van intimidatie door justitie;

6.  dringt er bij de Sudanese regering op aan ogenblikkelijk een einde te maken aan de schendingen van de rechten en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering van politieke oppositiepartijen en mensenrechtenactivisten; roept op tot het eerbiedigen en beschermen van de grondrechten van alle mensen in Sudan;

7.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de aanhoudende en veelvuldige schendingen van de vrouwenrechten in Sudan, met nadrukkelijke verwijzing naar artikel 152 van het wetboek van strafrecht; roept de Sudanese autoriteiten op om zonder uitstel het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen te ondertekenen en te ratificeren;

8.  spreekt zijn blijvende steun uit voor het beschermingsmechanisme voor mensenrechtenactivisten die gevaar lopen; roept de EDEO op om zich te blijven in te zetten voor een betere tenuitvoerlegging van de richtsnoeren van de Europese Unie betreffende mensenrechtenactivisten, door ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden waarover de EDEO in Sudan beschikt; benadrukt dat de delegaties van de EU bij het uitschrijven van plaatselijke aanbestedingen in het kader van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) voorrang moeten geven aan ondersteuning van de mensenrechtenactivisten die het meest gevaar lopen, om zo een doeltreffende en doelgerichte steun te waarborgen;

9.  verzoekt de EDEO en de delegatie van de EU in Sudan aan het Parlement verslag uit te brengen van de ondernomen stappen om bescherming en steun te bieden aan mensenrechtenactivisten; roept op tot gezamenlijk optreden van de EU en de lidstaten ter ondersteuning van mensenrechtenactivisten die gevaar lopen;

10.  wijst er nogmaals op dat het van wezenlijk belang is om essentiële wetgeving, waaronder de nationale veiligheidswet van 2010 en wetgeving inzake de media en maatschappelijke organisaties, te herzien en te hervormen, om deze in overeenstemming te brengen met internationale normen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging;

11.  herinnert Sudan aan zijn verplichtingen als VN-lid en dringt er bij het land op aan resolutie 1593 (2005) van de VN-Veiligheidsraad na leven, waarin samenwerking met het Internationaal Strafhof (ICC) verplicht wordt gesteld; herhaalt zijn eis aan de Sudanese president Omar al-Bashir zich aan het internationale recht te houden, overeenkomstig de verdragen waar Sudan partij bij is, en steunt de rol van het ICC bij de vervolging van Omar al-Bashir wegens oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide;

12.  dringt er bij Sudan op aan de eerbiediging van de mensenrechten en de grondrechten te waarborgen, overeenkomstig de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de verklaring van de VN over mensenrechtenactivisten;

13.  deelt de bezorgdheid die Salih Mahmoud Osman heeft geuit over de huidige gerichtheid van de EU op migratie, waardoor de aandacht voor de mensenrechtensituatie dreigt te verslappen;

14.  roept de EDEO daarom op wederom verklaringen af te leggen naar aanleiding van het op grote schaal schenden van de mensenrechten door de overheid en door milities, alsmede verklaringen over het inperken van de activiteiten van maatschappelijke organisaties, om zo te laten zien dat de EU zich onverminderd blijft inzetten voor de mensenrechten in Sudan;

15.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan te waarborgen dat bij de uitvoering van gezamenlijke projecten met de Sudanese autoriteiten het "berokken geen schade"-beginsel wordt gehanteerd, wat betekent dat samenwerking met plegers van schendingen van de mensenrechten is uitgesloten;

16.  verzoekt de EU en haar lidstaten steun te verlenen aan degenen die zich inzetten voor het verwezenlijken van werkelijke veranderingen in Sudan, en om maatschappelijke organisaties technische ondersteuning te verlenen en programma's voor capaciteitsopbouw te bieden, zodat zij zich sterker kunnen inzetten voor de mensenrechten en de rechtsstaat, en een doeltreffender bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de mensenrechtensituatie in Sudan;

17.  roept de EU en haar lidstaten op zich te blijven inzetten ter ondersteuning van de inspanningen van de Afrikaanse Unie om een einde te maken het conflict in Sudan, zodat de Sudanese bevolking in vrede kan leven; spreekt in dit verband zijn steun uit voor de hernieuwing van het mandaat van de UN-African Union Mission in Darfur (UNAMID) tot juni 2018;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regering van Sudan, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de beide voorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement (PAP).


Doden uit mededogen in Oeganda
PDF 176kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over "doden uit mededogen" in Oeganda (2018/2632(RSP))
P8_TA(2018)0081RC-B8-0165/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, die Oeganda heeft ondertekend,

–  gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst ("Overeenkomst van Cotonou"), met name artikel 8, lid 4, over non-discriminatie,

–  gezien de grondwet van de Republiek van Oeganda,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), dat op 20 november 1989 is aangenomen, met name de artikelen 2 en 6, waarin uitdrukkelijk het beginsel van non-discriminatie is opgenomen, ook op grond van een handicap, en het recht op leven,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag), aangenomen in 2006, en met name artikel 32 daarvan, waarin staat dat alle partijen handicaps en personen met een handicap in hun pogingen tot internationale samenwerking moeten opnemen,

–  gezien de jongste resoluties van de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechten van personen met een handicap van 14 april 2014 en 14 juli 2014,

–  gezien artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die elke vorm van discriminatie verbieden, en de artikelen 21 en 26 daarvan, waarin de rechten van mensen met een handicap uiteen worden gezet,

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de inclusie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden die op 23 november 2011 is aangenomen,

–  gezien het World Report on Disability, gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldbank in juni 2011,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) van 8 april 2016, "VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap behandelt verslag over Oeganda",

–  gezien de resoluties 65/186 en 64/131 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelen voor personen met een handicap voor 2015 en later,

–  gezien de toelichting van de EU over handicap en ontwikkeling voor EU-delegaties en ‑diensten,

–  gezien de Agenda 2030 en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's), aangenomen op 25 september 2015 in New York,

–  gezien het verslag over Oeganda van 1 juli 2016 inzake de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 getiteld "Ervoor zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten", dat gepresenteerd werd aan het politiek forum op hoog niveau van de VN in New York,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2006(1) over invaliditeit en ontwikkeling,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Oeganda,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het "doden uit mededogen" in Oeganda een praktijk is waarbij ouders van gehandicapte kinderen deze kinderen doden of hen bewust laten verhongeren of hun medische zorg ontzeggen omdat zij geloven dat ze dood beter af zijn dan wanneer ze moeten zien te leven met een pijnlijke en ongeneeslijke handicap;

B.  overwegende dat Oeganda niet het enige land is dat worstelt met deze problematiek; overwegende dat veel ontwikkelingslanden aanzienlijke – maar nog onvoldoende – vooruitgang hebben geboekt bij het betrekken van mensen met een handicap bij ontwikkelingsprojecten;

C.  overwegende dat sommige ouders bekennen dat het "doden uit mededogen" noodzakelijk is om gehandicapte kinderen ernstig lijden tijdens hun latere leven te besparen; overwegende dat, ondanks de getuigenissen van sommige moeders of overlevenden, de praktijk taboe blijft;

D.  overwegende dat het sociale stigma in Oeganda zo sterk is dat moeders en de kinderen worden verstoten door de gemeenschap die hun een lagere sociale status toekent en hun niet toestaat volwaardig deel te nemen aan de samenleving; overwegende dat er druk wordt uitgeoefend op moeders om hun eigen kind doden na zich jarenlang moeite te hebben getroost en opofferingen die de zorg voor een gehandicapt kind met zich meebrengt;

E.  overwegende dat de opvattingen over kinderen die geboren zijn met een handicap ervoor zorgen dat ze een hoger risico lopen het slachtoffer te worden van geweld of moord dan niet-gehandicapte kinderen; overwegende dat kinderen met een handicap bloot staan aan allerlei vormen van geweld, discriminatie en marginalisering vanwege negatieve attitudes, bijgeloof, verwaarlozing, en sociale normen en praktijken; overwegende dat de grootste dreiging voor kinderen met een handicap uitgaat van de opvatting dat de aandoening, en zelfs van de aanwezigheid van het kind, zal leiden tot meer gehandicapte kinderen;

F.  overwegende dat clans en uitgebreide families moeders onder een te hoge druk zetten, in hun zoektocht naar de oorzaken van de handicap waarbij ze de schuld aan de moeder geven; overwegende dat in sommige gevallen moeders uit het huishouden van hun man zijn verstoten omdat zij een gehandicapt kind hadden gebaard;

G.  overwegende dat artsen en medisch personeel er niet in slagen de aard en de oorzaak van de zwakte van het kind te begrijpen of te verklaren en dat het zorgstelsel onvoldoende is toegerust om diagnoses te stellen en veel soorten handicaps te behandelen die geminimaliseerd of zelfs geëlimineerd zouden kunnen worden; overwegende dat de ontzegging van basisrechten aan kinderen met een handicap, zoals de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, steun en revalidatie, hun vermogen om hun volledige potentieel te benutten ernstig belemmert;

H.  overwegende dat Oeganda een van de 162 partijen bij het CRPD is; overwegende dat Oeganda het Verdrag en het bijbehorende Facultatief Protocol op 25 september 2008 zonder voorbehoud heeft geratificeerd; overwegende dat Oeganda zich ertoe verplicht heeft personen met een handicap dezelfde rechten toe te kennen als alle andere burgers;

I.  overwegende dat het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap zich in april 2016 gebogen heeft over de tenuitvoerlegging van het CRPD door Oeganda en dat er slotopmerkingen en aanbevelingen zijn opgesteld waarin gesteld wordt dat 'het Comité met bezorgdheid vaststelt dat de rechten van kinderen met een handicap onvoldoende worden beschermd door de wetgeving en het beleid' en 'tevens zijn bezorgdheid uit over de afwezigheid van informatie over de situatie van dove en dove-blinde kinderen, en over maatregelen die ervoor moeten zorgen dat zij worden beschermd en in de samenleving worden opgenomen';

J.  overwegende dat de regering van Oeganda een aantal algemene wetten en beleidsmaatregelen heeft met bepalingen over invaliditeit; overwegende dat het land specifieke wetgeving over invaliditeit heeft; overwegende dat de definitie van invaliditeit van wetgeving tot wetgeving kan verschillen;

K.  overwegende dat de twee grootste obstakels voor de inclusie van personen met een handicap hun onzichtbaarheid en de negatieve attitudes jegens hen zijn; overwegende dat het hebben van kinderen met een handicap een reden is voor sociale uitsluiting voor het gezin en met name voor de moeders, aangezien kinderen met een handicap worden gezien als een bron van schaamte en zwakte voor het gezin;

L.  overwegende dat er maar weinig overheidsinstellingen zijn om ouders met gehandicapte kinderen te ondersteunen in delen van het Oegandese platteland en overwegende dat gezinnen, en met name alleenstaande moeders, het vaak lastig vinden adequate zorg te bieden aan hun gehandicapte kind;

M.  overwegende dat er geen officiële cijfers bekend zijn omdat politie noch justitie onderzoek doen naar het verschijnsel; overwegende dat het ontbreken van cijfers de bestrijding van de praktijk van het "doden uit mededogen" lastig maakt;

N.  overwegende dat het werk van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten cruciaal is om de rechten van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen te waarborgen; overwegende dat non-gouvernementele organisaties in Oeganda kampen met tal van moeilijkheden en obstakels om kinderen met een handicap en hun ouders diensten te verlenen; overwegende dat de vele misvattingen over kinderen met een handicap de ontwikkelingsinspanningen en het werk van mensenrechtenmonitoren in Oeganda compliceren;

O.  overwegende dat verenigingen van personen met een handicap een specifieke rol spelen in het uitdragen van de specifieke belangen van personen met een handicap aan politici en het algemene publiek; overwegende dat het ontbreekt aan informatie om het algemene publiek bewust te maken van de culturele praktijken die de ontwikkeling van personen met een handicap stigmatiseren en belemmeren om dezelfde rechten te genieten als alle andere mensen in de samenleving;

1.  veroordeelt het ongerechtvaardigde en onmenselijke doden van kinderen en pasgeborenen met een handicap; geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het "uit mededogen doden" van kinderen met een handicap in Oeganda en alle overige landen waar deze praktijken worden toegepast; dringt erop aan een einde te maken aan deze vorm van geweld, wreedheid en marteling jegens kinderen;

2.  dringt er bij de autoriteiten van Oeganda en alle landen waar kinderen "uit mededogen" of ritueel worden gedood op aan zich ertoe te verbinden het funeste bijgeloof te bestrijden waardoor kinderen telkens weer het slachtoffer worden;

3.  herinnert eraan dat de primaire verantwoordelijkheid van een staat is zijn burgers te beschermen, inclusief kwetsbare groepen; herinnert de Oegandese autoriteiten aan hun verplichting om zich te houden aan de grondwet van hun land, met name aan de artikelen 21, 32 en 35, lid 1, waarin bepaald wordt dat personen met een handicap recht hebben op eerbied en menselijke waardigheid en dat de staat en de samenleving passende maatregelen zullen treffen om ervoor te zorgen dat zij hun volledige geestelijke en lichamelijke potentieel zullen benutten;

4.  herinnert aan de specifieke plicht van het Oegandese parlement jegens personen met een handicap, verankerd in artikel 35, lid 2, van de grondwet, krachtens welk het parlement wetten moet opstellen ter bescherming van personen met een handicap; dringt er bij de Oegandese regering op aan alle maatregelen die worden getroffen ten behoeve van de verbetering van de burgerrechten en de mensenrechten van personen met een handicap, te steunen;

5.  dringt aan op steun voor gezinnen met personen met een handicap zodat zij hun kinderen thuis kunnen grootbrengen; dringt er bij de Oegandese regering op aan om in het hele land kwalitatief hoogwaardige diensten te ontwikkelen voor gezinnen met kinderen met een handicap, inclusief voldoende financiële ondersteuning en uitkeringen om goed voor hun gehandicapte kind te zorgen;

6.  dringt er bij de autoriteiten op aan te zorgen voor maatschappelijke bewustmaking en informatie over de situatie van gehandicapte personen, en opleidingscursussen zodat ouders en mantelzorgers van kinderen met een handicap worden gesteund, geïnformeerd en geadviseerd om de participatie van de kinderen in de gemeenschap te faciliteren;

7.  dringt er bij de regering van Oeganda op aan ervoor te zorgen dat artsen die in direct contact komen met personen met een handicap en hun medische problemen adequaat worden opgeleid en bewust worden gemaakt van de behoeften van deze patiënten;

8.  is verheugd over de goedkeuring van de Wet Gelijke Kansen in 2007 die gericht is op het bevorderen van gelijke kansen voor gemarginaliseerde groepen, waaronder personen met een handicap;

9.  is verheugd over de oprichting van de Oegandese mensenrechtencommissie (UHRC) krachtens de grondwet van de Republiek van Oeganda van 1995; herinnert aan haar rol, onder andere, om het bewustzijn in de samenleving te creëren en te vergroten over de bepalingen van deze grondwet als de fundamentele wetgeving van het volk van Oeganda en erop toe te zien of de regering haar internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten nakomt;

10.  dringt er bij de UHRC op aan een concreet nationaal plan te ontwikkelen om haar toezichtsfunctie uit te oefenen en een meer gestructureerde en geïnstitutionaliseerde interactie te bevorderen met alle organisaties van personen met een handicap in het land;

11.  dringt er bij de autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat alle kinderen bij hun geboorte worden geregistreerd, inclusief kinderen met een handicap;

12.  dringt er bij de Oegandese autoriteiten op aan hun inspanningen te verhogen om mensen bewuster te maken van de rechten en de waardigheid van kinderen met een handicap in Oeganda; benadrukt in dit verband de belangrijke rol van het onderwijs om stigmatisering te bestrijden; benadrukt de cruciale rol van verenigingen van personen met een handicap bij de bewustmaking over de inclusie van personen met een handicap en de problemen waar zij mee kampen;

13.  benadrukt dat de media een actievere rol zouden moeten spelen bij het doorbreken van stereotypen en het bevorderen van inclusie; dringt er bij de internationale, nationale en lokale besluitvormers op aan te zorgen voor meer bewustmaking via de media, het onderwijsbeleid en voorlichtingscampagnes;

14.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de fysieke aanvallen op mensenrechtenactivisten en maatschappelijke organisaties, zoals het Human Rights Awareness and Promotion Forum; dringt er bij de Oegandese autoriteiten op aan de veiligheid van mensenrechtenactivisten te waarborgen, aanvallers te vervolgen en de mensenrechtenactivisten in staat te stellen hun werk te doen zonder bedreigingen en obstakels;

15.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de inspanningen van de regering, ngo's en maatschappelijke organisaties van Oeganda te steunen om beleidsmaatregelen op te stellen en uit te voeren om te voorzien in de behoeften van personen met een handicap en hun rechten te waarborgen, op basis van non-discriminatie en sociale inclusie, en gelijke toegang tot gezondheidszorg en andere maatschappelijke diensten;

16.  dringt aan op een uitwisseling van goede praktijken tussen ontwikkelings- en ontwikkelde landen; verzoekt de Commissie om samen met overige internationale donoren een platform te ontwikkelen voor de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van de sociale inclusie van kinderen met een handicap; dringt er bij de Commissie op aan haar toezeggingen krachtens artikel 32 van het CRPD gestand te doen;

17.  dringt er bij de EU op aan gebruik te maken van de politieke hefboom die geboden wordt door de ontwikkelingshulpprogramma's, en dan met name de programma's voor begrotingsondersteuning, om de mensenrechten in Oeganda te verdedigen en te bevorderen; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of de bijstand kan worden verbeterd, hetzij door financiering of coördinatie met plaatselijke instellingen, om de medische ondersteuning van kinderen met een handicap te verbeteren ten einde de dringend noodzakelijke steun aan hun gezinnen uit te breiden;

18.  benadrukt dat beleidsmaatregelen voor inclusie op alle relevante VN- en internationale fora moeten worden bevorderd, omdat het onderwerp 'handicap' in veel internationale besprekingen op hoog niveau afwezig is en hoog op de politieke agenda moet worden geplaatst;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van de Republiek van Oeganda, de voorzitter van het Oegandese parlement en de Afrikaanse Unie en haar instellingen.

(1) PB C 287 E van 24.11.2006, blz. 336.


Opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Comoren ***
PDF 243kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad houdende opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren (14423/2017 – C8-0447/2017 – 2017/0241(NLE))
P8_TA(2018)0082A8-0058/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (14423/2017),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0447/2017),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 15 maart 2018(2) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, lid 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0058/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Unie van de Comoren.

(1) PB L 290 van 20.10.2006, blz. 7.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0083.


Opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EU-Comoren (resolutie)
PDF 275kWORD 52k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad houdende opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren (14423/2017 – C8-0447/2017 – 2017/0241(NLE)2017/2266(INI))
P8_TA(2018)0083A8-0055/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (14423/2017),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0447/2017),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 15 maart 2018(2) over het ontwerpbesluit,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999(3) (de "IOO-verordening"), en met name artikel 8, lid 8,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0055/2018),

A.  overwegende dat de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren (hierna "de Comoren" genoemd) voorziet in de beëindiging ervan door elke partij wegens ernstige omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de door de partijen aangegane verbintenissen tot het bestrijden van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (hierna "IOO-visserij" genoemd) niet worden nagekomen;

B.  overwegende dat illegale visserij een ernstige bedreiging vormt voor de mariene hulpbronnen overal ter wereld, aangezien daardoor de visbestanden worden uitgeput, mariene habitats worden vernield, bonafide vissers worden benadeeld en de bestaansmiddelen van kustgemeenschappen, vooral in ontwikkelingslanden, worden vernietigd;

C.  overwegende dat de EU al het mogelijke moet doen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten inzake duurzame visserij die worden gesloten met derde landen wederzijdse voordelen opleveren voor de EU en de betrokken derde landen en voor hun plaatselijke bevolking en visserijsector;

D.  overwegende dat het algemene doel van het protocol tot sluiting van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren erin bestond de samenwerking op het gebied van de visserij tussen de EU en de Comoren in het belang van beide partijen te verbeteren door een partnerschapskader vast te stellen waarbinnen een duurzaam visserijbeleid kon worden nagestreefd met duurzame exploitatie van de visserijhulpbronnen in de exclusieve economische zone van de Comoren, en een passend aandeel kon worden verkregen van de beschikbare overschotbestanden, in overeenstemming met de belangen van de EU‑vloten;

E.  overwegende dat de eerste visserijovereenkomst tussen de EEG en de Comoren van 1988 dateert en dat de vloten van de EEG/EU-lidstaten sindsdien uit hoofde van een reeks uitvoeringsprotocollen toegang hebben gekregen tot vangstmogelijkheden;

F.  overwegende dat de sectorale samenwerking volgens het UNCTAD-verslag getiteld "Fishery Exports and the Economic Development of Least Developed Countries" (Visserijexport en de economische ontwikkeling van de minst ontwikkelde landen) niet verder is geëvolueerd dan een rudimentaire toestand, met zeer weinig invloed op de visserijsector, aanlandingsvoorwaarden, monitoring- en toezichtscapaciteit, wetenschappelijke ontwikkeling, of de technische opleiding van vissers en waarnemers; overwegende dat de prijs die de EU per ton vis (tonijn) aan de Comoren betaalt ongeveer 15 % van de geschatte groothandelsprijs per ton is;

G.  overwegende dat de Comoren op 1 oktober 2015 een kennisgeving hebben ontvangen dat ze mogelijk zouden worden aangemerkt als niet-meewerkend derde land aangezien ze er niet in slagen vaartuigen onder Comorese vlag op passende wijze te controleren; overwegende dat de Comoren in mei 2017 werden aangemerkt als niet-meewerkend derde land en dat ze in juli 2017 op een lijst van niet-meewerkende landen werden geplaatst door de EU, die een "rode kaart" heeft afgegeven, en dat het land er daarna nog steeds niet in geslaagd is de nodige corrigerende maatregelen te treffen om de aangewezen problemen op te lossen en de IOO-visserij te bestrijden;

H.  overwegende dat het vorige protocol bij de visserijovereenkomst met de Comoren op 30 december 2016 is verstreken en dat het niet werd verlengd wegens het gebrek aan inzet van de Comoren om IOO-visserij te bestrijden; overwegende dat aan het protocol een totaalbedrag van 600 000 EUR per jaar was verbonden, waarvan 300 000 EUR was bestemd voor steun aan het visserijbeleid van de Comoren, met het oog op de bevordering van duurzaamheid en een degelijk beheer van de visbestanden in de wateren van het land;

I.  overwegende dat de EU de bestrijding van illegale visserij en alle daaruit voortvloeiende activiteiten zeer ernstig neemt, zoals blijkt uit de IOO-verordening;

J.  overwegende dat de EU en haar lidstaten in verschillende sectoren samenwerking nastreven met de Comoren; overwegende dat de opzegging van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij door de EU kan worden teruggedraaid (indien de nodige corrigerende maatregelen worden getroffen) en overwegende dat de opzegging van deze overeenkomst niet uitsluit dat in de toekomst zal worden onderhandeld over een andere overeenkomst of een andere vorm van partnerschap in de visserijsector;

K.  overwegende dat de identificatie van niet-meewerkende derde landen alleen niet volstaat om IOO-visserij te bestrijden maar dat er ook oplossingen moeten worden gevonden om vastgestelde situaties te verhelpen; overwegende dat de Comoren zonder hulp van buitenaf niet in staat zullen zijn hun beleid inzake marien beheer voor met name de visbestanden te verbeteren, meer bepaald wat betreft aanlandingsvoorwaarden, monitoring- en toezichtscapaciteit, wetenschappelijke ontwikkeling of de technische opleiding van vissers en waarnemers;

L.  overwegende dat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) voor het eerst een doelstelling is opgenomen die verband houdt met de instandhouding en duurzame exploitatie van zeeën en mariene hulpbronnen (doelstelling 14);

1.  betreurt dat de Comoren, ondanks waarschuwingen van de EU, er niet in zijn geslaagd de nodige corrigerende maatregelen te treffen om de aangewezen problemen op te lossen en de IOO-visserij te bestrijden;

2.  wijst opnieuw op het belang van doelmatige controle door de vlaggenstaat, en herhaalt dat het ontbreken daarvan een onderliggende oorzaak van IOO-visserij is; is van mening dat de Comoren hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht met betrekking tot het toezicht op en de controle van vaartuigen die onder hun vlag varen, dienen na te komen; is er sterk van overtuigd dat dit gebrek aan toezicht en aan machtigingen om te vissen dergelijke vaartuigen in staat stelt om straffeloos aan IOO‑visserij te doen;

3.  meent dat de Comoren betrekkingen met de EU moeten blijven onderhouden en dat ze deze gelegenheid dienen aan te grijpen om de nodige maatregelen vast te stellen ter verbetering van hun capaciteit om illegale visserij aan te pakken;

4.  betreurt dat het in de nagenoeg 30 jaar dat er visserijovereenkomsten bestaan tussen de EU en de Comoren – waarvan een onderdeel gericht was op samenwerking en ondersteuning voor de ontwikkeling van de Comorese visserijsector – onmogelijk is gebleken tastbaardere resultaten te bereiken inzake de ontwikkeling van de sector, onder meer op het gebied van monitoring- en toezichtscapaciteit, wetenschappelijke ontwikkeling, en technische opleiding voor vissers en waarnemers;

5.  meent dat de beschikbare instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking, met name het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), doeltreffender moeten worden afgestemd op algemene ondersteuning voor capaciteitsontwikkeling in de visserijsector;

6.  wijst erop dat de Comoren zowel uit hoofde van de met de EU gesloten Partnerschapsovereenkomst inzake visserij en andere internationale instrumenten, als binnen het kader voor de verwezenlijking van de Agenda 2030 en de SDG's, de plicht hebben de beginselen van goed bestuur op het gebied van visserij en van verantwoorde visserij te eerbiedigen, de visbestanden op peil te houden en het mariene ecosysteem te beschermen in de eigen exclusieve economische zone;

7.  beklemtoont dat IOO-visserij wereldwijd moet worden bestreden en dat er voor staten stimulansen moeten worden gecreëerd opdat zij hun verantwoordelijkheid ernstig nemen en de nodige hervormingen aanbrengen in hun visserijsectoren;

8.  wijst erop dat de bestrijding van IOO-visserij niet alleen op de identificatie van niet‑meewerkende derde landen mag berusten en dat het, om illegale visserij in al zijn vormen daadwerkelijk te bestrijden, noodzakelijk is manieren te vinden om landen, en met name kleine eilandstaten in ontwikkeling, zoals de Comoren, te helpen hun beleid inzake marien beheer te wijzigen;

9.  deelt de mening van de Commissie en de Raad dat de in artikel 38, lid 8, van de IOO-verordening bedoelde maatregelen moeten worden toegepast, namelijk de opzegging van alle bestaande bilaterale visserijovereenkomsten met de Comoren die voorzien in de beëindiging van die overeenkomsten wanneer dit land zijn verplichtingen inzake de bestrijding van IOO-visserij niet nakomt;

10.  neemt kennis van de andere in artikel 38, lid 8, van de IOO-verordening vermelde gevolgen, die onder meer een verbod op charterovereenkomsten, omvlagging en particuliere regelingen inhouden;

11.  is echter van mening dat een dergelijke opzegging niet het einde van de samenwerking op het gebied van visserij tussen de EU en de Comoren mag betekenen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat deze betrekkingen zo spoedig mogelijk opnieuw kunnen worden opgenomen, uitgaande van de veronderstelling dat vissersgemeenschappen en kleinschalige ambachtelijke visserij centraal moeten staan bij de ontwikkeling van het land en dat daartoe investeringen en technische bijstand moeten worden bevorderd op de volgende terreinen:

   administratief en bestuurlijk systeem voor de visserij, wetgeving, institutionele structuur, capaciteitsopbouw voor personele middelen (vissers, wetenschappers, inspecteurs en anderen), en opwaardering van de commerciële en culturele waarde van het traditionele Comorese vistuig en de traditionele Comorese vis;
   monitoring en wetenschappelijke capaciteit, capaciteit voor kustbescherming en voor inspectie, toezicht en kwaliteitscontrole;
   oprichting van voorzieningen voor de koeling, distributie en verwerking van vis;
   bouw en verbetering van aanlandings- en beveiligingsinfrastructuur in havens;
   vernieuwing van de kleinschalige Comorese visserijvloot om de veiligheid en viscapaciteit te verbeteren, en ervoor te zorgen dat de schepen langer op zee kunnen blijven;

12.  vraagt om een bepaling op te nemen waarbij, als de Comoren de tekortkomingen verhelpen, de procedure wordt stopgezet en de rode kaart wordt ingetrokken, zodat de EU‑vloot kan terugkeren;

13.  verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen om de situatie te normaliseren, door IOO-visserij doeltreffender te helpen bestrijden en de EU-vloot naar dit visgebied te laten terugkeren zodra de onderhandelingen over een nieuw protocol zijn afgerond;

14.  verzoekt de Commissie en de Raad, elk binnen hun bevoegdheidsgebied, het Parlement volledig en onverwijld op de hoogte te brengen van alle ontwikkelingen die zich hierbij voordoen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter de resolutie van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Unie der Comoren.

(1) PB L 290 van 20.10.2006, blz. 7.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0082.
(3) PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.


Europass: kader voor vaardigheden en kwalificaties ***I
PDF 244kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verstrekken van betere diensten voor vaardigheden en kwalificaties (Europass), houdende intrekking van Beschikking nr. 2241/2004/EG (COM(2016)0625 – C8-0404/2016 – 2016/0304(COD))
P8_TA(2018)0084A8-0244/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0625),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0404/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs volgens artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0244/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verstrekken van betere diensten voor vaardigheden en kwalificaties (Europass) en houdende intrekking van Beschikking nr. 2241/2004/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2018/646.)

(1) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 45.


Programma Creatief Europa (2014-2020) ***I
PDF 242kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) (COM(2017)0385 – C8-0236/2017 – 2017/0163(COD))
P8_TA(2018)0085A8-0369/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0385),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 167, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0236/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 31 januari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0369/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 - 2020)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/596.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Plaats van vestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau ***I
PDF 146kWORD 54k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 maart 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat betreft de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (COM(2017)0735 – C8-0421/2017 – 2017/0328(COD))(1)
P8_TA(2018)0086A8-0063/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Gezien artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet het Europees Geneesmiddelenbureau zijn nieuwe zetel innemen vanaf de datum waarop de Verdragen niet meer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn of, als dat eerder is, vanaf 30 maart 2019.
(2)  Gezien artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet het Europees Geneesmiddelenbureau ("het Bureau") zijn nieuwe zetel innemen vanaf 30 maart 2019.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Om ervoor te zorgen dat het Europees Geneesmiddelenbureau op zijn nieuwe locatie naar behoren functioneert, moet een zetelovereenkomst worden gesloten voordat het Europees Geneesmiddelenbureau zijn nieuwe zetel inneemt.
(3)  Om ervoor te zorgen dat het Bureau op zijn nieuwe locatie naar behoren functioneert, moet zo spoedig mogelijk een zetelovereenkomst worden gesloten. De zetelovereenkomst moet de meest passende voorwaarden omvatten voor een succesvolle verhuizing van het Bureau en zijn personeel naar Amsterdam.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Om volledige continuïteit van de werkzaamheden van het Bureau te waarborgen dient de tijdelijke locatie in Amsterdam beschikbaar te zijn per 1 januari 2019 en moet de permanente zetel van het Bureau uiterlijk op 15 november 2019 klaar zijn.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  Het is verheugend dat de nieuwe locatie van het Bureau de voorkeur heeft van de huidige medewerkers en dat de Nederlandse autoriteiten zich inspannen om ervoor te zorgen dat de verhuizing in twee fasen de operationele capaciteit en de continuïteit niet in gevaar brengt en dat de goede werking van het EMA, zonder onderbrekingen, gewaarborgd blijft. De verhuizing van het Bureau naar Amsterdam in twee fasen leidt er echter toe dat het Bureau bepaalde activiteiten tijdelijk, als het in de tijdelijke locatie gevestigd is, een lagere prioriteit moet geven, zoals de werkzaamheden op het gebied van pediatrische geneesmiddelen en volksgezondheidskwesties, waaronder werkzaamheden op het gebied van antimicrobiële resistentie en pandemische griep. De vertragingen die de Nederlandse regering al heeft gemeld en die ertoe leiden dat het permanente gebouw, waarvan de bouw nog moet starten, later zal worden opgeleverd, geven aanleiding tot bezorgdheid over nog meer vertragingen. De periode waarin het Bureau in het tijdelijke gebouw gehuisvest wordt, moet beperkt blijven tot tien en een halve maand, zodat het Bureau met ingang van 16 november 2019 weer met volledige capaciteit kan functioneren en verder verlies van expertise voorkomen wordt.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – inleidende formule
In Verordening (EG) nr. 726/2004 wordt het volgende artikel 71 bis ingevoegd:
In Verordening (EG) nr. 726/2004 worden de volgende artikelen 71 bis en 71 ter ingevoegd:
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Verordening (EG) nr. 726/2004
Artikel 71 bis
Artikel 71 bis
Artikel 71 bis
Het bureau heeft zijn zetel in Amsterdam, Nederland.
Het bureau heeft zijn zetel in Amsterdam, Nederland.
De Commissie en de bevoegde Nederlandse autoriteiten nemen alle maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het Bureau uiterlijk op 1 januari 2019 naar zijn tijdelijke locatie en uiterlijk op 16 november 2019 naar zijn permanente locatie kan verhuizen.
De Commissie en de bevoegde Nederlandse autoriteiten dienen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens om de drie maanden, totdat het Bureau naar zijn permanente zetel is verhuisd, een schriftelijk verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de voortgang van de verbouwing van het tijdelijke gebouw en over de bouw van het permanente gebouw.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Verordening (EG) nr. 726/2004
Artikel 71 ter (nieuw)
Artikel 71 ter
Een zetelovereenkomst die het voor het Bureau mogelijk maakt om zijn werkzaamheden te beginnen in de gebouwen waar het Europees Parlement en de Raad mee hebben ingestemd, moet binnen drie maanden te rekenen vanaf … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] worden gesloten.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2
Deze verordening is van toepassing vanaf de datum waarop de Verdragen niet meer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn of, als dat eerder is, vanaf 30 maart 2019.
Deze verordening is van toepassing vanaf 30 maart 2019.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Verklaring (nieuw)
"BIJLAGE BIJ VERORDENING 2018/...
VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT
Het Europees Parlement betreurt dat zijn rol als medewetgever niet naar behoren in aanmerking is genomen, doordat het Parlement niet betrokken is geweest bij de procedure voor de vaststelling van de nieuwe zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA).
Het Europees Parlement herinnert aan zijn prerogatieven als medewetgever en dringt erop aan dat met betrekking tot de vestigingsplaats van organen en agentschappen de gewone wetgevingsprocedure volledig in acht wordt genomen.
Als enige rechtstreeks gekozen instelling van de Unie en als vertegenwoordiger van de burgers van de Unie staat het Europees Parlement als eerste garant voor de eerbiediging van het democratische beginsel in de Unie.
Het Europees Parlement is het niet eens met de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de nieuwe zetel van het EMA, omdat zijn prerogatieven daarbij de facto zijn veronachtzaamd, aangezien het Parlement niet betrokken is geweest bij dit proces en nu wordt geacht eenvoudigweg de gekozen vestigingsplaats te bekrachtigen via de gewone wetgevingsprocedure.
Het Europees Parlement herinnert eraan dat de gemeenschappelijke aanpak die als bijlage bij de in 2012 ondertekende gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen is gevoegd, juridisch niet-bindend is, zoals in de verklaring zelf is vastgelegd, en is overeengekomen onverminderd de wetgevende bevoegdheden van de instellingen.
Het Parlement dringt er daarom op aan dat de procedure voor de vaststelling van de vestigingsplaats van agentschappen wordt herzien en dat deze procedure in de toekomst niet meer in deze vorm wordt toegepast.
Tot slot herinnert het Europees Parlement eraan dat de drie instellingen zich er in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven toe hebben verbonden loyaal en transparant samen te werken, daarbij herinnerend aan de gelijkheid van beide medewetgevers, zoals neergelegd in de Verdragen.
__________________
1 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1."

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0063/2018).


Gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting *
PDF 433kWORD 137k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2016)0683 – C8-0471/2016 – 2016/0336(CNS))
P8_TA(2018)0087A8-0051/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0683),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0471/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door het Deense parlement, de Ierse Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Ierse Senaat, het Luxemburgse parlement, het Maltese parlement, de Nederlandse Eerste Kamer, de Nederlandse Tweede Kamer en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0051/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende vennootschapsbelastingstelsels. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allebei obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren. Daarom moet actie om deze problemen te verhelpen, beide soorten marktfalen aanpakken.
(1)  Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende stelsels van vennootschapsbelasting. In tijden van mondialisering en digitalisering wordt belastingheffing aan de bron op met name financieel en intellectueel kapitaal steeds moeilijker te traceren en gemakkelijker te manipuleren. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. De vergevorderde digitalisering van veel sectoren van de economie, samen met de zich snel ontwikkelende digitale economie, zet de geschiktheid van de vennootschapsbelastingmodellen van de Unie, die voor traditionele bedrijfstakken ontworpen zijn, zodanig op losse schroeven dat de waarderings- en berekeningscriteria zouden kunnen worden heruitgevonden om ze aan te passen aan de commerciële activiteiten van de 21e eeuw. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allemaal obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren en veroorzaken ze verstoringen tussen grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom moet een nieuwe standaard voor een heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor de Unie die soorten marktfalen aanpakken, met inachtneming van de doelstellingen van rechtsduidelijkheid en -zekerheid op lange termijn en het beginsel van fiscale neutraliteit. Meer convergentie tussen de nationale belastingstelsels zal leiden tot veel minder kosten en administratieve rompslomp voor bedrijven die binnen de Unie grensoverschrijdend actief zijn. Belastingbeleid is weliswaar een nationale bevoegdheid, maar artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt duidelijk dat de Raad na raadpleging van het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, richtlijnen vaststelt voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op belastinggebied van de lidstaten die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of werking van de interne markt.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU worden vormgegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen de nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen.
(2)  Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU worden vormgegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen en waar bedrijven een vaste inrichting hebben. Rekening houdend met de digitale verandering in de bedrijfsomgeving moet ervoor worden gezorgd dat bedrijven die inkomsten genereren in een lidstaat waar zij geen fysieke vaste inrichting, maar wel een digitale vaste inrichting hebben, op dezelfde wijze worden behandeld als bedrijven met een fysieke vaste inrichting. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen. Consolidatie is een wezenlijk onderdeel van het CCCTB-stelsel omdat de belangrijkste fiscale problemen waar bedrijven van dezelfde groep die in de Unie grensoverschrijdend actief zijn, tegen aanlopen, alleen op die manier kunnen worden aangepakt. Consolidatie maakt een einde aan verrekenprijsformaliteiten en dubbele belasting binnen een groep.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Zoals aangegeven in het voorstel voor een richtlijn van de Raad van 16 maart 2011 betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)7, zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen.
(3)  Zoals aangegeven in het voorstel van 16 maart 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)7 zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Als een CCCTB eenmaal in alle lidstaten is ingevoerd, zou dit ervoor zorgen dat er belasting wordt betaald waar de winsten worden gegenereerd en waar bedrijven een vaste inrichting hebben. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen. Verbetering van de interne markt is een belangrijke factor voor het stimuleren van groei en werkgelegenheid. De invoering van een CCCTB zou de economische groei bevorderen en tot meer werkgelegenheid in de Unie leiden door minder schadelijke belastingconcurrentie tussen bedrijven.
__________________
__________________
7 Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2011)0121 definitief/2 van 3.10.2011).
7 Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2011)0121 definitief/2 van 3.10.2011).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, moet het ambitieuze CCCTB-initiatief in twee afzonderlijke voorstellen worden opgesplitst. In een eerste fase moeten er regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting worden vastgesteld, voordat in een tweede fase de kwestie van consolidatie wordt geregeld.
(4)  Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, is het zeer belangrijk ervoor te zorgen dat de richtlijn betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en de richtlijn betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting gelijktijdig in werking treden. Omdat zo'n verandering van stelsel een belangrijke stap is in de voltooiing van de interne markt, moet ze flexibel zijn opdat ze van meet af aan correct wordt uitgevoerd. Aangezien de interne markt alle lidstaten omvat, moet de CCCTB dus in alle lidstaten worden ingevoerd. Als de Raad er niet in slaagt een unaniem besluit aan te nemen over het voorstel tot invoering van een CCCTB, moet de Commissie een nieuw voorstel indienen op grond van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure handelen om de benodigde wetgeving uit te vaardigen. In laatste instantie moeten de lidstaten een versterkte samenwerking aangaan, die overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te allen tijde open moet staan voor niet-deelnemende lidstaten. Het is evenwel betreurenswaardig dat er geen voldoende gedetailleerde beoordeling per land van het CCTB-voorstel of het CCCTB-voorstel is verricht wat het effect ervan op de inkomsten van de lidstaten uit de vennootschapsbelasting betreft.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen van vennootschappen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een CCCTB daarom alleen verplicht zijn voor groepen van vennootschappen met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde drempel worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitatie van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook groepen die de aan de omvang gerelateerde drempel niet halen, de keuze krijgen of zij de regels voor een CCCTB al dan niet toepassen.
(5)  Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen van vennootschappen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een gemeenschappelijke grondslag daarom aanvankelijk alleen verplicht zijn voor bedrijven die deel uitmaken van een groep met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde begindrempel van 750 miljoen EUR worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Aangezien bij deze richtlijn een nieuwe standaard voor de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor alle bedrijven in de Unie wordt vastgesteld, moet de drempel over een periode van maximaal zeven jaar tot nul worden verlaagd. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitatie van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook bedrijven die niet aan de desbetreffende criteria voldoen, in de eerste fase kunnen kiezen of zij de regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting al dan niet toepassen.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Onder voor het overige gelijke omstandigheden kan de omschakeling naar een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting leiden tot minder of meer belastinginkomsten voor lidstaten. Om verliezen te compenseren, wordt een tijdelijk compensatiemechanisme opgericht, dat wordt gefinancierd door het fiscale surplus van de lidstaten die dankzij de nieuwe regeling meer belastinginkomsten hebben. De compensatie moet elk jaar worden aangepast om rekening te houden met nationale of regionale besluiten die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn zijn genomen. De Commissie moet ertoe worden verplicht na een periode van zeven jaar voor te stellen om het compensatiesysteem af te schaffen of te wijzigen en de maximale compensatiebedragen vast te stellen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)  Om de bestaande verdeling van de belastinglast tussen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en multinationale ondernemingen, zoals vermeld in de resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, te vermijden, mag een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting kmo's geen concurrentienadeel opleveren, zodat een gelijk speelveld voor kmo's wordt gecreëerd. De hoofdbelastingautoriteit kan kmo's de nodige instrumenten verschaffen om hen te helpen aan de administratieve en organisatorische vereisten te voldoen die een opt‑in bij de CCCTB met zich meebrengt.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Om na te gaan of vennootschappen voor de geconsolideerde heffingsgrondslag voor groepen in aanmerking komen, moet een dubbele toets worden verricht, namelijk van i) de zeggenschap (meer dan 50 procent van de stemrechten) en ii) het eigendom (meer dan 75 procent van het vermogen) of de rechten op de winst (meer dan 75 procent van de rechten die aanspraak geven op de winst). Een dergelijke toets garandeert een hoog niveau van economische integratie tussen groepsonderdelen. Om de integriteit van het stelsel te garanderen, moet gedurende het gehele belastingjaar aan beide drempels voor zeggenschap en eigendom of rechten op de winst zijn voldaan; anders moet de vennootschap die hieraan niet voldoet, de groep onmiddellijk verlaten. Om manipulatie van de fiscale resultaten door middel van het toetreden tot en uittreden uit de groep binnen een korte periode te voorkomen, moet er tevens een minimumvereiste van negen opeenvolgende maanden gelden om vast te stellen of een vennootschap een groepsonderdeel is.
(6)  Er dient te worden bepaald wat moet worden verstaan onder een vaste inrichting die in de Unie is gelegen en toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van de Unie is. Al te vaak treffen multinationale ondernemingen regelingen om hun winsten naar gunstige belastingstelsels te verschuiven en zo geen of slechts heel weinig belasting te betalen. Het begrip vaste inrichting zou het mogelijk maken duidelijk en bindend vast te stellen onder welke voorwaarden kan worden bevestigd dat een multinationale onderneming in een land gevestigd is. Zo worden multinationale ondernemingen ertoe verplicht op billijke wijze hun belastingen te betalen. Op die manier wordt gewaarborgd dat alle betrokken belastingplichtigen dit begrip op dezelfde wijze interpreteren en wordt uitgesloten dat er zich mismatches voordoen als gevolg van uiteenlopende definities. Ook is het van belang om een gemeenschappelijke definitie te introduceren van een vaste inrichting die in een derde land is gelegen of van een vaste inrichting die in de Unie is gelegen maar toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van een derde land is. Als verrekenprijzen tot winstverschuiving naar een laagbelastend rechtsgebied leiden, dan verdient een systeem dat winst op basis van een formule toewijst, de voorkeur. Door een dergelijk systeem in te voeren, kan de Unie een internationale norm voor moderne en efficiënte vennootschapsbelasting vaststellen. De Commissie moet de ontwerprichtsnoeren opstellen voor de overgangsfase waarin voor de behandeling van derde landen toewijzing op basis van een formule naast andere toewijzingsmethoden bestaat, maar uiteindelijk moet toewijzing op basis van een formule de standaardtoewijzingsmethode worden. De Commissie moet komen met een voorstel voor de vaststelling van een EU-model van belastingverdrag dat uiteindelijk in de plaats kan komen van de duizenden bilaterale verdragen die door de lidstaten zijn gesloten.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Digitale goederen zijn vaak zeer mobiel en immaterieel. Uit studies blijkt dat de digitale sector sterk betrokken is bij agressieve fiscale planning, aangezien veel bedrijfsmodellen geen fysieke infrastructuur vergen om transacties met klanten aan te gaan en winst te maken. Hierdoor slagen de grootste digitale bedrijven erin bijna geen belastingen op hun inkomsten te betalen. De schatkisten van de lidstaten verliezen miljarden euro's aan belastinginkomsten doordat zij digitale multinationals niet kunnen belasten. Om dit reële en urgente maatschappelijke onrecht aan te pakken, moet de huidige wetgeving inzake de vennootschapsbelasting worden uitgebreid met een nieuwe digitale vaste-inrichtingsnexus op basis van een significante digitale aanwezigheid. Voor vergelijkbare bedrijfsmodellen moet er een gelijk speelveld zijn om de fiscale uitdagingen aan te pakken die voortvloeien uit de digitalisering, zonder het potentieel van de digitale sector te belemmeren. In dat verband moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de werkzaamheden van de OESO op het gebied van internationaal consistente regels.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag moet drie factoren met eenzelfde gewicht bevatten, namelijk arbeid, activa en omzet op basis van bestemming. Deze factoren met eenzelfde gewicht moeten een evenwichtige benadering van de verdeling van belastbare winsten over de betrokken lidstaten weerspiegelen en er tevens voor zorgen dat winsten worden belast waar ze werkelijk worden gemaakt. Arbeid en activa moeten daarom worden toegerekend aan de lidstaat waar de arbeid wordt verricht of waar de activa zich bevinden, waardoor voldoende rekening zou worden gehouden met de belangen van de lidstaat van herkomst, terwijl verkopen aan de lidstaat van bestemming van de goederen of diensten moeten worden toegerekend. Om met loonverschillen binnen de Unie rekening te houden en aldus voor een eerlijke verdeling van de geconsolideerde heffingsgrondslag te zorgen, moet de factor arbeid zowel loonkosten als het aantal werknemers omvatten (waarbij elk element voor de helft meetelt). De factor activa moet daarentegen alle vaste materiële activa omvatten, maar geen immateriële en financiële activa vanwege de mobiele aard ervan en het daaruit voortvloeiende risico dat de voorschriften van deze richtlijn omzeild zouden kunnen worden. Voor het geval dat het resultaat van de evenredige toewijzing wegens uitzonderlijke omstandigheden geen billijke weerspiegeling vormt van de omvang van de bedrijfsactiviteiten, moet een vrijwaringsclausule in een alternatieve methode voor de toerekening van inkomsten voorzien.
(10)  De formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag moet vier factoren met eenzelfde gewicht bevatten, namelijk arbeid, activa, omzet op basis van bestemming en het verzamelen en gebruiken van persoonsgegevens van gebruikers van onlineplatforms en ‑diensten (hierna de "factor gegevens" genoemd). Deze factoren met eenzelfde gewicht moeten een evenwichtige benadering van de verdeling van belastbare winsten over de betrokken lidstaten weerspiegelen en er tevens voor zorgen dat winsten worden belast waar ze werkelijk worden gemaakt. Arbeid en activa moeten daarom worden toegerekend aan de lidstaat waar de arbeid wordt verricht of waar de activa zich bevinden, waardoor voldoende rekening zou worden gehouden met de belangen van de lidstaat van herkomst, terwijl verkopen aan de lidstaat van bestemming van de goederen of diensten moeten worden toegerekend. Om met loonverschillen binnen de Unie rekening te houden en aldus voor een eerlijke verdeling van de geconsolideerde heffingsgrondslag te zorgen, moet de factor arbeid zowel loonkosten als het aantal werknemers omvatten (waarbij elk element voor de helft meetelt). De factor activa dient daarentegen alleen materiële activa te omvatten. Voor het geval dat het resultaat van de evenredige toewijzing wegens uitzonderlijke omstandigheden geen billijke weerspiegeling vormt van de omvang van de bedrijfsactiviteiten, moet een vrijwaringsclausule in een alternatieve methode voor de toerekening van inkomsten voorzien.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  De formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag moet een volledige weerspiegeling zijn van de economische activiteit die heeft plaatsgevonden in elke lidstaat, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met mogelijke belangrijke verschillen tussen hun economieën. Wanneer de formule een onevenwichtige toewijzing oplevert, die geen weerspiegeling is van de economische activiteit, kan een geschillenbeslechtingsmechanisme die situatie verhelpen. In het licht van het voorgaande moet de Commissie de mogelijkheid van instelling van een geschillenbeslechtingsmechanisme overwegen, zodat geschillen waarbij verschillende lidstaten betrokken zijn, naar behoren kunnen worden beslecht.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Vanwege hun specifieke kenmerken is voor bepaalde sectoren, zoals de verzekerings- en financiële sector, de olie- en gassector en de scheepvaart en luchtvaart een aangepaste formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag vereist.
Schrappen
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Deze richtlijn bouwt voort op Richtlijn 2016/xx/EU van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (die voorziet in een gemeenschappelijke reeks vennootschapsbelastingregels voor het berekenen van de heffingsgrondslag) en is in de eerste plaats gericht op de consolidatie van de fiscale resultaten van de gehele groep. Daarom moet de wisselwerking tussen beide wetgevingsinstrumenten worden aangepakt en moet tevens aandacht worden besteed aan de inpassing van bepaalde elementen van de heffingsgrondslag in het nieuwe kader van de groep. Deze elementen dienen met name de regel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van rente, de switch-overregel en de wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en hybride mismatches te omvatten.
(14)  Deze richtlijn bouwt voort op Richtlijn 2016/xx/EU van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (die voorziet in een gemeenschappelijke reeks vennootschapsbelastingregels voor het berekenen van de heffingsgrondslag) en is in de eerste plaats gericht op de consolidatie van de fiscale resultaten van de gehele groep. Daarom moet de wisselwerking tussen beide wetgevingsinstrumenten worden aangepakt en moet tevens aandacht worden besteed aan de inpassing van bepaalde elementen van de heffingsgrondslag in het nieuwe kader van de groep. Deze elementen dienen met name de regel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van rente, de switch-overregel en de wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en hybride mismatches te omvatten. De lidstaten mogen niet worden verhinderd om aanvullende maatregelen tegen belastingontwijking in te voeren met het oog op het tegengaan van de negatieve gevolgen van winstverschuiving naar derde landen met lage belastingen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van i) het volgen van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van de bijlagen I en II; ii) de vaststelling van extra definities; en iii) het aanvullen van de regel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van rente met anti-fragmentatieregels om de risico's van belastingontwijking die binnen een groep kunnen ontstaan, beter te kunnen aanpakken. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
(16)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van i) het volgen van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van de bijlagen I en II; ii) de vaststelling van extra definities; iii) het aanvullen van de regel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van rente met anti-fragmentatieregels om de risico's van belastingontwijking die binnen een groep kunnen ontstaan, beter te kunnen aanpakken; en iv) het uitvaardigen van richtsnoeren voor de overgangsfase waarin voor de behandeling van derde landen toewijzing op basis van een formule naast andere toewijzingsmethoden bestaat. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat zij rekening houdt met de jaarlijkse resolutie van het Europees Parlement. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Teneinde uniforme voorwaarden te garanderen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend ten behoeve van i) de jaarlijkse vaststelling van een lijst van vennootschapsvormen van derde landen die vergelijkbaar zijn met de in bijlage I genoemde vennootschapsvormen; ii) de vaststelling van nadere voorschriften voor de berekening van de factoren arbeid, activa en omzet, voor de toerekening van werknemers en loonkosten, activa en omzet aan de respectieve factor, en voor de waardering van activa; iii) de vaststelling van een handeling houdende een standaardformulier voor de kennisgeving van oprichting van een groep; en iv) de vaststelling van regels voor de elektronische indiening van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de aangifte van de afzonderlijk belastingplichtige en de vereiste bewijsstukken. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad12.
(17)  Teneinde uniforme voorwaarden te garanderen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend ten behoeve van i) de jaarlijkse vaststelling van een lijst van vennootschapsvormen van derde landen die vergelijkbaar zijn met de in bijlage I genoemde vennootschapsvormen; ii) de vaststelling van nadere voorschriften voor de berekening van de factoren arbeid, activa en omzet en de factor gegevens, voor de toerekening van werknemers en loonkosten, voor de toerekening van verzamelde persoonsgegevens en geëxploiteerde persoonsgegevens, activa en omzet aan de respectieve factor, en voor de waardering van activa; iii) de vaststelling van een handeling houdende een standaardformulier voor de kennisgeving van oprichting van een groep; en iv) de vaststelling van regels voor de elektronische indiening van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de aangifte van de afzonderlijk belastingplichtige en de vereiste bewijsstukken. De Commissie moet de formats voor de uniforme belastingaangifte ontwerpen in samenwerking met de belastingdiensten van de lidstaten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad12.
__________________
__________________
12 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
12 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, te weten het verbeteren van het functioneren van de interne markt door internationale ontwijkingspraktijken tegen te gaan en het voor bedrijven gemakkelijker te maken om over de grenzen heen activiteiten te ontplooien binnen de Unie, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door individueel en ongecoördineerd optreden van de lidstaten en onderlinge afstemming noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken, en derhalve, vanwege het feit dat de richtlijn ziet op het tegengaan van inefficiënties op de interne markt als gevolg van de wisselwerking tussen uiteenlopende nationale belastingregels die hun weerslag hebben op de interne markt en grensoverschrijdende activiteit ontmoedigen, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, met name gelet op het feit dat het verplichte toepassingsgebied beperkt is tot groepen die een bepaalde omvang te boven gaan.
(18)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, te weten het verbeteren van het functioneren van de interne markt door internationale ontwijkingspraktijken tegen te gaan en het voor bedrijven, in het bijzonder kmo's, gemakkelijker te maken om over de grenzen heen activiteiten te ontplooien binnen de Unie, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door individueel en ongecoördineerd optreden van de lidstaten en onderlinge afstemming noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken, en derhalve, vanwege het feit dat de richtlijn ziet op het tegengaan van inefficiënties op de interne markt als gevolg van de wisselwerking tussen uiteenlopende nationale belastingregels die hun weerslag hebben op de interne markt en grensoverschrijdende activiteit ontmoedigen, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, met name gelet op het feit dat het verplichte toepassingsgebied beperkt is tot groepen die een bepaalde omvang te boven gaan.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  De Commissie dient de toepassing van de richtlijn te evalueren vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,
(20)  Aangezien deze richtlijn een belangrijke wijziging van de regels voor de vennootschapsbelasting inhoudt, dient de Commissie een grondige beoordeling van de toepassing van de richtlijn te verrichten vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. In dit uitvoeringsverslag moeten ten minste de volgende punten worden behandeld: het effect van het bij deze richtlijn ingestelde belastingstelsel op de inkomsten van de lidstaten, de voor- en nadelen van het stelsel voor kmo's, het effect op een billijke belastinginning tussen de lidstaten, het effect op de interne markt als geheel, met bijzondere aandacht voor mogelijke concurrentievervalsing tussen ondernemingen die aan de nieuwe voorschriften van deze richtlijn zijn onderworpen, en het aantal ondernemingen dat tijdens de overgangsperiode onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt. De Commissie dient de toepassing van deze richtlijn te evalueren tien jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Om een volledige en consistente consolidatie te realiseren en te voorkomen dat er door boekhoudkundige inconsistenties tussen lidstaten nieuwe gelegenheden voor arbitrage ontstaan, moeten er duidelijke, consistente en objectieve criteria worden vastgesteld voor het berekenen van de geconsolideerde heffingsgrondslag. Daartoe moet de Commissie de nodige aanpassingen van de betreffende bepalingen van deze richtlijn voorstellen wat de vaststelling en berekening van de geconsolideerde heffingsgrondslag betreft.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 ter (nieuw)
(20 ter)  De Commissie moet extra studies overwegen waarin de mogelijke gevolgen van de CCCTB voor de inkomsten van afzonderlijke lidstaten uit de vennootschapsbelasting, alsook de mogelijke concurrentienadelen voor de Unie ten opzichte van derde landen worden geanalyseerd.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze richtlijn wordt een regeling voor de consolidatie van de in artikel 1 van Richtlijn 2016/xx/EU14 van de Raad bedoelde heffingsgrondslagen ingesteld van vennootschappen die groepsonderdelen zijn; tevens worden voorschriften vastgesteld betreffende de wijze waarop een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting aan de lidstaten wordt toegerekend en door de nationale belastingautoriteiten wordt beheerd.
1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijke grondslag voor de belasting in de Unie van bepaalde vennootschappen ingesteld en worden voorschriften voor de berekening van die grondslag vastgesteld, waaronder voorschriften voor maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan en maatregelen met betrekking tot de internationale dimensie van het voorgestelde belastingstelsel.
_______________
14 [Volledige benaming van richtlijn (PB L [ ] van [ ], blz. [ ])].
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule
1.  De voorschriften van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1.  De voorschriften van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste en digitale vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – letter c
(c)  zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat;
(c)  zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat. Deze drempel wordt over een periode van maximaal zeven jaar verlaagd tot nul;
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3
3.  Een vennootschap die aan de in lid 1, onder a), b) en d), gestelde voorwaarden maar niet aan de in lid 1, onder c), gestelde voorwaarde voldoet, kan ervoor kiezen om de voorschriften van deze richtlijn gedurende een periode van vijf belastingjaren toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen gelegen in andere lidstaten. Deze periode wordt automatisch met telkens vijf belastingjaren verlengd, tenzij er een kennisgeving van beëindiging wordt gedaan zoals bedoeld in artikel 47, tweede alinea. Aan de in lid 1, onder a), b) en d), gestelde voorwaarden moet zijn voldaan telkens wanneer de verlenging plaatsvindt.
3.   Een vennootschap die voldoet aan de in lid 1, onder a), b) en d), gestelde voorwaarden maar niet aan de in lid 1, onder c), gestelde voorwaarden, kan ervoor kiezen om de voorschriften van deze richtlijn toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen gelegen in andere lidstaten.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4
4.  De voorschriften van deze richtlijn zijn niet van toepassing op een scheepvaartmaatschappij die aan een bijzondere belastingregeling is onderworpen. Bij het bepalen van de vennootschappen die behoren tot dezelfde groep zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6, worden ook scheepvaartmaatschappijen die aan een bijzonder belastingregeling zijn onderworpen, in aanmerking genomen.
Schrappen
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 23
(23)  "geconsolideerde heffingsgrondslag": de som van de heffingsgrondslagen van alle groepsonderdelen, zoals berekend in overeenstemming met Richtlijn 2016/xx/EU;
(23)  "geconsolideerde heffingsgrondslag": de geconsolideerde netto belastbare inkomsten van de groepsonderdelen, zoals berekend op een consistente boekhoudkundige basis die van toepassing is op alle groepsonderdelen, in overeenstemming met Richtlijn 2016/xx/EU;
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 28 bis (nieuw)
(28 bis)  "factor gegevens": het voor commerciële doeleinden verzamelen en exploiteren van persoonsgegevens van gebruikers van onlineplatforms en ‑diensten in een of meer lidstaten.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3
3.  Indien de plaats van werkelijke leiding van een groepsonderdeel dat in de zeescheepvaart of in de binnenscheepvaart actief is, zich aan boord van een vaartuig bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de lidstaat van de thuishaven van het vaartuig dan wel, indien er geen thuishaven is, in de lidstaat waarvan de exploitant van het vaartuig inwoner is.
Schrappen
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4
4.  Een ingezeten belastingplichtige is aan vennootschapsbelasting onderworpen ter zake van alle inkomsten verkregen uit gelijk welke bron, zowel in als buiten de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is.
4.  Een ingezeten belastingplichtige is aan vennootschapsbelasting onderworpen ter zake van alle inkomsten die door om het even welke activiteit worden gegenereerd, zowel in als buiten de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 5
5.  Een niet-ingezeten belastingplichtige is aan vennootschapsbelasting onderworpen ter zake van alle inkomsten uit een activiteit die door middel van een vaste inrichting in een lidstaat wordt uitgeoefend.
5.  Een niet-ingezeten belastingplichtige is aan vennootschapsbelasting onderworpen ter zake van alle inkomsten uit een activiteit die door middel van een vaste inrichting, met inbegrip van een digitale vaste inrichting, in een lidstaat wordt uitgeoefend. Een digitale vaste inrichting van een belastingplichtige wordt bepaald overeenkomstig de voorwaarden en criteria die zijn vermeld in artikel 5 van Richtlijn ... van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting1 bis.
_______________
1 bis Richtlijn ... van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (PB L ... van ..., blz. ...).
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – letter a
(a)  een recht om meer dan 50 % van de stemrechten uit te oefenen; en
(a)  een recht om stemrechten van meer dan 50 % uit te oefenen; en
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Vaste inrichtingen omvatten digitale vaste inrichtingen overeenkomstig de voorwaarden en criteria die zijn vermeld in artikel 5 van Richtlijn ... van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting1 bis.
_______________
1 bis Richtlijn ... van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (PB L ... van ..., blz. ...).
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1
1.  De heffingsgrondslagen van alle groepsonderdelen worden samengevoegd tot een geconsolideerde heffingsgrondslag.
1.  De heffingsgrondslag van een geconsolideerde groep wordt bepaald alsof het één enkele entiteit betrof. Daartoe wordt de geaggregeerde heffingsgrondslag van de groep herberekend teneinde alle winsten of verliezen, met inbegrip van winsten of verliezen die voortvloeien uit transacties, van welke aard ook, tussen twee of meer entiteiten binnen de groep, buiten beschouwing te laten.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2
2.  Ingeval de geconsolideerde heffingsgrondslag negatief is, wordt het verlies voortgewenteld en verrekend met de volgende positieve geconsolideerde heffingsgrondslag. Ingeval de geconsolideerde heffingsgrondslag positief is, vindt een evenredige toewijzing ervan plaats in overeenstemming met hoofdstuk VIII.
2.  Ingeval de geconsolideerde heffingsgrondslag negatief is, wordt het verlies gedurende een periode van maximaal vijf jaar voortgewenteld en verrekend met de volgende positieve geconsolideerde heffingsgrondslag. Ingeval de geconsolideerde heffingsgrondslag positief is, vindt een evenredige toewijzing ervan plaats in overeenstemming met hoofdstuk VIII.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2
2.  Groepen hanteren een consistente en voldoende gedocumenteerde methode om hun intragroepstransacties vast te leggen. Groepen mogen deze methode uitsluitend op grond van zakelijke overwegingen aanpassen, en dat uitsluitend aan het begin van een belastingjaar.
2.  Groepen hanteren een consistente en voldoende gedocumenteerde methode om hun intragroepstransacties vast te leggen. Groepen mogen deze methode uitsluitend op grond van geldige zakelijke overwegingen aanpassen, en dat uitsluitend aan het begin van een belastingjaar. Al die transacties worden uitgesloten uit de heffingsgrondslag ten gevolge van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, uitgevoerde consolidering.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3
3.  Met behulp van de methode voor de vastlegging van intragroepstransacties kunnen alle overbrengingen en verkopen binnen een groep worden geïdentificeerd tegen de laagste kostprijs voor niet-afschrijfbare activa, dan wel de fiscale boekwaarde voor af te schrijven activa.
Schrappen
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 4
4.  Overbrengingen binnen een groep wijzigen de status van zelfvoortgebrachte immateriële activa niet.
Schrappen
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1
Wanneer één of meer groepen, of twee of meer groepsonderdelen, als gevolg van een bedrijfsreorganisatie deel gaan uitmaken van een andere groep, worden alle niet-gecompenseerde verliezen van de voordien bestaande groep(en) overeenkomstig hoofdstuk VIII aan elk van de verschillende groepsonderdelen van deze groep(en) toegerekend op basis van de factoren zoals bepaald aan het einde van het belastingjaar waarin de bedrijfsreorganisatie plaatsvindt. Niet-gecompenseerde verliezen van de voordien bestaande groep(en) worden voortgewenteld naar toekomstige jaren.
Wanneer één of meer groepen, of twee of meer groepsonderdelen, als gevolg van een bedrijfsreorganisatie deel gaan uitmaken van een andere groep, worden alle niet-gecompenseerde verliezen van de voordien bestaande groep(en) overeenkomstig hoofdstuk VIII aan elk van de verschillende groepsonderdelen van deze groep(en) toegerekend op basis van de factoren zoals bepaald aan het einde van het belastingjaar waarin de bedrijfsreorganisatie plaatsvindt. Niet-gecompenseerde verliezen van de voordien bestaande groep(en) worden gedurende een periode van maximaal vijf jaar voortgewenteld.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 2
2.  Wanneer twee of meer hoofdbelastingplichtigen fuseren in de zin van artikel 2, onder a), i) en ii), van Richtlijn 2009/133/EG van de Raad15, worden alle niet-gecompenseerde verliezen van een groep overeenkomstig hoofdstuk VIII aan de groepsonderdelen toegerekend op basis van de factoren zoals bepaald aan het einde van het belastingjaar waarin de fusie plaatsvindt. Niet-gecompenseerde verliezen worden voortgewenteld naar toekomstige jaren.
2.  Wanneer twee of meer hoofdbelastingplichtigen fuseren in de zin van artikel 2, onder a), i) en ii), van Richtlijn 2009/133/EG van de Raad15, worden alle niet-gecompenseerde verliezen van een groep overeenkomstig hoofdstuk VIII aan de groepsonderdelen toegerekend op basis van de factoren zoals bepaald aan het einde van het belastingjaar waarin de fusie plaatsvindt. Niet-gecompenseerde verliezen worden gedurende een periode van maximaal vijf jaar voortgewenteld.
__________________
__________________
15 Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB L 310 van 25.11.2009, blz. 34).
15 Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB L 310 van 25.11.2009, blz. 34).
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 1 – alinea 1
De geconsolideerde heffingsgrondslag wordt elk belastingjaar over de groepsonderdelen verdeeld op basis van een toewijzingsformule. Om het toegewezen deel van een groepsonderdeel A te berekenen, wordt onderstaande formule gebruikt, waarbij de factoren omzet, arbeid en activa eenzelfde gewicht hebben:
De geconsolideerde heffingsgrondslag wordt elk belastingjaar over de groepsonderdelen verdeeld op basis van een toewijzingsformule. Om het toegewezen deel van een groepsonderdeel A te berekenen, wordt onderstaande formule gebruikt, waarbij de factoren omzet, arbeid en activa en de factor gegevens eenzelfde gewicht hebben:
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 1 – formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien een of meer factoren door de aard van de activiteiten van een belastingplichtige niet van toepassing zijn, moeten alle andere toepasselijke factoren in de formule proportioneel worden herwogen zodat nog steeds aan elke toepasselijke factor een absoluut gelijk gewicht wordt toegekend.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 5
5.  Om het toegewezen deel van een groepsonderdeel te berekenen, wordt aan de factoren omzet, arbeid en activa eenzelfde gewicht toegekend.
5.  Om het toegewezen deel van een groepsonderdeel te berekenen, wordt aan de factoren omzet, arbeid en activa en de factor gegevens eenzelfde gewicht toegekend.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De ene helft van de factor gegevens bestaat uit het totale volume aan persoonsgegevens van gebruikers van onlineplatforms en ‑diensten dat een groepsonderdeel per lidstaat heeft verzameld als teller en het totale volume aan persoonsgegevens van gebruikers van onlineplatforms en ‑diensten dat de groep per lidstaat heeft verzameld als noemer, en de andere helft van de factor gegevens bestaat uit het totale volume aan persoonsgegevens van gebruikers van onlineplatforms en ‑diensten dat een groepsonderdeel per lidstaat heeft geëxploiteerd als teller en het totale volume aan persoonsgegevens van gebruikers van onlineplatforms en ‑diensten dat de groep per lidstaat heeft geëxploiteerd als noemer.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Het volume aan persoonsgegevens dat overeenkomstig de factor gegevens is verzameld, wordt aan het einde van het belastingjaar in elke lidstaat gemeten.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 5 quater (nieuw)
5 quater.  De definitie van het voor commerciële doeleinden verzamelen en exploiteren van persoonsgegevens in de context van de factor gegevens wordt vastgesteld in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 29
Artikel 29
Schrappen
Vrijwaringsclausule
Wanneer de hoofdbelastingplichtige of een bevoegde autoriteit van mening is dat het resultaat van de toewijzing van de gemeenschappelijke heffingsgrondslag aan een groepsonderdeel geen billijke weerspiegeling vormt van de omvang van de bedrijfsactiviteiten van dat groepsonderdeel, kan de hoofdbelastingplichtige of de bevoegde autoriteit, als uitzondering op de algemene regel van artikel 28, een verzoek indienen om een alternatieve methode voor het berekenen van het belastingaandeel van elk groepsonderdeel te gebruiken. Een alternatieve methode kan alleen worden gebruikt indien, na overleg tussen de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, beraadslagingen overeenkomstig de artikelen 77 en 78, al deze autoriteiten met die alternatieve methode instemmen. De lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit stelt de Commissie in kennis van de gebruikte alternatieve methode.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 38 – lid 1
1.  De verkoop van goederen wordt begrepen in de factor omzet van het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen naar de verkrijger eindigt. Ingeval deze plaats niet kan worden bepaald, wordt de verkoop van goederen toegerekend aan het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat van de laatst identificeerbare locatie van de goederen.
1.  De verkoop van goederen wordt begrepen in de factor omzet van het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen naar de verkrijger eindigt. Ingeval deze plaats niet kan worden bepaald of ingeval het groepsonderdeel geen belastbare nexus heeft, wordt de verkoop van goederen toegerekend aan het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat van de laatst identificeerbare locatie van de goederen.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 43
Artikel 43
Schrappen
Zeescheepvaart, binnenscheepvaart en luchtvaart
De inkomsten, kosten en andere aftrekbare posten van een groepsonderdeel waarvan het hoofdbedrijf in de exploitatie van zeeschepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, dan wel in de exploitatie van binnenschepen bestaat, worden van de geconsolideerde heffingsgrondslag uitgesloten en niet toegewezen in overeenstemming met de voorschriften van artikel 28. In plaats daarvan worden die inkomsten, kosten en andere aftrekbare posten per transactie aan dat groepsonderdeel toegerekend en worden zij overeenkomstig artikel 56 van Richtlijn 2016/xx/EU aan prijscorrecties onderworpen.
Deelnemingen in en van het groepsonderdeel worden in aanmerking genomen om te bepalen of er sprake is van een groep als bedoeld in de artikelen 5 en 6.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 46 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde kennisgeving heeft betrekking op alle groepsonderdelen, met uitzondering van de in artikel 2, lid 4, bedoelde scheepvaartmaatschappijen.
2.  De in lid 1 bedoelde kennisgeving heeft betrekking op alle groepsonderdelen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 48 – lid 2
De Commissie kan een handeling vaststellen houdende een standaardformulier voor de kennisgeving van oprichting van een groep. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De Commissie stelt een handeling vast houdende een standaardformulier voor de kennisgeving van oprichting van een groep. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 55 – alinea 1
De Commissie kan handelingen vaststellen houdende voorschriften betreffende elektronische indiening van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de belastingaangifte van de afzonderlijk belastingplichtige en de vereiste bewijsstukken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
De Commissie stelt handelingen vast houdende voorschriften betreffende elektronische indiening van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de belastingaangifte van de afzonderlijk belastingplichtige en de vereiste bewijsstukken. De Commissie ontwerpt die formats voor de uniforme belastingaangifte in samenwerking met de belastingdiensten van de lidstaten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 65 – lid 1
1.  Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan een groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het in de vorm van een vaste inrichting is gelegen, het niet eens is met een overeenkomstig artikel 49 of artikel 56, leden 2 of 4, of artikel 56, lid 5, tweede alinea, door de hoofdbelastingautoriteit genomen beslissing, kan zij die beslissing binnen een termijn van drie maanden bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit aanvechten.
1.  Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan een groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het in de vorm van een vaste inrichting, met inbegrip van een digitale vaste inrichting, is gelegen, het niet eens is met een overeenkomstig artikel 49 of artikel 56, leden 2 of 4, of artikel 56, lid 5, tweede alinea, door de hoofdbelastingautoriteit genomen beslissing, kan zij die beslissing binnen een termijn van drie maanden bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit aanvechten.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 65 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie gaat na of de instelling van een geschillenbeslechtingsmechanisme de effectiviteit en efficiëntie van de beslechting van geschillen tussen lidstaten verder zou vergroten. De Commissie dient hierover een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, zo nodig vergezeld van een wetsvoorstel.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 67 – lid 1
1.  Beroep tegen gewijzigde belastingaanslagen of overeenkomstig artikel 54 opgelegde belastingaanslagen wordt behandeld door een bestuurlijk lichaam dat volgens de wetgeving van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit bevoegd is om beroep in eerste aanleg te horen. Het bestuurlijk lichaam is onafhankelijk van de belastingautoriteiten in de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit. Indien er in die lidstaat geen dergelijk bevoegd bestuurlijk lichaam bestaat, kan de hoofdbelastingplichtige rechtstreeks een beroep bij de rechter instellen.
1.  Beroep tegen gewijzigde belastingaanslagen of overeenkomstig artikel 54 opgelegde belastingaanslagen wordt behandeld door een bestuurlijk lichaam dat volgens de wetgeving van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit bevoegd is om beroep in eerste aanleg te horen. Het bestuurlijk lichaam is onafhankelijk van de belastingautoriteiten in de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit. Indien er in die lidstaat geen dergelijk bevoegd bestuurlijk lichaam bestaat, of indien de hoofdbelastingplichtige dat verkiest, kan de hoofdbelastingplichtige rechtstreeks een beroep bij de rechter instellen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 67 – lid 5
5.  Het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam beslist binnen zes maanden over het beroep. Indien de hoofdbelastingplichtige binnen die termijn geen beslissing ontvangt, wordt de beslissing van de hoofdbelastingautoriteit geacht te zijn bevestigd.
5.  Als er beroep wordt aangetekend bij het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam, beslist het binnen zes maanden over het beroep. Indien de hoofdbelastingplichtige binnen die termijn geen beslissing ontvangt, wordt de beslissing van de hoofdbelastingautoriteit geacht te zijn bevestigd.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 69 – lid 2
2.  Ingeval lid 1 van toepassing is, worden het financieringskostensurplus en de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) op het niveau van de groep berekend en omvatten deze de resultaten van alle groepsonderdelen. Het in artikel 13 van Richtlijn 2016/xx/EU genoemde bedrag van 3 000 000 EUR wordt verhoogd tot 5 000 000 EUR.
2.  Ingeval lid 1 van toepassing is, worden het financieringskostensurplus en de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) op het niveau van de groep berekend en omvatten deze de resultaten van alle groepsonderdelen. Het in artikel 13 van Richtlijn 2016/xx/EU genoemde bedrag van 1 000 000 EUR wordt verhoogd tot 5 000 000 EUR.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 71
Artikel 71
Schrappen
Verminderen en inhalen van verliezen
1.  Artikel 41 van Richtlijn 2016/xx/EU betreffende het verminderen en inhalen van verliezen is automatisch niet langer van toepassing zodra deze richtlijn in werking treedt.
2.  Overgedragen verliezen die bij de inwerkingtreding van deze richtlijn nog niet zijn ingehaald, blijven bij de belastingplichtige aan wie ze overgedragen zijn.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 72 – alinea 1
Voor de toepassing van deze richtlijn is de in artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2016/xx/EU voorkomende verwijzing naar het wettelijke vennootschapsbelastingtarief dat op de belastingplichtige van toepassing zou zijn geweest, niet van toepassing en wordt het vervangen door het gemiddelde wettelijke vennootschapsbelastingtarief van alle lidstaten.
Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de switch-overregels van artikel 53 van Richtlijn 2016/xx/EU van toepassing.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 73 – alinea 1
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het toepassingsgebied van de wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn 2016/xx/EU beperkt tot betrekkingen tussen groepsonderdelen en entiteiten die fiscaal inwoner van, of vaste inrichtingen gelegen in een derde land zijn.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het toepassingsgebied van de wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn 2016/xx/EU beperkt tot betrekkingen tussen groepsonderdelen en entiteiten die fiscaal inwoner van, of vaste inrichtingen, met inbegrip van digitale vaste inrichtingen, gelegen in een derde land zijn.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 74 – alinea 1
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het toepassingsgebied van de regels inzake hybride mismatches uit hoofde van artikel 61 van Richtlijn 2016/xx/EU beperkt tot betrekkingen tussen groepsonderdelen en niet-groepsonderdelen die gelieerde ondernemingen zijn, zoals bedoeld in artikel 56 van Richtlijn 2016/xx/EU.
Voor de toepassing van deze richtlijn geldt het toepassingsgebied van de regels inzake hybride mismatches en aanverwante regelingen als gedefinieerd in artikel 61 van Richtlijn 2016/xx/EU.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 76
Artikel 76
Artikel 76
Kennisgeving aan het Europees Parlement
Kennisgeving aan het Europees Parlement
1.  Het Europees Parlement organiseert een interparlementaire conferentie om het CCCTB-stelsel te evalueren, rekening houdend met de resultaten van de besprekingen over het belastingbeleid in het kader van het Europees semester. Het Europees Parlement deelt zijn advies en conclusies ter zake door middel van een resolutie mee aan de Commissie en de Raad.
De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.
2.   De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen zijn gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 78 bis (nieuw)
Artikel 78 bis
Compensatiemechanisme
Ter compensatie van plotselinge schokken in de belastinginkomsten van de lidstaten naar aanleiding van fiscale winsten en verliezen die rechtstreeks en uitsluitend zijn veroorzaakt door de overschakeling op het nieuwe, bij deze richtlijn ingevoerde stelsel, stelt de Commissie een specifiek compensatiemechanisme in dat vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn operationeel is. De compensatie wordt elk jaar aangepast om rekening te houden met eventuele nationale of regionale besluiten die vóór de inwerkingtreding van de richtlijn zijn genomen. Het compensatiemechanisme wordt gefinancierd door het fiscale surplus van de lidstaten die meer belastinginkomsten krijgen, en wordt vastgesteld voor een eerste periode van zeven jaar. Na afloop van die periode beoordeelt de Commissie of het compensatiemechanisme moet blijven functioneren en besluit zij dienovereenkomstig het mechanisme te beëindigen of gedurende maximaal twee jaar te verlengen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 79
Artikel 79
Artikel 79
Evaluatie
Uitvoeringsverslag en evaluatie
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij de Raad over de werking ervan. Dit verslag bevat met name een analyse van het effect van het bij hoofdstuk VIII van deze richtlijn opgezette mechanisme voor de evenredige toewijzing van de heffingsgrondslagen aan de lidstaten.
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een beoordeling van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. Dat uitvoeringsverslag bevat met name een analyse van het effect van het bij hoofdstuk VIII van deze richtlijn opgezette mechanisme voor de evenredige toewijzing van de heffingsgrondslagen aan de lidstaten. Wanneer zij de conclusies uit dat uitvoeringsverslag trekt of in de context van het volgende meerjarig financieel kader stelt de Commissie voor onder welke voorwaarden een deel van de belastinginkomsten uit de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting aan de algemene begroting van de Unie wordt toegewezen teneinde de bijdragen van de lidstaten aan die begroting evenredig te verlagen.
Tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 80 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 80 – lid 1 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2021.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2020.

Gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting *
PDF 645kWORD 83k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2016)0685 – C8-0472/2016 – 2016/0337(CNS))
P8_TA(2018)0088A8-0050/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0685),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0472/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Deense parlement, de Ierse Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Ierse Senaat, het Luxemburgse parlement, het Maltese parlement, de Nederlandse Eerste Kamer, de Nederlandse Tweede Kamer en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0050/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende stelsels van vennootschapsbelasting. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allebei obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren. Daarom moet actie om deze problemen te verhelpen, beide soorten marktfalen aanpakken.
(1)  Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende stelsels van vennootschapsbelasting. In tijden van mondialisering en digitalisering wordt belastingheffing aan de bron op met name financieel en intellectueel kapitaal steeds moeilijker te traceren en gemakkelijker te manipuleren. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. De vergevorderde digitalisering van veel sectoren van de economie, samen met de zich snel ontwikkelende digitale economie, zet de geschiktheid van de vennootschapsbelastingmodellen van de Unie, die voor traditionele bedrijfstakken ontworpen zijn, zodanig op losse schroeven dat de waarderings- en berekeningscriteria zouden kunnen worden heruitgevonden om ze aan te passen aan de commerciële activiteiten van de 21e eeuw. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allemaal obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren en veroorzaken ze verstoringen tussen grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom moet een nieuwe standaard voor een heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor de Unie die soorten marktfalen aanpakken, met inachtneming van de doelstellingen van rechtsduidelijkheid en -zekerheid op lange termijn en het beginsel van fiscale neutraliteit. Meer convergentie tussen de nationale belastingstelsels zal leiden tot veel minder kosten en administratieve rompslomp voor bedrijven die binnen de Unie grensoverschrijdend actief zijn. Belastingbeleid is weliswaar een nationale bevoegdheid, maar artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt duidelijk dat de Raad na raadpleging van het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, richtlijnen vaststelt voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op belastinggebied van de lidstaten die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of werking van de interne markt.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU vorm worden gegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen.
(2)  Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU worden vormgegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen en waar bedrijven een vaste inrichting hebben. Rekening houdend met de digitale verandering in de bedrijfsomgeving moet ervoor worden gezorgd dat bedrijven die inkomsten genereren in een lidstaat waar zij geen fysieke vaste inrichting, maar wel een digitale vaste inrichting hebben, op dezelfde wijze worden behandeld als bedrijven met een fysieke vaste inrichting. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen. Consolidatie is een wezenlijk onderdeel van het CCCTB-stelsel omdat de belangrijkste fiscale problemen waar bedrijven van dezelfde groep die in de Unie grensoverschrijdend actief zijn, tegen aanlopen, alleen op die manier kunnen worden aangepakt. Consolidatie maakt een einde aan verrekenprijsformaliteiten en dubbele belasting binnen een groep.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Zoals aangegeven in het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)7 van 16 maart 2011 zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen.
(3)  Zoals aangegeven in het voorstel van 16 maart 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)7 zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Als een CCCTB eenmaal in alle lidstaten is ingevoerd, zou dit ervoor zorgen dat er belasting wordt betaald waar de winsten worden gegenereerd en waar bedrijven een vaste inrichting hebben. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen. Verbetering van de interne markt is een belangrijke factor voor het stimuleren van groei en werkgelegenheid. De invoering van een CCCTB zou de economische groei bevorderen en tot meer werkgelegenheid in de Unie leiden door minder schadelijke belastingconcurrentie tussen bedrijven.
__________________
__________________
7 Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2011)0121 definitief/2 van 3.10.2011).
7 Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2011)0121 definitief/2 van 3.10.2011).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De Commissie merkt in haar mededeling van 21 september 2017 getiteld "Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt" op dat een CCCTB de basis vormt om de belastingproblemen in verband met de digitale economie aan te pakken.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, moet het ambitieuze CCCTB-initiatief in twee afzonderlijke voorstellen worden opgesplitst. In een eerste fase moeten er regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting worden vastgesteld, voordat in een tweede fase de kwestie van consolidatie wordt geregeld.
(4)  Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, is het zeer belangrijk ervoor te zorgen dat de richtlijn betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en de richtlijn betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting gelijktijdig in werking treden. Omdat zo'n verandering van stelsel een belangrijke stap is in de voltooiing van de interne markt, moet ze flexibel zijn opdat ze van meet af aan correct wordt uitgevoerd. Aangezien de interne markt alle lidstaten omvat, moet de CCCTB dus in alle lidstaten worden ingevoerd. Als de Raad er niet in slaagt een unaniem besluit aan te nemen over het voorstel tot invoering van een CCCTB, moet de Commissie een nieuw voorstel indienen op grond van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure handelen om de benodigde wetgeving uit te vaardigen. In laatste instantie moeten de lidstaten een versterkte samenwerking aangaan, die overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te allen tijde open moet staan voor niet-deelnemende lidstaten. Het is evenwel betreurenswaardig dat er geen voldoende gedetailleerde beoordeling per land van het CCTB-voorstel of het CCCTB-voorstel is verricht wat het effect ervan op de inkomsten van de lidstaten uit de vennootschapsbelasting betreft.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een gemeenschappelijke grondslag daarom alleen verplicht zijn voor bedrijven die deel uitmaken van een groep met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde drempel worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Om de samenhang tussen de beide stappen van het CCCTB-initiatief te waarborgen, moeten voorts de regels voor een gemeenschappelijke grondslag verplicht worden voor bedrijven die als een groep zouden worden aangemerkt indien het initiatief in zijn geheel wordt aangenomen. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitering van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook bedrijven die niet aan de desbetreffende criteria voldoen, kunnen kiezen of zij de regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting al dan niet toepassen.
(5)  Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen van vennootschappen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een gemeenschappelijke grondslag daarom aanvankelijk alleen verplicht zijn voor bedrijven die deel uitmaken van een groep met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde begindrempel van 750 miljoen EUR worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Aangezien bij deze richtlijn een nieuwe standaard voor de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor alle bedrijven in de Unie wordt vastgesteld, moet de drempel over een periode van maximaal zeven jaar tot nul worden verlaagd. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitatie van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook bedrijven die niet aan de desbetreffende criteria voldoen, in de eerste fase kunnen kiezen of zij de regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting al dan niet toepassen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Er dient te worden bepaald wat moet worden verstaan onder een vaste inrichting die in de Unie is gelegen en toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van de Unie is. Op die manier wordt gewaarborgd dat alle betrokken belastingplichtigen dit begrip op dezelfde wijze interpreteren en wordt uitgesloten dat er zich mismatches voordoen als gevolg van uiteenlopende definities. Daarentegen moet het niet als essentieel worden beschouwd om een gemeenschappelijke definitie te introduceren van een vaste inrichting die in een derde land is gelegen of van een vaste inrichting die in de Unie is gelegen maar toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van een derde land is. Dit aspect kan beter worden geregeld in bilaterale belastingverdragen en nationale wetgeving, gelet op de ingewikkelde interactie met internationale overeenkomsten.
(6)  Er dient te worden bepaald wat moet worden verstaan onder een vaste inrichting die in de Unie is gelegen en toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van de Unie is. Al te vaak treffen multinationale ondernemingen regelingen om hun winsten naar gunstige belastingstelsels te verschuiven en zo geen of slechts heel weinig belasting te betalen. Het begrip vaste inrichting zou het mogelijk maken duidelijk en bindend vast te stellen onder welke voorwaarden kan worden bevestigd dat een multinationale onderneming in een land gevestigd is. Zo worden multinationale ondernemingen ertoe verplicht op billijke wijze hun belastingen te betalen. Op die manier wordt gewaarborgd dat alle betrokken belastingplichtigen dit begrip op dezelfde wijze interpreteren en wordt uitgesloten dat er zich mismatches voordoen als gevolg van uiteenlopende definities. Ook is het van belang om een gemeenschappelijke definitie te introduceren van een vaste inrichting die in een derde land is gelegen of van een vaste inrichting die in de Unie is gelegen maar toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van een derde land is. Als verrekenprijzen tot winstverschuiving naar een laagbelastend rechtsgebied leiden, dan verdient een systeem dat winst op basis van een formule toewijst, de voorkeur. Door een dergelijk systeem in te voeren, kan de Unie een internationale norm voor moderne en efficiënte vennootschapsbelasting vaststellen. De Commissie moet de ontwerprichtsnoeren opstellen voor de overgangsfase waarin voor de behandeling van derde landen toewijzing op basis van een formule naast andere toewijzingsmethoden bestaat, maar uiteindelijk moet toewijzing op basis van een formule de standaardtoewijzingsmethode worden. De Commissie moet komen met een voorstel voor de vaststelling van een EU-model van belastingverdrag dat uiteindelijk in de plaats kan komen van de duizenden bilaterale verdragen die door de lidstaten zijn gesloten.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Digitale goederen zijn vaak zeer mobiel en immaterieel. Uit studies blijkt dat de digitale sector sterk betrokken is bij agressieve fiscale planning, aangezien veel bedrijfsmodellen geen fysieke infrastructuur vergen om transacties met klanten aan te gaan en winst te maken. Hierdoor slagen de grootste digitale bedrijven erin bijna geen belastingen op hun inkomsten te betalen. De schatkisten van de lidstaten verliezen miljarden euro's aan belastinginkomsten doordat zij digitale multinationals niet kunnen belasten. Om dit reële en urgente maatschappelijke onrecht aan te pakken, moet de huidige wetgeving inzake de vennootschapsbelasting worden uitgebreid met een nieuwe digitale vaste-inrichtingsnexus op basis van een significante digitale aanwezigheid. Voor vergelijkbare bedrijfsmodellen moet er een gelijk speelveld zijn om de fiscale uitdagingen aan te pakken die voortvloeien uit de digitalisering, zonder het potentieel van de digitale sector te belemmeren. In dat verband moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de werkzaamheden van de OESO op het gebied van internationaal consistente regels.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Bedrijfsuitgaven en bepaalde andere posten moeten in mindering worden gebracht op de belastbare inkomsten. Tot de aftrekbare bedrijfsuitgaven moeten normaal alle kosten worden gerekend die betrekking hebben op de omzet alsook alle uitgaven ter verwerving, behoud en zekerstelling van inkomen. Om innovatie in de economie te ondersteunen en de interne markt te moderniseren, dient te worden voorzien in aftrekmogelijkheden voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, inclusief een extra grote aftrek, en deze uitgaven moeten volledig worden afgetrokken in het jaar waarin zij zijn verricht (met uitzondering van onroerende zaken). Kleine startende bedrijven zonder gelieerde ondernemingen, die bijzonder innoverend zijn (een categorie waaronder met name start-ups zullen vallen), moeten ook worden ondersteund door een verhoogde extra aftrek voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Om de rechtszekerheid te waarborgen, dient er tevens een lijst van niet-aftrekbare kosten te worden vastgesteld.
(8)  Bedrijfsuitgaven en bepaalde andere posten moeten in mindering worden gebracht op de belastbare inkomsten. Tot de aftrekbare bedrijfsuitgaven moeten normaal alle kosten worden gerekend die betrekking hebben op de omzet alsook alle uitgaven ter verwerving, behoud en zekerstelling van inkomen. Om innovatie in de economie te ondersteunen en de interne markt te moderniseren, moet worden voorzien in aftrekmogelijkheden en moet de belastingplichtige een belastingaftrek krijgen voor werkelijke uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling die verband houden met de kosten voor personeel, onderaannemers, uitzendkrachten en freelancers, waarbij deze uitgaven volledig moeten worden afgetrokken in het jaar waarin zij zijn verricht (met uitzondering van onroerende zaken). Om misbruik van de aftrekmogelijkheden te voorkomen, is een duidelijke definitie van de werkelijke uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling nodig. Om de rechtszekerheid te waarborgen, dient er tevens een lijst van niet-aftrekbare kosten te worden vastgesteld.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Recente ontwikkelingen op het gebied van internationale belastingheffing hebben onderstreept dat multinationale ondernemingen, om hun wereldwijde belastingverplichtingen omlaag te brengen, in toenemende mate belastingontwijkende maatregelen hebben genomen, die leiden tot uitholling van de belastinggrondslag en winstverschuiving, door middel van buitensporige rentebetalingen. Het is dan ook noodzakelijk om de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) te beperken, om dergelijke praktijken te ontmoedigen. In die context dient de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) alleen zonder beperking te worden toegestaan voor zover die lasten kunnen worden afgezet tegen belastbare rentebaten (en andere financiële baten). De aftrekbaarheid van een overschot aan rentelasten moet evenwel worden onderworpen aan beperkingen, die moeten worden gekoppeld aan de belastbare winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen ("ebitda") van een belastingplichtige.
(9)  Recente ontwikkelingen op het gebied van internationale belastingheffing hebben onderstreept dat multinationale ondernemingen, om hun wereldwijde belastingverplichtingen omlaag te brengen, in toenemende mate belastingontwijkende maatregelen hebben genomen, die leiden tot uitholling van de belastinggrondslag en winstverschuiving, door middel van buitensporige rentebetalingen. Het is dan ook noodzakelijk om de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) te beperken, om dergelijke praktijken te ontmoedigen. In die context dient de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) alleen zonder beperking te worden toegestaan voor zover die lasten kunnen worden afgezet tegen belastbare rentebaten (en andere financiële baten). De aftrekbaarheid van een overschot aan rentelasten moet evenwel worden onderworpen aan beperkingen, die moeten worden gekoppeld aan de belastbare winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen ("ebitda") van een belastingplichtige. De lidstaten kunnen het bedrag aan rentelasten en andere financiële lasten dat kan worden afgetrokken verder beperken om een hoger beschermingsniveau te waarborgen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Doordat rente die over leningen wordt betaald, aftrekbaar is van de heffingsgrondslag van een belastingplichtige terwijl dit niet het geval is voor winstuitkeringen, wordt financiering door middel van vreemd vermogen onmiskenbaar bevoordeeld ten opzichte van financiering door middel van eigen vermogen. Gelet op de risico's die dit met zich meebrengt voor de schuldpositie van bedrijven, is het zaak maatregelen te nemen die de huidige benadeling van financiering door eigen vermogen tegengaan. Vanuit deze optiek wordt voorgesteld om belastingplichtigen een aftrek voor groei en investeringen toe te kennen, op basis waarvan toenames van het eigen vermogen van een belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden van diens heffingsgrondslag aftrekbaar zijn. Daarbij is het zaak te waarborgen dat dit stelsel niet tot cascade-effecten leidt en te dien einde is het noodzakelijk om de fiscale boekwaarde van de deelnemingen van een belastingplichtige in gelieerde ondernemingen uit te sluiten. Om deze aftrekregeling voldoende robuust te maken, is het ten slotte noodzakelijk om ook anti-ontgaansregels vast te stellen.
(10)  Doordat rente die over leningen wordt betaald, aftrekbaar is van de heffingsgrondslag van een belastingplichtige terwijl dit niet het geval is voor winstuitkeringen, wordt financiering door middel van vreemd vermogen onmiskenbaar bevoordeeld ten opzichte van financiering door middel van eigen vermogen. Gelet op de risico's die dit met zich meebrengt voor de schuldpositie van bedrijven, is het zaak in maatregelen te voorzien die de benadeling van financiering door eigen vermogen tegengaan door de mogelijkheid te beperken om rente die is betaald op leningen af te trekken van de heffingsgrondslag van een belastingplichtige. Een dergelijk voorschrift tot beperking van de aftrekbaarheid van de rente is hiervoor een geschikt en toereikend instrument.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Om de verschuiving van passieve (voornamelijk financiële) inkomsten weg van vennootschappen met een hoge belastingdruk te ontmoedigen, moeten eventuele verliezen die dergelijke bedrijven aan het einde van een belastingjaar hebben geleden, worden geacht grotendeels overeen te komen met het resultaat van handelsactiviteiten. Daarom moeten belastingplichtigen verliezen onbeperkt kunnen blijven voortwentelen, zonder beperking ten aanzien van het jaarlijks aftrekbare bedrag. Aangezien het doel van voorwaartse verliesverrekening erin bestaat dat een belastingplichtige belasting betaalt over zijn werkelijke inkomsten, is er geen reden om dit mechanisme in de tijd te beperken. Wat het idee van een achterwaartse verliesverrekening betreft, is het niet noodzakelijk om een dergelijke regeling in te voeren, aangezien dit een tamelijk zeldzaam gebruik is in de lidstaten en doorgaans tot buitensporige complexiteit leidt. Daarnaast moet er een antimisbruikbepaling worden vastgesteld ten aanzien van pogingen om de regels inzake verliesverrekening te omzeilen door middel van de aankoop van verlieslijdende bedrijven, zodanig dat deze pogingen worden voorkomen, gedwarsboomd of tegengegaan.
(12)  Om de verschuiving van passieve (voornamelijk financiële) inkomsten weg van vennootschappen met een hoge belastingdruk te ontmoedigen, moeten eventuele verliezen die dergelijke bedrijven aan het einde van een belastingjaar hebben geleden, worden geacht grotendeels overeen te komen met het resultaat van handelsactiviteiten. Daarom moeten belastingplichtigen verliezen gedurende een periode van vijf jaar kunnen blijven voortwentelen, met een beperking ten aanzien van het jaarlijks aftrekbare bedrag. Wat het idee van een achterwaartse verliesverrekening betreft, is het niet noodzakelijk om een dergelijke regeling in te voeren, aangezien dit een tamelijk zeldzaam gebruik is in de lidstaten en doorgaans tot buitensporige complexiteit leidt. Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad1 bis voorziet in een algemene antimisbruikbepaling teneinde pogingen om de regels inzake verliesverrekening te omzeilen door middel van de aankoop van verlieslijdende bedrijven, te voorkomen, te dwarsbomen of tegen te gaan. Bij de toepassing van deze richtlijn moet ook systematisch rekening worden gehouden met deze algemene regel.
_________________
1 bis Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1).
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Om de cashflowsituatie van bedrijven te verbeteren - door bijvoorbeeld aanloopverliezen in de ene lidstaat te compenseren met winsten in een andere lidstaat - en grensoverschrijdende ontplooiing binnen de Unie te stimuleren, dienen belastingplichtigen het recht te hebben om de verliezen van hun directe dochterondernemingen en vaste inrichtingen in andere lidstaten tijdelijk op zich te nemen. Daartoe dienen moedermaatschappijen of hoofdkantoren gelegen in een lidstaat de mogelijkheid te hebben om, in een bepaald belastingjaar, de verliezen die hun directe dochterondernemingen of vaste inrichtingen in andere lidstaten in datzelfde belastingjaar hebben geleden, op hun heffingsgrondslag in mindering te brengen naar evenredigheid van hun deelneming. De moedermaatschappij moet nadien de verplichting hebben om, rekening houdend met de eerder afgetrokken verliezen, eventuele latere winsten van deze directe dochterondernemingen of vaste inrichtingen aan haar eigen heffingsgrondslag toe te voegen. Omdat het essentieel is om de nationale belastingopbrengsten te waarborgen, moeten de in mindering gebrachte verliezen ook automatisch opnieuw aan de heffingsgrondslag worden toegevoegd indien dit na een bepaald aantal jaren nog niet is gebeurd dan wel indien niet langer is voldaan aan de vereisten om als een directe dochteronderneming of vaste inrichting te kwalificeren.
Schrappen
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Het is cruciaal om in passende anti-ontgaansmaatregelen te voorzien om de regels betreffende de gemeenschappelijke grondslag beter te wapenen tegen agressieve fiscale planning. De regeling moet met name een algemene antimisbruikbepaling bevatten, aangevuld met maatregelen die ertoe strekken specifieke vormen van belastingontwijking aan banden te leggen. Aangezien algemene antimisbruikbepalingen gericht zijn tegen fiscale misbruikpraktijken die nog niet zijn aangepakt met specifieke bepalingen, vullen zij leemtes in, hetgeen de toepasbaarheid van specifieke antimisbruikregels niet in de weg staat. In de Unie moeten algemene antimisbruikregels worden toegepast op kunstmatige constructies. Voorts is het belangrijk te waarborgen dat de algemene antimisbruikregels op uniforme wijze toepassing vinden in binnenlandse situaties, in grensoverschrijdende situaties binnen de Unie en in grensoverschrijdende situaties met bedrijven die in derde landen zijn gevestigd, zodat de reikwijdte ervan en de toepassingsresultaten niet uiteenlopen.
(15)  Het is cruciaal om in passende anti-ontgaansmaatregelen te voorzien om de regels betreffende de gemeenschappelijke grondslag beter te wapenen tegen agressieve fiscale planning. De regeling moet met name een krachtige en doeltreffende algemene antimisbruikbepaling bevatten, aangevuld met maatregelen die ertoe strekken specifieke vormen van belastingontwijking aan banden te leggen. Aangezien algemene antimisbruikbepalingen gericht zijn tegen fiscale misbruikpraktijken die nog niet zijn aangepakt met specifieke bepalingen, vullen zij leemtes in, hetgeen de toepasbaarheid van specifieke antimisbruikregels niet in de weg staat. In de Unie moeten algemene antimisbruikregels worden toegepast op kunstmatige constructies. Voorts is het belangrijk te waarborgen dat de algemene antimisbruikregels op uniforme wijze toepassing vinden in binnenlandse situaties, in grensoverschrijdende situaties binnen de Unie en in grensoverschrijdende situaties met bedrijven die in derde landen zijn gevestigd, zodat de reikwijdte ervan en de toepassingsresultaten niet uiteenlopen.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Gelet op het feit dat hybride mismatches doorgaans resulteren in een dubbele aftrek (dat wil zeggen een aftrek in beide staten) of een aftrek van de inkomsten in de ene staat zonder dat zij in de heffingsgrondslag worden begrepen van een andere, hebben dergelijke situaties een duidelijk negatief effect op de interne markt doordat zij de mechanismen ervan verstoren en mazen creëren waardoor ontgaanspraktijken kunnen gedijen. Aangezien mismatches voortvloeien uit nationale verschillen in de juridische kwalificatie van bepaalde soorten entiteiten of financiële betalingen, doen zij zich normaal niet voor bij bedrijven die de gemeenschappelijke regels voor de berekening van hun heffingsgrondslag toepassen. Mismatches zouden echter blijven bestaan bij de wisselwerking tussen het kader voor de gemeenschappelijke grondslag en dat van nationale of derdelands vennootschapsbelastingstelsels. Om de effecten tegen te gaan van regelingen waarbij gebruikt wordt gemaakt van een hybride mismatch, dienen bepalingen te worden vastgesteld die erin voorzien dat een van beide rechtsgebieden bij een mismatch de aftrek van een betaling weigert dan wel erop toeziet dat de overeenkomstige inkomsten in de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting worden begrepen.
(17)  Gelet op het feit dat hybride mismatches en mismatchstructuren met bijkantoren doorgaans resulteren in een dubbele aftrek (dat wil zeggen een aftrek in beide staten) of een aftrek van de inkomsten in de ene staat zonder dat zij in de heffingsgrondslag worden begrepen van een andere, hebben dergelijke situaties een duidelijk negatief effect op de interne markt doordat zij de mechanismen ervan verstoren en mazen creëren waardoor ontgaanspraktijken kunnen gedijen. Aangezien mismatches voortvloeien uit nationale verschillen in de juridische kwalificatie van bepaalde soorten entiteiten of financiële betalingen, doen zij zich normaal niet voor bij bedrijven die de gemeenschappelijke regels voor de berekening van hun heffingsgrondslag toepassen. Mismatches zouden echter blijven bestaan bij de wisselwerking tussen het kader voor de gemeenschappelijke grondslag en dat van nationale of derdelands vennootschapsbelastingstelsels. Om de effecten tegen te gaan van hybride mismatches of daarmee samenhangende regelingen, voorziet Richtlijn (EU) 2016/1164 in regels betreffende hybride mismatches en mismatches door een omgekeerde hybride. Bij de toepassing van deze richtlijn moet systematisch rekening worden gehouden met deze regels.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  De lidstaten mogen niet worden verhinderd om aanvullende maatregelen tegen belastingontwijking in te voeren met het oog op het tegengaan van de negatieve gevolgen van winstverschuiving naar derde landen met lage belastingen die niet noodzakelijkerwijs belastinginformatie uitwisselen overeenkomstig de normen van de Unie.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)  De lidstaten moeten beschikken over een systeem van sancties voor bedrijven die inbreuk maken op nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld en moeten de Commissie daarvan in kennis stellen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van (i) de follow-up van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van bijlagen I en II; (ii) de vaststelling van extra definities; (iii) de vaststelling van nadere anti-ontgaansbepalingen op een aantal specifieke gebieden die relevant zijn voor de aftrek voor groei en investeringen; (iv) de nadere omschrijving van de begrippen juridisch en economisch eigendom van geleasede activa; (v) de berekening van de kapitaal- en rente-elementen van leasebetalingen en de afschrijvingsgrondslag van geleasede activa; en (vi) de nadere omschrijving van de categorieën vaste activa die aan afschrijving onderhevig zijn; Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
(19)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van (i) de follow-up van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van bijlagen I en II; (ii) de vaststelling van extra definities; (iii) de nadere omschrijving van de begrippen juridisch en economisch eigendom van geleasede activa; (iv) de berekening van de kapitaal- en rente-elementen van leasebetalingen en de afschrijvingsgrondslag van geleasede activa; (v) de nadere omschrijving van de categorieën vaste activa die aan afschrijving onderhevig zijn; en (vi) de verstrekking van richtsnoeren voor de overgangsfase waarin voor de behandeling van derde landen toewijzing op basis van een formule naast andere toewijzingsmethoden bestaat. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De Commissie moet toezien op de uniforme uitvoering van deze richtlijn om situaties te vermijden waarbij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten elk een verschillende regeling toepassen. Voorts mag het ontbreken van geharmoniseerde boekhoudregels in de Unie niet leiden tot nieuwe mogelijkheden voor fiscale planning en arbitrage. Daarom kan een harmonisatie van de boekhoudregels de gemeenschappelijke regeling versterken, met name als alle bedrijven in de Unie onder deze regeling vallen.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  De Commissie dient de toepassing van de richtlijn te evalueren vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,
(23)  Aangezien deze richtlijn een belangrijke wijziging van de regels voor de vennootschapsbelasting inhoudt, dient de Commissie een grondige beoordeling van de toepassing van de richtlijn te verrichten vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. In dit uitvoeringsverslag moeten ten minste de volgende punten worden behandeld: het effect van het bij deze richtlijn ingestelde belastingstelsel op de inkomsten van de lidstaten, de voor- en nadelen van het stelsel voor kleine en middelgrote ondernemingen, het effect op een billijke belastinginning tussen de lidstaten, het effect op de interne markt als geheel, met bijzondere aandacht voor mogelijke concurrentievervalsing tussen ondernemingen die aan de nieuwe voorschriften van deze richtlijn zijn onderworpen, en het aantal ondernemingen dat tijdens de overgangsperiode onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt. De Commissie dient de toepassing van deze richtlijn te evalueren tien jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze richtlijn wordt een regeling voor een gemeenschappelijke grondslag voor de belasting van bepaalde vennootschappen ingesteld en worden voorschriften voor de berekening van die grondslag vastgesteld.
1.  Bij deze richtlijn wordt een regeling voor een gemeenschappelijke grondslag voor de belasting in de Unie van bepaalde vennootschappen ingesteld en worden voorschriften voor de berekening van die grondslag vastgesteld, waaronder voorschriften voor maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan en maatregelen met betrekking tot de internationale dimensie van het voorgestelde belastingstelsel.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule
1.  De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1.  De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste en digitale vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – letter c
(c)  zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat;
(c)  zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat. Deze drempel wordt over een periode van maximaal zeven jaar verlaagd tot nul;
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3
3.  Een vennootschap die voldoet aan de in lid 1, onder a) en b), gestelde voorwaarden maar niet aan de in dat lid onder c) of d) gestelde voorwaarden, kan ervoor kiezen om de bij deze richtlijn ingestelde regeling gedurende een periode van vijf belastingjaren toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen in andere lidstaten. Deze periode wordt automatisch met telkens vijf belastingjaren verlengd, tenzij er een kennisgeving van beëindiging wordt gedaan zoals bedoeld in artikel 65, lid 3. Aan de in lid 1, onder a) en b), gestelde voorwaarden moet zijn voldaan telkens wanneer de verlenging plaatsvindt.
3.  Een vennootschap die voldoet aan de in lid 1, onder a) en b), gestelde voorwaarden maar niet aan de in dat lid, onder c) of d), gestelde voorwaarden, kan ervoor kiezen om de bij deze richtlijn ingestelde regeling toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen in andere lidstaten.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4
4.  De bij deze richtlijn ingestelde regeling is niet van toepassing op een scheepvaartmaatschappij die aan een bijzondere belastingregeling is onderworpen. Bij het bepalen van de vennootschappen die tot dezelfde groep behoren zoals bedoeld in artikel 3, worden ook scheepvaartmaatschappijen die aan een bijzondere belastingregeling zijn onderworpen, in aanmerking genomen.
Schrappen
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – letter a
(a)  een recht om meer dan 50 % van de stemrechten uit te oefenen; en
(a)  een recht om stemrechten van meer dan 50 % uit te oefenen; en
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 12
(12)  financieringskosten: rentelasten op alle vormen van schuld, andere kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan rente en kosten in verband met het aantrekken van financiële middelen als omschreven in het nationale recht, met inbegrip van betalingen in het kader van winstdelende leningen, toegerekende rente op converteerbare obligaties en nulcouponobligaties, betalingen in het kader van alternatieve financieringsregelingen, de financieringskostenelementen van betalingen voor financiële leasing, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, de afschrijving van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels, notionele rentebedragen in het kader van afgeleide instrumenten of hedgingregelingen met betrekking tot de leningen van een entiteit, het vastgelegde rendement op nettovermogenstoenames als bedoeld in artikel 11 van deze richtlijn, bepaalde koerswinsten en -verliezen op leningen en instrumenten in verband met het aantrekken van financiële middelen, garantieprovisies voor financieringsregelingen, afsluitprovisies en soortgelijke kosten in verband met het lenen van middelen;
(12)  financieringskosten: rentelasten op alle vormen van schuld, andere kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan rente en kosten in verband met het aantrekken van financiële middelen als omschreven in het nationale recht, met inbegrip van betalingen in het kader van winstdelende leningen, toegerekende rente op converteerbare obligaties en nulcouponobligaties, betalingen in het kader van alternatieve financieringsregelingen, de financieringskostenelementen van betalingen voor financiële leasing, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, de afschrijving van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels, notionele rentebedragen in het kader van afgeleide instrumenten of hedgingregelingen met betrekking tot de leningen van een entiteit, bepaalde koerswinsten en -verliezen op leningen en instrumenten in verband met het aantrekken van financiële middelen, garantieprovisies voor financieringsregelingen, afsluitprovisies en soortgelijke kosten in verband met het lenen van middelen;
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 bis (nieuw)
(30 bis)  niet-coöperatief fiscaal rechtsgebied: een rechtsgebied waarop een van de volgende criteria van toepassing is:
(a)  het rechtsgebied voldoet niet aan de internationale transparantienormen;
(b)  in het rechtsgebied bestaan mogelijke preferentiële regelingen;
(c)  in het rechtsgebied bestaat een belastingstelsel zonder vennootschapsbelasting of een bijna nultarief voor de vennootschapsbelasting;
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 ter (nieuw)
(30 ter)  economische substantie: feitelijke criteria, onder meer met betrekking tot de digitale economie, die kunnen worden gebruikt om de belastbare aanwezigheid van een onderneming vast te stellen, zoals het bestaan van menselijke en materiële middelen die specifiek zijn voor de entiteit, haar bestuursautonomie, haar juridische realiteit, de gegenereerde inkomsten en, in voorkomend geval, de aard van haar activa;
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 quater (nieuw)
(30 quater)  brievenbusmaatschappij: iedere soort juridische entiteit die geen economische substantie heeft en louter voor fiscale doeleinden is opgericht;
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 quinquies (nieuw)
(30 quinquies)  royaltykosten: kosten in verband met vergoedingen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap — daaronder begrepen bioscoopfilms en software — van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap, of van enig ander immaterieel activum; vergoedingen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik, van industriële, commerciële of wetenschappelijke uitrusting worden als royaltykosten aangemerkt;
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 sexies (nieuw)
(30 sexies)  verrekenprijzen: de prijzen waartegen een onderneming materiële goederen of immateriële activa overdraagt of diensten verleent aan gelieerde ondernemingen;
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 31
(31)  hybride mismatch: een situatie tussen een belastingplichtige en een gelieerde onderneming of een gestructureerde regeling tussen partijen in verschillende fiscale rechtsgebieden waarin een van de volgende resultaten te wijten is aan verschillen in de juridische kwalificatie van een financieel instrument of een entiteit, of aan de aanmerking van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting:
(31)  hybride mismatch: een kwalificatieconflict door hybride structuren als omschreven in artikel 2, punt 9, van Richtlijn (EU) 2016/1164;
(a)  dezelfde betaling, kosten of verliezen worden zowel in het rechtsgebied waar de betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden, als in het andere rechtsgebied in aftrek gebracht van de belastbare grondslag ("dubbele aftrek");
(b)  een betaling wordt in aftrek gebracht van de belastbare grondslag in het rechtsgebied waar de betaling haar oorsprong vindt, zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing wordt betrokken ("aftrek zonder betrekking in de heffing");
(c)  in geval van verschillen bij de aanmerking van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting, het onbelast blijven van inkomsten die hun oorsprong vinden in een rechtsgebied, zonder dat deze inkomsten op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing worden betrokken ("onbelast zonder betrekking in de heffing").
Een hybride mismatch treedt slechts op in zoverre dezelfde in twee rechtsgebieden afgetrokken betaling, gemaakte kosten of geleden verliezen het bedrag aan inkomsten te boven gaan dat in beide rechtsgebieden in de heffing is betrokken en aan dezelfde bron kan worden toegerekend.
Een hybride mismatch omvat ook de overdracht van een financieel instrument in het kader van een gestructureerde regeling met een belastingplichtige, waarbij de onderliggende opbrengst van het overgedragen financiële instrument voor belastingdoeleinden wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij de regeling, die fiscaal inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden, met een van de volgende resultaten:
(a)  een aftrek van een betaling die verband houdt met de onderliggende opbrengst, zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in de heffing wordt betrokken, tenzij de onderliggende opbrengst in het belastbare inkomen van een van de betrokken partijen is opgenomen;
(b)  een vermindering van bronbelasting voor een betaling die is verkregen uit het overgedragen financieel instrument, aan meer dan een van de betrokken partijen;
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 32
(32)  gestructureerde regeling: een regeling waarbij sprake is van een hybride mismatch die al in de voorwaarden van de regeling is verwerkt, dan wel een regeling die zodanig is opgezet dat er een hybride mismatch uit resulteert, tenzij van de belastingplichtige of een gelieerde onderneming niet redelijkerwijs kon worden verwacht dat deze zich bewust waren van de hybride mismatch en zij geen profijt trokken uit het belastingvoordeel dat uit de hybride mismatch voortvloeit;
Schrappen
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 33 bis (nieuw)
(33 bis)  digitale vaste inrichting: een significante digitale aanwezigheid van een belastingplichtige die diensten verleent in een rechtsgebied gericht op consumenten of bedrijven in dat rechtsgebied, overeenkomstig de criteria van artikel 5, lid 2 bis;
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 33 ter (nieuw)
(33 ter)  Europees fiscaal identificatienummer of EU FIN: een nummer als gedefinieerd in de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 met daarin een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 2
De Commissie kan overeenkomstig artikel 66 gedelegeerde handelingen vaststellen om meer begrippen te definiëren.
De Commissie kan overeenkomstig artikel 66 gedelegeerde handelingen vaststellen om bestaande begrippen bij te werken of meer begrippen te definiëren.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – inleidende formule
1.  Een belastingplichtige wordt geacht te beschikken over een vaste inrichting in een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is, wanneer hij in die andere lidstaat een vaste bedrijfsinrichting heeft door middel waarvan zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder met name begrepen:
1.  Een belastingplichtige wordt geacht te beschikken over een vaste inrichting, daaronder begrepen een digitale vaste inrichting, in een andere lidstaat dan het rechtsgebied waarvan hij fiscaal inwoner is, wanneer hij in die andere lidstaat een vaste bedrijfsinrichting of een digitale aanwezigheid heeft door middel waarvan zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder met name begrepen:
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  een digitaal platform of een ander digitaal bedrijfsmodel dat gebaseerd is op het verzamelen en benutten van gegevens voor commerciële doeleinden.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien een belastingplichtige die inwoner van een rechtsgebied is, toegang biedt tot een digitaal platform zoals een elektronische applicatie, database, onlinemarktplaats of opslagruimte of een dergelijk platform aanbiedt, dan wel zoekmachine- of reclamediensten aanbiedt op een website of in een elektronische applicatie, wordt deze belastingplichtige geacht te beschikken over een digitale vaste inrichting in een andere lidstaat dan het rechtsgebied waarvan hij fiscaal inwoner is indien het totale bedrag van de inkomsten van de belastingplichtige of de gelieerde onderneming uit verrichtingen op afstand die worden gegenereerd door bovengenoemde digitale platforms in het rechtsgebied waarvan hij geen inwoner is, meer dan 5 000 000 EUR per jaar bedragen en indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
(a)  ten minste 1 000 geregistreerde individuele gebruikers per maand die hun woonplaats hebben in een andere lidstaat dan het rechtsgebied waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is, hebben ingelogd op het digitale platform van de belastingplichtige of hebben het bezocht;
(b)  ten minste 1 000 digitale overeenkomsten per maand zijn gesloten met klanten of gebruikers die in een belastingjaar hun woonplaats hebben in het rechtsgebied waarvan de belastingplichtige geen inwoner is;
(c)  het volume aan digitale inhoud die de belastingplichtige in een belastingjaar heeft verzameld bedraagt meer dan 10 % van de totale opgeslagen digitale inhoud van de groep.
De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 66 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn door de onder a), b) en c), van dit lid genoemde factoren aan te passen aan de evolutie in internationale overeenkomsten.
Indien naast de op inkomsten gebaseerde factor als bedoeld in de eerste alinea van dit lid één of meer van de drie digitale factoren als bedoeld onder a), b) en c), van dit lid, van toepassing zijn op een belastingplichtige in de betrokken lidstaat, wordt de belastingplichtige geacht te beschikken over een vaste inrichting in die lidstaat.
Een belastingplichtige moet de belastingautoriteiten in kennis stellen van alle informatie die van belang is voor de vaststelling van een vaste inrichting of een digitale vaste inrichting als bedoeld in dit artikel.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3 – alinea 1
Naast de bedragen die aftrekbaar zijn als uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig lid 2, kan de belastingplichtige per belastingjaar nog eens 50 % van dergelijke uitgaven, met uitzondering van die voor roerende materiële vaste activa, die hij in de loop van dat jaar heeft gemaakt, aftrekken. Voor zover de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling een drempel van 20 000 000 EUR te boven gaan, kan de belastingplichtige 25 % van het bedrag daarboven aftrekken.
Voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tot een bedrag van 20 000 000 EUR met betrekking tot personeel, waaronder lonen, onderaannemers, uitzendkrachten en freelancers, krijgt de belastingplichtige een belastingaftrek van 10 % van de gemaakte kosten.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2
In afwijking van de eerste alinea kan de belastingplichtige nog eens 100 % van zijn uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tot een maximum van 20 000 000 EUR in aftrek brengen indien hij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
Schrappen
a)  het betreft een niet-beursgenoteerde onderneming met minder dan 50 werknemers en een jaaromzet en/of een jaarbalanstotaal van niet meer dan 10 000 000 EUR;
b)  de onderneming is nog geen vijf jaar ingeschreven. Indien de belastingplichtige niet ingeschreven hoeft te zijn, kan als startpunt van de periode van vijf jaar het tijdstip worden genomen waarop de onderneming met haar economische activiteiten van start is gegaan dan wel waarop zij daarover belasting verschuldigd is geworden;
c)  de onderneming is niet door een fusie tot stand gekomen;
d)  de onderneming heeft geen gelieerde ondernemingen.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
[...]
Schrappen
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – alinea 1 – letter b
(b)  50 % van representatiekosten, tot een bedrag dat [x] % van de inkomsten gedurende het belastingjaar niet te boven gaat;
(b)  50 % van de normale en noodzakelijke representatiekosten die rechtstreeks verband houden met of gekoppeld zijn aan het bedrijf van de belastingplichtige, tot een bedrag dat [x] % van de inkomsten gedurende het belastingjaar niet te boven gaat;
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – alinea 1 – letter c
(c)  de overdracht van ingehouden winsten naar een reserve die deel uitmaakt van het eigen vermogen van de vennootschap;
(c)  de overdracht van ingehouden winsten naar een reserve die deel uitmaakt van het eigen vermogen van de vennootschap, die andere winsten zijn dan via een reserve ingehouden winsten van coöperatieve ondernemingen en coöperatieve consortia, zowel tijdens de huidige activiteiten van het bedrijf als na het verstrijken ervan, in overeenstemming met nationale belastingvoorschriften;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – alinea 1 – letter j bis (nieuw)
(j bis)  uitgaven aan begunstigden in landen die vermeld staan op de EU-lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden (belastingparadijzen);
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 – alinea 1
Een financieringskostensurplus is aftrekbaar in het belastingjaar waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 30 procent van de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) van de belastingplichtige dan wel tot een bedrag van maximaal 3 000 000 EUR, naargelang welk van beide het hoogste is.
Een financieringskostensurplus is aftrekbaar in het belastingjaar waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 10 procent van de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) van de belastingplichtige dan wel tot een bedrag van maximaal 1 000 000 EUR, naargelang welk van beide het hoogste is.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 – alinea 2
Voor de toepassing van dit artikel geldt dat indien een belastingplichtige namens een groep mag of moet handelen, zoals omschreven in de voorschriften van een nationaal systeem voor de belasting van groepen, de volledige groep als een belastingplichtige wordt aangemerkt. Onder deze omstandigheden worden het financieringskostensurplus en de ebitda berekend voor de gehele groep. Het bedrag van 3 000 000 EUR geldt ook voor de gehele groep.
Voor de toepassing van dit artikel geldt dat indien een belastingplichtige namens een groep mag of moet handelen, zoals omschreven in de voorschriften van een nationaal systeem voor de belasting van groepen, de volledige groep als een belastingplichtige wordt aangemerkt. Onder deze omstandigheden worden het financieringskostensurplus en de ebitda berekend voor de gehele groep. Het bedrag van 1 000 000 EUR geldt ook voor de gehele groep.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 6
6.  Een financieringskostensurplus dat in een bepaald belastingjaar niet kan worden afgetrokken, wordt voorwaarts verrekend zonder beperking in de tijd.
6.  Een financieringskostensurplus dat in een bepaald belastingjaar niet kan worden afgetrokken, wordt voorwaarts verrekend gedurende een periode van vijf jaar.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 bis (nieuw)
Artikel 14 bis
Specifieke vrijstellingen
Via een reserve ingehouden winsten van coöperatieve ondernemingen en consortia, zowel tijdens de lopende activiteiten van het bedrijf als na het verstrijken ervan, evenals door coöperatieve ondernemingen en consortia aan hun eigen leden verleende voordelen, zijn aftrekbaar wanneer deze aftrekbaarheid is toegestaan in de nationale belastingwetgeving.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 29
Artikel 29
Artikel 29
Exitheffingen
Exitheffingen
1.   Een bedrag dat gelijk is aan de marktwaarde van overgebrachte activa, op het tijdstip van overbrenging van de activa, minus hun fiscale boekwaarde, wordt behandeld als genoten inkomsten in elk van de volgende gevallen:
Voor de toepassing van deze richtlijn is de regeling betreffende exitheffingen van Richtlijn (EU) 2016/1164 van toepassing.
(a)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn hoofdkantoor naar zijn vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land;
(b)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn vaste inrichting in een lidstaat naar zijn hoofdkantoor of een andere vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land, voor zover de lidstaat van de vaste inrichting vanwege de overbrenging niet langer het recht heeft de overgebrachte activa in de heffing te betrekken;
(c)  een belastingplichtige brengt zijn fiscale woonplaats over naar een andere lidstaat of naar een derde land, behalve voor de activa die daadwerkelijk verbonden blijven met een vaste inrichting in de eerste lidstaat;
(d)  een belastingplichtige brengt het bedrijf van zijn vaste inrichting over van een lidstaat naar een andere lidstaat of naar een derde land, voor zover de lidstaat van de vaste inrichting vanwege de overbrenging niet langer het recht heeft de overgebrachte activa in de heffing te betrekken.
2.  De lidstaat naar welke de activa, de fiscale woonplaats of het bedrijf van een vaste inrichting worden verplaatst, aanvaardt de waarde die door de lidstaat van de belastingplichtige of van de vaste inrichting is vastgesteld, als beginwaarde van deze activa voor belastingdoeleinden.
3.  Dit artikel is niet van toepassing op de overbrenging van activa met het oog op effectenfinanciering, zekerheidstelling, naleving van prudentiële kapitaalvereisten of liquiditeitsbeheer, als het de bedoeling is dat deze activa binnen een periode van twaalf maanden terugkeren naar de lidstaat van de overbrenger.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 41 – lid 1
1.  Door een ingezeten belastingplichtige of een vaste inrichting van een niet-ingezeten belastingplichtige in een belastingjaar geleden verliezen kunnen worden overgedragen naar en in aftrek worden gebracht in daaropvolgende belastingjaren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.
1.  Door een ingezeten belastingplichtige of een vaste inrichting van een niet-ingezeten belastingplichtige in een belastingjaar geleden verliezen kunnen worden overgedragen naar en in aftrek worden gebracht in daaropvolgende belastingjaren gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 42
Artikel 42
Schrappen
Verminderen en inhalen van verliezen
1.  Een ingezetene belastingplichtige die nog steeds winstgevend is na aftrek van zijn eigen verliezen overeenkomstig artikel 41, mag daarnaast verliezen in aftrek brengen die in datzelfde belastingjaar zijn geleden door zijn directe kwalificerende dochterondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, of door (een) vaste inrichting(en) gelegen in andere lidstaten. Deze vermindering voor verliezen wordt toegekend voor een beperkte periode overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel.
2.  De aftrek is naar rato van de deelneming die de ingezeten belastingplichtige houdt in zijn kwalificerende dochterondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, dan wel voor het volledige bedrag ten aanzien van vaste inrichtingen. In geen geval mag de vermindering van de heffingsgrondslag van de ingezeten belastingplichtige tot een negatief bedrag leiden.
3.  De ingezeten belastingplichtige telt alle latere winsten van zijn kwalificerende dochterondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, of van zijn vaste inrichtingen, bij zijn heffingsgrondslag op tot het bedrag dat eerder als verlies in aftrek werd gebracht.
4.  Overeenkomstig de leden 1 en 2 afgetrokken verliezen worden automatisch opnieuw in de heffingsgrondslag van de ingezeten belastingplichtige opgenomen in elk van de volgende gevallen:
(a)  aan het einde van het vijfde belastingjaar nadat de verliezen aftrekbaar zijn geworden, is er nog geen winst in de heffingsgrondslag opgenomen, of de opgenomen winsten zijn lager dan het totale bedrag aan afgetrokken verliezen;
(b)  de kwalificerende dochteronderneming zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, is verkocht, geliquideerd, of omgevormd tot een vaste inrichting;
(c)  de vaste inrichting is verkocht, geliquideerd of omgevormd tot een dochteronderneming;
(d)  de moedermaatschappij voldoet niet langer aan de vereisten van artikel 3, lid 1.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 45 bis (nieuw)
Artikel 45 bis
Effectieve belastingbijdrage
Zolang de in artikel 2, lid 1, onder c), vastgelegde drempel van kracht blijft, monitoren de lidstaten de effectieve belastingbijdrage van kleine en middelgrote ondernemingen en multinationale ondernemingen in alle lidstaten en maken ze deze bekend, zodat de lidstaten gelijke mededingingsvoorwaarden kunnen waarborgen voor gelijkaardige bedrijven binnen de Unie en de administratieve lasten en kosten voor kleine en middelgrote ondernemingen kunnen reduceren.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 53 – lid 1 – alinea 1
In afwijking van artikel 8, onder c) en d), is een belastingplichtige niet vrijgesteld van belasting ter zake van buitenlandse inkomsten die hij heeft ontvangen als winstuitkering van een entiteit in een derde land of als opbrengst uit de vervreemding van aandelen in een entiteit in een derde land wanneer die entiteit in het land waar zij haar fiscale woonplaats heeft, onderworpen is aan een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat minder dan de helft bedraagt van het wettelijke belastingtarief waaraan de belastingplichtige in verband met deze buitenlandse inkomsten onderworpen zou zijn geweest in de lidstaat waar hij zijn fiscale woonplaats heeft.
In afwijking van artikel 8, onder c) en d), is een belastingplichtige niet vrijgesteld van belasting ter zake van buitenlandse inkomsten die niet voortkomen uit actieve bedrijfsvoering en die hij heeft ontvangen als winstuitkering van een entiteit in een derde land of als opbrengst uit de vervreemding van aandelen in een entiteit in een derde land wanneer die entiteit in het land waar zij haar fiscale woonplaats heeft, onderworpen is aan een wettelijk vennootschapsbelastingtarief van minder dan 15 % in verband met deze buitenlandse inkomsten in de lidstaat waar hij zijn fiscale woonplaats heeft.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 53 – lid 2
2.  Wanneer lid 1 van toepassing is, wordt de belastingplichtige aan de belasting onderworpen ter zake van de buitenlandse inkomsten, waarbij de in het derde land betaalde belasting wordt afgetrokken van zijn belastingschuld in de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is. De aftrek is niet hoger dan het bedrag aan belastingen, zoals berekend vóór de aftrek, dat toerekenbaar is aan de belastbare inkomsten.
2.  Wanneer lid 1 van toepassing is, wordt de belastingplichtige aan de belasting onderworpen ter zake van de buitenlandse inkomsten, waarbij de in het derde land betaalde belasting wordt afgetrokken van zijn belastingschuld in de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is. De aftrek is niet hoger dan het bedrag aan belastingen, zoals berekend vóór de aftrek, dat toerekenbaar is aan de belastbare inkomsten. Om de aftrek te genieten, moet de belastingplichtige zijn belastingautoriteiten bewijzen dat de buitenlandse inkomsten afkomstig zijn van actieve bedrijfsvoering, wat hij kan doen door middel van een hiertoe verstrekt attest van de buitenlandse belastingautoriteiten.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 58
Artikel 58
Artikel 58
Algemene antimisbruikregel
Algemene antimisbruikregel
1.   Voor de berekening van de heffingsgrondslag krachtens de bij deze richtlijn ingestelde regeling, laten de lidstaten een constructie of een reeks van constructies buiten beschouwing die is opgezet met als hoofddoel een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.
Voor de toepassing van deze richtlijn is de algemene antimisbruikregel van Richtlijn (EU) 2016/1164 van toepassing.
2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
3.  Een constructie of een reeks van constructies die overeenkomstig lid 1 buiten beschouwing wordt gelaten, wordt voor de berekening van de heffingsgrondslag behandeld op basis van haar economische substance.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
Een entiteit, of een vaste inrichting waarvan de winst niet aan belasting is onderworpen of van belasting is vrijgesteld in de lidstaat van haar hoofdkantoor, wordt behandeld als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
De lidstaat van een belastingplichtige behandelt een entiteit of een vaste inrichting waarvan de winst in die lidstaat niet aan belasting is onderworpen of van belasting is vrijgesteld, als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 1 – alinea 1 – letter b
(b)  de vennootschapsbelasting die de entiteit of vaste inrichting daadwerkelijk op haar winst heeft betaald, is lager dan het verschil tussen de vennootschapsbelasting die op de winst van de entiteit of de vaste inrichting zou zijn geheven krachtens de bij deze richtlijn ingestelde regeling en de vennootschapsbelasting die de entiteit of vaste inrichting daadwerkelijk op die winst heeft betaald.
(b)  de winst van de entiteit is onderworpen aan een vennootschapsbelastingtarief dat lager is dan 15 %; dit tarief wordt geëvalueerd op basis van de winst vóór de berekeningen die deze landen uitvoeren om de belastbare grondslag te verlagen; dit tarief wordt jaarlijks herzien in het licht van de economische ontwikkelingen in de wereldhandel.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 1 – alinea 2
Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wordt bij de berekening van de vennootschapsbelasting die volgens de bij deze richtlijn ingestelde regeling op de winst van de entiteit zou zijn geheven in de lidstaat van de belastingplichtige, geen rekening gehouden met de inkomsten van een vaste inrichting van de entiteit die niet aan belasting is onderworpen of van belasting is vrijgesteld in het rechtsgebied van de gecontroleerde buitenlandse vennootschap.
Schrappen
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 2
2.  Wanneer een entiteit of vaste inrichting overeenkomstig lid 1 als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap wordt behandeld, zijn niet-uitgekeerde inkomsten van de entiteit of vaste inrichting aan belasting onderworpen voor zover zij worden verkregen uit de volgende categorieën:
2.  Wanneer een entiteit of een vaste inrichting als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap wordt behandeld overeenkomstig lid 1, neemt de lidstaat van de belastingplichtige het volgende op in de belastinggrondslag:
(a)  de niet-uitgekeerde winst van de entiteit of de winst van de vaste inrichting, afkomstig uit de volgende categorieën:
(a)   rente of andere inkomsten die worden gegenereerd door financiële activa;
(i)   rente of andere inkomsten die worden gegenereerd door financiële activa;
(b)   royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
(ii)   royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
(c)   dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen;
(iii)   dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen;
(d)   inkomsten uit financiële leasing;
(iv)   inkomsten uit financiële leasing;
(e)   inkomsten uit verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
(v)   inkomsten uit verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
(f)   inkomsten uit factureringsvennootschappen die hun inkomsten behalen met de aan- en verkoop van goederen en diensten van en aan gelieerde ondernemingen, en weinig of geen economische waarde toevoegen.
(vi)   inkomsten uit factureringsvennootschappen die hun verkoop- en diensteninkomsten halen uit goederen en diensten, gekocht van en verkocht aan gelieerde ondernemingen, en weinig of geen economische waarde toevoegen.
De eerste alinea is niet van toepassing op een gecontroleerde buitenlandse vennootschap die inwoner is van of gelegen is in een lidstaat of in een derde land dat partij is bij de EER-Overeenkomst, wanneer de gecontroleerde buitenlandse vennootschap is opgericht op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Voor de toepassing van dit artikel is de activiteit van de gecontroleerde buitenlandse vennootschap een weerspiegeling van de economische realiteit voor zover deze activiteit wordt ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen in een mate die passend is voor de omvang ervan.
Dit punt is niet van toepassing wanneer de gecontroleerde buitenlandse vennootschap een wezenlijke economische activiteit, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, uitoefent zoals blijkt uit de relevante feiten en omstandigheden. Wanneer de gecontroleerde buitenlandse vennootschap inwoner is van of gelegen is in een derde land dat geen partij is bij de EER-Overeenkomst, kunnen de lidstaten besluiten af te zien van de toepassing van de voorgaande alinea, of
(b)  de niet-uitgekeerde inkomsten van de entiteit of vaste inrichting die voortkomen uit kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen.
Voor de toepassing van dit punt wordt een constructie of een reeks constructies als kunstmatig aangemerkt voor zover de entiteit of vaste inrichting geen eigenaar van de activa zou zijn, of niet de risico's zou hebben genomen die al haar inkomsten, of een deel ervan, genereren indien zij niet onder de zeggenschap stond van een vennootschap waar de voor die activa en risico's relevante sleutelfuncties worden verricht, welke een essentiële rol vervullen bij het genereren van de inkomsten van de gecontroleerde vennootschap.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 3 – alinea 1
Een entiteit of vaste inrichting wordt niet behandeld als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in lid 1 wanneer niet meer dan een derde van de inkomsten die opkomen in de entiteit of vaste inrichting, onder de categorieën a) tot en met f) van lid 2 valt.
Wanneer, volgens de regels van een lidstaat, de belastinggrondslag van een belastingplichtige wordt berekend overeenkomstig lid 2, onder a), kan die lidstaat ervoor kiezen een entiteit of vaste inrichting niet als gecontroleerde buitenlandse vennootschap te behandelen op grond van lid 1, indien een derde of minder van de aan de entiteit of de vaste inrichting toevallende inkomsten onder de categorieën van lid 2, onder a), valt.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 3 – alinea 2
Financiële ondernemingen worden niet behandeld als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap overeenkomstig lid 1 wanneer niet meer dan een derde van de in de entiteit of vaste inrichting opgekomen winsten uit de categorieën a) tot en met f) van lid 2 voortkomen uit transacties met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen.
Wanneer, volgens de regels van een lidstaat, de belastinggrondslag van een belastingplichtige wordt berekend overeenkomstig lid 2, onder a), kan die lidstaat ervoor kiezen financiële ondernemingen niet als gecontroleerde buitenlandse vennootschappen te behandelen, indien een derde of minder van de inkomsten van de entiteit uit de categorieën van lid 2, onder a), voortkomt uit transacties met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De lidstaten kunnen van het toepassingsgebied van lid 2, onder b), uitsluiten: een entiteit of vaste inrichting
(a)  met een boekhoudkundige winst van ten hoogste 750 000 EUR, en inkomsten uit andere activiteiten dan handel van ten hoogste 75 000 EUR; of
(b)  waarvan de boekhoudkundige winst ten hoogste 10 procent van de exploitatiekosten voor het belastingtijdvak bedraagt.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), mogen de exploitatiekosten niet de kosten omvatten van goederen die worden verkocht buiten het land waarvan de entiteit inwoner is, of waar de vaste inrichting is gelegen, voor belastingdoeleinden, noch betalingen aan gelieerde ondernemingen.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 61
Artikel 61
Artikel 61
Hybride mismatch
Hybride mismatch
Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, wordt de aftrek uitsluitend toegekend in de lidstaat waar een dergelijke betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden.
Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de bepalingen van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/1164 betreffende hybride mismatches van toepassing.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een derde land betrokken is, leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, weigert de betrokken lidstaat de aftrek van dergelijke betalingen, kosten of verliezen, tenzij het derde land dat reeds heeft gedaan.
Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten resulteert in een aftrek zonder betrekking in de heffing, weigert de lidstaat van de betaler de aftrek van die betaling.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een derde land betrokken is, leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing:
(a)  indien de betaling haar oorsprong vindt in een lidstaat, weigert die lidstaat de aftrek, of
(b)  indien de betaling haar oorsprong vindt in een derde land, vereist de betrokken lidstaat dat de belastingplichtige die betaling in de heffingsgrondslag begrijpt, tenzij het derde land de aftrek reeds heeft geweigerd of heeft bepaald dat de betaling in de grondslag moet worden begrepen.
Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten waarbij een vaste inrichting betrokken is, ertoe leidt dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, vereist de lidstaat waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is, dat de belastingplichtige de aan de vaste inrichting toegerekende inkomsten in de heffingsgrondslag begrijpt.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een vaste inrichting gelegen in een derde land betrokken is, ertoe leidt dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, vereist de betrokken lidstaat dat de belastingplichtige de aan de vaste inrichting in het derde land toegerekende inkomsten in de heffingsgrondslag begrijpt.
4.  Voor zover een betaling van een belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling, kosten of verliezen die ingevolge een hybride mismatch aftrekbaar zijn in twee verschillende rechtsgebieden buiten de Unie, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de betaling, kosten of verliezen die in twee verschillende rechtsgebieden aftrekbaar zouden zijn, reeds heeft geweigerd.
5.  Voor zover de overeenkomstige opname in de heffingsgrondslag van een aftrekbare betaling door een belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling die, ingevolge een hybride mismatch, door de ontvanger niet in zijn heffingsgrondslag wordt begrepen, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de niet in de grondslag begrepen betaling reeds heeft geweigerd.
6.  Voor zover een hybride mismatch leidt tot een vermindering van de bronbelasting op een betaling die is verkregen uit een overgedragen financieel instrument, aan meer dan een van de betrokken partijen, beperkt de lidstaat van de belastingplichtige het voordeel van die vermindering naar evenredigheid van de netto belastbare inkomsten ter zake van die betaling.
7.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "betaler" verstaan de entiteit of vaste inrichting waar de betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 61 bis – titel
Mismatches ingevolge fiscaal inwonerschap
Mismatches door een omgekeerde hybride
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 61 bis – alinea 1
Voor zover een betaling, kosten of verliezen van een belastingplichtige die fiscaal inwoner is van zowel een lidstaat als een derde land, overeenkomstig de wetten van die lidstaat en dat derde land in beide rechtsgebieden van de heffingsgrondslag aftrekbaar zijn en die betaling, kosten of verliezen in de lidstaat van de belastingplichtige kunnen worden afgezet tegen belastbare inkomsten die in het derde land niet in de heffingsgrondslag zijn begrepen, weigert de lidstaat van de belastingplichtige de aftrek van de betaling, kosten of verliezen, tenzij het derde land dit reeds heeft gedaan.
Voor de toepassing van deze richtlijn behandelen de lidstaten mismatches door een omgekeerde hybride overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 bis van Richtlijn (EU) 2016/1164.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 65 bis (nieuw)
Artikel 65 bis
Europees fiscaal identificatienummer
De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2018 een wetgevingsvoorstel in voor een geharmoniseerd, gemeenschappelijk Europees fiscaal identificatienummer, teneinde de automatische uitwisseling van belastinginformatie binnen de Unie efficiënter en betrouwbaarder te maken.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 65 ter (nieuw)
Artikel 65 ter
Verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied
Om volledige transparantie en de correcte toepassing van deze richtlijn te garanderen, is de uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied verplicht en automatisch, zoals bepaald bij Richtlijn 2011/16/EU van de Raad1 bis.
De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale belastingdiensten beschikken over voldoende personeel, expertise en financiële middelen, alsook over middelen voor de opleiding van medewerkers van de belastingdienst waarbij de nadruk moet liggen op grensoverschrijdende samenwerking op belastinggebied, alsook op het gebied van automatische uitwisseling van inlichtingen, teneinde de volledige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te waarborgen.
____________
1 bis Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 – lid 2
2.  De bevoegdheid tot vaststelling van de in de artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 11, lid 6, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
2.  De bevoegdheid tot vaststelling van de in artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 5, lid 2 bis, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 – lid 3
3.  De in artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 11, lid 6, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 5, lid 2 bis, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 – lid 5
5.  Een overeenkomstig artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 11, lid 6, artikel 32, lid 5, en artikel 40 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. De termijn wordt op initiatief van de Raad met [twee maanden] verlengd.
5.  Een overeenkomstig artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 5, lid 2 bis, artikel 32, lid 5, en artikel 40 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. De termijn wordt op initiatief van de Raad met [twee maanden] verlengd.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 bis (nieuw)
Artikel 66 bis
Maatregelen om misbruik van belastingverdragen te voorkomen
De lidstaten passen hun bilaterale belastingverdragen overeenkomstig deze richtlijn aan om ervoor te zorgen dat die verdragen al het volgende bevatten:
(a)  een clausule om te waarborgen dat beide partijen bij het verdrag zich ertoe verbinden maatregelen vast te stellen waardoor belasting wordt betaald op de plaats waar de economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gegenereerd;
(b)  een addendum om toe te lichten dat bilaterale verdragen naast voorkoming van dubbele belastingheffing tevens de bestrijding van belastingontduiking en agressieve fiscale planning beogen;
(c)  een clausule voor een algemene antimisbruikregel op basis van een toetsing van de hoofddoelstelling (principal purpose test).
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 68 bis (nieuw)
Artikel 68 bis
Toezicht
De Commissie ziet toe op de uniforme uitvoering van deze richtlijn en publiceert haar bevindingen hierover om te waarborgen dat de lidstaten de erin vermelde maatregelen op dezelfde manier interpreteren.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 69
Artikel 69
Artikel 69
Evaluatie
Uitvoeringsverslag en evaluatie
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij de Raad over de werking ervan.
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn beoordeelt de Commissie de werking ervan.
Niettegenstaande de eerste alinea onderzoekt de Commissie drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de werking van artikel 11 om na te gaan of een herdefinitie en herijking van de AGI noodzakelijk is. De Commissie verricht een grondige analyse van de wijze waarop de AGI bedrijven die voor de toepassing van de bij deze richtlijn ingestelde regeling kunnen kiezen, kan stimuleren om hun activiteiten met eigen vermogen te financieren.
De Commissie deelt haar bevindingen mee in een uitvoeringsverslag aan het Europees Parlement en de Raad. Het verslag bevat een analyse van alle onderstaande elementen:
(a)   de gevolgen van de regeling voor de belastinginkomsten van de lidstaten;
(b)  de voor- en nadelen van de regeling voor kleine en middelgrote ondernemingen;
(c)   de gevolgen voor een billijke belastinginning tussen de lidstaten;
(d)   de gevolgen voor de interne markt als geheel, met specifieke aandacht voor de mogelijke verstoring van de mededinging tussen ondernemingen die onder de nieuwe voorschriften van deze richtlijn vallen;
(e)   het aantal ondernemingen dat in de overgangsperiode binnen het toepassingsgebied valt.
Tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan.
De Commissie deelt haar bevindingen mee aan de lidstaten zodat er rekening mee kan worden gehouden bij de opzet en de implementatie van nationale vennootschapsbelastingstelsels.
De Commissie deelt haar bevindingen in een verslag mee aan het Europees Parlement en de lidstaten zodat er rekening mee kan worden gehouden bij de opzet en de implementatie van nationale vennootschapsbelastingstelsels. Dit verslag gaat indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 70 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2018 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 70 – lid 1 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2019.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2020.

Richtsnoeren voor de begroting 2019 – Afdeling III
PDF 287kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2019, afdeling III – Commissie (2017/2286(BUD))
P8_TA(2018)0089A8-0062/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(4),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018(5) en de daaraan gehechte gemeenschappelijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2019 (06315/2018),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0062/2018),

A.  overwegende dat de onderhandelingen over de begroting van de Unie voor 2019, die de laatste is tijdens de huidige zittingsperiode van het Parlement, zullen samenvallen met de onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU; overwegende dat 2019 het zesde jaar zal zijn van het MFK 2014-2020;

B.  overwegende dat de twee takken van de begrotingsautoriteit ernaar moeten streven in het bemiddelingscomité een ambitieus en alomvattend akkoord te bereiken over de begroting 2019 om zo de parallelle onderhandelingen over het MFK na 2020 en de eigen middelen positief te beïnvloeden en het mogelijk te maken hierover voor het einde van deze zittingsperiode overeenstemming te bereiken;

C.  overwegende dat de brexit na het akkoord van december 2017 om de tweede fase van de onderhandelingen aan te vatten, geen directe gevolgen voor de begroting 2019 zou mogen hebben, aangezien het Verenigd Koninkrijk volgens het gezamenlijk verslag van de onderhandelaars van de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk(6) zal blijven bijdragen en deelnemen aan de uitvoering van de jaarlijkse begrotingen van de Unie voor 2019 en 2020 alsof het nog steeds onderdeel uitmaakt van de Unie;

D.  overwegende dat de toenemende populistische en extremistische bewegingen in de lidstaten misleidende informatie over de EU en haar begroting hebben verspreid en aangewakkerd, wat duidelijk maakt dat er nood is aan betere en transparantere informatie;

E.  overwegende dat na jaren van negatieve perceptie door de burgers van het beheer van de financiële, sociale en economische crisis, de huidige verbetering van de economische vooruitzichten, die het gevolg is van de gecoördineerde inspanningen om Europa de weg naar economisch herstel te doen inslaan, een minder strenge budgettaire planning toelaat;

F.  overwegende dat de Raad zich de afgelopen jaren herhaaldelijk heeft tegengesproken door enerzijds nieuwe politieke prioriteiten voor de EU voor te stellen maar anderzijds niet bereid te zijn in nieuwe kredieten te voorzien om deze prioriteiten te financieren; overwegende dat de nieuwe politieke prioriteiten en toekomstige uitdagingen van de EU moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en niet door inkrimping van bestaande succesvolle programma's;

G.  overwegende dat naar het eind van de lopende financiële programmeringsperiode toe de uitvoering van de meerjarenprogramma's op volle toeren zal zijn gekomen, waardoor de noodzaak van toereikende financiële middelen toeneemt;

Antwoorden op de uitdagingen voor de EU en op de verwachtingen van de burgers

1.  erkent het herstel van de gevolgen van de financiële, economische en sociale crisis, dat wordt versterkt door de inspanningen van de EU en haar lidstaten om groei en banen te creëren, en dat verder moet worden uitgebouwd om een positieve invloed tot stand te brengen op het dagelijks leven van de EU-burgers, van wie velen gedurende meerdere jaren hard zijn getroffen door de crisis; pleit voor specifieke aandacht voor jongeren en mensen die het risico lopen op armoede of werkloosheid, om ervoor te zorgen dat ze de positieve effecten ervaren en zo te voorkomen dat sociale en regionale ongelijkheden blijven toenemen; benadrukt in dit verband dat evenwel bijzondere aandacht moet worden besteed aan het vermogen van de verschillende regio's om te profiteren van de toegenomen groei;

2.  benadrukt dat, volgens gegevens van Eurostat en in tegenstelling tot het populistische verhaal, de EU-burgers optimistisch zijn over de toekomst van de EU; benadrukt dat de Unie haar taken en verantwoordelijkheden moet vervullen en meer moet doen om het leven van haar burgers nu en in de toekomst te verbeteren, maar hen ook moet beschermen tegen oneerlijke handels- en economische praktijken op de wereldmarkt, en hen tegelijk moet helpen de vruchten van al deze inspanningen te plukken; benadrukt dat de uitdagingen van de klimaatverandering en de dreigingen voor de internationale veiligheid moeten worden aangepakt; is van mening dat, om aan deze verwachtingen en beloftes te voldoen, de EU binnen de grenzen van haar bevoegdheden beter moet presteren om bij te dragen aan de creatie van duurzame groei en werkgelegenheid en om het verschil in levensstandaard tussen de EU-burgers in alle regio's te verkleinen, waarbij de EU 2020-strategie, de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs volledig in acht worden genomen; benadrukt dat het noodzakelijk is de Europese economie en de EU-burgers voor te bereiden op de kansen die de digitalisering biedt; is van mening dat het aanpakken van de diepere oorzaken van migratie en een einde maken aan de verschillende vormen van discriminatie, zoals discriminatie van vrouwen en LGBTI-personen, eveneens belangrijke uitdagingen zijn voor 2019;

Werken aan een duurzame toekomst en meer solidariteit binnen en buiten de Unie

Een duurzame toekomst

3.  is van mening dat in de EU-begroting voor 2019 alle relevante instrumenten voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid moeten worden versterkt, in het bijzonder in economisch achtergebleven regio's in de Europese Unie, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de verbetering van ondernemers- en professionele vaardigheden en mobiliteit, erkenning van kwalificaties op alle onderwijsniveaus en beroepsopleiding, en ondersteuning van groei, concurrentievermogen, het scheppen van werkgelegenheid, investeringen in infrastructuur, innovatie, onderzoek en kmo's; wijst erop dat de werkloosheid onder jongeren, die een grote sociale impact heeft, een van de grootste uitdagingen op Europees niveau is;

4.   is van mening dat de prioriteiten voor de EU-begroting 2019 groei, innovatie, concurrentievermogen, veiligheid, de strijd tegen klimaatverandering, de transitie naar hernieuwbare energie en migratie moeten zijn;

5.  steunt de uitbreiding van de mogelijkheden voor jongeren om aan vrijwilligersactiviteiten deel te nemen; vraagt om een snelle uitrol en zorgvuldige invoering van het Europees vrijwilligerskorps na de verwachte goedkeuring ervan in 2018;

6.  is ingenomen met het feit dat, op sterk aandringen van het Parlement, de bemiddeling over de EU-begroting voor 2018 ertoe heeft geleid dat het aanvankelijk voorgestelde specifieke bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief werd verhoogd met 116,7 miljoen EUR aan nieuwe kredieten, waardoor het totale bedrag voor 2018 uitkomt op 350 miljoen EUR, maar wijst erop dat de benutting van de middelen moet worden verbeterd, aangezien deze is achtergebleven; verzet zich tegen de interpretatie van de financiële programmering voor 2018 door de Commissie in haar technische aanpassing van de financiële programmering voor de periode 2019-2020, die zij na de vaststelling van de begroting 2018 heeft doorgevoerd, namelijk dat deze verhoging moet worden gezien als een vervroegde toewijzing van kredieten van de komende jaren, en verwacht dat de Commissie haar beloften nakomt die zij aan het eind van de bemiddelingsperiode voor 2017 aan het Parlement heeft gedaan; verwacht dat de ontwerpbegroting voor 2019 meer ambitie aan de dag legt om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, waarbij het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen de reële ontwikkeling van het opnamevermogen op dat gebied en de politieke wil om te tonen dat deze kwestie op steun kan rekenen; herinnert aan de toezegging van de Commissie dat zij in een gewijzigde begroting een verhoging van de financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal voorstellen als het opnamevermogen van het initiatief in 2018 een verhoging mogelijk maakt; dringt erop aan dat de lidstaten en de Commissie werkaanbiedingen, onderwijs en opleiding afstemmen op de profielen van de deelnemers en de eisen van de arbeidsmarkt, om de deelnemers duurzame werkgelegenheid te kunnen aanbieden;

7.  verzoekt de Commissie om voor de procedure 2019 de financiële gegevens over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief beschikbaar te stellen, uitgesplitst naar nationale percentages, ter aanvulling op de gegevens in de vorm van de totale kosten die momenteel al openbaar toegankelijk zijn; dringt er bij de Commissie op aan de synergieën tussen het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het Europees Sociaal Fonds en de nationale begrotingen van de lidstaten te verbeteren om ervoor te zorgen dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geen vervanging vormt voor de nationale financiering voor jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's);

8.  benadrukt dat Erasmus+, dat inmiddels zijn dertigste verjaardag viert, samen met de culturele programma's van de EU nog steeds het belangrijkste programma is om de mobiliteit van jongeren te bevorderen en de belangrijkste Europese waarden aan jongeren te leren en mee te geven, zoals blijkt uit het feit dat het aantal aanvragen de beschikbare financiering overschrijdt; is van oordeel dat de begroting voor Erasmus+ in 2019 verder moet worden verhoogd (en op zijn minst verdubbeld) om aan de subsidiabele vraag naar dit programma te kunnen voldoen, met name op het gebied van levenslang leren;

9.  is van mening dat onderzoek, concurrentievermogen en kmo's essentieel zijn voor het creëren van economische groei en werkgelegenheid; onderstreept daarom het belang om voor Europese ondernemingen, met name kmo's, een gunstig klimaat voor innovatie, onderzoek en investeringen te scheppen, zodat de economie van de EU op mondiaal niveau daadwerkelijk concurrerend kan zijn; benadrukt het belang van meer begrotingsmiddelen voor rubriek 1a en de uitbreiding van de financiering voor succesvolle programma's zoals Horizon 2020 en programma's ter ondersteuning van kmo's, met inbegrip van het EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme), waar het aantal kandidaten veel groter is dan de ontvangers van financiering; benadrukt dat het belangrijk is dat bij het ontwerpen van programma's voor kmo's rekening wordt gehouden met de specifieke noden en beperkte administratieve middelen van kmo's; acht dit noodzakelijk gezien de snel veranderende en uiterst concurrerende wereld en de ingrijpende veranderingen in alle sectoren als gevolg van de digitalisering; erkent dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) eveneens bijdragen aan de verwezenlijking van al deze prioriteiten;

10.  benadrukt dat investeren in onderzoek en innovatie een voorwaarde is voor de totstandbrenging van daadwerkelijk concurrentievermogen in de EU; betreurt dat, als gevolg van een alarmerend laag succespercentage van aanvragen, minder hoogwaardige projecten op het gebied van onderzoek en innovatie EU-financiering krijgen; benadrukt in dit verband dat een passend niveau van kredieten voor Horizon 2020 moet worden gewaarborgd;

11.  benadrukt het economische groeipotentieel dat wordt geboden door de technologische veranderingen en dringt erop aan dat de EU-begroting een gepaste rol vervult bij de ondersteuning van de digitalisering van de Europese industrie en de bevordering van digitale vaardigheden en digitaal ondernemerschap;

12.  erkent dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie blijven en een beslissende rol zullen blijven spelen bij het scheppen van banen en groei in de hele EU; verzoekt in dit verband om een verhoging van de kredieten voor Cosme in 2019, gezien het succes van dit programma;

13.  is ingenomen met de uitbreiding en de verbetering van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), waarvan het uitgebreide garantiefonds een cruciale rol vervult bij het verkleinen van de investeringskloof in de EU; herinnert eraan dat het EFSI-garantiefonds gedeeltelijk is gefinancierd ten koste van Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), ondanks het feit dat deze beide op de lange termijn en toekomstgerichte programma's zijn; benadrukt het traditionele standpunt van het Parlement dat nieuwe initiatieven moeten worden gefinancierd met nieuwe middelen en niet door een herschikking, en dat de schade aan bestaande programma's moet worden hersteld via de jaarlijkse begrotingsprocedure; herhaalt dat de bezuinigingen op die programma's zoveel mogelijk moeten worden teruggedraaid;

14.  benadrukt dat het uitgebreide EFSI in 2019 aanzienlijke vooruitgang zou moeten boeken wat betreft de geografische dekking, zodat alle regio's op gelijke wijze kunnen profiteren van de hefboomwerking die wordt geboden door de garantie van de EU‑begroting; roept de lidstaten op om structurele hervormingen door te voeren ter verbetering van het investeringsklimaat en de lokale capaciteiten om de EFSI-steun in alle regio's op succesvolle wijze te gebruiken;

15.  is ingenomen met de recente toezegging van de lidstaten voor een vernieuwde defensieagenda van de EU, die zowel de harde als de zachte macht wil vergroten, en meent dat deze aansluit bij de bezorgdheid van de burgers op het gebied van veiligheid, gezien de toenemende mondiale instabiliteit die nog wordt aangewakkerd door nieuwe soorten bedreigingen; steunt het recente initiatief van de Commissie om een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie (EDIDP) in het leven te roepen, als eerste fase van het Europees Defensiefonds; eist dat het EDIDP uitsluitend wordt gefinancierd met niet-toegewezen marges en speciale instrumenten, en dus niet via een herschikking van bestaande programma's;

16.  onderstreept dat het aanpakken van de interne veiligheid een van de hoogste prioriteiten van de Unie moet blijven en dringt daarom aan op meer financiering voor dit veranderende beleid; is ervan overtuigd dat de EU haar investeringen in de versterking en het beheer van haar grenzen moet verhogen door de samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en nationale autoriteiten te vergroten, terrorisme, radicalisering en georganiseerde misdaad te bestrijden, en daarbij een adequaat en modern informatiesysteem toe te passen; onderstreept in dit verband de rol die het Fonds voor interne veiligheid (ISF) vervult en de noodzaak om instanties op het gebied van grenzen, veiligheid en recht op adequate wijze te financieren; herinnert eraan dat de kredieten voor dit instrument voor 2018 aanzienlijk zijn verlaagd;

17.  dringt aan op meer middelen voor de bestrijding van radicalisering, die een voedingsbodem is voor gewelddadig extremisme in de Unie; is van mening dat deze doelstelling kan worden verwezenlijkt door integratie te bevorderen en discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, fundamentalisme, haatzaaiende uitspraken en haatpropaganda te bestrijden;

18.  is ingenomen met de rol die het Fonds voor asiel, migratie en integratie vervult; dringt aan op passende begrotingsmiddelen voor dit fonds in 2019, ter ondersteuning van een menswaardige opvang van asielzoekers in de lidstaten, rechtvaardige terugkeerstrategieën, hervestigingsprogramma's, beleid inzake legale migratie en de bevordering van daadwerkelijke integratie van onderdanen van derde landen, en ter bestrijding van irreguliere migratie; bevestigt nogmaals het belang van gerichte financiële middelen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken van de migranten- en vluchtelingencrisis; benadrukt dat de begroting van de EU daarom moet worden gebruikt voor de financiering van maatregelen in de landen van herkomst van migranten en in de gastlanden van vluchtelingen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, maatregelen om armoede, werkloosheid, economische en onderwijsuitdagingen en instabiliteit aan te pakken;

19.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen waarin wordt vastgelegd dat er op EU‑niveau uiting wordt gegeven aan financiële solidariteit ten aanzien van slachtoffers van terroristische daden en hun gezinsleden;

20.  herinnert aan het belang van de EU-agentschappen voor het waarborgen van de uitvoering van de wetgevingsprioriteiten van de EU en daarmee ook het verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen van de EU, zoals die welke verband houden met concurrentievermogen (werkgelegenheid, duurzame groei, de energie-unie), migratie (asiel, grensoverschrijdend beheer), steun voor de grondrechten (gegevensbescherming) en veiligheid (cybercriminaliteit, drugs, fraude, witwassen van geld, terrorisme, justitiële samenwerking, politiële samenwerking, steun voor grootschalige informatiesystemen); verwacht dat de onderhandelingen over de begroting 2019 leiden tot een realistische en adequate operationele en administratieve financiering van de EU‑agentschappen en andere EU-organen, die hen in staat stelt hun plichten, met inbegrip van hun toenemende taken en toegenomen werklast, te vervullen; dringt aan op de toewijzing van adequate middelen om de goede uitvoering en werking van het Europees Openbaar Ministerie te waarborgen; roept meer in het algemeen op tot een grondige evaluatie van de strategische belangen en taken van alle agentschappen en van de mogelijkheden om agentschappen te groeperen overeenkomstig de strategische aard van hun missies en hun resultaten; herhaalt dat 2018 het laatste jaar is waarin de personeelsinkrimping van 5 % en de zogeheten "herschikkingspool" worden geïmplementeerd; verwacht dat de Commissie en de Raad in de begroting 2019 afzien van verdere bezuinigingen bij de agentschappen;

21.  is van mening dat, op een ogenblik dat belangrijke actoren zoals de Verenigde Staten niet bereid zijn hun toezeggingen ter bestrijding van de klimaatverandering in het kader van de Overeenkomst van Parijs na te komen, de begroting 2019 ervoor moet zorgen dat de EU in deze strijd, die een van de grootste uitdagingen van onze generatie is, resoluut het voortouw neemt door te voorzien in extra financiële steun voor initiatieven zoals het klimaatactieprogramma Life, Ecopotential en Clean Sky; onderstreept dat de uitgaven op dit gebied moeten worden beschouwd als investeringen op de lange termijn en niet als kosten, en dat zowel de Europese Rekenkamer als de Raad Economische en Financiële Zaken hebben vastgesteld dat de EU achterblijft wat haar klimaatfinancieringsdoelstelling betreft; roept de Commissie op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de eigen klimaatdoelstellingen van de EU voor de lange termijn te verwezenlijken, door te voldoen aan het uitgavenstreefdoel van 20 % voor het klimaat in het huidige MFK (2014-2020); benadrukt in dit verband dat de bijdrage voor 2019 aanzienlijk hoger moet zijn dan de algehele doelstelling om de lagere toewijzingen te compenseren die tijdens de eerste jaren van het MFK zijn gedaan, en dat het mechanisme voor mainstreaming van de klimaatverandering volledig moet worden geoptimaliseerd;

Meer solidariteit om sociale, territoriale en mondiale uitdagingen aan te pakken

22.  is van mening dat de EU-begroting moet bijdragen aan de inspanningen van de lidstaten op gebieden zoals werkloosheid en gezondheidszorg, door te voorzien in voldoende financiering voor programma's die gericht zijn op de bestrijding van ongelijkheden, de verlichting van de ergste vormen van armoede, met name onder de meest geïsoleerde en kwetsbare bevolkingsgroepen, in het bijzonder kinderen, en de burgers de mogelijkheid moet bieden de nodige vaardigheden te verwerven om zich aan te passen aan het digitale tijdperk;

23.  benadrukt dat er meer steun moet worden uitgetrokken voor de programma's van de Unie die groei en het creëren van kwaliteitsbanen voor de lange termijn bevorderen, met name voor jongeren, en die een aanvulling vormen op de inspanningen van de lidstaten om gediversifieerde arbeidskwalificaties te bevorderen in plaats van vroegtijdige specialisatie, dit om de veerkracht te vergroten en maatschappelijke aanpassing mogelijk te maken en tegelijkertijd de demografische terugloop en tekorten aan gekwalificeerd personeel in bepaalde sectoren te bestrijden en de duurzaamheid van socialezekerheidsstelsels te garanderen; wijst erop dat het overwegen van specifieke, op maat gemaakte maatregelen nuttig kan zijn voor sectoren en/of regio's die bijzonder zijn getroffen of die veel kwetsbaarder zijn geworden;

24.  herinnert eraan dat de bevolking steeds verder vergrijst en steeds meer personen, met name ouderen, speciale en toegewijde zorg nodig hebben; roept de Commissie op verdere steunmaatregelen in te voeren om de demografische uitdagingen het hoofd te bieden en herhaalt zijn steun voor initiatieven zoals "dorpen voor mensen met dementie" waar vanaf een vroeg stadium passende zorg wordt verleend;

25.  is van mening dat discriminatie op grond van geslacht, met name op de arbeidsmarkt, niet alleen onverenigbaar is met de waarden van de EU, maar ook een ernstige belemmering vormt voor economische groei, aangezien het de mogelijkheden van vrouwen om zinvol werk te verrichten beperkt; onderstreept de belangrijke bijdrage die de empowerment van vrouwen levert aan het ontstaan van een samenleving die inclusiever, rechtvaardiger, vreedzamer en duurzamer is; verwacht dat de begroting 2019 ondernemerschap van vrouwen ondersteunt en de toegang van vrouwen tot EU‑financiering aanmoedigt, bijvoorbeeld in het kader van de programma's Cosme en Horizon 2020, en de steun in het kader van het cohesiebeleid voor investeringen in infrastructuur voor onderwijs, kinderopvang en de gezondheidszorg intensiveert zodat vrouwen hun werk en privéleven beter op elkaar kunnen afstemmen;

26.  herhaalt zijn bezorgdheid over de vertraging bij de uitvoering van het cohesiebeleid, dat de uiting is van de territoriale solidariteit van de EU en haar belangrijkste investeringsbeleid is, maar wijst er wel op dat 2017 het eerste jaar was dat de uitvoering van ESIF-programma's werd versneld en verwacht dat deze trend zich in 2018 en 2019 zal voortzetten; is van mening dat moet worden voorzien in voldoende betalingskredieten om een soepele uitvoering mogelijk te maken;

27.  herinnert aan de belangrijke bijdrage die de Unie heeft geleverd om vrede en verzoening in Ierland aan te moedigen, met name via de Peace- en Interreg-programma's, gericht op Noord-Ierland en op de aangrenzende graafschappen in het zuiden; dringt aan op de volledige eerbiediging van het kader van de eerder aangegane verplichtingen, zoals in het geval van het Goede Vrijdagakkoord, met betrekking tot de rechtsstaat en de democratie; roept de Commissie en de lidstaten op het vredesproces te blijven steunen door het Peace-programma en aanverwante programma's te blijven financieren;

28.  wijst erop dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) een van de hoekstenen van de Europese integratie is, die al jarenlang zorgt voor een veilige en kwalitatief hoogwaardige voedselvoorziening voor de Europese burgers, een goed functionerende eengemaakte markt voor landbouwproducten en de duurzaamheid van plattelandsgebieden; herinnert eraan dat GLB-fondsen met name bijdragen aan de winstgevendheid van de landbouw en de stabiliteit van de EU;

29.  verzoekt de Commissie de landbouwers in heel Europa te blijven steunen bij onverwachte marktvolatiliteit en bij het waarborgen van een veilige en hoogwaardige voedselvoorziening; verzoekt passende aandacht te besteden aan kleinschalige landbouw en kleinschalige visserij;

30.  is van mening dat regionalisering en sociaal-economische doelstellingen een grotere rol moeten spelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid en dat het toepassingsgebied van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij moet worden uitgebreid; dringt er bij de Commissie op aan de toegang tot fondsen te vergemakkelijken en de procedures te vereenvoudigen; toont zich met name bezorgd over de potentiële negatieve effecten die de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal hebben op de visserij, met name in aangrenzende kustlidstaten;

31.  is ingenomen met het voorstel om het Uniemechanisme voor civiele bescherming te versterken en het toepassingsgebied ervan uit te breiden; is van mening dat het versterken van het mechanisme voor civiele bescherming van zeer groot belang is om op het gebied van civiele bescherming op Unieniveau sneller en met meer samenhang te kunnen handelen op het gebied van preventie en paraatheid en te kunnen reageren bij natuur- en door de mens veroorzaakte rampen binnen en buiten de Unie;

32.  verwacht dat bij de uitvoering van de begroting, gezien de beperkte beschikbaarheid van middelen en de oproepen aan de EU om meer verantwoordelijkheden op zich te nemen, de lopende procedures en maatregelen worden verbeterd om ervoor te zorgen dat tijdig en kosteneffectief aan de financiële verplichtingen wordt voldaan;

33.  is van mening dat EU-agentschappen die betrokken zijn bij en programma's en beleidsmaatregelen op het gebied van het beheer van migratie- en vluchtelingenstromen en grenscontrole adequate financiële en personele middelen moeten krijgen om het hoofd te bieden aan de huidige vluchtelingencrisis, waarbij ook de lidstaten hun verantwoordelijkheid moeten nemen overeenkomstig het beginsel van gedeelde lasten en de Verdragen van Genève; is ervan overtuigd dat de EU, met het oog op het vinden van een oplossing op lange termijn, ook haar externe solidariteit moet tonen bij het bevorderen van de voorwaarden voor vrede en welvaart in de landen van herkomst, door meer nadruk te leggen op investeringen en ontwikkelingsbeleid, met name via de uitvoering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het instrument voor humanitaire hulp; erkent het belang en de onmiskenbare waarde van ontwikkelingsbeleid, met prioriteiten zoals de uitbanning van armoede en de bevordering van onderwijs, gezondheid en economische ontwikkeling; benadrukt dat de acties en programma's van de UNRWA moeten worden ondersteund; onderstreept dat stabiliteit in de EU-buurlanden een van de voorwaarden vormt voor het behoud van stabiliteit en welvaart in de EU; verzoekt de Commissie bijgevolg ervoor te zorgen dat prioriteit wordt verleend aan investeringen in de buurlanden van de EU teneinde inspanningen te steunen die de belangrijkste problemen op dit gebied aanpakken – migratie, vluchtelingen en ontwikkelingen in de landen van het Zuidelijk Nabuurschap, en instabiliteit in de landen van het Oostelijk Nabuurschap, die deels te wijten is aan een Russisch buitenlands beleid dat niet in overeenstemming is met het internationaal recht en met de internationale normen inzake democratie en mensenrechten; benadrukt dat nieuwe politieke prioriteiten en toekomstige uitdagingen voor de EU, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en defensie, moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en niet door te bezuinigen op bestaande geslaagde en belangrijke programma's en beleid zoals het ontwikkelingsbeleid, het humanitairehulpbeleid of het nabuurschapsbeleid; onderstreept bovendien dat het veiligheidsbeleid en het ontwikkelingsbeleid elkaar wederzijds beïnvloeden en dat beide belangrijke voorwaarden zijn voor het opbouwen van een functionerende staat en functionerende administratieve structuren zonder corruptie en voor minimumnormen in de sociale, de gezondheids- en de economische sector;

34.   herhaalt zijn standpunt dat met satelliet-begrotingsmechanismen zoals trustfondsen en andere vergelijkbare instrumenten de begrotingsprocedure wordt omzeild, de transparantie van het begrotingsbeheer wordt ondermijnd en het recht van het Parlement om de uitgaven aan een doeltreffende controle te onderwerpen wordt gedwarsboomd; is daarom van mening dat deze externe instrumenten, die de afgelopen jaren in het leven zijn geroepen, in de EU-begroting moeten worden opgenomen en dat alternatieve oplossingen moeten worden gevonden om de Unie in staat te stellen snel te reageren op noodsituaties en situaties na een crisis op internationaal niveau;

35.  benadrukt dat het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) in de eerste plaats moet worden gebruikt om onder meer politieke en economische hervormingen in de uitbreidingslanden te bevorderen; roept de Commissie in deze context op de IPA‑fondsen verder te evalueren in haar voorstel voor de begroting 2019 en hierbij rekening te houden met de verslechterende politieke situatie in Turkije en de dringende behoefte om de toenemende radicalisering in de Balkanlanden aan te pakken;

Verwachtingen voor de procedure 2019

36.  verzoekt de Commissie in iedere fase van de procedure als een eerlijke bemiddelaar te blijven optreden en de besluiten van de begrotingsautoriteit getrouw en nauwkeurig uit te voeren;

37.  is ingenomen met het feit dat, na de tussentijdse herziening van het MFK, en in tegenstelling tot de conclusies van de Raad van 20 februari 2018 over de begrotingsrichtsnoeren voor 2019, uit de procedure 2018 is gebleken dat de begrotingsautoriteit haar bevoegdheden ten volle kan gebruiken om de omvang en de inhoud van de EU-begroting via de jaarlijkse begrotingsprocedure vast te stellen;

38.  is van mening dat het Parlement, als tak van de begrotingsautoriteit die rechtstreeks door de burgers wordt gekozen, zijn politieke rol moet vervullen en voorstellen voor proefprojecten en voorbereidende acties moet indienen waaruit zijn politieke visie voor de toekomst blijkt; verbindt er zich in deze context toe een pakket proefprojecten en voorbereidende acties voor te stellen dat is uitgewerkt in nauwe samenwerking met elk van zijn commissies, om de juiste balans te vinden tussen politieke wil en de door de Commissie beoordeelde technische haalbaarheid;

39.  verwacht dat de onderhandelingen over de begroting 2019 gebaseerd zijn op een gedeelde politieke ambitie en solidariteit en gericht zijn op de meerwaarde van EU‑programma's en ‑beleidsmaatregelen; is van mening dat deze doelstelling enkel kan worden verwezenlijkt indien de onderhandelende partijen onmiddellijk over elkaars standpunten worden ingelicht, de onderhandelingen in een zo vroeg mogelijk stadium aanvangen en bereid zijn compromissen te sluiten;

o
o   o

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(5) PB L 57 van 28.2.2018, blz. 1.
(6) "Joint report from the negotiators of the European Union and the United Kingdom Government of 8 December 2017 on progress during phase 1 of negotiations under Article 50 TEU on the United Kingdom's orderly withdrawal from the European Union", (TF50 (2017) 19 – Commissie aan EU-27).


De situatie in Syrië
PDF 198kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over de situatie in Syrië (2018/2626(RSP))
P8_TA(2018)0090RC-B8-0139/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, en met name die van 18 mei 2017 over de EU‑strategie voor Syrië(1),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en andere mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten van de VN, met inbegrip van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en met name die van 9 juli 2017 over een staakt-het-vuren in Syrië, van 25 november 2017 over de conferentie van de Syrische oppositie in Riyadh, en van 23 februari 2018 over het bloedbad in de wijk Oost-Ghouta, alsook haar opmerkingen bij aankomst op de zitting van de Raad Buitenlandse Zaken van 26 februari 2018,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de VV/HV, Federica Mogherini, en commissaris Stylianides over de recente aanvallen in Syrië van 3 oktober 2017, over de humanitaire situatie in Oost-Ghouta en Idlib van 20 februari 2018, en over de situatie in Oost-Ghouta en elders in Syrië van 6 maart 2018,

–  gezien de verklaring van de VV/HV, Federica Mogherini, tijdens zijn plenaire vergadering van 6 februari 2018 over de mensenrechtensituatie in Turkije en de situatie in Afrin, Syrië,

–  gezien Besluit 2011/273/GBVB van de Raad van 9 mei 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië(2), en de conclusies van de Raad van 26 februari 2018 over de toevoeging van twee nieuwe ministers aan de sanctielijst,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2017 getiteld "Elementen voor een EU-strategie voor Syrië" (JOIN(2017)0011), en de conclusies van de Raad over Syrië van 3 april 2017, die samen de nieuwe EU-strategie voor Syrië vormen,

–  gezien de verklaring van de co-voorzitters van 5 april 2017 over de conferentie "Ondersteuning van de toekomst van Syrië en de regio", en gezien de eerdere conferenties over de situatie in Syrië die in Londen, Koeweit, Berlijn en Helsinki werden gehouden,

–  gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten (UNHRC), Zeid Ra'ad Al Hussein, in de Mensenrechtenraad in Genève over de situatie in Syrië, met name die van 26 februari 2018 en van 2 maart 2018, en zijn mondelinge update over de activiteiten van zijn bureau en de recente ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten van 7 maart 2018,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de secretaris-generaal over Oost-Ghouta in de Syrische Arabische Republiek van 20 en 24 februari 2018,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties en alle VN-verdragen waarbij Syrië partij is,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Syrië (VNVR), in het bijzonder resolutie 2254 (2015) van 18 december 2015, resolutie 2393 (2017) van 19 december 2017 over toestemming voor grens- en frontlinieoverschrijdende hulpleveranties in Syrië, en resolutie 2401 (2018) van 24 februari 2018 over stopzetting van de vijandelijkheden in Syrië gedurende een periode van 30 dagen om de levering van humanitaire hulp mogelijk te maken,

–  gezien de rapporten van de Onafhankelijke Internationale Onderzoekscommissie over de Syrische Arabische Republiek, in het leven geroepen door de UNHRC, en de resoluties van de UNHRC over de Syrische Arabische Republiek, in het bijzonder die van 5 maart 2018 over de verslechterende mensenrechtensituatie in Oost-Ghouta,

–  gezien resolutie A-71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 over een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van diegenen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Syrische Arabische Republiek zijn gepleegd,

–  gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof en van ad-hoctribunalen, zoals het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciale Tribunaal voor Libanon,

–  gezien het memorandum over de totstandbrenging van de-escalatiegebieden in de Syrische Arabische Republiek, dat op 6 mei 2017 is ondertekend door Iran, Rusland en Turkije,

–  gezien het rapport van het Population Fund van de VN van 2017 getiteld "Voices from Syria 2018 – Assessment Findings of the Humanitarian Needs Overview",

–  gezien de verklaring van het Carnegie Middle East Center van 5 maart 2018 over de ontmoeting die het hoofd van het Syrische bureau voor nationale veiligheid, Ali Mamlouk, die op de sanctielijst van de EU staat, naar verluidt heeft gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken en de directeur van het Agentschap voor Voorlichting en Externe Veiligheid in Rome, een flagrante schending van Besluit 2011/273/GBVB van de Raad van 9 mei 2011 houdende restrictieve maatregelen tegen Syrië,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de burgeroorlog in Syrië al zeven jaar aanhoudt, ondanks diverse internationale inspanningen om een staakt-het-vuren tot stand te brengen en de basis te leggen voor een onderhandelde oplossing; overwegende dat de humanitaire situatie in het land bijgevolg schrijnend is; overwegende dat van 13 miljoen mensen, waaronder 6 miljoen kinderen, vastgesteld is dat ze enige vorm van humanitaire hulp nodig hebben; overwegende dat 6,1 miljoen mensen intern ontheemd zijn, dat 3 miljoen burgers in belegerde gebieden leven, en dat meer dan 5 miljoen mensen geregistreerde Syrische vluchtelingen zijn die in naburige regio's verblijven; overwegende dat ten minste 400 000 Syriërs het leven hebben verloren tijdens het conflict;

B.  overwegende dat gebieden en steden als Idlib, Oost-Ghouta, Yarmouk, Foua en Kefraya al langer van de buitenwereld afgesloten zijn, met ernstige gevolgen voor de burgerbevolking, en dat ze als gevolg van het militaire offensief en de bombardementen door het Syrische regime op zijn eigen mensen, met ondersteuning van Rusland en Iran, niet van humanitaire hulp kunnen worden voorzien; overwegende dat Oost-Ghouta reeds vijf jaar door het Syrische regime en zijn bondgenoten wordt belegerd, waarbij burgers, inclusief kinderen, scholen en ziekenhuizen (met chemische wapens) worden gebombardeerd en beschoten, resulterend in honderden dodelijke slachtoffers; overwegende dat terroristische groeperingen in Oost-Ghouta er van beschuldigd zijn de hand te hebben in beschietingen van woonwijken in Damascus;

C.  overwegende dat de situatie in Oost-Ghouta dermate kritiek is dat de secretaris-generaal van de VN, António Guterres, deze beschreef als de "hel op aarde"; overwegende dat de bevolking van Oost-Ghouta afgesneden is van elke vorm van steun door een blokkade sinds 14 februari 2018, toen één konvooi slechts 7 200 van de 400 000 mensen bereikte die in het gebied wonen; overwegende dat een VN‑hulpkonvooi er op 5 maart 2018 uiteindelijk in is geslaagd Douma te bereiken voor de levering van voedsel en medische hulpgoederen aan 27 500 hulpbehoevenden; overwegende dat het Syrische regime essentiële medische benodigdheden uit het konvooi heeft gehaald;

D.  overwegende dat de VNVR op 24 februari 2018 haar goedkeuring heeft gehecht aan resolutie 2401, waarin de Veiligheidsraad alle partijen in het conflict oproept de vijandelijkheden onverwijld voor minstens 30 opeenvolgende dagen te staken om overeenkomstig het toepasselijk internationaal recht veilig en onbelemmerd continue humanitaire hulp te kunnen bieden en medische evacuaties van ernstig zieken en gewonden mogelijk te maken; overwegende dat het Syrische regime en de Russische en Iraanse troepen zich ondanks herhaalde oproepen van de internationale gemeenschap niet houden aan resolutie 2401 van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat het leger de 'bevrijding' van de regio als voorwendsel gebruikt om door te gaan met de aanvallen op burgers; overwegende dat Rusland de voorbije jaren zijn veto heeft uitgesproken over elf resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waaronder die gericht op de vernieuwing van het gemeenschappelijk onderzoeksmechanisme van de Organisatie voor het verbod op chemische wapens (OPCW) van november 2017, en een actieve rol heeft gespeeld bij het beperken van de reikwijdte van de resolutie in kwestie;

E.  overwegende dat deze aanvallen en het gebruik van uithongering van burgers door de belegering van bewoonde gebieden, en de verdrijving van bevolkingsgroepen, onder andere om een verandering van de demografische samenstelling te bewerkstelligen, als oorlogstactiek duidelijke schendingen zijn van het internationaal humanitair recht; overwegende dat het belemmeren van evacuaties en van de verstrekking van humanitaire hulp en medische zorg een flagrante schending is van het internationaal humanitair recht en van diverse resoluties van de VNVR;

F.  overwegende dat de Turkse operatie Olijftak in de door de Koerden gecontroleerde provincie Afrin een nieuwe dimensie aan het conflict in Syrië heeft toegevoegd, waardoor de humanitaire problemen en de bezorgdheid over de negatieve gevolgen voor het kwetsbare interne evenwicht in Syrië en/of de inspanningen voor een onderhandelde oplossing nog zijn toegenomen; benadrukt dat al een groot aantal burgerslachtoffers is gemeld en dat het leven van honderden burgers op het spel staat; overwegende dat de VV/HV namens de EU duidelijk haar bezorgdheid hierover heeft geuit, de Turkse regering heeft opgeroepen haar offensief stop te zetten en heeft beklemtoond dat de inspanningen in eerste instantie gericht moeten zijn op het verslaan van terroristische organisaties die op de VN-lijst zijn geplaatst;

G.  overwegende dat het regime van Assad, zijn bondgenoten én terroristische groepen zich in het conflict in Syrië onder andere schuldig maken aan willekeurige aanvallen en aanvallen met chemische wapens op burgers, wederrechtelijk doden, foltering en mishandeling, gedwongen verdwijningen, massale en willekeurige arrestaties, collectieve straffen, aanvallen op medisch personeel, en het ontzeggen van voedsel, water en medische hulp; overwegende dat deze misdrijven tot nog toe onbestraft zijn gebleven;

H.  overwegende dat ISIS/Da'esh en andere jihadistische bewegingen zich schuldig hebben gemaakt aan gruweldaden en ernstige schendingen van het internationale recht, inclusief brutale executies en seksueel geweld, ontvoeringen, folteringen, gedwongen bekeringen, en slavernij van vrouwen en meisjes; overwegende dat kinderen worden gerekruteerd en gebruikt bij terroristische activiteiten; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over het gebruik van burgers als menselijk schild in gebieden die in handen zijn van extremisten; overwegende dat deze misdaden neerkomen op oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide;

I.  overwegende dat de democratische oppositie in de huidige situatie verzwakt is en dat de burgers gevangen zitten tussen jihadistische terroristen en islamitische fundamentalisten aan de ene kant en aanhangers van het regime van Assad aan de andere kant;

J.  overwegende dat de Raad op 26 februari 2018 de minister van Industrie en de minister van Informatie van de Syrische regering heeft toegevoegd aan de lijst van personen op wie beperkende EU-maatregelen tegen het Syrische regime van toepassing zijn vanwege de ernst van de situatie in het land;

K.  dat het de plicht van de internationale gemeenschap en de afzonderlijke landen is om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht tijdens het conflict in Syrië ter verantwoording te roepen, onder meer via de toepassing van het beginsel van universele jurisdictie, alsmede van de nationale wetgeving; overwegende dat dit zowel kan worden gedaan op basis van bestaande nationale en internationale rechtsmiddelen, waaronder nationale rechtbanken en internationale tribunalen, als op basis van nog op te richten internationale gelegenheidstribunalen; overwegende dat niet alleen personen strafrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen, maar dat ook landen onder bepaalde voorwaarden kunnen worden vervolgd wegens niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen en overeenkomsten waarover het Internationaal Gerechtshof rechtsmacht heeft, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 1948;

L.  overwegende dat de EU zich krachtig blijft inzetten voor succes bij de onderhandelingen onder auspiciën van de speciale gezant van de VN voor Syrië, het zogenoemde proces van Genève; overwegende dat de EU dit proces blijft ondersteunen, onder meer door de organisatie van de tweede conferentie van Brussel over "Steun voor de toekomst van Syrië en de regio", die op 24 en 25 april 2018 zal plaatsvinden;

M.  overwegende dat de onderhandelingen in het kader van 'Genève' ook na de 9e gespreksronde op 25 en 26 januari 2018 in Wenen niet tot concrete vooruitgang in de richting van een vreedzame oplossing voor de crisis in Syrië hebben geleid; overwegende dat Rusland, Iran en Turkije op 4 mei 2017 in Kazachstan een overeenkomst hebben bereikt over de instelling van vier de-escalatiezones, die niet geëerbiedigd zijn en niet beschermd zijn door de garanderende partijen; overwegende dat het Syrische Congres voor een nationale dialoog, dat op 30 januari 2018 in Sochi plaatsvond, de oprichting van een constitutioneel comité heeft aangekondigd, dat evenwel niet door alle partijen is aanvaard;

N.  overwegende dat als gevolg van de toestand in het land en het ontbreken van een brede, echte en inclusieve politieke omslag de EU-strategie voor Syrië nog steeds niet ten volle kan worden uitgevoerd, met name wat de aanzienlijke bijstand betreft die de Unie kan bieden bij de heropbouw van het land;

O.  overwegende dat de EU en haar lidstaten sinds het uitbreken van de oorlog meer dan 10,4 miljard EUR hebben uitgegeven voor humanitaire hulp in de Syrische crisis, zowel intern, als extern in de omliggende regio, waarmee de EU de grootste donor is; overwegende dat de EU de buurlanden waar vluchtelingen worden opgevangen ook met aanzienlijke middelen heeft ondersteund en uitgebreid heeft geprezen;

1.  veroordeelt eens te meer en in de meest krachtige bewoordingen de wreedheden en de grootschalige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht tijdens het conflict, en met name de daden van de troepen van het regime van Assad, waaronder die gepleegd met de steun van zijn bondgenoten Rusland en Iran, alsmede van bewegingen die op de VN-lijst van terroristische organisaties staan; betreurt dat bij het conflict in Syrië de afgelopen zeven jaar ten minste 400 000 mensen zijn omgekomen en nog eens duizenden gewond zijn geraakt bij bombardementen, beschietingen en andere militaire aanvallen, en dat miljoenen personen ontheemd zijn geraakt, terwijl burgers, als gevolg van langdurige belegeringen van dichtbevolkte gebieden, de toegang werd ontzegd tot voedsel, water, sanitaire voorzieningen en gezondheidszorg; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het toenemende geweld in vele delen van het land, bijvoorbeeld in Oost-Ghouta, Afrin en Idlib;

2.  betreurt het falen van herhaaldelijke regionale en internationale pogingen om de oorlog te beëindigen ten zeerste, en dringt aan op hernieuwde en intensieve mondiale samenwerking om een vreedzame en duurzame oplossing voor het conflict te bewerkstelligen; beklemtoont dat de internationale gemeenschap onvoldoende steun heeft verleend aan de democratische oppositie; herbevestigt het primaat van het door de VN geleide proces van Genève en steunt de inspanningen van de speciale gezant van de VN voor Syrië, Staffan de Mistura, om te komen tot een daadwerkelijke en inclusieve politieke transitie, overeenkomstig resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad, waarover is onderhandeld door alle partijen in Syrië en met de steun van belangrijke internationale en regionale actoren; benadrukt het feit dat een politieke oplossing voor het conflict moet worden gevonden; blijft zich inzetten voor de eenheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en onafhankelijkheid van Syrië;

3.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen dat het geweld in Oost-Ghouta ondanks de unanieme goedkeuring van resolutie 2401 van de VN-Veiligheidsraad gewoon doorgaat, en roept alle partijen, en in het bijzonder het regime-Assad, Rusland en Iran, op die resolutie volledig en onverwijld ten uitvoer te leggen en te eerbiedigen, dat wil zeggen zorg te dragen voor de onmiddellijke, veilige, ongehinderde en duurzame levering van humanitaire bijstand, de evacuatie van de ernstig zieken en gewonden, en de verlichting van het lijden van de Syrische burgers; steunt ten volle de oproep aan alle partijen bij het conflict de vijandelijkheden onverwijld en voor minstens 30 opeenvolgende dagen te staken; herhaalt de oproep aan alle partijen, in het bijzonder de Syrische autoriteiten, zich te houden aan hun verantwoordelijkheid om de Syrische bevolking te beschermen en onmiddellijk een einde te maken aan alle aanvallen op burgers in Syrië; verzoekt de garantiegevers van het staakt-het-vuren in de de‑escalatiezones om hun verantwoordelijkheid nu ook volledig op zich te nemen, teneinde een einde te maken aan het geweld en de misdrijven die zijn gepleegd en onbelemmerde toegang tot deze zones te verlenen en te garanderen; neemt kennis van het besluit van de drie landen die betrokken zijn bij het proces van Astana om in april 2018 een nieuwe topbijeenkomst te houden om te spreken over Syrië en mogelijke stappen in de regio; benadrukt dat deze stappen geenszins de gesprekken onder auspiciën van de VN/het proces van Genève mogen ondermijnen en daarmee niet onverenigbaar mogen zijn;

4.  herinnert de regimes van Syrië, Rusland en Iran eraan dat zij krachtens het internationaal recht verantwoordelijk zijn voor de gruwelijke misdrijven waar zij zich in Syrië schuldig aan blijven maken, en dat degenen die deze misdrijven plegen, of het nu gaat om staten of om individuen, ter verantwoording zullen worden geroepen;

5.  betreurt het ten zeerste dat Rusland in de VNVR meermaals zijn veto heeft uitgesproken en dat geen overeenstemming is bereikt om het mandaat van het gezamenlijk onderzoeksmechanisme van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens van de VN te verlengen vóór het verstrijken daarvan op 17 november 2017; is van oordeel dat deze houding beschamend is voor een permanent lid van de VNVR met een bijzondere verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de internationale vrede en veiligheid; benadrukt dat de belemmering van internationale onderzoeken wereldwijd meer dan iets anders als teken van schuld wordt gezien;

6.  toont zich diep verontrust door het Turkse optreden in Syrische gebieden die onder de controle van Koerdische troepen staan; maakt zich onverminderd grote zorgen over de escalerende situatie in Afrin, waaronder over de mogelijke confrontatie tussen Turkse strijdkrachten en Assad of Russische strijdkrachten, en over de oplopende spanningen met de Verenigde Staten; verzoekt de Turkse regering al haar troepen terug te trekken en een constructieve rol in het conflict in Syrië te vervullen, hetgeen ook in het nationale belang van Turkije zelf is; herhaalt het standpunt van de VV/HV dat het ontstaan van nieuwe fronten in Syrië niet in het belang van de Turkse veiligheid is en waarschuwt voor een verdere verslechtering van de humanitaire crisis in het land; verlangt de volledige eerbiediging van het humanitair recht, inclusief de bescherming van burgers, en dringt aan op een staakt-het-vuren in heel Syrië, dat wil zeggen inclusief Afrin;

7.  herhaalt dat het de inspanningen van de wereldwijde coalitie tegen Da'esh steunt; onderstreept dat de coalitie en de Syrische partnertroepen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt in het offensief om Da'esh in Syrië te verslaan; herinnert eraan dat alle maatregelen voor het bestrijden van Da'esh en andere bewegingen die door de VN als terroristische groeperingen zijn aangemerkt, strikt in overeenstemming moeten zijn met het internationaal recht; verzoekt de lidstaten en hun bondgenoten toe te zien op transparantie, verantwoordingsplicht en de volledige naleving van het internationaal humanitair recht en de mensenrechtenwetgeving;

8.  dringt nogmaals aan op veilige, tijdige en ongehinderde humanitaire toegang tot het gehele Syrische grondgebied, en is ingenomen met resolutie 2393 van de VN‑Veiligheidsraad, waarin de toestemming voor frontlinie- en grensoverschrijdende humanitaire hulp aan Syrië voor nog eens twaalf maanden wordt verlengd (tot 10 januari 2019); spoort de VN en haar uitvoeringspartners aan stappen te blijven zetten om meer humanitaire hulp te verstrekken in moeilijk te bereiken en belegerde gebieden, onder meer door zo doeltreffend als mogelijk gebruik te maken van grensovergangen uit hoofde van resolutie 2165 (2014) van de VN-Veiligheidsraad; steunt de oproep om de humanitaire ontmijningsacties in heel Syrië zo snel mogelijk te intensiveren, en herinnert alle conflictpartijen eraan dat ziekenhuis- en medisch personeel expliciete bescherming genieten onder het internationaal humanitair recht; betreurt de diverse gevallen van seksueel misbruik en wangedrag die zich hebben voorgedaan binnen internationale hulporganisaties, waaronder de seksuele uitbuiting van Syrische vluchtelingen door instanties die namens de VN en bekende internationale organisaties hulp leveren; verklaart stellig dat er geen sprake mag zijn van verdraagzaamheid ten aanzien van dergelijke daden; dringt aan op een grondig onderzoek en benadrukt dat alle verantwoordelijken moeten worden gestraft;

9.  beklemtoont dat de gruwelijke misdaden die in Syrië worden gepleegd, waaronder tegen religieuze, etnische en andere groepen en minderheden, niet getolereerd of onbestraft mogen blijven; roept nogmaals op tot onafhankelijke, onpartijdige, grondige en geloofwaardige onderzoeken en vervolging van de verantwoordelijken, en ondersteunt de werkzaamheden van het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme (IIIM) voor de internationale misdrijven die sinds maart 2012 in de Syrische Arabische Republiek zijn gepleegd; stelt met tevredenheid vast dat de EU heeft besloten door middel van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) 1,5 miljoen EUR aan financiële steun te verstrekken aan het mechanisme; benadrukt evenwel dat ook na de looptijd van 18 maanden van het programma nog steun nodig zal zijn; onderstreept hoe belangrijk het is dat de lidstaten hun beloftes nakomen, en verwacht dat de financiering van het IIIM op de tweede conferentie van Brussel over "Steun voor de toekomst van Syrië en de regio" behandeld en geregeld zal worden; roept voorts op tot ondersteuning van organisaties van het maatschappelijk middenveld en ngo's die bewijsmateriaal van mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitaire recht verzamelen en trachten te bewaren;

10.  is er vast van overtuigd dat het conflict in Syrië niet daadwerkelijk kan worden opgelost en dat in het land niet echt vrede tot stand kan worden gebracht zonder dat de plegers van misdaden ter verantwoording worden geroepen, en dringt aan op de vaststelling van een EU-strategie voor het ter verantwoording roepen van de plegers van misdaden in Syrië; herhaalt zijn steun voor de toepassing van het beginsel van universele jurisdictie om af te rekenen met straffeloosheid, en is verheugd over de maatregelen die een aantal EU‑lidstaten met het oog hierop hebben genomen; juicht het verder toe dat er lidstaten zijn die het initiatief hebben genomen om ernstige schendingen van het internationaal recht strafbaar te stellen op grond van hun nationale wetgeving; herhaalt zijn verzoek aan de EU en haar lidstaten om, in nauwe samenwerking met gelijkgestemde landen, te onderzoeken of er, in afwachting van een succesvolle verwijzing naar het ICC, een tribunaal voor oorlogsmisdaden in Syrië kan worden ingesteld; wijst op het belangrijke werk van het Europees Netwerk van contactpunten in verband met personen die zich aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden schuldig hebben gemaakt, en verzoekt de VV/HV en het Directoraat-Generaal voor Justitie en Consumenten dit Netwerk te ondersteunen en te betrekken bij de inspanningen voor Syrië op dit vlak in de toekomst;

11.  eist dat eenieder het recht eerbiedigt van etnische en religieuze groepen en minderheden in Syrië, met inbegrip van christenen en alle verdrevenen, om waardig, gelijk en veilig te blijven wonen in, of terug te keren naar, hun historische en traditionele vaderland, en om hun geloof en overtuigingen volledig en vrij uit te oefenen zonder enige vorm van dwang, geweld of discriminatie; steunt de interreligieuze dialoog om wederzijds begrip te bevorderen en fundamentalisme te bestrijden;

12.  blijft het onthutsend vinden dat de mensenrechtenactivist en laureaat van de Sacharovprijs Razan Zaitouneh, die naar verluidt in december 2013 in Douma door de gewapende groepering Jaysh al-Islam werd ontvoerd, nog altijd vermist is; dringt aan op de oprichting van een taskforce van de EU voor het opvoeren en coördineren van de inspanningen die erop gericht zijn haar te vinden en vrij te krijgen;

13.  roept de VV/HV op alles in het werk te stellen om de vredesbesprekingen waarbij de VN als bemiddelaar optreedt nieuw leven in te blazen en een actievere rol in de onderhandelingen af te dwingen, daarbij gebruikmakend van de financiële capaciteit van de EU en haar bereidheid om een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de wederopbouw van Syrië; dringt er bij de VV/HV op aan het Syrische maatschappelijk middenveld en al wie voorstander van een democratisch, pluralistisch en inclusief Syrië is actief te steunen en nauwer bij haar inspanningen voor de toekomst van het Syrische volk te betrekken, te beginnen met de tweede conferentie van Brussel op 24 en 25 april 2018; moedigt de VV/HV aan om samen met de Syrische bevolking lokale wederopbouwstrategieën uit te werken voor de diverse gebieden in Syrië; benadrukt dat de EU zich, in samenwerking met haar internationale partners, op alle mogelijke opties moet beraden, waaronder droppings van hulpgoederen vanuit de lucht en de instelling van no-flyzones op basis van een resolutie van de VN-Veiligheidsraad;

14.  is ingenomen met de organisatie, door de EU, van de tweede conferentie van Brussel om de volledige politieke en economische steun van de internationale gemeenschap voor het proces van Genève ten behoeve van Syriërs in nood en de landen die Syrische vluchtelingen opvangen, zichtbaar te maken en in de praktijk te brengen; onderkent de indrukwekkende solidariteit die Jordanië, Libanon en Turkije ten aanzien van vluchtelingen hebben betoond, en dringt aan op verhoging van de financiële steun van de EU en haar lidstaten voor het aanpakken van de dringende behoeften van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen; waarschuwt voor het starten van acties voor wederopbouw vóór er sprake is van een via onderhandelingen in het kader van de VN gesloten politieke overeenkomst tussen alle partijen; verzoekt de VV/HV om maatschappelijke organisaties nauwer bij deze conferentie te betrekken; dringt in dit verband aan op meer steun voor vreedzame en democratische Syrische organisaties van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten, waaronder middels het Madad-fonds, het Instrument voor bijdrage aan vrede en stabiliteit, en het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten; roept de internationale gemeenschap op haar onvervulde beloften van humanitaire hulp in Syrië en zijn buurlanden gestand te doen;

15.  beklemtoont de lovenswaardige inspanningen die de EU levert als het aankomt op het verlenen van humanitaire hulp en het uitstippelen van een toekomst voor Syrië; herinnert eraan dat de EU zich, overeenkomstig haar eigen strategie, niet gecommitteerd heeft aan het onvoorwaardelijk verlenen van hulp voor de wederopbouw van Syrië, maar alleen aan steun vanaf het moment dat serieus een begin is gemaakt met een alomvattende, daadwerkelijke en inclusieve politieke transitie, na onderhandelingen door de Syrische partijen bij het conflict op basis van resolutie 2254 van de VN‑Veiligheidsraad; beklemtoont dat het regime-Assad, het Rusland van Poetin en Iran de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de economische gevolgen van hun militaire optreden; geeft aan dat alle steun voor wederopbouw, op basis van een 'bottom-up'-benadering en de geslaagde empowerment van plaatselijke actoren, en onder uitsluiting van terroristische groeperingen, gericht moet zijn op vrede en verantwoordingsplicht;

16.  veroordeelt krachtig dat kinderen worden ingezet bij gevechten of terroristische aanslagen; benadrukt dat het van fundamenteel belang is kinderen, waaronder de vluchtelingenkinderen in de buurlanden, te beschermen en prioriteit te geven aan hun toegang tot onderwijs, alsmede steun te geven voor de psychologische rehabilitatie van deze getraumatiseerde kinderen;

17.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het bericht dat 66 000 vluchtelingen in 2017 naar Syrië zijn teruggekeerd en onderstreept dat het beginsel van non-refoulement ten volle moet worden geëerbiedigd; benadrukt dat de veiligheidssituatie in Syrië de terugkeer van vluchtelingen niet mogelijk maakt en dat de EU de terugkeer niet mag ondersteunen; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om hun eigen beloften na te komen, met inbegrip van die in de Verklaring van New York, en te zorgen voor een verdeling van de lasten door de mensen die oorlogsgebieden in Syrië ontvluchten, toe te staan bescherming te zoeken in andere dan de directe buurlanden van Syrië, onder meer middels hervestiging en humanitaire toelatingsregelingen;

18.  steunt de toevoeging, op 26 februari 2018, aan de lijst van personen op wie beperkende EU-maatregelen tegen het Syrische regime van toepassing zijn van twee Syrische ministers die in januari 2018 zijn benoemd en verantwoordelijk zijn voor repressief optreden tegen het Syrische volk; verzoekt alle lidstaten met klem volledig uitvoering te geven aan Besluit 2013/255/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, en in het bijzonder de vermogens van de in dat besluit genoemde personen te bevriezen en de toegang te beperken van de personen die voordeel hebben van of steun verlenen aan het regime van Assad; veroordeelt de recente meldingen van inbreuken op dit besluit en herinnert de lidstaten aan hun plicht uit hoofde van het internationaal recht om personen op hun grondgebied die verdacht worden van wreedheden te arresteren en vast te zetten; dringt erop aan dat aanvullende sancties worden opgelegd aan Rusland en Iran na hun doelgerichte en weloverwogen acties tegen de burgerbevolking in Oost‑Ghouta, alsmede elders in Syrië;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict, en ook te zorgen voor vertaling van deze tekst in het Arabisch.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0227.
(2) PB L 121 van 10.5.2011, blz. 11.


Aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven)
PDF 166kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over de aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven) (2018/2566(RSP))
P8_TA(2018)0091RC-B8-0137/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van het Ministerie van Handel van de Verenigde Staten, dat besloten heeft invoerrechten op Spaanse olijven te heffen na tot de conclusie te zijn gekomen dat die onder de marktprijs kunnen worden ingevoerd omdat de EU subsidie verleent aan de olijvenindustrie,

–  gezien de vraag aan de Commissie getiteld "Aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven)" (O‑000006/2018 – B8‑0007/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(1),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het besluit om invoerrechten met een variabel percentage op olijven van Spaanse bedrijven te heffen, is gebaseerd op de overweging dat de steun die de sector in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) krijgt, oneerlijke concurrentie ten aanzien van Amerikaanse producenten zou kunnen vormen;

B.  overwegende dat dit besluit op onrechtvaardige en arbitraire wijze vraagtekens zet bij alle EU-steunprogramma's voor de landbouw, en dus gevolgen kan hebben voor alle begunstigden van betalingen uit hoofde van het GLB;

C.  overwegende dat er ernstig wordt betwijfeld of de formule die de Amerikaanse onderzoekers gebruiken om de voorlopige antidumpingmarge te berekenen, verenigbaar is met de WTO-regels;

D.  overwegende dat de Commissie herhaaldelijk heeft bevestigd dat de steunmaatregelen waarop het onderzoek met het oog op een compenserend recht betrekking heeft (waaronder de basisbetalingsregeling, afzetbevorderingsmaatregelen en steun voor jonge landbouwers), de handel niet verstoren;

E.  overwegende dat de GLB-subsidies die aan primaire producenten van tafelolijven in Spanje worden verleend, overeenkomstig bijlage II bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw in aanmerking komen als steun uit de "groene doos", aangezien ze losgekoppeld zijn van de productie en de handel niet verstoren;

F.  overwegende dat de gewraakte GLB-maatregelen niet productspecifiek zijn en dus geen aanleiding vormen tot het nemen van compenserende maatregelen krachtens artikel 2 van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen;

G.  overwegende dat het onderzoek naar Spaanse olijven een van de vele handelsbeschermingsonderzoeken is die de VS reeds zijn gestart;

H.  overwegende dat het GLB via diverse hervormingen is bijgesteld om de meeste steunmaatregelen aan te passen aan de WTO-criteria voor de "groene doos" en thans, na de overschakeling van gekoppelde naar ontkoppelde steun, zo is opgezet dat het volledig in overeenstemming is met de WTO-overeenkomsten;

I.  overwegende dat ook de VS in de landbouw ruimschoots gebruikmaken van subsidies uit de "groene doos";

J.  overwegende dat de VS voorlopige antidumpingrechten van gemiddeld 17,13 % hebben opgelegd aan de drie Spaanse bedrijven waarop het onderzoek betrekking heeft, en compenserende rechten van gemiddeld 4,47 % hebben geheven over alle uitgevoerde Spaanse producten;

K.  overwegende dat de voorlopige maatregelen tot een spiraal van handelsbeschermingsonderzoeken door de VS en andere landen naar subsidies uit de "groene doos" voor landbouwproducten dreigen te leiden; overwegende dat dit uiteindelijk de producenten in zowel de EU als de VS zou schaden; overwegende dat deze escalatie WTO-overeenkomsten die al geruime tijd van kracht zijn en die na zorgvuldig onderhandelen tot stand zijn gekomen, in gevaar brengt;

L.  overwegende dat de Spaanse producenten de Amerikaanse markt kunnen verliezen, terwijl concurrenten uit derde landen zouden profiteren van het gat in de uitvoermarkt dat door het Amerikaanse besluit ontstaat;

M.  overwegende dat indien deze tarieven permanent worden, de economische impact op de Spaanse olijfproducenten over de komende vijf tot tien jaar volgens de olijfsector tussen 350 miljoen EUR en 700 miljoen EUR zal liggen, en mogelijk kan leiden tot het einde van de Spaanse uitvoer van rijpe olijven;

N.  overwegende dat het concurrentievermogen van de Spaanse uitvoer, waarvan het marktaandeel in de VS de afgelopen jaren geleidelijk is toegenomen, het resultaat is van inspanningen van deze bedrijven om de kosten te drukken door investeringen in geavanceerde technologie en kwaliteitsverbeteringen, en niet het gevolg is van Europese subsidies;

O.  overwegende dat de toename van de Spaanse uitvoer naar de VS (+20 % sinds 2013) het mogelijk heeft gemaakt duizenden banen te scheppen en economisch soelaas heeft geboden aan een aantal van de gebieden in Andalusië die het zwaarst door de economische crisis zijn getroffen;

1.  verzoekt de autoriteiten van de VS hun tijdelijke besluit in te trekken en weer een van beide zijden constructieve aanpak te gaan volgen op dit gebied, in het wederzijds belang van producenten en consumenten op beide continenten;

2.  is zeer bezorgd over de negatieve gevolgen die de compenserende maatregelen van de VS kunnen hebben voor het hele Europese landbouwmodel;

3.  vraagt de Commissie om alle nodige diplomatieke stappen te nemen, zowel op bilateraal niveau als in de WTO, om ons systeem van GLB-steun te verdedigen dat door de WTO als niet‑handelsverstorend wordt beschouwd en door de "groene doos" van de WTO wordt gelegitimeerd;

4.  vraagt de Commissie na te gaan of het mogelijk is definitieve Amerikaanse besluiten aan te vechten bij de WTO;

5.  verzoekt de Commissie de Spaanse landbouwsector en de Spaanse regering te blijven bijstaan opdat de WTO-voorschriften ten volle worden nageleefd door de Amerikaanse autoriteiten tijdens deze onderzoeken;

6.  vraagt de Commissie de Spaanse bedrijven die door de Amerikaanse onderzoeken worden getroffen, duidelijk advies te geven en sterk te steunen;

7.  verzoekt de Commissie haar krachten te bundelen met de Spaanse autoriteiten en de Spaanse olijvensector en alle relevante informatie te blijven uitwisselen met de Amerikaanse autoriteiten om te voorkomen dat er ongerechtvaardigde maatregelen worden opgelegd;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de autoriteiten van de Verenigde Staten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.

Juridische mededeling