Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2128(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0268/2018

Ingediende teksten :

A8-0268/2018

Debatten :

PV 13/09/2018 - 4
CRE 13/09/2018 - 4

Stemmingen :

PV 13/09/2018 - 10.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0356

Aangenomen teksten
PDF 163kWORD 57k
Donderdag 13 september 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van de verordening gewasbeschermingsmiddelen
P8_TA(2018)0356A8-0268/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen (2017/2128(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(3),

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(5),

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 18 februari 2016 in Zaak 12/2013/MDC betreffende het handelen van de Commissie ten aanzien van de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (pesticiden)(6),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling inzake Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en de relevante bijlagen, die in april 2018 is gepubliceerd door de Parlementaire Onderzoeksdienst (DG EPRS)(7),

–  gezien de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 november 2016 in de zaken C‑673/13 P (Commissie v. Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe) en C‑442/14 (Bayer CropScience v. College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden),

–  gezien het Commissievoorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2018 betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen](8),

–  gezien het mandaat en de werkzaamheden van de Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (PEST) van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0268/2018),

A.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (hierna de "verordening") heeft aangetoond dat de doelstellingen betreffende de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu niet volledig worden verwezenlijkt en dat er verbeteringen kunnen worden aangebracht om alle doelstellingen van de verordening te behalen;

B.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de verordening moet worden bekeken in combinatie met het overkoepelende bestrijdingsmiddelenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van Richtlijn 2009/128/EG [inzake duurzaam gebruik], Verordening (EU) nr. 528/2012 [betreffende biociden], Verordening (EG) nr. 396/2005 [tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen] en Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving];

C.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de verordening geen voldoening schenkt en afgestemd moet zijn op gerelateerd EU-beleid, met inbegrip van het beleid op het gebied van bestrijdingsmiddelen;

D.  overwegende dat gebleken is dat de praktische tenuitvoerlegging van de drie belangrijkste instrumenten van de verordening – goedkeuringen, toelatingen en handhaving van regelgevingsbesluiten – ruimte voor verbetering laat zien en niet zorgt voor de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening;

E.  overwegende dat sommige bepalingen van de verordening helemaal niet door de Commissie zijn toegepast, met name artikel 25 betreffende de goedkeuring van beschermstoffen en synergisten en artikel 27 betreffende een negatieve lijst van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen;

F.  overwegende dat andere belangrijke bepalingen zoals de toepassing van de uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die hormoonontregelend zijn aanmerkelijke vertraging hebben opgelopen ingevolge onrechtmatig gedrag van de Commissie;

G.  overwegende dat belanghebbenden uiting hebben gegeven aan hun bezorgdheid over de benadering die bij de evaluatie wordt gevolgd, als vastgesteld bij wet, met name met betrekking tot de vraag wie het wetenschappelijk onderzoek moet uitvoeren en het bewijs moet leveren voor de evaluatie van de werkzame stof en het gebruik van de gevarenbeoordeling tijdens deze evaluatie;

H.  overwegende dat de bewijslast bij de aanvrager moet blijven, zodat wordt gegarandeerd dat overheidsgeld niet wordt besteed aan onderzoeken die uiteindelijk privébelangen dienen; overwegende dat de transparantie bij elke stap van de toelatingsprocedure gegarandeerd moet zijn en intellectuele-eigendomsrechten volledig moeten worden geëerbiedigd, en dat tegelijk moet worden gewaarborgd dat in de gehele Unie consistent goede laboratoriumbeginselen worden gehanteerd;

I.  overwegende dat er bezorgdheid bestaat over de praktische tenuitvoerlegging van de vastgestelde evaluatiebenadering; overwegende dat er grote bezorgdheid bestaat over de onvolledige harmonisering van de gegevensvereisten en de gehanteerde methodologieën die het evaluatieproces kunnen belemmeren;

J.  overwegende dat er geconstateerd is dat het optreden van de nationale bevoegde autoriteiten een belangrijke factor is die van invloed is op de evaluatie van werkzame stoffen; overwegende dat er substantiële verschillen zijn tussen de lidstaten met betrekking tot aanwezige expertise en personeel; overwegende dat de verordening en de relevante ondersteunende wettelijke vereisten niet op uniforme wijze in alle lidstaten worden uitgevoerd en dat dit aanzienlijke gevolgen heeft voor de gezondheid en het milieu;

K.  overwegende dat de transparantie in alle stadia van het goedkeuringsproces moet worden verbeterd, en dat grotere transparantie het vertrouwen van het publiek in het systeem dat de bestrijdingsmiddelen reguleert zou kunnen vergroten; overwegende dat de transparantie van de aan de toelating gerelateerde activiteiten van de bevoegde autoriteiten in veel gevallen evenmin toereikend is; overwegende dat de Commissie wijzigingen aan de algemene levensmiddelenwetgeving heeft voorgesteld teneinde de bezorgdheid in verband met de tijdens het evaluatieproces verstrekte gegevens en bewijzen aan te pakken en de transparantie te vergroten;

L.  overwegende dat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen, die uitsluitend op nationaal niveau worden verleend, vaak kampen met trage besluitvorming over het risicobeheer; overwegende dat dit in sommige gevallen leidt tot een toename van toelatingen waarbij uit hoofde van artikel 53 van de verordening een afwijking wordt toegestaan; overwegende dat er gevallen zijn waarin dergelijke afwijkingen worden gebruikt tegen de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever;

M.  overwegende dat in de verordening werd bepaald dat geïntegreerde gewasbescherming deel moet uitmaken van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen volgens de cross-complianceregels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; overwegende dat dit nog moet worden gerealiseerd;

N.  overwegende dat gebleken is dat dit onderdeel van de regelgeving op EU-niveau zorgt voor een meerwaarde van de nationale inspanningen en optredens;

O.  overwegende dat alternatieven pas serieus worden overwogen nadat de wettelijke voorschriften gewijzigd zijn; overwegende dat in het geval van het uitgebreide verbod op neonicotinoïden, bijvoorbeeld, in de meest recente evaluatie (30/5/2018)(9) werd vastgesteld dat er vlot beschikbare niet-scheikundige alternatieven bestaan voor 78 % van de toepassingen van neonicotinoïden;

P.  overwegende dat er sinds 31 mei 2016 geen aanvragen voor de goedkeuring van nieuwe werkzame stoffen zijn ingediend; overwegende dat innovatie en de ontwikkeling van nieuwe producten, met name producten met een laag risico, belangrijk zijn;

Q.   overwegende dat de beschikbaarheid van namaakpesticiden op de markt een bron van reële zorg is; overwegende dat namaakpesticiden schadelijk kunnen zijn voor het milieu en ook schade toebrengen aan de doeltreffendheid van de verordening;

Belangrijkste conclusies

1.  is van mening dat de EU het passende niveau is waarop regelgevende maatregelen op het gebied van bestrijdingsmiddelen nog steeds getroffen moeten worden;

2.  wijst erop dat bij alle huidige en toekomstige acties de nadruk moet liggen op milieumaatregelen om de verspreiding van ziekteverwekkers en plagen te voorkomen, te beperken en te bestrijden;

3.  is van mening dat de vaststelling en tenuitvoerlegging van de verordening in vergelijking met vroeger een belangrijke stap voorwaarts is voor de behandeling van gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie;

4.  benadrukt dat bij de ontwikkeling van nieuwe producten bijzondere aandacht moet worden besteed aan de rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), aangezien kmo's vaak niet beschikken over de omvangrijke middelen die nodig zijn voor de ontwikkeling en goedkeuring van nieuwe stoffen;

5.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de verordening niet doeltreffend wordt uitgevoerd en dat de doelstellingen met betrekking tot de landbouwproductie en innovatie daardoor in de praktijk niet worden verwezenlijkt; wijst uitdrukkelijk op het feit dat het aantal werkzame stoffen van pesticiden daalt, hetgeen deels toe te schrijven is aan een lage mate van innovatie;

6.  herinnert eraan dat er een aanzienlijke behoefte bestaat aan een integrale aanpak en dat Verordening (EG) nr. 1185/2009 betreffende statistieken over pesticiden(10) deel moet uitmaken van de beoordeling, waarbij de resultaten ervan worden gebruikt om de hoeveelheid pesticiden terug te dringen en zo hun risico's en negatieve gevolgen voor de gezondheid en het milieu tot een minimum te beperken;

7.  merkt op dat de doelstellingen en instrumenten van de verordening niet altijd voldoende in overeenstemming zijn met het EU-beleid op het gebied van landbouw, gezondheid, dierenwelzijn, voedselzekerheid, waterkwaliteit, klimaatverandering en duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders;

8.  maakt zich zorgen over het feit dat de tenuitvoerlegging van de verordening, wat het gebruik van dieren bij tests voor gevarenidentificatie en risicobeoordeling betreft, niet in overeenstemming is met de vereiste van de 3 V's (vervanging, vermindering en verfijning) van Richtlijn 2010/63/EU inzake dierproeven en dat de biotest van twee jaar voor kankerverwekkendheid controversiële resultaten kan opleveren(11).

9.  herinnert eraan dat het voorzorgsbeginsel een algemeen beginsel van de Unie is dat is opgenomen in artikel 191 van het EU-Verdrag en dat het bedoeld is om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen dankzij preventieve besluiten;

10.  vindt het onaanvaardbaar dat de goedkeuringsvereisten voor beschermstoffen en synergisten nog niet zijn toegepast, hetgeen strijdig is met artikel 25 van de verordening;

11.  vindt het onaanvaardbaar dat de negatieve lijst met formuleringshulpstoffen nog niet is vastgesteld, vooral na het verbod op POE-tallowamines in combinatie met glyfosaat, waardoor het schadelijke effect van bepaalde formuleringshulpstoffen duidelijk aan het licht is gekomen;

12.  neemt nota van de lopende Refit-evaluatie door de Commissie van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en de geplande voltooiing ervan in november 2018; vertrouwt erop dat deze bevindingen een adequate basis zullen vormen voor de medewetgevers om de toekomstige ontwikkeling van de verordening te bespreken;

13.  uit zijn bezorgdheid over de gestage toename van het gebruik en het geconstateerde misbruik van afwijkingen uit hoofde van artikel 53 in sommige lidstaten; merkt op dat sommige lidstaten aanmerkelijk meer gebruik maken van artikel 53 dan andere; wijst erop dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), in overeenstemming met artikel 53, lid 2, van de verordening, technische bijstand verleent bij het onderzoek naar het gebruik van noodtoelatingen; neemt kennis van de resultaten van het EFSA-onderzoek naar de noodtoelatingen voor drie neonicotinoïden in 2017, waaruit is gebleken dat sommige noodtoelatingen weliswaar nodig waren en voldeden aan de wettelijke vereisten, maar dat andere niet gerechtvaardigd waren; meent dat het van essentieel belang is dat de lidstaten de nodige gegevens verstrekken zodat de EFSA haar taken naar behoren kan vervullen;

14.  beklemtoont het belang van beleidsvorming die zich baseert op wetenschap, waarbij verifieerbare en herhaalbare bewijzen worden geleverd aan de hand van internationaal overeengekomen wetenschappelijke beginselen, onder meer met betrekking tot richtsnoeren, goede laboratoriumpraktijken en collegiaal getoetst onderzoek;

15.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de onvolledige harmonisering van gegevens- en testvereisten op sommige wetenschappelijke terreinen, met ondoeltreffende werkmethoden, gebrek aan vertrouwen tussen de nationale autoriteiten en onnodige vertragingen van toelatingen als gevolg, negatieve consequenties kan hebben voor de gezondheid van mens en dier, voor het milieu en voor de landbouwproductie;

16.  betreurt dat er zo weinig publieke informatie beschikbaar is over de evaluatie- en toelatingsprocedure, en betreurt de beperkte toegang ertoe; betreurt dat het transparantieniveau in de lidstaten-rapporteur (die optreden in het kader van de goedkeuringsprocedure) laag is, meent dat de toegankelijkheid en de gebruikersvriendelijkheid van de informatie in het stadium van de EFSA kan worden verbeterd, dat er onvoldoende transparantie in het stadium van het risicobeheer lijkt te zijn en dat de transparantie ook door de belanghebbenden als problematisch wordt beschouwd; is ingenomen met de inspanningen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) om de transparantie en gebruikersvriendelijkheid te vergroten via zijn website en is van mening dat dit model in de toekomst kan worden gebruikt om de transparantie te verbeteren;

17.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van het systeem voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen sterk afhangt van het publieke vertrouwen in de Europese agentschappen die de wetenschappelijke adviezen verstrekken welke de basis vormen voor goedkeuringen en risicobeheer; onderstreept dat transparantie in het proces van wetenschappelijke beoordelingen belangrijk is om het publieke vertrouwen te handhaven; roept daarom op tot adequate financiering van en voldoende personeel voor de relevante agentschappen om te garanderen dat het toelatingsproces onafhankelijk en transparant is en vlot verloopt; is daarnaast ingenomen met de aanhoudende inspanningen die EFSA heeft geleverd om haar systeem te verbeteren en de onafhankelijkheid en het beheer van potentiële belangenconflicten te garanderen – het systeem van EFSA werd door de Rekenkamer geroemd als het meest geavanceerde systeem van de agentschappen die in 2012 aan een audit werden onderworpen en is onlangs, in juni 2017, geactualiseerd; roept de Commissie op verbeteringen voor te stellen om de transparantie van het regelgevingsproces verder te vergroten, onder meer betreffende de toegang tot gegevens van veiligheidsonderzoeken die door producenten worden ingediend als onderdeel van hun aanvragen voor vergunningen om gewasbeschermingsmiddelen in de EU in de handel te brengen; erkent dat de huidige procedure moet worden herzien om de evaluaties te verbeteren, de onafhankelijkheid van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van studies te vergroten, belangenconflicten te vermijden en de procedure transparanter te maken;

18.  verzoekt de Commissie op Europees niveau een lijst van toepassingen vast te stellen teneinde de harmonisering van de verordening te verbeteren;

19.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat, in sommige gevallen, de gewasbeschermingsmiddelen die op de markt zijn en de manier waarop ze door de gebruikers worden gebruikt niet altijd voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden bij de toelating ten aanzien van hun samenstelling en gebruik; beklemtoont dat niet-professioneel gebruik zo mogelijk moet worden beperkt om misbruik terug te dringen;

20.  onderstreept het belang van scholing voor professionele gebruikers om het correcte en passende gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te garanderen; is van mening dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen professionele en niet-professionele gebruikers; merkt op dat gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in privétuinen, langs spoorwegen en in openbare parken;

21.  geeft aan dat het recht van lidstaten om toegelaten gewasbeschermingsmiddelen te weigeren onverlet blijft;

22.  benadrukt dat de verordening meer moet weerspiegelen dat landbouwpraktijken die gebaseerd zijn op geïntegreerde plaagbestrijding, inclusief het stimuleren van de ontwikkeling van stoffen met een laag risico, moeten worden bevorderd; wijst erop dat het gebrek aan beschikbare gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico een belemmering vormt voor de ontwikkeling van geïntegreerde plaagbestrijding; merkt met bezorgdheid op dat op een totaal van nagenoeg 500 op de EU-markt beschikbare stoffen slechts tien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico;

23.  beklemtoont dat de toelating en bevordering van niet-chemische pesticiden met een laag risico belangrijke maatregelen zijn voor de ondersteuning van plaagbestrijding met lage pesticideninzet; erkent dat er meer onderzoek nodig is naar deze producten aangezien de samenstelling en werking ervan grondig verschillen van die van conventionele producten; onderstreept dat dit ook betekent dat bij de EFSA en de nationale bevoegde autoriteiten meer expertise nodig is om deze biologisch werkzame stoffen te evalueren; merkt op dat biologische gewasbeschermingsmiddelen even streng moeten worden geëvalueerd als andere stoffen; vraagt de Commissie, in overeenstemming met zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico, om voor eind 2018 een specifiek wetsvoorstel voor te leggen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, los van de algemene herziening in het kader van het REFIT-initiatief, met het oog op de invoering van een versnelde procedure voor de beoordeling, toelating en registratie van biologische pesticiden met een laag risico;

24.   meent dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 eveneens moet worden aangepast om beter rekening te houden met stoffen die niet als gewasbeschermingsmiddelen worden beschouwd en die, wanneer ze worden gebruikt voor de bescherming van planten, door diezelfde verordening worden geregeld; merkt op dat die stoffen interessante alternatieven vormen als het gaat om geïntegreerde productiemethodes en bepaalde biocontroleproducten;

25.  beklemtoont dat bijzondere aandacht en ondersteuning moeten worden gegeven aan gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, aangezien bedrijven momenteel weinig economische prikkels krijgen om dergelijke middelen te ontwikkelen; is verheugd over de oprichting van de Coördinerende instantie voor kleine toepassingen, als forum om de coördinatie tussen lidstaten, organisaties van telers en de industrie te verbeteren ten gunste van de ontwikkeling van oplossingen voor kleine toepassingen;

26.  benadrukt dat veel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen al meer dan 15 jaar niet geëvalueerd zijn aan de hand van de EU-normen door vertragingen in de toelatingsprocedures;

27.  benadrukt hoe belangrijk het is een innovatievriendelijk regelgevingskader te creëren waarin oudere chemicaliën kunnen worden vervangen door nieuwe en betere gewasbeschermingsmiddelen; onderstreept het belang van de beschikbaarheid van een breed scala van gewasbeschermingsmiddelen met verschillende werkingsmechanismen om de ontwikkeling van resistentie te voorkomen en de effectiviteit van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te kunnen handhaven;

28.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de harmonisering van de richtsnoeren nog niet geconsolideerd is;

29.  benadrukt dat ontbrekende of onvolledige richtsnoeren ernstige tekortkomingen zijn die negatieve gevolgen hebben voor de tenuitvoerlegging van de verordening en daarmee voor de verwezenlijking van de doelstellingen;

30.  benadrukt dat de beschikbare richtsnoeren niet wettelijk bindend zijn, wat zorgt voor rechtsonzekerheid voor de aanvragers en de in het kader van de goedkeuringsprocedures uitgevoerde evaluaties ter discussie stelt;

31.  is ingenomen met het idee van het systeem voor toelating per zone dat ertoe moet leiden dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen doeltreffender verloopt; is van mening dat de procedure voor wederzijdse erkenning van cruciaal belang is om de werklast te delen en de naleving van de uiterste termijnen te bevorderen; betreurt de problemen in verband met de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; verzoekt de Commissie zich samen met de lidstaten in te zetten om de werking van het systeem voor toelating per zone te verbeteren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving als doel moet hebben dubbel werk te voorkomen en nieuwe stoffen zonder onnodige vertragingen beschikbaar te maken voor landbouwers;

32.  onderstreept dat het noodzakelijk is kennis te delen en nieuwe vaardigheden op te doen met betrekking tot alternatieven voor chemische pesticiden en geïntegreerde plantenbescherming, onder meer om een systeem van vruchtwisseling te vinden dat optimaal aansluit op de markt- en klimaatomstandigheden voor landbouwers; merkt verder op dat hierin reeds wordt voorzien in de horizontale GLB-verordening, met name ook in de vorm van bedrijfsadviesdiensten die worden gefinancierd in het kader van de plattelandsontwikkeling;

33.  toont zich bezorgd over het kleine aantal nieuwe stoffen dat is goedgekeurd; benadrukt hoe belangrijk een geschikte toolkit met gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwers is om de voedselvoorziening in de EU veilig te stellen;

34.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het huidige, op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde evaluatiesysteem voor gewasbeschermingsmiddelen van de EU in recente debatten steeds vaker ter discussie wordt gesteld; benadrukt het belang van handhaving en versterking van een systeem dat wetenschappelijk onderbouwd en objectief is en berust op collegiaal getoetst bewijsmateriaal, en het product is van een open, onafhankelijke en multidisciplinaire wetenschappelijke benadering bij het toelaten van een werkzame stof, overeenkomstig de door de EU gehanteerde beginselen inzake risicoanalyse en het voorzorgsbeginsel zoals neergelegd in de algemene levensmiddelenwetgeving; dringt erop aan dat in de procedure voor de hernieuwde goedkeuring van werkzame stoffen rekening moet worden gehouden met het concrete gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en met de wetenschappelijke en technologische vorderingen op dit terrein; wijst erop dat de complexiteit van het huidige systeem van evaluatie en toelating tot gevolg heeft dat termijnen niet worden gehaald en dat het systeem in het algemeen mogelijk niet naar behoren werkt; wijst dan ook op de noodzaak om het systeem te evalueren en vereenvoudigen;

35.  benadrukt de grote verschillen in het aantal aanvragen tussen lidstaten in dezelfde zone en met een vergelijkbare omvang en vergelijkbare agrarische omstandigheden;

36.  is van mening dat producten die uit landen buiten de EU worden ingevoerd en zijn geteeld met gebruikmaking van PPP's, moeten worden onderworpen aan dezelfde strikte criteria als producten die in de EU worden geproduceerd; is bezorgd dat PPP's die niet in de EU zijn geregistreerd, mogelijk wel worden gebruikt in de productie van geïmporteerde producten;

Aanbevelingen

37.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt uitgevoerd met betrekking tot hun specifieke rol in de goedkeurings- en toelatingsprocedures;

38.  dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan de ernstige en chronische onderbezetting bij de nationale bevoegde autoriteiten die leidt tot vertragingen bij de risico-identificatie en de eerste risicobeoordelingen van de lidstaten;

39.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de procedurele verlenging van de goedkeuringsperiode voor de duur van de procedure, overeenkomstig artikel 17 van de verordening, niet zal worden gebruikt voor werkzame stoffen die kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting zijn en dus zijn opgenomen in categorie 1A of 1B, of werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier, zoals momenteel het geval is voor stoffen als flumioxazine, thiacloprid, chlorotoluron en dimoxystrobin(12);

40.  Het gebruik van werkzame stoffen die kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting zijn en dus zijn opgenomen in categorie 1A of 1B of werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier die al een of meer procedurele verlengingen van de goedkeuringsperiode overeenkomstig artikel 17 van de verordening hebben genoten, moet onmiddellijk verboden worden;

41.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te erkennen dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu de belangrijkste doelstellingen van de wetgeving zijn, en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren en het concurrentievermogen van de landbouwsector te handhaven;

42.  dringt er bij de sector op aan alle gegevens en wetenschappelijk onderzoek in een eenvormig elektronisch en machineleesbaar formaat te verstrekken aan de lidstaten-rapporteur en de EU-agentschappen; dringt er bij de Commissie op aan een geharmoniseerd model voor gegevensinvoer te ontwikkelen teneinde de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten in alle stadia van het proces te vergemakkelijken; erkent dat deze gegevens moeten worden behandeld volgens de voorschriften van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en met inachtneming van intellectuele-eigendomsrechten;

43.  dringt er bij de lidstaten op aan artikel 9 van de verordening over de ontvankelijkheid van aanvragen strikt toe te passen en uitsluitend volledige aanvragen voor de beoordeling van werkzame stoffen te aanvaarden;

44.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de uitsluitingscriteria volledig en uniform worden toegepast, volgens de bestaande geharmoniseerde richtsnoeren, en ervoor te zorgen dat stoffen alleen worden beoordeeld op hun risico wanneer gebleken is dat zij geen risicovolle (uitsluitende) eigenschappen hebben, zoals wordt voorgeschreven door de verordening;

45.  dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen over formuleringshulpstoffen, beschermstoffen en synergisten eindelijk ten uitvoer te leggen, een lijst op te stellen van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen en voorschriften vast te stellen opdat beschermstoffen en synergisten op EU-niveau worden getest, en ervoor te zorgen dat uitsluitend chemicaliën die voldoen aan de goedkeuringscriteria van de EU in de handel kunnen worden gebracht;

46.  is ingenomen met de interpretatie die de Commissie in de Refit-evaluatie van de algemene levensmiddelenwetgeving(13) geeft aan het voorzorgsbeginsel, namelijk dat dit beginsel geen alternatief vormt voor een benadering op basis van risicobeheersing, maar juist een specifieke vorm van risicobeheersing is; herinnert eraan dat dit standpunt ook wordt onderschreven in uitspraken van het Hof van Justitie van de EU(14);

47.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, als risicobeheerders in de goedkeurings- en toelatingsprocedures, het voorzorgsbeginsel naar behoren toe te passen en bijzondere aandacht te schenken aan de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen als bedoeld in artikel 3, lid 14, van de verordening;

48.  dringt er bij de Commissie, de agentschappen en de bevoegde autoriteiten op aan hun communicatie over risicobeoordelingsprocedures en besluitvorming over het risicobeheer te herzien en te verbeteren om het vertrouwen van het publiek in het toelatingssysteem te versterken;

49.  dringt er bij de lidstaten op aan de toelatingsprocedures op nationaal niveau beter ten uitvoer te leggen teneinde de afwijkingen en verlengingen die worden toegestaan uit hoofde van artikel 53 van de verordening te beperken tot echte noodsituaties; dringt er bij de Commissie op aan haar controlerechten uit hoofde van artikel 53, leden 2 en 3, ten volle te benutten; dringt er voorts bij de lidstaten op aan volledig te voldoen aan de informatieplicht ten aanzien van de andere lidstaten en de Commissie zoals vastgesteld in artikel 53, lid 1, met name betreffende maatregelen die zijn genomen om de veiligheid van gebruikers, kwetsbare groepen en consumenten te garanderen;

50.  dringt er bij de Commissie op aan methoden te ontwikkelen om te bepalen wanneer bepaalde afwijkingen moeten worden toegestaan, met name met betrekking tot "verwaarloosbare blootstelling" of "ernstig fytosanitair gevaar", zonder dat daarbij wordt geraakt aan de letter of de geest van de wet; waarschuwt de Commissie dat elke nieuwe interpretatie van de uitdrukking "verwaarloosbare blootstelling" als "verwaarloosbaar risico" tegen de letter en de geest van de wet zou indruisen;

51.  dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op meer investeringen om stimulansen te geven aan onderzoeksinitiatieven betreffende werkzame stoffen, met inbegrip van biologische stoffen met een laag risico, en gewasbeschermingsmiddelen binnen Horizon Europa en het meerjarig financieel kader 2021-2027; onderstreept het belang van een regelgevingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op EU-niveau dat het milieu en de volksgezondheid beschermt en daarnaast onderzoek en innovatie stimuleert met het oog op de ontwikkeling van doeltreffende en veilige gewasbeschermingsmiddelen, en tegelijkertijd duurzame landbouwpraktijken en geïntegreerde plantenbescherming garandeert; wijst erop dat er een grote variëteit aan veilige en doeltreffende instrumenten nodig is om de gezondheid van planten te beschermen; wijst op het potentieel van precisielandbouwtechnieken en technologische innovatie om Europese landbouwers te helpen plagen op een meer gerichte en duurzame wijze optimaal te bestrijden;

52.  dringt er bij de Commissie op aan het gebruik van de procedure voor aanvullende gegevens strikt te beperken tot het doel dat daarvoor is vastgesteld in artikel 6, onder f), van de verordening, namelijk wanneer tijdens de beoordelingsprocedure of naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis nieuwe eisen worden vastgesteld; onderstreept dat volledige dossiers belangrijk zijn voor de goedkeuring van werkzame stoffen; betreurt dat de afwijking met gebruik van de procedure waarbij er nog bevestigende gegevens moeten worden verstrekt, ertoe heeft geleid dat bepaalde gewasbestrijdingsmiddelen die anders verboden zouden zijn, voor langere tijd op de markt zijn gehouden;

53.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de transparantie van de procedures te verhogen, onder meer door uitvoerige notulen te verstrekken over de comitologiebesprekingen en de respectieve standpunten, met name door toelichting te geven bij en verantwoording af te leggen over de besluiten van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders;

54.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor een betere samenhang tussen de verordening en haar tenuitvoerlegging en de gerelateerde EU-wetgeving en het gerelateerde EU-beleid, met name de richtlijn betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden, en te voorzien in prikkels, onder meer het ter beschikking stellen van toereikende middelen die op korte termijn de ontwikkeling en het gebruik van veilige en niet-giftige alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen bevorderen en stimuleren; wijst erop dat in het regelgevingskader geen rekening wordt gehouden met de onvermijdelijke effecten op niet-doelsoorten, met name bijen en andere bestuivers en andere insecten die gunstig zijn voor de landbouw zoals predatoren van schadelijke organismen; wijst op het recente wetenschappelijke onderzoek waarin wordt gewezen op de "insectenapocalyps": het regionaal uitsterven van 75 % van de gevleugelde insecten in Duitsland, zelfs in natuurreservaten waar geen pesticiden werden gebruikt voor de landbouw; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de samenhang tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen te verzekeren, met name door de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en Richtlijn 2009/128/EG te behouden op de lijst met uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE's 12 en 13), zoals door de Commissie voorgesteld in het voorstel voor een verordening inzake de strategische GLB-plannen(15);

55.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt gehandhaafd, met name met betrekking tot de controle van gewasbeschermingsmiddelen die in de EU op de markt worden gebracht, ongeacht of zij geproduceerd zijn in de EU of worden ingevoerd uit derde landen;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) PB L 70 van 16.03.2005, blz. 1.
(3) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(4) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0042.
(6) https://www.ombudsman.europa.eu/en/decision/en/64069
(7) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/615668/EPRS_STU(2018)615668_EN.pdf
(8) COM(2018)0179.
(9) ANSES – Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail (Frankrijk) - Conclusies, 2018.
(10) PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1.
(11) Bron: informatie en vaststellingen in het kader van de Europese uitvoeringsbeoordeling, EPRS-studie april 2018, blz. 36 & II-33.
(12) https://www.foodwatch.org/fileadmin/foodwatch.nl/Onze_campagnes/Schadelijke_stoffen/Documents/Rapport_foodwatch_Ten_minste_onhoudbaar_tot.pdf
(13) SWD(2018)0038.
(14) Bv. Arrest van het Gerecht van 9 september 2011, Frankrijk v. Commissie, T-257/07, ECLI:EU:T:2011:444.
(15) Voorstel voor een verordening inzake strategische GLB-plannen – COM(2018)0392.

Laatst bijgewerkt op: 10 juli 2019Juridische mededeling