Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2028(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0228/2018

Ingediende teksten :

A8-0228/2018

Debatten :

PV 10/09/2018 - 27
CRE 10/09/2018 - 27

Stemmingen :

PV 11/09/2018 - 6.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0332

Aangenomen teksten
PDF 158kWORD 59k
Dinsdag 11 september 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Taalgelijkheid in het digitale tijdperk
P8_TA(2018)0332A8-0228/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2018 over taalgelijkheid in het digitale tijdperk (2018/2028(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 21, lid 1, en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Unesco-Verdrag van 2003 inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed,

–  gezien Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie(1),

–  gezien Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie(2),

–  gezien Besluit (EU) 2015/2240 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van een programma inzake interoperabiliteitsoplossingen en gemeenschappelijke kaders voor Europese overheidsdiensten, bedrijven en burgers (ISA² programma) als middel om de overheidssector te moderniseren(3),

–  gezien de resolutie van de Raad van 21 november 2008 over een Europese strategie voor meertaligheid (2008/C 320/01)(4),

–  gezien het besluit van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG(5),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat in 2010 door de EU is geratificeerd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 september 2008 getiteld "Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement’ (COM(2008)0566),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 met de titel "Een digitale agenda voor Europa" (COM(2010)0245),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 getiteld "Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel" (COM(2011)0942),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Een digitale agenda voor Europa" (COM(2010)0245)(6),

–  gezien de “Recommendation concerning the Promotion and Use of Multilingualism and Universal Access to Cyberspace”, zoals aangenomen door de Algemene Vergadering van de UNESCO op haar 32ste bijeenkomst op 15 oktober 2003,

–  gezien het speciale Eurobarometer 386-verslag ‘Europeanen en hun talen’ dat in juni 2012 werd gepubliceerd,

–  gezien de conclusies van het Voorzitterschap na de Europese Raad in Barcelona op 15 en 16 maart 2002 (SN 100/1/02 REV 1),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 1988 over gebarentaal voor doven(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2004 over instandhouding en bevordering van culturele verscheidenheid: de rol van de Europese regio's en van de internationale organisaties zoals Unesco en de Raad van Europa(8), alsook zijn resolutie van 4 september 2003 over Europese regionale en minder gebruikte talen – minderheidstalen in de EU – in de context van uitbreiding en culturele diversiteit(9),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement(10),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(11),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie van minderheden in de EU-lidstaten(12),

–  gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) en de afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen (STOA) getiteld: ‘Taalgelijkheid in het digitale tijdperk – naar een project menselijke taal’,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0228/2018),

A.  overwegende dat taaltechnologieën de communicatie voor doven en hardhorenden, blinden, visueel gehandicapten en dyslectici gemakkelijker kunnen maken, en overwegende dat ‘taaltechnologie’ niet alleen verwijst naar gesproken talen maar ook naar gebarentalen, waarbij wordt erkend dat gebarentalen een belangrijk element van Europa’s taalkundige verscheidenheid vormen;

B.  overwegende dat de technologische ontwikkeling van taaltechnologieën raakvlakken heeft met veel onderzoeksgebieden en -disciplines, inclusief computerlinguïstiek, artificiële intelligentie, computerwetenschap en linguïstiek, met toepassingen zoals o.a. natuurlijke taalverwerking, tekstanalyse, spraaktechnologie en dataming;

C.  overwegende dat volgens het speciale Eurobarometer 386-verslag ‘Europeanen en hun talen’ iets meer dan de helft van de Europeanen (54%) een gesprek kan voeren in ten minste één extra taal, dat een kwart (25%) ten minste twee extra talen spreekt en dat een op de tien (10%) in staat is in ten minste drie extra talen een gesprek te voeren;

D.  overwegende dat er in de Europese Unie 24 officiële talen en meer dan 60 nationale, regionale en minderheidstalen zijn, naast de talen van migranten en, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, de verschillende gebaren talen die door de overheid zijn erkend; overwegende dat meertaligheid een van de grootste troeven is van de culturele diversiteit in Europa, en tegelijkertijd een van de belangrijkste uitdagingen voor de totstandbrenging van een echt geïntegreerde EU;

E.  overwegende dat steun voor plaatselijke gemeenschappen, zoals inheemse, plattelands- of verafgelegen gemeenschappen, om geografische, sociale en economische obstakels te overwinnen voor toegang tot breedband een cruciale voorwaarde is voor een efficiënt meertaligheidsbeleid van de EU;

F.  overwegende dat meertaligheid onder een aantal EU-beleidsterreinen valt, o.a. cultuur, onderwijs, economie, de digitale interne markt, levenslang leren, werkgelegenheid, sociale inclusie, concurrentievermogen, jeugd, maatschappelijke organisaties, mobiliteit, onderzoek en media; overwegende dat er meer aandacht moet worden besteed aan het verwijderen van obstakels voor de dialoog tussen culturen en taalgebieden en aan het stimuleren van wederzijds begrip;

G.  overwegende dat de Commissie erkent dat de digitale eengemaakte markt meertalig moet zijn; overwegende dat er geen gemeenschappelijk EU-beleid is voorgesteld om het probleem van taalbarrières aan te pakken;

H.  overwegende dat taaltechnologieën in praktisch alle digitale producten en diensten worden gebruikt, omdat taal er meestal, met name in alle internet-gerelateerde producten zoals zoekmachines, sociale media en e-handelsdiensten, een zekere rol in speelt; overwegende dat het gebruik van taaltechnologieën ook gevolgen heeft voor sectoren die van essentieel belang zijn voor het welzijn van Europese burgers, zoals onderwijs, cultuur en gezondheid;

I.  overwegende dat de grensoverschrijdende e-handel nog zeer gering is, aangezien in 2015 slechts 16% van de Europese burgers online iets gekocht heeft uit een ander EU-land; overwegende dat taaltechnologieën in Europa kunnen bijdragen tot grens- en taaloverschrijdende communicatie, de economische groei en de sociale stabiliteit kunnen doen toenemen, natuurlijke belemmeringen kunnen verminderen en aldus de cohesie en convergentie eerbiedigen en bevorderen en het concurrentievermogen van de EU in de wereld versterken;

J.  overwegende dat technologische ontwikkeling steeds meer op taal gebaseerd is en gevolgen heeft voor de groei en de maatschappij; overwegende dat er dringend behoefte is aan meer taalbewust beleid en technologisch maar ook echt multidisciplinair onderzoek en onderwijs op het gebied van digitale communicatie en taaltechnologieën en hun verband met de groei en de maatschappij;

K.  overwegende dat verwezenlijking van de Barcelona-doelstelling, nl. om burgers in staat te stellen goed te communiceren in hun moedertaal plus twee andere talen, mensen meer kansen zou geven om toegang te verkrijgen tot culturele, educatieve en wetenschappelijke content en als burgers te participeren, naast de toegang tot de digitale interne markt; overwegende dat aanvullende middelen en instrumenten, met name die worden verschaft door taaltechnologieën, van essentieel belang zijn om de Europese meertaligheid op juiste wijze te beheren, en individuele meertaligheid te bevorderen;

L.  overwegende dat er belangrijke doorbraken in kunstmatige intelligentie zijn geweest en dat taaltechnologieën zich in hoog tempo hebben ontwikkeld; overwegende dat taalspecifieke kunstmatige intelligentie nieuwe mogelijkheden biedt voor digitale communicatie, digitaal versterkte communicatie, technologisch ondersteunde communicatie, en samenwerking in alle Europese talen (en daarbuiten), waarbij sprekers van verschillende talen dezelfde toegang wordt gegeven tot informatie en kennis, en de functionaliteiten van het IT-netwerk worden verbeterd;

M.  overwegende dat de gemeenschappelijke Europese waarden als samenwerking, solidariteit, gelijkheid, erkenning en respect ertoe zouden moeten leiden dat alle burgers volledige en gelijke toegang hebben tot nieuwe technologieën, wat niet alleen ten goede zou komen aan de Europese cohesie en het Europese welzijn, maar ook de meertalige digitale interne markt zou bevorderen;

N.  overwegende dat de beschikbaarheid van technologische hulpmiddelen zoals videospellen of educatieve toepassingen in minderheidstalen en minder gebruikte talen van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van de talenkennis, met name bij kinderen;

O.  overwegende dat de sprekers van minder gebruikte talen in staat moeten zijn zichzelf uit te drukken op cultureel betekenisvolle wijzen en hun eigen culturele content in lokale talen te creëren;

P.  overwegende dat taaltechnologieën door de opkomst van methoden zoals ‘deep learning’, gebaseerd op meer rekenkracht en toegang tot grote hoeveelheden gegevens, een werkelijke oplossing bieden om taalgrenzen te overstijgen;

Q.  overwegende dat taalbarrières een aanzienlijke impact hebben op de totstandkoming van de Europese identiteit en de toekomst van het Europese integratieproces; overwegende dat de EU-besluitvorming en het EU-beleid kenbaar moet worden gemaakt in de moedertaal van de burgers , zowel online als offline;

R.  overwegende dat talen een zeer groot deel uitmaken van het alsmaar groeiende bestand van big data;

S.  overwegende dat enorm veel gegevens in menselijke talen zijn uitgedrukt; overwegende dat het beheer van taaltechnologieën tal van innoverende IT-producten en -diensten voor industrie, handel, overheid, onderzoek, openbare diensten en administratie zou kunnen opleveren, wat natuurlijke belemmeringen en afzetkosten zou terugdringen;

Huidige obstakels om taalgelijkheid te bewerkstelligen in het digitale tijdperk in Europa

1.  betreurt de toenemende kloof in Europa tussen ‘bemiddelde’ talen en de ‘minder bemiddelde’ talen, door het ontbreken van adequaat beleid in Europa, ongeacht of de talen officiële, mede-officiële of niet-officiële talen in de EU zijn; betreurt bovendien het feit dat meer dan 20 Europese talen met digitale uitsterving worden bedreigd; merkt op dat de EU en haar instellingen de plicht hebben de taalkundige verscheidenheid op het Europese continent op te waarderen, te bevorderen en te eerbiedigen;

2.  wijst erop dat de digitale technologie in de afgelopen 10 jaar een aanzienlijke impact heeft gehad op de ontwikkeling van de taal, wat nu nog moeilijk kan worden geëvalueerd; beveelt aan dat beleidsmakers serieus rekening houden met studies waaruit blijkt dat digitale communicatie de uitdrukkingsvaardigheid van jongeren erodeert, wat leidt tot grammaticale en alfabetiseringskloven tussen generaties en een algehele verarming van de taal; is de mening toegedaan dat digitale communicatie moet dienen om taalkennis te verbreden, verrijken en bevorderen en dat deze ambities moeten worden weerspiegeld in nationaal alfabetiseringsonderwijs en alfabetiseringsbeleid;

3.  benadrukt dat de minder gebruikte talen in Europa sterk benadeeld zijn door een acuut gebrek aan instrumenten, middelen en onderzoeksfinanciering, waardoor het werk van onderzoekers wordt belemmerd en hun onderzoeksterrein wordt versmald, en dat zelfs als de onderzoekers zouden worden voorzien van de noodzakelijke technologische vaardigheden, zij niet in staat zouden zijn optimaal te profiteren van taaltechnologieën;

4.  neemt kennis van de steeds diepere kloof tussen gebruikte en minder gebruikte talen en de toenemende digitalisering van de Europese samenleving, die leidt tot toenemende ongelijkheid in toegang tot informatie, met name voor laaggeschoolden, ouderen, mensen met lagere inkomens en mensen in een achterstandspositie; benadrukt dat de ongelijkheid zou afnemen als de content beschikbaar wordt gesteld in verschillende EU-talen;

5.  wijst erop dat Europa, hoewel het een stevige wetenschappelijke basis heeft op het gebied van ‘language engineering’ en taaltechnologieën, nu taaltechnologieën een enorme kans bieden, zowel economisch als cultureel, ver achter blijft door fragmentering van de markt, inadequate investeringen in kennis en cultuur, slecht gecoördineerd onderzoek, onvoldoende financiering en juridische obstakels; merkt verder op dat de markt momenteel wordt gedomineerd door niet-Europese actoren, die niet voorzien in de specifieke behoeften van een meertalig Europa; wijst erop dat er een paradigmaverschuiving moet plaatsvinden en dat het Europese leiderschap in taaltechnologieën moet worden versterkt door een project dat op maat gesneden is op de Europese wensen en verlangens;

6.  merkt op dat taaltechnologieën eerst beschikbaar zijn in het Engels; is zich ervan bewust dat de grote internationale en Europese fabrikanten en bedrijven vaak ook taaltechnologieën ontwikkelen voor de grote Europese talen met een relatief grote markt: Spaans, Frans en Duits (voor deze talen ontbreken al hulpmiddelen in sommige subsectoren); wijst er echter op dat algemene actie op EU-niveau (beleid, financiering, onderzoek en onderwijs) moet worden ondernomen om de ontwikkeling van taaltechnologieën voor minder verbreide officiële EU-talen te garanderen, en dat speciale acties op EU-niveau (beleid, financiering, onderzoek en onderwijs) moeten worden ondernomen om regionale en minderheidstalen bij deze ontwikkeling te betrekken en om deze betrokkenheid aan te moedigen;

7.  benadrukt dat beter gebruik moet worden gemaakt van nieuwe technologische benaderingen, die gebaseerd zijn op een grotere computercapaciteit en betere toegang tot grote hoeveelheden gegevens, om de ontwikkeling te bevorderen van zelflerende neurale netwerken, die van menselijke taaltechnologieën (MTT’s) een echte oplossing maken voor het probleem van taalbarrières; verzoekt de Commissie daarom voldoende financiering te garanderen om deze technologische ontwikkeling te ondersteunen;

8.  merkt op dat talen met minder sprekers passende steun moeten krijgen van belanghebbenden, inclusief de vervaardigers van diakritische tekens, fabrikanten van toetsenborden en systemen voor contentbeheer om inhoud in deze talen naar behoren op te slaan, te verwerken en weer te geven; verzoekt de Commissie na te gaan hoe deze steun kan worden aangemoedigd en kan worden aanbevolen in het aanbestedingsproces binnen de EU;

9.  dringt erbij de lidstaten op aan het gebruik van meerdere talen in digitale diensten zoals apps voor mobiele telefoons te bevorderen;

10.  wijst er met bezorgdheid op dat de digitale interne markt gefragmenteerd wordt door een aantal obstakels, waaronder taalbarrières, die de e-handel, de communicatie via sociale netwerken en andere communicatiekanalen, de grensoverschrijdende uitwisseling van culturele, creatieve en audiovisuele content belemmeren, alsmede de verdere verspreiding van pan-Europese overheidsdiensten; benadrukt dat de culturele diversiteit en de meertaligheid in Europa gebaat kunnen zijn bij grensoverschrijdende toegang tot content, met name voor educatieve doeleinden; verzoekt de Commissie een sterke en gecoördineerde strategie voor de meertalige digitale eengemaakte markt te ontwikkelen;

11.  wijst erop dat taaltechnologieën momenteel niet op de Europese politieke agenda staan, ondanks het feit dat eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid verankerd is in de Verdragen;

12.  prijst de belangrijke rol van vroegere door de EU gefinancierde onderzoeksnetwerken zoals FLaReNet, CLARIN, HBP en META-NET (inclusief META-SHARE) die de aanzet hebben gegeven voor de totstandbrenging van een Europees taaltechnologieplatform;

Verbetering van het interinstitutionele kader voor taaltechnologiebeleid op EU-niveau

13.  dringt er bij de Raad op aan een voorstel op te stellen voor een aanbeveling over de bescherming en bevordering van culturele en taalkundige verscheidenheid in de Unie, met inbegrip van taaltechnologieën;

14.  beveelt aan dat de Commissie, om het profiel van de taaltechnologieën in Europa te versterken, het beleidsterrein ‘meertaligheid en taaltechnologie’ toevoegt aan de portefeuille van een Commissaris; is van mening dat de verantwoordelijke Commissaris moet worden belast met het bevorderen van taalkundige verscheidenheid en gelijkheid op EU-niveau, gezien het belang van taalkundige verscheidenheid voor de toekomst van Europa;

15.  stelt voor op EU-niveau te zorgen voor rechtsbescherming van de 60 regionale en minderheidstalen, erkenning van collectieve rechten van nationale en linguïstieke minderheden in de digitale wereld, en voor onderwijs door moedertaalsprekers in de officiële en niet-officiële talen van de EU;

16.  moedigt lidstaten die zelf al succesvolle beleidsstrategieën op het gebied van taaltechnologieën hebben ontwikkeld aan hun ervaringen en goede praktijken te delen om andere nationale, regionale en lokale autoriteiten te helpen hun eigen strategieën te ontwikkelen;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan een allesomvattend taal-gerelateerd beleid te ontwikkelen en middelen toe te wijzen en de juiste instrumenten te gebruiken om taalkundige verscheidenheid en meertaligheid in de digitale sfeer te bevorderen; benadrukt de gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en de lidstaten om, samen met universiteiten en andere openbare instellingen, een bijdrage te leveren aan het behoud van hun talen in de digitale wereld, door de ontwikkeling van gegevensbanken en vertaaltechnologieën voor alle talen van de EU, inclusief minder verbreide talen; verzoekt om coördinatie tussen de onderzoekswereld en de industrie, met als gemeenschappelijke doelstelling het vergroten van de digitale mogelijkheden voor vertaling, en met open toegang tot de gegevens die nodig zijn voor technologische vooruitgang;

18.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan strategieën en beleidsmaatregelen te ontwikkelen om meertaligheid in de digitale markt te faciliteren; dringt er in dit verband op aan dat de Commissie en de lidstaten een minimum aan taalmiddelen definiëren dat alle Europese talen moeten bezitten, zoals gegevensbestanden, lexica, spraakopnamen, vertaalgeheugens, geannoteerde corpora en encyclopedische content, om digitale uitsterving te voorkomen;

19.  beveelt aan dat de Commissie in overweging neemt een centrum voor taalkundige verscheidenheid op te richten dat het bewustzijn van het belang van minder gebruikte, regionale of minderheidstalen vergroot, ook met betrekking tot taaltechnologieën;

20.  verzoekt de Commissie haar kaderstrategie voor meertaligheid te herzien en een duidelijk actieplan voor te stellen voor de manier waarop taalkundige verscheidenheid kan worden bevorderd en taalbarrières in het digitale tijdperk kunnen worden overwonnen;

21.  dringt er bij de Commissie op aan kleine lidstaten met een eigen taal prioritair te behandelen waar het gaat om taaltechnologie, om aandacht te schenken aan de linguïstieke uitdagingen waar zij voor staan;

22.  benadrukt dat de ontwikkeling van taaltechnologie faciliterend zal werken voor de ondertiteling, nasynchronisatie en vertaling van videospellen en softwaretoepassingen in minderheidstalen en minder gebruikte talen;

23.  onderstreept dat de technologische kloof tussen talen moet worden verkleind door de kennis- en technologieoverdracht te vergroten;

24.  dringt er bij de lidstaten op aan hun oorspronkelijke talen te verstevigen;

Aanbevelingen voor EU-onderzoeksbeleid

25.  dringt er bij de Commissie op aan een grootschalig financieringsprogramma voor de lange termijn voor onderzoek en ontwikkeling en innovatie vast te stellen, op Europees, nationaal en regionaal niveau, dat specifiek is toegesneden op de behoeften van Europa; benadrukt dat het programma als wetenschappelijk doel moet hebben natuurlijke talen te doorgronden en de efficiëntie te verbeteren door kennis, infrastructuur en middelen te delen om innoverende technologieën en diensten te ontwikkelen, om de volgende wetenschappelijke doorbraak op dit gebied te bewerkstelligen, en ertoe bij te dragen dat de technologische kloof tussen de Europese talen wordt versmald; benadrukt dat dit moet worden gedaan in samenwerking met onderzoekscentra, academies, ondernemingen (met name het MKB en start-ups) en andere relevante belanghebbenden; benadrukt verder dat het hierbij moet gaan om een open, cloudgebaseerd en interoperabel project dat moet zorgen voor opschaalbare en hoogwaardige basisinstrumenten voor tal van taaltechnologische toepassingen;

26.  is van mening dat ICT-integratoren in de EU financiële prikkels moeten krijgen om de verstrekking van clouddiensten te versnellen, met het oog op een soepele integratie van menselijke taaltechnologieën in de toepassingen ervan inzake e-handel, met name om ervoor te zorgen dat mkb-bedrijven de voordelen van automatische vertaling plukken;

27.  benadrukt dat Europa zijn leiderspositie op het gebied van taalspecifieke artificiële intelligentie moet veiligstellen; wijst erop dat Europese bedrijven in de beste positie verkeren om oplossingen te leveren die op maat gesneden zijn voor onze specifieke culturele, maatschappelijke en economische behoeften;

28.  is van mening dat specifieke programma’s binnen de huidige financieringsregelingen zoals Horizon 2020, alsmede latere financieringsprogramma’s, het basisonderzoek op de lange termijn en de kennis- en technologieoverdracht tussen landen en regio’s moeten stimuleren;

29.  beveelt de oprichting aan van een Europees taaltechnologieplatform met vertegenwoordigers van alle Europese talen zodat taaltechnologie-gerelateerde hulpmiddelen, diensten en opensourcecodepackages, met name tussen universiteiten en onderzoekscentra, kunnen worden gedeeld, en er tevens voor te zorgen dat opensourcegemeenschappen met alle financieringsregelingen kunnen werken en er gebruik van kunnen maken;

30.  beveelt aan projecten te starten of uit te breiden, zoals o.a. het Digitale Taaldiversiteitsproject, waarin onderzoek wordt gedaan naar de digitale behoeften van alle Europese talen, inclusief talen met heel weinig en talen met heel veel sprekers om de digitale kloof te overbruggen zodat deze talen geholpen worden zich voor te bereiden op een digitale toekomst;

31.  beveelt een actualisering aan van de META-NET-witboekenreeks, een pan-Europees overzicht met betrekking tot de status van taaltechnologieën en -hulpmiddelen voor alle Europese talen, met betrekking tot informatie over taalbarrières en gerelateerd beleid, om taaltechnologiebeleid te kunnen beoordelen en te kunnen ontwikkelen;

32.  dringt er bij de Commissie op aan een financieringsplatform voor menselijke taaltechnologie op te zetten, voortbouwend op de uitvoering van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF); is van mening dat de Commissie daarnaast de nadruk moet leggen op onderzoeksgebieden die nodig zijn om taal grondig te begrijpen, zoals computerlinguïstiek, linguïstiek, artificiële intelligentie, taaltechnologie, computerwetenschap en cognitieve wetenschap;

33.  wijst erop dat taal een belemmering kan zijn voor de overdracht van wetenschappelijke kennis; stipt aan dat de meeste invloedrijke wetenschappelijke tijdschriften in het Engels verschijnen, wat een grote verschuiving veroorzaakt in de totstandkoming en verspreiding van wetenschappelijke kennis; benadrukt dat met deze omstandigheden op het gebied van kennisproductie rekening moet worden gehouden in het Europese beleid en de Europese programma's op het gebied van onderzoek en innovatie; spoort de Commissie ertoe aan oplossingen te zoeken om ervoor te zorgen dat wetenschappelijke kennis beschikbaar wordt gesteld in andere talen dan Engels, en de ontwikkeling van artificiële intelligentie voor natuurlijke taal te ondersteunen;

Onderwijsbeleid om de toekomst van taaltechnologieën in Europa te verbeteren

34.  is van mening dat vanwege de huidige situatie waarin niet-Europese actoren de markt van taaltechnologieën domineren, het Europese onderwijsbeleid erop gericht zou moeten zijn talent te behouden voor Europa, en dat de onderwijsbehoeften met betrekking tot taaltechnologie geanalyseerd zouden moeten worden (inclusief alle betrokken terreinen en disciplines) en dat, op basis hiervan, richtsnoeren zouden moeten worden opgesteld voor de tenuitvoerlegging van een samenhangende, gezamenlijke actie op Europees niveau, en dat schoolkinderen en studenten bewuster gemaakt zouden moeten worden van de carrièreperspectieven in de taaltechnologie-industrie, inclusief de taalspecifieke kunstmatige intelligentie-industrie;

35.  is van mening dat digitale leermiddelen ook moeten worden ontwikkeld voor minderheidstalen en regionale talen – wat belangrijk is met het oog op non-discriminatie – als we streven naar gelijke kansen en gelijke behandeling;

36.  wijst op de noodzaak om de steeds grotere deelname van vrouwen op het gebied van de Europese studies naar taaltechnologieën te bevorderen, als een doorslaggevende factor in de ontwikkeling van onderzoek en innovatie;

37.  stelt voor dat de Commissie en de lidstaten het gebruik van taaltechnologieën bevorderen in het kader van de culturele en educatieve uitwisseling tussen Europese burgers, zoals Erasmus+, bijvoorbeeld Erasmus+ Online Linguistic Support (OLS), om de barrières te slechten die taaldiversiteit kan opwerpen voor interculturele dialoog en wederzijds begrip, met name voor het geschreven en het gesproken woord;

38.  beveelt aan dat de lidstaten digitale-geletterdheidsprogramma’s ontwikkelen voor Europese minderheidstalen en regionale talen en taaltechnologieopleidingen en -instrumenten invoeren in de curricula van hun scholen, universiteiten en beroepsopleidingen; benadrukt verder het feit dat digitale geletterdheid een belangrijke factor blijft en een absolute voorwaarde voor vooruitgang op het gebied van digitale inclusie van gemeenschappen;

39.  benadrukt dat de lidstaten de steun moeten verlenen die onderwijsinstellingen nodig hebben om de digitalisering van hun talen in de EU te verbeteren;

Taaltechnologieën: voordelen voor zowel particuliere ondernemingen als voor overheidsorganen

40.  benadrukt dat de ontwikkeling van investeringsinstrumenten en stimuleringsprogramma’s die gericht zijn op intensiever gebruik van taaltechnologieën in de culturele en creatieve sector, moet worden gesteund, met name ten aanzien van minder ‘bemiddelde’ gemeenschappen en dat de ontwikkeling van taaltechnologische capaciteiten moet worden aangemoedigd in gebieden waar de sector zwakker is;

41.  dringt aan op acties en de nodige financiering om Europese mkb-bedrijven en start-ups in staat te stellen gemakkelijker toegang te verkrijgen tot taaltechnologieën en deze toe te passen om hun online-activiteiten te verhogen door toegang te verwerven tot nieuwe markten en nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden te creëren, waardoor hun innovatiepeil stijgt en de werkgelegenheid toeneemt;

42.  dringt bij de EU-instellingen aan op bewustmaking van de voordelen voor bedrijven, overheidsorganen en burgers van de beschikbaarheid van onlinediensten, -inhoud en -producten in meerdere talen, inclusief minder gebruikte talen, om taalbarrières te slechten en om het cultureel erfgoed van taalgemeenschappen te helpen behouden;

43.  steunt de ontwikkeling van meertalige openbare e-diensten van Europese, nationale en, waar passend, regionale en lokale overheden met innoverende, inclusieve en assisterende taaltechnologieën, waardoor de ongelijkheid tussen talen en taalgemeenschappen wordt teruggedrongen, de gelijke toegang tot diensten wordt bevorderd, de mobiliteit van bedrijven, burgers en werknemers in Europa wordt gestimuleerd en een inclusieve, meertalige digitale eengemaakte markt tot stand wordt gebracht;

44.  dringt er bij overheidsorganen op alle niveaus op aan de toegang tot onlinediensten en informatie in verschillende talen te verbeteren, met name voor diensten in grensoverschrijdende regio's en met betrekking tot cultuurgerelateerde onderwerpen, en het gebruik van reeds bestaande vrije en opensource taaltechnologie, zoals machinevertaling, spraakherkenning, text-to-speech en intelligente taalkundige systemen, zoals systemen die meertalige zoekopdrachten verrichten, samenvattingen maken en in staat zijn tot spraakbegrip, te gebruiken om de toegankelijkheid van die diensten te verbeteren;

45.  wijst op het belang van tekst- en dataminingtechnieken voor de ontwikkeling van taaltechnologieën; onderstreept dat de samenwerking tussen de industrie en de eigenaren van gegevens moet worden geïntensiveerd; benadrukt het feit dat het regelgevingskader moet worden aangepast en dat gezorgd moet worden voor een opener, interoperabeler gebruik en verzameling van taalhulpmiddelen; wijst erop dat gevoelige informatie niet aan commerciële ondernemingen en hun gratis software kan worden toevertrouwd, aangezien onduidelijk is hoe zij gebruik kunnen maken van de vergaarde informatie, bijvoorbeeld in het geval van gezondheidsgegevens;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90.
(2) PB L 175 van 27.6.2013, blz. 1.
(3) PB L 318 van 4.12.2015, blz. 1.
(4) PB C 320 van 16.12.2008, blz. 1.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965.
(6) PB C 54 van 19.2.2011, blz. 58.
(7) PB C 187 van 18.7.1988, blz. 236.
(8) PB C 92 E van 16.4.2004, blz. 322.
(9) PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 374.
(10) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 59.
(11) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0032.

Laatst bijgewerkt op: 10 juli 2019Juridische mededeling