Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2083(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0338/2018

Ingediende teksten :

A8-0338/2018

Debatten :

PV 12/11/2018 - 18
CRE 12/11/2018 - 18

Stemmingen :

PV 13/11/2018 - 4.9
CRE 13/11/2018 - 4.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0448

Aangenomen teksten
PDF 210kWORD 64k
Dinsdag 13 november 2018 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Digitalisering voor ontwikkeling: armoede terugdringen via technologie
P8_TA-PROV(2018)0448A8-0338/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over digitalisering voor ontwikkeling: vermindering van armoede door technologie (2018/2083(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 208, 209, 210, 211 en 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", alsmede de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de in mei 2017 aangenomen Europese consensus inzake ontwikkeling "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen. Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 mei 2017 getiteld "Digital4Development: mainstreaming digital technologies and services into EU Development Policy’ (SWD(2017)0157),

–  gezien de in mei 2015 aangenomen Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (DSM),

–  gezien het Europees plan voor externe investeringen,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid "Handel voor iedereen. Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden" (COM(2017)0491),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie"(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2014 getiteld "Een sterkere rol voor de particuliere sector bij het streven naar inclusieve en duurzame groei in ontwikkelingslanden" (COM(2014)0263),

–  gezien de conclusies van de Raad van november 2017 over "Digital for Development",

–  gezien de van 10 tot en met 13 december 2017 in Buenos Aires, Argentinië, gehouden elfde ministeriële conferentie van de WTO,

–  gezien de initiatieven van de Internationale Telecommunicatie-unie van de VN ter ondersteuning van ontwikkelingslanden (ITU‑D),

–  gezien de Informatietechnologieovereenkomst (ITA) van de WTO,

–  gezien de in 2016 in Cancún afgelegde ministeriële verklaring van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) over de digitale economie,

–  gezien de tijdens hun bijeenkomst in Takamatsu, Japan, op 29 en 30 april 2016 overeengekomen gezamenlijke verklaring van de ICT‑ministers van de G7,

–  gezien het initiatief "eTrade for All" van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD),

–  gezien het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap, en het facultatief protocol daarbij (A/RES/61/106),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0338/2018),

A.  overwegende dat in de Europese consensus over ontwikkeling van 2017 wordt benadrukt dat informatie- en communicatietechnologieën en -diensten belangrijke katalysatoren zijn voor inclusieve groei en duurzame ontwikkeling;

B.  overwegende dat de "Digital for Development"-strategie ("D4D") van de Commissie betrekking heeft op economische groei en mensenrechten, gezondheid, onderwijs, landbouw en voedselzekerheid, basisinfrastructuur, water en sanitaire voorzieningen, bestuur, sociale bescherming en horizontale doelstellingen op het gebied van gender en het milieu;

C.  overwegende dat digitale technologieën het potentieel hebben om duurzaamheid en milieubescherming te waarborgen; overwegende, echter, dat voor de productie van digitale apparatuur gebruik gemaakt wordt van zeldzame metalen die moeilijk te recyclen zijn en waarvan de toegankelijke voorraden beperkt zijn, en dat elektronisch en elektrisch afval een milieu- en gezondheidsuitdaging vormt; overwegende dat volgens een gezamenlijke studie van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en Interpol(4), afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) een belangrijke plaats inneemt binnen de milieucriminaliteit;

D.  overwegende dat volgens de update van 2017 van "Identification for Development Global Dataset" (ID4D), een databank van de Wereldbank, naar schatting 1,1 miljard mensen wereldwijd hun identiteit niet officieel, onder andere via een geboortebewijs, kunnen aantonen, en dat 78 % van deze groep in Sub-Sahara-Afrika of Azië woont; overwegende dat dit een belangrijk obstakel is om doelstelling 16.9 van de SDG's te halen, maar ook om actief deel te nemen aan de digitale wereld en er voordeel uit te halen;

E.  overwegende dat in vijf van de SDG's digitale technologieën uitdrukkelijk worden genoemd (SDG 4 inzake onderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid, SDG 8 inzake fatsoenlijk werk en economische groei, SDG 9 inzake infrastructuur, industrialisering en innovatie, en SDG 17 inzake partnerschap);

F.  overwegende dat in de SDG's wordt onderstreept dat het voor het bevorderen van de ontwikkeling in de minst ontwikkelde landen van cruciaal belang is dat de bevolking vóór 2020 de beschikking krijgt over algemeen toegankelijk en betaalbaar internet, aangezien de ontwikkeling van een digitale economie een aanjager zou kunnen zijn van fatsoenlijke werkgelegenheid en inclusieve groei, exportvolumes en exportdiversificatie;

G.  overwegende dat digitalisering volgens UNCTAD almaar meer leidt tot monopolies en nieuwe uitdagingen creëert voor het antitrust- en mededingingsbeleid van zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden(5);

H.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN in haar globale evaluatie van de tenuitvoerlegging van de uitkomsten van de wereldtop over de informatiemaatschappij(6) heeft aangegeven de mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologieën te zullen inzetten voor het bewerkstelligen van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en andere internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen, waarbij ze opmerkte dat ICT bij alle 17 SDG's de vooruitgang zou kunnen versnellen;

I.  overwegende dat connectiviteit nog altijd een uitdaging en zorg is die aan de basis ligt van verschillende digitale kloven, zowel wat toegang tot als het gebruik van ICT betreft;

J.  overwegende dat de snelheid waarmee de digitale economie zich ontwikkelt en de aanzienlijke verschillen die er bestaan in ontwikkelingslanden op het gebied van digitale economie voor wat betreft de voorziening van veilig nationaal beleid, regelgeving en consumentenbescherming, accentueren dat er met spoed meer capaciteit moet worden opgebouwd in, en meer technische bijstand moet worden geboden aan ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen;

K.  overwegende dat voor sociale en persoonlijke verbetering en vooruitgang, alsook voor de bevordering van ondernemerschap en de opbouw van sterke digitale economieën digitale geletterdheid en vaardigheden onontbeerlijk zijn;

L.  overwegende dat middels digitalisering tevens de verstrekking van humanitaire hulp, opbouw van weerbaarheid, rampenrisicovermindering en overgangssteun kan worden verbeterd, door humanitaire hulp en ontwikkelingshulp in kwetsbare en door conflicten getroffen omgevingen met elkaar te verbinden;

M.  overwegende dat meer dan de helft van de wereldbevolking nog altijd geen internettoegang heeft, en er maar langzaam vooruitgang wordt geboekt bij het bereiken van de doelstelling onder SDG 9 om de toegang tot informatie- en communicatietechnologieën aanzienlijk te vergroten en te streven naar universele en betaalbare internettoegang in de minst ontwikkelde landen in 2020;

N.  overwegende dat over de hele wereld het gebruik van mobiele diensten op dit moment enorm toeneemt en het aantal gebruikers van mobiele telefoons nu hoger is dan het aantal mensen dat toegang heeft tot elektriciteit, sanitaire voorzieningen of schoon water;

O.  overwegende dat humanitaire innovatie in overeenstemming moet zijn met de humanitaire beginselen (menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid) en met het waardigheidsbeginsel;

P.  overwegende dat humanitaire innovatie tot doel moet hebben de rechten, waardigheid en capaciteiten van de ontvangende bevolking te bevorderen en dat alle leden van een door crisis getroffen gemeenschap van de innovatie moeten kunnen profiteren zonder enige discriminatoire belemmeringen;

Q.  overwegende dat risicobeoordeling en ‑beperking ingezet moeten worden om onopzettelijke schade, ook op het gebied van persoonlijke levenssfeer, gegevensbeveiliging en impact op lokale economieën te voorkomen;

R.  overwegende dat experimenten, proefprojecten en beproevingen in overeenstemming met internationaal erkende ethische normen moeten worden uitgevoerd;

De noodzaak om digitalisering in ontwikkelingslanden te ondersteunen

1.  verwelkomt de D4D-strategie van de Commissie, in zoverre deze strategie digitale technologieën integreert in het ontwikkelingsbeleid van de EU teneinde bij te dragen aan het bewerkstelligen van de SDG's; beklemtoont dat digitalisering waarbij de SDG's centraal worden gesteld, moet worden gestimuleerd; wijst erop dat de digitale revolutie samenlevingen voor allerlei nieuwe uitdagingen plaatst en zowel risico's als kansen met zich meebrengt;

2.  wijst nogmaals op het enorme potentieel van digitale technologie en diensten voor het bereiken van de SDG's, op voorwaarde dat maatregelen worden genomen om de ontwrichtende effecten van technologie tegen te gaan, zoals de automatisering van banen en de gevolgen daarvan voor inzetbaarheid, digitale uitsluiting en ongelijkheid, cyberveiligheid, bescherming van persoonsgegevens en regelgevingskwesties; herinnert eraan dat een digitale strategie altijd volledig in lijn moet zijn met en moet bijdragen aan de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot SDG 4 inzake kwaliteitsonderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes, SDG 8 inzake fatsoenlijk werk en economische groei, en SDG 9 inzake industrie, innovatie en infrastructuur; herinnert eraan dat een sterker wereldwijd, nationaal, regionaal en lokaal partnerschap nodig is tussen gouvernementele, wetenschappelijke, economische en maatschappelijke actoren willen we de SDG's voor 2030 bewerkstelligen;

3.  wijst erop dat ondanks de ruimere dekking van het internet vele ontwikkelingslanden en opkomende economieën nog een achterstand hebben in het benutten van de digitalisering, vele mensen nog geen toegang tot ICT hebben, en er grote ongelijkheden bestaan tussen landen en tussen stedelijke en plattelandsgebieden; herinnert eraan dat digitale technologie een instrument blijft en geen doel op zich is; is van oordeel dat, gezien de financiële beperkingen, prioriteit moet worden gegeven aan de meest doeltreffende manieren om de SDG's te verwezenlijken, en dat het in sommige landen, ook al kan digitalisering er nuttig zijn, nog steeds nodig is om de invulling van menselijke basisbehoeften te verzekeren, met name wat betreft toegang tot voedsel, energie, water en sanitaire voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg, als onderstreept in het VN-verslag over de SDG's van 2017; is echter van mening dat in het ontwerp van infrastructuur van meet af aan ruimte moet worden voorzien voor digitale ontwikkeling, ook al wordt deze pas in een latere fase gerealiseerd;

4.  wijst erop dat een strategie voor digitale handel altijd volledig in lijn moet zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), dat van essentieel belang is om de SDG's te bewerkstelligen; onderstreept dat toegang tot internetconnectiviteit en betrouwbare digitale betaalmethoden die voldoen aan de internationale normen, aan de wetgeving inzake consumentenbescherming bij de onlineaankoop van goederen en diensten, aan de intellectuele-eigendomsrechten, aan regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de voor digitale handel geldende douane- en belastingwetgeving, essentieel zijn om digitale handel, duurzame ontwikkeling en inclusieve groei mogelijk te maken; wijst in dit verband op het potentieel van de handelsfacilitatieovereenkomst om digitale initiatieven in ontwikkelingslanden ter bevordering van grensoverschrijdende handel te ondersteunen;

5.  vraagt dat er een actieplan wordt opgezet voor technische innovatie bij humanitaire hulp om overeenstemming te waarborgen met de juridische en ethische beginselen die zijn vastgelegd in documenten zoals de nieuwe Europese consensus over ontwikkeling – "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst" en "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling";

6.  benadrukt dat alle aspecten van humanitaire innovatie moeten worden geëvalueerd en gemonitord, met inbegrip van een beoordeling van de primaire en secundaire gevolgen van het innovatieproces; merkt op dat er voor de start van projecten op het gebied van humanitaire innovatie en digitalisering ethische evaluaties en risicobeoordelingen moeten worden uitgevoerd, en dat daarbij waar mogelijk externe deskundigen of deskundigen van derde partijen betrokken moeten worden;

7.  vraagt dat bij het extern optreden van de EU de beginselen uit de Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa worden toegepast door de regelgevingskaders van de EU‑partners te ondersteunen;

8.  roept op tot beschikbaarstelling van voldoende middelen in het meerjarig financieel kader (MFK) 2021‑2027 om integratie van digitale technologieën in alle aspecten van ontwikkelingsbeleid mogelijk te maken;

9.  stelt vast dat ontwikkelingslanden er bij nieuwe digitale technologie vaak niet snel genoeg in slagen overheidsinstellingen, regelgeving en andere mechanismen te creëren die de daaraan verbonden nieuwe uitdagingen, met name op het gebied van cyberveiligheid, kunnen helpen beheersen; beklemtoont dat de samenwerking tussen onderzoekers en innovatoren op interregionaal niveau moet worden verdiept en dat onderzoek en ontwikkeling ter bevordering van wetenschappelijke vooruitgang en kennis- en technologieoverdracht moeten worden gestimuleerd; roept ertoe op digitalisering, gezien het belang ervan voor inclusieve en duurzame ontwikkeling, een prominente rol toe te kennen in de toekomstige opvolger van de Overeenkomst van Cotonou overeenkomstig de onderhandelingsrichtsnoeren;

10.  roept op tot verdere gezamenlijke samenwerkingsacties voor digitale infrastructuur, aangezien dit een van de belangrijkste activiteiten binnen de partnerschappen tussen de EU en regionale organisaties, met name de Afrikaanse Unie, moet worden; wijst op het belang van technische bijstand en overdracht van expertise aan instellingen die een digitaal beleid op nationaal, regionaal en continentaal niveau aan het uitwerken zijn;

11.  vraagt dat digitalisering wordt opgenomen in de nationale ontwikkelingsstrategieën van de lidstaten;

12.  roept op tot meer gezamenlijke en holistische horizontale inspanningen van de internationale gemeenschap, met inbegrip van niet-overheidsactoren zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de derde sector, particuliere ondernemingen en academici, om te verzekeren dat bij de verschuiving naar een meer digitale economie niemand wordt buitengesloten, de VN‑agenda voor duurzame ontwikkeling verder wordt verwezenlijkt, alle economische actoren en burgers toegang hebben tot digitale technologieën en diensten, en sterk uiteenlopende benaderingen met onverenigbaarheden, overlappingen of lacunes in de wetgevingen tot gevolg te vermijden; roept op tot een betere politieke koppeling tussen de EU, de lidstaten en andere relevante actoren, met het oog op meer coördinatie, complementariteit en synergie;

13.  wijst erop dat technologie, kunstmatige intelligentie en automatisering nu al een groot aantal laag- en middengeschoolde banen overbodig hebben gemaakt; vraagt de Commissie een digitalisering waarbij de SDG's centraal staan aan te moedigen, en benadrukt dat door de overheid gefinancierde socialebeschermingsniveaus essentieel zijn voor de aanpak van enkele van de ontwrichtende gevolgen van nieuwe technologieën, om de grote verschuivingen op de mondiale arbeidsmarkten en in de internationale arbeidsverdeling, waarvan vooral laaggeschoolde arbeiders in ontwikkelingslanden het slachtoffer worden, te ondervangen;

14.  verzoekt de particuliere sector op een verantwoorde manier aan D4D bij te dragen met technologie en innovatie, deskundigheid, investeringen, risicobeheer, duurzame bedrijfsmodellen en groei, en daarbij aandacht te hebben voor de voorkoming en beperking van het gebruik van grondstoffen, alsook hun reparatie, recycling en hergebruik;

15.  betreurt dat minder dan de helft van alle ontwikkelingslanden over gegevensbeschermingswetgeving beschikt; spoort de EU aan om, met name vanuit haar ervaring en eigen wetgeving, die internationaal wordt erkend als een model ter zake, aan de betrokken overheden technische bijstand te verlenen om dergelijke wetgeving op te stellen; benadrukt dat rekening gehouden moet worden met de kosten die met name kmo's kunnen hebben om zich in regel te stellen met deze wetgevingen; wijst erop dat, gezien de grensoverschrijdende aard van digitalisering, moet worden vermeden dat de gegevensbeschermingswetgevingen te veel verschillen vertonen en dus niet compatibel zijn;

16.  roept alle belanghebbenden op tot de verzameling, verwerking, analyse en verspreiding van gegevens en statistieken op lokaal, regionaal, landelijk en mondiaal niveau om een hoog niveau van gegevensbescherming overeenkomstig de relevante internationale normen en instrumenten te verzekeren, teneinde de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling te kunnen uitvoeren; merkt op dat een tijdige en nauwkeurige verzameling van gegevens een goede monitoring van de tenuitvoerlegging mogelijk maakt, alsook aanpassingen van het beleid en interventies waar nodig, en evaluatie van de behaalde resultaten en hun effect; wijst er echter op dat, hoewel het dankzij de "gegevensrevolutie" gemakkelijker, sneller en goedkoper is geworden om gegevens uit uiteenlopende bronnen te produceren en te analyseren, er ook enorme veiligheids- en privacy-uitdagingen zijn ontstaan; beklemtoont daarom dat innovaties inzake gegevensverzameling in de ontwikkelingslanden de officiële statistieken niet kunnen vervangen maar er een aanvulling op vormen;

17.  betreurt het feit dat in alle landen digitale kloven blijven bestaan op basis van gender, locatie, leeftijd, inkomen, etnische afkomst, gezondheid of handicap en andere factoren van discriminatie; dringt er daarom op aan dat in de internationale ontwikkelingssamenwerking gestreefd wordt naar grotere vooruitgang en een betere inclusie van persoon die zich in een benadeelde of kwetsbare situatie bevinden, en dat tegelijk wordt geijverd voor een verantwoord gebruik van digitale middelen en een voldoende groot bewustzijn van de mogelijke risico's; roept op om innovatie op maat van de plaatselijke behoeften en de overgang naar kenniseconomieën te ondersteunen;

18.  roept daarom op tot vergroting van de inspanningen voor de aanpak van de uitdagingen van digitale uitsluiting middels onderwijs en opleiding op het gebied van essentiële digitale vaardigheden, alsook initiatieven ter bevordering van ICT‑gebruik en het gebruik van digitale instrumenten in de tenuitvoerlegging van participatieve methodologieën, rekening houdend met leeftijd, persoonlijke situatie en achtergrond, ook voor ouderen en personen met een handicap; merkt op dat de internationale ontwikkelingssamenwerking gebruik zou kunnen maken van digitale technologieën voor een betere inclusie van benadeelde groepen mits zij toegang hebben tot digitale technologieën; is opgetogen over initiatieven zoals de "Africa Code Week", die de positie van de jonge Afrikanen helpt versterken door in te zetten op digitale geletterdheid; wijst op het belang van e-leren en afstandsonderwijs om afgelegen gebieden en mensen van alle leeftijden te bereiken;

19.  roept ertoe op in ontwikkelingslanden digitale geletterdheid op te nemen in de leerprogramma's op alle onderwijsniveaus, van de lagere school tot de universiteit, zodat vaardigheden kunnen worden verworven die nodig zijn voor een betere toegang tot informatie; is evenwel van oordeel dat ICT-instrumenten en nieuwe technologieën geen vervanging mogen zijn van echte leerkrachten en scholen, maar gebruikt moeten worden als een middel om de toegang tot onderwijs en de kwaliteit ervan te verbeteren; benadrukt dat nieuwe technologieën een belangrijk instrument voor de verspreiding van kennis, de opleiding van leerkrachten en het beheer van onderwijsinstellingen zijn; beklemtoont ook dat er meer lokale centra voor meer gespecialiseerd onderwijs (waaronder programmeerscholen) moeten worden opgericht, om ontwikkelaars op te leiden en de ontwikkeling van informatica-oplossingen en digitale toepassingen die zijn afgestemd op de plaatselijke realiteit en behoeften te stimuleren;

20.  benadrukt dat om de digitale kloof te dichten de aanwezigheid en toegankelijkheid van een betaalbare, betrouwbare en veilige infrastructuur met een adequate dekking van hoge kwaliteit, in het bijzonder in landelijke en afgelegen gebieden, onontbeerlijk is; merkt op dat een beperkte connectiviteit in de meeste gevallen te wijten is aan armoede en een gebrek aan essentiële diensten, samen met onderontwikkelde landlijnnetwerken, gebrek aan faciliterend overheidsbeleid en regelgevingskaders, hoge belastingen op digitale producten en diensten, weinig marktconcurrentie en/of het ontbreken van een energienet;

21.  uit zijn bezorgdheid over de technologische afhankelijkheid van een klein aantal spelers, en vooral van GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon) en vraagt dat alternatieven ontwikkeld worden om concurrentie te bevorderen; merkt op dat de EU en Afrika een partnerschap zouden kunnen aangaan om die ambitie te realiseren;

22.  herinnert eraan dat de ontwikkelingslanden verre van immuun zijn voor cyberaanvallen en onderstreept het risico op verstoring van de economische, politieke en democratische stabiliteit als de digitale veiligheid niet gewaarborgd is; verzoekt alle belanghebbenden in de digitaal verbonden wereld actief verantwoordelijkheid te nemen voor het vergroten van de bewustwording en kennis op het gebied van cyberveiligheid door concrete initiatieven op te zetten; wijst er in dit verband op dat menselijk kapitaal op alle niveaus moet worden ontwikkeld om de gevaren voor de cyberveiligheid door opleiding, onderwijs en bewustmaking te verminderen, dat passende strafrechtelijke en transnationale kaders moeten worden opgezet om cybercriminaliteit te bestrijden, en dat actief moet worden deelgenomen aan internationale fora zoals het wereldforum inzake digitale beveiliging van de OESO;

23.  wijst op de mogelijkheden die digitalisering biedt om het verschil in sociale inclusie, toegang tot informatie en economisch isolement in de perifere regio's te verkleinen;

Digitalisering: instrument voor duurzame ontwikkeling

24.  is ingenomen met het plan voor externe investeringen van de EU waarmee investeringen in innovatieve digitale oplossingen voor lokale behoeften, financiële inclusie en fatsoenlijke werkgelegenheid worden bevorderd; wijst erop dat digitalisering een belangrijke investeringsmogelijkheid vormt en dat blending op basis van samenwerking met Europese en internationale financiële instellingen en de particuliere sector dan ook een belangrijk instrument zou zijn in de ontsluiting van financiële middelen;

25.  verzoekt de Commissie met nieuwe initiatieven te komen met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen van digitale infrastructuur, stimuleren van e-governance en digitale vaardigheden, versterken van de digitale economie en bevorderen van ecosystemen voor startende bedrijven, en met een centrale rol voor de SDG's, met inbegrip van financieringsmogelijkheden voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, waardoor zij in staat worden gesteld op digitale wijze te communiceren met multinationale ondernemingen en toegang te krijgen tot mondiale waardeketens;

26.  roept de Commissie op digitale technologieën en diensten te blijven mainstreamen in het ontwikkelingsbeleid van de EU, zoals beschreven in onder andere de D4D-agenda; benadrukt dat het gebruik van digitale technologieën in specifieke beleidsdomeinen, waaronder e‑governance, landbouw, onderwijs, waterbeheer, gezondheid en energie, bevorderd moet worden;

27.  verzoekt de Commissie de investeringen in digitale infrastructuur in ontwikkelingslanden uit te breiden om de aanzienlijke digitale kloof te dichten op een op beginselen gebaseerde en ontwikkelingsbevorderende manier;

28.  herinnert eraan dat in ontwikkelingslanden micro-, kleine en middelgrote ondernemingen het grootste deel van de bedrijven uitmaken en de meeste werknemers in de productie- en de dienstensector bij deze bedrijven in dienst zijn; herinnert eraan dat het vereenvoudigen van goed gereguleerde grensoverschrijdende elektronische handel een directe invloed zal hebben op verbetering van de levensomstandigheden, bevordering van de werkgelegenheid en een hogere levensstandaard en stimulering van de economische ontwikkeling; herhaalt dat dergelijke inspanningen een bijdrage zouden leveren aan gendergelijkheid, aangezien een groot aantal van dergelijke bedrijven eigendom is van vrouwen en door vrouwen wordt gerund; benadrukt dat de juridische, administratieve en sociale belemmeringen voor ondernemerschap moeten worden weggewerkt, in het bijzonder voor vrouwen; dringt erop aan dat digitalisering ook wordt gebruikt om onderwijs en capaciteitsopbouw voor ondernemerschap in ontwikkelingslanden te bevorderen en een gunstig klimaat te scheppen voor startende ondernemingen en innovatieve bedrijven;

29.  benadrukt dat een halt moet worden toegeroepen aan de handel in mineralen waarvan de opbrengst voor gewapende conflicten wordt gebruikt of die door dwangarbeiders worden ontgonnen; herinnert eraan dat coltan een belangrijke grondstof is voor de meeste elektronische apparaten (bijvoorbeeld smartphones) en dat de burgeroorlog die ten gevolge van zijn winning, ontginning en illegale handel in het Grote Merengebied in Afrika en met name in de Democratische Republiek Congo, is uitgebroken, al meer dan 8 miljoen slachtoffers heeft geëist; dringt aan op de beëindiging van de uitbuiting van minderjarigen in de coltanmijnen en van de illegale handel in coltan, ten gunste van een correcte winning waarvan de opbrengsten ten goede komen aan de plaatselijke bevolking;

30.  wijst erop dat digitale technologieën mogelijke voordelen kunnen bieden aan de grootste sector van de economie in Afrika, de landbouw; benadrukt dat digitale platforms in ontwikkelingslanden kunnen worden gebruikt om landbouwers te informeren over marktprijzen en hen in contact te brengen met potentiële kopers, en hun praktische informatie kunnen bieden over groeimethoden en marktontwikkelingen, weergegevens en waarschuwingen en adviezen betreffende planten- en dierenziekten; wijst er echter op dat in een wereld waarin de landbouw almaar kennisintensiever en hightech wordt, digitale landbouw in ontwikkelingslanden ook enorme ontwrichtende gevolgen kan hebben op sociaal en milieugebied, omdat misschien alleen grote en geïndustrialiseerde landbouwbedrijven, die op de exportmarkt en in commerciële teelten actief zijn, toegang zullen hebben tot de meest recente technologie en de kleinschalige landbouw door beperkte kennis en vaardigheden nog verder gemarginaliseerd kan raken;

31.  dringt erop aan de EU-financiering voor landbouw in ontwikkelingslanden af te stemmen op de transformatieve aard van Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, en bijgevolg ook op de conclusies van de internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD) en de aanbevelingen van de speciale VN‑rapporteur voor het recht op voedsel; benadrukt dat dit inhoudt dat ter bevordering van lokale voedselsystemen en kleinschalige landbouw moet worden ingezien dat de landbouw een multifunctioneel karakter heeft, en dat er snel een overstap moet worden gemaakt van een op het gebruik van chemische middelen gebaseerde monocultuur naar op agro‑ecologische landbouwmethoden gebaseerde, gediversifieerde, duurzame landbouw, ter bevordering van lokale voedselsystemen en kleinschalige landbouw;

32.  wijst erop dat ICT‑middelen kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van informatie die cruciaal kan zijn in het geval van zowel natuurrampen als door technologie veroorzaakte rampen en noodsituaties, alsook in kwetsbare en door conflicten getroffen gebieden; benadrukt dat digitale technologieën gemeenschappen met lage inkomens en andere kwetsbare gemeenschappen toegang kunnen geven tot basisvoorzieningen van goede kwaliteit (zoals gezondheidszorg, onderwijs, water, sanitaire voorzieningen en elektriciteit), evenals tot humanitaire hulp en andere publieke en particuliere diensten; wijst op het belang van de bestrijding van desinformatie online (fake news) en benadrukt dat er als reactie op deze uitdagingen specifieke programma's voor mediageletterdheid moeten komen;

33.  onderstreept dat technologische innovatie in humanitaire bijstand, vooral in het geval van gedwongen verhuizingen, prioriteit heeft met het oog op duurzame oplossingen die mensen stabiliteit en waardigheid in hun leven brengen, en de koppeling tussen humanitaire hulp en ontwikkeling kan ondersteunen; is ingenomen met wereldwijde initiatieven ter bevordering van humanitaire innovatie, zoals de Global Alliance for Humanitarian Innovation (GAHI), het Humanitarian Innovation Fund (HIF) en Global Pulse van de VN, en roept de EU op het gebruik van open gegevens te stimuleren en ruime ondersteuning te bieden aan de wereldwijde gemeenschappen van softwareontwikkelaars en ‑programmeurs die praktische opensourcetechnologie bouwen met het oog op oplossingen voor internationale ontwikkelings- en humanitaire problemen;

34.  benadrukt dat arme en geïsoleerde gemeenschappen en personen met een beperking middels digitale technologieën zoals sms en mobieletelefoonapps de beschikking kunnen krijgen over nieuwe instrumenten voor het rondsturen van belangrijke informatie; wijst op het potentieel van mobieletelefoontechnologie, die voordelen kan bieden zoals lagere toegangskosten dankzij een uitgebreidere netwerkdekking, gebruiksvriendelijkheid en lagere kosten voor telefoongesprekken en sms berichten; wijst er echter ook op dat mobiele telefoontoestellen gezondheids- en milieurisico's inhouden, met name door de ontginning van mineralen en de toename van het elektronisch en elektrisch afval; beklemtoont dat digitalisering de democratie zowel kan versterken als ondermijnen, en vraagt de EU om grondig na te denken over deze risico’s om misbruik van digitale technologieën te voorkomen bij de bevordering van het gebruik van technologische innovatie in de ontwikkelingshulp, en om het gebruik van internetgovernance te stimuleren;

35.  onderstreept dat een duurzaam ecosysteem voor de digitale economie gecreëerd moet worden om de ecologische impact van de digitalisering te beperken door een efficiënt gebruik van hulpbronnen te ontwikkelen in zowel de digitale als de energiesector, met name door prioriteit te geven aan de circulaire economie; vraagt om in het plan voor externe investeringen (EIP) producentenverantwoordelijkheid te ondersteunen, met name door kmo's te steunen die activiteiten ontwikkelen op het gebied van hergebruik, reparatie en renovatie, en die terugnameregelingen opnemen in hun zakelijke activiteiten met het oog op de verwijdering van gevaarlijke onderdelen in elektrische en elektronische apparatuur; vraagt om het consumentenbewustzijn over de milieueffecten van elektronische toestellen te versterken en de producentenverantwoordelijkheid in de productie van elektrische en elektronische apparaten effectief aan te pakken; beklemtoont evenzeer dat statistieken over elektronisch afval en nationale beleidsmaatregelen inzake elektronisch en elektrisch afval ("e‑afval)" in de ontwikkelingslanden moeten worden ondersteund om de productie van e‑afval zo klein mogelijk te houden, illegale dumping en verkeerde verwerking van e‑afval te voorkomen, recycling aan te moedigen en banen te creëren in de renovatie- en recyclingsector;

36.  erkent dat digitale technologieën voor de energiesector innovatieve instrumenten zijn om het hulpmiddelengebruik te optimaliseren; wijst er echter op dat digitale technologieën een aanzienlijke ecologische voetafdruk hebben omdat ze gebruikmaken van energie (de CO2‑emissies van digitale technologie worden geraamd op 2‑5 % van de totale emissies) en metalen (zoals zilver, kobalt, koper en tantaal), wat vragen oproept omtrent hun duurzaamheid op lange termijn; wijst er nogmaals op dat een verschuiving in de productie- en consumptiepatronen noodzakelijk is om de klimaatverandering tegen te gaan;

37.  erkent de rol die digitale technologie kan spelen bij het bevorderen van de democratie en burgerparticipatie bij besluitvorming;

38.  benadrukt dat er informatieve digitale overheidsplatformen moeten worden opgezet en gebruikt die de burgers beter in staat stellen ten volle op de hoogte te zijn van hun rechten, alsook van de diensten die de overheid de burgers biedt;

39.  wijst erop dat elektronische overheidstoepassingen snellere en goedkopere toegang tot openbare diensten mogelijk maken, zorgen voor een hogere consistentie en meer tevredenheid bij burgers, de samenhang en activiteiten van het maatschappelijk middenveld bevorderen, en zorgen voor meer transparantie, waardoor sterk wordt bijgedragen aan de bevordering van democratisering en de bestrijding van corruptie; wijst op het cruciale belang van technologie en digitalisering voor een doeltreffend fiscaal beleid en een effectieve belastingdienst, waardoor binnenlandse middelen beter kunnen worden gemobiliseerd en belastingontduiking en fiscale fraude beter kunnen worden bestreden; benadrukt dat het noodzakelijk is om veilige digitale identiteiten te creëren, zodat eenvoudiger kan worden vastgesteld hoeveel mensen behoefte hebben aan bepaalde basisdiensten;

40.  spoort ertoe aan de mogelijkheden van digitale technologie te benutten om de officiële geboorte-, overlijdens- en huwelijksregistratie te verbeteren; beklemtoont dat er volgens ramingen van UNICEF in Sub-Sahara-Afrika alleen al 95 miljoen zogenaamde "spookkinderen" zijn(7) van wie de geboorte niet is aangegeven en die dus niet over een geboorteakte beschikken, waardoor zij juridisch niet worden erkend en daarmee samenhangend vanaf de geboorte en als volwassene sociaal niet bestaan, waardoor de nationale demografische gegevens niet kloppen, wat aanzienlijke gevolgen heeft bij de beoordeling van de behoeften van de bevolking, met name op het gebied van toegang tot onderwijs of gezondheidszorg;

41.  erkent de centrale rol van digitale technologie in het beheer van gezondheidsvoorzieningen, noodrespons bij epidemieën, de verspreiding van voorlichtingscampagnes over volksgezondheid, de openbare toegang tot gezondheidsvoorzieningen en de opleiding van gezondheidsmedewerkers, de ondersteuning en bevordering van basisonderzoek en de ontwikkeling van gezondheids- en e‑gezondheidsinformatiediensten; verzoekt beleidsmakers dan ook beleids- en regelgevingskaders op te stellen waarmee e‑gezondheidsprojecten kunnen worden opgeschaald; verzoekt de Commissie te voorzien in de hiervoor vereiste financiële middelen;

42.  is opgetogen over het onlineprogramma "DEVCO Academy" dat onlineopleidingen biedt voor EU‑partners; roept op om meer opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor plaatselijke verantwoordelijken en om procedures op te zetten voor het aanvragen voor EU‑subsidies zodat deze partners een beter inzicht krijgen in de verwachtingen, doelstellingen en voorwaarden en zo een grotere kans maken dat hun projecten worden aanvaard; beklemtoont dat dergelijke initiatieven, op voorwaarde dat ze gemakkelijk toegankelijk, doeltreffend en ter zake doend zijn, een positieve impact zouden hebben op de opname van steun en op het imago van de EU bij haar partners;

o
o   o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor Extern Optreden.

(1) PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.
(2) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 22.
(3) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 106.
(4) Studie van UNEP en Interpol, "The Rise of Environmental Crime: a growing Threat to Natural Resources, Peace, Development and Security", 2016.
(5) UNCTAD, "South-South Digital Cooperation for Industrialisation: A Regional Integration Agenda", 2017.
(6) Algemene vergadering van de VN, GA/RES/70/125.
(7) https://www.unicef.org/french/publications/files/UNICEF_SOWC_2016_French_LAST.pdf

Laatst bijgewerkt op: 14 november 2018Juridische mededeling