Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0280(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0245/2018

Ingediende teksten :

A8-0245/2018

Debatten :

PV 11/09/2018 - 12
CRE 11/09/2018 - 12
PV 26/03/2019 - 2
CRE 26/03/2019 - 2

Stemmingen :

PV 05/07/2018 - 6.4
CRE 05/07/2018 - 6.4
PV 12/09/2018 - 6.4
CRE 12/09/2018 - 6.4
Stemverklaringen
PV 26/03/2019 - 7.11
CRE 26/03/2019 - 7.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0337
P8_TA(2019)0231

Aangenomen teksten
PDF 660kWORD 99k
Woensdag 12 september 2018 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I
P8_TA-PROV(2018)0337A8-0245/2018

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 september 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt (COM(2016)0593 – C8-0383/2016 – 2016/0280(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De richtlijnen die op het gebied van auteursrechten en naburige rechten zijn vastgesteld, voorzien in een hoge mate van bescherming voor rechthebbenden en creëren daarmee een kader waarbinnen de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal kan plaatsvinden. Dit geharmoniseerde rechtskader draagt bij tot de goede werking van de interne markt; het stimuleert innovatie, creativiteit, investeringen en aanmaak van nieuwe inhoud, ook in de digitale omgeving. De bescherming die dit rechtskader verleent, draagt ook bij tot de doelstelling van de Unie om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen en brengt tegelijkertijd het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa voor het voetlicht. Artikel 167, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie schrijft voor dat de Unie bij haar optreden rekening houdt met de culturele aspecten.
(2)  De richtlijnen die op het gebied van auteursrechten en naburige rechten zijn vastgesteld, dragen bij tot de werking van de interne markt, voorzien in een hoge mate van bescherming voor rechthebbenden, vergemakkelijken de vereffening van rechten en creëren daarmee een kader waarbinnen de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal kan plaatsvinden. Dit geharmoniseerde rechtskader draagt bij tot de goede werking van een werkelijk geïntegreerde interne markt; het stimuleert innovatie, creativiteit, investeringen en aanmaak van nieuwe inhoud, ook in de digitale omgeving, om de fragmentering van de interne markt te voorkomen. De bescherming die dit rechtskader verleent, draagt ook bij tot de doelstelling van de Unie om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen en brengt tegelijkertijd het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa voor het voetlicht. Artikel 167, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie schrijft voor dat de Unie bij haar optreden rekening houdt met de culturele aspecten.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Door snelle digitale ontwikkelingen blijven zich veranderingen doorzetten in de manier waarop werken en ander beschermd materiaal tot stand komen, geproduceerd, verspreid en geëxploiteerd worden. Steeds nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe actoren dienen zich aan. De doelstellingen en de beginselen van het door de Unie vastgestelde kader voor auteursrechten blijven gezond. Toch blijft er zowel voor rechthebbenden als voor gebruikers juridische onzekerheid bestaan met betrekking tot bepaalde toepassingen, waaronder grensoverschrijdende toepassingen, van werken en ander beschermd materiaal in de digitale omgeving. Zoals beschreven in de mededeling van de Commissie "Naar een modern, meer Europees kader voor auteursrechten"26, moeten op sommige gebieden aanpassingen en aanvullingen worden aangebracht in het huidige kader voor auteursrechten van de Unie. Deze richtlijn voorziet in regels voor de aanpassing van een aantal uitzonderingen en beperkingen in de digitale en grensoverschrijdende omgeving, alsook maatregelen om bepaalde licentiepraktijken te bevorderen wat betreft de verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, en de onlinebeschikbaarheid van audiovisuele werken op video-on-demandplatforms om een ruimere toegang tot inhoud te garanderen. Met het oog op een goede werking van de markt voor auteursrechten moeten er ook voorschriften komen over rechten in publicaties, over het gebruik van werken en ander beschermd materiaal door aanbieders van onlinediensten die door gebruikers geüploade inhoud opslaan en toegang daartoe verlenen, en over transparantie in contracten van auteurs en uitvoerende kunstenaars.
(3)  Door snelle digitale ontwikkelingen blijven zich veranderingen doorzetten in de manier waarop werken en ander beschermd materiaal tot stand komen, geproduceerd, verspreid en geëxploiteerd worden, en de desbetreffende wetgeving moet toekomstbestendig zijn om de technische ontwikkeling niet te belemmeren. Steeds nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe actoren dienen zich aan. De doelstellingen en de beginselen van het door de Unie vastgestelde kader voor auteursrechten blijven gezond. Toch blijft er zowel voor rechthebbenden als voor gebruikers juridische onzekerheid bestaan met betrekking tot bepaalde toepassingen, waaronder grensoverschrijdende toepassingen, van werken en ander beschermd materiaal in de digitale omgeving. Zoals beschreven in de mededeling van de Commissie "Naar een modern, meer Europees kader voor auteursrechten"26, moeten op sommige gebieden aanpassingen en aanvullingen worden aangebracht in het huidige kader voor auteursrechten van de Unie. Deze richtlijn voorziet in regels voor de aanpassing van een aantal uitzonderingen en beperkingen in de digitale en grensoverschrijdende omgeving, alsook maatregelen om bepaalde licentiepraktijken te bevorderen wat betreft de verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, en de onlinebeschikbaarheid van audiovisuele werken op video-on-demandplatforms om een ruimere toegang tot inhoud te garanderen. Met het oog op een goede en eerlijke werking van de markt voor auteursrechten moeten er ook voorschriften komen over de uitoefening en handhaving van het gebruik van werken en ander beschermd materiaal op platforms van aanbieders van onlinediensten, over transparantie in contracten van auteurs en uitvoerende kunstenaars, en over de boekhouding die voortvloeit uit de exploitatie van beschermde werken uit hoofde van deze contracten.
__________________
__________________
26 COM(2015)0626.
26 COM(2015)0626.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Deze richtlijn is gebaseerd op en vormt een aanvulling op de regels van de thans van kracht zijnde richtlijnen op dit gebied, met name Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad27, Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad28, Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad29, Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad30, Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad31 en Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad32.
(4)  Deze richtlijn is gebaseerd op en vormt een aanvulling op de regels van de thans van kracht zijnde richtlijnen op dit gebied, met name Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad27, Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad27 bis, Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad28, Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad29, Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad30, Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad31 en Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad32.
_________________
_________________
27 Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).
27 Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).
27 bis Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel") (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).
28 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).
28 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).
29 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28).
29 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28).
30 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (PB L 111 van 5.5.2009, blz. 16).
30 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (PB L 111 van 5.5.2009, blz. 16).
31 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken (PB L 299 van 27.10.2012, blz. 5).
31 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken (PB L 299 van 27.10.2012, blz. 5).
32 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (PB L 84, 20.3.2014, blz. 72).
32 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (PB L 84, 20.3.2014, blz. 72).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Op het gebied van onderzoek, opleiding en behoud van cultureel erfgoed maken digitale technologieën nieuwe soorten toepassingen mogelijk die niet duidelijk onder de huidige EU-regels inzake uitzonderingen en beperkingen vallen. Het facultatieve karakter van uitzonderingen en beperkingen waarin de Richtlijnen 2001/29/EG, 96/9/EG en 2009/24/EG op deze gebieden voorzien, kan bovendien een negatief effect hebben op de werking van de interne markt. Dit geldt in het bijzonder voor grensoverschrijdende toepassingen, die steeds belangrijker worden in de digitale omgeving. Daarom moeten de bestaande uitzonderingen en beperkingen in het recht van de Unie die van belang zijn voor wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en behoud van het cultureel erfgoed, aan een nieuwe beoordeling worden onderworpen in het licht van deze nieuwe toepassingen. Er moeten verplichte uitzonderingen of beperkingen worden ingevoerd voor het gebruik van tekst- en dataminingtechnologieën op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, illustratie bij onderwijs in de digitale omgeving en voor het behoud van cultureel erfgoed. Voor toepassingen die niet onder de uitzonderingen of beperkingen van deze richtlijn vallen, moeten de uitzonderingen en beperkingen die in het recht van de Unie bestaan, blijven gelden. De Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG moeten worden aangepast.
(5)  Op het gebied van onderzoek, innovatie, opleiding en behoud van cultureel erfgoed maken digitale technologieën nieuwe soorten toepassingen mogelijk die niet duidelijk onder de huidige EU-regels inzake uitzonderingen en beperkingen vallen. Het facultatieve karakter van uitzonderingen en beperkingen waarin de Richtlijnen 2001/29/EG, 96/9/EG en 2009/24/EG op deze gebieden voorzien, kan bovendien een negatief effect hebben op de werking van de interne markt. Dit geldt in het bijzonder voor grensoverschrijdende toepassingen, die steeds belangrijker worden in de digitale omgeving. Daarom moeten de bestaande uitzonderingen en beperkingen in het recht van de Unie die van belang zijn voor innovatie, wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en behoud van het cultureel erfgoed, aan een nieuwe beoordeling worden onderworpen in het licht van deze nieuwe toepassingen. Er moeten verplichte uitzonderingen of beperkingen worden ingevoerd voor het gebruik van tekst- en dataminingtechnologieën op het gebied van innovatie en wetenschappelijk onderzoek, illustratie bij onderwijs in de digitale omgeving en voor het behoud van cultureel erfgoed. Voor toepassingen die niet onder de uitzonderingen of beperkingen van deze richtlijn vallen, moeten de uitzonderingen en beperkingen die in het recht van de Unie bestaan, blijven gelden. Derhalve moeten bestaande goedwerkende uitzonderingen op deze vlakken toegestaan blijven in de lidstaten zolang zij de reikwijdte van de uitzonderingen of beperkingen in deze richtlijn niet beperken. De Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG moeten worden aangepast.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  De bij deze verordening ingestelde uitzonderingen en beperkingen beogen een billijk evenwicht te bewerkstelligen tussen de rechten en belangen van auteurs en andere rechthebbenden enerzijds, en die van gebruikers anderzijds. Zij kunnen alleen in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast, mits daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van de werken of andere beschermde materialen en de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk worden geschaad.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Nieuwe technologieën maken geautomatiseerde computeranalyse van informatie in digitale vorm, zoals tekst, geluid, beeld en gegevens, die algemeen bekend is als tekst- en datamining, mogelijk. Dankzij deze technologieën kunnen onderzoekers grote hoeveelheden informatie verwerken en zodoende nieuwe kennis verwerven en nieuwe tendensen ontdekken. Hoewel technologieën voor tekst- en datamining een grote rol spelen in de digitale economie, wordt in brede kring erkend dat tekst- en datamining in het bijzonder gunstig kan zijn voor de onderzoeksgemeenschap en op die wijze innovatie kan aanmoedigen. Onderzoekorganisaties zoals universiteiten en onderzoeksinstituten worden in de Unie echter geconfronteerd met rechtsonzekerheid over de mate waarin zij tekst- en datamining van inhoud kunnen verrichten. In bepaalde gevallen kan tekst- en datamining handelingen inhouden die onder het auteursrecht en/of het sui generis databankenrecht vallen, met name wanneer sprake is van reproductie van werken of andere beschermde materialen en/of opvraging van inhoud uit een databank. Indien er geen uitzondering of beperking van toepassing is, zou een toestemming van de rechthebbenden vereist zijn om dergelijke handelingen te verrichten. Tekst- en datamining kan ook verricht worden met betrekking tot zuivere feiten of gegevens die niet auteursrechtelijk zijn beschermd en in dergelijke gevallen zou geen toestemming vereist zijn.
(8)  Nieuwe technologieën maken geautomatiseerde computeranalyse van informatie in digitale vorm, zoals tekst, geluid, beeld en gegevens, die algemeen bekend is als tekst- en datamining, mogelijk. Dankzij tekst- en datamining kunnen grote hoeveelheden digitaal opgeslagen informatie worden gelezen en geanalyseerd en zodoende nieuwe kennis worden verworven en nieuwe tendensen ontdekt. Hoewel technologieën voor tekst- en datamining een grote rol spelen in de digitale economie, wordt in brede kring erkend dat tekst- en datamining in het bijzonder gunstig kan zijn voor de onderzoeksgemeenschap en op die wijze innovatie kan aanmoedigen. Onderzoekorganisaties zoals universiteiten en onderzoeksinstituten worden in de Unie echter geconfronteerd met rechtsonzekerheid over de mate waarin zij tekst- en datamining van inhoud kunnen verrichten. In bepaalde gevallen kan tekst- en datamining handelingen inhouden die onder het auteursrecht en/of het sui generis databankenrecht vallen, met name wanneer sprake is van reproductie van werken of andere beschermde materialen en/of opvraging van inhoud uit een databank. Indien er geen uitzondering of beperking van toepassing is, zou een toestemming van de rechthebbenden vereist zijn om dergelijke handelingen te verrichten. Tekst- en datamining kan ook verricht worden met betrekking tot zuivere feiten of gegevens die niet auteursrechtelijk zijn beschermd en in dergelijke gevallen zou geen toestemming vereist zijn.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Voor tekst- en datamining moet de informatie in de meeste gevallen eerst worden geopend en dan gereproduceerd. Pas als de informatie is genormaliseerd, kan deze worden verwerkt door middel van tekst- en datamining. Bij legale toegang tot informatie is pas van auteursrechtelijk beschermd gebruik sprake bij normalisering van de informatie, want dat brengt reproductie met zich door wijziging van het format, of door opvragen uit een database in een format dat zich leent voor tekst- en datamining. Het auteursrechtelijk relevante gebruik bij tekst- en dataminingtechnologie is daarom niet de tekst- en datamining zelf, dus het lezen en analyseren van digitaal opgeslagen en genormaliseerde informatie, maar de opening en de manier waarop de informatie wordt genormaliseerd waardoor geautomatiseerde digitale analyse mogelijk wordt, in zoverre dit proces ophalen uit een database of reproducties omvat. De uitzonderingen voor tekst- en datamining waarin in deze richtlijn wordt voorzien, moeten begrepen worden als een verwijzing naar dergelijke auteursrechtelijk relevante processen die noodzakelijk zijn voor tekst- en datamining. Wanneer het bestaande auteursrecht niet toepasbaar is geweest voor het gebruik van tekst- en datamining, moeten deze gebruiken onverlet blijven door deze richtlijn.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Dit gebrek aan rechtszekerheid moet worden aangepakt door te voorzien in een verplichte uitzondering op het reproductierecht alsmede in het recht om opvraging uit een databank te verhinderen. De nieuwe uitzondering mag geen afbreuk doen aan de bestaande dwingende uitzondering voor tijdelijke reproductiehandelingen als vastgesteld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/29, die van toepassing moet blijven voor tekst- en dataminingtechnieken waarin geen kopieën worden gemaakt die verder gaan dan de toepassingssfeer van deze uitzondering. Onderzoeksorganisaties moeten ook van de uitzondering kunnen gebruikmaken in het geval van publiek-private partnerschappen.
(10)  Dit gebrek aan rechtszekerheid moet worden aangepakt door te voorzien in een verplichte uitzondering voor onderzoeksorganisaties op het reproductierecht en op het recht om opvraging uit een databank te verhinderen. De nieuwe uitzondering mag geen afbreuk doen aan de bestaande dwingende uitzondering voor tijdelijke reproductiehandelingen als vastgesteld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/29, die van toepassing moet blijven voor tekst- en dataminingtechnieken waarin geen kopieën worden gemaakt die verder gaan dan de toepassingssfeer van deze uitzondering. Onderwijsinstellingen en instellingen voor cultureel erfgoed die wetenschappelijk onderzoek uitvoeren, moeten ook worden gedekt door de uitzondering voor tekst- en datamining op voorwaarde dat de resultaten van het onderzoek niet ten voordele zijn van een onderneming die een beslissende invloed uitoefent op deze organisaties in het bijzonder. Indien het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een publiek-privaat partnerschap, moet de onderneming die deelneemt aan het publiek-private partnerschap ook wettelijke toegang hebben tot de werken en andere materialen. De reproducties en opvragingen die voor tekst- en datamining worden gemaakt, moeten veilig worden bewaard en op een wijze die garandeert dat de kopieën enkel worden gebruikt met het oog op wetenschappelijk onderzoek.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Om ook in de particuliere sector innovatie aan te moedigen, moeten de lidstaten een uitzondering kunnen invoeren die verder reikt dan de verplichte uitzondering, op voorwaarde dat het gebruik van daarin vermelde werken of andere materialen niet uitdrukkelijk werd voorbehouden door hun rechthebbenden, waaronder op machineleesbare wijze.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Hoewel de ontwikkeling van afstandsonderwijs en grensoverschrijdende onderwijsprogramma’s hoofdzakelijk op het niveau van hoger onderwijs plaatsvindt, worden digitale instrumenten en middelen in toenemende mate gebruikt op alle onderwijsniveaus, met name om de leerervaring te verbeteren en te verrijken. De uitzondering of beperking als bedoeld in deze richtlijn moet bijgevolg ten goede komen aan alle onderwijsinstellingen in het lager, middelbaar, beroeps- en hoger onderwijs voor zover zij hun onderwijsactiviteiten met niet-commerciële doeleinden verrichten. De organisatiestructuur en de financiering van een onderwijsinstelling zijn niet van doorslaggevend belang om de niet-commerciële aard van de activiteit te bepalen.
(15)  Hoewel de ontwikkeling van afstandsonderwijs en grensoverschrijdende onderwijsprogramma’s hoofdzakelijk op het niveau van hoger onderwijs plaatsvindt, worden digitale instrumenten en middelen in toenemende mate gebruikt op alle onderwijsniveaus, met name om de leerervaring te verbeteren en te verrijken. De uitzondering of beperking als bedoeld in deze richtlijn moet bijgevolg ten goede komen aan alle onderwijsinstellingen in het lager, middelbaar, beroeps- en hoger onderwijs voor zover zij hun onderwijsactiviteiten met niet-commerciële doeleinden verrichten. De organisatiestructuur en de financiering van een onderwijsinstelling zijn niet van doorslaggevend belang om de niet-commerciële aard van de activiteit te bepalen. Indien instellingen voor cultureel erfgoed een educatieve doelstelling nastreven en bij onderwijsactiviteiten betrokken zijn, moeten de lidstaten deze instellingen onder deze uitzondering als onderwijsinstelling beschouwen wat hun onderwijsactiviteiten betreft.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De uitzondering of beperking moet betrekking hebben op digitaal gebruik van werken en andere materialen, zoals het gebruik van delen of uittreksels om de onderwijs- en de daaraan verbonden leeractiviteiten te ondersteunen, te verrijken of aan te vullen. Het gebruik van de werken of andere materialen overeenkomstig de uitzondering of beperking mag alleen plaatsvinden in het kader van onderwijs- en leeractiviteiten die onder de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen vallen, ook tijdens examens, en dient beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor het doel van deze activiteiten. De uitzondering of beperking dient te gelden zowel voor toepassing in digitale leermiddelen in de klas als onlinegebruik via het beveiligde elektronische netwerk van onderwijsinstelling, en de toegang daartoe dient te worden beschermd, met name door authenticatieprocedures. De uitzondering of beperking wordt wat illustratie bij het onderwijs betreft ook geacht te gelden voor de speciale toegankelijkheidsbehoeften van personen met een beperking.
(16)  De uitzondering of beperking moet betrekking hebben op digitaal gebruik van werken en andere materialen om de onderwijs- en de daaraan verbonden leeractiviteiten te ondersteunen, te verrijken of aan te vullen. De uitzondering of beperking van het gebruik moet worden verleend zolang het werk of ander materiaal de bron vermeldt, met inbegrip van de naam van de auteur, tenzij dit wegens praktische redenen onmogelijk blijkt. Het gebruik van de werken of andere materialen overeenkomstig de uitzondering of beperking mag alleen plaatsvinden in het kader van onderwijs- en leeractiviteiten die onder de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen vallen, ook tijdens examens, en dient beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor het doel van deze activiteiten. De uitzondering of beperking dient te gelden zowel voor toepassing in digitale leermiddelen waarbij fysiek onderwijs wordt verstrekt, ook wanneer dat buiten de gebouwen van de onderwijsinstelling gebeurt, bijvoorbeeld in een bibliotheek of een instelling voor cultureel erfgoed, zolang het gebruik onder de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling plaatsvindt, als onlinegebruik via de beveiligde elektronische omgeving van onderwijsinstelling, en de toegang daartoe dient te worden beschermd, met name door authenticatieprocedures. De uitzondering of beperking wordt wat illustratie bij het onderwijs betreft ook geacht te gelden voor de speciale toegankelijkheidsbehoeften van personen met een beperking.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Een veilige elektronische omgeving moet worden begrepen als een digitale onderwijs- en leeromgeving waartoe de toegang door een passende authenticatieprocedure wordt beperkt tot het onderwijzend personeel van de onderwijsinstelling en de in een studieprogramma ingeschreven leerlingen of studenten.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  In een aantal lidstaten bestaan, op basis van de toepassing van de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde uitzondering of van licentieovereenkomsten voor verder gebruik, verschillende regelingen om het educatief gebruik van werken en andere materialen te vergemakkelijken. Deze regelingen zijn doorgaans ontwikkeld rekening houdend met de behoeften van onderwijsinstellingen en verschillende onderwijsniveaus. Hoewel het van essentieel belang is het toepassingsgebied van de nieuwe dwingende uitzondering of beperking met betrekking tot digitale toepassingen en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten te harmoniseren, kunnen de toepassingsvoorwaarden verschillen naargelang van de lidstaat, voor zover deze geen belemmering vormen voor de effectieve toepassing van de uitzondering of beperking op grensoverschrijdende gevallen. Dit moet de lidstaten de mogelijkheid bieden om voort te bouwen op de bestaande regelingen op nationaal niveau. Met name kunnen de lidstaten besluiten de toepassing van de uitzondering of beperking geheel of gedeeltelijk afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van passende licenties, die voor ten minste dezelfde toepassingen gelden als die welke volgens de uitzondering zijn toegestaan. Met dit mechanisme zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn voorrang te geven aan licenties voor materialen die in de eerste plaats bedoeld zijn voor de onderwijsmarkt. Om te voorkomen dat een dergelijk mechanisme leidt tot rechtsonzekerheid of administratieve lasten voor onderwijsinstellingen, moeten de lidstaten die voor deze aanpak kiezen, concrete maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat licentieregelingen voor digitale toepassingen van werken of andere materialen die bedoeld zijn voor illustratie bij onderwijs, vlot beschikbaar zijn en dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van het bestaan van dergelijke licentieregelingen.
(17)  In een aantal lidstaten bestaan, op basis van de toepassing van de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde uitzondering of van licentieovereenkomsten voor verder gebruik, verschillende regelingen om het educatief gebruik van werken en andere materialen te vergemakkelijken. Deze regelingen zijn doorgaans ontwikkeld rekening houdend met de behoeften van onderwijsinstellingen en verschillende onderwijsniveaus. Hoewel het van essentieel belang is het toepassingsgebied van de nieuwe dwingende uitzondering of beperking met betrekking tot digitale toepassingen en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten te harmoniseren, kunnen de toepassingsvoorwaarden verschillen naargelang van de lidstaat, voor zover deze geen belemmering vormen voor de effectieve toepassing van de uitzondering of beperking op grensoverschrijdende gevallen. Dit moet de lidstaten de mogelijkheid bieden om voort te bouwen op de bestaande regelingen op nationaal niveau. Met name kunnen de lidstaten besluiten de toepassing van de uitzondering of beperking geheel of gedeeltelijk afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van passende licenties. Deze licenties kunnen de vorm aannemen van collectieve licentieovereenkomsten, verruimde collectieve licentieovereenkomsten en licenties waarover collectief wordt onderhandeld, zoals mantellicenties, om te vermijden dat onderwijsinstellingen afzonderlijk met de rechthebbenden moeten onderhandelen. Deze licenties moeten betaalbaar zijn en voor ten minste dezelfde toepassingen gelden als die welke volgens de uitzondering zijn toegestaan. Met dit mechanisme zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn voorrang te geven aan licenties voor materialen die in de eerste plaats bedoeld zijn voor de onderwijsmarkt of voor onderwijs in onderwijsinstellingen of bladmuziek. Om te voorkomen dat een dergelijk mechanisme leidt tot rechtsonzekerheid of administratieve lasten voor onderwijsinstellingen, moeten de lidstaten die voor deze aanpak kiezen, concrete maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze licentieregelingen voor digitale toepassingen van werken of andere materialen die bedoeld zijn voor illustratie bij onderwijs, vlot beschikbaar zijn en dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van het bestaan van dergelijke licentieregelingen. De lidstaten moeten kunnen voorzien in systemen die zorgen voor billijke vergoeding voor rechthebbenden voor gebruik in het kader van die uitzonderingen of beperkingen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om systemen te gebruiken die geen administratieve last veroorzaken, zoals systemen die voorzien in eenmalige betalingen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   Om rechtszekerheid te bieden wanneer lidstaten besluiten om de toepassing van de uitzondering afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van passende licenties, moet worden verduidelijkt onder welke voorwaarden onderwijsinstellingen beschermde werken of andere materialen binnen die uitzondering mogen gebruiken en wanneer zij wel met een licentieregeling dienen te werken.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Een handeling die voor bewaringsdoeleinden wordt gesteld, kan de reproductie van werken of andere materialen in de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed vereisen, en bijgevolg kan de toestemming van de betrokken rechthebbenden daarvoor nodig kan zijn. Instellingen voor cultureel erfgoed zijn bezig met het bewaren van hun collecties voor toekomstige generaties. Digitale technologieën bieden nieuwe mogelijkheden om het erfgoed te bewaren dat in deze collecties vervat ligt, maar brengen ook nieuwe uitdagingen mee. Om in te gaan op deze nieuwe uitdagingen moet het huidige rechtskader worden aangepast en moet worden voorzien in een dwingende uitzondering op het reproductierecht, zodat deze handelingen met bewaringsdoeleinden mogelijk worden.
(18)  Een handeling die voor bewaringsdoeleinden van een werk of ander materiaal in de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed wordt gesteld, kan een reproductie vereisen, en bijgevolg kan de toestemming van de betrokken rechthebbenden daarvoor nodig zijn. Instellingen voor cultureel erfgoed zijn bezig met het bewaren van hun collecties voor toekomstige generaties. Digitale technologieën bieden nieuwe mogelijkheden om het erfgoed te bewaren dat in deze collecties vervat ligt, maar brengen ook nieuwe uitdagingen mee. Om in te gaan op deze nieuwe uitdagingen moet het huidige rechtskader worden aangepast en moet worden voorzien in een dwingende uitzondering op het reproductierecht, zodat deze handelingen met bewaringsdoeleinden door dergelijke instellingen mogelijk worden.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  De uiteenlopende aanpak die in de lidstaten wordt gekozen voor bewaringsactiviteiten van instellingen voor cultureel erfgoed, vormt voor deze instellingen een hinderpaal om over de grenzen heen samen te werken en middelen voor bewaring te delen in de interne markt, hetgeen leidt tot een inefficiënt gebruik van middelen.
(19)  De uiteenlopende aanpak die in de lidstaten wordt gekozen voor reproductieactiviteiten voor bewaring, vormt een hinderpaal om over de grenzen heen samen te werken, middelen voor bewaring te delen en grensoverschrijdende netwerken op te richten voor bewaring in de interne markt van organisaties die met bewaring bezig zijn, hetgeen leidt tot een inefficiënt gebruik van middelen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de bewaring van cultureel erfgoed.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  Het is derhalve noodzakelijk dat de lidstaten voorzien in een uitzondering zodat instellingen voor cultureel erfgoed in hun collecties werken en andere beschermde materialen die permanent deel uitmaken van hun collecties, voor bewaringsdoeleinden kunnen reproduceren, bijvoorbeeld om rekening te houden met technologische veroudering of aantasting van de oorspronkelijke dragers. Op basis van een dergelijke uitzondering wordt het mogelijk kopieën te maken door middel van de geschikte bewaringsinstrumenten, -middelen of -technologieën, in het vereiste aantal en op elk moment in de levenscyclus van een werk of ander materiaal, voor zover dit noodzakelijk is om een kopie te produceren die alleen bestemd is voor bewaringsdoeleinden.
(20)  Het is derhalve noodzakelijk dat de lidstaten voorzien in een uitzondering zodat instellingen voor cultureel erfgoed in hun collecties werken en andere beschermde materialen die permanent deel uitmaken van hun collecties, voor bewaringsdoeleinden kunnen reproduceren, om rekening te houden met technologische veroudering of aantasting van de oorspronkelijke dragers of werken te verzekeren. Op basis van een dergelijke uitzondering wordt het mogelijk kopieën te maken door middel van de geschikte bewaringsinstrumenten, -middelen of -technologieën, in welke vorm of welk medium dan ook, in het vereiste aantal, op elk moment in de levenscyclus van een werk of ander materiaal en voor zover dit noodzakelijk is om een kopie te produceren die alleen bestemd is voor bewaringsdoeleinden. De archieven van onderzoeksorganisaties of publieke omroeporganisaties moeten als instellingen voor cultureel erfgoed en dus als begunstigden van deze uitzondering worden beschouwd. De lidstaten moeten voor de toepassing van deze uitzondering bepalingen kunnen handhaven om publiek toegankelijke galerijen als musea te beschouwen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  Voor de toepassing van deze richtlijn worden werken en andere materialen geacht permanent deel uit te maken van de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed wanneer kopieën eigendom zijn of permanent in het bezit zijn van de instelling voor cultureel erfgoed, bijvoorbeeld ten gevolge van een overdracht van eigendom of licentieovereenkomsten.
(21)  Voor de toepassing van deze richtlijn worden werken en andere materialen geacht permanent deel uit te maken van de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed wanneer kopieën van deze werken of ander materiaal eigendom zijn of permanent in het bezit zijn van deze organisaties, bijvoorbeeld ten gevolge van een overdracht van eigendom, een wettig depot of een langlopende lening. Werken of ander materiaal waartoe instellingen voor cultureel erfgoed tijdelijk toegang hebben via een derde aanbieder van de dienst, worden niet beschouwd als permanent deel van hun collectie.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot diensten van de informatiemaatschappij waarmee gebruikers inhoud kunnen uploaden en beschikbaar stellen in verschillende vormen en voor verschillende doeleinden, waaronder een idee, kritiek, parodie of pastiche illustreren. Dergelijke inhoud kan korte fragmenten bevatten van reeds bestaande beschermde werken of ander materiaal, die deze gebruikers gewijzigd, gecombineerd of op een andere wijze omgevormd kunnen hebben.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 ter (nieuw)
(21 ter)  Ondanks enige overlapping met bestaande uitzonderingen of beperkingen, zoals die in verband met citeren en parodiëren, valt niet alle inhoud die door een gebruiker wordt geüpload of beschikbaar wordt gesteld en die redelijkerwijze fragmenten van beschermde werken of ander beschermd materiaal bevat, onder artikel 5 van Richtlijn 2001/29/EG. Dit soort situatie schept rechtsonzekerheid voor zowel gebruikers als rechthebbenden. Er moet daarom een nieuwe specifieke uitzondering worden ingesteld om het legitieme gebruik van fragmenten van beschermde werken of ander beschermd materiaal in inhoud die door een gebruiker wordt geüpload of beschikbaar wordt gesteld, toe te staan. Wanneer door een gebruiker gegenereerde of beschikbaar gestelde inhoud betrekking heeft op het korte en evenredige gebruik voor legitieme doeleinden van een korte passage of een kort citaat uit een werk of ander materiaal, moet dit gebruik beschermd worden door de uitzondering uit hoofde van deze richtlijn. Deze uitzondering mag slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast, mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het normale gebruik van het werk of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad. Om de geleden schade te beoordelen, moeten waar nodig de graad van originaliteit van het betreffende werk, de lengte en de omvang van de gebruikte passage of het gebruikte citaat, de professionele aard van de betreffende inhoud en de graad van economische schade worden onderzocht, waarbij het rechtmatige genot van de uitzondering niet worden uitgesloten. Deze uitzondering moet de morele rechten van de auteurs van het betreffende werk of ander materiaal onverlet laten.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 quater (nieuw)
(21 quater)  Het mag niet toegestaan worden dat de aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die in het toepassingsgebied van artikel 13 van deze richtlijn vallen, de uitzondering uit hoofde van deze richtlijn voor het gebruik van korte passages of korte citaten uit door gebruikers op deze informatiemaatschappijdiensten geüploade of beschikbaar gestelde beschermde werken of ander materiaal, in hun eigen voordeel kunnen aanwenden, om hun aansprakelijkheid of de omvang van de verplichtingen waaraan zij moeten voldoen uit hoofde van artikel 13 van deze richtlijn te beperken.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22
(22)  Instellingen voor cultureel erfgoed moeten profiteren van een duidelijk kader voor de digitalisering en verspreiding, ook over de grenzen heen, van werken of andere beschermde materialen die niet meer in de handel zijn. Wegens de specifieke kenmerken van de collecties van werken die niet meer in de handel zijn, kan het echter zeer moeilijk worden de voorafgaande toestemming van de individuele rechthebbenden te verkrijgen. Dit kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan de ouderdom van de werken en andere materialen, hun geringe commerciële waarde of het feit dat zij nooit voor commerciële doeleinden bestemd waren. Er moeten dan ook maatregelen worden genomen om de licentieverlening van rechten op werken die niet meer in de handel zijn en die zich in collecties van instellingen voor cultureel erfgoed bevinden, te vereenvoudigen en derhalve het sluiten van overeenkomsten met grensoverschrijdend effect in de interne markt mogelijk te maken.
(22)  Instellingen voor cultureel erfgoed moeten profiteren van een duidelijk kader voor de digitalisering en verspreiding, ook over de grenzen heen, van werken of andere beschermde materialen die niet meer in de handel zijn. Wegens de specifieke kenmerken van de collecties van werken die niet meer in de handel zijn, kan het echter zeer moeilijk worden de voorafgaande toestemming van de individuele rechthebbenden te verkrijgen. Dit kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan de ouderdom van de werken en andere materialen, hun geringe commerciële waarde of het feit dat zij nooit voor commerciële doeleinden bestemd waren of nooit in de handel zijn gebracht. Er moeten dan ook maatregelen worden genomen om het gebruik van werken die niet meer in de handel zijn en die zich in collecties van instellingen voor cultureel erfgoed bevinden, te vereenvoudigen en derhalve het sluiten van overeenkomsten met grensoverschrijdend effect in de interne markt mogelijk te maken.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Verschillende lidstaten hebben reeds verruimde collectieve licentieregelingen, wettelijke mandaten of wettelijke vermoedens die de licentieverlening van werken die niet meer in de handel zijn, vergemakkelijken. Gelet op de diversiteit van de werken en andere materialen in de collecties van instellingen voor cultureel erfgoed en de uiteenlopende vormen van collectief beheer in de lidstaten en de culturele sectoren, kunnen dergelijke maatregelen niet in alle gevallen een oplossing bieden, bijvoorbeeld omdat collectieve licentieverlening niet gebruikelijk is voor een bepaald soort werk of ander materiaal. In dergelijke specifieke omstandigheden moet er derhalve een uitzondering worden toegestaan waardoor erfgoedinstellingen werken in hun permanente collectie die niet meer in de handel zijn, online beschikbaar kunnen stellen onder de uitzondering op het auteursrecht en de naburige rechten. Hoewel het toepassingsgebied van de nieuwe verplichte uitzondering geharmoniseerd moet worden zodat grensoverschrijdend gebruik van werken die niet meer in de handel zijn, mogelijk is, moet het de lidstaten niettemin toegestaan zijn verruimde collectieve licentieverlening te (blijven) gebruiken die op nationaal niveau werden gesloten met instellingen voor cultureel erfgoed voor categorieën van werken die permanent in de collecties van de instellingen voor cultureel erfgoed zijn. Het gebrek aan overeenstemming over de voorwaarden van de licentie mag niet worden beschouwd als een gebrek aan beschikbaarheid van licentiegebaseerde oplossingen. Gebruik onder deze uitzondering moet worden onderworpen aan dezelfde opt-outvereisten en publiciteitsvoorschriften als gebruik toegestaan door een mechanisme voor licentieverlening. Om ervoor te zorgen dat de uitzondering slechts geldt wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan en om rechtszekerheid te bieden moeten de lidstaten in overleg met rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en organisaties voor cultureel erfgoed en op gepaste tijdsintervallen, bepalen voor welke sectoren en welke soorten werk gepaste licentiegebaseerde oplossingen niet beschikbaar zijn, waardoor de uitzondering moet worden toegepast.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  De lidstaten moeten binnen het bij deze richtlijn gestelde kader flexibiliteit krijgen om het specifieke soort mechanisme te kiezen waarmee licenties voor werken die niet meer in de handel zijn, in overeenstemming met hun juridische tradities, praktijken of omstandigheden, kunnen worden uitgebreid tot de rechten van niet door de organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigde rechthebbenden. Voor dergelijke mechanismen kan ook worden gedacht aan verruimde collectieve licentieverlening en vermoedens van vertegenwoordiging.
(23)  De lidstaten moeten binnen het bij deze richtlijn gestelde kader flexibiliteit krijgen om het specifieke soort mechanisme te kiezen waarmee licenties voor werken die niet meer in de handel zijn, in overeenstemming met hun juridische tradities, praktijken of omstandigheden, kunnen worden uitgebreid tot de rechten van niet door de relevante organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigde rechthebbenden. Voor dergelijke mechanismen kan ook worden gedacht aan verruimde collectieve licentieverlening en vermoedens van vertegenwoordiging.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24
(24)  Voor de toepassing van deze licentiemechanismen is een strikt en goed functionerend systeem voor collectief rechtenbeheer belangrijk. Dat systeem omvat met name regels inzake goed bestuur, transparantie en verslaglegging, alsook regelmatige, zorgvuldige en nauwkeurige verdeling en uitbetaling van de bedragen die aan individuele rechthebbenden verschuldigd zijn, zoals bepaald in Richtlijn 2014/26/EU. Er moeten passende aanvullende waarborgen beschikbaar zijn voor alle rechthebbenden, die de mogelijkheid moeten krijgen om de toepassing van dergelijke mechanismen op hun werken of andere materialen uit te sluiten. De voorwaarden die aan deze mechanismen verbonden worden, mogen de praktische relevantie daarvan voor instellingen voor cultureel erfgoed niet aantasten.
(24)  Voor de toepassing van deze licentiemechanismen is een strikt en goed functionerend systeem voor collectief rechtenbeheer belangrijk en dient een dergelijk systeem door de lidstaten te worden aangemoedigd. Dat systeem omvat met name regels inzake goed bestuur, transparantie en verslaglegging, alsook regelmatige, zorgvuldige en nauwkeurige verdeling en uitbetaling van de bedragen die aan individuele rechthebbenden verschuldigd zijn, zoals bepaald in Richtlijn 2014/26/EU. Er moeten passende aanvullende waarborgen beschikbaar zijn voor alle rechthebbenden, die de mogelijkheid moeten krijgen om de toepassing van dergelijke licentiemechanismen of van dergelijke uitzonderingen op hun werken of andere materialen uit te sluiten. De voorwaarden die aan deze mechanismen verbonden worden, mogen de praktische relevantie daarvan voor instellingen voor cultureel erfgoed niet aantasten.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Gelet op de diversiteit van de werken en andere materialen in de collecties van instellingen voor cultureel erfgoed is het van belang dat de bij deze richtlijn ingevoerde mechanismen voor licentieverlening beschikbaar zijn en in de praktijk kunnen worden ingezet voor verschillende soorten werken en andere materialen, waaronder foto’s, geluidsopnamen en audiovisuele werken. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van verschillende categorieën werken en andere materialen wat de wijze van publicatie en distributie betreft, en om de bruikbaarheid van deze mechanismen te bevorderen, kan het zijn dat lidstaten specifieke voorschriften en procedures moeten instellen voor de praktische toepassing van die licentieregelingen. Het is aangewezen dat de lidstaten rechthebbenden, gebruikers en organisaties voor collectief beheer raadplegen wanneer zij dat doen.
(25)  Gelet op de diversiteit van de werken en andere materialen in de collecties van instellingen voor cultureel erfgoed is het van belang dat de bij deze richtlijn ingevoerde mechanismen voor licentieverlening beschikbaar zijn en in de praktijk kunnen worden ingezet voor verschillende soorten werken en andere materialen, waaronder foto’s, geluidsopnamen en audiovisuele werken. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van verschillende categorieën werken en andere materialen wat de wijze van publicatie en distributie betreft, en om de bruikbaarheid van de door deze richtlijn ingevoerde oplossingen voor het gebruik van werken die niet in de handel zijn, te bevorderen, kan het zijn dat lidstaten specifieke voorschriften en procedures moeten instellen voor de praktische toepassing van die licentieregelingen. Het is aangewezen dat de lidstaten rechthebbenden, instellingen voor cultureel erfgoed en organisaties voor collectief beheer raadplegen wanneer zij dat doen.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26
(26)  Volgens de internationale geplogenheden mogen de bij deze richtlijn ingestelde licentieverleningsmechanismen voor digitalisering en verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, niet gelden voor werken of andere materialen die voor de eerste maal gepubliceerd zijn, of indien er geen sprake is van publicatie, voor de eerste maal uitgezonden zijn in een derde land, of in het geval van cinematografische of audiovisuele werken voor werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een derde land heeft. Deze mechanismen mogen evenmin worden toegepast op werken of andere materialen van onderdanen van derde landen, behalve wanneer deze voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen sprake is van publicatie, voor het eerst zijn uitgezonden op het grondgebied van een lidstaat of, in het geval van cinematografische of audiovisuele werken, op werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft.
(26)  Volgens de internationale geplogenheden mogen de bij deze richtlijn ingestelde licentieverleningsmechanismen en de uitzondering voor digitalisering en verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, niet gelden voor werken of andere materialen die voor de eerste maal gepubliceerd zijn, of indien er geen sprake is van publicatie, voor de eerste maal uitgezonden zijn in een derde land, of in het geval van cinematografische of audiovisuele werken voor werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een derde land heeft. Deze mechanismen mogen evenmin worden toegepast op werken of andere materialen van onderdanen van derde landen, behalve wanneer deze voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen sprake is van publicatie, voor het eerst zijn uitgezonden op het grondgebied van een lidstaat of, in het geval van cinematografische of audiovisuele werken, op werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27
(27)  Aangezien grootschalige digitaliseringsprojecten aanzienlijke investeringen door instellingen voor cultureel erfgoed kunnen inhouden, mogen de volgens de mechanismen van deze richtlijn verleende licenties voor deze instellingen geen hinderpaal vormen om redelijke inkomsten te genereren voor de dekking van de kosten voor de licentie en de digitalisering en verspreiding van de onder de licentie vallende werken en andere beschermde materialen.
(27)  Aangezien grootschalige digitaliseringsprojecten aanzienlijke investeringen door instellingen voor cultureel erfgoed kunnen inhouden, mogen de volgens de mechanismen van deze richtlijn verleende licenties voor deze instellingen geen hinderpaal vormen om de kosten te dekken voor de licentie en de digitalisering en verspreiding van de onder de licentie vallende werken en andere beschermde materialen.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Er moet op passende wijze informatie worden bekendgemaakt over het huidige en toekomstige gebruik van werken en andere materialen die niet meer in de handel zijn, dat instellingen voor cultureel erfgoed maken op basis van de bij deze richtlijn ingestelde mechanismen voor licentieverlening, en over de bestaande regelingen voor alle rechthebbenden om de toepassing van licenties op hun werken of andere materialen uit te sluiten. Dit is vooral belangrijk voor grensoverschrijdend gebruik binnen de interne markt. Daarom moet worden voorzien in de oprichting van één enkel publiek toegankelijk onlineportaal voor de Unie waar deze informatie gedurende een redelijke termijn voor het publiek beschikbaar wordt gesteld voordat het grensoverschrijdende gebruik plaatsvindt. Krachtens Verordening (EU) nr. 386/2012 van het Europees Parlement en de Raad33 wordt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie belast met bepaalde taken en activiteiten, die het met behulp van de eigen begrotingsmiddelen financiert, met als doel de activiteiten van nationale autoriteiten, de particuliere sector en de instellingen van de Unie te faciliteren en te ondersteunen bij het bestrijden maar ook bij het voorkomen van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten. Daarom is het aangewezen een beroep te doen op dat Bureau voor de oprichting en het beheer van een Europees portaal ten aanzien waar deze informatie toegankelijk wordt gesteld.
(28)  Er moet op passende wijze informatie worden bekendgemaakt over het huidige en toekomstige gebruik van werken en andere materialen die niet meer in de handel zijn, dat instellingen voor cultureel erfgoed maken op basis van de bij deze richtlijn ingestelde mechanismen voor licentieverlening of de uitzondering, en over de bestaande regelingen voor alle rechthebbenden om de toepassing van licenties of de uitzondering op hun werken of andere materialen uit te sluiten. Dit is vooral belangrijk voor grensoverschrijdend gebruik binnen de interne markt. Daarom moet worden voorzien in de oprichting van één enkel publiek toegankelijk onlineportaal voor de Unie waar deze informatie gedurende een redelijke termijn voor het publiek beschikbaar wordt gesteld voordat het grensoverschrijdende gebruik plaatsvindt. Krachtens Verordening (EU) nr. 386/2012 van het Europees Parlement en de Raad wordt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie belast met bepaalde taken en activiteiten, die het met behulp van de eigen begrotingsmiddelen financiert, met als doel de activiteiten van nationale autoriteiten, de particuliere sector en de instellingen van de Unie te faciliteren en te ondersteunen bij het bestrijden maar ook bij het voorkomen van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten. Daarom is het aangewezen een beroep te doen op dat Bureau voor de oprichting en het beheer van een Europees portaal ten aanzien waar deze informatie toegankelijk wordt gesteld.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Om ervoor te zorgen dat de licentieverleningsmechanismen voor werken die niet meer in de handel zijn relevant zijn, correct werken en rechthebbenden voldoende bescherming bieden, dat licenties voldoende bekendheid krijgen en dat de rechtszekerheid ten aanzien van de representativiteit van organisaties voor collectief beheer en de indeling van werken wordt gewaarborgd, dienen de lidstaten sectorspecifiek overleg met belanghebbenden te stimuleren.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30
(30)  Om de licentieverlening voor rechten op audiovisuele werken op video-on-demandplatforms te bevorderen, verplicht deze richtlijn de lidstaten ertoe een onderhandelingsmechanisme op te zetten waarin partijen die bereid zijn om een overeenkomst te sluiten, een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie. Deze instantie moet de partijen bijeenbrengen en hen met professionele en externe adviesverlening ondersteunen bij de onderhandelingen. In dat verband moeten de lidstaten bepalen onder welke voorwaarden het onderhandelingsmechanisme moet verlopen, met inbegrip van de timing en duur van de bijstand bij de onderhandelingen en de toewijzing van de kosten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de administratieve en financiële lasten evenredig blijven om de efficiëntie van het onderhandelingsforum te garanderen.
(30)  Om de licentieverlening voor rechten op audiovisuele werken op video-on-demandplatforms te bevorderen, moeten de lidstaten een onderhandelingsmechanisme opzetten, beheerd door een daartoe aangewezen bestaande of nieuw opgerichte nationale instantie, waarin partijen die bereid zijn om een overeenkomst te sluiten, een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie. De deelname aan dit onderhandelingsmechanisme en de daarop volgende sluiting van overeenkomsten moet vrijwillig zijn. Wanneer bij de onderhandelingen partijen uit verschillende lidstaten betrokken zijn, dienen zij het van tevoren eens te worden over de lidstaat die bevoegd is indien zij besluiten een beroep te doen op het onderhandelingsmechanisme. Deze instantie moet de partijen bijeenbrengen en hen met professionele, onpartijdige en externe adviesverlening ondersteunen bij de onderhandelingen. In dat verband moeten de lidstaten bepalen onder welke voorwaarden het onderhandelingsmechanisme moet verlopen, met inbegrip van de timing en duur van de bijstand bij de onderhandelingen en de verdeling van eventuele kosten, en de samenstelling van deze instanties. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de administratieve en financiële lasten evenredig blijven om de efficiëntie van het onderhandelingsforum te garanderen.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  Behoud van het erfgoed van de Unie is van uiterst belang en moet worden versterkt in het belang van komende generaties. Dit moet worden gerealiseerd door bescherming van onder meer uitgegeven erfgoed. Hiertoe moet een wettig depot worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat publicaties over de Unie, Unierecht, Uniegeschiedenis en -integratie, Uniebeleid en Unie-democratie, institutionele en parlementaire zaken en beleid, en daarmee de intellectuele gedachtegoed in de Unie en toekomstig uitgegeven erfgoed systematisch worden verzameld. Dit erfgoed moet niet alleen worden bewaard in een Unie-archief voor publicaties over Unie-onderwerpen maar ook ter beschikking komen van Unie-burgers en komende generaties. De bibliotheek van het Europees Parlement, de enige instelling die de burgers direct vertegenwoordigt, moet fungeren als depothouder van de Unie. Om uitgevers, drukkers en importeurs niet teveel te belasten worden alleen elektronische publicaties, e-boeken, e-kranten en e-tijdschriften in de bibliotheek van het Europees Parlement gedeponeerd, zodat de gedeponeerde publicaties ter inzage liggen voor research of studie onder toezicht van de EP-bibliotheek. Deze publicaties mogen niet online voor de buitenwereld beschikbaar worden gesteld.
Amendementen 33 en 137
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31
(31)  Een vrije en pluralistische pers is van essentieel belang voor de kwaliteit van de journalistiek en de toegang van burgers tot informatie. Zij levert een fundamentele bijdrage tot het publieke debat en de goede werking van een democratische samenleving. Bij de overgang van de drukpers naar de digitale media worden persuitgevers geconfronteerd met problemen om licenties te verlenen voor onlinegebruik van hun publicaties en daarbij hun investeringen terug te verdienen. Aangezien uitgevers van perspublicaties niet als rechthebbenden worden erkend, is het verlenen en het handhaven van licenties in de digitale omgeving vaak complex en inefficiënt.
(31)  Een vrije en pluralistische pers is van essentieel belang voor de kwaliteit van de journalistiek en de toegang van burgers tot informatie. Zij levert een fundamentele bijdrage tot het publieke debat en de goede werking van een democratische samenleving. Het groeiende onevenwicht tussen machtige platforms en persuitgeverijen, die ook persagentschappen kunnen zijn, heeft reeds tot een aanzienlijke achteruitgang van het medialandschap op regionaal niveau geleid. Bij de overgang van de drukpers naar de digitale media worden persuitgevers en persagentschappen geconfronteerd met problemen om licenties te verlenen voor onlinegebruik van hun publicaties en daarbij hun investeringen terug te verdienen. Aangezien uitgevers van perspublicaties niet als rechthebbenden worden erkend, is het verlenen en het handhaven van licenties in de digitale omgeving vaak complex en inefficiënt.
Amendementen 34 en 138
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32
(32)  De organisatorische en financiële bijdrage die uitgevers leveren in de aanmaak van publicaties van de pers, dient te worden erkend en verder aangemoedigd om de duurzaamheid van het uitgeversbedrijf te garanderen. Daarom moet op het niveau van de Unie een geharmoniseerde rechtsbescherming worden ingesteld met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties. Deze bescherming dient daadwerkelijk te worden gewaarborgd door de invoering in het Unierecht van naburige auteursrechten voor de reproductie en de beschikbaarstelling aan het publiek met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties.
(32)  De organisatorische en financiële bijdrage die uitgevers leveren in de aanmaak van publicaties van de pers, dient te worden erkend en verder aangemoedigd om de duurzaamheid van het uitgeversbedrijf en daardoor de beschikbaarheid van betrouwbare informatie te garanderen. Daarom moet door de lidstaten op het niveau van de Unie een geharmoniseerde rechtsbescherming worden ingesteld met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties in de Unie. Deze bescherming dient daadwerkelijk te worden gewaarborgd door de invoering in het Unierecht van naburige auteursrechten voor de reproductie en de beschikbaarstelling aan het publiek met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties om een eerlijke en evenredige vergoeding voor dergelijk gebruik te verkrijgen. Particulier gebruik moet van deze verwijzing worden uitgesloten. Bovendien mag de opname in een zoekmachine niet als een eerlijke en evenredige vergoeding worden beschouwd.
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  Voor de toepassing van deze richtlijn dient een definitie te worden vastgesteld van het begrip perspublicatie in die zin dat het alleen betrekking heeft op journalistieke publicaties, uitgegeven door een dienstenaanbieder, die in welke media dan ook periodiek of regelmatig worden bijgewerkt, met de bedoeling te informeren of te vermaken. Dergelijke publicaties omvatten bijvoorbeeld dag-, week- of maandbladen met een algemene of specifieke inhoud en websites voor nieuws. Periodieke publicaties die voor wetenschappelijk of academische doeleinden worden uitgegeven, zoals wetenschappelijke bladen, mogen niet vallen onder de bescherming die krachtens deze richtlijn aan perspublicaties wordt verleend. Deze bescherming strekt zich niet uit tot handelingen van hyperlinking die geen mededeling aan het publiek vormen.
(33)  Voor de toepassing van deze richtlijn dient een definitie te worden vastgesteld van het begrip perspublicatie in die zin dat het alleen betrekking heeft op journalistieke publicaties, uitgegeven door een dienstenaanbieder, die in welke media dan ook periodiek of regelmatig worden bijgewerkt, met de bedoeling te informeren of te vermaken. Dergelijke publicaties omvatten bijvoorbeeld dag-, week- of maandbladen met een algemene of specifieke inhoud en websites voor nieuws. Periodieke publicaties die voor wetenschappelijk of academische doeleinden worden uitgegeven, zoals wetenschappelijke bladen, mogen niet vallen onder de bescherming die krachtens deze richtlijn aan perspublicaties wordt verleend. Deze bescherming strekt zich niet uit tot handelingen van hyperlinking. De bescherming strekt zich evenmin uit tot feitelijke informatie waarover in journalistieke artikelen van een perspublicatie wordt bericht en belet bijgevolg niemand over dergelijke feitelijke informatie te berichten.
Amendementen 36 en 140
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 34
(34)  De krachtens deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties verleende rechten dienen dezelfde strekking te hebben als de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten van reproductie en beschikbaarstelling aan het publiek, voor zover het om digitale toepassingen gaat. Zij moeten ook worden onderworpen aan dezelfde bepalingen inzake uitzonderingen en beperkingen als die welke gelden voor de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten, waaronder de uitzondering voor citaten ten behoeve van kritieken of recensies, als vastgesteld in artikel 5, lid 3, onder d), van die richtlijn.
(34)  De krachtens deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties verleende rechten dienen dezelfde strekking te hebben als de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten van reproductie en beschikbaarstelling aan het publiek, voor zover het om digitale toepassingen gaat. De lidstaten moeten deze rechten ook kunnen onderwerpen aan dezelfde bepalingen inzake uitzonderingen en beperkingen als die welke gelden voor de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten, waaronder de uitzondering voor citaten ten behoeve van kritieken of recensies, als vastgesteld in artikel 5, lid 3, onder d), van die richtlijn.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35
(35)  De bescherming die uit hoofde van deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties wordt verleend, mag geen afbreuk doen aan de rechten van auteurs en andere rechthebbenden op de daarin opgenomen werken en andere materialen, ook wat betreft de reikwijdte waarin auteurs en andere rechthebbenden hun werken of andere beschermde materialen onafhankelijk van de perspublicatie waarvan deze deel uitmaken, kunnen exploiteren. Daarom mogen uitgevers van perspublicaties zich niet beroepen op de hun verleende bescherming ten aanzien van auteurs en andere rechthebbenden. Dit geldt onverminderd contractuele regelingen tussen uitgevers van perspublicaties enerzijds en auteurs en andere rechthebbenden anderzijds.
(35)  De bescherming die uit hoofde van deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties wordt verleend, mag geen afbreuk doen aan de rechten van auteurs en andere rechthebbenden op de daarin opgenomen werken en andere materialen, ook wat betreft de reikwijdte waarin auteurs en andere rechthebbenden hun werken of andere beschermde materialen onafhankelijk van de perspublicatie waarvan deze deel uitmaken, kunnen exploiteren. Daarom mogen uitgevers van perspublicaties zich niet beroepen op de hun verleende bescherming ten aanzien van auteurs en andere rechthebbenden. Dit geldt onverminderd contractuele regelingen tussen uitgevers van perspublicaties enerzijds en auteurs en andere rechthebbenden anderzijds. Ondanks het feit dat de auteurs wier werk is opgenomen in een perspublicatie een gepaste vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun werk op basis van de voorwaarden voor de licentieverlening van hun werk aan de persuitgever, moeten auteurs wier werk is opgenomen in een perspublicatie, recht hebben op een gepast aandeel van de nieuwe bijkomende inkomsten die persuitgevers ontvangen voor bepaalde soorten van voortgezet gebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij met betrekking tot de rechten bedoeld in artikel 11, lid 1, van deze richtlijn. Het bedrag van de aan de auteurs toegewezen vergoeding moet rekening houden met de specifieke industriële licentienormen met betrekking tot werk dat wordt opgenomen in een perspublicatie, die in de respectieve lidstaat als gepast worden aanvaard; en de aan de auteurs toegewezen vergoeding mag geen afbreuk do en aan de licentievoorwaarden die tussen de auteur en de persuitgever werden overeengekomen voor het gebruik van het artikel van de auteur door de persuitgever.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Uitgevers, waaronder uitgevers van perspublicaties, boeken of wetenschappelijke werken, ontplooien hun activiteiten vaak op basis van de overdracht van de rechten van auteurs krachtens contractuele overeenkomsten of wettelijke regelingen. In dit verband verrichten uitgevers een investering met het oog op de exploitatie van de in hun publicaties vervatte werken en kunnen zij in sommige gevallen van inkomsten verstoken blijven wanneer het gebruik van deze werken onder een uitzondering of beperking valt zoals in het geval van kopiëren voor privégebruik en reprografie. In een aantal lidstaten wordt de compensatie voor onder deze uitzonderingen vallende toepassingen gedeeld tussen auteurs en uitgevers. Om rekening te houden met deze situatie en om de rechtszekerheid voor alle betrokken partijen te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat, wanneer een auteur zijn rechten heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven aan een uitgever of met zijn werken op een andere wijze bijdraagt aan een publicatie, en wanneer er systemen bestaan om een compensatie te verlenen voor het door de uitzondering of beperking veroorzaakte nadeel, uitgevers aanspraak kunnen maken op een deel van deze compensatie, terwijl de lasten voor de uitgever om zijn aanspraak te staven niet verder mogen gaan dan hetgeen nodig is in het kader van het bestaande systeem.
(36)  Uitgevers, waaronder uitgevers van perspublicaties, boeken of wetenschappelijke werken en muziekpublicaties, ontplooien hun activiteiten op basis van contractuele overeenkomsten met auteurs. In dit verband verrichten uitgevers een investering en verwerven rechten, op sommige gebieden, waaronder rechten om een deel van de vergoeding binnen organisaties voor collectief beheer van auteurs en uitgevers te eisen, met het oog op de exploitatie van de in hun publicaties vervatte werken en kunnen zij van inkomsten verstoken blijven wanneer het gebruik van deze werken onder een uitzondering of beperking valt zoals in het geval van kopiëren voor privégebruik en reprografie. In een groot aantal lidstaten wordt de compensatie voor onder deze uitzonderingen vallende toepassingen gedeeld tussen auteurs en uitgevers. Om rekening te houden met deze situatie en om de rechtszekerheid voor alle betrokken partijen te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen voorzien in een gelijkwaardig systeem voor de verdeling van de compensatie, indien dergelijk systeem voor 12 november 2015 bestond in die lidstaat. De verdeling van deze vergoeding tussen auteurs en uitgevers kan worden vastgesteld in de interne regels van de organisatie voor collectief beheer die gezamenlijk namens auteurs en uitgevers handelen, of door de lidstaten in een wet of regelgeving, in overeenstemming met het gelijkwaardige systeem dat voor 12 november 2015 in die lidstaat bestond. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regelingen in de lidstaten inzake openbare uitleningsrechten, het beheer van rechten die niet zijn gebaseerd op uitzonderingen of beperkingen van het auteursrecht, zoals verruimde collectieve licentieregelingen, of inzake vergoedingsrechten op basis van het nationale recht.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)   De culturele en creatieve sector speelt een belangrijke rol bij de herindustrialisering van Europa, stimuleert groei en is strategisch goed geplaatst om voor "spill-over" van innovaties naar andere industriesectoren te zorgen. Daarnaast is de culturele en creatieve sector een drijvende kracht achter innovatie en ontwikkeling van ICT in Europa. De culturele en creatieve sector in Europa is goed voor meer dan 12 miljoen voltijdse banen, hetgeen 7,5 % van de beroepsbevolking in de Unie is, en creëert ongeveer 509 miljard EUR toegevoegde waarde voor het bbp (5,3 % van de totale bruto toegevoegde waarde in de EU). De bescherming van auteursrechten en gerelateerde rechten genereert een belangrijk deel van de inkomsten van de culturele en creatieve sector.
Amendementen 40 en 215 rev
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37
(37)  De afgelopen jaren is de werking van de markt voor online-inhoud complexer geworden. Onlinediensten met toegang tot auteursrechtelijk beschermde inhoud die door gebruikers ervan is geüpload zonder dat de rechthebbenden hierbij betrokken zijn, floreren welig en vormen nu een belangrijke bron van toegang tot online-inhoud. Dit heeft invloed op de mogelijkheden voor rechthebbenden om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, hun werken en andere materialen worden gebruikt, alsmede op hun kansen om hiervoor een passende vergoeding te verkrijgen.
(37)  De afgelopen jaren is de werking van de markt voor online-inhoud complexer geworden. Onlinediensten met toegang tot auteursrechtelijk beschermde inhoud die door gebruikers ervan is geüpload zonder dat de rechthebbenden hierbij betrokken zijn, floreren welig en vormen nu een belangrijke bron van toegang tot auteursrechtelijk beschermde online-inhoud. Onlinediensten zijn een middel om de toegang tot cultureel en creatief werk te vergroten, en bieden tal van mogelijkheden voor de culturele en creatieve sector om nieuwe zakelijke modellen te ontwikkelen. Hoewel zij gevarieerde en eenvoudig toegankelijke inhoud voortbrengen, ontstaan ook uitdagingen wanneer auteursrechtelijk beschermde inhoud zonder voorafgaande toestemming van rechthebbenden wordt geüpload. Dit heeft invloed op de mogelijkheden voor rechthebbenden om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, hun werken en andere materialen worden gebruikt, alsmede op hun kansen om hiervoor een passende vergoeding te verkrijgen, aangezien sommige diensten voor door gebruikers geüploade inhoud geen licentieovereenkomsten sluiten omdat zij beweren onder de "veilige haven"-aansprakelijkheidsvrijstelling op grond van Richtlijn 2000/31/EG te vallen.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)   Bepaalde diensten van de informatiemaatschappij zijn, als onderdeel van hun normale gebruik, ontworpen om het publiek toegang te verlenen tot door gebruikers geüploade auteursrechtelijk beschermde inhoud of ander materiaal. De definitie in het kader van deze richtlijn van een aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen omvat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij waarvan een van de belangrijkste doelstellingen is aanzienlijke hoeveelheden door de gebruikers beschikbaar gestelde of geüploade auteursrechtelijk beschermde inhoud op te slaan, het publiek ertoe toegang te verschaffen of te vertonen en die inhoud te optimaliseren, en te promoten om winst te maken, onder meer door het weergeven, taggen, beheer, rangschikken van de geüploade werken of ander materiaal, ongeacht de daarvoor gebruikte middelen, en daarom actief op te treden. Zij kunnen bijgevolg niet profiteren van de vrijstelling van aansprakelijkheid waarin artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG voorziet. De definitie in het kader van deze richtlijn van een aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen omvat niet micro-ondernemingen en kleine ondernemingen in de zin van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie, noch dienstverleners die in een niet-commerciële hoedanigheid optreden, zoals online-encyclopedieën, en verleners van onlinediensten waarbij de inhoud wordt geüpload met toestemming van alle betrokken rechthebbenden, zoals onderwijs- of wetenschappelijke gegevensbanken. Verleners van clouddiensten voor individueel gebruik die geen rechtstreekse toegang tot het publiek verstrekken, open source software-ontwikkelingsplatforms en onlinemarktplaatsen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit de onlinedetailverkoop van fysieke goederen, mogen niet als aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen in het kader van deze richtlijn worden beschouwd.
Amendementen 144, 145 en 146
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 38
(38)  Wanneer aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij voorzien in de opslag van en de toegang tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere materialen die door de gebruikers ervan zijn geüpload, en zodoende verder gaan dan de loutere beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten en een handeling van mededeling aan het publiek verrichten, zijn zij verplicht licentieovereenkomsten met rechthebbenden te sluiten, tenzij zij in aanmerking komen voor de vrijstelling van aansprakelijkheid waarin artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad34 voorziet.
(38)  Aanbieders van onlinediensten om inhoud te delen verrichten een handeling van mededeling aan het publiek en zijn daarom verantwoordelijk voor hun inhoud en moeten daarom billijke en passende licentieovereenkomsten met rechthebbenden sluiten. Wanneer licentieovereenkomsten worden gesloten, moeten zij eveneens, in dezelfde omvang en reikwijdte, betrekking hebben op de aansprakelijkheid van gebruikers wanneer zij optreden in een niet-commerciële hoedanigheid. Overeenkomstig artikel 11, lid 2 bis, strekt de verantwoordelijkheid van aanbieders van online diensten om inhoud te delen als bedoeld in artikel 13 zich niet uit tot handelingen van hyperlinking in het geval van perspublicaties. De dialoog tussen belanghebbenden is essentieel in de digitale wereld. Zij moeten beste paktijken bepalen om de werking van licentieovereenkomsten en de samenwerking tussen aanbieders van onlinediensten om inhoud te delen en rechthebbenden te waarborgen. Bij deze beste praktijken moet rekening worden gehouden met de omvang van de door de dienst aangeboden inhoud die inbreuk maakt op de auteursrechten.
Met betrekking tot artikel 14 moet worden nagegaan of de dienstverlener een actieve rol speelt, onder meer door de presentatie van de geüploade werken of andere materialen te optimaliseren of door deze te promoten, ongeacht de aard van de daarvoor gebruikte middelen.
Om de werking van een licentieovereenkomst te verzekeren moeten aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die zich bezighouden met het opslaan van en het verlenen van publieke toegang tot grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere materialen, passende en evenredige maatregelen nemen, zoals de toepassing van doeltreffende technologieën, om de bescherming van werken of andere materialen te garanderen. Deze verplichting moet ook van toepassing zijn wanneer de aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij in aanmerking komen voor de in artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG omschreven vrijstelling van aansprakelijkheid.
_________________
34 Richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39
(39)  Voor de werking van technologieën, zoals technologieën voor herkenning van inhoud, is het van uiterst belang dat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die zich bezighouden met het opslaan van en het verlenen van publieke toegang tot grote hoeveelheden door de gebruikers ervan geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere materialen, samenwerking aangaan met rechthebbenden. In dergelijke gevallen moeten de rechthebbenden de nodige gegevens verstrekken om de diensten in staat te stellen hun inhoud te onderzoeken, en moeten de diensten met betrekking tot de gebruikte technologieën transparant zijn ten aanzien van de rechthebbenden, die de geschiktheid ervan moeten kunnen beoordelen. De diensten moeten rechthebbenden met name voorzien van informatie over de aard van de gebruikte technologieën, de manier waarop deze worden toegepast en de mate waarin hiermee resultaten worden geboekt bij de herkenning van inhoud van rechthebbenden. Deze technologieën moeten rechthebbenden ook in staat stellen om van aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij informatie te verkrijgen over het gebruik van hun inhoud waarop een overeenkomst van toepassing is.
(39)  De lidstaten dienen te bepalen dat indien rechthebbenden geen licentieovereenkomsten wensen te sluiten, aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en rechthebbenden te goeder trouw moeten samenwerken om te waarborgen dat er op hun diensten geen niet-toegestane beschermde werken en andere materialen beschikbaar zijn. De samenwerking tussen aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en rechthebbenden mag niet leiden tot een verhindering van de beschikbaarheid van werken of ander beschermd materiaal die geen inbreuk vormen, met inbegrip van werken en ander beschermd materiaal waarvoor een uitzondering op of een beperking van het auteursrecht geldt.
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)   De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud doeltreffende en snelle klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen die beschikbaar zijn voor gebruikers indien de in lid 2 bis bedoelde samenwerking tot onterechte verwijdering van hun inhoud leidt. Alle klachten die in het kader van deze mechanismen worden ingediend, dienen onverwijld te worden behandeld. De rechthebbenden dienen hun besluiten te motiveren om willekeurige afwijzing van klachten te voorkomen. Bovendien mag de samenwerking overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 2002/58/EG en de algemene verordening gegevensbescherming niet leiden tot enige identificatie van individuele gebruikers noch de verwerking van hun persoonsgegevens. De lidstaten dienen er tevens voor te zorgen dat de gebruikers toegang hebben tot een onafhankelijk orgaan voor geschillenbeslechting en tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht te laten gelden.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 ter (nieuw)
(39 ter)   Zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze richtlijn dienen de Commissie en de lidstaten dialogen tussen belanghebbenden te organiseren om de beste praktijken te harmoniseren en te definiëren. Zij moeten richtsnoeren uitvaardigen om de werking van licentieovereenkomsten te waarborgen, alsmede richtsnoeren betreffende de samenwerking tussen aanbieders van diensten voor het delen van online-inhoud en houders van rechten voor het gebruik van hun werken of ander materiaal in de zin van deze richtlijn. Bij de vaststelling van beste praktijken moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de grondrechten en de toepassing van uitzonderingen en beperkingen. Ook moet bijzondere aandacht worden besteed aan het waarborgen dat de last voor het MKB passend blijft en dat geautomatiseerde blokkering van inhoud wordt vermeden.
Amendementen 44 en 219
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 quater (nieuw)
(39 quater)   De lidstaten moeten zorgen voor een intermediair mechanisme waardoor aanbieders en rechthebbenden een minnelijke oplossing vinden voor geschillen die voortvloeien uit hun samenwerkingsovereenkomsten. Hiertoe moeten de lidstaten een onpartijdige instantie aanwijzen die over de nodige ervaring en bekwaamheid beschikt om de partijen bij de beslechting van hun geschil bij te staan.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 quinquies (nieuw)
(39 quinquies)   In beginsel moeten rechthebbenden altijd een billijke en passende vergoeding krijgen. Auteurs en uitvoerende kunstenaars die met tussenpersonen, zoals platenmaatschappijen en producenten, overeenkomsten hebben gesloten, moeten van hen een billijke en passende vergoeding krijgen, hetzij via individuele overeenkomsten en/of collectieve arbeidsovereenkomsten, collectieve beheerovereenkomsten of regels die een soortgelijk effect hebben, bijvoorbeeld gezamenlijke verloningsregels. Deze vergoeding moet expliciet in de overeenkomsten worden vermeld volgens de vorm van exploitatie, waaronder online-exploitatie. De lidstaten moeten ook de specifieke kenmerken van elke sector nagaan en moeten kunnen bepalen dat vergoeding wordt geacht billijk en passend te zijn, indien ze wordt bepaald in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomsten of gezamenlijke beloningsovereenkomsten.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40
(40)  Bepaalde rechthebbenden, zoals auteurs en uitvoerende kunstenaars, hebben informatie nodig om de economische waarde te kunnen schatten van hun rechten die op grond van het Unierecht zijn geharmoniseerd. Dit is met name het geval wanneer deze rechthebbenden een licentie verlenen of hun rechten overdragen tegen een vergoeding. Auteurs en uitvoerende kunstenaars bevinden zich gewoonlijk in een zwakkere contractuele positie wanneer zij licenties verlenen of hun rechten overdragen: zij hebben dan ook informatie nodig om de voortdurende economische waarde van hun rechten in te schatten tegenover de vergoeding die zij ontvangen voor hun licentie of overdracht, maar hebben vaak af te rekenen met een gebrek aan transparantie. Voor de transparantie en het evenwicht binnen het stelsel dat de vergoeding voor auteurs en uitvoerende kunstenaars regelt, is het derhalve belangrijk dat hun contractpartners of hun rechtsopvolgers passende informatie verstrekken.
(40)  Bepaalde rechthebbenden, zoals auteurs en uitvoerende kunstenaars, hebben informatie nodig om de economische waarde te kunnen schatten van hun rechten die op grond van het Unierecht zijn geharmoniseerd. Dit is met name het geval wanneer deze rechthebbenden een licentie verlenen of hun rechten overdragen tegen een vergoeding. Auteurs en uitvoerende kunstenaars bevinden zich gewoonlijk in een zwakkere contractuele positie wanneer zij licenties verlenen of hun rechten overdragen: zij hebben dan ook informatie nodig om de voortdurende economische waarde van hun rechten in te schatten tegenover de vergoeding die zij ontvangen voor hun licentie of overdracht, maar hebben vaak af te rekenen met een gebrek aan transparantie. Voor de transparantie en het evenwicht binnen het stelsel dat de vergoeding voor auteurs en uitvoerende kunstenaars regelt, is het derhalve belangrijk dat hun contractpartners of hun rechtsopvolgers alomvattende en relevante informatie verstrekken. De informatie die auteurs en uitvoerende kunstenaars mogen verwachten, moet evenredig zijn en betrekking hebben op alle vormen van exploitatie, directe en indirecte voortgebrachte inkomsten, waaronder inkomsten uit merchandising, en de verschuldigde vergoeding. De informatie over de exploitatie moet ook informatie over de identiteit van elke sublicentienemer of subverkrijger bevatten. De transparantieverplichting moet evenwel alleen van toepassing zijn wanneer relevante auteursrechten betrokken zijn.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 42
(42)  In bepaalde gevallen gelden voor de exploitatie van op het niveau van de Unie geharmoniseerde rechten langlopende contracten die auteurs en uitvoerende kunstenaars weinig mogelijkheden bieden om hierover nieuwe onderhandelingen aan te gaan met hun contractpartners of hun rechtsopvolgers. Onverminderd het recht dat van toepassing is op contracten in de lidstaten, dient daarom een mechanisme te worden ingevoerd, ook in het licht van de transparantie die deze richtlijn verzekert, om de vergoeding aan te passen in gevallen waarin de oorspronkelijke volgens de licentie of de overdracht van rechten overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de betrokken inkomsten en voordelen ten gevolge van de exploitatie van het werk of de vastlegging van de uitvoering. Bij de beoordeling van de situatie moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van elk geval, alsmede met de specifieke kenmerken en praktijken van de verschillende inhoudsindustrieën. Indien de partijen het niet eens worden over de aanpassing van de vergoeding, moet de auteur of de uitvoerende kunstenaar het recht hebben om een vordering in te stellen bij een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit.
(42)  In bepaalde gevallen gelden voor de exploitatie van op het niveau van de Unie geharmoniseerde rechten langlopende contracten die auteurs en uitvoerende kunstenaars weinig mogelijkheden bieden om hierover nieuwe onderhandelingen aan te gaan met hun contractpartners of hun rechtsopvolgers. Onverminderd het recht dat van toepassing is op contracten in de lidstaten, dient daarom een mechanisme te worden ingevoerd, ook in het licht van de transparantie die deze richtlijn verzekert, om de vergoeding aan te passen in gevallen waarin de oorspronkelijke volgens de licentie of de overdracht van rechten overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de betrokken directe en indirecte inkomsten en voordelen ten gevolge van de exploitatie van het werk of de vastlegging van de uitvoering. Bij de beoordeling van de situatie moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van elk geval, met de specifieke kenmerken en praktijken van de verschillende inhoudsindustrieën alsmede met de aard en de bijdrage van het werk van de auteur of de uitvoerend kunstenaar. De organisatie die de auteur of de uitvoerende kunstenaar vertegenwoordigt, kan ook namens hem dergelijk verzoek tot aanpassing van de overeenkomst doen, tenzij het verzoek schadelijk zou zijn voor de belangen van de auteur of de uitvoerende kunstenaar. Indien de partijen het niet eens worden over de aanpassing van de vergoeding, moet de auteur of de uitvoerende kunstenaar of een door hem aangewezen representatieve organisatie het recht hebben om op verzoek van de auteur of de uitvoerend kunstenaar een vordering in te stellen bij een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43
(43)  Auteurs en uitvoerende kunstenaars aarzelen vaak om hun rechten ten aanzien van hun contractpartners af te dwingen voor een rechterlijke instantie. De lidstaten moeten dan ook voorzien in een procedure voor alternatieve geschillenbeslechting om vorderingen in verband met transparantieverplichtingen en het contractaanpassingsmechanisme te behandelen.
(43)  Auteurs en uitvoerende kunstenaars aarzelen vaak om hun rechten ten aanzien van hun contractpartners af te dwingen voor een rechterlijke instantie. De lidstaten moeten dan ook voorzien in een procedure voor alternatieve geschillenbeslechting om vorderingen in verband met transparantieverplichtingen en het contractaanpassingsmechanisme te behandelen. Representatieve organisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars, waaronder organisaties voor collectief beheer en vakbonden, moeten op verzoek van auteurs en uitvoerende kunstenaars dergelijke procedures kunnen inleiden. Details over wie de procedure heeft ingeleid, moeten geheim blijven.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43 bis (nieuw)
(43 bis)  Wanneer auteurs en uitvoerende kunstenaars hun rechten in licentie geven of overdragen, verwachten zij dat hun werk of uitvoering geëxploiteerd wordt. Het gebeurt echter dat werken of uitvoeringen die in licentie zijn gegeven of overgedragen werden, helemaal niet worden geëxploiteerd. Wanneer deze rechten op basis van exclusiviteit werden overgedragen, kunnen auteurs en uitvoerende kunstenaars zich niet tot een andere partner wenden om hun werk te exploiteren. In dergelijk geval en na verloop van een redelijke termijn moeten auteurs en uitvoerende kunstenaars een intrekkingsrecht hebben waardoor zij hun rechten aan een andere persoon kunnen overdragen of bij een andere persoon in licentie kunnen geven. Intrekking moet ook mogelijk zijn wanneer de verkrijger of licentienemer niet aan zijn of haar rapportage-/transparantieverplichting als bedoeld in artikel 14 van deze richtlijn heeft voldaan. Intrekking mag slechts overwogen worden nadat alle stappen van de alternatieve geschillenbeslechting zijn voltooid, in het bijzonder met betrekking tot het rapporteren. Aangezien de exploitatie van werken kan verschillen van sector tot sector, kunnen op nationaal niveau specifieke bepalingen worden genomen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sectoren, zoals de audiovisuele sector, of van de werken en de verwachte exploitatieperioden, waardoor wordt voorzien in termijnen voor het intrekkingsrecht. Om misbruik te voorkomen en rekening te houden met het feit dat het een zekere tijd duurt alvorens een werk daadwerkelijk wordt geëxploiteerd, moeten auteurs en uitvoerende kunstenaars hun intrekkingsrecht slechts kunnen uitoefenen na een bepaalde periode na de conclusie van de licentie- of overdrachtsovereenkomst. Nationale wetgeving moet voorzien in een regeling voor de uitoefening van het intrekkingsrecht in het geval van werken waaraan meerdere auteurs of uitvoerende kunstenaars hebben meegewerkt, rekening houdend met het relatieve belang van de afzonderlijke bijdragen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43 ter (nieuw)
(43 ter)  Ter ondersteuning van de doeltreffende toepassing van de relevante bepalingen van deze richtlijn in de lidstaten, moet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, de uitwisseling van beste praktijken aanmoedigen en een dialoog op Unieniveau bevorderen.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 46
(46)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient te geschieden in overeenstemming met de grondrechten, met inbegrip van het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en daarbij moeten Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad35 en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad36 worden nageleefd.
(46)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient te geschieden in overeenstemming met de grondrechten, met inbegrip van het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en daarbij moeten Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad worden nageleefd. De bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming, met inbegrip van het "recht om te worden vergeten", moeten in acht worden genomen.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 46 bis (nieuw)
(46 bis)   Het is belangrijk te wijzen op het belang van anonimiteit bij het omgaan met persoonsgegevens voor commerciële doeleinden. Daarnaast dient de optie waarbij de standaardsetting inhoudt dat persoonsgegevens bij het gebruik van onlineplatforms niet worden gedeeld, te worden bevorderd.
Amendementen 54 en 238
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Onderwerp en toepassingsgebied
1.  Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld die gericht zijn op verdere harmonisatie van de wetgeving van de Unie met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten in het kader van de interne markt, rekening houdend met name met digitaal en grensoverschrijdend gebruik van beschermde inhoud. Zij bevat ook regels inzake uitzonderingen en beperkingen en inzake de bevordering van de licentieverlening, alsmede regels om te zorgen voor een goed werkende markt voor exploitatie van werken en andere beschermde materialen.
1.  Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld die gericht zijn op verdere harmonisatie van de wetgeving van de Unie met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten in het kader van de interne markt, rekening houdend met name met digitaal en grensoverschrijdend gebruik van beschermde inhoud. Zij bevat ook regels inzake uitzonderingen en beperkingen en inzake de bevordering van de licentieverlening, alsmede regels om te zorgen voor een goed werkende markt voor exploitatie van werken en andere beschermde materialen.
2.  Behalve in de in artikel 6 bedoelde gevallen doet deze richtlijn geen afbreuk aan en is zij op generlei wijze van invloed op de bestaande regels die zijn vastgelegd in de op dit gebied geldende richtlijnen, met name de Richtlijnen 96/9/EG, 2001/29/EG, 2006/115/EG, 2009/24/EG, 2012/28/EU en 2014/26/EU.
2.  Behalve in de in artikel 6 bedoelde gevallen doet deze richtlijn geen afbreuk aan en is zij op generlei wijze van invloed op de bestaande regels die zijn vastgelegd in de op dit gebied geldende richtlijnen, met name de Richtlijnen 96/9/EG, 2000/31/EG, 2001/29/EG, 2006/115/EG, 2009/24/EG, 2012/28/EU en 2014/26/EU.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 – inleidende formule
(1)  „onderzoeksorganisatie”: een universiteit, een onderzoekinstelling of een andere organisatie die hoofdzakelijk tot doel heeft wetenschappelijk onderzoek te verrichten of wetenschappelijk onderzoek te verrichten en onderwijsdiensten te verstrekken:
(1)  „onderzoeksorganisatie”: een universiteit, met inbegrip van de universiteitsbibliotheek, een onderzoekinstelling of een andere organisatie die hoofdzakelijk tot doel heeft wetenschappelijk onderzoek te verrichten of wetenschappelijk onderzoek te verrichten en onderwijsdiensten te verstrekken:
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 – alinea 2
op zodanige wijze dat de toegang tot de door het wetenschappelijk onderzoek voortgebrachte resultaten niet op preferentiële basis kan worden aangewend door een onderneming die een beslissende invloed heeft op dit soort organisatie;
op zodanige wijze dat de toegang tot de door het wetenschappelijk onderzoek voortgebrachte resultaten niet op preferentiële basis kan worden aangewend door een onderneming die een significante invloed heeft op dit soort organisatie;
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
(2)  „tekst- en datamining”: een geautomatiseerde analysetechniek voor ontleding van tekst en gegevens in digitale vorm om informatie te genereren zoals patronen, trends en onderlinge verbanden;
(2)  "tekst- en datamining": een geautomatiseerde analysetechniek waarmee werken en ander materiaal in digitale vorm worden geanalyseerd om informatie te genereren zoals, maar niet beperkt tot, patronen, trends en onderlinge verbanden;
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
(4)  "perspublicatie”: een vastlegging van een verzameling literaire werken van journalistieke aard, die ook andere werken of materialen kan omvatten en die een afzonderlijk element onder één titel vormt in een periodiek uitgegeven of regelmatig bijgewerkte publicatie, zoals een krant of een tijdschrift met een algemene of specifieke inhoud, met als doel informatie te verstrekken over nieuws of andere onderwerpen en die via een of ander medium wordt gepubliceerd op initiatief van of onder redactionele verantwoordelijkheid en controle van een dienstverlener.
(4)  "perspublicatie”: een vastlegging door persuitgevers of persagentschappen van een verzameling literaire werken van journalistieke aard, die ook andere werken of materialen kan omvatten en die een afzonderlijk element onder één titel vormt in een periodiek uitgegeven of regelmatig bijgewerkte publicatie, zoals een krant of een tijdschrift met een algemene of specifieke inhoud, met als doel informatie te verstrekken over nieuws of andere onderwerpen en die via een of ander medium wordt gepubliceerd op initiatief van of onder redactionele verantwoordelijkheid en controle van een dienstverlener. Periodieke publicaties die voor wetenschappelijk of academische doeleinden worden uitgegeven, zoals wetenschappelijke bladen, vallen niet onder deze definitie.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  "werken die niet meer in de handel zijn":
(a)  het gehele werk of ander materiaal, dat in alle bijbehorende versies en uitingen, niet meer beschikbaar is voor het publiek via de gebruikelijke kanalen van de handel;
(b)  een werk of ander materiaal dat nooit in een lidstaat in de handel is geweest, tenzij uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de auteur bezwaar maakte tegen de terbeschikkingstelling aan het publiek;
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)
(4 ter)   "aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen": een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij met als een van de belangrijkste doelstellingen om een aanzienlijke hoeveelheid door de gebruikers geüploade auteursrechtelijk beschermde inhoud of ander beschermd materiaal op te slaan en het publiek ertoe toegang te verschaffen, hetgeen door de dienst wordt geoptimaliseerd en geëxploiteerd met winstoogmerk. Micro-ondernemingen en kleine ondernemingen in de zin van Titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie en dienstverleners die in een niet-commerciële hoedanigheid optreden, zoals online-encyclopedieën, en verleners van onlinediensten waarbij de inhoud wordt geüpload met toestemming van alle betrokken rechthebbenden, zoals onderwijs- of wetenschappelijke gegevensbanken, worden niet beschouwd als aanbieders van diensten voor het delen van online-inhoud in de zin van deze richtlijn. Aanbieders van clouddiensten voor individueel gebruik die geen rechtstreekse toegang tot het publiek verstrekken, open source software-ontwikkelingsplatforms en onlinemarktplaatsen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit de onlinedetailverkoop van fysieke goederen, mogen niet als aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen in de zin van deze richtlijn worden beschouwd;
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 quater (nieuw)
(4 quater)  "dienst van de informatiemaatschappij": een dienst als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, onder b), van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad1 bis;
___________
1 bis Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)  "diensten met geautomatiseerde beeldverwijzing": een onlinedienst die via een onlinedienst van een derde automatisch verzamelde grafische werken of kunstwerken of fotografie reproduceert of ter beschikking stelt van het publiek met het oog op indexering en verwijzing.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Tekst- en datamining
Tekst- en datamining
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn voor reproducties en opvragingen door onderzoekorganisaties om tekst- en datamining te verrichten op werken of andere materialen waartoe zij legale toegang hebben met het oog op wetenschappelijk onderzoek.
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn voor reproducties en opvragingen om tekst- en datamining te verrichten op werken of andere materialen waartoe zij legale toegang hebben en verricht om tekst- en datamining te verrichten met het oog op wetenschappelijk onderzoek door deze organisaties.
De lidstaten voorzien erin dat onderwijsinstellingen en instellingen voor cultureel erfgoed die wetenschappelijk onderzoek verrichten in de zin van artikel 2, lid 1, onder a)of b), zodat de toegang tot de door het wetenschappelijk onderzoek voortgebrachte resultaten niet op preferentiële basis kan worden aangewend door een onderneming die een beslissende invloed heeft op dit soort organisatie, eveneens profiteert van de uitzondering waarin dit artikel voorziet.
1 bis.  De reproducties en opvragingen die voor tekst- en datamining worden gemaakt, moeten veilig worden bewaard, bijvoorbeeld door betrouwbare organisaties die voor dit doel werden aangewezen.
2.  Elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering, is niet afdwingbaar.
2.  Elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering, is niet afdwingbaar.
3.  Rechthebbenden kunnen maatregelen nemen met het oog op de veiligheid en de integriteit van de netwerken en gegevensbanken waar de werken of andere materialen worden gehost. Deze maatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.
3.  Rechthebbenden kunnen maatregelen nemen met het oog op de veiligheid en de integriteit van de netwerken en gegevensbanken waar de werken of andere materialen worden gehost. Deze maatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.
4.  De lidstaten moedigen rechthebbenden en onderzoeksorganisaties aan om algemeen aanvaarde beste praktijken vast te stellen met betrekking tot de toepassing van de in lid 3 bedoelde maatregelen.
4 De lidstaten kunnen blijven voorzien in uitzonderingen voor tekst- en datamining in overeenstemming met artikel 5, lid 3, onder a), van Richtlijn 2001/29/EG.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Optionele uitzondering of beperking voor tekst- en datamining
1.  Onverminderd artikel 3 van deze richtlijn kunnen de lidstaten voorzien in een uitzondering op of een beperking van de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn voor reproducties en opvragingen van legaal toegankelijke werken en ander materiaal die deel uitmaken van het proces van tekst- en datamining, op voorwaarde dat het gebruik van daarin vermelde werken of andere materialen niet uitdrukkelijk werd voorbehouden door hun rechthebbenden, waaronder op machineleesbare wijze.
2.  Reproducties en opvragingen die overeenkomstig lid 1 worden gemaakt, worden uitsluitend voor tekst- en datamining gebruikt.
3.  De lidstaten kunnen blijven voorzien in uitzonderingen voor tekst- en datamining in overeenstemming met artikel 5, lid 3, onder a), van Richtlijn 2001/29/EG.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Gebruik van werken en andere beschermde materialen in digitale en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten
Gebruik van werken en andere beschermde materialen in digitale en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering of beperking op de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn om digitaal gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs, mogelijk te maken voor zover dit wordt gerechtvaardigd door het te bereiken niet-commerciële doel, op voorwaarde dat het gebruik:
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering of beperking op de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn om digitaal gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs, mogelijk te maken voor zover dit wordt gerechtvaardigd door het te bereiken niet-commerciële doel, op voorwaarde dat het gebruik:
(a)  plaatsvindt in de gebouwen van een onderwijsinstelling of door middel van een beveiligd elektronisch netwerk dat alleen toegankelijk is voor de leerlingen of studenten en het onderwijzend personeel van de onderwijsinstelling;
(a)  plaatsvindt in de gebouwen van een onderwijsinstelling of in een andere ruimte waarin de onderwijsactiviteit plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling, of door middel van een beveiligde elektronische omgeving die alleen toegankelijk is voor de leerlingen of studenten en het onderwijzend personeel van de onderwijsinstelling;
(b)  vergezeld gaat van de vermelding van de bron, waaronder de naam van de auteur, tenzij dit niet mogelijk blijkt.
(b)  vergezeld gaat van de vermelding van de bron, waaronder de naam van de auteur, tenzij dit wegens praktische redenen niet mogelijk blijkt.
2.  De lidstaten kunnen bepalen dat de krachtens lid 1 vastgestelde uitzondering niet van toepassing is in het algemeen of met betrekking tot specifieke soorten werken of andere materialen, voor zover passende licenties om de in lid 1 beschreven handelingen toe te staan, vlot beschikbaar zijn op de markt.
2.  De lidstaten kunnen bepalen dat de krachtens lid 1 vastgestelde uitzondering niet van toepassing is in het algemeen of met betrekking tot specifieke soorten werken of andere materialen, zoals materialen die in de eerste plaats bedoeld zijn voor de onderwijsmarkt of bladmuziek, voor zover passende licentieovereenkomsten om ten minste de in lid 1 beschreven handelingen toe te staan, afgestemd zijn op de behoeften en speciale kenmerken van onderwijsinstellingen, vlot beschikbaar zijn op de markt.
De lidstaten die gebruik maken van de in de eerste alinea bedoelde bepaling, nemen de nodige maatregelen om voor onderwijsinstellingen een passende beschikbaarheid en zichtbaarheid van de licenties voor de in lid 1 beschreven handelingen te waarborgen.
De lidstaten die gebruik maken van de in de eerste alinea bedoelde bepaling, nemen de nodige maatregelen om voor onderwijsinstellingen een passende beschikbaarheid en zichtbaarheid van de licenties voor de in lid 1 beschreven handelingen te waarborgen.
3.  Het gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs via beveiligde elektronische netwerken overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering van dit artikel, wordt geacht uitsluitend plaats te vinden in de lidstaat waar de onderwijsinstelling is gevestigd.
3.  Het gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs via beveiligde elektronische omgevingen overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering van dit artikel, wordt geacht uitsluitend plaats te vinden in de lidstaat waar de onderwijsinstelling is gevestigd.
4.  De lidstaten kunnen voorzien in een billijke vergoeding voor het nadeel dat rechthebbenden hebben geleden ten gevolg van het gebruik van hun werken of andere materialen uit hoofde van lid 1.
4.  De lidstaten kunnen voorzien in een billijke vergoeding voor het nadeel dat rechthebbenden hebben geleden ten gevolg van het gebruik van hun werken of andere materialen uit hoofde van lid 1.
4 bis.   Onverminderd lid 2, is elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering of beperking niet afdwingbaar. De lidstaten waarborgen dat de rechthebbenden het recht hebben royaltyvrije licenties te verlenen om de in lid 1 beschreven handelingen toe te staan, in het algemeen of met betrekking tot specifieke soorten werken of andere materialen naar keuze.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Behoud van het cultureel erfgoed
Behoud van het cultureel erfgoed
De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan instellingen voor cultureel erfgoed kopieën van werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, in welke vorm of welk medium ook kunnen maken, met als enig doel het behoud van dergelijke werken of andere materialen en voor zover dit noodzakelijk voor het behoud daarvan.
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan instellingen voor cultureel erfgoed kopieën van werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, in welke vorm of welk medium ook kunnen maken, met als doel het behoud van dergelijke werken of andere materialen en voor zover dit noodzakelijk voor het behoud daarvan.
1 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat materiaal dat voortvloeit uit een handeling van reproductie van materiaal in het publieke domein, niet wordt onderworpen aan auteursrecht of naburige rechten, op voorwaarde dat deze reproductie een getrouwe reproductie is voor het behoud van het oorspronkelijke materiaal.
1 ter.  Elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering, is niet afdwingbaar.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Gemeenschappelijke bepalingen
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 4, eerste, derde en vijfde alinea, van Richtlijn 2001/29/EG zijn van toepassing op de uitzonderingen en beperkingen waarin deze titel voorziet.
1.  Toegang tot inhoud waarop uit hoofde van deze richtlijn een andere uitzondering valt, geeft gebruikers niet het recht deze te gebruiken uit hoofde van een andere uitzondering.
2.   Artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 4, eerste, derde, vierde en vijfde alinea, van Richtlijn 2001/29/EG zijn van toepassing op de uitzonderingen en beperkingen waarin deze titel voorziet.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Gebruik van werken die niet meer in de handel zijn door instelling voor cultureel erfgoed
Gebruik van werken die niet meer in de handel zijn door instelling voor cultureel erfgoed
1.  De lidstaten bepalen dat wanneer een organisatie voor collectief beheer namens haar leden met een instelling voor cultureel erfgoed een niet-exclusieve licentie voor niet-commerciële doeleinden sluit voor de digitalisering, de distributie, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling van niet meer in de handel zijnde werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, deze niet-exclusieve licentie kan worden uitgebreid tot of kan worden geacht te gelden voor rechthebbenden van dezelfde categorie als die waarvoor de licentie geldt, die niet door de organisatie voor collectief beheer worden vertegenwoordigd, op voorwaarde dat:
1.  De lidstaten bepalen dat wanneer een organisatie voor collectief beheer namens haar leden met een instelling voor cultureel erfgoed een niet-exclusieve licentie voor niet-commerciële doeleinden sluit voor de digitalisering, de distributie, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling van niet meer in de handel zijnde werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, deze niet-exclusieve licentie kan worden uitgebreid tot of kan worden geacht te gelden voor rechthebbenden van dezelfde categorie als die waarvoor de licentie geldt, die niet door de organisatie voor collectief beheer worden vertegenwoordigd, op voorwaarde dat:
(a)  de organisatie voor collectief beheer op basis van mandaten van rechthebbenden in ruime mate representatief is voor de rechthebbenden in de categorie werken of andere materialen en voor de rechten die het voorwerp uitmaken van de licentie;
(a)  de organisatie voor collectief beheer op basis van mandaten van rechthebbenden in ruime mate representatief is voor de rechthebbenden in de categorie werken of andere materialen en voor de rechten die het voorwerp uitmaken van de licentie;
(b)  gelijke behandeling wordt gewaarborgd voor alle rechthebbenden met betrekking tot de voorwaarden van de licentie;
(b)  gelijke behandeling wordt gewaarborgd voor alle rechthebbenden met betrekking tot de voorwaarden van de licentie;
(c)  alle rechthebbenden te allen tijde bezwaar kunnen maken tegen het feit dat hun werken of andere materialen worden geacht niet meer in de handel te zijn, en de toepassing van de licentie op hun werken of andere materialen kunnen uitsluiten.
(c)  alle rechthebbenden te allen tijde bezwaar kunnen maken tegen het feit dat hun werken of andere materialen worden geacht niet meer in de handel te zijn, en de toepassing van de licentie op hun werken of andere materialen kunnen uitsluiten.
1 bis.  De lidstaten voorzien in een uitzondering of beperking op de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan instellingen voor cultureel erfgoed kopieën van werken die niet meer in de handel zijn en die permanent deel uitmaken van hun collectie, online kunnen plaatsen voor niet-commerciële doeleinden, op voorwaarde dat:
(a)  de naam van de auteur of een andere rechthebbende wordt vermeld tenzij dat niet mogelijk blijkt te zijn;
(b)  alle rechthebbenden te allen tijde bezwaar kunnen maken tegen het feit dat hun werken of andere materialen worden geacht niet meer in de handel te zijn, en de toepassing van de uitzondering op hun werken of andere materialen kunnen uitsluiten.
1 ter.  De lidstaten kunnen bepalen dat de krachtens lid 1 bis vastgestelde uitzondering niet van toepassing is op sectoren of soorten werken waarvoor gepaste licentiegebaseerde oplossingen, zoals maar niet beperkt tot regelingen als bedoeld in lid 1, beschikbaar zijn. De lidstaten bepalen in overleg met auteurs, andere rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en instellingen voor cultureel erfgoed de beschikbaarheid van verruimde collectieve licentieregelingen voor specifieke sectoren of soorten werken.
2.  Een werk of ander materiaal wordt geacht niet meer in de handel te zijn wanneer het gehele werk of ander materiaal, in alle bijbehorende vertalingen, versies en uitingen, niet beschikbaar is voor het publiek via de gebruikelijke kanalen van de handel en redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het in de handel zal worden gebracht.
2.  De lidstaten kunnen voorzien in een einddatum om te bepalen of een werk dat eerder in de handel was, kan worden beschouwd als een werk dat niet meer in de handel is.
De lidstaten zorgen ervoor, in overleg met rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en instellingen voor cultureel erfgoed, dat de voorschriften om te bepalen of werken en andere materialen overeenkomstig lid 1 in licentie kunnen worden gegeven, niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk en redelijk is en niet de mogelijkheid uitsluiten om te bepalen dat een collectie in haar geheel de status van niet in de handel zijnd werk of materiaal krijgt wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat alle werken of andere materialen in de collectie niet meer in de handel zijn.
De lidstaten zorgen ervoor, in overleg met rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en instellingen voor cultureel erfgoed, dat de voorschriften om te bepalen of werken en andere materialen overeenkomstig lid 1 in licentie kunnen worden gegeven of overeenkomstig lid 1 bis kunnen worden gebruikt, niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk en redelijk is en niet de mogelijkheid uitsluiten om te bepalen dat een collectie in haar geheel de status van niet in de handel zijnd werk of materiaal krijgt wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat alle werken of andere materialen in de collectie niet meer in de handel zijn.
3.  De lidstaten bepalen dat de nodige publiciteitsmaatregelen worden genomen met betrekking tot:
3.  De lidstaten bepalen dat de nodige publiciteitsmaatregelen worden genomen met betrekking tot:
(a)  de aanname dat werken of andere beschermde materialen niet meer in de handel zijn;
(a)  de aanname dat werken of andere beschermde materialen niet meer in de handel zijn;
(b)  de licentie, en met name de toepassing ervan op niet-vertegenwoordigde rechthebbenden;
(b)  elke licentie, en met name de toepassing ervan op niet-vertegenwoordigde rechthebbenden;
(c)  de mogelijkheid voor rechthebbenden om bezwaar te maken, als bedoeld in punt c) van lid 1;
(c)  de mogelijkheid voor rechthebbenden om bezwaar te maken, als bedoeld in punt c) van lid 1 en in punt b) van lid 1 bis;
gedurende een redelijke termijn voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld.
gedurende een termijn van minstens zes maanden voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld.
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde licenties worden aangevraagd bij een organisatie voor collectief beheer die representatief is voor de lidstaat waar:
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde licenties worden aangevraagd bij een organisatie voor collectief beheer die representatief is voor de lidstaat waar:
(a)  de werken of fonogrammen voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen publicatie heeft plaatsgevonden, waar zij voor het eerst zijn uitgezonden, uitgezonderd voor cinematografische en audiovisuele werken;
(a)  de werken of fonogrammen voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen publicatie heeft plaatsgevonden, waar zij voor het eerst zijn uitgezonden, uitgezonderd voor cinematografische en audiovisuele werken;
(b)  de producenten van de werken hun zetel of gewone verblijfplaats hebben, voor cinematografische en audiovisuele werken; of
(b)  de producenten van de werken hun zetel of gewone verblijfplaats hebben, voor cinematografische en audiovisuele werken; of
(c)  de instelling voor cultureel erfgoed is gevestigd, wanneer het na redelijke inspanningen niet mogelijk was overeenkomstig de punten a) en b) een lidstaat of een derde land te bepalen.
(c)  de instelling voor cultureel erfgoed is gevestigd, wanneer het na redelijke inspanningen niet mogelijk was overeenkomstig de punten a) en b) een lidstaat of een derde land te bepalen.
5.  De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op werken of andere materialen van ingezetenen van derde landen uitgezonderd wanneer de punten a) en b) van lid 4 van toepassing zijn.
5.  De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op werken of andere materialen van ingezetenen van derde landen uitgezonderd wanneer de punten a) en b) van lid 4 van toepassing zijn.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8
Artikel 8
Artikel 8
Grensoverschrijdende toepassingen
Grensoverschrijdende toepassingen
1.  Werken of andere materialen die onder een krachtens artikel 7 verleende licentie vallen, kunnen in overeenstemming met de voorwaarden van de licentie door de instelling voor cultureel erfgoed worden gebruikt in alle lidstaten.
1.  Werken of andere materialen die niet meer in de handel zijn en die onder artikel 7 vallen, kunnen in overeenstemming met dat artikel door de instelling voor cultureel erfgoed worden gebruikt in alle lidstaten.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie om de identificatie van onder een licentie uit hoofde van artikel 7 vallende werken of andere materialen mogelijk te maken en informatie over de mogelijkheden van rechthebbenden om bezwaar te maken als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), gedurende ten minste zes maanden voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld in andere lidstaten dan die waarin de licentie wordt verleend, en voor de hele geldigheidsduur van de licentie, voor het publiek toegankelijk wordt gesteld via één portaalsite.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie om de identificatie van onder artikel 7 vallende werken of andere materialen mogelijk te maken en informatie over de mogelijkheden van rechthebbenden om bezwaar te maken als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1 bis, onder b), gedurende ten minste zes maanden voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, permanent, gemakkelijk en effectief aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld in andere lidstaten dan die waarin de licentie wordt verleend, en voor de hele geldigheidsduur van de licentie, of in de gevallen van artikel 7, lid 1 bis, waar de instelling voor cultureel erfgoed is gevestigd, voor het publiek toegankelijk wordt gesteld via één portaalsite.
3.  De in lid 2 bedoelde portaalsite wordt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 386/2012 opgericht en beheerd door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.
3.  De in lid 2 bedoelde portaalsite wordt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 386/2012 opgericht en beheerd door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1
De lidstaten verzekeren een regelmatige dialoog met representatieve organisaties van gebruikers en rechthebbenden en met andere relevante belangenorganisaties om per sector de relevantie en de bruikbaarheid van de in artikel 7, lid 1, bedoelde mechanismen voor licentieverlening te bevorderen, om de efficiëntie van de in dit hoofdstuk omschreven waarborgen voor rechthebbenden, met name wat publiciteitsmaatregelen betreft, te verzekeren en indien nodig bijstand te verlenen bij het opstellen van de in artikel 7, lid 2, tweede alinea, bedoelde voorschriften.
De lidstaten verzekeren een regelmatige dialoog met representatieve organisaties van gebruikers en rechthebbenden en met andere relevante belangenorganisaties om per sector de relevantie en de bruikbaarheid van de in artikel 7, lid 1, bedoelde mechanismen voor licentieverlening te bevorderen alsook de in artikel 7, lid 1 bis, bedoelde uitzondering, om de efficiëntie van de in dit hoofdstuk omschreven waarborgen voor rechthebbenden, met name wat publiciteitsmaatregelen betreft, te verzekeren en indien nodig bijstand te verlenen bij het opstellen van de in artikel 7, lid 2, tweede alinea, bedoelde voorschriften.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 10
Onderhandelingsmechanisme
Onderhandelingsmechanisme
De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer partijen die een overeenkomst wensen te sluiten voor de beschikbaarstelling van audiovisuele op video-on-demandplatforms, moeilijkheden ondervinden met betrekking tot de licentieverlening voor de rechten, zij een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie met relevante ervaring. Deze instantie verleent bijstand bij de onderhandelingen en de sluiting van overeenkomsten.
De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer partijen die een overeenkomst wensen te sluiten voor de beschikbaarstelling van audiovisuele op video-on-demandplatforms, moeilijkheden ondervinden met betrekking tot de licentieverlening voor de audiovisuele rechten, zij een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie met relevante ervaring. De onpartijdige instantie die door de lidstaat is opgericht of aangewezen voor de doeleinden van dit artikel verleent aan de partijen bijstand bij de onderhandelingen en de sluiting van overeenkomsten.
Uiterlijk op [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van het in de eerste alinea bedoelde orgaan.
Uiterlijk op [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de instantie die zij overeenkomstig lid 1 oprichten of aanwijzen.
Om de beschikbaarheid van audiovisuele werken op video-on-demandplatforms aan te moedigen, moeten de lidstaten de dialoog tussen de representatieve organisaties van auteurs, producenten, video-on-demandplatforms en andere relevante betrokken partijen stimuleren.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Titel III – hoofdstuk 2 bis (nieuw) – artikel 10 bis (nieuw)
HOOFDSTUK 2 bis
Toegang tot EU- publicaties
Artikel 10 bis
Wettig depot in de Unie
1.  Elke elektronische publicatie over Uniegerelateerde zaken als Unierecht, Uniegeschiedenis en -integratie, Uniebeleid en Unie-democratie, institutionele en parlementaire zaken en beleid, die in de Unie wordt gepubliceerd, moet wettig in de Unie worden gedeponeerd.
2.  De bibliotheek van het Europees Parlement krijgt kosteloos een exemplaar toegestuurd van elke publicatie als bedoeld in lid 1.
3.  Deze verplichting geldt voor uitgevers, drukkers en importeurs van publicaties voor de werken die zij in de Unie uitgeven, drukken of importeren.
4.  Deze publicaties worden na ontvangst opgenomen in de permanente collectie van de EP-bibliotheek. Zij zijn in de EP-bibliotheek uitsluitend voor research- of studiedoeleinden door geaccrediteerde onderzoekers te raadplegen, onder toezicht van de EP-bibliotheek.
5.  De Commissie vaardigt nadere regels uit voor de wijze van aflevering aan de bibliotheek van bedoelde publicaties.
Amendementen 151, 152, 153, 154 en 155
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
1.  De lidstaten verlenen uitgevers van perspublicaties de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten voor het digitale gebruik van hun perspublicaties.
1.  De lidstaten verlenen uitgevers van perspublicaties de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten zodat zij billijke en evenredige vergoeding krijgen voor het digitale gebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij.
1 bis.   De in lid 1 bedoelde rechten verhinderen niet het legale particuliere en niet-commerciële gebruik van perspublicaties door individuele gebruikers.
2.  De in lid 1 bedoelde rechten doen niet af en zijn op generlei wijze van invloed op rechten waarin de wetgeving van de Unie voorziet voor auteurs en andere rechthebbenden ten aanzien van werken en andere materialen die in een perspublicaties zijn opgenomen. Deze rechten kunnen niet worden tegengeworpen aan deze auteurs en andere rechthebbenden en kunnen hen in het bijzonder niet het recht ontnemen om hun werken en andere materialen te exploiteren onafhankelijk van de perspublicatie waarin zij zijn opgenomen.
2.  De in lid 1 bedoelde rechten doen niet af en zijn op generlei wijze van invloed op rechten waarin de wetgeving van de Unie voorziet voor auteurs en andere rechthebbenden ten aanzien van werken en andere materialen die in een perspublicaties zijn opgenomen. Deze rechten kunnen niet worden tegengeworpen aan deze auteurs en andere rechthebbenden en kunnen hen in het bijzonder niet het recht ontnemen om hun werken en andere materialen te exploiteren onafhankelijk van de perspublicatie waarin zij zijn opgenomen.
2 bis.   De in lid 1 bedoelde rechten strekken zich niet uit tot loutere hyperlinks die vergezeld gaan van losse woorden.
3.  De artikelen 5 tot en met 8 van Richtlijn 2001/29/EG en Richtlijn 2012/28/EU zijn van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde rechten.
3.  De artikelen 5 tot en met 8 van Richtlijn 2001/29/EG en Richtlijn 2012/28/EU zijn van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde rechten.
4.  De in lid 1 bedoelde rechten vervallen 20 jaar na het verschijnen van de perspublicatie. Deze termijn wordt berekend vanaf de eerste dag van januari van het jaar volgend op de datum van publicatie.
4.  De in lid 1 bedoelde rechten vervallen 5 jaar na het verschijnen van de perspublicatie. Deze termijn wordt berekend vanaf de eerste dag van januari van het jaar volgend op de datum van publicatie. De in lid 1 bedoelde rechten zijn niet met terugwerkende kracht van toepassing.
4 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat de auteurs een gepast aandeel krijgen van de bijkomende inkomsten die persuitgevers ontvangen voor het gebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 12
Recht op billijke vergoeding
Recht op billijke vergoeding
De lidstaten kunnen bepalen dat, wanneer een auteur een recht aan een uitgever heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven, deze overdracht of licentie voor de uitgever een afdoende rechtsgrondslag vormt om aanspraak te maken op een deel van de vergoeding voor het gebruik van het werk in het kader van een uitzondering of beperking op het overgedragen of in licentie gegeven recht.
De lidstaten met een systeem voor de verdeling van de vergoeding tussen auteurs en uitgevers voor uitzonderingen en beperkingen kunnen bepalen dat, wanneer een auteur een recht aan een uitgever heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven, deze overdracht of licentie voor de uitgever een afdoende rechtsgrondslag vormt om aanspraak te maken op een deel van de vergoeding voor het gebruik van het werk in het kader van een uitzondering of beperking op het overgedragen of in licentie gegeven recht, op voorwaarde dat een gelijkwaardig systeem voor de verdeling van de vergoeding voor 12 november 2015 bestond in die lidstaat.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de regelingen in de lidstaten inzake openbare uitleningsrechten, het beheer van rechten die niet zijn gebaseerd op uitzonderingen of beperkingen van het auteursrecht, zoals verruimde collectieve licentieregelingen, of inzake vergoedingsrechten op basis van het nationale recht.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Titel IV – Hoofdstuk 1 bis (nieuw) – Artikel 12 bis (nieuw)
HOOFDSTUK 1 bis
Bescherming van organisatoren van sportevenementen
Artikel 12 bis
Bescherming van organisatoren van sportevenementen
De lidstaten verlenen organisatoren van sportevenementen de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG en artikel 7 van Richtlijn 2006/115/EG bedoelde rechten.
Amendementen 156, 157, 158, 159, 160 en 161
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13
Gebruik van beschermde inhoud door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaan en toegang daartoe verlenen
Gebruik van beschermde inhoud door aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud die grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaan en toegang daartoe verlenen
1.  Aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaan en publieke toegang daartoe verlenen, nemen in samenwerking met rechthebbenden maatregelen om de werking van overeenkomsten met rechthebbenden voor het gebruik van hun werken of andere materialen te verzekeren en om via samenwerking met de dienstenaanbieders te voorkomen dat op hun diensten door rechthebbenden aangewezen werken of andere materialen beschikbaar worden gesteld. Deze maatregelen, zoals het gebruik van effectieve technologieën voor herkenning van inhoud, zijn passend en evenredig. Dienstenaanbieders verstrekken rechthebbenden passende informatie over de invoering en de werking van de maatregelen, alsmede, indien van toepassing, passende verslagen over de herkenning en het gebruik van de werken en andere materialen.
1.  Onverminderd artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn 2001/29/EG verrichten aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud een handeling van mededeling aan het publiek. Zij moeten derhalve billijke en passende licentieovereenkomsten met de rechthebbenden sluiten.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde dienstverleners klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen die beschikbaar zijn voor gebruikers in geval van geschillen over de toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen.
2.  De door aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud met de rechthebbenden gesloten licentieovereenkomsten voor de in lid 1 bedoelde mededelingshandelingen hebben betrekking op de aansprakelijkheid voor de werken die door de gebruikers van dergelijke onlinediensten voor het delen van inhoud in overeenstemming met de voorwaarden van de licentieovereenkomst worden geüpload, op voorwaarde dat deze gebruikers niet voor commerciële doeleinden handelen.
2 bis.   De lidstaten bepalen dat indien de rechthebbenden geen licentieovereenkomsten wensen te sluiten, de aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en de rechthebbenden te goeder trouw samenwerken om te waarborgen dat er op hun diensten geen niet-toegestane beschermde werken en andere materialen beschikbaar zijn. De samenwerking tussen de aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en de rechthebbenden mag niet leiden tot een verhindering van de beschikbaarheid van werken of ander beschermd materiaal die geen inbreuk vormen, met inbegrip van werken en ander beschermd materiaal waarvoor een uitzondering op of een beperking van het auteursrecht geldt.
2 ter.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud doeltreffende en snelle klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen die beschikbaar zijn voor gebruikers indien de in lid 2 bis bedoelde samenwerking tot onterechte verwijdering van hun inhoud leidt. Alle klachten die in het kader van deze mechanismen worden ingediend, worden onverwijld behandeld en door mensen beoordeeld. De rechthebbenden motiveren hun besluiten om willekeurige afwijzing van klachten te voorkomen. Bovendien mag de samenwerking overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 2002/58/EG en de algemene verordening gegevensbescherming niet leiden tot enige identificatie van individuele gebruikers noch de verwerking van hun persoonsgegevens. De lidstaten zorgen er tevens voor dat de gebruikers toegang hebben tot een onafhankelijk orgaan voor geschillenbeslechting en tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht te laten gelden.
3.  De lidstaten bevorderen indien nodig de samenwerking tussen aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij en rechthebbenden door middel van dialogen met belanghebbenden om beste praktijken, zoals passende en evenredige technologieën voor herkenning van inhoud, te bepalen rekening houdend onder meer met de aard van de diensten, de beschikbaarheid van technologieën en de doeltreffendheid ervan in het licht van de technologische ontwikkelingen.
3.  Vanaf ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] organiseren de Commissie en de lidstaten dialogen tussen belanghebbenden om goede praktijken te bepalen en te harmoniseren en richtsnoeren op te stellen ter waarborging van de werking van licentieovereenkomsten en met het oog op de samenwerking tussen de aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en de rechthebbenden voor het gebruik van hun werken en ander beschermd materiaal in de zin van deze richtlijn. Bij de vaststelling van goede praktijken wordt in het bijzonder rekening gehouden met de grondrechten en het gebruik van uitzonderingen en beperkingen en wordt ervoor gezorgd dat kmo's niet onevenredig belast worden en dat inhoud niet automatisch geblokkeerd wordt.
Amendementen 78 en 252
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 bis (nieuw)
Artikel 13 bis
De lidstaten zorgen ervoor dat geschillen tussen rechtsopvolgers en de aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij over de toepassing van artikel 13, lid 1, kunnen worden beslecht door middel van een mechanisme voor alternatieve geschillenbeslechting.
De lidstaten zorgen ervoor dat er een onpartijdige instantie met relevante deskundigheid wordt opgezet of aangewezen om de partijen bij te staan bij de beslechting van hun geschil in het kader van dit mechanisme.
Uiterlijk op [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de oprichting van dit orgaan.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 ter (nieuw)
Artikel 13 ter
Het gebruik van beschermde inhoud door diensten van de informatiemaatschappij met geautomatiseerde beeldverwijzing
De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van diensten van de informatie die aanzienlijke delen van auteursrechtelijk beschermde visuele werken automatisch reproduceren of er automatisch naar verwijzen en die deze werken beschikbaar stellen aan het publiek met het oog op indexering en verwijzing, eerlijke en evenwichtige licentieovereenkomsten sluiten met daartoe verzoekende rechthebbenden teneinde voor hen een eerlijke vergoeding te verzekeren. Deze vergoeding kan beheerd worden door de collectieve beheersorganisatie van de betreffende rechthebbenden.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Hoofdstuk 3 – Artikel -14 (nieuw)
Artikel -14
Beginsel van billijke en evenredige vergoeding
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de auteurs en uitvoerende kunstenaars een billijke en evenredige vergoeding ontvangen voor de exploitatie van hun werken en andere materialen, inclusief online-exploitatie. Dit kan in elke sector worden bereikt door een combinatie van overeenkomsten, waaronder collectieve arbeidsovereenkomsten, en statutaire vergoedingsmechanismen.
2.  Lid 1 is niet van toepassing wanneer een auteur of uitvoerend kunstenaar gratis een niet-exclusief gebruiksrecht toekent aan alle gebruikers.
3.  De lidstaten houden rekening met de specifieke kenmerken van elke sector bij het aanmoedigen van evenredige vergoeding voor door auteurs en uitvoerende kunstenaars verleende rechten.
4.  In overeenkomsten wordt de vergoeding voor elke vorm van exploitatie gespecificeerd.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Transparantieverplichting
Transparantieverplichting
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars op regelmatige basis en rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke sector tijdige, passende en toereikende informatie betreffende de exploitatie van hun werken en uitvoeringen ontvangen van de personen aan wie zij hun rechten hebben overgedragen of in licentie gegeven, met name wat betreft de wijze van exploitatie, de voortgebrachte inkomsten en de verschuldigde vergoeding.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars op regelmatige basis – minstens een keer per jaar – en rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke sector en het relatieve belang van elke afzonderlijke bijdrage, tijdige, passende, nauwkeurige en toereikende informatie betreffende de exploitatie van hun werken en uitvoeringen ontvangen van de personen aan wie zij hun rechten in licentie hebben gegeven of hebben overgedragen, met name wat betreft de wijze van exploitatie, de voortgebrachte directe en indirecte inkomsten en de verschuldigde vergoeding.
1 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de licentienemer of de verkrijger van rechten van auteurs en uitvoerende kunstenaars deze rechten vervolgens in licentie geeft aan een andere partij, deze partij alle in lid 1 bedoelde informatie met de licentienemer of de verkrijger deelt.
De voornaamste licentienemer of verkrijger geeft alle in de eerste alinea bedoelde informatie aan de auteur of de uitvoerend kunstenaar. Die informatie is ongewijzigd, behalve in het geval van commercieel gevoelige informatie zoals gedefinieerd door het Unierecht of het nationale recht, die, onverminderd artikel 15 en artikel 16 bis, onderworpen kan worden aan een geheimhoudingsovereenkomst met het oog op het behoud van een eerlijke concurrentie. Wanneer de voornaamste licentienemer of verkrijger de in deze alinea bedoelde informatie niet tijdig verstrekt, heeft de auteur of de uitvoerende kunstenaar het recht deze informatie rechtstreeks aan de sublicentienemer te vragen.
2.  De in lid 1 bedoelde verplichting is evenredig en doeltreffend en waarborgt een passend niveau van transparantie in elke sector. In gevallen waarin de uit de verplichting voortvloeiende administratieve lasten onevenredig zouden zijn rekening houdend met de bij de exploitatie of de uitvoering van het werk voortgebrachte inkomsten, kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde verplichting echter aanpassen, op voorwaarde dat de verplichting doeltreffend blijft en een passend niveau van transparantie waarborgt.
2.  De in lid 1 bedoelde verplichting is evenredig en doeltreffend en waarborgt een hoog niveau van transparantie in elke sector. In gevallen waarin de uit de verplichting voortvloeiende administratieve lasten onevenredig zouden zijn rekening houdend met de bij de exploitatie of de uitvoering van het werk voortgebrachte inkomsten, kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde verplichting echter aanpassen, op voorwaarde dat de verplichting doeltreffend blijft en een hoog niveau van transparantie waarborgt.
3.  De lidstaten kunnen bepalen dat de in lid 1 bedoelde verplichting niet van toepassing is wanneer de bijdrage van de auteur of de uitvoerende kunstenaar niet significant is gelet op het geheel van het werk of de uitvoering.
4.  Lid 1 is niet van toepassing op de entiteiten die onderworpen zijn aan de transparantieverplichtingen als vastgesteld in Richtlijn 2014/26/EU.
4.  Lid 1 is niet van toepassing op de entiteiten die onderworpen zijn aan de transparantieverplichtingen als vastgesteld in Richtlijn 2014/26/EU noch op de collectieve arbeidsovereenkomsten, wanneer deze verplichtingen of overeenkomsten voorzien in transparantievereisten zoals die in lid 2.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars het recht hebben van de partij met wie zij een contract voor de exploitatie van de rechten hebben gesloten, een aanvullende, passende vergoeding te vragen wanneer de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de desbetreffende inkomsten en voordelen die voortvloeien uit de exploitatie van de werken of uitvoeringen.
De lidstaten zorgen er, bij gebrek aan collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een vergelijkbaar mechanisme, voor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars, of een belangenorganisatie die hen vertegenwoordigt, het recht hebben van de partij met wie zij een contract voor de exploitatie van de rechten hebben gesloten, een aanvullende, passende en billijke vergoeding te eisen wanneer de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de desbetreffende directe en indirecte inkomsten en voordelen die voortvloeien uit de exploitatie van de werken of uitvoeringen.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – alinea 1
De lidstaten bepalen dat geschillen betreffende de transparantieverplichting uit hoofde van artikel 14 en het contractaanpassingsmechanisme uit hoofde van artikel 15 kunnen worden onderworpen aan een vrijwillige procedure voor alternatieve geschillenbeslechting.
De lidstaten bepalen dat geschillen betreffende de transparantieverplichting uit hoofde van artikel 14 en het contractaanpassingsmechanisme uit hoofde van artikel 15 kunnen worden onderworpen aan een vrijwillige procedure voor alternatieve geschillenbeslechting. De lidstaten zorgen ervoor dat representatieve organisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars dergelijke procedures kunnen inleiden op verzoek van een of meer auteurs en uitvoerende kunstenaars.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 bis (nieuw)
Artikel 16 bis
Intrekkingsrecht
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een auteur of een uitvoerend kunstenaar zijn of haar rechten op een werk of ander beschermd materiaal op basis van exclusiviteit in licentie heeft gegeven of heeft overgedragen, de auteur of de uitvoerende kunstenaar een intrekkingsrecht heeft als het werk of ander beschermd materiaal niet wordt geëxploiteerd of als er een continu gebrek is aan regelmatige rapportage overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen voorzien in specifieke bepalingen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sectoren of van de werken en de verwachte exploitatieperioden, waardoor wordt voorzien in termijnen voor het intrekkingsrecht.
2.  Het in lid 1 bedoelde intrekkingsrecht kan slechts worden uitgeoefend na een redelijke termijn na de conclusie van de licentie- of overdrachtsovereenkomst en slechts na schriftelijke kennisgeving waarin een passende termijn wordt gesteld tegen wanneer de exploitatie van de in licentie gegeven of overgedragen rechten moet plaatsvinden. Na het verstrijken van deze termijn kan de auteur of de uitvoerende kunstenaar ervoor kiezen de exclusiviteit van de overeenkomst te beëindigen in plaats van de rechten in te trekken. Wanneer een werk of ander materiaal bijdragen van meerdere auteurs of uitvoerende kunstenaars bevat, wordt de uitoefening van het individuele intrekkingsrecht van deze auteurs of uitvoerende kunstenaars geregeld door het nationale recht, waarin de regels over het intrekkingsrecht voor collectieve werken worden vastgesteld rekening houdend met het relatieve belang van de afzonderlijke bijdragen.
3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de niet-uitoefening van de rechten voornamelijk te wijten is aan omstandigheden die de auteur of de uitvoerend kunstenaar redelijkerwijs kunnen oplossen.
4.  Contractuele of andere regelingen die afwijken van het intrekkingsrecht zijn slechts rechtmatig indien zij worden gesloten door middel van een overeenkomst die gebaseerd is op een collectieve arbeidsovereenkomst.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 bis (nieuw)
Artikel 17 bis
De lidstaten kunnen bredere bepalingen aannemen of van kracht houden die verenigbaar zijn met de uitzonderingen en beperkingen in de bestaande Uniewetgeving voor gebruik dat onder de uitzonderingen of beperkingen van deze richtlijn valt.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2
2.   De bepalingen van artikel 11 gelden eveneens voor perspublicaties die vóór [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] zijn gepubliceerd.
Schrappen

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0245/2018).

Laatst bijgewerkt op: 13 september 2018Juridische mededeling