Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2084(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0379/2018

Ingediende teksten :

A8-0379/2018

Debatten :

PV 28/11/2018 - 20
CRE 28/11/2018 - 20

Stemmingen :

PV 29/11/2018 - 8.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0477

Aangenomen teksten
PDF 194kWORD 59k
Donderdag 29 november 2018 - Brussel Voorlopige uitgave
WTO: de weg vooruit
P8_TA-PROV(2018)0477A8-0379/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 inzake de WTO: de weg vooruit (2018/2084(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de overeenkomst van Marrakesh van 15 april 1994 tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

–  gezien de door de WTO geformuleerde ministersverklaring van Doha van 14 november 2001(1),

–  gezien zijn vorige resoluties over de WTO, in het bijzonder die van 24 april 2008 over een routekaart voor hervorming van de Wereldhandelsorganisatie(2) en van 15 november 2017 over multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO(3),

–  gezien het slotdocument dat op 10 december 2017 bij consensus werd goedgekeurd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Parlementaire Conferentie over de WTO in Buenos Aires(4),

–  gezien de resultaten, waaronder een reeks ministeriële besluiten, van de elfde Ministeriële Conferentie in Buenos Aires in december 2017, waar echter geen ministeriële verklaring kon worden goedgekeurd(5),

–  gezien de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel"), die van 11 t/m 13 juli 2017 plaatsvond in Genève(6),

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling(7),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs binnen het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die sinds november 2016 van kracht is,

–  gezien het laatste verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van 8 oktober 2018, waaruit blijkt dat beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5° C nog steeds mogelijk is, indien landen hun nationaal bepaalde bijdragen voor 2020 verhogen,

–  gezien punt 16 van de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018(8),

–  gezien de op 31 mei 2018 aangenomen gezamenlijke verklaring over de trilaterale vergadering van de ministers van Handel van de Verenigde Staten, Japan en de Europese Unie(9),

–  gezien de gezamenlijke verklaring tijdens de 20e EU-China-top, waarbij een gezamenlijke werkgroep betreffende de hervorming van de WTO werd opgericht die zal worden voorgezeten op het niveau van viceministers(10),

–  gezien de conceptnota van de Commissie van 18 september 2018 over modernisering van de WTO(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0379/2018),

A.  overwegende dat de WTO, sinds haar oprichting een cruciale rol speelt bij het versterken van het multilaterale kader, het bevorderen van een inclusieve economische wereldorde en het stimuleren van een open, op regels gebaseerd, niet-discriminerend multilateraal handelsstelsel; overwegende dat de ontwikkelingslanden momenteel goed zijn voor ongeveer de helft van de wereldhandel, terwijl dit in 2000 nog 33 % was, en dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, sinds 1990 is gehalveerd en net onder de één miljard ligt; overwegende dat de WTO is gegrondvest op een systeem van rechten en plichten, uit hoofde waarvan leden hun eigen markten moeten openstellen zonder te discrimineren;

B.  overwegende dat de WTO voor regeringen en bedrijven het belangrijkste referentiepunt moet blijven om regels te bepalen en handelsgeschillen op te lossen;

C.  overwegende dat de EU voortdurend heeft gepleit voor een sterke, op multilaterale regels gebaseerde benadering van handel, omdat de EU-economie, en werknemers en consumenten in de EU en haar partnerlanden in toenemende mate geïntegreerd zijn in de wereldwijde waardeketens en zowel bij de invoer als de uitvoer afhankelijk zijn van voorspelbare ontwikkelingen op het gebied van internationale handel en op het gebied van sociale en milieuomstandigheden;

D.  overwegende dat de resultaten van de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires in december 2017 teleurstellend waren en duidelijk aantoonden dat de onderhandelingsrol van de organisatie verlamd is;

E.  overwegende dat het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel kampt met de zwaarste crisis sinds de oprichting van de WTO, wat een bedreiging vormt voor de basistaken van de organisatie, te weten het vaststellen van essentiële voorschriften en de structuur voor de internationale handel en het leveren van het doeltreffendste en meest ontwikkelde geschillenbeslechtingsmechanisme van alle multilaterale organisaties;

F.  overwegende dat behoudens enkele uitzonderingen zoals de handelsfacilitatieovereenkomst, de handelshervorming van de WTO sinds het eerste decennium van de 21e eeuw achterblijft;

G.  overwegende dat de beroepsinstantie de parel aan de kroon van de WTO is, vanwege het bindende karakter van haar besluiten en haar status als onafhankelijk en onpartijdig beroepsorgaan; overwegende dat het aantal rechters van de WTO-beroepsinstantie is gedaald tot het minimumaantal dat het nodig heeft om te functioneren, nadat er na afloop van de termijn van rechter Shree Baboo Chekitan Servansing slechts drie benoemde rechters overbleven; overwegende dat deze door de VS-regering veroorzaakte impasse zou kunnen leiden tot de instorting van een stelsel dat cruciaal is voor het beslechten van geschillen tussen alle WTO-leden;

1.  schaart zich andermaal volledig achter het multilaterale handelsstelsel en pleit voor een handelsagenda gebaseerd op eerlijke en op regels gebaseerde handel die eenieder ten goede komt en die bijdraagt tot vrede, veiligheid en de agenda voor duurzame ontwikkeling, door sociale, milieu- en mensenrechten erin op te nemen en te versterken, en ervoor te zorgen dat multilateraal overeengekomen en geharmoniseerde voorschriften zonder onderscheid worden toegepast en effectief worden gehandhaafd; onderstreept dat de WTO eveneens moet bijdragen tot de bevordering van rechtvaardige handel en de bestrijding van oneerlijke praktijken; onderstreept dat handel geen doel op zich is, maar een instrument voor het verwezenlijken van de mondiaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen;

2.  meent dat in het licht van de laatste ontwikkelingen, maar ook gezien het reeds lang uitblijven van vooruitgang ten aanzien van de ontwikkelingsagenda van Doha (DDA), dringend moet worden overgegaan tot de modernisering van de WTO en tot een grondige herziening van verschillende aspecten van de werking van de WTO, met als doel zowel de doeltreffendheid als de legitimiteit ervan te vergroten; is in dit opzicht van mening dat het van essentieel belang is dat het secretariaat van de WTO alle WTO‑leden de mogelijkheid biedt om vanaf het begin bij het debat te worden betrokken; dringt er bij de Commissie en de EU-lidstaten in de WTO op aan samen te werken met andere WTO-leden, in het bijzonder onze belangrijkste handelspartners zoals de VS, Japan, China, Canada, Brazilië en India, om tot gezamenlijke standpunten te komen; beschouwt de openingsverklaringen bij de EU-China-top over de hervorming van de WTO als bemoedigend;

3.  verwelkomt in dit opzicht het op 28-29 juni 2018 door de Europese Raad gegeven mandaat aan de Commissie en neemt kennis van de in de conclusies vermelde benadering, alsook van de conceptnota van de Commissie over modernisering van de WTO van 18 september 2018 en de voorstellen van Canada voor de hervorming van de WTO van 25 september 2018; kijkt uit naar de publicatie van meer voorstellen, met name van ontwikkelingslanden en van werkgroepen die reeds door de lidstaten van de WTO zijn opgericht;

4.  toont zich uitermate bezorgd over het feit dat slechts drie posities binnen de beroepsinstantie vervuld zijn, hetgeen de huidige en goede werking van het geschillenbeslechtingsproces ernstig ondermijnt, en doet een krachtig beroep op de Verenigde Staten om deze situatie zodanig op te lossen dat vacante posities binnen de beroepsinstantie snel kunnen worden opgevuld; is ingenomen met de eerste voorstellen die de Commissie in haar conceptnota over modernisering van de WTO heeft geformuleerd om deze impasse te doorbreken, door een oplossing aan te dragen voor een aantal zorgpunten, onder meer via een overgangsregeling voor vertrekkende leden of wijzigingen in de duur van de ambtstermijn binnen de beroepsinstantie of in de maximaal toegestane tijd voor de publicatie van een rapport of de vaststelling van nieuwe jurisprudentie door de beroepsinstantie; wijst erop dat de bezwaren van de VS betreffende de beroepsinstantie verder gaan dan procedurele wijzigingen en dat zij aanzienlijke hervormingen inhouden van de uitspraken van de rechters van de instantie;

5.  is van mening dat het besluit van de VS van 31 mei 2018 om invoerrechten op staal en aluminium te heffen op gronden van "nationale veiligheid" uit hoofde van afdeling 232 van de Trade Expansion Act van 1962 niet gerechtvaardigd is, dat dit geen oplossing vormt voor het probleem van staaloverschot op de mondiale markten en niet strookt met de WTO-regels; spoort de Commissie met klem aan om samen met de VS aan een oplossing voor de handelsgeschillen te werken en obstakels voor handel weg te nemen binnen het op WTO-regels gebaseerde kader voor geschillenbeslechting;

6.   is van mening dat de WTO, als oplossing voor de onderliggende oorzaken van de huidige crisis, moet inspelen op de veranderende omstandigheden en tegelijk bepaalde nog open kwesties van de DDA moet oplossen, met name op het gebied van voedselveiligheid; acht het daarom noodzakelijk:

   a) de huidige hiaten in de regelgeving aan te pakken om aldus te zorgen voor een gelijk speelveld wat betreft marktverstorende subsidies en staatsbedrijven, en de bescherming van de intellectuele eigendom en de markttoegang voor investeerders te handhaven; daarnaast aandacht te besteden aan kwesties zoals de bescherming en de gedwongen openbaarmaking van broncodes en andere overheidsmaatregelen die tot overcapaciteit leiden, alsook wettelijke belemmeringen voor diensten en investeringen, met inbegrip van technologieoverdracht, vereisten voor gemeenschappelijke ondernemingen en vereisten inzake plaatselijke toegevoegde waarde; en toezicht te houden op de uitvoering, het beheer en de werking van bestaande overeenkomsten;
   b) het noodzakelijke regelgevingskader tot stand te brengen om technologische ontwikkelingen het hoofd te bieden, onder meer op het gebied van e-handel, mondiale waardeketens, openbare aanbestedingen en geactualiseerde interne regelgeving voor diensten en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;
   c) de meest prangende mondiale problemen op sociaal en milieugebied aan te pakken en te zorgen voor systematische beleidssamenhang tussen handels-, arbeids- en milieuagenda’s;
   d) in dit opzicht de in Buenos Aires aangenomen gezamenlijke verklaringen inzake e-handel, binnenlandse regelingen, investeringsbevordering en meer economische zeggenschap voor vrouwen, evenals het werk dat sindsdien op deze gebieden is verzet, toe te juichen;

7.  wijst op de gelegenheid voor de EU om haar regels op het gebied van gegevens- en privacybescherming naar voren te schuiven en internationaal onder de aandacht te brengen, zodat deze als leidraad kunnen dienen bij het opstellen van internationale en multilaterale normen;

8.  wijst erop dat toegang tot overheidsopdrachten een van de prioriteiten van de Europese Unie is in haar handelsbesprekingen en dat de Unie derhalve verwacht dat de WTO-leden hun toezegging om zich bij de overeenkomst inzake overheidsopdrachten aan te sluiten gestand doen en dat de werking en de eerbiediging van de bepalingen van deze overeenkomst worden verbeterd, in een geest van wederkerigheid en wederzijds voordeel; wijst erop dat de volledige effectiviteit van mogelijke verbeteringen in de staatssteunregels en de rol van overheidsbedrijven deels afhangt van de vorderingen die op dit vlak worden geboekt; dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de leden die bezig zijn tot de overeenkomst inzake overheidsopdrachten toe te treden, teneinde hun inspanningen te bespoedigen zodat meer WTO-leden de vruchten kunnen plukken van liberalisering van overheidsopdrachten;

9.  is ervan overtuigd dat het huidige onderscheid tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden niet de economische realiteit en de feitelijke situatie binnen de WTO weergeeft en dat dit een belemmering is geweest voor de vooruitgang van de Doha-ronde, dit ten nadele van de meest behoeftige landen; dringt er bij de meer gevorderde ontwikkelingslanden op aan om hun deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen en een bijdrage te leveren die in verhouding staat tot hun ontwikkelingsniveau en (sectorale) concurrentiekracht; wijst erop dat in de conceptnota van de Commissie wordt aangedrongen op regels die ontwikkelingslanden in staat stellen hun status van laag-inkomensland geleidelijk achter zich te laten naarmate zij rijker worden; is van mening dat het mechanisme van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling (S&DT) nader moet worden bekeken om beter aan te sluiten op de menselijke ontwikkelingsindex, als een beleidsinstrument dat ontwikkelingslanden in staat stelt om de tenuitvoerlegging van multilaterale overeenkomsten te koppelen aan de ontvangst van bijstand van rijkere landen en donororganisaties;

10.  is zeer verheugd over de ratificatie door twee derde van de WTO-leden van de handelsfacilitatieovereenkomst in februari 2017; is ervan overtuigd dat de handelsfacilitatieovereenkomst een belangrijk voorbeeld stelt en als model voor toekomstige WTO-afspraken kan dienen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende ontwikkelingsstatus en de uiteenlopende behoeften van de WTO-leden; spoort de WTO-leden aan hun verantwoordelijkheid te nemen en zich aan hun afspraken te houden in overeenstemming met hun reële economische gewicht en vermogens; wijst op de volgende uitdagingen, namelijk de volledige ratificatie van de overeenkomst, met name door leden in Afrika die naar verwachting het meeste van de overeenkomst zullen profiteren, de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de kennisgeving van ontwikkelingshulp in het kader van de overeenkomst;

11.  erkent dat de toetreding van China tot de WTO in 2001 over het algemeen de toegang tot de Chinese markt heeft vergroot, hetgeen gunstig is geweest voor de wereldeconomie; is bezorgd dat China de geest en beginselen van de WTO-regels inzake nationale behandeling niet toepast;

12.  is van mening dat het noodzakelijk is om de werking van het onderhandelingsproces te herzien door meer flexibiliteit in te voeren dan tot dusver onder de consensusregel het geval was, maar erkent tegelijkertijd dat de benadering van de algemeen geldende verbintenis de doeltreffendheid van de multilaterale handelsbesprekingen heeft beperkt; spreekt zijn steun uit voor het concept van flexibel multilateralisme, waarbij de WTO-leden die zich wensen bezig te houden met een bepaalde aangelegenheid waarbij nog geen volledige consensus mogelijk is, in staat moeten zijn om multilaterale overeenkomsten te bevorderen en af te sluiten, hetzij via zogenaamde WTO Bijlage 4‑overeenkomsten, in overeenstemming met artikel II:3, artikel III:1 en artikel X:9 van de Overeenkomst van Marrakesh, of via "kritische massa"-overeenkomsten waarmee overeengekomen concessies worden gedaan aan de WTO-leden op basis van het beginsel van meest begunstigde natie; roept de Commissie op deze artikelen niet te gebruiken als alternatief voor een constructieve dialoog met de WTO-leden om handelsbelemmeringen en hervorming van de WTO en haar taken aan te pakken; is in dit verband van mening dat de WTO-leden de capaciteitsopbouw van de WTO moeten versterken om ervoor te zorgen dat de organisatie kan beschikken over voldoende financiële en personele middelen, in overeenstemming met de toegenomen behoeften om dezelfde kwaliteit van werk te behouden; meent, in het algemeen, dat de financiële bijdragen van nieuwe leden moeten leiden tot een verhoging van de WTO-begroting en niet tot lagere lidmaatschapsbijdragen voor bestaande leden;

13.  erkent dat, hoewel het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel de kern van de WTO-structuur blijft vormen, er mogelijkheden bestaan voor diepere en flexibelere plurilaterale samenwerking tussen geïnteresseerde staten op gebieden waar moeilijk consensus kan worden bereikt; wijst erop dat dergelijke overeenkomsten een aanvulling moeten vormen op de multilaterale agenda en deze niet mogen ondermijnen, en niet mogen worden gebruikt als alternatieve fora om handelsbelemmeringen aan te pakken, maar eerder een hulpmiddel moeten vormen om voortgang op multilateraal niveau te bevorderen; dringt aan op de hervatting van de multilaterale onderhandelingen over de overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA), en vraagt om in plurilaterale en multilaterale overeenkomsten specifieke bepalingen voor kmo's op te nemen; benadrukt dat het belangrijk is dat de WTO de internationale samenwerking met andere internationale organisaties zoals onder meer de VN, de OESO, de WDO en de IAO voortzet en verdiept;

14.   benadrukt het belang dat handel kan en moet spelen in de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling voor 2030 en de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs in de strijd tegen klimaatverandering; betreurt dat de EGA in 2016 werd geblokkeerd en herinnert eraan dat deze overeenkomst de toegang tot groene technologieën kan vergroten en tot de verwezenlijking van de bovengenoemde verbintenissen kan bijdragen; onderstreept dat naast de onderhandelingen over visserijsubsidies, de WTO nu concretere maatregelen moet vaststellen die in dit opzicht moeten worden genomen om het leven in de zee te beschermen; herinnert eraan dat het WTO-concept van verwerkings- en productiemethoden het mogelijk maakt te differentiëren tussen soortgelijke producten op grond van hun milieueffecten; pleit ervoor de WTO-Commissie voor handel en milieu nieuw leven in te blazen en haar het mandaat te geven criteria op te stellen voor de bestrijding van "freerider"-gedrag op milieugebied alsook nauwere banden aan te knopen met het secretariaat van het UNFCCC;

15.  wijst opnieuw op het verband tussen gendergelijkheid en inclusieve ontwikkeling, zoals ook wordt vermeld in SDG 5, en beklemtoont hierbij dat de versterking van de positie van vrouwen essentieel is voor het uitbannen van armoede en dat het slechten van barrières voor de participatie van vrouwen in het handelsverkeer van cruciaal belang is voor economische ontwikkeling; juicht de toegenomen aandacht van de WTO voor kwesties in verband met handel en gender toe en moedigt alle 121 ondertekenaars van de Verklaring van Buenos Aires inzake handel en de economische emancipatie van vrouwen van 2017 aan om hun beloften na te komen; benadrukt dat er voor alle terreinen waarvoor de WTO regels opstelt een systematische genderaanpak moet komen in de vorm van genderspecifieke effectbeoordelingen; wijst op het belang van een initiatief als SheTrades om de positieve rol van vrouwen in handel over het voetlicht te brengen en de deelname van vrouwen aan internationale handel wereldwijd aan te moedigen;

16.  vestigt de aandacht op de conclusies van de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel") die in juli 2017 plaatsvond in Genève, getiteld "Promoting trade, Inclusiveness and Connectivity for Sustainable Development" (Het bevorderen van handel, inclusie en connectiviteit in het kader van duurzame ontwikkeling); onderschrijft het standpunt dat dit moet worden vertaald in concrete acties om e-handel te bevorderen en digitale kansen, zoals blockchaintechnologie, in daadwerkelijke handelsvoorwaarden om ze zetten, ook voor ontwikkelingslanden; merkt in dit verband op dat investeringen in fysieke en digitale infrastructuur een belangrijke uitdaging blijven, omdat zij onmisbaar zijn om vooruitgang te boeken op dit gebied; roept de WTO-leden daarom op investeringen in fysieke en digitale infrastructuur te bevorderen en daarbij, naast andere initiatieven, publiek-private partnerschappen te stimuleren;

17.  verzoekt de EU andermaal om ervoor te zorgen dat haar activiteiten met ontwikkelingslanden, zowel op het gebied van ontwikkeling als van handel, zijn gebaseerd op een evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners, dat zij stroken met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en dat zij zijn gericht op de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten;

18.  betreurt het feit dat de elfde ministersconferentie van de WTO voor de minst ontwikkelde landen geen vooruitgang heeft kunnen boeken inzake kwesties die voor de ontwikkelingslanden van cruciaal belang zijn; is evenwel ingenomen met de verbeterde preferentiële behandeling waarin de WTO al eerder had voorzien voor de MOL's, met inbegrip van preferentiële oorsprongsregels en een regeling voor dienstverleners, en onderstreept de noodzaak van maatregelen inzake capaciteitsopbouw die leveranciers uit de MOL's in staat zouden stellen om te profiteren van de ontheffing voor diensten ten behoeve van de MOL's;

19.  benadrukt dat transparantie cruciaal is om een stabiel en voorspelbaar handels- en investeringsklimaat te kunnen garanderen; vindt het belangrijk dat de transparantie van toezichtsprocedures wordt bevorderd door meer stimulansen voor WTO-leden in te voeren om te voldoen aan de vereisten inzake kennisgeving, door de complexiteit en lasten ervan te beperken, en door indien nodig voor capaciteitsopbouw te zorgen, en meent dat opzettelijke niet-naleving moet worden ontmoedigd en tegengegaan;

20.  benadrukt dat de rol van het WTO-secretariaat bij het faciliteren en waarborgen van een bottom-upbenadering voor de actieve deelname van alle leden van cruciaal belang is en dat de daadkracht en flexibiliteit van het WTO-secretariaat verder moeten worden versterkt ter ondersteuning van verschillende onderhandelingsprocessen, alsook op het gebied van uitvoerings- en toezichtstaken; acht het nodig de financiële en menselijke middelen en bronnen van het secretariaat van de WTO te vergroten, en dringt er bij de WTO-leden op aan hun verantwoordelijkheden op dit vlak gezamenlijk te vervullen; is van mening dat de reguliere werkzaamheden van de WTO-commissies eveneens nieuw leven moet worden ingeblazen door de voorzitters een actievere rol te geven bij het ontwikkelen en voorstellen van oplossingen en compromissen, die verder gaat dan het beheer van de bijdragen van de leden, en stelt dat zij bij dit uitgebreide takenpakket moeten worden ondersteund door het Secretariaat;

21.  dringt er bij de WTO-leden op aan de democratische legitimiteit en transparantie te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken en een memorandum van overeenstemming tot vaststelling van een formele werkrelatie met de Parlementaire Conferentie over de WTO te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat parlementsleden volledige toegang moeten krijgen tot handelsbesprekingen en moeten worden betrokken bij de formulering en uitvoering van WTO-besluiten, en dat handelsbeleid naar behoren moet worden getoetst, dit in het belang van de burgers;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de WTO.

(1) Ministersverklaring van Doha (WT/MIN(01)/DEC/1) van 14 november 2001 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/min01_e/mindecl_e.htm
(2) PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 77.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0439.
(4) http://www.europarl.europa.eu/pcwto/en/sessions/2017.html
(5) https://www.wto.org/english/news_e/news17_e/mc11_10dec17_e.htm
(6) https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/gr17_e/gr17programme_e.htm
(7) http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/
(8) http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2018/06/29/20180628-euco-conclusions-final/
(9) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/may/tradoc_156906.pdf
(10) https://www.consilium.europa.eu/media/36165/final-eu-cn-joint-statement-consolidated-text-with-climate-change-clean-energy-annex.pdf
(11) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/september/tradoc_157331.pdf

Laatst bijgewerkt op: 30 november 2018Juridische mededeling