Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2769(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0314/2018

Ingediende teksten :

B8-0314/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 05/07/2018 - 6.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0314

Aangenomen teksten
PDF 166kWORD 49k
Donderdag 5 juli 2018 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld
P8_TA-PROV(2018)0314B8-0314/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld (2018/2769(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf(1) (de "richtlijn hulpverlening"),

–  gezien Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf(2) (het "kaderbesluit"),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2015 tot vaststelling van een EU‑actieplan tegen migrantensmokkel (2015-2020) (COM(2015)0285),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 maart 2017 over de REFIT-evaluatie van het EU-rechtskader tegen hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf: het hulpverleningspakket (Richtlijn 2002/90/EG en Kaderbesluit 2002/946/JBZ) (SWD(2017)0117),

–  gezien zijn resolutie van 18 april 2018 over de voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen(3),

–  gezien de studie getiteld "Geschikt voor het doel? De richtlijn inzake hulp en de criminalisering van humanitaire bijstand aan irreguliere migranten", door het directoraat-generaal Intern Beleid gepubliceerd in 2016,

–  gezien de studie van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten over criminalisering van migranten in een irreguliere situatie en bij hen betrokken personen, gepubliceerd in 2014,

–  gezien de discussienota van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 4 februari 2010 getiteld "Criminalisering van migratie in Europa: gevolgen voor de mensenrechten",

–  gezien het VN-protocol inzake het smokkelen van immigranten over land, door de lucht en over zee, zoals opgenomen bij het Verdrag van de VN ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, aangenomen bij resolutie 55/25 van 15 november 2000 tijdens de 55e zitting van de Algemene Vergadering van de VN (het "VN-protocol tegen smokkel"),

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten van 24 april 2013 getiteld "Regionaal onderzoek naar het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten",

–  gezien de vraag aan de Commissie over richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld (O‑000065/2018 – B8‑0034/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie in het EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015‑2020) wijst op de noodzaak om "voor passende strafrechtelijke sancties te zorgen, maar tevens te voorkomen dat wie migranten in nood humanitaire bijstand verleent, het risico loopt te worden gecriminaliseerd" en om het bestaande EU‑hulpverleningspakket, dat de richtlijn hulpverlening en het bijbehorende kaderbesluit omvat, te verbeteren;

B.  overwegende dat artikel 1, lid 2, van de richtlijn hulpverlening voorziet in een niet‑bindende uitzondering voor humanitaire hulp, waarbij lidstaten kunnen besluiten geen sancties toe te passen wanneer de hulpverlening van humanitaire aard is;

C.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 18 april 2018 over de voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen vraagt dat humanitaire hulp niet strafbaar wordt gesteld, en aandringt op een grotere opsporings- en reddingscapaciteit voor personen in nood, de inzet van een grotere capaciteit door alle staten en de erkenning van de ondersteuning door particuliere actoren en ngo's bij het uitvoeren van reddingsoperaties op zee en op het land;

D.  overwegende dat de Commissie in haar werkdocument over de REFIT-evaluatie van het hulpverleningspakket onderstreept dat een intensievere uitwisseling van kennis en juiste handelwijzen tussen openbare aanklagers, rechtshandhavingsinstanties en het maatschappelijk middenveld zou kunnen bijdragen tot het verbeteren van de huidige situatie en zou kunnen vermijden dat echte humanitaire bijstand wordt gecriminaliseerd;

E.  overwegende dat artikel 1, lid 1, onder b), van de richtlijn hulpverlening de lidstaten niet verplicht om hulpverlening bij illegaal verblijf níet te bestraffen indien er geen sprake is van winstbejag, en overwegende dat het kaderbesluit geen bindende bepalingen bevat om bestraffing van hulpverlening voor humanitaire doeleinden of in noodsituaties te voorkomen;

1.  herinnert eraan dat de lidstaten krachtens de richtlijn hulpverlening en het bijbehorende kaderbesluit verplicht zijn om regelgeving vast te stellen met het oog op de invoering van strafrechtelijke sancties tegen hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf;

2.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de ongewenste consequenties van het hulpverleningspakket voor burgers die humanitaire bijstand verlenen aan migranten en voor de sociale cohesie van het gastland als geheel;

3.  wijst erop dat het verlenen van humanitaire bijstand op grond van het VN-protocol tegen smokkel niet strafbaar mag worden gesteld;

4.  merkt op dat de actoren die betrokken zijn bij het bieden van humanitaire hulp ter ondersteuning en aanvulling van levensreddende acties van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, binnen de in de hulpverleningsrichtlijn vastgestelde bevoegdheid voor humanitaire hulp moeten blijven, en wijst erop dat hun acties onder controle van de lidstaten moeten staan;

5.  betreurt dat de uitzondering voor humanitaire hulp waarin door de richtlijn hulpverlening wordt voorzien, door de lidstaten slechts zeer beperkt in nationaal recht is omgezet en merkt op dat de uitzondering moet worden toegepast om vervolging te voorkomen, zodat personen en maatschappelijke organisaties die om humanitaire redenen hulp verlenen aan migranten niet worden vervolgd;

6.  verzoekt de lidstaten de in de richtlijn hulpverlening opgenomen uitzondering voor humanitaire hulp in nationaal recht om te zetten en passende mechanismen in het leven te roepen om de handhaving en doeltreffende praktische uitvoering van het hulpverleningspakket te verzekeren, door jaarlijks informatie te verzamelen en te registreren over het aantal personen dat aan de grens of in het binnenland wegens hulpverlening wordt gearresteerd, het aantal ingestelde gerechtelijke procedures en het aantal veroordelingen, alsook informatie over hoe straffen worden vastgesteld en de redenen waarom onderzoeken worden stopgezet;

7.  dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren voor de lidstaten vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke vormen van hulpverlening niet strafbaar mogen worden gesteld, om te zorgen voor een duidelijke en eenvormige toepassing van het huidige acquis, met inbegrip van artikel 1, lid 1, onder b), en artikel 1, lid 2, van de richtlijn hulpverlening, en onderstreept dat duidelijke criteria een waarborg zijn voor meer samenhang in de strafrechtelijke voorschriften inzake hulpverlening in de lidstaten en het voorkomen van ongewenste strafbaarstelling;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17.
(2) PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0118.

Laatst bijgewerkt op: 6 juli 2018Juridische mededeling