Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2589(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0363/2018

Ingediende teksten :

B8-0363/2018

Debatten :

PV 12/09/2018 - 14
CRE 12/09/2018 - 14

Stemmingen :

PV 13/09/2018 - 10.11

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0353

Aangenomen teksten
PDF 154kWORD 56k
Donderdag 13 september 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving
P8_TA(2018)0353B8-0363/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (2018/2589(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 191 en 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over de bescherming van de gezondheid van de mens en het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu,

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/849 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/850 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/852 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG(7),

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(8),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (SWD(2018)0020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een Europese strategie voor kunststoffen in de circulaire economie (COM(2018)0028),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2018 getiteld "Algemeen verslag van de Commissie over de werking van REACH en evaluatie van bepaalde elementen – Conclusies en maatregelen" (COM(2018)0116),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 getiteld "Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019" (COM(2016)0773),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit XXX van de Commissie voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2‑ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(12),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over de uitvoering van het zevende milieuactieprogramma(13),

–  gezien het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan,

–  gezien het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel,

–  gezien het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (O-000063/2018 – B8-0036/2018 en O-000064/2018 – B8‑0037/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het zevende milieuactieprogramma (MAP) voorziet in de ontwikkeling van een EU-strategie voor een niet-toxisch milieu met als doel de blootstelling aan chemicaliën in producten – ook geïmporteerde producten – te minimaliseren en niet-toxische materiaalcycli te bevorderen, zodat gerecycleerd afval kan worden ingezet als een belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen voor de Unie;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/851 staat dat de maatregelen die de lidstaten nemen om de afvalproductie te verminderen, met name tot een afname moeten leiden van afvalstoffen die niet kunnen worden bewerkt met het oog op hergebruik of recycling;

C.  overwegende dat in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/851 voorts staat dat deze maatregelen tot de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten moeten leiden en ervoor moeten zorgen dat elke leverancier van een voorwerp als gedefinieerd in artikel 3, punt 33, van de REACH-verordening de informatie krachtens artikel 33, lid 1, van die verordening doet toekomen aan het ECHA, en dat het ECHA een databank moet opzetten en bijhouden voor de gegevens die het in deze context ontvangt en toegang moet verlenen tot die databank aan afvalverwerkers en, indien zij hierom vragen, consumenten;

D.  overwegende dat in artikel 10, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/851 staat dat de lidstaten, wanneer dit nodig is voor de naleving van de verplichting tot voorbereiding voor hergebruik, recycling en andere handelingen voor nuttige toepassing of voor het bevorderen of verbeteren van terugwinning, de nodige maatregelen moeten nemen om gevaarlijke stoffen en mengsels en bestanddelen van gevaarlijke stoffen vóór of tijdens de nuttige toepassing te verwijderen met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 2008/98/EG(14) betreffende afvalstoffen;

E.  overwegende dat in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 850/2004 staat dat verwijderings- of terugwinningsoperaties die tot terugwinning, recycling, regeneratie of hergebruik van de in bijlage IV genoemde persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) kunnen leiden, verboden zijn;

Algemene overwegingen

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie en het werkdocument van de diensten van de Commissie van 16 januari 2018 en met de raadplegingsprocedure, maar rekent op snelle actie om de 'snijvlakproblemen' op te lossen; steunt de overkoepelende visie van de Commissie, die in overeenstemming is met de doelstellingen van het 7e MAP;

2.  is van mening dat de Commissie in de eerste plaats moet verhinderen dat gevaarlijke chemische stoffen de materiaalcyclus binnenkomen, volledige consistentie moet bereiken tussen de wetten ter uitvoering van het beleid inzake afvalstoffen en chemische stoffen, en moet zorgen voor een betere tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, door de leemtes in de regelgeving aan te pakken, met name met betrekking tot ingevoerde artikelen, die een duurzame circulaire EU-economie zouden kunnen verhinderen;

3.  benadrukt dat producten in een echte circulaire economie moeten worden ontworpen om te kunnen worden geüpgraded, om duurzaam, herstelbaar, herbruikbaar en recycleerbaar te zijn en dat bij de productie ervan zo min mogelijk zorgwekkende stoffen moeten worden gebruikt;

4.  herhaalt dat de overgang naar een circulaire economie een strikte toepassing van de afvalhiërarchie vereist en waar mogelijk de eliminatie van zorgwekkende stoffen, in het bijzonder wanneer veiliger alternatieven voorhanden zijn of zullen worden ontwikkeld, zodat er niet-toxische materiaalcycli ontstaan, wat recycling zal faciliteren en van essentieel belang is voor de gezonde ontwikkeling van een goed werkende markt voor secundaire grondstoffen;

5.  dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een Uniestrategie te ontwikkelen voor een niet-toxisch milieu, als vastgelegd in het 7e MAP;

6.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten hun regelgevingswerkzaamheden in het kader van de REACH-verordening en specifieke sector- of productgebonden wetgeving in nauw overleg met het ECHA opvoeren om de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen te aan te moedigen en het gebruik te beperken van stoffen die onaanvaardbare risico's inhouden voor de menselijke gezondheid of het milieu, zodat gerecycleerd afval binnen de Unie kan worden ingezet als een belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen;

7.  benadrukt dat er lokale, nationale, regionale en Europese oplossingen moeten worden gevonden door alle belanghebbenden erbij te betrekken om zorgwekkende chemische stoffen op te sporen in de recyclingstromen en ze eruit te verwijderen;

8.  vraagt bedrijven om zonder voorbehoud te kiezen voor een holistische, toekomstgerichte benadering van een geleidelijk beheer van chemische stoffen en de gelegenheid te benutten om toxische stoffen in producten en toeleveringsketens te vervangen en aldus de vernieuwing van de markt te bespoedigen en te sturen;

9.  onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake chemische stoffen en producten en chemisch afval moeilijk kan zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); benadrukt dat er bij het nemen van maatregelen rekening moet worden gehouden met het specifieke geval van kmo's, evenwel zonder dat het niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu in het gedrang komt; wijst op de noodzaak van duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie om ervoor te zorgen dat kmo's aan de uitgangsvoorwaarden voldoen die nodig zijn voor een volledige naleving van alle wetgeving op dit gebied;

10.  oordeelt dat het cruciaal is, indien er een overlapping van wetgeving dreigt, de onderlinge verbanden te verduidelijken, zodat er voor coherentie wordt gezorgd en eventuele synergieën kunnen worden benut;

11.  benadrukt dat het uiterst belangrijk is dat de transparantie met betrekking tot de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in consumptiegoederen wordt verbeterd om ervoor te zorgen dat het publiek vertrouwen heeft in de veiligheid van secundaire grondstoffen; wijst erop dat een verhoogd vertrouwen een extra prikkel zou zijn om zorgwekkende stoffen geleidelijk af te schaffen;

Onvoldoende informatie over zorgwekkende stoffen in producten en afval

12.  beschouwt als zorgwekkend die stoffen die aan de criteria van artikel 57 van de REACH-verordening voor zeer zorgwekkende stoffen voldoen, stoffen die verboden zijn uit hoofde van het Verdrag van Stockholm (POP's), specifieke stoffen waarvan het voorkomen in artikelen die zijn opgenomen in bijlage XVII bij de REACH-verordening, is beperkt, en specifieke stoffen waarvoor reglementering bestaat uit hoofde van specifieke sector- en/of productgebonden wetgeving;

13.  dringt er nogmaals bij de Commissie op aan haar verplichtingen om de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen hormoonontregelaars na te komen; verwacht dat de Commissie onmiddellijk haar strategie ten aanzien van hormoonontregelaars ten uitvoer legt om de blootstelling van EU-burgers aan hormoonontregelaars tot een minimum te beperken, afgezien van pesticiden en biociden;

14.  benadrukt dat alle zorgwekkende stoffen zo spoedig mogelijk moeten worden getraceerd en dat informatie over deze stoffen, inclusief de samenstelling en concentratie, vrij toegankelijk moet zijn voor allen die betrokken zijn bij de toeleveringsketen, recyclingbedrijven en voor de bevolking, rekening houdend met bestaande systemen en dat de mogelijkheid van sectorspecifieke traceringsoplossingen moet worden overwogen; is ingenomen, als eerste stap, met de nieuwe bepalingen in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/851 inzake afval;

15.  dringt er in dit verband bij de lidstaten en de Commissie, in samenhang met ECHA, op aan hun inspanningen te verhogen om ervoor te zorgen dat tegen 2020 alle relevante zeer zorgwekkende stoffen, inclusief de stoffen die voldoen aan het criterium van gelijkwaardige zorgwekkendheid, zoals hormoonontregelaars en allergenen, op de REACH-kandidatenlijst worden geplaatst, als vastgelegd in het 7e MAP;

16.  is van mening dat het traceersysteem in overeenstemming met de bestaande in de REACH-verordening vastgelegde vereisten voor importproducten ook betrekking moet hebben op alle in de Unie geïmporteerde producten die zorgwekkende stoffen kunnen bevatten; preciseert voorts dat er iets moet worden gedaan aan het probleem van niet‑geregistreerde stoffen in geïmporteerde artikelen; benadrukt dat nauwere samenwerking met betrekking tot ingevoerde artikelen op internationaal niveau nodig is, met actoren als het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, UNEP, de derde landen die geconfronteerd worden met vergelijkbare problemen met ingevoerde artikelen, en uitvoerende landen;

17.  merkt op dat, overeenkomstig de conclusies van de tweede evaluatie van REACH van de Commissie, de kwaliteit van de gegevens over de gevaren en het gebruik van alsook de blootstelling aan chemische stoffen in de REACH-registratiedossiers moet worden verbeterd;

18.  is van mening dat het ECHA conform artikel 20, lid 2, van de REACH-verordening (volledigheidscontrole van registraties) geen markttoegang mag verlenen voor chemische stoffen met onvolledige of ontoereikende registratiedossiers en ervoor moet zorgen dat de nodige informatie zo spoedig mogelijk wordt gegenereerd; herhaalt dat het van cruciaal belang is dat de met het oog op deze registratiedossiers verstrekte informatie correct, toereikend, betrouwbaar en relevant is; dringt er bij het ECHA op aan zijn inspanningen in het kader van artikel 41 van de REACH-verordening (nalevingscontrole van registraties) op te voeren om een einde te maken aan non-conforme registratiedossiers en ervoor te zorgen dat geen markttoegang wordt verleend voor chemische stoffen met non‑conforme registratiedossiers; dringt er bij de registranten en de lidstaten op aan hun bijdrage te leveren aan de conformiteit en aanpassing van de REACH-registratiedossiers;

Aanpak van de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in gerecycleerd materiaal

19.  benadrukt dat de Unie een identiek niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu moet waarborgen voor producten die uit primair en producten die uit gerecycleerd materiaal zijn vervaardigd;

20.  herhaalt dat preventie, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, prioriteit krijgt boven recycling en dat recycling bijgevolg niet mag dienen als rechtvaardiging voor het voortgezette gebruik van uitgefaseerde gevaarlijke stoffen;

21.  is van mening dat alle primaire en secundaire grondstoffen in beginsel aan dezelfde voorschriften moeten worden onderworpen; wijst er echter op dat niet altijd gewaarborgd kan worden dat materiaal uit gerecyclede producten identiek is aan primaire grondstoffen;

22.  wijst erop dat de EU-voorschriften moeten garanderen dat het recyclen van materialen niet tot een voortgezet gebruik van gevaarlijke stoffen leidt; wijst er met bezorgdheid op dat de wetgeving ter voorkoming van de aanwezigheid van chemische stoffen in producten, inclusief ingevoerde goederen, versnipperd is, stelselmatig noch consistent is, en alleen geldt voor enkele stoffen, producten en toepassingen, vaak met vele uitzonderingen; betreurt het dat te weinig vooruitgang is geboekt inzake de ontwikkeling van een strategie van de Unie voor een niet-toxisch milieu, met als doel, onder meer, de blootstelling aan zorgwekkende stoffen in producten te verminderen;

23.  benadrukt dat de mogelijkheid om materialen die zorgwekkende stoffen bevatten, te recyclen, alleen mag worden overwogen als er geen alternatieve materialen zonder zorgwekkende stoffen bestaan; is van mening dat het recyclen van dergelijke materialen moet plaatsvinden in gesloten of gecontroleerde circuits zonder de menselijke gezondheid, met inbegrip van de gezondheid van werknemers, of het milieu in gevaar te brengen;

24.  hoopt dat innovatieve recyclingpraktijken zullen bijdragen tot het saneren van afval dat zorgwekkende stoffen bevat;

25.  is van mening dat het probleem van producten die uitgefaseerde stoffen bevatten, moet worden aangepakt aan de hand van een efficiënt systeem voor registratie, tracering en verwijdering;

26.  is van mening dat, aangezien meer dan 80 % van de milieu-impact van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en andere productspecifieke wetgeving, in aanvulling op de REACH‑verordening, moeten worden gebruikt voor de invoering van vereisten ter vervanging van zorgwekkende stoffen; benadrukt dat het gebruik van stoffen van toxische aard of zorgwekkende stoffen, zoals POP’s en hormoonontregelaars, specifiek moet worden beschouwd in het kader van de verbrede ecodesigncriteria, onverminderd andere geharmoniseerde wettelijke voorschriften betreffende die stoffen die op Unieniveau zijn vastgelegd;

27.  onderstreept dat het van cruciaal belang is gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen voor in de EU vervaardigde en geïmporteerde artikelen; is van mening dat in de EU vervaardigde artikelen onder geen beding mogen worden benadeeld; verzoekt de Commissie derhalve ervoor te zorgen dat er in de REACH‑verordening en andere productgebonden wetgeving tijdig beperkingen worden opgelegd zodat dezelfde regels gelden voor in de EU geproduceerde en ingevoerde producten; benadrukt met name dat de geleidelijke afschaffing of vervanging van zeer zorgwekkende stoffen ten gevolge van het vergunningenstelsel van REACH moet worden aangevuld met beperkingen die tegelijkertijd gelden; roept de bevoegde instanties in de lidstaten ertoe op geïmporteerde materialen meer te controleren met als doel de naleving van de REACH-verordening en productwetgeving veilig te stellen;

28.  beklemtoont dat de handhaving van de wetgeving inzake chemische stoffen en producten aan de grenzen van de EU moet worden verbeterd;

29.  is van mening dat het om het probleem van de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in gerecycleerde materialen aan te pakken, raadzaam zou zijn een productpaspoort in te voeren om duidelijk te maken welke materialen en stoffen in producten zijn gebruikt;

Onzekerheid over de wijze waarop materialen kunnen ophouden afval te zijn

30.  benadrukt dat duidelijke EU‑voorschriften nodig zijn waarin wordt gepreciseerd aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat iets niet langer als afval wordt beschouwd, evenals geharmoniseerde einde-afvalcriteria; is van mening dat deze duidelijke EU-voorschriften zo moeten worden opgesteld dat ze ook door kmo's kunnen worden nageleefd;

31.  is van mening dat er op EU-niveau maatregelen moeten worden genomen om voor meer harmonisering te zorgen bij de interpretatie en tenuitvoerlegging door de lidstaten van de in de kaderrichtlijn afvalstoffen opgenomen einde-afvalbepalingen, ten einde het gebruik van gerecycleerd materiaal in de EU te faciliteren;

32.  vraagt de lidstaten en de Commissie om volledige samenwerking voor wat de einde-afvalcriteria betreft;

Problemen bij de toepassing van methoden voor de indeling van afvalstoffen van de EU en gevolgen voor de recycleerbaarheid van materialen (secundaire grondstoffen)

33.  is van mening dat de voorschriften voor het classificeren van afval als gevaarlijk of ongevaarlijk consistent moeten zijn met de voorschriften voor de indeling van stoffen en mengsels volgens de verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening), rekening houdend met de specifieke kenmerken van afval en de wijze waarop het wordt behandeld, en is daarnaast verheugd over de nieuwe technische richtsnoeren voor afvalclassificatie; benadrukt dat het classificatiekader voor afval en chemische stoffen verder moet worden ontwikkeld zodat ook zeer zorgwekkende gevaarseindpunten, zoals hoge persistentie, hormoonontregelaars, bioaccumulatie of neurotoxiciteit, eronder vallen;

34.  vraagt de Commissie om verduidelijking inzake de correcte interpretatie van de CLP-verordening met betrekking tot de classificatie van afvalstromen, zodat afval dat zorgwekkende stoffen bevat, niet verkeerd wordt geclassificeerd;

35.  onderstreept dat de ontoereikende handhaving van de EU-afvalwetgeving onaanvaardbaar is en dat deze kwestie prioritair moet worden aangepakt, onder meer door middel van landverslagen in de context van de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid, aangezien er nood is aan meer coherentie tussen de voorschriften voor de indeling van chemische stoffen en van afval;

36.  dringt er bij de Commissie op aan de Europese afvalstoffenlijst onverwijld te herzien;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 109.
(2) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 93.
(3) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 100.
(4) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 141.
(5) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(6) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(7) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.
(8) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(9) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0287.
(11) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 96.
(12) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0100.
(14) PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

Laatst bijgewerkt op: 10 juii 2019Juridische mededeling