Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2253(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0263/2018

Ingediende teksten :

A8-0263/2018

Debatten :

PV 10/09/2018 - 26
CRE 10/09/2018 - 26

Stemmingen :

PV 11/09/2018 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0326

Aangenomen teksten
PDF 148kWORD 54k
Dinsdag 11 september 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Betrekkingen tussen de EU en derde landen inzake de regeling van en het toezicht op financiële diensten
P8_TA(2018)0326A8-0263/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2018 over betrekkingen tussen de EU en derde landen met betrekking tot de regulering van en het toezicht op financiële diensten (2017/2253(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van 25 februari 2009 van de door Jacques de Larosière voorgezeten groep van deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 met aanbevelingen voor de Commissie over de evaluatie van het Europees systeem voor financieel toezicht (ESFS)(1),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 15 mei 2014 getiteld "Economic Review of the Financial Regulation Agenda" (SWD(2014)0158),

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 augustus 2014 betreffende de werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS) (COM(2014)0509),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 inzake de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2016 getiteld "Enquête naar het EU-regelgevingskader voor financiële diensten" (COM(2016)0855),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de ‘Inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie’(3),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 februari 2017 getiteld "EU equivalence decisions in financial services policy: an assessment" (SWD(2017)0102),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het kader voor de toekomstige relatie tussen de EU en het VK(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0263/2018),

A.  overwegende dat sinds de financiële crisis meer dan veertig onderdelen EU-wetgeving op financieel gebied zijn aangenomen, waarvan er vijftien ‘bepalingen inzake derde landen’ bevatten die de Commissie, namens de EU, de discretionnaire bevoegdheid verlenen unilateraal te besluiten of de regelgeving in buitenlandse rechtsgebieden als gelijkwaardig kan worden beschouwd;

B.  overwegende dat ‘gelijkwaardigheid’ en het ‘recht van vestiging en dienstverlening’ duidelijk verschillende concepten zijn, waarmee verschillende rechten worden verleend en verplichtingen worden opgelegd aan regelgevers, toezichthouders, financiële instellingen en marktdeelnemers; overwegende dat gelijkwaardigheidsbesluiten geen ‘recht van vestiging en dienstverlening’ verlenen aan in derde landen gevestigde financiële instellingen aangezien dit concept onlosmakelijk verbonden is met de interne markt met haar gemeenschappelijke regelgevings-, toezichts-, handhavings- en rechtskader;

C.  overwegende dat er in geen enkele door de EU gesloten handelsovereenkomst ooit grensoverschrijdende bepalingen inzake wederzijdse toegang tot financiële diensten zijn opgenomen;

D.  overwegende dat er geen sprake is van een enkel kader dat als basis dient voor gelijkwaardigheidsbesluiten; overwegende dat in elke wetgevingshandeling een gerichte gelijkwaardigheidsregeling uiteen is gezet die is afgestemd op de beleidsdoelstellingen hiervan; overwegend dat de huidige gelijkwaardigheidsbepalingen verschillende benaderingen bieden met een heel scala van mogelijke voordelen naargelang de financiëledienstverlener en de markt waarin hij opereert;

E.  overwegende dat gelijkwaardigheid, onder andere, een instrument is om de internationale convergentie van de regelgeving te bevorderen, wat kan leiden tot meer concurrentie in de interne EU-markt onder gelijke voorwaarden, terwijl regelgevingsarbitrage wordt voorkomen, consumenten en investeerders worden beschermd, de financiële stabiliteit van de EU wordt behouden en de consistentie van de interne markt wordt gehandhaafd; overwegende dat gelijkwaardigheid ook een instrument is om te zorgen voor eerlijke en gelijke behandeling in termen van regulering van en toezicht op de financiële instellingen van de EU en de financiële instellingen van derde landen;

F.  overwegende dat gelijkwaardigheidsbesluiten gebaseerd zijn op het gemeenschappelijke EU-rulebook en worden genomen op basis van een technische beoordeling; overwegende dat de gelijkwaardigheidsbesluiten niettemin in sterkere mate moeten worden getoetst door het Parlement;

G.  overwegende dat de Commissie gelijkwaardigheid omschrijft als ‘een belangrijk instrument om grensoverschrijdende activiteiten van marktspelers op doeltreffende wijze te beheren in een gezonde en veilige prudentiële omgeving met rechtsgebieden van derde landen die dezelfde hoge normen van prudentiële regels volgen, uitvoeren en strikt handhaven als de EU’;

H.  overwegende dat het aanstaande vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU een aanzienlijke impact kan hebben op de regulering van en het toezicht op financiële diensten, gezien de nauwe betrekkingen die momenteel op dit vlak bestaan tussen de lidstaten; overwegende dat de onderhandelingen over de terugtrekking van het VK uit de EU nog steeds gaande zijn;

I.  overwegende dat indien er overeenstemming wordt bereikt over de Terugtrekkingsovereenkomst, inclusief een overgangsperiode, en deze wordt geratificeerd, financiële instellingen een langere periode zullen hebben om zich aan te passen aan brexit; overwegende dat, bij ontstentenis van een overgangsperiode, de Commissie en de ETA's erop voorbereid moeten zijn om de financiële stabiliteit, de integriteit van de interne markt en de autonomie van de besluitvorming in de EU te beschermen;

J.  overwegende dat het voor de financiële stabiliteit van de Unie noodzakelijk is om volledig rekening te houden met de verwevenheid tussen de markten van derde landen en de interne markt van de EU;

K.  overwegende dat het Parlement de Commissie in zijn resolutie van 19 januari 2016 over de ‘Inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten’ verzocht om "met een voorstel te komen voor een consistent, coherent, transparant en praktisch kader voor procedures en besluiten inzake de gelijkwaardigheid van derde landen, daarbij rekening houdend met een resultaatgerichte analyse en internationale normen of overeenkomsten";

Betrekkingen met derde landen sinds de crisis

1.  merkt op dat de EU haar financiële regelgeving sinds de financiële crisis heeft ontwikkeld door vergaande hervormingen en de tenuitvoerlegging van internationale normen; is verheugd over de toegenomen samenwerking op het vlak van regulering en toezicht tussen de EU en derde landen; erkent dat dit heeft bijgedragen tot een verbetering van de mondiale samenhang op het gebied van financiële regelgeving en ertoe heeft bijgedragen dat de EU beter bestand is geworden tegen mondiale financiële schokken;

2.  is van mening dat de EU hervormingen van de mondiale financiële regelgeving moet bevorderen die gericht zijn op het beperken van het systeemrisico en het verbeteren van financiële stabiliteit, en moet streven naar een open, geïntegreerd en robuust financieel stelsel dat duurzame en inclusieve economische groei, het scheppen van banen en investeringen ondersteunt. benadrukt dat elk kader voor internationale samenwerking op regelgevings- en toezichtsgebied de financiële stabiliteit in de Unie moet waarborgen en haar regelgevings- en toezichtsstelsel en -normen en de toepassing ervan moet respecteren;

3.  wijst er met bezorgdheid op dat internationale samenwerking steeds moeizamer kan worden gerealiseerd vanwege uiteenlopende nationale belangen en de inherente drijfveer om risico's af te wentelen op andere rechtsgebieden;

EU-gelijkwaardigheidsprocedures

4.  merkt op dat verschillende EU-wetgevingshandelingen specifieke bepalingen bevatten voor samenwerking op regelgevingsgebied met derde landen, in verband met samenwerking op toezichtsgebied en prudentiële maatregelen;

5.  benadrukt dat de toekenning van gelijkwaardigheid een unilateraal besluit is dat wordt genomen door de EU, op basis van EU-normen; is van mening dat in sommige specifieke gevallen internationale samenwerking ook kan worden bevorderd door samenwerkingsregelingen tussen de EU en derde landen;

6.  benadrukt dat de EU andere rechtsgebieden moet bevorderen om EU-marktdeelnemers toegang te verlenen tot hun financiële markten;

7.  benadrukt dat de EU via haar betrekkingen met derde landen inzake regulering van en toezicht op financiële dienstverlening, de fiscale samenwerking met derde landen zou moeten versterken, in overeenstemming met internationale en EU-normen; is van mening dat gelijkwaardigheidsbesluiten afhankelijk moeten worden gesteld van bevredigende regelgeving in derde landen met betrekking tot de bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude, belastingontwijking en witwassen;

8.  erkent dat de gelijkwaardigheidsregeling van de EU een integraal onderdeel is van een aantal van haar wetgevingshandelingen op het gebied van regulering van en toezicht op financiële diensten en verschillende voordelen kan bieden, zoals: een toename van de concurrentie, meer kapitaalinstromen naar de EU, meer instrumenten en investeringsopties voor bedrijven en investeerders in de EU, sterkere investeerders- en consumentenbescherming en financiële stabiliteit;

9.  herhaalt dat, in de meeste gevallen, gelijkwaardigheidsbesluiten financiële instellingen die in derde landen zijn gevestigd niet het recht toekennen om financiële diensten te verlenen in de gehele EU; wijst erop dat zij in sommige gevallen financiële instellingen van derde landen beperkte toegang kunnen verlenen voor bepaalde producten of diensten;

10.  onderstreept daarentegen dat het "EU-paspoort" ondernemingen het recht geeft om in de hele EER financiële diensten te verlenen, onder de vergunning die is verleend door hun thuisland en onder het toezicht van het land van herkomst, en dat het als zodanig niet beschikbaar is voor financiële instellingen die gevestigd zijn in niet-EER-landen, aangezien het is gebaseerd op een reeks onder EU-wetgeving geharmoniseerde prudentiële vereisten en op wederzijdse erkenning van vergunningen;

11.  benadrukt dat de EU-gelijkwaardigheidsregeling erop gericht is de convergentie van de internationale regelgeving te bevorderen en de samenwerking op het vlak van toezicht te verbeteren op basis van EU- en internationale normen en te zorgen voor gelijke behandeling van financiële instellingen van de EU en die van derde landen, waarbij de financiële stabiliteit van de EU wordt behouden en de consumenten en investeerders worden beschermd;

12.  is van oordeel dat, in de huidige situatie, het EU-proces voor het toekennen van gelijkwaardigheid meer baat zou hebben bij meer transparantie ten opzichte van het Europees Parlement; is van mening dat een gestructureerd, horizontaal en praktisch kader met richtsnoeren voor de erkenning van toezichtskaders van derde landen en een mate van gedetailleerdheid van de beoordeling van dergelijke kaders de transparantie ten goede zou komen;

13.  is van mening dat gelijkwaardigheidsbesluiten objectief, evenredig en risicogevoelig moeten zijn en de strenge normen van de EU-regelgeving in acht moeten nemen; is verder van mening dat gelijkwaardigheidsbesluiten moeten worden genomen in het belang van de Unie, haar lidstaten en burgers, gezien de financiële stabiliteit in de Unie of in een of meer van haar lidstaten, de marktintegriteit of de beleggersbescherming of de werking van de interne markt;

14.  is van mening dat beoordelingen van gelijkwaardigheid technisch van aard zijn, maar merkt op dat gelijkwaardigheidsbesluiten een duidelijk politieke dimensie hebben, waarin verschillende politieke doelstellingen mogelijkerwijs worden afgewogen; dringt erop aan dat het proces voor het toekennen van gelijkwaardigheid aan een derde land op het gebied van financiële diensten altijd moet worden onderworpen aan zorgvuldige toetsing door het Parlement en de Raad en dat deze besluiten, met het oog op een grotere transparantie, moeten worden genomen in de vorm van gedelegeerde handelingen, en waar nodig moeten worden gefaciliteerd met een vroegtijdige procedure van geen bezwaar;

15.  merkt op dat het besluit van de Commissie van 21 december 2017 om gelijkwaardigheid toe te kennen aan Zwitserse aandelenhandelsplatformen als onderdeel van de MiFID II/MiFIR-gelijkwaardigheidsprocedure – beperkt tot een periode van twaalf maanden, met een mogelijke verlenging wanneer voldoende vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van een gemeenschappelijk institutioneel kader – een duidelijk politieke dimensie had;

16.  wijst erop dat de Commissie het recht heeft om gelijkwaardigheidsbesluiten in te trekken, met name in gevallen waarin de regelgeving van derde landen aanzienlijk afwijkt, en is van mening dat het Parlement tijdig moet worden geraadpleegd alvorens een dergelijk besluit tot intrekking wordt genomen; verzoekt om de invoering van transparante procedures voor de goedkeuring, intrekking of opschorting van gelijkwaardigheidsbesluiten;

17.  is van mening dat een consistent kader voor permanent toezicht op een gelijkwaardige derdeland-regeling moet worden ontwikkeld; is van mening dat de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) de bevoegdheid moeten krijgen om de Commissie te adviseren en ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en toezicht in derde landen te controleren aangezien dergelijke ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de Unie vanwege de onderlinge verwevenheid van het financiële stelsel; eist dat het Parlement op de hoogte wordt gehouden van de permanente controle van de regelgeving en het toezicht in derde landen; wijst in dit verband op het wetgevingspakket inzake de herziening van het Europees systeem voor financieel toezicht, waarin voorzien wordt in strengere controle na een gelijkwaardigheidsbesluit, inclusief regelgevingskwesties, toezicht en handhaving en de situatie op de markt van het derde land;

18.  is van mening dat derde landen via het toekomstige gelijkwaardigheidskader van de EU de ETA's op de hoogte moeten houden van alle nationale reguleringsontwikkelingen en dat een gelijkwaardigheidsbesluit goede samenwerking op het gebied van regelgeving en toezicht vereist en uitwisseling van informatie; is eveneens van mening dat derde landen een intensieve dialoog moeten onderhouden met de EU;

19.  dringt erop aan dat de Commissie zorgt voor een duidelijk kader voor een transparante, samenhangende en consistente toepassing van gelijkwaardigheidsprocedures, waarbij een verbeterde procedure wordt ingevoerd voor het toekennen, herzien, opschorten of intrekken van gelijkwaardigheid en dringt erop aan dat dit kader wordt herzien; dringt er bij de Commissie op aan de voordelen te beoordelen van de invoering van een aanvraagprodedure voor het toekennen van gelijkwaardigheid aan derde landen;

20.  verzoekt om permanente controle van gelijkwaardigheidsbesluiten door de relevante ETA en om bekendmaking van het resultaat van die controle; benadrukt dat die controle betrekking moet hebben op de relevante wetgeving, handhavingspraktijken en toezichtspraktijken, alsmede op ingrijpende wetswijzigingen en marktontwikkelingen in het betrokken derde land; dringt er bovendien op aan dat de ETA’s adhoc-beoordelingen uitvoeren van ontwikkelingen in derde landen naar aanleiding van met redenen omklede verzoeken van het Parlement, de Raad en de Commissie;

21.  verzoekt de Commissie de huidige gelijkwaardigheidsregeling tegen het licht te houden en te beoordelen of zij ertoe bijdraagt dat er een gelijk speelveld ontstaat voor financiële instellingen van de EU en financiële instellingen van derde landen, zonder afbreuk te doen aan de financiële stabiliteit in de Unie of in een of meer van haar lidstaten, de marktintegriteit of de beleggersbescherming of de werking van de interne markt; is van mening dat deze beoordeling, tezamen met eventuele voorstellen voor verbetering, bekend moet worden gemaakt;

22.  dringt er bij de Commissie op aan om jaarlijks alle gelijkwaardigheidsbesluiten te melden aan het Europees Parlement, met inbegrip van besluiten inzake toekenning, opschorting of intrekking van gelijkwaardigheid, en toe te lichten waarom die besluiten zijn genomen;

23.  herinnert aan het belang van de ETA’s in de analyse van en de controle op de regelgevings- en toezichtskaders van derde landen, en dringt er in dit verband op aan dat de relevante ETA’s beschikken over de capaciteit en de bevoegdheden om gegevens te verzamelen, bundelen en analyseren; herinnert aan de rol van de nationale bevoegde autoriteiten in het goedkeuringsproces voor financiële instellingen die een deel van hun portefeuille- of risicobeheer willen uitbesteden aan dienstverleners in derde landen waarin het regelgevingskader vergelijkbaar is met dat van de EU, alsmede aan het belang van convergentie van het toezicht; wijst op de lopende herziening van de ETA's, met name de voorstellen inzake het toezicht op de overdracht, uitbesteding of regelingen inzake risico-overdracht door financiële instellingen; is van mening dat de ETA's en de nationale bevoegde autoriteiten nauw moeten samenwerken om beste praktijken uit te wisselen en te zorgen voor uniforme tenuitvoerlegging van de samenwerking op regelgevingsgebied en activiteiten met derde landen;

De rol van de EU in het vaststellen van normen voor financiële regulering op mondiaal niveau

24.  benadrukt het belang van de actieve rol die de EU speelt in het vaststellen van normen op mondiaal niveau als middel om te zorgen voor internationale samenhang op het gebied van financiële regelgeving, en die erop gericht is de financiële stabiliteit te maximaliseren, systeemrisico's te verminderen, consumenten en investeerders te beschermen en om mazen in de regelgeving tussen rechtsgebieden te voorkomen en om een doeltreffend internationaal financieel stelsel te ontwikkelen;

25.  dringt aan op actieve betrokkenheid van de Unie en de lidstaten die deelnemen aan de mondiale instanties die normen vaststellen op het vlak van financiële diensten; herinnert aan de verzoeken aan de Commissie in zijn verslag inzake de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen;

26.  verzoekt derhalve bovendien om de uitbreiding van het gezamenlijke forum EU-VS voor financiële regelgeving met meer periodieke vergaderingen met het oog op een frequentere en consequentere coördinatie;

27.  wijst erop dat het verbeteren van de betrekkingen met derde landen op het gebied van financiële diensten en het versterken van de EU-kapitaalmarkten elkaar niet hoeven uit te sluiten; benadrukt daarom de noodzaak van vooruitgang op het gebied van de kapitaalmarktenunie;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0202.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0006.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0069.

Laatst bijgewerkt op: 10 juii 2019Juridische mededeling