Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 18 april 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: Uniemerk
 Het vaststellen van de termijn voor de negende verkiezing van vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen *
 Kaderovereenkomst tussen de EU en Australië ***
 Kaderovereenkomst tussen de EU en Australië (resolutie)
 Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme ***
 Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (aanvullend protocol) ***
 Verpakking en verpakkingsafval ***I
 Autowrakken, afgedankte batterijen en accu’s en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur ***I
 Afvalstoffen ***I
 Het storten van afvalstoffen ***I
 Procedureregels inzake rapportage op milieugebied ***I
 Integriteitsbeleid van de Commissie, in het bijzonder de benoeming van de secretaris-generaal van de Europese Commissie
 Voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen
 Tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020
 Jaarverslagen 2015-2016 over subsidiariteit en evenredigheid
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Commissie en uitvoerende agentschappen
 Kwijting 2016: Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - het achtste, negende, tiende en elfde EOF
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europees Parlement
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europese Raad en Raad
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Hof van Justitie
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Rekenkamer
 Kwijting 2016: Algemene begroting van de EU – Europees Economisch en Sociaal Comité
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Comité van de Regio's
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europese Dienst voor extern optreden
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europese Ombudsman
 Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Kwijting 2016: Prestaties, financieel beheer en controle van de EU-agentschappen
 Kwijting 2016: Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)
 Kwijting 2016: Bureau van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec)
 Kwijting 2016: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT)
 Kwijting 2016: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
 Kwijting 2016: Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol)
 Kwijting 2016: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
 Kwijting 2016: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)
 Kwijting 2016: Europese Bankautoriteit (EBA)
 Kwijting 2016: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)
 Kwijting 2016: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)
 Kwijting 2016: Europees Milieuagentschap (EMA)
 Kwijting 2016: Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA)
 Kwijting 2016: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)
 Kwijting 2016: Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)
 Kwijting 2016: Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)
 Kwijting 2016: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT)
 Kwijting 2016: Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)
 Kwijting 2016: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD)
 Kwijting 2016: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA)
 Kwijting 2016: Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa)
 Kwijting 2016: Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA)
 Kwijting 2016: Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
 Kwijting 2016: Europese Stichting voor opleiding (ETF)
 Kwijting 2016: Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA)
 Kwijting 2016: Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA)
 Kwijting 2016: Voorzieningsagentschap van Euratom (ESA)
 Kwijting 2016: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound)
 Kwijting 2016: Europese Eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust)
 Kwijting 2016: Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol)
 Kwijting 2016: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)
 Kwijting 2016: Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)
 Kwijting 2016: Europees GNSS-Agentschap (GSA)
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (BBI)
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke onderneming Clean Sky 2
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof 2 (FCH2)
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief innovatieve medicijnen 2 (IMI)
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke onderneming Sesar
 Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail (S2R)

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: Uniemerk
PDF 242kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de Gedelegeerde Verordening van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 (C(2018)01231 – 2018/2618(DEA))
P8_TA(2018)0106B8-0187/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)01231) ("de gewijzigde gedelegeerde verordening"),

–  gezien de brief van de Commissie van 23 maart 2018 met het verzoek aan het Parlement om te verklaren geen bezwaar te zullen maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken van 27 maart 2018 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk(1), zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, en van Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen(2) en vervolgens gecodificeerd als Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk(3),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 van de Commissie van 18 mei 2017 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Uniemerk(4), met aangepaste verwijzingen naar Verordening (EU) 2017/1001,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie juridische zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 17 april 2018 verstreek,

A.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 207/2009 werd gecodificeerd als Verordening (EU) 2017/1001 van de Raad;

B.  overwegende dat de verwijzingen in een gedelegeerde verordening de hernummering van de artikelen moeten weergeven die voortvloeit uit een codificering van de basishandeling;

C.  overwegende dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 van de Commissie van 18 mei 2017 ter aanvulling van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2868/95 en (EG) nr. 216/96 van de Commissie(5) dientengevolge moet worden ingetrokken en dat de bepalingen van deze gedelegeerde verordening met aangepaste verwijzingen naar Verordening (EU) 2017/1001 moeten worden vastgelegd in de gewijzigde gedelegeerde verordening;

D.  overwegende dat de gewijzigde gedelegeerde verordening daarom geen inhoudelijke wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 inhoudt;

E.  overwegende dat een spoedige bekendmaking van de gewijzigde gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een vroege toepassingsdatum mogelijk zou maken en de continuïteit zou waarborgen van de werking van de overgangsregeling die wordt genoemd in de slotbepalingen van de gewijzigde gedelegeerde verordening;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 78 van 24.3.2009, blz. 1.
(2) PB L 341 van 24.12.2015, blz. 21.
(3) PB L 154 van 16.6.2017, blz. 1.
(4) PB L 205 van 8.8.2017, blz. 39.
(5) PB L 205 van 8.8.2017, blz. 1.


Het vaststellen van de termijn voor de negende verkiezing van vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen *
PDF 242kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot vaststelling van de termijn voor de negende verkiezing van vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (07162/2018 – C8-0128/2018 – 2018/0805(CNS))
P8_TA(2018)0107A8-0145/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (07162/2018),

–  gezien artikel 11, lid 2, tweede alinea, van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen(1), op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0128/2018),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement(3),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A8-0145/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  herinnert aan zijn voorstel, gehecht aan zijn resolutie over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie, om het Europees Parlement de verkiezingsperiode te laten bepalen na raadpleging van de Raad;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.  verzoekt zijn voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en, voor informatie, aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (PB L 278 van 8.10.1976, blz. 1), zoals gewijzigd bij Besluit 93/81/Euratom, EGKS, EEG van de Raad (PB L 33 van 9.2.1993, blz. 15) en bij Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad (PB L 283 van 21.10.2002, blz. 1).
(2) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 7.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0029.


Kaderovereenkomst tussen de EU en Australië ***
PDF 111kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds (15467/2016 – C8-0327/2017 – 2016/0367(NLE))
P8_TA(2018)0108A8-0110/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15467/2016),

–  gezien de ontwerpkaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds (09776/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 207, artikel 212, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0327/2017),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 18 april 2018(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0110/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Australië.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0109.


Kaderovereenkomst tussen de EU en Australië (resolutie)
PDF 287kWORD 60k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds (15467/2016 – C8-0327/2017 – 2016/0367(NLE)2017/2227(INI))
P8_TA(2018)0109A8-0119/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15467/2016),

–  gezien de ontwerpkaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds (09776/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 212, lid 1, en in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0327/2017),

–  gezien de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP) die op 13 september 2007 door de Algemene Vergadering is aangenomen,

–  gezien het partnerschapskader EU-Australië ondertekend in oktober 2008, dat door de kaderovereenkomst zal worden vervangen,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Australië die op 26 juni 1997 in Luxemburg is aangenomen,

–   gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de opening van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Australië en Nieuw‑Zeeland(1) en zijn resolutie van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad betreffende het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen met Australië(2),

–   gezien de gezamenlijke verklaring van 15 november 2015 van de voorzitter van de Commissie, Jean‑Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, en de premier van Australië, Malcolm Turnbull,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van 22 april 2015 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de minister van Buitenlandse Zaken van Australië getiteld "Towards a closer EU-Australia Partnership",

–  gezien de in 2015 ondertekende overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië tot vaststelling van een kader voor de deelname van Australië aan crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie(3),

–   gezien de in december 2014 overeengekomen administratieve overeenkomst tussen Australië en de Europese Unie tot vaststelling van een programma voor diplomatieke uitwisseling,

–  gezien de in 1998 ondertekende overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Australië inzake wederzijdse erkenning betreffende normencertificering(4), en de overeenkomst tussen de EU en Australië tot wijziging van deze overeenkomst uit 2012(5),

–  gezien de op 29 september 2011 ondertekende overeenkomst inzake persoonsgegevens van passagiers tussen de EU en Australië(6),

–   gezien de op 13 januari 2010 ondertekende overeenkomst tussen Australië en de Europese Unie betreffende de beveiliging van gerubriceerde gegevens(7),

–  gezien de in 1994 ondertekende overeenkomst over wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Australië(8),

–  gezien de op 4 en 5 oktober 2017 in Straatsburg gehouden 38e vergadering tussen het Europees Parlement en het Australische parlement,

–   gezien het in juni 2017 in Sydney gehouden eerste "Leadership Forum" van de EU en Australië, tijdens welke politici en ondernemers, academici en vertegenwoordigers uit de media en het maatschappelijk middenveld elkaar hebben ontmoet,

–   gezien het door de Australische regering in november 2017 gepubliceerde Witboek over het buitenlands beleid, waarin de prioriteiten en uitdagingen op het buitenlands toneel van Australië worden beschreven en het grote belang van de zogenaamde Indo‑Pacifische regio voor Australië wordt onderstreept,

–   gezien het feit dat in het bovengenoemde witboek de sleutelrol van de VS en China in de Indo-Pacifische regio en in het Australische buitenlands beleid wordt geschetst en het belang van de betrekkingen van Australië met de Europese Unie en haar lidstaten wordt genoemd,

–   gezien de door de Australische regering in december 2017 uitgebrachte Herziening van het klimaatbeleid 2017,

–   gezien het document van de Australische regering getiteld "Australian climate change science: a national framework", dat in 2009 gepubliceerd werd,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 18 april 2018 over het ontwerp van besluit(9),

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0119/2018),

A.  overwegende dat de EU en Australië op 7 augustus 2017 een kaderovereenkomst hebben gesloten; overwegende dat de hechte en sterke betrekkingen tussen Australië en de EU en haar lidstaten tot een ver verleden teruggaan en op gemeenschappelijke waarden en beginselen stutten, zoals respect voor de democratie, de mensenrechten, gendergelijkheid, de rechtsstaat, met inbegrip van internationale wetgeving, en vrede en veiligheid; overwegende dat ook de interpersoonlijke betrekkingen hecht en duurzaam zijn;

B.  overwegende dat de EU en Australië in 2017, 55 jaar samenwerking en diplomatieke betrekkingen hebben gevierd; overwegende dat deze betrekkingen de afgelopen jaren een nieuwe impuls hebben gekregen; overwegende dat alle lidstaten diplomatieke betrekkingen met Australië onderhouden en 25 van hen een ambassade in Canberra hebben;

C.  overwegende dat volgens het door de Australische regering gepubliceerde Witboek over het buitenlands beleid "een sterke Europese Unie van wezenlijk belang voor Australië blijft en de EU een steeds belangrijker partner zal worden bij de bescherming en bevordering van een op regels gebaseerde internationale orde"; overwegende dat in dit witboek wordt onderstreept hoe belangrijk nauwe samenwerking met de EU en haar lidstaten is "bij het aangaan van uitdagingen als terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, duurzame ontwikkeling en mensenrechten";

D.  overwegende dat de EU en Australië samenwerking en een dialoog zijn aangegaan met landen in Zuidoost-Azië, onder meer via de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), het Regionaal Forum van de ASEAN (ARF), de Ontmoeting Azië-Europa (ASEM) en de Oost-Azië-top (EAS); overwegende dat Australië medeoprichter is van het Pacific Islands Forum (PIF) en een strategisch partnerschap met ASEAN is aangegaan; overwegende dat op 17 en 18 maart 2018 in Australië een speciale ASEAN-Australië top werd gehouden;

E.  overwegende dat de EU, als wereldspeler, haar aanwezigheid verder zou moeten uitbreiden in de omvangrijke en dynamische regio Azië-Stille Oceaan, waar Australië een natuurlijke partner van de EU maar ook zelf een belangrijke speler is; overwegende dat een stabiele, vreedzame en op regels gebaseerde regio Azië-Stille Oceaan, in lijn met onze beginselen en normen, nuttig is voor de eigen veiligheid en belangen van de EU;

F.  overwegende dat de Europese Unie en Australië sterk op een lijn liggen bij buitenlandsbeleidskwesties als Oekraïne, Rusland, de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) en het Midden-Oosten;

G.  overwegende dat Australië op politiek, veiligheids- en defensiegebied hechte betrekkingen met de VS onderhoudt die verenigbaar zijn met zijn steeds sterkere banden met China, waarmee het een brede strategische partnerschap heeft gesloten;

H.  overwegende dat de EU in 2016 de op een na belangrijkste handelspartner van Australië was – de op een na belangrijkste bron van invoer (19,3 %) en de op twee na belangrijke uitvoerbestemming(10,3 %) – en overwegende dat beide landen vele gezamenlijke economische belangen hebben; overwegende dat de rechtstreekse buitenlandse investeringen van de EU in Australië in 2015 117,7 miljard EUR bedroegen, en de rechtstreekse buitenlandse investeringen van Australië in de EU 21,7 miljard EUR;

I.  overwegende dat Australië veel waarde hecht aan vrijhandel en bilaterale vrijhandelsovereenkomsten heeft gesloten met belangrijke landen in Oost-Azië – China, Japan, Zuid-Korea, Singapore, Maleisië en Thailand – (evenals een regionale overeenkomst met ASEAN) en met Nieuw-Zeeland, Chili, de Verenigde Staten en Peru, alsmede de PACER-plus overeenkomst met de eilanden in de Stille Oceaan,

J.  overwegende dat Australië en tien andere aan de Stille Oceaan gelegen landen op 23 januari 2018 bekend hebben gemaakt dat zij overeenstemming hadden bereikt over een trans-Pacifische handelsovereenkomst, de zogenaamde alomvattende en vooruitstrevende overeenkomst voor een trans-Pacifisch partnerschap ("Comprehensive and Progressive Agreement for Trans-Pacific Partnership", CPTPP), die vervolgens op 8 maart 2018 in Chili is ondertekend; overwegende dat Australië momenteel onderhandelingen voert over een groot aantal handelsovereenkomsten, waaronder het regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP), waarvan het idee tijdens een ASEAN-top in 2012 is gelanceerd;

K.  overwegende dat Australië, een land dat streeft naar mondiale governance, vijf keer niet‑permanent lid van de VN‑Veiligheidsraad is geweest en vanaf het begin een actief lid van de G20, waarvan het de top in 2014 in Brisbane heeft voorgezeten, in nauwe samenwerking met de EU; overwegende dat Australië onlangs is verkozen tot lid van de Mensenrechtenraad van de VN;

L.  overwegende dat Australische troepen deel uitmaken van de wereldwijde coalitie tegen IS in Irak en Syrië; overwegende dat Australië in Afghanistan de grootste troepenbijdrage van de niet-NAVO-landen heeft geleverd aan de Internationale strijdmacht voor bijstand aan de veiligheid (ISAF);

M.  overwegende dat Australië heeft bijgedragen aan veel door de VN ondersteunde vredeshandhavingsmissies op de drie continenten, alsmede in Papoea-Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden;

N.  overwegende dat Australië in 2014 voor het eerst heeft bijgedragen aan een door de EU geleide crisisbeheersingsmissie, EUCAP NESTOR, in de Hoorn van Afrika; overwegende dat de Australische marine terrorismebestrijdings- en antipiraterijoperaties uitvoert in het kader van de Gecombineerde Zeestrijdkrachten in de Hoorn van Afrika en in het westen van de Indische Oceaan;

O.  overwegende dat Australische burgers binnen en buiten de landsgrenzen het slachtoffer zijn geworden van terroristische aanslagen door geradicaliseerde islamisten; overwegende dat de EU en Australië samenwerken in de strijd tegen het terrorisme, onder meer bij maatregelen om gewelddadig extremisme tegen te gaan, inspanningen te leveren om de financiering van terroristische organisaties te stoppen en specifieke projecten voor capaciteitsopbouw te coördineren;

P.  overwegende dat het centrum voor samenwerking op het gebied van wetshandhaving (JLEC) in Jakarta, een Australisch-Indonesisch initiatief, tot doel heeft de internationale expertise van de rechtshandhavingsinstanties in Zuidoost-Azië te versterken in de strijd tegen terrorisme en grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, en eveneens financiering van de EU heeft ontvangen;

Q.  overwegende dat de Australische regering in oktober 2017 haar internationale cyberstrategie heeft gelanceerd, bedoeld om kwesties als digitale handel, cybermisdaad, internationale veiligheid, en e-overheid aan te pakken;

R.  overwegende dat Australië de Filipijnen gesteund heeft bij het verbeteren van de veiligheid en het bestrijden van jihadisme;

S.  overwegende dat de EU en Australië migratievraagstukken bespreken tijdens de jaarlijkse EU-Australië dialoog van hoge ambtenaren over migratie, asiel en diversiteitsvraagstukken; overwegende dat Australië medevoorzitter is van het Bali-proces inzake mensensmokkel, mensenhandel en hiermee samenhangende grensoverschrijdende misdaad;

T.  overwegende dat het inkomen per hoofd van de bevolking in Australië erg hoog is en dat de Australische samenleving open, democratisch en multicultureel is; overwegende dat een kwart van de bevolking elders is geboren en dat ongeveer zeven miljoen permanente migranten, waaronder velen afkomstig uit Europa, zich sinds 1945 in Australië gevestigd hebben; overwegende dat de geografische situatie van Australië bijzonder is en het land zich uitstrekt over een groot gebied tussen de Indische Oceaan en het zuidelijke deel van de Stille Oceaan;

U.  overwegende dat Australië en de EU zich er in de kaderovereenkomst nogmaals toe verbinden samen te zullen werken in de strijd tegen klimaatverandering; overwegende dat Australië zich er in de Herziening van het klimaatbeleid 2017 nogmaals toe verbindt deze dreiging te bestrijden;

V.  overwegende dat Australië geconfronteerd wordt met aanzienlijke economische en milieugevolgen van de klimaatverandering in een aantal sectoren, waaronder waterzekerheid, landbouw, kustgemeenschappen, en infrastructuur;

W.  overwegende dat Australië, een lid van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO, zich in het bijzonder inzet voor goed bestuur en economische groei in Papoea-Nieuw-Guinea, Indonesië, Oost-Timor en andere eilanden in de Stille Oceaan en Aziatische landen, waar ook de EU en haar lidstaten belangrijke donoren zijn;

X.  overwegende dat de Australische regering investeert in programma's zoals het Australische wetenschappelijke programma over de klimaatverandering, en het onderzoeksprogramma over het beheer van natuurlijke hulpbronnen, de impact van de klimaatverandering en aanpassingen daaraan, om besluitvormers te helpen om de klimaatverandering te begrijpen en de waarschijnlijke gevolgen ervan te beheren;

Y.  overwegende dat Australië een nationaal kader en een coördinatiegroep op hoog niveau heeft opgericht om een plan te ontwikkelen om de inzichten van de klimaatveranderingswetenschap ten uitvoer te leggen, met een gecoördineerde aanpak om de kwestie aan te pakken in gemeenschappen in het hele land;

Z.  overwegende dat Australië op 10 november 2016 de Overeenkomst van Parijs en de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto heeft geratificeerd, met het oog op de versterking van de inspanningen voor maatregelen voor klimaatverandering, en een aantal beleidsmaatregelen heeft ontwikkeld om de nationale emissies te reduceren en wereldwijde maatregelen te ondersteunen;

AA.  overwegende dat in het klimaatveranderingsplan van de Australische regering is bepaald dat de emissies tegen 2020 tot 5 % onder de niveaus van 2000 moeten worden teruggedrongen, en tegen 2030 met 26 tot -28 % onder de niveaus van 2005, en dat de energiecapaciteit van het land tegen 2020 verdubbeld moet worden;

AB.  overwegende dat de Australische regering een voortrekkersrol heeft gespeeld bij de ondersteuning van de nationale meteorologische diensten voor de Stille Oceaan en van regionale organisaties om vroegewaarschuwingssystemen voor klimaat en weersomstandigheden op te zetten;

1.  is verheugd over de sluiting van de kaderovereenkomst, dat een juridisch bindend instrument zal bieden om de bilaterale betrekkingen tussen de EU en Australië aan te halen en te versterken en de samenwerking op te voeren op gebieden als buitenlands beleid en veiligheidsvraagstukken, mensenrechten en de rechtsstaat, ontwikkeling en humanitaire hulp, economische en handelsvraagstukken, rechtspraak, onderzoek en innovatie, onderwijs en cultuur, landbouw en maritieme vraagstukken en visserij, evenals bij het aangaan van wereldwijde uitdagingen als klimaatverandering, migratie, volksgezondheid, terrorismebestrijding, en de verspreiding van massavernietigingswapens;

2.  overwegende dat de EU en Australië sterke en gelijkgestemde partners zijn die verstrekkende bilaterale betrekkingen onderhouden en de waarden en beginselen van democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat delen, steeds sterkere politieke en economische banden hebben, en hechte en actieve culturele, academische en intermenselijke contacten onderhouden;

3.  onderstreep het bijzondere belang voor de EU en Australië, als partners met dezelfde wereldvisie, van bilaterale en multilaterale samenwerking in regionale en mondiale vraagstukken; benadrukt het voordeel van de samenwerking van de EU en Australië in de VN en de WTO, en in organen zoals de G20, om een coöperatieve en op regels gebaseerde wereldorde te bewaren en te versterken in een complexe en veranderende wereld die met grote onzekerheid geconfronteerd wordt;

4.  is verheugd over de oprichting van een gezamenlijke commissie in het kader van de kaderovereenkomst die de effectieve tenuitvoerlegging van de overeenkomst zal bevorderen en zal toezien op het behoud van algehele samenhang in de betrekkingen tussen de EU en Australië;

5.  steunt de aanvang op korte termijn van onderhandelingen voor een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Australië, die moeten worden gevoerd in een geest van wederkerigheid, transparantie, verantwoording en wederzijds voordeel en waarbij rekening moet worden gehouden met de gevoeligheid van bepaalde goederen, zoals landbouwproducten, aangezien Australië een grote landbouwexporteur is; moedigt beide partners aan een sterke mate van ambitie aan op het gebied van diensten aan de dag te leggen; benadrukt dat de EU in de onderhandelingen rekening moet houden met de behoeften en verzoeken van kleine en middelgrote ondernemingen, en geen concessies mag doen ten aanzien van sociale, arbeids- of milieunormen; wijst erop dat deze onderhandelingen spoedig in gang moeten worden gezet, aangezien Australië al een aantal vrijhandelsovereenkomsten met belangrijke landen in Oost-Azië en het gebied van de Stille Oceaan heeft gesloten en op het punt staat dergelijke overeenkomsten met andere belangrijke landen te sluiten;

6.  onderstreept de actieve rol van Australië in de EU-samenwerkingsprogramma's voor hoger onderwijs via het EU-Australië bilaterale onderwijsprogramma, en stelt met tevredenheid vast dat Australische universiteiten sinds 2015 aan Erasmus+-mobiliteitsovereenkomsten hebben kunnen deelnemen; merkt op dat deze samenwerking verder versterkt moet worden om voordelen voor zowel studenten als onderzoekers te bevorderen, en hen in staat te stellen multiculturele en innovatieve vaardigheden te verwerven;

7.  herinnert eraan dat de EU en Australië belangrijke partners zijn bij onderzoek en innovatie, met als doel bij te dragen tot duurzame economische ontwikkeling en als een manier om verder te bouwen aan een op kennis gebaseerde maatschappij;

8.  prijst Australië om zijn steun en om het feit dat het land zijn sanctieregime op dat van de EU heeft afgestemd na de Russische illegale annexatie van de Krim en militaire interventies in het Oosten van Oekraïne;

9.  verwelkomt de steun van Australië voor gerichte internationale sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor militaire agressie, terrorisme en schendingen van de mensenrechten, onder meer als reactie op de Russische agressie in Oekraïne en in de bezette Krim;

10.  prijst het Office of National Assessments in Australië voor de steun bij de uitvoering van internationale, politieke, strategische en economische analyses en de samenwerking met internationale partners om reacties op kwesties van gemeenschappelijk belang te verzekeren;

11.  erkent de kritieke rol van Australië in de inlichtingengemeenschap "Five Eyes" en de steun voor de veiligheid van zowel EU-lidstaten als trans-Atlantische partners; prijst de operationele overeenkomst van Australië met Europol en benadrukt het potentieel voor verdere uitbreiding van het delen van inlichtingen en de operationele samenwerking met de Australische regering;

12.  erkent de rol van Australië bij de ondersteuning van de resoluties van de VN‑Veiligheidsraad in 2014 inzake de veroordeling van het neerhalen van vlucht MH17 en inzake de eliminatie van de chemische wapens van Syrië; prijst zijn belangrijke inspanningen in de Veiligheidsraad ter verbetering van de humanitaire situatie in Syrië en voor het beheer van de veiligheidsoverdracht in Afghanistan en de aanpak van de mensenrechtensituatie in de Democratische Volksrepubliek Korea;

13.  is verheugd over de sterke verbintenis van beide partners inzake samenwerking bij terrorismebestrijding zoals opgenomen in de kaderovereenkomst; onderstreept het belang van steeds nauwere bilaterale samenwerking bij de uitwisseling van inlichtingen over buitenlandse strijders en hun terugkeer; moedigt beide partners aan de effectieve tenuitvoerlegging van de vier pijlers van de terrorismebestrijdingsstrategie van de VN te blijven waarborgen; prijst Australië om zijn bijdrage aan de wereldwijde coalitie tegen IS en zijn aanzienlijke inspanningen ter bestrijding van internationaal terrorisme in Zuidoost-Azië;

14.  wijst op de internationale cyberspace-initiatieven van Australië en acht het een goede zaak dat de twee partners krachtens de kaderovereenkomst op het gebied van internetveiligheid zullen samenwerken, onder meer bij het bestrijden van internetcriminaliteit;

15.  dringt aan op maatregelen om de samenwerking inzake terrorismebestrijding te versterken, enerzijds via gezamenlijke trainingsoefeningen tussen de noodhulpdiensten van de lidstaten en de EU-agentschappen, zoals Europol en het Europees Centrum voor terrorismebestrijding (ECTC), en anderzijds via belangrijke elementen van de Australische nationale veiligheidsarchitectuur, zoals de Australische inlichtingendienst, defensiemacht en federale politie;

16.  is verheugd over de in de kaderovereenkomst opgenomen verbintenis van de EU en Australië om de dialoog aan te halen en de samenwerking te versterken bij migratie- en asielvraagstukken; onderstreept dat vanwege de sterke mondiale mobiliteit een holistische en multilaterale aanpak vereist is, gebaseerd op internationale samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheden; is verheugd dat beide partners op proactieve wijze bijdragen aan de lopende onderhandelingen over zowel het mondiaal VN-pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie als het mondiaal pact inzake vluchtelingen;

17.  onderstreept het belang van regionale samenwerkingskaders, zoals het Bali-proces, met landen van herkomst, doorreis en bestemming, om levens te redden, smokkelnetwerken te doorbreken, en migratie- en vluchtelingenstromen te beheren; is verheugd over de sterke verbintenis van Australië bij de UNHCR ten aanzien van de hervestiging van vluchtelingen en de toename van zijn bijdrage aan wereldwijde humanitaire hulp; moedigt Australië aan te blijven bijdragen aan het vinden van een positieve oplossing voor de situatie van asielzoekers en migranten die worden vastgehouden in Papoea-Nieuw-Guinea en Nauru;

18.  verwelkomt de belofte van beide partners om de bescherming en bevordering van de mensenrechten, de beginselen van de democratie en de rechtsstaat te stimuleren, ook in multilaterale fora en met derden, zoals in de kaderovereenkomst is voorzien; verwelkomt de verkiezing van Australië tot lid van de VN-Mensenrechtenraad voor de periode 2018-2020; onderstreept dat Australië in 2008 de strategie "Closing the Gap" heeft gelanceerd om de nadelen waar de inheemse bevolking mee te maken krijgt, aan te pakken, zoals de kloof in leeftijdsverwachting alsmede andere ongelijke situaties; benadrukt dat deze strategie de steun krijgt van beide partijen en dat de premier een jaarlijks voortgangsverslag moet voorleggen aan het Australische parlement; wijst erop dat de Australische regering samenwerkt met de staten en gebieden en de Aboriginals en inwoners van de Straat Torreseilanden teneinde de strategie "Closing the Gap" te actualiseren;

19.  herhaalt dat de steun van de gehele internationale gemeenschap vereist is in de strijd tegen klimaatverandering; is verheugd over de ratificatie door Australië van de Overeenkomst van Parijs en de in de kaderovereenkomst opgenomen verbintenis om de samenwerking en buitenlandsbeleidsinitiatieven in de strijd tegen klimaatverandering te versterken; neemt kennis van de doelstelling van Australië om tegen 2030 de uitstoot met 26 tot 28 % terug te brengen ten opzichte van 2005, die eveneens in de Herziening van het klimaatbeleid 2017 is opgenomen; benadrukt dat in deze Herziening de verbintenis om andere landen te helpen door middel van bilaterale en multilaterale initiatieven, opnieuw is opgenomen; spreekt zijn voldoening uit over de aanhoudende inspanningen van Australië voor de financiële ondersteuning via hulpprogramma's aan de regio van de Stille Oceaan en aan kwetsbare ontwikkelingslanden, om hen te helpen hun economieën op een duurzame manier te doen groeien, emissies te verminderen en zich aan de klimaatverandering aan te passen; wijst op het Australische co-voorzitterschap en financiering van het Groen Klimaatfonds;

20.  brengt in herinnering dat Australië, de EU en haar lidstaten belangrijke spelers zijn bij ontwikkelingssamenwerking en humanitaire steun in de regio van de Stille Oceaan; benadrukt dat de partners in het bijzonder samenwerken op gebieden als economische groei, goed bestuur en ecologische veerkracht;

21.  herinnert aan zijn bezorgdheid over de spanningen in de Zuid-Chinese Zee; moedigt beide partners aan om stabiliteit en vrijheid van de scheepvaart in deze uiterst belangrijke internationale waterweg te blijven bevorderen; prijst Australië om zijn standpunt ter bevordering van de vreedzame oplossing van geschillen op basis van het internationale recht;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Australië.

(1) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 136.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0419.
(3) PB L 149 van 16.6.2015, blz. 3.
(4) PB L 229 van 17.8.1998, blz. 1.
(5) PB L 359 van 29.12.2012, blz. 2.
(6) PB L 186 van 14.7.2012, blz. 4.
(7) PB L 26 van 30.1.2010, blz. 31.
(8) PB L 188 van 22.7.1994, blz. 18.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0108.


Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme ***
PDF 244kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (14494/2017 – C8-0450/2017 – 2017/0265(NLE))
P8_TA(2018)0110A8-0131/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (14494/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 83, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0450/2017),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (14445/2017),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Kaderbesluit 2006/960/JBZ van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie(2),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(3),

–  gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(4),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0131/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Verdrag;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(2) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89.
(3) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.
(4) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.


Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (aanvullend protocol) ***
PDF 245kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het aanvullend protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (14498/2017 – C8-0451/2017 – 2017/0266(NLE))
P8_TA(2018)0111A8-0132/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (14498/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 83, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0451/2017),

–  gezien het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (14447/2017),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Kaderbesluit 2006/960/JBZ van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie(2),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(3),

–  gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(4),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0132/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Aanvullend Protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(2) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89.
(3) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.
(4) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.


Verpakking en verpakkingsafval ***I
PDF 246kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval (COM(2015)0596 – C8-0385/2015 – 2015/0276(COD))
P8_TA(2018)0112A8-0029/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0596),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0385/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 15 juni 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0029/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/852.)

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98.
(2) PB C 17 van 18.1.2017, blz. 46.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 maart 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0072).


Autowrakken, afgedankte batterijen en accu’s en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur ***I
PDF 246kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (COM(2015)0593 – C8-0383/2015 – 2015/0272(COD))
P8_TA(2018)0113A8-0013/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0593),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0383/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0013/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/849.)

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98.
(2) PB C 17 van 18.1.2017, blz. 46.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 maart 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0069).


Afvalstoffen ***I
PDF 137kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (COM(2015)0595 – C8-0382/2015 – 2015/0275(COD))
P8_TA(2018)0114A8-0034/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0595),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0382/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse Senaat en de Oostenrijkse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 15 juni 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0034/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlagen bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/851.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER EEN BELEIDSKADER VOOR DE CIRCULAIRE ECONOMIE

De Commissie is vastbesloten de volledige tenuitvoerlegging van het EU-actieplan voor de circulaire economie te waarborgen(4). De Commissie wil op de hoogte blijven van de voortgang die is geboekt met de circulaire economie en heeft daartoe een toezichtkader vastgesteld(5) dat voortbouwt op de huidige scoreborden efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen. Tevens vestigt de Commissie de aandacht op haar lopende werkzaamheden op het gebied van een voetafdrukindicator voor producten en organisaties.

Maatregelen in het kader van het EU-actieplan voor de circulaire economie dragen tevens bij aan het halen van de doelstellingen van de Unie op het gebied van duurzame consumptie en productie, in samenhang met duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 12. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de strategie voor plastic(6) of het onlangs gewijzigde voorstel voor de wettelijke garantie voor consumptieproducten(7).

Tevens heeft de Commissie, met het oog op de samenhang tussen de regelgevingskaders van de Unie, onlangs een mededeling aangenomen met opties om te werken aan vragen op het snijvlak van de chemicaliën-, product- en afvalwetgeving(8). De Commissie zal in 2018 tevens de mogelijkheden en maatregelen voor een coherenter beleidskader voor de verschillende werkterreinen van haar productbeleid onderzoeken, en de bijdrage daarvan tot een circulaire economie. Tevens wordt in het kader van deze initiatieven en de follow-up ervan de interactie tussen wetgeving en samenwerking met het bedrijfsleven op het gebied van gebruik van bijproducten en de voorbereiding van afval voor hergebruik en recycling in overweging genomen.

Wat betreft ecologisch ontwerp bevestigt de Commissie, overeenkomstig het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp voor de jaren 2016-2019(9), vastberaden erop toe te willen zien dat ecologisch ontwerp een grotere bijdrage levert aan de circulaire economie, bijvoorbeeld door systematischer kwesties aan te pakken op het gebied van materiaalefficiëntie, zoals duurzaamheid en recycleerbaarheid.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER INITIATIEVEN VOOR DE DEELECONOMIE

Overeenkomstig het actieplan circulaire economie(10) heeft de Commissie een reeks initiatieven genomen op het gebied van de deeleconomie. De Commissie heeft in haar mededeling over een Europese agenda voor de deeleconomie(11) in juni 2016 aangekondigd dat zij de economische en wettelijke ontwikkelingen van de deeleconomie zal blijven monitoren om zo de ontwikkeling van nieuwe en innovatieve bedrijfsmodellen aan te kunnen moedigen en tegelijkertijd toe te kunnen zien op adequate consumenten- en sociale bescherming.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER MICROPLASTIC

In het kader van de onlangs aangenomen Europese strategie voor plastic in de circulaire economie(12), heeft de Commissie een geïntegreerde aanpak naar voren gebracht om de zorgen die bestaan over microplastic, waaronder uit microkorrels bestaande ingrediënten, aan de orde te stellen. De aanpak is gericht op preventieve maatregelen en beoogt het vrijkomen van microplastic uit alle mogelijke bronnen terug te dringen – hetzij microplastic uit producten waaraan het opzettelijk is toegevoegd (zoals verzorgingsproducten en verf), hetzij microplastic dat voortkomt uit de productie of het gebruik van andere producten (zoals onder invloed van zuurstof afbreekbaar plastic, banden, plastic pellets en textiel).

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE RAPPORTAGE OVER AFVALGEGEVENS IN 2020

In het licht van het monitoren van de voortgang met betrekking tot de nieuwe doelstellingen voor stedelijk afval en verpakkingsafval en in het licht van relevante herzieningsclausules, met name om doelen te stellen voor het voorkomen van voedselverspilling en voor het hergebruik van afgewerkte olie, onderstreept de Commissie het belang van de overeenstemming die is bereikt tussen de medewetgevers, namelijk dat de lidstaten erop toe zullen zien dat de rapportage van gegevens over afval, over verpakkingen en verpakkingsafval op grond van de Richtlijnen 2008/98/EG en 94/62/EG), en over het storten van afvalstoffen op grond van Richtlijn 1999/31/EG), het jaar 2020 bestrijkt.

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98.
(2) PB C 17 van 18.1.2017, blz. 46.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 maart 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0070).
(4) COM(2015)0614
(5) COM(2018)0029
(6) COM(2018)0028
(7) COM(2017)0637
(8) COM(2018)0032
(9) COM(2016)0773
(10) COM(2015)0614
(11) COM(2016)0356
(12) COM(2018)0028


Het storten van afvalstoffen ***I
PDF 245kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD))
P8_TA(2018)0115A8-0031/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0594),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0384/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 februari 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0031/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/850.)

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98.
(2) PB C 17 van 18.1.2017, blz. 46.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 maart 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0071).


Procedureregels inzake rapportage op milieugebied ***I
PDF 245kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 87/217/EEG van de Raad, Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 86/278/EEG van de Raad en Richtlijn 94/63/EG van de Raad wat betreft procedureregels inzake rapportage op milieugebied en tot intrekking van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad (COM(2016)0789 – C8-0526/2016 – 2016/0394(COD))
P8_TA(2018)0116A8-0253/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0789),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0526/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0253/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2018 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1257/2013 en Richtlijnen 94/63/EG en 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 86/278/EEG en 87/217/EEG van de Raad wat betreft procedureregels inzake rapportage op milieugebied en tot intrekking van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2018/853.)

(1) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 82.


Integriteitsbeleid van de Commissie, in het bijzonder de benoeming van de secretaris-generaal van de Europese Commissie
PDF 147kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het integriteitsbeleid van de Commissie, in het bijzonder de benoeming van de secretaris-generaal van de Europese Commissie (2018/2624(RSP))
P8_TA(2018)0117B8-0214/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 12 maart 2018 over het integriteitsbeleid van de Commissie, en in het bijzonder de benoeming van de secretaris-generaal van de Europese Commissie,

–  gezien de antwoorden van de Commissie van 25 maart 2018 op de schriftelijke vragen van leden van de Commissie begrotingscontrole en haar antwoorden op vragen tijdens de door deze commissie georganiseerde hoorzitting op 27 maart 2018,

–  gezien artikel 14, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en met name de artikelen 4, 7 en 29 hiervan,

–  gezien de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het optreden van de Europese Commissie als hoedster van de Verdragen in absolute overeenstemming moet zijn met de letter en de geest van de regelgeving;

B.  overwegende dat het vertrouwen in het Europese project en in de Europese Unie alleen zal blijven bestaan als de instellingen van de Europese Unie optreden als rolmodellen voor wat de rechtsstaat, transparantie en degelijk bestuur betreft, en over voldoende interne controles en tegengewichten blijken te beschikken om een gepaste reactie te waarborgen wanneer deze fundamentele beginselen in het gedrang komen;

C.  overwegende dat alle EU-instellingen uit hoofde van de Verdragen autonoom zijn voor kwesties die verband houden met hun organisatie en personeelsbeleid, inclusief bij de keuze van hun topambtenaren op basis van verdienste, ervaring en vertrouwen, conform het statuut en hun respectieve reglementen;

D.  overwegende dat extern gepubliceerde vacatures vaak worden ingevuld met interne kandidaten die niet aan de voorwaarden voor een interne kandidatuur voldoen, wat een omzeiling van de gebruikelijke loopbaanontwikkeling inhoudt;

E.  overwegende dat benoemingen op hoge posities zoals die van secretaris-generaal niet tegelijk met andere benoemingen mogen plaatsvinden, zodat er geen verdenking kan ontstaan van niet-transparante pakketakkoorden of ruilafspraken op basis van voorkennis;

F.  overwegende dat de Europese Ombudsman momenteel een onderzoek voert naar de benoemingsprocedure in kwestie, en dat het Parlement erop vertrouwt dat de Ombudsman de Commissie en het Parlement in kennis zal stellen van haar oordeel en van alle eventuele door hem vastgestelde elementen van wanbeheer die een reactie behoeven;

G.  overwegende dat de Commissie heeft toegegeven dat haar mededelingen betreffende de benoeming tekortkomingen vertoonden en heeft erkend dat zij op dit vlak meer inspanningen moet leveren;

H.  overwegende dat de personeelscomités, als de gekozen vertegenwoordiging van het personeel van de EU-instellingen, om transparante procedures heeft gevraagd voor benoemingen voor eender welke leidinggevende functie;

1.  betreurt dat het verloop van de procedure voor de benoeming van de nieuwe secretaris-generaal van de Europese Commissie, op 21 februari 2018, aanleiding heeft gegeven tot grote ergernis en afkeuring bij de bevolking, de leden van het Europees Parlement en de Europese ambtenaren; stelt vast dat het resultaat van deze procedure niet alleen de reputatie van de Europese Commissie maar ook die van de andere instellingen van de Europese Unie dreigt te schaden; vraagt de Commissie te erkennen dat deze procedure en de communicatie hierover tegenover de media, het Parlement en de bevolking een negatieve impact hebben gehad op haar eigen reputatie;

Feitelijke achtergrond

2.  merkt het volgende op:

   op 31 januari 2018 werd de positie van adjunct-secretaris-generaal gepubliceerd, met voor de indiening van kandidaturen de standaardtermijn van tien werkdagen (m.a.w. 13 februari 2018); vraagt de Commissie te erkennen dat deze procedure en de communicatie hierover tegenover de media, het Parlement en de bevolking een negatieve impact hebben gehad op haar eigen reputatie;
   slechts twee kandidaten reageerden, een man en een vrouw, allebei werkzaam in het kabinet van de voorzitter van de Commissie; één van de kandidaten voor deze positie was de huidige secretaris-generaal; de tweede kandidate reageerde op de vacature op 8 februari 2018, doorliep op 12 februari 2018 de volledige beoordelingsdag, trok haar kandidatuur vóór het op 20 februari 2018 geplande gesprek met het Raadgevend Comité benoemingen (CCA) weer in en werd vervolgens benoemd tot de nieuwe kabinetschef van de voorzitter van de Commissie;
   de huidige secretaris-generaal doorliep de procedure die is voorzien in artikel 29 van het statuut, met onder meer:
   a) een volledige beoordelingsdag (15 februari 2018);
   b) een gesprek (16 februari 2018), een beoordeling en een advies (20 februari 2018) door het CCA, dat een oordeel verstrekte;
   c) een gesprek met de commissaris voor Begroting en Personeelszaken en met de voorzitter van de Europese Commissie (20 februari 2018);
   van deze gesprekken werden geen notulen gemaakt, noch werd de duur ervan opgetekend;
   het college van commissarissen benoemde de kabinetschef van de voorzitter van de Commissie op 21 februari unaniem tot adjunct-secretaris-generaal;
   vervolgens, tijdens dezelfde bijeenkomst, kondigde de toenmalige secretaris-generaal aan dat hij met pensioen zou gaan en dat hij de voorzitter diezelfde ochtend een officiële brief had gestuurd waarin hij meedeelde op 31 maart 2018 met pensioen te willen gaan;
   de voorzitter van de Europese Commissie en zijn kabinetschef wisten sinds 2015 dat de toenmalige secretaris-generaal kort na maart 2018 met pensioen wenste te gaan; dit voornemen werd begin 2018 bevestigd; de voorzitter had deze informatie niet bekendgemaakt om het gezag van de toenmalige secretaris-generaal niet te ondermijnen, maar hij had het er wel over gehad met zijn kabinetschef;
   na herhaaldelijk tevergeefs te hebben geprobeerd om de toenmalige secretaris-generaal ervan te overtuigen zijn ambtstermijn te verlengen, had de voorzitter van de Europese Commissie op zijn minst de commissaris voor Begroting en Personeelszaken moeten inlichten over de op handen zijnde vacature, zodat er volgens de gebruikelijke goede praktijken en tijdig kon worden gestart met de procedure om deze vacature in te vullen;
   hoewel de benoeming van een nieuwe secretaris-generaal niet op de agenda van de vergadering stond, besloot het college op voorstel van de voorzitter en met de instemming van de commissaris voor Begroting en Personeelszaken om de pasbenoemde adjunct-secretaris-generaal alsook zijn post krachtens artikel 7 van het statuut over te plaatsen naar de positie van secretaris-generaal van de Europese Commissie (overplaatsing zonder publicatie van de vacature);

Loopbaan van de huidige secretaris-generaal

3.  merkt het volgende op:

   de huidige secretaris-generaal begon bij de Europese Commissie in november 2004 als ambtenaar in rang AD6, nadat hij was geslaagd voor een open vergelijkend onderzoek voor AD-ambtenaren (COM/A/10/01); in 2007 werd hij bevorderd tot AD7, in 2009 tot AD8, in 2011 tot AD9 en in 2013 tot AD10;
   vanaf 10 februari 2010, toen hij nog rang AD8 had in zijn basisloopbaan, werd hij gedetacheerd naar het kabinet van vicevoorzitter Reding, waar hij de positie van kabinetschef met rang AD14 bekleedde, op directeursniveau, overeenkomstig de toen geldende regels voor de samenstelling van de kabinetten van de leden van de Commissie (SEC(2010)0104);
   de huidige secretaris-generaal nam van 1 april 2014 tot 31 mei 2014 verlof om redenen van persoonlijke aard (CCP), om de campagne te leiden van de lijsttrekker van de EVP-Fractie voor de verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie;
   na zijn terugkeer op 1 juni 2014 ging hij als ambtenaar met rang AD14 werken als hoofdadviseur bij het directoraat-generaal Economische en Financiële Zaken;
   na het geslaagde doorlopen van een selectieprocedure werd de huidige secretaris-generaal benoemd tot hoofdadviseur bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, met ingang van 1 juli 2014; dankzij deze benoeming bereikte hij in zijn basisloopbaan als ambtenaar de rang AD14;
   van 1 juli 2014 tot 31 oktober 2014 werd de huidige secretaris-generaal gedetacheerd als hoofd van het overgangsteam van de nieuw verkozen voorzitter van de Commissie, met rang AD14;
   op 1 november 2014 werd hij gedetacheerd als kabinetschef van de voorzitter, met rang AD15, overeenkomstig de sinds 2004 geldende regels voor de samenstelling van de kabinetten van de leden van de Commissie (zie besluiten SEC(2004)0185, SEC(2010)0104 en C(2014)9002);
   op 1 januari 2017 werd hij in het kader van de tiende bevorderingsronde voor hoge ambtenaren in zijn basisloopbaan (zonder detacheringen) bevorderd tot ambtenaar met rang AD15; dit besluit werd genomen door het college van commissarissen (PV(2017)2221); vóór de bijeenkomst van 21 februari 2018 had hij dus in zijn basisloopbaan als ambtenaar bij de Commissie rang AD15 bereikt, als hoofdadviseur bij het directoraat-generaal Economische en Financiële Zaken;

4.  vestigt de aandacht op de buitengewoon snelle loopbaanontwikkeling van de huidige secretaris-generaal, die in iets meer dan 13 jaar tijd is opgeklommen van AD6 tot AD15 en tijdens die periode acht jaar in verschillende kabinetten heeft doorgebracht (na zijn tewerkstelling in het eerste kabinet werd hij bevorderd van AD10 tot AD14, na die in het tweede kabinet van AD14 tot AD15);

Loopbaan van voormalige secretarissen-generaal

5.  benadrukt dat de drie vorige secretarissen-generaal volgens de Commissie eerst directeur, directeur-generaal en kabinetschef zijn geweest alvorens ze de functie van secretaris-generaal bekleedden, terwijl de huidige secretaris-generaal binnen de diensten van de Commissie geen enkele beleidsfunctie heeft vervuld; wijst er met name op dat hij op 21 februari 2018 niet in functie was als adjunct-secretaris-generaal en minder dan 14 maanden als AD15 in zijn basisloopbaan had doorgebracht;

Benoemingsprocedure

6.  stelt vast dat de huidige secretaris-generaal volgens de Commissie is overgeplaatst in het belang van de dienst, krachtens artikel 7 van het statuut, en dat er geen vacature voor de positie werd gepubliceerd omdat de post niet als onbezet werd beschouwd; concludeert daaruit dat geen enkele ambtenaar zich kandidaat kon stellen, aangezien de procedure de vorm aannam van een overplaatsing inclusief post en niet als een overplaatsing in strikte zin, waarbij de onbezette post naar behoren wordt gepubliceerd;

7.  merkt op dat de Commissie voor de vorige drie secretarissen-generaal dezelfde overplaatsingsprocedure uit hoofde van artikel 7 van het statuut heeft gebruikt (overplaatsing inclusief post in plaats van overplaatsing in de strikte zin van het woord); onderstreept niettemin dat geen enkele van de vorige secretarissen-generaal tijdens één en dezelfde bijeenkomst van het college achtereenvolgens tot adjunct-secretaris-generaal en secretaris-generaal is benoemd; benadrukt eveneens dat de vorige secretarissen-generaal alle drie aan het college werden voorgesteld tijdens de bijeenkomst waarin hun respectieve voorgangers naar een andere post werden overgeplaatst of hun pensioen aankondigden;

8.  beklemtoont dat het de voorzitter van de Europese Commissie is die de aanzet heeft gegeven tot de benoeming via overplaatsing, met instemming van de commissaris voor Begroting en Personeelszaken en na raadpleging van de eerste vicevoorzitter (die werd geraadpleegd over de naam van de kandidaat maar zeker niet over de procedure);

9.  erkent dat het niet de gewoonte is van de Commissie om directeurs met rang AD15 over te plaatsen naar een post van directeur-generaal, maar merkt op dat het college volgens de Commissie vanuit wettelijk oogpunt kon hebben besloten een hoofdadviseur over te plaatsen naar de post van secretaris-generaal;

10.  vraagt zich af waarom de Commissie verschillende procedures heeft gebruikt voor de benoeming van één en dezelfde kandidaat, tijdens één en dezelfde bijeenkomst, tot achtereenvolgens adjunct-secretaris-generaal en secretaris-generaal;

Conclusies

11.  benadrukt dat uit de antwoorden van de Commissie blijkt dat de voorzitter en zijn kabinetschef sinds 2015 op de hoogte waren van het voornemen van de voormalige secretaris-generaal om kort na 1 maart 2018 met pensioen te gaan, en dat de voormalige secretaris-generaal dit voornemen begin 2018 heeft bevestigd; benadrukt dat het dus mogelijk was een gewone benoemingsprocedure in te leiden om een opvolger te vinden, meer bepaald één van de twee in het statuut voorziene openbare procedures: 1) een benoeming door het college na publicatie van de post en na afloop van een selectieprocedure, krachtens artikel 29 van het statuut; of 2) een overplaatsing in het belang van de dienst, krachtens artikel 7 van het statuut, eveneens na publicatie van de post, om alle eventueel geïnteresseerde ambtenaren de kans te geven zich voor een dergelijke overplaatsing kandidaat te stellen;

12.  neemt kennis van het standpunt van de Commissie dat het volgens het statuut niet noodzakelijk de regel is dat een post wordt gepubliceerd, in het bijzonder wanneer het gaat om de positie van secretaris-generaal, die niet alleen bijzondere ervaring vereist maar ook een uitzonderlijk niveau van vertrouwen vanwege de voorzitter en het college van commissarissen;

13.  onderstreept dat het, door de keuze voor de overplaatsingsprocedure krachtens artikel 7 van het statuut in de vorm van een overplaatsing van de nieuw benoemde adjunct-secretaris-generaal inclusief post naar de positie van secretaris-generaal, niet noodzakelijk was de post van de aftredende voormalige secretaris-generaal te publiceren; merkt op dat dezelfde procedure weliswaar werd gevolgd voor de benoemingen van vorige secretarissen-generaal, maar dat deze personen voorheen functies als directeur-generaal hadden bekleed met hoge management- en begrotingsverantwoordelijkheden; benadrukt echter dat deze traditie van niet-publicatie haar grenzen heeft bereikt, in die zin dat zij niet voldoet aan de moderne normen inzake transparantie waaraan de Commissie, het Europees Parlement en de andere EU‑instellingen zich moeten houden;

14.  neemt kennis van de courante praktijk van de Commissie om functies in te vullen door middel van interne overplaatsingen in de vorm van benoemingen inclusief post, en van het feit dat deze praktijk ook voor hogere functies wordt gebruikt; erkent dat de instellingen in dit verband over een ruime beoordelingsmarge beschikken, maar vreest dat het beginsel van gelijke kansen en de selectie van de best gekwalificeerde kandidaten hierdoor in het gedrang komen; vraagt alle instellingen van de Unie om, wanneer zij posten invullen met behulp van dergelijke overplaatsingen, dit alleen te doen met een gepaste kennisgeving aan het personeel, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de voorkeur te geven aan open en transparante procedures waarmee de best gekwalificeerde kandidaten worden geselecteerd;

15.  onderstreept dat alleen de voorzitter, de commissaris voor Begroting en Personeelszaken, de eerste vicevoorzitter en de voormalige en huidige secretaris-generaal vóór de vergadering van het college van commissarissen op 21 februari 2018 wisten dat het voorstel voor de onmiddellijke benoeming van de nieuwe secretaris-generaal zou worden gedaan;

16.  stelt dat deze procedure kennelijk alle andere leden van het college heeft verrast en ervoor heeft gezorgd dat er geen discussie is gehouden onder de commissarissen, aangezien de benoeming van een nieuwe secretaris-generaal niet op de agenda stond van de vergadering van het college van commissarissen van 21 februari 2018;

17.  maakt zich ernstig zorgen dat de manier waarop de nieuwe secretaris-generaal benoemd is, twijfel zou kunnen doen rijzen over de voorafgaande procedure voor zijn benoeming tot adjunct-secretaris-generaal, aangezien deze procedure misschien niet echt bedoeld was om in deze vacature te voorzien, maar veeleer om de overplaatsing van deze post naar de post van secretaris-generaal krachtens artikel 7 van het statuut mogelijk te maken, zonder publicatie van de post; is van mening dat een dergelijke gang van zaken weliswaar aan louter formele vereisten kan voldoen, maar in strijd is met de geest van het statuut en kandidaturen voor de post door andere in aanmerking komende personeelsleden verhindert;

Conclusies

18.  is teleurgesteld, hoewel het erkent dat dit punt niet op de agenda stond, dat geen enkele commissaris deze verrassende benoeming in twijfel lijkt te hebben getrokken, om uitstel van dit benoemingsbesluit heeft verzocht of heeft gevraagd om een principiële discussie over de rol van een toekomstige secretaris-generaal binnen de Commissie en over de interpretatie van die rol;

19.  herinnert eraan dat de directeuren-generaal van de Europese instellingen als ordonnateurs verantwoordelijk zijn voor honderden personeelsleden en voor de uitvoering van aanzienlijke begrotingen, en eveneens verplicht zijn om aan het eind van elk begrotingsjaar in hun jaarlijkse activiteitenverslag een betrouwbaarheidsverklaring te ondertekenen; plaatst dan ook vraagtekens bij de stelling van de Commissie dat de kabinetschef van de voorzitter zou kunnen worden gelijkgesteld met een directeur-generaal voor wat leidinggevende en begrotingsverantwoordelijkheden betreft, hoewel hij nooit een dergelijke functie heeft bekleed, zoals wel het geval was voor de vorige secretarissen-generaal van de Commissie; wijst erop dat de interne mededeling van de voorzitter aan de Commissie van 1 november 2014 over de samenstelling van de kabinetten van de leden van de Commissie en van de dienst van de woordvoerder het statuut niet vervangt noch wijzigt;

20.  stelt dat de benoeming in twee fasen van de secretaris-generaal kan worden beschouwd als een soort van staatsgreep waarmee de grenzen van de wet zijn opgezocht en mogelijk zelfs overschreden;

21.  benadrukt dat het Parlement geen 'ernstige en dringende situatie' kan ontdekken, om het met de woorden van de Juridische Dienst van het Parlement te zeggen, die het gebruik van de overplaatsingsprocedure krachtens artikel 7 van het statuut zonder publicatie van de post rechtvaardigt;

Vereiste maatregelen

22.  beseft dat het wegens juridische beperkingen in het algemeen niet mogelijk is een voor de betrokkene gunstig administratief besluit in te trekken, maar verzoekt de Commissie niettemin de procedure voor de benoeming van de nieuwe secretaris-generaal opnieuw te bekijken om andere mogelijke kandidaten binnen het Europese ambtenarenapparaat de mogelijkheid te bieden om te solliciteren en zo een ruimere keuze mogelijk te maken onder potentiële kandidaten die tot dezelfde functiegroep en dezelfde rang behoren; verzoekt de Commissie in het vervolg open en transparante sollicitatieprocedures te hanteren;

23.  wijst erop dat het statuut van de ambtenaren naar letter en geest moet worden toegepast om een uitstekend, onafhankelijk, loyaal en gemotiveerd Europees ambtenarenapparaat in stand te houden; benadrukt dat dit met name vereist dat de artikelen 4, 7 en 29 van het statuut volledig worden nageleefd, zodat alle "vacatures bij een instelling ter kennis van het personeel dezer instelling worden gebracht zodra het tot aanstelling bevoegde gezag besloten heeft dat in deze vacature moet worden voorzien", en dat deze transparantieverplichting ook moet worden nageleefd bij overplaatsingen krachtens artikel 7 van het statuut, behalve in zeer uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, zoals erkend door het Hof van Justitie;

24.  herinnert eraan dat alleen een correcte publicatie van vacatures kan zorgen voor een ruime, genderevenwichtige waaier aan uitermate gekwalificeerde kandidaten, zodat weloverwogen en optimale benoemingsbesluiten kunnen worden genomen; benadrukt dat alle Europese instellingen en organen publicatieprocedures moeten vermijden die uitsluitend tot doel hebben te voldoen aan de formele publicatievereisten;

25.  beveelt aan dat de besluitvormingsprocessen en -procedures van het college van commissarissen worden versterkt om te voorkomen dat benoemingen of andere belangrijke besluiten lichtvaardig worden afgehamerd, en dat dergelijke kwesties daarom allemaal op de ontwerpagenda moeten worden geplaatst;

26.  roept alle instellingen en organen van de Europese Unie er in deze context toe op ook een einde te maken aan het 'parachuteren' van mensen in posities, wat de procedures en daarmee de geloofwaardigheid van de EU dreigt te schaden; benadrukt dat politieke beïnvloeding de toepassing van het statuut niet mag ondermijnen; is van mening dat alle vacatures moeten worden gepubliceerd met het oog op transparantie, integriteit en gelijke kansen; benadrukt dat als de instellingen desondanks besluiten om van dit beginsel af te wijken, zij dit alleen mogen doen binnen de strikte marges van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

27.  stelt voor dat ambtenaren uit organen die het personeel vertegenwoordigen, zitting hebben in de selectiecomités voor hoger leidinggevend personeel van het Parlement;

28.  verzoekt de Commissie en alle andere betrokken EU-instellingen alle besluiten in te trekken waarbij zij de functie van kabinetschef van de voorzitter gelijkstellen met die van directeur-generaal en die van kabinetschef van een commissaris met die van directeur; verzoekt de Commissie eveneens ervoor te zorgen dat bij de volgende herziening van het statuut volgens de gewone wetgevingsprocedure waardevolle carrièremogelijkheden worden geboden, zowel voor ambtenaren die het traditionele loopbaantraject hebben gevolgd als voor kabinetsleden:

   wat artikel 7 betreft, door de procedure - een procedure die alleen onder invloed van de rechtspraak is ontwikkeld – voor overplaatsing naar een positie inclusief post te verduidelijken,
   door de relevante interne regels voor leden van kabinetten te integreren, en
   door de procedures voor de benoeming van secretarissen-generaal volledig transparant te maken;

29.  verzoekt de Commissie haar administratieve procedure voor de benoeming van hoge ambtenaren uiterlijk tegen eind 2018 te herzien, teneinde geheel te garanderen dat de beste kandidaten worden geselecteerd binnen een kader van maximale transparantie en gelijke kansen, en aldus ook een voorbeeld te stellen voor de andere Europese instellingen;

30.  stelt vast dat in artikel 17 van het reglement van de Commissie bijzondere leidinggevende verantwoordelijkheden worden toegekend aan de secretaris-generaal, die moet beschikken over een grote managementervaring en het vertrouwen van de voorzitter moet hebben; acht het noodzakelijk dat dit reglement wordt geactualiseerd en verduidelijkt om de neutraliteit van de rol van de secretaris-generaal in een (partij)politiek klimaat te waarborgen; verwacht uiterlijk in september 2018 van een dergelijke actualisering in kennis te worden gesteld;

o
o   o

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan alle Europese instellingen.


Voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen
PDF 168kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen (2018/2642(RSP))
P8_TA(2018)0118B8-0184/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 1967,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met name IAO-Verdrag nr. 189 (2011) betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel,

–  gezien resolutie A/RES/71/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 september 2016, de "Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten"(1),

–  gezien bijlage I bij de Verklaring van New York, het alomvattend reactiekader voor vluchtelingen ("Comprehensive Refugee Response Framework"),

–  gezien bijlage II bij de Verklaring van New York, "Towards a global compact for safe, orderly and regular migration",

–  gezien de EU-richtsnoeren van 6 maart 2017 ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind en gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2017 over de bescherming van migrerende kinderen (COM(2017)0211),

–  gezien resolutie A/RES/71/280 van de Algemene Vergadering van de VN van 6 april 2017 over de werkwijze voor de intergouvernementele onderhandelingen over het mondiaal pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie(2),

–  gezien het verslag van de VN-Mensenrechtenraad van 28 april 2017 met als titel "Report of the Special Rapporteur on the human rights of migrants on a 2035 agenda for facilitating human mobility" (Verslag van de speciale rapporteur voor de mensenrechten van migranten over een agenda voor het faciliteren van menselijke mobiliteit tegen 2035)(3),

–  gezien het UNHCR-document van 17 mei 2017 met een routekaart voor een mondiaal pact inzake vluchtelingen ("Towards a global compact on refugees: a roadmap")(4),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN, António Guterres van 11 januari 2018, met als titel "Making Migration Work for All"(5),

–  gezien het UNHCR-nulontwerp van het mondiaal pact inzake vluchtelingen van 31 januari 2018(6),

–  gezien het nulontwerp en het bijgewerkte nulontwerp van het mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie van 5 februari 2018(7) en 5 maart 2018(8),

–  gezien de verklaring van Abidjan van de 5e EU-AU-top van november 2017,

–  gezien resolutie A/RES/70/1 van de Algemene Vergadering van de VN met als titel "Transforming our world - 2030 Agenda for Sustainable Development" en de hierin opgenomen 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, aangenomen op 25 september 2015 tijdens de VN‑top in New York(9),

–  gezien het Internationaal verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, goedgekeurd middels resolutie A/RES/45/158 van 18  december 1990 van de Algemene Vergadering van de VN(10),

–  gezien de gezamenlijke algemene opmerking van het Comité inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (CMW) en het Comité voor de rechten van het kind (CRC) inzake de mensenrechten van kinderen in de context van internationale migratie,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(11),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen(12),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over veerkracht als een strategische prioriteit van het extern beleid van de EU(13),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over de aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU(14) en zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(15),

–  gezien het verslag aangenomen op 12 oktober 2017 door zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad (A8‑0316/2017) en het feit dat de EU minstens 20 % van de jaarlijkse prognose van de mondiale hervestigingsbehoeften voor haar rekening moet nemen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens artikel 13, lid 2, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens eenieder het recht heeft om welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren; overwegende dat de mensenrechtencommissie van de VN in 1999 in zijn algemene opmerking nr. 273 (punt 8) heeft verduidelijkt dat dit recht niet afhankelijk mag worden gesteld van een bepaald doel of van de tijdsspanne die het individu besluit buiten het land te verblijven;

B.  overwegende dat de lidstaten van de VN tijdens de VN-top over vluchtelingen en migranten die is georganiseerd door de Algemene Vergadering op 19 september 2016 in New York, met eenparigheid van stemmen de "Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten" hebben goedgekeurd, op basis waarvan twee afzonderlijke, gescheiden en onafhankelijke, maar wel in wezen samenhangende processen zijn gestart met het oog op de vaststelling van een mondiaal pact inzake vluchtelingen in 2018 en een mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie, waarvan de ondertekening zal plaatshebben in december 2018 tijdens een conferentie in Marokko;

C.  overwegende dat in bijlage I bij de Verklaring van New York een alomvattend reactiekader voor vluchtelingen ("Comprehensive Refugee Response Framework", CRRF) wordt vastgesteld, dat gebaseerd is op het principe van internationale deling van verantwoordelijkheid en op de vastberadenheid van de VN-lidstaten om de dieperliggende oorzaken van gedwongen ontheemding aan te pakken; overwegende dat het CRRF specifieke acties omvat die bedoeld zijn om de druk op ontvangende landen te verlichten, de zelfredzaamheid van vluchtelingen te verbeteren, de oplossingen inzake toegang tot derde landen te verruimen en in de landen van herkomst omstandigheden te ondersteunen voor een veilige en waardige terugkeer;

D.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen verzocht is raadplegingen te houden over een actieprogramma om het CRRF aan te vullen en een mondiaal pact inzake vluchtelingen voor te stellen in zijn jaarverslag aan de Algemene Vergadering in 2018;

E.  overwegende dat de EU en haar lidstaten betrokken waren bij het voorbereidingsproces en de besprekingen die hebben geleid tot de presentatie van de nulontwerpen; overwegende dat het met de start van de meest kritieke fase van het proces, en als gevolg van het besluit van de VS om de onderhandelingen te verlaten, het nog belangrijker is dat de EU en haar lidstaten een leidende rol op zich nemen, om te zorgen voor een sterke, op mensenrechten gebaseerde tekst waarin de mens centraal staat;

F.  overwegende dat migratie een complex menselijk fenomeen is; overwegende dat vluchtelingen in het internationaal recht specifiek gedefinieerd en beschermd worden als mensen die buiten hun land van herkomst verblijven, door een vrees voor vervolging, een conflict, geweld of andere omstandigheden, en die bijgevolg internationale bescherming behoeven, maar dat zowel vluchtelingen als migranten mensenrechten genieten en tijdens het migratieproces vaak geconfronteerd worden met een grotere kwetsbaarheid en meer geweld en misbruik; overwegende dat zowel het mondiale pact inzake vluchtelingen en het mondiale pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie complementaire processen zijn die gezamenlijke acties zullen vereisen voor de uitvoering ervan;

G.  overwegende dat mobiliteit en migratie van personen in toenemende mate een realiteit is, met ongeveer 258 miljoen internationale migranten wereldwijd; overwegende dat het aantal migranten als percentage van de wereldbevolking is toegenomen van 2,8 % in 2000 tot 3,4 % in 2017; overwegende dat 48 % van de migranten vrouw is; overwegende dat de meeste migranten reizen op veilige en geordende wijze; overwegende dat 85 % van de migratiebewegingen plaatsvindt tussen landen met hetzelfde ontwikkelingsniveau; overwegende dat in 2017 Europa de bron was van het op één na grootste aantal internationale migranten (61 miljoen)(16);

H.  overwegende dat volgens gegevens van de UNHCR eind 2015 ongeveer 65 miljoen mensen leefden als gedwongen ontheemden, van wie 12 miljoen Syriërs; overwegende dat volgens de Wereldbank tussen 2012 en 2015 ongeveer 9 miljoen mensen ontheemd waren, met als gevolg een serieuze uitdaging voor het mondiale systeem voor humanitaire hulp; overwegende dat 84 % van de vluchtelingen in de wereld en 99 % van de binnenlandse ontheemden in de wereld wordt opgevangen in ontwikkelingslanden of -regio's, de meeste van hen op het Afrikaanse continent, terwijl slechts 10 % van alle vluchtelingen wordt opgevangen door Europese landen, Turkije niet meegeteld; overwegende dat volgens de UNHCR-prognose van de mondiale hervestigingsbehoeften voor 2018 naar schatting bijna 1,2 miljoen mensen hervestiging nodig hebben; overwegende dat sinds 2000 wereldwijd meer dan 46 000 migranten en vluchtelingen zijn omgekomen op hun zoektocht naar veiligheid en waardigheid in het buitenland, inclusief een minimumraming van 14 500 doden in het centrale Middellandse-Zeegebied sinds 2014(17);

I.  overwegende dat Europa historisch gezien zowel een regio van bestemming als van oorsprong is; overwegende dat Europeanen ook gemigreerd zijn naar het buitenland door economische ontberingen, conflicten of politieke vervolging; overwegende dat de voortdurende economische en financiële crisis tot de emigratie van een groot aantal Europeanen heeft geleid, onder meer naar opkomende economieën in het zuidelijk halfrond;

J.  overwegende dat veel migrerende kinderen te maken krijgen met geweld, misbruik en uitbuiting; overwegende dat van meer dan 100 landen geweten is dat zij kinderen vasthouden om redenen in verband met migratie(18); overwegende dat gevluchte kinderen vijf keer meer kans lopen om niet naar school te gaan dan andere kinderen en dat minder dan een kwart van de gevluchte jongeren ingeschreven zijn in het middelbaar onderwijs;

K.  overwegende dat arbeidsmigranten vaak blootgesteld zijn aan discriminatie, uitbuiting en schendingen van hun rechten; overwegende dat 23 % van de 24,9 miljoen mensen in de wereld die gedwongen arbeid verrichten, internationale migranten zijn;

L.   overwegende dat de ervaring leert dat migranten positieve bijdragen leveren aan de landen waar zij leven, alsmede aan hun land van herkomst; overwegende dat migranten bijdragen aan de landen waar zij wonen, door belastingen te betalen en ongeveer 85 % van hun inkomsten te injecteren in de economie van deze landen; overwegende dat in 2017 wereldwijd naar schatting 596 miljard USD aan betalingen is overgemaakt, waarvan 450 miljard USD naar ontwikkelingslanden, d.i. tot drie maal de totale officiële ontwikkelingshulp;

1.  steunt krachtig de doelstellingen van de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten en het bijbehorende proces voor het ontwikkelen van een mondiale governanceregeling, het verbeteren van de coördinatie op het gebied van internationale migratie, de mobiliteit van personen, grootschalige bewegingen van vluchtelingen en aanslepende vluchtelingensituaties, en het invoeren van duurzame oplossingen en benaderingen om er duidelijk op te wijzen dat het belangrijk is de rechten van vluchtelingen en migranten te beschermen;

2.  verzoekt de EU-lidstaten zich te verenigen achter één EU-standpunt en de belangrijke kwestie van de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen actief te verdedigen en de onderhandelingen hierover vooruit te helpen;

3.  is ervan overtuigd dat in een wereld met een sterke onderlinge afhankelijkheid de uitdagingen in verband met de mobiliteit van personen het effectiefst kunnen worden aangepakt door de internationale gemeenschap als geheel; is bijgevolg verheugd over de start van intergouvernementele onderhandelingen over het mondiale pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie en de start van het formeel overleg over het mondiale pact inzake vluchtelingen op basis van de nulontwerpen, die uiterlijk in juli 2018 voltooid moeten zijn;

4.  verzoekt de Europese Unie, meer bepaald haar hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, om al haar diplomatieke gewicht in de schaal te gooien en de EU-delegaties in te zetten, niet alleen in New York en Genève, maar ook in andere belangrijke landen, met name ontwikkelingslanden, waarvan de daadwerkelijke deelname aan het proces van essentieel belang is, als landen van herkomst en doorreis, maar ook van bestemming, en door de EU moet worden gefaciliteerd, om het welslagen van het proces te garanderen;

5.  benadrukt het feit dat in de essentiële internationale mensenrechtenverdragen de rechten worden erkend van alle mensen, inclusief migranten en vluchtelingen, ongeacht hun juridische status, en staten verplicht worden deze rechten na te leven, inclusief het essentiële beginsel van non-refoulement; vraagt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan mensen die in kwetsbare situaties verkeren en die speciale medische of psychologische ondersteuning nodig hebben, onder meer als gevolg van door vooroordelen ingegeven, seksueel of gendergerelateerd fysiek geweld of marteling; pleit voor het opnemen van concrete maatregelen op dit gebied in de mondiale pacten; herinnert er voorts aan dat kwetsbaarheden ontstaan als gevolg van de omstandigheden in de landen van herkomst, doorreis en opvang of bestemming, niet alleen door de identiteit van de betrokkene, maar ook door beleidskeuzes, ongelijkheid en structurele en maatschappelijke dynamieken;

6.  herinnert eraan dat in de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) van de Agenda 2030 wordt erkend dat geplande en goed aangestuurde beleidsmaatregelen op het gebied van migratie kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van duurzame ontwikkeling en inclusieve groei, alsmede het verminderen van de ongelijkheid binnen en tussen landen; dringt erop aan dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de migratiegerelateerde aspecten van de SDG's en de mondiale pacten; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun toezegging na te komen om de SDG's met betrekking tot kinderen te realiseren, met uitvoering van de EU-richtsnoeren van 6 maart 2017 ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind;

7.  verzoekt de VN-lidstaten een autonoom engagement aan te gaan om gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes te bevorderen als centraal element van het mondiaal pact, overeenkomstig SDG 5; herinnert er voorts aan dat migratie een stimulans kan zijn voor de empowerment van vrouwen en gelijkheid, aangezien 48 % van de migranten vrouw is en twee derde van de migranten werkt;

8.  verzoekt de VN-lidstaten een autonoom engagement aan te gaan om te zorgen voor de bescherming van migrerende kinderen; benadrukt het feit dat alle kinderen, ongeacht hun migratie- of vluchtelingenstatus, eerst en vooral kinderen zijn, die aanspraak kunnen maken op alle rechten in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en dat hun belangen de eerste zorg moeten zijn van alle besluiten en maatregelen die op hen betrekking hebben; beschouwt de mondiale pacten als een gelegenheid om de benchmarks voor de bescherming van kinderen die getroffen zijn door migratie en gedwongen verplaatsing, te versterken; is tevreden met de opname in het nulontwerp van duidelijke toezeggingen met betrekking tot specifieke, dringende kwesties, zoals de oproep om een einde te maken aan de detentie van kinderen, verbetering van de actie inzake vermiste migranten, krachtige steun voor gezinshereniging en andere reguliere trajecten, voorkoming van staatloosheid van kinderen en opname van vluchtelingen- en asielzoekerskinderen in de nationale, kinderbeschermings-, onderwijs- en gezondheidszorgstelsels; verzoekt de EU en haar lidstaten krachtig te pleiten voor deze voorstellen om te garanderen dat zij opgenomen blijven in de definitieve tekst die moet worden goedgekeurd in december;

9.  benadrukt het feit dat voort moet worden gefocust op het aanpakken van de diverse oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding (conflict, vervolging, etnische zuivering, wijdverbreid geweld of andere factoren, bijvoorbeeld extreme armoede, klimaatverandering of natuurrampen);

10.  betreurt het aanhoudende en wijdverspreide fenomeen van staatloosheid, dat zorgt voor acute uitdagingen op het gebied van de mensenrechten; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan ervoor te zorgen dat deze kwestie naar behoren aan bod komt in de lopende onderhandelingen over de mondiale pacten;

11.  benadrukt het feit dat het overleg en de onderhandelingen transparant en inclusief moeten zijn en dat alle belanghebbenden, lokale en regionale autoriteiten en instellingen en het maatschappelijk middenveld, inclusief migrantenorganisaties, hier zoveel mogelijk bij betrokken moeten worden, ondanks het de intergouvernementele karakter van de onderhandelingen; onderstreept het feit dat de parlementen in de slotfase van het proces dat leidt tot de goedkeuring van de pacten, hun rol moeten kunnen spelen, en wijst er met name op dat de parlementaire dimensie van het EU-standpunt moet worden versterkt;

12.  is van mening dat een coördinatiemechanisme moet worden ontwikkeld om te zorgen voor complementariteit tussen de twee pacten en coherentie met betrekking tot horizontale kwesties;

13.  benadrukt het feit dat het belangrijk is uitgesplitste migratie- en vluchtelingengegevens te verzamelen en te controleren, die vergezeld moeten gaan van migrantspecifieke indicatoren, die van essentieel belang zijn voor de beleidsvorming, op basis van reële gegevens en niet van fabeltjes of onjuiste opvattingen, waarbij eerbiediging van de normen op het gebied van de grondrechten, waaronder het recht op privacy, en gegevensbescherming moet worden gegarandeerd en voorkomen moet worden dat betrokkenen worden blootgesteld aan ernstige schendingen van de mensenrechten;

14.  benadrukt het feit dat de follow-updimensie van de tenuitvoerlegging van beide mondiale pacten in de nabije toekomst moet worden versterkt, met name wegens het niet-bindende karakter ervan, om te voorkomen dat de diverse betrokken landen kiezen voor à-la-cartebenaderingen; pleit in verband hiermee voor nauwe monitoring door de vaststelling van benchmarks en indicatoren, voor zover van toepassing; benadrukt het feit dat ervoor moet worden gezorgd dat de architectuur van de VN en de bevoegde VN‑agentschappen zijn voorzien van de nodige middelen voor alle taken die landen besluiten hun te delegeren met betrekking tot de tenuitvoerlegging en follow-up van de pacten;

15.  wijst erop dat het beheer van migratie grote investeringen, adequate middelen en flexibele en transparante instrumenten vereist en dat weldoordachte, flexibele en gestroomlijnde instrumenten voor het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van migratie de komende jaren nodig zullen zijn; wenst dat de financieringsinstrumenten van de EU een grotere rol spelen bij de tenuitvoerlegging van de mondiale pacten; dringt erop aan in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) de verplichting op te nemen van financiële consistentie en te voorzien in een evaluatie van de begrotingssteun op lange termijn voor migratie- en asielbeleid en acties die voortvloeien uit de mondiale pacten; is van mening dat met de ontwikkelingsbudgetten voort moet worden gefocust op duurzame uitroeiing van de armoede;

Mondiaal pact inzake vluchtelingen

16.  is tevreden met het ontwerppact inzake vluchtelingen en de aanpak ervan waarbij de mens en mensenrechten centraal staan; feliciteert de UNHCR met haar werkzaamheden en haar inzet voor een zo ruim mogelijke invulling van haar mandaat; verzoekt alle landen toezeggingen te doen voor een billijkere verdeling van de verantwoordelijkheid voor het opnemen en ondersteunen van vluchtelingen overal ter wereld en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan hun deel van de verantwoordelijkheid te erkennen en na te komen; dringt aan op de goedkeuring van een mondiaal mechanisme voor deling van de verantwoordelijkheid, met ondersteuning van een op de mensenrechten gebaseerde aanpak van de voorgestelde compacte;

17.  benadrukt het feit dat gezorgd moet worden voor degelijke en blijvende steun aan ontwikkelingslanden die grote aantallen vluchtelingen onderdak bieden, en dat ervoor gezorgd moet worden dat vluchtelingen duurzame oplossingen worden aangeboden, onder meer door zelfredzaam te worden en geïntegreerd te worden in de gemeenschappen waar zij leven; herinnert eraan dat het pact een unieke gelegenheid biedt om de koppeling tussen humanitaire hulp en ontwikkelingsbeleid te versterken en om de effectiviteit, efficiëntie en duurzaamheid van de bescherming van vluchtelingen en het zoeken naar oplossingen voor vluchtelingen, het opbouwen van een alomvattende reactie en het samenbrengen van alle belanghebbenden te verbeteren;

18.  benadrukt het feit dat vluchtelingen als werkzame actoren betrokken moeten worden bij de vormgeving van het pact en andere internationale responsen op vluchtelingensituaties;

19.  vraagt dat humanitaire hulp niet strafbaar wordt gesteld; dringt aan op een grotere opsporings- en reddingscapaciteit voor personen in nood, de inzet van een grotere capaciteit door alle staten en de erkenning van de ondersteuning door particuliere actoren en ngo's bij het uitvoeren van reddingsoperaties op zee en op het land;

20.  vraagt een flinke ontwikkeling en een versterking van de hervestigingsoplossingen in het pact dat in het kader van de onderhandelingen wordt gesloten, als sleutelelement voor een billijke deling van de verantwoordelijkheid, door middel van specifieke en gecoördineerde verbintenissen om de reikwijdte, omvang en kwaliteit van de hervestigingsprogramma's te bepalen of te verhogen, teneinde te voldoen aan de jaarlijkse mondiale hervestigingsbehoeften die door de UNHCR worden geïdentificeerd; verzoekt in het bijzonder de EU-lidstaten om hun deel van het werk te doen en hun engagement op dit gebied te versterken;

21.  dringt erop aan dat het recht op gezinshereniging volledig wordt geëerbiedigd en dringt aan op de ontwikkeling van veilige en legale trajecten voor vluchtelingen, naast hervestiging, inclusief humanitaire corridors, internationale humanitaire visa, regionale hervestigingsregelingen en andere aanvullende wettelijke trajecten (bijvoorbeeld particuliere sponsoring, studievisa, studiebeursregelingen voor vluchtelingen en flexibele visumregelingen), zodat vluchtelingen bestemmingen kunnen bereiken waar zij worden opgevangen in behoorlijke en waardige omstandigheden;

22.  verzoekt alle landen het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 1967 (Verdrag van Genève) te ondertekenen, te ratificeren en na te leven;

23.  benadrukt het feit dat van deze gelegenheid gebruik moet worden gemaakt om ten volle een hernieuwd en horizontaal genderperspectief te ontwikkelen, voor een collectieve internationale reactie op vluchtelingen waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke beschermingsbehoeften van vrouwen, inclusief de bestrijding van geweld tegen vrouwen, en waarbij de bekwaamheden en vaardigheden van vrouwen met betrekking tot de wederopbouw en de veerkracht van alle samenlevingen worden vergroot, om zo het beeld te corrigeren van vrouwen als niets meer dan slachtoffers; dringt in verband hiermee aan op de volledige betrokkenheid van vrouwen, vanaf de kinderjaren, met toegang tot onderwijs voor meisjes, inclusief in noodgevallen en conflictgebieden, waarbij geluisterd wordt naar hun stem en rekening wordt gehouden met hun behoeften en leefwereld, door ervoor te zorgen dat zij deelnemen aan het ontwerpen van beleidsmaatregelen en oplossingen voor de vluchtelingencrisis, om deze duurzamer, responsiever en effectiever te maken;

Mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie

24.  benadrukt het feit dat het mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie gebaseerd moet zijn op de mensenrechten, dat de mens erin centraal moet staan en dat ermee moet worden voorzien in duurzame en alomvattende maatregelen voor de lange termijn die ten goede komen aan alle betrokken partijen, voortbouwend op het beginsel van partnerschap en nauwere samenwerking tussen landen van herkomst, doorgang en bestemming;

25.  beschouwt het pact als een unieke gelegenheid om het verband tussen ontwikkeling en migratie op de mondiale beleidsagenda te plaatsen; is er sterk van overtuigd dat de SDG's een holistisch en alomvattend kader bieden om het verband tussen migratie en ontwikkeling te onderbouwen;

26.  herinnert eraan dat er in het verslag van de secretaris-generaal van de VN met als titel "Making migration work for all" op wordt gewezen dat er duidelijke bewijzen zijn dat migratie, ondanks de reële uitdagingen, gunstig is zowel voor de migranten als voor de gastgemeenschappen, in economisch en sociaal opzicht, en een motor kan zijn voor economische groei en innovatie; steunt krachtig de verdere presentatie van een positief verhaal rond migratie en vraagt EU- en internationale informatiecampagnes om de aandacht te vestigen op feiten en om racistische en xenofobe trends in onze samenlevingen tegen te gaan;

27.  verzoekt de VN-lidstaten de kosten voor geldtransfers tot een minimum te beperken en deze kwestie aan te pakken in het kader van de lopende onderhandelingen over het pact;

28.  wijst erop dat migratie erkend is als een proactieve aanpassingsstrategie, een bestaansmiddelenregeling tegen armoede en een factor die bijdraagt tot inclusieve groei en duurzame ontwikkeling;

29.  is er sterk van overtuigd dat het nu tijd is om alle elementen van de VN-architectuur, inclusief de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), samen te brengen ter ondersteuning van de internationale inspanningen om de migratie te beheren en de samenwerking te versterken; betreurt daarom ten zeerste het besluit van de regering van de VS om haar deelname aan de onderhandelingen over een mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie stop te zetten; verzoekt de EU in dit proces leiderschap te tonen en andere landen, die uit de onderhandelingen stappen of erin slagen de inhoud van het uiteindelijke pact af te zwakken, te veroordelen; dringt er bij de EU op aan haar verantwoordelijkheid als wereldspeler op te nemen en zich in te zetten om een succesvolle afsluiting van de onderhandelingen te garanderen; wijst erop dat de EU-lidstaten eenheid moeten tonen en met één stem moeten spreken ter ondersteuning van een internationale op mensenrechten gebaseerde regeling voor het beheer van migratie;

30.  is van mening dat de openstelling van meer legale trajecten voor migratie, onder meer op basis van de realistische analyses van de behoeften van de arbeidsmarkt, illegale migratie zou ontmoedigen en zou leiden tot minder doden, minder misbruik van illegale migranten door smokkelaars en minder uitbuiting van irreguliere migranten door werkgevers met weinig scrupules;

31.  verzoekt alle landen passende maatregelen te nemen ter voorkoming van de schending van mensenrechten en de uitbuiting van migranten op hun grondgebied, inclusief door werkgevers; verzoekt de VN-lidstaten met het oog hierop het Internationaal verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, goedgekeurd middels resolutie 45/158 van 18 december 1990 van de Algemene Vergadering, te ondertekenen, te ratificeren en na te leven; benadrukt dat het pact moet stroken en in overeenstemming moet zijn met de internationale arbeidsnormen, in het bijzonder de fundamentele beginselen en rechten op het werk en de IAO- en VN-verdragen inzake de bescherming van migrerende werknemers en hun gezinnen;

32.  onderstreept het feit dat het van belang is te zorgen voor passende ondersteuning van vrijwillige terugkeer en de re-integratie van personen die terugkeren naar hun thuisland; benadrukt het feit dat kinderen alleen mogen worden teruggezonden, als dit in hun belang is, en wel op veilige en vrijwillige wijze en met de nodige hulp, op basis van kindspecifieke informatieverslagen over het land van herkomst en met verstrekking van langetermijnhulp voor hun re-integratie;

33.  verzoekt de VN-lidstaten na te denken over de vaststelling van gedetailleerde nationale of subnationale actieplannen, ter bevordering van een aanpak door de volledige overheid van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het pact, om de verschillende dimensies van migratie, waaronder ontwikkeling, mensenrechten, veiligheid, sociale aspecten, leeftijd en geslacht te dekken en rekening te houden met de gevolgen voor het beleid op het gebied van gezondheid, onderwijs, kinderbescherming, huisvesting, sociale inclusie, justitie, werkgelegenheid en sociale bescherming;

34.  steunt het verzoek in de Verklaring van New York om systematische follow-up en evaluaties van de engagementen van de lidstaten op het gebied van migratie; verklaart zich bereid bij dit proces te worden betrokken op het niveau van de EU en steunt de deelname van migranten en andere belanghebbenden;

35.  verzoekt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het Parlement volledig op de hoogte te houden in alle fasen van het proces dat leidt tot de goedkeuring van de mondiale pacten;

o
o   o

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen, de Internationale Organisatie voor Migratie en de Verenigde Naties.

(1) http://www.un.org/en/development/desa/population/migration/generalassembly/docs/A_RES_71_1_E.pdf
(2) https://www.un.org/en/development/desa/population/migration/generalassembly/docs/A_RES_71_280.pdf
(3) A/HRC/35/25 https://daccess-ods.un.org/TMP/8451200.72364807.html
(4) http://www.unhcr.org/58e625aa7.pdf
(5) https://refugeesmigrants.un.org/SGReport
(6) http://www.unhcr.org/Zero-Draft.pdf
(7) https://refugeesmigrants.un.org/sites/default/files/180205_gcm_zero_draft_final.pdf
(8) https://refugeesmigrants.un.org/sites/default/files/2018mar05_zerodraft.pdf
(9) VN-resolutie 70/1 http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E
(10) http://www.un.org/documents/ga/res/45/a45r158.htm
(11) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 109.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0242.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0124.
(15) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 9.
(16) United Nations, Department of Economic and Social Affairs, Population Division (2017). Trends in International Migrant Stock: The 2017 revision (United Nations database, POP/DB/MIG/Stock/Rev.2017).
(17) https://missingmigrants.iom.int/latest-global-figures
(18) UNICEF-rapport, Uprooted: the growing crisis for refugee and migrant children, september 2016, blz. 39, https://www.unicef.org/videoaudio/PDFs/Uprooted.pdf


Tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020
PDF 283kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020 (2017/2280(INI))
P8_TA(2018)0119A8-0112/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (ENI)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPS II)(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP)(3),

–  gezien het Verordening (EU) nr. 2017/2306 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot instelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014‑2020(7) (DCI-verordening),

–  gezien Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden(8),

–  gezien Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden(9),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (het "Financieel Reglement")(11),

–  gezien het advies van de Commissie buitenlands zaken van 18 april 2017 aan de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2012/2002, (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605 – C8‑0372/2016 – 2016/0282(COD))(12),

–  gezien Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(13) ('de comitologie-verordening'),

–  gezien Besluit C(2014)9615 van de Commissie van 10 december 2014 betreffende de oprichting van het Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis, het zogenaamde "Madad-fonds", en Besluit C(2015)9691 van de Commissie van 21 december 2015 tot wijziging van Besluit C(2014)9615,

–  gezien Besluit C(2015)7293 van de Commissie van 20 oktober 2015 tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, en Besluit C(2017)0772 van de Commissie van 8 februari 2017 tot wijziging van Besluit C(2015)7293,

–  gezien Besluit C(2015)9500 van de Commissie van 24 november 2015 inzake een mechanisme voor de coördinatie van het optreden van de Unie en de lidstaten – de Vluchtelingenfaciliteit voor Turkije(14), en Besluit C(2016)0855 van de Commissie van 10 februari 2016(15) en Besluit C(2017)2293 van de Commissie van 18 april 2017(16) over de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije tot wijziging van Besluit C(2015)9500 van de Commissie,

–  gezien diverse verslagen van de Europese Rekenkamer over externe financieringingsinstrumenten van de EU, in het bijzonder speciaal verslag nr. 18/2014 van de Europese Rekenkamer betreffende de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2017 getiteld "Tussentijdse evaluatie over de externe financieringsinstrumenten" COM(2017)0720, en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie over de evaluatie van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening (SWD(2017)0606), het Europees nabuurschapsinstrument (SWD(2017)0602), het Instrument voor pretoetredingssteun (SWD(2017)0463), het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (SWD(2017)0607), het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (SWD(2017)0608), en het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) (SWD(2017)0604),

–  gezien de externe evaluaties van de externe financieringsinstrumenten(17),

–  gezien de lopende procedure van het Europees Parlement betreffende het toekomstige meerjarig financieel kader (MFK) voor na 2020,

–  gezien het Europese tenuitvoerleggingsonderzoek van de Europese Parlementaire Onderzoeksdienst getiteld "De externe financieringsinstrumenten van de EU en de toekomstige architectuur na 2020",

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2015 getiteld "Jaarverslag 2015 over het beleid van de Europese Unie op het gebied van ontwikkelingshulp en externe steun en de uitvoering daarvan in 2014" (COM(2015)0578),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2016 getiteld "Jaarverslag 2016 over de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Europese Unie voor de financiering van externe maatregelen in 2015" (COM(2016)0810),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 7 juni 2017 getiteld "Een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU" (JOIN(2017)0021),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(18),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling(19),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 getiteld "De EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld"(20),

–  gezien zijn resolutie van 3 april 2014 over de alomvattende aanpak van de EU en de gevolgen ervan voor de coherentie van het externe optreden van de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(22),

–  gezien zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(23),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije 2016(24),

–  gezien zijn resoluties van 15 februari 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over Albanië(25) en over het verslag 2016 van de Commissie over Bosnië en Herzegovina(26),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Montenegro 2016(27),

–  gezien zijn resoluties van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie over Kosovo 2016(28), over het verslag van de Commissie over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië 2016(29) en over het verslag van de Commissie over Servië 2016(30),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU‑betrokkenheid bij de westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(31),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018(32),

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, die in juni 2016 werd gepubliceerd(33),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over de samenwerking van de EU met het maatschappelijk middenveld in de externe betrekkingen,

–  gezien de EU-strategie "Handel voor iedereen",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 9 november 2017 over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten van de EU (SWD(2017)0364),

–  gezien de bevoegdheden van zijn Commissie buitenlandse zaken als de commissie belast met alle wetgeving inzake, programmering van en controle op acties in het kader van het ENI, het IPS, het EIDHR, het PI en het IcSP, en het beleid dat aan deze instrumenten ten grondslag ligt (bijlage V(I) van zijn Reglement),

–  gezien de verklaring van de Europese Commissie bij de verordeningen tot vaststelling van de externe financieringsinstrumenten, waarin zij belooft strategische dialogen met het Parlement te voeren over de programmering van de Commissie,

–  gezien het Reglement van het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Begrotingscommissie (A8‑0112/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie 's werelds grootste verlener van externe steun is;

B.  overwegende dat externe financieringsinstrumenten het belangrijkste mechanisme zijn voor het ondersteunen van het EU‑optreden in de wereld en overwegende dat het externe optreden van de EU steeds belangrijker wordt voor de Europese burger;

C.  overwegende dat de externe financieringsinstrumenten als gevolg van de beperkte middelen vaak tot het uiterste zijn opgerekt;

D.  overwegende dat de Commissie in haar tussentijdse evaluatieverslag stelt dat de huidige architectuur voor externe instrumenten over het algemeen geschikt is voor het beoogde doel;

E.  overwegende dat een samenvoeging van instrumenten geen doel op zich mag zijn;

F.  overwegende dat de EU niet alleen in haar nabije omgeving maar ook wereldwijd met talloze uitdagingen geconfronteerd wordt;

G.  overwegende dat het externe optreden van de EU voorrang moet geven aan de aanpak van essentiële wereldwijde vraagstukken, zoals vrede en duurzame ontwikkeling, en moet erkennen dat de bevordering van mensenrechten voor allen, de rechtsstaat en democratie, met bijzondere aandacht voor gendergelijkheid en sociale rechtvaardigheid, alsmede steun voor mensenrechtenactivisten, voorop moeten staan willen deze doelstellingen bereikt worden;

H.  overwegende dat de externe financiële steun van de EU essentieel is voor het ondersteunen van economische hervormingen en van democratische, politieke en institutionele consolidering in partnerlanden;

I.  overwegende dat er geen vergelijkbare en solide parlementaire toetsing van alle instrumenten plaatsvindt;

J.  overwegende dat de EU-steun dringend zichtbaarder moet worden gemaakt, zowel voor de burgers in partnerlanden als voor de burgers in de Europese Unie, om de voordelen van EU-steun meer in de schijnwerper te zetten; overwegende dat investeren in concrete en tastbare projecten met een grotere zichtbaarheid voor het publiek, in combinatie met een brede, doeltreffende en systematische communicatiestrategie voor elk instrument, in dit opzicht zeer waardevol kan zijn;

K.  overwegende dat strategische communicatie vaak te kampen heeft met externe uitdagingen, zoals misleidingscampagnes gericht tegen de EU en de lidstaten, hetgeen betekent dat er meer inspanningen nodig zijn; overwegende dat het promoten van objectieve, onafhankelijke en neutrale informatie en het aanpakken van de juridische aspecten van de mediaomgeving waarin EU-instrumenten en -maatregelen worden toegepast, dan ook van essentieel belang zijn;

L.  overwegende dat internationale handel een cruciaal EU-instrument is om landen te helpen bij hun sociale en economische ontwikkeling, en om de mensenrechten, fundamentele waarden en de rechtsstaat te verdedigen;

M.  overwegende dat het handelsbeleid, op grond van de Verdragen, moet bijdragen tot de doelstellingen van het extern beleid van de Unie, waaronder duurzame ontwikkeling;

N.  overwegende dat het totale geprogrammeerde steunbedrag onder het ENI (15,4 miljard EUR), het IPS II (11,7 miljard EUR), het IcSP (2,5 miljard EUR), het EIDHR (1,3 miljard EUR) en het PI (1 miljard EUR) 32 miljard EUR bedraagt voor de periode 2014-2020;

O.  overwegende dat het IPS II gebruikt is bij het beheer van migratiestromen;

P.  overwegende dat het EIDHR en met name het IcSP gebaseerd zijn op de rechtsgrond van de artikelen 209 en 212 VWEU die beide verwijzen naar artikel 208 VWEU, waarin wordt bepaald dat het hoofddoel van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie "is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen";

Q.  overwegende dat de Commissie belast is met het identificeren, formuleren, ten uitvoer leggen, controleren en evalueren van de steun van de EU die in het kader van deze instrumenten wordt toegekend; overwegende dat het de verantwoordelijkheid van de EDEO is om de continuïteit en coherentie van externe beleidsmaatregelen van de EU te waarborgen, onder meer door middel van de instrumenten; overwegende dat het Parlement verantwoordelijk is voor de democratische controle en toetsing, en in het kader van medebeslissingsprocedures als medewetgever optreedt;

R.  overwegende dat het duale karakter van de functie van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid betekent dat degene die deze functie vervult een centrale rol toekomt in de coördinatie op beleidsniveau van de EU-steun in het kader van de instrumenten in kwestie;

S.  overwegende dat meerdere projecten en subsidies in het kader van deze instrumenten niet volledig kunnen worden geëvalueerd aangezien de tenuitvoerlegging ervan zich nog maar in de beginfase bevindt; overwegende dat sommige doelstellingen kwalitatief van aard zijn en verband houden met wetgeving, praktijken en opvattingen die niet zo eenvoudig kwantitatief te meten zijn;

T.  overwegende dat de Commissie in haar tussentijdse evaluatie stelt dat het moeilijk is om de algehele doeltreffendheid van de instrumenten in het verwezenlijken van hun doelstellingen te meten, deels vanwege de problemen bij het vaststellen van passende toezicht- en evaluatiesystemen op het niveau van het instrument (blz. 10); herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 18/2014 op ernstige tekortkomingen in het evaluatiesysteem van EuropeAid heeft gewezen;

U.  overwegende dat de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening (CIR) belangrijke bepalingen bevat betreffende de beginselen inzake ontwikkeling en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, zoals de ontkoppeling van steun en het gebruik van de eigen instellingen, systemen en procedures van de partnerlanden;

V.  overwegende dat de huidige administratieve procedures vaak teveel bureaucratische rompslomp meebrengen voor potentiële begunstigden, waardoor het voor kleinere middenveldorganisaties en organisaties van sociale partners moeilijk is om deel te nemen aan projectontwikkeling en ‑uitvoering, daar zij vaak niet over voldoende kennis en administratieve capaciteit beschikken om kansrijke voorstellen te doen;

W.  overwegende dat in de verordeningen waarmee de externe financieringsinstrumenten (EFI's) in het leven zijn geroepen is vastgelegd dat de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011, en overwegende dat in deze Verordening eveneens is vastgelegd dat de Commissie hierin wordt bijgestaan door het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité;

X.  overwegende dat ontwerpuitvoeringshandelingen op hetzelfde moment naar het Parlement en de Raad moeten worden gestuurd als naar de leden van het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité, en overwegende dat in het reglement van deze comités is vastgelegd dat ontwerpuitvoeringshandelingen ten minste twintig kalenderdagen vóór de desbetreffende commissievergadering aan het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité moeten worden toegezonden; overwegende dat ontwerpuitvoeringshandelingen daarom ten minste twintig kalenderdagen vóór de vergadering van deze comités aan het Parlement moeten worden toegezonden, en overwegende dat schriftelijke procedures voor het aannemen van ontwerpuitvoeringshandelingen in naar behoren gemotiveerde gevallen een uitzondering op deze regel vormen;

Y.  overwegende dat het opstellen van uitvoeringshandelingen wordt voorafgegaan door een vrij lange voorbereidende fase binnen de Commissie, waarbij tussen de diensten wordt overlegd, en dat deze meestal enkele maanden duurt;

Tussentijdse evaluatie

1.  neemt er kennis van dat de bestaande instrumenten bij de tussentijdse evaluatie in het algemeen als 'fit-for-purpose' zijn beoordeeld;

2.  betreurt dat de omvang en het gebrek aan flexibiliteit van de EU-financiering in het kader van rubriek 4 van het huidige MFK hebben aangetoond dat de ambitie van de EU om als een echte mondiale speler te handelen beperkt is; constateert echter dat vele partnerlanden en kwesties waarvoor de EFI's van de EU werden ingezet, een positieve ontwikkeling te zien hebben gegeven, hetgeen de relevantie en het belang van de EFI's bewijst;

3.  maakt zich evenwel zorgen over bepaalde andere bevindingen, waaronder het gebrek aan politieke sturing en een overkoepelende visie, inconsistenties bij de toepassing van de waarden van de EU en de partnerschapsbeginselen, de langzame of niet-aanwezige vooruitgang wat betreft sociale en juridische hervormingen in de bredere nabuurschapsomgeving, het ontbreken van krachtige monitoring en evaluatie, en een gebrek aan flexibiliteit;

4.  betreurt dat het ontbreekt aan één enkel helder visiedocument dat verduidelijkt welke synergie er tussen de instrumenten is en hoe deze geïntegreerd worden in een globale, overkoepelende EU‑strategie voor het buitenlands beleid;

5.  vindt het zorgwekkend dat de EU en haar instrumenten met significante uitdagingen worden geconfronteerd, zoals politieke uitruil tussen enerzijds de bevordering van waarden en rechten en anderzijds veiligheidsbelangen op de korte termijn, de opkomst van nieuwe spelers op het gebied van mondiale governance en internationale financiële instellingen, talrijke gewelddadige mondiale conflicten, waaronder onbestendigheid in de directe nabijheid van de EU, zowel in het oosten als in het zuiden, en een toenemend agressieve en assertieve politieke koers van Rusland;

6.  merkt op dat er EU-trustfondsen zijn opgericht om de achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken; betreurt dat de bijdragen uit de EU-begroting aan de EU‑trustfondsen en de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije de algehele samenhang, de langetermijnvisie en de impact van het optreden van de Unie hebben verkleind; benadrukt nogmaals dat nieuwe prioriteiten met nieuwe kredieten moeten worden gefinancierd; betreurt ten zeerste dat het Parlement in geen enkele fase van het besluitvormingsproces voor de Turkije-verklaring formeel is geraadpleegd of om zijn instemming is gevraagd;

7.  herhaalt dat de instrumenten complementair moeten zijn, moeten kunnen worden toegesneden op de lokale context, en in staat moeten zijn snel en doeltreffend op nieuwe en onvoorziene uitdagingen te reageren, zonder hun oorspronkelijke doelstellingen uit het oog te verliezen;

8.  betreurt dat de instrumenten geen expliciete verwijzing bevatten naar de mogelijkheid om de steun op te schorten indien een begunstigd land (met name wanneer gebruik gemaakt is van indirect beheer met het begunstigde land – IMBC) er niet in blijkt te slagen om basisbeginselen als democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten na te leven;

9.  merkt op dat bij de EU-ontwikkelingshulp (officiële ontwikkelingshulp ODA) de VN‑doelstelling van 0,7 % niet is gehaald; dringt derhalve aan op een verhoging van de beschikbare middelen voor ontwikkelingshulp, zodat de toezeggingen in het kader van Agenda 2030 kunnen worden nagekomen;

IPS II

10.  moedigt aan dat geprobeerd wordt het IPS II meer strategische relevantie op de lange termijn te geven en concrete resultaten te laten opleveren door middel van specifiek op de afzonderlijke begunstigden gerichte planning en een sectorale benadering; meent dat een dergelijke aanpak kan helpen bij het terugdringen van de omvangrijke hoeveelheid niet-uitgegeven middelen van het IPS I en II in Turkije als gevolg van inefficiëntie van het indirect beheer met het begunstigde land (IMBC) en een gering absorptievermogen;

11.  is uiterst verontrust over de achteruitgang in Turkije wat de rechtsstaat en de democratie betreft, in weerwil van de 4,5 miljard EUR die in het kader van het IPS II voor de huidige MFK-periode is voorzien; erkent dat de huidige toetredingsperspectieven voor Turkije de algemene onzekerheid over de waarde van het IPS II in dit land voeden; merkt op dat de middelen van het IPS II zijn aangewend voor de financiering van toezeggingen die zijn gedaan in het kader van de Turkije-verklaring;

12.  neemt kennis van de uiteenlopende stadia van vooruitgang in de verschillende landen op de westelijke Balkan in het kader van de langetermijnsteun via het IPS II; merkt op dat de IPS II-steun in bepaalde gevallen slechts tot beperkte resultaten heeft geleid wat het aansturen van hervormingen betreft, met name op het gebied van de rechtsstaat, openbaar bestuur en bestrijding van corruptie;

13.  stelt vast dat de kwaliteit van de indicatoren in landenprogramma's en actiedocumenten nog steeds te wensen overlaat;

14.  benadrukt dat het mogelijk moet zijn om IPS II-middelen te bevriezen of een nieuwe bestemming te geven als uit een grondige analyse van de Commissie blijkt dat partnerlanden zich systematisch niet aan hun toezeggingen houden of op politiek vlak een flinke stap achteruit laten zien; betreurt het dat een systematisch en politiek onvermogen tot handelen het nemen van dergelijke maatregelen in het verleden in de weg heeft gestaan;

15.  neemt kennis van de aanwezigheid van het prestatiekader; betreurt evenwel dat de prestatieresultaten nog moeten worden beoordeeld en beloond; dringt in dit verband aan op meer inspanningen om het kader verder te verbeteren, waarbij ook rekening wordt gehouden met negatieve prestaties en een daaraan verbonden vermindering van de financiering;

16.  onderstreept de betekenis van het IPS II als het belangrijkste EU-financieringsinstrument voor pretoetredingssteun, in het kader waarvan belangrijke sociale, economische, politieke en institutionele hervormingen op prioritaire gebieden worden gefinancierd, zodat landen het EU-acquis kunnen bereiken; wijst erop dat dergelijke hervormingen op de lange termijn tevens kunnen bijdragen tot veiligheid in de regio; is ermee ingenomen dat het IPS II steeds strategischer gericht is, maar onderstreept dat de financiering die in het kader van het IPS II beschikbaar is ambitieus en toekomstgericht moet zijn en moet aansluiten bij de concrete behoeften, verplichtingen en wensen in verband met het toetredingsproces en het lidmaatschap van de EU; herinnert er in dit verband aan dat financiering moet worden gebruikt overeenkomstig de specifieke doelstellingen die voor het instrument zijn vastgesteld;

17.  erkent dat de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld van het IPS II essentiële steun biedt aan lokale middenveldorganisaties; benadrukt dat de toezeggingen geen weerspiegeling zijn van de werkelijke behoeften ter plaatse; verzoekt in dit verband om meer complementariteit van het IPS II met maatregelen in het kader van andere instrumenten, met name het EIDHR en het IcSP; wijst erop dat hiervoor meer coördinatie nodig is, zowel tijdens de planning als in de programmeringsfase;

18.  beschouwt de sectorale aanpak als een goede zaak, maar betreurt het dat er geen duidelijke eigen verantwoordelijkheid voor projecten bestaat omdat de verantwoordelijkheden gefragmenteerd zijn; stelt vast dat indirect beheer de algehele eigen verantwoordelijkheid voor de programma's heeft verbeterd, maar ook tot minder efficiëntie heeft geleid omdat de tenuitvoerlegging langer vertraagd raakte;

19.  is ingenomen met initiatieven voor systemen om prestaties beter te volgen en te meten, onder meer via comités voor sectoraal toezicht, interne richtsnoeren en de ontwikkeling van een nieuw systeem voor informatiebeheer (OPSYS);

ENI

20.  verwelkomt de ondersteuning van structurele hervormingen in de vorm van geprogrammeerde steun en onderstreept de bijzondere aard van het ENI die de EU in staat stelt op maat gesneden beleidsmaatregelen uit te werken die zijn toegesneden op de specifieke behoeften van de partnerlanden;

21.  deelt de mening van de Commissie dat de aanwezigheid van een specifiek financieringsinstrument voor de nabuurschap concreet bewijs heeft geleverd voor het politieke belang dat de EU hecht aan de betrekkingen met deze naburige landen en aan het verdiepen van de politieke samenwerking en de economische integratie met en binnen de regio;

22.  onderkent dat de huidige uitdagingen en behoeften in de nabuurschap, alsook de discrepantie tussen doelstellingen, belangen en financiële middelen, het budget en het personeel van het ENI flink onder druk zetten, en onderstreept dat er meer flexibiliteit nodig is;

23.  vindt het zorgwekkend dat de toekenning van middelen van het ENI in partnerlanden die minder naar hervormingen streven minder doeltreffend geweest is en in politiek gevoelige situaties en conflictsituaties problematisch maar noodzakelijk blijft, met name wat de bevordering van de gedeelde waarden van democratie en mensenrechten betreft; betreurt het dat de "meer voor meer"-aanpak en de op stimulansen gebaseerde aanpak niet effectief gebruikt zijn, en dat landen die overduidelijk afwijken van hun toezeggingen betreffende mensenrechten en democratische hervormingen gedurende de recentste programmeringsperiode steeds meer financiële steun hebben gekregen;

24.  herhaalt dat de nabuurschapslanden sinds 2014 worden geconfronteerd met ongekende uitdagingen als gevolg van een toenemend aantal zowel al jarenlang bestaande als opkomende problemen, zoals de illegale annexatie van de Krim door de Russische Federatie en het conflict in het oosten van Oekraïne, de crisis in Syrië, de situatie in Libië, radicalisering en terrorisme, jeugdwerkloosheid en de migratieproblematiek;

25.  is bezorgd dat deze ontwikkelingen, alsook de discrepanties tussen de doelstellingen, de belangen van zowel de EU als van de partnerlanden, en de financiële middelen die beschikbaar zijn de financiële capaciteit van dit instrument uitputten, waarbij onderstreept wordt dat meer flexibiliteit nodig is;

26.  onderstreept dat de EU-waarden en ‑beginselen, met inbegrip van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en efficiënte, transparante overheidsinstellingen die tot verantwoording geroepen kunnen worden, net zo belangrijk zijn voor de stabiliteit, veiligheid en welvaart van de samenlevingen van de naburige landen als voor die van onze eigen samenleving; verwelkomt de ondersteuning van structurele hervormingen in het kader van geprogrammeerde steun; is van mening dat de toepassing van het beginsel van differentiatie de EU in staat heeft gesteld haar steun toe te snijden op de behoeften en ambities van de partnerlanden;

27.  neemt kennis van de bijdragen in het kader van het ENI aan het Madad-fonds en het Noodtrustfonds voor Afrika;

28.  onderstreept de noodzaak van meer coördinatie tussen regionale en bilaterale programma's en investeringsfaciliteiten teneinde de ontwikkeling in de particuliere sector beter te kunnen steunen en stimuleren; stelt vast dat er enige verbetering is wat betreft het ontbreken van een gezamenlijke programmering door de lidstaten;

29.  is ingenomen met de monitoring van ENI-steun via resultaatgerichte monitoring (ROM); betreurt dat er op het niveau van de instrumenten geen consistente systemen voor monitoring en evaluatie zijn;

30.  benadrukt dat de handelsgerelateerde technische ondersteuning en economische bijstand die in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) worden verstrekt aan partners van de Unie aan de oostelijke grens, een belangrijke bijdrage leveren aan de evolutie van de democratie in deze regio's; stelt vast dat de fondsen in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) gebruikt kunnen worden voor handelsbevordering, en zo een aanvulling kunnen vormen op de bestaande EU-fondsen voor de handelsfacilitatieovereenkomst, wat de politieke stabiliteit op lange en middellange termijn beter zal waarborgen;

IcSP

31.  is zich ervan bewust dat de belangrijkste meerwaarde van het IcSP zijn snelheid en flexibiliteit bij het reageren op conflicten is, alsmede zijn brede waaier van maatschappelijke actoren die als partner van de EU kunnen optreden; herinnert eraan dat het IcSP het enige EU-instrument is voor de preventie van niet-militaire conflicten door middel van bemiddeling, dialoog en verzoening;

32.  neemt kennis van de problemen bij het verzamelen van gegevens over en het meten van de resultaten van IcSP-maatregelen, die in beide gevallen wellicht aanzienlijk waren als gevolg van het feit dat het moeilijk is om politieke resultaten te beoordelen en resultaten toe te schrijven aan IcSP-maatregelen wanneer hierop concurrerende maatregelen in het kader van andere instrumenten zijn gevolgd, alsook om toegang te krijgen tot conflictgebieden;

33.  stelt vast dat de noodzaak van conflictpreventie en het inspelen op veiligheidsuitdagingen de afgelopen periode enorm is toegenomen; is van mening dat er in veel landen die na een oorlog in een crisissituatie verkeren behoefte is aan initiatieven op het gebied van verzoening, bemiddeling en dialoog; onderstreept dat in de context van crises en conflicten onmiddellijke actie vereist is; onderstreept dan ook dat de middelen die voor dergelijke initiatieven beschikbaar zijn, aanzienlijk moeten worden verhoogd; wijst erop dat met de wijziging van het IcSP in november 2017 beoogd wordt de veiligheidscapaciteit van derde landen te verhogen teneinde stabiliteit, veiligheid en duurzame ontwikkeling verder te bevorderen; merkt op dat het IcSP fungeert als laatste redmiddel of voorloper van langere-termijnmaatregelen die via andere instrumenten worden gefinancierd;

34.  stelt vast dat het IcSP de eerste stappen zet op weg naar wereldwijde bestrijding van cyberbedreigingen; verlangt dat meer nadruk wordt gelegd op cyberveiligheid, onder meer via een coherente strategie die in alle externe EU-maatregelen toepasbaar is; dringt aan op een daarmee gepaard gaande verhoging van de middelen voor cyberveiligheid in het kader van het IcSP als passend instrument om dergelijke bedreigingen aan te pakken;

35.  merkt op dat de samenwerking met maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en operaties en missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en met de verlening van humanitaire hulp door de EU is toegenomen;

EIDHR

36.  onderstreept de meerwaarde van de wereldwijde holistische benadering van het EIDHR, ondanks zijn relatief bescheiden budget, en van de grote rol die middenveldorganisaties spelen bij het bereiken van dit doel, alsook van het unieke kenmerk ervan als enige instrument waarmee de EU maatregelen van het maatschappelijk middenveld kan ondersteunen, ongeacht de tussenkomst van de autoriteiten van het land waar dergelijke maatregelen plaatsvinden;

37.  stelt vast dat het EIDHR in de lopende periode flexibeler en meer complementair is ingezet dan in de voorgaande periode, en dat sneller op opkomende mensenrechten- en democratiecrises is gereageerd; is ingenomen met het feit dat het EIDHR complementair is met steun uit andere bronnen, zoals het Europees Fonds voor Democratie, waardoor de steun van het EIDHR in dringende gevallen doeltreffender wordt; is ingenomen met de grotere aandacht voor mensenrechtenactivisten, ook via het noodfonds dat op het niveau van de EU-delegaties beschikbaar is, en de inrichting en succesvolle toepassing van het EU-mechanisme ProtectDefenders.eu ter bescherming van mensenrechtenactivisten; onderstreept dat het proces van de oproep tot het indienen van voorstellen lang, onpraktisch en te concurrerend is;

38.  wijst voorts op de voordelen van het EU-mechanisme ProtectDefenders.eu dat door het maatschappelijk middenveld wordt ingezet en essentiële steun heeft verleend aan een groot aantal mensenrechtenactivisten; dringt aan op voortzetting van de steun aan dergelijke mechanismen;

39.  maakt zich zorgen over het feit dat het moeilijk blijkt mensenrechten en democratische waarden in alle geografische programma's te integreren en over de geringere EU-steun aan middenveldorganisaties, hetgeen leidt tot extra druk op het EIDHR op een moment dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld wereldwijd krimpt;

40.  is van mening dat de EU blijk moet geven van leiderschap en ambitie door een overkoepelend beleid te voeren voor het mainstreamen van haar steun aan democratie in al haar externe betrekkingen; is dan ook van oordeel dat de middelen voor ondersteuning van de democratie navenant moeten worden verhoogd, met name in het licht van de huidige wereldwijde aanvallen op de democratie; onderstreept hoe noodzakelijk het is te waarborgen dat de uitgaven in het kader van doelstelling 1 voor de landgebonden steunregeling (CBSS) ook werkelijk en op efficiënte wijze de mensenrechtenactivisten bereiken die de meeste risico's lopen; spoort de EU-delegaties aan om in dit verband alle nodige steun te verlenen;

41.  erkent dat het evalueren van EIDHR-maatregelen problematisch is, aangezien strategische en operationele indicatoren ontbreken; merkt op dat de evaluatieproblemen eveneens voortvloeien uit het feit dat een groot deel van de steun aan middenveldorganisaties en mensenrechtenactivisten nu eenmaal vertrouwelijk wordt verstrekt, teneinde de identiteit en veiligheid van de ontvangers te beschermen;

42.  wijst andermaal op de meerwaarde van EU-verkiezingswaarnemingsmissies, een terrein waarop de EU wereldwijd voorop loopt; acht het een goede zaak dat het aantal monitorings- en follow-upmissies naar aanleiding van aanbevelingen van verkiezingswaarnemingsmissies is toegenomen;

Het partnerschapsinstrument (PI)

43.  beklemtoont dat het PI in het bijzonder bedoeld is om thematische EU- en wederzijdse belangen met derde landen te behartigen teneinde bondgenootschappen te sluiten en samenwerking te bevorderen met huidige en opkomende strategische partners; merkt op dat het PI in de praktijk als laatste redmiddel wordt ingezet, namelijk wanneer het als enige middel wordt gezien waarmee de beleidsagenda van de EU kan worden uitgevoerd en wereldwijde problemen kunnen worden aangepakt;

44.  wijst erop dat het PI in vergelijking met vroegere instrumenten een meer coöperatieve samenwerking met derde landen mogelijk heeft gemaakt, met inbegrip van strategische partners, landen die voorheen bilaterale ontwikkelingshulp ontvingen en diverse internationale fora, en is van mening dat een verhoging van de middelen en input van beleidsmakers nodig is om ervoor te zorgen dat zij volledig worden betrokken bij het ontwikkelen, programmeren en uitvoeren van de maatregelen, en dat de actieve rol van de EU-delegaties in de vormgeving van de maatregelen groter moet worden;

45.  pleit voor verbetering van zichtbaarheid, kennis en begrip van de doelstellingen van het PI, met name binnen de EU-instellingen;

46.  stelt met spijt vast dat de evaluatie belemmerd werd door het feit dat er geen centraal bewaarpunt voor documentatie over maatregelen is ingericht als gevolg van de late goedkeuring van een kader voor resultaatindicatoren, en het feit dat de meeste projecten nog niet afgerond zijn;

Gemeenschappelijke uitvoeringsverordening

47.  herinnert eraan dat de externe financieringsinstrumenten van de EU een ingewikkeld instrumentarium vormen ter ondersteuning en verbetering van het internationale optreden van de EU, en dat de complexe structuur ervan wordt gecoördineerd door de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening; benadrukt andermaal dat de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening moet voldoen aan de criteria van toetsing van de begroting en democratische controle; betreurt het dat de uiterst ingewikkelde en restrictieve aard van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening een doeltreffend gebruik van de middelen van de Unie heeft verhinderd en belemmert dat snel op nieuwe uitdagingen en de behoeften van partners kan worden ingespeeld; betreurt dat het gemeenschappelijke karakter van de regels niet heeft geleid tot een gezamenlijke programmering van steun tussen de instrumenten;

48.  merkt op dat de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening is vastgesteld om bij de aanwending van de middelen van de Unie te zorgen voor harmonisering, vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging, meer flexibiliteit, coherentie en efficiënt gebruik, alsmede om een soepele en complementaire tenuitvoerlegging van alle instrumenten tot stand te brengen;

49.  meent dat voldoende tijd van cruciaal belang is voor het Parlement om zijn controlebevoegdheden ten aanzien van ontwerpuitvoeringshandelingen doeltreffend en naar behoren te kunnen uitoefenen; is van mening dat niet-naleving van de termijn van twintig dagen voor het indienen van documenten bij het Parlement en de Raad in de laatste fase van goedkeuring van de uitvoeringshandelingen niet kan worden gerechtvaardigd, gezien de tijd dat de ontwerpuitvoeringshandelingen in voorbereiding zijn voordat zij bij het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité terechtkomen; betreurt daarom dat de termijn van twintig kalenderdagen niet altijd wordt geëerbiedigd, en is van oordeel dat dit afbreuk doet aan haar toetsingsrecht; dringt erop aan dat alle ontwerpuitvoeringshandelingen ten minste twintig dagen van tevoren worden ingediend, en verzoekt de Commissie het reglement van het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité te wijzigen en deze termijn voor indiening uit te breiden, zodat het Parlement haar controlebevoegdheden gemakkelijker kan uitoefenen;

50.  betreurt dat de zichtbaarheid van het EU-beleid voor externe financiering beperkt blijft in een context waarin derde spelers actief pogingen doen om het buitenlands beleid van de EU via desinformatie te ondermijnen;

Aanbevelingen voor 2017 en de periode 2018-2020

51.  roept ertoe op bij het extern optreden van de Unie onverminderd uit te blijven gaan van de Europese en de universele waarden en mensenrechten;

52.  dringt aan op meer synergie en samenhang tussen alle instrumenten van rubriek IV, alsook op betere afstemming met de programma's voor bilaterale steun van de lidstaten, en, waar mogelijk andere donoren; verzoekt de Commissie en de EDEO in dit verband hun samenwerking en coördinatie, ook met middenveldorganisaties en lokale actoren, te verbeteren en aan hun verplichtingen krachtens artikel 21 VEU te voldoen;

53.  verlangt dat solide, consistente en transparante controle- en evaluatiemechanismen worden ontwikkeld; benadrukt andermaal dat dergelijke mechanismen het mogelijk maken om tastbare vooruitgang bij essentiële, hervormingsgerelateerde doelstellingen in naburige landen te volgen, hetgeen met name belangrijk is voor landen waar dergelijke hervormingen tot stilstand zijn gekomen of anderszins vertraagd zijn;

54.  vindt dat er uitgebreidere procedures en systemen voor parlementaire controle en toetsing moeten worden ontwikkeld die op alle instrumenten toepasbaar zijn; beveelt aan de transparantie te verbeteren door één enkele gemeenschappelijke en transparante publieke databank voor projecten en maatregelen in te richten;

55.  onderstreept de noodzaak om bijkomende financiële middelen en steun voor scholing aan middenveldorganisaties te bieden; benadrukt dat er dringend maatregelen nodig zijn om de bureaucratische lasten en procedurele obstakels waarmee middenveldorganisaties kampen, met name op plaatselijk niveau, verder te verminderen; dringt erop aan specifieke begrotingslijnen te bestemmen voor capaciteitsopbouw voor middenveldorganisaties, zodat zij beter in staat zijn toegang tot financiering te verkrijgen; betreurt dat de kwestie van een gebrek aan deelname van maatschappelijke organisaties aan het programmeren en uitvoeren van de externe instrumenten niet aan de orde is gesteld in het tussentijdse verslag van de Commissie; verzoekt de Commissie om een meer strategische betrokkenheid van maatschappelijke organisaties in alle externe instrumenten en programma's te integreren, zoals gevraagd door zowel de Raad als het Parlement;

56.  pleit voor het meer rechtstreeks en actief promoten van EU-beleidsmaatregelen, de financiële steun daarvoor en de zichtbaarheid daarvan;

57.  herhaalt zijn standpunt dat de mogelijkheid moet worden ingevoerd om niet-toegewezen middelen van het ENI en het IPS II over te dragen binnen het maximum van 10 % van de oorspronkelijke kredieten voor elk instrument, zodat het vermogen om te reageren op ernstige onvoorziene gebeurtenissen wordt verbeterd, waarbij de in de betreffende ENI- en IPS II-verordeningen bepaalde doelstellingen gehandhaafd blijven;

Instrument voor pretoetredingssteun (IPS II)

58.  schaart zich achter de beginselen die in artikel 21 VEU zijn neergelegd en beveelt aan grotere nadruk te leggen op versterking van democratische instituties, de bestrijding van corruptie en hervormingen van het openbaar bestuur, versterking van de rechtsstaat en goed bestuur, en op verbeteringen bij de consistente tenuitvoerlegging van mensen- en minderheidsrechten; dringt aan op meer steun voor hervormingen in de sectoren die van belang zijn voor het toetredingsproces, alsmede voor stimulering van de regionale samenwerking ter ondersteuning van het uitbreidingsbeleid van de EU;

59.  beveelt aan mogelijkheden te creëren voor de overdracht van middelen naar het maatschappelijk middenveld op het moment dat staatsactoren niet bereid zijn de doelstellingen van de EU te onderschrijven, of wanneer zij bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het instrument niet tot samenwerking bereid zijn; verzoekt de Commissie om beperking of stopzetting van de terbeschikkingstelling van middelen aan landen die ernstig inbreuk plegen op de fundamentele waarden van de EU, met inbegrip van de basiscriteria van Kopenhagen; dringt aan op vermindering van de administratieve lasten voor ontvangers uit middenveldorganisaties die EU-steun aanvragen;

60.  dringt aan op een rol voor het Parlement in het geval overwogen wordt de middelen te bevriezen of belangrijke wijzigingen aan te brengen aan de maximale indicatieve toewijzingen;

61.  dringt aan op een krachtige inbreng van de begunstigden, vanaf de programmering tot monitoring en audit; spoort de Commissie aan de nationale auditinstanties gerichte steun te bieden op het gebied van methodologie, planning, aanwerving van personeel, scholing en toezicht;

62.  beveelt aan meer steun te verlenen aan nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor donorcoördinatie en over weinig capaciteit beschikken maar de politieke bereidheid tonen om de doelstellingen te halen; betreurt het gebrek aan transparantie wat het absorptievermogen voor deze middelen betreft;

63.  dringt erop aan dat de middelen naar sectoren vloeien die aantoonbaar succesvol zijn, om verdere aanhoudende vertraging te voorkomen zoals die zich heeft voorgedaan in het kader van het IMBC, voornamelijk in Turkije;

64.  dringt aan op grotere zichtbaarheid van het IPS II in de regio gezien het cruciale belang van het uitbreidingsbeleid voor de EU, bijvoorbeeld door adequate en gerichte communicatie- en voorlichtingscampagnes via de nationale, regionale en lokale media of andere kanalen die geschikt worden geacht, met minimale vereisten en een door de Commissie in nauwe samenwerking met de begunstigden gedefinieerde monitoring; spreekt zijn steun uit voor gerichte tegenpropaganda en strategische communicatie-inspanningen, met name in gevallen waar het imago en de belangen van de EU actief worden aangevallen en ondermijnd;

65.  raadt aan gebruik te maken van de IPS II-middelen om communicatiekanalen voor bedrijven, vooral kmo's, te creëren, in zowel de lidstaten als de pretoetredingslanden, om sterke handelsbetrekkingen tussen de respectievelijke gebieden te verzekeren, die erg nuttig zullen zijn om de ontvangende landen voor te bereiden op toetreding tot de eengemaakte markt;

66.  wijst andermaal op het nut van de financiële prestatiebeloning voor landen die vooruitgang boeken, zoals voorgeschreven in de IPS II-verordening;

67.  is van mening dat flexibiliteit en de inzet van middelen om specifieke crisissituaties aan te pakken moeten aansluiten bij de essentiële prioriteiten en basisbeginselen van de uitbreidingsstrategie en het toetredingsproces, die het belangrijkste aandachtspunt van het IPS II moeten blijven;

68.  dringt aan op betere coördinatie en grotere synergie gedurende de plannings- en programmeringsfase van het IPS II met de maatregelen van andere instrumenten, met name het EIDHR en het IcSP, teneinde voor coherentie te zorgen en de complementariteit zowel met hun eigen reeks doelstellingen en programma's als met andere Europese financieringsinstrumenten te vergroten;

Europees nabuurschapsinstrument (ENI)

69.  beklemtoont de noodzaak van een algemeen strategisch document voor de tenuitvoerlegging van het ENI, met een betere afstemming op het bredere beleidskader en een betere coördinatie met de andere instrumenten; benadrukt dat ook sociaaleconomische ontwikkeling, jongeren en duurzaam beheer van energiebronnen moeten behoren tot de prioriteiten van de ENI-programmering;

70.  betreurt dat de meerjarenprogrammering voor de meeste van de begunstigde landen reeds in de loop van 2017 heeft plaatsgevonden, voorafgaand aan de afronding van de tussentijdse beoordeling van de steun in deze landen; herinnert eraan dat het Parlement zijn aanbevelingen inzake de programmering tijdens een strategische dialoog met de Commissie in april 2017 heeft gedaan;

71.  vestigt de aandacht op de politieke zichtbaarheid en de hefboomwerking die het ENI als afzonderlijk financieel instrument de EU in de nabuurschap geeft, zowel in het oosten als in het zuiden;

72.  dringt erop aan de bestaande balans in de toewijzing van middelen tussen de zuidelijke en de oostelijke nabuurschap van de Unie te handhaven;

73.  onderstreept dat er een onderling verband bestaat tussen stabilisering, steun voor democratisering, conflictpreventie en ‑oplossing, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, onderwijs en sociaaleconomische ontwikkeling; onderstreept hoe belangrijk projecten zijn ter ondersteuning van jongeren bij hun opleiding en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

74.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk het vermogen is om sneller op problemen te kunnen inspelen;

75.  onderstreept dat investeringen in stabilisering en ontwikkeling van naburige landen tevens problemen aanpakken als migratie, terrorisme, lokale conflicten en economische instabiliteit, hetgeen op de lange termijn voordelen zal hebben voor de EU als geheel;

76.  onderstreept dat het specifieke karakter van de problematiek in de nabuurschap een geïntegreerde en brede benadering vereist die is gebaseerd op de uiteenlopende behoeften en situaties van de begunstigden, met inbegrip van synergie met andere Europese financiële instrumenten en geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen van de Unie; benadrukt dat een snelle en doeltreffende omzetting van associatieovereenkomsten, diepe en brede vrijhandelsruimten en alle daarmee verband houdende hervormingen één van de eerste taken is die met adequate financiële middelen van de EU moet worden ondersteund;

77.  merkt andermaal op hoe belangrijk het is om een diepergaande gezamenlijke programmering met de lidstaten tot stand te brengen, in aanvulling op de goede vorderingen die zijn gemaakt op het gebied van gezamenlijke analyses, coördinatie en het bereiken van een consensus inzake donorprioriteiten; dringt aan op een betere coördinatie van donoren, met name wat betreft het combineren daarvan met andere EU‑instrumenten, andere donoren en internationale financiële instellingen, teneinde de economische transitie en de stabiliteit in de partnerlanden te schragen;

78.  vindt het zorgwekkend dat de reactie- en de financiële aspecten van dit instrument tot het uiterste zijn opgerekt; betreurt dat in het planningsstadium in onvoldoende mate rekening gehouden is met de 'in‑house'-expertise op het gebied van het analyseren van de politieke en geopolitieke risico's;

79.  stelt tot slot vast dat het in het licht van de huidige uitdagingen in de nabuurschap mogelijkerwijs nodig is de indicatieve financiële toewijzingen middels een wetgevingsamendement te verhogen;

80.  merkt andermaal op dat de doelstellingen van in het kader van het ENB geprogrammeerde middelen moeten worden nageleefd, ook als deze middelen worden overgeheveld naar andere modaliteiten zoals trustfondsen, en dat toetsing en controle door het Parlement nodig zijn en nooit mogen worden omzeild;

81.  dringt aan op een grotere participatie van het maatschappelijk middenveld in het inventariseren van de behoeften;

82.  verlangt dat volledig gebruik wordt gemaakt van voorwaardelijkheid en op stimulansen gebaseerde mechanismen die waar nodig politieke en economische hervormingen steunen, en die in verband staan met hervormingen en strategische doeleinden; betreurt het dat het ENI niet in staat is gebleken voldoende stimulansen te bieden aan de landen die afwijzend staan tegenover politieke hervormingen; dringt aan op doeltreffende monitoring van het ENI op het niveau van de instrumenten;

83.  is bezorgd over de vernietiging en inbeslagname van door de EU gefinancierde bijstand in derde landen; dringt aan op grotere inspanningen om de strategische communicatie en zichtbaarheid van de EU in de nabuurschapslanden te verbeteren;

Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP)

84.  dringt erop aan de invloed van het IcSP te vergroten middels regelmatige strategische dialogen met de partners en internationale organisaties; verzoekt in dit verband om waarborging van medefinanciering door andere grote donoren die belanghebbenden zijn bij de uitkomsten van de betreffende maatregelen;

85.  dringt aan op een verbeterd strategisch kader en synergie tussen het IcSP en follow‑upacties van andere instrumenten en actoren;

86.  dringt aan op nauwere samenwerking tussen andere internationale organisaties, regeringen en EU‑instellingen bij het inspelen op nieuwe bedreigingen, zoals op het gebied van hybride conflicten en cyberveiligheid waar de deskundigheid van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) zou kunnen worden ingezet;

87.  beveelt aan de bemiddelingscapaciteit van het IcSP strategischer in te zetten, niet alleen bij conflicten met een lokale impact maar ook ter ondersteuning van vredesprocessen en ‑dialogen in bestaande of opkomende conflicten met wereldwijde gevolgen, en dringt aan op betere systemen voor vroegtijdige waarschuwing en instrumenten voor conflictanalyse die betere preventie en vredesopbouw mogelijk maken;

88.  benadrukt dat dit instrument de Unie voortaan in staat stelt scholingsmaatregelen voor en de verstrekking van niet‑dodelijke uitrusting (zoals IT‑systemen, ziekenhuizen, enz.) aan legers van derde landen te financieren teneinde in urgente behoeften op de korte en middellange termijn te voorzien;

Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR)

89.  wijst nog eens op het fundamentele belang van het ondersteunen en bevorderen van democratie en de mensenrechten in derde landen, met inbegrip van de bescherming van mensenrechtenactivisten, ongeacht het eventuele ingrijpen door autoriteiten van derde landen;

90.  wijst op de effectiviteit en het belang van het EIDHR in dit opzicht, dat opereert in een context van een steeds beperktere speelruimte voor het maatschappelijk middenveld; wijst er nogmaals op dat gerichte financiering ten behoeve van mensenrechten en democratie nodig blijft en niet mag worden verlaagd; dringt er verder op aan dat moet worden overwogen de middelen van noodhulp aan mensenrechtenactivisten te verhogen en dat de beschikbaarheid van dergelijke middelen doeltreffend wordt bevorderd;

91.  herhaalt dat het EIDHR niet mag worden beperkt qua reikwijdte en niet slechts mag worden gebruikt als een stoplap voor het opvullen van de leemten die de andere instrumenten niet opvullen, maar dat het gericht bevorderen van democratie en de mensenrechten een helder en strategisch doel op zich moet zijn;

92.  spoort de Commissie aan naar oplossingen te zoeken voor de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld, de toenemende mensenrechtenschendingen en de repressie, bijvoorbeeld door de middelen te verhogen die beschikbaar zijn voor wereldwijde reactieve programma's zoals het EU-mechanisme voor mensenrechtenactivisten ProtectDefenders.eu; verzoekt de EU financiële steun te blijven verlenen aan mensenrechtenactivisten, met name degenen die risico's lopen, aan het maatschappelijk middenveld en aan gemarginaliseerde groepen zoals vrouwen, inheemse volkeren, Roma, LGBTI, gehandicapten, kinderen en ouderen;

93.  beveelt aan te komen tot een intensievere strategische planning in combinatie met beleidssturing door de autoriteiten van de EU en samenhang met de andere instrumenten, met name in landen waar de mensenrechten en de democratische normen onder druk staan, teneinde de internationale trend van toenemend autoritarisme tegenwicht te geven;

94.  onderstreept hoe belangrijk het is om de focus te richten op internationaal relevante thema's die op de korte, middellange of lange termijn de globalisering van mensenrechten en de internationale rechtsstaat en justitie zouden kunnen schragen; dringt aan op grotere EIDHR-steun voor een aantal opkomende kwesties, met name de strijd tegen corruptie, eerbiediging van de mensenrechten door het bedrijfsleven, milieurechten en rechten van migranten;

95.  is ingenomen met de steun voor internationale en regionale mechanismen voor mensenrechten en verantwoordingsplicht, zoals het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) en het Internationaal Strafhof (ICC);

96.  dringt aan op voortzetting van de inspanningen voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf;

97.  wijst andermaal op de toezeggingen van de Commissie inzake voortzetting van de steun aan het maatschappelijk middenveld en de bevordering van een positievere omgeving voor middenveldorganisaties in partnerlanden; benadrukt dat hoogdringend iets moet worden gedaan aan de bureaucratische obstakels waar het plaatselijke middenveldorganisaties mee kampen; moedigt EU-delegaties in derde landen actief te zoeken naar mensenrechtenactivisten en middenveldorganisaties die zich met gevoelige onderwerpen bezighouden en financiering nodig hebben, oproepen tot het indienen van voorstellen in de plaatselijke talen te publiceren en kandidaten toe te staan hun projectvoorstellen in die talen in te dienen, waardoor ook de lokale inbreng en de integratie op de lange termijn van projecten vergroot wordt;

98.  dringt aan op een grotere focus op de duurzaamheid van via het EIDHR gefinancierde acties, met name in de context van verkiezingswaarnemingsmissies, waar ruimte aanwezig is om de kennisoverdracht naar lokale spelers op te voeren en de follow-up van aanbevelingen te verbeteren; verzoekt de planning van verkiezingswaarnemingsmissies beter te coördineren met de verkiezingswaarnemingsactiviteiten van het Parlement;

99.  verzoekt de Commissie specifiek steun te verlenen aan projecten die gericht zijn op het toenemend misbruik van spionagetechnologie en cyberaanvallen door repressieve regeringen en niet‑statelijke actoren;

100.  dringt aan op de invoering van monitoring- en evaluatiesystemen die mensenrechtenactivisten om input vragen;

101.  pleit ervoor maatregelen ter preventie van misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en volkerenmoord met het IcSP te coördineren;

Het partnerschapsinstrument (PI)

102.  juicht de focus op de strategische belangen van de EU toe;

103.  beveelt een strategischer en meer geconsolideerd gebruik van de schaarse middelen van het PI aan, alsook een meer inclusieve input en het in kaart brengen van de acties van alle diensten van de Commissie en de EDEO, in nauwe samenwerking met de lidstaten; benadrukt het belang van een met voldoende middelen toegerust partnerschapsinstrument waarmee de EU‑waarden en ‑belangen actief kunnen worden verdedigd tegen de achtergrond van een afnemende trans-Atlantische consensus en het groeiende aantal middeninkomenslanden wier strategisch belang snel toeneemt, onder meer in Azië en Latijns-Amerika;

104.  beveelt een herziening aan van de geografische toewijzingen in het volgende meerjarig indicatief programma (MIP), met het doel deze beter op de uitdagingen toe te snijden; stelt in dit verband voor de samenwerking met niet‑strategische derde landen, zoals middeninkomenslanden, beter te dekken, aangezien deze samenwerking momenteel onvoldoende afgedekt is;

105.  beveelt een betere afstemming aan met de doelstellingen van de CIR en overkoepelende thema's;

106.  beveelt aan het monitoring- en evaluatiesysteem te voltooien, met inbegrip van relevante kwalitatieve indicatoren;

107.  is van oordeel dat het PI een belangrijk instrument kan zijn om de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten te schragen, vooral door het werk van de interne adviesgroepen te ondersteunen; benadrukt de behoefte om het gebruik en de verdeling van fondsen te beoordelen, evenals de doeltreffendheid van het partnerschapsinstrument en de EU Gateway/Business Avenues-programma's, die een aanvulling zouden moeten vormen op de bevoegdheden van de lidstaten inzake de bevordering van de buitenlandse handel;

108.  merkt op dat publieke diplomatie een van de doelstellingen van het partnerschapsinstrument is, met het oog op het creëren van vertrouwen en begrip in niet-EU-lidstaten met betrekking tot het EU-beleid; benadrukt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld van groot belang is, en verneemt met instemming dat 3 miljoen EUR toegewezen is om de deelname van maatschappelijke organisaties aan de interne adviesgroepen te ondersteunen;

Gemeenschappelijke uitvoeringsverordening

109.  beveelt aan in te zetten op een beter gebruik van de geharmoniseerde regels middels gemeenschappelijke oproepen tot het indienen van voorstellen, en op verbeterde samenwerking binnen en tussen de diensten van de Commissie en de EDEO;

110.  dringt erop aan dat gendermainstreaming wordt opgenomen in de bepalingen van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening;

111.  dringt erop aan dat nog meer inspanningen worden geleverd om de EU-financiering van extern beleid zichtbaar te maken door middel van een uitgebreide en coherente communicatiestrategie die maatregelen omvat om desinformatie aan te pakken; dringt aan op invoering van conditionaliteitsmechanismen ten opzichte van uitvoerende partners indien maatregelen om de zichtbaarheid van de EU te vergroten niet worden nageleefd;

112.  herinnert aan het cruciale belang van de beginselen inzake ontwikkeling en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in het externe optreden zoals aangegeven in de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening, en roept de Commissie op om deze beginselen te behouden in alle maatregelen die zij zal nemen naar aanleiding van het tussentijdse verslag;

113.  merkt op dat, met betrekking tot de toegang tot de externe financieringsinstrumenten, rekening gehouden moet worden met kmo's in de EU, via minder complexe en aantrekkelijkere wetgeving, wat een flexibeler gebruik van de fondsen kan faciliteren en tegelijkertijd kmo's kan helpen om internationale ervaring op te doen; verzoekt de Commissie de bestaande instrumenten ter bevordering van de internationalisering van kmo's te beoordelen op hun coherentie met andere instrumenten van de Unie om kmo's te ondersteunen, zoals COSME, alsook wat betreft subsidiariteit, niet-duplicatie en complementariteit met de programma's van de lidstaten; vraagt de Commissie om tijdig voorstellen te doen voor de tussentijdse beoordeling van deze programma's met het oog op de verbetering van hun efficiëntie en effectiviteit; benadrukt dat kmo's betere informatie moeten krijgen en bewust gemaakt moeten worden over de bestaande instrumenten, vooral op nationaal niveau;

De architectuur voor de periode na 2020

114.  dringt erop aan dat de terbeschikkingstelling van fondsen voor instrumenten voor externe betrekkingen een ambitieus extern optreden weerspiegelt en dat de begroting van de EU als mondiale speler wordt opgetrokken, maar blijft stoelen op waarden en fundamentele mensenrechten en beginselen; herhaalt dat het externe optreden van de EU ook de algemene belangen van de burgers van de EU dient;

115.  onderstreept dat indien het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie, het huidige percentage van de begroting dat bestemd is voor extern optreden verhoogd of ten minste op het huidige niveau gehandhaafd moet worden, en dat hetzelfde geldt voor bestaande instrumenten, beleidsmaatregelen en prioriteiten;

116.  herhaalt dat er een hervorming van de huidige architectuur van de instrumenten nodig is om voor grotere verantwoordingsplicht, transparantie en publiek toezicht te zorgen, waarmee tevens de efficiëntie, coherentie en het reactievermogen alsmede de doeltreffendheid en flexibiliteit worden vergroot; is van mening dat een hervorming tevens de kosten-batenverhouding ten goede komt, helpt om overlappingen en belangenconflicten tussen verschillende actoren en de diensten van de Commissie terug te dringen, en ertoe bijdraagt dat de uitdagingen die zich voordoen bij strategie, programmering en tenuitvoerlegging aangepakt kunnen worden;

117.  herinnert aan de essentiële rol van het Parlement als medewetgever bij de verordening voor het volgende MFK; wijst andermaal op zijn bereidheid om samen met de Commissie, de EDEO en de Raad te werken aan optimalisering van de architectuur van de instrumenten voor externe financiering; onderstreept evenwel dat grotere transparantie, verantwoordingsplicht, efficiëntie, coherentie en flexibiliteit het doel van een eventuele herstructurering zouden moeten zijn; benadrukt dat deze doelstellingen niet kunnen worden bereikt zonder een governancestructuur die politieke controle mogelijk maakt, op een strategie berust, inclusief is en tevens verantwoordingsplichtig; onderstreept dat het Parlement niet akkoord zal gaan met een hervorming van de instrumenten als er geen sprake is van een solide governancestructuur; verzoekt de Commissie en de EDEO een plan voor de hervorming van de instrumenten voor te leggen dat een dergelijke governancestructuur omvat; onderstreept dat er discrepanties bestaan tussen de uitkomsten van de tussentijdse evaluatie en de voorstellen van de Commissie tot hervorming van de huidige structuur; onderstreept voorts dat een robuuste democratische en transparante toetsing door nationale parlementen en het Europees Parlement moet zijn gewaarborgd;

118.  dringt aan op een betere integratie van de trustfondsen en faciliteiten van de EU in de begroting om de transparantie en de democratische toetsing van de EFI's te vergroten; wijst op het akkoord dat in het kader van de jongste herziening van het Financieel Reglement is bereikt om het Parlement en de Raad te raadplegen voordat er een nieuw trustfonds voor thematische acties wordt opgezet; doet bovendien een beroep op de Commissie om het Parlement gedetailleerde informatie te verstrekken over elke significante autonome overschrijving of vrijmaking in het raam van rubriek 4;

119.  benadrukt dat de EU-delegaties, samen met de lidstaten, kmo's kunnen helpen om deze financiële instrumenten te gebruiken, teneinde betrekkingen op middellange termijn te creëren tussen bedrijven in de EU en de economieën van de ontvangende landen;

120.  beklemtoont dat geen enkel instrument levensvatbaar is zonder de terbeschikkingstelling van nauwkeurig afgebakende en specifieke bedragen en kredieten voor de verschillende doelen, doelstellingen en prioriteiten van het extern optreden van de EU, waaronder democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat, steun voor het maatschappelijk middenveld, de oplossing van conflicten, fragiele staten, het ontwikkelingsbeleid en armoedebestrijding, economische en sociale ontwikkeling, en steun voor de landen die zich in de verschillende stadia van toetreding tot de EU bevinden, alsook voor de nabuurschapslanden van de EU;

121.  waardeert het engagement van de Commissie op het gebied van onder meer mensenrechten, democratie en steun voor het maatschappelijk middenveld, alsook de diverse doelstellingen, streefdoelen en de specifieke politieke en strategische waarde van de huidige instrumenten; onderstreept dat een hervorming niet ten koste mag gaan van de beleidsdoelstellingen van elk instrument; is zich bewust van het specifieke karakter van de doelstellingen en de uitvoering van het ENI, het IPS II en het EIDHR, en is derhalve van mening dat deze instrumenten uit politieke en strategische overwegingen onafhankelijk moeten blijven;

122.  herinnert eraan dat het EIDHR sinds 2006 concreet uitdrukking geeft aan de vastbeslotenheid van de EU om democratie en mensenrechten in derde landen te ondersteunen en te bevorderen, waarbij de EU dankzij het EIDHR heeft kunnen ingrijpen zonder tussenkomst van regeringen, ten behoeve van geregistreerde en niet‑geregistreerde ngo's en op terreinen waarop de EU-lidstaten niet altijd actief zijn;

123.  beklemtoont dat gemeenschappelijke doelstellingen moeten worden vastgesteld, waaronder de noodzaak om een op rechten gebaseerde aanpak te hanteren en mensenrechten in alle overige onderwerpen op te nemen, en zo uitdrukking te geven aan artikel 21 VEU, op grond waarvan de EU verplicht is democratie, mensenrechten en de rechtsstaat als noodzakelijke doelstellingen van het buitenlands beleid te consolideren;

124.  spoort de EDEO en de Commissie aan te zorgen voor duidelijke communicatie naar de partnerlanden wat eventuele hervormingen betreft;

125.  dringt aan op het opzetten van solide en consistente procedures voor evaluatie en monitoring aan de hand waarvan een kwalitatieve en kwantitatieve evaluatie en analyse mogelijk zijn en de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen – met gebruikmaking van steun van de EU uit verschillende instrumenten – kan worden vastgesteld;

126.  benadrukt dat langetermijnfinanciering voorspelbaar moet zijn, waarbij tevens vaste bedragen voor flexibel gebruik moeten worden voorzien; herhaalt dat flexibiliteit vereist dat het mogelijk is om financiële middelen tussen doelstellingen over te hevelen; herinnert eraan dat de middelen die voor doelstellingen van het externe optreden gereserveerd zijn, nu niet naar andere doelstellingen, zoals het beheer van migratiestromen en interne veiligheid, kunnen worden overgeheveld; benadrukt dat de mogelijkheid moet worden ingevoerd om niet-toegewezen middelen over te dragen binnen de totale begroting van het instrument voor extern optreden binnen het maximum van 10 % van de oorspronkelijke kredieten voor het instrument, waarbij deze middelen worden aangewend voor flexibele en/of urgente maatregelen, en de beleidsdoelstellingen van het instrument gehandhaafd blijven;

127.  benadrukt dat de toewijzing van steun aan landen niet afhankelijk mag zijn van migratiedeals met de EU en dat financiering niet mag worden weggeleid van arme landen en regio's naar de landen van herkomst van de migranten of de landen van doorvoer naar Europa, louter omdat zij aan de migratieroute liggen;

128.  herinnert aan de moeilijkheden die begunstigden op dit moment ondervinden om onder de instrumenten financiële ondersteuning te krijgen; dringt aan op vereenvoudiging van de procedures, vermindering van administratieve lasten en waar mogelijk de invoering van één enkele procedure voor de diverse betrokken diensten van de Commissie en de EDEO, alsmede de oprichting van één loket voor organisaties die EU-financiering willen aanvragen, en het gebruik – waar mogelijk – van digitale oplossingen voor het stroomlijnen van de procedures en het terugdringen van de bureaucratie, hetgeen echter niet ten koste mag gaan van begrotingstoezicht, traceerbaarheid en controle;

129.  beklemtoont dat alle diensten van de Commissie en de EDEO goed moeten samenwerken, teneinde de financiering van het extern beleid van de EU minder instrumentgericht te maken en discrepanties, incoherentie, onnodige kosten, overlappingen en een verspilling van knowhow tegen te gaan, en te komen tot verwezenlijking van de doelen en doelstellingen van het extern beleid van de EU in het algemeen;

130.  wijst met klem op de noodzaak van een meer strategische oriëntering en de ontwikkeling van een alomvattende strategie en begeleidende documenten, gezamenlijk ontwikkeld en onderschreven door alle relevante diensten van de Commissie en de EDEO, en beheerd en gemonitord door de governancestructuur die nog moet worden gecreëerd, met de doelen en doelstellingen van het extern optreden van de EU voor de komende periode, én richtsnoeren betreffende de manier waarop het instrument zal worden ingezet om deze te verwezenlijken; dringt aan op gebruik van zowel interne als externe expertise bij het vaststellen van dergelijke doelen en doelstellingen; beveelt aan dat alle programmering conflictsensitiviteitsanalyses, politiek-economische analyses en risicobeoordelingen omvat, alsook verzachtende maatregelen die op flexibele wijze kunnen worden ingezet indien zulke risico's optreden;

131.  dringt erop aan naar manieren te zoeken om de coördinatie en coherentie met het externefinancieringsbeleid van de EU-lidstaten te verbeteren, onder meer via uitbreiding van de gezamenlijke programmering;

132.  dringt aan op uitbreiding van de financieringsmogelijkheden voor ngo's door de mogelijkheden voor medefinanciering te verduidelijken en uit te breiden, door meerjarige partnerschappen mogelijk te maken en door de duurzaamheid van de activiteiten te waarborgen;

133.  vindt dat er strengere regels voor een snelle besluitvorming moeten komen, teneinde de EU in staat te stellen sneller op nieuwe situaties te reageren;

134.  onderstreept hoe belangrijk het is om de zichtbaarheid en de bekendheid van het externe optreden van de EU te vergroten, onder meer via het inzetten van de task force strategische communicatie van de EU, en om de wereldwijde invloed van het externe optreden te vergroten; is van mening dat dit moet worden beschouwd als een beleidsdoelstelling; beklemtoont er dringend behoefte is aan landen- en/of regiospecifieke strategische communicatie in de EU-delegaties, evenals aan een aanzienlijk ruimere coördinatie en uitwisseling van informatie tussen EU-delegaties en lidstaten;

135.  beklemtoont dat de EU‑delegaties een centrale rol spelen bij plaatselijke programmering, het uitoefenen van toezicht op de programma's, en de uiteindelijke uitbetaling van de middelen, alsook bij de identificatie van begunstigden, met name in het geval van mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld in gevoelige gebieden; herhaalt dat de EU‑delegaties vanwege hun activiteiten en status in derde landen niet als enige verantwoordelijk mogen zijn voor financieringsbeslissingen;

136.  benadrukt dat het maatschappelijk middenveld van de landen in kwestie nauw moeten worden betrokken bij de programmering van instrumenten en dat deze in sterkere mate gebaseerd moet zijn op gedecentraliseerde samenwerking, zowel bij het ontwerp als bij de uitrol en tenuitvoerlegging van de programmering, zodat er solide en duurzame partnerschappen ontstaan, wordt voorzien in de specifieke behoeften van de bevolking en rekening wordt gehouden met de maatschappelijke realiteit van de betrokkenen;

137.  herinnert eraan dat politieke doelen en doelstellingen van de EU, zoals mensenrechten, de rechtsstaat en ontwikkeling, in sommige gevallen meer gebaat zijn bij de verstrekking van meerdere kleinere subsidies aan basisorganisaties dan bij één groot bedrag voor één enkele begunstigde;

138.  onderstreept het belang van het beginsel van 'meer voor meer' en conditionaliteit; is van mening dat er betere conditionaliteitsmechanismen moeten worden ontwikkeld in het kader waarvan directe begrotingssteun aan staten of regeringsorganen en niet-statelijke actoren kan worden opgeschort of waar mogelijk omgebogen naar het maatschappelijk middenveld indien deze instanties niet instemmen met of zich niet houden aan de noodzaak om de overeengekomen doelstellingen van de financiering te halen, of indien zij de beginselen van de rechtsstaat en/of de mensenrechten niet eerbiedigen;

139.  verlangt bij het gebruik van ontwikkelingshulp als hefboom voor particuliere investeringen transparantie, verantwoordingsplicht, controle, ontwikkelingsadditionaliteit, de eerbiediging van de beginselen inzake ontwikkeling en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en sterke waarborgen op het vlak van mensenrechten, milieu en sociale kwesties;

140.  vraagt de Commissie te overwegen om via de externe financieringsinstrumenten fondsen te oormerken voor samenwerking met en technische ondersteuning voor derde landen, met name ontwikkelingslanden, om lidmaatschap van het Wassenaar Arrangement, de Australia Group, het Controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie en ‑onderdelen en de Groep van Nucleaire Exportlanden te bevorderen en om schendingen van de mensenrechten met betrekking tot de lopende herschikking van de verordening inzake tweeërlei gebruik te vermijden;

141.  beklemtoont dat elke toekomstige structuur alleen goed kan functioneren indien er sprake is van goede 'checks and balances', transparantie, het recht van toezicht op de tenuitvoerlegging, waaronder een grotere strategische beleidsinput en toetsing van de uitvoering door het Parlement, het gebruik van gedelegeerde handelingen voor het herzien van de thematische prioriteiten, indien deze opgenomen zijn in bijlagen bij wetgevingshandelingen, en van de vaststelling van substantiële bijkomende elementen zoals strategische en meerjarige programmeringsdocumenten;

142.  is van mening dat de begrotingsbeginselen van eerlijkheid en eenheid in de generatie EFI's van na 2020 geëerbiedigd moeten worden;

143.  is van oordeel dat de processen van tussentijdse herziening en begrotingscontrole strikt en transparant genoeg moeten zijn om te zorgen voor een maximale absorptie van middelen en om passende wijzigingen te kunnen doorvoeren om de absorptiecapaciteit indien nodig te vergroten.

o
o   o

144.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid en de Raad.

(1) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27.
(2) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11.
(3) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1.
(4) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.
(5) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 77.
(6) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85.
(7) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.
(8) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 95.
(9) PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30.
(10) PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) Zie verslag A8-0211/2017.
(13) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(14) PB C 407 van 8.12.2015, blz. 8.
(15) PB C 60 van 16.2.2016, blz. 3.
(16) PB C 122 van 19.4.2017, blz. 4.
(17) Gepubliceerd op de website van de Commissie: https://ec.europa.eu/europeaid/public-consultation-external-financing-instruments-european-union_en
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0026.
(20) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 109.
(21) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 21.
(22) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 110.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0440.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0306.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0036.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0037.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0094.
(28) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0262.
(29) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0263.
(30) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0261.
(31) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 25.
(32) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0408.
(33) https://eeas.europa.eu/archives/docs/top_stories/pdf/eugs_review_web.pdf


Jaarverslagen 2015-2016 over subsidiariteit en evenredigheid
PDF 252kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de Jaarverslagen 2015‑2016 over subsidiariteit en evenredigheid (2017/2010(INI))
P8_TA(2018)0120A8-0141/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven, en de meest recente versie daarvan, het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(1),

–  gezien de praktische regelingen die zijn overeengekomen op 22 juli 2011 tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bij akkoorden in eerste lezing,

–  gezien zijn resolutie van 17 mei 2017 over het jaarverslag 2014 over subsidiariteit en evenredigheid(2) en zijn resolutie van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid(3),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie van 2015 over subsidiariteit en evenredigheid (COM(2016)0469) en het jaarverslag van de Commissie van 2016 over subsidiariteit en evenredigheid (COM(2017)0600),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie van 2015 over de betrekkingen tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen (COM(2016)0471) en het jaarverslag van de Commissie van 2016 over de betrekkingen tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen (COM(2017)0601),

–  gezien alle eerdere mededelingen van de Commissie over de behoefte aan betere regelgeving teneinde betere resultaten te bereiken ten gunste van de EU-burgers,

–  gezien het besluit van de voorzitter van de Europese Commissie van 14 november 2017 over de oprichting van een taskforce subsidiariteit, evenredigheid en "minder, maar efficiënter" (C(2017)7810),

–  gezien de halfjaarlijkse verslagen van COSAC van 19 juni 2014, 14 november 2014, 6 mei 2015, 4 november 2015, 18 mei 2016, 18 oktober 2016 en 3 mei 2017 over de ontwikkelingen in de Europese Unie van de procedures en praktijken in verband met parlementaire controle,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst van 5 februari 2014 tussen het Parlement en het Comité van de Regio's,

–  gezien het jaarverslag 2015 van het Comité van de Regio's over subsidiariteit,

–  gezien artikel 52 en artikel 132 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8‑0141/2018),

A.  overwegende dat 2015 en 2016 de twee eerste volle jaren waren van de Commissie Juncker, die in november 2014 aantrad; overwegende dat voorzitter Juncker zich ertoe heeft verbonden om subsidiariteit een centrale plaats te geven in het Europese democratische proces en ervoor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid volledig worden nageleefd in het wetgevingsproces;

B.  overwegende dat het nieuwe interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 "Beter wetgeven" een engagement van de drie instellingen om de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen bevat;

C.  overwegende dat de Commissie in 2015 acht gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake drie van haar wetgevingsvoorstellen; overwegende dat de Commissie in dat jaar in totaal 350 adviezen heeft ontvangen;

D.  overwegende dat de Commissie in 2016 65 gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake 26 van haar wetgevingsvoorstellen; overwegende dat dit 713 % meer bedraagt dan de acht in 2015 ontvangen gemotiveerde adviezen en het op twee kalenderjaren na hoogste aantal is sinds het subsidiariteitscontrolemechanisme in 2009 bij het Verdrag van Lissabon is ingevoerd (in 2012 en 2013 waren het er 84 respectievelijk 70); overwegende dat het totale aantal in dat jaar door de Commissie ontvangen adviezen aanzienlijk is toegenomen tot 620;

E.  overwegende dat de Commissie op 19 mei 2015 een pakket maatregelen inzake betere regelgeving met nieuwe geïntegreerde richtsnoeren inzake betere regelgeving heeft aangenomen, inclusief bijgewerkte richtsnoeren voor het beoordelen van subsidiariteit en evenredigheid in de context van effectbeoordelingen voor nieuwe initiatieven;

F.  overwegende dat de Commissie in 2015 de website "Verminder de regeldruk! – Laat uw stem horen!"(4) heeft opgericht alsook het Refit-platform (voor doeltreffende en doelmatige regulering), waardoor belanghebbenden meer mogelijkheden hebben om de Commissie in kennis te stellen van tekortkomingen met betrekking tot bestaande wettelijke maatregelen, waaronder kwesties in verband met subsidiariteit en/of evenredigheid;

G.  overwegende dat de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement in 2015 13 eerste analyses, één effectbeoordeling met betrekking tot ingrijpende amendementen van het Parlement en zes effectbeoordelingen achteraf heeft opgesteld; overwegende dat de Onderzoeksdienst voorts vier verslagen over de kosten van een niet‑verenigd Europa en twee beoordelingen van de Europese meerwaarde heeft opgesteld; overwegende dat de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement in 2016 36 eerste analyses, één effectbeoordeling met betrekking tot ingrijpende amendementen van het Parlement en 14 effectbeoordelingen achteraf heeft opgesteld; overwegende dat de Onderzoeksdienst voorts zeven verslagen over de kosten van een niet‑verenigd Europa en vijf beoordelingen van de Europese meerwaarde heeft opgesteld;

H.  overwegende dat in de wetgeving van de Unie gedelegeerde bevoegdheden worden toegekend waar flexibiliteit en efficiëntie zijn geboden die de gewone wetgevingsprocedure niet kan bieden; overwegende dat uitvaardiging van regels die voor het te regelen onderwerp essentieel zijn, aan de wetgevers blijft voorbehouden;

I.  overwegende dat subsidiariteit en evenredigheid ook zeer belangrijke overwegingen zijn bij effectbeoordelingen en evaluaties achteraf, waarbij wordt onderzocht of het EU‑optreden noodzakelijk is, de beoogde resultaten met andere middelen kunnen worden bereikt en of het EU-optreden daadwerkelijk voor de beoogde resultaten in termen van efficiëntie, doeltreffendheid, coherentie, relevantie en Europese meerwaarde zorgt;

J.  overwegende dat in 2014 drie nationale volksvertegenwoordigingen (de Deense Folketing, de Nederlandse Tweede Kamer en het Britse House of Lords) verslagen hebben uitgebracht met gedetailleerde voorstellen over hoe de rol van de nationale parlementen in het besluitvormingsproces kon worden versterkt;

1.  hecht groot belang aan de jaarverslagen van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid; stelt vast dat de jaarverslagen 2015 en 2016 van de Commissie veel gedetailleerder en completer zijn dan die over voorgaande jaren;

2.  benadrukt dat het belangrijk is dat de Europese Unie alleen optreedt wanneer dit een toegevoegde waarde kan geven om het "democratisch tekort" te verminderen;

3.  onderstreept dat subsidiariteit en evenredigheid fundamentele beginselen zijn waarmee de EU-instellingen rekening moeten houden bij de uitoefening van EU-bevoegdheden om ervoor te zorgen dat de acties van de Unie meerwaarde bieden; herinnert eraan dat deze beginselen bedoeld zijn om de werking van de Unie te versterken door ervoor te zorgen dat maatregelen op EU-niveau noodzakelijk zijn, dat hun doelstellingen niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door individueel optreden van de lidstaten, dat hun aard en inhoud niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken en dat zij altijd op het meest adequate bestuursniveau worden getroffen; vestigt de aandacht op het feit dat deze beginselen kunnen worden misbruikt ten behoeve van anti‑EU-doeleinden en benadrukt dat de EU-instellingen ervoor moeten zorgen dat dit niet gebeurt en hiertegen in moeten gaan;

4.  herinnert eraan dat subsidiariteit een grondbeginsel van federale systemen is, alsook een onbepaald juridisch begrip, dat bijgevolg een politieke invulling moet krijgen;

5.  is van oordeel dat het subsidiariteitsbeginsel niet kan worden gebruikt voor een restrictieve interpretatie van de bevoegdheden die de Unie krachtens de Verdragen zijn toegekend;

6.  is van mening dat iedere discussie over subsidiariteit en de controle daarvan moet plaatsvinden in het kader van de groeiende wens van burgers dat de Unie oplossingen biedt voor grote wereldwijde uitdagingen, zoals intercontinentale geldstromen, veiligheid, migratie en de klimaatverandering;

7.  is ingenomen met de verwijzing naar subsidiariteit in de Verklaring van Rome van 25 maart 2017; is van mening dat subsidiariteit een prominente plaats moet innemen in de discussie over de toekomst van de EU;

8.  neemt kennis van het in de rede over de staat van de Unie 2017 door de heer Jean‑Claude Juncker, voorzitter van de Commissie, aangekondigde initiatief om een taskforce in het leven te roepen voor subsidiariteit, evenredigheid en "minder, maar efficiënter" onder voorzitterschap van vicevoorzitter Frans Timmermans; herinnert eraan dat het Parlement van mening was dat de deelname aan de door de Commissie opgerichte taskforce in zou druisen tegen de institutionele rol en status van het Parlement als de enige rechtstreeks gekozen instelling van de Europese Unie, die de burgers op het niveau van de Unie vertegenwoordigt en functies van politieke controle uitoefent op de Commissie, en dat het Parlement derhalve heeft besloten de uitnodiging om deelname aan de taskforce af te wijzen;

9.  wijst op de methodologie van de Commissie in de jaarverslagen 2015 en 2016, waarin gebruik wordt gemaakt van statistieken om gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen inzake een pakket voorstellen te rubriceren als één gemotiveerd advies, in plaats van als een gemotiveerd advies inzake ieder voorstel afzonderlijk;

10.  stelt vast dat het aantal in 2016 door nationale parlementen ingediende gemotiveerde adviezen (65) het op twee kalenderjaren na hoogste aantal is sinds de invoering van het subsidiariteitscontrolemechanisme in het Verdrag van Lissabon; constateert de sterke stijging (+713 %) in vergelijking met de acht gemotiveerde adviezen ontvangen in 2015; erkent voorts de aanzienlijke stijging, van 350 tot 620, van het aantal door de Commissie ontvangen adviezen in het kader van de politieke dialoog; wijst erop dat deze trends naar voren zijn gekomen tegen de achtergrond van een daling van de wetgevende activiteit, wat ook aantoont dat de deelname van de nationale parlementen is geëvolueerd in vergelijking met eerdere jaren; is ingenomen met de duidelijk gebleken belangstelling van de nationale parlementen voor de besluitvorming van de EU;

11.  is ingenomen met het feit dat meer nationale kamers een gemotiveerd advies hebben uitgebracht (26 van de 41 in 2016, tegen 8 in 2015); neemt nota van het aanzienlijke verschil tussen de kamers actief in het kader van de politieke dialoog en gemotiveerde adviezen; benadrukt dat de nationale parlementen meer belangstelling blijven hebben voor het beïnvloeden van de inhoud van de EU-wetgeving dan voor het identificeren van gevallen waarin de subsidiariteit een probleem kan zijn; merkt op dat de bevoegdheid van de nationale parlementen om toezicht te houden op de eerbiediging van de beginselen van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid ook een recht omvat om de Europese wetgever te vragen om waar nodig op Europees niveau op te treden;

12.  erkent het werk dat door de Raad voor effectbeoordeling en diens opvolger de Raad voor regelgevingstoetsing per juli 2015 is verricht; stelt vast dat de Raad voor effectbeoordeling en de Raad voor regelgevingstoetsing van oordeel waren dat voor 23 % van de in 2015 getoetste effectbeoordelingen verbeteringen nodig waren voor wat betreft het subsidiariteits- en/of het evenredigheidsbeginsel; stelt vast dat voor 2016 het percentage effectbeoordelingen dat door de Raad voor regelgevingstoetsing onbevredigend werd bevonden, uitkwam op 15 %; is verheugd over het feit dat deze percentages zijn gedaald ten opzichte van voorgaande jaren; onderstreept dat de Commissie alle effectbeoordelingen in kwestie heeft herzien met inachtneming van de analyses van de Raad voor regelgevingstoetsing;

13.  merkt op dat de toepassing van de agenda voor betere wetgeving de Commissie ertoe heeft gebracht sterkere interne instrumenten en procedures te ontwikkelen om inbreuken op het subsidiariteitsbeginsel te voorkomen; benadrukt dat effectbeoordelingen een belangrijk middel zijn om ervoor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden nageleefd en om de verantwoordingsplicht te bevorderen; wijst met name op de rol van de Raad voor regelgevingstoetsing, en is verheugd dat subsidiariteit en evenredigheid nu deel uitmaken van de kwaliteitscontrole die deze raad uitvoert; benadrukt niettemin dat de onafhankelijkheid van de Raad voor regelgevingstoetsing verder kan worden versterkt;

14.  is ingenomen met de vaststelling in mei 2015 door de Commissie van een pakket voor betere regelgeving dat ervoor zal zorgen dat de EU-wetgeving het algemeen belang doeltreffender dient en dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid op een meer omvattende wijze zullen worden toegepast, wat op zijn beurt zal bijdragen aan een hogere mate van transparantie van de besluitvorming van de EU; is van oordeel dat het nieuwe regelgevingskader voor de Europese Unie een instrument zal zijn om volledig conform de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te handelen; benadrukt, niettegenstaande het bovenstaande, dat het in tests moet voorzien voor de beoordeling van de naleving van deze beginselen om ervoor te zorgen dat de Unie alleen optreedt wanneer ze een toegevoegde waarde brengt, maar geen aanleiding mag geven tot onnodige vertraging bij de goedkeuring van de relevante wetgeving;

15.  is ingenomen met de publicatie van de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017, getiteld "Voltooiing van de agenda voor betere regelgeving: betere oplossingen voor betere resultaten", waarin de Commissie haar inspanningen uiteenzet ter verhoging van de transparantie, legitimiteit en verantwoording voor haar werkzaamheden op het vlak van betere regelgeving, in het bijzonder wat betreft de raadplegingsprocedure en de mogelijkheden voor belanghebbenden om hun mening over haar voorstellen te geven;

16.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2015 ook nieuwe mechanismen heeft ingevoerd voor raadpleging en terugkoppeling inzake nieuwe beleidsinitiatieven;

17.  onderstreept hoe belangrijk het is om de noodzaak van wetgevingsinitiatieven en de effecten daarvan op alle belangrijke sectoren (economische, milieu- en sociale effecten) voldoende toe te lichten met het oog op inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

18.  steunt de toezegging van de Commissie om eerst te evalueren alvorens potentiële wetgevingswijzigingen in overweging te nemen; is in dit verband van oordeel dat de Europese Unie en de autoriteiten van de lidstaten nauw moeten samenwerken om te zorgen voor een betere controle, meting en evaluatie van de daadwerkelijke impact van EU-regelgeving op burgers, de economie, sociale structuur en het milieu;

19.  is verheugd over de ondertekening door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in 2016 van een nieuw Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven; herinnert eraan dat de Commissie verplicht is in haar toelichtingen uit te leggen hoe haar voorstellen gerechtvaardigd zijn in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; is verheugd over het feit dat de Commissie zich er op grond van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" toe heeft verbonden de effectbeoordelingen van haar wetgevings- en niet‑wetgevingsvoorstellen aan de nationale parlementen ter beschikking te stellen; herinnert eraan dat in dit akkoord ook de nadruk werd gelegd op de noodzaak van meer transparantie in de wetgevingsprocedure, alsook dat de informatie die aan de nationale parlementen wordt verstrekt hen in staat moet stellen om hun prerogatieven krachtens de verdragen volledig uit te oefenen;

20.  verzoekt de nationale parlementen van meet af aan duidelijk aan te geven dat hun advies een gemotiveerd advies is in de zin van Protocol nr. 2 bij de Verdragen en het wetgevingsvoorstel/de wetgevingsvoorstellen waarop het betrekking heeft, duidelijk de redenen aan te geven waarom het van mening is dat het voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, een korte samenvatting van de argumentatie bij te voegen en de termijn van acht weken vanaf de datum van toezending van de desbetreffende ontwerpwetgevingshandeling in acht te nemen; merkt op dat dit een tijdige en adequate behandeling van gemotiveerde adviezen door alle betrokken instellingen zal vergemakkelijken;

21.  is van oordeel dat de betrokkenheid van de nationale parlementen bij Europese wetgevingsprocedures sinds de vaststelling van het Verdrag van Lissabon aanzienlijk is toegenomen, onder meer door hun contacten met andere nationale parlementen; spoort de nationale parlementen aan de interparlementaire contacten voort te zetten en verder uit te breiden, ook op een bilaterale basis, als een manier om de samenwerking tussen de lidstaten te versterken en dit te doen met een democratische Europese visie, waar de Unie meerwaarde kan bieden, en in een geest van solidariteit, op basis van de rechtsstaat en de grondrechten; onderstreept dat deze contacten een uitwisseling van beste praktijken betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel kunnen vergemakkelijken;

22.  is ingenomen met het feit dat met betrekking tot de subsidiariteits- en evenredigheidsmechanismen het Parlement steeds meer en steeds vaker de rol speelt van gesprekspartner van en tussenpersoon tussen de nationale parlementen; is van mening dat het verbeteren van de dialoog op politiek niveau met de nationale parlementen een middel kan zijn om subsidiariteits- en evenredigheidscontroles te rationaliseren door een betere behandeling van de inhoudelijke kant van wetgevingsvoorstellen;

23.  wijst erop dat in 2016 14 kamers van 11 nationale parlementen gemotiveerde adviezen hebben ingediend inzake het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (COM(2016)0128, waarmee de drempel van een derde van alle stemmen werd bereikt als vereist in artikel 7, lid 2, van Protocol nr. 2 bij de Verdragen om de zogenaamde gelekaartprocedure te starten; wijst erop dat de door de nationale parlementen naar voren gebrachte argumenten uitvoerig in het Parlement met de Commissie zijn besproken; merkt op dat de Commissie in het kader van COSAC de dialoog met de nationale parlementen is aangegaan; merkt op dat de Commissie een mededeling heeft uitgebracht waarin zij uitgebreid is ingegaan op de redenen om het voorstel te handhaven(5); is van oordeel dat de Commissie, ondanks de bezorgdheid van sommige nationale parlementen, met de daarin uiteengezette redenen haar verplichting om haar besluit te onderbouwen is nagekomen;

24.  stelt vast dat ten aanzien van bovengenoemd Commissievoorstel zeven nationale kamers in het kader van de politieke dialoog, adviezen hebben gestuurd waarin het voorstel voornamelijk als zijnde verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel werd beschouwd; merkt op dat de deskundigengroep subsidiariteit van het Comité van de Regio's van oordeel was dat het doel van het voorstel beter op EU-niveau kan worden bereikt;

25.  herinnert eraan dat de gelekaartprocedure in het verleden tweemaal (eenmaal in 2012 en eenmaal in 2013) op gang is gebracht waaruit blijkt dat het systeem met deze nieuwe gelekaartprocedure werkt en dat nationale parlementen gemakkelijk en tijdig kunnen deelnemen aan het subsidiariteitsdebat, indien zij zulks wensen; is in ieder geval van mening dat het groeiende bewustzijn van de rol van de nationale parlementen en een betere samenwerking daartussen het subsidiariteitstoezicht ex ante kan verbeteren;

26.  herinnert eraan dat de Europese instellingen overeenkomstig artikel 7 van Protocol nr. 2 bij de Verdragen rekening dienen te houden met de gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen of van een kamer van een nationaal parlement; wijst erop dat sommige nationale parlementen in het verleden hun teleurstelling hebben geuit over de antwoorden van de Commissie in de gevallen waarin gele kaarten zijn gegeven; merkt echter op dat de Commissie procedures heeft ingevoerd om ervoor te zorgen dat de nationale parlementen tijdig substantiële en politieke antwoorden krijgen; verzoekt de Commissie haar antwoorden op gemotiveerde adviezen stelselmatig aan het Europees Parlement toe te zenden;

27.  neemt kennis van de door sommige parlementen voorgestelde veranderingen van het subsidiariteitscontrolemechanisme; is verheugd over de conclusie van COSAC dat voor verbetering van het subsidiariteitscontrolemechanisme geen wijzigingen van het Verdrag nodig zullen zijn; merkt op dat voor verlenging van de termijn van acht weken waarbinnen nationale parlementen een gemotiveerd advies kunnen uitbrengen wijziging van de Verdragen en de Protocollen daarbij noodzakelijk zal zijn; herinnert aan de context van de brief van 1 december 2009 over de praktische regelingen voor de toepassing van het subsidiariteitscontrolemechanisme, die de voorzitter en de vicevoorzitter van de Commissie aan de voorzitters van de nationale parlementen hebben gestuurd, waarin de Commissie verklaarde dat de maand augustus niet zou worden meegerekend bij de bepaling van de in Protocol nr. 2 vermelde deadline, om zo rekening te houden met de zomerrecessen van de nationale parlementen; herinnert aan het voorstel van sommige nationale parlementen aan de Commissie om ook te overwegen het reces in december van de nationale parlementen uit te sluiten van de berekening van de termijn van acht weken;

28.  benadrukt dat voor de vaststelling van rechtshandelingen een grote meerderheid in de Raad – samengesteld uit de nationale ministers van alle lidstaten, die politieke verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationale parlementen – vereist is;

29.  merkt op dat verscheidene instrumenten om het de nationale parlementen mogelijk te maken het wetgevingsproces stap voor stap te volgen en aan de hand waarvan kan worden toegezien op de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, reeds bestaan; spoort er dan ook toe aan volledig gebruik te maken van deze bestaande instrumenten, indien mogelijk zonder nog meer complexe administratieve structuren en lange procedures in het leven te roepen in tijden waarin de Europese Unie alles in het werk stelt om beter door de burger te worden begrepen altijd met het oog op de eerbiediging en bescherming van hun rechten en belangen; vraagt de lidstaten om voorlichtingscampagnes en relevante seminars te organiseren, om burgers nauwkeurig te informeren over de mogelijkheden om deel te nemen aan elke fase van het wetgevingsproces;

30.  stelt voorop dat wetgeving volledig en duidelijk moet zijn, zodat partijen hun rechten en plichten kunnen begrijpen, en deugdelijke rapportage-, toezichts- en evaluatieverplichtingen moet omvatten, buitensporige kosten moet vermijden en praktisch moet zijn in de uitvoering;

31.  benadrukt dat de bevordering noodzakelijk is van toegang tot de effectbeoordelingen en stappenplannen van de Commissie, van deelname aan raadplegingen van het publiek/belanghebbenden door de Commissie en/of het Europees Parlement, en van suggesties via het Refit-platform "Verminder de regeldruk: suggesties"; wijst in deze context op de vlotte werking van de website en van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit), dat in 2016 in werking is getreden;

32.  wijst op de noodzaak om de bestaande samenwerkingsvormen te verbeteren en mogelijkheden te creëren om het IPEX-platform te verbeteren teneinde nationale parlementen bewuster te maken van hun rol bij de subsidiariteits- en evenredigheidscontrole, hen te helpen de informatie te verwerken die zij ontvangen in het kader van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, en hun samenwerking en coördinatie te verbeteren; spoort de nationale parlementen ertoe aan advies uit te brengen inzake Commissievoorstellen, die te allen tijde beschikbaar zijn voor raadpleging op de interne databank Connect; herinnert eraan dat alle informatie beschikbaar is op het REGPEX-platform;

33.  spoort de nationale en regionale parlementen ertoe aan hun betrekkingen met het Comité van de Regio's, dat een groep van 12 deskundigen heeft om de wetgevingsvoorstellen in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te analyseren, verder te ontwikkelen;

34.  is verheugd over de interesse van een aantal nationale parlementen om via het gebruik van de groenekaartprocedure een positievere en pro‑actievere rol in Europese aangelegenheden te spelen; stelt vast dat de meningen van de nationale parlementen over de modaliteiten van deze procedure verdeeld zijn; is van oordeel dat een op interparlementaire samenwerking gebaseerd informeel mechanisme kan bijdragen tot versterking van de politieke dialoog met de nationale parlementen;

35.  merkt in het licht van het voorafgaande op dat in 2015 20 parlementskamers het eerste groenekaartinitiatief betreffende voedselverspilling hebben medeondertekend of gesteund en dat in juli 2016 negen parlementskamers het tweede groenekaartinitiatief hebben medeondertekend in het kader waarvan de Commissie werd verzocht met een wetgevingsvoorstel te komen voor de tenuitvoerlegging van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen op Europees niveau; merkt op dat sommige suggesties in het kader van het eerste groenekaartinitiatief vervolgens zijn verwerkt in het herziene pakket circulaire economie dat de Commissie in december 2015 heeft goedgekeurd; constateert bijgevolg dat de nationale parlementen al een constructieve rol in het institutionele kader spelen en het vooralsnog niet nodig is nieuwe institutionele en administratieve structuren in het leven te roepen die het gehele proces alleen maar onnodig ingewikkeld maken;

36.  merkt op dat in 2016 sommige regionale parlementen de Commissie rechtstreeks in kennis hebben gesteld van hun adviezen inzake bepaalde Commissievoorstellen; stelt vast dat de Commissie deze standpunten waar passend in aanmerking heeft genomen; wijst erop dat het volgens artikel 6 van Protocol nr. 2 aan ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement is om in voorkomend geval de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid te raadplegen;

37.  neemt kennis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2015 en 2016 inzake subsidiariteit en evenredigheid; onderstreept dat het Hof heeft bepaald dat bij de beoordeling van de vraag of de Uniewetgever de motiveringsplicht voor wat betreft subsidiariteit heeft nageleefd niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen van de bestreden handeling, doch ook op de context en de omstandigheden van het geval, en dat de verstrekte informatie toereikend en te begrijpen moet zijn voor nationale parlementen, burgers en rechtbanken; onderstreept voorts dat met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel het Hof heeft bevestigd dat de Uniewetgever over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0210.
(3) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 33.
(4) http://ec.europa.eu/smart-regulation/refit/simplification/consultation/contributions_nl.htm
(5) Mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 betreffende het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de terbeschikkingstellingsrichtlijn wat het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig Protocol nr. 2 betreft (COM(2016)0505).


Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Commissie en uitvoerende agentschappen
PDF 856kWORD 128k
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie (2017/2136(DEC))
P8_TA(2018)0121A8-0137/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2016 (COM(2017)0351),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05940/2018 – C8-0042/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(6);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

2. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(7),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(8),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2016(9),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(10), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(11) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(12), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(13), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(14), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(15),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(16);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

3. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(17),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(18),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2016(19),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(20),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(21) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(22), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(23), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(24), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(25),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(26);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

4. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(27),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(28),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2016(29),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(30),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(31) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(32), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(33), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(34), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(35),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding" om te vormen tot het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding"(36),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(37);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

5. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(38),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(39),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2016(40),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(41),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(42) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(43), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(44), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(45), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/779/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(46),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(47);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

6. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(48),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(49),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2016(50),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(51),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(52) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(53), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(54), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(55), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(56),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(57);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

7. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(58),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(59),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2016(60),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(61),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(62) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(63), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(64), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(65), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(66),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(67);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

8. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(68),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(69),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2016 (COM(2017)0351),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(70), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(71) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05940/2018 – C8-0042/2018),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(72), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(73), en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(74);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

9. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de uitgaven van de Unie in aanzienlijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en gemiddeld 1,9 % van de overheidsuitgaven van de lidstaten vertegenwoordigen;

B.  overwegende dat het Parlement bij het verlenen van kwijting aan de Commissie controleert of de middelen correct zijn besteed en of de beleidsdoelstellingen zijn verwezenlijkt;

C.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

D.  overwegende dat de begrotingsbeginselen van eenheid, begrotingswaarachtigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, goed financieel beheer en transparantie moeten worden geëerbiedigd wanneer de begroting van de Unie ten uitvoer wordt gelegd;

E.  overwegende dat met de uitgaven uit de begroting van de Unie wordt beoogd de leefomstandigheden en de levenskwaliteit van haar burgers te verbeteren en de Unie derhalve de leemten in haar sociale beleid moet dichten;

F.  overwegende dat in de begroting van de Unie rekening moet worden gehouden met de uitvoering van een sociale pijler;

G.  overwegende dat het cohesiebeleid een bron van publieke investeringen is waarmee wordt beoogd een duidelijke toegevoegde waarde te leveren en de levenskwaliteit van burgers in de Unie te verbeteren;

Beleidsprioriteiten

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de beleidsdoelstellingen van de Unie, de financiële cycli, de zittingsperiode van het Parlement en de ambtstermijn van de Commissie op elkaar af te stemmen;

2.  verzoekt de Commissie om een tussentijdse evaluatie van de huidige financiële periode en een evaluatie van de vorige financiële perioden, om vast te stellen welke programma's geen duidelijke meerwaarde hebben gehad en vervolgens de uitgaven te analyseren;

3.  herinnert eraan dat de Commissie in haar voorstellen voor een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) rekening moet houden met het feit dat bepaalde beleidsterreinen, zoals cohesie en onderzoek, vaak berusten op programmering op langere termijn en meer tijd nodig hebben dan andere beleidsterreinen om hun beleidsdoelstellingen te verwezenlijken; onderstreept evenwel dat er voldoende flexibiliteit moet worden geboden voor noodsituaties;

4.  benadrukt dat de begroting van de Unie als gevolg van het initiatief voor een resultaatgerichte begroting moet worden ingediend overeenkomstig de beleidsdoelstellingen van de Unie voor het MFK; herinnert er, ook in het licht van het MFK voor de periode na 2020, aan dat de begroting van de Unie echte Europese toegevoegde waarde moet leveren en moet worden ingezet voor gemeenschappelijke Unie-doelstellingen ter bevordering van duurzame economische en sociale ontwikkeling in de hele Unie, die lidstaten alleen niet kunnen realiseren, en dat de begroting derhalve niet moet worden gezien als een nettobalans of iets dat alleen voordeel oplevert voor bepaalde lidstaten;

5.  merkt op dat er een onafhankelijk onthullings-, advies- en verwijzingsorgaan nodig is om klokkenluiders te helpen de juiste kanalen te gebruiken om informatie over mogelijke onregelmatigheden te onthullen en tegelijkertijd hun geheimhouding te beschermen en de nodige ondersteuning en advies te bieden;

6.  verzoekt de Commissie zich ertoe te verbinden de regelingen voor jonge landbouwers en vergroening voor het volgende MFK fundamenteel te herzien in het licht van de bevindingen van de Rekenkamer;

7.  vraagt de Commissie in haar prestatieverslagen beoordelingen op te nemen van de kwaliteit van de gebruikte gegevens, evenals een verklaring inzake de kwaliteit van de informatie over de prestaties;

8.  roept de Commissie op evenwichtiger verslag uit te brengen aan het Parlement en de Rekenkamer, door in haar prestatieverslagen transparantere informatie op te nemen over uitdagingen, valkuilen en mislukkingen;

9.  verzoekt de Commissie vaart te zetten achter de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's en de daarmee samenhangende betalingen teneinde de uitvoeringsperiode in eerste instantie terug te brengen tot het jaar n +2;

10.  roept de Commissie op het oorspronkelijke uitgavenstreefcijfer van 20 % voor de integratie van klimaatactie in de verschillende uitgavenprogramma's van de Unie te realiseren;

11.  dringt erop aan dat de Commissie haar directoraten-generaal eindelijk de opdracht geeft om hun voorstellen voor landenspecifieke aanbevelingen in hun respectieve jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) op te nemen, zoals gevraagd door het Parlement;

12.  verzoekt de Commissie om meer transparantie inzake de financiering van het migratiebeleid, zoals aanbevolen door de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2016, en om actief toe te zien op aanbestedingsprocedures die in noodsituaties worden uitgevoerd;

13.  verzoekt de Commissie tevens de transparantie van het beleid voor onderzoek en plattelandsontwikkeling te vergroten om de oorzaken van de foutenpercentages vast te stellen en te corrigeren aangezien deze, zoals de Rekenkamer in haar jaarverslagen aangeeft, opvallend hoog en hardnekkig zijn;

14.  verzoekt de Commissie de transparantie inzake de trustfondsen en de toezichtsverslagen over externe steun te vergroten, door regelmatig alle beschikbare gegevens te verstrekken;

15.  verzoekt de Commissie te onderhandelen voor een verlaging van de vergoedingen die de Europese Investeringsbank aanrekent om financiële instrumenten te creëren en te beheren en regelmatig informatie te presenteren over de begunstigden van deze instrumenten en de resultaten die ermee zijn behaald;

16.  verzoekt de Commissie om vaart te zetten achter de voorbereiding van de rekeningen van de Unie, om ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie van de lidstaten over de uitgaven onder gedeeld beheer eerder wordt verkregen, en het standpunt inzake het beheer van de uitgaven van de Unie eerder en samen met de rekeningen kenbaar te maken, teneinde een besluit tot verlening van kwijting in jaar n +1 te kunnen vaststellen, waarbij gegevens van hoge kwaliteit en een goed financieel beheer gewaarborgd moeten zijn;

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

17.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer geen bezwaar heeft gemaakt wat betreft de betrouwbaarheid van de rekeningen voor 2016, wat reeds sinds 2007 het geval is, en dat zij vaststelt dat de ontvangsten in 2016 geen materiële fouten vertoonden; stelt met tevredenheid vast dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen voor het per 31 december 2016 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

18.  is ingenomen met de positieve trend van het meest waarschijnlijke foutenpercentage dat de Rekenkamer heeft vastgesteld ten opzichte van dat van de voorbije jaren, namelijk dat de betalingen in 2016 een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 3,1 %; herinnert eraan dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor de betalingen in het begrotingsjaar 2015 werd geschat op 3,8 %, in 2014 op 4,4 %, in 2013 op 4,7 %, in 2012 op 4,8 %, in 2011 op 3,9 %, in 2010 op 3,7 %, in 2009 op 3,3 %, in 2008 op 5,2 % en in 2007 op 6,9 %; is van mening dat het belangrijk is dat bij de beoordeling van de efficiëntie van financiering door de Unie rekening wordt gehouden met het restfoutenpercentage van de Commissie, aangezien het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer niet definitief is;

19.  benadrukt dat het geschatte foutenpercentage voor cohesie, wegens de verschillende methoden die moeten worden gebruikt voor de berekening ervan, geen rekening houdt met de voorschotten voor financiële instrumenten in 2016 voor een bedrag van 2,5 miljard EUR, die volgens de Rekenkamer buiten de subsidiabiliteitsperiode vallen zoals bedoeld in artikel 56, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(75); wijst erop dat, indien de Rekenkamer deze onregelmatigheid had gekwantificeerd, het meest waarschijnlijke foutenpercentage waarschijnlijk aanzienlijk hoger was geweest; betreurt de unilaterale beslissing van de Commissie om tot 31 maart 2017 uitgaven te aanvaarden; wijst erop dat de Commissie de nodige wetgevingsvoorstellen had moeten opstellen om een einde te maken aan deze onregelmatigheid;

20.  betreurt dat het toegenomen gebruik van financiële instrumenten om de begroting van de Unie te ontlasten, leidt tot hogere risico's met betrekking tot de verantwoording en coördinatie van het beleid en de activiteiten van de Unie;

21.  wijst erop dat er niet genoeg informatie beschikbaar is om financiële instrumenten naar behoren te evalueren, met name wat de sociale en milieueffecten ervan betreft; benadrukt dat financieringsinstrumenten subsidies kunnen aanvullen, maar niet mogen vervangen;

22.  stelt met voldoening vast dat de Rekenkamer voor het eerst in 23 jaar een oordeel met beperking heeft afgegeven (in plaats van een afkeurend oordeel) over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen, hetgeen volgens de Rekenkamer laat zien dat het beheer van de EU-financiën aanzienlijk is verbeterd en betekent dat de materiële fouten hoofdzakelijk beperkt waren tot uitgaven in het kader van vergoedingen, die ongeveer de helft van de gecontroleerde betalingen uitmaken;

23.  betreurt dat de betalingen voor het 23e jaar op rij materiële fouten vertonen vanwege de gebrekkige doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen om een goed financieel beheer en tijdige betaling te waarborgen;

24.  wijst er met bezorgdheid op dat, indien de door de lidstaten en de Commissie genomen corrigerende maatregelen niet waren toegepast op de door de Rekenkamer gecontroleerde uitgaven, het totale geschatte foutenpercentage 4,3 % zou hebben bedragen in plaats van 3,1 % (d.w.z. hetzelfde niveau als in 2015; zie jaarverslag 2016 van de Rekenkamer, paragraaf 1.34);

25.  stelt vast dat het soort beheer een beperkte impact op de foutenpercentages heeft, aangezien de Rekenkamer heeft geconstateerd dat het geschatte foutenpercentage voor uitgaven onder gedeeld beheer met de lidstaten en voor alle andere vormen van operationele uitgaven die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd gelijk is, namelijk 3,3 %;

26.  vestigt de aandacht op het feit dat de Rekenkamer de hoogste geschatte foutenpercentages heeft vastgesteld bij uitgaven op het gebied van plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij (4,9 %), economische, sociale en territoriale cohesie (4,8 %) en concurrentievermogen voor groei en banen (4,1 %), terwijl de administratieve uitgaven het laagste geschatte foutenpercentage (0,2 %) kenden;

27.  merkt op dat, volgens de bevindingen van de Rekenkamer, de verschillende risicopatronen van vergoedingsregelingen en rechtenregelingen in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het foutenpercentage van de verschillende uitgaventerreinen; constateert dat het foutenpercentage 4,8 % bedraagt (5,2 % in 2015) wanneer de Unie subsidiabele kosten voor subsidiabele activiteiten vergoedt op basis van kostendeclaraties van begunstigden, terwijl dat percentage 1,3 % bedraagt (1,9 % in 2015) wanneer, in plaats van vergoeding van gedeclareerde kosten, betalingen worden gedaan indien aan de voorwaarden is voldaan;

Jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR)(76): beheersresultaten

28.  wijst erop dat, ondanks gelijkluidende conclusies van de Commissie en de Rekenkamer, de verklaring in het jaarverslag van de Rekenkamer en de analyse van de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag van 2016 gedeeltelijk uiteenlopen;

29.  merkt met name op dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor 2016 stelt dat het voorbehoud van de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen is toegenomen en 35,3 miljard EUR bedraagt, wat overeenkomt met 26 % van de betalingen (2015: 29,8 miljard EUR, 21 % van de betalingen);

30.  wijst erop dat volgens de Commissie de werkelijke financiële gevolgen uitgedrukt in bedragen die het risico lopen te worden gemeld in 2016 ook zijn toegenomen tot 1,6 miljard EUR (1,3 miljard EUR in 2015);

31.  merkt op dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag van 2016 wijst op een verslechtering van de indicatoren voor financieel beheer, die blijkt uit het voorbehoud in de jaarlijkse activiteitenverslagen, en dat zij dit verklaart door de moeilijkheden bij de invoering van nieuwe en meer veeleisende regelingen, met name vergroening(77), terwijl de Rekenkamer wijst op een duidelijke verbetering in dit zeer specifieke beleidsterrein;

32.  merkt in het bijzonder op dat de Rekenkamer verklaart "dat het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)" op 1,7 % na geen materiële fouten vertoont, wat een wezenlijke verbetering is ten opzichte van 2015, toen dit nog 2,2 % was, en het foutenpercentage voor op rechten gebaseerde uitgaven op 1,3 % schat, en daarbij opmerkt dat het grootste deel van de eerste pijler van het GLB in dit soort uitgaven is opgenomen;

33.  neemt nota van de bewering van de Rekenkamer dat de fouten bij de uitgaven niet "van diepgaande invloed" zijn (jaarverslag 2016 van de Rekenkamer, punt 1.8); vraagt de Commissie en de Rekenkamer hun methoden te stroomlijnen door te steunen op de internationale auditnormen voordat zij hun volgende jaarverslag of jaarlijks activiteitenverslag uitbrengen;

34.  benadrukt dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor 2016 stelt dat de uitgaven een materieel foutenpercentage vertonen, aangezien zij het algemene gemiddelde foutenpercentage schat tussen 2,1 % en 2,6 % (in 2015 was dit tussen 2,3 % en 3,1 %) van de totale relevante uitgaven, en het betrokken totale geschatte risicobedrag bij betaling zich tussen 2,9 en 3,6 miljard EUR situeert (in 2015 lag dit tussen 3,3 en 4,5 miljard EUR);

35.  merkt op dat deze daling volgens de Commissie vooral het gevolg is van het lagere inherente foutenrisico op het gebied van cohesie voor programma's van het huidige MFK; is verbaasd over deze uitleg gezien het zeer lage uitvoeringsniveau van de begroting op dit gebied; vraagt de Europese Commissie de kwestie verder toe te lichten;

36.  is van mening dat dit lage uitvoeringspercentage verklaard kan worden door het feit dat, inzake cohesie in 2016 geen uitgaven in de bij de Commissie ingediende jaarrekeningen werden gecertificeerd, en dat de Commissie na haar controle evenmin financiële correcties heeft opgelegd(78);

37.  wijst erop dat de Commissie verwacht dat ze de komende jaren fouten zal vaststellen en corrigeren voor een bedrag van in totaal tussen de 2,0 en 2,1 miljard EUR, d.w.z. tussen 1,5 % en 1,6 %;

38.  deelt het standpunt van de Rekenkamer dat de door de Commissie toegepaste methode voor de schatting van het foutenpercentage bij de vaststelling van het risicobedrag in de afgelopen jaren is verbeterd, maar dat de schattingen van het percentage onregelmatige uitgaven door de afzonderlijke directoraten-generaal niet zijn gebaseerd op een consistente methode; vraagt de Commissie voor de schatting van het foutenpercentage bij de vaststelling van het risicobedrag voor alle DG's dezelfde methode te gebruiken en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te brengen van de vorderingen;

39.  merkt op dat de Commissie het risico dat de impact van corrigerende maatregelen wordt overschat, dankzij een aantal verbeteringen weliswaar heeft verminderd, maar niet heeft kunnen wegnemen;

40.  wijst er met name op dat de directoraten-generaal van de Commissie hun schattingen van het risicobedrag voor meer dan driekwart van de uitgaven in 2016 baseren op door de nationale autoriteiten verstrekte gegevens, hoewel helaas uit de jaarlijkse activiteitenverslagen van de betrokken directoraten-generaal van de Commissie (met name DG AGRI en DG REGIO) blijkt dat de controleverslagen van de lidstaten weliswaar de door de lidstaat gedetecteerde fout bevestigen, maar de betrouwbaarheid van sommige beheers- en controlesystemen toch een probleem blijft; wijst erop hoe belangrijk het is dat de gegevens van de lidstaten betrouwbaar zijn;

41.  wijst erop dat de meerjarige programmering erg specifiek is en fouten achteraf nog gedurende meer dan tien jaar kunnen worden gecorrigeerd, zodat het ontoereikend en willekeurig lijkt om de raming van de impact van toekomstige correcties te baseren op de gedurende de voorgaande zes jaar verrichte correcties;

42.  wijst erop dat de Commissie in de bespreking en analyse van de financiële staten (FSDA) melding maakt van ten uitvoer gelegde financiële correcties en terugvorderingen voor een totaal bedrag van 3,4 miljard EUR (3,9 in 2015), dat ongeveer 0,6 miljard EUR (1,2 miljard in 2015) van de correcties en terugvorderingen aan de bron is toegepast (vóór aanvaarding van de uitgaven door de Commissie) en dat van de resterende 2,8 miljard EUR ongeveer 0,6 miljard EUR is ingetrokken door de lidstaten na aanvaarding van de uitgaven, door niet-subsidiabele bedragen te vervangen door nieuwe cohesieprojecten;

43.  herhaalt met klem zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van corrigerende maatregelen te bevestigen en om informatie te verstrekken waarmee zoveel mogelijk een aansluiting kan worden gemaakt tussen het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties zijn bekendgemaakt in de toelichtingen bij de rekeningen;

Interne governance-instrumenten van de Commissie

44.  herinnert aan het advies dat de Rekenkamer uitbracht in zijn Speciaal verslag nr. 27/2016, waarin wordt gesteld dat het onderscheid dat ontstaat met de hervorming van Kinnock-Prodi tussen de politieke verantwoordelijkheid van commissarissen en de operationele verantwoordelijkheid van directeuren-generaal betekent dat niet altijd is verduidelijkt of politieke verantwoordelijkheid de verantwoordingsplicht voor de uitvoering van de begroting van de directoraten-generaal omvat of daar los van staat;

45.  wijst erop dat het college van commissarissen geen jaarlijkse governanceverklaring opstelt, wat echter in overeenstemming zou zijn met de goede praktijken en de gangbare procedure in de lidstaten; vraagt de Commissie een jaarlijkse governanceverklaring op te stellen om de transparantie en de verantwoordingsplicht van haar college te vergroten;

46.  verzoekt de Commissie uitvoering te geven aan aanbeveling 2 van Speciaal verslag nr. 27/2016 van de Rekenkamer, en tevens bij haar financiële staten een jaarlijkse verklaring te voegen inzake governance en interne controle, en met name:

   a) een beschrijving van de interne governance-instrumenten van de Commissie,
   b) een beoordeling van de operationele en strategische risicoactiviteiten in het betrokken jaar en een verklaring over de houdbaarheid van de begroting op middellange en lange termijn;

Politiek voorbehoud

47.  sluit zich aan bij het voorbehoud dat de directeuren-generaal van DG REGIO, EMPL, MARE, HOME, DEVCO en AGRI in hun jaarlijks activiteitenverslag hebben gemaakt; is van mening dat dit voorbehoud aantoont dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten de nodige waarborgen kunnen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van alle onderliggende verrichtingen in de overeenkomstige beleidsterreinen indien de noodzakelijke correctieprocedures succesvol worden uitgevoerd;

Begrotings- en financieel beheer

48.  wijst erop dat de vertragingen bij de uitvoering van programma's in de eerste drie jaar van het huidige MFK, die het gevolg waren van de late goedkeuring van het MFK voor 2014-2020 en de aanzienlijke hoeveelheid nieuwe aspecten die werden ingevoerd voor de periode 2014-2020, hetgeen, ondanks de pogingen tot vereenvoudiging, administratieve problemen veroorzaakte, hebben geleid tot de overdracht van vastleggingskredieten van 2014 naar voornamelijk 2015 en 2016, en tot weinig betalingen in 2016 (en een uitvoering van de begroting van de Unie van 7 % in de periode 2014-2016 van het huidige MFK); wijst er echter op dat 2017 het eerste jaar was dat de uitvoering van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF)-programma's werd versneld; verwacht dat deze trend zich in 2018 en 2019 zal voortzetten; is van mening dat moet worden voorzien in voldoende vastleggings- en betalingskredieten om een soepele uitvoering mogelijk te maken;

49.  neemt met bezorgdheid nota van het gecompliceerde web van regelingen binnen en rondom de EU-begroting, aangezien dit de verantwoordingsplicht, transparantie, publieke controle en het democratische toezicht op de EU-begroting en de hieraan gekoppelde financiële regelingen belemmert; betreurt in dit opzicht het gebrek aan eenheid van de EU-begroting en deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer met betrekking tot de complexiteit van de EU-begroting dan ook volledig;

50.  vreest dat, ondanks het uitgebreide gebruik van speciale instrumenten (de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het flexibiliteitsinstrument) en de marges, er wellicht onvoldoende kredieten overblijven om onvoorziene gebeurtenissen te financieren die zich nog vóór 2020 voordoen;

51.  stelt met bezorgdheid vast dat er sprake is van een ongekend hoog bedrag aan uitstaande vastleggingen, dat eind 2016 een historisch peil van 238 miljard EUR haalde, d.i. 72 % hoger dan in 2007, en overeenkomt met 2,9 jaar aan betalingen tegenover 2,2 jaar in 2007; is van mening dat de schuldenlast van de EU en bijgevolg de financiële blootstelling van de begroting van de Unie hierdoor zijn toegenomen;

52.  betreurt dat de algehele financiële blootstelling van de begroting van de Unie is toegenomen, met aanzienlijke schulden, garanties en juridische verbintenissen op lange termijn, wat inhoudt dat er in de toekomst sprake moet zijn van zorgvuldig beheer;

53.  herinnert eraan dat de Unie in toenemende mate gebruik maakt van financiële instrumenten en betreurt dat de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) nieuwe governancesystemen een niveau van publieke controle in het leven roept dat onbevredigend blijft, en er dus meer zorgvuldige bewaking van het Parlement nodig is; wijst erop dat alle wetgevingsvoorstellen het geografische bereik van het EFSI fors dienen te verbeteren; herinnert eraan dat het EFSI een aanvullend instrument voor de bevordering van investeringen moet blijven aangezien het cohesiebeleid het investeringsbeleid van de Unie moet blijven; merkt echter de succesvolle uitvoering van het fonds op evenals de grote hoeveelheid particulier kapitaal die het heeft aangetrokken en erkent de verdere verbeteringen met betrekking tot de transparantie van het fonds die zijn overeengekomen bij de onderhandelingen voor de verlenging van EFSI, waarnaar wordt verwezen als EFSI 2.0; roept de Rekenkamer op haar toezicht op de plannings- en uitgavefase van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) aan te scherpen;

54.  herinnert eraan dat de herziening van het Financieel Reglement in dit opzicht dankzij de bijdrage van het Parlement een grote stap voorwaarts is aangezien erin wordt voorgesteld financiële instrumenten efficiënter te presenteren en er in dit kader voor het eerst begrotingsgaranties en financiële bijstand worden verschaft;

55.  wijst erop dat EFSI-fondsen, overeenkomstig de beginselen van het cohesiebeleid, een belangrijk deel van de uitgaven van sommige lidstaten uitmaken, en dat met name in negen lidstaten (Litouwen, Bulgarije, Letland, Roemenië, Hongarije, Polen, Kroatië, Estland en Slowakije) steun in de vorm van nog te betalen vastleggingen uit de ESI-fondsen meer dan 15 % van de algemene overheidsuitgaven vertegenwoordigt; roept de Commissie op ook een positieve publiciteitscampagne op te zetten om burgers uit deze landen uitgebreider te informeren over de rechtstreekse voordelen van lidmaatschap;

56.  vreest dat lidstaten waar middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) een aanzienlijk percentage van de overheidsuitgaven vertegenwoordigen, het moeilijk kunnen hebben om voldoende hoogwaardige projecten aan te wijzen waaraan ze de beschikbare middelen van de Unie kunnen besteden of om cofinanciering te verstrekken; roept de Commissie en de Rekenkamer op meer aandacht te besteden aan het duurzaamheidsaspect van de voorgestelde investeringsprojecten en hun geschiktheid kritisch te beoordelen;

57.  toont zich bezorgd dat de lidstaten drie jaar na de start van de programmeringsperiode 2014-2020 nog maar 77 % van de programma-autoriteiten hebben aangewezen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de ESI-fondsen; toont zich echter tevreden dat er inmiddels een percentage van 99 % is bereikt; vraagt zich af of het noodzakelijk is de procedures aan het begin van elke programmeringsperiode te wijzigen; verzoekt de Commissie om een nauwkeurige analyse uit te voeren van de redenen waarom in bepaalde regio's het opnamepercentage van de fondsen laag blijft en specifieke acties te ondernemen om de structurele problemen op te lossen;

58.  benadrukt dat de omvang van de middelen van de Unie en het tijdstip van ontvangst aanzienlijke macro-economische gevolgen kunnen hebben, bijvoorbeeld op het gebied van investeringen, groei en banen;

59.  benadrukt dat openbare investeringen nodig zijn om de investeringskloof te dichten, werkgelegenheid en groei te stimuleren en de toepassing van sociale normen binnen de Unie te garanderen;

60.  wijst erop dat de Commissie diverse bronnen heeft gemobiliseerd om het hoofd te bieden aan de vluchtelingen- en migratiecrisis, maar betreurt dat zij geen rapportagestructuur heeft ingevoerd om uitgebreid te kunnen rapporteren over de gebruikmaking van de betrokken middelen; betreurt dat het momenteel onmogelijk is de werkelijke uitgaven vast te stellen die toe te rekenen zijn aan iedere migrant of vluchteling;

61.  merkt op dat, wat de financiële instrumenten voor het cohesiebeleid betreft, de betalingen aan de eindontvangers bij de afsluiting (op 31 maart 2017) 15 192,18 miljoen EUR bedroegen, waarvan 10 124,68 miljoen EUR bij de structuurfondsen, waardoor een uitbetalingspercentage aan eindontvangers werd gehaald van bijna 93 % uit de operationele programma's aan acties op het gebied van financiële instrumentering, d.w.z. een stijging van 20 % ten opzichte van eind 2015;

62.  merkt op dat er bij de uitbetalingspercentages aan eindontvangers sprake is van grote verschillen tussen de financieringsinstrumenten, en dit niet alleen variërend van 60 % tot 99 % tussen lidstaten, maar ook tussen de sectoren waaraan bijstand wordt verleend;

63.  vreest dat er tegen het einde van het huidige MFK en in de eerste jaren van het volgende MFK een achterstand in de betalingen kan ontstaan; is van mening dat voor de financiering van het nieuwe MFK realistische begrotingskredieten nodig zijn om de verwachte niet-afgewikkelde vastleggingen te dekken;

Te nemen maatregelen

64.  verzoekt de Commissie:

   a) rekening te houden met de toename van de niet-afgewikkelde vastleggingen in haar raming van de betalingskredieten voor het volgende MFK om te helpen zorgen voor een passend evenwicht tussen vastleggings- en betalingskredieten;
   b) voorstellen te doen aan het Parlement en de Raad om te zorgen voor een consistente aanpak van de kwestie van het al dan niet meetellen van speciale instrumenten in de maxima voor betalingskredieten in het MFK;
   c) voor beheer- en rapportagedoeleinden een manier te vinden om begrotingsuitgaven van de Unie zodanig te registreren dat alle financiering met betrekking tot de vluchtelingen- en migratiecrisis kan worden gerapporteerd;
   d) bij het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure een uitgebreid verslag in te dienen over de middelen uit de EU-begroting die door de EIB-groep (Europese Investeringsbank (EIB) en Europees Investeringsfonds (EIF)) naast zijn externe mandaat indirect worden beheerd en uitgevoerd, te beginnen met het begrotingsjaar 2017;
   e) in de context van het debat over de toekomst van Europa, na te denken over de vraag hoe het begrotingsstelsel van de Unie kan worden hervormd om een toereikende begroting te garanderen om het voorgenomen beleid te financieren, een beter evenwicht te vinden tussen voorspelbaarheid en reactievermogen, en hoe het best kan worden gewaarborgd dat de algehele financieringsregelingen niet complexer zijn dan nodig om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en om verantwoording te garanderen;
   f) ook de mogelijkheid te overwegen om autoriteiten die voor de periode 2014-2020 zijn aangewezen of geaccrediteerd om beheers-, certificerings- en auditfuncties uit te voeren en die hun capaciteiten hebben bewezen, de mogelijkheid te bieden dergelijke functies in de volgende programmeringsperiode zonder onderbreking of vertraging te blijven uitoefenen;
   g) verzoekt de Commissie eens te meer een jaarlijks bijgewerkte kasstroomraming voor een periode van zeven tot tien jaar te maken waarin begrotingsplafonds, betalingsbehoeften, capaciteitsbeperkingen en de mogelijke annuleringen van vastleggingen worden opgenomen, met het oog op een betere afstemming tussen betalingsverplichtingen en beschikbare middelen;
   h) lidstaten die moeilijkheden ondervinden bij het tijdig en soepel absorberen van beschikbare Unie-financiering bij te staan door op initiatief van de Commissie gebruik te maken van de beschikbare middelen voor technische bijstand;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

65.  merkt bezorgd op dat de Commissie twee reeksen doelstellingen en indicatoren, met zeer minimale kruisverwijzingen, hanteert om de prestaties van haar diensten en uitgavenprogramma's te meten, waardoor het erg lastig is twee verschillende soorten prestatiedocumenten te vergelijken; betreurt dat er vrijwel geen bruikbare en efficiënte impact- en resultaatindicatoren zijn om de prestaties van de Unie-uitgaven te meten en er informatie over te verspreiden;

66.  wijst erop dat de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen verslag uitbrengen over de jaarlijkse betalingen van de directoraten-generaal per type activiteit of uitgavenprogramma, maar dat zij de prestaties rapporteren aan de hand van de verwezenlijking van algemene en specifieke doelstellingen, zonder indicatie van de bijbehorende uitgaven; is het niet eens met de uitleg van de Commissie dat het niet mogelijk is te beoordelen hoeveel er is uitgegeven om de doelstellingen te verwezenlijken; roept de Commissie op het beginsel van prestatiegebonden budgettering van planning, uitvoering en verslaglegging, volledig ten uitvoer te leggen, zodat achteraf kan worden gerapporteerd over de fondsen die zijn uitgegeven om de geformuleerde doelstellingen te verwezenlijken;

67.  herinnert eraan dat de OESO in 2016 in de OESO-landen en bij de Commissie een enquête heeft gehouden over resultaatgericht begroten; is in dit opzicht ingenomen met de erkenning door de OESO van de kwaliteit van de gegevens en de uitvoering van de EU-begroting; herinnert eraan dat de OESO van mening was dat het prestatiekader van de Commissie het meest uitgebreid was, wat wellicht deels kan worden verklaard door de omvang van de wettelijke vereisten in de EU;

68.  merkt op dat uit de grafiek van de OESO evenwel blijkt dat dit hogere niveau aan specificering niet tot uitdrukking komt in het gebruik en de gevolgen van het kader voor de besluitvorming (jaarverslag 2016 Rekenkamer, punt 3.21);

69.  merkt op dat de programmaverklaringen voor het ontwerp van algemene begroting 2017 van de EU 294 doelstellingen en 709 indicatoren bevatten, die zeer sterk geconcentreerd zijn in de rubrieken 1a, 3 en 4 van het MFK, en dat de Commissie via het initiatief voor een "resultaatgerichte begroting" momenteel bezig is met een evaluatie van de indicatoren om input te leveren voor de uitgavenprogramma's van de volgende generatie; benadrukt dat de Commissie met name resultaatindicatoren zou moeten gebruiken waarvan de waarde relevant is voor de prestaties;

70.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat het proces van opstelling van prestatie-indicatoren transparant en democratisch is en dat alle instellingen van de Unie, partners en belanghebbenden van de Unie erbij worden betrokken om ervoor te zorgen dat de indicatoren geschikt zijn voor de meting van de uitvoering van de begroting van de Unie, en om aan de verwachtingen van de Unieburgers te voldoen;

71.  roept de Commissie op academische expertise te raadplegen om te bepalen welke prestatie-indicatoren geschikt zijn voor de metingen in het kader van een resultaatgerichte begroting en om prioriteit te kunnen toekennen aan investeringen in publieke goederen, zodat tegemoet kan worden gekomen aan de punten van zorg van burgers;

72.  betreurt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie die de Rekenkamer heeft onderzocht, weinig informatie bevatten over de tekortkomingen en uitdagingen met betrekking tot de doelstellingen van de directoraten-generaal (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 3.26);

73.  betreurt dat de AMPR's voor 2015 en 2016 de prestaties niet volledig dekten en te positief waren, aangezien uitvoeringsvertragingen de enige tekortkomingen waren waaraan werd gerefereerd; betreurt dat de verslagen tevens:

   a) een beperkt inzicht boden in de resultaten van de Europa 2020-strategie, hoewel het Parlement daarom had verzocht in zijn kwijtingsbesluit over 2014;
   b) niet altijd een duidelijke uitleg bevatten over de invloed van externe factoren op resultaten;
   c) te laat verschenen om door de Rekenkamer in haar jaarverslag te worden beoordeeld;

74.  onderschrijft het standpunt van de Rekenkamer (jaarverslag 2016 van de Rekenkamer, paragraaf 3.38) dat de beoordelaars aanbevelingen aan de Commissie moeten doen, met inbegrip van actieplannen om tekortkomingen aan te pakken;

75.  betreurt het feit dat de Commissie sinds 2005 geen studie meer heeft verricht of laten verrichten naar haar gebruik van evaluatieresultaten;

76.  wijst erop dat de Commissie geen gedocumenteerd institutioneel systeem heeft voor de regelmatige follow-up van evaluaties;

77.  wijst er met name op dat de beheersplannen voor 2016 van de directoraten-generaal in de praktijk geen basis introduceerden voor het toezicht op de follow-up van evaluaties;

78.  betreurt verder dat, aangezien de Commissie geen overzicht heeft van de conclusies, aanbevelingen en actieplannen die voortvloeien uit haar evaluaties, en zij de uitvoering ervan niet op DG- of institutioneel niveau bijhoudt, zij de belanghebbenden niet kan informeren over het positieve effect van evaluaties;

79.  betreurt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen geen verklaring bevatten over de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens over de prestaties, en dat het college van commissarissen bijgevolg bij de goedkeuring van het AMPR de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de Uniebegroting op zich neemt, maar niet voor de informatie over de prestaties en resultaten;

80.  is verheugd over en heeft zorgvuldig nota genomen van de opmerkingen van de Rekenkamer over prestatiekaders en verslaglegging door entiteiten binnen en buiten de Unie, in het bijzonder wat betreft de kwaliteit van gegevens over prestaties en de verklaring inzake de kwaliteit van informatie over prestaties;

81.  wijst erop dat er geen centrale website bestaat met informatie over de prestaties van alle diensten van de Commissie voor alle gebieden van de Uniebegroting;

82.  deelt de mening van de Rekenkamer dat het kader voor verslaglegging over prestaties dat door de Commissie wordt toegepast, zou kunnen worden verbeterd door internationale goede praktijken toe te passen;

Te nemen maatregelen

83.  verzoekt de Commissie:

   a) de verslaglegging over prestaties te stroomlijnen door:
   het aantal doelstellingen en indicatoren dat zij voor haar verschillende prestatieverslagen gebruikt, verder te verminderen en zich op die doelstellingen en indicatoren te richten waarmee de prestaties van de begroting van de Unie het beste kunnen worden gemeten; bij de voorbereiding van het volgende MFK moet de Commissie minder maar wel geschiktere resultaat- en impactindicatoren voorstellen voor het wettelijk kader van de volgende generatie programma's; in dit verband moet zij de relevantie nagaan van indicatoren waarvoor pas na een aantal jaar informatie kan worden verkregen;
   financiële informatie zodanig te presenteren dat deze kan worden vergeleken met de informatie over prestaties, zodat het verband tussen de uitgaven en de prestaties duidelijk is;
   de algemene samenhang tussen haar twee reeksen doelstellingen en indicatoren voor programma's enerzijds en directoraten-generaal anderzijds uit te leggen en te verbeteren;
   b) de verslaglegging over prestaties beter in evenwicht te brengen door duidelijk informatie te presenteren over de belangrijkste uitdagingen die nog moeten worden verwezenlijkt;
   c) beter te laten zien dat de evaluatieresultaten goed worden gebruikt door te vereisen dat evaluaties altijd conclusies bevatten waarnaar gehandeld kan worden, of aanbevelingen waaraan de Commissie vervolgens follow-up moet geven;
   d) in het AMPR de algehele politieke verantwoordelijkheid voor de informatie over de prestaties en resultaten op zich te nemen, en aan te geven of naar haar weten de kwaliteit van de verstrekte prestatiegegevens toereikend is;
   e) prestatiegegevens gemakkelijker toegankelijk te maken door een specifiek webportaal en een zoekmachine te ontwikkelen;

Presentatie van de EU-begroting

84.  merkt op dat de begroting van de Unie gepresenteerd is in afdelingen die overeenkomen met activiteiten die worden geleid door de instellingen (een op activiteiten gebaseerde begroting); is van mening dat deze presentatie niet zorgt voor een duidelijk en snel begrip van de doelstellingen; wijst erop dat het MFK daarentegen is gepresenteerd in rubrieken die overeenkomen met beleidsterreinen;

85.  merkt op dat de operationele programma's die de ontwerpbegroting vergezellen de link leggen tussen elk begrotingsonderdeel en de beoogde beleidsdoelstellingen;

86.  verzoekt de Commissie de begroting van de Unie te presenteren volgens de beleidsdoelstellingen van het MFK;

Ontvangsten

87.  is ingenomen met het feit dat uit de algemene controle-informatie van de Rekenkamer blijkt dat de ontvangsten geen materiële fouten vertonen en dat de onderzochte systemen voor de ontvangstenzijde in het algemeen doeltreffend zijn; merkt evenwel op dat wat de traditionele eigen middelen betreft, de essentiële interne controles in een aantal door de Rekenkamer bezochte lidstaten slechts gedeeltelijk doeltreffend zijn;

88.  stelt met bezorgdheid vast dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) begin 2017 een onderzoek heeft afgerond naar een geval van fraude in het Verenigd Koninkrijk, waarbij er mogelijk sprake is van een verlies van 1,987 miljard EUR voor de begroting van de Unie in de vorm van douanerechten op textiel en schoenen die in de periode 2013-2016 via het Verenigd Koninkrijk uit China zijn ingevoerd; wijst erop dat het onderzoek ook aanzienlijke btw-fraude in verband met invoer via het Verenigd Koninkrijk aan het licht heeft gebracht, door misbruik van de opschorting van btw-betalingen (douaneregeling 42);

89.  merkt met bezorgdheid op dat de directeur-generaal van het DG Begroting ten aanzien van de ontvangsten voor 2016 voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de ontvangsten uit de traditionele eigen middelen, in het licht van de fraudezaak van OLAF in verband met douanerechten van het Verenigd Koninkrijk;

90.  wijst erop dat de ontvangsten voor 2016 waarop dit voorbehoud betrekking heeft, ongeveer 517 miljoen EUR bedragen tegen een totaalbedrag van 20,1 miljard EUR aan traditionele eigen middelen, en dus 2,5 % van de traditionele eigen middelen en 0,38 % van alle middelen vertegenwoordigen; verzoekt de Commissie nauwkeurige informatie te verstrekken over deze fraudezaak, die indirect gevolgen kan hebben voor de btw-basis van sommige lidstaten en bijgevolg ook voor de btw-gerelateerde middelen en de bni-gerelateerde verrekening van de Commissie(79);

91.  is bezorgd over de vaststelling van de Commissie dat de Britse autoriteiten in oktober 2017 nog geen corrigerende maatregelen hadden genomen om het aanhoudende verlies van traditionele eigen middelen te voorkomen; merkt op dat de Britse autoriteiten vanaf 12 oktober 2017 bij inklaring tijdelijk waardedrempels toepassen bij bepaalde handelaars (in het kader van douane-initiatief Swift Arrow), met als resultaat dat de verliezen van traditionele eigen middelen in het Verenigd Koninkrijk onmiddellijk drastisch daalden;

92.  betreurt de discrepanties die zijn vastgesteld ten aanzien van de douanecontroles in de verschillende lidstaten; benadrukt hoe belangrijk het is de controles bij alle toegangspunten tot de douane-unie te harmoniseren en verzoekt de lidstaten om een gecoördineerde, uniforme en doelmatige tenuitvoerlegging van het grenssysteem te verzekeren door afwijkende praktijken tussen de lidstaten te ontmoedigen om de bestaande tekortkomingen in de douanecontrolesystemen te verminderen; verzoekt de Commissie in dit verband om de verschillende praktijken op het gebied van douanecontrole in de EU en de impact ervan op de verlegging van het handelsverkeer te onderzoeken en zich daarbij met name te richten op de EU-douanediensten aan de buitengrenzen, en om een nulmeting en informatie te verschaffen over de douanepraktijken en de procedures van de lidstaten;

93.  roept de Commissie op een actieplan te ontwikkelen om de volledige en tijdige tenuitvoerlegging van de btw-voorschriften in alle lidstaten te garanderen en zo deze bron van eigen middelen van de Unie veilig te stellen;

94.  herinnert eraan dat het nieuwe besluit over de eigen middelen van de Unie(80), dat op 1 oktober 2016 in werking is getreden, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014, bepaalt dat, indien rekening wordt gehouden met bni-gegevens bij de vaststelling van eigen middelen, het boekhoudkundig kader van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 2010) moet worden gebruikt, en dat dit erin voorziet dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden beschouwd als een investering (in plaats van de huidige uitgave uit hoofde van het voorgaande ESR 95); wijst erop dat dezelfde overweging moet worden toegepast voor andere programma's met een hoge toegevoegde waarde voor de Unie, zoals het financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF);

95.  merkt op dat het gerapporteerde Ierse bni in 2015 zeer sterk is gestegen doordat multinationale ondernemingen O&O-activa naar het land hebben verplaatst;

96.  wijst erop dat de Commissie bijkomende werkzaamheden moet verrichten om de potentiële gevolgen van activiteiten van multinationals voor nationale rekeningen te onderzoeken, zowel wat de methodologie als het verificatieproces betreft, en dat deze kunnen leiden tot het toepassen van correcties voor de bni-bijdragen van de lidstaten;

97.  merkt op dat, wat het beheer van de traditionele eigen middelen betreft, de Rekenkamer en de Commissie tekortkomingen hebben geconstateerd in het beheer van de vorderingen (ook wel de B-boekhouding genoemd) in sommige lidstaten;

98.  benadrukt dat de Rekenkamer constateerde dat in België de controles na douaneafhandeling werden geselecteerd op basis van de kenmerken van afzonderlijke verrichtingen in plaats van op de risicoprofielen van ondernemingen, en dat controles na douaneafhandeling niet algemeen werden uitgevoerd (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 4.18);

99.  betreurt dat de Commissie heeft moeten vaststellen dat zes lidstaten (België, Estland, Italië, Portugal, Roemenië en Slovenië) ofwel geen controles na douaneafhandeling uitvoerden, ofwel geen informatie over deze controles verstrekten;

Te nemen maatregelen

100.  verzoekt de Commissie:

   a) alle nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor de terugvordering van de eigen middelen van de EU die de Britse autoriteiten niet hebben geïnd met betrekking tot de invoer van textiel en schoenen uit China, en een einde te maken aan btw-fraude;
   b) te overwegen om tijdig een inbreukprocedure te starten voor de fraudezaak betreffende douanerechten in het Verenigd Koninkrijk;
   c) in samenwerking met de lidstaten alle potentiële gevolgen van multinationale activiteiten te analyseren voor de schatting van het bni en hun begeleiding te bieden in het omgaan met deze activiteiten bij het opstellen van de nationale rekeningen;
   d) tijdens de bni-verificatiecyclus te bevestigen dat O&O-activa correct zijn opgenomen in de nationale rekeningen van de lidstaten, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de waardering van O&O-activa en de locatiecriteria in gevallen waarin multinationale activiteiten zijn overgebracht;
   e) voorstellen te doen voor nieuwe eigen middelen om de stabiliteit van de EU-begroting te garanderen;

Concurrentievermogen voor groei en banen

Bevindingen van de Rekenkamer

101.  merkt op dat de Rekenkamer voor het eerst een oordeel met beperking heeft vastgesteld ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen; benadrukt dat vergoedingsregelingen foutgevoeliger blijven dan rechtenregelingen; wijst er evenwel op dat de gegevens voor het hoofdstuk "concurrentievermogen voor groei en banen" niet wezenlijk zijn veranderd ten opzichte van de voorgaande jaren;

102.  herinnert eraan dat onderzoek en innovatie, in de vorm van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling 2007-2013 (het "zevende kaderprogramma voor onderzoek") en Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie 2014-2020 ("Horizon 2020"), goed is voor 59 % van de uitgaven;

103.  wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage op 4,1 % schat, dat niet-subsidiabele directe personeelskosten goed zijn voor 44 %, niet-subsidiabele andere directe kosten voor 12 %, indirecte kosten voor 16 %, en niet-subsidiabele projecten of begunstigden voor16 %; merkt evenwel op dat in 19 gevallen waarin begunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de Commissie of onafhankelijke controleurs over voldoende informatie beschikten om de fouten te voorkomen, of op te sporen en te corrigeren, voordat zij de uitgaven accepteerden;

104.  merkt op dat, indien de Commissie of onafhankelijke controleurs alle beschikbare informatie naar behoren hadden gebruikt, het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,2 % lager zou zijn geweest;

105.  waardeert dat de Commissie aanzienlijke inspanningen heeft geleverd op het gebied van vereenvoudiging, met een vermindering van de administratieve complexiteit tot gevolg, door een nieuwe definitie van een aanvullende vergoeding voor onderzoekers te introduceren, het Horizon 2020-werkprogramma voor 2018-2020 te stroomlijnen, gerichte steun voor start-ups en innovatieve ondernemers te verstrekken, en meer gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties; wijst er echter op dat de Rekenkamer mogelijkheden ziet om het juridisch kader verder te vereenvoudigen, maar meent dat hieraan ook risico's zijn verbonden;

106.  wijst erop dat de Rekenkamer kwesties met betrekking tot de prestaties van onderzoeks- en innovatieprojecten heeft onderzocht; is evenwel van mening dat de resultaten, waarbij wordt gekeken naar de uitkomst, de kosten en de verspreiding, als voorlopig moeten worden beschouwd;

Jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG R&I)

107.  merkt op dat DG R&I, in overeenstemming met de Europa 2020-strategie volgens het Strategisch Plan 2016-2020 vier doelstellingen heeft nagestreefd:

   a) een nieuwe stimulans voor banen, groei en investeringen;
   b) een connectieve digitale eengemaakte markt;
   c) een veerkrachtige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering; en
   d) een krachtiger rol op het wereldtoneel;

108.  is ingenomen met het feit dat commissaris Moedas bij het nastreven van deze doelstellingen drie prioriteiten heeft vastgesteld, namelijk "open innovatie", "open wetenschap" en "open staan voor de wereld";

109.  merkt op dat, om de voortgang met betrekking tot de vastgestelde doelstellingen te meten, DG R&I gebruik heeft gemaakt van vijf kernprestatie-indicatoren (KPI's):

   a) het aandeel in Horizon 2020 aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) toegewezen middelen om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en ontsluitende en industriële technologieën te bevorderen, waarbij het aandeel van de financiële bijdrage van de Unie via het kmo-instrument wordt toegekend;
   b) het aandeel nieuwkomers bij succesvolle aanvragers van Horizon 2020;
   c) aan klimaat en duurzaamheid gerelateerde uitgaven van Horizon 2020;
   d) het aandeel van de deelname van derde landen aan Horizon 2020;
   e) het aandeel van subsidies met een subsidietoekenningstermijn van minder dan 245 dagen;

110.  wijst erop dat DG R&I in zijn antwoorden op schriftelijke vragen een lijst van landen heeft gepubliceerd waarvoor DG R&I landenspecifieke aanbevelingen heeft opgesteld; dringt er bij DG R&I op aan de voorstellen van het directoraat voor de landenspecifieke aanbevelingen rechtstreeks in zijn jaarlijks activiteitenverslag te publiceren, zoals het Parlement reeds meermaals heeft gevraagd;

111.  herinnert eraan dat de beoordeling van het zevende Kaderprogramma in de vorige kwijtingsresolutie is behandeld(81);

112.  is ingenomen met de vorderingen die het directoraat-generaal heeft gemaakt bij de verwezenlijking van zijn KPI's voor Horizon 2020:

   a) 23,9 % van de financiële bijdrage van de Unie is naar kmo's gegaan (de doelstelling voor 2020 is 20 %);
   b) 55 % van de succesvolle aanvragers was nieuwkomer (de doelstelling voor 2020 is 70 %);
   c) 26 % van de financiële bijdrage van de Unie was aan het klimaat gerelateerd (de doelstelling voor 2020 is 25 %);
   d) 54,9 % van de financiële bijdrage van de Unie was aan duurzaamheid gerelateerd (de doelstelling voor 2020 is 60 %);
   e) de deelname van derde landen aan Horizon 2020-projecten bedraagt 3,6 % (de doelstelling voor 2020 is 4,73 %);
   f) in 91 % van de gevallen hield DG R&I zich aan de subsidietoekenningstermijn van 245 dagen (de doelstelling voor 2020 is 100 %);

113.  wijst er met bezorgdheid op dat de territoriale distributie van Horizon 2020 opvallend beperkt is aangezien 72,5 % (12 121 miljoen EUR) van de financiering in het kader van Horizon 2020 naar Duitsland (3 464 miljoen EUR), het Verenigd Koninkrijk (3 083 miljoen EUR), Frankrijk (2 097 miljoen EUR), Spanje (1 813 miljoen EUR) en Italië (1 664 miljoen EUR) gaat;

114.  merkt op dat er in 2016 183 subsidieovereenkomsten voor Horizon 2020 zijn getekend met deelnemers uit derde landen; wijst erop dat er 299,5 miljoen EUR is toegezegd aan deelnemers uit Zwitserland in subsidie-overeenkomsten die werden ondertekend in 2016, terwijl de bijdrage van Zwitserland aan Horizon 2020 180,9 miljoen EUR bedroeg; weigert een "status van netto-ontvanger" toe te kennen aan een van de rijkste landen ter wereld; roept de Commissie op regelgeving voor te stellen om dergelijke onevenwichtigheden te compenseren;

115.  erkent het succes van het gemeenschappelijk ondersteuningscentrum en zijn bijdrage aan de vereenvoudiging en het verstrekken van juridisch en technisch advies; vraagt DG R&I welke vereenvoudigingsmaatregelen het wil voorstellen voor de periode na 2020;

116.  neemt kennis van de betalingskredieten voor DG R&I in 2016:

Betalingskredieten voor DG R&I, inclusief EVA-bijdrage

Beheerswijze

Uitvoering

In miljoen EUR

Procentpunten

Gecodelegeerd of gesubdelegeerd aan andere DG's

161,20

5,34

DG R&I rechtstreeks

1 878,28

62,17

DG R&I aan organen bedoeld in artikel 185

86,40

2,86

DG R&I aan EIB

312,72

10,35

DG R&I aan gemeenschappelijke ondernemingen

582,37

19,28

Totaal

3 020,97

100%

117.  benadrukt dat 14,39 % van de begroting, wat neerkomt op bijna 444 miljoen EUR, werd uitgevoerd door middel van financiële instrumenten;

118.  benadrukt tevens dat 39,36 % (tegenover 28,14 % in 2015) van de begroting van DG R&I werd toevertrouwd aan andere entiteiten buiten de Commissie, vooral voor de uitvoering van onderdelen van de kaderprogramma's onder (indirect) subsidiebeheer en controlesystemen van financiële instrumenten;

119.  heeft met belangstelling vernomen dat DG R&I een toezichtstrategie voor financiële instrumenten heeft ingevoerd en zou daarom willen weten hoe DG R&I bepaalt of financiële en onderzoeksgerelateerde doelstellingen zijn verwezenlijkt;

120.  merkt op dat DG R&I het totale vastgestelde foutenpercentage heeft geschat op 4,42 %, met een restfoutenpercentage van 3,03 %;

121.  stelt vast dat de Commissie het totale risicobedrag bij afsluiting heeft geschat tussen 73,5 en 104 miljoen EUR;

122.  is ingenomen met het onderzoek van DG R&I naar de kosteneffectiviteit van direct en indirect subsidiebeheer;

123.  betreurt dat DG R&I opnieuw een horizontaal voorbehoud heeft afgegeven betreffende het restfoutenpercentage bij kostendeclaraties in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek (KP7) dat het zelf rechtstreeks uitvoert;

124.  herinnert aan zijn standpunt, uitgedrukt in paragraaf 76 van zijn resolutie over het verlenen van kwijting aan de Commissie voor 2015, dat het voor de Commissie nodig is "eindelijk een zinvollere, risicogebaseerde aanpak te ontwikkelen en, indien nodig, specifieke punten van voorbehoud te gebruiken";

Te nemen maatregelen

125.  verzoekt DG R&I de voorstellen van het directoraat voor de landenspecifieke aanbevelingen op te nemen in zijn jaarlijks activiteitenverslag;

126.  verzoekt DG R&I gehoor te geven aan de aanbevelingen van de dienst Interne Audit (IAS), die tekortkomingen heeft geconstateerd bij het waarborgen van een consistente aanpak inzake projecttoezicht bij alle uitvoeringsorganen in het kader van Horizon 2020;

127.  verzoekt DG R&I verslag uit te brengen over de vorderingen van de gemeenschappelijke auditdienst bij het verbeteren van de werking van zijn interne processen;

128.  verzoekt DG R&I aan de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen over zijn toezichtstrategie voor financiële instrumenten en over de wijze waarop DG R&I bepaalt of financiële en onderzoeksgerelateerde doelstellingen zijn verwezenlijkt;

129.  verzoekt DG R&I aan de bevoegde commissie van het Parlement uit te leggen welke maatregelen het heeft genomen om horizontale voorbehouden betreffende het restfoutenpercentage in kostendeclaraties te voorkomen;

130.  is van mening dat normen en normalisatie in onderzoeks- en innovatieprojecten en bij coördinatie- en ondersteuningsacties gunstig zijn voor de impact van onderzoeksresultaten op verschillende niveaus van technologische paraatheid, aangezien zij de verhandelbaarheid en overdraagbaarheid van innovatieve producten en oplossingen vergroten; merkt verder op dat normen en verwante activiteiten een positieve bijdrage leveren aan de verbreiding van de resultaten van de Horizon 2020-projecten door kennis, zelfs nadat de projecten zijn afgerond, openbaar beschikbaar te stellen en zo te verspreiden; roept de Commissie op de rol van normalisatie in toekomstige oproepen uit te breiden en kernprestatie-indicatoren te ontwikkelen die rekening houden met normalisatie-activiteiten;

Economische, sociale en territoriale samenhang

Inleiding

131.  heeft uit het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie (COM(2017)0583) vernomen dat aan de ene kant convergentie een broos proces is dat gemakkelijk kan worden gestopt en omgebogen door economische crises, maar dat aan de andere kant investeringen van de overheid de gevolgen van crises kunnen beperken;

132.  is verheugd over het feit dat de werkgelegenheid in 2016 weer het niveau van vóór de crisis van 2008 van 71 % heeft bereikt, maar geeft aan dat er grote verschillen bestaan binnen de Unie en het cijfer nog steeds een stuk lager is dan de Europa 2020-streefwaarde van 75 %; merkt bezorgd op dat de werkloosheid nog steeds te hoog is, met name onder jongeren, en dat veel mensen langdurig werkloos zijn;

133.  is verheugd over het feit dat DG REGIO, in antwoord op de vragen van het Parlement, zijn landenspecifieke aanbevelingen nader heeft gespecificeerd;

134.  is zich ervan bewust dat sommige bepalingen van het herziene Financieel Reglement betreffende het cohesiebeleid met terugwerkende kracht in werking moeten treden;

135.  is bezorgd over het feit dat dergelijke aanpassingen een bron van bijkomende fouten kunnen worden, aangezien programma's en projecten werden geselecteerd op grond van verordeningen die op 1 januari 2014 in werking zijn getreden;

Bevindingen van de Rekenkamer

136.  merkt op dat de Rekenkamer voor het eerst een oordeel met beperking heeft afgegeven ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen; benadrukt dat vergoedingsregelingen foutgevoeliger blijven dan rechtenregelingen; wijst er evenwel op dat de gegevens voor het hoofdstuk "economische, sociale en territoriale samenhang" niet wezenlijk zijn veranderd ten opzichte van het voorgaande jaar;

137.  herinnert eraan dat in 2016 onder de rubriek "economische en sociale samenhang" een bedrag beschikbaar was van 51,25 miljard EUR, wat overeenkomt met 33 % van de begroting van de Unie;

138.  wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor dit beleidsterrein op 4,8 % heeft geschat, en verder heeft opgemerkt dat het geschatte foutenpercentage voor cohesie niet de kwantificering omvat van de stortingen in financieringsinstrumenten in 2016 voor een bedrag van 2,5 miljard EUR, die volgens haar buiten de subsidiabiliteitsperiode vallen zoals bepaald in artikel 56, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (zie de paragrafen 6.20 en 6.21, jaarverslag 2016, Rekenkamer); merkt op dat met deze stortingen het geschatte foutenpercentage voor de totale uitgaven van de Unie 2,0 % hoger zou zijn geweest (jaarverslag 2016, Rekenkamer, tekstvak 1.2, voetnoot 1);

139.  wijst erop dat de fouten op het gebied van cohesie 43 % uitmaakten van het totale geschatte foutenpercentage van 3,1 %; merkt op dat het foutenpercentage onder meer hoog is wegens de complexiteit van de wetgeving van de Unie en lidstaten;

140.  merkt op dat de Rekenkamer een steekproef heeft onderzocht van 180 verrichtingen uit 54 tussentijdse betalingen voor de periode 2007-2013, met betrekking tot 92 projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), 36 projecten uit het Cohesiefonds (CF), 40 projecten uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), 11 financiële instrumenten uit het EFRO en één financieel instrument uit het ESF;

141.  roept de Commissie op om de opmerkingen van de Rekenkamer ter harte te nemen, die onnauwkeurigheden had aangetroffen in de analyse van de prestaties van ten minste vier van de twaalf financiële instrumenten van het EFRO en het ESF die in het jaarverslag van de Rekenkamer van 2016 werden onderzocht; deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer, die benadrukt dat deze fouten tot gevolg hebben dat de prestaties worden overgewaardeerd en, als ze niet gecorrigeerd worden, de gedeclareerde hoeveelheid subsidiabele uitgaven bij sluiting kunstmatig opvoeren, vooral in het geval van garantiefondsen;

142.  merkt tevens op dat 42 % van de fouten toe te schrijven is aan niet-subsidiabele kosten in de uitgavendeclaraties, 30 % betrekking heeft op ernstige inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten, en 28 % verband houdt met niet-subsidiabele projecten, activiteiten of begunstigden;

143.  betreurt dat een van de belangrijkste oorzaken van fouten in de uitgaven van het hoofdstuk "Economische, sociale en territoriale samenhang" nog steeds de inbreuken op de regels voor overheidsopdrachten is; herhaalt dat de ernstige op de regels voor overheidsopdrachten onder meer rechtstreekse gunningen die niet door contracten worden gerechtvaardigd, bijkomende werkzaamheden of diensten, de onwettige uitsluiting van inschrijvers, belangenconflicten en discriminerende selectiecriteria omvatten; acht een beleid van volledige transparantie betreffende de gegevens van de aannemers en de onderaannemers cruciaal om fouten en misbruik tegen te gaan;

144.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer heeft benadrukt dat projecten waarvoor vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt, minder foutgevoelig zijn dan wanneer de reële kosten worden vergoed;

145.  is bezorgd over het feit dat de steekproef ook drie "grote projecten" omvatte, waarvoor de goedkeuring van de Commissie vereist is, en waarvoor de autoriteiten van de lidstaten de vereiste aanvraag niet hadden ingediend tegen de uiterste termijn van 31 maart 2017; merkt op dat de Commissie daarom de uitgaven moet terugvorderen;

146.  is ontstemd over het feit dat, net zoals in de voorgaande jaren, het foutenpercentage 3,7 punt lager, dit is 1,1 % had kunnen zijn indien de lidstaten alle beschikbare informatie hadden gebruikt om de fouten bij de eerste controles te voorkomen, of op te sporen en te corrigeren, alvorens de uitgaven bij de Commissie te declareren;

147.  is bezorgd over het feit dat, jaren na de start van de programmeringsperiode 2014-2020, de lidstaten nog maar 77 % van de programma-autoriteiten hebben aangewezen die verantwoordelijk zijn voor de fondsen voor het cohesiebeleid; dat de Commissie per 1 maart 2017 de definitieve rekeningen ontving met uitgaven die slechts 0,7 % van de aan de volledige programmeringsperiode toegewezen begroting vertegenwoordigden; en dat er medio 2017 sprake was van grotere vertragingen in de uitvoering van de begroting dan op hetzelfde moment in de periode 2007-2013; merkt op dat de nog te betalen vastleggingen aan het eind van de huidige financieringsperiode bijgevolg zelfs hoger zouden kunnen zijn dan in de vorige periode;

148.  waardeert dat het hoofdstuk over economische, sociale en territoriale samenhang tevens een hoofdstuk omvat over de prestaties van de projecten; betreurt evenwel dat dit onderdeel grotendeels gericht is op kwantitatieve informatie, d.w.z. het aantal bestaande prestatiemeetsystemen;

Acties op het gebied van financiële instrumentering

149.  herinnert eraan dat de samenvatting van de gegevens over de vorderingen bij de financiering en uitvoering van acties op het gebied van financiële instrumentering in 2016 pas op 20 september 2017 werd gepubliceerd, waardoor de Rekenkamer geen commentaar op het document kon geven;

150.  wijst op de belangrijkste cijfers voor 2016:

   a) 25 lidstaten maken gebruik van acties op het gebied van financiële instrumentering, waarbij 25 deze gebruiken voor de ondersteuning van ondernemingen, 11 voor stadsontwikkeling en 9 voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;
   b) in de hele Unie zijn er 1 058 acties op het gebied van financiële instrumentering, waarvan 77 holdingfondsen en 981 specifieke fondsen;
   c) 89 % van deze acties op het gebied van financiële instrumentering verleent steun aan ondernemingen, 7 % aan stadsontwikkeling en 4 % aan energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;
   d) de betalingen aan acties op het gebied van financiële instrumentering belopen 16,4 miljard EUR, waarvan 11,3 miljard EUR aan de structuurfondsen;
   e) de betalingen aan eindontvangers belopen 15,2 miljard EUR, waarvan 10,1 miljard EUR bij de structuurfondsen, d.w.z. 93 % van de totale betalingen aan acties op het gebied van financiële instrumentering;
   f) op basis van de 81 % acties op het gebied van financiële instrumentering die verslag hebben uitgebracht, bedroegen de beheerskosten en vergoedingen in totaal 0,9 miljard EUR of 6,7 % van de totale betalingen aan de betrokken acties op het gebied van financiële instrumentering;
   g) 8,5 miljard EUR aan middelen zijn teruggestort;
   h) 314 000 eindontvangers ontvingen steun;

151.  wijst erop dat het gebruik van acties op het gebied van financiële instrumentering met de jaren en financieringsperioden drastisch is toegenomen, waardoor de financiering van de structuurfondsen complexer is geworden en er bijgevolg meer risico's inzake democratische verantwoordingsplicht zijn ontstaan; merkt op dat naar verwachting 20,1 miljard EUR van het EFRO en het CF tegen eind 2020 via financieringsinstrumenten zal worden uitgevoerd;

152.  is in dit verband bezorgd over het feit dat de nationale controleautoriteiten onvoldoende aandacht besteden aan de uitvoering van acties op het gebied van financiële instrumentering;

153.  constateert dat 63 % (675) van de acties op het gebied van financiële instrumentering werd gestart in Polen (247), Frankrijk (152), Hongarije (139) en Italië (137);

154.  betreurt dat 6,7 % van de totale betalingen aan de betrokken acties op het gebied van financiële instrumentering (900 miljoen EUR) bestemd was voor beheerskosten en vergoedingen; acht dit bedrag onevenredig hoog;

155.  merkt op dat er in de rapportage van gegevens een aantal fouten en tegenstrijdigheden blijft voorkomen; wijst erop dat het hierbij gaat om kleine maar significante hoeveelheden operationele programmamiddelen die werden vastgelegd in de financieringsovereenkomsten maar bij de afsluiting niet werden betaald aan de acties op het gebied van financiële instrumentering, en om een toename van zowel de betaling van vastgelegde bedragen aan een aantal acties op het gebied van financiële instrumentering na 31 december 2015, als in sommige gevallen van hogere betalingen aan de eindontvangers dan aan de acties op het gebied van financiële instrumentering(82);

Jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO)

156.  wijst ook op het feit dat in de evaluatie achteraf van EFRO-CF wordt aangegeven dat de regionale convergentie tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 weliswaar onvoldoende was, maar dat er zonder cohesiebeleid sprake zou zijn geweest van divergentie, aangezien de financiële crisis van 2007-2008 een ongunstig klimaat creëerde voor investeringen en convergentie;

157.  benadrukt dat de conclusies met betrekking tot prestaties beperkt blijven, aangezien dit een meer omvattende evaluatie van de door de programma's van de periode 2007-2013 verstrekte gegevens vergt, die in augustus 2017 had moeten zijn afgerond; verzoekt de Commissie de Commissie begrotingscontrole te informeren over de resultaten van deze evaluatie;

158.  constateert dat de Commissie voor de uitvoering van de financieringsperiode 2014-2020 meldt dat meer dan 50 000 projecten werden geselecteerd voor een totale investering van 64,1 miljard EUR, dat 45 000 samenwerkingsprojecten tussen ondernemingen en onderzoeksinstellingen tot stand zijn gebracht, en dat meer dan 380 000 kmo's steun hebben ontvangen uit de cohesiemiddelen, wat heeft geleid tot het creëren van meer dan 1 000 000 banen;

159.  constateert dat de Commissie tevens meldt dat voor dezelfde financieringsperiode meer dan 75 miljard EUR uit het EFRO en het CF bestemd was om de doelstellingen van de energie-unie en de aanpassing aan de klimaatverandering te ondersteunen, en dat bovendien meer dan 5 000 projecten werden geselecteerd ter ondersteuning van de koolstofarme economie;

160.  wijst op onderstaande tabel, die de totale goedgekeurde vastleggings- en betalingskredieten voor 2016 weergeeft:

2016, in miljoen EUR

Goedgekeurde vastleggings­kredieten

Goedgekeurde betalings­kredieten

Administratieve uitgaven op het beleidsterrein "Regionaal beleid en stadsontwikkeling"

16,75

24,52

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en andere regionale acties

27 163,16

22 911,83

Cohesiefonds (CF)

8 775,98

7 456,71

Instrument voor pretoetredingssteun – Regionale ontwikkeling en regionale en territoriale samenwerking

54,14

522,95

Solidariteitsfonds

81,48

68,48

Totaal

36 091,51

30 984,47

161.  merkt evenwel op dat deze statistische gegevens weinig informatie verstrekken over de duurzaamheid en de resultaten van deze projecten;

162.  wijst op het grote belang van ex‑antevoorwaarden, ter vaststelling van sectorspecifieke en horizontale voorwaarden om doeltreffende besteding van ESI-fondsen te waarborgen; zodra aan de ex-antevoorwaarden is voldaan, en de 10 % inhouding op de betalingen uit hoofde van de herziene verordening is doorgevoerd, zal de uitvoering van projecten eenvoudiger zijn en minder gevoelig voor fouten; wijst er echter op dat de Rekenkamer zich in haar Speciaal verslag 15/2017 afvraagt in hoeverre dit effectief heeft geleid tot veranderingen ter plaatse;

163.  betreurt dat eind 2016 slechts 87 % (181 van de 209) van de certificerende instanties was aangewezen, en dat geen enkele instantie was aangewezen voor 28 hoofdprogramma's (in Oostenrijk was slechts voor 1 programma een instantie aangewezen, in België slechts voor 2, in Duitsland slechts voor 8, in Finland slechts voor 1, in Frankrijk slechts voor 2, in Ierland slechts voor 2, in Italië slechts voor 6, in Roemenië slechts voor 4, in Slowakije slechts voor 1 en in het Verenigd Koninkrijk slechts voor 1);

164.  constateert met verbazing dat de grootste moeilijkheden in de aanwijzingsprocedure verband hielden met het opzetten van IT-systemen om de nieuwe elementen van de programmeringsperiode 2014-2020 op het vlak van verslaglegging te integreren, en met het opstellen van procedures om te zorgen voor een degelijk toezicht van de beheersautoriteiten op de bemiddelende instanties;

165.  betreurt bovendien dat over het algemeen slechts 26,1 % van de projecten werd geselecteerd en dat eind 2016 slechts 3,7 % van de beschikbare middelen uit de structuurfondsen was opgenomen, terwijl het selectieproces in 2017 werd versneld; wijst erop dat de trage start kan leiden tot een groot aantal nog te betalen vastleggingen aan het eind van de huidige financieringsperiode; verzoekt de Commissie om verdere inspanningen te leveren om de administratieve capaciteit van de nationale, regionale en lokale autoriteiten te versterken;

166.  benadrukt dat de projectselectie bijzonder traag verliep in Spanje, Cyprus, Roemenië, Oostenrijk, de Tsjechische Republiek, Kroatië en Slowakije;

167.  merkt op dat voor de meeste operationele programma's (247 van de 295) bijgevolg geen bedragen op de rekeningen werden gecertificeerd ("nulrekeningen") aangezien tot 31 juli 2016 geen uitgaven werden gedeclareerd;

168.  is tevreden dat de Commissie op basis van de voorlopige controleadviezen betreffende de ontvangen zekerheidspakketten geen materiële onnauwkeurigheden heeft ontdekt;

169.  is evenwel bezorgd over het feit dat 7 van de 9 controles van de Commissie bij operationele programma's of gebieden met een hoog risico ernstige tekortkomingen aan het licht hebben gebracht (in Hongarije, vervoer, elektronisch beheer en uitvoering van operationele programma's; in Italië, het Reti e mobilità, istruzione, prioriteit 3 en de operationele programma's voor technische bijstand; in Roemenië, de operationele programma's voor concurrentievermogen en milieu);

170.  merkt op dat 278 van de 322 beheers- en controlesystemen een goedkeurend oordeel of een oordeel met matige impact hebben gekregen, en dat de Commissie in 40 gevallen een oordeel met aanzienlijke impact heeft afgeleverd;

171.  merkt op dat de Commissie heeft berekend dat het totale risicobedrag bij betaling tussen 644,7 en 1 257,3 miljoen EUR bedraagt, en dat zij in het kader van haar toezichthoudende rol in 2016 voor 481 miljoen EUR financiële correcties heeft uitgevoerd;

172.  merkt op dat de Commissie het totale gemiddelde foutenpercentage voor betalingen in 2016 voor de programma's 2007-2013 van het EFRO/CF tussen 2,2 % en 4,2 % heeft geschat, en het restfoutenpercentage bij afsluiting op ongeveer 0,4 %; onderstreept dat "Cohesie" ook in 2016 de grootste bijdrage aan het geschatte foutenpercentage heeft geleverd, gevolgd door "Natuurlijke hulpbronnen", "Concurrentievermogen" en "Europa als wereldspeler"; verzoekt de Commissie met de lidstaten te blijven samenwerken om hun beheers- en controlesystemen te verbeteren en gebruik te blijven maken van de beschikbare wettelijke toezichtinstrumenten om te waarborgen dat alle materiële fouten worden gecorrigeerd;

173.  merkt op dat de Commissie 68 punten van voorbehoud voor de vorige financieringsperiode en 2 punten van voorbehoud voor de huidige financieringsperiode heeft gemaakt;

Specifieke kwesties

Griekenland

174.  is ingenomen met de inspanningen van DG REGIO om vorderingen te maken met de lijst van prioritaire projecten in Griekenland;

175.  is in dit verband ingenomen met:

   a) de invoering van vier snelwegconcessies (Athene-Thessaloniki, Korinthe-Tripoli-Kalamata, Korinthe-Patras en Patras-Ioannina, die samen meer dan 1 000 km weg bestrijken), die nu operationeel zijn en door de gebruikers ten zeerste worden gewaardeerd,
   b) het programma "energiebesparing bij huishoudens" (combinatie van acties op het gebied van financiële instrumentering en subsidies), dat de energie-efficiëntie in 46 000 huishoudens heeft verbeterd en goed was voor 6 000 nieuwe banen; de vraag was zo groot dat onmiddellijk een vervolgprogramma voor de periode 2014-2020 werd opgericht,
   c) financiële instrumenten, met name JEREMIE, waardoor meer dan 20 000 banen konden worden gecreëerd of behouden,
   d) het project betreffende elektronische voorschriften voor geneesmiddelen, dat maandelijks meer dan 5,5 miljoen elektronische voorschriften en 2,4 miljoen diagnoseverzoeken beheert, waarbij 13 000 apotheken en 50 000 artsen zijn betrokken, en dat heeft geleid tot aanzienlijke kostenbesparingen voor de Griekse gezondheidszorgbegroting;

176.  betreurt anderzijds dat:

   a) de metroprojecten in Athene (verlenging van lijn 3 tot Piraeus) en Thessaloniki (hoofdlijn) ernstige vertraging hebben opgelopen, waardoor ze ook nog moesten worden opgenomen in de programmeringsperiode 2014-2020;
   b) een aantal belangrijke projecten in de spoorwegsector, de digitale sector en de energiesector is geannuleerd of vertraging heeft opgelopen, waardoor ze geheel of nog gedeeltelijk moesten worden opgenomen in de programmeringsperiode 2014‑2020;
   c) een groot deel van de infrastructuur voor de verwerking van afvalwater en vaste afvalstoffen nog moet worden voltooid;

177.  is ingenomen met het feit dat OLAF zijn administratief onderzoek naar het Tsjechische "ooievaarsnest"-project heeft afgerond; neemt kennis van het feit dat het OLAF-dossier is bekendgemaakt in de Tsjechische media; betreurt dat OLAF ernstige onregelmatigheden heeft geconstateerd;

178.  verzoekt DG REGIO de betrokken medefinanciering van de Unie, namelijk 1,67 miljoen EUR, terug te vorderen en de nodige sancties op te leggen;

179.  merkt op dat het "ooievaarsnest"-project met ingang van 25 januari 2018 door de Tsjechische Republiek aan Uniefinanciering is onttrokken en dat het project, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, in de Tsjechische Republiek reeds aan rechterlijke toetsing is onderworpen;

180.  is bezorgd over de vaststelling door de Commissie dat in Hongarije het percentage van gegunde opdrachten waarbij slechts één bod is uitgebracht 36 % bedraagt; wijst erop dat het gemiddelde in de Unie 17 % is; roept de Commissie op concurrentie in de aanbestedingsprocedures te bevorderen;

181.  is ingenomen met de positieve beoordeling van het mechanisme voor samenwerking en toetsing voor Bulgarije en Roemenië dat tien jaar bestaat(83); is bezorgd dat onlangs een stap terug is gezet in de bestrijding van corruptie op hoog niveau in Bulgarije en Roemenië; verzoekt de Commissie de rechtshandhavings- en corruptiebestrijdingsautoriteiten in beide lidstaten te steunen en aan te moedigen; benadrukt dat het agentschap voor corruptiebestrijding in Roemenië op het gebied van het oplossen van corruptiezaken op middelhoog en hoog niveau indrukwekkende resultaten heeft behaald; onderstreept dat het met het oog op de versterking van de corruptiebestrijding van het grootste belang is om deze inspanningen voort te zetten;

182.  veroordeelt de recente misdaad tegen een Slowaakse journalist, die mogelijk verband houdt met zijn onderzoekswerk; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement op de hoogte te stellen van de landbouwfondsen van de Unie in Slowakije;

183.  merkt op dat OLAF ook een administratief onderzoek heeft afgerond betreffende een lening die de Europese Investeringsbank (EIB) aan de Volkswagengroep heeft verstrekt;

184.  neemt kennis van een verklaring van de president van de EIB, de heer Werner Hoyer, waarin hij stelt: "Wij kunnen nog steeds niet uitsluiten dat een van onze leningen – de lening "Volkswagen Antrieb RDI" van 400 miljoen EUR – verband houdt met emissiecontroletechnologie die werd ontwikkeld op het ogenblik dat de sjoemelsoftware werd ontworpen en gebruikt. Wij zullen de conclusies van OLAF analyseren en elke mogelijke en passende actie overwegen. [...] Wij zijn zeer teleurgesteld over wat wordt beweerd in het onderzoek van OLAF, namelijk dat de EIB door VolksWagen werd misleid in verband met het gebruik van de sjoemelsoftware.";

Jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (DG EMPL)

185.  merkt op dat DG EMPL erop wijst dat het als volgt bijdraagt aan de Europa 2020-doelstellingen:

   a) de arbeidsparticipatie in de Unie voor personen in de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar bedroeg 71,2 % in het derde kwartaal van 2016; dit percentage is nu voor het eerst hoger dan dat van 2008 (70,3 %) en het streefcijfer van de Europa 2020-strategie kan worden gehaald indien de trend zich voortzet;
   b) de totale werkloosheid blijft dalen en bedraagt nu minder dan 10 % voor zowel de Unie als de eurozone; de werkloosheid onder jongeren en de langdurige werkloosheid blijven evenwel grote uitdagingen voor de Unie, ondanks de geconstateerde daling van respectievelijk 19,5 % in december 2015 tot 18,6 % in december 2016, en van 4,3 % in het derde kwartaal van 2015 tot 3,8 % in het derde kwartaal van 2016;
   c) het economisch herstel, dat in 2013 begon, is ook gepaard gegaan met een gestage, zij het onvoldoende, afname van de armoede, gemeten aan de hand van het percentage mensen dat het risico loopt in armoede terecht te komen dat is gedaald van 24,7 % in 2012 tot 23,7 % in 2015, maar het herstel bereikt nog steeds niet alle delen van de samenleving en in 2016 liepen 118 miljoen mensen het risico in armoede en sociale uitsluiting terecht te komen (1,7 miljoen mensen meer dan in 2008), waardoor het Europese streefdoel voor 2020 inzake armoede en sociale uitsluiting nog bij lange na niet wordt gehaald;
   d) investeringen ter verbetering van de geografische en beroepsmobiliteit, in combinatie met het aanpakken van mogelijke verstoringen en misbruik, hebben bijgedragen tot een geleidelijke stijging van de mobiliteit binnen de Unie tot 3,6 % van de bevolking in 2015;

186.  betreurt evenwel dat de ongelijke inkomensverdeling tussen 2013 en 2014 is toegenomen en sindsdien weliswaar in algemene zin stabiel is gebleven, maar in sommige gevallen blijft toenemen; maakt zich er zorgen over dat de rijkste 20 % van de bevolking in 2016 een circa vijf keer hoger besteedbaar inkomen had dan de armste 20 %, met grote verschillen tussen de landen (en een toenemende ongelijkheid in sommige landen);

187.  is ingenomen met de evaluatie achteraf van de programmeringsperiode 2007-2013 voor het ESF, die op 12 december 2016 werd afgerond; merkt op dat uit de evaluatie blijkt dat eind 2014 minstens 9,4 miljoen inwoners in Europa een baan hadden gevonden met steun van het ESF, 8,7 miljoen personen een kwalificatie of diploma hadden behaald, en 13,7 miljoen deelnemers andere positieve resultaten zoals hogere vaardighedenniveaus vermeldden; merkt op dat het ESF volgens macro-economische simulaties ook een positief effect had op het bruto binnenlands product (bbp) van de 28 lidstaten (toename van 0,25 %) en op de productiviteit;

188.  merkt op dat dergelijke kwantitatieve gegevens inderdaad een positieve trend laten zien maar weinig zeggen over de prestaties en de duurzaamheid van de maatregelen;

189.  uit scherpe kritiek op DG EMPL omdat het de voorstellen van het directoraat voor de landenspecifieke aanbevelingen niet heeft gepubliceerd, ondanks het feit dat het Parlement dit reeds meermaals heeft gevraagd;

190.  wijst op onderstaande tabel, die de totale goedgekeurde vastleggings- en betalingskredieten voor 2016 weergeeft:

2016, in miljoen EUR

Goedgekeurde vastleggings­kredieten

Goedgekeurde betalings­kredieten

Europees Sociaal Fonds (ESF) en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI)

12 438,2

8 132

Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD)

534,7

278

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

27,6

27,6

Instrument voor pretoetredingssteun (IPA) – Ontwikkeling van het menselijk potentieel (IPA-HRD)

0

82,3

Direct beheer (programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie, programma Rechten, gelijkheid en burgerschap, Erasmus+) en agentschappen

289

275

Totaal

13 290

8 795

191.  is ingenomen met het feit dat DG EMPL een methode heeft ontwikkeld om de prestaties van de programma's jaarlijks te beoordelen, maar heeft twijfels over de informatieve waarde van criteria als "goed", "aanvaardbaar" en "slecht";

192.  is bezorgd over het feit dat in maart 2017 slechts 87 % van de certificerende autoriteiten was aangewezen;

193.  is ingenomen met het feit dat DG EMPL voor 15 februari 2017 een volledig zekerheidspakket heeft ontvangen, inclusief de rekeningen, het jaarlijkse controleverslag en de controleadviezen betreffende de rekeningen, het beheers- en controlesysteem en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, de betrouwbaarheidsverklaring en de jaarlijkse samenvatting voor alle programma's; merkt op dat DG EMPL over het algemeen slechts kleine opmerkingen had en de jaarrekening aanvaardde;

194.  is tevens ingenomen met het feit dat DG EMPL tegen eind 2016 zijn meerjarig controleplan had voltooid, waarbij 89 van de 92 controleautoriteiten zijn gecontroleerd, wat betrekking had op 115 van de 118 operationele programma's;

195.  merkt op dat DG EMPL in 2016 financiële correcties voor een bedrag van 255,8 miljoen EUR heeft uitgevoerd, dat het totale gecumuleerde goedgekeurde of vastgestelde bedrag van de financiële correcties voor de programmeringsperiode 2007‑2013 eind 2016 1 454 miljoen EUR bedroeg, en dat de lidstaten voor dezelfde periode financiële correcties voor een bedrag van 2 253,8 miljoen EUR rapporteerden;

196.  betreurt dat DG EMPL de volgende punten van voorbehoud heeft gehandhaafd of gemaakt met betrekking tot:

   a) de beheer- en controlesystemen voor één operationeel programma van het ESF in Italië voor de programmeringsperiode 2000-2006 (reputationeel voorbehoud);
   b) de beheer- en controlesystemen voor 23 specifieke operationele programma's van het ESF voor de programmeringsperiode 2007-2013; and
   c) de beheer- en controlesystemen voor 3 operationele programma's van het ESF of het YEI en 1 van het FEAD voor de programmeringsperiode 2014-2020;

197.  merkt op dat het geschatte totale risicobedrag voor de betrokken uitgaven in 2016 279 miljoen EUR beloopt;

Specifieke kwesties

Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI)

198.  is in kennis gesteld van de eerste bevindingen van een studie naar de uitvoering van het YEI, waarin wordt vermeld dat:

   a) eind 2016 het aantal jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) en die hebben deelgenomen aan door het YEI ondersteunde projecten die bedoeld zijn om hun vaardigheden te verbeteren of werkervaring op te doen, is verdrievoudigd ten opzichte van eind 2015 (1,3 miljoen ten opzichte van 0,5 miljoen);
   b) onder hen, 712 000 werkloze en inactieve deelnemers die geen onderwijs of opleiding volgen, een door het YEI gefinancierde actie hebben voltooid; meer dan de helft van hen (ongeveer 346 000 werkloze en inactieve deelnemers die geen onderwijs of opleiding volgen) een positief resultaat heeft geboekt, aangezien ze na de actie onderwijs of een opleiding zijn gaan volgen, een kwalificatie hebben verworven of aan het werk zijn (sommigen ook als zelfstandige);
   c) in Italië uit een contrafeitelijke evaluatie is gebleken dat nieuwe innovatieve beleidsmaatregelen die grotendeels door het YEI worden gesteund, de arbeidskansen van jongeren met 7,8 % hebben doen toenemen, ondanks de aanzienlijke regionale verschillen, waaruit blijkt dat zich grote problemen voordoen op de terreinen waar de jeugdwerkloosheid het hoogst is;

199.  merkt verder op dat:

   a) Italië en Spanje een aanzienlijk aantal NEET's via YEI acties hebben geactiveerd, maar dat de werkloosheid onder jongeren in die landen nog steeds hoog blijft;
   b) Slowakije de focus heeft verlegd van jongerenregelingen bij de overheid naar meer doeltreffende maatregelen zoals een groter aanbod van beroepsopleiding;
   c) in Italië uit een contrafeitelijke evaluatie is gebleken dat nieuwe innovatieve beleidsmaatregelen die grotendeels door het YEI worden gesteund, de arbeidskansen van jongeren met 7,8 % hebben doen toenemen, ondanks de aanzienlijke regionale verschillen;
   d) in Portugal, door het YEI medegefinancierde programma's voor ondernemerschap succesvoller bleken dan maatregelen in het hoger onderwijs;
   e) Griekenland heeft aangegeven dat het zijn vouchersysteem voor jongerenbanen en opleiding moet herzien;
   f) in Polen 62 % van de YEI-deelnemers een werkaanbieding, opleiding of onderwijs heeft gekregen, waarbij de deelnemers over het algemeen zeer tevreden waren;

200.  betreurt niettemin dat amper 30 % van de beschikbare middelen werd gebruikt, met name voor initiële voorfinanciering en tussentijdse betalingen;

201.  is ingenomen met het feit dat tegen oktober 2017 alle lidstaten waarop de ex-antevoorwaarden inzake de Roma van toepassing zijn (Oostenrijk, België, Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije en Spanje) aan deze voorwaarden hadden voldaan en dus beschikten over een nationale strategie voor de integratie van de Roma;

202.  merkt op dat voor de programmeringsperiode 2014-2020 twee investeringsprioriteiten van het ESF rechtstreeks non-discriminatie en integratie van de Roma aanpakken (zie onderstaande tabel):

Investeringsprioriteit (IP)

Lidstaten die de IP hebben gekozen

Financiële toewijzing

(miljoen EUR)

Bestrijding van alle vormen van discriminatie en bevordering van gelijke kansen

11 lidstaten (BE, CY, CZ, DE, ES, FR, GR, IE, PL, PT en SK)

447

Sociaal-economische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma

12 lidstaten (AT, BE, BG, CZ, ES, FR, GR, HU, IT, PL, RO en SK)

1 600

Het merendeel van de financiering (1,2 miljoen EUR) is geconcentreerd in de volgende landen: BG, CZ, HU en RO

203.  merkt op dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, hoewel de maximale jaarbegroting 150 miljoen EUR bedroeg, slechts 28 miljoen EUR aan vastleggingen uit de reserve in 2016 heeft besteed, wat ten goede is gekomen aan acht lidstaten;

Te nemen maatregelen

204.  verzoekt de lidstaten en de Commissie in de financiële periode na 2020 meer aandacht te besteden aan:

   a) het creëren van meerwaarde voor de Unie via het cohesiebeleid;
   b) de versterking van de coördinatie tussen cohesie, economisch bestuur en het Europees semester, onder meer door middel van positieve stimulansen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid ter bestrijding van ongelijkheden en ongelijkheden, zoals vastgelegd in de Verdragen, binnen de drie dimensies – economisch, sociaal en territoriaal;
   c) het uitwerken van een systeem waardoor de middelen uit het cohesiefonds vooral naar de regio's gaan die deze het meest nodig hebben;
   d) het bieden van strategische administratieve ondersteuning aan regio's die moeite hebben om de financiering op te nemen;
   e) het opstellen van één stel regels voor de structuurfondsen;
   f) het boeken van vooruitgang met het oog op de invoering van het beginsel van één enkele controle;
   g) een snellere uitvoering van programma's en projecten, met het oog op de naleving van de financiële periode van zeven jaar (n +3);
   h) nationale controleautoriteiten in staat stellen de financieringsinstrumenten in de Uniebegroting te controleren, het aantal financieringsinstrumenten te verminderen en strengere rapportageregels in te voeren voor fondsbeheerders, met inbegrip van de EIB-groep en andere internationale financiële instellingen, inzake prestaties en bereikte resultaten, met het oog op het vergroten van de transparantie en de verantwoordingsplicht;
   i) het in aanmerking nemen van lessen die uit de huidige periode zijn getrokken en de behoefte aan meer vereenvoudiging om een evenwichtig systeem te creëren, waarbij het bereiken van resultaten en een gezond financieel beheer wordt gewaarborgd, zonder buitensporige administratieve lasten die mogelijke begunstigden zouden ontmoedigen en tot meer fouten zouden leiden;
   j) het geografische en sociale evenwicht, opdat de investeringen worden gedaan waar zij het meest nodig zijn;

205.  dringt erop aan dat DG REGIO en DG EMPL hun voorstellen voor de landenspecifieke aanbevelingen opnemen in hun respectief jaarlijks activiteitenverslag, zoals het Parlement reeds meermaals heeft gevraagd;

206.  verzoekt DG REGIO:

   a) verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement over de verschillende lopende OLAF-dossiers wanneer de daarmee samenhangende gerechtelijke procedures zijn afgesloten;
   b) in het kader van de follow‑up van de kwijting aan de Commissie voor 2016 aan de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen over de vorderingen van alle bovengenoemde projecten;

207.  verzoekt de EIB onverwijld de bevindingen van OLAF te analyseren en de nodige conclusies te trekken; verzoekt de EIB het Parlement in te lichten over haar conclusies en de genomen maatregelen;

208.  verzoekt de Commissie het gebruik van de vereenvoudigde kostenopties, ingevoerd met de verordening inzake de herziening van het Financieel Reglement, aan te moedigen;

209.  verzoekt DG EMPL gehoor te geven aan de aanbeveling van de IAS met betrekking tot de snelle uitvoering van de controlestrategie voor de ESI-fondsen en het Parlement te informeren wanneer dit gebeurd is;

210.  verzoekt de Commissie om de regels verder te vereenvoudigen en de administratieve lasten te verminderen om het foutenpercentage nog verder te doen dalen;

Natuurlijke hulpbronnen

Kernprestatie-indicatoren (KPI's) en een eerlijk GLB

211.  wijst erop dat volgens het jaarlijks activiteitenverslag van DG AGRI (blz. 15 – KPI 1: landbouwfactorinkomen per voltijdwerker), de toegevoegde waarde en de productiviteit van de sector in 2016 opnieuw lichtjes zijn gedaald, en dat het voor DG AGRI moeilijk is om aan te geven wat precies de oorzaak is van de algemene daling van het factorinkomen sinds 2013;

212.  herinnert eraan dat KPI 4 betreffende de arbeidsparticipatie bij plattelandsontwikkeling niet relevant is, aangezien de arbeidsparticipatie bij plattelandsontwikkeling niet uitsluitend wordt beïnvloed door GLB-maatregelen;

213.  betreurt dat de Commissie geen gehoor heeft gegeven aan de aanbevelingen van het Parlement in zijn resolutie bij de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 om KPI 4 anders te definiëren "om de specifieke effecten van de GLB-maatregelen op de werkgelegenheid in die gebieden te benadrukken";

214.  wijst erop dat in 2016 aan 51 % van de begunstigden van rechtstreekse betalingen minder dan 1 250 EUR werd toegekend, wat neerkomt op 4 % van het totaalbedrag van de rechtstreekse betalingen(84);

215.  herhaalt zijn opmerkingen(85) over de structuur van de GLB-uitgaven, die niet duurzaam is: 44,7 % van alle landbouwbedrijven in de Unie heeft een jaarlijks inkomen van minder dan 4 000 EUR, en ongeveer 60 % van de betalingen ging in 2016 naar gemiddeld de eerste 10 % van de begunstigden van rechtstreekse GLB-steun(86); merkt op dat de verdeling van de rechtstreekse betalingen in ruime mate de concentratie van land weerspiegelt, aangezien 20 % van de landbouwers 80 % van het land bezit; (antwoord op schriftelijke vraag 17 van de hoorzitting van de Commissie begrotingscontrole met commissaris Hogan op 28 november 2017); is bezorgd over de hoge concentratie begunstigden en benadrukt dat er een beter evenwicht tussen grote en kleine begunstigden moet worden gevonden;

216.  merkt op dat ongeveer 72 % van de steun wordt betaald aan landbouwbedrijven van tussen 5 en 250 hectare, waarbij het meestal om familiebedrijven gaat;

217.  verzoekt DG AGRI in het volgende MFK doelstellingen met indicatoren vast te stellen om de inkomensverschillen tussen landbouwbedrijven te verminderen;

218.  herhaalt zijn standpunt dat rechtstreekse betalingen hun rol als vangnet om de landbouwinkomens te stabiliseren niet volledig kunnen vervullen, met name voor kleinere landbouwbedrijven, gezien de onevenwichtige verdeling van de betalingen;

219.  is van mening dat landbouwbedrijven met een groter inkomen in tijden van inkomensschommelingen niet noodzakelijkerwijs evenveel steun nodig hebben om de landbouwinkomens te stabiliseren als kleinere bedrijven, aangezien zij kunnen profiteren van schaalvoordelen waardoor ze waarschijnlijk weerbaarder zijn, en raadt dus aan dat de Commissie een glijdende schaal toepast om het evenwicht te herstellen, met lagere subsidies naarmate het landbouwbedrijf groter is;

220.  verzoekt de Commissie om de procedure en de documenten die nodig zijn om toegang te krijgen tot de financiering echt te vereenvoudigen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de beginselen van controle en toezicht; verzoekt om bijzondere aandacht te schenken aan de administratieve ondersteuning van kleine producenten, voor wie de financiering een absolute voorwaarde is om de productie voort te kunnen zetten;

Foutenpercentage

221.  wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor de rubriek natuurlijke hulpbronnen in zijn geheel op 2,5 % heeft geschat (2,9 % in 2015 en 3,6 % in 2014); is verheugd over de positieve ontwikkeling van het foutenpercentage, maar merkt weliswaar op dat het cijfer voor 2016 boven de materialiteitsdrempel ligt;

222.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer in haar beoordeling van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) stelt dat de betalingen voor marktondersteuning en rechtstreekse steun in 2016 geen materiële fouten vertonen, waarbij het meest waarschijnlijke foutenpercentage door de Rekenkamer wordt geschat op 1,7 % (2,2 % in 2015);

223.  benadrukt dat de Rekenkamer minder fouten constateerde als gevolg van door de landbouwer te hoog aangegeven of niet-subsidiabel land, wat het gevolg is van de invoering van een nieuwe, meer flexibele definitie van blijvend grasland, de verwezenlijking van actieplannen om de kwaliteit van de gegevens in het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) te verbeteren, en het nieuwe online geospatiale systeem om aanvragen in te dienen;

224.  merkt op dat de betalingen voor vergroening een bron van fouten waren die betrekking hadden op 17 % van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage, en dat de fouten vooral verband hielden met de eisen inzake het ecologisch aandachtsgebied, hoewel het foutenpercentage voor ELGF onder de materialiteitsdrempel lag; is in dit verband verheugd over de daling van het foutenpercentage voor ELFG tot 1,7 %;

225.  wijst erop dat de Rekenkamer ook tekortkomingen constateerde bij de bescherming van blijvend grasland, waarbij de Tsjechische Republiek en Polen geen historische gegevens hebben om te controleren of is voldaan aan de verplichting dat bouwland gedurende vijf opeenvolgende jaren met gras moet zijn bezaaid, terwijl Duitsland, Frankrijk, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk geen volledig betrouwbare classificatie hadden voor blijvend grasland;

226.  onderstreept de positieve trend in de foutenpercentages van de Rekenkamer ondanks de ontwikkeling van de risicobedragen die DG AGRI in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen meldt, namelijk van 1,38 % in 2015 naar 1,996 % in 2016 (marktmaatregelen met een foutenpercentage van 2,85 % niet inbegrepen) en 4 % voor beide begrotingsjaren voor plattelandsontwikkeling; begrijpt dat hiermee geen statistisch significante afwijkingen worden weergegeven;

227.  betreurt dat de betalingen voor plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij in 2016 materiële fouten vertoonden, waarbij het meest waarschijnlijke foutenpercentage wordt geschat op 4,9 % (5,3 % in 2015); merkt op dat, indien alle informatie waarover de nationale autoriteiten beschikken was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte foutenpercentage 1,5 procentpunt lager zou zijn geweest;

228.  merkt op dat bij plattelandsontwikkeling drie van de grootste subsidiabiliteitsfouten werden veroorzaakt door begunstigden die niet aangaven dat zij werden beheerd door, gezamenlijk subsidie aanvroegen met of kochten van gelieerde bedrijven, wat een inbreuk vormt op nationale of EU-regels (jaarverslag 2016 Rekenkamer, punt 7.26);

Beheer- en controlesystemen

229.  wijst erop dat de directeur-generaal van DG AGRI in zijn jaarlijks activiteitenverslag een voorbehoud heeft gemaakt bij de rechtstreekse betalingen met betrekking tot 18 betaalorganen in 12 lidstaten, en dat het bedrag dat wordt beheerd door de betaalorganen waarvoor een voorbehoud is gemaakt en versterkt toezicht geldt, wordt geschat op 13 618,6 miljoen EUR, waarbij het feitelijke risicobedrag voor de uitgaven onder voorbehoud 541,2 miljoen EUR is;

230.  benadrukt dat er tekortkomingen zijn geconstateerd in met name het beheer- en controlesysteem van Hongarije (betreffende de te late beheersverklaring van het betaalorgaan en tekortkomingen in de vergroeningsbetalingen), Bulgarije (betreffende vergroening en de biologische status van landbouwers), Polen (betreffende vergroeningsbetalingen) en Italië (betreffende tekortkomingen bij het correct bepalen van de subsidiabiliteit van grond en een actieve landbouwer);

231.  betreurt de recente fraudegevallen met betrekking tot de betaalorganen in Italië; verzoekt de Commissie om actief toe te zien op de situatie en om het Parlement te informeren over de follow-up van de kwijtingsprocedure;

232.  verzoekt de Commissie de op 8 januari 2016 ingeleide conformiteitsgoedkeuringsprocedure om gedetailleerde en precieze informatie te krijgen over het risico van een belangenconflict met betrekking tot het landelijk interventiefonds voor de landbouw in de Tsjechische Republiek te bespoedigen; neemt kennis van het feit dat, als een belangenconflict niet wordt verholpen, de accreditering van het betaalorgaan uiteindelijk kan worden ingetrokken door de bevoegde instantie of financiële correcties kunnen worden opgelegd door de Commissie; verzoekt de Commissie het Parlement onverwijld op de hoogte te brengen als aan het eind van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure informatie over mogelijke gevallen van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden door OLAF aan DG AGRI zou worden overgelegd;

Betrouwbaarheid van door de lidstaten verstrekte gegevens

233.  wijst erop dat, aangezien de beheer- en controlesystemen van sommige lidstaten tekortkomingen vertonen, DG AGRI de gemelde controlestatistieken aanpast, voornamelijk op basis van controles die de Commissie en de Rekenkamer de laatste drie jaar hebben verricht en van het advies van de certificerende instantie voor het desbetreffende boekjaar;

234.  wijst erop dat, ondanks het feit dat de certificeringsinstanties van de lidstaten sinds 2015 de plicht hebben zich te vergewissen van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen:

   a) voor marktmaatregelen, DG AGRI correcties heeft aangebracht bij in totaal 32 regelingen (d.i. minder dan 20 % van het totale aantal regelingen waarvoor uitgaven zijn gedeclareerd in 2016);
   b) voor rechtstreekse betalingen, correcties werden aangebracht in 52 gevallen (van de 69), waarbij de meeste van deze correcties minder dan 1 % bedroegen, 7 tussen 1 % en 2 % lagen en 9 meer dan 2 % bedroegen;
   c) voor plattelandsontwikkeling, verhogingen werden doorgevoerd voor 39 betaalorganen (van de 72), waarbij 21 correcties van meer dan 1 % en 16 van meer dan 2 %;

Prestatiegerelateerde kwesties bij plattelandsontwikkeling

235.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer prestatiegerelateerde kwesties heeft onderzocht voor geselecteerde verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling in de afgelopen drie jaar; stelt met voldoening vast dat 95 % van de op het ogenblik van de controle voltooide projecten was uitgevoerd zoals gepland, maar betreurt dat er onvoldoende bewijs was dat de kosten redelijk waren;

236.  benadrukt dat bijna alle door de Rekenkamer gecontroleerde projecten een systeem gebruikten waarbij de gemaakte kosten worden vergoed, en merkt op dat de lidstaten in de programmeringsperiode 2014-2020 als alternatief een systeem van vereenvoudigde kostenopties kunnen gebruiken waarbij standaardschalen van eenheidskosten, forfaitaire bedragen en forfaitaire financiering worden gehanteerd, waardoor het risico op buitensporig hoge prijzen daadwerkelijk wordt beperkt;

Vergroening

237.  merkt op dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2016 (paragraaf 7.17) met betrekking tot de vergroeningsbetalingen aan 63 door haar bezochte bedrijven meldt dat:

   a) alle landbouwbedrijven waarop de vereisten voor gewasdiversificatie van toepassing waren, die vereisten naleefden;
   b) de meeste fouten de niet-naleving van de vereisten inzake het ecologisch aandachtsgebied (EAG) betroffen;
   c) wat betreft de instandhouding van bestaand blijvend grasland, de percelen correct in het LPIS geregistreerd stonden;
   d) niet al het blijvend grasland correct geregistreerd stond;

238.  is echter met name bezorgd over de eerste conclusies die de Commissie trekt in haar werkdocument "Review of greening after one year" (SWD(2016) 218, deel twee, blz. 14), namelijk dat landbouwers over het algemeen van gewas zouden moeten veranderen op minder dan 1 % van de totale oppervlakte bouwland in de EU om te voldoen aan de vereiste van gewasdiversificatie, en aangezien de overgrote meerderheid van het bouwland in de EU is onderworpen aan de verplichting inzake gewasdiversificatie, die beperkte impact de huidige praktijken lijkt weer te geven van landbouwers die reeds aan de vereiste voldoen;

239.  benadrukt dat de Rekenkamer in haar jaarverslag (paragrafen 7.43 t/m 7.54) de analyse van de Commissie bevestigt en erop wijst dat de gewasdiversificatie en de EAG-regeling voor het merendeel van de bezochte landbouwbedrijven geen wijzigingen hebben teweeggebracht (89 % voor de gewasdiversificatie en 67 % voor de EAG-regeling);

240.  is met name bezorgd over het feit dat volgens Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Rekenkamer getiteld "Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is", vergroening waarschijnlijk geen beduidende voordelen zal opleveren voor het milieu en het klimaat … omdat vergroeningsvereisten in het algemeen weinig veeleisend zijn en grotendeels overeenkomen met normale landbouwpraktijken;

241.  wijst er verder op dat de Rekenkamer stelt dat de meeste landbouwers (65 %) dankzij uitgebreide vrijstellingen de vergroeningsbetaling ontvangen zonder te worden onderworpen aan vergroeningsverplichtingen, en dat als gevolg daarvan vergroening slechts bij een zeer gering percentage van de landbouwgrond in de Unie tot een positieve verandering in landbouwpraktijken leidt;

242.  betreurt het feit dat de vergroeningsregelingen meer een instrument zijn voor de ondersteuning van het inkomen van de landbouwers dan voor het verbeteren van de milieu- en klimaatprestatie van het GLB; is van mening dat landbouwprogramma's voor de aanpak van milieu- en klimaatbehoeften prestatiestreefcijfers moeten bevatten, alsmede financiering die de kosten en gederfde inkomsten weergeeft die het gevolg zijn van activiteiten die verder gaan dan de basisnormen voor milieubeheer;

243.  betreurt het feit dat de vergroeningsregelingen in het huidige ontwerp van het programma, doordat zij deel uitmaken van de oppervlaktegebonden betalingen, de onevenwichtigheden in de verdeling van de GLB-steun kunnen doen toenemen; verzoekt in dit verband de Commissie het opvolgen van de aanbevelingen van de Rekenkamer in het Speciaal verslag nr. 21/2017 in overweging te nemen;

244.  merkt op dat, volgens de Commissie, de concrete impact van de vergroeningsregelingen op de milieuresultaten afhangt van de keuzes van de lidstaten en de landbouwers, en dat tot dusver weinig lidstaten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden om het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen in ecologische aandachtsgebieden te beperken;

245.  benadrukt het feit dat voor de overheidsdiensten, de last van de vergroening in wezen berust bij de ontwikkeling van nieuwe beheersinstrumenten, zoals de EAG-laag van het LPIS, hetgeen ten dele verklaart waarom DG AGRI het aantal punten van voorbehoud en aan de lidstaten opgelegde actieplannen heeft verhoogd;

246.  neemt nota van het feit dat de vergroening het GLB heel wat ingewikkelder maakt, als gevolg van overlappingen met andere milieu-instrumenten van het GLB (cross-compliance en milieumaatregelen in het kader van de tweede pijler); neemt met het oog hierop kennis van Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Rekenkamer over vergroening, waarin wordt gesteld dat de Commissie en de lidstaten het hieruit voortvloeiende risico op het buitenkanseffect en dubbele financiering beperken;

Betalingsregeling voor jonge landbouwers

247.  wijst erop dat, met de enorme verschillen in de ontwikkeling van de landbouwsector in de Unie, een groot probleem de demografische uitdaging is, die beleid vereist om het tekort aan jonge landbouwers aan te pakken, teneinde de duurzaamheid op lange termijn van de landbouw in de Unie te garanderen;

248.  benadrukt het feit dat jonge landbouwers worden geconfronteerd met specifieke problemen bij de toegang tot financiering en met een geringe omzet gedurende de eerste jaren na de bedrijfsstart, in combinatie met een trage generatievernieuwing en een moeizame toegang tot landbouwgrond;

249.  wijst erop dat het dalende aantal jongeren in de sector de generatievernieuwing bemoeilijkt en het verlies kan betekenen van waardevolle vaardigheden en kennis, wanneer oudere, ervaren mensen met pensioen gaan; benadrukt bijgevolg het feit dat ondersteuning nodig is zowel voor uittredende landbouwers als voor opvolgers die een boerderij overnemen;

250.  is met name bezorgd over het feit dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 10/2017 over steun voor jonge landbouwers opmerkt dat voor rechtstreekse betalingen,

   a) de steun voor jonge landbouwers niet berust op een deugdelijke behoeftenanalyse;
   b) het doel ervan niet tot uitdrukking komt in de algemene doelstelling om generatievernieuwing te bevorderen;
   c) de steun niet eens altijd wordt verstrekt aan behoeftige jonge landbouwers; en
   d) de steun soms wordt verstrekt aan landbouwbedrijven waarin jonge landbouwers slechts een beperkte rol spelen;

251.  betreurt het feit dat, wat de steun aan jonge landbouwers via de plannen voor plattelandsontwikkeling betreft, de Rekenkamer concludeerde dat de maatregelen over het algemeen gebaseerd zijn op een vage behoeftenbeoordeling en dat er geen werkelijke coördinatie is tussen betalingen in het kader van pijler 1 en steun in het kader van pijler 2 aan jonge landbouwers;

Te nemen maatregelen

252.  verzoekt:

   a) de Commissie een zorgvuldige analyse uit te voeren van de oorzaken van de algemene daling van het factorinkomen sinds 2013 en een nieuwe kernprestatiedoelstelling voor het volgende MFK te bepalen, vergezeld van resultaat- en effectindicatoren, om de inkomensongelijkheid tussen landbouwers te verminderen;
   b) de lidstaten zich te blijven inspannen om betrouwbaardere en actuele informatie op te nemen in hun LPIS-database;
   c) de Commissie een evaluatie uit te voeren van de aanpak van de betaalorganen voor het classificeren en actualiseren van de grondcategorieën in hun LPIS en de vereiste kruiscontroles uit te voeren om het foutenrisico in vergroeningsbetalingen te beperken;
   d) de Commissie passende maatregelen te nemen om te vereisen dat de actieplannen van de lidstaten voor plattelandsontwikkeling corrigerende maatregelen omvatten om veelvuldig vastgestelde fouten aan te pakken;
   e) de Commissie richtsnoeren te verstrekken en beste praktijken te verspreiden onder de nationale autoriteiten en onder de begunstigden en hun partnerschappen om ervoor te zorgen dat bij hun controles verbanden worden vastgesteld tussen aanvragers en andere belanghebbenden die bij de ondersteunde projecten op het gebied van plattelandsontwikkeling betrokken zijn;
   f) de Commissie waakzaam te blijven ten aanzien van de controles die door de autoriteiten van de lidstaten worden uitgevoerd en de gegevens die door hen worden verstrekt, en deze bevindingen in aanmerking te nemen bij de toekenning van haar auditlast op basis van risicobeoordelingen;
   g) de lidstaten en de begunstigden en hun partnerschappen volledig de mogelijkheden te benutten die worden geboden door het systeem van vereenvoudigde kostenopties in het kader van plattelandsontwikkeling;
   h) de Commissie voor de volgende GLB-hervorming een complete interventielogica voor te bereiden en te ontwikkelen voor milieu- en klimaatgerelateerde actie van de EU op het gebied van landbouw, met inbegrip van specifieke streefdoelen, op basis van actuele wetenschappelijke kennis van de verschijnselen in kwestie;

253.  verzoekt de Commissie zich te laten leiden door de volgende principes bij het vormgeven van een nieuw voorstel inzake vergroening:

   a) landbouwers moeten GLB-betalingen ontvangen indien ze voldoen aan één reeks basismilieunormen, inclusief goede landbouw- en milieuconditie (GLMC's) en vergroeningsvereisten, die verder gaan dan de vereisten van de milieuwetgeving; is in dit verband ingenomen met de logica van de "resultaatgerichte begroting"-aanpak van de Commissie; is van mening dat een toekomstgericht uitvoeringssysteem meer op resultaat gericht dient te zijn;
   b) in specifieke, plaatselijke milieu- en klimaatgerelateerde behoeften kan naar behoren worden voorzien door meer doeltreffend gericht geprogrammeerde actie op het gebied van landbouw;
   c) wanneer de lidstaten bij de uitvoering van het GLB een keuze kunnen maken uit verschillende opties, moeten ze vóór de uitvoering kunnen aantonen dat de opties die ze kiezen, doeltreffend en doelmatig zijn met betrekking tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen; met name de doelstellingen op het gebied van voedselzekerheid, de kwaliteit van levensmiddelen en het belang ervan voor de gezondheid, vergroening, ruimtelijke ordening en de strijd tegen ontvolking in de EU;

254.  verzoekt de Commissie:

   a) een uitgebreide evaluatie uit te voeren van alle bestaande beleidsmaatregelen en instrumenten van het GLB die kunnen worden gecombineerd om jonge landbouwers te helpen en de factoren te identificeren die de toegang tot bestaande bedrijven of het starten van bedrijven door jonge landbouwers belemmeren die in het kader van de toekomstige herziening van het GLB kunnen worden aangepakt;
   b) ervoor te zorgen dat in het kader van de landbouwherziening de voorwaarden waaronder de plattelandsontwikkeling tot stand moet worden gebracht, zoals onder andere vastgelegd in de Cork 2.0-verklaring 2016, verder worden verbeterd om te waarborgen dat de steunprogramma's voor jonge landbouwers succesvol zijn;
   c) in de wetgeving voor het GLB na 2020 een duidelijke interventielogica op te nemen voor de beleidsinstrumenten waarmee generatievernieuwing in de landbouw wordt aangepakt (of de lidstaten verplichten om die in overeenstemming met de bepalingen inzake gedeeld beheer aan te geven); is van mening dat de interventielogica het volgende moet omvatten:
   een degelijke beoordeling van de behoeften van jonge landbouwers;
   een beoordeling van de behoeften waarin beleidsinstrumenten van de Unie kunnen voorzien en de behoeften waarin het beleid van de lidstaten beter tegemoet kan komen, alsmede een analyse van de vormen van steun (bijv. rechtstreekse betalingen, forfaitair bedrag, financiële instrumenten) die het meest geschikt zijn om te voorzien in de vastgestelde behoeften;
   bewustmakingsmaatregelen voor de autoriteiten, de begunstigden en hun partnerschappen met betrekking tot mogelijke soorten steun voor eerdere overdracht van landbouwbedrijven aan een opvolger, met begeleidende adviesdiensten of -maatregelen zoals een bevredigende pensioenregeling die gebaseerd is op nationale of regionale inkomens of inkomsten in de landbouw-, voedingsmiddelen- en bosbouwsector;
   een definitie van SMART-doelstellingen, waarin de verwachte resultaten van beleidsinstrumenten wat betreft het verwachte generatievernieuwingspercentage en de bijdrage tot de levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven expliciet en kwantificeerbaar worden gemaakt; in het bijzonder moet duidelijk zijn of de beleidsinstrumenten gericht moeten zijn op het ondersteunen van zo veel mogelijk jonge landbouwers dan wel op een specifiek type jonge landbouwers;
   d) ervoor te zorgen dat de Commissie en de lidstaten met de regelgeving die zij voor het GLB na 2020 voorstelt, het toezicht- en evaluatiesysteem verbeteren (overeenkomstig de bepalingen inzake gedeeld beheer);

Europa als wereldspeler

Foutenpercentages

255.  wijst erop dat de uitgaven voor "Europa als wereldspeler" volgens de bevindingen van de Rekenkamer een materieel foutenpercentage vertonen, met een geraamd foutenpercentage van 2,1 % (2,8 % in 2015 en 2,7 % in 2014); is tevreden met de positieve trend van het foutenpercentage op dit beleidsterrein;

256.  betreurt het dat, als verrichtingen in het kader van door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen en begrotingssteun worden uitgesloten, het foutenpercentage voor de specifieke verrichtingen die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd op 2,8 % is vastgesteld (3,8 % in 2015; 3,7 % in 2014);

257.  wijst erop dat de Commissie en haar uitvoerende partners meer fouten begingen bij verrichtingen die verband hielden met subsidies en bijdrageovereenkomsten met internationale organisaties dan bij andere steunvormen; wijst er met name op dat de verrichtingen voor begrotingssteun die de Rekenkamer heeft onderzocht, geen fouten ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid bevatten;

258.  merkt op dat, als alle informatie waarover de Commissie en de door haar aangestelde accountants beschikte, was gebruikt om fouten recht te zetten, het geschatte foutenpercentage voor het hoofdstuk "Europa als wereldspeler" 0,9 % lager was geweest, 1,4 % onder de materialiteitsdrempel;

259.  wijst erop dat:

   a) 37 % van het geschatte foutenpercentage te wijten was aan uitgaven waarvoor geen essentiële bewijsstukken werden verstrekt;
   b) 28 % van het geschatte foutenpercentage verklaard wordt door twee gevallen waarvoor de Commissie uitgaven had geaccepteerd die in werkelijkheid niet waren gedaan; betreurt het feit dat deze situatie reeds vorig jaar is gedetecteerd en wijst erop dat de door de Rekenkamer uitgevoerde tests van de verrichtingen wezen op enkele controlegebreken in de systemen van de Commissie;
   c) 26 % van het geschatte foutenpercentage betrekking heeft op niet-subsidiabele uitgaven: uitgaven in verband met activiteiten die niet onder een overeenkomst vallen of die waren gedaan buiten de subsidiabiliteitsperiode, niet-naleving van de oorsprongsregel, niet-subsidiabele belastingen en indirecte kosten die ten onrechte waren opgevoerd als directe kosten;

Betrouwbaarheidsverklaring

260.  is uiterst bezorgd over het feit dat volgens de Rekenkamer controleurs van DG NEAR tekortkomingen hebben ontdekt in het indirecte beheer van het tweede instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), nader bepaald bij de auditautoriteiten van drie IPA II-landen (Albanië, Turkije en Servië), en dit ondanks het feit dat de Albanese en Servische auditautoriteiten veranderingen hebben doorgevoerd om de ontdekte problemen op te lossen; wijst erop dat er in het geval van Turkije "belangrijke gebieden van de systemen van de auditautoriteit [zijn] die nog steeds de garantie die deze de Commissie kan bieden, kunnen beperken (jaarverslag 2016 van de Rekenkamer, paragraaf 9.24);

261.  maakt zich zorgen door het feit dat de corrigerende capaciteit van DG NEAR volgens de raming van de Rekenkamer overschat is en bijgevolg ook het totale risicobedrag op het moment van betaling;

Prestaties

262.  merkt op dat DG DEVCO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag kernprestatie-indicatoren met betrekking tot menselijke ontwikkeling, klimaatverandering, gender en foutenpercentage heeft vastgesteld, maar betreurt dat geen van deze indicatoren de prestatie van het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking kan meten, aangezien de indicatoren alleen het deel van de steun aangeven dat is toegewezen aan elk van de doelstellingen in plaats van de daadwerkelijke effecten te meten op basis van de vorderingen die met betrekking tot het nastreven van de doelstellingen zijn gerealiseerd;

263.  maakt zich zorgen door de verklaring van de IAS van de Commissie dat "de informatie over de prestaties van DG DEVCO in de verschillende verslagen inzake strategische planning en programmering [jaarlijks activiteitenverslag, verslag van de gesubdelegeerd ordonnateur, toezichtsverslag externe steun (External Assistance Management Report, EAMR)] veeleer beperkt [is] en op basis hiervan (...) niet feitelijk [wordt] nagegaan of de doelstellingen al dan niet zijn verwezenlijkt";

Toezichtsverslagen externe steun

264.  betreurt opnieuw dat de door de hoofden van de Uniedelegaties opgestelde toezichtverslagen voor externe steun (External Assistance Management Report, EAMR) niet als bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG DEVCO en DG NEAR zijn gevoegd als voorgeschreven in artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement; betreurt het feit dat zij steevast worden aangemerkt als vertrouwelijk, hoewel ze op grond van artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement "ter beschikking [moeten worden] gesteld van het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan";

265.  neemt kennis van het feit dat de Commissie in het antwoord van commissaris Oettinger op de brief van de rapporteur meedeelt dat zij een nieuwe vorm van verslag onderzoekt dat aan het Parlement zou kunnen worden overgelegd zonder vertrouwelijksheidsprocedures, waarmee in elk geval de risico's van schade aan het diplomatieke beleid van de Europese Unie worden vermeden;

266.  is tevreden met het feit dat DG DEVCO de lijst openbaar heeft gemaakt van de bij het EAMR betrokken delegaties en een analyse heeft verstrekt van het overzicht van de kernprestatie-indicatoren van DG DEVCO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag; benadrukt evenwel het feit dat het Financieel Reglement volledig moet worden nageleefd;

Trustfondsen

267.  herinnert eraan dat de mogelijkheid voor de Commissie om trustfondsen van de Unie op te richten en te beheren is bedoeld:

   a) ter versterking van de internationale rol van de Europese Unie, alsook voor het vergroten van de zichtbaarheid en de efficiëntie van haar externe optreden en ontwikkelingssteun;
   b) om te zorgen voor een versneld besluitvormingsproces bij de keuze van de uit te voeren maatregelen, hetgeen bij acties in en na noodsituaties van cruciaal belang is;
   c) om te zorgen voor een hefboomwerking met betrekking tot aanvullende middelen voor extern optreden; en
   d) om door het bundelen van middelen de coördinatie tussen verschillende donoren van de Unie op geselecteerde interventiegebieden te vergroten;

268.  spreekt in het licht van de recente ervaringen enige bezorgdheid uit met betrekking tot de verwezenlijking van de voornaamste doelstellingen van de oprichting van het trustfonds, en merkt met name op dat:

   a) het hefboomeffect van dit nieuwe instrument niet noodzakelijkerwijs gegarandeerd is, aangezien de bijdrage van andere donoren in bepaalde gevallen zeer beperkt is;
   b) de zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie niet verbeterd is, ondanks het bestaan van verschillende regelingen met de belanghebbenden en dat een betere coördinatie van het optreden van alle belanghebbenden niet noodzakelijkerwijs gegarandeerd is;
   c) de a priori voorkeur voor agentschappen van de lidstaten in sommige constitutieve overeenkomsten van de trustfondsen eerder leidt tot een belangenconflict dan dat het een prikkel voor lidstaten is om meer financiële middelen te verschaffen;

269.  herinnert er in het bijzonder aan dat het Trustfonds voor Afrika meer dan 3,2 miljard EUR waard is, waarvan meer dan 2,9 miljard EUR afkomstig is van het Europees Ontwikkelingsfonds en 228 667 miljoen EUR van andere donoren; vindt het onaanvaardbaar dat de mogelijkheid voor het Parlement om EU-uitgaven nauwgezet te controleren verder wordt beperkt door de betrokkenheid van het Europees Ontwikkelingsfonds bij trustfondsen;

270.  wijst erop dat de bundeling van middelen van het EOF, de begroting van de Unie en andere donoren niet tot gevolg mag hebben dat voor de ACS-landen bestemde middelen hun eigenlijke begunstigden niet bereiken;

271.  benadrukt dat het toenemende gebruik van andere financiële mechanismen, zoals trustfondsen, om beleid van de Unie uit te voeren, samen met de begrotingsrisico’s van de Unie, het niveau van verantwoording en transparantie ondermijnt, omdat de regelingen inzake verslaglegging, controle en publiek toezicht niet op elkaar zijn afgestemd (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 2.31); benadrukt in dat verband het belang van de belofte van de Commissie om de begrotingsautoriteit periodiek te informeren over de financiering en de geplande en lopende operaties van de trustfondsen, met inbegrip van de bijdragen van de lidstaten;

Fondsen voor de Palestijnse autoriteit

272.  wenst dat het onderwijs- en opleidingsmateriaal dat door Uniefondsen zoals Pegase wordt gefinancierd, in overeenstemming moet zijn met gemeenschappelijke waarden als vrede, vrijheid, tolerantie en non-discriminatie in het onderwijs, zoals op 17 maart 2015 door de onderwijsministers van de Unie in Parijs is besloten;

Te nemen maatregelen:

273.  verzoekt DG NEAR (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 9.37):

   a) samen te werken met de controleautoriteiten in door IPA II begunstigde landen om hun competentie te verbeteren;
   b) risico-indicatoren te ontwikkelen om de beoordeling op basis van internebeheersingsmodellen die terecht door het directoraat-generaal zijn ingevoerd te verbeteren, om zo de impact van fouten beter te kunnen meten;
   c) de reikwijdte van het onderzoek naar het restfoutenpercentage en de geschatte onderste en bovenste foutengrens naar behoren bekend te maken in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag;
   d) de berekening van het corrigerend vermogen voor 2017 te verbeteren door de tekortkomingen aan te pakken die door de Rekenkamer werden vastgesteld;

274.  verzoekt DG DEVCO en DG NEAR te overwegen in samenwerking met DG HOME een kernprestatie-indicator inzake de aanpak van de diepere oorzaken en de oorsprong van irreguliere migratie vast te stellen;

275.  verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de door haar eigen IAS geconstateerde tekortkomingen met betrekking tot de verslaglegging over de prestaties van DG DEVCO te verhelpen en het toezichtsverslag externe steun (EAMR) om te vormen tot een betrouwbaar en volledig openbaar document dat de betrouwbaarheidsverklaring van de delegatiehoofden en de directeur-generaal van DG DEVCO naar behoren staaft; verzoekt DG DEVCO de KPI's zo te definiëren dat de prestaties van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid kunnen worden gemeten, zonder dat dit ten koste gaat van het diplomatieke beleid van de Unie via haar delegaties;

276.  acht het van fundamenteel belang dat de uitbetaling van de pretoetredingsmiddelen moet kunnen worden opgeschort, niet alleen in het geval van bewezen misbruik van deze middelen, maar ook wanneer het pretoetredingsland op enigerlei wijze de in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens verankerde rechten schendt;

277.  benadrukt dat trustfondsen alleen moeten worden opgericht als het gebruik hiervan gerechtvaardigd is en de vereiste actie niet via andere, bestaande financieringskanalen kan worden gerealiseerd; verzoekt in dit verband de Commissie om bij de oprichting van trustfondsen richtsnoeren op te stellen voor de uitvoering van een bondige en structurele beoordeling van de voordelen van trustfondsen ten opzichte van andere steunconstructies en ook om te analyseren welke specifieke leemten de trustfondsen moeten opvullen; verzoekt de Commissie te overwegen een einde te maken aan trustfondsen die niet in staat zijn een significante bijdrage van andere donoren aan te trekken of geen toegevoegde waarde bieden vergeleken met de "traditionele" externe instrumenten van de Unie;

278.  betreurt de vastgestelde gevallen van geweld, seksueel misbruik en totaal ongepast gedrag door personeel dat humanitaire hulp verleent aan de burgerbevolking in of na conflictsituaties ten zeerste; neemt nota van het feit dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden de financiering van de partners die niet aan de voorgeschreven hoge ethische normen voldoen te evalueren en indien nodig te schorsen; dringt er bij de Commissie op aan om, teneinde deze misstanden uit te roeien en te voorkomen dat zij zich nog eens voordoen, de preventiemechanismen in de procedures voor de selectie van het personeel te versterken en te voorzien in een opleiding en voortdurende capaciteitsopbouw om meer aandacht te schenken aan het voorkomen van deze misstanden; verzoekt daarom een beleid uit te werken om klokkenluiders die dergelijke gevallen aan de kaak stellen te beschermen;

279.  verzoekt de Commissie om de strategienota's nauwkeuriger op te stellen om uitgebreider en nauwkeuriger te beoordelen wat de financieringsbehoeften en de beste instrumenten zijn;

280.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat subsidiegelden van de Unie in overeenstemming met de Unesco-normen van vrede en tolerantie worden verstrekt;

281.  acht het van essentieel belang dat de Commissie de administratieve capaciteit van de lidstaten die financiering ontvangen actief ondersteunt middels passende technische bijstand;

Migratie en veiligheid

282.  wijst erop dat de Rekenkamer in hoofdstuk 8 van haar jaarverslag over "veiligheid en burgerschap"(87) geen foutenpercentage heeft berekend op basis van de 15 onderzochte verrichtingen, aangezien het niet de bedoeling was dat deze steekproef representatief zou zijn voor de uitgaven binnen deze MFK-rubriek;

283.  neemt met bezorgdheid kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat er twee jaar nadat de zevenjarige programmeringsperiode was ingegaan, slechts trage vooruitgang was geboekt bij het verrichten van de betalingen onder gedeeld beheer voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF(88)) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) (jaarverslag 2016 Rekenkamer, tekstvak 8.2);

284.  wijst erop dat de Rekenkamer diverse systeemgebreken met betrekking tot Solid, AMIF en ISF heeft aangetroffen op het niveau van de Commissie en de lidstaten;

285.  betreurt met name dat:

   a) de Rekenkamer heeft gewezen op de vele ontwerpprogramma's voor AMIF en ISF die door de lidstaten worden opgesteld en door de Commissie worden geëvalueerd voordat ze worden goedgekeurd, hetgeen de tenuitvoerlegging kan vertragen;
   b) de beoordeling door de Commissie van de systemen van de lidstaten voor het AMIF en het ISF volgens de Rekenkamer vaak gebaseerd was op onvoldoende gedetailleerde informatie, met name op het gebied van auditstrategieën;
   c) er vertragingen optraden bij de verslaglegging over conformiteitscontroles achteraf voor Solid-programma's, en kwaliteitscontroleprocedures voor uitbesteed controlewerk onvoldoende gedocumenteerd waren;

286.  betreurt dat de Rekenkamer tevens de volgende tekortkomingen op het niveau van de lidstaten heeft vastgesteld: onvoldoende gedocumenteerde controles ter plaatse, het ontbreken van een specifiek IT-instrument voor het beheer en de controle van middelen, en een aantal tekortkomingen in de door de controleautoriteiten van de lidstaten uitgevoerde controles;

287.  betreurt het feit dat de Rekenkamer in haar jaarverslag heeft opgemerkt dat de Commissie in 2016 het totaalbedrag van de middelen die voor de vluchtelingen- en migratiecrisis werden gemobiliseerd niet heeft gerapporteerd, en dat dit bedrag moeilijk te schatten is (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 2.28);

288.  betreurt dat de Rekenkamer met betrekking tot de hotspots heeft geconcludeerd (Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 6/2017) dat:

   a) ondanks de aanzienlijke steun van de EU eind 2016 de opvangfaciliteiten in Griekenland en Italië nog niet toereikend waren;
   b) er ook onvoldoende geschikte faciliteiten waren om onbegeleide minderjarigen onder te brengen en hun dossier af te handelen overeenkomstig de internationale normen;
   c) volgens de hotspotbenadering verder de juiste vervolgprocedure voor de migrant moet worden ingeleid, d.w.z. een nationale asielaanvraag of terugkeer naar het land van herkomst, en dat de uitvoering van deze vervolgprocedures vaak langzaam verloopt en verscheidene knelpunten kent, hetgeen consequenties kan hebben voor het functioneren van de hotspots;

289.  betreurt het feit dat, volgens Human Rights Watch, vrouwen regelmatig melding maken van seksuele intimidatie in de hotspots in Griekenland;

290.  is het eens met de beoordeling van de Rekenkamer betreffende het gebrek aan transparantie over de wijze waarop in de financiering de publieke middelen zich verhouden tot de inkomsten afkomstig van migranten bij noodhulp ten behoeve van vervoer van niet-EU-migranten van de Griekse eilanden naar het Griekse vasteland, waarnaar de Rekenkamer in haar jaarverslag verwijst (jaarverslag 2016 Rekenkamer, tekstvak 8.4); herinnert eraan dat de wetgeving van de Unie niet toestaat dat begunstigden van subsidies van de Unie winst maken dankzij de uitvoering van een project; is van mening dat dit geval de reputatie van de Commissie in zeker opzicht schaadt en leidt tot vraagtekens bij haar optreden vanuit ethisch oogpunt;

Te nemen maatregelen

291.  verzoekt:

   a) DG HOME te overwegen in samenwerking met DG DEVCO en DG NEAR een kernprestatie-indicator inzake de aanpak van de diepere oorzaken die aan de basis liggen van irreguliere migratie vast te stellen;
   b) de Commissie de begrotingsonderdelen ter financiering van het migratiebeleid onder één rubriek te hergroeperen teneinde de transparantie te vergroten;
   c) de Commissie specifieke strategieën met ondersteuningsteams van de Unie vast te stellen om de veiligheid van vrouwen en onbegeleide minderjarigen in de hotspots te waarborgen;
   d) de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om te voorzien in toereikende opvangfaciliteiten in Griekenland en Italië;
   e) de Commissie en de lidstaten de door de Rekenkamer geconstateerde systeemgebreken bij het beheer van de AMIF/ISF-middelen te verhelpen;
   f) de Commissie per land een schatting te maken van de per migrant of asielzoeker betaalde kosten;
   g) de Commissie om een controlesysteem in te stellen met het oog op de eerbiediging van de mensenrechten van vluchtelingen en asielzoekers;
   h) de Commissie om een intensivering van de controles van de middelen voor vluchtelingen, die vaak in noodsituaties worden verstrekt door de lidstaten zonder zich daarbij te houden aan de geldende regels;

Gedragscode voor commissarissen en procedures voor de nominatie van hoge ambtenaren

292.  waardeert het dat de Commissie het vereiste gevolg heeft gegeven aan zijn oproepen om de gedragscode voor commissarissen voor het einde van 2017 te herzien, onder meer door te bepalen wat onder een belan-genconflict wordt verstaan, en door criteria in te voeren om de verenigbaarheid van dienstverbanden na uitdiensttreding te beoordelen en de afkoelingsperiode van drie jaar uit te breiden tot de voorzitter van de Commissie; neemt nota van het feit dat de nieuwe code op 1 februari 2018 in werking is getreden;

293.  herinnert aan de belofte van Commissievoorzitter Juncker aan de Europese Ombudsman dat voormalig Commissievoorzitter Barroso enkel als een belangenbehartiger zou worden ontvangen; wijst op het advies van de ad-hoc ethische commissie over de nieuwe baan van de heer Barroso als adviseur bij Goldman Sachs, namelijk dat dit enkel verzoenbaar is als de heer Barroso niet lobbyt namens Goldman Sachs;

294.  wijst op de inconsistentie die is gecreëerd door diverse afzonderlijke leden van de Commissie die, zoals blijkt uit hun vergaderingenregister, hun ontmoeting met dhr. Barroso omschreven als ontmoetingen met Goldman Sachs International; concludeert dat de ontmoetingen met de heer Barosso ofwel geen lobbybijeenkomsten waren, hetgeen zou betekenen dat de beloften aan de Europese Ombudsman niet werden nagekomen en dat het vergaderingenregister van de Commissie geen daadwerkelijk transparant register vormt, of dat de ontmoetingen met de heer Barosso werden behandeld als ontmoetingen met een belangenbehartiger, hetgeen zou betekenen dat de door de ad-hoc ethische commissie opgestelde voorwaarden werden geschonden;

295.  herinnert eraan dat de afwezigheid van enig belangenconflict eveneens een essentiële voorwaarde moet zijn opdat de hoorzittingen met de commissarissen worden gehouden, dat de formulieren voor de verklaring van financiële belangen daarom ingevuld en beschikbaar moeten zijn voordat een commissaris door de bevoegde commissie van het Parlement wordt gehoord, en dat ze ten minste één keer per jaar en elke keer dat de betreffende gegevens worden gewijzigd, moeten worden geactualiseerd.

296.  is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de speciale adviseurs van de commissarissen meer verantwoording verschuldigd zijn en dat hun professionele banden en achtergrond transparant en openbaar zijn en kunnen worden gecontroleerd, om hun mogelijke belangenconflicten te voorkomen, aangezien zij ongehinderd toegang tot de Commissie hebben; denkt dat met deze stappen de mogelijkheden voor heimelijk lobbyen op het hoogste niveau kunnen worden beperkt;

297.  vraagt in dat verband dat leden van de Commissie opgave doen van al hun belangen (als aandeelhouder, lid van een raad van bestuur, adviseur, consultant, lid van aanverwante stichtingen enz.) met betrekking tot alle bedrijven waarbij zij betrokken zijn geweest, en tevens van de belangen van hun naaste familieleden, alsook van de wijzigingen die hebben plaatsgevonden sinds het moment waarop zij zich kandidaat hebben gesteld;

298.  wijst erop dat de uitbreiding van de afkoelingsperiode naar drie jaar moet gelden voor alle leden van de Europese Commissie, zoals het Parlement bij verschillende gelegenheden heeft gevraagd; dringt erop aan dat de adviezen van het ethisch comité openbaar worden gemaakt zodra zij worden uitgebracht;

299.  vreest dat de benoemingsprocedures voor het onafhankelijk ethisch comité geen garantie bieden voor de onafhankelijkheid ervan en benadrukt dat onafhankelijke deskundigen zelf niet de functie van commissaris of hoge ambtenaar van de Commissie mogen hebben bekleed; vraagt de Commissie overeenkomstig deze opmerking nieuwe regels aan te nemen met betrekking tot het onafhankelijk ethisch comité;

300.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de onafhankelijke ethische commissie jaarlijks een verslag opstelt en publiceert; bevestigt nogmaals dat de onafhankelijke ethische commissie iedere aanbeveling kan doen inzake de verbetering van de gedragscode of inzake de tenuitvoerlegging ervan;

301.  is ernstig bezorgd over het gebrek aan transparantie, het ontbreken van enige competitie onder de in aanmerking komende personeelsleden en mogelijk misbruik van het Statuut van de ambtenaren van de Unie bij de recente benoeming van de kabinetschef van de voorzitter van de Commissie tot de nieuwe secretaris-generaal van de Commissie; stelt vast dat de antwoorden van de Commissie aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement niet voldoende hebben toegelicht wat de rechtvaardiging was voor de benoeming van de secretaris-generaal met gebruikmaking van artikel 7 van het Statuut van de ambtenaren om de overplaatsing uit te voeren zonder de post als vacature aan te merken en in aanmerking komende personeelsleden uit te nodigen om te solliciteren; verwacht dat de voorzitter van de Commissie aan het Parlement zijn plan zal presenteren om de schade te herstellen die door de recente benoeming van de secretaris-generaal aan het publieke imago van de Commissie is toegebracht;

302.  verzoekt de Commissie met het oog op de recente benoeming van de secretaris-generaal van de Commissie en ter waarborging van een onafhankelijk Europees overheidsapparaat, vóór eind 2018 een voorstel in te dienen voor een procedure voor de benoeming van hoge ambtenaren, die garandeert dat de beste kandidaten worden geselecteerd in de meest transparante omstandigheden met gelijke kansen voor iedereen, en die voldoende breed is om op alle overige instellingen van de Unie, met inbegrip van het Parlement en de Raad, te kunnen worden toegepast;

303.  verzoekt de Commissie met het oog op de toekomst de volgende verbeteringen in overweging te nemen:

   a) de aanvaarding van geschenken van donoren uit de lidstaten moet worden verboden (artikel 6, lid 4, van de gedragscode voor de leden van de Europese Commissie);
   b) de deelname van leden van de Commissie in nationale politiek tijdens hun ambtstermijn moet worden opgeschort of beperkt tot passief partijlidmaatschap;
   c) de verwijzing naar diplomatiek gebruik of beleefdheid (artikel 6, leden 2 en 5), die onnauwkeurig en onduidelijk is en daarom zou kunnen worden misbruikt, moet worden verduidelijkt;
   d) de deelname van leden van de Commissie aan nationale verkiezingscampagnes moet worden afgestemd op de deelname aan Europese verkiezingscampagnes (artikelen 9 en 10); in beide gevallen moeten de Commissieleden verplicht onbetaald verkiezingsverlof opnemen;
   e) de criteria voor een mogelijke aanhangigmaking bij het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van artikel 245 of 247 VWEU moeten worden verduidelijkt;
   f) commissarissen moeten al hun relevante belangen melden (als aandeelhouder, lid van de raad van bestuur, adviseur en consulent, lid van een stichting, enz.) en niet alleen de belangen kiezen die volgens hen tot het ontstaan van een belangenconflict zouden kunnen leiden;
   g) belangenverklaringen moeten worden verbeterd in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 1 december 2016 over de belangenverklaringen van commissarissen – Richtsnoeren(89);

Administratie

Bevindingen van de Rekenkamer

304.  wijst erop dat de instellingen het aantal posten in de organigrammen gezamenlijk hebben verminderd met 4,0 % in de periode van 2013 tot en met 2017 (van 39 649 naar 38 072 posten), en dat de instellingen het aantal personeelsleden (posten die daadwerkelijk door een personeelslid worden bezet) tussen 2013 en 2017 hebben teruggebracht met 1,4 % (van 37 153 naar 36 657 posten);

305.  wijst tevens op de aanvullende conclusies van de Rekenkamer:"

"30. In dezelfde periode heeft de begrotingsautoriteit echter nieuwe posten toegekend aan de instellingen, organen en agentschappen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure. Deze posten werden met name ter beschikking gesteld voor de ontwikkeling van hun activiteiten (dit verklaart de aanzienlijke toename van het aantal aan agentschappen toegekende ambten), de toetreding van Kroatië en de fracties in het Europees Parlement.

   31. Als gevolg hiervan is het aantal posten in de organigrammen tussen 2012 en 2017 met 1,1 % afgenomen, met significante verschillen tussen de instellingen (- 3,5 %), gedecentraliseerde agentschappen (+ 13,7 %) en uitvoerende agentschappen (+ 42,9 %). Het aantal daadwerkelijk bezette posten nam tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2017 met 0,4 % toe (- 1,3 % voor de instellingen en organen en + 11,3 % voor de agentschappen, waarbij een stijging van 9,6 % voor de gedecentraliseerde agentschappen en een stijging van 33,7 % voor de uitvoerende agentschappen op te tekenen viel). Het gemiddelde vacaturepercentage daalde van 6,9 % op 1 januari 2013 tot 4,5 % op 1 januari 2017 en bereikte een niveau van minder dan 2 % bij een aantal instellingen en organen."(90);
"

306.  neemt met bezorgdheid nota van de discriminatie van Uniepersoneelsleden in Luxemburg, die blijft voortduren ondanks het arrest van het Hof van Justitie van de EU van oktober 2000 in de zaak Ferlini, C-411/98, en Richtlijn 2011/24/EU, waarin deze praktijk wordt bestraft; wijst er eveneens op dat er nog steeds hogere tarieven worden aangerekend op grond van twee akkoorden met de Fédération des Hôpitaux (FH) van het Groothertogdom Luxemburg en de Association des Médecins et Dentistes (AMD), waarin de hogere tarieven die mogen worden aangerekend, zijn beperkt tot 15 %, hoewel de tarieven oplopen tot 500 % wanneer de zorg in een ziekenhuis wordt verleend; betreurt het feit dat niet alleen deze twee conventies indruisen tegen het arrest van het Hof van 2000 en tegen Richtlijn 2011/24/EU, maar dat ook heel wat nationale zorgverleners de regels overtreden; verzoekt de Commissie om ten eerste de jaarlijkse extra kosten van de overfacturering voor de Uniebegroting (JSIS) te berekenen en deze te rechtvaardigen, ten tweede een inbreukprocedure of een soortgelijke rechtsvordering tegen het Groothertogdom in te stellen; ten derde het Parlement te laten weten welk gevolg er wordt gegeven aan openbaar verzoekschrift nr. 765 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers van het Groothertogdom Luxemburg en het openbaar debat dat erover is gevoerd op 19 oktober 2017, en ten vierde protest aan te tekenen tegen de twee akkoorden met de FH en de AMD;

307.  is ingenomen met de verklaringen van commissaris Oettinger over het einde van de beperkingen met betrekking tot het personeelsbeleid om te vermijden dat de goede werking van de Europese instellingen, en daarmee ook de kwaliteit van de openbare dienstverlening van de Unie aan de Europese burgers ernstig zou worden geschaad; wijst op het belang van een degelijk Europees ambtenarenapparaat dat ten dienste staat van de burgers en in staat is om de uitdagingen van de Unie het hoofd te bieden en de tenuitvoerlegging van haar beleid met de grootste beroepsintegriteit en uitmuntendheid tot een goed einde te brengen, en dat tegelijkertijd over de nodige wettelijke en begrotingsmiddelen moet beschikken; onderstreept dat het Europees ambtenarenapparaat opnieuw aantrekkelijk moet worden gemaakt voor jonge afgestudeerden in de Unie; verzoekt de Commissie om een verslag op te stellen over de gevolgen van de beperkingen voor de aantrekkingskracht van het Europees ambtenarenapparaat en de huidige ondergefinancierde staat ervan en om in dat verslag met oplossingen te komen om het ambtenarenapparaat dichter bij de Europese burgers te brengen en hun belangstelling te wekken om er deel van uit te maken;

308.  wijst erop dat een oplossing moet worden gevonden voor de te hoge – vaak zelfs buitensporig hoge – medische kosten van de medewerkers en de leden van het Parlement in sommige lidstaten; verzoekt de Commissie om een oplossing te vinden voor dit probleem, dat in een aantal lidstaten, waaronder Luxemburg, jaarlijks ongeveer 2 miljoen EUR kost (bijv. onderhandelingen met de openbare en/of particuliere socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, invoering van een soortgelijke kaart als de Europese ziekteverzekeringskaart voor verplaatsingen enz.);

De Jean Monnetgebouwen (JMO I en II) in Luxemburg

309.  stelt vast dat de bouw van het nieuwe Jean Monnetgebouw (JMO II) aanzienlijke vertraging heeft opgelopen, met alle extra kosten van dien;

310.  betreurt dat de Commissie en de Luxemburgse autoriteiten 15 jaar (1994-2009) nodig hadden om overeenstemming te bereiken over de toekomstige regelingen voor de huisvesting van de diensten van de Commissie in Luxemburg;

311.  kijkt ernaar uit het volledige verhaal over JMO I/JMO II tussen 1975 en 2011 te ontvangen, overeenkomstig de belofte van de Commissie in haar schriftelijke antwoorden ter voorbereiding van de hoorzitting met commissaris Oettinger op 23 januari 2018;

312.  betreurt dat hoewel al in 1997 een volledige asbestinventaris van het JMO I-gebouw is opgemaakt, de Commissie het gebouw pas in januari 2014 heeft ontruimd en AIB‑Vinçotte Luxembourg zijn conclusies pas in 2013 heeft herzien; wijst erop dat de asbestplaten in JMO I minder dik waren dan voordien werd gedacht en bijgevolg gevoeliger waren voor mechanische impact (wrijving zou al kunnen volstaan om de vezels te doen vrijkomen, waarna ze kunnen worden ingeademd); is van mening dat de Commissie gezien de ernstige gezondheidsrisico's van het inademen van asbest een beroep had moeten doen op de deskundigheid en het oordeel van andere deskundigen ter zake, in het bijzonder na de ervaringen in het Berlaymontgebouw in Brussel; verzoekt de Commissie om het Parlement te laten weten of alle werknemers naar behoren op de hoogte zijn gebracht van de situatie en de ernstige gezondheidsrisico's waaraan zij zijn blootgesteld, of er gevallen zijn vastgesteld van ziekten die het gevolg kunnen zijn van de inademing van asbestdeeltjes, welke maatregelen er in voorkomend geval zijn genomen en of er preventieve maatregelen zijn genomen (screening en tests voor vroegtijdige opsporing enz.); verzoekt de Commissie om mee te delen of er in dit verband stappen zijn gezet tegen AIB-Vinçotte Luxembourg;

313.  heeft vernomen dat de Commissie en de Luxemburgse autoriteiten in december 2015 zijn overeengekomen de kosten in verband met het vroegtijdige verlaten van JMO I te delen; wijst erop dat JMO II oorspronkelijk op 31 december 2014 had moeten worden opgeleverd;

314.  verzoekt de Commissie om gedetailleerde informatie te verstrekken over de huurkosten voor de zes gebouwen die de Commissie in tussentijd gebruikt (ARIA, LACC, HITEC, DRB, BECH en T2) vanwege de vertragingen bij de oplevering van het JMO II-gebouw en ten gevolge van de verlenging van de huurovereenkomsten; verzoekt de Commissie om erop toe te zien dat de arbeidsomstandigheden in die zes gebouwen verbeteren, in nauwe samenwerking met het Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats, en om snel een verbetering van de mobiliteitssituatie rond en de toegankelijkheid van de gebouwen uit te onderhandelen met de Luxemburgse overheid; wijst er eveneens op dat er medische antennes in elk van de gebouwen moeten worden opgezet, in overeenstemming met de Luxemburgse nationale wetgeving;

315.  heeft onlangs vernomen dat de eerste bouwfase van JMO II naar verwachting pas begin 2020 zal worden opgeleverd, en de tweede fase begin 2024; neemt kennis van de verklaringen van de Commissie ten aanzien van de oorzaken van de vertragingen:

   a) het architectenconsortium KSP verzocht om een herziening van bepaalde clausules van het beheerscontract;
   b) een aanbestedingsprocedure voor het grondverzet stuitte op administratieve problemen;
   c) aanzienlijke wijzigingen met betrekking tot de beveiligingsmaatregelen;

en verzoekt om bewijsstukken te ontvangen die deze verklaringen staven, evenals een gedetailleerd overzicht van de kosten die de vertraging bij de oplevering van het gebouw met zich brengt;

316.  wenst de bewijsstukken voor deze verklaringen vóór 30 juni 2018 te ontvangen;

Europese Scholen

317.  herinnert eraan dat de Commissie in 2016 61 % (177,8 miljoen EUR) van de begroting van de scholen heeft betaald;

318.  betreurt dat er na meer dan 15 jaar(91) nog steeds geen degelijk systeem voor financieel beheer voor de Europese Scholen is ingevoerd;

319.  wijst in dit verband op het jaarverslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2016, waarin de volgende tekortkomingen aan het licht kwamen(92):""27. De Rekenkamer heeft aanzienlijke tekortkomingen aangetroffen in de toepassing van de boekhouding op transactiebasis in de rekeningen van het Centraal Bureau en de Scholen van Alicante en Karlsruhe, met name in de berekening en boekhouding van voorzieningen voor personeelsbeloningen en de registratie van schulden en vorderingen. Belangrijke fouten zijn tijdens de consolidatieprocedure gecorrigeerd. [...] 30. De interne controlesystemen van de Scholen van Alicante en Karlsruhe wezen op enkele tekortkomingen, terwijl het interne controlesysteem van het Centraal Bureau nog steeds aanzienlijke tekortkomingen vertoont. Uit de controleverslagen van de onafhankelijke externe controleur bleek ook dat er sprake was van belangrijke tekortkomingen in de aanwervings-, aanbestedings- en betalingsprocedures. De Rekenkamer kan bijgevolg niet bevestigen dat het financieel beheer in overeenstemming was met het algemeen kader.""

320.  merkt op dat de directeur-generaal dus slechts dienovereenkomstig handelde toen zij haar betrouwbaarheidsverklaring inperkte, waarin zij verklaart dat zij in haar hoedanigheid van gedelegeerd ordonnateur de betrouwbaarheidsverklaring heeft ondertekend, doch met een reputationeel voorbehoud betreffende het doeltreffende beheer van bepaalde aan de Europese Scholen toegewezen middelen van de Commissie(93);

321.  betreurt dat het jaarverslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2016 talrijke tekortkomingen aan het licht bracht; is van mening dat de financiële verantwoordingsplicht van het systeem van de Europese Scholen naar een behoorlijk niveau moet worden getild door een speciaal kwijtingsproces voor de 177,8 miljoen EUR die hiervoor ter beschikking is gesteld;

322.  wijst nogmaals op het standpunt van het Parlement dat er dringend behoefte is aan een "uitgebreide herziening" van het systeem van de Europese Scholen om een hervorming van beheers-, financiële, organisatorische en pedagogische kwesties in overweging te nemen en herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie om jaarlijks een verslag met een beoordeling van de vorderingen aan het Parlement voor te leggen;

323.  vraagt de Commissie wanneer zij verwacht dat er een degelijk systeem voor financieel beheer voor de Europese Scholen in gebruik wordt genomen; vraagt de Commissie om de nodige maatregelen te nemen teneinde een degelijk systeem voor financieel beheer voor de Europese Scholen in gebruik te kunnen nemen;

Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

324.  vindt het verbazingwekkend dat de ontwikkeling van een nieuw, intern ontworpen casemanagementsysteem 12,2 miljoen EUR zal kosten; vraagt of OLAF marktonderzoek heeft verricht om naar goedkopere oplossingen te zoeken alvorens deze kosten op zich te nemen; verwacht dat de Commissie en OLAF de kwijtingsautoriteit uitgebreide uitleg bieden over de geschatte kosten en de stappen die zijn gezet om een economischere oplossing te vinden;

325.  uit zijn grote twijfel over:

   a) het creëren van posten waarvan het enige doel is om als springplank voor een detachering te dienen,
   b) de hoge ambtenaar die geen "afkoelingsperiode" in acht neemt voordat hij een functie met nauwe banden met zijn vorige werk aanvaardt,
   c) de hoge ambtenaar die verzeild dreigt te raken in een belangenconflict tussen loyaliteit aan zijn vorige en huidige werkgever;

Deskundigengroepen

326.  roept de Commissie op te zorgen voor een evenwichtige samenstelling van deskundigengroepen; neemt nota van het rapport van het Corporate Europe Observatory van 14 februari 2017 getiteld "Corporate interests continue to dominate key expert groups"(94); is bezorgd over de conclusie van dit rapport, met name wat betreft de onevenwichtige samenstelling van de deskundigengroepen GEAR2030, Automatische Uitwisseling van financiële rekeninggegevens, het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, het Platform voor goed fiscaal bestuur en de subgroep Emissies onder reële rijomstandigheden – lichte bedrijfsvoertuigen van de Werkgroep motorvoertuigen; wijst erop dat het Parlement nog steeds geen formeel antwoord heeft gehad op zijn resolutie van 14 februari 2017 inzake "Controle van het register en de samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie"(95) ; roept de Commissie op onverwijld een grondig antwoord in te dienen;

Onderzoeksjournalistiek en corruptiebestrijding

327.  veroordeelt de moord op de Slowaakse onderzoeksjournalist Ján Kuciak en zijn verloofde Martina Kušnírová op 22 februari 2018 en maakt zich grote zorgen over informatie waaruit blijkt dat deze moord in verband kan worden gebracht met frauduleuze betalingen uit Uniefondsen aan een inwoner van Slowakije die banden zou onderhouden met de misdaadorganisatie 'Ndràngheta; verzoekt de Commissie en OLAF dit dossier nauwkeurig te onderzoeken en hierover verslag uit te brengen in het kader van de follow-up van de kwijting aan de Commissie;

328.  betreurt het gebrek aan continuïteit van de landenspecifieke rapportage in het tweede verslag van de Commissie over bestrijding van corruptie in de EU (ARES (2017)455202); dringt er bij de Commissie op aan opnieuw, los van het Economisch Semester, verslag uit te brengen over de stand van corruptie in de lidstaten, en daarbij ook de doeltreffendheid te beoordelen van door de EU ondersteunde corruptiebestrijdingsinspanningen; dringt er met klem bij de Commissie op aan corruptiebestrijdingsinspanningen niet uitsluitend te beoordelen in termen van economisch verlies;

329.  dringt er bij de Commissie op aan zich opnieuw in te spannen voor de toetreding van de EU tot de Greco (Groep van Staten tegen Corruptie);

Overbruggingstoelagen

330.  neemt nota van de bevindingen en aanbevelingen van de studie van beleidsafdeling D van het Parlement getiteld "Transitional allowances for former Union office holders – too few conditions?"; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen in aanmerking te nemen en een herziening van de overbruggingstoelagen voor voormalige bekleders van een openbaar ambt in de EU te starten, om de transparantie van de toelagen en de verantwoording voor de EU-begroting tegenover de burgers te vergroten; dringt er in het bijzonder bij voormalige EU-functionarissen op aan geen lobbyactiviteiten te ondernemen bij EU-instellingen zolang zij een overbruggingstoelage ontvangen;

Uitvoerende agentschappen

331.  roept de betreffende uitvoerende agentschappen op:

   a) de aanbevelingen van de dienst Interne Audit op te volgen en ten uitvoer te leggen;
   b) overdrachten zoveel mogelijk te vermijden door gesplitste begrotingskredieten in te voeren om het meerjarige karakter van de activiteiten beter weer te geven;
   c) gedetailleerde en volledige gegevens bij te houden over openbare aanbestedings- en aanwervingsprocedures.

Adviezen van de commissies

Buitenlandse Zaken

332.  neemt kennis van het eindverslag over de externe evaluatie van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), dat in juni 2017 werd gepubliceerd; verwelkomt de indicaties dat de verkiezingswaarneming bijdraagt aan de algemene en specifieke doelstellingen van het EIDHR; onderstreept hoe belangrijk het is in het kader van verkiezingswaarnemingsmissies te blijven zorgen voor steun bij de lokale bevolking; wijst er daarom op hoe belangrijk het is te zorgen voor kosteneffectiviteit en grotere evenredigheid tussen de middelen die besteed worden aan verkiezingswaarnemingsmissies en de middelen voor follow-up van de aanbevelingen van die missies; verzoekt de Commissie de voorstellen uit het eindverslag over de externe evaluatie van het EIDHR te overwegen om de follow-up te versterken van de aanbevelingen die uit verkiezingswaarneming voortvloeien;

333.  is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt, maar merkt op dat 4 van de 10 civiele missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) nog niet door de Commissie zijn erkend als zijnde in overeenstemming met artikel 60 van het Financieel Reglement; dringt er bij de Commissie op meer te doen voor de accreditatie van alle civiele GVDB-missies, overeenkomstig de aanbeveling van de Europese Rekenkamer, zodat ze kunnen worden belast met begrotingsuitvoeringstaken onder indirect beheer;

Ontwikkeling en samenwerking

334.  is zeer verontrust over een duidelijke trend in recente voorstellen van de Commissie, namelijk het negeren van juridisch bindende voorschriften van Verordening (EU) nr. 233/2014(96) wanneer het gaat om voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) in aanmerking komende uitgaven en om landen die voor middelen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) in aanmerking komen; herinnert eraan dat de wettigheid van de uitgaven van de Unie een centraal beginsel van goed financieel beheer is en dat politieke overwegingen geen voorrang mogen krijgen boven duidelijke wettelijke bepalingen; herinnert eraan dat het DCI in de eerste plaats een instrument ter bestrijding van armoede is;

335.  steunt het gebruik van begrotingssteun maar dringt bij de Commissie aan op een betere omschrijving en duidelijke beoordeling van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden, en bovenal op een versterking van de mechanismen voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen;

336.  is bezorgd over de verklaring van de Rekenkamer dat er een ernstig risico bestaat dat de Unie haar doel om de klimaatverandering in alle gebieden van de Uniebegroting te integreren niet haalt, en dat de doelstelling om 20 % van haar uitgaven te besteden aan klimaatgerelateerde acties evenmin zal worden gehaald;

337.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is(97); benadrukt de mogelijke negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden die de Rekenkamer aanhaalt: "Met name heeft de Commissie niet voorgeschreven dat vrijwillige regelingen moeten controleren of de te certificeren productie van biobrandstoffen gepaard gaat met een significant risico van ongewenste sociaal-economische effecten, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers of gevaren voor de gezondheid en de veiligheid": verzoekt de Commissie dit probleem aan te pakken;

338.  rekent erop volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het DCI, die bedoeld is om Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking te nemen;

339.  verzoekt de Commissie een op stimulansen gebaseerde benadering voor ontwikkeling te integreren door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat een land dat in zijn interne hervormingen meer en sneller vooruitgang boekt bij de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de uitbanning van corruptie, de eerbiediging van mensenrechten en de rechtsstaat, ook meer steun van de Unie moet ontvangen; benadrukt dat deze "positief voorwaardelijke" aanpak, met veel aandacht voor de financiering van kleinschalige projecten voor plattelandsgemeenschappen, een daadwerkelijke verandering teweeg kan brengen en ervoor instaat dat het geld van de belastingbetaler in de Unie op een duurzamere wijze wordt besteed; veroordeelt anderzijds met kracht alle pogingen om grenscontroles als voorwaarde voor hulpverlening te gebruiken;

Werkgelegenheid en sociale zaken

340.  is bezorgd over het feit dat in het kader van de beoordeling door de Rekenkamer van 168 voltooide projecten in het kader van het uitgaventerrein "Economische, sociale en territoriale samenhang", slechts een derde beschikte over een systeem voor prestatiemeting met output- en resultaatindicatoren die verband houden met de doelstellingen van het operationele programma en dat 42 % niet over resultaatindicatoren of doelstellingen beschikte, waardoor het onmogelijk was de specifieke bijdrage van deze projecten aan de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het programma te beoordelen;

341.  neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie, wanneer zij het ontwerp en de implementatiemechanismen van de ESI-fondsen voor de periode na 2020 heroverweegt, een prominentere rol toekent aan het aspect 'prestatie' en het betalingsmechanisme vereenvoudigt door, in voorkomend geval, aanvullende maatregelen te treffen om het betalingsniveau te koppelen aan 'prestatie', in plaats van zich ertoe te beperken simpelweg kosten te vergoeden;

342.  is ingenomen met de resultaten die in 2016 zijn bereikt in het kader van de drie pijlers van het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); vestigt de aandacht op het feit dat de EaSI-steun, met name de onderdelen Progress en Eures (netwerk van Europese diensten voor arbeidsvoorziening) ervan, belangrijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; stelt met bezorgdheid vast dat de thematische afdeling Sociaal ondernemerschap binnen het zwaartepunt Microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het EaSI slecht blijft presteren; verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat het Europees Investeringsfonds zich ertoe verplicht de middelen in het kader van de thematische afdeling voor Sociaal ondernemerschap volledig te benutten;

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

343.  benadrukt dat in 2016 naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer een actieplan is opgesteld om de laattijdige betalingen in het kader van het LIFE-programma aan te pakken; merkt op dat het aantal laattijdige betalingen in 2016 3,9 % bedroeg;

344.  betreurt dat er geen door de Commissie beheerd specifiek verslagleggingskader bestaat om de ongewenste gevolgen van Unie-beleidsmaatregelen die in negatieve zin bijdragen aan de klimaatverandering vast te stellen en te meten, en om het aandeel van de desbetreffende uitgaven in de totale Uniebegroting te kwantificeren;

345.  benadrukt dat uit interne controles tevens is gebleken dat er vertraging is bij de tenuitvoerlegging van één zeer belangrijke aanbeveling met betrekking tot IT‑beveiliging (betreffende het beheer van de veiligheid van het EU-ETS IT-systeem), waardoor de diensten van de Commissie risico lopen op inbreuken op de beveiliging;

346.  merkt op dat uit de evaluatie achteraf van het tweede gezondheidsprogramma, die in juli 2016 werd gestart, is gebleken dat hoewel het programma waardevolle resultaten heeft opgeleverd met een duidelijke band met de prioriteiten van het uniale en nationale gezondheidsbeleid, er nog ruimte is voor verbetering inzake de verspreiding van de resultaten van de acties en inzake synergieën met andere financieringsinstrumenten van de Unie, zoals de structuurfondsen;

Vervoer en toerisme

347.  betreurt dat de Rekenkamer, nu het volgende MFK wordt opgesteld, geen volledige informatie heeft verschaft over de controles die met betrekking tot de vervoerssector zijn uitgevoerd op het beleidsgebied "Concurrentievermogen voor groei en banen", met name wat de CEF betreft;

348.  neemt er nota van dat de CEF eind 2016 steun had verleend aan 452 vervoersprojecten, voor in totaal 19,4 miljard EUR aan investeringen in heel Europa; wijst eens te meer op het belang van de CEF voor de voltooiing van het TEN-V-netwerk en voor de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte; benadrukt dat de verlaging van de middelen voor de CEF die in het verleden is doorgevoerd om het EFSI te financieren, in de toekomst moet worden voorkomen;

349.  neemt er nota van dat het EFSI in 2016 3,64 miljard EUR heeft uitgetrokken ter financiering van 29 operaties: 25 vervoersprojecten en 4 multisectorale fondsen met in totaal naar verwachting 12,65 miljard EUR aan investeringen; betreurt dat de Commissie en de EIB geen volledige informatie per sector op jaarbasis hebben verstrekt over de door het EFSI gesteunde projecten;

350.  neemt er nota van dat in 2016 het programma "Green Shipping Guarantee" is opgezet via het nieuwe CEF-schuldinstrument en het EFSI, waarmee potentieel 3 miljard EUR aan investeringen zal worden aangetrokken om schepen met schone technologie uit te rusten; verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over de uitvoering van dit programma, onder meer over de financiële en technologische aspecten en de milieu- en economische effecten;

351.  stelt vast dat het aantal financieringsinstrumenten aanzienlijk is toegenomen, waardoor nieuwe mogelijkheden voor gecombineerde financiering in de vervoerssector ontstaan, maar waardoor er ook een ingewikkeld web van regelingen rond de EU-begroting is ontstaan; vreest dat deze instrumenten naast de EU-begroting de mate van verantwoording en transparantie zouden kunnen ondermijnen, omdat de verslaglegging, de controle en het publieke toezicht niet op elkaar zijn afgestemd; betreurt voorts dat met het gebruik van de EFSI-fondsen uitvoeringsbevoegdheden worden gedelegeerd aan de EIB, met minder publiek toezicht dan bij andere instrumenten die door de EU-begroting worden ondersteund;

352.  verzoekt de Commissie om voor de vervoerssector duidelijk een beoordeling van het effect van het EFSI op andere financieringsinstrumenten te presenteren, met name wat betreft de CEF en de samenhang van het CEF-schuldinstrument met andere EU-initiatieven, en wel ruim vóór het voorstel voor het volgende MFK en de volgende CEF; vraagt dat in deze beoordeling een duidelijke analyse wordt gemaakt van het geografische evenwicht van de investeringen in de vervoerssector; herinnert er echter aan dat het bedrag dat uit hoofde van een financieringsinstrument wordt uitgegeven, niet als het enige relevante criterium voor de beoordeling van de prestaties daarvan mag worden beschouwd; verzoekt de Commissie daarom haar beoordeling van de resultaten die in het kader van door de Unie gefinancierde vervoersprojecten zijn behaald, te verdiepen en de toegevoegde waarde ervan te meten;

353.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, gezien de talrijke financieringsbronnen, een gemakkelijke toegang – in de vorm van één loket – tot projecten te bieden om de burgers in staat te stellen de ontwikkelingen en de financiering van infrastructuur die mede door EU-fondsen en het EFSI wordt gefinancierd, duidelijk te volgen;

354.  verzoekt de Commissie de financiële doeltreffendheid van de overeenkomst met Eurocontrol over het prestatiebeoordelingsorgaan (PRB) te evalueren en vaart te zetten achter het voorstel om het PRB op te richten als Europese economische toezichthouder onder toezicht van de Commissie; verzoekt de Commissie voorts, gezien de noodzaak om het gemeenschappelijk Europees luchtruim zo snel mogelijk tot stand te brengen en teneinde het concurrentievermogen van de luchtvaartsector te vergroten, vaart te zetten achter het voorstel om de netwerkbeheerder aan te wijzen als zelfstandige dienstverlener die als sectoraal partnerschap wordt opgezet;

355.  verzoekt de Commissie een beoordeling te presenteren van het effect van de door de lidstaten gefinancierde vervoersprojecten in het kader van de Donaustrategie en een voorstel in te dienen om de toegevoegde waarde van de toekomstige projecten te verhogen teneinde bij te dragen tot de voltooiing van deze belangrijke vervoerscorridor;

356.  betreurt ten zeerste dat er door het ontbreken van een specifieke begrotingslijn voor toerisme een gebrek aan transparantie is met betrekking tot de EU-middelen die worden gebruikt om acties voor toerisme te ondersteunen; herhaalt zijn verzoek om in toekomstige EU-begrotingen een begrotingslijn voor toerisme op te nemen;

Regionale ontwikkeling

357.  vestigt de aandacht op de rol die de bestuurlijke capaciteit speelt bij het regelmatige gebruik van de ESI-fondsen; is van mening dat een uitwisseling van goede praktijken op een effectieve manier kan bijdragen tot de versterking van de capaciteiten van de lidstaten op dit gebied;

358.  vindt het zeer zorgwekkend dat de grote vertraging bij de uitvoering van het beleid inzake economische, sociale en territoriale cohesie de vele ongelijkheden heeft verergerd, zowel in de gehele Unie als binnen de lidstaten en regio's, waardoor de integriteit van de Unie in gevaar komt;

359.  neemt kennis van het strategisch verslag 2017 over de uitvoering van de ESI-fondsen, waarin wordt beklemtoond dat in het kader van de ESI-fondsen(98) nu in totaal voor 278 miljard EUR aan projecten is geselecteerd, ofwel 44 % van de totale investering die gepland is voor 2014-2020, een bedrag dat sinds het begin van de financieringsperiode in de reële economie van Europa is geïnvesteerd; is van mening dat de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 nu op kruissnelheid is en dat de meerwaarde van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid voor alle regio's in de Unie hieruit blijkt, maar ook bewijst dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om de bestuurlijke capaciteit van de nationale, regionale en lokale autoriteiten te versterken;

Landbouw en plattelandsontwikkeling

360.  is ingenomen met het feit dat het LPIS verder verbeterd is en nauwkeuriger is geworden, waardoor het een uitstekend instrument wordt om het foutenpercentage omlaag te brengen en de administratieve lasten voor landbouwers en betaalorganen te verlichten;

361.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de sterke prijsvolatiliteit van landbouwproducten, die negatieve gevolgen heeft voor de inkomens van landbouwers, te monitoren en wanneer dat nodig is snel en doeltreffend in te grijpen;

362.  merkt op dat het eerste volledige jaar van de tenuitvoerlegging van de "vergroening" kennelijk geen invloed heeft gehad op het foutenpercentage, wat als een belangrijke prestatie van de landbouwers en de betaalorganen kan worden beschouwd gezien de complexe aard van de vergroeningsregels; is het eens met de Commissie dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken over de precieze uitkomst voor het milieu; wijst er op dat er afgezien van de vergroening nog andere factoren zijn die de milieuprestaties van de landbouwsector beïnvloeden; benadrukt dat "vergroening" als voorbeeld dient van de toegenomen behoefte aan prestatie-auditing, ook op het gebied van de landbouw;

363.  is ingenomen met de vergroeningsregeling en het feit dat die bedoeld is om de landbouwbedrijven in de Unie milieuvriendelijker te maken door middel van gewasdiversificatie, de instandhouding van blijvend grasland en de vaststelling van ecologische aandachtsgebieden op landbouwgrond, zoals geschetst in het jaarverslag van de Rekenkamer;

364.  herinnert eraan dat er een aanzienlijk verschil bestaat wat soorten fouten en de omvang van fouten betreft, d.w.z. tussen onopzettelijke nalatigheden, die een administratief karakter hebben, en gevallen van fraude, en dat nalatigheden in de regel geen financiële schade berokkenen aan de belastingbetaler, waarmee ook rekening moet worden gehouden bij de raming van het werkelijke foutenpercentage; wijst de Commissie erop dat het risico van onopzettelijke fouten die te wijten zijn aan de complexe regelgeving, uiteindelijk gedragen wordt door de begunstigde; betreurt het feit dat, zelfs als de investering doeltreffend was, de uitgaven door de Rekenkamer toch 100 % niet-subsidiabel worden geacht, als er sprake is van fouten bij de openbare aanbesteding, benadrukt daarom het feit dat een verdere rationalisering van de methode voor het berekenen van fouten wenselijk is;

365.  wijst erop dat de toegang tot gegevens en een goede monitoring, met name van milieuaspecten, essentieel is, aangezien bepaalde natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem en biodiversiteit, bepalend zijn voor de productiviteit van de landbouw op de lange termijn;

366.  hoopt dat de Rekenkamer haar controlepraktijken zo aanpast dat het gebruik van middelen daarin een even grote rol gaat spelen als de toewijzing ervan;

Visserij

367.  dringt erop aan dat de Rekenkamer in haar volgende verslagen een afzonderlijk foutenpercentage vermeldt voor visserij en voor maritieme zaken om een einde te maken aan de verdraaiingen die voortvloeien uit het onderbrengen van andere domeinen onder hetzelfde hoofdstuk; constateert dat het activiteitengebied maritieme zaken en visserij in het jaarverslag van de Rekenkamer onvoldoende gedetailleerd is, waardoor het moeilijk is het financieel beheer op dit gebied correct te beoordelen;

368.  feliciteert de Commissie met het zeer hoge uitvoeringspercentage voor titel 11 van afdeling III van de begroting 2016 betreffende maritieme zaken en visserij, zowel bij de vastleggingskredieten (99,2 %) als bij de betalingskredieten (94,7 %); herinnert eraan dat krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 508/2014(99) de begrotingsmiddelen worden opgesplitst volgens hun toewijzing en dat de Commissie in haar verslag daarom het uitvoeringspercentage per begrotingsonderdeel moet opnemen;

369.  neemt kennis van het voorbehoud ten aanzien van acht lidstaten in het jaarlijks activiteitenverslag van DG MARE met betrekking tot niet-subsidiabele uitgaven bij het Europees Visserijfonds (EVF);

370.  moedigt DG MARE aan bij zijn controle-inspanningen inzake kredieten in gedeeld beheer, met name bij zijn optreden ten aanzien van het EVF en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

371.  constateert dat het risico op verlies van middelen 5,9 miljoen EUR betreft en dat de Commissie de nodige maatregelen heeft genomen om de uitgaven in 2017 te beoordelen en in voorkomend geval de toegewezen middelen terug te vorderen;

372.  constateert dat het uitvoeringsniveau van het EFMZV voor de periode 2014-2020 drie jaar na de goedkeuring van het fonds op 15 mei 2014 nog steeds te wensen overlaat, aangezien in september 2017 slechts 1,7 % van de 5,7 miljard EUR aan beschikbare middelen voor gedeeld beheer was besteed; merkt op dat het gebruik van het EFMZV onder de bevoegdheid van de lidstaten valt; herinnert eraan dat krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 508/2014 de begrotingsmiddelen worden opgesplitst volgens hun toewijzing en dat de Commissie in haar verslag daarom het uitvoeringspercentage per begrotingsonderdeel moet opnemen;

373.  acht het noodzakelijk de lidstaten alle mogelijke steun te verlenen om een adequaat en volledig gebruik van de financiële middelen van het EFMZV te garanderen, met hoge uitvoeringspercentages, in overeenstemming met hun respectieve prioriteiten en behoeften, met name wat de duurzame ontwikkeling van de visserijsector betreft;

Cultuur en onderwijs

374.  is ingenomen met het feit dat in 2016 dankzij Erasmus+ 500 000 mensen de kans kregen in het buitenland te studeren, een opleiding te volgen of vrijwilligerswerk te doen en dat het behalen van de doelstelling van 4 miljoen deelnemers in 2020 op schema ligt; benadrukt dat Erasmus+-studenten een groot aantal overdraagbare vaardigheden, competenties en kennis plegen te ontwikkelen en betere carrièreperspectieven hebben dan niet-mobiele studenten en dat het programma een strategische investering in Europa's jongeren betekent; wijst er echter op dat het programma beter toegankelijk gemaakt moet worden, met name voor kansarme jongeren;

375.  juicht het toe dat de aanvraagprocedure voor financiering uit Erasmus+ grotendeels online is geplaatst; is echter van mening dat de procedure verder vereenvoudigd kan worden door niet langer te eisen dat de accrediteringsbrieven van projectpartners met de hand ondertekend moeten worden;

376.  merkt op dat er nog steeds problemen zijn met de toegang tot Erasmus+-financiering in de jeugdsector doordat het programma decentraal wordt beheerd door nationale agentschappen; verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door een deel van de financiering bij het uitvoerend agentschap te centraliseren; verzoekt de Commissie bovendien de nodige middelen te verstrekken om alle begunstigden van het programma meer te betrekken, bijvoorbeeld door vaste sectorspecifieke subcomités op te richten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013(100);

377.  meent dat universitaire uitwisselingen tot dusver cruciaal waren voor het succes van Erasmus+ en dat, om dit niet te laten afkalven, geen middelen van dit programma voor een ander programma mogen worden gebruikt en het toepassingsgebied van Erasmus+ evenmin mag worden uitgebreid tot andere ontvangers, bijvoorbeeld migranten;

378.  is verontrust over de chronisch lage succespercentages van de projecten in het kader van het programma "Europa voor de burger" en het subprogramma Cultuur van Creatief Europa (respectievelijk 16 % en 11 % in 2016); benadrukt dat lage succespercentages zorgen voor frustratie bij de aanvragers en symptomatisch zijn voor ontoereikende financieringsniveaus, wat niet strookt met de ambitieuze doelstellingen van de programma's;

379.  wijst erop dat het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) van de Commissie zelf zegt dat het programma "Europa voor de burger" in 2016 – het derde jaar van uitvoering – tot volle wasdom is gekomen; dringt er derhalve bij de Commissie en de Raad op aan terdege rekening te houden met de lange termijnen die nodig zijn gebleken voor de volledige tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's binnen het MFK voor 2014-2020, om te voorkomen dat zich soortgelijke vertragingen voordoen in het financieel kader voor de periode na 2020;

380.  is ingenomen met de rol die het EACEA speelt bij de uitvoering van de drie programma's voor cultuur en onderwijs, zoals blijkt uit de positieve evaluatie van de werkzaamheden van het agentschap in 2016; juicht het toe dat het EACEA meer gebruikmaakt van elektronische rapportering voor gefinancierde projecten, wat de gegevensverzameling en het projecttoezicht zou moeten verbeteren, de beleidswerkzaamheden van de Commissie ten goede zou moeten komen en de begunstigden zou moeten helpen; is verheugd dat het EACEA 92 % van zijn betalingen verricht binnen de termijnen van het Financieel Reglement; roept het EACEA op, gezien het feit dat de begunstigden van onderwijs- en cultuurprogramma's vaak zeer kleine organisaties zijn, om te streven naar betere resultaten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een indicator van de gemiddelde tijd tot betaling;

381.  neemt kennis van de lancering in 2016 van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, met een budget van 121 miljoen EUR tot 2022, en van de aanvankelijke belangstelling van de sector en van financiële intermediairs; dringt aan op een snelle uitvoering van de geplande vervroegde financiering van de faciliteit met 60 miljoen EUR uit het EFSI; herinnert eraan dat leningen een aanvulling vormen op andere belangrijke financieringsbronnen voor de sector, zoals subsidies;

382.  maakt zich zorgen over de zeer geringe hoeveelheid EFSI-financiering die in 2016 naar onderwijs en de culturele en creatieve sector is gevloeid; is van mening dat op maat gesneden, sectorspecifieke ondersteuning van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de culturele en creatieve sector van EFSI-leningen profiteert;

383.  betuigt nogmaals zijn steun voor onafhankelijke berichtgeving in de media over Europese aangelegenheden, met name door budgettaire steun te verlenen aan televisie-, radio- en onlinenetwerken; is ingenomen met de verdere subsidieverlening aan Euranet+ tot 2018 en dringt er bij de Commissie op aan een duurzamer financieringsmodel voor het netwerk te vinden;

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

384.  herinnert eraan dat in 2016 uitgebreid gebruik werd gemaakt van speciale instrumenten als reactie op de humanitaire situatie van asielzoekers in de Unie, en dat daarom de kans bestaat dat de resterende bedragen niet zullen volstaan tot aan het einde van het huidige MFK om het hoofd te bieden aan eventuele onverwachte gebeurtenissen voor 2020; verzoekt de Commissie dit structureel probleem in het volgende MFK op te lossen en het Parlement hierover naar behoren op de hoogte te houden;

385.  dringt aan op de ontwikkeling van een coherente en systematische strategie, met duidelijkere en sterkere politieke en operationele prioriteiten op lange termijn voor de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden, en op de waarborging van de effectieve tenuitvoerlegging daarvan, onder meer door te voorzien in voldoende middelen.

Rechten van de vrouw en gendergelijkheid

386.  onderstreept dat de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op alle beleidsterreinen gewaarborgd moet zijn; pleit daarom eens te meer voor de toepassing van genderbewust budgetteren tijdens alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering;

387.  betreurt dat voor de begrotingsonderdelen die vallen onder het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap (REC) voor de periode 2014-2020 niet is aangegeven welke middelen er precies zijn uitgetrokken voor elk van de aan gendergelijkheid gerelateerde doelstellingen van het programma; is ingenomen met het feit dat het Netwerk van vrouwen tegen geweld en de Europese Vrouwenlobby in 2016 subsidies hebben ontvangen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en voor de gelijkheid van mannen en vrouwen;

388.  herhaalt zijn verzoek om een afzonderlijk begrotingsonderdeel voor de specifieke Daphne-doelstelling te behouden en er meer middelen aan toe te wijzen als compensatie voor de verlaging van de middelen voor Daphne in de periode 2014-2020;

389.  betreurt dat in het Europees Fonds voor strategische investeringen geen genderperspectief wordt toegepast en beklemtoont dat er slechts kans is op een geslaagd herstelproces als er aandacht gaat naar de invloed van crises op vrouwen;

390.  benadrukt dat gendermainstreaming ook tot de basisbeginselen van het AMIF behoort; betreurt evenwel het gebrek aan gerichte acties op het gebied van gendergelijkheid met specifieke begrotingsonderdelen, ondanks de herhaalde oproepen van het Parlement om ook in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderaspecten;

391.  herhaalt zijn verzoek om in de gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren voor de uitvoering van de begroting van de Unie genderspecifieke indicatoren op te nemen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer, namelijk overeenkomstig de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

392.  dringt erop aan gendereffectbeoordeling als een algemene ex‑antevoorwaarde voor Uniefondsen op te nemen en indien mogelijk de verzameling van gegevens over begunstigden en deelnemers uit te splitsen volgens geslacht;

393.  is ingenomen met de vrij evenwichtige betrokkenheid van mannen en vrouwen (52 % vrouwen tegenover 48 % mannen) bij de interventies in het kader van het ESF in 2016;

394.  wenst dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich opnieuw inzetten voor gendergelijkheid in het volgende MFK, door middel van een gezamenlijke verklaring bij het MFK met de toezegging om genderbewust budgetteren toe te passen en de tenuitvoerlegging van deze verklaring in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure te controleren door een bepaling op te nemen in een herzieningsclausule van de nieuwe MFK-verordening.

(1) PB L 48 van 24.2.2016.
(2) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(3) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(4) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(7) PB L 48 van 24.2.2016.
(8) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(9) PB C 384 van 14.11.2017, blz. 2.
(10) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 63.
(11) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(12) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(13) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(14) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(15) PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(17) PB L 48 van 24.2.2016.
(18) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(19) PB C 384 van 14.11.2017, blz. 11.
(20) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 74.
(21) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(22) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(23) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(24) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(25) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(27) PB L 48 van 24.2.2016.
(28) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(29) PB C 384 van 14.11.2017, blz. 2.
(30) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 52.
(31) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(32) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(33) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(34) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(35) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 69.
(36) PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.
(37) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(38) PB L 48 van 24.2.2016.
(39) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(40) PB C 384 van 14.11.2017, blz. 9.
(41) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 171.
(42) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(43) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(44) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(45) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(46) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 58.
(47) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(48) PB L 48 van 24.2.2016.
(49) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(50) PB C 384 van 14.11.2017, blz. 12.
(51) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 252.
(52) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(53) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(54) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(55) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(56) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.
(57) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(58) PB L 48 van 24.2.2016.
(59) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(60) PB C 384 van 14.11.2017, blz. 11.
(61) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 247.
(62) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(63) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(64) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(65) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(66) PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.
(67) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(68) PB L 48 van 24.2.2016.
(69) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(70) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(71) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(72) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(73) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(74) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0122.
(75) Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).
(76) COM(2017)0351, afdeling 2.2.
(77) AMPR 2016, afdeling 2.2, jaarlijks activiteitenverslag DG AGRI, bijlage 10, blz. 140.
(78) AMPR 2016, bijlage 4, blz. 20.
(79) Zie AMPR 2016, afdeling 2.2.
(80) Besluit 2014/335/EU, Euratom, van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).
(81) Punten 120 en 121 van de Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III — Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 252 van 29.9.2017, blz. 28).
(82) Samenvatting van gegevens over de geboekte vooruitgang bij de financiering en uitvoering van acties op het gebied van financiële instrumentering, gerapporteerd door de beheersautoriteiten, overeenkomstig artikel 67, lid 2, onder j, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, blz. 11.
(83) Studie "Beoordeling van 10 jaar samenwerkings- en controlemechanisme voor Bulgarije en Roemenië", DG IPOL beleidsondersteunende afdeling D: begrotingszaken.
(84) Zie JAV 2016 van DG AGRI, blz. 17.
(85) Zie paragraaf 207 van de resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017.
(86) Zie de indicatieve cijfers over de verdeling van de steun, volgens de omvang van de steun, ontvangen in de context van aan producenten betaalde rechtstreekse steun overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 van de Raad (boekjaar 2016).
(87) Onder rubriek 3 van het MFK vallen verschillende beleidsterreinen; Migratie en veiligheid is het belangrijkste uitgaventerrein; daarnaast wordt tevens financiering verstrekt voor levensmiddelen en diervoeders en culturele en creatieve activiteiten, evenals programma's met betrekking tot justitie, rechten, gelijkheid en burgerschap, en consumenten en gezondheid.
(88) AMIF vervangt het Solid-programma (Solidariteit en beheer van de migratiestromen).
(89) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0477.
(90) Europese Rekenkamer – "Rapid case review on the implementation of the 5% reduction of staff posts", blz. 27.
(91) Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017, par. 276, 281, 282.
(92) Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de Scholen, 29 november 2017.
(93) DG HR, AAR, blz. 6.
(94) https://corporateeurope.org/expert-groups/2017/02/corporate-interests-continue-dominate-key-expert-groups
(95) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0021.
(96) Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).
(97) Speciaal verslag nr. 18/2016: Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen.
(98) http://ec.europa.eu/regional_policy/en/policy/how/stages-step-by-step/strategic-report/.
(99) Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
(100) Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).


Kwijting 2016: Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016
PDF 287kWORD 105k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2188(DEC))
P8_TA(2018)0122A8-0130/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0299/2017)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring(4) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 18 april 2018 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie(5) en zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van dat besluit,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05940/2018 – C8-0042/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0130/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.  overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie bevatten over belangrijke aspecten van de besteding van financiële middelen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.  overwegende dat zijn opmerkingen over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend deel uitmaken van bovenvermeld besluit van het Parlement van 18 april 2018 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie;

Deel I – Speciaal verslag nr. 21/2016 van de Rekenkamer met als titel "Pretoetredingssteun van de EU voor het versterken van de bestuurlijke capaciteit in de Westelijke Balkan: een metacontrole"

1.  is tevreden met het speciaal verslag van de Rekenkamer, dat de vorm heeft van een metacontrole, waarin een overzicht wordt gegeven van het beheer door de Commissie van de pretoetredingssteun aan Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië, en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

2.  wijst erop dat de Commissie moet opereren in een moeilijke politieke context en dat zij stuit op veel tekortkomingen binnen de openbare instellingen van de begunstigden, zoals buitensporige bureaucratie, een hoog personeelsverloop, een lage doelmatigheid, ontoereikende verantwoordingsplicht en corruptie;

3.  roept alle belanghebbenden op specifiek aandacht te besteden aan de opstelling van kwalitatieve nationale strategieën alsmede aan nationale en regionale programma's met duidelijke, realistische en meetbare doelstellingen, en de opzet van de programma's in het begunstigde land beter af te stemmen op deze strategieën en de bijbehorende behoefteanalyses;

4.  steunt de inspanningen van de autoriteiten van de landen in de Westelijke Balkan op cruciale terreinen in verband met goed bestuur en de hervorming van hun overheidsinstellingen, onder meer op het gebied van financiële controle bij het beheer van de overheidsfinanciën; verzoekt alle actoren meer inspanningen te verrichten ter ontwikkeling en consolidatie van strategieën voor het coördineren van de tenuitvoerlegging van de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën;

5.  acht het van wezenlijk belang het conditionaliteitsbeginsel sterker toe te passen, in het bijzonder door de capaciteit van begunstigden om een hoogwaardig project uit te voeren vooraf en in specifieke, meetbare termen te beoordelen;

6.  betreurt dat ongeveer de helft van door de EU gefinancierde projecten ter ondersteuning van de hervorming van de overheidsinstellingen en ter versterking van de rechtsstaat niet kon worden voortgezet; benadrukt het feit dat het belangrijk is te zorgen voor continuïteit, met name voor projecten ter versterking van de administratieve capaciteit; betreurt dat er in veel gevallen geen continuïteit was als gevolg van inherente factoren als een gebrek aan budgettaire middelen en personeel, en vooral het gebrek aan politieke wil om de instellingen te hervormen bij de begunstigde; roept de Commissie op voort te bouwen op hetgeen is bereikt met succesvolle projecten met kwantificeerbare toegevoegde waarde, en de continuïteit en levensvatbaarheid van de projecten te waarborgen door hiervan een voorwaarde te maken voor projecten bij de tenuitvoerlegging van IPA II;

7.  is van mening dat er nog altijd ruimte is voor verbetering wanneer het erom gaat bepaalde essentiële sectoren te laten voldoen aan de normen van de Unie, bijvoorbeeld wat de rechtsstaat, hervorming van de overheidsinstellingen en goed bestuur betreft; is van mening dat de voor deze sectoren verleende steun moet worden verhoogd, doeltreffender moet zijn en een grotere continuïteit moet hebben door een strikte koppeling aan de uitbreidingsstrategie en de politieke criteria;

8.  verzoekt de Commissie om bij wijze van prioriteit te focussen op de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, en om het openbaar ministerie en de ontwikkeling van normen op het gebied van transparantie en integriteit binnen de overheidsinstellingen te bevorderen; herhaalt dat er een meer continue en dwingende strategie moet komen en een sterker politiek engagement van de nationale autoriteiten om te zorgen voor blijvende resultaten op dit gebied;

Deel II – Speciaal verslag nr. 24/2016 van de Rekenkamer met als titel "Meer inspanningen zijn nodig om te voldoen aan en de bewustwording te vergroten van de regels inzake staatssteun in het kader van het cohesiebeleid"

9.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

10.  stelt met tevredenheid vast dat de Commissie het overgrote deel van de aanbevelingen zal uitvoeren;

11.  benadrukt dat alle betrokken directoraten-generaal, en met name DG COMP en DG REGIO, toegang moeten hebben tot alle databanken die worden beheerd door diensten van de Commissie om hun taken daadwerkelijk te kunnen uitvoeren;

12.  roept de Commissie op haar weigering om aanbeveling 4(b) uit te voeren te heroverwegen, aangezien deze de bescherming van de financiële belangen van de Unie in gevaar kan brengen;

13.  kan aanvaarden dat de Commissie terughoudend is om aanbeveling 4(d) uit te voeren, zolang de alternatieve methodes van de lidstaten even doeltreffend zijn als een centraal register voor het houden van toezicht op "de minimis"-steun; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat dit het geval is;

14.  is ervan overtuigd dat het voor de lidstaten van het grootste belang is om rechtszekerheid te hebben over de toepasselijke regels inzake staatssteun alvorens grote projecten te ondernemen, omdat duidelijke en samenhangende regels kunnen bijdragen aan een lager foutenpercentage op dit gebied;

15.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de nationale auditautoriteiten op de hoogte zijn van de toepasselijke regels inzake staatssteun en dat zij deze verifiëren alvorens hun jaarlijkse controleverslag in te dienen;

16.  is in verband hiermee tevreden met het feit dat DG COMP en DG REGIO in maart 2015 overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijk actieplan inzake staatssteun; wijst erop dat het actieplan oorspronkelijk zes maatregelen omvatte die waren bedoeld om de bekendheid met en de kennis op het gebied van staatssteun in alle lidstaten te vergroten: identificatie en verspreiding van goede praktijken, opleidingscursussen voor staatssteunspecialisten, landspecifieke workshops, seminars voor deskundigen, de verdere ontwikkeling van een databank met vragen en antwoorden (het ECN-ET-netwerk) en de ontwikkeling van een databank met informatie over staatssteun; merkt op dat de Commissie sinds 2016 ook een speciale trainingsmodule aanbiedt;

17.  verwelkomt ook het feit dat DG COMP eind januari 2016 opleidingen over staatssteun en infrastructuur had georganiseerd in Bulgarije, Kroatië, de Tsjechische Republiek, Roemenië en Slowakije;

18.  steunt het verzoek van de Rekenkamer om een centrale databank voor de hele Unie waarin de bevoegde instanties van de lidstaten de identiteit kunnen opzoeken van ondernemingen waarbij staatssteun wordt teruggevorderd, alsmede de stand van de terugvorderingsprocedures; is van mening dat deze databank belangrijk kan zijn voor toekomstige risicoanalyses;

Deel III – Speciaal verslag nr. 29/2016 van de Rekenkamer met als titel "Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme – een goede start maar verdere verbeteringen nodig"

19.  herinnert aan de volgende rechtsgronden:

   a) artikel 287, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU): “1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van elk door de Unie ingesteld orgaan of ingestelde instantie, voor zover het instellingsbesluit dit onderzoek niet uitsluit.

De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Aan die verklaring kunnen specifieke beoordelingen worden toegevoegd voor ieder belangrijk werkterrein van de Unie."

   b) artikel 27 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en van de Europese Centrale Bank (Protocol nr. 4 bij het VEU en het VWEU): "27.1. De rekeningen van de ECB en de nationale centrale banken worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants die op aanbeveling van de Raad van bestuur zijn aanvaard door de Raad. De accountants zijn zonder voorbehoud bevoegd alle boeken en rekeningen van de ECB en de nationale centrale banken te onderzoeken en volledig te worden geïnformeerd over hun verrichtingen.

27.2. De bepalingen van artikel 287 van het Verdrag zijn uitsluitend van toepassing op een doelmatigheidscontrole van de ECB".

   c) artikel 20, leden 1 en 7, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad(7) waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen: “1. Met betrekking tot de uitvoering van deze verordening is de ECB overeenkomstig dit hoofdstuk verantwoordingsplichtig tegenover het Europees Parlement en de Raad. 7. Bij het verrichten van een doelmatigheidscontrole van het bestuur bij de ECB krachtens artikel 27, lid 2, van de statuten van de ESCB en van de ECB houdt de Europese Rekenkamer tevens rekening met de bij deze verordening aan de ECB opgedragen toezichthoudende taken."

20.  steunt de conclusies van de Rekenkamer en is tevreden met het feit dat de ECB de aanbevelingen van de Rekenkamer(8) aanvaardt;

21.  maakt zich evenwel zorgen door een verslag van het Contactcomité van de hoge controle-instanties (HCI's) van de Europese Unie waarin de controlerechten van 27 van de 28 nationale HCI's in de hele Unie over bankentoezichthouders werden vergeleken; betreurt dat in de daaruit voortvloeiende verklaring wordt gesteld dat "er […] een controlegat [is] ontstaan in eurozonelanden waar bestaande controlemandaten van nationale HCI's met betrekking tot nationale bankentoezichthouders niet vervangen zijn door een soortgelijk controleniveau van de Rekenkamer met betrekking tot de toezichthoudende activiteiten van de ECB"(9);

22.  wijst erop dat het reeds uiting had gegeven aan deze bezorgdheid in zijn resolutie van 10 maart 2016 over de bankenunie – jaarverslag 2015(10);

23.  betreurt dat de aanpak van de ECB inzake openbaarmaking leidt tot een gebrek aan transparantie met betrekking tot de informatie aan de onder toezicht staande entiteiten, waardoor deze entiteiten de resultaten van het toetsingsproces en de prudentiële evaluatie niet ten volle konden bevatten; onderstreept dat de Rekenkamer bezorgdheid heeft geuit over het gebrek aan transparantie, dat naar haar mening het risico van willekeur bij het toezicht kan doen toenemen;

24.  wijst erop dat het totale gebrek aan toezicht op de blootstelling van banken aan niet-liquide activa van niveau 3, inclusief toxische activa en derivaten, heeft geleid tot een onevenwichtige uitoefening van de toezichtsfunctie; meent dat de sterke vooringenomenheid tegen kredietrisico's in vergelijking met operationele en marktrisico's in verband met speculatieve financiële activiteiten, heeft geleid tot een benadeling van commerciële banken ten opzichte van grote investeringsbanken, waardoor twijfels rijzen over de geldigheid en betrouwbaarheid van de uitgebreide beoordelingen die tot dusver zijn uitgevoerd; is bezorgd door de recente verklaringen van de voorzitter van de raad van toezicht, Danièle Nouy, dat de ECB posities in verband met deze complexe en risicovolle producten moeilijk of niet kan evalueren;

25.  neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen van de Rekenkamer wat het ontbreken van een doeltreffende organisatorische scheiding betreft tussen het monetaire beleid en de toezichtsfuncties van de ECB en van duidelijke, strenge governanceregels ter voorkoming van belangenconflicten, hetgeen de bezorgdheid vergroot over het inherente belangenconflict tussen de rol van de ECB met betrekking tot de vrijwaring van de stabiliteit van de euro en haar prudentiële toezicht op de grote Europese kredietinstellingen;

26.  is het eens met de conclusie van de Rekenkamer dat een risicoanalyse moet worden uitgevoerd van het gebruik van gemeenschappelijke diensten voor de taken in verband met het monetair beleid en de toezichtsfuncties van de ECB;

27.  maakt zich in verband hiermee zorgen door de vaststelling van de Rekenkamer dat de door de ECB verstrekte informatie slechts gedeeltelijk volstond om de doeltreffendheid te beoordelen van de activiteiten in verband met de beheersstructuur van het GTM, de werkzaamheden van de gezamenlijke toezichthoudende teams en de inspecties ter plaatse; onderstreept dat belangrijke aspecten als gevolg daarvan niet werden gecontroleerd;

28.  acht het met betrekking tot de aflegging van rekenschap onaanvaardbaar dat de gecontroleerde instelling, de ECB, op eigen houtje wil vaststellen tot welke documenten de externe controleurs toegang krijgen(11); verzoekt de ECB daarom volledig samen te werken met de Rekenkamer in haar hoedanigheid van extern controleur en de Rekenkamer volledige toegang tot informatie te verlenen om aan bovengenoemde regels te voldoen;

29.  verzoekt de Rekenkamer om de bevoegde commissie van het Parlement vóór november 2018 te informeren of een oplossing voor het probleem van de toegang tot informatie is gevonden;

30.  erkent het feit dat tussen de ECB en het Parlement verslagleggingsafspraken bestaan(12); is evenwel van mening dat deze afspraken niet de controle door de Rekenkamer kunnen vervangen;

31.  herinnert eraan dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2015 een verslag moest indienen over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingenverordening; betreurt dat dit niet is gebeurd;

32.  verzoekt de Commissie daarom dit verslag zo spoedig mogelijk af te ronden;

Deel IV – Speciaal verslag nr. 30/2016 van de Rekenkamer met als titel "De doeltreffendheid van de EU-steun voor prioritaire sectoren in Honduras"

33.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen; neemt ook kennis van de antwoorden van de Commissie;

34.  stelt met tevredenheid vast dat het verslag van de Rekenkamer goed is onthaald, zowel door de regering van Honduras als door de Commissie, en dat de door de Rekenkamer vastgestelde problemen, alsmede haar conclusies al erg nuttig zijn geweest om de politieke dialoog tussen Honduras en de Unie te intensiveren;

35.  herinnert eraan dat de betrekkingen tussen Honduras – als land in Midden-Amerika – en de Unie momenteel grotendeels zijn gebaseerd op de associatieovereenkomst die werd ondertekend in 2012, waarmee een hechte relatie voor de lange termijn is gecreëerd op basis van wederzijds vertrouwen en de bescherming van gedeelde waarden en beginselen; wijst erop dat in het akkoord drie belangrijke actiepijlers worden vastgesteld: politieke dialoog, samenwerking en handel; wijst er in het bijzonder op dat beide partijen zich er in de overeenkomst toe hebben verbonden maatregelen ten uitvoer te leggen om de economische ontwikkeling te bevorderen, rekening houdend met wederzijdse belangen als de uitroeiing van armoede, het scheppen van banen en een eerlijke en duurzame ontwikkeling;

36.  onderstreept dat tot nu toe 21 lidstaten de overeenkomst hebben geratificeerd; hoopt dat de lidstaten die de overeenkomst nog niet hebben ondertekend, dit zo spoedig mogelijk doen, aangezien volledige toepassing van de drie pijlers de ontwikkeling van de politieke dialoog zal versterken, een efficiënte toewijzing van financiële middelen mogelijk zal maken en eens en voor altijd zal garanderen dat de steun van de Unie effectief leidt tot de wederopbouw en transformatie van Honduras;

37.  herinnert eraan dat Honduras het land in Midden-Amerika is dat de meeste ontwikkelingshulp van de Unie ontvangt en dat de bijdrage van de Unie de op drie na hoogste is van de twaalf belangrijkste donoren van Honduras en 11 % vertegenwoordigt van alle officiële ontwikkelingshulp die het land ontvangt; onderstreept dat het totale bedrag aan steun is gestegen van 223 miljoen EUR in de periode 2007-2013 naar 235 miljoen EUR in de periode 2014-2020;

38.  merkt echter bezorgd op dat de financiële bijdrage van de Unie tijdens de onderzochte periode slechts 0,2 % van het bbp van het land bedroeg, een veel lager percentage dan dat van andere donoren, met name de Verenigde Staten;

39.  neemt er eveneens kennis van dat Honduras zich na de wereldwijde economische crisis volgens de Wereldbank in economisch opzicht redelijk heeft hersteld dankzij overheidsinvesteringen, export en hoge inkomsten uit geldtransfers, waardoor groeipercentages van 3,7 % in 2016 en 3,5 % in 2017 werden bereikt;

40.  benadrukt niettemin het feit dat, hoewel de economische vooruitzichten bemoedigend zijn, en ondanks de inspanningen van de regering en van donoren, Honduras nog steeds de hoogste niveaus van armoede en economische ongelijkheid heeft in Latijns-Amerika, waarbij volgens officiële gegevens in 2016 circa 66 % van de bevolking in armoede leeft, en met een geweld, corruptie en straffeloosheid die aanhoudend en wijdverbreid zijn; merkt op dat, hoewel het aantal moorden de afgelopen jaren gedaald is, het nog steeds een van de hoogste ter wereld is en het hoogste van Latijns-Amerika; onderstreept eveneens dat er nog steeds grote problemen en uitdagingen zijn met betrekking tot de toegang tot basisbehoeften, werkgelegenheid, natuurlijke hulpbronnen zoals land en bestaansmiddelen, en dat vrouwen, inheemse volkeren en mensen van Afrikaanse afkomst de bevolkingsgroepen zijn die het kwetsbaarst zijn voor mensenrechtenschendingen als gevolg van ongelijkheid;

41.  onderstreept met bijzondere bezorgdheid dat Honduras nog steeds een van de meest gevaarlijke landen ter wereld is voor verdedigers van mensen- en milieurechten, terreinen die in veel gevallen nauw met elkaar verbonden zijn; wijst erop dat er volgens gegevens van Global Witness sinds 2009 in Honduras zeker 123 land- en milieuactivisten zijn vermoord, vaak leden van inheemse en plattelandsgemeenschappen die zich verzetten tegen grootschalige projecten op hun grond, zoals in het geval van Berta Cáceres, wier moord nog steeds niet is opgehelderd; verzoekt de Commissie te garanderen dat de samenwerkingsactiviteiten van de Unie in Honduras de mensenrechten van de Hondurese bevolking op geen enkele manier ondermijnen en regelmatig grondig toezicht uit te oefenen om ervoor te zorgen dat dit zo blijft; wijst er met dit in het achterhoofd nogmaals op dat het EIDHR belangrijk is voor de verlening van dringende rechtstreekse financiële en materiële bijstand aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, en dat hetzelfde geldt voor het noodfonds, waarmee de delegaties van de Unie hun rechtstreeks ad-hoctoelagen kunnen verstrekken; verzoekt de Commissie eveneens de effectieve toepassing van de richtsnoeren van de Unie voor mensenrechtenverdedigers te bevorderen door lokale strategieën te formuleren om te garanderen dat deze volledig in de praktijk worden gebracht, in samenwerking met de organisaties van het maatschappelijk middenveld die al ervaring hebben op dit terrein;

42.  wijst met grote bezorgdheid op de ernstige incidenten die zich in Honduras hebben voorgedaan na de verkiezingen van 26 november 2017; wijst erop dat Europese en internationale mensenrechten- en medianetwerken melding hebben gemaakt van buitensporig en soms dodelijk gebruik van geweld door regeringstroepen tegen betogers, alsmede van andere aanvallen op mensenrechtenactivisten in de context van de postelectorale crisis, waarbij mensenrechtenorganisaties 30 moorden – waarvan 21 gepleegd door de militaire politie (PMOP) –, circa 232 gewonden en 1 085 arrestanten hebben geregistreerd; wijst erop dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN in Honduras meer dan 50  gevallen van intimidatie en pesterijen jegens mensenrechtenactivisten, maatschappelijke leiders en journalisten heeft gedocumenteerd; wijst erop dat de regering van Honduras in dit verband de oprichting van een ministerie van mensenrechten heeft aangekondigd, dat onafhankelijk zal opereren van het huidige Ministerie van Mensenrechten, Justitie, Bestuur en Decentralisatie, dat sinds 27 januari 2018 operationeel is; verzoekt de EDEO de Unie-steun voor mensenrechtenactivisten te intensiveren en de politieke dialoog krachtiger te bevorderen, en van de Hondurese regering te eisen haar verantwoordelijkheden op te nemen en te voldoen aan haar plicht om de vrede te handhaven en de veiligheid van haar burgers te waarborgen;

43.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat ook de particuliere sector in de landen van de Unie de mensenrechten en de strengste sociale en milieunormen in acht neemt, waarbij op zijn minst de Europese normen op dit gebied moeten worden geëerbiedigd; vraagt de Unie en de lidstaten een actieve rol te blijven spelen in het kader van de inspanningen van de VN voor de opstelling van een internationaal verdrag om ondernemingen ter verantwoording te roepen voor eventuele betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen;

44.  herinnert eraan dat de staatsgreep van 2009 rampzalige gevolgen had voor het land: de sociale en economische groei stagneerde duidelijk, de internationale hulp raakte niet meer te plaatse en het land werd geschorst door de Organisatie van Amerikaanse Staten; merkt op dat de activiteiten van de Unie in Honduras in die periode niettemin konden worden voortgezet, al was er in alle prioritaire sectoren sprake van vertraagde uitvoering en konden sommige acties, zoals de harmonisatie van het juridisch kader, niet worden voltooid; onderstreept dat, als de Unie in de voor samenwerking prioritaire sectoren geen steun had verstrekt en gehandhaafd, de situatie daar nog zorglijker zou zijn geweest;

45.  neemt ter kennis dat de regering van Honduras heeft verklaard dat zij bereid is internationale controle te aanvaarden en samen te werken met internationale organisaties (vestiging van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, recente oprichting van de Missie ter ondersteuning van de strijd tegen corruptie en straffeloosheid in Honduras (MACCIH), audit van de overheidsrekeningen door Transparency International enz.); wijst er evenwel op dat het belangrijk is rekening te houden met de lessen die zijn getrokken en met goede praktijken en deze toe te passen, en niet voor altijd afhankelijk te blijven van deze organisaties voor de uitoefening van de fundamentele verantwoordelijkheden van de overheid; neemt met grote bezorgdheid kennis van het feit dat het hoofd van de MACCIH op 18 februari 2018 ontslag heeft genomen vanwege de geringe steun die hij van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) ontving voor de uitvoering van de twee jaar geleden aan hem opgedragen taak om Honduras van corruptie te zuiveren (gebrek aan middelen, verspilling binnen de organisatie, gebrek aan geschikte faciliteiten enz.); neemt ter kennis dat de MACCIH ondanks dit gebrek aan steun sinds 2017 aanzienlijke resultaten heeft geboekt in de strijd tegen corruptie, waarbij zij heeft gezorgd voor de belangrijke veroordeling van overheidsfunctionarissen die betrokken waren bij ernstige corruptiezaken en onderzoek heeft gedaan naar de Hondurese politieke klasse; vreest dat deze omstandigheden de eerste grote regionale inspanningen om corruptie en straffeloosheid te bestrijden in een van de landen die hieraan het meest behoefte hebben teniet zullen doen, verzoekt de regering van Honduras en de OAS de door de MACCIH verrichte werkzaamheden onvoorwaardelijk te steunen en te bevorderen, en verzoekt de EDEO te blijven samenwerken met de MACCIH om de gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken;

46.  constateert dat de door de Rekenkamer uitgevoerde controles betrekking hadden op de periode 2007-2015, toen de EU-bijdragen 119 miljoen EUR bedroegen, en dat de prioritaire sectoren die gecontroleerd werden, vermindering van de armoede, bosbouw, veiligheid en justitie waren, die 89 % ontvingen van de bilaterale steun die werd betaald; is echter van mening dat de periode die de Rekenkamer in haar verslag heeft onderzocht, te lang is, omdat hij langer is dan de ambtstermijn van de Commissie en bovendien bijzonder moeilijke en uiteenlopende politieke en economische situaties omvat; is van mening dat de controleperioden om doeltreffender te zijn moeten worden ingekort of dat tussentijdse evaluaties moeten worden uitgevoerd, omdat er te veel gevallen zijn waar in het verslag problemen of tekortkomingen worden vastgesteld die sindsdien zijn geremedieerd, waardoor sommige conclusies en aanbevelingen van het verslag niet meer relevant zijn; onderstreept bovendien dat de Rekenkamer in haar verslag niet ingaat op de interviews die zij in Honduras heeft gehouden, met name met begunstigden, andere donoren en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

47.  merkt op dat de Rekenkamer in haar verslag concludeert dat, hoewel enige vooruitgang werd geboekt, de steun van de Unie aan de prioritaire sectoren slechts gedeeltelijk doeltreffend was, vooral door de omstandigheden in het land, evenals een reeks beheersproblemen die de impact van de steun verminderden, en merkt op dat, hoewel de strategie van de Commissie relevant en gecoördineerd was, zij niet specifiek genoeg was en de financiering uitgespreid was over te veel terreinen, waardoor het ondanks de verzoeken van de Hondurese regering niet mogelijk was te voorzien in de behoeften van de prioritaire sectoren, die ook geen steun kregen van andere donoren;

48.  deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer, maar is het eens met de Commissie dat in veel gevallen een zekere mate van flexibiliteit nodig was om zich aan te passen aan de crisis die werd veroorzaakt door de staatsgreep en dat gereageerd moest worden op buitengewoon urgente situaties en voorzien moest worden in de basisbehoeften van de bevolking; verzoekt de Commissie haar inspanningen voort te zetten om een doeltreffend evenwicht te realiseren tussen de flexibiliteit die nodig is om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden, behoeften en eisen van het land, het feit dat de urgentste problemen moeten worden aangepakt, inclusief op het gebied van mensenrechten, recht op leven en recht op een waardig leven, en het feit dat moet worden gereageerd en dat de potentiële impact van de Uniesteun moet worden vergroot;

49.  merkt op dat de samenwerking van de Unie in het verleden vooral betrekking had op sociale cohesie en economische groei, terwijl met de nieuwe programmering wordt gekeken naar de behoeften die voortvloeien uit de belangrijkste uitdagingen op het gebied van ontwikkeling waar het land tegenaan kijkt: vermindering van de armoede en ongelijkheid, voedselveiligheid, onderwijs en gezondheid, veiligheid en mensenrechten, belastinghervormingen, de strijd tegen straffeloosheid en corruptie, het scheppen van werkgelegenheid met sociale zekerheid, concurrentievermogen, beheer van natuurlijke hulpbronnen en kwetsbaarheid als gevolg van klimaatverandering;

50.  benadrukt het feit dat het, gezien de bijzondere situatie waarin het land verkeert, van fundamenteel belang is integrale programma's te starten op het gebied van armoedebestrijding (met name programma's die gericht zijn op de kwetsbaarste groepen, zoals vrouwen, kinderen en inheemse volkeren, overeenkomstig het verzoek van de Hondurese regering) en de programma's op dit gebied te versterken, evenals integrale programma's op het gebied van onderwijs, opleiding en beroepsonderwijs voor kinderen en jongeren uit de meest achtergestelde milieus, om ervoor te zorgen dat zij de mogelijkheid krijgen hun capaciteiten en competenties te ontwikkelen en om hen te beschermen tegen het risico verstrikt te raken in geweld en in de georganiseerde misdaad;

51.  wijst eveneens op de cruciale rol die vrouwen en vrouwenrechtenorganisaties spelen met betrekking tot sociale vooruitgang, inclusief bewegingen onder leiding van jongeren; verzoekt de Unie erop te wijzen dat vrouwen hulp moeten krijgen om hun lot in eigen handen te nemen en dat de totstandbrenging moet worden ondersteund van een veilige en stimulerende omgeving voor maatschappelijke vrouwenorganisaties en verdedigers van vrouwenrechten, en verzoekt haar specifiek gendergerelateerde vormen van repressie aan te pakken, met name in conflictgebieden; onderstreept het feit dat het belangrijk is actief bij te dragen aan de ondersteuning van beleid en maatregelen op het gebied van vrouwenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

52.  is van mening dat de Unie voort een bijzondere inspanning moet blijven leveren op het gebied van samenwerking, om de transparantie, geloofwaardigheid en verantwoordingsplicht van de overheidsinstellingen te verbeteren, en om de totaalstructuur te ontmantelen van corruptie en straffeloosheid die het vertrouwen van de burgers ondermijnt en een van de voornaamste belemmeringen is voor de ontwikkeling van het land;

53.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan politieke dialoog dat de Rekenkamer heeft geconstateerd op een aantal kritieke gebieden die steun ontvingen in het kader van de steun voor het Nationale Plan (doelstellingen op het gebied van onderwijs, ontwikkeling van nationale statistieken en hervorming van het overheidsapparaat), gegeven dat de beleidsdialoog van de Commissie de uitvoering van Unie-optreden vergemakkelijkt en leidt tot tastbare verbeteringen, verzoekt de Commissie om de politieke dialoog te intensiveren, met name op strategische en prioritaire gebieden, en te volharden op de gebieden waar de regering niet veel interesse toont of niet bijzonder reageert, zoals het nationale beleid voor justitie en veiligheid en de justitiële waarnemingspost;

54.  verzoekt de Commissie voort te gaan met het verbeteren van de gezamenlijke programmering met de Hondurese regering, en met de lidstaten van de Unie, en samen met de andere donoren een bijzondere inspanning te leveren op het gebied van interne coördinatie, om ervoor te zorgen dat het werk zo efficiënt mogelijk wordt verdeeld, om complementariteit te verwezenlijken en met name om de door de Rekenkamer vastgestelde problemen te voorkomen: de proliferatie van identieke of soortgelijke projecten (dezelfde sector, dezelfde begunstigden), tegenstrijdige of elkaar overlappende maatregelen of het uitblijven van maatregelen, met name in de prioritaire sectoren; is van mening dat de Commissie ook met de andere donoren een snelle en doeltreffende werkwijze moet vinden om de termijnen te verkorten en meer dynamiek en doeltreffendheid en betere resultaten te bewerkstelligen;

55.  constateert dat ongeveer de helft van de bilaterale hulp van de EU aan Honduras wordt verstrekt in de vorm van algemene en sectorale begrotingssteun; onderstreept met bezorgdheid dat de verstrekking van begrotingssteun grote risico's met zich meebrengt, vooral door de aanzienlijke macro-economische instabiliteit van het land, de technische tekortkomingen en de problemen met fraude en corruptie bij het beheer van de overheidsfinanciën;

56.  constateert bezorgd dat, hoewel in het verslag van de Rekenkamer wordt aangegeven dat de begrotingssteun werd toegewezen aan pertinente en geloofwaardige nationale strategieën, de strategieën van de regering in bepaalde prioritaire sectoren onduidelijk of gefragmenteerd waren en geen specifieke begroting kregen toegewezen, en dat de betrokken instellingen geen beleid en hervormingen konden ontwikkelen;

57.  erkent dat de Commissie deze risico's heeft geïdentificeerd en dat zij geprobeerd heeft ze te beperken; herinnert de Commissie er evenwel nogmaals aan dat begrotingssteun geen blanco cheque is en dat toezeggingen van de regering dat hervormingen zullen worden uitgevoerd, niet noodzakelijk voldoende garantie bieden; verzoekt de Commissie met dit in het achterhoofd om ter vermindering van het risico alles in het werk te blijven stellen om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren inzake begrotingssteun in alle fasen van de procedure worden toegepast en nageleefd; verzoekt de Commissie voorts begrotingssteun te vermijden in sectoren waar geen geloofwaardige en relevante respons van de regering kan worden gegarandeerd;

58.  is het met de Commissie eens dat het, anders dan de Rekenkamer stelt, geen tegenstrijdige boodschap hoeft te zijn die schadelijk kan zijn voor de effectiviteit van de steun om diverse betalingen voor begrotingssteun gedurende een bepaalde periode op te schorten – zoals het geval was in 2012 als gevolg van de algemene macro-economische situatie en het feit dat geen overeenkomst was bereikt tussen Honduras en het IMF– maar dat dit integendeel een manier kan zijn om volstrekt duidelijk te maken dat de regering de vastgestelde problemen snel en doeltreffend moet oplossen;

59.  neemt met veel belangstelling kennis van het feit dat Honduras het eerste land is waar resultaatgerichte begrotingssteun wordt toegepast; spreekt evenwel zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Rekenkamer concludeert dat gebreken van de controle-instrumenten de evaluatie van de behaalde resultaten hebben bemoeilijkt, dat de monitoring van deze resultaten vele tekortkomingen vertoonde en dat de gedane aanbevelingen niet systematisch zijn gevolgd; verzoekt de Commissie een gedetailleerd verslag op te stellen met de doelstellingen, de gebruikte indicatoren en referentiepunten, de reken- en verificatiemethoden enz. en de doeltreffendheid en impact hiervan te evalueren met betrekking tot het meten van de behaalde resultaten en tegelijkertijd het verbeteren van de communicatie, de zichtbaarheid en de effecten van het optreden van de Unie; verzoekt de Commissie eveneens meer nadruk te leggen op de resultaten, in het licht van de doelstellingen die zijn geformuleerd in haar strategieën inzake politieke dialoog met de Hondurese regering en in het kader van een dialoog met het maatschappelijk middenveld en andere donoren;

60.  aangezien het goede beheer van publieke middelen een fundamentele voorwaarde is voor de verstrekking van begrotingssteun en dit een van de grootste tekortkomingen is in Honduras, ondanks de opeenvolgende plannen van de regering en de steun van de Commissie, is van mening dat de Commissie bijzondere nadruk moet leggen op een continue verbetering op dit gebied; met dit in het achterhoofd en rekening houdend met de rol die de Hondurese Rekenkamer moet spelen met betrekking tot het beheer van de publieke middelen, verzoekt de Commissie specifieke programma's te ontwikkelen voor samenwerking met de Rekenkamer, om technische bijstand en opleiding op dit gebied te verstrekken;

61.  verzoekt de Hondurese regering alle nodige middelen en financiering te verstrekken om ervoor te zorgen dat de Hondurese Rekenkamer haar taak kan uitvoeren op onafhankelijke en doeltreffende wijze en in overeenstemming met de internationale normen op het gebied van audit, transparantie en verantwoording;

62.  neemt met bezorgdheid kennis van de vaststelling van de Rekenkamer dat er bij de Delegatie van de Unie in Honduras onvoldoende personeel heeft dat gespecialiseerd is in het beheer van overheidsfinanciën en macro-economische kwesties in verband met transacties op het gebied van begrotingssteun, en wijst erop dat dit bijzonder risicovol is gezien de chronische economische instabiliteit van een land dat, ondanks deze ernstige situatie, nog steeds begrotingssteun krijgt; verzoekt de Commissie, gezien de risico's waarop de Rekenkamer wijst, dringende actie te ondernemen om het personeelsbestand bij het Uniebureau in Honduras uit te breiden;

63.  merkt op dat in het kader van de samenwerking van de Unie in Honduras steun wordt verleend aan maatschappelijke organisaties voor het bevorderen van voedselzekerheid, mensenrechten en gendergelijkheid en dat zo'n 35 thematische projecten lopen, waar een bedrag mee gemoeid is van meer dan 9 miljoen EUR; neemt er eveneens kennis van dat de delegatie van de Unie, wat betrokkenheid bij de activiteiten van het maatschappelijk middenveld in Honduras betreft, een routekaart heeft opgesteld die in 2014 werd goedgekeurd en die een politieke dialoog en steunmaatregelen omvat die speciaal zijn ontworpen voor Honduras; acht het van essentieel belang dat maatschappelijke organisaties niet alleen worden betrokken bij het overlegproces dat leidt tot de opstelling van de routekaarten, maar ook bij de tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie hiervan;

64.  maakt zich ernstig zorgen door het feit dat er in ontwikkelingslanden steeds minder ruimte is voor het maatschappelijk middenveld; constateert met grote bezorgdheid dat in de eerste drie maanden van 2014 alleen, het departement dat bevoegd is voor de registratie en monitoring van maatschappelijke organisaties de licentie heeft ingetrokken van 10 000 ngo's omdat zij geen verslagen bij de overheid hadden ingediend over hun financiën en programma's en dat ondanks een aantal positieve veranderingen in de afgelopen jaren, een aantal wetten en administratieve maatregelen die onlangs in Honduras zijn aangenomen, de activiteiten van deze organisaties bemoeilijken en de ruimte beperken waarin zijn kunnen opereren, waardoor vele gedwongen worden om te sluiten;

65.  is tevreden met de steun en inzet die de Unie al geruime tijd voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden over heeft; is van mening dat de Commissie in het kader van de beleidsdialoog en de ontwikkeling van samenwerkingsprogramma's moet focussen op de ontwikkeling van strategieën om het juridische, administratieve en politieke klimaat te creëren dat vereist is om maatschappelijke organisaties in staat te stellen hun taken uit te voeren en doeltreffend te opereren, advies te verlenen aan de verenigingen, deze regelmatig informatie te verstrekken over middelen en financieringsmogelijkheden en ze aan te moedigen om zich aan te sluiten bij internationale middenveldorganisaties en -netwerken;

66.  is van mening dat de Rekenkamer een hoofdstuk van zijn verslag had moeten wijden aan de samenwerking van de Unie met de middenveldorganisaties in Honduras, gezien de fundamentele rol die deze organisaties spelen in de maatschappij in het algemeen en lokale ontwikkeling in het bijzonder, en al helemaal aangezien de Unie de belangrijkste donor van deze organisaties in de ontwikkelingslanden is en het voortouw heeft genomen met betrekking tot de bescherming van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers door middel van het gebruik en de tenuitvoerlegging van een hele reeks instrumenten en beleidsmaatregelen; hoopt dat de Rekenkamer hiermee in haar toekomstige verslagen rekening zal houden;

Deel V – Speciaal verslag nr. 31/2016 van de Rekenkamer met als titel "Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot"

67.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

68.  is ingenomen met de ambitieuze toezeggingen van de Unie om zijn uitstoot te verminderen met ten minste 20 % ten opzichte van het niveau van 1990 tegen 2020 en met 40 % tegen 2030, en om ten minste 20 % van haar begroting voor de begrotingsperiode 2014-2020 aan klimaatgerelateerde acties te besteden; is ingenomen met het feit dat in het algemeen vooruitgang is geboekt, maar betreurt dat er volgens de Rekenkamer een ernstig risico bestaat dat de begrotingsdoelstelling van 20 % niet wordt gehaald;

69.  acht het van groot belang dat de Commissie voortdurend blijk geeft van voldoende leiderschap en inzet voor klimaatbescherming via een doeltreffende uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, alsook voor de consolidering van haar internationale geloofwaardigheid en van instrumenten voor de totstandbrenging van de vereiste voorwaarden voor het klimaatbeleid en de groene diplomatie van de Unie in de toekomst;

70.  is ingenomen met de tenuitvoerlegging van de belofte in het kader van reeds bestaande beleidsmaatregelen in plaats van het vaststellen van nieuwe financiële instrumenten; is van mening dat dit moet bijdragen tot een grotere samenhang tussen de verschillende beleidsgebieden van de Unie; verzoekt de Commissie en de lidstaten een gecoördineerd plan op te stellen voor een maximale samenhang en continuïteit van de diverse programma's;

71.  verzoekt de Commissie een concrete algemene strategie te ontwikkelen om de vooropgestelde doelstellingen te halen, die onder meer het volgende omvat: gebiedsgerichte actieplannen, gedetailleerde maatregelen en instrumenten, de metings- en verslagleggingsmethode, en prestatie-indicatoren voor de klimaatgerelateerde acties van specifieke beleidsterreinen; verzoekt de Commissie en de lidstaten verder gemeenschappelijke gelijkwaardige normen te ontwikkelen voor de toepassing van adequate toezichts-, evaluatie- en controlesystemen, met name met betrekking tot de toepassing van de Rio-indicatoren en de verslaglegging over de besteding van klimaatgerelateerde uitgaven;

72.  betreurt dat de Rekenkamer tekortkomingen in het traceringssysteem van de Unie heeft geconstateerd, wat in aanzienlijke mate het risico verhoogt dat de ramingen voor klimaatgerelateerde uitgaven te hoog zijn; verzoekt de Commissie stelselmatig het conservativiteitsbeginsel te eerbiedigen om te hoge ramingen te voorkomen; verzoekt de Commissie de ramingen te herzien en de klimaatcoëfficiënten te corrigeren wanneer er een risico van te hoge raming bestaat;

73.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten prioriteit te verlenen aan de ontwikkeling van een actieplan op bepaalde gebieden met een enorm potentieel, zoals het programma Horizon 2020, landbouw en visserij; verzoekt de Commissie tevens de activiteiten op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe technologieën en innovatie op het gebied van milieubescherming intensief te coördineren met het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT);

74.  benadrukt dat de Commissie zich met name moet inzetten voor klimaatgerelateerde benchmarks, via mainstreaming van haar diverse programmeringsinstrumenten ter bevordering van een grote samenhang en eventueel nauwere coördinatie tussen de lidstaten om de algemene doelstelling te halen om ten minste 20 % van de begroting van de Unie te besteden aan een koolstofarme en klimaatbestendige samenleving;

75.  betreurt het ontbreken van concrete doelstellingen in grote delen van de begroting van de Unie; verzoekt de Commissie een algemeen plan op te stellen waarin wordt uiteengezet welke financieringsinstrumenten kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de begrotingsdoelstelling van 20 % en in welke mate; stelt met bezorgdheid vast dat het ontbreken van zo'n plan een teken is van het feit dat de verschillende begrotingsterreinen niet erg met elkaar verenigbaar zijn;

76.  stelt met bezorgdheid vast dat er weinig informatie bestaat over hoeveel geld wordt besteed aan de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering en over de mate waarin de klimaatgerelateerde maatregelen van de Unie zullen bijdragen tot de vermindering van de CO2-uitstoot, en dat de beschikbare gegevens van de lidstaten wellicht niet met elkaar kunnen worden vergeleken; verzoekt de Commissie verder te werken aan een verslag over de mate waarin de doelstelling om 20 % van de begroting van de Unie in de periode 2014-2020 te besteden aan klimaatgerelateerde maatregelen in alle beleidsmaatregelen wordt toegepast, en daarbij aan te geven hoeveel is vastgelegd en betaald, wat betrekking heeft op beperking en wat op aanpassing, en op welke gebieden de klimaatprestaties moeten worden verbeterd;

77.  is van mening dat de mainstreaming van de financieringsprogramma's verder moet worden verfijnd door heldere aanpassings- of beperkingsstrategieën en daaraan gekoppelde actieplannen vast te stellen, met inbegrip van adequate instrumenten voor de kwantificering van de vereiste investeringen en klimaatstimuli, en betere traceringsmethoden voor de ramingen om juiste prognoses te krijgen van de geboekte vooruitgang in alle acties van de Unie en de lidstaten;

78.  verzoekt de Commissie dringend een gunstig klimaat voor de overgang naar een koolstofarme economie te ontwikkelen, door haar investeringsvoorwaarden, bestedingskaders en innovatie- en moderniseringsinstrumenten in alle belangrijke betrokken sectoren aan te passen;

79.  betreurt dat er geen instrument beschikbaar is om een meerjarige geconsolideerde laatste stand van zaken met betrekking tot de hele begroting van de Unie te verstrekken; is van mening dat er behoefte is aan een evaluatie achteraf en een herberekening van de geraamde bijdragen voor de klimaatverandering;

80.  betreurt dat de Commissie geen specifiek kader heeft voor verslaglegging over het opsporen en meten van de negatieve gevolgen van beleid van de Unie dat de klimaatverandering in de hand werkt en over het meten van welk aandeel van de begroting van de Unie in de omgekeerde richting wordt besteed; is bezorgd dat de Commissie zonder deze gegevens geen volledig beeld geeft van de mate waarin de Unie bijdraagt aan het beperken van de klimaatverandering; verzoekt de Commissie stelselmatig mogelijke contraproductieve maatregelen op te sporen en op te nemen in de definitieve berekeningen betreffende de beperking van de klimaatverandering.

Deel VI – Speciaal verslag nr. 32/2016 van de Rekenkamer met als titel "EU-bijstand aan Oekraïne"

81.  wijst erop dat financiële bijstand van de Unie aan het hervormen van Oekraïne en deskundige assistentie van de Unie hierbij nodig waren; benadrukt echter dat de tenuitvoerlegging van de hervormingen ver achterblijven bij de verwachte resultaten;

82.  betreurt het dat er nog steeds oude structuren zijn die wars zijn van hervormingen, modernisering en democratisering en dat krachten die wel willen hervormen veel moeite hebben om zich te doen gelden;

83.  is ingenomen met de EU-bijstand aan Oekraïne; is echter van oordeel dat aan die steun de voorwaarde moet worden verbonden dat de Oekraïense regering zich merkbaar inzet om de situatie in haar land te verbeteren, en met name het stelsel van eigen middelen te verbeteren door middel van een doeltreffend en transparant belastingstelsel, dat niet alleen rekening houdt met de inkomens van de burgers maar ook met de bezittingen van de oligarchen;

84.  dringt aan op een doeltreffende bestrijding van de nog steeds welig tierende corruptie en op effectieve ondersteuning van organisaties die zich daarvoor inzetten;

85.  dringt aan op een versterking van de rechterlijke macht in het land, als onafhankelijk instrument in dienst van de rechtsstaat;

86.  verzoekt om striktere controle op het bankwezen, ter voorkoming van kapitaalvlucht naar derde landen, die leidt tot insolventie van bankinstellingen; wijst er in verband hiermee op dat alleen begrotingssteun mag worden verleend op voorwaarde dat de financiële bijstand wordt verstrekt op transparante wijze en zonder onderscheid;

87.  is van mening dat de verlening van financiële bijstand in het algemeen moet worden voorafgegaan door een beoordeling van de slagingskansen;

88.  is ervan overtuigd dat meer aandacht moet worden besteed aan de oprichting en opleiding van bekwame, gedecentraliseerde administratieve structuren;

Deel VII – Speciaal verslag nr. 33/2016 van de Rekenkamer met als titel "Uniemechanisme voor civiele bescherming: de coördinatie van de respons op rampen buiten de EU is in het algemeen doeltreffend geweest"

89.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; steunt de aanbevelingen erin en waardeert de bereidheid van de Commissie om hier rekening mee te houden;

90.  benadrukt het feit dat een snelle en coherente reactie op door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen uiterst belangrijk is om de menselijke, milieu- en economische impact ervan tot een minimum te beperken;

91.  neemt kennis van de algemene tevredenheid van de Rekenkamer met de manier waarop de Commissie het proces van respons op rampen afhandelt;

92.  moedigt de Commissie ertoe aan voort te bouwen op haar procedures voor middelen, inclusief begrotingsmiddelen, het inzetten hiervan en de selectie van deskundigen, zodat de getroffen landen onmiddellijke, op de behoeften gebaseerde hulp van Unie wordt verstrekt; benadrukt het feit dat het belangrijk is "steunpunten voor civiele bescherming" aan te wijzen binnen de nationale en regionale kantoren van het ECHO-netwerk en onder het personeel in de delegaties van de Unie in risicolanden;

93.  is tevreden met de start van het Europees medisch korps in februari 2016, dat de vrijwillige pool van het EU-mechanisme voor civiele bescherming aanzienlijk heeft uitgebreid met een reserve van medische en volksgezondheidsteams die ter beschikking staan en kunnen worden ingezet op basis van de lessen die zijn getrokken uit de ebolacrisis; is van mening dat deze aanpak, waarbij er een reserve is van medische teams en andere gespecialiseerde evaluatie- en ondersteuningsteams, moet worden voortgezet en verder moet worden verbeterd;

94.  suggereert alle onnodige administratieve belemmeringen te verwijderen, die zowel de deelnemende staten als het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) beletten sneller te reageren, met name bij het begin van de crisis;

95.  verzoekt de deelnemende staten meer activa te registreren in de vrijwillige pool, om de paraatheid om op rampen te reageren te verbeteren;

96.  wijst erop dat informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de Commissie, andere organen van de Unie en de Verenigde Naties belangrijk is om in geval van nood een gestructureerde respons te faciliteren; is tevreden met de samenwerkingsakkoorden die zijn ondertekend met het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) en het Wereldvoedselprogramma (WFP) en dringt er bij de Commissie op aan bijkomende samenwerkingsakkoorden te ondertekenen met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en andere betrokken spelers;

97.  herinnert eraan dat kwaliteits- en interoperabiliteitsvereisten worden gedefinieerd en uitgebreid overeenkomstig de nieuwe WHO-normen voor medische modules en ook andere strategische partners en hun kadervoorwaarden om snel optreden te garanderen in combinatie met een grondigere coördinatie bij internationale missies; is van mening dat, om de onmiddellijke beschikbaarheid of inzet te garanderen van capaciteiten zodra een noodsituatie ontstaat en om financieringsfouten te voorkomen, de verstrekkingsprocessen moeten worden geoptimaliseerd en verregaand gesubsidieerd;

98.  dringt erop aan potentiële synergieën met de andere betrokken spelers en instrumenten, met name humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, te blijven benutten en duplicatie van reeds ondernomen acties te voorkomen;

99.  verzoekt de Commissie de functionaliteit van het communicatieplatform van het ERCC, Cecis, te verbeteren, zodat de informatie gemakkelijker door de belanghebbenden kan worden teruggevonden, inclusief mobiele toegang voor de EUCP-teams die worden ingezet op het terrein;

100.  is van mening dat humanitaire hulp en civiele bescherming moeten worden gevolgd door andere activiteiten, die erop gericht zijn een cultuur van preventie te bevorderen, alsmede de capaciteit en de veerkracht van kwetsbare of door rampen getroffen gemeenschappen op te bouwen;

Deel VIII – Speciaal verslag nr. 34/2016 van de Rekenkamer met als titel "De bestrijding van voedselverspilling: een kans voor de EU om de hulpbronnenefficiëntie van de voedselvoorzieningsketen te verbeteren"

101.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer waarin de doeltreffendheid van de Unie wordt onderzocht met betrekking tot de bestrijding van voedselverspilling; onderschrijft de aanbevelingen van de Rekenkamer en verzoekt de Commissie met deze aanbevelingen rekening te houden;

102.  neemt met ernstige bezorgdheid kennis van het feit dat wereldwijd naar schatting ongeveer een derde van het voor menselijke consumptie geproduceerde voedsel verspild wordt of verloren gaat; betreurt het feit dat de Unie voedselverspilling niet op doeltreffende wijze bestrijdt en dat zij tot nu toe slechts onsamenhangende en gefragmenteerde actie heeft ondernomen;

103.  benadrukt dat de Unie een groot potentieel heeft om het probleem van voedselverspilling aan te pakken door het bestaande beleid zonder extra kosten aan te passen, en daar ook naar moet streven; betreurt echter te moeten vaststellen dat ondanks de optimistische verklaringen de politieke wil heeft ontbroken om de voornemens om te zetten in beleidsmaatregelen;

104.  betreurt ten zeerste dat de ambities van de Commissie met betrekking tot de bestrijding van voedselverspilling mettertijd aantoonbaar zijn gekrompen; betreurt het gebrek aan een gerichte beleidsactie op het gebied van voedselverspilling en het feit dat de positieve gevolgen op bepaalde beleidsterreinen veeleer toevallig zijn; kijkt ernaar uit een beoordeling uit te voeren van de resultaten van het pakket circulaire economie op het gebied van de bestrijding van voedselverspilling;

105.  beschouwt het als een teken van de onsamenhangende benadering van de Commissie, ten eerste dat de Unie wordt gezien als voorloper bij het bestrijden van de klimaatverandering, maar zich onvoldoende inzet voor het bestrijden van voedselverspilling, die rechtstreeks tot negatieve klimaateffecten bijdraagt, en ten tweede dat de Unie jaarlijks honderden miljoenen euro investeert in ontwikkelingshulp, bestrijding van honger en naleving van de regels inzake eerlijke handel, maar onvoldoende de kwestie aanpakt van de bestrijding van voedselverspilling, een van de belangrijkste oorzaken van deze problemen;

106.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om onmiddellijk actie te ondernemen tegen voedselverspilling; verzoekt de Commissie haar beloften met betrekking tot pertinente beleidsdocumenten op het gebied van de bestrijding van voedselverspilling na te komen;

107.  roept de Commissie op te zorgen voor intensieve coördinatie op het niveau van de Unie en de lidstaten om de verschillende benaderingen van diverse lidstaten met betrekking tot het voorkomen van voedselverspilling, voedseldonatie, voedselveiligheid en goede hygiënepraktijken te harmoniseren; roept de Commissie op een platform op te zetten voor het delen van goede praktijken op het gebied van de bestrijding van voedselverspilling, teneinde haar werkzaamheden beter af te stemmen op de activiteiten van de lidstaten;

108.  betreurt dat de acties van de Commissie op technisch niveau beperkt zijn gebleven tot het oprichten van werk- en deskundigengroepen, die echter nog geen bruikbare bijdrage hebben geleverd; roept de Commissie op haar acties op technisch niveau te verbeteren en te zorgen voor concrete resultaten; verzoekt de Commissie om nauwer samen te werken met het Europees Milieuagentschap en het EIT, die hoogwaardige deskundige en technische ondersteuning kunnen leveren;

109.  betreurt dat de Commissie het niet nodig acht om een gemeenschappelijke definitie van voedselverspilling op te stellen en het evenmin nodig acht om een specifieke hiërarchie voor voedselafval te definiëren; roept de Commissie op om een gemeenschappelijke definitie van voedselverspilling op te stellen, alsmede een gemeenschappelijke methode om voedselverspilling te meten en te volgen en richtsnoeren voor een afvalhiërarchie in het geval van voedselverspilling, in samenwerking met de lidstaten;

110.  verzoekt de Commissie een actieplan te ontwerpen om beleidsterreinen te identificeren waar bestrijding van voedselverspilling mogelijk is, met nadruk op preventie en voedseldonatie, en om aan te geven welke mogelijkheden in het kader van deze beleidsmaatregelen kunnen worden benut; verzoekt de Commissie actieplannen op te stellen met meetbare streefdoelen en prestatie-indicatoren, en effectbeoordelingen op te stellen voor specifieke beleidsterreinen;

111.  betreurt het feit dat voedseldonatie wel de op één na beste manier is om voedselverspilling te voorkomen, maar dat op diverse niveaus allerlei belemmeringen bestaan waardoor deze methode onvoldoende wordt gebruikt; vestigt de aandacht op de moeilijkheden waarmee de autoriteiten van de lidstaten te maken krijgen, met name wanneer het erom gaat voedseldonatie in te passen in het bestaande wettelijke kader; roept de Commissie op een specifiek platform voor de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten op te richten om voedseldonatie te bevorderen; verzoekt de Commissie bij de herziening van de desbetreffende wettelijke bepalingen rekening te houden met de bijdragen van de lokale en regionale autoriteiten;

112.  verzoekt de Commissie richtsnoeren over herdistributie en donatie van voedsel af te ronden en te publiceren, inclusief belastingregelingen voor donoren, op basis van beste praktijken die worden gedeeld tussen de lidstaten die momenteel actief stappen ondernemen om voedselverspilling tegen te gaan; dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren op te stellen met betrekking tot het verwijderen van belemmeringen op het gebied van voedseldonatie en belastingvoordelen voor ketens en ondernemingen die voedsel doneren;

113.  betreurt dat de concepten "ten minste houdbaar tot" en "te gebruiken tot" over het algemeen onduidelijk zijn voor gebruikers in alle stadia van de voedselvoorzieningsketen; verzoekt de Commissie deze concepten te verduidelijken en de richtsnoeren over het toepassen ervan bindend te maken, om misverstanden te voorkomen;

114.  moedigt de lidstaten aan de bevolking voor te lichten op het gebied van voedselbeheer en voedselverspilling;

115.  betreurt dat, ondanks individuele en beperkte initiatieven binnen enkele instellingen van de Unie, de Europese organen niet beschikken over een wettelijk kader, noch over gemeenschappelijke richtsnoeren voor de verwerking van niet-geconsumeerd voedsel dat afkomstig is van de cateringdiensten van de instellingen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijk regels op te stellen met betrekking tot voedselverspilling binnen de Europese instellingen, inclusief richtsnoeren om voedselverspilling te voorkomen en regels voor voedseldonatie, om de voedselverspilling die wordt veroorzaakt door de Europese instellingen, tot een minimum te beperken;

Deel IX – Speciaal verslag nr. 35/2016 van de Rekenkamer met als titel "Gebruikmaking van begrotingssteun ter verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten in Afrika ten zuiden van de Sahara"

116.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; sluit zich aan bij de aanbevelingen erin; verheugt zich over de bereidheid van de Commissie om deze aanbevelingen in praktijk te brengen; betreurt de eerder vage en weinig ambitieuze antwoorden van de Commissie;

117.  benadrukt het belang van de mobilisering van binnenlandse inkomsten (DRM - Domestic Resource Mobilisation) in landen met een lager ontwikkelingsniveau aangezien DRM de afhankelijkheid van ontwikkelingssteun doet afnemen, tot een beter openbaar bestuur leidt en van essentieel belang is voor de staatsopbouw;

118.  benadrukt dat de Commissie er volgens de Rekenkamer nog niet in geslaagd is contracten voor begrotingssteun doeltreffend te gebruiken ter ondersteuning van DRM in landen met lage en lagermiddeninkomens in Afrika ten zuiden van de Sahara; stelt evenwel vast dat de nieuwe aanpak van de Commissie het potentieel van deze vorm van hulpverlening voor de ondersteuning van DRM effectief heeft vergroot;

119.  wijst erop dat sterkere belastingstelsels niet alleen bijdragen tot meer voorspelbare inkomsten maar ook tot meer verantwoordelijkheid vanwege regeringen doordat er een rechtstreekse band ontstaat tussen de belastingbetalers en hun regering; steunt de uitdrukkelijke vermelding van de verbetering van DRM op de lijst van de Commissie met de belangrijkste uitdagingen op het gebied van ontwikkeling via begrotingssteun;

120.  betreurt dat de Commissie DRM onvoldoende in aanmerking heeft genomen bij de uitwerking van haar begrotingssteunmaatregelen; beklemtoont dat belangrijke risico's in verband met belastingvrijstellingen en met de inning en overdracht van belastingen en van niet-belastinginkomsten uit natuurlijke hulpbronnen niet geëvalueerd werden;

121.  benadrukt het feit dat inkomstenmobilisering in ontwikkelingslanden belangrijk is en wijst tegelijk op uitdagingen in verband met belastingontwijking, belastingontduiking en illegale financiële stromen; pleit voor het versterken van de financiële en technische bijstand aan ontwikkelingslanden en van regionale kaders voor belastingdiensten, en voor de vaststelling van beginselen voor onderhandelingen over belastingverdragen;

122.  wijst erop dat bij de controle een tekort is gebleken aan passende monitoringinstrumenten om te beoordelen in welke mate de begrotingssteun heeft bijgedragen tot algehele verbeteringen in DRM;

123.  is van mening dat het van essentieel belang is op het gebied van belastingbeleid eerlijke en transparante binnenlandse belastingstelsels te blijven bevorderen, op het gebied van natuurlijke hulpbronnen de steun op te voeren voor toezichtprocessen en -organen en bestuurshervormingen ter bevordering van duurzame exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en transparantie te blijven ondersteunen; benadrukt dat vrijhandelsovereenkomsten de belastinginkomsten voor landen met lage en lagermiddeninkomens verlagen en voor deze landen contraproductief kunnen zijn; eist dat de Commissie garandeert dat in haar risicobeoordelingen in het kader van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van vrijhandelsovereenkomsten met landen met lage en lagermiddeninkomens;

124.  vraagt de Commissie zich aan haar richtsnoeren te houden bij de uitvoering van macro-economische beoordelingen en beoordelingen van het beheer van de overheidsfinanciën in het kader van DRM, om een beter overzicht te krijgen van de meest problematische kwesties, bijvoorbeeld de omvang van fiscale stimuleringsmaatregelen, interne verrekenprijzen en belastingontduiking;

125.  benadrukt dat, om de opstelling van begrotingssteunmaatregelen te verbeteren, de procedure voor het identificeren van risico's voor de verwezenlijking van de gestelde doelen omvattender moet zijn en indien mogelijk gebruikmaking moet omvatten van het diagnostisch beoordelingsinstrument voor belastingadministratie;

126.  onderstreept dat DRM-specifieke voorwaarden vaker moeten worden toegepast, aangezien deze de uitkering van begrotingssteunbetalingen duidelijk koppelen aan de vorderingen van het partnerland op het gebied van DRM-hervormingen; vraagt de Commissie de voorwaarden te selecteren die relevant zijn en de grootste impact zullen hebben op DRM;

127.  erkent dat de Commissie moet optreden in een ingewikkelde politieke en institutionele context; wijst nogmaals op het belang van een gestructureerde beleidsdialoog met vertegenwoordigers van de nationale regering en andere donors om cruciale aandachtsgebieden te identificeren en een hulpstrategie op maat uit te werken;

128.  spoort de Commissie ertoe aan het onderdeel capaciteitsopbouw van de begrotingssteun uit te breiden, aangezien deze component stevige grondslagen legt voor een economische en sociale transformatie op lange termijn en een aantal belangrijke belemmeringen voor de efficiënte inning van overheidsinkomsten uit de weg ruimt;

129.  wijst erop dat het bevestigen van een rechtstreekse impact van begrotingssteuninspanningen op de mobilisering van binnenlandse inkomsten een gedetailleerdere beoordeling vereist van specifieke onderdelen van een belastingstelsel, waarmee gemaakte vorderingen kunnen worden gelinkt aan afzonderlijke delen van de verleende steun;

Deel X – Speciaal verslag nr. 36/2016 van de Rekenkamer met als titel "Een beoordeling van de regelingen voor de afsluiting van de programma's 2007-2013 voor cohesie en plattelandsontwikkeling"

130.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

131.  merkt tevreden op dat de Commissie de lidstaten passende en tijdige ondersteuning heeft geboden bij hun voorbereiding op de afsluiting van de programma’s van de periode 2007-2013;

132.  is ingenomen met de bereidheid van de Commissie om verdere harmonisatie na te streven van de regelgeving van de fondsen, onder meer met betrekking tot de terminologie en zekerheids- en afsluitingsprocessen, wanneer daarmee het beheer van EU-fondsen wordt verbeterd en bijgedragen wordt aan een eenvoudigere en effectievere tenuitvoerlegging in de lidstaten en regio's;

133.  merkt op dat zes belangrijke projectbesluiten voor de periode 2007-2013 nog steeds niet zijn genomen;

134.  merkt met verbazing op dat de Commissie weigert om specifieke toezeggingen te doen ten aanzien van wetgevingsvoorstellen voor de periode na 2020, gelet op het feit dat zij reeds kan bouwen op de ervaring van twee volledige financiële perioden (2000-2006 en 2007-2013); is echter gerustgesteld door het feit dat deze weigering vooral was ingegeven door zorgen van de Commissie over haar wettelijke prerogatieven en niet door onenigheid over de inhoud;

135.  steunt het verzoek van de Rekenkamer om verdere afstemming van de wettelijke bepalingen inzake afsluiting tussen cohesie en de investeringsgerelateerde maatregelen in het kader van plattelandsontwikkeling;

136.  is van mening dat gecalculeerde restrisicopercentages een onzekere factor blijven op basis van ervaring en ten hoogste kunnen worden gezien als richtpunten;

137.  constateert dat de Rekenkamer verlangt dat er geen overlapping meer is tussen de subsidiabiliteitsperiode en de volgende programmaperiode en bezorgd is dat verlengde subsidiabiliteitsperioden (n+2, n+3) een van de redenen zijn voor financiële achterstanden en de late start van de volgende programmaperiode, tezamen met vertraging bij de afronding van de herziene wetgeving betreffende programmering en financiering en daarmee verband houdende uitvoeringsregels, met name in 2014-2015; benadrukt in verband hiermee dat het belangrijk is te zorgen voor maximale absorptie en het vlotte verloop van meerjarige projecten;

138.  merkt op dat de definitieve afsluiting van de financiële periode slechts plaatsvindt om de zeven jaar; is het bijgevolg eens met de Rekenkamer dat de Commissie de begrotingsautoriteit en de Begrotingscommissie van het Parlement moet informeren over de definitieve uitkomst van de afsluitingsprocedure in een afzonderlijk document; is van mening dat dit in document niet alleen de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven moet worden bevestigd, maar ook het resultaat en de impact van de programma's moeten worden gemeten (prestatiegerichte aanpak);

Deel XI – Speciaal verslag nr. 1/2017 van de Rekenkamer met als titel "Meer inspanningen nodig om het Natura 2000-netwerk zo te ontwikkelen dat het volledige potentieel ervan wordt gerealiseerd"

139.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

140.  benadrukt het feit dat biodiversiteit belangrijk is voor de mensheid; wijst erop dat het Natura 2000-netwerk, dat is opgericht in het kader van de vogelrichtlijn(13) en de habitatrichtlijn(14), de hoeksteen vormt van de strategie van de Unie inzake biodiversiteit; stelt evenwel met bezorgdheid vast dat het potentieel ervan nog niet ten volle is benut;

141.  merkt op dat de algemene rol van de Commissie erin bestaat advies te verlenen aan de lidstaten; betreurt het feit dat de lidstaten onvoldoende met het advies van de Commissie rekening hebben gehouden;

142.  betreurt dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de lidstaten Natura 2000 niet naar behoren hebben beheerd en dat de coördinatie tussen de nationale instanties en de belanghebbenden in de lidstaten ontoereikend was;

143.  herinnert eraan dat de tenuitvoerlegging van Natura 2000 door het grensoverschrijdende karakter ervan een goede coördinatie vereist tussen de lidstaten; verzoekt de lidstaten een solide structuur op te zetten op nationaal niveau om grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen; verzoekt de Commissie de lidstaten betere begeleiding te bieden om een samenwerkingsplatform op te zetten;

144.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de instandhoudingsdoelstellingen vaak niet specifiek genoeg en niet gekwantificeerd waren, terwijl de beheersplannen niet nauwkeurig gedefinieerd waren en geen mijlpalen bevatten voor de voltooiing ervan; herhaalt dat de meerwaarde van Natura 2000 kan belemmeren; verzoekt de Commissie de regels inzake een effectieve aanpak voor het opstellen van instandhoudingsdoelstellingen en beheersplannen in de volgende programmeringsperiode te harmoniseren; verzoekt de Commissie tevens na te gaan of de lidstaten het advies volgen en hun indien nodig bijkomende adviserende ondersteuning te verlenen;

145.  verzoekt de lidstaten de nodige instandhoudingsmaatregelen tijdig uit te voeren om de meerwaarde ervan te waarborgen en de beheersplannen dienovereenkomstig te actualiseren; verzoekt de Commissie een grondige controle te verrichten naar mogelijks uitgestelde instandhoudingsprojecten;

146.  wijst erop dat, om het Natura 2000-netwerk doeltreffend te maken, de betrokkenheid van belangrijke stakeholders zoals grondeigenaren en -gebruikers van essentieel belang is; betreurt dat er in de meeste lidstaten geen effectieve communicatiekanalen bestaan; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een betere coördinatie tussen de nationale instanties en de diverse belanghebbenden;

147.  is bezorgd over het feit dat de lidstaten projecten die negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden niet op passende wijze hebben beoordeeld, dat de compenserende maatregelen onvoldoende zijn benut en dat de aanpak tussen de lidstaten sterk varieert; verzoekt de Commissie de lidstaten gestructureerder te adviseren over hoe en wanneer compenserende maatregelen in de praktijk moeten worden toegepast en toe te zien op het gebruik ervan;

148.  betreurt dat de programmeringsdocumenten voor de periode 2014-2020 de financieringsbehoeften niet volledig weergaven en dat de Commissie de tekortkomingen niet op gestructureerde wijze heeft aangepakt; verzoekt de Commissie de volgende programmeringsperiode grondiger voor te bereiden;

149.  betreurt dat de monitoring- en rapportagesystemen voor Natura 2000 niet geschikt waren om uitgebreide informatie te verschaffen over de doeltreffendheid van het netwerk; is bezorgd over het feit dat er geen specifiek prestatie-indicatorsysteem voor het gebruik van middelen van de Unie is ontwikkeld om de prestaties van het Natura 2000-netwerk weer te geven; is van mening dat dit de efficiëntie van het Natura 2000-netwerk belemmert; is ingenomen met het feit dat de Commissie een reeks verplichte alomvattende indicatoren heeft geïntroduceerd voor alle projecten in het kader van het LIFE-programma voor de programmeringsperiode 2014-2020; verzoekt de Commissie dezelfde aanpak toe te passen voor andere programma's in de volgende programmeringsperiode;

150.  stelt met bezorgdheid vast dat de monitoringplannen op gebiedsniveau vaak niet waren opgenomen in de beheersdocumenten van het gebied, en dat zij niet gedetailleerd waren of beperkt waren in de tijd; is verder bezorgd over het feit dat de standaard gegevensformulieren niet geactualiseerd waren en dat de door de lidstaten verstrekte gegevens voor het verslag over de stand van de natuur onvolledig en onnauwkeurig waren en niet met elkaar konden worden vergeleken; verzoekt de lidstaten en de Commissie deze kwestie in het beoogde actieplan op te lossen;

151.  is ingenomen met het feit dat de Commissie een centraal register heeft ontwikkeld voor de registratie van klachten en onderzoeken in verband met Natura 2000; merkt op dat een meerderheid van de zaken werd afgesloten zonder verdere procedurele stappen; verzoekt de Commissie om een strikte follow-up van alle klachten en onderzoeken;

152.  is ingenomen met de invoering van het biogeografische proces dat voorziet in samenwerking tussen belanghebbenden inzake het beheer van Natura 2000 en een bijbehorend netwerkingmechanisme; verzoekt de Commissie evenwel een taalbarrièreprobleem op te lossen dat de werking ervan belemmert;

153.  betreurt ten zeerste dat het prioritaire actiekader (Prioritised Action Framework - PAF) een onbetrouwbaar beeld van de kosten van het Natura 2000-netwerk schetste en dat de door de lidstaten vermelde gegevens onjuist en beperkt waren; stelt met bezorgdheid vast dat de ramingen van de financiering onbetrouwbaar waren en niet met elkaar konden worden vergeleken, waardoor het moeilijk was een nauwkeurig beeld te krijgen van het bedrag aan middelen van de Unie dat voor Natura 2000 is uitgetrokken; betreurt dat dit tot gevolg had dat de prioritaire actiekaders slechts een beperkt nut hadden om de coherentie van de EU-financiering ter bescherming van de biodiversiteit in het kader van Natura 2000 te waarborgen; moedigt de Commissie aan de lidstaten meer gestructureerde richtsnoeren te verstrekken voor rapportage over, toezicht op en voltooiing van de prioritaire actiekaders; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de verstrekte gegevens nauwkeurig zijn;

154.  is van mening dat de financiële middelen voor Natura 2000 identificeerbaar moeten zijn en het gebruik ervan traceerbaar, omdat het effect van de investeringen anders niet kan worden gemeten; voor zover Natura 2000 wordt medegefinancierd door het EFRO/CF en het Elfpo, verzoekt de betrokken directoraten-generaal van de Commissie een specifiek hoofdstuk over Natura 2000 op te nemen in hun jaarlijkse activiteitenverslagen;

155.  is ingenomen met de oprichting van de deskundigengroep en de ad-hocwerkgroepen inzake harmonisering van de praktijken en verzoekt de Commissie in de volgende programmeringsperiode gebruik te maken van de resultaten van hun werkzaamheden;

156.  verzoekt de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement in te lichten over het actieplan voor een betere uitvoering van de natuurrichtlijnen(15);

Deel XII – Speciaal verslag nr. 2/2017 van de Rekenkamer met als titel "De onderhandelingen van de Commissie over de partnerschapsovereenkomsten en programma's op cohesiegebied voor de periode 2014-2020: doelgerichtere uitgaven voor prioriteiten van Europa 2020, maar steeds complexere regelingen voor prestatiemeting"

157.  is ingenomen met de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer in zijn speciaal verslag; acht de analyse van de Rekenkamer van de programmeringsfase 2014-2020 van de ESIF-tenuitvoerlegging nuttig en is van mening dat deze gelegen komt om de wetgevers en de Commissie geschikte conclusies te helpen trekken voor de periode na 2020;

158.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie en van het feit dat de Commissie vijf aanbevelingen van de Rekenkamer volledig aanvaardt en twee gedeeltelijk; is ingenomen met de bereidheid van de Commissie om de aanbevelingen uit te voeren en roept de Commissie en de lidstaten op ze volledig en tijdig uit te voeren;

159.  is het niet eens met de mening van de Rekenkamer en de Commissie dat de uitgebreide bevoegdheden van het Parlement op zich tot onnodige vertraging hebben geleid voor het aannemen van de betreffende regelgeving voor de periode 2014-2020;

160.  betreurt dat de vertraging bij de indiening door de Commissie van haar voorstel voor het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode na 2020, die kan leiden tot ernstige vertraging bij de onderhandelingen over en de vaststelling van de overeenkomstige wetgeving inzake het MFK en de financiële programma's en instrumenten, op die manier de tijdige uitvoering daarvan in de periode na 2020 in gevaar brengt;

161.  benadrukt dat het voorstel voor nieuwe regelgeving voor het cohesiebeleid voor de periode na 2020, in de vorm van één pakket regels of een andere vorm, in de praktijk moet zorgen voor vereenvoudiging, gemakkelijkere toegang tot fondsen en succesvolle uitvoering van de doelstellingen van dit beleid;

162.  benadrukt dat een herhaling moet worden voorkomen van de vertraging bij het aannemen van de operationele programma's, alsmede een herhaling van de door de Rekenkamer vastgestelde problemen, zoals meer complexe, veeleisende en langdurige onderhandelingen over de ESIF-regelgeving voor de periode 2014-2020, laattijdige aanneming van secundaire wetgeving en richtlijnen en de noodzaak van diverse ronden voor de goedkeuring van de operationele programma's door de Commissie; betreurt dat deze tekortkomingen ingaan tegen de doelstelling van vereenvoudiging van het beheersysteem van het cohesiebeleid;

163.  merkt op dat de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 2/2017 tot de conclusie komt dat partnerschapsovereenkomsten een doeltreffend instrument zijn gebleken voor het afschermen van ESI-middelen voor thematische doelstellingen en investeringsprioriteiten en voor het ondersteunen van de focus op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor groei en werkgelegenheid; benadrukt echter dat de succesvolle tenuitvoerlegging van de doelstellingen een toereikende begroting vereist voor het cohesiebeleid in de periode na -2020;

164.  merkt op dat, in tegenstelling tot vorige perioden, de opmerkingen van de Commissie over de ontwerpen van operationele programma's moeten worden goedgekeurd door het college van commissarissen, terwijl in de vorige programmeringsperiode enkel de definitieve operationele programma's door het college moesten worden goedgekeurd; verzoekt de Commissie de toegevoegde waarde van deze procedure opnieuw te bekijken bij het opstellen van haar voorstel voor de programmeringsperiode na 2020;

165.  verzoekt de Commissie bovengenoemde problemen zorgvuldig te analyseren en maatregelen te nemen om ze in de periode na 2020 te voorkomen, alle nodige verbeteringen op te nemen en een snelle en kwalitatief hoogstaande programmering mogelijk te maken;

166.  roept de lidstaten en de Commissie op om bij het opstellen van de operationele programma's intensiever te overleggen, zodat zij snel kunnen worden goedgekeurd;

167.  benadrukt het feit dat het belangrijk is precieze en geharmoniseerde terminologie te gebruiken, om ervoor te zorgen dat de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid behoorlijk kunnen worden gemeten; betreurt dat de Commissie geen gemeenschappelijke definities heeft voorgesteld voor "resultaten" en "output" in haar voorstel voor het nieuwe financieel reglement; roept de Commissie op zo vlug mogelijk, en in ieder geval ruim voor de start van de periode na 2020, heldere gemeenschappelijke definities op te stellen voor begrippen als "opbrengst”, "resultaten" en "impact";

168.  herinnert eraan dat voldoende administratieve capaciteit, vooral op nationaal en regionaal niveau, essentieel is voor een vlot beheer en een vlotte uitvoering van de operationele programma's, inclusief monitoring en verslaglegging met betrekking tot de gerealiseerde doelstellingen en de behaalde resultaten via de desbetreffende indicatoren; dringt er in verband hiermee op aan dat de Commissie en de lidstaten gebruik maken van de beschikbare technische bijstand voor het verbeteren van de administratieve capaciteit op verschillende niveaus;

169.  roept de Commissie op het delen van goede praktijken op alle niveaus te versterken en te vergemakkelijken;

170.  is bezorgd over het feit dat de lidstaten een veelheid aan bijkomende opbrengst- en resultaatindicatoren toepassen naast de indicatoren waarin is voorzien in de basiswetgeving; vreest voor een "gold plating"-effect, dat het gebruik van de structuurfondsen omslachtiger en minder effectief kan maken; roept de Commissie op de lidstaten te ontmoedigen voor deze aanpak te kiezen;

171.  benadrukt het feit dat meting van de effecten van programma's op middellange en lange termijn ertoe doet, aangezien beleidsmakers enkel wanneer de effecten zijn gemeten, kunnen vaststellen of de politieke doelstellingen zijn behaald; roept de Commissie op tijdens de programmeringsperiode na 2020 de effecten expliciet te meten;

Deel XIII – Speciaal verslag nr. 3/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-Bijstand aan Tunesië"

172.  is ingenomen met het speciaal verslag waarin de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de bijstand van de Unie aan Tunesië worden beoordeeld; onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

173.  stelt vast dat de middelen van de Unie over het algemeen goed werden besteed aangezien daarmee een aanzienlijke bijdrage is geleverd aan de democratische overgang en de economische stabiliteit van Tunesië na de revolutie;

174.  stelt vast dat de acties van de Unie goed werden gecoördineerd met de voornaamste donoren en binnen de Europese instellingen en diensten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er een gezamenlijke programmering met de lidstaten tot stand komt met het oog op een betere focus en coördinatie van de steun;

175.  erkent dat de Commissie en de EDEO in een onstabiele politieke, sociale en veiligheidscontext moesten werken, wat een grote uitdaging vormde om omvattende steun te verlenen;

176.  verzoekt de Commissie de aanpak voor sectorale begrotingssteun nog fijner af te stemmen door de prioriteiten van het land te schetsen en voorwaarden te bepalen, en zo een meer gestructureerde en gerichte aanpak van de Unie te faciliteren en de algemene geloofwaardigheid van de Tunesische nationale strategie te vergroten;

177.  merkt op dat de financiering van de Unie een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd tot de democratische overgang en de economische stabiliteit in Tunesië; verzoekt de Commissie en de EDEO evenwel het toepassingsgebied van hun acties te beperken tot een kleiner aantal welomschreven gebieden om een optimaal effect van de bijstand van de Unie te bereiken;

178.  verzoekt de Commissie de beste praktijken met betrekking tot de programma's voor begrotingssteun te volgen en de bestedingsvoorwaarden daarvan toe te passen om de Tunesische autoriteiten ertoe aan te zetten noodzakelijke hervormingen door te voeren; spreekt zijn bezorgdheid uit over een soepele toewijzing van "meer voor meer"-middelen, die doorgaans niet gekoppeld was aan de nakoming van aanvullende voorwaarden en niet werd voorafgegaan door een gedegen meting van de geboekte vooruitgang;

179.  benadrukt het belang van een uitgebreide beoordeling van het beheer van de overheidsfinanciën, bij voorkeur met gebruikmaking van PEFA(16), teneinde mogelijke gebreken in steunverlening van de Unie te identificeren en aan te pakken;

180.  verzoekt de Commissie de opzet van de programma's en projecten te verbeteren door een reeks specifieke ijkpunten en indicatoren vast te stellen waarmee naar behoren kan worden beoordeeld in hoeverre de doelstellingen zijn behaald;

181.  benadrukt dat de klemtoon moet liggen op duurzame economische ontwikkeling op de lange termijn, en niet op maatregelen die slechts een tijdelijk herstel van de arbeidsmarkt met zich meebrengen;

Deel XIV – Speciaal verslag nr. 4/2017 van de Rekenkamer met als titel "Het beschermen van de EU-begroting tegen onregelmatige uitgaven: in de periode 2007-2013 maakte de Commissie op cohesiegebied in toenemende mate gebruik van preventieve maatregelen en financiële correcties"

182.  is ingenomen met de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer in zijn speciaal verslag;

183.  onderkent dat het belangrijk is de doelstellingen van het cohesiebeleid te verwezenlijken, te weten de terugdringing van het verschil in ontwikkelingsniveau tussen regio's, de herstructurering van industriegebieden met afnemende economische activiteit en de bevordering van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking, om zo bij te dragen aan de verwezenlijking van de strategische doelstellingen van de Unie; is van mening dat dit belangrijke karakter het aanzienlijke aandeel van het cohesiebeleid in de begroting van de Unie rechtvaardigt; benadrukt dat goed financieel beheer ervan en preventie en afschrikking van onregelmatigheden, alsmede financiële correcties belangrijk zijn;

184.  neemt er kennis van dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard en verzoekt de Commissie de aanbevelingen volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

185.  merkt op dat de Commissie in het algemeen doeltreffend gebruik heeft gemaakt van de tot haar beschikking staande maatregelen gedurende de programmeringsperiode 2007-2013 om de begroting van de Unie tegen onregelmatige uitgaven te beschermen;

186.  is verheugd dat de Commissie in de programmeringsperiode 2007-2013 veel eerder is begonnen met het toepassen van corrigerende maatregelen en financiële correcties dan in de periode 2000-2006, en met een grotere impact; benadrukt echter dat deze corrigerende maatregelen de bescherming van de financiële belangen van de Unie moeten waarborgen, maar dat hierbij tegelijk moet worden erkend dat het belangrijk is de getroffen operationele programma's tijdig en op effectieve wijze ten uitvoer te leggen;

187.  verzoekt de Commissie waakzaam te blijven bij haar onderzoek van de door de lidstaten ingediende afsluitingsverklaringen voor de programmeringsperiode 2007-2013, alsmede in de toekomst;

188.  verzoekt de Commissie een analytisch en geconsolideerd verslag uit te brengen over alle preventieve maatregelen en financiële correcties die gedurende de programmeringsperiode 2007-2013 zijn opgelegd, voortbouwend op het verslag over de voorgaande periode;

189.  onderstreept dat onderbrekingen en opschortingen van betalingen een aanzienlijk financieel risico vormen voor de lidstaten en kunnen leiden tot problemen voor de Commissie bij haar begrotingsbeheer; verzoekt de Commissie te zorgen voor evenwichtige inspanningen om de begroting te beschermen en de doelstellingen van het cohesiebeleid te realiseren;

190.  onderstreept dat, als de lidstaten zelf onregelmatigheden opsporen en preventieve maatregelen nemen, dit ervoor zal zorgen dat minder tijd wordt besteed aan het vaststellen van de problemen en dat meer tijd beschikbaar is voor het oplossen ervan; merkt op dat dit ook zal betekenen dat de beheers- en controlesystemen in de lidstaten doeltreffend werken, zodat het niveau van de onregelmatigheden lager kan liggen dan de materialiteitsdrempel; verzoekt de lidstaten daarom proactiever en verantwoordelijker te zijn en onregelmatigheden op te sporen en te corrigeren op basis van hun eigen controles en audits, en de beheers- en controlesystemen op nationaal niveau te verbeteren, om verdere financiële nettocorrecties en een verlies van financiering te voorkomen;

191.  verzoekt de lidstaten de Commissie in kwantitatief en kwalitatief opzicht toereikende informatie te verstrekken, in het geval van financiële correcties naar aanleiding van een door de Commissie uitgevoerde controle, voor het garanderen van vlotte procedures;

192.  benadrukt in verband hiermee dat rechtszekerheid, behoorlijke richtsnoeren en technische bijstand van de Commissie voor de autoriteiten van de lidstaten, inclusief een voldoende specifieke formulering van haar vereisten, belangrijk zijn; verzoekt de Commissie ook nauw samen te werken met de autoriteiten van de lidstaten om de doelmatigheid van de controles op het eerste en tweede niveau te verbeteren;

193.  verzoekt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te verstrekken inzake geharmoniseerde verslaglegging over de toepassing van financiële correcties, om de monitoring en evaluatie van de impact van door de lidstaten uitgevoerde financiële correcties te vergemakkelijken;

194.  is het eens met de conclusie van de Rekenkamer dat het wettelijk kader inzake financiële correcties voor de programmeringsperiode na 2020 moet worden versterkt, maar dat de primaire focus moet blijven liggen op de preventie van onregelmatigheden en fraude;

195.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een geïntegreerd monitoringsysteem op te zetten om de informatie in de databanken te kunnen gebruiken voor een vergelijkende analyse, zowel wat de preventieve maatregelen als wat de financiële correcties in de periode 2014-2020 betreft, en verzoekt haar het Parlement, de Raad en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten tijdig toegang tot de informatie te verlenen;

196.  verzoekt de Rekenkamer bij haar toekomstige auditactiviteit meer te focussen op systematische tekortkomingen en aanbevelingen te doen zowel aan de Commissie als aan de lidstaten om de werking van het algemene systeem voor financieel beheer en controle te verbeteren;

Deel XV – Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer met als titel "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief"

197.  is tevreden met het speciaal verslag van de Rekenkamer en is verheugd dat de Commissie een aantal van de aanbevelingen van de Rekenkamer aanvaardt en in overweging zal nemen;

198.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid in de Unie de afgelopen paar jaar is gedaald; betreurt echter dat jeugdwerkloosheid medio 2016 nog altijd 18,8 % van de jongeren trof; dringt er bij de lidstaten van de Unie met klem op aan om de beschikbare steun van de Unie te gebruiken om deze reeds lang bestaande situatie aan te pakken;

199.  maakt zich grote zorgen om het feit dat jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (not in employment, education or training, NEET), het contact met het onderwijs en de arbeidsmarkt verloren zijn; beseft dat deze groep het moeilijkst te bereiken is door middel van de bestaande operationele programma's waarmee de financiële regelingen voor jeugdwerkloosheid worden uitgevoerd; is van mening dat voor de periode 2017-2020 moet worden gefocust op deze groep, om te waarborgen dat de belangrijkste doelstellingen van de jongerengarantie worden verwezenlijkt;

200.  benadrukt dat er voor integratie van de NEET aanzienlijk meer EU-middelen nodig zijn en dat de lidstaten tevens bijkomende middelen beschikbaar moeten stellen uit hun nationale begrotingen;

201.  benadrukt dat de jongerengarantie sinds 2012 een positieve bijdrage levert aan het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, maar dat het niveau van de jongerenwerkloosheid onaanvaardbaar hoog blijft, en roept er daarom toe op het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te verlengen tot 2020;

202.  betreurt dat geen van de bezochte lidstaten alle NEET's de mogelijkheid kon bieden binnen vier maanden na opname in het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een aanbod aan te nemen;

203.  verwelkomt in het bijzonder de aanbeveling van de Rekenkamer dat meer aandacht moet worden besteed aan het verbeteren van de kwaliteit van de aanbiedingen;

204.  wijst erop dat de Commissie in haar mededeling van oktober 2016(17) vaststelt dat de doeltreffendheid ervan moet worden verbeterd;

205.  wijst op de aanhoudende uitdaging van discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden voor het voldoen aan de vraag op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie in het kader van het Werkgelegenheidscomité van de Raad (EMCO) de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen, om deze kwestie op de werkgelegenheidsagenda te plaatsen;

206.  verwelkomt de samenwerking van de Commissie met de lidstaten voor het vaststellen en verspreiden van goede praktijken op het gebied van monitoring en verslaglegging op basis van de bestaande systemen in de lidstaten; herinnert de Commissie eraan dat de vergelijkbaarheid van gegevens hiervoor van wezenlijk belang blijft;

207.  wijst erop dat voor het realiseren van de doelstelling van een hoogwaardig, continu arbeidsaanbod voor alle jongeren onder 24 jaar in bepaalde regio's, aanzienlijk meer middelen nodig zijn;

Deel XVI – Speciaal verslag nr. 6/2017 van de Rekenkamer met als titel "De EU-reactie op de vluchtelingencrisis: de 'hotspotbenadering'"

208.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

209.  neemt kennis van het antwoord van de Commissie en van haar toezegging de Italiaanse en Griekse autoriteiten te ondersteunen; is verheugd over het feit dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard teneinde specifieke aspecten van de hotspotbenadering verder te ontwikkelen;

210.  betreurt het feit dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag het bredere perspectief, inclusief de herplaatsing van asielzoekers naar andere lidstaten, niet kon behandelen; benadrukt dat de knelpunten in de vervolgprocedures een continue uitdaging vormden voor de goede werking van de hotspots;

211.  erkent dat het belangrijk is de Europese migratieagenda uit te voeren; benadrukt dat de kortetermijnmaatregelen voort moeten worden blijven ontwikkeld, alsmede de langetermijnmaatregelen, om de grenzen beter te beheren en de diepere oorzaken van illegale migratie aan te pakken;

212.  verzoekt de Commissie, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europol, Frontex (in het licht van zijn nieuwe mandaat als Europese grens- en kustwacht), de nationale autoriteiten en andere internationale organisaties hun steun aan de hotspots voor te zetten en op te voeren; wijst erop dat alleen een intensievere samenwerking tussen de Commissie, de agentschappen en de lidstaten op lange termijn kan zorgen voor een meer succesvolle ontwikkeling van het concept van hotspots;

213.  benadrukt in verband hiermee dat met name in Italië de niet-aflatende toestroom van migranten voor enorme uitdagingen blijft zorgen en dat steun van de Unie en haar lidstaten hiervoor van cruciaal belang is;

214.  benadrukt het feit dat het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) belangrijk zijn; dringt aan op de mogelijkheid de financiële regels voor noodhulp toe te passen op het AMIF en het ISF; benadrukt dat de enige manier om ervoor te zorgen dat de hotspots de lidstaten in de frontlinie efficiënter ondersteunen, de toewijzing is van meer financiële middelen voor de creatie en verbetering van infrastructuur voor opvang en huisvesting, die essentieel is, wanneer enorme aantallen migranten aankomen;

215.  is tevreden met de resultaten van de audit van de Rekenkamer over de situatie van migrerende minderjarigen in de hotspots en benadrukt dat het belangrijk is een geïntegreerde aanpak te ontwikkelen voor hun opvang, waarbij altijd rekening moet worden gehouden met hun belangen; roept op tot een beter gebruik van de financiële middelen voor de opvang van minderjarigen en vraagt opleiding voor het personeel dat nauw met de meest kwetsbare personen zal samenwerken; herinnert eraan dat de Commissie na de publicatie van dit speciaal verslag een mededeling heeft gepubliceerd waarin volledig werd gefocust op migrerende minderjarigen(18); onderstreept dat deze mededeling belangrijk is en verzoekt de lidstaten volledige uitvoering te geven aan de in het document opgenomen aanbevelingen;

216.  verzoekt de Commissie en de Raad daarom om een intensivering van hun inspanningen ter ondersteuning van de hotspots, door middel van effectievere herplaatsings- en, als niet is voldaan aan de toelatingscriteria, terugkeerprocedures;

217.  maakt zich ernstig zorgen over de aanhoudende meldingen van kinderhandel; dringt aan op aanvullende maatregelen om kinderen te beschermen, met name niet-begeleide minderjarigen, vanaf het moment van hun aankomst; acht het onaanvaardbaar dat mensenhandelaars een rechtstreekse bedreiging voor kinderen blijven vormen;

218.  roept Europol op zich te blijven inspannen voor de bestrijding van illegale migratie, mensenhandel en de daarbij betrokken criminele organisaties, en de nationale autoriteiten te ondersteunen bij het uitvoeren van eventuele strafrechtelijke onderzoeken inzake het beheer van de hotspots;

219.  is verheugd over de inspanningen van de Italiaanse en Griekse nationale autoriteiten om zoveel mogelijk migranten te registreren die in hun land aankomen, met in Griekenland een registratiepercentage van 78 % in 2016 tegenover 8 % in 2015, en in Italië gemiddeld 97 % in 2016 tegenover 60 % in 2015; onderstreept dat er alleen een efficiënt opvangsysteem kan zijn, als er een duidelijk beeld is van de situatie op het terrein;

220.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat het onderzoek van de asielaanvragen in de hotspots van goede kwaliteit is; erkent de moeilijke omstandigheden waaronder de aanvragen moeten worden verwerkt, maar benadrukt dat versnelde procedures moeten worden vermeden, omdat die leiden tot fouten; benadrukt voorts dat de lidstaten in de frontlinie uitsluitend verantwoordelijk mogen zijn voor de registratie en het afnemen van vingerafdrukken van alle migranten, maar dat de follow-upprocedures een gezamenlijke verantwoordelijkheid moeten zijn van alle lidstaten, in een geest van solidariteit; dringt erop aan dat de asielzoekers op adequate wijze worden geïnformeerd over de herplaatsingsprocedure op zich, over hun rechten en over mogelijke landen van bestemming;

221.  roept de Raad op ervoor te zorgen dat het aanhoudende gebrek aan deskundigen onverwijld wordt geremedieerd door ondersteuning van het EASO alsmede van de lidstaten; is ervan overtuigd dat, vooral wat Italië betreft, aanvullende steun ook in de toekomst nodig zal blijken; verzoekt de Commissie en de Raad overeenstemming te bereiken over een plan om ervoor te zorgen dat Italië en Griekenland op verzoek over deze aanvullende capaciteit kunnen beschikken;

222.  onderstreept het feit dat de hotspots plaatsen zijn voor de registratie van binnenkomende migranten en daarom niet overbevolkt mogen raken en evenmin detentiecentra mogen worden; roept de lidstaten op zich te blijven inspannen voor de uitvoering van alle nodige maatregelen om volledig in overeenstemming te zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

223.  maakt zich zorgen over het grote aantal verschillende belanghebbenden dat momenteel bij de oprichting en werking van de hotspots betrokken is en verzoekt de Commissie en de lidstaten voorstellen in te dienen om de structuur transparanter te maken en ervoor te zorgen dat er beter verantwoording voor wordt afgelegd;

224.  beveelt de Rekenkamer aan de snelle opstelling van een follow-upverslag over de werking van de hotspots te overwegen, met een bredere benadering waarbij ook de asiel-, hervestigings- en terugkeerprocedures worden geanalyseerd;

Deel XVII – Speciaal verslag nr. 7/2017 van de Rekenkamer met als titel: "De nieuwe rol van de certificerende instanties bij GLB-uitgaven: een goede stap naar een single audit-model maar nog aanzienlijke tekortkomingen op te lossen"

225.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen; stelt met tevredenheid vast dat de Commissie de meeste aanbevelingen aanvaardt en de tenuitvoerlegging ervan overweegt of daar reeds mee gestart is;

226.  erkent de positieve vooruitgang met betrekking tot het auditmodel voor GLB-uitgaven; betreurt evenwel dat het single audit-model nog niet ten volle wordt benut;

227.  herinnert de Commissie eraan dat zij de eindverantwoordelijkheid draagt voor een efficiënte benutting van de GLB-uitgaven; moedigt de Commissie ook aan om ervoor te zorgen dat controlemethodes in de hele Unie op een voldoende uniforme wijze worden toegepast, en dat alle certificerende instanties dezelfde criteria hanteren bij de uitoefening van hun taken;

228.  merkt op dat de certificerende instanties de audits van de betaalorganen in hun respectieve landen sinds 1996 onafhankelijk hebben uitgevoerd; verneemt in dit verband met instemming dat de certificerende instanties in 2015 voor de eerste keer verplicht werden de wettigheid en regelmatigheid van de betreffende uitgaven na te gaan; vindt dit een zeer goede ontwikkeling aangezien het de lidstaten mogelijk kan helpen om hun controlesystemen te versterken en de auditkosten te verminderen, en de Commissie in staat kan stellen om onafhankelijke aanvullende zekerheid te verkrijgen over de wettigheid en regelmatigheid van de GLB-uitgaven;

229.  betreurt echter dat de Commissie het werk van de certificerende instanties maar in beperkte mate kan gebruiken, aangezien er volgens het verslag van de Rekenkamer grote tekortkomingen zijn in het ontwerp van het huidige kader, waardoor de adviezen van de certificerende instanties op een aantal belangrijke gebieden niet volledig in overeenstemming zijn met de auditnormen en -voorschriften;

230.  merkt in het verslag van de Rekenkamer met bezorgdheid op dat zowel de methodologie als de tenuitvoerlegging tekortkomingen vertonen: zo zijn de auditstrategieën ontoereikend, de steekproeven niet representatief, en hebben de auditors van de certificerende instanties niet de nodige vaardigheden en juridische deskundigheid; erkent evenwel dat 2015 voor de lidstaten een veeleisend jaar geweest kan zijn, aangezien de relevante regels en richtsnoeren van de Unie zich nog in een beginfase bevonden, en de certificerende instanties misschien nog niet genoeg informatie of opleidingen over de praktische tenuitvoerlegging daarvan of onvoldoende sturing over het vereiste aantal steekproeven hadden gekregen;

231.  roept de Commissie op tot verdere inspanningen ter remediëring van de tekortkomingen die uit het verslag van de Rekenkamer bleken, en tot de invoering van een daadwerkelijk en doeltreffend single auditmodel voor GLB-uitgaven; moedigt de Commissie aan om de certificerende instanties te monitoren en actief te ondersteunen bij de verbetering van hun werkzaamheden en methodologie met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van uitgaven;

232.  wijst in het bijzonder op de behoefte aan de ontwikkeling van meer betrouwbare werkmethoden in de richtsnoeren met betrekking tot het risico op inflatie van de betrouwbaarheid die voortvloeit uit interne controle, en onderschrijft de opmerkingen van de Rekenkamer betreffende de onvoldoende representatieve steekproeven en de soorten testen die worden toegelaten, de onnodige berekening van twee verschillende foutenpercentages en de manier waarop de percentages worden gebruikt, en de onbetrouwbare adviezen op basis van een onderschatting;

233.  stelt in het verslag van de Rekenkamer ook vast dat de Commissie ondanks de vaak onbetrouwbare aard van de controlestatistieken van de lidstaten haar betrouwbaarheidsmodel toch op deze gegevens blijft baseren, en dat het advies van de certificerende instanties in 2015 slechts een van de factoren was waarmee rekening werd gehouden;

234.  betreurt dat deze onbetrouwbaarheid duidelijke gevolgen heeft; wijst er bijvoorbeeld op dat DG AGRI in rechtstreekse betalingen een aanvulling heeft verstrekt voor 12 van de 69 betaalorganisaties, die een foutenpercentage van meer dan 2 % hadden, terwijl slechts één betalingsorganisatie oorspronkelijk een voorbehoud had gemaakt bij zijn verklaring, en dat DG AGRI in 2015 daarnaast voor 10 betaalorganisaties een voorbehoud heeft gemaakt; stelt eveneens vast dat DG AGRI in plattelandsgebieden aanvullingen heeft verstrekt voor 36 van de 72 betaalorganisaties, waarbij het aangepaste foutenpercentage in 14 gevallen meer dan 5 % bedroeg, en dat DG AGRI in 2015 voorbehoud heeft gemaakt voor 24 betalingsorganisaties uit 18 lidstaten;

235.  vraagt de Commissie te focussen op deze onbetrouwbaarheid en om maatregelen te ontwikkelen met het oog op een betrouwbare basis voor het betrouwbaarheidsmodel; is van oordeel dat de Commissie de certificerende instanties in dit verband actief moet ondersteunen zodat er behoorlijke adviezen verstrekt worden, en dat zij dan de informatie en gegevens die daaruit voortvloeien moet benutten;

236.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij de certificerende instanties ertoe verplicht toereikende waarborgen in te voeren zodat de steekproeven representatief zijn, dat zij de certificerende instanties toestaat voldoende controles ter plaatse uit te voeren, dat zij hen slechts één foutenpercentage voor wettigheid en regelmatigheid laat berekenen, en dat zij ervoor zorgt dat het foutenpercentage dat door de betalingsorganisaties in hun controlestatistieken wordt gemeld, goed wordt opgenomen in het foutenpercentage van de certificerende instanties;

237.  raadt de Commissie met name aan om in adviezen de nadruk te leggen op de wettigheid en regelmatigheid van GLB-uitgaven, en hierbij een kwaliteit en omvang te verzekeren waardoor de Commissie de betrouwbaarheid van de controlegegevens van de betaalorganisaties kan nagaan, en, waar passend, op basis van de adviezen van de certificerende instanties kan berekenen of aanpassingen aan de foutenpercentages van de betaalorganisaties nodig zijn;

238.  merkt op dat de Commissie met betrekking tot aanbeveling nr. 7 van de Rekenkamer moet verzekeren dat de foutenpercentages van betalingsorganisaties niet verkeerdelijk bij elkaar opgeteld worden in het algemene foutenpercentage van certificerende instanties; is van oordeel dat de richtsnoeren hierover zo duidelijk mogelijk moeten zijn om misverstanden in financiële correcties te vermijden;

239.  stelt ook vast in het verslag van de Rekenkamer dat de voorzorgsmaatregel dat de betalingsorganisaties niet vooraf weten welke transacties opnieuw gecontroleerd zullen worden, in het geval van Italië niet in acht werd genomen, omdat de certificerende instantie de betalingsorganisatie op voorhand had meegedeeld welke begunstigden controle zouden krijgen, nog voordat de betalingsorganisatie de meeste initiële controles ter plaatse had uitgevoerd; benadrukt met klem dat een juiste toepassing van de op aanvragen gebaseerde selectiemethode in alle gevallen verzekerd moet zijn, en dat verwittigingen op voorhand niet zonder gevolgen kunnen blijven;

240.  wijst erop dat er voor niet-GBCS-verrichtingen (in het kader van het ELGF en het Elfpo) een groot verschil is tussen de rapporteringsperiode voor de controles ter plaatse (per kalenderjaar) en de periode waarvoor de steun wordt toegekend (van 16 oktober 2014 tot 15 oktober 2015 voor het begrotingsjaar 2015); stelt vast dat daardoor een aantal begunstigden die aan een controle ter plaatse onderworpen werden tijdens het kalenderjaar 2014, niet vergoed werden in het begrotingsjaar 2015, en dat de certificerende instanties de resultaten van deze transacties niet in hun berekening van het foutenpercentage van het betreffende begrotingsjaar kunnen opnemen; vraagt de Commissie om een toereikende oplossing om deze kalenders te synchroniseren;

241.  wijst erop dat de tijdschema's voor de controles voor de betalingsorganisaties zeer nipt kunnen zijn, vooral in de lidstaten met een kort groeiseizoen, en dat het verstrekken van de relevante informatie aan de certificerende instanties, op een doeltreffende en tijdige manier, vaak erg moeilijk is; stelt vast dat dit kan leiden tot het gebruik van verschillende controlemethodes en dubbele foutenpercentages, aangezien de certificerende instantie de controleprocedure van de betalingsorganisatie niet volledig kan volgen; is van oordeel dat dit probleem verholpen kan worden door middel van bijvoorbeeld satellietmonitoring;

242.  is van oordeel dat over het algemeen meer gebruik kan worden gemaakt van nieuwe technologieën bij de controle van GLB-uitgaven: waar voldoende betrouwbaarheid mogelijk is, bijvoorbeeld door satellietcontrole, moeten de begunstigden en de auditors niet belast worden met te veel audits ter plaatse; benadrukt dat het single audit-stelstel niet alleen de financiële belangen van de financiering van de Unie in het kader van GLB-uitgaven moet beschermen, maar uiteindelijk ook efficiënte controles, goed werkende administratieve systemen en een beperking van de bureaucratische lasten tot doel moet hebben;

243.  benadrukt daarnaast dat het single audit-model moet zorgen voor minder lagen in het controlesysteem en minder uitgaven voor de Unie, de lidstaten en de begunstigden, is van mening dat meer aandacht besteed moet worden aan de betrouwbaarheid van het algemene controlesysteem van de lidstaten, in plaats van louter belang te hechten aan de aanvullende controles voor de begunstigden; is van oordeel dat het controlesysteem nog te belastend is voor de begunstigden, dat in de lidstaten waar onregelmatigheden en fraude minder voorkomen, blijkt dat het algemene auditsysteem volstaat, en dat de betrouwbaarheid verzekerd kan worden door andere methoden dan een overdreven aantal controles ter plaatse;

244.  roept de Commissie op om het verslag van de Rekenkamer en de aanbevelingen van het Parlement grondig te bestuderen, en het controlesysteem voor GLB-uitgaven verder uit te bouwen tot een echt single audit-model;

245.   benadrukt dat de Commissie vele van de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen aan de orde heeft gesteld en behandeld in haar richtsnoeren van 2018; is verheugd over de gestage vooruitgang die door de certificerende instanties wordt geboekt;

Deel XVIII – Speciaal verslag nr. 8/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-visserijcontroles: meer inspanningen nodigmeer inspanningen nodig"

246.  verzoekt de lidstaten, teneinde de informatie over de vangstcapaciteit nauwkeuriger te maken, om tegen 2018 procedures in te stellen voor het verifiëren van de nauwkeurigheid van de informatie in hun nationale vlootregisters;

247.  verzoekt de Commissie, in de context van elke toekomstige wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(19) ("de controleverordening") en teneinde de informatie over de vangstcapaciteit nauwkeuriger te maken, om in haar wetgevingsvoorstel gedetailleerde regels op te nemen voor de reguliere documentencontroles en controles ter plaatse van de indicatoren zowel van de brutotonnage (GT) als van het motorvermogen (kW) die worden gebruikt voor de berekening van de vangstcapaciteit;

248.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening en teneinde de activiteiten van kleine vissersvaartuigen beter te monitoren, om in haar wetgevingsvoorstel:

   a) VMS(20)uitzonderingen voor vaartuigen tussen 12 en 15 meter te schrappen;
   b) de installatie van kleinere en goedkopere plaatsbepalingssystemen voor vaartuigen van minder dan 12 meter lang voor te schrijven;

249.  verzoekt de lidstaten, teneinde de transparantie met betrekking tot de verdeling van de visquota te waarborgen, uiterlijk in 2019 overeenkomstig artikel 16 van de GVB-verordening(21) de Commissie te informeren over hun systemen voor quotatoewijzingen, met inbegrip van de wijze waarop de verdeling van de visquota onder belanghebbenden berust op transparante en objectieve criteria;

250.  verzoekt de lidstaten, teneinde de volledigheid en betrouwbaarheid van de visserijgegevens te verbeteren, om uiterlijk in 2019:

   a) het proces voor de invoering en verificatie van gegevens op papier over visserijactiviteiten te evalueren en te verbeteren; geleidelijk processen in te voeren voor het registreren en verifiëren van de elektronische gegevens over visserijactiviteiten die door vaartuigen van minder dan tien meter lang worden doorgestuurd; te waarborgen dat deze systemen verenigbaar zijn en gegevensuitwisseling tussen de lidstaten, de Commissie en het Europees Bureau voor visserijcontrole mogelijk maken;
   b) te waarborgen dat zij over betrouwbare gegevens beschikken over de activiteiten van vaartuigen van minder dan tien meter lang door de geleidelijke invoering van passende, goedkopere en gebruiksvriendelijkere voorschriften inzake registratie en rapportering, en te zorgen voor de toepassing van de regels als vastgesteld in de controleverordening om deze gegevens te verzamelen;
   c) de validatie en kruiscontroles van gegevens over visserijactiviteiten af te ronden;

251.  verzoekt de Commissie uiterlijk in 2020:

   a) een platform voor de uitwisseling van informatie op te zetten dat door de lidstaten moet worden gebruikt om gevalideerde gegevens in gestandaardiseerde formaten en met een gestandaardiseerde inhoud te versturen, zodat de informatie die ter beschikking staat van de verschillende diensten van de Commissie, overeenkomt met de gegevens van de lidstaten;
   b) de ontwikkeling van een goedkoper, eenvoudiger en gebruiksvriendelijker systeem te bevorderen om de elektronische communicatie van visserijactiviteiten voor vaartuigen van minder dan 12 meter lang te vergemakkelijken; voor vaartuigen van tien tot twaalf meter lang de verplichting in te voeren gebruik te maken van elektronische registratie- en rapporteringssystemen (e-logboeken) in plaats van systemen op papier; voor vaartuigen van minder dan tien meter lang geleidelijk de verplichting in te voeren om hun vangsten te registreren en te rapporteren door middel van een goedkoper, eenvoudiger en gebruiksvriendelijker elektronisch systeem;
   c) de overige problemen met de volledigheid en betrouwbaarheid van gegevens op lidstaatniveau te analyseren en waar nodig met de lidstaten passende acties overeen te komen;

252.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening en teneinde de volledigheid en betrouwbaarheid van visserijgegevens te verbeteren, om in haar wetgevingsvoorstel:

   a) de vrijstelling van aangiften via het elektronisch meldsysteem en elektronische aangiften voor vaartuigen tussen 12 en 15 meter lang te schrappen;
   b) de rapportageverplichtingen voor vangstgegevens van de lidstaten in het kader van de controleverordening te herzien en er gedetailleerdere informatie over visgebied, omvang van de vaartuigen en vistuig in op te nemen;

253.  verzoekt de lidstaten, teneinde de inspecties te verbeteren, gestandaardiseerde inspectieprotocollen en -verslagen te ontwikkelen en te gebruiken die beter afgestemd zijn op de specifieke regionale en technische voorwaarden van de visserijtakken dan die welke worden vermeld in bijlage XXVII van Verordening (EU) nr. 404/2011(22); verzoekt de lidstaten dit te doen in overleg met het het Europees Bureau voor visserijcontrole en uiterlijk in 2019, wanneer de nieuwe verordening inzake technische maatregelen(23) naar verwachting in werking treedt;

254.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening, om in haar wetgevingsvoorstel het verplichte gebruik van het systeem voor elektronische inspectierapportage door de lidstaten op te nemen om ervoor te zorgen dat hun nationale inspectieresultaten volledig zijn en regelmatig worden bijgewerkt; verzoekt de Commissie in het voorstel eveneens een verplichting op te nemen voor de lidstaten om de resultaten van inspecties met de andere betrokken lidstaten te delen;

255.  verzoekt de lidstaten, teneinde ervoor te zorgen dat het sanctiesysteem doeltreffend is, om uiterlijk in 2019:

   a) bij de vaststelling van sancties naar behoren rekening te houden met herhaaldelijke inbreuken of hardnekkige overtreders;
   b) de puntensystemen volledig in te voeren en ervoor te zorgen dat deze consequent worden toegepast op hun grondgebied om een gelijk speelveld voor exploitanten te garanderen;

256.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening, om in haar wetgevingsvoorstel een bepaling op te nemen die voorziet in een systeem om gegevens over inbreuken en sancties uit te wisselen in samenwerking met het Europees Bureau voor visserijcontrole en de lidstaten;

Deel XIX – Speciaal verslag nr. 9/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-steun voor de strijd tegen mensenhandel in Zuid- en Zuidoost-Azië"

257.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

258.  erkent dat de Unie, ondanks de moeilijke omstandigheden waarin moest worden gewerkt, een concrete bijdrage heeft geleverd aan de strijd tegen mensenhandel in Zuid- en Zuidoost-Azië;

259.  is ingenomen met de vooruitgang die in de strijd tegen mensenhandel is geboekt dankzij maatregelen als de aanstelling van Europese migratieverbindingsfunctionarissen in welbepaalde landen; dringt erop aan op de ingeslagen weg voort te gaan;

260.  moedigt de Unie aan nauwer samen te werken met de nationale en regionale overheden, alsook met andere organisaties in de regio (zoals de VN, ASEAN en op dit gebied actieve ngo's) en het maatschappelijk middenveld om een beter overzicht te krijgen van de resterende prioriteiten en zo een gerichter actieplan te kunnen opstellen;

261.  benadrukt dat het van cruciaal belang is extreme armoede en discriminatie van minderheden en op grond van geslacht in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen uit te bannen, alsook hun democratische en mensenrechtenfundamenten met de steun van het EIDHR te consolideren;

262.  verzoekt de Commissie een omvattende, samenhangende en betrouwbare databank betreffende financiële steun ter bestrijding van mensenhandel te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de middelen eerlijker worden verdeeld en terechtkomen bij de ontvangers die deze echt het dringendst nodig hebben; is het met de Raad eens dat er een geactualiseerde lijst moet worden opgesteld van regio's en landen die door mensenhandel worden getroffen en dat deze lijst moet worden opgenomen in de databank;

263.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van december 2017 over de follow-up van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel en het vaststellen van verdere concrete maatregelen (COM(2017)0728); verzoekt de Commissie specifieke maatregelen voor te stellen die voor elke regio moeten worden ontwikkeld;

264.  is ingenomen met het feit dat mensenhandel een prioriteit blijft in de volgende EU-beleidscyclus voor georganiseerde en zware internationale criminaliteit 2018-2021;

265.  acht het van essentieel belang de rechtshandhavingsinstanties in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen te versterken zodat ze doeltreffender worden in de opsporing en ontmanteling van mensenhandelnetwerken; dringt erop aan dat criminelen die betrokken zijn bij mensenhandel zwaarder worden gestraft;

266.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de strijd tegen mensenhandel in de Unie via politieke en justitiële samenwerking voort te zetten om de maffia's ten val te brengen die de Unie gebruiken als eindbestemming voor de slachtoffers van mensenhandel, zoals opgemerkt in de mededeling van december 2017;

267.  is van mening dat er een betere koppeling moet zijn tussen het tijdstip van mitigerende maatregelen en de hiertoe bestemde middelen, evenals meer samenwerking tussen de EDEO, de Commissie, de ASEAN en de Verenigde Naties om mensenhandel doeltreffender te kunnen bestrijden;

268.  verzoekt de EDEO en de Commissie het probleem van de mensenhandel ook aan te pakken door andere kanalen voor hun optreden, zoals bilaterale en multilaterale overeenkomsten, te verkennen;

Deel XX – Speciaal verslag nr. 10/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen"

269.  is met betrekking tot de bestaande GLB-beleidsmaatregelen van mening:

   a) dat een uitgebreide evaluatie nodig is van alle instrumenten en maatregelen die gecombineerd kunnen worden om jonge landbouwers te ondersteunen en aandacht te besteden aan vergelijkbaarheid in de hele Unie, aan de vraag of resultaatindicatoren al dan niet consistent zijn, en aan factoren die de intrede op de markt van jonge landbouwers belemmeren en bij de komende herziening van het GLB kunnen worden aangepakt;
   b) de doelstellingen beter moeten worden gedefinieerd waar het gaat om generatievernieuwing, zo mogelijk met streefcijfers, en informatie moet worden verzameld over de mate van succes bij generatievernieuwing en de factoren die hieraan bijdragen of deze tegenhouden;

270.  is van mening dat de wetgeving voor het GLB na 2020 er zo moet uitzien dat de Commissie een duidelijke interventielogica aangeeft voor de beleidsinstrumenten waarmee generatievernieuwing in de landbouw wordt aangepakt (of dat de lidstaten verplicht zijn die logica aan te geven, in overeenstemming met de bepalingen inzake gedeeld beheer); is van mening dat de interventielogica het volgende moet omvatten:

   a) een deugdelijke beoordeling van de behoeften van jonge landbouwers waarin de onderliggende oorzaken worden onderzocht van de belemmeringen waarmee jonge mensen die landbouwer willen worden, in het vestigingsproces te maken krijgen, evenals de mate van verspreiding van dergelijke belemmeringen over geografische gebieden, landbouwsectoren of andere specifieke kenmerken van landbouwbedrijven;
   b) een beoordeling van de behoeften waarin beleidsinstrumenten van de Unie kunnen voorzien en de behoeften waarin het beleid van de lidstaten beter tegemoet kan komen, alsmede een analyse van de vormen van steun (bijv. rechtstreekse betalingen, forfaitair bedrag, financiële instrumenten) die het meest geschikt zijn om te voorzien in de vastgestelde behoeften;
   c) bewustmakingsmaatregelen met betrekking tot mogelijke soorten steun voor eerdere overdracht van landbouwbedrijven aan een opvolger, met begeleidende adviesdiensten of -maatregelen zoals een bevredigende pensioenregeling die gebaseerd is op nationale of regionale inkomens of inkomsten in de landbouw-, voedingsmiddelen- en bosbouwsector;
   d) ongeacht de lange termijn voor de planning van de overdracht van landbouwbedrijven, een definitie van SMART-doelstellingen, waarin de verwachte resultaten van beleidsinstrumenten wat betreft het verwachte generatievernieuwingspercentage en de bijdrage tot de levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven expliciet en kwantificeerbaar worden gemaakt; is met name van mening dat duidelijk moet zijn of de beleidsinstrumenten gericht zijn op het ondersteunen van zoveel mogelijk landbouwers of op bepaalde soorten jonge landbouwers (bijvoorbeeld de hoogst opgeleide, degene die zich vestigen in probleemgebieden, degene die energie- of waterbesparingstechnologieën in hun bedrijf invoeren, degene die de winstgevendheid of productiviteit van het landbouwbedrijf vergroten, degene die meer mensen in dienst nemen);

271.  verzoekt de lidstaten bij het uitvoeren van de maatregelen in het kader van het GLB na 2020 de doelgerichtheid van de maatregelen te verbeteren door:

   a) criteria toe te passen om te waarborgen dat de meest kosteneffectieve projecten worden geselecteerd, zoals projecten die leiden tot de hoogste stijging van de duurzame productiviteit of levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven, of tot de hoogste stijging van de werkgelegenheid in de gebieden met de hoogste werkloosheid of in probleemgebieden met de laagste generatievernieuwing;
   b) duidelijke criteria toe te passen voor de beoordeling van de vraag hoe jonge landbouwers kunnen worden ondersteund in het geval van gezamenlijke zeggenschap over landbouwbedrijven met de status van rechtspersoon (bijv. door vast te leggen welk percentage stemrechten of aandelen de begunstigde moet hebben of in welke periode de verschuiving van aandelen plaatsvindt, welk minimumpercentage van zijn/haar inkomsten afkomstig moet zijn van de werkzaamheden in het ondersteunde landbouwbedrijf) teneinde de steun te richten op jonge landbouwers die landbouw in het ondersteunde landbouwbedrijf tot hun belangrijkste activiteit hebben gemaakt;
   c) voldoende hoge minimumaantallen punten vast te leggen die projecten moeten halen en de begroting van de maatregelen adequaat te splitsen zodat gedurende de volledige programmeringsperiode een gelijke hoeveelheid financiering beschikbaar is voor jonge landbouwers;
   d) het gebruik van ondernemingsplannen te verbeteren als instrument om de behoefte aan overheidsfinanciering te beoordelen door zowel in de aanvraagfase de waarschijnlijke levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven zonder steun te evalueren, als aan het eind van de projecten de impact van de steun op de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf of op andere duidelijk gespecificeerde doelstellingen (bijv. werkgelegenheid, invoering van energie- of waterbesparingstechnologieën) te beoordelen;

272.  is van mening dat wetgeving met betrekking tot maatregelen in het kader van het GLB na 2020 ervoor moet zorgen dat de Commissie en de lidstaten (overeenkomstig de bepalingen inzake gedeeld beheer) het toezicht- en evaluatiesysteem verbeteren; is met name van mening dat:

   a) de Commissie de output-, resultaat- en impactindicatoren moet vaststellen waarmee de vooruitgang, doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsinstrumenten in het licht van de doelstellingen kunnen worden beoordeeld aan de hand van beste praktijken, zoals nuttige indicatoren die door de lidstaten zijn ontwikkeld in hun monitoringsystemen;
   b) de lidstaten regelmatig feitelijke gegevens moeten verzamelen over de structurele en financiële kenmerken van de ondersteunde landbouwbedrijven (bijv. inkomsten, inkomen, aantal werknemers, ingevoerde innovaties, opleidingsniveau van de landbouwers) zodat de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de maatregelen in het verwezenlijken van de gewenste beleidsdoelstellingen kunnen worden beoordeeld;
   c) de Commissie en de lidstaten moeten vereisen dat de evaluaties nuttige informatie bevatten over de resultaten van de projecten en maatregelen op basis van feitelijke gegevens over de ontwikkeling van de structurele en financiële kenmerken van de ondersteunde landbouwbedrijven, aan de hand van beste praktijken (bijv. benchmarking, contrafeitelijke analyses, enquêtes) zoals vastgesteld in deze controle (zie tekstvak 5 van het speciaal verslag van de Rekenkamer, de situatie in Emilia Romagna, paragraaf 75);
   d) ervoor moet worden gezorgd dat jonge landbouwers gemakkelijk toegang hebben tot advies en instrumenten die hen helpen doelmatig en doeltreffend te reageren op dreigende marktverstoringen of marktverzadiging en prijsvolatiliteit; is van mening dat zo het concurrentievermogen en de marktoriëntatie kunnen worden verbeterd en crisisgerelateerde schommelingen in het producenteninkomen kunnen worden getemperd;

Deel XXI – Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Rekenkamer met als titel "Het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek: ondanks enkele tekortkomingen een hoopvolle start"

273.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

274.  is ingenomen met de instelling van het EU-trustfonds Bêkou en de bijdrage daarvan aan de internationale reactie op de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek; erkent dat dit eerste trustfonds in tal van opzichten als een belangrijk proefproject kan worden beschouwd en dat het nodig is nauwkeurigere richtsnoeren te ontwikkelen voor de fundamentele kwestie van donorcoördinatie, toezicht en evaluatie aan de hand van een systematischere benadering om garanties te verkrijgen;

275.  wijst erop dat trustfondsen een onderdeel waren van een ad-hocbenadering in de context van een gebrek aan middelen en de nood aan flexibiliteit om snel en op substantiële wijze te kunnen inspelen op grote crises; is van mening dat er meer tijd nodig is om de doeltreffendheid ervan aan te tonen en om lessen te trekken uit de operationele tenuitvoerlegging;

276.  is verder van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid en de politieke governance van trustfondsen en aan het gebrek aan garanties en toezicht op het uiteindelijke gebruik van de toegewezen middelen;

277.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de opmerkingen van de Rekenkamer betreffende de beperkte invloed van het fonds op de coördinatie tussen de belanghebbenden en dat de Commissie alles in het werk moet stellen om gebruik te maken van reeds opgedane ervaringen bij de activiteiten van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) op gebieden zoals uitvoering en coördinatie van het beheer van investeringen door meerdere partijen en eigendom van de resultaten;

278.  benadrukt dat eventuele nieuwe financiële instrumenten en gecombineerde financiële instrumenten in overeenstemming moeten blijven met de overkoepelende doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie en gericht moeten zijn op gebieden waar de meerwaarde en de strategische impact het grootst zijn;

279.  merkt op dat de bijdragen van de lidstaten aan het trustfonds tot op heden relatief gering zijn; dringt aan op een grotere betrokkenheid van de lidstaten om ervoor te zorgen dat dit fonds de verwachte beleidsdoelstellingen verwezenlijkt;

280.  is van mening dat de nodige aandacht moet worden besteed aan het controleren van de beheers- en administratieve kosten in verhouding tot de totale bijdragen; is er voorstander van dat deze nieuwe ontwikkelingsinstrumenten aansluiten bij en een aanvulling vormen op de strategische en beleidsdoelstellingen van het EOF;

281.  verzoekt de Commissie om uitgebreide controlemechanismen ten uitvoer te leggen om te zorgen voor politiek toezicht van het Parlement op het bestuur, het beheer en de tenuitvoerlegging van deze nieuwe instrumenten in het kader van de kwijtingsprocedure; acht het belangrijk om specifieke toezichtsstrategieën voor deze instrumenten te ontwikkelen, met specifieke doelstellingen, streefdoelen en evaluaties;

Deel XXII – Speciaal verslag nr. 12/2017 van de Rekenkamer met als titel "Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig"

282.  aangezien toegang tot drinkwater van goede kwaliteit een van de meest fundamentele behoeften van burgers is, benadrukt het feit dat de Commissie alles in het werk moet stellen om beter toezicht te houden op de situatie, in het bijzonder met betrekking tot kleine watervoorzieningsgebieden, die zich het dichtst bij de eindgebruikers bevinden; herinnert eraan dat drinkwater van slechte kwaliteit kan leiden tot gezondheidsrisico's voor de Europese burgers;

283.  dringt er bij de lidstaten op aan meer voorlichting te geven aan de burgers over de aan hen geleverde kwaliteit van het drinkwater, aangezien in een aantal lidstaten de burgers niet beseffen dat het kraanwater drinkbaar is;

284.  betreurt het dat de lidstaten niet verplicht zijn om verslag uit te brengen over de waterkwaliteit van kleine watervoorzieningsgebieden; hoopt dat de herziene drinkwaterrichtlijn(24) deze situatie recht trekt;

285.  wijst erop dat het belangrijk is dat de waterinfrastructuur duurzaam is en benadrukt dat de burger bij het onderhoud van de waterinfrastructuur moet worden blijven betrokken;

286.  benadrukt het cruciale feit dat het prijsstellingsbeleid voor water de efficiëntie moet bevorderen en de kosten van het watergebruik moet dekken; wijst erop dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om te zorgen voor betaalbaar drinkwater van hoge kwaliteit voor al hun burgers, aangezien water een collectief goed en mensenrecht is;

287.  herinnert de Commissie eraan dat burgers in toenemende mate bezorgd zijn over de lopende besprekingen over en groeiende trends in de richting van liberalisering en privatisering van waterdiensten in diverse lidstaten;

Deel XXIII – Speciaal verslag nr. 13/2017 van de Rekenkamer met als titel "Eén Europees beheersysteem voor het spoorverkeer: zal de politieke keuze ooit werkelijkheid worden?"

288.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

289.  merkt op dat de Commissie geen degelijke beoordeling heeft verricht van de impact van de wetgevingspakketten die zij sinds 2000 in de spoorwegsector heeft ingevoerd; betreurt het dat de middelen van de Unie die in de verschillende projecten zijn geïnvesteerd niet als kostenefficiënt kunnen worden bestempeld;

290.  merkt op dat de spoorwegsector in het algemeen zeer corporatief is, waardoor de liberalisering van de markt eerder als een bedreiging dan als een voordeel wordt ervaren;

291.  merkt op dat de interesse van de lidstaten om de interoperabiliteit te verbeteren moet worden onderbouwd door een raming van de kosten en de benodigde financiering; spoort de lidstaten aan zich realistische doelen te stellen bij de toewijzing van financiële steun van de Unie aan het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), en adviseert de Commissie haalbare termijnen voor de tenuitvoerlegging te stellen;

292.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om samen met de lidstaten een tijdschema voor de afschaffing van tarieven met wettelijk bindende doelstellingen vast te stellen; is voorts ingenomen met het feit dat de Commissie heeft besloten samen te werken met de industrie om het gebruik van een gemeenschappelijk inschrijvingsmodel, opgesteld door de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER), te vergemakkelijken;

293.  is van mening dat de kostbare investeringen die vereist zijn voor dit systeem in combinatie met de niet-onmiddellijke voordelen voor degenen die de kosten dragen, een strategische beoordeling van nieuwe prioriteiten vergen binnen de Raad en de lidstaten; verwelkomt het Europese implementatieplan voor het ERTMS en het bijbehorende actieplan, die erop gericht zijn te zorgen voor een constante hulpstroom; spoort de lidstaten aan zich te richten op een betere coördinatie van het Europese implementatieplan en erop toe te zien dat er binnen hun nationale prioriteiten rekening wordt gehouden met de toezeggingen van de Unie; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om tussentijdse doelstellingen vast te leggen in de nationale implementatieplannen ter verbetering van het toezicht op individuele trajecten;

294.  is verontrust over het hoge percentage vrijmakingen in verband met TEN-T-financiering voor ERTMS-projecten, dat hoofdzakelijk wordt ingegeven door het feit dat de financiële bepalingen van de Unie niet zijn afgestemd op de nationale uitvoeringsstrategieën; juicht het toe dat de Commissie de GSK-financieringsprocedures zoveel mogelijk aanpast; verzoekt de Commissie de situatie te bestuderen en te analyseren en de noodzakelijke maatregelen te nemen om deze tekortkomingen te verhelpen;

295.  betreurt het dat de financiering van de Unie voor boordapparatuur veelal wordt aangewend voor binnenlands verkeer en dat vrachtvervoer niet kan worden ondersteund door het Cohesiefonds; herinnert eraan dat het vrachtvervoer per spoor een van de belangrijkste aspecten van de interne markt is;

296.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat tekortkomingen in verband met de strijdigheden van het systeem in de volgende programmeringsperiode doeltreffend worden weggewerkt;

297.  is van mening dat voor een operationele interne spoorwegmarkt volledige betrokkenheid van de marktdeelnemers in kwestie nodig is vóór de toewijzing van financiering van de Unie; is van mening dat het beleid van de Unie voor de spoorwegsector een realistische verandering van strategie vergt, met een raming van kosten en baten, en de ontwikkeling van een economisch model in de lidstaten waar dit nog niet bestaat, zodat er voldoende financiering beschikbaar komt en bronnen op doeltreffende wijze in kaart kunnen worden gebracht;

Deel XXIV – Speciaal verslag nr. 14/2017 van de Rekenkamer met als titel "Doelmatigheidsonderzoek van het beheer van rechtszaken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie"

298.  is ingenomen met het speciale verslag van de Rekenkamer; staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

299.  betreurt het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de Rekenkamer de toegang heeft geweigerd tot sommige voor de prestatiebeoordeling van het HvJ-EU aangevraagde documenten; herinnert het Hof van Justitie eraan dat zowel de leden als de controleurs van de Rekenkamer bij de uitoefening van hun taken tot geheimhouding verplicht zijn en aan hun beroepsgeheim gebonden zijn(25); betreurt het feit dat referendarissen niet konden worden gehoord, ondanks hun cruciale rol in de werkzaamheden van het Hof van Justitie;

300.  stelt met spijt vast dat het Gerecht sinds 2016 herhaaldelijk de redelijke termijn heeft overschreden waarbinnen een justitiabele gerechtigd is te verwachten dat uitspraak zal worden gedaan; verzoekt het Gerecht om verslag uit te brengen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement om de situatie te verduidelijken;

301.  merkt op dat na hervorming van de gerechtelijke structuur van het HvJ-EU de toewijzing van rechters aan de kamers geschiedt overeenkomstig de werklast op de verschillende gebieden; wil graag weten hoe deze toewijzing tot stand komt en of er gespecialiseerde kamers voor bepaalde gebieden zijn ingesteld; verlangt statistische gegevens over de voortgang van de dossiers in het kader van de nieuwe regeling;

302.  betreurt het dat de Rekenkamer zaken van de steekproef heeft uitgesloten die meer dan twee keer de gemiddelde tijdsduur in beslag namen; is van mening dat niet alleen typische gevallen van belang zijn voor de beoordeling van de prestaties;

303.  stelt voor dat de werktalen van het Hof van Justitie, met name voor de beraadslagingen, worden uitgebreid naar Engels, Frans en Duits, die de werktalen zijn van de Europese instellingen; spoort het Hof van Justitie aan te zoeken naar goede praktijken bij de Europese instellingen voor de uitvoering van deze hervorming van zijn taalpraktijken;

304.  merkt op dat de referendarissen een grote invloed hebben in het besluitvormingsproces van het Hof van Justitie, maar dat hun rol en hun gedragsregels voor de buitenwereld onbekend blijven;

305.  is bezorgd over het feit dat volgens het overzicht van de meest voorkomende factoren die van invloed zijn op de duur van de schriftelijke procedure bij het Gerecht, de ontvangst en verwerking van processtukken door de griffie 85 % van de tijd in beslag nemen; wil graag weten of het register over voldoende middelen beschikt;

306.  is bezorgd over de looptijd van de zaken bij het Gerecht waarin vertrouwelijkheidskwesties een rol spelen;

307.  neemt nota van het proces voor de toewijzing van zaken die aan de rechtsprekende instanties zijn voorgelegd; verzoekt het Hof van Justitie de regels betreffende de toewijzingsprocedure voor beide rechtsprekende instanties te verstrekken;

308.  merkt op dat in 2014 en 2015 ongeveer 40 % van de zaken bij het Gerecht buiten het toerbeurtsysteem werd toegewezen, hetgeen vragen doet rijzen over het systeem op zich; plaatst tegelijkertijd vraagtekens bij de discretionaire toewijzing van dossiers binnen het Gerecht; betreurt het gebrek aan transparantie van de procedure;

309.  is bezorgd over het feit dat gerechtelijke vakanties een van de meest voorkomende factoren zijn die van invloed is op de tijdsduur van de behandeling van zaken binnen het Hof van Justitie; stelt voor dat zittingen en beraadslagingen van een bredere waaier aan zaken, naast zaken met specifieke omstandigheden, in die periode worden toegestaan;

310.  merkt op dat ziekte-, moederschaps- of ouderschapsverlof of vertrek van de referendarissen ook gevolgen hebben voor de tijdsduur van de zaken; verzoekt het Hof van Justitie mogelijke alternatieve methoden ter overbrugging van tijdelijke afwezigheid te overwegen en te zorgen voor het goede verloop van de werkzaamheden;

311.  is van mening dat de middelen niet evenredig over de rechtsprekende instanties worden verdeeld, rekening houdend met de respectieve werklast ervan; stelt voor dat de "cellule des lecteurs d’arrêts" in het Gerecht in een latere fase van de zaak wordt ingeschakeld;

312.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat benoemingsbesluiten van nieuwe rechters ruime tijd worden genomen vóór de vertrekdatum van hun voorgangers, om een soepele overdracht van de werklast te waarborgen;

313.  is bezorgd over de uniforme aanpak van het Hof van Justitie voor het toepassen van de verschillende procedurestappen; adviseert het Hof van Justitie de uiterste termijnen die het vaststelt, aan te passen om rekening te houden met de aard en de complexiteit van de zaken;

314.  merkt op dat kwesties in verband met intellectuele-eigendomsrechten aan bod komen in een aanzienlijk aantal zaken in beide instanties; spoort het Hof van Justitie aan na te denken over manieren om de procedures voor deze zaken te vereenvoudigen en een vooronderzoek te overwegen door de diensten voor onderzoek en documentatie van het Hof;

Deel XXV – Speciaal verslag nr. 16/2017 van de Rekenkamer met als titel "Programmering van plattelandsontwikkeling: minder complexiteit nodig en meer aandacht voor resultaten"

315.  bij de voorbereiding van de programmeringsperiode na 2020, om meer de nadruk te leggen op prestaties en resultaten, de integratie tussen programma's voor plattelandsontwikkeling (POP) en andere programma's te versterken en de beoordelingen van de bijdragen van de POP's tot het realiseren van de strategische doelstellingen te verbeteren, verzoekt:

   a) de Commissie erop toe te zien dat in haar beleidsvoorstellen wordt aangegeven hoe de samenhang tussen de afzonderlijke programma's zal worden vergroot door een verdere ontwikkeling van de vereisten;
   b) de lidstaten uiterlijk in 2022 te specificeren hoe de coördinatie-, complementariteits- en synergiemechanismen ten uitvoer zullen worden gelegd, hoe ze zullen worden opgevolgd en hoe erover zal worden gerapporteerd in het kader van de overkoepelende doelstellingen en regels van de Unie;

316.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2020 het ontwerp van de programmeringsdocumenten te herzien, om de inhoud ervan te vereenvoudigen en het aantal vereisten voor de programmeringsperiode na 2020 te verminderen; is met name van mening dat zij de structuur van de programmeringsdocumenten moet beperken tot de elementen en opties die essentieel zijn voor een correcte planning, uitvoering en monitoring van de uitgaven voor plattelandsontwikkeling;

317.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten uiterlijk eind 2018 maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de verbeterde jaarlijkse verslaglegging over de uitvoering voor 2019 duidelijke en uitvoerige informatie omvat over de programmaresultaten en dat de vereiste antwoorden op de gemeenschappelijke evaluatievragen een stevigere basis bieden voor de volgende programmeringsperiode;

318.  verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van de programmeringsperiode na 2020 een nauwkeuriger formulering te verstrekken, in het kader van de overkoepelende doelstellingen van de Unie voor landbouw en plattelandsontwikkeling, van de verschillende soorten indicatoren die moeten worden vastgesteld om de resultaten en het effect van de steunmaatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling te beoordelen; is van mening dat de Commissie in dit proces baat kan hebben bij de ervaringen en eerder uitgewerkte oplossingen van andere internationale organisaties (zoals de WHO, de Wereldbank en de OESO), waar de nadruk ligt op prestaties en resultaten;

319.  is van mening dat de Commissie moet zorgen voor de continuïteit van het type investeringen dat momenteel wordt gedaan in het kader van de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aangezien dit een essentieel financieringsinstrument is om de economische groei te stimuleren door het concurrentievermogen, de innovatie en de werkgelegenheid in de plattelands- en berggebieden van kansarmere regio's te bevorderen en duurzame plattelandsontwikkeling te waarborgen;

320.  verzoekt de Commissie om nationale samenwerking en netwerken te bevorderen en te vergemakkelijken om voor het einde van 2020 op nationaal niveau ontwikkelde goede werkmethoden op het gebied van prestatiemeting te verspreiden;

321.  verzoekt de Commissie met betrekking tot de programmeringsperiode na 2020 om voor het einde van 2020 een evaluatie te maken en de balans op te maken van de ervaring met de uitvoering van het huidige systeem, met inbegrip van:

   a) de gevolgen van de prestatiereserve en de alternatieve mechanismen die de prestaties kunnen verbeteren;
   b) de geschiktheid en meetbaarheid van de resultaatindicatoren die worden gebruikt voor de toegang tot de prestatiereserve; en
   c) het gebruik dat wordt gemaakt van financiële sancties om ondermaatse prestaties aan te pakken;

322.  verzoekt de Raad en de Commissie te overwegen, alvorens medio 2018 bijkomende wetgevingsvoorstellen goed te keuren, om haar langetermijnstrategie en beleidsvorming aan te passen aan de begrotingscyclus en een alomvattende uitgaventoetsing uit te voeren voor een nieuwe meerjarenbegroting wordt vastgesteld;

323.  is van mening dat de Commissie, om ervoor te zorgen dat de POP's aan het begin van de volgende programmeringsperiode worden goedgekeurd, in haar wetgevingsvoorstellen moet aangeven welke veranderingen in de planning van het beleidsontwerp, de programmering en de uitvoering zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat de POP's aan het begin van de volgende programmeringsperiode kunnen worden goedgekeurd, met het oog op een tijdige uitvoering vanaf 2020;

324.  is van mening dat het besluit over de duur van het MFK het juiste evenwicht moet houden tussen twee schijnbaar tegenstrijdige vereisten: enerzijds de vereiste dat verscheidene beleidsgebieden van de Unie – in het bijzonder degene die vallen onder gedeeld beheer, zoals landbouw en cohesie – functioneren op basis van de stabiliteit en voorspelbaarheid van een engagement voor ten minste zeven jaar, en anderzijds de vereiste van democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht die voortvloeit uit de synchronisatie van elk financieel kader met de politieke cyclus van vijf jaar van het Parlement en de Commissie;

Deel XXVI – Speciaal verslag nr. 17/2017 van de Rekenkamer met als titel "Het optreden van de Commissie in de financiële crisis in Griekenland"

325.  dankt de Rekenkamer voor haar alomvattende verslag over dit uitermate belangrijke onderwerp, dat nauw verband houdt met de activiteiten van de Commissie begrotingscontrole; betreurt dat de opstelling van het controleverslag drie jaar heeft geduurd; onderstreept dat het belangrijk is dat de verslagen worden opgesteld volgens een goede timing, aangezien dit het werk van de Commissie en het Parlement aanzienlijk vergemakkelijkt;

326.  vindt het jammer dat de Rekenkamer slechts over een beperkt mandaat beschikte voor het controleren van de financiële bijstand van de Unie aan Griekenland, die werd beheerd door de trojka bestaande uit de Commissie, de Europese Centrale Bank (ECB) en het IMF, en dat zij door de ECB niet goed werd geïnformeerd; verzoekt de ECB om in een geest van wederzijdse samenwerking informatie te verstrekken die de Rekenkamer in staat stelt zich een vollediger beeld te vormen van het gebruik van de middelen van de Unie;

327.  erkent de ingewikkelde economische situatie in heel Europa en met name de veranderlijke politieke omstandigheden in Griekenland tijdens de uitvoering van de financiële bijstand van de Unie, die rechtstreekse gevolgen had voor de efficiëntie van de uitvoering van de bijstand;

328.  onderstreept het feit dat transparantie bij het gebruik van de middelen van de Unie in het kader van de verschillende instrumenten voor financiële bijstand die in Griekeland zijn uitgevoerd, van cruciaal belang is;

329.  vraagt de Commissie de algemene procedures voor het ontwerpen van steunprogramma's te verbeteren, met name door het toepassingsgebied te omschrijven van de analytische werkzaamheden die nodig zijn om de inhoud van de voorwaarden te verantwoorden, en door, waar mogelijk, aan te geven welke instrumenten in bepaalde situaties kunnen worden ontworpen;

330.  onderstreept dat de Commissie haar regelingen voor het monitoren van de uitvoering en de toepassing van hervormingen moet verbeteren om administratieve of andere belemmeringen voor de doeltreffende uitvoering van de hervormingen beter te identificeren; is bovendien van oordeel dat de Commissie ervoor moet zorgen over de nodige middelen te beschikken om deze beoordelingen uit te voeren;

Deel XXVII – Speciaal verslag nr. 18/2017 van de Rekenkamer met als titel "Single European Sky: een andere cultuur, maar geen gemeenschappelijk luchtruim"

331.  wijst op het gebrek aan volledige uitvoering van het gemeenschappelijk Europees luchtruim als gevolg van de weerstand van bepaalde beroepsgroepen uit de luchtvaartsector die hun eigen prerogatieven verdedigen, en door het ontbreken van een krachtige politieke wil van de lidstaten om te voldoen aan de eisen om dit initiatief uit te voeren;

332.  betreurt het feit dat, hoewel de Unie erin geslaagd is de landgrenzen tussen de Schengenlidstaten af te schaffen, zij tot op heden de luchtgrenzen tussen diezelfde lidstaten niet heeft kunnen afschaffen, met als gevolg gemeenschappelijke verliezen voor een bedrag van 5 miljard EUR per jaar;

333.  wijst erop dat er behoefte is aan een herziening en bijwerking van de indicatoren om de prestatieregeling voor luchtverkeer te stroomlijnen; is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft verklaard dat zij momenteel worden herzien; benadrukt dat voor een doeltreffende herziening van de indicatoren nauwkeurige en adequate gegevens noodzakelijk zijn;

334.  wijst erop dat de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees luchtruim de CO2-uitstoot van de luchtvaartsector tot 10 % zou verminderen, wat aanzienlijk zou bijdragen tot de verwezenlijking van de Klimaatovereenkomst van Parijs;

335.  verzoekt de Commissie de producten van de Gemeenschappelijke Onderneming SESAR nader in detail te onderzoeken, omdat zij mogelijk niet kunnen worden toegepast in de huidige situatie waar het gemeenschappelijk Europees luchtruim niet is uitgevoerd en dreigen te worden toegepast in luchtvaartsystemen die niet met elkaar compatibel zijn;

336.  verzoekt de Commissie nadere details te verstrekken over haar contract met Eurocontrol teneinde toe te zien op de besteding van het geld van de Europese belastingbetaler;

337.  wijst erop dat de nationale controleorganen onafhankelijk moeten zijn en moeten beschikken over voldoende financiële en operationele middelen;

338.  verzoekt de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement mee te delen waarom zij geen inbreukprocedures heeft ingeleid wegens de niet-uitvoering van de functionele luchtruimblokken, die in 2012 operationeel hadden moeten zijn, maar nog steeds niet functioneren;

Deel XXVIII – Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Rekenkamer met als titel "Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is"

339.  is ingenomen met de door de Rekenkamer voorgestelde aanbevelingen en verzoekt de Commissie de aanbevelingen en de opmerkingen in het speciaal verslag ter harte te nemen;

340.  wijst op de bijzonder hoge uitgaven voor de nieuwe vergroeningsbetaling, die 30 % vormen van alle rechtstreekse betalingen uit hoofde van het GLB en bijna 8 % van de hele EU-begroting; constateert met bezorgdheid dat dit bedrag niet overeenkomt met het ambitieniveau van de vergroeningsbetaling; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden bij de voorbereiding van een hervorming van het GLB;

341.  betreurt dat het onduidelijk blijft hoe vergroening moet bijdragen aan het realiseren van de ruimere doelstellingen van de Unie met betrekking tot de klimaatverandering; verzoekt de Commissie een specifiek actieplan voor vergroening op te stellen als onderdeel van een nieuwe GLB-hervorming, met daarin een duidelijke uiteenzetting van de interventielogica, alsmede een reeks specifieke, meetbare doelstellingen;

342.  vindt het zorgelijk dat het vergroeningsinstrument een inkomenssteunmaatregel blijft waarmee boeren hun inkomen met tot 1 % kunnen opkrikken, terwijl in veel gevallen niet noodzakelijk aan de tenuitvoerlegging gekoppelde verplichtingen of kosten worden opgelegd, waardoor het hele bestaansrecht van de financiering op de tocht komt te staan; verzoekt de Commissie striktere regels op te stellen voor boeren en tegelijkertijd het overmatige gebruik van vrijstellingen te vermijden;

343.  maakt zich zorgen over de mate van complexiteit en transparantie van vergroening en van het GLB zelf; verzoekt de Commissie het vergroeningsprogramma en het hele GLB te stroomlijnen om de transparantie te vergroten en het hoge risico op misbruik en dubbele financiering te voorkomen;

344.  vindt vooral de conclusie van de Rekenkamer zorgwekkend dat vergroening waarschijnlijk geen beduidende voordelen zal opleveren voor het milieu en het klimaat, en verzoekt de Commissie het bestaan van het instrument te heroverwegen evenals de mogelijkheid om de aanzienlijke vergroeningsfondsen te herinvesteren in bestaande, elkaar vaak overlappende programma's die doeltreffender en meer gerechtvaardigd zijn gebleken;

o
o   o

345.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 48 van 24.2.2016.
(2) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(3) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(4) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0121.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(8)1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13. Deze aanbevelingen luiden als volgt:De ECB dient haar besluitvormingsproces verder te stroomlijnen en moet bepaalde besluiten delegeren aan lagere niveaus om de raad van toezicht de gelegenheid te geven, zich te concentreren op zwaarwegender vraagstukken.Om bezorgdheid over het gebruik van gedeelde diensten weg te nemen, moet de ECB de daaruit voortvloeiende risico's beoordelen en de nodige waarborgen inbouwen, onder meer het beheer van mogelijke tegenstrijdige verzoeken en specifieke nalevingscontrole.De ECB moet zorgen voor voldoende vaardigheden en middelen op het gebied van interne controle om te waarborgen dat gebieden met een hoog en gemiddeld risico worden bestreken, voor zover van toepassing.De ECB dient volledig samen te werken met de Rekenkamer teneinde deze in staat te stellen haar mandaat uit te oefenen en op die manier de verantwoording te verbeteren.Om de externe verantwoording te verbeteren, dient de ECB haar huidige regelingen voor het meten en openbaar maken van informatie over prestaties op het gebied van toezicht te formaliseren.De ECB dient de GTM-kaderverordening te wijzigen om de toezeggingen van deelnemende NBA's te formaliseren en te garanderen dat zij alle volledig en evenredig deelnemen aan de werkzaamheden van de JST's.De ECB moet in samenwerking met de NBA's functie-/teamprofielen en methoden ontwikkelen om zowel de geschiktheid van het personeel dat de NBA's aan de JST's willen toewijzen als de daaropvolgende prestaties ervan te beoordelen.De ECB dient een gecentraliseerde, gestandaardiseerde en alomvattende databank met de vaardigheden, ervaring en kwalificaties van JST-medewerkers, zowel ECB- als NBA-personeel, aan te leggen en bij te houden.De ECB dient een formeel opleidingsprogramma in te voeren voor zowel nieuw als reeds aanwezig toezichthoudend personeel in JST's.De ECB dient een risicogebaseerde methodologie te ontwikkelen en toe te passen om het nagestreefde personeelsaantal en de samenstelling van vaardigheden voor JST's vast te stellen.De ECB dient het clustermodel in dit belangrijke toezichtsplanningsproces regelmatig door te lichten en zo nodig te actualiseren.De ECB dient haar personeel aan te vullen of te herschikken opdat het veel sterker aanwezig zou kunnen zijn bij inspecties ter plaatse van belangrijke banken op basis van een duidelijke risicoprioritering.De ECB moet de zwakke punten in het IT-systeem voor inspecties ter plaatse nauwlettender volgen en haar inspanningen voortzetten om de kwalificaties en vaardigheden van inspecteurs ter plaatse uit NBA's te verbeteren.
(9) Verklaring van het Contactcomité van de voorzitters van de hoge controle-instanties van de Europese Unie en de Europese Rekenkamer met als titel "De waarborging van volledig controleerbare, verantwoordingsgerichte en doeltreffende regelingen voor bankentoezicht na de invoering van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme".
(10) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 80.
(11) Zie bijlage II bij het speciaal verslag voor nadere informatie over de beperkingen op de toegang tot informatie.
(12) Zie bijlage IX bij het speciaal verslag voor nadere informatie over de bestaande verslagleggingsafspraken tussen de ECB en het Europees Parlement.
(13) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(14) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(15) Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie (COM(2017)0198).
(16) Public Expenditure and Financial Accountability assessment (Beoordeling van verantwoordingsplicht inzake overheidsuitgaven en financiën).
(17) Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (COM(2016)0646).
(18) Bescherming van migrerende kinderen (COM(2017)0211).
(19) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(20) Satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen.
(21) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(22) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).
(23) Zie het voorstel van de Commissie voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1343/2011 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (COM(2016)0134).
(24) Zie het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (COM(2017)0753).
(25) Zie de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, met name artikel 6, en de ethische richtsnoeren voor de Europese Rekenkamer die van toepassing zijn op het personeel, in het bijzonder sectie 4 betreffende het beroepsgeheim.


Kwijting 2016: Algemene begroting EU - het achtste, negende, tiende en elfde EOF
PDF 241kWORD 66k
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2146(DEC))
P8_TA(2018)0123A8-0123/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0364 – C8‑0257/2017),

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2017)0299),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de Commissie(1),

–  gezien de verklaring(2) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 20 februari 2018 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (05078/2018 – C8-0053/2018, 05079/2018 – C8-0054/2018, 05080/2018 – C8-0055/2018, 05082/2018 – C8-0056/2018),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit")(5),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(9),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS‑EG-overeenkomst(10),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(12),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(13),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0123/2018),

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

2. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2146(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0364 – C8‑0257/2017),

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2017)0299),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de Commissie(14),

–  gezien de verklaring(15) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 20 februari 2018 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (05078/2018 – C8‑0053/2018, 05079/2018 – C8‑0054/2018, 05080/2018 – C8‑0055/2018, 05082/2018 – C8‑0056/2018),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow‑up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000(16) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(17),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit")(18),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(19),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(20),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(21),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(22),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(23),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(24),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(25),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(26),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0123/2018),

A.   overwegende dat het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk wil leggen op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

3. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2146(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0123/2018),

A.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling van de Overeenkomst van Cotonou, als het kader voor de betrekkingen van de Unie met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de landen en gebieden overzee (LGO), het verminderen en uiteindelijk uitroeien van armoede is, in overeenstemming met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS‑landen en de LGO in de wereldeconomie;

B.  overwegende dat de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF's) het belangrijkste financiële instrument van de Unie zijn voor ontwikkelingssamenwerking met de ACS‑landen en de LGO;

C.  overwegende dat de geschiedenis van de lidstaten maakt dat de Unie de verplichting heeft om bij te dragen aan ontwikkeling in de ACS-landen en om samen te werken met LGO, die verbonden zijn met de toekomst van de Unie om geopolitieke redenen, vanwege de globalisering en vanwege wereldwijde uitdagingen zoals de gevolgen van de klimaatverandering en demografische ontwikkelingen;

D.  overwegende dat de Commissie, als uitvoerend orgaan, verantwoording moet afleggen in het kader van de verlening van kwijting voor de uitvoering van de middelen uit de EOF's;

E.  overwegende dat de modellen van ontwikkelingshulp grondig worden veranderd door de opkomst van nieuwe mondiale uitdagingen, waardoor alle ontwikkelingshulpverleners nadenken over een nieuwe hulpbenadering en over een heroriëntering van het huidige kader voor externe hulp;

F.  overwegende dat de beginselen van duurzaamheid, beleidssamenhang en doeltreffendheid cruciaal zijn voor het formuleren van een nieuwe horizontale ontwikkelingsaanpak van de Unie teneinde de positieve impact van haar ontwikkelingshulp en ‑doelstellingen te vergroten;

G.  overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht voorwaarden zijn voor de democratische controle van het optreden van de Unie inzake ontwikkeling en voor de samenhang daarvan met de doelstellingen van andere actoren zoals lidstaten, internationale organisaties, internationale financiële instellingen of multilaterale ontwikkelingsbanken;

H.  overwegende dat effectieve coördinatie van groot belang is om het risico op versnippering van de hulp te verkleinen en te zorgen voor een zo coherent mogelijke impact en een zo groot mogelijke eigen inbreng van de partners over de ontwikkelingsprioriteiten;

I.  overwegende dat gezamenlijke ontwikkelingsfinanciering en ‑programma's moeten leiden tot gerichtere doelstellingen waarbij synergieën worden vastgesteld en informatie wordt gedeeld uit de resultatenkaders van de verschillende organisaties;

J.  overwegende dat het opzetten van nieuwe vormen van interventie, zoals gemengde financiering, investeringsmogelijkheden of ‑platformen en specifieke trustfondsen, een manier is om extra financiering aan te trekken boven op de officiële ontwikkelingshulp, mits wordt voldaan aan transparantievoorwaarden, sprake is van additionaliteit en positieve effecten ter plaatse worden gegenereerd;

K.  overwegende dat het cruciaal is de particuliere sector te mobiliseren en verdere investeringen aan te trekken, gezien het tekort aan financiering dat moet worden overbrugd om de ambitieuze ontwikkelingsdoelen te halen, om te zorgen voor de beste bouwstenen voor duurzame ontwikkeling in de ontvangende landen in overeenstemming met hun eigen administratieve capaciteit en binnen hun eigen maatschappelijke structuur;

L.  overwegende dat begrotingssteun weliswaar een belangrijke rol speelt bij het stimuleren van verandering en het aanpakken van de belangrijkste uitdagingen op ontwikkelingsgebied, maar ook een aanzienlijk fiduciair risico met zich meebrengt en alleen moet worden verleend als er sprake is van voldoende transparantie, traceerbaarheid en verantwoording, samen met een duidelijk engagement van de partnerlanden om het beleid te hervormen;

M.  overwegende dat ontwikkelingshulp wordt verleend in een complexe en kwetsbare geopolitieke context, die wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld zwakke bestuurskaders, corruptie, sociale en economische instabiliteit, gewapende conflicten, crises en de nasleep daarvan met migratie of verdrijving tot gevolg, of gezondheidscrises;

N.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft verzocht om de opname van de EOF's in de algemene begroting van de Unie;

Betrouwbaarheidsverklaring

Belangrijkste bevindingen met betrekking tot de financiële uitvoering in 2016

1.  is ingenomen met de doorlopende inspanningen van de diensten van de Commissie om het algemene financiële beheer van de EOF's inzake vastleggingen en betalingen met betrekking tot eerdere uitstaande voorfinanciering te verbeteren;

2.  merkt met name op dat het streefcijfer (een vermindering met 25 %) licht is overschreden voor de eerdere openstaande vastleggingen (28 %) en de eerdere niet‑uitgegeven vastleggingen (36 %);

3.  wijst voorts op de acties om openstaande verlopen overeenkomsten te verminderen en te beëindigen, aangezien vertragingen van langer dan 18 maanden na het verstrijken van de operationele periode een aanzienlijk risico op onregelmatigheden vormen, omdat de ondersteunende documentatie mogelijk niet meer beschikbaar is en het personeel dat die overeenkomsten beheerde mogelijk niet meer in functie is en voldoende continuïteit van de verrichtingen dus niet kan worden gegarandeerd;

4.  merkt op dat het totale percentage aan verlopen overeenkomsten in de portefeuille van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie (DEVCO) eind 2016 neerkwam op 15,15 % tegenover een streefcijfer van 15 %; betreurt dat 1 058 (56 %) van de 1 896 verlopen overeenkomsten verband houden met het beheer van EOF-verrichtingen en dat de operationele periode van 156 van die 1 058 verlopen EOF-overeenkomsten meer dan vijf jaar geleden is verstreken, waarbij de 156 overeenkomsten een waarde van 323 miljoen EUR vertegenwoordigen;

5.  betreurt evenwel dat de toezichts- en controlesystemen door de Rekenkamer nog steeds werden beoordeeld als slechts ten dele doeltreffend;

Betrouwbaarheid van de EOF-rekeningen

6.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende, tiende en elfde EOF voor het jaar 2016 een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2016 geeft, en dat de resultaten van hun verrichtingen, hun kasstromen en de veranderingen in de nettoactiva over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de boekhoudregels die zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

7.  dringt er bij de Commissie op aan het probleem op te lossen van de terugvorderingen van niet-uitgegeven voorfinanciering die ten onrechte waren geboekt als bedrijfsontvangsten, aangezien deze onjuiste boeking tot correcties ten bedrage van 3,2 miljoen EUR heeft geleid;

8.  betreurt dat deze coderingsfouten reeds sinds 2015 voorkomen bij het beheer van invorderingsopdrachten; merkt echter op dat DG DEVCO in 2016 zijn personeelsleden gedetailleerde instructies heeft gegeven over de juiste codering van invorderingsopdrachten van dit type;

Wettigheid en regelmatigheid van de EOF-verrichtingen

9.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2016 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

10.  herhaalt zijn bezorgdheid over het oordeel van de Rekenkamer ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen die fouten van materieel belang vertonen;

11.  merkt op dat het foutenpercentage voor de onderliggende uitgaven bij de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde EOF volgens de raming van de Rekenkamer in haar jaarverslag 3,3 % bedraagt, een lichte daling ten opzichte van 2014 en 2015 (3,8 %) en 2013 (3,4 %), tegenover 3 % in 2012;

12.  merkt op en betreurt dat 24 % van de onderzochte transacties (35 van de 143) fouten vertoonde; neemt kennis van de resultaten van de steekproeven ten aanzien van projecten, waarbij 35 van de 130 betalingen (27 %) fouten vertoonden, en met name van het feit dat het bij 26 van deze 35 betalingen (74 %) kwantificeerbare fouten betrof, terwijl 9 definitieve verrichtingen zijn goedgekeurd nadat alle controles vooraf waren uitgevoerd;

13.  merkt met bezorgdheid op dat de diensten van de Commissie in twee gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie in hun beheersystemen beschikten om de fouten te kunnen voorkomen, opsporen of corrigeren alvorens de uitgaven te accepteren, dat dit leidde tot een directe stijging van het geraamde foutenpercentage, dat anders 0,7 procentpunt lager zou liggen, en dat vijf verrichtingen met fouten niet werden ontdekt door externe controleurs of toezichthouders;

14.  merkt op dat op het gebied van begrotingssteun en op het gebied waar de hypothetische aanpak wordt toegepast bij de uitvoering van multidonorprojecten door internationale organisaties, de aard van de financiering en de betalingsvoorwaarden de mate beperken waarin deze verrichtingen vatbaar zijn voor fouten; herhaalt zijn bezorgdheid over het samenvoegen van Uniemiddelen met de financiering van andere donoren – met name over het feit dat de Uniemiddelen niet zijn geoormerkt voor specifiek identificeerbare uitgavenposten – en over de beperkingen van de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer die voortvloeien uit de toepassing van de hypothetische aanpak;

15.  is bezorgd over de aanhoudende, hardnekkige fouten, in het bijzonder op het gebied van openbare aanbestedingen, ondanks de achtereenvolgende corrigerende actieplannen, zoals niet-naleving van de aanbestedingsvoorschriften, waarbij in een geval dienstenovereenkomsten werden gegund zonder selectieprocedure op basis van mededinging, niet-gedane uitgaven, niet-subsidiabele uitgaven of een gebrek aan ondersteunende documenten; merkt op dat die fouten ook betrekking hadden op transacties in verband met programmaramingen, subsidies en bijdrageovereenkomsten tussen de Commissie en internationale organisaties; verzoekt de Commissie onverwijld de tekortkomingen op het gebied van contractbeheer, selectieprocedures, documentenbeheer en het aanbestedingssysteem, aan te pakken;

16.  dringt er opnieuw bij de Commissie op aan haar inspanningen op deze specifieke samenwerkingsgebieden te intensiveren door het bestaande corrigerende actieplan te verfijnen, met name wanneer kwantificeerbare fouten duiden op tekortkomingen in de controles door internationale organisaties op naleving van contractuele bepalingen, als onderdeel van de algemene inspanning om de methoden voor risicobeheer te verbeteren en de monitoringsystemen en de bedrijfscontinuïteit te versterken;

17.  verzoekt DG DEVCO om de nodige aandacht te besteden aan de codering en monitoring van de betalingen om de gestelde termijnen in het financiële circuit en de werkprocedures te eerbiedigen;

Doeltreffendheid van het controlekader

18.  is verheugd over de aanhoudende inspanningen van DG DEVCO om de tenuitvoerlegging van zijn beheerskader te verbeteren, en in het bijzonder over de gerichte aanpak voor hoogrisicogebieden met betrekking tot middelen onder indirect beheer van internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties en subsidies onder direct beheer; neemt nota van de uitbreiding van het voorbehoud naar subsidies en programmaramingen onder indirect beheer;

19.  erkent dat de tenuitvoerlegging van ontwikkelingshulp vaak plaatsvindt in moeilijke, onstabiele of kritieke omstandigheden die foutgevoelig zijn;

20.  herhaalt zijn oproep om doorlopend aandacht te besteden aan de aanhoudende tekortkomingen in de uitvoering van essentiële controlestappen, te weten de kwetsbaarheid van de controles die voorafgaand aan projectbetalingen worden verricht en van externe controles van de uitgaven; merkt op dat DG DEVCO momenteel aan een herziening werkt van het mandaat voor controles en verificaties om informatie te verkrijgen waarmee een kwaliteitsbeoordeling kan worden gemaakt;

21.  juicht toe dat de studie naar het restfoutenpercentage (RFP) voor het vijfde jaar op rij werd verricht overeenkomstig de RFP-methodologie en daarom voortaan een bouwsteen is in de zekerheidsopbouw van DG DEVCO;

22.  juicht toe dat DG DEVCO alle door de Rekenkamer in 2013 opgemerkte tekortkomingen heeft aangepakt, maar merkt op dat de specifieke ramingsmethode voor het restfoutenpercentage nog altijd een te ruime marge laat voor afzonderlijke foutenpercentages;

23.  neemt er met belangstelling kennis van dat in de RFP-studie van 2016 het RFP voor het eerst werd geraamd op 1,7 %, onder de materialiteitsdrempel van 2 %, waarmee de neerwaartse trend sinds 2014 wordt bevestigd en waarbij een bedrag van 105 miljoen EUR (1,9 % van de uitgaven in 2016) risico loopt, tegenover een corrigerend vermogen – of geraamde toekomstige correcties – ten belope van 25 miljoen EUR (24 %), zonder evenwel de tekortkomingen te vergeten die zijn vastgesteld bij de registratie van invorderingsopdrachten in het boekhoudsysteem; meent evenwel dat voortdurend bijzondere aandacht moet worden besteed aan verrichtingen voor begrotingssteun gelet op het hoge inherente risico daarvan;

24.  herhaalt zijn steun voor een overgang van een algemeen voorbehoud naar gedifferentieerde voorbehouden, waarom het Parlement in zijn eerdere EOF-resoluties verzocht, om de inventarisatie van de betrouwbaarheid van de verschillende operationele processen geleidelijk te versterken, met (i) een voorbehoud op basis van de foutenpercentages van de volgende vier grootste risicogebieden – subsidies onder direct en indirect beheer, indirect beheer door internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties en programmaramingen – en (ii) een specifiek, hernieuwd voorbehoud voor de Vredesfaciliteit voor Afrika (African Peace Facility, APF); moedigt de Commissie aan haar beheersprocessen te blijven verfijnen, rekening houdend met risico's en financiële volumes en, indien noodzakelijk, bijkomende voorwaarden toe te voegen;

25.  steunt dat de Commissie haar voorbehoud ten aanzien van de APF, met betrekking tot het bestuur en de rapportage over corrigerende maatregelen bij het beheer van de middelen, heeft aangehouden; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om zich in het kader van de pijlerbeoordeling te blijven inzetten voor een sterker controlesysteem voor het beheer en de operationele monitoring van de APF teneinde de EOF's te beschermen tegen onwettige en onregelmatige uitgaven; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling en de doeltreffendheid van de corrigerende maatregelen op overeenkomstniveau te blijven verbeteren;

26.  merkt op dat 14,16 miljoen EUR is teruggevorderd in verband met de terugbetaling van onverschuldigde betalingen wegens onregelmatigheden en fouten;

27.  merkt op dat de kosten voor controles neerkwamen op 280,17 miljoen EUR, oftewel 4,26 % van de totale betalingen die in 2016 door DG DEVCO werden gedaan; meent in dit verband dat regelmatig aandacht moet worden besteed aan de algemene doeltreffendheid van het kader van controleactiviteiten en de complementariteit ervan met beginselen inzake goed bestuur om voldoende garanties te bieden;

28.  acht het noodzakelijk om een samenhangende controlestrategie aan te houden waarin een evenwicht bestaat tussen het absorptievermogen van de partnerlanden, eerbiediging van de nalevingsbepalingen en de prestatiedoelen, hetgeen terdege in aanmerking moet worden genomen bij het beheer van de verschillende hulpoperaties en wijzen van steunverlening;

29.  is van mening dat voor infrastructuurprojecten die door de EOF's zijn gefinancierd een onafhankelijke ex-antebeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met de sociale en milieugevolgen en de meerwaarde van de projecten, van essentieel belang is;

Monitoring van en verslaglegging over de prestaties van DG DEVCO met het oog op het halen van zijn doelstellingen

30.  verzoekt DG DEVCO om zijn regelingen inzake monitoring van en verslaglegging over de prestaties aanzienlijk te verbeteren om ervoor te zorgen dat de in de verschillende prestatiesystemen vastgestelde kernindicatoren systematisch en regelmatig worden gemonitord en dat het hogere management tijdig de beschikking krijgt over passende en betrouwbare informatie; herhaalt dat bij de beoordeling van ontwikkelingsdoelstellingen rekening moet worden gehouden met sociale en milieuaspecten, alsmede met economische aspecten;

31.  meent dat de frequentie van de monitoring en de verslaglegging moet worden bepaald op basis van de aard van de te monitoren doelstellingen, het type indicator en de verzamelmethoden, alsmede op basis van de behoeften op het gebied van monitoring en verslaglegging;

32.  spoort DG DEVCO aan om samen met andere belanghebbenden op het gebied van de externe betrekkingen zijn communicatiestrategie en ‑instrumenten verder te ontwikkelen door de belangrijkste resultaten voor het voetlicht te brengen, en de algehele zichtbaarheid van door het EOF ondersteunde projecten verder te vergroten om een breder publiek te bereiken door het verstrekken van relevante informatie over de bijdrage van de Unie aan wereldwijde uitdagingen;

33.  beschouwt de 86 toezichtsverslagen externe steun waarin de Uniedelegaties over de vorderingen rapporteren als een nuttige bijdrage aan de verantwoordingsketen en aan de prestatiemeting van elke Uniedelegatie, en onderstreept tegelijkertijd dat de in die verslagen gebruikte gegevens betrouwbaar moeten zijn; wijst op de positieve trend bij DG DEVCO wat de prestaties van de Uniedelegaties betreft: voor 21 van de 24 kernprestatie-indicatoren werden de streefcijfers in 2016 gehaald (tegenover 20 in 2015 en 15 in 2014), met uitzondering van drie kernprestatie-indicatoren met betrekking tot "de nauwkeurigheid van financiële prognoses met het oog op beslissingen", "het percentage betalingen dat binnen de termijn van dertig dagen wordt verricht" en "de naleving van de flexibiliteitsregelingen inzake de inzet van personeel in EU-delegaties";

34.  is evenwel bezorgd dat 980 van de 3 151 projecten (31 %) als problematisch zijn aangemerkt en dat zes Uniedelegaties zich nog onder de benchmark van 60 % groene kernprestatie-indicatoren bevinden; verzoekt de diensten van de Commissie om de Uniedelegaties die de drempel van 60 % onlangs hebben gehaald of net boven deze drempel zitten nauwlettend te volgen om de trendanalyse voor Uniedelegaties te kunnen verfijnen en consolideren;

35.  verzoekt DG DEVCO de mogelijkheid te overwegen om de benchmark van 60 % te herzien of op te waarderen; herhaalt dat ook de definitie van bepaalde kernprestatie-indicatoren kan worden herzien, naargelang de aard van de vastgestelde problematiek of de risico-omgeving waardoor elke Uniedelegatie wordt gekenmerkt, om verdere ruimte voor verbetering te vinden;

36.  wijst erop hoe belangrijk het is te zorgen voor goed afgestemde programma's die niet te ambitieus zijn, zodat de verwachte resultaten van de hulp niet in gevaar komen; verzoekt DG DEVCO naar aanleiding van de monitoring van de prestaties van de Uniedelegaties om in die delegaties een realistische planning van projecten te handhaven;

37.  acht het van wezenlijk belang om de delegatiehoofden tijdens regionale of ad‑hocseminars regelmatig te herinneren aan hun cruciale rol bij de consolidering van de verantwoordingsketen van DG DEVCO en hun algehele verantwoordingsplicht inzake het beheer van de projectportfolio's, waarbij de verschillende onderdelen die waarschijnlijk tot de afgifte van een voorbehoud leiden toereikend moeten worden beoordeeld en gewogen, in aanvulling op hun politieke taken; merkt op dat geen enkele Uniedelegatie in 2016 een voorbehoud heeft gemaakt in haar toezichtsverslag externe steun;

38.  verzoekt de Commissie onmiddellijk verslag uit te brengen over de specifieke corrigerende maatregelen die worden genomen wanneer een project twee opeenvolgende jaren als "rood" is aangemerkt om de oorspronkelijke projectopzet spoedig te herbeoordelen, middelen toe te wijzen aan levensvatbaardere projecten en behoeften, of zelfs te overwegen het project te beëindigen;

Toezicht en beheer van EU-trustfondsen

Complementariteit en impact

39.  benadrukt dat samenhang en complementariteit van financieringsinstrumenten voor ontwikkeling met de strategie van de EOF's en met de overkoepelende doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie voortdurend moeten worden gewaarborgd;

40.  erkent dat de EU-trustfondsen zijn opgezet om te voorzien in een snelle politieke reactie op het middelengebrek in bepaalde kritieke situaties of ernstige crises, zoals de migratiecrisis, of op de noodzaak om noodhulp, herstel en ontwikkeling aan elkaar te koppelen;

41.  begrijpt dat specifieke EU-trustfondsen in dergelijke omstandigheden flexibiliteit en een reeks mogelijkheden bieden waarbij geografische en thematische interventies worden gecombineerd aan de hand van verschillende kanalen;

42.  benadrukt echter dat de Commissie moet waarborgen dat dergelijke trustfondsen waarde toevoegen aan bestaande acties en bijdragen aan een betere zichtbaarheid van het externe optreden en de zachte macht van de Unie, en dat overlapping met andere financiële instrumenten wordt voorkomen;

43.  merkt op dat van de totale toezeggingen voor alle EU-trustfondsen (5,026 miljard EUR eind november 2017) 2,403 miljard EUR afkomstig is uit de EOF's, waarbij 2,290 miljard EUR is toegezegd voor het EU-noodtrustfonds voor Afrika en 113 miljoen EUR voor het EU-trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek;

44.  herinnert evenwel aan de hoge risico's die inherent zijn aan die ontwikkelingsinstrumenten en aan de tot op heden gemengde ervaringen bij de tenuitvoerlegging ervan; herhaalt dat moet worden gezorgd voor maximale transparantie bij en rekenschap over het gebruik van die instrumenten;

45.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Rekenkamer over het Bêkou-trustfonds; erkent dat het Bêkou-trustfonds ondanks enkele tekortkomingen hoopvol van start is gegaan en merkt op dat de oprichting van een trustfonds een snelle reactie was op de noodzaak om noodhulp, herstel en ontwikkeling aan elkaar te koppelen; verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen om richtsnoeren te ontwikkelen voor de keuze van een steunconstructie (trustfondsen of andere constructies); is van mening dat deze richtsnoeren een afspiegeling moeten zijn van de mogelijke risico's en nadelen van het gebruik van trustfondsen en de gemengde ervaringen in aanmerking moeten nemen die tot dusver zijn opgedaan met het gebruik ervan; betreurt dat het Bêkou-trustfonds de algemene coördinatie tussen de donoren niet aanzienlijk heeft verbeterd;

46.  roept op tot de vaststelling van goede praktijken om bij te dragen tot een betere coördinatie van de bilaterale hulp en steunconstructies van de verschillende donoren;

47.  herinnert eraan dat de EU-trustfondsen voor additionaliteit moeten zorgen, met name om op passende wijze te voorzien in de behoeften en prioriteiten van partnerlanden waar een conflict of een ramp heeft plaatsgevonden, waarbij de focus moet liggen op de terreinen met de grootste meerwaarde en strategische impact;

48.  meent dat EU-trustfondsen waarmee één land wordt ondersteund of waarmee programma's voor meerdere landen worden ondersteund, doeltreffender zijn wanneer zij zijn voorzien van een formele en samenhangende bestuursstructuur die de stem van belanghebbenden, waarden en gedeelde resultatenkaders kan bevorderen;

49.  acht het van wezenlijk belang dat de EU-trustfondsen tot doel hebben om aanvullende middelen aan te trekken bij de lidstaten, de particuliere sector en andere donoren;

50.  wijst erop dat de selectiviteit, het toezicht en de verantwoordingsplicht inzake de resultaten die met de EU-trustfondsen worden behaald, moeten worden verdiept in partnerschapsprogramma's en gebaseerd moeten zijn op een voorlopige beoordeling van de comparatieve voordelen van EU-trustfondsen in vergelijking met andere hulpkanalen; brengt in herinnering dat volledige transparantie en toegang tot gegevens moet worden gewaarborgd, evenals duidelijke regels voor toezicht en controle;

Het Bêkou-trustfonds

51.  is ingenomen met de instelling van het Bêkou-trustfonds en de bijdrage daarvan aan de internationale reactie op de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek; erkent dat dit eerste trustfonds in tal van opzichten als een belangrijk proefproject kan worden beschouwd en dat het nodig is nauwkeurigere richtsnoeren te ontwikkelen voor de systemische kwesties van donorcoördinatie, toezicht en evaluatie aan de hand van een systematischere benadering om garanties te verkrijgen;

52.  is van mening dat er meer tijd nodig is om de doeltreffendheid van het Bêkou-trustfonds naar behoren te beoordelen en om meer lessen te trekken uit de operationele tenuitvoerlegging ervan;

53.  is van mening dat ook bijzondere aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid en de politieke governance van EU-trustfondsen en aan het gebrek aan garanties en toezicht op het uiteindelijke gebruik van de toegewezen middelen;

54.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de beperkte invloed van het Bêkou-trustfonds op de coördinatie tussen de belanghebbenden en dat de Commissie alles in het werk moet stellen om gebruik te maken van de reeds opgedane ervaringen bij de activiteiten van de EOF's op gebieden zoals de uitvoering en coördinatie van het beheer van investeringen door meerdere partijen en eigendom van de resultaten;

55.  vindt het zorgwekkend dat de bijdragen van de lidstaten aan het Bêkou-trustfonds tot op heden relatief gering zijn; roept de lidstaten op tot grotere betrokkenheid om ervoor te zorgen dat het Bêkou-trustfonds de verwachte beleidsdoelstellingen verwezenlijkt;

56.  meent dat de nodige aandacht moet worden besteed aan het beheer van de administratieve kosten afgezet tegen de totale bijdragen, aan het berekenen van de totale beheerskosten en aan het vinden van manieren om het aandeel van de toegewezen hulp dat bij de eindbegunstigden terechtkomt, te maximaliseren;

57.  verzoekt de Commissie om omvattende controlemechanismen in te stellen om politieke controle door het Parlement op de governance, het beheer en de uitvoering van deze nieuwe instrumenten in het kader van de kwijtingsprocedure mogelijk te maken; acht het belangrijk om specifieke toezichtsstrategieën voor EU-trustfondsen te ontwikkelen, met specifieke doelstellingen, streefdoelen en evaluaties;

Uitvoering van begrotingssteunactiviteiten

Subsidiabiliteit en inherente risico's

58.  merkt op dat de betalingen voor uit de EOF's gefinancierde begrotingssteun in 2016 644 miljoen EUR bedroegen; merkt op dat er in 2016 in het kader van de EOF's 109 begrotingssteunmaatregelen liepen, waarbij 56 keer een uitbetaling werd gedaan;

59.  onderkent de flexibiliteit van de Commissie bij haar beoordeling of is voldaan aan de algemene subsidiabiliteitscriteria om middelen uit te keren aan het partnerland (een gedifferentieerde en dynamische benadering van subsidiabiliteit) vanwege de brede interpretatie van de wettelijke bepalingen, en is bezorgd over het uiteindelijke gebruik van de uitgekeerde middelen en over de gebrekkige opspoorbaarheid wanneer de middelen van de Unie worden samengevoegd met de begrotingsmiddelen van het partnerland;

60.  dringt er bij de Commissie op aan de resultaatgerichte begrotingssteun uit te breiden door beter te definiëren welke ontwikkelingsresultaten voor alle begrotingssteunprogramma's en sectoren behaald moeten worden, en bovenal de mechanismen te versterken voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen; roept op tot de oprichting van een corruptievrije uitgavenprocedure; is van mening dat prioriteit gegeven moet worden aan het koppelen van deze steun aan een doeltreffende bestrijding van corruptie in landen die begrotingssteun ontvangen;

61.  brengt in herinnering dat het risico op het wegsluizen van middelen hoog blijft en dat het beheer en de hervorming van de overheidsfinanciën vaak gepaard gaan met een corruptie- en frauderisico; herhaalt dat grondiger moet worden gekeken naar de risico's in het kader van de beleidsdialoog en het ontwerpen van een strategie voor toekomstige overeenkomsten voor begrotingssteun, met name om te beoordelen in hoeverre overheden bereid en in staat zijn om hervormingen af te dwingen; wijst erop dat de risico's en de resultaten van de controles vooraf en achteraf zorgvuldig moeten worden gevolgd;

62.  verzoekt de Commissie echter om ervoor te zorgen dat de begrotingssteun en de uitbetaling van middelen wordt herzien, nagelaten, verminderd of stopgezet wanneer duidelijke en oorspronkelijke doelstellingen en toezeggingen niet worden waargemaakt en/of wanneer het politieke en financiële belang van de Unie op het spel staat;

63.  herhaalt dat de EOF's maximale openheid en transparantie moeten bieden; steunt de openbaarmaking van relevante begrotingsinformatie met betrekking tot programma's voor begrotingssteun teneinde de transparantie en verantwoordingsplicht van en jegens alle belanghebbenden, onder wie burgers, te vergroten;

Begrotingssteun ter verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten in Afrika ten zuiden van de Sahara

64.  benadrukt het belang van de mobilisering van binnenlandse inkomsten in landen met een lager ontwikkelingsniveau aangezien deze de afhankelijkheid van ontwikkelingssteun doet afnemen, tot een beter openbaar bestuur leidt en van essentieel belang is voor de staatsopbouw; dringt erop aan in overeenkomsten op het gebied van goed bestuur en ontwikkeling het gebruik te versterken van specifieke uitbetalingsvoorwaarden voor mobilisering van binnenlandse inkomsten;

65.  wijst erop dat de Commissie de overeenkomsten voor begrotingssteun nog niet doeltreffend heeft gebruikt om de mobilisering van binnenlandse inkomsten te ondersteunen in laag- of lagermiddeninkomenslanden in Afrika ten zuiden van de Sahara; stelt evenwel vast dat de nieuwe aanpak van de Commissie het potentieel van deze vorm van hulpverlening voor de doeltreffende ondersteuning van de mobilisering van binnenlandse inkomsten heeft vergroot; verzoekt de Commissie om in haar verslagen inzake begrotingssteun meer informatie te verstrekken over het gebruik van overeenkomsten voor begrotingssteun voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

66.  onderstreept dat sterkere belastingstelsels niet alleen bijdragen tot meer voorspelbare inkomsten maar ook tot meer verantwoordingsplicht vanwege regeringen doordat er een rechtstreekse band ontstaat tussen de belastingbetalers en hun regering; ondersteunt dat de verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten uitdrukkelijk is opgenomen in de lijst van de Commissie met de belangrijkste uitdagingen op het gebied van ontwikkeling die via begrotingssteun worden aangepakt;

67.  wijst op de problematiek van belastingontwijking, belastingontduiking en illegale financiële stromen; verzoekt de Commissie om zich aan haar richtsnoeren te houden wanneer zij macro-economische beoordelingen en beoordelingen inzake het beheer van de overheidsfinanciën verricht met betrekking tot aspecten die verband houden met de mobilisering van binnenlandse inkomsten, teneinde een beter beeld te krijgen van de grootste problemen, bijv. de schaal van belastingprikkels, verrekenprijzen en belastingontduiking;

68.  verzoekt de Commissie verder haar inspanningen ter bestrijding van belastingontduiking en belastingmisbruik op te voeren door haar financiële steun aan op een zwarte lijst geplaatste belastingparadijzen door middel van de EOF's te verminderen om de landen op een dergelijke lijst die onrechtmatige fiscale praktijken aanmoedigen, aan te sporen aan de criteria voor eerlijke belastingen van de Unie te voldoen;

69.  wijst op een tekort aan passende monitoringinstrumenten om te beoordelen in welke mate de begrotingssteun heeft bijgedragen tot algehele verbeteringen in de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

70.  is van mening dat het van essentieel belang is op het gebied van belastingbeleid eerlijke en transparante binnenlandse belastingstelsels te blijven bevorderen, op het gebied van natuurlijke hulpbronnen de steun op te voeren voor toezichtprocessen en ‑organen, en bestuurshervormingen ter bevordering van duurzame en transparante exploitatie van natuurlijke hulpbronnen te blijven ondersteunen;

71.  onderstreept dat specifieke voorwaarden voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten vaker moeten worden toegepast, aangezien deze de uitbetaling van begrotingssteun duidelijk koppelen aan de vorderingen van het partnerland op het gebied van hervormingen inzake mobilisering van binnenlandse inkomsten;

72.  spoort de Commissie ertoe aan het onderdeel capaciteitsopbouw van de begrotingssteun uit te breiden, aangezien dit onderdeel stevige grondslagen legt voor een economische en sociale transformatie op lange termijn en een aantal belangrijke belemmeringen voor de efficiënte inning van overheidsinkomsten uit de weg ruimt;

73.  verzoekt de Commissie om voor alle bestaande en toekomstige overeenkomsten voor begrotingssteun met een onderdeel betreffende capaciteitsontwikkeling dat bestemd is voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten het bewustzijn bij de partnerlanden van de beschikbaarheid van deze steun te verhogen en het gebruik ervan te vergemakkelijken, met name om behoeften op het gebied van capaciteitsontwikkeling te vervullen waarin andere donoren nog niet voorzien;

Behoefte aan meer samenwerking met internationale organisaties

74.  merkt op dat de EOF-betalingen aan multidonorprojecten die in 2016 werden uitgevoerd door internationale organisaties 914 miljoen EUR bedroegen;

75.  meent dat de multilaterale financiële instellingen voor ontwikkeling het gebruik van gemengde financiering doeltreffender moeten maken, met name wat betreft de additionaliteit;

76.  benadrukt dat de multilaterale ontwikkelingsbanken op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier moeten bijdragen aan de sectorale financiering van de ambitieuze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties voor 2030, met name door doeltreffend gebruik te maken van gemengde financiering en door particuliere financiering aan te trekken om de hulpfinanciering efficiënter te maken en de impact ervan te vergroten;

77.  moedigt de Commissie aan meer gebruik te maken van het microfinancieringsinstrument, dat wordt beschouwd als een substantieel en doeltreffend instrument ter bestrijding van armoede en ter ondersteuning van lokale economieën;

78.  herinnert aan de noodzaak voor de financiële instrumenten van het EOF om verdere investeringen van de particuliere sector aan te trekken; moedigt de Commissie aan een actieplan op te stellen om op deze behoefte in te spelen en de kwijtingautoriteit van de geboekte vooruitgang op de hoogte te houden;

79.  verzoekt de Commissie om het tweeledige doel van transparantie en zichtbaarheid van de Unie te realiseren en om in haar volgende verslag nadere informatie te verstrekken over de met Uniemiddelen beheerde projecten; meent dat de dialoog met de Verenigde Naties en de Wereldbankgroep verder moet worden verdiept om de gezamenlijke samenwerkingsinstrumenten transparanter te maken en te vereenvoudigen;

80.  verzoekt de Commissie niet alleen de gegevens betreffende de financiering van ngo's openbaar te maken, maar ook de gedetailleerde verslagen betreffende de gefinancierde projecten; uit zijn bezorgdheid over de recente beschuldigingen van wangedrag jegens enkele ngo's; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van de situatie actief te volgen en, indien noodzakelijk, de toekenning van financiering opnieuw te beoordelen;

Aanpak van nieuwe mondiale ontwikkelingsprioriteiten

Operationele uitdagingen en nieuwe stimulansen

81.  erkent dat er nieuwe modellen voor het ontwerpen van ontwikkelingshulpinstrumenten en de bijbehorende voorwaarden moeten worden ontwikkeld, overeenkomstig de toezeggingen in het kader van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling, om te reageren op nieuwe kritieke kenmerken zoals de koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingshulp, tussen ontwikkeling, migratie en mobiliteit, de samenhang met klimaatverandering en de koppeling tussen vrede en veiligheid;

82.  benadrukt dat gezien de financieringskloof die vereist is om de ambitieuze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te behalen, de particuliere sector een cruciale rol kan spelen; merkt op dat gemengde financiering een nuttig instrument kan zijn voor het vrijmaken van aanvullende middelen, voor zover het gebruik ervan naar behoren gerechtvaardigd is, de toegevoegde waarde ervan is aangetoond en zij voldoet aan de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

83.  onderstreept echter dat de EOF's hun toepassingsgebied niet mogen overschrijden, dat de totstandbrenging van een nieuwe koppeling om op nieuwe uitdagingen in te spelen niet ten koste mag gaan van de verwezenlijking van andere ontwikkelingsdoelen en dat de invoering ervan gepaard moet gaan met nauwkeurige, duidelijke en transparante regels, die moeten worden vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende door de Commissie vastgelegde criteria;

84.  acht het van cruciaal belang om de coördinatie en synergie tussen de steun van verschillende donoren en hulpinstrumenten te verbeteren; verzoekt de verschillende belanghebbenden om de kwaliteit van de operationele resultatenkaders en de ontwikkelingsresultaten ter plekke te verbeteren;

85.  erkent de operationele moeilijkheden of uitdagingen die zich met name bij het creëren van consensus voordoen, in het bijzonder wanneer coördinatie tussen een groot aantal donoren plaatsvindt in een veranderende, complexe context met veranderende behoeften;

86.  is van mening dat investeringen in kwetsbare landen een kernprioriteit van het optreden van de Unie moeten blijven, waarbij de toepassing van een nuchtere monitoringsaanpak zo nodig kan leiden tot stopzetting van de financiering; meent dat het verrichten en delen van resultaatbeoordelingen met betrekking tot kwetsbare landen of landen waar zich een conflict afspeelt, moet worden versterkt;

87.  steunt de inspanningen om de problemen inzake de duurzaamheid van ontwikkelingsresultaten aan te pakken wanneer de mobilisering van binnenlandse inkomsten, de eigen inbreng en de politieke economie op het spel staan;

88.  herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de grootste uitdagingen is waarvoor de Unie en regeringen wereldwijd staan; roept de Commissie nadrukkelijk op haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs na te komen om de klimaatvoorwaarden van de Uniefinanciering aan te scherpen, waardoor uitsluitend klimaatvriendelijke projecten die de klimaatdoelstellingen van de Unie weerspiegelen, worden gefinancierd, wat betekent dat de selectiecriteria een sterkere samenhang moeten vertonen;

89.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is(27); benadrukt de mogelijk negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden aangezien, zoals de Rekenkamer stelt, "de Commissie niet [heeft] voorgeschreven dat vrijwillige regelingen moeten controleren of de te certificeren productie van biobrandstoffen gepaard gaat met een significant risico van ongewenste sociaal-economische effecten, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers of gevaren voor de gezondheid en de veiligheid", en verzoekt de Commissie dan ook dit probleem aan te pakken;

90.  spoort aan tot opneming van de ethische dimensie in het ontwerp van beleidsinterventies;

91.  benadrukt dat door EU-fondsen, waaronder Pegase (Palestijns-Europees mechanisme voor het beheer van de sociaal-economische bijstand), gefinancierd opleidingsmateriaal in overeenstemming moet zijn met de verklaring over het bevorderen, via het onderwijs, van de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie, die door de ministers van Onderwijs van de Unie in Parijs op 17 maart 2015 is aangenomen; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de EU-middelen worden besteed in overeenstemming met de van Unesco afgeleide normen van vrede en tolerantie in het onderwijs;

De koppeling tussen ontwikkeling en migratie in de praktijk brengen

92.  merkt op dat 106 projecten ter waarde van in totaal 1,589 miljard EUR werden goedgekeurd, waarbij in 2016 594 miljoen EUR werd vastgelegd en 175 miljoen EUR werd betaald voor een beter beheer van de migratiestromen en om de hoofdoorzaken van irreguliere migratie aan te pakken via het EU-noodtrustfonds voor Afrika en verwante regionale kanalen; merkt op dat "goed beheerd migratiebeleid" een van de overeengekomen doelstellingen is;

93.  verzoekt de Commissie om op gestructureerde wijze verslag uit te brengen over de impact van de programma's die in het kader van het EU-noodtrustfonds voor Afrika zijn gelanceerd, met name aan de hand van de resultaatgerichte monitoring van de Unie en het resultatenkader van het EU-noodtrustfonds voor Afrika, om een overzicht te geven van de collectieve resultaten;

94.  merkt in dit verband voorts op dat het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, als onderdeel van het Europees plan voor externe investeringen, zal worden gericht op Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara, met een bijdrage van 400 miljoen EUR uit de EOF's;

95.  steunt de verhoging van de impactfinancieringsenveloppe voor de ACS-landen, een afzonderlijk onderdeel van de ACS-investeringsfaciliteit, met 300 miljoen EUR tot een totale capaciteit van 800 miljoen EUR bestemd voor gerichte projecten die de onderliggende oorzaken van migratie rechtstreeks aanpakken, waarbij de impactfinancieringsenveloppe wordt omgezet in een revolverend fonds;

96.  merkt op dat de Europese Investeringsbank (EIB) via de ACS-investeringsfaciliteit hoofdzakelijk projecten ondersteunt ter bevordering van de ontwikkeling van de particuliere sector, terwijl subsidiabele overheidsprojecten ook in overweging worden genomen in het kader van het ACS-migratiepakket; is ingenomen met de ontwikkeling van nieuwe partnerschappen in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit die door de EIB wordt beheerd; verzoekt de EIB evenwel om nadere informatie te verstrekken over de bestanddelen van de hefboomwerking, oftewel de delen die afkomstig zijn uit aandelenparticipaties respectievelijk uit publieke financiering door de Unie of andere multilaterale ontwikkelingsbanken, alsmede de terugvloeiende middelen die worden geherinvesteerd in de werking van de ACS-investeringsfaciliteit;

97.  ondersteunt de Europese Commissie bij de instelling van een migratiecode binnen de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling teneinde de bijbehorende financiering doeltreffender te gebruiken en beter opspoorbaar te maken;

Naar een ACS op basis van een nieuw partnerschap

98.  ziet ernaar uit volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het 11e EOF, waarbij Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking moeten worden genomen, maar waarbij ook de beginselen van ontwikkelingseffectiviteit volledig moeten worden geëerbiedigd zoals andermaal bevestigd tijdens het forum op hoog niveau van het mondiaal partnerschap in Nairobi, met name de eigen inbreng van prioriteiten door ontvangende landen;

o
o   o

99.  herhaalt zijn verzoek om de opname van de EOF-fondsen in de algemene begroting.

(1) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 281.
(2) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 289.
(3) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(4) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(5) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.
(7) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(8) PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.
(9) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(10) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.
(11) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.
(12) PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.
(13) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(14) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 281.
(15) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 289.
(16) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(17) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(18) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(19) PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.
(20) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(21) PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.
(22) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(23) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.
(24) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.
(25) PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.
(26) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(27) Speciaal verslag nr. 18/2016: Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen.


Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europees Parlement
PDF 464kWORD 91k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement (2017/2137(DEC))
P8_TA(2018)0124A8-0105/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0248/2017)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de intern controleur voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6) van de Raad, en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het besluit van het Bureau van 16 juni 2014 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting(7) van het Europees Parlement, en met name artikel 22,

–  gezien artikel 94 en artikel 98, lid 3, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0105/2018),

A.  overwegende dat de Voorzitter de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016 op 28 juni 2017 heeft goedgekeurd;

B.  overwegende dat de secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 10 juli 2017 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en dat de vastgestelde controleprocedures de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

C.  overwegende dat op grond van artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 elke instelling van de Unie verplicht is alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement (2017/2137(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement,

–  gezien artikel 94 en artikel 98, lid 3, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0105/2018),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Europees Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat deze, in alle materiële opzichten, een getrouw beeld geven van de vermogenspositie, de resultaten van de verrichtingen en de kasstromen van het Parlement;

B.  overwegende dat overeenkomstig de gebruikelijke procedure 141 vragen aan de administratie van het Parlement zijn gestuurd, en dat de schriftelijke antwoorden door de Commissie begrotingscontrole zijn ontvangen en in het openbaar zijn besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de intern controleur;

C.  overwegende dat er voortdurend verbetering mogelijk is op het gebied van kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid bij het beheer van overheidsfinanciën, en dat toezicht noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het politiek leiderschap en de administratie van het Parlement verantwoording afleggen ten aanzien van burgers van de Unie;

Toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement

1.  merkt op dat het formele toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement bestaat uit vier hoofdonderdelen:

   de certificering van de definitieve rekeningen door de rekenplichtige van het Parlement;
   de jaarverslagen van de intern controleur en diens advies inzake het interne controlesysteem;
   de beoordeling van de administratieve en andere uitgaven van alle instellingen van de Unie, inclusief het Parlement, door zijn externe controleur, de Rekenkamer;
   de door de Commissie CONT voorbereide kwijtingsprocedure, die moet leiden tot het besluit tot verlening van kwijting aan de Voorzitter van het Parlement;

2.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer de steekproef met betrekking tot het aantal verrichtingen van het Parlement heeft uitgebreid, en moedigt de Rekenkamer aan op deze manier verder te gaan, omdat het risico op reputatieschade relatief hoog is, aangezien financiële fouten en fouten in de begroting een negatief effect kunnen hebben op de reputatie van de instelling;

3.  dringt er bij de Rekenkamer op aan de publicatie van meer speciale verslagen over specifieke gebieden van de werkzaamheden van het Parlement, zoals het communicatie­beleid en het beheer van de subsidies voor Europese politieke partijen en stichtingen, in overweging te nemen met bijzondere aandacht voor prestatiegebonden budgettering;

4.  is ingenomen met de follow‑up door de administratie om de interne expertise op het gebied van boekhouding en controle te vergroten, door het opzetten van aanvullende diensten voor leden die betrokken zijn bij de kwijtingsprocedures met betrekking tot de instellingen van de Unie, en zodoende hulp en ondersteuning te bieden bij het begrijpen en interpreteren van de resultaten van de jaar- en controleverslagen;

Het begrotings- en financieel beheer van het Parlement

5.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2016 in totaal 1 838 613 983 EUR beliepen, oftewel 19,39 % van rubriek 5 van het meerjarig financieel kader(8) (MFK) voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2016, en een stijging met 2,4 % vertoonden ten opzichte van de begroting 2015 (1 794 929 112 EUR);

6.  stelt vast dat de totale per 31 december 2016 in de rekeningen opgenomen ontvangsten 183 381 513 EUR bedroegen (tegenover 176 367 724 EUR in 2015), met inbegrip van 30 589 787 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 27 988 590 EUR in 2015);

7.  benadrukt dat vier hoofdstukken 69,92 % van de totale vastleggingen uitmaken: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en daarmee samenhangende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden), hetgeen getuigt van weinig flexibiliteit wat betreft het grootste deel van de uitgaven van het Parlement;

8.  neemt kennis van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016 werden gesloten:

(a)  Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2016:

1 838 613 983

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2015:

-

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2015:

289 323 907

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2016:

30 589 787

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2015:

103 055 269

Totaal:

2 261 582 946

b)  Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2016 (EUR)

vastleggingen:

2 225 465 435

verrichte betalingen:

1 900 199 164

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

324 909 094

niet-automatisch overgedragen kredieten:

-

geannuleerde kredieten:

36 094 295

(c)  Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2016:

183 381 513

(d)  Totale balans op 31 december 2016 (EUR)

1 574 480 381

9.  wijst erop dat 99,2 % van de in de begroting van het Parlement opgenomen kredieten, in totaal 1 823 844 172 EUR, was vastgelegd, met een annuleringspercentage van 0,8 %; stelt met tevredenheid vast dat, net als in voorgaande jaren, een zeer groot deel van de begroting ten uitvoer is gelegd; stelt vast dat de betalingen in totaal 1 538 531 527 EUR beliepen, resulterend in een uitvoeringspercentage van 84,4 %, hetgeen een toename van 0,7 % vertegenwoordigt in vergelijking met het voorgaande jaar;

10.  benadrukt het feit dat de geannuleerde kredieten voor het begrotingsjaar 2016, in totaal 14 769 811 EUR, hoofdzakelijk bestemd waren voor bezoldiging en andere vorderingen, alsmede, wederom, voor uitgaven met betrekking tot gebouwen;

11.  stelt vast dat er in het begrotingsjaar 2016, zeven overschrijvingen zijn goedgekeurd overeenkomstig artikelen 27 en 46 van het Financieel Reglement(9), die in totaal 66 655 000 EUR bedroegen, oftewel 3,6 % van de definitieve kredieten; constateert bezorgd dat de meerderheid van dergelijke overschrijvingen wederom in verband stonden met het vastgoedbeleid van het Parlement en meer in het bijzonder met het Konrad Adenauer-project; is van mening dat de collectieve overschrijvingen nog steeds zeer hoog zijn; is ervan overtuigd dat een doeltreffend begrotingsbeheer dergelijke overschrijvingen tot een absoluut minimum kan beperken; wijst er uitdrukkelijk op dat het gebouwenbeleid van het Parlement duidelijk moet uitkomen als onderdeel van de begrotingsstrategie;

De adviezen van de Rekenkamer inzake de betrouwbaarheid van de jaarrekening 2016 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

12.  herinnert eraan dat de Rekenkamer de administratieve en andere uitgaven voor alle Europese instellingen als één beleidsgroep aan een specifieke beoordeling onderwerpt; wijst erop dat administratieve en aanverwante uitgaven bestaan uit uitgaven voor personele middelen (salarissen, toelagen en pensioenen), die 60 % van de totale administratieve uitgaven beslaan, en uitgaven voor gebouwen, uitrusting, energieverbruik, communicatie en informatietechnologie;

13.  herinnert eraan dat de controle bestond uit het onderzoeken van een representatieve steekproef van 100 betalingsverrichtingen, met inbegrip van een risicogerichte steekproef van 20 vastleggingen die zijn goedgekeurd tegen het eind van het begrotingsjaar 2016 en automatisch zijn overgedragen naar 2017, teneinde te controleren of de begroting wordt besteed overeenkomstig het jaarperiodiciteitsbeginsel;

14.  is het eens met de Rekenkamer dat de controle-informatie erop duidt dat de uitgaven voor "administratie" geen materieel foutenpercentage vertoonden; merkt op dat, op grond van de 12 gekwantificeerde fouten, het geschatte foutenpercentage aanwezig in rubriek 5 van het MFK inzake administratie, 0,2 % bedraagt (in vergelijking met 0,6 % in 2015);

Beheer van middelen door de politieke fracties

15.  herinnert eraan dat de politieke fracties verantwoording verschuldigd zijn aan het Parlement voor het beheer van de aan hen toegewezen middelen, binnen de grenzen van hun door het Bureau toegekende bevoegdheden; stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft geconstateerd in de controles van de goedkeuring en betaling van uitgaven met betrekking tot de fractie van Europa van Naties en Vrijheid (ENF) en dat er betalingen werden gedaan zonder dat deze werden gedekt door contracten die voortvloeiden uit een aanbestedingsprocedure; wijst op het feit dat de externe controleur "Ernst & Young" een oordeel met beperking heeft afgegeven; verzoekt het Bureau om passende maatregelen te nemen met betrekking tot de ENF-fractie, waaronder mogelijke terugbetaling;

16.  wijst op de specifieke bevindingen met betrekking tot het Parlement opgenomen in het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2016; merkt op dat de Rekenkamer bij één betaling aan een fractie tekortkomingen heeft vastgesteld in de controles van de goedkeuring en betaling van de in 2015 gedane, maar in 2016 goedgekeurde uitgaven; merkt eveneens op dat de Rekenkamer constateerde dat er betalingen werden gedaan zonder dat deze vielen onder contracten die voortvloeiden uit een aanbestedingsprocedure; merkt ten slotte op dat de Rekenkamer vergelijkbare tekortkomingen constateerde in een transactie met betrekking tot een andere politieke fractie in 2015;

17.  wijst op de antwoorden van het Parlement aan de Rekenkamer tijdens de contradictoire procedure; verzoekt de Rekenkamer om de verantwoordelijke commissie op de hoogte te houden van haar aanbeveling teneinde het controlekader voor het monitoren van de uitvoering van aan politieke fracties toegewezen kredieten te herzien en doeltreffender toezicht te houden op hoe zij de regels voor het goedkeuren en betalen van uitgaven toepassen en hoe zij aanbestedingsprocedures uitvoeren;

18.  moedigt het secretariaat van het Parlement aan door te gaan met de aanvullende inspanningen om de politieke fracties te ondersteunen bij het verbeteren van hun intern financieel beheer en hen betere begeleiding te bieden; roept de fracties op de toepassing van de desbetreffende regelgeving voor het goedkeuren en betalen van uitgaven verder te verbeteren, alsmede de uitvoering van aanbestedingsprocedures te verbeteren en verder te harmoniseren;

Jaarverslag van de intern controleur

19.  wijst erop dat de intern controleur in de openbare vergadering van 23 januari 2018 van de bevoegde commissie zijn jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft uitgelegd hoe hij in 2016 controles heeft uitgevoerd op het gebied van de volgende onderwerpen:

   evaluatie van het project voor het nieuwe systeem voor financieel beheer (FMS) – Fase 3;
   follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit de verslagen van de intern controleur;
   audiovisuele sector;
   aanwervingsprocedure voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen;
   externe expertise inzake werkprojecten in het directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek (DG INLO);
   activiteitenverslagleggingsprocedure;
   aanwervingsprocedure voor arbeidscontractanten;
   IT-infrastructuur en -activiteiten: gegevenscentruminventaris en beheer van externe expertise;

20.  wijst er nogmaals op dat het jaarlijkse activiteitenverslag een hoeksteen is van de bestuursstructuur van het Parlement; benadrukt dat na de controle van de activiteitenverslagleggingsprocedure, die was toegespitst op de effectiviteit van de jaarlijkse activiteitenverslagen als instrument voor verslaglegging over verantwoording en prestatie, de intern controleur de volgende aanbevelingen heeft gedaan:

   het vaststellen van een geïntegreerd kader voor planning en verslaglegging dat zowel de formulering van strategische doelstellingen als de jaarlijkse operationele doelstellingen van alle directoraten-generaal omvat, essentiële resultaatindicatoren definieert en de verslaglegging over prestaties in de jaarlijkse activiteitenverslagen bevordert;
   het aanstellen door de secretaris-generaal van een dienst met een uitgebreider mandaat voor het coördineren van en toezicht houden op de activiteitenverslagleggingsprocedure;
   het bevorderen van de beoordeling van het internecontrolekader en de verslaglegging daarover, door het aanstellen van een coördinator van de interne controle in elk directoraat-generaal en het verschaffen van passende richtsnoeren en hulpmiddelen aan de directoraten-generaal, alsmede het waarborgen van een samenhangende verslaglegging over interne controles in de jaarlijkse activiteitenverslagen;
   het vaststellen van Parlement-specifieke richtsnoeren voor het opstellen van de betrouwbaarheidsverklaring en het beoordelen van de behoefte aan het maken van eventuele voorbehouden;

21.  merkt op dat de follow-upprocedure van 2016 heeft geleid tot het afsluiten van 22 van de 48 vastgestelde niet-afgewikkelde acties, alsmede dat het risicoprofiel van de acties waarvan de uitvoering vertraagd is, verder is verlaagd in 2016; merkt daarbij specifiek op dat aan het eind van het jaar, 10 van de 26 niet-afgewikkelde acties tot de categorie "aanzienlijk risico" behoorden en de overige 16 tot de categorie "gematigd risico";

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2015

22.  erkent de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2015, die de Commissie begrotingscontrole op 4 oktober 2017 heeft ontvangen, en van de presentatie door de secretaris-generaal naar aanleiding van de diverse vragen en verzoeken in de kwijtingsresolutie van het Parlement voor het begrotingsjaar 2015 en de in aansluiting daarop gehouden gedachtewisseling met de leden; vindt het belangrijk om in de Commissie begrotingscontrole vaker van gedachte te kunnen wisselen met de secretaris-generaal over aangelegenheden die van invloed zijn op de begroting van het Parlement en de uitvoering daarvan;

23.  dringt er nogmaals op aan dat het, om de transparantie van de instelling en met name die van haar besluitvormingsprocedure te vergroten, noodzakelijk is het werk van de interne besluitvormingsorganen van het Parlement, en dan met name het Bureau, te vergemakkelijken en toegankelijker te maken, in het bijzonder wat betreft de procedure voorafgaand aan de besluitvorming; verzoekt de agenda's van het Bureau tijdig op het intranet te publiceren en de termijn voor publicatie van de notulen van de bijeenkomsten aanzienlijk te verkorten; geeft aan dat het voor publicatie niet nodig is te wachten totdat de notulen zijn vertaald naar alle talen; feliciteert het College van quaestoren met de op dit terrein gemaakte vorderingen, in het bijzonder wat betreft zijn nieuwe beleid voor de bekendmaking van besluiten;

24.  verzoekt de secretaris-generaal om deze resolutie te doen toekomen aan het Bureau, en om daarbij te wijzen op alle punten waarin het Bureau wordt gevraagd om iets te ondernemen of besluiten te nemen; verzoekt de secretaris-generaal om een actieplan en een tijdspad uit te werken voor de follow-up en/of reactie van het Bureau op de aanbevelingen die het van het Parlement heeft gekregen via zijn kwijtingsresoluties en om de resultaten daarvan op te nemen in het jaarlijkse follow-updocument; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole te gepasten tijde op de hoogte te brengen van alle projecten die het Bureau voorstelt die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting;

25.  betreurt echter dat veel van de aanbevelingen uit de kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2015(10) niet opgevolgd zijn en dat hier geen reden of rechtvaardiging voor is gegeven; uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat noch het Bureau noch de secretaris-generaal een voortgangsverslag heeft gepubliceerd of voldoende voortgang heeft geboekt met betrekking tot een aantal verzoeken om actie of besluitvorming door het Bureau of de secretaris-generaal;

26.  verzoekt het Bureau nogmaals een follow-up te geven aan alle kwijtingsbesluiten zoals volgt uit artikel 25 van en bijlage IV bij het Reglement, en de artikelen 6 en 166 van het Financieel Reglement;

27.  herinnert eraan dat in de kwijtingsresoluties van het Parlement voor de begrotingsjaren 2014(11) en 2015 werd gevraagd om een technische oplossing om leden in staat te stellen hun individuele pagina op de website van het Parlement te gebruiken voor het op vrijwillige basis publiceren van vergaderingen met belangenvertegenwoordigers; dringt er bij het Bureau van het Parlement en de secretaris-generaal op aan om dit zonder verder uitstel mogelijk te maken;

28.  verzoekt de secretaris-generaal om de leden te informeren over de voortgang die is geboekt met betrekking tot het project iPACS (dat als doel heeft de veiligheid van mensen, gebouwen en bezittingen van het Parlement te vergroten en te moderniseren); merkt op dat dit project is aangenomen bij het besluit van het Bureau van 9 maart 2015; benadrukt dat het belangrijk is om na te gaan of een project dat zo belangrijk is voor het Parlement als dit – en dat zo veel geld heeft gekost – op schema ligt;

29.  verzoekt de secretaris-generaal om maatregelen te treffen met betrekking tot de aanzienlijk verhoogde hotelprijzen in Straatsburg, die van jaar tot jaar dramatisch zijn gestegen, met een duidelijke piek tijdens de plenaire vergadering; beveelt aan het vervoer tussen Straatsburg en de Duitse zijde van de grens, waar de prijzen aanzienlijk lager liggen, te vergemakkelijken (mogelijk door middel van een pendelbus tussen Kehl en het Parlementsgebouw);

30.  is ingenomen met de initiatieven van de secretaris-generaal met betrekking tot het herzien van de strategie voor bedrijfscontinuïteit in het geval van een crisissituatie met als doel de veerkracht van het Parlement te vergroten in het geval van een ernstig incident (van welke aard dan ook, bijvoorbeeld op het gebied van IT, veiligheid, of gebouwen) dat van invloed is op de activiteiten van het Parlement, vastgesteld in een besluit van het Bureau van 3 mei 2016;

Kwijting van het Parlement voor 2016

31.  neemt kennis van de gedachtewisseling tussen de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de Commissie begrotingscontrole, die op 23 januari 2018 in aanwezigheid van de intern controleur is gehouden in het kader van de kwijting van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016;

32.  merkt op dat het Bureau tijdens zijn vergadering van 4 juli 2016 de gevolgen van het op 23 juni 2016 gehouden referendum in het Verenigd Koninkrijk heeft besproken; merkt op dat het standpunt van de voorzitter is dat zolang het Verenigd Koninkrijk volledig lid is van de Europese Unie, de Britse leden en het Britse personeel van het Parlement over precies dezelfde rechten en plichten beschikken als alle andere leden en het andere personeel van de instelling; merkt op dat deze regeling flexibel moet zijn en in overeenstemming moet blijven met de mogelijke resultaten van de brexitonderhandelingen; merkt op dat de situatie van Britse leden en het Britse personeel van het Parlement kan veranderen tijdens de nog vast te stellen transitieperiode;

33.  erkent dat de uitkomst van het referendum aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor de commissiesecretariaten, onderzoeksafdelingen en horizontale diensten van de politieke directoraten-generaal; merkt op dat de diensten van het Parlement analyses hebben verricht op basis van feitenonderzoek, teneinde de impact van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk op het beleid en de wetgeving op hun respectievelijke terreinen in aanmerking te nemen; erkent bovendien dat het toekomstige werk in verband met dit vraagstuk van ingewikkelde juridische aard is, en dat op elk moment in de achtereenvolgende fasen van de terugtrekkingsprocedure op basis van genomen politieke besluiten een beroep kan worden gedaan op de in de commissiesecretariaten en beleidsafdelingen opgebouwde expertise;

34.  is ingenomen met de nauwere samenwerking op het gebied van veiligheid tussen het Parlement en de nationale overheden van de gastlanden, in het bijzonder die van België;

35.  dringt er bij de secretaris-generaal op aan om met de Belgische spoorwegmaatschappij te onderhandelen over het inzetten van meer rechtstreekse treinen tussen het Luxemburg-station in Brussel en het vliegveld Zaventem op de drukste aankomst- en vertrektijden van de leden, om reistijd te besparen en tegelijkertijd de CO2-voetafdruk van de leden te verminderen; verzoekt het secretariaat treinreizen voor de leden te stimuleren;

36.  wijst er nogmaals op dat openheid voor het publiek een kenmerkende eigenschap van het Parlement is; ondersteunt de reorganisatie en verbetering van de toegang tot alle parlementsgebouwen op de drie werklocaties op grond van een nieuw veiligheidsconcept dat een veilige werkomgeving waarborgt voor parlementaire werkzaamheden en waarbij het open karakter van het Parlement behouden blijft; merkt op dat deze ingangen, die in 2015 zijn gemoderniseerd, zijn uitgerust met nieuwe toegangscontrolesystemen en dat zij zijn opgenomen in het nieuwe gecentraliseerde toegangscontrolesysteem; benadrukt dat de ingang van het Louise Weissgebouw in Straatsburg (LOW) een van de ingangen is die het meest gebruikt wordt door de leden, medewerkers van de Unie en bezoekers tijdens de plenaire vergaderingen; benadrukt dat dit de facto de meest zichtbare ingang in Straatsburg is; betreurt dat de "tijdelijke" veiligheidscontrole bij de ingang van het LOW-gebouw in feite permanent is geworden; dringt er bij de secretaris-generaal op aan om een alternatief voor te stellen om de toegang tot het LOW-gebouw te vergemakkelijken, waarbij het veiligheidsniveau en de aantrekkelijkheid van deze ingang behouden blijven;

37.  merkt op dat de aandacht die wordt geschonken aan prestatiegebonden budgettering nog steeds verschilt tussen de directoraten-generaal, en dat deze zich in delen van de administratie nog steeds in een vroeg stadium bevindt; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat overal in de administratie duidelijke en meetbare streefdoelen worden gesteld en nagestreefd;

38.  betreurt dat de kosten van de geografische spreiding van het Parlement volgens de Rekenkamer 114 miljoen EUR per jaar bedragen; wijst op de bevinding in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Unie(12), volgens welke 78 % van alle dienstreizen van medewerkers van het Parlement die onder het Statuut vallen, plaatsvinden als direct gevolg van het feit dat de diensten van het Parlement geografisch gespreid zijn; herinnert eraan dat de milieugevolgen van deze spreiding worden geraamd op 11 000 tot 19 000 ton CO2-emissies; betreurt dat de totale reiskostenvergoeding voor de leden van het Parlement ten behoeve van de plenaire vergaderingen in Straatsburg in 2016 maar liefst 21 352 262 EUR bedroeg; verzoekt de Raad om een oplossing te vinden met één enkele zetel voor het Europees Parlement, teneinde geen belastinggeld te verspillen;

39.  neemt kennis van de publicatie van zeven rapporten over de kosten van een niet‑verenigd Europa, alsmede vijf beoordelingen van de Europese meerwaarde, die in 2016 werden voltooid;

40.  neemt kennis van de herziening van de bedragen van de vergoedingen voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM's) voor de dienstreizen die zij maken tussen de drie werklocaties van het Parlement; merkt op dat voor ambtenaren en andere personeelsleden van het Parlement de maximale hotelvergoeding voor dienstreizen naar Straatsburg 180 EUR bedraagt en de dagvergoeding 102 EUR, wat neerkomt op een totaalbedrag van 282 EUR per dag; overwegende dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers voor gelijksoortige uitgaven een lager bedrag ontvangen: 137 EUR, 160 EUR of 183 EUR per dag, afhankelijk van de keuze van het EP-lid; herinnert er echter aan dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers wel dezelfde vergoedingen als ambtenaren en andere personeelsleden van het Parlement ontvangen voor dienstreizen naar andere bestemmingen dan Straatsburg; verzoekt het Bureau voor het derde opeenvolgende jaar om, met het oog op de gelijke behandeling van werknemers, snel de nodige maatregelen te nemen om de vergoedingen voor verblijf en de dagvergoedingen van geaccrediteerde parlementaire medewerkers voor dienstreizen naar Straatsburg gelijk te stellen aan die van ambtenaren en andere medewerkers; verzoekt het Bureau opnieuw om de vergoedingen voor ambtenaren, andere personeelsleden en geaccrediteerde medewerkers volledig met elkaar in overeenstemming te brengen;

41.  is verheugd over de goede wil die de secretaris-generaal heeft getoond om een oplossing te vinden en herhaalt zijn verzoek om een werkbare oplossing te vinden voor die geaccrediteerde parlementaire medewerkers die, hoewel ze zonder onderbreking gedurende twee zittingsperiodes gewerkt zullen hebben, geen recht hebben op een pensioen van het Europees pensioenstelsel wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken aan het einde van de huidige zittingsperiode, vanwege omstandigheden die buiten hun macht en die van de leden voor wie zij werken liggen, omdat ze als gevolg van de vervroegde verkiezingen in 2014 en de vertragingen bij de validering van hun nieuwe contracten, die toe te schrijven waren aan de hoge werkdruk in verband met personele middelen na de verkiezingen van 2009 en 2014, de tien daarvoor benodigde jaren niet volgemaakt zullen hebben; verzoekt dan ook twee zittingsperioden te beschouwen als tien jaar actieve dienst; verzoekt de secretaris-generaal om het directoraat-generaal Personeelszaken (DG PERS) opdracht te geven om spoedig mogelijke oplossingen te zoeken en de vertegenwoordigers van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers over het proces te informeren en erbij te betrekken; verzoekt de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen vóór 1 september 2018 om dit probleem op te lossen;

42.  merkt op dat de terugbetaling van sommige reiskosten zeer veel vertraging oploopt en stelt voor om onderzoek te doen naar oplossingen om dit binnen een redelijk tijdsbestek te laten plaatsvinden;

43.  acht het juist om de lichte verhoging van begrotingslijn 422 "Assistentie aan de leden" te behouden, gezien de hogere werklast vanwege de brexit, een groeiend aantal trialogen, een toenemend aantal tijdelijke en speciale commissies, waarmee een historische record van 25 vaste en tijdelijke commissies wordt bereikt, en het samenvallen van het einde van de zittingsperiode met het complexe pakket aan MFK‑wetsvoorstellen;

44.  verzoekt de secretaris-generaal om de Commissie het verslag met betrekking tot de evaluatie van het nieuwe statuut voor geaccrediteerde medewerkers, zoals opgesteld na de op 28 april 2016 aangenomen resolutie met betrekking tot de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 en waarnaar verwezen wordt in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 160/2009 van de Raad(13), te doen toekomen;

45.  dringt er bij het Bureau op aan om, bij het evalueren van de vorig jaar geïntroduceerde nieuwe regels met betrekking tot bezoekersgroepen, de mogelijkheid om geaccrediteerde medewerkers aan te wijzen als hoofd van een groep af te schaffen, aangezien dit professionele, juridische en ethische bezwaren en bezwaren vanuit het oogpunt van gegevensbescherming met zich meebrengt;

46.  merkt op dat stagiairs in dienst van leden een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten met desbetreffend lid, hetgeen hun geen recht geeft op dezelfde status in het Parlement als die van andere categorieën van personeelsleden van het Parlement, of op beurzen van het Parlement zelf (Schumanbeurzen); betreurt het feit dat er geen voorziening of juridisch kader bestaat binnen het directoraat-generaal Financiën (DG FINS) voor het rechtstreeks betalen van deze stagiairs voorafgaand aan dienstreizen, hetgeen wel gebeurt bij de rest van het personeel, met name aangezien het voorschieten van deze uitgaven aanzienlijke middelen vergt en dit voor stagiairs om voor de hand liggende redenen nogal problematisch kan zijn; benadrukt dat leden per geval een overeenkomst met betrekking tot vooruitbetaling kunnen sluiten met de stagiair en de uitbetalingsinstantie; merkt echter op dat veel leden geen gebruikmaken van de diensten van een uitbetalingsinstantie om de stagiairs die zij in dienst nemen te betalen; vraagt het Parlement om zo spoedig mogelijk te beoordelen of een dergelijke regeling voor directe betaling zou kunnen worden ingevoerd;

47.  merkt bezorgd op dat de cv's van meer dan de helft van de leden van het Europees Parlement nog niet op hun profielen op de officiële webpagina van het Parlement staan, terwijl deze zittingsperiode toch al behoorlijk ver is gevorderd; verzoekt het secretariaat-generaal de noodzakelijke maatregelen te nemen zodat de cv's van alle leden zo spoedig mogelijk beschikbaar worden op de officiële webpagina van het Europees Parlement;

48.  herinnert eraan dat het mandaat van de leden van het Parlement onverenigbaar is met een aantal hoedanigheden, waaronder de hoedanigheid van lid van een nationaal parlement; pleit ervoor dat voor de volgende zittingsperiode de noodzakelijke regelgeving wordt uitgewerkt om de mogelijkheid voor leden om naast het mandaat in het Parlement een mandaat in een regionaal parlement van een lidstaat te vervullen waaraan wetgevingsbevoegdheden verbonden zijn die wat tijd betreft een even grote inzet vergen als een mandaat in een nationaal parlement uit te sluiten;

49.  is van mening dat het nodig is om regels op te stellen met betrekking tot belangenverstrengeling bij deskundigen die worden ingehuurd door de commissies van het Parlement om te komen tot onafhankelijkere betrouwbaardere adviezen en onderzoeken;

50.  herinnert eraan dat in de kwijtingsresoluties voor de begrotingsjaren 2014 en 2015 werd opgemerkt dat de website van het Parlement niet bepaald gebruiksvriendelijk is en verzoekt het directoraat-generaal Communicatie (DG COMM) in dit verband dringend de website te verbeteren en een efficiëntere zoekmachine in te voeren; benadrukt dat er nog steeds vooruitgang moet worden geboekt met betrekking tot de aantrekkelijkheid en uitstraling van de website en dat er nog steeds inspanning nodig is om de beschikbare sociale media te diversifiëren; roept op tot tenuitvoerlegging van een nieuwe strategie, waarin alle mogelijkheden van de verschillende soorten sociale media worden weerspiegeld;

51.  neemt kennis van de geactualiseerde missieverklaring voor de voorlichtingsbureaus, vanaf nu "verbindingsbureaus" genoemd (aangenomen door het Bureau in november 2017); benadrukt ten zeerste dat hun voornaamste functie erin bestaat om op lokaal niveau te informeren en te communiceren namens het Parlement, teneinde informatie te verschaffen over de Unie en het beleid van de Unie door middel van activiteiten van externe belanghebbenden op lokaal, regionaal en nationaal niveau; onderstreept de noodzaak om het gebruik van nieuwe communicatietechnologieën en ‑patronen te optimaliseren, en te profiteren van de bevoorrechte geografische ligging dichtbij de burger van de verbindingsbureaus om plaatselijke activiteiten verder te intensiveren, bijvoorbeeld de organisatie van debatten tussen leden en het maatschappelijk middenveld, met de bedoeling naar de mensen te luisteren en met hen in dialoog te treden; is van mening dat online debatten en de media-aandacht die door deze evenementen wordt gegenereerd, dienen bij te dragen tot verdere contacten met de burgers; roept op tot een verbetering in de aangenomen strategie met betrekking tot de voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement en dringt er bij DG COMM op aan om het probleem met betrekking tot de onevenwichtigheid tussen de hoeveelheid geld die wordt besteed aan gebouwen en personeel en de belangrijkste taken van deze bureaus, hetgeen bestaat uit directe communicatie met lokale belanghebbenden en burgers, aan te pakken;

Directoraat-generaal Communicatie

52.  herinnert eraan dat het totale bereik of de totale blootstelling die wordt verwezenlijkt over alle communicatieplatforms en -kanalen van het Parlement tezamen, de belangrijkste prestatie-indicator is van DG COMM; stelt vast dat de aanwezigheid van het Parlement in de media en de gemiddelde verslaggeving per maand met 12 % is toegenomen in vergelijking met 2015 en met 7 % in vergelijking met het verkiezingsjaar 2014; erkent daarnaast de verbetering van het gebruik van sociale media door het Parlement, alsmede de activiteiten ontwikkeld in verband met het creëren van bewustzijn onder jongeren; wijst er echter op dat het Parlement zijn communicatieactiviteiten moet blijven verbeteren, met name wat betreft de aanwezigheid op sociale media, die momenteel onder het niveau ligt dat wordt verwacht van een parlementaire instelling; benadrukt dat, met name in het licht van de Europese verkiezingen in 2019, een brede strategie voor sociale media moet worden ontwikkeld en ten uitvoer gelegd; benadrukt dat deze strategie de hoeveelheid werk die het Parlement verricht moet weerspiegelen, waarbij rekening wordt gehouden met de veelzijdige belangen, bezorgdheden en ideeën voor de toekomst die Europese burgers naar voren brengen;

53.  merkt op dat DG COMM een nieuw meerjarig werkprogramma is gestart voor subsidies op het vlak van media en evenementenorganisatie voor de periode 2016-2019; erkent dat voor de gunning van een subsidie in de categorie media, 102 kaderpartnerschapsovereenkomsten werden gesloten en 48 subsidieaanvragen werden ingewilligd, met een totale waarde van 3,99 miljoen EUR; merkt op dat op het vlak van evenementenorganisatie, 18 projecten werden geselecteerd voor de gunning van een subsidie met een totale waarde van 0,8 miljoen EUR; verzoekt DG COMM zich te concentreren op een actievere benadering van personen die niet automatisch geïnteresseerd zijn in de werkzaamheden van het Parlement of zelfs sceptisch zijn over het functioneren ervan;

54.  neemt kennis van de belangrijkste technische en redactionele veranderingen aan de openbare website van het Parlement, met name met betrekking tot de zoekmachineoptimalisatie van de website; prijst DG COMM voor deze vooruitgang maar voegt daaraan toe dat dit proces nog steeds veel te langzaam verloopt; merkt op dat de projecten inzake responsief webdesign en de vernieuwing van het platform voor livestreaming en video‑on‑demand – die tot doel hebben de vormgeving van de website aan te passen aan allerlei soorten apparaten –, in 2016 werden opgestart en succesvol werden toegepast op delen van de website; roept op tot het voortzetten van deze projecten en het toepassen daarvan op alle delen van de website van het Parlement; merkt op dat er nog steeds veel moet worden gedaan voordat een doeltreffende website en communicatietool tot stand is gebracht; benadrukt dat alles tijdig moet worden vernieuwd, aangezien de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het Parlement tegen de komende Europese verkiezingen van 2019, maar liefst ruim vóór deze datum moet worden gewaarborgd; benadrukt dat een transparante en toegankelijke website van cruciaal belang is voor de betrokkenheid van burgers;

55.  merkt op dat het aantal verzoeken ingediend bij de dienst Informatieverzoeken (AskEP) sinds 2014 aanzienlijk is toegenomen, voornamelijk als gevolg van schijnbaar gecoördineerde handtekeningencampagnes met betrekking tot bepaalde onderwerpen; stelt voor dat de antwoorden van het Parlement bekend worden gemaakt aan de leden, die wellicht niet van het bestaan hiervan op de hoogte zijn;

56.  vestigt de aandacht op het meest recente Eurobarometer-onderzoek in opdracht van het Parlement, waarin een specifieke vraag werd gesteld over het imago van het Parlement; is verheugd dat uit het onderzoek naar voren komt dat het percentage burgers met een positief beeld van het Parlement, groeit van 25 % (2016) tot 33 % (2017); stelt met tevredenheid vast dat het betere imago van het Parlement rechtstreeks verband houdt met een afname van het "negatieve beeld" met 7 procentpunten van 28 % (2016) tot 21 % (2017); wijst erop dat er, ondanks duidelijke tekenen van verbetering, nog steeds veel moet gebeuren;

57.  dringt er bij het Bureau op aan om, bij het evalueren van de vorig jaar geïntroduceerde nieuwe regels met betrekking tot bezoekersgroepen, de mogelijkheid om geaccrediteerde medewerkers aan te wijzen als hoofd van een groep af te schaffen;

58.  verzoekt om een evaluatie van het systeem dat wordt gebruikt voor het berekenen van de reiskostenvergoedingen voor bezoekende groepen die worden gesponsord door de leden, om enerzijds de gelijke behandeling van alle burgers van de Unie te garanderen en anderzijds het gebruik van meer milieuvriendelijke vervoersmiddelen te stimuleren, aangezien het systeem dat momenteel wordt gebruikt, dat is gebaseerd op berekeningen op basis van het aantal afgelegde kilometers, geen rekening houdt met de geïsoleerde ligging en natuurlijke barrières van sommige geografische gebieden in de Unie en geen kosten dekt die verband houden met het vervoer van deze gebieden naar plaatsen waar snellere en meer milieuvriendelijke vervoersmiddelen beschikbaar zijn;

59.  stelt vast dat op 31 december 2016 in totaal 5 375 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij het secretariaat-generaal (een afname met 16 ten opzichte van 31 december 2015) en in totaal 806 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij de fracties (een stijging met 35 ten opzichte van 31 december 2015) werkzaam waren; merkt op dat DG PERS, met inbegrip van de arbeidscontractanten, verantwoordelijk was voor 9 617 personeelsleden (een stijging met 264 ten opzichte van 31 december 2015);

60.  merkt op dat op 1 januari 2016 57 posten werden verwijderd uit het personeelsbestand van het Parlement, in overeenstemming met de herziening van het Statuut in 2014 en het MFK voor 2014-2020;

Directoraat-generaal Personeelszaken

61.  is ingenomen met het feit dat het stimuleren van gelijke kansen nog altijd een belangrijk aspect is van het personeelsbeleid van het Parlement; merkt op dat de uitvoering van het actieplan voor gendergelijkheid en diversiteit, dat in 2015 door het Bureau is goedgekeurd, in 2016 is voortgezet, samen met de specifieke doelstellingen en alle overige daarmee verband houdende maatregelen;

62.  is ingenomen met de vaststelling van een stappenplan voor gendergelijkheid in het secretariaat van het Europees Parlement; merkt op dat het stappenplan een uiteenzetting van concrete acties omvat en een duidelijk tijdschema voor specifieke maatregelen ten aanzien van beheer, professionele scholing, bewustmaking inzake gendergelijkheid, maatregelen inzake het combineren van werk en privéleven en het op gezette tijden toezicht houden op de gendergelijkheid aan de hand van statistieken;

63.  is ingenomen met het feit dat de gendergelijkheid onder door de secretaris-generaal aangestelde afdelingshoofden toegenomen is van 21 % in 2006 tot 36 % in 2016, en dat de functies die door vrouwen worden bekleed over het algemeen aantonen dat er een bevredigende toename is in de kwaliteit van de functies die aan vrouwen worden toegewezen;

64.  betreurt dat de gendergelijkheid op het niveau van directeur-generaal gedaald is van 33,3 %/66,7 % in 2015 tot 16,7 %/83,3 % in 2016; merkt op dat de gendergelijkheid op directeursniveau stabiel bleef tussen 2015 en 2016, op een niveau van respectievelijk 29,2 %/70,8 % en 29,8 %/70,2 %; is van mening dat dit in strijd is met het stappenplan voor gendergelijkheid bij het secretariaat van het Europees Parlement;

65.  beseft dat voor bepaalde activiteiten, zoals het beheer van de kantines en schoonmaakwerkzaamheden, uitbesteding de beste optie voor het Parlement was en dat bijgevolg het aantal externe personeelsleden in de gebouwen van het Parlement in bepaalde directoraten-generaal zelfs hoger kan zijn dan het aantal ambtenaren;

66.  herhaalt dat het van oordeel is dat extern personeel niet mag worden gebruikt ter compensatie van de vermindering van het aantal posten als overeengekomen in het kader van de herziening van het Statuut in 2014 en het huidige MFK;

67.  stelt vast dat per eind 2016 1 924 geaccrediteerde medewerkers bij het Parlement werkzaam waren, tegen 1 791 in het jaar daarvoor; vraagt om speciale aandacht voor de rechten van geaccrediteerde medewerkers en plaatselijke medewerkers, wier contracten rechtstreeks gekoppeld zijn aan het mandaat van het parlementslid dat zij bijstaan, rekening houdend met het feit dat geaccrediteerde medewerkers statutair personeel zijn, aangezien zij een arbeidsovereenkomst sluiten met het Parlement, terwijl plaatselijke medewerkers onder verschillende nationale wetgevingen vallen;

68.  herhaalt zijn bezorgdheid over de vermeende praktijk dat leden geaccrediteerde medewerkers verplichten dienstreizen te maken, met name naar Straatsburg, zonder dienstopdracht, zonder kostenvergoeding of gewoon zonder reisvergoeding; is van mening dat een dergelijke praktijk ruimte schept voor misbruik, gezien het feit dat als geaccrediteerde medewerkers zonder dienstopdracht reizen, ze niet alleen de kosten zelf moeten betalen, maar ze ook niet gedekt zijn door de arbeidsverzekering; verzoekt de secretaris-generaal deze vermeende praktijk te onderzoeken en aan het eind van het jaar hierover verslag uit te brengen;

69.  vraagt de Conferentie van voorzitters en het Bureau opnieuw de mogelijkheid te overwegen dat geaccrediteerde medewerkers onder bepaalde, nog vast te stellen voorwaarden leden vergezellen tijdens officiële parlementaire delegaties en dienstreizen, zoals reeds door verschillende leden is gevraagd; verzoekt de secretaris-generaal de begrotingsgevolgen en de organisatie en logistiek van deze dienstreizen te onderzoeken;

70.  merkt op dat het Parlement een begroting beschikbaar stelt voor het personeelscomité, en vraagt om een vergelijkbare begroting voor het comité voor geaccrediteerde medewerkers, aangezien zij taken vervullen die zijn opgenomen in het statuut van de leden van het Europees Parlement en de bepalingen ter uitvoering ervan, en die van nut zijn voor alle instellingen en leden;

71.  verzoekt de administratie om het comité voor geaccrediteerde medewerkers te betrekken in het besluitvormingsproces met betrekking tot alle voorschriften die uitsluitend van toepassing zijn op het comité voor geaccrediteerde medewerkers of die zij mogelijk gemeen hebben met alle andere personeelscategorieën die door het personeelscomité worden vertegenwoordigd;

72.  is ingenomen met de interesse in het aanhouden van personeelsleden die Brits staatsburger zijn en die Europees ambtenaar zijn geworden, en verzoekt de secretaris-generaal om verslag uit te brengen over de mogelijke risico's voor Britse personeelsleden en hoe kan worden voorkomen dat Brits personeel het slachtoffer wordt van de brexit, evenals om hun wettelijke, contractuele en verworven rechten volledig te waarborgen;

73.  erkent dat, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(14), 57 posten werden verwijderd uit het personeelsbestand van het Parlement voor 2016, in overeenstemming met de vereiste van een afname van 5 % van het aantal posten; merkt op dat twee andere posten werden geschrapt met het oog op overdracht ervan naar de Commissie in het kader van interinstitutionele IT-projecten; merkt bovendien op dat het Parlement per 1 januari 2017 nog 76 andere posten diende te schrappen uit het personeelsbestand, als gevolg van het besluit van de begrotingsautoriteit;

74.  is van mening dat het Parlement in reactie op de #metoo-campagne een beleid van nultolerantie moet aanhouden met betrekking tot iedere vorm van geweld, of dit nu structureel, seksueel, fysiek of psychologisch van aard is; verzoekt dan ook om:

   volledige verantwoordelijkheid van de daders met volledige inachtneming van de beschikbare strafmaatregelen en sancties;
   de oprichting van een centraal meldpunt voor het melden van gevallen van intimidatie;
   toegang voor iedereen tot een onafhankelijk comité van het Parlement voor klachten over intimidatie, waarbij geen sprake is van een zelfde interne machtsstructuur doordat er parlementsleden in het comité zitten;
   bescherming voor slachtoffers en diegenen die melding maken van dergelijk geweld die volledige anonimiteit en discretie waarborgt;
   psychologische bijstand voor slachtoffers door een centraal bureau van het Parlement met artsen, maatschappelijk werkers en vertrouwenspersonen;
   een verplichte opleiding op het gebied van seksuele intimidatie en pesten voor leden en ambtenaren in machtsposities;
   opleidingen en informatie voor personeel zodat zij seksuele intimidatie herkennen en op de hoogte zijn van hun rechten;

75.  is van mening dat het relatief lage aantal klachten inzake intimidatie dat in 2016 is ingediend zowel bij het adviescomité intimidatie voor personeelsleden als door geaccrediteerde medewerkers, mogelijk het gevolg is van een gebrek aan passende kanalen; benadrukt dat het Statuut twee soorten intimidatie erkent (psychologische en seksuele intimidatie); is van mening dat de strijd tegen iedere vorm van intimidatie een van de belangrijkste prioriteiten moet zijn van de secretaris-generaal; is in dit opzicht ingenomen met het voorstel van de secretaris-generaal een netwerk van onafhankelijke vertrouwenspersonen te introduceren die de geaccrediteerde medewerkers, stagiairs die werkzaam zijn voor leden, fractiemedewerkers en alle andere personeelsleden en stagiairs kunnen benaderen; erkent dat deze vertrouwenspersonen geselecteerd zullen worden op grond van hun deskundigheid en sociale vaardigheden, en dat zij speciaal hiervoor opgeleid zullen worden; moedigt de herziening aan van de samenstelling van adviescomités die klachten met betrekking tot intimidatie behandelen om een gelijkwaardige vertegenwoordiging van leden, geaccrediteerde medewerkers en ander personeel, alsmede gendergelijkheid te waarborgen; verzoekt het Bureau de mogelijkheid te onderzoeken om een extern controleur aan te stellen teneinde de interne processen verder te verbeteren;

76.  merkt op dat er een onafhankelijk onthullings-, advies- en verwijzingsorgaan met voldoende begrotingsmiddelen nodig is om klokkenluiders te helpen de juiste kanalen te gebruiken om hun informatie over mogelijke onregelmatigheden met betrekking tot de financiële belangen van de Unie te onthullen en tegelijkertijd hun geheimhouding te beschermen en de nodige ondersteuning en advies te bieden;

77.  wijst nogmaals op de kwetsbare positie die geaccrediteerde medewerkers en stagiairs bij leden innemen met betrekking tot de interne regels voor de bescherming van klokkenluiders; waarschuwt de secretaris-generaal voor mogelijke financiële gevolgen zolang het Parlement geaccrediteerde medewerkers die wangedrag van leden melden niet de vereiste bescherming voor klokkenluiders biedt; dringt er bij de secretaris-generaal op aan deze situatie onmiddellijk aan te pakken;

78.  verzoekt de weken met externe parlementaire activiteiten te benutten om opleidingsactiviteiten te organiseren die hoofdzakelijk zijn bedoeld voor assistenten van leden, waaronder intensieve taalcursussen;

79.  herinnert er nogmaals aan dat het Parlement nagenoeg de enige instelling is die in haar werkafspraken nog niet heeft voorzien in flexitime-regelingen, terwijl deze in de meeste andere instellingen al jaren worden toegepast, vooral bij de Commissie, waar zij aantoonbaar tot een hogere productiviteit en een betere levenskwaliteit voor de werknemers hebben geleid; wenst dat flexitime-regelingen zo spoedig mogelijk in de werkafspraken van het Parlement worden opgenomen en dat de Commissie begrotingscontrole op de hoogte wordt gehouden van de vorderingen die worden gemaakt met betrekking tot deze doelstelling;

80.  herhaalt dat stagiairs overeenkomstig de kwijtingsresolutie van het Parlement voor het begrotingsjaar 2015 (punt 90), gezien hun inkomen een hogere korting op de prijzen van de restaurants van het Parlement moeten krijgen;

81.  merkt met grote bezorgdheid op dat er onder leden steeds minder vraag is naar individuele taalcursussen Frans, en vooral Spaans en Italiaans, in het bijzonder sinds 2009; neemt er akte van dat alleen de vraag naar cursussen Engels en Duits stabiel is gebleven of zelfs is gestegen; herinnert de secretaris-generaal aan de belangrijke rol die meertaligheid speelt in het proces van Europese integratie en de rol die de administratie dient te spelen in de bevordering van taalverwerving onder door de burgers van de Unie gekozen vertegenwoordigers, aangezien talen eveneens fungeren als fundamenteel instrument voor begrip en communicatie in de uitvoering van hun parlementaire werkzaamheden; verzoekt de administratie de leden regelmatig op de hoogte te brengen van alle mogelijkheden die het Parlement hen op dit terrein biedt, niet alleen via de bestaande folder en de informatie die online kan worden geraadpleegd, maar ook via andere geschikte kanalen, en hierbij bijzondere nadruk te leggen op de lessen door interne taaldocenten in Brussel en Straatsburg, aangezien deze vorm van onderwijs het meest flexibel is en het best kan worden afgestemd op hun behoeften en werkomstandigheden en ook nog eens de best mogelijke prijs-kwaliteitsverhouding biedt; verzoekt de secretaris-generaal eveneens de noodzakelijke middelen te ontwikkelen om taalpluralisme op dit terrein te bevorderen, onder andere door het aanbod van beschikbare interne taaldocenten te vergroten en te voorkomen dat zij onder precaire arbeidsomstandigheden werken; neemt nota van de verplaatsing van de afdeling Beroepsopleiding voor de leden van DG FINS naar DG PERS, teneinde de synergieën te vergroten met de afdeling Beroepsopleiding voor personeelsleden, die reeds onder DG PERS valt; verzoekt de secretaris-generaal informatie te verschaffen over de concrete beoogde resultaten van deze wijziging;

82.  verzoekt de secretaris-generaal een vrijwillig en transparant mobiliteitsbeleid uit te werken waarin rekening wordt gehouden met de interesses en vaardigheden van het personeel in het kader van een echte loopbaanontwikkelingsstrategie;

Directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek

83.  merkt op dat het geactualiseerde voorstel voor het gebouwenbeleid van het Parlement voor de middellange termijn, rekening houdend met recente ontwikkeling van de gebouwen in Luxemburg en Straatsburg, zich dient te concentreren op de gebouwen in Brussel en met name op de toekomst van het Paul-Henri Spaakgebouw; verzoekt het Bureau daarnaast de ouderdom van de infrastructuur in het Salvador de Madariaga-gebouw in Straatsburg te onderzoeken; merkt daarbij tevens op dat cruciale brexitgerelateerde factoren die bepalend zijn voor de toekomst van het gebouwenbeleid, zoals mogelijke gevolgen van brexit voor de meertaligheid, het aantal posten voor ambtenaren in het personeelsbestand en het aantal leden, nog niet bekend zijn; erkent dat een betrouwbare planning slechts kan worden gerealiseerd na afronding van het brexitproces; verzoekt het Bureau om risicobeperkende strategieën te ontwikkelen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte om mogelijke verstoringen door toekomstige ontwikkelingen in de brexitonderhandelingen tegen te gaan; verzoekt de secretaris-generaal een uitgebreid plan voor te leggen betreffende de huisvesting van personeelsleden wanneer gebouwen worden gerenoveerd of opnieuw worden opgebouwd;

84.  dringt er bij de verantwoordelijke diensten op aan duidelijk te maken hoe zij van plan zijn uitvoering te geven aan de verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie over de voorbeeldfunctie die hun gebouwen vervullen(15) binnen de context van de richtlijn inzake energie-efficiëntie, gezien de naderende deadline van 2020;

85.  erkent dat het Bureau de secretaris-generaal heeft gemachtigd gedetailleerde voorstellen uit te werken voor mogelijke opties voor de renovatie van het Paul-Henri Spaakgebouw; merkt daarbij tevens op dat in deze voorstellen alle mogelijke opties aan bod dienen te komen, inclusief niets doen, renoveren of herbouwen, en dat de voorstellen vergezeld dienen te gaan van gedetailleerde inschattingen van de haalbaarheid van de projecten en van een overzicht van alle relevante juridische kwesties; merkt op dat de door DG INLO voorbereide gedetailleerde voorstellen aan het begin van 2018 aan het Bureau aangeboden dienden te worden;

86.  merkt op dat de meeste gebouwen van het Parlement niet zijn ontworpen en gebouwd in overeenstemming met de Eurocodesvereisten inzake structurele integriteit, aangezien die normen niet bestonden ten tijde van de bouw van deze gebouwen; merkt op dat het Willy Brandtgebouw en het Wilfried Martensgebouw de enige gebouwen zijn die voldoen aan de Eurocodesnormen voor structurele integriteit; erkent dat het risico dat ontstaat door de mogelijke kwetsbaarheid van de structuur van de verschillende gebouwen gedeeltelijk wordt verkleind door de operationele maatregelen die DG INLO en het Directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid (DG SAFE) hebben genomen, en dat verdere organisatorische aanpassingen zijn voorzien om deze kwestie aan te pakken;

87.  wijst er nogmaals op dat het Bureau tijdens zijn bijeenkomst van 11 april 2016 een voorstel heeft goedgekeurd voor het intern organiseren van de vervoersdiensten voor leden; merkt met voldoening op dat de procedure van het intern organiseren van chauffeursdiensten heeft geleid tot een kwalitatieve en kwantitatieve toename van de aan leden geleverde diensten, alsmede een doeltreffend en doelmatig antwoord vormde op onvoorziene noodsituaties of een plotselinge toename van de vraag; betreurt het dat het beginsel van gendergelijkheid tijdens de aanwervingsprocedure voor de vervoersdienst van het Parlement niet werd geëerbiedigd; verzoekt de secretaris-generaal een voorstel te doen om de huidige situatie te verbeteren; maakt zich bovendien zorgen over de beloningsverschillen onder de chauffeurs en vraagt het Bureau of het voornemens is harmonisering te overwegen om mogelijk oneerlijke beloningsregelingen tegen te gaan;

88.  is ingenomen met de invoering van het proefproject voor digitale verzending van bewijsstukken tussen de initiërende dienst DG INLO en de dienst voorafgaande controle van de uitgavenverplichtingen van de afdeling Gebouwenbeheer en ‑onderhoud in Straatsburg; stelt met tevredenheid vast dat, op grond van de positieve ervaringen, het project werd uitgebreid naar de afdeling Bouwplannen Straatsburg; moedigt DG INLO aan de tenuitvoerlegging van het digitaal verzenden van documenten waar mogelijk voort te zetten, teneinde kosten te besparen en de doelmatigheid van aanverwante diensten te bevorderen;

89.  merkt op dat de herziening van prijzen in de zelfbedieningskantine van het Parlement noodzakelijk was, teneinde af te stappen van gesubsidieerde diensten en over te stappen op een soort concessieovereenkomsten, waarbij de cateraar het volledige economisch en commercieel risico draagt; is ingenomen met het feit dat stagiairs in het Parlement nog altijd recht hebben op een korting van 0,50 EUR op hoofdgerechten in alle zelfbedieningsrestaurants in Brussel en Luxemburg, en van 0,80 EUR in Straatsburg; vraagt DG INLO om toekomstige prijsstijgingen te volgen, teneinde een redelijke prijsstelling voor de diensten te waarborgen;

90.  neemt nota van de regeling inzake parkeerplaatsen van het Parlement van 13 december 2013, alsook van de versterkte inzet van het Parlement voor het milieu; is in dit verband van mening dat het beleid inzake het stallen van persoonlijke fietsen van werknemers op alle werklocaties van het Parlement voordelen zou moeten bieden waarin bovengenoemde regeling momenteel niet voorziet; verzoekt de secretaris-generaal op dit punt maatregelen te nemen en, in het bijzonder in Straatsburg, toe te staan dat gedetacheerde werknemers hun persoonlijke fiets ook buiten de vergaderperioden op de parkeerplaats van het Parlement stallen en hiervoor een geschikte en veilige plek aan te wijzen;

91.  spreekt opnieuw zijn afkeuring uit over het besluit om het meubilair in de kantoren van de leden en hun medewerkers in Brussel te vervangen; merkt op dat het overgrote deel van het meubilair nog perfect bruikbaar en presentabel is en dat er dus geen enkele reden is om het te vervangen; is van mening dat feedback van een aantal leden (in plaats van een algemene rondvraag) geen voldoende reden voor de verandering is, net zo min als de argumenten met betrekking tot smaak, mode of ouderwetse stijl die de administratie aanvoert; is van mening dat meubels alleen dienen te worden vervangen bij duidelijke tekenen van beschadiging, ernstige slijtage of specifieke dan wel algemene risico's voor de gezondheid op het werk (bijvoorbeeld om de ergonomie van de bureaus of bureaustoelen te verbeteren);

92.  herinnert de secretaris-generaal aan de uitkomst van de rondvraag van het personeelscomité over de invoering van gedeelde kantoren voor het personeel, waarop 3 000 reacties zijn ontvangen en 80 % van de personeelsleden te kennen heeft gegeven dat zij tegen gedeelde kantoren zijn; verzoekt de secretaris-generaal een plan uit te werken voor de raadpleging van het personeel en een vervolg te geven aan de uitkomst van de rondvraag;

Directoraat-generaal Vertolking en Conferenties

93.  erkent dat er voor de nieuwe prestatiebenchmarks voor tolken een gemiddeld aantal van 11 uur werd vastgesteld als ondergrens en van 17 uur als bovengrens; merkt op dat het globale gemiddelde aantal uren per week dat tolken in vaste dienst besteedden aan het leveren van tolkdiensten in hun cabine, is toegenomen van 11 uur en 54 minuten in 2014 tot 13 uur en 25 minuten in 2016; merkt op dat 2014 een verkiezingsjaar was waarin minder vraag was naar vertolking; benadrukt dat de toename in de periode 2014‑2016 het gevolg is van de hervatting door het Parlement van zijn regelmatige ritme van commissieweken, fractieweken, weken in Straatsburg en turkooizen weken; wijst er nogmaals op dat, na de herziening van het Statuut van de ambtenaren in 2013, de wekelijkse arbeidsduur voor alle personeelsleden in de Europese instellingen is toegenomen van 37,5 tot 40-42 uur, hetgeen eveneens heeft geleid tot een toename van de wekelijkse arbeidsduur voor de tolkdiensten; dringt aan op toekomstige samenwerking tussen de vakbonden en de secretaris-generaal die gericht is op billijke arbeidsvoorwaarden en tegelijkertijd het vlotte verloop van de parlementaire werkzaamheden waarborgt; wijst erop dat discussies gaande zijn tussen de secretaris-generaal en het personeelscomité en roept alle partijen op tot een overeenkomst te komen; merkt op dat de toename van de vastgelegde kredieten voor "Ander personeel" gedeeltelijk werd toegeschreven aan de toegenomen behoefte aan externe vertolking in 2016 (2,2 miljoen EUR meer dan in 2015); merkt bovendien op dat er voor fractievergaderingen en commissievergaderingen gebrek is aan vertolking voor alle talen vanwege de toewijzingsregels; merkt ten slotte op dat de wijzigingen van het tijdstip waarop commissievergaderingen werden gehouden, waardoor vele vergaderingen op onregelmatige tijden werden gehouden, deels het gevolg zijn van de beperkte flexibiliteit om de vertolkingscapaciteit doeltreffend in te zetten;

94.  stelt met tevredenheid vast dat het Bureau een strategie voor de modernisering van conferentiebeheer in het Parlement heeft aangenomen, als voorgelegd door de secretaris-generaal; erkent dat de strategie voorziet in een centraal contact- en ondersteuningspunt voor organisatoren van conferenties, en ondersteunt zou moeten worden door een geïntegreerde conferentiedienst die gebruik maakt van een op maat gesneden IT-platform; erkent voorts dat een centraal aanspreekpunt voor ondersteuning ten tijde van een evenement en een centraal aanspreekpunt voor beheer en ondersteuning stapsgewijs dienen te worden ingesteld voor technische voorzieningen in vergaderzalen;

Directoraat-generaal Financiën

95.  wijst er nogmaals op dat het Bureau tijdens zijn bijeenkomst op 26 oktober 2015 een nieuwe benadering heeft bekrachtigd die als doel heeft de klantgerichtheid te bevorderen en de administratieve lasten voor leden te verminderen, door het invoeren van twee nieuwe instrumenten, het Ledenportaal en het e‑Portaal; is ingenomen met de implementatie van het Ledenportaal, een centraal loket dat alle diensten omvat die betrekking hebben op de formaliteiten in verband met financiële en sociale rechten, dat in juli 2016 volledig operationeel is geworden; merkt op dat de elektronische tegenhanger van het Ledenportaal, het e‑Portaal, sinds januari 2015 toegankelijk is met beknopte informatie voor de leden over de geldende regels en hun rechten; benadrukt dat vereenvoudiging van de administratieve regelingen niet alleen mag worden verwezenlijkt door het werk van het administratief personeel deels over te hevelen naar de leden en hun bureaus;

96.  dringt aan op vereenvoudiging van de aanwervingsprocedures en vergoedingen voor dienstreizen en reiskosten ten behoeve van plaatselijke medewerkers; betreurt het dat deze procedures vaak ingewikkeld zijn en veel tijd in beslag nemen, waardoor aanzienlijke vertragingen ontstaan; verzoekt DG FINS dit vraagstuk met voorrang aan te pakken;

97.  merkt op dat de huidige overeenkomst met de reisdienst van het Parlement eind 2018 ten einde loopt en dat een open aanbesteding in voorbereiding is teneinde een nieuwe reisagent te selecteren die het Parlement ondersteunt bij het afhandelen en organiseren van dienstreizen; verzoekt dat de nieuwe overeenkomst strengere voorwaarden bevat, met name met betrekking tot ticketprijzen en de doorlopende beschikbaarheid van het callcenter van de reisdienst, ook tijdens het weekend; benadrukt het belang van een eenvoudige en gebruiksvriendelijke klachtenregeling om ervoor te zorgen dat tekorten snel aan het licht komen en mogelijke problemen snel kunnen worden aangepakt; beklemtoont dat er meer aandacht moet worden besteed aan de specifieke behoeften van de leden en dat zij behoefte hebben aan diensten op maat;

98.  moedigt de opvolger van het reisbureau aan te streven naar de meest concurrerende prijzen voor de dienstreizen van het Parlement;

Vrijwillig pensioenfonds

99.  merkt op dat het vrijwillig pensioenfonds in 1990 door het Bureau werd opgericht in het kader van de Regeling voor het aanvullend (vrijwillig) Pensioenfonds en dat de leden daaraan tot het eind van de zesde zittingsperiode (13 juli 2009) konden deelnemen; merkt op dat het fonds werd opgezet om de leden een pensioenregeling aan te bieden die tot dan toe had ontbroken;

100.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie in 2013 heeft geoordeeld dat het besluit van het Bureau om de pensioengerechtigde leeftijd voor de leden van het fonds te verhogen van 60 tot 63 jaar om een vroegtijdige uitputting van het kapitaal te voorkomen en deze leeftijd in overeenstemming te brengen met die waarin het nieuwe statuut van de leden voorziet, rechtsgeldig was;

101.  merkt op dat het geraamde actuarieel tekort van het vrijwillig pensioenfonds ten belope van 286 miljoen EUR eind 2015 was toegenomen tot 326,2 miljoen EUR eind 2016; stelt voorts vast dat de te berekenen netto activa en de actuariële vastlegging eind 2016 146,4 miljoen EUR respectievelijk 472,6 miljoen EUR bedroegen; merkt op dat deze geraamde toekomstige verplichtingen over meerdere decennia zijn uitgesmeerd, maar stelt vast dat er in 2016 door het vrijwillig pensioenfonds een totaalbedrag van 16,6 miljoen EUR is uitbetaald;

102.  wijst erop dat de komende vijf jaar, van het aantal leden dat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en aanspraak kan maken op pensioenuitkeringen, aangezien zij hebben bijgedragen aan het fonds, en ervan uitgaand dat er geen begunstigden worden gekozen of herkozen in 2019 of anderszins een vrijgekomen Europees mandaat aanvaarden, het aantal nieuwe gepensioneerden 21 in 2018, 74 in 2019, 21 in 2020, 12 in 2021 en 17 in 2022 zal bedragen;

103.  betreurt het dat de beoordeling van de huidige toestand van het vrijwillig pensioenfonds nog altijd op zich laat wachten; herinnert aan paragraaf 109 van de kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2015 en paragraaf 112 van de kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2014, waarin werd gevraagd de huidige toestand van het vrijwillig pensioenfonds te beoordelen; verzoekt het Bureau zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 30 juni 2018 een beoordeling uit te voeren van de huidige toestand van het vrijwillig pensioenfonds;

104.  wijst nogmaals op de aanhoudende moeilijkheden in verband met het vrijwillig pensioenfonds en vraag het Bureau en de secretaris-generaal stappen te ondernemen om het voortijdig faillissement ervan te voorkomen en mogelijke gevolgen voor de begroting van het Parlement te vermijden;

105.  wijst erop dat het Parlement garant staat voor de pensioenuitkeringen indien en wanneer dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen; is verheugd over de aankondiging van de secretaris-generaal dat hij een actieplan bij het Bureau heeft ingediend;

106.  merkt op dat, gezien het huidige niveau van de financiële activa van het fonds, in combinatie met de bijbehorende jaarlijkse betalingsverplichtingen en de ontwikkeling van het rendement van zijn beleggingen op de financiële markten, de faillissementsdatum van het vrijwillig pensioenfonds volgens schattingen tussen 2024 en 2026 zal vallen;

Algemene kostenvergoeding

107.  is ingenomen met het besluit van het Bureau een ad-hocwerkgroep in het leven te roepen voor het vaststellen en bekendmaken van de regels voor het gebruik van de algemene kostenvergoeding; herinnert aan de verwachtingen die het Parlement heeft uitgesproken in zijn resoluties van 5 april 2017(16) en van 25 oktober 2017(17) over de begroting voor 2018, waarin het pleit voor meer transparantie over de algemene kostenvergoeding en erop wijst dat er preciezere regels moeten worden vastgesteld voor het afleggen van verantwoording over de uitgaven die zijn goedgekeurd in het kader van deze vergoeding, zonder bijkomende kosten voor het Parlement; vraagt het Bureau nogmaals gezwind de volgende concrete wijzigingen betreffende de algemene kostenvergoeding door te voeren:

   de algemene kostenvergoeding moet in elk geval worden behandeld op een afzonderlijke bankrekening;
   alle ontvangstbewijzen in verband met de algemene kostenvergoeding moeten door de leden worden bewaard;
   het niet-bestede deel van de algemene kostenvergoeding moet aan het eind van het mandaat van het lid in kwestie worden teruggegeven;

108.  herinnert aan het beginsel van onafhankelijkheid van het mandaat van een lid; onderstreept dat het de verantwoordelijkheid van gekozen leden is de vergoeding voor parlementaire werkzaamheden te gebruiken en dat de leden desgewenst op hun persoonlijke webpagina een overzicht van hun uitgaven uit de algemene kostenvergoeding kunnen publiceren;

109.  is van oordeel dat bij elke herziening van de algemene kostenvergoeding rekening moet worden gehouden met eerder aangenomen plenaire aanbevelingen inzake transparantie en financiële verantwoordelijkheid;

Directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning

110.  wijst er nogmaals op dat het versterken van de ICT-beveiliging in een open communicatieve wereld een belangrijke strategische pijler voor het Parlement is; erkent dat, in het kader van het actieplan inzake cyberbeveiliging, de pijler "cyberbeveiligingscultuur" gericht is op bewustmaking en opleidingsactiviteiten om te waarborgen dat de ICT-gebruikers van het Parlement op de hoogte zijn van de risico's en in dit opzicht bijdragen aan de eerste verdedigingslinie; neemt kennis van de bewustmakingscampagne betreffende cyberbeveiligingsrisico's met onder andere visuele herinneringen door het gehele parlementsgebouw, artikelen over cyberbeveiliging in de interne nieuwsbrief van het Parlement en informatiebijeenkomsten voor leden, assistenten en medewerkers; uit evenwel zijn bezorgdheid over de bedreigingen van de cyberveiligheid; is ingenomen met de benoeming van de "chief information security officer", de oprichting van de afdeling ICT-beveiliging met een team voor veiligheidsbeheer en een team voor veiligheidsoperaties ; verzoekt de secretaris-generaal te onderzoeken of het mogelijk is volledig in eigen beheer een expertisesysteem op te zetten, mede om een hoog personeelsverloop te voorkomen;

111.  is van oordeel dat de ICT-diensten eerst en vooral een goede toegang tot het internet moeten verschaffen en dat de systemen op dit ogenblik te vaak vastlopen;

112.  neemt nota van het project "ICT4MEPs" dat de ICT-diensten voor leden en hun medewerkers dient te verbeteren wanneer zij werkzaam zijn in hun regio's; constateert dat de eerste fase van het project in oktober 2016 ten uitvoer is gelegd met de totstandkoming van toegangsbeheer voor lokale medewerkers; merkt echter op dat het project nog ruimte laat voor verbetering; roept de desbetreffende diensten op de implementatie van het project voort te zetten, rekening houdend met de behoeften van gebruikers;

113.  is ingenomen met de invoering van de wifitoegang voor bezoekers van het Parlement, een ander voorbeeld van de voortgang naar een digitaal meer inclusief Parlement; wijst er echter op dat ICT-beveiliging een prioriteit moet blijven en dat het interne netwerk van het Parlement beschermd moet worden tegen mogelijke kwaadwillige aanvallen van buitenaf; merkt op dat de kwaliteit van de verrichte diensten, met name in Straatsburg, aanmerkelijk moet worden verbeterd en ziet ernaar uit dat in de nabije toekomst de noodzakelijke maatregelen worden getroffen;

114.  nodigt het Bureau uit in overleg met het directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning (DG ITEC) risicobeperkende maatregelen uit te werken om het vlotte verloop van de parlementaire werkzaamheden te waarborgen in het geval van schade aan of uitval van de systemen; benadrukt het belang van een ranglijst van de belangrijkste diensten, aan de hand waarvan deze zo snel mogelijk moeten worden hersteld, zodat de basisdiensten in het geval van een cyberaanval blijven werken; nodigt het Bureau uit een noodplan te ontwikkelen voor langdurige systeemuitval; beveelt aan dat de servers van de gegevenscentra over meerdere locaties worden verspreid om de veiligheid en continuïteit van de IT-systemen van het Parlement te verbeteren;

115.  herhaalt zijn in de kwijtingsresoluties voor de begrotingsjaren 2014 en 2015 gedane verzoek om de oprichting van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in noodgevallen, met behulp waarvan DG ITEC, in samenwerking met DG SAFE, snel via sms of e‑mail berichten kan versturen naar leden en personeelsleden die hun naam op een lijst hebben laten zetten om in specifieke noodsituaties te worden gewaarschuwd;

Directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid

116.  erkent het nieuwe, verbeterde systeem voor de organisatie van beveiligingstaken dat door de secretaris-generaal aan het Bureau is gepresenteerd in januari 2018; erkent bovendien dat dit nieuwe systeem rekening houdt met de specifieke rol en functie van beveiligingsbeambten; hoopt dat een open dialoog in stand kan worden gehouden, teneinde blijvend aandacht te schenken aan de vereisten van deze groep medewerkers die werkzaam zijn in een uiterst gespannen veiligheidsklimaat;

117.  is verheugd dat er onafgebroken werk is gemaakt van de beveiliging en veiligheid in en rond de gebouwen van het Parlement; beseft dat voor de beveiliging in het Parlement een subtiel evenwicht moet worden gezocht tussen enerzijds het nemen van een aantal beschermende maatregelen en anderzijds een al te zeer op beveiliging gericht systeem dat de werking van het Parlement vertraagt; dringt er niettemin op aan de beveiliging van de gebouwen van het Parlement verder te versterken en verzoekt de secretaris-generaal nogmaals ervoor te zorgen dat de personeelsleden naar behoren worden opgeleid en in staat zijn hun taken professioneel te vervullen, ook in noodsituaties;

118.  verzoekt het beveiligingspersoneel van DG SAFE in het geval van ontruiming grondig het gehele gebouw waarvoor zij verantwoordelijk zijn te controleren, om ervoor te zorgen dat dit daadwerkelijk is ontruimd en om slechthorenden of mensen met een andere handicap te helpen het gebouw te verlaten;

Milieuvriendelijk Parlement

119.  wijst er nogmaals op dat het Bureau op 19 april 2004 in het Parlement gestart is met het project van het milieubeheersysteem; merkt op dat het Bureau sinds 2016 een vernieuwd milieubeleid voert, waarin de toezegging van het Parlement voortdurend te streven naar verbeteringen ten behoeve van het milieu wordt gehandhaafd en opnieuw wordt bevestigd;

120.  prijst de verbintenis van het Parlement tot groene overheidsopdrachten; merkt op dat de leidraad voor de organisatie van groene aanbestedingsprocedures van het Parlement, die dient als hulpmiddel voor ordonnateurs van het Parlement om groene aanbestedingsprocedures met succes te organiseren, in juni 2016 werd goedgekeurd; is verheugd over de oprichting van de interinstitutionele helpdesk voor groene overheidsopdrachten; pleit voor een beoordeling van de invoering van criteria voor een verplichte raadpleging van de helpdesk voor groene overheidsopdrachten voor openbare aanbestedingen boven een bepaald bedrag en voor specifieke productcategorieën; neemt akte van de bouw van een groene muur in het Altiero Spinelli gebouw; is van mening dat de kosten ervan buitensporig zijn ten opzichte van de baten die de muur kan opleveren; wenst dat met het milieubeheersysteem naar oplossingen wordt gezocht die niet alleen een ecologisch element hebben, maar ook rendabel zijn;

121.  is verheugd over de installatie van drinkfonteinen en het nieuwe systeem van herbruikbare glazen kannen; merkt op dat er weinig ruchtbaarheid wordt gegeven aan de drinkfonteinen en dat ze nog ontbreken in de kantoren; betreurt het dat er, hoewel in de aanbesteding werd gevraagd om vermindering van kunststofafval, steeds meer maaltijden in wegwerpverpakkingen werden verkocht door de restauratiefaciliteiten van het Parlement; pleit voor transparantie rondom het kunststofafval van de restauratiefaciliteiten; merkt op dat het merk flessenwater dat tijdens de vergaderingen van het Parlement wordt uitgedeeld in minder dan twee jaar tijd drie keer is veranderd, en dat dit niet lijkt te stroken met de eerder aangekondigde duur van de aanbestedingen, terwijl de flessen nog steeds van kunststof zijn; erkent dat de Commissie drinkwaterflessen van kunststof heeft afgeschaft en verzoekt het Parlement in navolging daarvan een plan uit te werken, met name gezien zijn voorbeeldrol en in het licht van een beleidsinitiatief voor een Europese strategie voor kunststofafval;

122.  stelt vast dat het Bureau zijn steun heeft verleend aan een door de secretaris-generaal voorgesteld stappenplan, dat toewerkt naar een wagenpark van elektrische auto's; erkent dat aan het eind van 2017 de helft van alle auto's en minibussen van het wagenpark van het Parlement elektrisch oplaadbare of plug-in hybride voertuigen moeten zijn, alsmede dat vanaf 2018 alle voor het Parlement nieuw aangeschafte auto's elektrisch oplaadbaar of plug-in hybride moeten zijn; merkt op dat in 2020 alle auto's in het wagenpark van het Parlement elektrisch oplaadbare of plug-in hybride voertuigen moeten zijn, en dat dit in 2021 tevens voor alle minibussen van het Parlement moet gelden; benadrukt met klem dat een kosten-batenanalyse moet worden gemaakt voorafgaand aan iedere grootschalige vernieuwing van het wagenpark en dat de Commissie begrotingscontrole op de hoogte moet worden gesteld van de kosten-batenanalyse die voorafging aan de uitvoering van het stappenplan voor een wagenpark van elektrische auto's; vindt dat er meer moet worden gedaan om actieve mobiliteit te bevorderen, onder meer door aantrekkelijkere, toegankelijkere en beveiligde fietsenstallingen aan te bieden;

123.  verzoekt het Bureau zich niet te beperken tot elektrische auto's als milieuvriendelijkere oplossing, aangezien er vragen zijn gerezen over de productie ervan (waaronder de voldoende beschikbaarheid van de noodzakelijke natuurlijke hulpbronnen) en de verwijdering van accu's aan het eind van hun levenscyclus; betreurt het dat de leden niet zijn geïnformeerd over een analyse van alternatieve brandstoffen, zoals biobrandstoffen, synthetische brandstoffen of waterstofbrandstofcellen; onderstreept dat diversificatie van een milieuvriendelijk wagenpark de afhankelijkheid van één leverancier vermindert en mogelijke bevoorradingsproblemen in de toekomst kan tegengaan;

124.  merkt op dat het Parlement zich moet houden aan de geldende regionale en lokale wetten en verzoekt de diensten van het Parlement nader toe te lichten hoe het het Brusselse regionale wetboek, het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing heeft toegepast, met name op het gebied van parkeerplaatsen ten behoeve van werknemers;

125.  is in verband met het klimaat- en energiebeleid van de Unie voor 2030 en daarna ingenomen met aanvullende maatregelen ter compensatie van onvermijdelijke emissies; verzoekt het Parlement het beleid voor de compensatie van CO2-uitstoot verder te ontwikkelen;

Jaarverslag over gegunde opdrachten

126.  wijst er nogmaals op dat in het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften(18) is vastgelegd welke informatie dient te worden verstrekt aan de begrotingsautoriteit en aan het publiek inzake de gunning van opdrachten door de instelling; merkt op dat krachtens het Financieel Reglement de bekendmaking van gegunde opdrachten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan 15 000 EUR, de drempelwaarde waarboven een mededingingsprocedure verplicht wordt, is vereist;

127.  merkt op dat van de 219 in 2016 gegunde opdrachten, 77 gebaseerd waren op openbare of niet-openbare procedures, met een waarde van 436 miljoen EUR, en 141 op onderhandelingsprocedures, met een totale waarde van 64 miljoen EUR; merkt op dat het totaal aantal op basis van onderhandelingsprocedures toegewezen contracten 14 % lager was in 2016 (141 tegenover 151 in 2015) met een afname in waarde van 29 % (64 miljoen EUR tegenover 90 miljoen EUR in 2015);

128.  neemt kennis van de onderstaande onderverdeling naar type van in 2016 en 2015 gegunde opdrachten:

Type contract

2016

2015

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Diensten

Levering

Werkzaamheden

Gebouwen

169

36

13

1

77 %

16 %

6 %

1 %

194

34

18

8

77 %

13 %

7 %

3 %

Totaal

219

100 %

254

100 %

Type contract

2016

2015

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Diensten

244 881 189

49 %

539 463 943

70 %

Levering

155 805 940

31 %

78 424 245

11 %

Werkzaamheden

97 640 851

19 %

92 889 168

12 %

Gebouwen

1 583 213

1 %

55 804 154

7 %

Totaal

499 911 194

100 %

766 581 510

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2016, blz. 6)

129.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling naar type van gebruikte procedure van de in 2016 en 2015 gegunde opdrachten:

Soort procedure

2016

2015

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Mededinging

Buitengewoon

70

7

141

-

1

32 %

3%

64%

-

1%

93

10

151

-

-

37 %

4 %

59 %

-

-

Totaal

219

100 %

254

100 %

Soort procedure

2016

2015

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Mededinging

Buitengewoon

406 408 732

29 190 756

64 284 705

-

27 000

81 %

6 %

13 %

-

0 %

636 333 284

40 487 367

89 760 859

-

-

83 %

5 %

12 %

-

-

Totaal

499 911 194

100 %

766 581 510

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2016, blz. 8)

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

130.  merkt op dat de voor 2016 op begrotingspost 4 0 0 opgenomen kredieten voor de fracties en de niet-fractiegebonden leden als volgt werden gebruikt:

Fractie

2016

2015

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

EVP

17 400

8 907

18 303

105,19 %

8 005

17 440

10 198

17 101

98,06 %

8 745

S&D

15 327

5 802

15 713

102,51 %

5 417

15 256

5 748

15 379

100,81 %

7 633

ECR

6 125

2 518

5 835

95,25 %

2 809

5 959

1 614

5 065

84,99 %

2 779

ALDE

5 759

2 366

6 448

111,98 %

1 676

5 692

2 517

5 865

103,03 %

2 839

GUE/NGL

4 340

1 729

4 662

107,43 %

1 407

4 305

1 256

3 832

89,02 %

2 156

Greens/EFA

4 180

1 557

3 921

93,82 %

1 815

4 153

1 293

3 890

93,67 %

2 078

EFDD

3 820

1 873

2 945

77,10 %

1 910

3 843

1 643

3 629

94,45 %

1 919

ENF**

-

-

-

-

-

1 587

0

827

52,09 %

793

Niet-fractiegebonden leden

772

216

616

79,90 %

257

1 627

533

1 001

61,51 %

214

Totaal***

57 723

24 968

58 443

101,25 %

23 296

59 860

24 803

56 588

94,53 %

29 155

* Alle bedragen x 1000 EUR.

** De definitieve bedragen van subsidiabele uitgaven van de ENF-Fractie zullen in een later stadium worden vastgesteld.

*** Het totaalbedrag is exclusief de bedragen met betrekking tot de ENF-Fractie.

131.  stelt met bezorgdheid vast dat, in het geval van één politieke fractie, de onafhankelijke extern controleur een verklaring onder voorbehoud heeft afgegeven; is met name bezorgd over het feit dat de controleur heeft vastgesteld dat de voorschriften voor het gebruik van kredieten uit begrotingspost 4 0 0 niet werden nageleefd in die gevallen waarbij kosten niet afdoende door bewijsstukken konden worden gestaafd, alsmede in het geval van aanbestedingsverplichtingen waaraan bij tien dienstverrichters niet werd voldaan;

132.  uit zijn bezorgdheid over het risico op reputatieschade voor het Parlement van zulke onregelmatigheden en is ervan overtuigd dat snelle en doeltreffende actie nodig is om soortgelijke onregelmatigheden in de toekomst aan te pakken en te voorkomen;

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

133.  merkt op dat de voor 2016 op begrotingspost 4 0 2 opgenomen kredieten voor politieke partijen als volgt werden gebruikt(19):

Partij

Afkor­ting

Eigen middelen

Subsidie EP

Totaal ontvangsten(20)

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Ontvangsten overschot (overgedragen naar reserves) of verlies

Europese Volkspartij

PPE

1 734

6 918

10 650

85 %

304

Europese Socialistische Partij

PSE

1 408

7 154

9 512

85 %

12

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

611

2 337

3 162

85 %

88

Europese Groene Partij

EGP

502

1 795

2 587

85 %

78

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

472

2 292

3 232

85 %

-240

Partij van Europees Links

EL

335

1 594

2 119

85 %

25

Europese Democratische Partij

PDE

107

518

625

85 %

4

EUDemocraten

EUD

54

238

341

85 %

11

Europese Vrije Alliantie

EVA

158

777

1 008

85 %

5

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

109

493

665

85 %

0

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

68

391

459

85 %

-40

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

AEMN

61

229

391

85 %

0

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MENL

189

785

1 020

85 %

0

Alliantie voor Vrede en Vrijheid

APF

62

329

391

85 %

-5

Totaal

 

5 870

25 850

36 160

85 %

242

134.  merkt op dat de voor 2016 op begrotingspost 4 0 3 opgenomen kredieten voor de politieke stichtingen als volgt werden gebruikt(21):

Stichting

Afkor­ting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen

Definitieve subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Wilfried Martens Centre for European Studies

WMCES

PPE

965 665

4 878 174

5 843 839

85 %

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PSE

1 041 910

4 430 253

5 472 163

84 %

European Liberal Forum

ELF

ALDE

248 996

1 126 430

1 375 426

85 %

Green European Foundation

GEF

EGP

204 866

1 090 124

1 294 990

85 %

Transform Europe

TE

EL

217 209

901 484

1 118 693

85 %

Institute of European Democrats

IED

PDE

50 690

272 033

322 724

85 %

Centre Maurits Coppieters

CMC

EVA

71 952

318 411

390 362

85 %

New Direction - Foundation for European Reform

ND

AECR

316 916

1 503 964

1 820 880

85 %

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

41 923

226 828

268 751

85 %

Organisation For European Interstate Cooperation*

OEIC

EUD

21 702

126 727

148 429

99 %

Christian Political Foundation for Europe

SALLUX

ECPM

61 024

326 023

387 047

85 %

European Identities and Traditions

EIT

AEMN

37 896

184 685

222 581

85 %

Foundation for a Europe of Nations and Freedom

FENL

MENL

96 726

549 357

646 084

85 %

Europa Terra Nostra

ETN

APF

37 461

151 403

188 864

85 %

Totaal**

 

 

3 414 937

16 085 895

19 500 832

85 %

(*) De definitieve subsidie voor OEIC bedraagt 99 % van de uitgaven, aangezien sommige uitgaven opnieuw zijn geclassificeerd als zijnde niet-subsidiabel, waardoor het totaal aan subsidiabele uitgaven is verlaagd.

(**) De tabel bevat geen cijfers voor IDDE als gevolg van de stopzettingsprocedure van de subsidie uit 2016. Het besluit betreffende de subsidie is nog niet genomen.

 

 

 

 

 

 

135.  is verontrust over de recent vastgestelde onrechtmatigheden die hebben plaats gevonden met betrekking tot de uitgaven en de eigen middelen van een aantal Europese politieke partijen en stichtingen;

136.  uit zijn bezorgdheid over het risico op reputatieschade voor het Parlement van zulke onregelmatigheden en is ervan overtuigd dat snelle en doeltreffende actie nodig is om soortgelijke onregelmatigheden in de toekomst aan te pakken en te voorkomen; is echter van oordeel dat deze onregelmatigheden zich slechts bij een beperkt aantal politieke partijen en stichtingen hebben voorgedaan; is van mening dat die onregelmatigheden niet mogen leiden tot het in twijfel trekken van het financieel beheer van de andere politieke partijen en stichtingen; is van mening dat de mechanismen voor interne controle van het Parlement versterking behoeven;

137.  verzoekt de secretaris-generaal verslag te doen, tegen 1 mei 2018, aan de verantwoordelijke commissies van alle genomen maatregelen om misbruik van verstrekte subsidies tegen te gaan;

138.  wenst dat de onlangs ingestelde Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen na haar eerste jaar van activiteit, namelijk 2017, een voortgangsverslag aan het Parlement voorlegt; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat de autoriteit de beschikking krijgt over alle noodzakelijke middelen om haar taken te vervullen;

139.  acht het noodzakelijk dat bij tewerkstelling door partijen en stichtingen de arbeidswetgeving en de sociale regelingen van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht ten volle worden nageleefd; verzoekt deze ook bij de internecontroleactiviteiten te betrekken;

(1) PB L 48 van 24.2.2016.
(2) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(3) PB C 266 van 11.8.2017, blz. 1.
(4) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(5) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PE 422.541/Bur.
(8) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
(9) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
(10) PB L 252 van 29.9.2017, blz. 3.
(11) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 3.
(12) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 2.
(13) Verordening (EG) nr. 160/2009 van de Raad van 23 februari 2009 houdende wijziging van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (PB L 55 van 27.2.2009, blz. 1).
(14) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(15) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 177.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0114.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0408.
(18) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).
(19) Alle bedragen x 1000 EUR.
(20) Overeenkomstig artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement omvatten de inkomsten de overdrachten uit het voorgaande jaar.
(21) Alle bedragen x 1000 EUR.


Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Europese Raad en Raad
PDF 269kWORD 53k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling II – Europese Raad en Raad (2017/2138(DEC))
P8_TA(2018)0125A8-0116/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8‑0249/2017)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, samen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0116/2018),

1.  stelt zijn besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2016 uit;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling II – Europese Raad en Raad (2017/2138(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling II – Europese Raad en Raad,

–  gezien artikel 94 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0116/2018),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2016 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten inzake personele middelen en aanbesteding door de Europese Raad en de Raad;

2.  merkt op dat de Europese Raad en de Raad in 2016 een totale begroting hadden van 545 054 000 EUR (in vergelijking tot 541 791 500 EUR in 2015) met een gemiddeld uitvoeringspercentage van 93,5 %; stelt vast dat de begroting van de Europese Raad en de Raad voor 2016 met 3,3 miljoen EUR (+ 0,6 %) is toegenomen;

3.  herhaalt dat de begroting van de Europese Raad en die van de Raad moeten worden gescheiden, voor een transparanter financieel beheer van de instellingen en om ervoor te zorgen dat beide instellingen beter aan hun verantwoordingsplicht kunnen voldoen;

4.  spreekt zijn steun uit voor de geslaagde paradigmaverschuiving in de richting van prestatiegericht begroten in de begrotingsplanning van de Commissie, zoals die in september 2015 door vicevoorzitter Kristalina Georgieva werd geïntroduceerd als onderdeel van het initiatief voor een resultaatgerichte EU‑begroting; spoort de Europese Raad en de Raad aan om de methode toe te passen op hun eigen begrotingsplanningsprocedure;

5.  betreurt dat de Europese Ombudsman in haar strategisch onderzoek naar de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad (OI/2/2017/TE), dat op 9 februari 2018 werd afgesloten, heeft vastgesteld dat de huidige praktijk van de Raad, waarbij het toezicht op ontwerpwetgeving van de EU wordt verhinderd, op wanbeheer neerkomt; roept de Raad op gevolg te geven aan de door de Ombudsman gedane aanbevelingen en suggesties voor verbetering om de openbare toegang tot documenten te bevorderen; benadrukt dat transparantie van belang is voor de Raad om in zijn hoedanigheid van EU‑wetgever verantwoording te kunnen afleggen aan de EU‑burgers; vraagt in kennis te worden gesteld van het antwoord van de Raad en de voortgang van de procedure;

6.  stelt vast dat reiskosten van de delegaties en vertolking binnen het DG administratie in 2016 nog altijd het voorwerp vormden van aanzienlijke onderbesteding; neemt kennis van het feit dat er momenteel met de lidstaten over een nieuw beleid wordt onderhandeld om deze kwestie uit de weg te ruimen;

7.  vraagt de Raad om volledige details te verstrekken over het personeel en de faciliteiten die ter beschikking staan van het Athenamechanisme en het hoogst mogelijke niveau van transparantie met betrekking tot dat mechanisme te garanderen;

8.  blijft verontrust over het zeer hoge bedrag aan kredieten dat van 2016 naar 2017 is overgedragen, met name wat technisch meubilair, materieel en informatica betreft; herinnert de Raad eraan dat overdrachten als uitzonderingen op het beginsel van jaarperiodiciteit moeten worden gezien en werkelijke behoeften moeten weerspiegelen;

9.  dringt opnieuw aan op een overzicht van het personeel, opgesplitst naar categorie, rang, geslacht, nationaliteit en gevolgde beroepsopleiding;

10.  wijst op het bestaan van een genderevenwichtsbeleid in het secretariaat-generaal van de Raad (SGR); is ingenomen met de positieve tendens van de vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies, die eind 2016 31 % bedroeg; verzoekt de Raad zijn genderevenwichtsbeleid voort te zetten met het oog op een werkelijk evenwichtige verdeling van het aantal mannen en vrouwen in leidinggevende functies;

11.  is ingenomen met de informatie over beroepswerkzaamheden van voormalige hoge ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad die de dienst in 2016 hebben verlaten(6);

12.  stelt vast dat de secretaris-generaal van de Raad in 2016 besluit 3/2016 heeft gepubliceerd waarin interne voorschriften worden vastgesteld voor het melden van ernstige onregelmatigheden (procedures voor de toepassing van artikel 22 bis, ter en quater van het statuut van de ambtenaren – klokkenluiders); herhaalt dat de problematiek inzake bescherming van klokkenluiders ernstig wordt genomen binnen de overheidsdiensten van de Unie en steeds met zorg behandeld moet worden;

13.  merkt op dat er een onafhankelijk onthullings-, advies- en verwijzingsorgaan met voldoende begrotingsmiddelen nodig is om klokkenluiders te helpen de juiste kanalen te gebruiken om hun informatie over mogelijke onregelmatigheden met betrekking tot de financiële belangen van de Unie te onthullen en tegelijkertijd hun geheimhouding te beschermen en de nodige ondersteuning en advies te bieden;

14.  stelt vast dat de doelstelling om de personeelsformatie van de Raad in overeenstemming te brengen met de interinstitutionele overeenkomst inzake de vermindering van het personeelsbestand met 5 % over een periode van vijf jaar, op 1 januari 2017 is bereikt;

15.  stelt bezorgd vast dat de laattijdige oplevering van het Europagebouw een aanzienlijke impact heeft gehad op de begroting van de Europese Raad en de Raad voor 2016; wenst geïnformeerd te worden over de globale financiële gevolgen van deze vertraging; betreurt dat er nog steeds een gebrek is aan informatie over het gebouwenbeleid en daarmee verband houdende uitgaven, die openbaar toegankelijk moet zijn als een teken van transparantie ten aanzien van de Europese burgers;

16.  dringt er opnieuw op aan dat het gebouwenbeleid van de Europese Raad en van de Raad aan de kwijtingsautoriteit wordt overlegd; merkt tevreden op dat het SGR in 2016 het EMAS-certificaat heeft verkregen voor zijn gebouwen;

17.  betreurt dat de Raad, die nochtans een van de belangrijkste bij het besluitvormingsproces van de EU betrokken instellingen is, zich nog niet bij het EU‑transparantieregister heeft aangesloten; dringt daarom aan op een succesvol resultaat van de interinstitutionele onderhandelingen tussen het voorzitterschap van de Raad en de vertegenwoordigers van het Parlement en de Commissie, dat ertoe zal leiden dat de Raad zich ten slotte bij het transparantieregister aansluit;

18.  betreurt het besluit van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de Unie; merkt op dat op dit moment niet kan worden voorspeld welke financiële, bestuurlijke, menselijke en andere gevolgen die terugtrekking zal hebben, en verzoekt de Europese Raad en de Raad effectbeoordelingen uit te voeren en het Europees Parlement vóór eind 2018 in kennis te stellen van de resultaten;

Stand van zaken

19.  merkt op dat de weigering om kwijting te verlenen tot dusver geen enkel gevolg heeft gehad; benadrukt dat deze situatie in het belang van de burgers van de Unie zo snel mogelijk moet worden opgelost; brengt in herinnering dat het Europees Parlement de enige instelling is die rechtstreeks door de burgers van de Unie wordt verkozen en dat de rol van het Parlement in de kwijtingsprocedure direct samenhangt met het recht van de burgers om in kennis te worden gesteld van de manier waarop overheidsmiddelen worden besteed;

20.  stelt vast dat de Commissie begrotingscontrole van het Parlement (CONT) op 11 september 2017 bij de Conferentie van voorzitters van het Parlement (CoP) een voorstel heeft ingediend om met de Raad te onderhandelen over een overeenkomst betreffende de kwijtingsprocedure voor de uitvoering van de begroting;

21.  stelt vast dat de CoP op 19 oktober 2017 heeft ingestemd met het verzoek om de voorzitter van CONT en de coördinatoren van de fracties een volmacht te geven voor het aangaan van onderhandelingen namens het Parlement met het oog op het bereiken van een wederzijds bevredigende overeenkomst inzake de samenwerking tussen het Parlement en de Raad in het kader van de kwijtingsprocedure, met volledige inachtneming van de verschillende rol van beide instellingen in de kwijtingsprocedure;

22.  stelt eveneens vast dat er op 9 november 2017 een brief is verstuurd naar de secretaris-generaal van de Raad betreffende de indiening van het voorstel van het Parlement bij de bevoegde dienst van de Raad met als doel de onderhandelingen te starten, conform de door de CoP vastgestelde voorwaarden;

23.  merkt op dat CONT de secretaris-generaal van de Raad in tussentijd heeft uitgenodigd op de gedachtewisseling met de secretarissen-generaal van de andere instellingen, die heeft plaatsgevonden op 4 december 2017, en dat de secretaris-generaal van de Raad op 26 november 2017 een schriftelijke vragenlijst is toegestuurd; betreurt ten zeerste dat de Raad blijft weigeren om de gedachtewisseling bij te wonen en dat de aan de Raad toegestuurde lijst met vragen van de leden van het Parlement onbeantwoord blijft;

24.  wijst erop dat de procedure waarbij aan elke EU‑instelling en elk EU‑orgaan afzonderlijk kwijting wordt verleend, een gevestigde praktijk vormt die door alle instellingen en organen behalve de Raad is aanvaard, en herhaalt dat deze procedure is ontwikkeld om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de burgers van de Unie te waarborgen;

25.  herhaalt dat de Raad net als de overige instellingen volledig en te goeder trouw moet deelnemen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure, en betreurt de moeilijkheden die tot op heden in de kwijtingsprocedures zijn ondervonden;

26.  benadrukt dat het Parlement uit hoofde van de Verdragen de enige kwijtingsautoriteit van de Unie is, en dat er, weliswaar met volledige inachtneming van de rol van de Raad als een instelling die aanbevelingen geeft in het kader van de kwijtingsprocedure, een onderscheid moet blijven bestaan tussen de verschillende rollen van het Parlement en de Raad met het oog op de naleving van het in de Verdragen en het Financieel Reglement vastgelegde institutionele kader;

27.  herinnert eraan dat het Parlement kwijting verleent aan de andere instellingen nadat het de verstrekte documenten en de op de vragen gegeven antwoorden heeft onderzocht en nadat het de secretarissen-generaal van de andere instellingen heeft gehoord; betreurt het dat het Parlement herhaaldelijk moeite heeft om van de Raad antwoorden te verkrijgen;

28.  is van mening dat voor een doeltreffend toezicht op de uitvoering van de begroting van de Unie samenwerking vereist is tussen het Parlement en de Raad, en kijkt uit naar het begin van de onderhandelingen over een wederzijds bevredigende overeenkomst;

29.  stelt vast dat de benoeming van de leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort overeenkomstig artikelen 253 en 254 VWEU; benadrukt dat het voor de prestaties van het HvJ van belang is tijdig rechters voor te dragen en te benoemen; dringt aan op een nieuwe regel tot vaststelling van een specifieke termijn voor de (her)benoeming van rechters, ruim voor het verstrijken van hun mandaat, en verzoekt de Raad de kosten-batenverhouding in acht te nemen bij de benoeming van nieuwe rechters bij het HvJ; uit kritiek op de onregelmatige benoeming, zonder oproep tot het indienen van sollicitaties, van twee rechters bij het Gerecht voor ambtenarenzaken, voor een mandaat dat slechts liep van 14 april 2016 tot en met 31 augustus 2016; neemt met bezorgdheid kennis van de onevenredige kosten die zijn gemaakt voor een van deze rechters bij het aanvangen en beëindigen zijn "mandaat voor vier maanden", ten belope van 69 498,25 EUR bovenop het salaris dat de rechter ontving; veroordeelt deze verspilling van geld van de belastingbetalers van de Unie;

30.  stelt bovendien vast dat het Gerecht (Kamer voor hogere voorzieningen, arrest van 23 januari 2018 in zaak T‑639/16 P)(7) van oordeel is geweest dat de Tweede kamer van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie, waaraan een van de rechters met een "mandaat voor vier maanden" is toegevoegd, onregelmatig is samengesteld, waardoor het besluit in hoger genoemd arrest alsook alle verdere besluiten van de Tweede kamer in deze samenstelling nietig zijn; vraagt het HvJ‑EU voor welke besluiten van de Tweede kamer in deze samenstelling dit arrest van het Gerecht gevolgen heeft; verzoekt de Raad om commentaar over deze fout en te verduidelijken waar de verantwoordelijkheid hiervoor ligt.

(1) PB L 48 van 24.2.2016.
(2) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(3) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(4) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Artikel 16, leden 3 en 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.
(7) ECLI:EU:T:2018:22.


Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Hof van Justitie
PDF 288kWORD 58k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling IV - Hof van Justitie (2017/2139(DEC))
P8_TA(2018)0126A8-0122/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0356 – C8-0250/2017)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Raadsverordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0122/2018),

1.  verleent de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie v