Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2075(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0349/2018

Ingediende teksten :

A8-0349/2018

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0401

Aangenomen teksten
PDF 124kWORD 50k
Woensdag 24 oktober 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois
P8_TA(2018)0401A8-0349/2018

Besluit van het Europees Parlement van 24 oktober 2018 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois (2018/2075(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois, dat op 21 februari 2018 werd ingediend door de minister van Justitie van de Franse Republiek in verband met een gerechtelijk onderzoek (B-49 2018/00242) dat is ingesteld tegen Steeve Briois door het arrondissementsrechtbank van Nanterre naar aanleiding van een verzoekschrift met voeging dat is ingediend door de vereniging "Maison des Potes - Maison de l'Égalité", vanwege het publiekelijk aanzetten tot discriminatie op grond van ras of godsdienst, en van de ontvangst waarvan op 28 mei 2018 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Steeve Briois te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek, zoals gewijzigd bij de constitutionele wet nr. 95-880 van 4 augustus 1995,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0349/2018),

A.  overwegende dat de officier van justitie bij het hof van beroep van Versailles heeft verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Steeve Briois, in verband met een gerechtelijke procedure betreffende een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat de opheffing van immuniteit van Steeve Briois betrekking heeft op het vermeende strafbaar feit van het in het openbaar aanzetten tot discriminatie op grond van nationaliteit, ras of godsdienst, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, hetzij door middel van beelden of elektronische openbare communicatie door een meer onbekende personen, een strafbaar feit volgens het Franse recht, te weten artikel 24, lid 8, artikel 23, lid 1, en artikel 42 van de wet van 29 juli 1881 en artikel 93, lid 3, van wet nr. 82-652 van 29 juli 1982, waarvan de sancties zijn neergelegd in artikel 24, leden 8, 10, 11 en 12 van de wet van 29 juli 1881 en artikel 121, lid 7, van het Franse Wetboek van Strafrecht;

C.  overwegende dat het gerechtelijk onderzoek is geopend naar aanleiding van een civielrechtelijke procedure die op 22 mei 2014 is ingeleid door het "Maison des Potes - Maison de l'Égalité";

D.  overwegende dat de klacht betrekking had op uitspraken gedaan in een brochure met de titel Handboek voor raadsleden van het Front National, dat op 19 september 2013 gepubliceerd is en op 30 november 2013 op de officiële website van de federatie Front National bekendgemaakt is, waarin de kandidaten van het Front National die tijdens de verkiezingen van 23 en 30 maart 2014 tot gemeenteraadslid zijn verkozen, worden aangemoedigd tijdens de eerste vergadering van hun nieuwe gemeenteraad aan te bevelen bij de toewijzing van sociale woningen voorrang te geven aan Fransen ("priorité nationale");

E.  overwegende dat volgens de Franse wet niet alleen de materiële auteur van een publicatie strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld;

F.  overwegende dat de onderzoekers in de loop van het onderzoek door de toenmalige directeur publicaties van het Front National op de hoogte zijn gebracht van het feit dat het bestreden handboek door de diensten van het algemene secretariaat was opgesteld; overwegende dat Steeve Briois toentertijd algemeen secretaris was;

G.  overwegende dat de bevoegde autoriteiten een verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois hebben ingediend om hem voor het eerst te kunnen ondervragen in verband met de aanklacht tegen hem;

H.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

I.  overwegende dat in Artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek wordt bepaald dat leden van het Franse parlement niet kunnen worden vervolgd, dat er geen onderzoek tegen hen kan worden ingesteld, dat zij niet kunnen worden aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat;

J.  overwegende dat de reikwijdte van de immuniteit die aan leden van het Franse parlement wordt geboden, feitelijk overeenkomt met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht "in de uitoefening van [zijn] ambt", zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk;

K.  overwegende dat Steeve Briois geen lid van het Europees Parlement was toen het vermeende strafbare feit begaan werd, namelijk op 19 september en 30 november 2013, maar het beweerdelijk aanstootgevend materiaal nog steeds door eenieder desgewenst geraadpleegd kon worden op 23 juni en 2 oktober 2014;

L.  overwegende dat de aanklacht duidelijk geen verband houdt met de positie van Steeve Briois als lid van het Europees Parlement maar betrekking heeft op activiteiten van nationale of regionale aard, gezien de het feit dat de uitlatingen waren gericht aan de kandidaat-leden van gemeenteraden met het oog op de lokale verkiezingen die op 23 en 30 maart 2014 werden gehouden;

M.  overwegende dat de bewuste feiten geen betrekking hebben op een mening of stem die de afgevaardigde in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

N.  overwegende dat er geen redenen zijn om te vermoeden dat de onderliggende gerechtelijke procedure, ingeleid naar aanleiding van een verzoek dat is ingediend door de vereniging "Maison des Potes – Maison de l'Égalité" voordat het lid zitting had genomen in het Europees Parlement, erop gericht is om schade toe te brengen aan de parlementaire werkzaamheden van Steeve Briois (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Steeve Briois op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Steeve Briois.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23

Laatst bijgewerkt op: 10 december 2019Juridische mededeling