Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2081(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0327/2018

Ingediende teksten :

A8-0327/2018

Debatten :

PV 12/11/2018 - 19
CRE 12/11/2018 - 19

Stemmingen :

PV 13/11/2018 - 4.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0441

Aangenomen teksten
PDF 191kWORD 57k
Dinsdag 13 november 2018 - Straatsburg Voorlopige uitgave
EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs
P8_TA-PROV(2018)0441A8-0327/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs (2018/2081(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, volgens welke "eenieder [...] recht [heeft] op onderwijs. Het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft",

–  gezien het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde document getiteld "Transforming Our World: The 2030 Agenda for Sustainable Development", waarin wordt erkend dat rechtvaardigheid, inclusie en gendergelijkheid onlosmakelijk verbonden zijn met het recht op onderwijs voor iedereen,

–  gezien de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), en met name doelstelling 4: "Inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs en kansen voor levenslang leren voor iedereen", en de verklaring van Incheon en het actiekader voor de tenuitvoerlegging van doelstelling 4, waarin wordt verklaard dat gendergelijkheid onlosmakelijk verbonden is met het recht op onderwijs voor iedereen,

–  gezien de algemene aanbeveling nr. 36 (2017) van de VN-commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen inzake het recht van meisjes en vrouwen op onderwijs,

–  gezien de op 27 juli 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen actieagenda van Addis Abeba over ontwikkelingsfinanciering,

–  gezien resolutie 35/L2 van 22 juni 2017 van de VN-Mensenrechtenraad getiteld "The right to education: follow‑up to Human Rights Council resolution 8/4",

–  gezien de mededeling van de Commissie uit 2002 inzake de rol van onderwijs en scholing in de armoedebestrijding in ontwikkelingslanden (COM(2002)0116),

–  gezien het werkdocument van de Commissie uit 2010 over meer en beter onderwijs in ontwikkelingslanden getiteld "More and Better Education in Developing Countries" (SEC(2010)0121),

–  gezien de mededeling van de Commissie uit 2018 over onderwijs in noodsituaties en aanhoudende crises (COM(2018)0304),

–  gezien de verklaring van Charlevoix over kwaliteitsvol onderwijs voor meisjes, adolescente meisjes en vrouwen in ontwikkelingslanden, die op 9 juni 2018 door de G7 is aangenomen,

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling en de EU‑gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid (COM(2007)0072),

–  gezien zijn resolutie van 31 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk werkdocument (SWD(2015)0182) – Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over het verbeteren van de schuldhoudbaarheid van de ontwikkelingslanden(2),

–  gezien het in 2017 gepubliceerde Global Monitoring Report van de Unesco over onderwijs getiteld "Accountability in education: Meeting our commitments",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0327/2018),

A.  overwegende dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en een spilfunctie vervult bij de verwezenlijking van alle doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat onderwijs voorkomt dat armoede wordt overgedragen van de ene generatie op de andere en een centrale rol speelt bij de verwezenlijking van gendergelijkheid en de emancipatie van vrouwen; overwegende dat onderwijs als ruimte van rechten meer omvat dan alleen gelijkheid uitgedrukt in cijfers en doorgaans bijdraagt tot daadwerkelijke gendergelijkheid in en door het onderwijs;

B.  overwegende dat de laatste mededeling van de Commissie over onderwijs in ontwikkelingslanden uit 2002 dateert en pas in 2010 is herzien door middel van een werkdocument;

C.  overwegende dat in 2009 onderwijssteun 8,3 % vertegenwoordigde van de totale ontwikkelingshulp; overwegende dat dit percentage in 2015 tot 6,2 % was gedaald; overwegende dat voor de Unie en haar lidstaten dit percentage in dezelfde periode van 11 % naar 7,6 % is gedaald;

D.  overwegende dat de steun aan het basisonderwijs van de Unie en haar lidstaten tussen 2009 en 2015 met 33,9 % is gedaald, wat een sterkere daling is dan die van de algemene onderwijssteun (15,2 %);

E.  overwegende dat in 2015, 264 miljoen kinderen en jongeren die de leeftijd hadden om naar de lagere of middelbare school te gaan, geen onderwijs volgden;

F.  overwegende dat er eind 2017 wereldwijd meer dan 25,4 miljoen vluchtelingen waren, waaronder 7,4 miljoen kinderen in de basisschoolleeftijd en waarvan er 4 miljoen geen toegang hadden tot welk soort basisonderwijs ook; overwegende dat in landen die te maken hebben met kwetsbaarheid en conflicten 37 % meer meisjes dan jongens niet naar de basisschool gaan en voor jonge vrouwen de kans dat zij niet naar de middelbare school gaan 90 % groter is dan voor jonge vrouwen in landen die niet door een conflict zijn getroffen;

G.  overwegende dat volgens het VN-rapport van 2017 over de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in 2011 slechts een kwart van de scholen in Afrika ten zuiden van de Sahara elektriciteit had en minder dan de helft ervan toegang tot drinkwater had; overwegende dat Afrika ten zuiden van de Sahara het laagste percentage opgeleide leraren in zowel het basis- als het voortgezet onderwijs heeft;

H.  overwegende dat onderwijssteun in ontwikkelingslanden voorheen te sterk gericht was op het aantal ingeschreven studenten en onvoldoende op de kwaliteit van het onderwijs; overwegende dat de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling erop gericht is tegen 2030 kwalitatief onderwijs voor iedereen te bieden;

I.  overwegende dat bepaalde bedrijven in ontwikkelingslanden moeite hebben personeel te vinden met de kwalificaties waar zij behoefte aan hebben;

J.  overwegende dat de maatregelen die sinds 2016 zijn genomen, die kunnen worden toegejuicht, echter onvoldoende waren om de geaccumuleerde achterstand in te halen en dan ook op langere termijn moeten worden voortgezet en uitgebreid;

K.  overwegende dat volgens de Unesco de onderwijssteun aan landen met een laag of een lager middeninkomen moet worden verzesvoudigd om de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling tegen 2030 te kunnen verwezenlijken; overwegende dat volgens de Internationale Commissie inzake de financiering van onderwijsmogelijkheden in de wereld, de onderwijssteun in 2030 op 89 miljard dollar moet komen, waar deze momenteel 12 miljard dollar bedraagt;

Onderwijs tot de kern van ontwikkeling maken

1.  is ervan overtuigd dat onderwijssteun een prioriteit moet zijn, niet alleen omdat onderwijs een grondrecht is maar ook omdat het een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de andere doelstellingen voor duurzame ontwikkeling: aan economische ontwikkeling en de vermindering van ongelijkheden, aan gendergelijkheid, aan de zelfbeschikking van meisjes en vrouwen, aan de sociale inclusie van personen met een beperking, aan de volksgezondheid, aan democratie en de rechtsstaat, en aan conflictpreventie;

2.  betreurt derhalve dat onderwijssteun geen prioriteit is voor internationale geldschieters; verzoekt met klem dat onderwijs tot de kern wordt gemaakt van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie en haar lidstaten;

3.  erkent dat voor de verwezenlijking van de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling massief in de onderwijsstelsels moet worden geïnvesteerd; stelt dat deze investering in de eerste plaats door de ontwikkelingslanden zelf moet worden gedaan, maar dat internationale steun noodzakelijk zal zijn om in de resterende financiële behoeftes te voorzien;

4.  verzoekt de Commissie haar mededeling uit 2002 over onderwijs en opleiding in het kader van de vermindering van armoede in ontwikkelingslanden aan een herziening te onderwerpen, evenals haar werkdocument uit 2010; stelt dat in de nieuwe mededeling moet worden vermeld met welke middelen de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling tegen 2030 zal worden verwezenlijkt;

5.  verzoekt de Unie en haar lidstaten om 10 % van hun officiële ontwikkelingshulp aan onderwijs te besteden tegen 2024, en 15 % tegen 2030;

6.  herinnert eraan dat de noodzakelijke verhoging van de inspanningen door de ontwikkelingslanden om billijke belastingstelsels te bevorderen en illegale geldstromen te bestrijden en de broodnodige verhoging van de officiële ontwikkelingshulp niet zullen volstaan om het tekort aan financiering te dekken; dringt daarom aan op de invoering van innovatieve financieringsmiddelen, die bestaande financieringsmechanismen en -initiatieven stimuleren en daarop zijn afgestemd, om de nationale onderwijsstelsels te versterken;

7.  volgt met belangstelling het voorstel van de Internationale Commissie inzake de financiering van onderwijsmogelijkheden in de wereld om een internationale financieringsfaciliteit voor onderwijs (IFFEd) tot stand te brengen, mits deze daadwerkelijk ter aanvulling komt van de huidige inspanningen en deze niet vervangt; is van mening dat dit initiatief in samenhang met de actie van het wereldwijde partnerschap voor onderwijs moet worden uitgevoerd; stelt dat voorafgaand aan elke financiering, de leningscapaciteit van de in aanmerking komende landen goed moet worden onderzocht;

8.  merkt op dat de doelstelling om 20 % van de officiële ontwikkelingshulp van de Unie aan sociale inclusie en menselijke ontwikkeling, met inbegrip van sociale basisvoorzieningen waaronder gezondheid en onderwijs te besteden, onnauwkeurig is en het niet mogelijk maakt de uitgaven naar behoren te volgen; dringt erop aan dat de gekwantificeerde doelstellingen in het volgende meerjarig financieel kader worden opgenomen;

De prioriteiten aanpakken

9.  brengt in herinnering dat alleen als de basisvaardigheden, met inbegrip van digitale vaardigheden, beheerst worden verdere vaardigheden kunnen worden ontwikkeld en een vak kan worden uitgeoefend, dat onderwijs voor meisjes een beslissend hefboomeffect heeft op de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, op de volksgezondheid en het algemeen welzijn, evenals op de totstandbrenging van vreedzame samenlevingen, en dat het de minst ontwikkelde landen het vaakst aan financiering ontbreekt terwijl juist in deze landen investeringen het meeste opleveren, voor de mensen zelf, voor de samenleving, voor de economie en voor de volksgezondheid;

10.  brengt in herinnering dat de emancipatie van kwetsbare groepen van cruciaal belang is om een einde te maken aan armoede; dringt erop aan dat alle mensen, ongeacht hun geslacht, leeftijd, etnische afkomst, taal, godsdienst, politieke opvattingen of andere overtuiging, met inbegrip van personen met een handicap, migranten en inheemse mensen, toegang moeten hebben tot inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs en kansen voor levenslang leren;

11.  stelt dan ook dat de onderwijssteun van de Unie allereerst op twee prioriteiten moet zijn gericht: hoogwaardig en inclusief basisonderwijs en meer steun aan de minst ontwikkelde landen;

12.  legt bijzondere nadruk op de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.1, gericht op gratis en kwalitatief lager en middelbaar onderwijs gedurende 12 jaar voor iedereen; herhaalt dat dit een belangrijke pijler van het partnerschap tussen Afrika en de EU moet zijn, overeenkomstig de strategische prioriteiten waarover overeenstemming is bereikt tijdens de top van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie in 2017; wijst erop dat gratis inhoudt dat er niet alleen geen schoolgeld moet worden betaald, maar ook dat er geen verdoken kosten zijn zoals schoolmateriaal, vervoer en voeding; is van mening dat landen moeten overwegen om beurzen in te voeren om ervoor te zorgen dat ook de minst bevoordeelde kinderen naar school kunnen; herinnert eraan dat het belangrijk is pluralisme en de keuzevrijheid van de ouders te waarborgen; beveelt de Europese Unie en de lidstaten niettemin aan om overeenkomstig de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.1 en artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de officiële ontwikkelingshulp niet te gebruiken om steun te verlenen aan commerciële onderwijsinstellingen met een winstgevend doel, die de beginselen en waarden van de Unie niet eerbiedigen;

13.  verzoekt de Unie en haar lidstaten om tegen 2030 ten minste de helft van hun onderwijssteun aan basisonderwijs te besteden;

14.  wenst eveneens dat ten minste 40 % van de onderwijssteun van de Unie en de lidstaten naar de minst ontwikkelde landen gaat;

15.  wenst dat bijzondere aandacht uitgaat naar gelijkheid tussen meisjes en jongens, wat van cruciaal belang is om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken en te voldoen aan het beginsel om niemand uit te sluiten; roept de EU op inclusief en hoogwaardig onderwijs te bevorderen om hindernissen voor de toegang van meisjes tot onderwijs en het volgen en afronden van opleidingen door meisjes weg te nemen; herinnert aan de doelstelling volgens welke 85 % van de nieuwe programma's van de Europese Unie tegen 2020 gendergelijkheid als belangrijkste of wezenlijke doelstelling moeten hebben; dringt verder aan op de ondersteuning van de invoering van onderwijsstelsels die zijn afgestemd op de behoeften van studenten met een handicap en van andere minderheden en kwetsbare groepen, waarbij rekening wordt gehouden met de plaatselijke omstandigheden;

16.  is ingenomen met het feit dat de Commissie haar mededeling over onderwijs in noodsituaties en aanhoudende crises heeft aangenomen en daarin de doelstelling heeft opgenomen om al in 2019, 10 % van de humanitaire steun van de Unie aan onderwijs te besteden;

17.  herinnert eraan dat onderwijs voor vluchtelingenkinderen of ontheemde kinderen van meet af aan als een prioriteit moet worden beschouwd; benadrukt dat het belangrijk is landen waar zich onstabiele situaties en conflicten voordoen te ondersteunen om hun systemen weerbaarder te maken en te zorgen voor toegang tot hoogwaardig onderwijs, met inbegrip van middelbaar onderwijs, voor vluchtelingenkinderen en -jongeren, binnenlands ontheemden en hun gastgemeenschappen;

18.  benadrukt dat een beter geïntegreerde, snellere, meer stelselmatige en doeltreffender aanpak moet worden gevolgd waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken om in te kunnen spelen op de onderwijsbehoeften in noodsituaties overeenkomstig het beginsel volgens welke noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling aan elkaar moeten worden gekoppeld;

19.  wijst erop dat sommige doellanden niet in staat of bereid zijn in de basisbehoeften van de bevolking, onder meer op het gebied van onderwijs, te voorzien; pleit er daarom voor de meest geschikte maatschappelijke partnerorganisatie te kiezen en goede praktijken die in het veld worden uitgevoerd door ngo's en andere actoren uit te breiden en op te schalen;

20.  herinnert aan het belang van middelbaar, technisch en beroepsonderwijs voor de inzetbaarheid van jongeren en duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze laatste twee onderwijsvormen uitzicht moeten bieden op fatsoenlijke banen, afgestemd moeten zijn op de ontwikkelingseisen van het land en de behoeften van het bedrijfsleven, in overleg met hen moeten worden aangeboden en voor zover mogelijk door hen moet worden gefinancierd; vestigt de aandacht op projecten waarbij de particuliere sector en opleidingscentra hun krachten bundelen en verzoekt de Commissie na te gaan hoe de ontwikkeling van dergelijke initiatieven financieel kan worden ondersteund; merkt op dat het plan voor externe investeringen van de Unie kan worden ingezet om deze doelstellingen te verwezenlijken en pleit ervoor organisaties uit het maatschappelijk middenveld op strategische wijze te betrekken bij de programmering en uitvoering op dit gebied;

21.  is bezorgd over de zogeheten "braindrain"; merkt op dat sommige lidstaten meer dan de helft van hun onderwijssteun aan opleidingskosten op hun eigen grondgebied besteden; meent dat de verhoging van de onderwijssteun tot een daling van dit aandeel moet leiden; verzoekt de lidstaten goede praktijken en ervaringen, zoals academische en professionele uitwisselingen, te onderzoeken en toe te passen; is van mening dat meervoudige visa deze studenten de mogelijkheid zouden geven hun kennis bij te spijkeren en circulaire mobiliteit zouden bevorderen; verzoekt in dit verband prikkels of maatregelen in te voeren om studenten aan te moedigen na terugkomst voor een minimale periode in de economische of overheidssector in hun thuisland te werken, zodat de opgedane kennis in eerste instantie ten goede komt aan de partnerlanden;

22.  wijst erop dat goede leraren cruciaal zijn voor het onderwijs; stelt met bezorgdheid vast dat de kwaliteit en beschikbaarheid van de lerarenopleiding een ernstig probleem blijft, met name in Afrika ten zuiden van de Sahara; wijst erop dat inspanningen moeten worden geleverd voor de initiële en voortgezette opleiding van leraren, waarbij de nadruk wordt gelegd op kennis en pedagogische vaardigheden, alsook op hun aanwervings-, loon- en arbeidsvoorwaarden, onder meer om hen aan te moedigen in hun land te blijven en hun kennis aan de toekomstige generaties door te geven; pleit voor meer programma's voor de uitwisseling van leraren tussen ontwikkelingslanden en EU‑lidstaten, bijvoorbeeld in het kader van Erasmus+;

23.  wijst erop dat er grote investeringen nodig zijn voor infrastructuur, materieel en uitrusting voor scholen, met name in plattelandsgebieden of dunbevolkte gebieden, om zonder discriminatie een gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen te waarborgen;

24.  wijst erop hoe belangrijk nieuwe technologieën zijn om de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs te verbeteren, in het bijzonder voor de verspreiding van kennis, de opleiding, pedagogische vorming en ontwikkeling van leraren en het beheer van onderwijsinstellingen; benadrukt dat de mogelijkheden die de digitalisering biedt moeten worden aangegrepen om ervoor te zorgen dat moderne kennis- en onderwijsmethoden worden ingevoerd in ontwikkelingslanden; benadrukt dat deze nieuwe technologieën de onderwijsinspanningen moeten ondersteunen, en niet vervangen, wat gepaard zou gaan met een verlaging van de onderwijsnormen; verzoekt om betere effectbeoordelingen bij technologische investeringen in leerresultaten; onderstreept het belang van versterking van digitale vaardigheden voor de bevordering van de emancipatie van vrouwen en meisjes;

25.  roept op tot vergroting van de inspanningen voor de aanpak van de uitdagingen van digitale uitsluiting middels onderwijs en opleiding op het gebied van essentiële digitale vaardigheden en initiatieven ter bevordering van ICT-gebruik; roept er bovendien toe op in ontwikkelingslanden digitale geletterdheid op te nemen in de schoolprogramma's op alle onderwijsniveaus, zodat vaardigheden kunnen worden verworven die nodig zijn voor een betere toegang tot informatie;

26.  benadrukt dat onderwijs de volgende generatie erop moet voorbereiden om een volwaardig leven te kunnen leiden in een door robotisering en automatisering veranderde wereld; is van mening dat, om te voldoen aan de verwachtingen van zowel de werkzoekende bevolking als het bedrijfsleven, beschikbare opleidingen daadwerkelijk beroepsgericht moeten zijn en dat met het oog hierop partnerschappen met de particuliere sector op het gebied van beroepsopleiding niet mogen worden uitgesloten; benadrukt in dit verband het belang van flexibele vaardigheden alsook het belang van levens- en sociale vaardigheden in het onderwijs; is er zeker van dat kinderen, naast het onderwijs in academische kennis op school, denkvaardigheden moeten verwerven om vragen te kunnen stellen en creatieve vaardigheden om ideeën in de praktijk te kunnen brengen, en dat een leven lang leren moet geschieden via een leven lang handelen;

27.  benadrukt het verband tussen onderwijs en gezondheid; wijst erop dat via schoolgeneeskunde en gezondheidsvoorlichting, naast de bevordering van onderwijs, grote delen van de maatschappij kunnen worden bereikt; dringt aan op de ontwikkeling van een omvattende, geïntegreerde aanpak voor seksuele voorlichting voor meisjes en jongens die gezondheidskwesties zoals hiv, gezinsplanning en zwangerschap omvat en waarmee ook wordt bijgedragen aan algemenere ontwikkelingen zoals betere toegang tot onderwijs voor meisjes; wijst op het belang van zorgverleners bij de psychosociale ondersteuning, met name in door een conflict getroffen landen, om de weerbaarheid van jonge kinderen te verbeteren;

28.  moedigt de landen aan overeenkomstig de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.2 ten minste één jaar gratis voorschools onderwijs in te voeren;

29.  herhaalt dat alleen in een gunstige omgeving, waarbij de ouders worden betrokken en waaronder ook voedings- en veiligheidsaspecten vallen, evenals toegang tot elektriciteit, water en behoorlijke sanitaire voorzieningen, kwalitatief hoogstaand onderwijs kan worden gegeven dat de leerlingen werkelijk ten goede komt en dat leidt tot een hoger percentage leerlingen dat de school afmaakt, in het bijzonder de lagere school;

De kwaliteit van de steun verbeteren

30.  is van mening dat enkel indien de onderwijsstelsels, met inbegrip van niet-statelijke onderwijsinstellingen, de kwaliteit van het onderwijs en de leerresultaten worden beoordeeld, de doeltreffendheid van de steun kan worden verbeterd; verzoekt de Commissie en de lidstaten om onderzoek, gegevensaggregatie en betrouwbare, technische, niet-discriminerende en onafhankelijke beoordelingsinstrumenten te financieren;

31.  meent dat het van wezenlijk belang is dat geldschieters binnen plaatselijke onderwijsgroepen hun acties beter op elkaar afstemmen teneinde overlapping en zelfs tegenstrijdige doelen van hulpmaatregelen te voorkomen; verzoekt de lidstaten om systematischer gebruik te maken van gezamenlijke programmering en delegatie; brengt in herinnering dat ontwikkelingshulp niet mag dienen om invloedssferen uit te breiden;

32.  onderstreept dat regeringen verplicht zijn om het recht op onderwijs van hun burgers te waarborgen; wijst dan ook op de noodzaak om capaciteit bij de verantwoordelijke instellingen op alle niveaus te garanderen om diensten voor iedereen te verlenen, en om te zorgen voor eerlijke, toegankelijke en niet-discriminerende instellingen, strategieën en plannen voor het nationaal onderwijs onder reëel beheer, en gebaseerd op een raadpleging van betekenis en een strategische participatie van de belangrijkste spelers, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, met specifieke doelstellingen en follow-upmechanismen, regelmatige evaluaties en inspecties, een duidelijke en transparante afbakening van de verantwoordelijkheden, en een toewijzing van de middelen onder onafhankelijk toezicht; pleit voor de vaststelling van nationale regelgevingskaders betreffende de oprichting en werking van de onderwijsdiensten;

33.  legt de nadruk op het belang van voorspelbaarheid van steun en inbreng van partnerlanden; merkt in dit verband op dat begrotingssteun en hulp van multilaterale organisaties het beste op deze vereisten inspelen;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in eerste instantie, indien mogelijk, te kiezen voor sectorale begrotingssteun, met strikte criteria, waaronder goed bestuur, en verregaande controles, met name om corruptie te voorkomen; herinnert eraan dat de begunstigde derde landen zich ertoe verbinden de betalingen in geval van ernstige onregelmatigheden terug te betalen; beveelt aan het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de opvolging van financieringsovereenkomsten; onderstreept de noodzaak om een monitoringmechanisme op te richten om te onderzoeken of ontwikkelingsmiddelen zijn misbruikt en om naar aanleiding daarvan sancties toe te passen, waaronder de herverdeling van financiële middelen om de steun voor landen met betere praktijken op dit gebied uit te breiden;

35.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de rol van lokale autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te bevorderen bij de voorbereiding en de uitvoering van programma's voor onderwijssteun, ook in het kader van begrotingssteun;

36.  merkt op dat slechts een derde van de onderwijssteun via multilaterale organen wordt verleend, tegen twee derde van de steun op het gebied van volksgezondheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook hun financiële bijdrage aan het wereldwijde partnerschap voor onderwijs en het fonds "Education Cannot Wait" (ECW) te verhogen; is van mening dat het wereldwijde partnerschap in staat moet worden gesteld om in zijn volgende strategisch plan voor na 2020 de programmeringsperiode van drie naar zes jaar te verlengen om financiering stabieler en voorspelbaarder te maken, wat in het bijzonder noodzakelijk is voor de versterking van nationale onderwijsstelsels;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze ontwerpresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2018)0239.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2018)0104.

Laatst bijgewerkt op: 20 november 2018Juridische mededeling