Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2077(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0352/2018

Ingediende teksten :

A8-0352/2018

Debatten :

PV 15/11/2018 - 2
CRE 15/11/2018 - 2

Stemmingen :

PV 15/11/2018 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0464

Aangenomen teksten
PDF 190kWORD 65k
Donderdag 15 november 2018 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid
P8_TA-PROV(2018)0464A8-0352/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over de zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid (2018/2077(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 26 april 2017 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (COM(2017)0253),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 1, 3, 5, 27, 31, 32, 33 en 47,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat op 18 december 1979 in New York is aangenomen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), dat door de Europese Unie en al haar lidstaten is geratificeerd,

–  gezien duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) nr. 5: het bereiken van gendergelijkheid en het versterken van de positie van alle vrouwen en meisjes, en met name subdoelstelling 5.4: het erkennen en naar waarde schatten van onbetaalde zorg en thuiswerk door middel van de verstrekking van openbare diensten, het creëren van infrastructuur en het vaststellen van beleid inzake sociale bescherming en het bevorderen van gedeelde verantwoordelijkheden binnen het gezin en de familie, zoals passend is voor elk land,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 10 mei 2018 over de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2017 over het versterken van gemeenschapsgebaseerde ondersteuning en zorg voor zelfstandig leven,

–  gezien de conclusies van de Raad over opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen(2),

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap na de Europese Raad in Barcelona op 15 en 16 maart 2002,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2017 getiteld "EU‑actieplan 2017‑2019 – De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken" (COM(2017)0678),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "The Strategic engagement for gender equality 2016‑2019", en met name hoofdstuk 3.1 getiteld "Increasing female labour-market participation and the equal economic independence of women and men" (SWD(2015)0278),

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 mei 2018 over de ontwikkeling van kinderopvangfaciliteiten voor jonge kinderen met het oog op een verbetering van de arbeidsparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en het ontstaan van duurzame en inclusieve groei in Europa (de "doelstellingen van Barcelona") (COM(2018)0273),

–  gezien het verslag van de Commissie van 29 mei 2013 over de doelstellingen van Barcelona: "Ontwikkeling van opvangdiensten voor jonge kinderen in Europa met het oog op een duurzame en inclusieve groei" (COM(2013)0322),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 februari 2011 getiteld "Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen" (COM(2011)0066),

–  gezien de routekaart van de Commissie over Quality in Early Childhood Education and Care (Ares(2018)1505951),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 met als titel "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(3),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van of 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020), van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014‑2020" (COM(2013)0083) en van 26 april 2017 getiteld "De oprichting van een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2017)0250),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2014 inzake een strategisch EU‑kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014‑2020 (COM(2014)0332),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU(4),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof(5),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(6),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(7),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU(8),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(9),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving(10),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2010 over atypische arbeidsovereenkomsten, verzekerde beroepstrajecten, flexizekerheid en nieuwe vormen van sociale dialoog(11),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011‑2020),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 mei 2018 voor een aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit voor jonge kinderen (COM(2018)0271) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie van dezelfde datum (SDW(2018)0173),

–  gezien de index voor gendergelijkheid van het Europees instituut voor gendergelijkheid voor 2015 en het verslag uit 2015 van dit instituut getiteld "Reconciliation of work, family and private life in the European Union: Policy review",

–  gezien het verslag van Eurofound van 7 december 2011 getiteld "Company initiatives for workers with care responsibilities for disabled children or adults",

–  gezien het achtergronddocument van Eurofound van 14 juli 2013 getiteld "Caring for children and dependants: effect on careers of young workers",

–  gezien het verslag van Eurofound van 17 juni 2014 getiteld "Residential care sector: Working conditions and job quality",

–  gezien het verslag van Eurofound van 22 oktober 2015 getiteld "Working and caring: Reconciliation measures in times of demographic change",

–  gezien het overzichtsverslag van Eurofound van 17 november 2016 over de zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden,

–  gezien de studie van Eurofound van 28 november 2017 getiteld "Care homes for older Europeans: Public, for-profit and non-profit providers",

–  gezien de enquête van Eurofound van 23 januari 2018 getiteld "Europese enquête over de kwaliteit van het bestaan 2016: Kwaliteit van het bestaan, kwaliteit van openbare diensten en kwaliteit van de samenleving",

–  gezien het gezamenlijk verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Europese Commissie van 10 oktober 2014 getiteld: "Adequate social protection for long-term care needs in an ageing society",

–  gezien het gezamenlijk verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Europese Commissie van 7 oktober 2016 over stelsels van gezondheidszorg en langdurige zorg en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016 over de rechten van inwonende zorgverleners(12),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 oktober 2014 over de ontwikkeling van gezinsondersteunende diensten ter verhoging van de arbeidsparticipatie en bevordering van gendergelijkheid op het werk(13),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 mei 2010 over professionalisering van huishoudelijk werk(14),

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid over de gendergelijkheidsindex 2017: "Measuring gender equality in the European Union 2005‑2015",

–  gezien de studies van zijn directoraat-generaal Intern Beleid van maart 2016 getiteld "Differences in men's and women's work, care and leisure time" en november 2016 getiteld "The use of funds for gender equality in selected Member States",

–  gezien de publicatie van het WeDo-project uit 2012 getiteld "European Quality Framework for Long-term Care Services: Principles and guidelines for the wellbeing and dignity of older people in need of care and assistance",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0352/2018),

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten gelijkheid van mannen en vrouwen een van de kernwaarden is waarop de Unie berust; overwegende dat de Unie er overeenkomstig artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen; overwegende dat er op het gebied van gendergelijkheid desondanks slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt;

B.  overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten, gezamenlijk afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017, belangrijke beginselen omvat en ten doel heeft nieuwe rechten voor de burgers van de Unie te waarborgen, waaronder gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen, ondersteuning van kinderen en inclusie van personen met een handicap, en dat de EU‑instellingen en de lidstaten deze rechten unaniem steunen; overwegende dat het negende beginsel van de pijler van sociale rechten inzake het evenwicht tussen werk en privéleven als volgt luidt: "ouders en mensen met zorgtaken hebben recht op geschikte vormen van verlof, flexibele werkregelingen en toegang tot zorgvoorzieningen";

C.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de hele Europese Unie bijna 12 % lager ligt dan die van mannen en dat 31,5 % van de werkende vrouwen in deeltijd werkt, terwijl dat bij mannen slechts 8,2 % is; overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen nog altijd op 12 % ligt; overwegende dat er bewijs is dat een van de belangrijkste redenen hiervoor is dat vrouwen onevenredig veel zorgtaken hebben; overwegende dat het cumulatieve effect van de verschillende loopbaanonderbrekingen bij vrouwen ten gevolge van zorgtaken er in belangrijke mate toe bijdraagt dat vrouwen lagere lonen en een kortere loopbaan hebben en dat de genderloonkloof op 16 % ligt en de genderpensioenkloof op 37 %; overwegende dat vrouwen hierdoor meer risico lopen op armoede en sociale uitsluiting en dat de negatieve gevolgen daarvan zich uitstrekken tot hun kinderen en familieleden; overwegende dat het belangrijk is dat de arbeidsparticipatiekloof, de genderloonkloof en de genderpensioenkloof gedicht worden, omdat de economische verliezen die daaruit voortvloeien oplopen tot 370 miljard euro per jaar; overwegende dat de verstrekking van zorgdiensten ook een oplossing kan bieden voor tekorten aan arbeidskrachten;

D.  overwegende dat de term "zorg" opgevat moet worden als werkzaamheden die door een persoon binnen een openbare of particuliere instelling of in een huishouden of huishoudens worden uitgevoerd ten behoeve van kinderen, ouderen, zieken of personen met een handicap; overwegende dat zorgtaken in ideale omstandigheden worden verricht door professionele zorgverleners die in dienst zijn bij openbare of particuliere entiteiten of gezinnen, of die als zelfstandige werken, maar ook vaak informeel en zonder betaling worden verricht door niet-professionele zorgverleners, meestal familieleden;

E.  overwegende dat vrouwen meer dan drie keer zoveel tijd besteden aan onbetaald huishoudelijk werk en zorgtaken dan mannen, en dat dit met name het geval is bij stellen waarvan het jongste kind jonger is dan zeven jaar, en dat vrouwen gemiddeld 32 uur per week betaald werk verrichten en 39 uur onbetaald werk, terwijl mannen gemiddeld 41 uur per week betaald werk en 19 uur per week onbetaald werk verrichten;

F.  overwegende dat volgens cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in 2010 wereldwijd ongeveer 52 miljoen mensen werkzaam waren in de sector huishoudelijk werk en zorgverlening, en dat nog eens 7,4 miljoen kinderen onder de 15 jaar werkzaam waren als huishoudelijk personeel, hetgeen neerkomt op 5 à 9 % van alle banen in de geïndustrialiseerde landen;

G.  overwegende dat banen in de zorgsector in veel lidstaten slecht betaald worden, dat deze vorm van werk vaak verricht wordt zonder formele arbeidsovereenkomst en dat andere fundamentele arbeidsrechten vaak niet gewaarborgd worden, en dat deze banen vaak weinig aantrekkelijk zijn vanwege het verhoogde risico op fysieke en emotionele stress, het gevaar van een burn‑out, en het gebrek aan carrièremogelijkheden; overwegende dat de sector weinig opleidingskansen biedt en dat er in deze sector overwegend ouderen, vrouwen en migranten werkzaam zijn;

H.  overwegende dat ondersteunende maatregelen, zoals het Zweedse systeem van belastingaftrek voor huishoudelijke diensten of de Franse en Belgische "dienstencheques" voor huishoudelijk en verzorgend personeel, hun doeltreffendheid bewezen hebben als het gaat om het verminderen van zwartwerk, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het waarborgen van de reguliere arbeidsrechten van huishoudelijk personeel en mensen die werkzaam zijn in de zorg;

I.  overwegende dat uit gegevens blijkt dat 80 % van de zorg in de EU wordt verstrekt door onbetaalde mantelzorgers, en dat 75 % daarvan vrouwen zijn; overwegende dat 27,4 % van de vrouwen die deeltijdwerk verrichten, daartoe hebben besloten omdat zij moesten zorgen voor kinderen of hulpbehoevende ouderen, tegenover 4,6 % van de mannen(15); overwegende dat het niet zo moet zijn dat mantelzorgers moeten kiezen tussen hun zorgtaken en ontspanning, omdat mensen die werken sowieso een evenwicht moeten zien te vinden tussen hun verschillende verantwoordelijkheden en de manier waarop zij hun tijd invullen;

J.  overwegende dat uit bepaalde nationale statistieken blijkt dat 6 à 7 % van de zorgverleners in de EU-lidstaten jonger is dan 17 jaar en dat er in de leeftijdsgroep 15 tot 24 jaar vijf keer zoveel vrouwen als mannen zijn met zorgtaken; overwegende dat jonge verzorgers soms enorme verantwoordelijkheden dragen omdat zij zorg, bijstand en steun verlenen aan een ouder, broer/zus of grootouder of ander familielid met een handicap, een chronische ziekte of geestelijke gezondheidsproblemen; overwegende dat jonge verzorgers vaak op belemmeringen stuiten bij de toegang tot onderwijs en scholing en moeite hebben om school en zorgtaken te combineren, hetgeen ook gevolgen heeft voor hun gezondheid en de mogelijkheden die zij hebben om in hun levensonderhoud te voorzien;

K.  overwegende dat er in een aantal lidstaten van de EU een gebrek is aan professionele zorgdiensten van goede kwaliteit die voor iedereen, ongeacht inkomen, toegankelijk zijn;

L.  overwegende dat veel hulpbehoevende familieleden wonen in gebieden waar diensten ontbreken, en door hun isolement of andere omstandigheden moeilijk toegang krijgen tot professionele zorgdiensten; overwegende dat er voor deze personen vaak alleen maar niet-professionele verzorgers, veelal vrouwelijke familieleden, beschikbaar zijn;

M.  overwegende dat Europa te maken heeft met demografische veranderingen die leiden tot een steeds groter aantal gevallen van leeftijdsgerelateerde ziekten en vergrijzing, en dat daardoor de zorgbehoeften toenemen; overwegende dat de verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen in tijden van toenemende zorgbehoeften veelal ongelijk is, en dat vrouwen vanwege de stereotype genderrollen die nog altijd in de Europese samenleving verankerd zijn, de zwaarste lasten dragen; overwegende dat het toenemende aantal ouderen, het dalende aantal personen in de werkende leeftijd en de besparingen op overheidsbegrotingen grote gevolgen hebben voor de sociale dienstverlening, en dus ook voor personen die, vaak onder moeilijke omstandigheden, hun werk moeten combineren met zorgtaken;

N.  overwegende dat de bevolking van de EU volgens prognoses verder zal vergrijzen en dat het percentage personen van 65 jaar of ouder zal stijgen van 17,1 % in 2008 naar 30 % in 2060 en dat in dezelfde periode het percentage personen van 80 jaar of ouder zal stijgen van 4,4 % naar 12,1 %;

O.  overwegende dat ouderen een meer dan gemiddeld risico lopen op armoede en dat in 2008 ongeveer 19 % van alle personen van 65 jaar of ouder risico liepen op armoede, terwijl dat in 2000 nog op 17 % lag; overwegende dat dit aantal bij vrouwen 5 % hoger ligt dan bij mannen;

P.  overwegende dat ouderen soms te maken krijgen met leeftijdsdiscriminatie en seksisme en dat mishandeling van ouderen, in diverse zorgsettings, een sociaal probleem is dat voorkomt in alle lidstaten;

Q.  overwegende dat de meeste nationale beleidsmodellen voor zorgvoorzieningen op dit moment onvoldoende zijn om tegemoet te komen aan de behoeften van de vergrijzende samenleving van de Unie, en dat de meeste lidstaten met hun beleid en hun initiatieven op het gebied van zorg tot op heden niet voldoende inspelen op demografische veranderingen;

R.  overwegende dat het aantal opvangvoorzieningen voor ouderen de afgelopen tien jaar weliswaar in bijna alle lidstaten is gestegen, maar dat er nog altijd onvoldoende mogelijkheden voor zelfstandig wonen zijn, en onvoldoende zorgondersteunende diensten; herinnert eraan dat er een dringende behoefte is aan meer investeringen in voorzieningen voor langdurige zorg, hetzij gemeenschapsgebaseerde zorg, hetzij in de vorm van thuiszorg, omdat eenieder het recht heeft op zelfstandig leven, ondersteunende diensten en maatschappelijke integratie; overwegende dat dit belangrijke onderdeel van de zorginfrastructuur moeilijk te controleren en te beoordelen is door een gebrek aan uitgesplitste gegevens op nationaal niveau, waaronder gegevens over financiële investeringen, en door een gebrek aan kwaliteitsindicatoren, en het dus tevens moeilijk is om aanbevelingen te doen voor de besluitvorming;

S.  overwegende dat de doelstellingen van Barcelona, te weten het waarborgen van kinderopvang voor ten minste 33 % van de kinderen jonger dan drie jaar (streefcijfer 1) en voor ten minste 90 % van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd (streefcijfer 2), sinds 2002 in slechts twaalf lidstaten zijn bereikt, en dat de percentages in een aantal lidstaten verontrustend laag liggen;

T.  overwegende dat de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt een grotere behoefte doet ontstaan aan betaalbare kinderzorg van hoge kwaliteit en dat de vraag naar plaatsen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen in Europa groter is dan het aanbod; overwegende dat uit gegevens blijkt dat de opvang van kinderen van nul tot drie jaar in meer dan de helft van alle lidstaten voornamelijk op deeltijdbasis plaatsvindt (minder dan dertig uur per week); overwegende dat het met het oog op volledige arbeidsmarktparticipatie van vrouwen noodzakelijk is dat er ook voltijdse kinderopvang beschikbaar is, zodat tegemoetgekomen wordt aan de behoefte aan kinderopvang tijdens de werkuren van ouders;

U.  overwegende dat er een gebrek is aan toereikende voorzieningen voor hoogwaardige, voor alle inkomensgroepen toegankelijke kinderopvang, hetgeen blijkt uit het feit dat er in de EU ruim 32 miljoen kinderen onder de leerplichtige leeftijd zijn, waarvan slechts 15 miljoen toegang hebben tot onderwijs en opvang voor jonge kinderen(16), en dat de overheidsuitgaven voor kinderopvang in de lidstaten voornamelijk bedoeld zijn voor de opvang van kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd; overwegende dat de investeringen uit alle sectoren moeten worden verhoogd, omdat uit gegevens over de OESO-landen blijkt dat door een hoger percentage van het bbp in de gezondheidszorg te investeren, de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt; overwegende dat investeren in kinderopvang een win-winsituatie oplevert en extra belastinginkomsten genereert vanwege de verhoogde participatie van ouders op de arbeidsmarkt; overwegende dat goed onderwijs voor en goede opvang van jonge kinderen niet alleen een aanvulling vormen op de centrale rol van het gezin, maar ook veel korte- en langetermijnvoordelen hebben voor afzonderlijke personen en voor de samenleving in haar geheel, bijvoorbeeld voor personen uit een sociaaleconomisch kansarme omgeving of personen met speciale onderwijsbehoeften, en een doeltreffende bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van ongelijkheden waar kinderen al vanaf jonge leeftijd mee te maken kunnen krijgen, en aan de voorkoming van vroegtijdig schoolverlaten;

V.  overwegende dat het bieden van onderwijs aan jonge kinderen een doeltreffende investering is waarmee de basis wordt gelegd voor een succesvol proces van levenslang leren en waarmee de ongelijkheden en de problemen waarmee kansarme kinderen worden geconfronteerd, worden aangepakt;

W.  overwegende dat er in de EU meer dan 80 miljoen personen met een handicap zijn en dat dit aantal oploopt en dat een op de vier Europeanen een familielid heeft met een handicap; overwegende dat de Unie in 2011 partij is geworden bij het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en zich er aldus toe heeft verbonden de rechten van personen met een handicap te bevorderen en te beschermen; overwegende dat er de laatste tijd, in het licht van deze rechten en gelet op de behoeften van personen met een handicap van welke leeftijd dan ook, een verschuiving heeft plaatsgevonden van institutionele naar gemeenschapsgebaseerde zorg voor personen met een handicap;

X.  overwegende dat uit hoofde van artikel 19 van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap elke persoon met een handicap het recht heeft om zelfstandig te wonen en deel uit te maken van de maatschappij, hetgeen inhoudt dat personen met een handicap recht hebben op zelfstandige huisvesting en op ondersteunende diensten die tegemoetkomen aan de behoeften van personen met een handicap;

Y.  overwegende dat het voor kinderen en volwassenen met laagfunctionerend autisme vaak zeer moeilijk is om hun dagelijkse taken zelfstandig uit te voeren en dat deze groep dus in het algemeen bij de meeste activiteiten hulp nodig heeft;

Z.  overwegende dat langdurige zorg en kinderopvang vaak niet serieus worden genomen en dat beroepen in deze sector in veel lidstaten weinig zichtbaar zijn en laag staan aangeschreven, hetgeen ook tot uiting komt in lage lonen, een onevenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen en slechte arbeidsomstandigheden;

AA.  overwegende dat voor banen in de formele opvang en in de thuiszorg geschoold personeel nodig is, dat naar behoren wordt betaald(17); overwegende dat gewaarborgd moet worden dat er voldoende gekwalificeerde zorgverleners zijn, omdat de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige formele zorgdiensten voor kinderen, ouderen en personen met een handicap onmogelijk is zonder goede arbeidsverhoudingen, behoorlijke lonen en investeringen in de personen die deze diensten verrichten, bijvoorbeeld investeringen in scholing voor personen die werkzaam zijn in de kinderopvang; overwegende dat professionele arbeidsverhoudingen voor zorgverleners een positief effect hebben op het vermogen van deze zorgverleners om een evenwicht te vinden tussen hun werk en hun privéleven;

AB.  overwegende dat degenen die gebruikmaken van langdurige zorg zich soms geen particuliere zorg kunnen veroorloven, omdat particuliere zorg vaak duurder is dan door de overheid verstrekte zorg; overwegende dat vrouwen vanwege de genderloonkloof en de genderpensioenkloof altijd zwaarder getroffen worden dan mannen, omdat de kosten voor langdurige zorg een groter deel van hun inkomsten beslaan;

AC.  overwegende dat er berichten zijn dat met name personen uit een kansarme omgeving, zoals personen uit gezinnen met een laag inkomen, personen uit plattelandsgebieden of kinderen van etnische minderheden of met een migrantenachtergrond, problemen ondervinden als de beschikbaarheid van goede zorgdiensten slechts beperkt is;

Context op het gebied van het evenwicht tussen werk en privéleven

1.  merkt op dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen veel groter wordt als er kinderen komen, waaruit blijkt dat het voor vrouwen moeilijk is om de opvoeding van en de zorg voor kinderen te combineren met hun werk, en dat dit te wijten is aan een ontoereikende infrastructuur voor openbare zorg en aan het feit dat de taakverdeling plaatsvindt op basis van geslacht, hetgeen ertoe leidt dat vrouwen veel meer zorgtaken verrichten dan mannen en wel twee tot tien keer zoveel tijd besteden aan onbetaalde zorgtaken dan mannen(18);

2.  merkt op dat een kwart van de vrouwen nog altijd tot de categorie van niet‑betaalde meewerkende gezinsleden behoort, dat wil zeggen dat ze geen directe beloning ontvangen voor hun inspanningen, en dat er veel vrouwen werkzaam zijn in sectoren die doorgaans worden gekenmerkt door lage lonen, lange werktijden en vaak informele arbeidsregelingen, waardoor deze vrouwen minder financiële, sociale en structurele voordelen genieten;

3.  benadrukt dat armoede onder vrouwen wordt veroorzaakt door meerdere factoren, waaronder de genderloonkloof, de genderpensioenkloof, zorgtaken en daarmee samenhangende loopbaanonderbrekingen; benadrukt dat vrouwen vaak te maken hebben met meervoudige discriminatie op grond van, onder meer, hun genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken, en dat dit armoede onder vrouwen in de hand werkt;

4.  is ingenomen met de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten, en herinnert aan de daarin vervatte beginselen, zoals:

   gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen wat betreft de participatie op de arbeidsmarkt,
   recht op gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt ongeacht leeftijd of handicap,
   recht op gepast verlof, flexibele arbeidsvoorwaarden en toegang tot zorg voor ouders en mensen met zorgverantwoordelijkheden,
   recht op betaalbare langdurige zorg van goede kwaliteit;

5.  uit zijn ongerustheid over de ongunstige ontwikkelingen op het gebied van ouderschapsverlof en de met ouderschap verband houdende rechten, zoals de intrekking van de ontwerprichtlijn betreffende de verlenging van de duur van zwangerschaps- en bevallingsverlof en het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin werd geoordeeld dat het ontslag van een zwangere werkneemster in het kader van collectieve ontslagen niet in strijd is met de wet, en verzoekt de Commissie om de leemtes die in de Uniewetgeving ontstaan snel aan te vullen;

6.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor werknemers en verzorgers en wijst in dit verband op het belang van individuele verlofdagen en flexibele werkregelingen om werknemers te helpen hun privéleven en hun beroepsleven te combineren; herinnert eraan dat beleidsmaatregelen ter bevordering van een passend evenwicht tussen werk en privéleven mannen ertoe moeten bewegen om op voet van gelijkheid met vrouwen zorgtaken op zich te nemen; is van mening dat er met het oog op de toekomstige ontwikkeling naar moet worden gestreefd om het vaderschaps- en zorgverlof geleidelijk uit te breiden(19) en het niveau van betaling tijdens dit verlof te verhogen tot een passend niveau, en te zorgen voor niet-overdraagbaar ouderschapsverlof, ontslaggaranties, terugkeer naar dezelfde of een gelijkwaardige functie, bescherming tegen discriminatie op grond van beslissingen om verlof op te nemen, en uitbreiding van deze rechten tot zelfstandigen en personen die verlof moeten opnemen om voor andere personen dan kinderen ten laste te zorgen;

7.  verzoekt alle lidstaten om vaders stimulansen te bieden om ervoor te zorgen dat zij gebruikmaken van vaderschapsverlof, dat een nuttig instrument is om vaders verantwoordelijkheid te laten dragen voor de zorg voor hun kinderen en het gezin en bovendien een nuttig instrument is om daadwerkelijke gelijkheid van vrouwen en mannen te realiseren;

8.  is van mening dat de verlening van zorgdiensten de hoogte van het loon of de sociale of pensioenuitkeringen van de zorgverlener niet negatief mag beïnvloeden; pleit er in dit verband voor om gendergelijkheid te garanderen bij de uitvoering van het beleid inzake evenwicht tussen werk en privéleven;

9.  wijst op de moeilijke situatie van gezinnen die voor een kind of familielid met een handicap zorgen, aangezien het in deze gevallen om levenslange zorg gaat;

10.  wijst op het gebrek aan diensten voor respijtzorg voor ouders van kinderen met een handicap; wijst erop dat door dit gebrek aan ondersteuning het voor de ouders vaak volkomen onmogelijk is om te werken; stelt in dit verband vast dat het gebrek aan voorzieningen voor personen met een ernstige vorm van autisme zorgwekkend is;

11.  is van mening dat iedere zorgbehoevende persoon het subjectieve recht zou moeten hebben om die hoogwaardige zorg te kiezen die het beste tegemoetkomt aan zijn of haar behoefte aan zorg en die toegankelijk is en passend voor zowel de persoon zelf als voor de zorgverleners; is van oordeel dat zorgdiensten, ongeacht de verschillen tussen de diverse gebruikers en hun behoeften, ontwikkeld moeten worden op een persoonsgerichte en alomvattende manier, waarbij de mens centraal staat; merkt op dat families niet homogeen zijn en dat het beleid en de programmering dus aangepast moeten worden aan deze diversiteit;

12.  is van oordeel dat, naarmate de keuzes met betrekking tot zorgdiensten verder worden ontwikkeld, deze de veranderende aard van het werk moeten weerspiegelen;

13.  is van mening dat langdurige zorg, in overeenstemming met het recht op langdurige zorg zoals dat is vastgelegd in de Europese pijler van sociale rechten, beschouwd moet worden als vorm van sociale bescherming, waarbij het recht op hoogwaardige en op het individu gerichte zorg voor eenieder gewaarborgd moet worden; is voorts van mening dat er dringend meer geïnvesteerd moet worden in betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg, en met name in thuiszorg en gemeenschapsgebaseerde zorgdiensten, een en ander in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten en het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; roept de lidstaten in dit verband op om in het kader van kinderopvang, ouderenzorg en zorg voor personen met een handicap en/of een chronische ziekte die langdurige zorgbehoeften hebben, te zorgen voor gelijke toegang en een eerlijke behandeling, en daarbij met name aandacht te besteden aan personen uit kansarme milieus;

14.  benadrukt dat de beschikbaarheid van een gediversifieerde, kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare openbare en particuliere zorginfrastructuur, diensten en ondersteuning van kinderen, ouderen, personen met een handicap en personen die chronisch ziek zijn of langdurige zorg nodig hebben, hetzij thuis, hetzij op gemeenschapsniveau in een huiselijke setting, een cruciaal aspect is gebleken van beleidsmaatregelen ter bevordering van een passend evenwicht tussen werk en privéleven en tevens een belangrijke factor is die ouders en andere informele zorgverleners in de gelegenheid stelt om verlof op te nemen, in het kader van de inspanningen die erop gericht zijn om vrouwen ertoe te bewegen om snel weer aan het werk te gaan en aan het werk te blijven; is verheugd over het feit dat steeds vaker gekozen wordt voor gemeenschapsgebaseerde diensten, in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en wijst erop dat het noodzakelijk is dat deze diensten gemonitord worden, om de goede kwaliteit ervan te waarborgen; is van oordeel dat de kwaliteit van de zorg afhangt van de kwaliteit van de verleende diensten, van de mate waarin de waardigheid en de mensenrechten van degenen die deze zorg ontvangen geëerbiedigd worden en van de mate waarin de inclusie van de personen die zorg ontvangen in de gemeenschap gewaarborgd wordt;

15.  herinnert eraan dat een gebrek aan zorgdiensten een factor is die in belangrijke mate bijdraagt aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt, aangezien een dergelijk gebrek ertoe leidt dat het moeilijker is om werk en gezinstaken te combineren, met als gevolg dat sommige vrouwen de arbeidsmarkt helemaal verlaten, minder uren betaald werk verrichten en meer tijd besteden aan het verrichten van onbetaalde zorgtaken, met schadelijke gevolgen voor hun socialezekerheidsrechten, met name pensioenrechten, en een groter risico op armoede en sociale uitsluiting, met name op latere leeftijd;

Soorten zorg

16.  stelt vast dat er een grote diversiteit aan zorgdiensten is, zoals kinderopvang en voorschoolse educatie, ouderenzorg en zorg voor of ondersteuning van personen met een handicap of chronische ziekten die langdurige zorgbehoeften hebben, en dat er daarom verschillende beleidsbenaderingen zijn ontwikkeld; is van mening dat zorg kan worden verleend door zowel professionele zorgverleners als mantelzorgers;

17.  is van mening dat bij de ontwikkeling van zorgdiensten rekening moet worden gehouden met alle categorieën gebruikers, onder wie mensen uit kansarme milieus, zoals etnische minderheden, migrantengezinnen, mensen die in afgelegen en plattelandsgebieden wonen en gezinnen met lage inkomens, en met hun verschillen en uiteenlopende voorkeuren voor de soorten zorgdiensten die zij nodig hebben; merkt op dat het concept gezin, zoals dat in wetgeving en beleid wordt gehanteerd, in ruime zin moet worden uitgelegd;

18.  beseft dat een lage sociaaleconomische status en een laag opleidingsniveau voor veel mensen hindernissen vormen voor de toegang tot zorgdiensten, waardoor de uitdagingen die gepaard gaan met het vinden van een juist evenwicht tussen werk en privéleven nog groter worden; is van oordeel dat dit probleem noopt tot specifieke programmering en beleidsontwikkeling;

19.  merkt op dat de particuliere sector een belangrijke rol speelt bij de verlening van diensten voor langdurige zorg voor gehandicapten en ouderen, en dat er zorgen bestaan over de toegankelijkheid en de kwaliteit van deze diensten in de hele EU; verzoekt de Commissie om de situatie op de markt voor zorgdiensten te beoordelen en de nodige regelgevingsinitiatieven te nemen om de kwaliteit van de op dit gebied aangeboden diensten te controleren en te monitoren;

Kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg

20.  is van mening dat zorgdiensten zodanig moeten worden opgezet dat alle gebruikers, hun gezinsleden en hun verzorgers echte keuzemogelijkheden hebben, ongeacht of zij fulltime of parttime werken, zelfstandig of werkloos zijn;

21.  is van mening dat degenen die zorgdiensten plannen, programmeren en verlenen, de verantwoordelijkheid hebben om rekening te houden met de behoeften van de gebruikers en dat bij de planning en ontwikkeling van zorgdiensten voor ouderen en gehandicapten actief en op zinvolle wijze moet worden samengewerkt met de gebruikers en dat deze diensten ontworpen en uitgevoerd moeten worden op basis van een op rechten gebaseerde aanpak; wijst erop dat personen met geestelijke of verstandelijke handicaps die hebben deelgenomen aan de ontwikkeling van infrastructuur en diensten die hun mogelijkheden om zelfstandig te leven vergroten en de kwaliteit van hun leven verbeteren hun deelname daaraan als een positieve ervaring aanmerken;

22.  wijst erop dat er wat betreft de verstrekking van goede zorgdiensten in de EU in de lidstaten en tussen de lidstaten onderling grote verschillen bestaan, evenals tussen private en publieke structuren, stedelijke en plattelandsgebieden en de verschillende leeftijdsgroepen; neemt nota van het feit dat familieleden een groot deel van de kinderopvang en langdurige zorg op zich nemen, en dat, met name in Zuid- en Oost-Europa, de kinderopvang voornamelijk wordt verzorgd door de grootouders(20);

23.  roept de lidstaten op om een goede dekking van zorgvoorzieningen te waarborgen, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, teneinde de toegankelijkheid en beschikbaarheid van zorgdiensten voor mensen uit kansarme milieus, met inbegrip van personen die in plattelands- en afgelegen gebieden wonen, te verbeteren;

24.  is van mening dat toegankelijkheid het resultaat is van een combinatie van kosten en flexibiliteit en dat er daarom een scala aan zorgdiensten moet zijn, zowel openbare als particuliere, voor thuiszorg en zorg in een thuisomgeving; is voorts van mening dat gezinsleden hetzij vrijwillig zorg moeten kunnen verlenen, hetzij in aanmerking moeten komen voor financiële ondersteuning zodat zij zorgdiensten kunnen aankopen;

25.  benadrukt dat er bij het beoordelen van de kwaliteit van zorgdiensten gekeken moet worden naar allerlei aspecten, onder meer naar de kwaliteit van faciliteiten en diensten, de kwaliteit van onderwijsprogramma's voor kinderen, de vakkundigheid van de zorgverleners, de kwaliteit van de gebouwen waarin zorginstellingen gehuisvest zijn en de omgeving waarin zij liggen, en het opleidingsniveau van de zorgverleners en hun arbeidsomstandigheden;

26.  wijst erop dat de zorgverlening verder moet worden ontwikkeld om de continuïteit van de zorg, preventieve gezondheidsdiensten en sociale zorg, en de integratie en zelfstandigheid van zorgbehoevenden te verbeteren; is van mening dat thuiszorgvoorzieningen moeten worden bevorderd, zodat personen met een zorgbehoefte in hun eigen huis zorg kunnen ontvangen van gekwalificeerde vakmensen en, zo mogelijk, zelfstandig kunnen blijven wonen; is van mening dat zorgvoorzieningen, in voorkomend geval, het hele gezin moeten ondersteunen, bijvoorbeeld door middel van hulp in het huishouden, huiswerkbegeleiding en kinderopvang;

27.  onderstreept dat informatie over beschikbare zorgdiensten en zorgverleners toegankelijk moet zijn voor ouders, ouderen, personen met een handicap en/of met een chronische ziekte die langdurige zorg nodig hebben en mantelzorgers;

28.  onderstreept dat een gebrek aan diensten en de hoge kosten van kinderopvang negatieve gevolgen hebben voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, waardoor deze kinderen van jongs af aan een achterstand hebben; benadrukt dat elk kind recht heeft op goede zorg en ontwikkeling in de vroege kinderjaren, met inbegrip van een breed scala aan sociale prikkels; wijst erop dat de buitensporige kosten van de zorgvoorzieningen ook nadelige gevolgen hebben voor zorgbehoevende personen in families met lage inkomens, die hierdoor worden achtergesteld;

29.  is van mening dat het gebrek aan investeringen in hoogwaardige kinderopvang voor kinderen jonger dan drie jaar ertoe leidt dat vrouwen hun loopbaan langer onderbreken en moeilijkheden ondervinden wanneer zij weer aan het werk gaan;

30.  is van mening dat nationale programma's moeten worden versterkt om de levenskwaliteit van oudere vrouwen te verbeteren, met name oudere vrouwen met vormen van dementie en hun zorgverleners, die zelf ook vaak oudere vrouwen zijn; is van mening dat Alzheimerverenigingen moeten worden geraadpleegd bij het ontwikkelen en uitvoeren van deze maatregelen;

31.  verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met de in dit document gedane voorstellen, richtsnoeren voor de lidstaten op te stellen voor de ontwikkeling van omvattende, werkgelegenheidsvriendelijke, persoonsgerichte, gemeenschapsgebaseerde en toegankelijke zorgdiensten, met inbegrip van kinderopvang, ouderenzorg, gehandicaptenzorg en zorg voor personen met een chronische ziekte, in samenwerking met en na raadpleging van de beoogde gebruikers van de diensten, om ervoor te zorgen dat deze diensten toegankelijk zijn en tegemoetkomen aan de behoeften van de beoogde gebruikers;

32.  neemt kennis van de uiteenlopende praktijken in de lidstaten en benadrukt dat samenwerking en uitwisseling van beste praktijken op Europees niveau peer learning en peer counselling tussen de lidstaten onderling kunnen bevorderen en niet alleen de lidstaten kunnen helpen om algemene problemen aan te pakken, maar ook een bijdrage kunnen leveren aan de totstandbrenging van hoogwaardige zorgdiensten, doordat de maatregelen die op regionaal niveau en nationaal niveau worden genomen, worden ondersteund en aangevuld; roept de Commissie op als platform te fungeren en een stimulerende rol op zich te nemen als het gaat om de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken met betrekking tot de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorgdiensten en de diverse modellen voor de verstrekking van zorgdiensten die afgestemd zijn op de individuele omstandigheden en financiële draagkracht van de zorgbehoeftigen, om oplossingen te vinden voor problemen in de zorg;

33.  is bezorgd over de arbeidsomstandigheden op het gebied van de verlening van zorgdiensten, zoals lange werktijden, te lage lonen, gebrek aan opleiding en een tekortschietend beleid inzake gezondheid en veiligheid op het werk; maakt zich zorgen over het feit dat banen in de zorg als onaantrekkelijk worden beschouwd en dat er in deze sector hoofdzakelijk vrouwen en migranten werkzaam zijn; benadrukt dat dit ook gevolgen heeft voor de kwaliteit van de zorgverlening; roept de lidstaten daarom op om banen in de zorg aantrekkelijker te maken en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de sociale partners een wettelijk kader met minimumnormen voor werknemers in de zorgsector vast te stellen en een initiatief te starten ter bevordering van de kwaliteit van langdurige zorg en daarbij voort te bouwen op reeds bestaande, door het maatschappelijk middenveld opgezette instrumenten en initiatieven, zoals het Europees kwaliteitskader voor langdurige zorgverlening en het recente voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit voor jonge kinderen;

34.  roept de lidstaten op om erop toe te zien en te waarborgen dat instellingen en andere centra die zorg verlenen, veilige en stimulerende werkomgevingen zijn en dat er voldoende wordt geïnvesteerd in het welzijn en de gezondheid op het werk van de zorgverleners; is van mening dat het welzijn van zorgverleners gewaarborgd moet worden om misbruik van zorgontvangers te voorkomen; steunt in dit verband wetgevingsinitiatieven die zich richten op certificering en erkenning van professionele zorgverleners en verzoekt de lidstaten om maatregelen te nemen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van zorgverleners, bijvoorbeeld door te bepalen dat zij recht hebben op een formeel arbeidscontract en betaald verlof; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de burgers te informeren over de waarde van zorgdiensten om op die manier de status van zorgberoepen te verbeteren, en om de betrokkenheid van mannen bij zorgtaken te bevorderen;

35.  dringt er bij de Commissie op aan om een Europees programma inzake zorgverleners ter goedkeuring voor te leggen aan de Raad, teneinde de verschillende vormen van zorg in Europa in kaart te brengen en te erkennen, financiële steun voor zorgverleners te garanderen en het evenwicht tussen werk en privéleven geleidelijk aan te verbeteren;

36.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(21) de Commissie uitdrukkelijk verzoekt om een richtlijn inzake zorgverlof; merkt op dat gezinsleden die ervoor kiezen informele zorg aan hun familieleden te verlenen een passende vergoeding moeten ontvangen en op gelijke voet met andere zorgverleners toegang tot sociale rechten moeten hebben; dringt daarom voorts aan op een omvattende aanpak met betrekking tot mantelzorgers, die niet alleen arbeidswetgeving omvat, maar ook onderwerpen als voortzetting van inkomenssteun, toegang tot gezondheidszorg, mogelijkheden om verlof op te nemen en opbouw van pensioenrechten, zodat zorgverleners over voldoende bestaansmiddelen beschikken, ook als zij, vanwege activiteiten in het kader van mantelzorg, tijdelijk minder inkomsten hebben, een situatie die vooral vrouwen treft; is van mening dat de verlening van zorgdiensten de gezondheid en het welzijn van de mantelzorger niet negatief mag beïnvloeden; verzoekt de lidstaten in dit verband om te voorzien in passende diensten voor respijtzorg, advisering, peer counselling, psychologische ondersteuning, dagopvang en faciliteiten voor respijtzorg voor mantelzorgers, waarmee de arbeidsparticipatie van deze groep kan verbeteren;

37.  verzoekt de lidstaten om via hun arbeids- en socialezekerheidswetgeving voor zowel mannen als vrouwen "zorgkredieten" in te voeren, in die zin dat zorgverleners in de periode dat zij zorg verlenen ook pensioenrechten opbouwen, ter bescherming van personen die een bepaalde periode niet werken om informele, onbetaalde zorg te kunnen verlenen aan een persoon te hunnen laste of een familielid, en om de bijdrage die deze mantelzorgers leveren aan de samenleving te erkennen;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te waarborgen dat binnen de verstrekking van zorgdiensten mantelzorgers als gelijkwaardige actoren worden erkend, en om bovendien in het kader van programma's voor een leven lang leren opleidingen te ontwikkelen en de verworven vaardigheden van mantelzorgers te erkennen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met ngo's en onderwijsinstellingen jonge zorgverleners te steunen; verzoekt de Commissie om te komen met een actieplan ter zake en met andere maatregelen om de kwaliteit van de zorg en de kwaliteit van leven van zorgverleners te waarborgen;

39.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te onderzoeken hoeveel jonge zorgverleners er zijn en hoe hun zorgtaak van invloed is op hun welzijn en bestaansmiddelen, en om deze groep op basis van dit onderzoek te ondersteunen, een en ander in samenwerking met ngo's en onderwijsinstellingen;

40.  verzoekt de Commissie om bij de ontwikkeling van onderzoek en beleid, met name in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF), de Europese strategie inzake handicaps en het gezondheidsprogramma, meer rekening te houden met zorgdiensten en zorgverleners;

Zorgdoelstellingen

41.  benadrukt dat het bieden van meer kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van drie tot vier jaar momenteel het knelpunt is bij het behalen van de doelstellingen van Barcelona; is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie om in de onderwijs- en opleidingsstrategie 2020 het streefcijfer voor kinderopvangplaatsen te verhogen, in die zin dat kinderopvangplaatsen geboden moeten worden aan ten minste 95 % van de kinderen in de leeftijd van drie jaar tot de schoolplichtige leeftijd; verzoekt de Commissie om in overleg met de relevante actoren, waaronder de lidstaten, de doelstellingen van Barcelona en de doelstellingen inzake onderwijs aan jonge kinderen aan te scherpen; verzoekt te lidstaten om zich meer in te spannen om de doelstellingen te behalen en de verstrekking van zorg hoog op hun politieke agenda te plaatsen; verzoekt de lidstaten om de nationale kwaliteitskaders voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen te verbeteren, rekening houdend met het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad betreffende stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit voor jonge kinderen, en spoort de lidstaten aan zich opnieuw te buigen over de in de aanbeveling genoemde vijf cruciale dimensies van voorzieningen voor onderwijs en opvang voor jonge kinderen: toegankelijkheid, personeel, leerprogramma, toezicht en evaluatie, en beheer en financiering; verzoekt de lidstaten om bij het bieden van opvang voor jonge kinderen de aandacht niet alleen te leggen op toegankelijkheid, maar ook op de kwaliteit van de zorg, in het bijzonder voor kinderen uit kansarme milieus en kinderen met een handicap;

42.  verzoekt de Commissie om indicatoren en bijbehorende kwaliteitsdoelstellingen vast te stellen voor zorgdiensten voor ouderen en personen met een handicap en/of een chronische ziekte die behoefte hebben aan zorg, vergelijkbaar met de doelstellingen van Barcelona, inclusief monitoringinstrumenten waarmee de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van deze diensten kan worden beoordeeld;

43.  verzoekt de Commissie om bij haar monitoring en evaluatie van gegevens in het kader van het Europees Semester en in haar jaarverslag over gendergelijkheid ook aandacht te besteden aan de zorg voor ouderen en personen met een handicap en/of een chronische ziekte; verzoekt de lidstaten te overwegen om in hun landenverslagen ook evaluaties op te nemen van de zorgvoorzieningen voor ouderen en personen met een handicap en/of een chronische ziekte, rekening houdend met de terugkoppeling van zorgverleners en zorgontvangers; verzoekt de Commissie om de gegevens over deze zorg te verwerken in een reeks indicatoren voor het meten van sociale vooruitgang en deze in het kader van het Europees Semester te monitoren; verzoekt de Commissie en de Raad om deze sociale indicatoren op te nemen in de regels van het Europees Semester; spoort de lidstaten aan om, in het geval van trage vooruitgang, corrigerende maatregelen vast te stellen en toe te passen;

44.  verzoekt de Commissie voorts om de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens te verbeteren en sectorspecifieke statistieken, geharmoniseerde definities en indicatoren te ontwikkelen om de genderdimensie van de toegankelijkheid, kwaliteit, beschikbaarheid en doeltreffendheid van zorgdiensten voor kinderen, personen met een handicap en/of een chronische ziekte en ouderen op EU‑niveau te beoordelen, en tevens manieren te vinden om te voorkomen dat de met monitoring verband houdende lasten voor zorgverleners toenemen; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling van zorgdiensten te volgen en aanbevelingen op te stellen voor correctieve maatregelen indien dat nodig is;

45.  verzoekt de lidstaten om hoogwaardige gegevens te verzamelen over zorgvoorzieningen die via publieke of particuliere financiering beschikbaar worden gesteld voor kinderen, ouderen en personen met een handicap, om de algemene situatie te monitoren en zorgvoorzieningen te kunnen verbeteren, door niet alleen rekening te houden met de behoeften van de gebruikers, maar ook met het evenwicht tussen werk en privéleven en de arbeidsomstandigheden van de enorme hoeveelheid zorgverleners; verzoekt de lidstaten doeltreffende beleidsinstrumenten vast te stellen en corrigerende maatregelen te nemen wanneer dat nodig is;

Financiering van zorg

46.  verzoekt de lidstaten om, onder meer met het oog op de aanpak van bestaande investeringstekorten, meer te investeren in opvangvoorzieningen en zorginfrastructuur voor kinderen, met name jonge kinderen, en in zorgvoorzieningen voor andere personen ten laste, om te zorgen voor universele toegang tot deze voorzieningen, de kwaliteit van de zorg te verbeteren, en meer te investeren in speciale maatregelen die zorgverleners in staat stellen een actief beroepsleven te blijven leiden;

47.  wijst op de onevenredig grote gevolgen die tekortschietende investeringen in zorgvoorzieningen en ‑diensten hebben voor alleenstaande ouders, in overgrote meerderheid vrouwen, en voor gezinnen die in armoede leven en met sociale uitsluiting worden bedreigd;

48.  onderstreept het belang van gendermainstreaming in alle fasen van de uitvoering van de diverse beleidsmaatregelen en met name in de programmeringsfase; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de genderdimensie volledig geïntegreerd wordt in de nationale hervormingsprogramma's, met steun van het ESF, maar ook van andere EU‑fondsen die middelen ter beschikking stellen voor sociale infrastructuur die door de lidstaten moet worden gebruikt voor de ontwikkeling van zorgdiensten;

49.  verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat het Europees Semester bijdraagt aan de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, en dat de lidstaten genoeg ruimte hebben om zorgvoorzieningen te financieren, ook op lange termijn;

50.  pleit ervoor dat in de landspecifieke aanbevelingen van de Commissie maatregelen worden opgenomen die gericht zijn op investeringen in kinderopvangvoorzieningen en op het opheffen van negatieve fiscale prikkels die ertoe leiden dat tweede verdieners, met name vrouwen, niet meer uren gaan werken of zelfs helemaal niet gaan werken, en op andere maatregelen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;

51.  verzoekt de Commissie om, via het ESF+ en andere financiële instrumenten die tot doel hebben de sociale infrastructuur te financieren, meer middelen uit te trekken voor alle soorten zorgdiensten, met bijzondere aandacht, waar nodig, voor de overgang van institutionele naar gemeenschapsgebaseerde zorgdiensten; roept de Commissie op om, in dezelfde geest, via het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) meer middelen beschikbaar te stellen voor de ondersteuning van kinderopvangvoorzieningen in plattelandsgebieden, en meer gebruik te maken van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) voor de financiering van projecten op het gebied van opvang en onderwijs voor jonge kinderen; verzoekt de Commissie voorts om de besteding van EU‑middelen nauwgezet te bewaken, met name de uitgaven van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het gebied van sociale zorgdiensten en langdurige zorg, en ervoor te zorgen dat de investeringen in overeenstemming zijn met de verplichtingen op het gebied van de mensenrechten uit hoofde van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

52.  verzoekt de Commissie om te overwegen socialezekerheidsuitkeringen een grensoverschrijdend karakter te geven, zodat het mogelijk wordt dat de lidstaat van herkomst van een persoon de plaatsing van die burger in een sociale voorziening in een andere lidstaat financiert (in gevallen waarbij dergelijke voorziening niet aanwezig is in de lidstaat van herkomst);

53.  benadrukt dat het potentieel van publiek-private investeringen in het kader van de verlening van zorgdiensten beter moet worden geanalyseerd, rekening houdend met de bestaande initiatieven van ondernemingen ten behoeve van werknemers die zorgtaken vervullen met betrekking tot personen met een handicap en volwassenen;

54.  verzoekt de lidstaten om een alomvattende benadering te hanteren met betrekking tot alle soorten zorgdiensten, en de bepalingen ter bevordering van doeltreffend en op synergieën gebaseerd gebruik van de relevante financiële instrumenten van de EU op het gebied van levenslang leren, onderzoek en infrastructurele ontwikkeling aan te scherpen; spoort de lidstaten aan voorrang te verlenen aan de financiering van de zorg voor kinderen en langdurige zorg en daarbij gebruik te maken van de financiële middelen die daarvoor in het kader van het volgende meerjarig financieel kader beschikbaar zijn, met name middelen uit het EFSI, de Europese structuur- en investeringsfondsen, zoals het ESF en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; spoort de lidstaten voorts aan om hun middelen doeltreffender te verdelen, om de toegang tot en de betaalbaarheid van zorgdiensten voor kansarme en kwetsbare groepen te verbeteren, en om doeltreffende financieringsmodellen te ontwerpen, met inbegrip van gerichte financiering, waarmee een juist evenwicht wordt gevonden tussen overheids- en particuliere investeringen, een en ander rekening houdend met de nationale en lokale omstandigheden;

55.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) over voldoende middelen beschikt om de ontwikkeling van zorginfrastructuur en de uitvoering van beleidsmaatregelen inzake het combineren van werk en privéleven te monitoren, en te beoordelen of en hoe de beleidsmaatregelen leiden tot de beoogde verbeteringen op het gebied van gendergelijkheid;

56.  is ingenomen met het besluit van een aantal lidstaten om fiscale prikkels in te voeren voor bedrijven die hun werknemers kinderopvang bieden opdat zij hun werk en privéleven beter kunnen combineren;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(2) PB C 175 van 15.6.2011, blz. 8.
(3) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 59.
(4) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 6.
(5) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.
(6) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 76.
(7) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(8) PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.
(9) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 15.
(10) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 49.
(11) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 39.
(12) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 7.
(13) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 16.
(14) PB C 21 van 21.1.2011, blz. 39.
(15) Europese Commissie, verslag uit 2018 over gelijkheid van mannen en vrouwen.
(16) Routekaart van de Europese Commissie 2018, Europees Centrum voor politieke strategie (2017), "10 Trends Transforming Education as We Know It".
(17) Eurofound, "Caring for children and dependants: effect on careers of young workers".
(18) Gegevens van Eurostat over 2010; verslag van de Commissie van 2015 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie (2016),
(19) Zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn wetgevingsresolutie van 20 oktober 2010 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 162).
(20) Eurofound, European Quality of Life Survey 2016: overview report.
(21) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.

Laatst bijgewerkt op: 17 december 2018Juridische mededeling