Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0074(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0310/2018

Ingediende teksten :

A8-0310/2018

Debatten :

PV 11/02/2019 - 14
CRE 11/02/2019 - 14

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.9
CRE 25/10/2018 - 13.9
PV 12/02/2019 - 9.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0425
P8_TA(2019)0069

Aangenomen teksten
PDF 247kWORD 89k
Donderdag 25 oktober 2018 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
P8_TA-PROV(2018)0425A8-0310/2018

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 25 oktober 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 (COM(2018)0149 – C8-0126/2018– 2018/0074(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de demersale bestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
(4)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn en beheerd worden op een manier die aansluit op de doelstellingen om positieve economische, sociale en werkgelegenheidseffecten teweeg te brengen, de afhankelijkheid van de Uniemarkt van de invoer van levensmiddelen te verminderen en de indirecte en directe schepping van banen en de economische ontwikkeling in de kustgebieden te stimuleren, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Overeenkomstig de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en om een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie tussen de zeebekkens te garanderen, moeten alle meerjarenplannen volgens een uniform kader worden vastgesteld en mogen geen specifieke afwijkingen voor een zeebekken worden toegestaan met betrekking tot de beginselen voor de vaststelling van quota.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen dienen instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, te worden vastgesteld.
(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld in overeenstemming met het best beschikbare wetenschappelijke advies.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Met Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt expliciet beoogd de populaties van de beviste soorten op een omvang te herstellen en te behouden die boven het niveau ligt dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Om dit doel te bereiken, is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaald dat het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst voor alle bestanden indien mogelijk tegen 2015, en geleidelijk toenemend uiterlijk 2020 wordt verwezenlijkt.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen meerjarenplannen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient dit plan doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken.
(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen meerjarenplannen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient dit plan doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken, de impact op het mariene milieu tot een minimum terug te dringen, met name de verstoring van de habitat en de zeebodem, en sociale en economische doelstellingen te realiseren.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het meerjarenplan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van de ICES dient gebaseerd te zijn op dit meerjarenplan en dient in het bijzonder FMSY-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MSY Trigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, waar van toepassing, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld ICES-adviezen met betrekking tot gemengde visserij.
(8)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het meerjarenplan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van de ICES dient gebaseerd te zijn op dit meerjarenplan en dient in het bijzonder FMSY-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MSY Btrigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, waar van toepassing, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld ICES-adviezen met betrekking tot gemengde en/of meersoortenvisserij.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  In de Verordeningen (EG) nr. 811/200418, (EG) nr. 2166/200519, (EG) nr. 388/200620, (EG) nr. 509/200721, (EG) nr. 1300/200822 en (EG) nr. 1342/200823 van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde visserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.
(9)  In de Verordeningen (EG) nr. 811/200418, (EG) nr. 2166/200519, (EG) nr. 388/200620, (EG) nr. 509/200721, (EG) nr. 1300/200822 en (EG) nr. 1342/200823 van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde en/of meersoortenvisserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.
_________________
_________________
18 Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).
18 Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).
19 Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).
19 Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).
20 Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).
20 Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).
21 Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
21 Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
22 Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).
22 Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).
23 Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).
23 Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de westelijke wateren. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.
(11)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor demersale bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de gebieden van deze bestanden die gelegen zijn buiten de westelijke wateren, op voorwaarde dat deze gebieden niet onder de soevereiniteit of rechtsmacht vallen van derde landen. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die demersale bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   In het beheersplan mag niet alleen worden ingegaan op mechanismen om de vangstmogelijkheden op korte termijn te bepalen, want dat zou leiden tot onzekerheid en een gebrek aan transparantie voor de sector.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  De geografische werkingssfeer van het meerjarenplan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het meerjarenplan in de toekomst moet worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van bestanden. Daarom dient de Commissie te worden gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het meerjarenplan, indien uit het wetenschappelijk advies van de ICES blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.
(12)  De geografische werkingssfeer van het meerjarenplan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de demersale bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het meerjarenplan in de toekomst moet worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van demersale bestanden. Daarom dient de Commissie te worden gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het meerjarenplan, indien uit het wetenschappelijk advies van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Dit plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van de MDO voor de doelbestanden, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.
(14)  Dit plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van alle bestanden van deze verordening boven het niveau van de biomassa dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaal-economische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle in het kader van demersale visserij gevangen bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes dienen te worden berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met name in het kader van de periodieke vangstadviezen. De bandbreedtes dienen op basis van dit plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO24. De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MSY Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.
(16)  Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes dienen onder andere te worden berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met name in het kader van de periodieke vangstadviezen. De bandbreedtes dienen op basis van dit plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO24. De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MSY Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.
___________
___________
24 Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde bestanden in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 10.
24 Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde bestanden in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 10.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   Teneinde de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken is het passend het streefdoel voor de visserijsterfte (F) op een dusdanig niveau vast te stellen dat het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst niet wordt overschreden. Dit exploitatieniveau moet zo snel mogelijk en geleidelijk toenemend voor alle bestanden waarop deze verordening van toepassing is uiterlijk tegen 2020 worden verwezenlijkt.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De TAC-hoeveelheden voor langoustine in de westelijke wateren moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TAC-gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.
(20)  De TAC-hoeveelheden voor een langoustinebestand in de westelijke wateren moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in het voor dit bestand gedefinieerde gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Er moet onmiddellijk een aantal verbodsbepalingen voor de visserij worden vastgesteld met betrekking tot zeebaars en witte koolvis, met name om de oudervissen van deze soorten te beschermen tijdens de voortplantingsperiode. Om de afnemende bestanden van zeebaars en witte koolvis te beschermen, moeten de lidstaten passende herstelmaatregelen nemen in zowel de commerciële als de recreatievisserij, zoals vastgesteld door het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Wanneer de Raad in het kader van het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor een bepaald bestand rekening houdt met een significante impact van de recreatievisserij, behoort hij over de mogelijkheid te beschikken een TAC vast te stellen voor commerciële vangsten die rekening houdt met de in het kader van de recreatievisserij gevangen hoeveelheden, en/of andere maatregelen te nemen ter beperking van de recreatievisserij, zoals meeneemlimieten en sluitingsperioden.
(22)  Wanneer de visserijsterfte in de recreatievisserij een significante impact heeft op een bestand dat beheerd wordt op basis van de MDO, moet de Raad individuele, niet-discriminerende vangstmogelijkheden kunnen vaststellen voor recreatievissers. Deze individuele vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij moeten betrekking hebben op perioden die niet korter mogen zijn dan een maand, rekening houdend met de reële praktijken en vangsten in de recreatievisserij. Ook moet bij de recreatieve vangsten van bepaalde soorten met een hoge handelswaarde een deel van de staartvin worden verwijderd, om de mogelijkheid te beperken dat deze vangsten op illegale wijze worden gebruikt in het handelsverkeer.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
(23)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting en om de negatieve gevolgen voor het ecosysteem tot een minimum te beperken dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, met name maatregelen om teruggooi geleidelijk te vermijden en uit te bannen en de negatieve gevolgen van visserij voor het ecosysteem tot een minimum te beperken, rekening houdend met het beste beschikbare wetenschappelijke advies, die in voorkomend geval nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Ook moet worden gespecificeerd dat de aanlandingsverplichting niet geldt voor de recreatievisserij. Indien geen gemeenschappelijke aanbevelingen worden ingediend, mag de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)   Met het oog op de bescherming van kwetsbare soorten en habitats, met name die welke ernstig worden bedreigd en worden aangetast door visserijdruk, moeten in het plan beheersmaatregelen voor de betrokken visserijen worden vastgesteld, waaronder aanpassing van vistuig, aanpassing van de activiteiten van vaartuigen en aanpassing van de vaartuigen zelf. Het plan moet aanvullende beheersmaatregelen omvatten die overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nader moeten worden gespecificeerd. De Commissie moet uitvoeringshandelingen kunnen vaststellen waarmee een analyse van het zeegebied wordt uitgevoerd en de vorm en het tijdschema voor de indiening en goedkeuring van beheersmaatregelen worden bepaald.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  De Commissie dient jaarlijks verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die gebruikt zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden of de toepassing van de vrijwaringsmaatregelen door de Raad, en zij dient het Europees Parlement vooraf te informeren over situaties waar het wetenschappelijk advies kan leiden tot grote verschillen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201625. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(26)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging van de adviesraden van de betrokken segmenten overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201625. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
_________________
_________________
25 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
25 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMSY-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient die benadering, met dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, ook voor het beheer van de bestanden in de Oostzee te worden gevolgd. Met "het beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt hier bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is uitgebracht of beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Europese Unie of op internationaal niveau. Verordening (EU) 2016/113927 dient derhalve te worden gewijzigd.
(28)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMSY-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient die benadering, met dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, ook worden gevolgd voor het beheer van de bestanden in de Oostzee. De Commissie moet ook een jaarlijks verslag indienen bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die gebruikt zijn en zij moet het Europees Parlement vooraf informeren over situaties waar het wetenschappelijk advies kan leiden tot grote verschillen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden. Met "het beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt hier bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat intercollegiaal is getoetst door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) of andere deskundige wetenschappelijke instanties zoals de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden die beschikbaar zijn en zal aan de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voldoen.
_________________
27 Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – inleidende formule
1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de volgende demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren, en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren; voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren, geldt het plan ook in de daaraan grenzende wateren:
1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de hierna opgesomde demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren en, voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren, in de daaraan grenzende wateren die niet onder de soevereiniteit of rechtsmacht vallen van derde landen, alsmede voor de visserijen die deze bestanden exploiteren:
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – punt 4
4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de sectoren 4b, 4c, 7a, en 7d–h;
4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de sectoren 4b, 4c, 7a-b, 7d-h en 7j, in deelgebied 8 en in sector 9a;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 23 – streepje 1
–  in het zuidelijk deel van de Golf van Biskaje (FU 25);
–  in de Golf van Biskaje (FU 23-24);
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 1
–  in Westelijk Galicië (FU 26-27);
–  in Westelijk Galicië (FU 26);
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2
–  in de Iberische wateren (FU 28-29);
Schrappen
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2 bis (nieuw)
–  ten noorden van Portugal (FU 27);
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2 ter (nieuw)
–   in Portugese wateren (zuiden van Portugal en de Algarve) (FU 28-29);
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 2
Wanneer in wetenschappelijk advies wordt aangegeven dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie daarmee rekening houden door deze verordening te wijzigen bij een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling tot aanpassing van de voornoemde gebieden. Die aanpassing strekt niet tot uitbreiding van de bestandsgebieden buiten de wateren van de Unie van de deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.
Wanneer in het beste wetenschappelijk advies dat beschikbaar is, met name dat van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), wordt aangegeven dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie daarmee rekening houden door deze verordening te wijzigen bij een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling tot aanpassing van de voornoemde gebieden. Die aanpassing strekt niet tot uitbreiding van de bestandsgebieden buiten de wateren van de Unie van de deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2
2.  Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van oordeel is dat de lijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.
2.  Wanneer de Commissie op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies van oordeel is dat de lijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 3
3.  Met betrekking tot de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 7 van deze verordening van toepassing.
3.  Met betrekking tot de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 7 van deze verordening, alsmede artikel 9, lid 3 bis, en artikel 9 bis van deze verordening van toepassing.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 4
4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde bestanden worden gevangen. Indien voor die bestanden echter FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld bij andere rechtshandelingen van de Unie tot vaststelling van meerjarenplannen, zijn die bandbreedtes en maatregelen van toepassing.
4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde demersale bestanden worden gevangen en moet ervoor zorgen dat alle biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren, in overeenstemming met artikel 2, lid 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Deze verordening bevat ook nadere bepalingen voor de uitvoering van maatregelen om de impact op het mariene milieu tot een minimum te beperken, met name de incidentele vangsten van beschermde soorten in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle visserijen die daar actief zijn. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarmee een analyse van het zeegebied wordt uitgevoerd en de vorm en het tijdschema voor de indiening en goedkeuring van beheersmaatregelen worden bepaald.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 5
5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarop de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.
5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor bestanden van soorten waarop de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is en die in het kader van demersale visserij gevangen zijn.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 6
6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen, als uiteengezet in artikel 8, voor alle bestanden in de westelijke wateren.
6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen voor commerciële en recreatievisserij, als uiteengezet in artikel 8, voor alle demersale bestanden in de westelijke wateren.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5
5)  "FMSY-puntwaarde": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende milieuomstandigheden de maximale langetermijnopbrengst oplevert;
5)  "FMSY": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende milieuomstandigheden de maximale langetermijnopbrengst oplevert;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren.
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
9 bis)  "beste beschikbare wetenschappelijke advies": openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden, dat is uitgebracht of beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Europese Unie of op internationaal niveau, zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) of de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), en dat voldoet aan de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2012.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren.
1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren. Naast het nastreven van duurzaamheid vanuit milieuoogpunt, wordt het plan uitgevoerd op een manier die in overeenstemming is met de doelstellingen om positieve economische, sociale en werkgelegenheidseffecten teweeg te brengen en tegelijkertijd bij te dragen aan de beschikbaarheid van levensmiddelen.
De graad van bevissing die de maximale duurzame opbrengst oplevert, wordt voor alle bestanden geleidelijk maar uiterlijk in 2020 bereikt en vanaf dat moment behouden.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.
2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, onder andere door het gebruik van innovatieve, selectieve soorten vistuig en vistechnieken, alsook tot de uitvoering, van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3
3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en met de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2009/147/EG en de artikelen 6 en 12 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.
3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem, en in het bijzonder voor kwetsbare habitats en beschermde soorten, zoals zeezoogdieren, zeereptielen, zeevogels, diepzeeheuvels, diepzeeriffen en koraaltuinen of sponsdierkoloniën, tot een minimum worden beperkt en bij voorkeur worden voorkomen, en zeker te stellen dat vissers duurzaam en selectief blijven vissen. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en met de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 4 – letter b
b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.
b)  ervoor te zorgen dat de negatieve impact van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem, in het bijzonder op bedreigde habitats en beschermde soorten, zoals zeezoogdieren en zeevogels, tot een minimum wordt beperkt.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 5
5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.
5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Het beste beschikbare wetenschappelijke advies wordt intercollegiaal getoetst door betrouwbare en deskundige wetenschappelijke instanties zoals de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) of het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). Het wordt uiterlijk openbaar gemaakt wanneer deze maatregelen door de Commissie worden voorgesteld. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  De ICES wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
2.  De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 – letter a
a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;
a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde en/of meersoortenvisserij, met name om de sociaal-economische beperkingen die aan de visserijen worden opgelegd, te verminderen;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 – letter c
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken, behalve in situaties waarin de consequenties van verstikking of van andere fenomenen die de activiteit van bepaalde vloten stilleggen of negatief beïnvloeden, worden gecompenseerd.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   Om te voorkomen dat kortetermijnbeheer de uitvoering van meerjarig beheer in de weg staat en om de deelname van belanghebbenden in de besluitvorming te bevorderen, is het mogelijk exploitatieregels binnen het kader van deze verordening goed te keuren via regionalisering.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en moet worden gezorgd voor een niveau van instandhouding dat ten minste vergelijkbaar is met exploitatieniveaus in overeenstemming met de MDO zoals vereist volgens artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde visserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.
3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde en/of meersoortenvisserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – inleidende formule
De ICES wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht in overeenstemming met de definitie van best beschikbaar wetenschappelijk advies op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger, worden passende herstelmaatregelen getroffen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot onder het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.
1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde demersale bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger, worden passende herstelmaatregelen getroffen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot onder het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden verdere herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij voor het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde demersale bestanden lager is dan Blim, worden verdere herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij voor het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening wat de volgende technische maatregelen betreft:
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening wat de volgende technische maatregelen voor visserijen die de demersale bestanden in de westelijke wateren exploiteren betreft:
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – letter a
a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen, met name van jonge exemplaren, of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen en zijn van toepassing op zowel de commerciële als de recreatievisserij.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 bis (nieuw)
Artikel 8 bis
Zones en perioden met een visserijverbod voor zeebaars
1.  Commerciële en recreatievisserij op zeebaars zijn verboden in de westelijke wateren in de ICES-sectoren 4b en 4c tussen 1 februari en 30 april. In deze zones is het verboden aan de kust gevangen zeebaars aan boord te houden, over te laden, te verplaatsen of aan te landen, alsmede te behouden.
2.  Het is voor vissersvaartuigen van de Unie eveneens verboden om te vissen op zeebaars in de ICES-sectoren 7b, 7c, 7j en 7k, alsmede in de wateren van de ICES-sectoren 7a en 7g die zich meer dan 12 zeemijl van de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, bevinden. Het is voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om in die zones gevangen zeebaars aan boord te hebben, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
3.  Onverminderd artikel 7 mag de totale toegestane vangst voor de langoustinebestanden in de westelijke wateren de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.
3.  Onverminderd artikel 7 mag de totale toegestane vangst voor een gegeven langoustinebestand de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden van de voor dit bestand gedefinieerde zones.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4
4.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij aanzienlijke gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een bepaald bestand, houdt de Raad bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden rekening met die recreatievisserij en kan zij daaraan een beperking opleggen om te vermijden dat het totale streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden.
Schrappen
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Recreatievisserij
1.  Bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 houden de lidstaten rekening met de visserijsterfte in de recreatievisserij, om te voorkomen dat het totale streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden.
Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij aanzienlijke gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een in artikel 1, lid 1, van deze verordening opgenomen bestand, kan de Raad individuele, niet-discriminerende vangstmogelijkheden vaststellen voor recreatievissers.
2.  Bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij baseert de Raad zich op transparante, objectieve criteria, onder andere criteria van ecologische, sociale en economische aard. De criteria die worden gehanteerd, kunnen onder meer betrekking hebben op de impact van deze visserij op het milieu, het maatschappelijke belang van deze activiteit en de bijdrage ervan aan de economie in de kustgebieden.
3.  De lidstaten nemen de nodige proportionele maatregelen voor het controleren en verzamelen van gegevens voor een betrouwbare schatting van het effectieve niveau van de in lid 1 bedoelde vangsten.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 ter (nieuw)
Artikel 9 ter
Markering van vangsten in de recreatievisserij
1.  De exemplaren van zeebaars, kabeljauw, witte koolvis en tong die gevangen zijn in de in artikel 1, lid 1, genoemde zones van de bestanden van deze soorten, krijgen een markering wanneer zij door een recreatievisser worden behouden.
2.  Deze markering bestaat uit het verwijderen van het onderste of bovenste deel van de staartvin, waarbij evenwel het meten van de grootte van de vis niet wordt verhinderd.
3.  Deze markering geschiedt onmiddellijk na de vangst en het doden, hetzij op de oever, hetzij nadat de vis aan boord is gebracht, in het geval van recreatievisserij vanaf een vaartuig. Exemplaren die aan boord van een vaartuig van de recreatievisserij zijn gebracht en daar levend en in goede conditie worden gehouden alvorens te worden vrijgelaten, worden evenwel niet gemarkeerd.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
Voor alle bestanden van soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van nadere bepalingen met betrekking tot de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Voor alle bestanden van demersale soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en voor incidentele vangsten van pelagische soorten in visserijen die in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden exploiteren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van nadere bepalingen met betrekking tot de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 bis (nieuw)
De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad individuele vangstmogelijkheden vaststelt uit hoofde van artikel 9 bis van deze verordening.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Ambachtelijke en kustvisserij in de ultraperifere gebieden
In deze verordening wordt rekening gehouden met de beperkingen in verband met de grootte van de vaartuigen van de ambachtelijke en kustvisserij die in de ultraperifere gebieden worden gebruikt. De aanlanding van bijvangsten moet dienovereenkomstig worden toegestaan voor zover dit de impact op de paaibiomassa niet verergert.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  De lidstaten geven voor elk van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vismachtigingen af aan vaartuigen die hun vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren. De lidstaten kunnen in die vismachtigingen ook de in kW uitgedrukte totale capaciteit van de vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig, beperken.
1.  De lidstaten geven voor de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vismachtigingen af aan vaartuigen die hun vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De lidstaten kunnen in de in lid 1 bedoelde vismachtigingen ook de totale capaciteit beperken van de in genoemd lid bedoelde vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om beperkingen op te leggen van de totale capaciteit van de vloten van de betrokken lidstaten, om de verwezenlijking van de in artikel 3 vermelde doelstellingen te faciliteren.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8 en 10 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.
1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8, 10 en 11 ter van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren en lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.
2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren en lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen ook verdere aanbevelingen indienen wanneer noodzakelijk, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, verandert, alsmede om een plan op te stellen met maatregelen om de ecosysteemgerichte benadering op het visserijbeheer in de westelijke wateren toe te passen. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend, of zo snel mogelijk wanneer deze gemeenschappelijke aanbevelingen bedoeld zijn om noodsituaties die door het nieuwste wetenschappelijke advies zijn blootgelegd, aan te pakken.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Onverminderd het bepaalde in artikel 18, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 kan de Commissie gedelegeerde handelingen ook vaststellen wanneer een in die leden bedoelde gemeenschappelijke aanbeveling ontbreekt.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 bis (nieuw)
Artikel 13 bis
Follow-up en voorafgaande kennisgeving van wijzigingen van het wetenschappelijk advies
1.  Jaarlijks dient de Commissie uiterlijk op 1 april een verslag in bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die als basis hebben gediend voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden die met toepassing van deze verordening zijn genomen tussen 1 februari van het voorgaande jaar en 31 januari van het lopende jaar.
Dit verslag omvat in het bijzonder voor alle betrokken visbestanden en ‑soorten de vangstmogelijkheden die door de Raad zijn vastgesteld krachtens artikel 4, artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 7 van deze verordening, met vermelding van de overeenkomstige waarden uitgedrukt in visserijsterftecijfers. Deze gegevens worden vergeleken met de wetenschappelijke referentie-adviezen voor de brandbreedtes voor visserijsterfte (MSY Flower, FMSY en MSY Fupper en de overeenkomstige vangstmogelijkheden) en voor de ramingen van de paaibiomassa en de biomassareferentiedrempels (MSY Btrigger en Blim).
2.  De Commissie brengt het Europees Parlement zo spoedig mogelijk nadat zij er kennis van heeft gekregen, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit tot vaststelling van vangstmogelijkheden, op de hoogte van de situaties waar de recentste FMSY-waarden overeenkomen met schommelingen van de vangstmogelijkheden die meer dan 20 % afwijken van de vangstmogelijkheden die overeenkomen met de FMSY-puntwaarden van het wetenschappelijk advies dat heeft gediend voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de lopende periode. De Commissie brengt het Europees Parlement ook zo spoedig mogelijk, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit, op de hoogte van de gevallen waar de wetenschappelijke adviezen betreffende de verschillende referentieniveaus voor de paaibiomassa het nemen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 7 verantwoorden.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – titel
Evaluatie van het plan
Evaluatie en uitvoering van het plan
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
2.  De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede in artikel 11, lid 1 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede in artikel 11, lid 1 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede artikel 11, lid 1 ter, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 4 – lid 2
2.  De ICES wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
2.  De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 4 – lid 5 – letter c
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken, behalve in situaties waarin de consequenties van verstikking of van andere fenomenen die de activiteit van bepaalde vloten stopzetten of negatief beïnvloeden, worden gecompenseerd.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 4 bis – alinea 1 – inleidende formule
De ICES wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – lid 4 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel -15 (nieuw)
4 bis.  Het volgende artikel wordt in Hoofdstuk IX ingevoegd:
"Artikel -15
Follow-up en voorafgaande kennisgeving van wijzigingen van het wetenschappelijk advies
1.  Jaarlijks dient de Commissie uiterlijk op 1 april een verslag in bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die als referentie hebben gediend voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden die met toepassing van deze verordening zijn genomen tussen 1 februari van het voorgaande jaar en 31 januari van het lopende jaar.
Dit verslag omvat in het bijzonder voor alle betrokken visbestanden en ‑soorten de vangstmogelijkheden die door de Raad zijn vastgesteld krachtens artikel 4, artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 7 van deze verordening, met vermelding van de overeenkomstige waarden uitgedrukt in visserijsterftecijfers. Deze gegevens worden vergeleken met de wetenschappelijke referentie-adviezen voor de brandbreedtes voor visserijsterfte (MSY Flower, FMSY en MSY Fupper en de overeenkomstige vangstmogelijkheden) en voor de ramingen van de paaibiomassa en de biomassareferentiedrempels (MSY Btrigger en Blim).
2.  De Commissie brengt het Europees Parlement zo spoedig mogelijk nadat zij er kennis van heeft gekregen, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit tot vaststelling van vangstmogelijkheden, op de hoogte van de situaties waar de recentste wetenschappelijke FMSY-waarden overeenkomen met schommelingen van de vangstmogelijkheden die meer dan 20 % afwijken van de vangstmogelijkheden die overeenkomen met de FMSY-waarden van het wetenschappelijk advies dat heeft gediend voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de lopende periode. De Commissie brengt het Europees Parlement ook zo spoedig mogelijk, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit, op de hoogte van de gevallen waar de wetenschappelijke adviezen betreffende de verschillende referentieniveaus voor de paaibiomassa het nemen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 7 verantwoorden.";

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0310/2018).

Laatst bijgewerkt op: 29 oktober 2018Juridische mededeling