Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2598(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0477/2018

Ingediende teksten :

B8-0477/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0430

Aangenomen teksten
PDF 188kWORD 70k
Donderdag 25 oktober 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
VN-klimaatconferentie 2018 in Katowice, Polen (COP24)
P8_TA(2018)0430B8-0477/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie in 2018 in Katowice, Polen (COP24) (2018/2598(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 18e conferentie van de partijen (COP18) bij het UNFCCC en de 8e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en de goedkeuring van een amendement op het protocol met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van het Kyotoprotocol, die ingaat op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,

–  gezien de openstelling voor ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in het VN‑hoofdkwartier in New York op 22 april 2016, en gezien het feit dat deze openstelling op 21 april 2017 is beëindigd, dat 195 landen de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend en dat 175 landen akten van bekrachtiging hebben neergelegd,

–  gezien de 23e Conferentie van de partijen (COP23) bij het UNFCCC, de 13e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP13) en de 2e sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA2), die van 4 t/m 16 november 2017 in Bonn, Duitsland, hebben plaatsgevonden,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over klimaatverandering(1),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016, getiteld "Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie" (COM(2016)0500),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 februari 2016, 30 september 2016, 23 juni 2017 en 22 maart 2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 oktober 2017, 26 februari 2018 en 9 oktober 2018,

–  gezien besluit (EU) 2017/1541 van de Raad van 17 juli 2017 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken(3),

–  gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), het samenvattend verslag hiervan, en het speciaal verslag van de IPPC getiteld "Global Warming of 1.5 °C",

–  gezien het achtste samenvattende verslag van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2017, getiteld "The Emissions Gap Report 2017" en het derde rapport van het UNEP van 2017 over de aanpassingskloof,

–  gezien het verslag van het Internationaal Energieagentschap, getiteld "Global Energy & CO2 Status Report 2017",

–  gezien de "Statement on the state of the global climate in 2017" van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) van maart 2018 en het 13e "Greenhouse Gas Bulletin" van de WMO van 30 oktober 2017,

–  gezien het "Global Risks Report 2018"(4) van het World Economic Forum,

–  gezien de verklaring van de Green Growth Group van 5 maart 2018, ondertekend door 14 milieu- en klimaatministers van de EU, over "Financing EU climate action – reinforcing climate spending and mainstreaming in the next Multiannual Financial Framework (MFF)"(5),

–  gezien het verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie van november 2017, getiteld "CO2 – an operational anthropogenic CO2 emissions monitoring and verification support capacity"(6),

–  gezien de Verklaring van Fairbanks, die door de ministers van Buitenlandse Zaken van de landen rond de Noordpool is aangenomen tijdens de 10e ministersontmoeting van de Arctische Raad, die op 10 en 11 mei 2017 in Fairbanks, Alaska, heeft plaatsgevonden,

–  gezien de eerste bijeenkomst van de One Planet Summit op 12 december 2017 in Parijs, en de tijdens die top aangenomen twaalf toezeggingen,

–  gezien de encycliek van paus Franciscus getiteld "Laudato Si",

–  gezien de verklaring van Meseberg van 19 juni 2018,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden en dat 181 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben ingediend (per 11 oktober 2018);

B.  overwegende dat de EU op 6 maart 2015 de voorgenomen nationaal bepaalde bijdrage (INDC) van de EU en haar lidstaten heeft ingediend bij het UNFCCC en hierin verklaart zich te willen inzetten voor een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 ten opzichte van het niveau van 1990;

C.  overwegende dat de verbintenissen die de lidstaten van de Overeenkomst van Parijs tot nu toe zijn aangegaan, niet voldoende zullen zijn om de gezamenlijke doelstelling te halen; overwegende dat de huidige nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) die de EU en haar lidstaten hebben ingediend, niet stroken met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en daarom moeten worden herzien;

D.  overwegende dat essentiële elementen van de EU-wetgeving die bijdragen tot het verwezenlijken van de NDC's van de EU met een verhoogde ambitie zijn geformuleerd, met name de richtlijn hernieuwbare energie en de richtlijn energie-efficiëntie, waardoor de broeikasgasemissies van de EU tegen 2030 met minstens 45 % worden verminderd; overwegende dat een vermindering van 45 % in de EU tegen 2030 nog niet zal volstaan om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de doelstelling voor CO2-neutraliteit tegen 2050 te halen;

E.  overwegende dat transparantie in emissiemetingen van doorslaggevend belang is om op rechtvaardige wijze aanzienlijke vooruitgang te boeken in de wereldwijde vermindering van broeikasgasemissies;

F.  overwegende dat de wereldwijde en Europese koolstofemissies, na drie jaar waarin de cijfers stationair bleven, in 2017 weer zijn toegenomen; overwegende dat de stijging niet overal in de wereld even groot is;

G.  overwegende dat het grote aantal extreme weersomstandigheden en temperatuurrecords in 2017 wereldwijde klimaatactie steeds dringender noodzakelijk maakt;

H.  overwegende dat een ambitieus beleid van beperking van de klimaatverandering voor groei en werkgelegenheid kan zorgen; overwegende dat een aantal specifieke sectoren echter kwetsbaar zijn voor koolstoflekkage als de ambitie op andere markten niet vergelijkbaar is; overwegende dat passende bescherming tegen koolstoflekkage dan ook nodig is om de werkgelegenheid in deze specifieke sectoren te beschermen;

I.  overwegende dat de klimaatverandering een multiplicator is van een aantal andere bedreigingen die de ontwikkelingslanden onevenredig zwaar treffen; overwegende dat droogte en andere ongunstige weersomstandigheden hulpbronnen waarvan arme mensen rechtstreeks afhankelijk zijn voor hun levensonderhoud, aantasten en vernietigen en tot meer concurrentie om de resterende hulpbronnen leiden, wat bijdraagt tot humanitaire crises, spanningen, gedwongen verplaatsing, radicalisering en conflicten; overwegende dat er aanwijzingen zijn dat klimaatverandering een rol heeft gespeeld in de onrust en de verspreiding van geweld in het Midden-Oosten, de Sahel en de Hoorn van Afrika, met gevolgen tot ver daarbuiten;

J.  overwegende dat in het "1,5 °C"-verslag van de IPCC ook wordt aangetoond dat een dergelijke temperatuurstijging waarschijnlijk veel minder ernstige gevolgen zal hebben dan een temperatuurstijging van 2 °C;

K.  overwegende dat de beperking van de klimaatverandering op lange termijn slechts kan slagen als er veel sterkere maatregelen worden genomen – met name door de ontwikkelde landen – om de koolstofeconomie te laten varen en klimaatslimme groei te bevorderen, ook in de ontwikkelingslanden; overwegende dat er blijvende inspanningen moeten worden geleverd om de ontwikkelingslanden meer financiële en technologische steun en steun voor capaciteitsopbouw te verstrekken;

L.  overwegende dat grote uitstoters er niet in slagen om hun broeikasgasemissies te verminderen overeenkomstig de maatregelen die nodig zijn om de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging tot 1,5 °C of 2 °C te beperken, waardoor de reeds enorme omvang en kosten van de noodzakelijke aanpassing aan de klimaatverandering alleen maar groter worden, met bijzonder ernstige gevolgen voor de minst ontwikkelde landen (MOL's) en kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS); overwegende dat alle initiatieven van de MOL's en SIDS om informatie over risico's en vroegtijdige waarschuwingen te produceren, moeten worden ondersteund;

M.  overwegende dat de groeiende kloof tussen de behoeften en de inspanningen op het vlak van aanpassing dringend moet worden gedicht door veel sterkere mitigatie- en aanpassingsmaatregelen;

N.  overwegende dat het onhoudbaar is om elk land voor zijn eigen aanpassingskosten te laten opdraaien, en dat degenen die de grootste verantwoordelijkheid voor de uitstoot van broeikasgassen dragen, het grootste deel van de wereldwijde last voor hun rekening moeten nemen;

O.  overwegende dat in artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs een algemene aanpassingsdoelstelling is vastgesteld en dat deze doelstelling nu onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd; overwegende dat er een belangrijke rol is weggelegd voor de nationale aanpassingsplannen (NAP's);

P.  overwegende dat bossen in aanzienlijke bijdrage mate bijdragen aan de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering; overwegende dat ontbossing goed is voor bijna 20 % van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen en met name het gevolg is van de uitbreiding van intensieve veeteelt en de industriële productie van soja en palmolie, ook voor de EU-markt; overwegende dat de EU haar indirecte bijdrage aan ontbossing ("embodied deforestation"), waarvoor zij verantwoordelijkheid draagt, moet verminderen;

Q.  overwegende dat land een schaarse hulpbron is en dat het gebruik ervan voor de teelt van conventionele biobrandstofgewassen en biobrandstofgewassen van de eerste generatie de voedselonzekerheid kan verergeren en de bestaansmiddelen van arme mensen in ontwikkelingslanden kan vernietigen, met name door landroof, gedwongen verplaatsing, milieuvervuiling en schendingen van de rechten van inheemse volkeren; overwegende dat koolstofcompensatie- en herbebossingsprogramma's ook dergelijke schade kunnen veroorzaken als ze niet goed worden ontworpen en uitgevoerd;

1.  herinnert eraan dat de klimaatverandering, als oorzaak en multiplicator van andere risico's, een van de meest dringende uitdagingen is waarmee de mensheid wordt geconfronteerd, en dat alle staten en actoren wereldwijd er alles aan moeten doen om deze uitdaging aan te pakken door sterke individuele maatregelen; onderstreept ook dat tijdige internationale samenwerking en solidariteit en een consequente en volgehouden verbintenis om gezamenlijk actie te ondernemen, de enige optie zijn met het oog op de collectieve verantwoordelijkheid om de hele planeet en haar biodiversiteit te behouden voor de huidige en toekomstige generaties; benadrukt dat de EU bereid is een leidende rol te blijven spelen bij deze wereldwijde inspanning en tegelijkertijd te zorgen voor duurzame economische ontwikkeling met lage broeikasgasemissies, die zorgt voor energiezekerheid, een concurrentievoordeel voor de Europese industrie en banencreatie;

Wetenschappelijke basis voor klimaatactie

2.  wijst erop dat 2015, 2016 en 2017 volgens de WMO de drie warmste jaren sinds het begin van de metingen waren, wat heeft geresulteerd in zeer hoge temperaturen in het noordpoolgebied, die langdurige gevolgen zullen hebben voor de algemene zeespiegel en de weerpatronen wereldwijd;

3.  meent dat de ingrijpende en hoogstwaarschijnlijk onomkeerbare gevolgen van een stijging van 2 °C van de wereldwijde temperatuur wellicht kunnen worden vermeden als de ambitieuzere doelstelling van 1,5 °C wordt nagestreefd, maar dat dit zou vereisen dat de stijgende wereldwijde broeikasgasemissies uiterlijk in 2050 tot nul dalen; wijst erop dat de nodige technologische oplossingen voorhanden zijn en in kostenopzicht steeds concurrerender worden, en dat alle EU-beleidsmaatregelen nauwkeurig op de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs moeten worden afgestemd en regelmatig aan deze doelstellingen moeten worden getoetst; kijkt dan ook uit naar de bevindingen van het speciale verslag van de IPCC over de gevolgen van een stijging van de wereldwijde temperatuur met 1,5 °C boven het pre-industriële niveau;

4.  onderstreept dat de klimaatverandering volgens de WHO gevolgen heeft voor de sociale en milieudeterminanten van gezondheid (schone lucht, veilig drinkwater, voldoende voedsel en veilig wonen), en dat tussen 2030 en 2050 250 000 extra doden per jaar te verwachten zijn als gevolg van ondervoeding, malaria, diarree en hittestress; merkt op dat extreem hoge temperaturen rechtstreeks bijdragen tot sterfgevallen door hart- en vaatziekten en ademhalingsproblemen, met name bij ouderen; erkent dat klimaatverandering een katalysator is voor conflicten; meent dat de volledige uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in hoge mate zou bijdragen tot de Europese en internationale veiligheid en vrede;

Ratificatie van de Overeenkomst van Parijs en uitvoering van de toezeggingen

5.  is verheugd over het ongekende tempo van de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs, alsook over de wereldwijde mobilisatie en vastberadenheid van zowel overheids- als niet-overheidsactoren om de overeenkomst volledig en snel uit te voeren, zoals tot uitdrukking is gebracht in de toezeggingen in het kader van grote mondiale bijeenkomsten zoals de Noord-Amerikaanse klimaattop in Chicago van 4 t/m 6 december 2017, de One Planet Summit in Parijs op 12 december 2017 en de Global Climate Action Summit in San Francisco van 12 t/m 14 september 2018;

6.  benadrukt dat de wereldwijde temperatuurstijging door de huidige NDC's slechts tot ongeveer 3,2 °C(7) zou worden beperkt en niet eens in de buurt zou komen van 2 °C; vraagt alle partijen een constructieve bijdrage te leveren aan het proces met het oog op 2020, wanneer de NDC's moeten worden geactualiseerd, en ervoor te zorgen dat hun NDC's aansluiten bij de temperatuurdoelstelling op lange termijn van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden en ernaar te streven de temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken; is zich ervan bewust dat de huidige toezeggingen, ook die welke de Unie en haar lidstaten hebben ingediend, onvoldoende zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo spoedig mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken en dat alle partijen, en vooral de EU en alle G20-landen, hun inspanningen moeten opvoeren en hun NDC's tegen 2020, na de Talanoa-dialoog van 2018, moeten actualiseren om de resterende kloof met de temperatuurdoelstelling van 1,5 °% te dichten;

7.  is van mening dat de bepalingen betreffende koolstoflekkage, met name voor sectoren met een hoog risico op koolstoflekkage, behouden moeten blijven om het algemene concurrentievermogen van de Europese industrie te waarborgen als andere grote economieën geen toezeggingen doen die vergelijkbaar zijn met die van de EU betreffende de vermindering van broeikasgasemissies;

8.  betreurt dat in de meeste derde landen die in het kader van de Overeenkomst van Parijs toezeggingen hebben gedaan, het debat over een verhoging van hun bijdragen slechts erg traag op gang komt; vraagt de Commissie daarom de overwegingen van de EU om haar toezeggingen te verhogen, te stroomlijnen en zich sterker in te spannen om andere partners te motiveren om dat ook te doen;

9.  beklemtoont hoe belangrijk het is dat de EU een ambitieus klimaatbeleid voert om een geloofwaardige en betrouwbare partner in de wereld te zijn, dat de EU op wereldvlak een leidende rol op klimaatgebied blijft vervullen, en dat zij zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt; is verheugd dat het Europees Parlement en de Raad zijn overeengekomen om de doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie tegen 2030 tot respectievelijk 32 % en 32,5 % op te trekken, waardoor de broeikasgasemissies tegen 2030 met ruim 45 % zullen dalen; is dan ook ingenomen met de opmerkingen van de Commissie over de actualisering van de NDC's van de EU, namelijk dat zij rekening zal houden met deze hogere ambitie en de emissiereductiedoelstelling voor 2030 zal opvoeren; verzoekt de Commissie tegen eind 2018 een ambitieuze nulemissiestrategie voor de EU voor het midden van de eeuw op te stellen, waarin een kostenefficiënt traject wordt uitgestippeld om uiterlijk in 2050 de doelstelling van CO2-neutraliteit die in de Overeenkomst van Parijs is vastgesteld, te verwezenlijken en de economie in de Unie CO2-neutraal te maken, overeenkomstig een billijk aandeel van de Unie in het resterende mondiale koolstofbudget; is voorstander van een actualisering van de NDC's van de Unie met voor de hele economie een doelstelling om de interne broeikasgasemissies tegen 2030 met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990;

10.  is verheugd dat de secretaris-generaal van de VN heeft aangekondigd dat in september 2019 in de marge van de 74e Algemene Vergadering een klimaattop zal worden georganiseerd om sneller klimaatactie te ondernemen met het oog op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en om ertoe aan te zetten de ambitie van de klimaatverbintenissen te verhogen; vraagt de EU en haar lidstaten deze inspanning te steunen door engagement en politieke wil te tonen om hun eigen verbintenissen te verhogen en te pleiten voor sterke bijdragen van andere partijen;

11.  betreurt het voornemen van de Amerikaanse president Donald Trump om de Verenigde Staten uit de Overeenkomst van Parijs terug te trekken, en beschouwt dit als een stap achteruit; is tevreden dat alle grote partijen na de mededeling van president Trump hebben bevestigd de Overeenkomst van Parijs te zullen nakomen; is bijzonder verheugd dat belangrijke staten, steden, universiteiten en andere niet-overheidsactoren in de VS zich voor klimaatactie blijven inzetten in het kader van de "We are still in"-campagne;

12.  benadrukt dat het met name na de aankondiging van president Trump belangrijk is dat er de nodige bepalingen tegen koolstoflekkage zijn, en dat ervoor moet worden gezorgd dat de beste presteerders kosteloze emissierechten krijgen, zoals overeengekomen in de ETS-richtlijn; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en wettelijkheid te onderzoeken van extra maatregelen om bedrijfstakken te beschermen tegen het risico van koolstoflekkage, zoals koolstofbelastingaanpassingen aan de grens en heffingen op koolstofverbruik, met name voor producten die komen uit landen die hun verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs niet nakomen;

13.  is verheugd over de inwerkingtreding van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal op 1 januari 2019, met tot nu toe 27 partijen, waaronder zeven lidstaten van de EU, die hun akten van bekrachtiging hebben ingediend; verzoekt de partijen bij het Protocol van Montreal, in het bijzonder de lidstaten die hun akten van bekrachtiging nog niet hebben ingediend, al het nodige te doen om het snel te ratificeren, als noodzakelijke bijdrage aan de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen op middellange en lange termijn;

14.  juicht het toe dat alle lidstaten de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto hebben geratificeerd en op 21 december 2017 de gezamenlijke akte van ratificatie van de Unie hebben ingediend; is van oordeel dat dit een belangrijke troef zal zijn in de gesprekken met het oog op de succesvolle voltooiing van de klimaatonderhandelingen van 2018 en dat de broeikasgasemissies hierdoor effectief zullen dalen dankzij gezamenlijke inspanningen;

15.  beklemtoont dat uitvoering vóór 2020 en ambitie sleutelelementen waren tijdens de COP23-onderhandelingen; juicht het besluit toe om tijdens de COP's in 2018 en 2019 twee inventarisaties te houden; vraagt de Commissie en de lidstaten bijdragen voor te bereiden om de emissies tot 2020 te beperken en deze te presenteren bij de inventarisatie van de periode vóór 2020 tijdens de COP24; denkt dat dit belangrijk is opdat alle partijen hun ambitie voor de periode na 2020 verhogen, en kijkt dan ook met belangstelling uit naar de uitkomst van de eerste inventarisatie in Katowice, die de vorm zou moeten aannemen van een besluit van de COP waarin de verbintenis wordt bevestigd om de ambitie van de NDC's van de partijen voor 2030 tegen 2020 te verhogen zodat ze aansluiten bij de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

16.  vraagt de Commissie en de lidstaten communicatiestrategieën en -activiteiten in te zetten om van het publiek en het beleid meer steun te krijgen voor klimaatactie en aan bewustmaking te doen over de bijkomende voordelen van de strijd tegen klimaatverandering, zoals betere luchtkwaliteit en volksgezondheid, behoud van natuurlijke hulpbronnen, economische groei en meer werkgelegenheid, grotere energiezekerheid en lagere kosten voor de invoer van energie, alsook voordelen bij internationale concurrentie door innovatie en technologische ontwikkeling; benadrukt dat de aandacht ook moet worden gevestigd op de onderlinge verbanden tussen klimaatverandering en sociale onrechtvaardigheid, migratie, instabiliteit en armoede en op het feit dat wereldwijde klimaatactie in grote mate kan bijdragen tot de oplossing van deze problemen;

17.  benadrukt de synergieën tussen de Overeenkomst van Parijs, de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, het kader van Sendai en het actieagenda van Addis Ababa (Finance for Development) alsook met andere conventies van Rio, aangezien dit belangrijke en onderling verweven stappen in de goede richting zijn die ervoor zorgen dat armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling hand in hand gaan;

De COP24 in Katowice

18.  erkent dat de voorzitterschappen van de COP22 en de COP23 er gezamenlijk in geslaagd zijn de opzet van Talanoa-dialoog in 2018 voor te bereiden, die breed door de partijen is goedgekeurd en in januari 2018 van start is gegaan; kijkt uit naar de eerste resultaten van deze dialoog tijdens de COP24 en naar de politieke conclusies daarna om onze collectieve ambitie tegen 2020 in overeenstemming te brengen met de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; stelt het op prijs dat de Talanoa-dialoog niet beperkt blijft tot besprekingen tussen nationale regeringen, maar ook diverse belanghebbenden, waaronder regio's en steden en hun verkozen vertegenwoordigers, de kans geeft om belangrijke problemen met betrekking tot klimaatactie onder de aandacht van nationale en wereldwijde beleidsmakers te brengen; is verheugd over de Talanoa-dialogen met steden en regio's en kijkt uit naar verdere dialogen in Europa; kijkt uit naar de input van de niet-overheidsactoren en verzoekt alle partijen hun bijdragen tijdig in te dienen, teneinde de politieke discussie in Katowice te vergemakkelijken;

19.  stelt daarnaast vast dat er, ondanks de aanzienlijke vooruitgang die tijdens de COP23 met het Action Work Programme van Parijs (het "rulebook") is geboekt, nog significante uitdagingen zijn om het af te ronden en tijdens de COP24 tot concrete besluiten te komen; dringt erop aan het noodzakelijke voorbereidende werk vóór de top te doen teneinde het rulebook af te ronden, wat van het grootste belang is voor de tijdige uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

20.  is voorstander van een rulebook dat alle partijen een hoge mate van transparantie en bindende regels oplegt om de vooruitgang correct te kunnen meten en verder vertrouwen op te bouwen tussen de partijen die bij het internationale proces betrokken zijn; is bezorgd over het feit dat een aantal partijen nog steeds geen werk willen maken van volledige transparantie bij de meting van emissies; roept alle grote economieën op om een voortrekkersrol te spelen bij de onderhandelingen over het rulebook en te pleiten voor bindende vereisten voor monitoring- en toezichtssystemen, met inbegrip van tijdige en betrouwbare gegevens en ramingen over broeikasgasemissies;

21.  benadrukt dat het belangrijk is het rulebook aan te vullen met op observatie gebaseerde weergegevens om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de verslaglegging te vergroten; vraagt de Commissie, het Europees Ruimteagentschap (ESA), de Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten (Eumetsat), het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn (ECWMT), de Europese onderzoeksinfrastructuur Integrated Carbon Observation System (ICOS), de nationale inventarisagentschappen en onderzoekscentra en andere belangrijke spelers operationele capaciteit te ontwikkelen die informatie over antropogene emissies kan genereren aan de hand van satellietgegevens en tegelijkertijd voldoet aan de nodige vereisten, waaronder een constellatie van satellieten;

22.  beklemtoont dat het belangrijk is dat de EU tijdens de COP24 in Katowice met één stem spreekt om politiek sterk te staan en geloofwaardig te zijn; vraagt alle lidstaten bij de onderhandelingen en bij bilaterale ontmoetingen met andere actoren het EU-mandaat te steunen;

23.  vraagt de Commissie en de lidstaten klimaatactie op de agenda te zetten van belangrijke internationale fora binnen de VN en fora zoals de G7 en de G20, en op zoek te gaan naar multilaterale partnerschappen rond specifieke onderwerpen in verband met de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's;

Openheid, inclusiviteit en transparantie

24.  vraagt de Commissie en de lidstaten strategische partnerschappen met zowel ontwikkelde landen als opkomende economieën te onderhouden en te versterken om de komende jaren een kopgroep op klimaatgebied te vormen, en zich meer solidair te tonen met kwetsbare staten; ondersteunt de langdurige en actieve inzet van de EU binnen de coalitie met een hoge ambitie en met de leden daarvan om uiting te geven aan hun vastberadenheid om te komen tot een​betekenisvolle uitvoering van de Overeenkomst van Parijs door de vaststelling van een solide rulebook in 2018 en een succesvolle Talanoa-dialoog tijdens de COP24;

25.  benadrukt dat om de stijging van de gemiddelde wereldwijde temperatuur tot 1,5 °C te beperken, effectieve deelname van alle partijen is vereist, wat op zijn beurt vereist dat problemen met gevestigde of tegengestelde belangen worden aangepakt; herhaalt in dit verband zijn steun voor het initiatief van regeringen die de meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigen om een specifiek beleid tegen belangenconflicten in het kader van het UNFCCC te introduceren; vraagt de Commissie en de lidstaten constructief aan dat proces mee te werken zonder de doelen en doelstellingen van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs in gevaar te brengen;

26.  benadrukt dat 80 % van de mensen die door klimaatverandering ontheemd zijn geraakt, vrouwen zijn, en dat vrouwen over het algemeen meer onder klimaatverandering te lijden hebben dan mannen, maar een zwaardere last te dragen hebben en minder betrokken zijn bij de besluitvorming over klimaatverandering; benadrukt dan ook dat empowerment van vrouwen en volledige en gelijkwaardige deelname en leiderschap van vrouwen in internationale fora zoals het UNFCCC en nationale, regionale en lokale klimaatactie, van vitaal belang zijn voor het welslagen en de doeltreffendheid van dergelijke actie; vraagt de EU en de lidstaten het genderperspectief in het klimaatbeleid te integreren en de participatie van inheemse vrouwen en verdedigers van vrouwenrechten in het UNFCCC-kader te bevorderen;

27.  verwelkomt het besluit van de COP23 betreffende de voortzetting van het Aanpassingsfonds en de rol ervan in het kader van de Overeenkomst van Parijs; onderkent het belang van het Aanpassingsfonds voor de gemeenschappen die het gevoeligst zijn voor klimaatverandering, en juicht het derhalve toe dat de lidstaten nieuwe toezeggingen aan het fonds ten belope van 93 miljoen USD hebben gedaan;

28.  neemt er kennis van dat de EU en haar lidstaten de grootste verstrekkers van publieke klimaatfinanciering zijn; vindt het zorgwekkend dat hetgeen de ontwikkelde landen tot nu toe daadwerkelijk hebben toegezegd, ver achterblijft bij het collectieve doel van 100 miljard USD per jaar; benadrukt dat het belangrijk is dat alle ontwikkelde partijen hun bijdrage aan dit doel leveren, aangezien langetermijnfinanciering van doorslaggevend belang is om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun aanpassings- en mitigatiedoelstellingen te verwezenlijken;

29.  benadrukt dat de begroting van de Unie moet stroken met haar internationale verbintenissen op het vlak van duurzame ontwikkeling en met haar klimaat- en energiedoelstellingen op middellange en lange termijn, en dus niet contraproductief mag zijn en de verwezenlijking ervan niet mag bemoeilijken; stelt bezorgd vast dat de Unie haar doelstelling om 20 % van haar totale uitgaven aan klimaatmaatregelen te besteden, waarschijnlijk niet gaat halen, en dringt dan ook aan op corrigerende maatregelen; onderstreept voorts dat de klimaat- en energiedoelstellingen van meet af aan centraal moeten staan in de politieke discussies over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode na 2020, zodat de nodige middelen beschikbaar zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken; herinnert aan zijn standpunt dat de huidige klimaatgerelateerde uitgaven zo snel mogelijk en uiterlijk in 2027 moeten worden verhoogd van 20 % naar 30 %; is van mening dat alle overige MFK-uitgaven in overeenstemming moeten zijn met de Overeenkomst van Parijs en niet contraproductief mogen zijn ten aanzien van de klimaatinspanningen;

30.  vraagt dat er een specifiek en automatisch openbaar financieringsmechanisme van de EU wordt ingesteld dat voorziet in extra en adequate steun opdat de EU haar billijke aandeel kan leveren met het oog op de internationale klimaatfinancieringsdoelstelling van 100 miljard USD;

De rol van niet-overheidsactoren

31.  herinnert eraan dat in de Overeenkomst van Parijs de belangrijke rol van meerlagig bestuur in klimaatbeleid wordt erkend, alsook de noodzaak om samen te werken met regio's, steden en niet-overheidsactoren;

32.  juicht het toe dat een steeds bredere coalitie van niet-overheidsactoren zich wereldwijd voor het klimaat inzet met concrete en meetbare doelstellingen; benadrukt dat er voor het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector en overheden op plaatselijk en regionaal niveau een belangrijke rol is weggelegd om de publieke opinie te beïnvloeden en de staat tot actie aan te sporen; vraagt de EU, de lidstaten en alle partijen om niet-overheidsactoren te stimuleren en te faciliteren, en op volledig transparante wijze met hen de dialoog aan te gaan, aangezien het juist deze groepen zijn die steeds meer het voortouw nemen bij de bestrijding van klimaatverandering, en hetzelfde te doen met actoren op subnationaal niveau, met name daar waar de betrekkingen van de EU met nationale regeringen op het vlak van klimaatbeleid zijn verslechterd; spreekt in dit verband zijn lof uit voor de toezegging – gedaan tijdens de COP23 – van 25 voorlopersteden, met in totaal 150 miljoen inwoners, om tegen 2050 hun emissies tot nul te reduceren;

33.  vraagt de Commissie haar betrekkingen met lokale en regionale overheden verder te versterken, thematische en sectorale samenwerking tussen steden en regio's, zowel binnen als buiten de EU, uit te breiden, aanpassings- en weerbaarheidsinitiatieven uit te werken en duurzameontwikkelingsmodellen en emissiereductieplannen te versterken in sleutelsectoren zoals energie, industrie, technologie, landbouw en vervoer, zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden, bijvoorbeeld door jumelageprogramma's, via het internationaal samenwerkingsprogramma voor steden, door steun aan platformen zoals het Burgemeestersconvenant en door het oprichten van nieuwe fora voor de uitwisseling van best practices; vraagt de EU en de lidstaten steun te verlenen aan inspanningen van regionale en lokale actoren om regionaal en lokaal bepaalde bijdragen in te voeren (analoog met NDC's) als de klimaatambitie daardoor kan worden verhoogd;

34.  moedigt de Commissie aan om in haar voorstel voor de EU-strategie voor CO2‑neutraliteit tegen het midden van de eeuw concrete broeikasgasemissiereductiedoelstellingen voor 2050 in alle sectoren vast te stellen en een duidelijk plan op te stellen voor de wijze waarop deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, met inbegrip van concrete mijlpalen voor 2035, 2040 en 2045; vraagt de Commissie voorstellen op te nemen over hoe er overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs meer verwijderingen per put kunnen worden gerealiseerd om uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit in de Unie te verwezenlijken en spoedig daarna tot negatieve emissies te komen; vraagt dat in deze strategie wordt voorzien in een billijke verdeling van de inspanning tussen sectoren en een mechanisme om de resultaten van de vijfjaarlijkse mondiale inventarisatie te verwerken, zodat rekening wordt gehouden met de bevindingen van het op handen zijnde speciale verslag van de IPCC, de aanbevelingen en standpunten van het Europees Parlement, alsook de standpunten van niet-overheidsactoren, zoals lokale en regionale overheden, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector;

35.  benadrukt dat de langetermijnstrategie van de EU moet worden gezien als een mogelijkheid om strategische toekomstige prioriteiten te stellen voor een moderne, groene EU-economie waar volledig gebruik wordt gemaakt van het potentieel van technologische vooruitgang en met een hoog niveau van sociale zekerheid en hoge consumentennormen, en die gunstig zal zijn voor de industrie en het maatschappelijk middenveld, vooral op de lange termijn;

36.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om strategieën en programma's uit te werken voor de transitie binnen sectoren die wordt veroorzaakt door decarbonisatie en technologische ontwikkelingen, en uitwisseling van kennis en good practices tussen de regio's, werknemers en bedrijven in kwestie mogelijk te maken, alsook steun te verlenen aan regio's en werknemers om hen te helpen zich voor te bereiden op structurele veranderingen, actief op zoek te gaan naar nieuwe economische mogelijkheden en strategische locatiebeleidsmaatregelen uit te werken om te zorgen voor een verantwoorde overgang naar een CO2-neutrale economie in Europa;

37.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat NDC's stroken met de voor de hele economie geldende inspanningen die door de Overeenkomst van Parijs zijn vereist, de partijen moeten worden aangemoedigd om de emissies van de internationale scheepvaart en luchtvaart daarin op te nemen en in te stemmen met en uitvoering te geven aan maatregelen op internationaal, regionaal en nationaal niveau om de emissies van deze sectoren aan te pakken;

Alomvattende inspanningen van alle sectoren

38.  juicht het toe dat wereldwijd steeds meer regelingen voor emissiehandel worden ingevoerd, en met name ook dat China in december 2017 de eerste fase van een nationale regeling voor emissiehandel in de elektriciteitssector heeft geïntroduceerd; verwelkomt ook de overeenkomst inzake het onderling koppelen van de Europese regeling voor emissiehandel en de Zwitserse regeling, die eind 2017 is ondertekend, en vraagt de Commissie te bekijken of er met de CO2-markten van nog andere derde landen en regio's vergelijkbare koppelingen en andere vormen van samenwerking mogelijk zijn, en de oprichting te bevorderen van nog meer CO2-markten en andere koolstofbeprijzingsmechanismen, die bijdragen tot de reductie van de wereldwijde emissies, voor meer efficiëntie en kostenbesparingen zorgen en het risico van koolstoflekkage reduceren doordat ze voor een wereldwijd level playing field zorgen; vraagt de Commissie vrijwaringsmechanismen in te stellen om ervoor te zorgen dat koppelingen met de EU ETS-regeling extra en permanente mitigatiebijdragen blijven opleveren en de interne verbintenissen van de Unie op het van gebied van broeikasgassen niet ondermijnen;

39.  betreurt het dat de vervoerssector de enige sector is waar de emissies sinds 1990 zijn toegenomen; benadrukt dat dit niet verenigbaar is met duurzame ontwikkeling op lange termijn, die integendeel vereist dat de emissies van alle sectoren van de samenleving verder en sneller afnemen; herinnert eraan dat de vervoerssector tegen 2050 volledig koolstofvrij moet zijn;

40.  is erg teleurgesteld over het voorstel van de Commissie met betrekking tot de CO2-emissienormen voor de periode na 2020 voor personenauto's en lichte bedrijfswagens, aangezien deze niet stroken met de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

41.  maakt zich zorgen over het ambitieniveau van de regeling voor koolstofcompensatie en ‑reductie voor de internationale luchtvaart (Corsia) van de ICAO, gezien de lopende werkzaamheden met betrekking tot de normen en de aanbevolen praktijken (SARP's) voor de implementatie van de regeling vanaf 2019; is sterk gekant tegen de pogingen om Corsia op te leggen voor vluchten binnen Europa, waarbij EU-wetgeving en onafhankelijke besluitvorming aan de kant worden geschoven; benadrukt dat een verdere uitholling van het ontwerp van de SARP's voor Corsia onaanvaardbaar is; vraagt de Commissie en de lidstaten al het mogelijke te doen om de bepalingen van Corsia te verscherpen en zo de impact van de regeling in de toekomst te vergroten;

42.  herinnert aan Verordening (EU) nr. 2017/2392 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG om de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten voort te zetten en de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 voor te bereiden(8), en met name artikel 1, lid 7, waarin duidelijk wordt gesteld dat het Europees Parlement en de Raad als medewetgevers de enige instellingen zijn die kunnen beslissen over eventuele latere wijzigingen van de ETS-richtlijn; roept de lidstaten op om in de geest van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" een formeel voorbehoud in te dienen tegen de SARP's voor Corsia, en daarin te stellen dat voor de tenuitvoerlegging van Corsia en voor deelname aan de vrijwillige fasen voorafgaande goedkeuring van de Raad en het Europees Parlement vereist is;

43.  herinnert eraan dat de Unie de afwijking van de EU-regeling voor emissiehandel voor vluchten buiten de EER nog eens heeft verlengd, tot 2024, om de ICAO in de gelegenheid te stellen met een wereldwijde oplossing voor de emissies door de luchtvaart te komen; beklemtoont evenwel dat elke verdere wijziging van de wetgeving alleen mag worden toegestaan als deze strookt met de verbintenissen van de EU betreffende de voor de hele economie geldende broeikasgasemissiereducties, waarin niet in het gebruik van compensatiecredits na 2020 is voorzien;

44.  is verheugd dat EU-regeling voor de emissiehandel in de luchtvaart al voor zo'n 100 miljoen ton CO2‑reducties/‑compensaties heeft gezorgd;

45.  wijst er nog eens op dat de CO2-emissies van de scheepvaart tussen nu en 2050 naar verwachting met 50 à 250 % zullen toenemen en dat er reeds technische oplossingen bestaan om de emissies van schepen sterk te verminderen; verwelkomt het akkoord over de IMO-strategie voor de reductie van de broeikasgasemissies van schepen, dat in april 2018 tijdens de 72e sessie van het Comité voor de bescherming van het mariene milieu van de IMO is bereikt, als een eerste stap waarmee de sector een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; roept de IMO op snel afspraken te maken over nieuwe verplichte maatregelen voor emissiereducties die nodig zijn voor het halen van de doelstellingen, en beklemtoont hoe belangrijk en urgent het is deze vóór 2023 uit te voeren; onderstreept dat er verdere maatregelen en acties nodig zijn om de emissie van schepen aan te pakken, en vraagt de EU en de lidstaten in dit verband nauwlettend toe te zien op de uitvoering en het effect van het IMO-akkoord, en na te denken over aanvullende EU-maatregelen om ervoor te zorgen dat de broeikasgasemissies van schepen overeenkomen met de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de Commissie op aan de internationale scheepvaart op te nemen in haar toekomstige decarbonisatiestrategie voor 2050 teneinde de investeringsbeslissingen van de EU in de richting van koolstofneutrale brandstoffen en aandrijvingstechnologieën voor de scheepvaart te sturen;

46.  overwegende dat ontbossing en aantasting van bossen bijna 20 % van de mondiale CO2‑emissies veroorzaken; onderstreept de belangrijke rol die bossen en moerasgebied vervullen bij de beperking van klimaatverandering, aangezien zij veel koolstof kunnen vasthouden; wijst erop dat natuurlijke koolstofputten en -reservoirs in de EU en de rest van de wereld op de lange termijn in stand moeten worden gehouden en moeten worden uitgebreid, en dat de totale oppervlakte aan bossen in de wereld, alsook hun aanpassingsvermogen en klimaatbestendigheid, verder moeten worden vergroot om de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt voorts dat er behoefte is aan mitigatiemaatregelen voor het tropisch regenwoud, maar dat ook de onderliggende oorzaken van de verdwijning van bossen en van de klimaatverandering moeten worden aangepakt;

Klimaatbestendigheid door aanpassing

47.  verzoekt de Commissie de EU-aanpassingsstrategie te herzien, aangezien aanpassing voor alle landen een absolute noodzaak is als zij de negatieve gevolgen van de klimaatverandering tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling;

48.  beschouwt het operationeel worden van het platform van plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren als een van de succesverhalen van de COP23 en alweer een belangrijke stap in de richting van de uitvoering van de besluiten die in Parijs zijn genomen; is van oordeel dat het platform zal bijdragen tot een effectieve uitwisseling van ervaringen en best practices op het gebied van aanpassingsinspanningen en ‑strategieën;

49.  benadrukt dat er openbare, transparante en gebruiksvriendelijke structuren en instrumenten moeten worden ontwikkeld om op de hoogte te blijven van de voortgang en de doeltreffendheid van de nationale plannen en maatregelen;

Klimaatdiplomatie

50.  is groot voorstander van de voortzetting en verdere versterking van het EU-beleid van politieke toenadering en klimaatdiplomatie, dat essentieel is om klimaatactie beter bekend te maken in de partnerlanden en de wereldwijde publieke opinie; vraagt dat de EDEO en de Commissie personele en financiële middelen krijgen die beter aansluiten bij de sterke inzet voor en de grotere betrokkenheid bij klimaatdiplomatie; benadrukt dat er een alomvattende strategie voor de klimaatdiplomatie van de EU moet worden uitgestippeld en dat klimaatactie op alle gebieden van het externe optreden van de EU een plaats moet krijgen, waaronder handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en veiligheid en defensie;

51.  wijst op de groter wordende gevolgen van de klimaatverandering voor de internationale veiligheid en de regionale stabiliteit, als gevolg van de achteruitgang van het milieu, het verlies van bestaansmiddelen, door het klimaat veroorzaakte ontheemding en daarmee gepaard gaande onrust, waarbij de klimaatverandering vaak als multiplicator van bedreigingen kan worden beschouwd; roept de EU en de lidstaten dan ook op om met hun partners in de rest van de wereld samen te werken om de destabiliserende gevolgen van de klimaatverandering beter te begrijpen en te integreren, er beter op te anticiperen en er beter mee om te gaan; beklemtoont dan ook dat het belangrijk is klimaatdiplomatie tot een vast onderdeel van het Europese beleid voor conflictpreventie te maken;

52.  vraagt de Commissie en de lidstaten allianties met een hoge ambitie in het leven te roepen om het voortouw te nemen bij de integratie van klimaatactie in verschillende kwesties betreffende buitenlands beleid, zoals handel, internationale migratie, de hervorming van de internationale financiële instellingen en vrede en veiligheid;

53.  verzoekt de Commissie het aspect klimaatverandering op te nemen in internationale handels- en investeringsovereenkomsten en van de ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs een voorwaarde te maken voor toekomstige handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie grondig te beoordelen in welke mate de bestaande overeenkomsten stroken met de Overeenkomst van Parijs;

Industrie en concurrentievermogen

54.  benadrukt dat klimaatverandering bovenal een maatschappelijke uitdaging is en dat de bestrijding ervan daarom een van de leidende beginselen van het beleid en het optreden van de EU moet blijven, ook op het gebied van industrie, energie, onderzoek en digitale technologie;

55.  is verheugd over de inspanningen die de Europese burgers, bedrijven en industrie hebben geleverd om de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs na te komen, en over de vooruitgang die zij tot nu toe hebben geboekt; moedigt hen aan om hogere ambities te stellen, ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die uit de Overeenkomst van Parijs voortvloeien en gelijke tred te houden met de technologische ontwikkelingen;

56.  benadrukt dat een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke beleidssignalen op mondiaal en EU-niveau klimaatgerelateerde investeringen faciliteren en bevorderen; benadrukt in dit verband hoe belangrijk de wetgevingsvoorstellen in het kader van het pakket "Schone energie voor alle Europeanen" zijn om het concurrentievermogen van de EU te versterken, burgers mondiger te maken en doelstellingen vast te stellen die stroken met de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de vijfjaarlijkse herziening;

57.  is verheugd dat verscheidene landen waar belangrijke concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU gevestigd zijn, een emissiehandelssysteem of andere prijsstellingsmechanismen hebben ingevoerd; moedigt andere landen aan om dat ook te doen;

58.  benadrukt het belang van een toename van het aantal kwalitatief hoogwaardige banen en geschoolde werknemers in de EU-industrie om innovatie en een duurzame transitie te stimuleren; pleit voor een holistisch en inclusief proces om een visie te ontwikkelen voor een alternatief bedrijfsmodel in steenkool- en koolstofintensieve regio's met een hoog percentage werknemers in sectoren die afhankelijk zijn van koolstof, teneinde een duurzame transformatie voor bloeiende industrieën en diensten te vergemakkelijken, met erkenning voor het erfgoed en de beschikbare vaardigheden van de beroepsbevolking; onderstreept dat er voor de lidstaten een belangrijke rol is weggelegd bij het bespoedigen van hervormingen die kunnen leiden tot een billijke transitie van de beroepsbevolking in deze regio's; herinnert eraan dat extra financiële steun van de EU in dit verband een onmisbare rol speelt;

Energiebeleid

59.  herinnert eraan dat de investeringen in hernieuwbare energie in de EU afnemen; wijst er daarom op dat hernieuwbare energie en energie-efficiëntie van groot belang zijn voor het verminderen van de emissies, alsook voor energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede om kwetsbare huishoudens te beschermen en te helpen; dringt aan op een wereldwijde bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparingen en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld door stimulansen voor het zelf opwekken van hernieuwbare energie voor eigen gebruik);

60.  herinnert eraan dat voorrang voor energie-efficiëntie, onder meer aan de hand van het beginsel "energie-efficiëntie eerst", en wereldwijd leiderschap op het gebied van hernieuwbare energiebronnen twee van de belangrijkste doelstellingen van de energie-unie van de EU zijn; benadrukt het belang van ambitieuze wetgeving in het kader van het pakket schone energie voor de verwezenlijking van deze doelstellingen, alsook van de komende strategie om de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd ruim onder 2 °C te houden, met als verdere doelstelling deze onder 1,5 °C te houden, tegen het midden van de eeuw effectief ten uitvoer te leggen in het EU-beleid;

61.  onderstreept hoe belangrijk het is technologie voor energieopslag, slimme energienetten en vraagsturing te ontwikkelen om ervoor te helpen zorgen dat hernieuwbare energiebronnen effectief worden ingezet bij de opwekking van elektriciteit en in de sector verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;

62.  vraagt de EU de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, met inbegrip van een tijdschema, voor het geleidelijk afbouwen van voor het milieu schadelijke subsidies die concurrentieverstorend werken, een belemmering vormen voor internationale samenwerking en innovatie in de weg staan;

Beleid inzake onderzoek, innovatie, digitale technologieën en ruimtevaart

63.  onderstreept dat verder en meer onderzoek en innovatie op het gebied van beperking van de klimaatverandering, aanpassingsbeleid, efficiënt gebruik van hulpbronnen, duurzame emissiearme en emissievrije technologieën, duurzaam gebruik van secundaire grondstoffen ("circulaire economie") en het verzamelen van gegevens over klimaatverandering essentieel zijn voor een kosteneffectieve bestrijding van de klimaatverandering en ons minder afhankelijk helpen maken van fossiele brandstoffen; dringt daarom aan op wereldwijde verbintenissen om investeringen op deze gebieden te bevorderen en te focussen; benadrukt dat in het kader van het nieuwe programma "Horizon Europa" prioriteit moet worden gegeven aan de financiering van projecten op het gebied van duurzame energie, gezien de verbintenissen die de Unie in het kader van de energie-unie en de Overeenkomst van Parijs is aangegaan;

64.  benadrukt dat de SDG's een radicale verandering in het internationale beleid inzake ontwikkelingssamenwerking inhouden en dat de EU zich ertoe heeft verbonden de SDG's in haar interne en externe beleid ten uitvoer te leggen; benadrukt, in overeenstemming met de externe dimensie van de SDG's, dat verschillende methoden moeten worden onderzocht om ontwikkelingslanden en opkomende economieën te helpen bij hun energietransitie, onder meer door middel van capaciteitsopbouwende maatregelen, hulp bij het verminderen van de kapitaalkosten van hernieuwbare energiebronnen en projecten voor energie-efficiëntie, technologieoverdracht en oplossingen voor de ontwikkeling van slimme steden en afgelegen gemeenschappen en plattelandsgemeenschappen, zodat zij hun verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs kunnen nakomen; is in dit verband verheugd over het onlangs opgerichte Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling;

65.  herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen tot de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie behoren; stelt vast dat de EU vastbesloten is om op deze gebieden een wereldleider te blijven, en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners ontwikkelt; wijst erop hoe belangrijk het is dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van technologieën voor schone en duurzame energie wordt opgebouwd en gehandhaafd;

66.  herinnert eraan dat digitale technologieën een fundamentele rol spelen bij de ondersteuning van de energietransitie en met name de verbetering van de energie-efficiëntie en energiebesparingen; wijst op de klimaatvoordelen die de digitalisering van de Europese industrie kan opleveren door een efficiënt gebruik van hulpbronnen, een lagere materiaalintensiteit en het vergroten van het huidige arbeidspotentieel;

67.  is er vast van overtuigd dat de ruimtevaartprogramma's van de Unie zodanig moeten worden opgezet dat zij bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering en mitigatiestrategieën; herinnert er in dit verband aan dat het Copernicus-systeem een bijzondere rol speelt en dat het over een dienst voor CO2-monitoring moet beschikken; benadrukt hoe belangrijk het is het beleid van vrije, volledige en open gegevens te handhaven, aangezien dit essentieel is voor de wetenschappelijke gemeenschap en internationale samenwerking op dit gebied ondersteunt;

Klimaatactie in de ontwikkelingslanden

68.  benadrukt dat het mogelijk moet blijven om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C en dat grote uitstoters, met inbegrip van de EU, de plicht hebben om hun mitigatie-inspanningen, die aanzienlijke nevenvoordelen op het gebied van duurzame ontwikkeling kunnen opleveren, snel op te voeren en hun steun voor klimaatmaatregelen in de ontwikkelingslanden aanzienlijk op te voeren;

69.  onderstreept het belang van klimaatgeïnformeerde besluitvorming en de ondersteuning daarvan door de verbetering van klimaatdiensten, die van bijzonder belang zijn voor ontwikkelingslanden; dringt erop aan dat dit een belangrijke doelstelling van door de EU gefinancierd onderzoek wordt en dat de EU zich sterk inspant om de overdracht van technologie naar ontwikkelingslanden te vergemakkelijken; dringt aan op een WTO-verklaring over intellectuele-eigendomsrechten en klimaatverandering, naar analogie met de Verklaring van Doha van 2001 over de TRIPS-overeenkomst en de volksgezondheid;

70.  herinnert eraan dat de ontwikkelde landen zich ertoe hebben verbonden nieuwe en extra financiering te verstrekken voor klimaatmaatregelen in de ontwikkelingslanden, die tegen 2020 100 miljard USD per jaar moet bedragen; erkent de noodzaak van een voortdurende toename en een striktere boekhouding van de financiële inspanningen, onder meer door aandacht te besteden aan de vereiste dat de financiering nieuw en aanvullend moet zijn en door alleen het subsidie-equivalent van leningen op te nemen, berekend volgens de methode die is overeengekomen in de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO; beveelt aan dat de EU-lidstaten de werkwijze volgen die de Commissie heeft ontwikkeld voor het gebruik van de Rio-indicatoren voor officiële ontwikkelingshulp met een klimaatdoelstelling;

71.  verzoekt de EU zich te houden aan het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU, aangezien dit een fundamenteel aspect vormt van de bijdrage van de EU aan de Overeenkomst van Parijs; vraagt de EU daarom te zorgen voor samenhang tussen haar ontwikkelings-, handels-, landbouw- en klimaatbeleid;

72.  herinnert eraan dat de klimaatverandering zowel directe als indirecte gevolgen heeft voor de productiviteit van de landbouw; herhaalt zijn oproep om de manier waarop we voedsel produceren en consumeren, te veranderen in de richting van een agro-ecologische praktijk, overeenkomstig de conclusies van de Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD) en de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel; looft de initiatieven van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) om de agro-ecologie uit te breiden teneinde de SDG's te verwezenlijken; vraagt de EU en haar lidstaten hun ontwikkelingsbeleid in deze zin uit te stippelen, ook in het onderdeel landbouwinvesteringen van de EFDO;

73.  onderstreept dat de nog steeds stijgende CO2-uitstoot als gevolg van vervoer en handel de doeltreffendheid van de klimaatveranderingsstrategie van de EU ondermijnt; merkt op dat de bevordering van een op export gerichte ontwikkeling, ook via exportgerichte industriële landbouw, moeilijk te verenigen is met de dringende noodzaak om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken;

74.  is van mening dat de EU moet nagaan hoe de Europese handel in en consumptie van producten die bossen in gevaar brengen, zoals soja, palmolie, eucalyptus, rundvlees, leder en cacao, kan worden gecontroleerd, rekening houdend met de lessen die zijn geleerd uit het FLEGT-actieplan en de houtverordening en uit de EU-maatregelen om andere toeleveringsketens te reguleren teneinde ernstige schade een halt toe te roepen of te voorkomen; wijst erop dat de sleutel tot het welslagen van dergelijke inspanningen onder meer gelegen is in de handhaving van traceerbaarheid en verplichte zorgvuldigheidseisen in de hele toeleveringsketen;

75.  vraagt de Europese Investeringsbank spoedig een einde te maken aan kredietverlening voor projecten rond fossiele brandstoffen en verzoekt de EU-lidstaten een einde te maken aan alle exportkredietgaranties voor projecten rond fossiele brandstoffen; pleit voor specifieke publieke garanties ten behoeve van groene investeringen, labels en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

76.  benadrukt hoe belangrijk het is de wereldwijde doelstelling inzake aanpassing te verwezenlijken en omvangrijke nieuwe fondsen te mobiliseren voor aanpassing in ontwikkelingslanden; vraagt de EU en haar lidstaten zich ertoe verbinden om de aanpassingsfinanciering die zij verstrekken, aanzienlijk te verhogen; erkent dat er ook vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van verlies en schade, waarvoor extra middelen moeten worden uitgetrokken via innovatieve bronnen van overheidsfinanciering met behulp van het internationale mechanisme van Warschau;

77.  benadrukt de noodzaak van bottom-up, lokaal geleide projecten die bijzonder kwetsbare mensen en gemeenschappen bereiken; merkt op dat de huidige nadruk op blendingverrichtingen en waarborgen om particuliere investeringen te faciliteren, grote projecten bevoordeelt, en vraagt om een passend evenwicht in het gebruik van de steunfondsen;

78.  merkt op dat de luchtvaartsector sterk afhankelijk is van koolstofcompensaties en dat boskoolstofcompensatie moeilijk te meten en onmogelijk te garanderen is; benadrukt dat erop moet worden toegezien dat het koolstofcompensatie- en -reductieprogramma voor de internationale luchtvaart (Corsia) en andere projecten op generlei wijze schade toebrengen aan de voedselzekerheid, de landrechten, de rechten van inheemse volkeren of de biodiversiteit, en dat het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming in acht wordt genomen;

Rol van het Europees Parlement

79.  is van mening dat het Parlement goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd, aangezien het zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in Europa; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Katowice mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0280.
(2) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 70.
(3) PB L 236 van 14.9.2017, blz. 1.
(4) http://www3.weforum.org/docs/WEF_GRR18_Report.pdf
(5) http://www.bmub.bund.de/fileadmin/Daten_BMU/Download_PDF/Europa___International/green_growth_group_financing_climate_action_bf.pdf
(6) http://copernicus.eu/news/report-operational-anthropogenic-co2-emissions-monitoring
(7) UNEP, "The Emissions Gap Report 2017 – The emissions gap and its implications", blz. 18.
(8) PB L 350 van 29.12.2017, blz. 7.

Laatst bijgewerkt op: 10 december 2019Juridische mededeling