Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2156(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0372/2018

Ingediende teksten :

A8-0372/2018

Debatten :

PV 10/12/2018 - 18
CRE 10/12/2018 - 18

Stemmingen :

PV 11/12/2018 - 5.17
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0498

Aangenomen teksten
PDF 145kWORD 60k
Dinsdag 11 december 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Militaire mobiliteit
P8_TA(2018)0498A8-0372/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over militaire mobiliteit (2018/2156(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het document getiteld "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid", dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017, 14 december 2017 en 28 juni 2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017 en 25 juni 2018 over veiligheid en defensie in het kader van de integrale EU‑strategie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Discussienota over de toekomst van de Europese defensie" (COM(2017)0315),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 10 november 2017 over de verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie (JOIN(2017)0041),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 28 maart 2018 over het actieplan voor militaire mobiliteit (JOIN(2018)0005),

–  gezien Besluit (GBVB) 2017/2315 van de Raad van 11 december 2017 tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en tot opstelling van de lijst van deelnemende lidstaten(1),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 6 maart 2018 betreffende een stappenplan voor de uitvoering van de PESCO(2),

–  gezien Besluit (GBVB) 2018/340 van de Raad van 6 maart 2018 tot vaststelling van de lijst van projecten die in het kader van de PESCO zullen worden ontwikkeld(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie en de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016 en van 10 juli 2018, de gezamenlijke reeks voorstellen voor de uitvoering van de gezamenlijke verklaringen, die op 6 december 2016 en 5 december 2017 zijn bekrachtigd door de Raden van de EU en de NAVO, en de voortgangsverslagen over de uitvoering ervan van 14 juni en 5 december 2017 en van 6 juni 2018, met inbegrip van de relevante conclusies van de Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2017 en 25 juni 2018 over de uitvoering van de gezamenlijke verklaringen,

–  gezien de Verklaring van Brussel inzake trans-Atlantische veiligheid en solidariteit en de verklaring van de NAVO-top in Brussel, beide van 11 juli 2018,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(4) en zijn resolutie van 13 juni 2018 over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0372/2018),

A.  overwegende dat de fundamentele waarden waarop de EU is gebaseerd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtstaat, evenals het op regels gebaseerde internationale stelsel en Europese eenheid – steeds meer onder druk komen te staan in een tijd van geopolitieke onrust en een verslechtering van de strategische omgeving;

B.  overwegende dat een geloofwaardige afschrikking, alsook planning voor crisisrespons en voor de defensie van continentaal Europa, afhankelijk zijn van de capaciteit om op snelle en efficiënte wijze strijdkrachten in te zetten, met inbegrip van versterking van buitenaf;

C.  overwegende dat het "vredesdividend" in de periode na 1989 heeft geleid tot een geleidelijke vermindering van de defensiebehoeften wat betreft infrastructuur en mobiliteit van de strijdkrachten binnen Europa;

D.  overwegende dat de EU, in nauwe samenwerking met de NAVO, ernaar streeft een mondiale strategische speler en garant van veiligheid te zijn, die bijdraagt aan zowel de  interne als de externe vrede en stabiliteit, en die de veiligheid van haar burgers en grondgebied waarborgt door middel van het unieke en brede scala van beleid, instrumenten en hulpmiddelen waarover zij beschikt om deze ambities waar te maken;

E.  overwegende dat de EU zich, in overeenstemming met de doelstellingen van de integrale EU-strategie, steeds verantwoordelijker opstelt met betrekking tot haar eigen defensie en haar rol als partner voor internationale vrede en veiligheid, in het bijzonder in haar nabuurschap maar ook daarbuiten, en ook haar strategische autonomie vergroot, op basis van de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;

F.  overwegende dat de EU haar strategische autonomie moet ontwikkelen middels een doeltreffend buitenlands en veiligheidsbeleid, teneinde de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, de internationale veiligheid te bevorderen en tegelijkertijd de veiligheid van haar burgers en de betrokkenen bij GVDB-missies te waarborgen, haar belangen te beschermen, haar grondwaarden te verdedigen en in dit verband bij te dragen aan effectief multilateralisme;

G.  overwegende dat de EU, wil zij haar eigen weerbaarheid opbouwen en haar strategische autonomie op het gebied van defensie, terrorisme en cyberbeveiliging consolideren, in staat moet zijn beslissingen te nemen en op te treden zonder afhankelijk te zijn van de capaciteiten van derden;

H.  overwegende dat normalisatie en interoperabiliteit op het gebied van infrastructuur en aanbestedingen van doorslaggevend belang zijn voor het realiseren van strategische autonomie, de defensie-unie en doeltreffende militaire mobiliteit;

I.  overwegende dat effectieve militaire mobiliteit alleen kan worden gerealiseerd als alle lidstaten volledig erbij worden betrokken, zich volledig inzetten en effectief samenwerken met de NAVO, rekening houdend met de beschikbare middelen en behoeften van elke lidstaat en op een manier die aansluit bij relevante initiatieven op EU‑niveau, teneinde een doeltreffende Europese veiligheidsinfrastructuur op te bouwen middels coherente en complementaire projecten;

J.  overwegende dat militaire mobiliteit niet alleen een strategische en operationele manier is om militair optreden te ondersteunen, maar ook een manier waarop de strategische autonomie van de Unie kan worden bevorderd en waarop de inzet, verplaatsing en handhaving van de strijdkrachten van de EU‑lidstaten kan worden gefaciliteerd, om zo de militaire ambities van de Unie te kunnen verwezenlijken;

K.  overwegende dat de EU geconfronteerd wordt met hybride uitdagingen uit verschillende richtingen, met name het Hoge Noorden, het Oosten, de Balkan en het Zuiden / het Middellandse Zeegebied; overwegende dat een vlotte en soepele inzet van troepen en materiaal op deze assen (noord-zuid, west-oost) van essentieel belang zou kunnen zijn om een geloofwaardige respons mogelijk te maken;

L.  overwegende dat de leiders van de bondgenoten op de NAVO-top in Warschau in 2016 zijn overeengekomen de afschrikkings- en defensiepositie van het bondgenootschap te versterken, vervolgens de paraatheid van de reactietroepen hebben verhoogd en met dit doel de "enhanced forward presence" en de "tailored forward presence" hebben ingesteld;

M.  overwegende dat militaire mobiliteit een concrete maatregel vormt die inspeelt op de eigen behoeften van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie, en die deel uitmaakt van het GVDB; overwegende dat het vermogen om geallieerde troepen en civiel personeel voor crisisbeheer, materieel en apparatuur vrijelijk en snel over elkaars grondgebied en buiten de grenzen van de Unie te kunnen verplaatsen bepalend is voor de collectieve veiligheid en defensie van de EU‑lidstaten en hun vermogen om in te grijpen bij crises in het buitenland; overwegende dat 22 EU‑lidstaten ook NAVO-bondgenoten zijn en een verbintenis zijn aangegaan tot collectieve defensie, en slechts over één geheel van strijdkrachten en één enkele vervoersinfrastructuur beschikken; overwegende dat geplande investeringen in vervoersinfrastructuur beter moeten worden afgestemd op behoeften inzake veiligheid en defensie;

N.  overwegende dat een aanzienlijk aantal belemmeringen, zowel fysieke belemmeringen als belemmeringen in de vorm van wet- en regelgeving, deze verplaatsingen vaak aanzienlijk vertraagt en derhalve bemoeilijkt, waardoor de verwezenlijking van het doel in gevaar komt, met name wanneer het een crisissituatie betreft; overwegende dat de onder leiding van de NAVO uitgevoerde Europese militaire oefeningen aan het licht hebben gebracht dat de juiste vervoersinfrastructuur van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van militaire doeleinden;

O.  overwegende dat de EU over een aanzienlijke hoeveelheid beleid en hulpmiddelen beschikt om de lidstaten te helpen aan hun militaire mobiliteitsbehoeften en internationale toezeggingen te voldoen;

P.  overwegende dat de Commissie en de VV/HV op 28 maart 2018 een actieplan voor militaire mobiliteit hebben gepubliceerd, waarin een tijdsplanning is opgenomen voor de door de EU en haar lidstaten te nemen stappen; overwegende dat men bij de uitvoering ervan is begonnen met het in kaart brengen van gemeenschappelijke militaire behoeften op het gebied van militaire mobiliteit, zowel binnen de EU als daarbuiten, en met het indienen van een voorstel om militaire mobiliteit binnen het volgende meerjarig financieel kader (MFK) te financieren middels de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), waarmee projecten voor het duaal (civiel-militair) gebruik van vervoersinfrastructuur kunnen worden gefinancierd;

Q.  overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 25 juni 2018 de lidstaten ertoe oproept onverwijld en uiterlijk in 2024 nationale maatregelen te nemen om de doeltreffendheid van de militaire mobiliteit te verbeteren en de regels en procedures op dit gebied te vereenvoudigen in samenhang met het actieplan en de militaire vereisten die van toepassing zijn op de militaire mobiliteit in de Unie en daarbuiten, overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten;

R.  overwegende dat er een PESCO-project voor militaire mobiliteit van start is gegaan om de activiteiten van de Commissie en de VV/HV aan te vullen; overwegende dat dit project moet worden aangevuld met nog een PESCO-project dat gericht is op een netwerk van logistieke knooppunten in Europa en de ondersteuning van operaties; overwegende dat het voorzien in tweeërlei gebruik van infrastructuur van groot belang is voor deze logistieke behoeften; overwegende dat de lidstaten bovendien, als onderdeel van de meer bindende toezeggingen die het PESCO-protocol vereist, toezeggingen hebben gedaan met betrekking tot militaire mobiliteit; overwegende dat er PESCO-projecten moeten worden opgezet in samenwerking met de NAVO; overwegende dat er behoefte is aan een PESCO-project dat gericht is op de mobiliteitsproblemen in verband met de in artikel 43, lid 1, VEU, bedoelde militaire missies, met name lucht- en zeevervoeroperaties;

S.  overwegende dat de CEF een gemeenschappelijk, centraal beheerd financieringsprogramma is ter bevordering van de ontwikkeling van efficiënte, duurzame en onderling verbonden trans-Europese netwerken (TEN) op het gebied van vervoer, energie en digitale-diensten en gericht is op het bevorderen van grensoverschrijdende verbindingen en het wegwerken van knelpunten, en de EU een duidelijke meerwaarde verleent bij de bevordering van transnationale samenwerking en coördinatie; overwegende dat het ontwerp van het MFK voor de periode 2021‑2027 in het kader van het CEF-begrotingsonderdeel voor de transportsector nieuwe middelen voor militaire mobiliteit omvat; overwegende dat het zeer wenselijk is om de doeltreffendheid van de CEF te handhaven en verder te vergroten;

T.  overwegende dat het Europees Defensieagentschap meerdere projecten heeft lopen op het gebied van militaire mobiliteit, met betrekking tot diplomatieke toestemmingen en multimodale EU‑vervoersknooppunten, alsook ad‑hocprogramma's inzake vergunningsprocedures voor grensoverschrijdende verplaatsingen en de harmonisering van douanegerelateerde militaire behoeften, die onlangs zijn opgezet; overwegende dat de werkzaamheden van het Europees Defensieagentschap en de Commissie op heldere en samenhangende wijze op elkaar moeten worden afgestemd om de lidstaten te helpen de laatste hand te leggen aan bepaalde aspecten van het actieplan; overwegende dat door middel van een raadplegingsprocedure rekening moet worden gehouden met de behoeften, prioriteiten en vereisten van de lidstaten op militair gebied;

U.  overwegende dat militaire mobiliteit onlangs in de gemeenschappelijke reeks voorstellen voor de uitvoering van de gezamenlijke verklaring is aangemerkt als prioritair gebied voor de samenwerking tussen de EU en de NAVO en in de nieuwe gezamenlijke verklaring en de Verklaring van Brussel inzake trans-Atlantische veiligheid en solidariteit opnieuw is aangemerkt als prioriteit; overwegende dat de NAVO haar normen voor militaire mobiliteit aan de EU heeft overgedragen, waaronder haar generieke parameters voor vervoersinfrastructuur;

V.  overwegende dat de NAVO momenteel ook bezig is haar eigen logistieke capaciteit te verbeteren via het facilitatieplan voor het bevoegdheidsterrein van de SACEUR, in het bijzonder door wetgeving en procedures aan te passen, de aansturing en controle te verbeteren, de vervoerscapaciteit te vergroten en de infrastructuur te verbeteren; wijst in dit kader op de oprichting van twee nieuwe commando's: het commando van de gemeenschappelijke strijdkrachten in Norfolk en het gezamenlijke ondersteunende en faciliterende commando in Ulm;

W.  overwegende dat vanaf 2019 drie van de vier kadernaties die strijdkrachten inzetten in het kader van de versterkte aanwezigheid van de NAVO op de oostelijke flank, van buiten de EU zullen komen; overwegende dat de permanente aanwezigheid van troepen op het continent en de aanvoer van versterking uit de VS, Canada en het VK van cruciaal belang zijn voor de veiligheid van Europa;

X.  overwegende dat een betere positionering vooraf van militaire logistieke voorraden, inclusief munitie en brandstof, sommige mobiliteitsproblemen kan verlichten;

Y.  overwegende dat, ondanks al deze institutionele maatregelen, de belangrijkste verbeteringen in de capaciteit voor militaire mobiliteit van de lidstaten zullen moeten komen, die hun nationale infrastructuur en regelgevingskaders zullen moeten aanpassen; overwegende dat hiervoor een benadering met deelname van alle overheidsdiensten nodig is, aangezien er een breed scala van vraagstukken moet worden behandeld; overwegende dat deze gemeenschappelijke inspanningen moeten worden geleverd met volledige eerbiediging van de nationale besluitvormingsprocedures en grondwettelijke bepalingen van de EU-lidstaten, alsook met inachtneming van de door de EU en de NAVO vastgestelde vereisten voor militaire mobiliteit;

Z.  overwegende dat uit het actieplan voor militaire mobiliteit en uit een proefanalyse die op initiatief van het Estse Voorzitterschap in 2017 is uitgevoerd in de landen van de Noordzee-Oostzee-corridor van het trans-Europees vervoersnet, is gebleken dat de maximale doorrijhoogte en draagkracht van veel bruggen voor het wegverkeer ontoereikend zijn voor militaire voertuigen en dat er onvoldoende laadcapaciteit is om zeer omvangrijk militair materieel per spoor te vervoeren;

1.  onderstreept dat militaire mobiliteit een centraal strategisch hulpmiddel is om de EU in staat te stellen haar belangen op het gebied van veiligheid en defensie effectief en op complementaire wijze met andere organisaties, zoals de NAVO, te behartigen en niet alleen moet worden beperkt tot het wegnemen van fysieke, juridische en infrastructurele belemmeringen; benadrukt dat de militaire mobiliteit van de NAVO-capaciteit inzake snelle versterking moet worden verbeterd, zodat onze collectieve veiligheid wordt versterkt en de EU mogelijk een grotere bijdrage zal leveren aan de internationale veiligheid en stabiliteit; is verheugd dat militaire mobiliteit de afgelopen tijd aanzienlijke aandacht heeft gekregen van alle betrokken actoren; merkt op dat het de Europese paraatheid in crisissituaties en de afschrikkende werking naar potentiële vijanden toe zal vergroten en zal helpen het ambitieniveau van de EU wat defensie- en veiligheidsbeleid betreft waar te maken, onder meer qua politieke, operationele en industriële strategische autonomie;

2.  benadrukt dat de invoering van een actieplan voor militaire mobiliteit in de Unie deel uitmaakt van de belangrijke doelstelling om de mobiliteit in de EU te verbeteren en om tegelijkertijd de in het GVDB vastgestelde logistieke en mobiliteitsuitdagingen het hoofd te bieden; wijst erop dat het in dit verband van essentieel belang is om grensoverschrijdende douanenormen en -verordeningen te harmoniseren, evenals administratieve en juridische procedures; benadrukt dat de gemeenschappelijke ondernemingen van de EU een essentiële rol spelen bij de harmonisering van administratieve en juridische procedures, zowel met betrekking tot de CEF als het actieplan voor militaire mobiliteit; verwacht dat duale mobiliteit een positief effect zal hebben op de ontwikkeling van de CEF in de zin dat er oplossingen worden geboden voor begrotingskwesties en in nieuwe en toekomstige behoeften wordt voorzien;

3.  wijst erop dat de verdere uitbouw van de Europese defensie-unie en de versterking van de strategische autonomie en weerbaarheid niet mogen leiden tot toenemende spanningen in de betrekkingen tussen de EU en strategisch belangrijke regionale spelers;

4.  benadrukt dat het realiseren van militaire mobiliteit in Europa een onderneming is die in eerste instantie moet zijn gebaseerd op uitdrukkelijke toezeggingen en politieke wil van de lidstaten, waaraan de EU vervolgens kan bijdragen door het proces in goede banen te leiden door een kader te bieden voor de behoeften, financiering te verschaffen, protocollen op te stellen om de doeltreffende verplaatsing van technische uitrusting en personele middelen te faciliteren, samenwerking te bevorderen en forums te bieden voor de uitwisseling van goede praktijken, informatie en ervaringen, waaraan zowel civiele als militaire autoriteiten moeten deelnemen; benadrukt dat effectieve militaire mobiliteit gunstig zal zijn voor alle lidstaten, omdat hun connectiviteit op zowel militair als civiel gebied zal verbeteren; wijst erop dat de nationale besluitvormingsprocedures en grondwettelijke bepalingen van elke lidstaat moeten worden geëerbiedigd;

5.  onderstreept hoe belangrijk het is intersectorale samenwerking en synergieën tussen de lidstaten te bevorderen om duale (civiele en defensie-) mobiliteit te ontwikkelen die efficiënt, interoperabel, veilig, multimodaal, slim en duurzaam is en die is opgewassen tegen de nieuwe uitdagingen die ontstaan bij de digitalisering van het vervoer (auto‑industrie en connectiviteit) en bij het nakomen van de plichten en verantwoordelijkheden van de EU op het gebied van duale (civiele en defensie-) logistiek, in haar rol als mondiale speler;

6.  schaart zich volledig achter de oproep van de Raad aan de lidstaten om tegen eind 2019 nationale plannen voor militaire mobiliteit te ontwikkelen en aan de uitvoering ervan hoge prioriteit toe te kennen; is ingenomen met de andere maatregelen waarover overeenstemming is bereikt in de conclusies van de Raad in het kader van de integrale EU-strategie van 25 juni 2018 en roept de lidstaten op de uiterste termijnen die hierin zijn opgenomen te eerbiedigen; benadrukt dat geslaagde pogingen om de militaire mobiliteit te stimuleren lidstaten in staat zouden stellen werk te maken van zowel hun nationale als hun collectieve Europese defensieplanning en op efficiënte wijze deel te nemen aan gezamenlijke oefeningen, trainingen en GVDB-missies en -operaties;

7.  benadrukt het belang van crisisresponsmobiliteit, oftewel het vermogen om snel en efficiënt activa te kunnen inzetten voor missies en operaties, en daarmee te waarborgen dat de EU haar positie als betrouwbare mondiale garant van veiligheid en vrede kan handhaven en in staat is effectief het hoofd te bieden aan humanitaire en natuurrampen. de in de illustratieve scenario's omschreven militaire taken in de zin van artikel 43, lid 1, VEU, uit te voeren en de clausules inzake wederzijdse bijstand en solidariteit ten uitvoer leggen;

8.  meent dat, dankzij een grotere synergie tussen de defensiebehoeften, een doeltreffend beleid inzake militaire mobiliteit zal bijdragen tot een versterking van de GVDB-missies van de EU, gezien hun internationale dimensie en vredeshandhavingsdoel, en ertoe zal leiden dat de EU beter kan reageren op noodsituaties; is van mening dat humanitaire missies en de respons op natuurrampen in de EU ook baat zouden moeten hebben bij een verbetering van de militaire mobiliteit; wijst erop dat de missies die de meeste vruchten zouden plukken van de toegenomen militaire mobiliteit in de EU en daarbuiten, missies op het gebied van collectieve defensie zouden zijn, evenals nationale of Europese crisisbeheersingsmissies en -operaties; benadrukt in dit verband dat de vorderingen op dit gebied de EU-lidstaten die ook lid zijn van de NAVO zullen helpen aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 5 te voldoen; wijst erop dat de neutrale lidstaten daarbij een bijzondere rol spelen; erkent echter dat de lidstaten op grond van artikel 42, lid 7, VWEU, ook een ondubbelzinnige verplichting hebben om met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen als een lidstaat het slachtoffer wordt van gewapende agressie op zijn grondgebied, net als het geval is in het kader van de NAVO;

9.  erkent het belang van een diepgaande analyse over de vraag welke delen van de EU of de lidstaten meer behoefte hebben aan investeringen op het gebied van militaire mobiliteit en een groter risico lopen op externe veiligheidsdreigingen;

10.  erkent de complexe aard van de uitdaging, waarmee onder andere aspecten van de aanleg van infrastructuur, gemeenschappelijke normen, vervoersvoorschriften, douane, belastingen en vergunningen voor verplaatsing zijn gemoeid, en waarbij alle overheidsniveaus, van gemeenten tot internationale organisaties, moeten worden betrokken; dringt er in dit opzicht op aan netwerken op te zetten om zowel militaire als civiele spelers op alle niveaus, inclusief de NAVO en de NAVO-bondgenoten, bij elkaar te brengen om de relevante vraagstukken te bespreken en op die manier toegevoegde waarde en een effectieve coördinatie en uitvoering te garanderen, en merkt op dat de lidstaten, om een optimaal resultaat te bereiken, moeten investeren in de gezamenlijke opleiding van administratief en institutioneel personeel; is verheugd dat de Commissie heeft toegezegd zich te zullen buigen over de mogelijkheden om de douaneprocedures voor het einde van 2018 te standaardiseren en vereenvoudigen; benadrukt dat institutionele samenwerking tussen de lidstaten, organisaties en agentschappen van fundamenteel belang is voor de harmonisering van de wetgeving van de Unie; benadrukt dat in het geval van tweeërlei gebruik van infrastructuur voor gevaarlijke goederen bijzondere coördinatie en uitwisseling van ervaringen moeten worden toegestaan om risico's op ongelukken te vermijden en te zorgen voor de optimale veiligheid van het gehele netwerk;

11.  stelt vast dat de beschikbare hoeveelheid rollend materieel, met name diepladerwagons voor het vervoer van zwaar materieel en voertuigen op korte termijn, aanzienlijk is afgenomen;

12.  erkent dat het werken in een dergelijke complexe omgeving diverse moeilijkheden oplevert wat betreft duplicatie en coördinatie, evenals wat betreft de kosten ervan, en dat deze moeilijkheden het gehele project in gevaar zouden kunnen brengen als zij niet op adequate wijze worden aangepakt; erkent dat in de EU al ervaring is opgedaan met projecten in de vervoersector op basis van duale samenwerking, zoals het gemeenschappelijk Europees luchtruim; verzoekt de lidstaten en de Commissie te zorgen voor een doeltreffend kader voor samenwerking; onderstreept dat voor de verwezenlijking van militaire mobiliteitsprojecten een sterkere samenwerking tussen de lidstaten vereist is en dat civiel-militaire samenwerking moet worden bevorderd; wijst op de noodzaak van coördinatie met de projecten inzake militaire mobiliteit die worden voorbereid in het kader van de PESCO en de projecten die worden uitgevoerd in het kader van het Europees Defensiefonds;

13.  benadrukt daarom dat inzicht in het gemeenschappelijke strategische doel, de ontwikkeling van een gemeenschappelijk plan en samenwerking tussen de lidstaten onontbeerlijk zijn voor succes; benadrukt dat een coherente militaire planning van essentieel belang is voor effectieve strategische autonomie, gebaseerd op standaardisering en interoperabiliteit van uitrustingen en wapens, alsook strategische doctrine en commando- en controleprocedures; is in dit opzicht ingenomen met het actieplan voor militaire mobiliteit, waarin concrete stappen zijn opgenomen voor de verschillende institutionele spelers en de EU‑lidstaten, en waarin de strategische rol van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN‑V) wordt erkend; is in dit opzicht verheugd over de door de lidstaten aangegane verbintenissen;

14.  betreurt dat in het actieplan met name wordt gesproken over een bottom-upbenadering, met slechts een beperkte strategische visie voor wat betreft de concrete defensiedoelstellingen die de EU wil realiseren door middel van de verschillende activiteiten die in het actieplan worden beschreven; betreurt in dit opzicht dat er nog steeds geen EU-witboek over defensie is waarin deze overkoepelende doelgerichtheid zou kunnen worden verschaft; is er desalniettemin van overtuigd dat de huidige aanpak aanzienlijke resultaten zal opleveren en de belangen zal dienen van alle EU‑lidstaten, zowel neutrale staten als EU‑lidstaten, in hun rol als NAVO-bondgenoten;

15.  benadrukt dat de ambitieuze tijdsplanning in het actieplan moet worden geëerbiedigd, zowel door de EU‑instellingen als door de lidstaten, om te garanderen dat de huidige lacunes op het gebied van mobiliteit zo snel mogelijk worden gedicht en het ambitieniveau op het gebied van defensie- en veiligheidsbeleid wordt gerealiseerd; toont zich verheugd over de in het actieplan opgenomen oproep om de militaire mobiliteit te verbeteren door rekening te houden met dreigingen van hybride aard, met name ten aanzien van vervoer en kritieke infrastructuur, en om de bestendigheid van vervoersinfrastructuur tegen dreigingen van hybride aard te verbeteren;

16.  wijst op de vorderingen die zijn gemaakt met de vaststelling van de militaire behoeften met betrekking tot militaire mobiliteit binnen en buiten de EU, met name voor infrastructuur voor tweeërlei gebruik, en is ingenomen met de nauwe betrokkenheid van de lidstaten tijdens alle etappes van dit proces, met het Nederlandse leiderschap van het PESCO-project, en met de bijdragen van de NAVO;

17.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie inzake het gebruik van de CEF en is verheugd over de aanzienlijke middelen die voor projecten inzake militaire mobiliteit voor tweeërlei gebruik worden bestemd om te waarborgen dat de infrastructuur wordt aangepast met inachtneming van de militaire mobiliteitsbehoeften; is van mening dat tweeërlei gebruik van infrastructuur absoluut noodzakelijk is, wil het civiele transportnetwerk de vruchten plukken van het actieplan en de middelen die worden toegewezen aan militaire mobiliteit; ziet de tenuitvoerlegging van het actieplan als een kans om de verhoogde netwerkcapaciteit ten goede te laten komen aan het civiele transportnetwerk en om multimodale verbindingen te creëren; is ingenomen met de verzoeken om het trans-Europees vervoersnetwerk te evalueren en aan te passen aan de in kaart gebrachte militaire behoeften die ook in aanmerking worden genomen bij nieuwe civiele vervoersprojecten, met name luchthavens, havens, snelwegen en spoorwegen als intermodale hubs in kerncorridors; wijst daarom op de noodzaak om, in samenwerking met de lidstaten, een lijst van nationale infrastructuur en corridors op te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke militaire eigenschappen van de lidstaten; merkt op dat projecten voor tweeërlei gebruik op duurzame wijze moeten worden ontwikkeld en in overeenstemming moeten zijn met de milieunormen;

18.  is van mening dat, om de EU‑middelen optimaal te benutten, alle door de CEF gefinancierde transportprojecten van gemeenschappelijk belang, indien noodzakelijk, reeds in de conceptfase rekening moeten houden met de vereisten voor militaire mobiliteit, om zo onnodige verbeteringen van de infrastructuur in een latere fase, en dus economisch onverantwoord gebruik van de middelen, te voorkomen; is van mening dat bij elke bijdrage uit de aan militaire mobiliteit toegewezen CEF-middelen voor zover mogelijk prioriteit moet worden gegeven aan multimodale projecten, aangezien deze projecten de meeste kansen bieden voor tweeërlei gebruik, en aan grensoverschrijdende projecten, omdat die bijdragen aan oplossingen voor ontbrekende schakels en knelpunten, welke momenteel de belangrijkste fysieke belemmeringen vormen voor een snelle en naadloze mobiliteit voor zowel burgers als voor het vervoer van manschappen en zwaar militair materieel; benadrukt dat bij de vaststelling van de onderdelen van het trans-Europees vervoersnet (TEN‑V) die geschikt zijn voor militair transport, de civiele en militaire synergieën zonder voorbehoud maximaal moeten worden benut en het beginsel van tweeërlei gebruik moet worden nageleefd; is van mening dat bijkomende investeringen in het netwerk tot aanzienlijke voordelen voor militaire mobiliteit kunnen leiden en kunnen bijdragen tot de voltooiing van het TEN‑V-kernnetwerk tegen 2030 en van het uitgebreide netwerk tegen 2050; benadrukt dat de middelen voor militaire mobiliteit gebruikt zouden moeten kunnen worden voor de aanpassing van de vervoersinfrastructuur, en dan voor zowel het basale als het uitgebreide deel van het TEN‑V-netwerk;

19.  staat achter het besluit om de middelen voor militaire mobiliteit onder het gecentraliseerde beheer van het CEF-programma te brengen, uitsluitend met het oog op mobiliteit voor tweeërlei gebruik; neemt kennis van de voorlopige, in het actieplan vastgestelde acties; roept de Commissie op om vóór 31 december 2019 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de militaire vereisten nader te bepalen, een lijst met delen van het TEN‑V die geschikt zijn voor militair vervoer en een lijst met prioritaire projecten inzake infrastructuur voor tweeërlei gebruik op te stellen, en de beoordelingsprocedures vast te stellen voor de subsidiabiliteit van acties in verband met militaire mobiliteit en de gunningscriteria;

20.  brengt in herinnering dat diverse technologieën die in de defensiesector worden gebruikt, succesvol zijn vertaald naar de civiele sector; benadrukt dat de verwezenlijking van een intelligent transportsysteem dat berust op telematicatoepassingen zoals ERTMS en Sesar, evenals de inzet van Galileo/Egnos/GOVSATCOM-gerelateerde technologieën, tot de grootste toekomstige uitdagingen behoren voor de civiele transportsector; is daarom van mening dat bij toekomstige wijzigingen van het actieplan moet worden overwogen om voor deze uitdagingen militaire oplossingen in te zetten in de civiele transportsector, bijvoorbeeld op het gebied van cyberbeveiliging en beveiligde communicatie; dringt aan op verdere maatregelen om de samenwerking en het onderlinge vertrouwen tussen actoren op het gebied van cyberveiligheid en defensie te vergroten en wenst dat de samenwerking in het kader van de PESCO wordt geïntensifieerd; wijst erop dat de verdere ontwikkeling van een gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride dreigingen noodzakelijk is om de bestendigheid van de infrastructuur die van strategisch belang is voor de verbetering van de militaire mobiliteit in de EU te waarborgen; onderstreept het belang van de huidige inspanningen van de EU-instellingen om de verordening inzake de controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren;

21.  is zich bewust van de waarde van eventuele voorstellen inzake de regulering van het vervoer van gevaarlijke goederen voor militair gebruik, het actualiseren van het douanewetboek van de EU en het aanpassen van de btw‑regels;

22.  is in dit opzicht ingenomen met de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen militaire en civiele spelers en benadrukt dat moet worden samengewerkt om een gemeenschappelijke basis te leggen voor het reguleren van het vervoer van gevaarlijke goederen voor militair gebruik;

23.  merkt op dat in het actieplan nogal wat taken worden genoemd die op lidstaatniveau moeten worden uitgevoerd en dat het Europees Defensieagentschap en de Commissie steun en begeleiding voor een snelle en doeltreffende uitvoering van deze taken moeten bieden; herinnert aan de noodzaak van een geharmoniseerd en aangepast regelgevingskader op douane- en belastinggebied, met name voor wat betreft btw; benadrukt dat het met name belangrijk is de regels met betrekking tot vergunningen voor grensoverschrijdende verplaatsingen te harmoniseren, aangezien deze een enorm obstakel vormen en snelle verplaatsing in de weg staan; is van mening dat de lidstaten moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het grensoverschrijdende duale gebruik zo efficiënt mogelijk verloopt en dat de administratieve kosten worden beperkt; ondersteunt in dit verband het voornemen om tegen 2019 de wachttijden aan de grensovergangen te verkorten en met het oog hierop diplomatieke toestemmingen voor verplaatsingen over land, over zee en door de lucht binnen vijf dagen af te geven, en te overwegen deze periode verder te verkorten voor snelle-reactie-eenheden;

24.  steunt het besluit van de aan de PESCO deelnemende lidstaten om militaire mobiliteit op te nemen in de initiële lijst van 17 prioritaire projecten die in het kader van de PESCO moeten worden ontwikkeld; benadrukt in dit verband dat het PESCO-project voor militaire mobiliteit een nuttig hulpmiddel zou kunnen zijn voor het coördineren van de inspanningen van de lidstaten waarin het actieplan voorziet, evenals voor andere activiteiten die buiten de onmiddellijke bevoegdheden van de EU vallen; is van mening dat deze taakverdeling, in combinatie met een goede coördinatie, essentieel is om te waarborgen dat het PESCO-project toegevoegde waarde levert; is tevens ingenomen met de meer bindende toezeggingen met betrekking tot de vereenvoudiging van grensoverschrijdend militair vervoer die in de PESCO-kennisgeving worden gedaan; verzoekt de lidstaten om actief deel te nemen aan het PESCO-project voor militaire mobiliteit;

25.  onderstreept het belang van informatie en overleg met de plaatselijke gemeenschappen over de planning en impact van grote infrastructuurprojecten voor militaire mobiliteit;

26.  onderstreept ten slotte dat de EU de inspanningen van de lidstaten alleen maar kan aanvullen; benadrukt dat het succes fundamenteel afhankelijk is van de aanvaarding door de lidstaten van een benadering om de relevante kwesties aan te pakken waarbij alle overheidsdiensten worden betrokken, en van hun vermogen om een dergelijke aanpak toe te passen; onderstreept hoe belangrijk het is dat de lidstaten politieke toezeggingen doen om effectieve militaire mobiliteit tot stand te brengen in de EU en daarbuiten; benadrukt dat militaire mobiliteit samenwerking en coördinatie tussen alle NAVO-bondgenoten vereist;

27.  is ingenomen met de nieuwe gezamenlijke verklaring over de samenwerking tussen de EU en de NAVO, de Verklaring van Brussel over trans-Atlantische veiligheid en solidariteit en de nadruk die in beide verklaringen wordt gelegd op kwesties met betrekking tot militaire mobiliteit; is verheugd over de nieuwe initiatieven van de NAVO, met name het facilitatieplan voor het bevoegdheidsterrein van de SACEUR; verwelkomt de inspanningen van de NAVO om in dit verband de militaire mobiliteit te waarborgen en roept zowel de EU als de NAVO op onnodig dubbel werk te voorkomen; onderstreept het belang van havens als verbindingspunten van de EU met haar bondgenoten en als intra-Europese verbindingen voor zeevervoer over korte afstanden; onderstreept het belang van transparantie en communicatie over defensie-initiatieven van de EU, inclusief de PESCO, ten aanzien van de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten, teneinde misverstanden te voorkomen, en toont zich verheugd over de defensie-initiatieven van de EU om de Europese pijler binnen het NAVO-bondgenootschap te versterken;

28.  verzoekt de EU, haar lidstaten en de NAVO om, met het oog op de totstandbrenging van synergieën, hun samenwerking en coördinatie te intensifiëren, onder meer door middelen in te zetten voor gemeenschappelijke projecten, de politieke flexibiliteit te vergroten, de betrekkingen tussen EU en NAVO te formaliseren, hun samenwerking uit te breiden en meer informatie te delen, mits dit in overeenstemming is met de veiligheidsbelangen van de Europese Unie; koestert de hoop dat de belemmeringen die de uitwisseling van geclassificeerde informatie tussen de twee organen in de weg staan, zo spoedig mogelijk zullen worden weggenomen, om zo deze nauwere samenwerking mogelijk te maken;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU-agentschappen op het gebied van defensie, de secretaris-generaal van de NAVO en de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten en de NAVO-lidstaten.

(1) PB L 331 van 14.12.2017, blz. 57.
(2) PB C 88 van 8.3.2018, blz. 1.
(3) PB L 65 van 8.3.2018, blz. 24.
(4) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 18.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0257.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0492.

Laatst bijgewerkt op: 7 oktober 2019Juridische mededeling