Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 3 mei 2018 - BrusselDefinitieve uitgave
Protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Oezbekistan (toetreding van Kroatië) ***
 Kaderovereenkomst EU-Korea (toetreding van Kroatië) ***
 Het onderwerpen van de nieuwe psychoactieve stof ADB-CHMINACA aan controlemaatregelen *
 Het onderwerpen van de nieuwe psychoactieve stof CUMYL-4CN-BINACA aan controlemaatregelen *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2017/010 BE/Caterpillar
 Jaarverslag 2016 over de bescherming van de financiële belangen van de EU – Fraudebestrijding
 Genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4)
 Jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016
 Presidentsverkiezingen in Venezuela
 Het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren"
 De bescherming van migrerende kinderen
 Een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica
 Huidige situatie en vooruitzichten van de schapen- en geitensector in de EU
 Pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie

Protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Oezbekistan (toetreding van Kroatië) ***
PDF 243kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie en de lidstaten, van het protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09021/2017 – C8-0243/2017 – 2017/0083(NLE))
P8_TA(2018)0191A8-0104/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (09021/2017),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09079/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, de artikelen 207 en 209, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0243/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0104/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Oezbekistan.


Kaderovereenkomst EU-Korea (toetreding van Kroatië) ***
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (07817/2016 – C8-0218/2017 – 2015/0138(NLE))
P8_TA(2018)0192A8-0120/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07817/2016),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (07730/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 212 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0218/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0120/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Korea.


Het onderwerpen van de nieuwe psychoactieve stof ADB-CHMINACA aan controlemaatregelen *
PDF 245kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad betreffende het onderwerpen van de nieuwe psychoactieve stof N-(1-amino-3,3-dimethyl-1-oxobutaan-2-yl)-1-(cyclohexylmethyl)-1H-indazol-3-carboxamide (ADB-CHMINACA) aan controlemaatregelen (05387/2018 – C8-0028/2018 – 2017/0340(NLE))
P8_TA(2018)0193A8-0133/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (05387/2018),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0028/2018),

–  gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen(1), en met name artikel 8, lid 3,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0133/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.


Het onderwerpen van de nieuwe psychoactieve stof CUMYL-4CN-BINACA aan controlemaatregelen *
PDF 246kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad betreffende het onderwerpen van de nieuwe psychoactieve stof 1-(4-cyanobutyl)-N-(2-fenylpropaan-2-yl)-1H-indazol-3-carboxamide (CUMYL-4CN-BINACA) aan controlemaatregelen (05392/2018 – C8-0025/2018 – 2017/0344(NLE))
P8_TA(2018)0194A8-0134/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (05392/2018),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0025/2018),

–  gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen(1), en met name artikel 8, lid 3,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0134/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2017/010 BE/Caterpillar
PDF 268kWORD 54k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van België – EGF/2017/010 BE/Caterpillar) (COM(2018)0156 – C8-0125/2018 – 2018/2043(BUD))
P8_TA(2018)0195A8-0148/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0156 – C8‑0125/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0148/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat de financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat België aanvraag EGF/2017/010 BE/Henegouwen machines heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 2 287 gedwongen ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 28 (Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen) in de regio van NUTS-niveau 2 BE32 (de provincie Henegouwen in België);

D.  overwegende dat de aanvraag is gebaseerd op de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening en dat België recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 4 621 616 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 7 702 694 EUR;

2.  neemt ter kennis dat de Belgische autoriteiten de aanvraag op 18 december 2017 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat België aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 23 maart 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis heeft gesteld;

3.  herinnert eraan dat dit de tweede Belgische aanvraag is voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van gedwongen ontslagen bij Caterpillar, na de eerdere aanvraag EGF/2014/011 BE/Caterpillar in juli 2014 en een positief besluit daarover(4); wijst erop dat er geen overlapping is tussen de werknemers die worden ondersteund via die aanvraag, en de werknemers waar de onderhavige aanvraag betrekking op heeft;

4.  stelt vast dat België de aanvraag onderbouwt door erop te wijzen dat de ontslagen verband houden met grote structurele veranderingen in de mondiale handelspatronen als gevolg van de globalisering, de wereldwijde concurrentie in de sector van machines voor de bouw en de mijnbouw en het daaruit voortvloeiende verlies van marktaandeel van Caterpillar in die sector; wijst erop dat de ontslagen verband houden met het algemene herstucturerings- en bezuinigingsplan dat Caterpillar in september 2015 aankondigde;

5.  is bezorgd dat ondernemingen die in derde landen actief zijn, als gevolg van minder restrictieve milieuwetgeving en lagere arbeidskosten concurrerender kunnen zijn dan ondernemingen die in de Unie actief zijn;

6.  is zich bewust van de daling van de productie van de mijnbouwsector in Europa en de dramatische daling van de uitvoer van de EU-28 in die sector sinds 2014, de stijging van de Europese staalprijs en de daaruit voortvloeiende hoge productiekosten voor machines, met name in vergelijking met China; betreurt echter dat de Caterpillar-groep heeft besloten de productie van de fabriek in Gosselies te verplaatsen naar andere productie-eenheden in Frankrijk (Grenoble) en naar andere fabrieken buiten Europa, waaronder China en Zuid-Korea; dit leidde tot een plotselinge sluiting van de Gosselies-vestiging en het ontslag van 2 300 werknemers, wat zorgde voor een diep sociaal en menselijk drama voor duizenden gezinnen, terwijl de Gosselies-vestiging rendabel was, vooral na de investeringen van de voorgaande jaren;

7.  betreurt dat de werknemers van de Gosselies-vestiging te horen kregen dat de vestiging gesloten zou worden door middel van een simpele mededeling; betreurt dat dit harde besluit niet in overleg met de lokale en regionale overheden is genomen; betreurt het totale gebrek aan informatie en respect voor werknemers en vakbondsvertegenwoordigers, die vooraf geen informatie over de sluiting van de onderneming hebben ontvangen; benadrukt dan ook het belang van een betere informatievoorziening aan en van overleg met de werknemers in de Unie;

8.  dringt erop aan dat de sociaal-economische gevolgen voor de Charleroi-regio worden verzacht en dat duurzame inspanningen worden geleverd voor het economisch herstel van de regio, met name met behulp van de Europese structuur- en investeringsfondsen;

9.  herinnert eraan dat de ontslagen bij Caterpillar naar verwachting zeer negatieve gevolgen zullen hebben voor de lokale economie; benadrukt de gevolgen van dit besluit voor een groot aantal werknemers bij leveranciers en producenten verder in de toeleveringsketen;

10.  wijst erop dat de aanvraag betrekking heeft op 2 287 ontslagen werknemers bij Caterpillar en de vijf toeleveranciers van het bedrijf, en dat de meeste van die werknemers tussen de 30 en de 54 jaar oud zijn; wijst er tevens op dat ruim 11 % van de ontslagen werknemers tussen de 55 en de 64 jaar oud is en vaardigheden heeft die specifiek zijn voor de industriesector; benadrukt dat de werkzoekenden in Charleroi meestal laaggeschoold zijn (50,6 % heeft het hoger secundair onderwijs niet voltooid) en dat 40 % langdurig werkloos is (meer dan 24 maanden); betreurt het feit dat volgens de Forem (de Waalse dienst voor arbeidsvoorziening en beroepsopleiding) het werkloosheidscijfer in de provincie Henegouwen met deze ontslagen naar verwachting met 6,1 % zal toenemen; wijst tegen deze achtergrond op het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen voor het vergroten van de kans dat deze groepen opnieuw een baan vinden;

11.  verwelkomt het feit dat door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening verstrekt zal worden aan maximaal 300 jongeren onder de 30 jaar die geen werk hebben, en geen scholing of stage volgen (NEET's);

12.  wijst erop dat België voornemens is vijf soorten maatregelen te nemen voor de ontslagen werknemers en NEET's die onder deze aanvraag vallen: i) individuele begeleiding bij het zoeken naar een baan, dossierbeheer en algemene informatieverstrekking, ii) opleiding en herscholing, iii) bevordering van ondernemerschap, iv) bijdrage aan het opstarten van een bedrijf, v) vergoedingen en toelagen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de financiële steun doeltreffend en doelgericht is;

13.  is verheugd over het besluit om opleidingscursussen te organiseren die zijn afgestemd op de ontwikkelingsprioriteiten van Charleroi, zoals uiteengezet in het CATCH-plan(5);

14.  is tevreden dat de maatregelen inzake inkomenssteun 13,68 % van het totale pakket aan individuele maatregelen zullen uitmaken, wat ver onder het maximum van 35 % ligt dat in de EFG-verordening wordt genoemd, en dat deze maatregelen afhankelijk zijn gesteld van de actieve participatie van de beoogde begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

15.  verwelkomt het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met een werkgroep, die bestond uit de Waalse dienst voor arbeidsvoorziening en beroepsopleiding, het investeringsfonds Sogepa, vertegenwoordigers van de vakbonden en andere sociale partners; roept de Belgische en Waalse autoriteiten op om actief aan dit proces deel te nemen;

16.  herinnert aan zijn resolutie van 5 oktober 2016 over de behoefte aan een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente Caterpillar- en Alstom-zaken, die met grote meerderheid is aangenomen, waarin Europa wordt opgeroepen een echt industriebeleid te voeren dat in het bijzonder is gebaseerd op onderzoek, ontwikkeling en innovatie, maar waarin ook het belang wordt benadrukt van bescherming van de industrie van de Unie tegen oneerlijke handelspraktijken in derde landen;

17.  stelt vast dat de Belgische autoriteiten de verzekering hebben gegeven dat voor de voorgestelde acties geen financiële steun zal worden ontvangen uit andere fondsen of financiële instrumenten van de Unie, dat dubbele financiering zal worden voorkomen en dat de maatregelen complementair zullen zijn met acties die uit de Structuurfondsen worden gefinancierd;

18.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens het nationale recht of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

19.  benadrukt dat per 15 maart 2018 slechts 591 van de ontslagen werknemers werk hadden gevonden; dringt er daarom op aan dat er aan het einde van de steunperiode van het EFG een analyse wordt uitgevoerd om te beoordelen of er verdere steun voor herintegratie moet worden verleend; betreurt dat het vorige besluit betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG voor dit bedrijf (EGF/2014/011) ertoe heeft geleid dat een relatief laag percentage begunstigden opnieuw werk heeft gevonden; hoopt dat in het huidige voorstel met deze ervaring rekening zal worden gehouden;

20.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet passen in de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

21.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

22.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

23.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

24.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van België – EGF/2017/010 BE/Caterpillar)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/847.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Besluit (EU) 2015/471 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van België – EGF/2014/011 BE/Caterpillar) (PB L 76 van 20.3.2015, blz. 58).
(5) Plan CATCH, Accélérer la Croissance de l'Emploi dans la Région de Charleroi, september 2017, http://www.catch-charleroi.be/.


Jaarverslag 2016 over de bescherming van de financiële belangen van de EU – Fraudebestrijding
PDF 378kWORD 63k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het jaarverslag 2016 over de bescherming van de financiële belangen van de EU – Fraudebestrijding (2017/2216(INI))
P8_TA(2018)0196A8-0135/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien zijn resoluties over eerdere jaarverslagen van de Commissie en van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien het verslag van de Commissie van 20 juli 2017 getiteld "Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Fraudebestrijding – Jaarverslag 2016" (COM(2017)0383) en de bijbehorende werkdocumenten (SWD(2017)0266, SWD(2017)0267, SWD(2017)0268, SWD(2017)0269 en SWD(2017)0270),

–  gezien het verslag 2016 van OLAF en het activiteitenverslag 2016 van het Comité van toezicht van OLAF,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad(2), en de tussentijdse evaluatie van de Commissie van deze verordening van 2 oktober 2017 (COM(2017)0589 en SWD(2017)0332),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(3) (de PIF-richtlijn),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien het in opdracht van de Commissie opgestelde verslag 2015 over de btw-kloof en de mededeling van de Commissie van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw (COM(2016)0148),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C‑105/14 (Taricco e.a.)(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0135/2018),

A.  overwegende dat de lidstaten en de Commissie een gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van ongeveer 74 % van de Uniebegroting voor 2016; overwegende dat de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de inning van de eigen middelen, met name in de vorm van btw en douanerechten;

B.  overwegende dat een deugdelijk uitgavenbeleid en de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moeten staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat hun geld goed, doelmatig en doeltreffend wordt besteed;

C.  overwegende dat het, om goede prestaties met vereenvoudigingsprocessen te behalen, nodig is de kosten, opbrengsten, uitkomsten/resultaten en effecten regelmatig onder de loep te nemen in het kader van doelmatigheidscontroles;

D.  overwegende dat de verscheidenheid van rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten adequaat moet worden aangepakt om een einde te maken aan onregelmatigheden en fraude te bestrijden; overwegende dat de Commissie daarom meer inspanningen moet leveren om ervoor te zorgen dat de fraudebestrijding doeltreffend wordt uitgevoerd en de behaalde resultaten tastbaarder en bevredigender zijn;

E.  overwegende dat artikel 325, lid 2, VWEU, bepaalt: "De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad";

F.  overwegende dat schommelingen in het aantal onregelmatigheden kunnen worden gekoppeld aan de voortschrijding van de cycli voor meerjarenprogramma's (waarbij aan het einde van elke cyclus meer onregelmatigheden worden vastgesteld doordat de programma's worden afgesloten) en aan laattijdige rapportage door bepaalde lidstaten die de gewoonte hebben om de meeste onregelmatigheden van de voorbije meerjarenprogramma's in één keer te melden;

G.  overwegende dat de btw voor de lidstaten een belangrijke en groeiende bron van inkomsten is, die in 2015 bijna 1 035,3 miljard EUR opleverde en dat jaar 18,3 miljard EUR aan de eigen middelen van de EU bijdroeg, zijnde 13,9 % van de totale ontvangsten van de EU;

H.  overwegende dat btw-stelsels, en met name de toepassing daarvan op grensoverschrijdende transacties, vatbaar zijn voor fraude en strategieën voor belastingontduiking, waarbij alleen al de intracommunautaire ploffraude (ook wel carrouselfraude genoemd) goed was voor een derving van btw-inkomsten van ongeveer 50 miljard EUR in 2015;

I.  overwegende dat corruptie, vooral in de vorm van georganiseerde misdaad, alle lidstaten schade toebrengt en niet alleen loodzwaar weegt op de economie van de EU, maar ook de democratie en de rechtsstaat in heel Europa ondergraaft; overwegende dat de precieze cijfers echter onbekend zijn aangezien de Commissie besloten heeft deze gegevens niet op te nemen in het verslag over het corruptiebestrijdingsbeleid van de EU;

J.  overwegende dat fraude een voorbeeld van opzettelijk wangedrag en een misdrijf is, terwijl bij een onregelmatigheid de regels niet worden nageleefd;

K.  overwegende dat de btw-kloof in 2015 ongeveer 151,5 miljard EUR bedroeg en uiteenliep van minder dan 3,5 % tot meer dan 37,2 %, afhankelijk van het land;

L.  overwegende dat OLAF, tot het Europees Openbaar Ministerie (EOM) wordt opgericht en Eurojust wordt hervormd, het enige Europese orgaan is dat gespecialiseerd is in de bescherming van de financiële belangen van de Unie; overwegende dat, zelfs na de oprichting van het EOM, OLAF in meerdere lidstaten het enige orgaan ter bescherming van de financiële belangen van de Unie zal blijven;

Opsporing en melding van onregelmatigheden

1.  merkt met tevredenheid op dat het in 2016 gemelde totale aantal frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden (19 080 gevallen) met 15 % is afgenomen ten opzichte van 2015 (22 349 gevallen) en dat hun waarde is afgenomen met 8 % (van 3,21 miljard EUR in 2015 tot 2,97 miljard EUR in 2016);

2.  neemt kennis van de lichte daling van 3,5 % van het aantal als fraude gemelde onregelmatigheden, wat de in 2014 aangevatte neerwaartse trend voortzet; hoopt dat de afname van de gemoeide bedragen, die zijn gedaald van 637,6 miljoen EUR in 2015 tot 391 miljoen EUR in 2016, een echte terugdringing van de fraude inhoudt en geen tekortkomingen in de opsporing;

3.  herinnert eraan dat niet alle onregelmatigheden frauduleus zijn en dat gemaakte fouten duidelijk moeten worden onderscheiden;

4.  is van oordeel dat de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten op het gebied van de opsporing van fraude niet doeltreffend genoeg is; wenst daarom dat er een reeks maatregelen wordt genomen om de samenwerking hechter, doeltreffender en doelmatiger te maken;

5.  betreurt het dat nog niet alle lidstaten een nationale fraudebestrijdingsstrategie hebben vastgesteld; verzoekt de Commissie de lidstaten actief te helpen om eigen, nationale fraudebestrijdingsstrategieën op te stellen, met name omdat zij ongeveer 74 % van de EU-begroting beheren;

6.  verzoekt de Commissie nogmaals een uniform systeem in het leven te roepen voor het verzamelen van vergelijkbare gegevens over onregelmatigheden en fraudegevallen in de lidstaten, teneinde het meldingsproces te standaardiseren en de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te waarborgen;

7.  maakt zich zorgen over de aanhoudende kloof tussen de lidstaten wat betreft het aantal signaleringen, wat een verkeerd beeld kan geven van de doeltreffendheid van de controles; verzoekt de Commissie de lidstaten te blijven steunen bij het verhogen van het aantal en de kwaliteit van de controles en het uitwisselen van goede praktijken op het gebied van fraudebestrijding;

PIF-richtlijn en EOM-verordening(8)

8.  is ingenomen met de goedkeuring van de PIF-richtlijn, waarin minimumvoorschriften worden vastgesteld voor de bepaling van strafbare feiten en sancties bij fraude ten nadele van de financiële belangen van de Unie, o.a. grensoverschrijdende btw-fraude met een totale schade van ten minste 10 miljoen EUR; herinnert er evenwel aan dat deze drempel uiterlijk op 6 juli 2022 door de Commissie zal worden geëvalueerd; is ingenomen met het feit dat het toepassingsgebied van de PIF-richtlijn ook btw-fraude omvat, wat met name van belang is voor het opvoeren van de strijd tegen grensoverschrijdende btw-fraude; beschouwt de richtlijn als de eerste stap in de richting van een geharmoniseerd Europees strafrecht; merkt op dat de richtlijn voorziet in een definitie van corruptie en dat hierin tevens de typen frauduleus gedrag worden beschreven die strafbaar moeten worden gesteld;

9.  is ingenomen met het besluit van 20 lidstaten om over te gaan tot de instelling van het EOM in het kader van nauwere samenwerking; pleit voor een doeltreffende samenwerking tussen OLAF en het EOM, op basis van complementariteit, doeltreffende informatie-uitwisseling en ondersteuning door OLAF van de activiteiten van het EOM, alsook voor het vermijden van dubbele structuren, conflicterende bevoegdheden en mazen in de wetgeving als gevolg van een gebrek aan bevoegdheden; betreurt echter dat niet alle lidstaten van de Unie aan dit initiatief hebben willen deelnemen en onderstreept dat in alle lidstaten een gelijkwaardige mate van efficiëntie qua opsporing van fraude moet worden gehandhaafd; verzoekt de Commissie de lidstaten die nog altijd niet aan het EOM hebben willen deelnemen, hiertoe aan te sporen;

10.  verzoekt de deelnemende landen en de Commissie met de voorbereidende werkzaamheden te beginnen zodat het EOM zo spoedig mogelijk van start kan gaan, en het Parlement nauw te betrekken bij de procedures, met name de benoeming van de hoofdaanklager; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 20 van de EOM-verordening de administratief directeur ad interim van het EOM aan te wijzen; stelt dat er ook vóór de officiële start van het EOM voldoende personeel en middelen aan het EOM moeten worden toegewezen; herhaalt dat het EOM onafhankelijk moet zijn;

11.  dringt aan op een doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten, het EOM, OLAF en Eurojust; wijst erop dat de onderhandelingen over de Eurojust-verordening nog gaande zijn; benadrukt dat de wederzijdse bevoegdheden van Eurojust, OLAF en het EOM duidelijk moeten worden afgebakend; benadrukt dat met het oog op een werkelijk doeltreffende fraudebestrijding op EU-niveau het EOM, Eurojust en OLAF zowel beleidsmatig als operationeel vlekkeloos zullen moeten samenwerken om mogelijke overlappingen bij de taakstelling te voorkomen; herhaalt in dit verband dat er overeenkomstig de artikelen 99 t/m 101 van de EOM-Verordening zo spoedig mogelijk werkafspraken tussen de drie organen moeten worden gemaakt en goedgekeurd; is van mening dat het EOM de bevoegdheid moet hebben om in gevallen die relevant zijn voor de verrichting van zijn taken, bevoegdheidsgeschillen te beslechten;

Ontvangsten – eigen middelen

12.  is bezorgd over de verliezen als gevolg van de btw-kloof en de fraude met de communautaire btw, die 159,5 miljard EUR bedroegen in 2015;

13.  is verheugd over de vaststelling van kortetermijnmaatregelen ter bestrijding van het verlies aan btw-inkomsten waarnaar wordt verwezen in het op 7 april 2016 bekendgemaakte actieplan van de Commissie over een gemeenschappelijke btw‑ruimte in de EU; beklemtoont dat de problemen in verband met grensoverschrijdende btw‑fraude krachtige, gecoördineerde en snelle maatregelen vergen; verzoekt de Commissie met klem haar procedures met betrekking tot de indiening van haar voorstellen over een in het actieplan voorzien definitief btw-stelsel te versnellen teneinde derving van belastinginkomsten in de EU en in de lidstaten te voorkomen;

14.  betreurt dat, hoewel het totale aantal frauduleuze en niet-frauduleuze zaken in verband met traditionele eigen middelen (TEM) is gedaald van 5 514 in 2015 tot 4 647 in 2016, het totale betrokken bedrag is toegenomen van 445 miljoen EUR tot 537 miljoen EUR en 13 % hoger ligt dan het gemiddelde in de periode 2012-2016;

15.  merkt met grote bezorgdheid op dat de laatste jaren meer tabak naar de Europese Unie wordt gesmokkeld en dat dit naar raming jaarlijks een verlies van 10 miljard EUR aan overheidsinkomsten voor de begroting van de Unie en de lidstaten betekent en tegelijkertijd een belangrijke oorzaak is van georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme; acht het noodzakelijk dat de lidstaten zich meer inzetten om deze illegale activiteiten te bestrijden, onder meer door de procedures voor samenwerking en informatie-uitwisseling op lidstaatniveau te versterken;

16.  neemt kennis van de resultaten van twaalf gezamenlijke douaneoperaties, die in samenwerking met diverse diensten van derde landen en de Werelddouaneorganisatie (WDO) door OLAF en de lidstaten zijn uitgevoerd, waarbij met name 11 miljoen sigaretten, 287 000 sigaren, 250 ton andere tabaksproducten, 8 ton cannabis en 400 kg cocaïne in beslag zijn genomen;

17.  merkt op dat douanecontroles op het ogenblik van de inklaring van goederen en inspecties van fraudebestrijdingsdiensten de succesvolste methoden waren om frauduleuze gevallen op te sporen aan de ontvangstenkant van de EU-begroting;

18.  maakt zich zorgen over de douanecontroles en de bijbehorende inning van invoerrechten, die eigen middelen voor de EU-begroting vormen; herinnert eraan dat het aan de douaneautoriteiten van de lidstaten is controles uit te voeren om te bepalen of invoerders de regelgeving over tarieven en invoer naleven;

19.  betreurt de verschillen in de douanecontroles die in de Unie worden verricht en het hoge aantal fraudegevallen waarmee het stelsel voor de inning van de eigen middelen te kampen heeft; verzoekt de Commissie het gemeenschappelijk beleid inzake douanecontroles te versterken door dat werkelijk te harmoniseren om de inning van de traditionele eigen middelen te verbeteren en de veiligheid van de EU en de bescherming van haar economische belangen te waarborgen, met name door zich in te zetten voor de bestrijding van de handel in illegale en nagemaakte producten;

20.  betreurt dat tussen 2013 en 2016 Chinese invoer van kleding en schoenen in verschillende landen van Europa, en met name het Verenigd Koninkrijk, werd ondergewaardeerd;

21.  herinnert eraan dat OLAF de Commissie heeft aanbevolen bij de regering van het Verenigd Koninkrijk gederfde inkomsten ter hoogte van 1,987 miljard EUR terug te vorderen, een bedrag dat normaal gesproken in de begroting van de Unie had moeten worden teruggestort;

22.  betreurt dat de Commissie niet in staat is het totaalbedrag van de uit de desbetreffende aanbevelingen van OLAF voortvloeiende terugvorderingen te berekenen; verzoekt de Commissie dringend jaarlijks verslag uit te brengen over het bedrag van de eigen middelen van de Unie dat naar aanleiding van de aanbevelingen van OLAF is teruggevorderd, een systeem in te voeren waarmee de totaalbedragen kunnen worden berekend, de nog terug te vorderen bedragen mee te delen, en in de jaarverslagen van OLAF de opvolging van de aanbevelingen en de daadwerkelijk teruggevorderde bedragen openbaar te maken;

23.  acht het wenselijk dat de Commissie jaarlijks gegevens verstrekt over de verschillen tussen de verwachte en daadwerkelijk geïnde ontvangsten uit btw en douanerechten;

Uitgaven

24.  betreurt dat niet-frauduleuze onregelmatigheden in de directe uitgaven met 16 % zijn toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor, in tegenstelling tot alle andere begrotingsgebieden, die een afname in dit opzicht hebben opgetekend;

25.  betreurt dat het al het vierde jaar is waarin als fraude gemelde onregelmatigheden in het directe beheer zowel toenemen in aantal (16 gevallen in 2015 en 49 gevallen in 2016) als in waarde (0,78 miljoen EUR in 2015 en 6,25 miljoen EUR in 2016); verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2018 een concreet plan in te dienen om fraude op dit gebied terug te dringen;

26.  merkt op dat het aantal gemelde frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), hoewel dit is afgenomen van 3 250 gevallen in 2015 tot 2 676 gevallen in 2016, nog steeds tweemaal zo hoog is als in 2012, maar onderstreept daarbij dat de bijbehorende bedragen voor 2016 slechts 8 % hoger liggen dan in 2012; merkt tevens op dat, hoewel het totale aantal frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden in dit fonds tussen 2015 en 2016 met 16 % is afgenomen, het aantal frauduleuze onregelmatigheden met 17 % is toegenomen; is evenwel ingenomen met het feit dat de bedragen die verband houden met frauduleuze onregelmatigheden met meer dan 50 % zijn afgenomen; merkt verder op dat de frauduleuze onregelmatigheden in het Elfpo tijdens de afgelopen vijf jaar neerkomen op ongeveer 0,5 % van de betalingen;

27.  merkt op dat de 8 497 frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot het cohesie- en visserijbeleid in 2016 een daling van 22 % vertonen ten opzichte van 2015, maar niettemin 25 % boven het gemiddelde liggen van de afgelopen vijf jaar; merkt tevens op dat de bedragen waarbij sprake is van onregelmatigheden 5 % lager liggen dan in 2015; merkt op dat in de programmeringsperiode 2007-2013 bij 0,42 % van de vastleggingskredieten sprake was van fraude en bij 2,08 % van niet‑frauduleuze onregelmatigheden;

28.  stelt positief vast dat de bedragen in verband met de als fraude gemelde onregelmatigheden in het cohesie- en visserijbeleid met bijna 50 % zijn gedaald, namelijk van 469 miljoen EUR in 2015 tot 235 miljoen EUR in 2016;

29.  stelt met ontzetting vast dat de bedragen in verband met de onregelmatigheden bij het Cohesiefonds in de programmeringsperiode 2007-2013 blijven stijgen (van 277 miljoen EUR in 2015 tot 480 miljoen EUR in 2016), in tegenstelling tot andere fondsen (EFRO, ESF en EVF), waar sprake is van een zich stabiliserende of zelfs neerwaartse trend;

30.  is verbaasd dat voor bijna een derde van de in 2016 als fraude gemelde onregelmatigheden in het cohesiebeleid geen informatie over het betrokken prioriteitsgebied wordt verstrekt, aangezien dit gebrek aan informatie tot een onjuiste vergelijking met de voorgaande jaren leidt; roept de Commissie en de lidstaten op deze situatie op te lossen;

31.  maakt zich zorgen over de controles met betrekking tot door tussenpersonen beheerde financieringsinstrumenten en over de aangetoonde zwakke punten in de controles in de statutaire zetels van de begunstigden; benadrukt dat de verstrekking van directe en indirecte leningen afhankelijk moet worden gemaakt van de publicatie van de belasting- en boekhoudkundige gegevens per land en van de verspreiding van de gegevens over de effectieve eigendom van de begunstigden en de financiële tussenpersonen die betrokken zijn bij de financieringsverrichtingen;

32.  verwacht dat dankzij de vereenvoudiging van de administratieve regels, die in de gemeenschappelijke bepalingen voor de periode 2014-2020 wordt verlangd, het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden kan worden teruggedrongen, frauduleuze gevallen kunnen worden opgespoord en de toegang van begunstigden tot de fondsen van de Unie kan worden verbeterd;

33.  neemt kennis van de voortzetting van de neerwaartse trend van het aantal gemelde onregelmatigheden ten aanzien van de pretoetredingssteun (PAA), die het gevolg is van de geleidelijke stopzetting van de programma's voor pretoetreding; merkt echter op dat Turkije nog steeds het land is waar sprake is van het grootste aantal onregelmatigheden (zowel frauduleus als niet-frauduleus), goed voor meer dan 50 % van de gemelde gevallen;

34.  ziet met belangstelling uit naar de resultaten van het sinds 1 januari 2016 door de Commissie toegepaste systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES);

35.  acht het wenselijk dat de lidstaten nauwer gaan samenwerken op het gebied van informatie-uitwisseling; herinnert eraan dat veel lidstaten geen specifieke wetgeving hebben tegen georganiseerde criminaliteit, die steeds vaker betrokken is bij grensoverschrijdende activiteiten en in sectoren waarmee de financiële belangen van de Unie gemoeid zijn, zoals smokkel en valsemunterij; acht het fundamenteel dat de lidstaten doeltreffende middelen inzetten om de toenemende internationalisering van fraude tegen te gaan en verzoekt de Commissie gemeenschappelijke normen vast te stellen voor de ondersteuning van de bestrijding van die fraude;

Overheidsopdrachten

36.  herinnert eraan dat er in de laatste programmeringsperiode met name in overheidsopdrachten veel fouten werden gemaakt en merkt op dat het aantal onregelmatigheden als gevolg van niet-naleving van de regels met betrekking tot overheidsopdrachten nog altijd hoog is; verzoekt de Commissie eens te meer een databank voor onregelmatigheden op te zetten, die als basis kan dienen voor zinvolle, veelomvattende analyses van de frequentie, de ernst en de oorzaken van fouten op het gebied van overheidsopdrachten; verzoekt de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten een eigen databank voor onregelmatigheden, o.a. bij overheidsopdrachten, op te zetten en deze onregelmatigheden te analyseren en de gegevens in kwestie in het kader van de samenwerking met de Commissie te verstrekken in een vorm en op een tijdstip waarmee het werk van de Commissie wordt ondersteund; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten zo spoedig mogelijk worden omgezet in nationaal recht, en deze omzetting te beoordelen;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten eens te meer de bepalingen betreffende de ex‑antevoorwaarden in het cohesiebeleid na te leven, met name op het gebied van overheidsopdrachten; verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren op de gebieden waarop wordt gewezen in het jaarverslag van de Commissie, met name overheidsopdrachten, financiële misdrijven, belangenconflicten, corruptie, klokkenluiden en de definitie van fraude;

Vastgestelde problemen en vereiste maatregelen

Betere controles

38.  roept de Commissie en de lidstaten met klem op krachtdadigere maatregelen tegen frauduleuze onregelmatigheden te treffen; is van mening dat niet-frauduleuze onregelmatigheden met bestuursrechtelijke maatregelen moeten worden weggenomen, met name door de eisen transparanter en eenvoudiger te maken;

39.  benadrukt dat een systeem voor informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten een kruiscontrole van de boekhoudkundige gegevens over transacties tussen twee of meer lidstaten mogelijk zou maken om transnationale fraude in het kader van de structuur- en investeringsfondsen te voorkomen en zo te zorgen voor een horizontale en volledige aanpak van de bescherming van de financiële belangen van de lidstaten; verzoekt de Commissie nogmaals om een wetgevingsvoorstel inzake wederzijdse administratieve bijstand in de uitgavensectoren van de Europese fondsen waarbij die tot dusver niet voorzien is;

40.  steunt het programma Hercules III, dat een goed voorbeeld is van de benadering "optimale besteding van elke euro"; onderstreept het belang van dit programma en de bijdrage die het levert aan de versterking van de capaciteit van de douaneautoriteiten om georganiseerde grensoverschrijdende misdaad op te sporen en te voorkomen dat namaakgoederen en smokkelwaar de lidstaten bereiken;

41.  is ingenomen met de onafhankelijke tussentijdse evaluatie van het programma Hercules III, die op 11 januari 2018 aan het Europees Parlement en de Raad werd voorgelegd;

42.  uit zijn bezorgdheid over de toename van btw-fraude, in het bijzonder de zogenaamde carrouselfraude; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad op grond waarvan de lidstaten onder bepaalde strenge voorwaarden een algemene verleggingsregeling voor de btw kunnen toepassen; neemt kennis van het door de Commissie voorgestelde pakket ter vereenvoudiging van de btw-heffing en ter vermindering van de nalevingskosten voor kmo's, om daarmee een klimaat te creëren dat bevorderlijk is voor de groei van kmo's en de grensoverschrijdende handel; verzoekt de Commissie met een globale, op de lange termijn gerichte en voor de gehele EU geldende oplossing voor het btw-fraudevraagstuk te komen; verzoekt alle lidstaten om op alle terreinen deel te nemen aan de activiteiten van Eurofisc, teneinde de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken en het beleid te coördineren ter bestrijding van dit soort fraude, die schadelijk is voor de EU-begroting en die van de lidstaten;

43.  verzoekt de Commissie jaarlijks een openbaar verslag te publiceren over het gebruik van EU-middelen en over de overmakingen van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) naar offshoreconstructies, inclusief het aantal en de aard van de geblokkeerde projecten, een toelichting op de redenen voor de blokkering van projecten en de vervolgmaatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat EU-middelen er niet rechtstreeks of onrechtstreeks toe bijdragen dat de financiële belangen van de EU worden geschaad;

44.  herinnert eraan dat volledige transparantie van de verantwoording van uitgaven van fundamenteel belang is, vooral bij infrastructuurwerken die rechtstreeks via Europese fondsen of met financieringsinstrumenten worden gefinancierd; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de Europese burgers volledige inzage hebben in de informatie over medegefinancierde projecten;

Preventie

45.  acht preventiemaatregelen van groot belang voor het terugdringen van fraude in verband met de besteding van EU-middelen;

46.  is ingenomen met de preventiemaatregelen van de Commissie en OLAF en pleit voor bevordering van de tenuitvoerlegging van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) en het antifraude-informatiesysteem (AFIS) en voor afronding van de nationale fraudebestrijdingsstrategieën;

47.  verzoekt de Commissie door te gaan met de vereenvoudiging van het Financieel Reglement en de overige administratieve regels; verzoekt de Commissie de helderheid en de toegevoegde waarde van de financiële oriëntatie van de operationele programma's van de lidstaten minutieus te beoordelen;

48.  verzoekt de Commissie een door alle lidstaten toe te passen kader voor de digitalisering van alle tenuitvoerleggingsprocessen met betrekking tot EU-beleid vast te stellen (oproepen tot het indienen van voorstellen, toepassing, beoordeling, tenuitvoerlegging, betalingen);

49.  acht transparantie een belangrijk middel bij de bestrijding van fraude; verzoekt de Commissie een door de lidstaten te gebruiken kader vast te stellen voor de bekendmaking van alle stappen van de tenuitvoerlegging van met EU-middelen gefinancierde projecten, met inbegrip van betalingen;

Klokkenluiders

50.  benadrukt de belangrijke rol van klokkenluiders bij de preventie, opsporing en melding van fraude, evenals het belang van maatregelen om hen te beschermen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een minimale bescherming van klokkenluiders in de EU;

51.  herinnert aan zijn resoluties van 14 februari 2017 en 24 oktober 2017(9) over de bescherming van klokkenluiders en dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de hierin opgenomen aanbevelingen spoedig uit te voeren;

52.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om dringend een horizontaal wetgevingsvoorstel over de bescherming van klokkenluiders in te dienen teneinde met name fraude die de financiële belangen van de Unie aantast doeltreffend te voorkomen en te bestrijden;

53.  wijst op de open inspraakronde die de Commissie van maart tot mei 2017 heeft gehouden om een beeld te krijgen van de meningen over de bescherming van klokkenluiders op nationaal en EU-niveau; wacht het initiatief af dat de Commissie de komende maanden wil presenteren met het oog op een sterkere bescherming van klokkenluiders in de EU; herinnert aan zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU;

54.  spoort de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen om de geheimhouding van informatiebronnen te waarborgen teneinde discriminerende acties of bedreigingen te voorkomen;

Corruptiebestrijding

55.  betreurt dat de Commissie het niet langer nodig vindt het corruptiebestrijdingsverslag te publiceren, waardoor de beoordeling van de corruptiegraad is bemoeilijkt; herinnert aan zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 13 december 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(10), waarin werd vastgesteld dat de toezichthoudende rol van de Commissie op het gebied van corruptiebestrijding gedurende het Europees semester wordt voortgezet; is van mening dat corruptiebestrijding in dit proces kan worden overschaduwd door andere economische en financiële aangelegenheden; verzoekt de Commissie het goede voorbeeld te geven door de publicatie van het verslag te hervatten en door zich in te zetten voor een veel geloofwaardiger en omvattender strategie voor corruptiebestrijding; wijst erop dat corruptiebestrijding een kwestie van politiële en justitiële samenwerking is, een beleidsgebied waarvoor het Parlement medewetgever is en volledige controlebevoegdheden heeft;

56.  benadrukt dat corruptie een enorme uitdaging is voor de Unie en haar lidstaten en dat corruptie zonder effectieve tegenmaatregelen de economische prestaties, de rechtsstaat en de geloofwaardigheid van de democratische instellingen en het vertrouwen in deze instellingen binnen de Unie ondermijnt; herinnert aan zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie voor de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten(11), waarin in het bijzonder wordt gepleit voor de instelling van een jaarverslag over democratie, de rechtsstaat en de grondrechten (een Europees DRG-verslag) met landenspecifieke aanbevelingen, en tevens bijzondere aandacht wordt besteed aan corruptie;

57.  betreurt dat de nieuwe richtlijn inzake overheidsopdrachten tot dusver geen noemenswaardige verbetering heeft gebracht in de perceptie van het corruptieniveau in de EU en verzoekt de Commissie te zorgen voor doeltreffende instrumenten om de aanbestedings- en onderaanbestedingsprocedures transparanter te maken;

58.  spoort de lidstaten aan de Europese antiwitwasrichtlijn volledig ten uitvoer te leggen en een openbaar eigendomsregister van ondernemingen en trusts op te zetten;

59.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, op basis van de in het programma van Stockholm vermelde vereisten, een systeem van strikte indicatoren en gemakkelijk toepasbare, uniforme criteria te ontwikkelen, aan de hand waarvan de corruptiegraad in de lidstaten kan worden gemeten en hun corruptiebestrijdingsbeleid kan worden beoordeeld; verzoekt de Commissie een corruptie-index op te stellen om de lidstaten op een ranglijst te plaatsen; is van mening dat een corruptie-index als stevige basis kan dienen op grond waarvan de Commissie bij de controle op de besteding van EU‑middelen haar landenspecifieke controlemechanisme kan vaststellen;

60.  herhaalt dat preventie ook permanente opleiding en ondersteuning moet inhouden voor het personeel dat bij de bevoegde instanties verantwoordelijk is voor het beheer en de controle van de fondsen, evenals uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de lidstaten; wijst op de sleutelrol die de lokale en regionale overheden en belanghebbenden spelen bij het bestrijden van fraude;

61.  herinnert eraan dat de Commissie geen toegang heeft tot de informatie die tussen de lidstaten wordt uitgewisseld ter voorkoming en bestrijding van intracommunautaire ploffraude, ook wel carrouselfraude genoemd; is van mening dat de Commissie toegang moet krijgen tot Eurofisc om de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten beter te kunnen monitoren en beoordelen en te verbeteren; vraagt alle lidstaten deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen, om de uitwisseling van informatie met gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten, zoals Europol en OLAF, te vergemakkelijken en sneller te laten verlopen, zoals aanbevolen door de Rekenkamer; verzoekt de lidstaten en de Raad om de Commissie toegang te verlenen tot deze gegevens teneinde de samenwerking te bevorderen, de betrouwbaarheid van de gegevens te verhogen en grensoverschrijdende misdaad te bestrijden;

Onderzoeksjournalistiek

62.  is van mening dat onderzoeksjournalistiek een essentiële rol speelt in het verbeteren van de vereiste mate van transparantie in de Unie en de lidstaten en dat deze zowel in de lidstaten als in de Unie via juridische middelen moet worden aangemoedigd en ondersteund;

Tabak

63.  herinnert aan het besluit van de Commissie om de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) die op 9 juli 2016 afliep niet te verlengen; herinnert eraan dat het Parlement op 9 maart 2016 aan de Commissie heeft gevraagd(12) deze overeenkomst na de vervaldatum niet te verlengen, uit te breiden of er opnieuw over te onderhandelen; is van mening dat de drie andere overeenkomsten (BAT, JTI, ITL) met ingang van 20 mei 2019 moeten worden beëindigd; verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2018 een verslag op te stellen over de haalbaarheid van de beëindiging van de drie overgebleven overeenkomsten;

64.  verzoekt de Commissie om op het niveau van de Unie alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor het volgen en traceren van PMI-tabaksproducten en juridische stappen te nemen tegen illegale inbeslagnemingen van producten van deze fabrikant, totdat alle bepalingen van de richtlijn tabaksproducten volledig afdwingbaar zijn, zodat geen regelgevingsvacuüm ontstaat tussen het verstrijken van de PMI-overeenkomst en de inwerkingtreding van de richtlijn tabaksproducten en het protocol van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (FCTC);

65.  is verheugd over de steun van de Commissie voor een snelle ratificatie van het protocol van de WHO inzake de uitroeiing van de illegale handel in tabaksproducten, waarbij dit protocol het eerste multilaterale juridische instrument is dat het probleem van de tabakssmokkel volledig en wereldwijd aanpakt;

66.  herinnert eraan dat tot op heden 32 partijen het protocol van de WHO inzake de uitroeiing van de illegale handel in tabaksproducten hebben geratificeerd, waaronder slechts acht lidstaten en de Unie als geheel; spoort de tien lidstaten (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Griekenland, Ierland, Nederland, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) en Noorwegen die het protocol inzake de uitroeiing van de illegale handel in tabaksproducten hebben ondertekend maar nog niet hebben geratificeerd, aan dit zo spoedig mogelijk te doen;

67.  hoopt het voor 2018 aangekondigde definitieve voortgangsverslag van de Commissie naar aanleiding van haar mededeling van 2013 getiteld "Intensivering van de bestrijding van sigarettensmokkel en andere vormen van illegale handel in tabaksproducten – Een integrale EU-strategie" (COM(2013)0324) binnenkort te ontvangen;

68.  is verheugd dat het met de controle van tabak belaste laboratorium van de Unie in het GCO van Geel (België) sinds april 2016 operationeel is en bijgevolg het chemische profiel en de onderscheidende kenmerken van in beslag genomen tabak kan bepalen, waardoor de echtheid kan worden getoetst;

Onderzoeken en de rol van OLAF

69.  merkt op dat de aan de justitiële aanbevelingen van OLAF tot dusverre maar mondjesmaat gevolg is gegeven in de lidstaten; is van oordeel dat dit onaanvaardbaar is en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de aanbevelingen van OLAF in de lidstaten volledig worden uitgevoerd;

70.  betreurt dat het percentage gevallen waarin vervolging wordt ingesteld ondanks de vele aanbevelingen en onderzoeken van OLAF in de lidstaten slechts 30 % bedraagt en dat de justitiële autoriteiten van sommige lidstaten de aanbevelingen van OLAF betreffende het verkeerde gebruik van EU-middelen laag op hun prioriteitenlijst zetten, en dat zelfs OLAF geen degelijk gevolg geeft aan zijn eigen aanbevelingen; verzoekt de Commissie regels op te stellen voor de opvolging van aanbevelingen van OLAF;

71.  betreurt het feit dat ongeveer 50 % van alle zaken van OLAF door nationale justitiële autoriteiten wordt afgewezen; verzoekt de lidstaten, de Commissie en OLAF voorwaarden voor de ontvankelijkheid van door OLAF aangeleverd bewijsmateriaal op te stellen; verzoekt OLAF de kwaliteit van zijn eindverslagen te verbeteren, zodat deze nuttiger zijn voor nationale autoriteiten;

72.  verzoekt OLAF zijn aanbevelingen voor terugvordering realistischer op te stellen en tevens verslag uit te brengen over de daadwerkelijk teruggevorderde bedragen;

73.  herinnert eraan dat de directeur-generaal uit hoofde van de OLAF-verordening een belangrijke rol speelt op het gebied van klachtenprocedures met betrekking tot onderzoeken; herinnert eraan dat de rechtstreekse betrokkenheid van de directeur-generaal bij onderzoeken van OLAF in strijd is met diens bevoegdheden en daarmee met de verordening;

74.  verzoekt de Commissie bij de herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheden evenwichtig tussen het EOM en OLAF te verdelen, de procedurele waarborgen te versterken, de onderzoeksbevoegdheden van OLAF te verduidelijken en te versterken, een zeker niveau van transparantie met betrekking tot de aanbevelingen en verslagen van OLAF te handhaven en duidelijkheid te verschaffen over de regels voor de samenwerking tussen OLAF en zijn Comité van toezicht met betrekking tot de toegang tot gegevens;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Comité van toezicht van OLAF.

(1) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(2) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.
(3) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(6) Arrest van het Hof (grote kamer) van 8 september 2015 in zaak C‑105/14 (Taricco e.a.), ECLI:EU:C:2015:555.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.
(8) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0402.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0491.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(12) Resolutie van 9 maart 2016 over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) (PB C 50 van 9.2.2018, blz. 35).


Genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4)
PDF 296kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D055630–01 – 2018/2651(RSP))
P8_TA(2018)0197B8-0220/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D055630-01),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

–  gezien de stemming van 19 maart 2018 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien artikel 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 26 oktober 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 16 november 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat KWS SAAT AG en Monsanto Europe S.A. op 12 november 2004 bij de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag hebben ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die zijn geproduceerd met suikerbiet H7-1 ("genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1");

B.  overwegende dat bij Beschikking 2007/692/EG van de Commissie(5) een vergunning werd verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen; levensmiddeleningrediënten en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1; overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 5 december 2006, voorafgaand aan deze beschikking van de Commissie, overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 14 december 2006 werd gepubliceerd(6) ("EFSA 2006");

C.  overwegende dat KWS SAAT SE en Monsanto Europe S.A./N.V. op 20 oktober 2016 gezamenlijk een aanvraag hebben ingediend tot verlenging van de vergunning die overeenkomstig Beschikking 2007/692/EG was verleend;

D.  overwegende dat de EFSA op 26 oktober 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 16 november 2017 werd gepubliceerd(7) ("EFSA 2017");

E.  overwegende dat de aanvraag tot verlenging betrekking heeft op levensmiddelen en diervoeders die geproduceerd zijn met, of diervoeders die ingrediënten bevatten die geproduceerd zijn met genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 met het oog op invoer en verwerking(8); overwegende dat deze producten bijvoorbeeld suiker, stroop, gedroogde pulp en melasse zijn, die alle worden gewonnen uit suikerbietenwortel; overwegende dat pulp en melasse onder meer gebruikt worden in diervoeders(9);

F.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

G.  overwegende dat er tijdens de raadplegingsperiode van drie maanden voor zowel EFSA 2006(10) als EFSA 2017(11) door de lidstaten talrijke kritische opmerkingen werden ingediend; overwegende dat de lidstaten onder meer kritiek leveren op het feit dat er geen proeven zijn gedaan met stukjes biet die vaak gemengd worden met melasse en in de vorm van pellets worden toegediend, dat de voederprestatiestudie van drie weken met schapen niet als representatief kan worden beschouwd omdat het niet duidelijk is of toxicologisch relevante parameters beoordeeld werden, dat er geen wetenschappelijk bewijs is geleverd ter staving van de claim dat de menselijke blootstelling aan het eiwit te verwaarlozen zal zijn, dat er met betrekking tot allergeniciteit geen experimentele proeven zijn verricht met het genetisch gemodificeerde organisme (ggo) zelf, dat studies die zijn verricht met een geïsoleerd eiwit geen overtuigend bewijs van onschadelijkheid vormen en dat het in de analyse van de samenstelling ontbreekt aan de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling aanbevolen gegevens over fosfor en magnesium;

H.  overwegende dat de genetische gemodificeerde suikerbiet H7‑1 het CP4 EPSPS-eiwit tot expressie brengt dat tolerantie geeft voor glyfosaat; overwegende dat er dan ook van uitgegaan moet worden dat genetisch gemodificeerde suikerbieten H7-1 zullen worden blootgesteld aan hogere en ook herhaaldelijke doses glyfosaat, wat niet alleen zal leiden tot een grotere aanwezigheid van residuen in de oogst maar ook van invloed kan zijn op de samenstelling van de gewassen en hun agronomische eigenschappen;

I.  overwegende dat glyfosaat meestal op het loof van planten wordt gespoten, maar kan worden opgeslagen in de wortels als gevolg van translocatie door de plant of opname via de bodem; overwegende dat bij diverse gewassoorten, waaronder bieten, opname via de wortels is aangetoond; overwegende dat deze blootstellingsroute belangrijk is aangezien wortels het meeste glyfosaat opvangen bij de afstroming van akkers(12);

J.  overwegende dat gegevens over de hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten, alsook over de verspreiding ervan in de hele plant, essentieel zijn voor een grondige risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat het ggo-panel van de EFSA van mening is dat gehaltes aan glyfosaatresiduen niet onder zijn bevoegdheid vallen; overwegende dat de EFSA geen beoordeling heeft gemaakt van glyfosaatresiduen op genetisch gemodificeerde suikerbieten H7-1 en elke verandering in de samenstelling en de agronomische kenmerken daarvan als gevolg van blootstelling aan glyfosaat;

K.  overwegende dat er volgens het pesticidenpanel van de EFSA geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van residuen die afkomstig zijn van het besproeien van genetisch gemodificeerde gewassen met glyfosaatpreparaten(13); overwegende dat toevoegingsmiddelen en mengsels daarvan die in commerciële glyfosaatsproeistoffen worden gebruikt, giftiger kunnen zijn dan de werkzame stof alleen(14); overwegende dat de Unie al een toevoegingsmiddel dat bekend staat als POE-tallowamine van de markt gehaald heeft vanwege bezorgdheid over de giftige eigenschappen ervan; overwegende dat problematische additieven en mengsels echter nog steeds kunnen worden toegestaan in de landen waar de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 wordt geteeld (VS, Canada en Japan);

L.  overwegende dat nog steeds niet alle vragen over de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat beantwoord zijn; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn, en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen; overwegende dat het Parlement een bijzondere commissie heeft ingesteld voor de goedkeuringsprocedure van de Unie voor pesticiden, die zal helpen vaststellen of de EFSA en het ECHA de desbetreffende internationale wetenschappelijke normen hebben gevolgd en of het bedrijfsleven ongepaste invloed heeft uitgeoefend op de conclusies van de agentschappen van de Unie over kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat;

M.  overwegende dat de Commissie momenteel de lidstaten niet verplicht om glyfosaatresiduen op suikerbieten te beoordelen om in overeenstemming te zijn met de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen als onderdeel van het in 2018, 2019 en 2020 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2017/660 van de Commissie(15); overwegende dat de lidstaten de glyfosaatresiduen op suikerbieten evenmin zullen beoordelen om in overeenstemming te zijn met de maximumgehalten aan residuen krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2018/555 van de Commissie(16); overwegende dat het derhalve niet bekend is of glyfosaatresiduen op ingevoerde genetisch gemodificeerde suikerbieten H7-1 in overeenstemming zijn met de in de Unie geldende maximale residuengehaltes;

N.  overwegende dat de EFSA geconcludeerd heeft dat op een na alle representatieve wijzen van gebruik van glyfosaat voor conventionele gewassen (d.w.z. niet-genetisch gemodificeerde gewassen) een risico opleverden voor wilde gewervelde landdieren van niet-doelsoorten, en ook een hoog langetermijnrisico voor zoogdieren heeft vastgesteld voor sommige van de belangrijkste aanwendingen op conventionele gewassen(17); overwegende dat het ECHA glyfosaat heeft ingedeeld als giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen; overwegende dat de negatieve gevolgen van het gebruik van glyfosaat voor de biodiversiteit en het milieu uitvoerig gedocumenteerd zijn; overwegende dat bijvoorbeeld in een Amerikaanse studie uit 2017 een negatief verband werd vastgesteld tussen het gebruik van glyfosaat en de hoeveelheid volwassen monarchvlinders, vooral in gebieden met landbouwconcentratie(18);

O.  overwegende dat een nieuwe vergunning voor het op de markt brengen van genetisch gemodificeerde suikerbieten H7-1 ertoe zal leiden dat er vraag blijft bestaan naar de verbouwing ervan in derde landen; overwegende dat er, zoals eerder opgemerkt, hogere en herhaalde doses pesticiden worden gebruikt op herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen (in vergelijking met niet-genetisch gemodificeerde gewassen), aangezien zij voor dat doel ontworpen zijn;

P.  overwegende dat de Unie is partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, op grond waarvan de partijen ervoor moeten zorgen dat activiteiten die binnen hun rechtsgebied of onder hun controle worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten of van gebieden buiten de grenzen van hun rechtsgebied(19); overwegende dat het besluit over het al dan niet verlengen van de toelating van genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 onder de jurisdictie van de Unie valt;

Q.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat er in 2015 wereldwijd ten minste 29 glyfosaatresistente onkruidsoorten voorkwamen(20);

R.  overwegende dat het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 19 maart 2018 besloot geen advies uit te brengen;

S.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit, wat zeer uitzonderlijk is voor de procedure in het algemeen, de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook voorzitter Juncker deze praktijk heeft betreurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(21);

T.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(22) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

U.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name wanneer die gevoelige kwesties betreft zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(23) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo's op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de Commissie zich te houden aan haar toezeggingen in het kader van het VN‑Verdrag inzake biologische diversiteit door alle invoer van genetisch gemodificeerde glyfosaattolerante planten op te schorten;

6.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer voor levensmiddelen en diervoeders;

8.  verklaart nogmaals dat het zich wil inzetten om vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt over de toelating van een ggo, hetzij voor teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, de Commissie het voorstel intrekt; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van datzelfde voorstel van de Commissie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5065
(4)–––––––––––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 108).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4). (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 111).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0396).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0397).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0398).Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0051).Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6) en genetisch gemodificeerde mais die twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0052).
(5) Beschikking 2007/692/EG van de Commissie van 24 oktober 2007 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 283 van 27.10.2007, blz. 69).
(6) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/431
(7) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5065
(8) EFSA 2017, blz. 3: http://www.efsa.europa.eu/nl/efsajournal/pub/5065
(9) EFSA 2006, blz. 1 en blz. 7: http://www.efsa.europa.eu/nl/efsajournal/pub/431
(10) Bijlage G – opmerkingen van de lidstaten: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2004-164
(11) Bijlage E – opmerkingen van de lidstaten: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2017-00026
(12) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5606642/
(13) Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat. EFSA Journal 2015, 13 (11): 4302: http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4302/epdf
(14) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3955666
(15) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/660 van de Commissie van 6 april 2017 inzake een in 2018, 2019 en 2020 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 94 van 7.4.2017, blz. 12).
(16) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/555 van de Commissie van 9 april 2018 inzake een in 2019, 2020 en 2021 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 92 van 10.4.2018, blz. 6).
(17) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2015.4302
(18) https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/ecog.02719
(19) UN Convention on Biological Diversity, Article 3: https://www.cbd.int/convention/articles/default.shtml?a=cbd-03
(20) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5606642/
(21) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(22) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.
(23) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016
PDF 358kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016 (2017/2190(INI))
P8_TA(2018)0198A8-0139/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van de Europese Investeringsbank (EIB),

–  gezien het financieel verslag 2016 en het statistisch verslag 2016 van de EIB,

–  gezien het duurzaamheidsverslag 2016, het verslag 2016 over de driepijlerbeoordeling voor EIB-verrichtingen binnen de EU en het verslag 2016 over de resultaten buiten de EU van de Europese Investeringsbank,

–  gezien de jaarverslagen van het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB over 2016,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van de EIB-groep over fraudebestrijding,

–  gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2016 en het verslag over corporate governance van 2016,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van het bureau van het hoofd Naleving van de EIB,

–  gezien de operationele plannen van de EIB-groep voor 2015-2017 en 2016-2018,

–  gezien de artikelen 3 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 15, 126, 174, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de EIB en Protocol nr. 28 betreffende economische, sociale en territoriale cohesie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien het reglement van orde van de Europese Investeringsbank,

–  gezien zijn resoluties van 11 maart 2014 over de EIB — jaarverslag 2012(1), van 30 april 2015 over de EIB — jaarverslag 2013(2), van 28 april 2016 over de EIB — jaarverslag 2014(3) en van 27 april 2017 over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2015(4),

–  gezien Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011(5) over het externe mandaat van de EIB voor de periode 2007-2013 en Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2015 getiteld "Samen werken aan werkgelegenheid en groei: de rol van nationale stimuleringsbanken (NPB's) bij de facilitering van het Investeringsplan voor Europa" (COM(2015)0361),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie en de begeleidende werkdocumenten van 14 september 2016 over de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016)0597, SWD(2016)0297 en SWD(2016)0298),

–  gezien de evaluatie door de EIB van september 2016 van de werking van het EFSI,

–  gezien advies nr. 2/2016 van de Europese Rekenkamer over het voorstel voor een verordening tot verlenging en uitbreiding van het EFSI,

–  gezien speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken",

–  gezien de ad-hocaudit door Ernst & Young van 8 november 2016 van de toepassing van Verordening (EU) 2015/1017 (de "EFSI-verordening"),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 juni 2017 over het beheer van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen in 2016 (COM(2017)0326) en (SWD(2017)0235),

–  gezien de driepartijenovereenkomst van september 2016 tussen de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank,

–  gezien de brief d.d. 22 juli 2016 van de Europese Ombudsman aan de president van de Europese Investeringsbank,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0139/2018),

A.  overwegende dat de EIB volgens de definitie van de artikelen 308 en 309 van het VWEU de bank van de EU is, en 's werelds grootste multilaterale bank en grootste publieke kredietverstrekker op de internationale kapitaalmarkten;

B.  overwegende dat de EIB krachtens het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

C.  overwegende dat uitdagingen in verband met duurzaamheid steeds groter worden, met name in de context van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die moet worden omgezet in een aantal concrete doelstellingen van de EIB;

D.  overwegende dat de EIB een fundamentele rol vervult bij de implementatie van een groeiend aantal financieringsinstrumenten die de begrotingsmiddelen van de EU een hefboomeffect geven;

E.  overwegende dat investeringen in innovatie en vaardigheden van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de kenniseconomie in Europa en de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen;

F.  overwegende dat het leveren van een bijdrage aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt door middel van de financiering van projecten voor minder ontwikkelde regio's en projecten die niet volledig kunnen worden gefinancierd door individuele lidstaten volgens artikel 309 van het VWEU de kerntaak van de EIB is;

G.  overwegende dat moderne, duurzame infrastructuur een essentiële rol speelt in de bestrijding van de klimaatverandering en bij het met elkaar verbinden van de interne markten en de Europese economieën; overwegende dat alle gerelateerde investeringen door de EIB ervoor moeten zorgen dat de EU over de duurzame, efficiënte, milieuvriendelijke en goed geïntegreerde infrastructuur beschikt die zij nodig heeft om een "Slim Europa" tot stand te brengen en werkelijk duurzame en inclusieve langetermijngroei te ondersteunen;

H.  overwegende dat de EIB een referentiebank is die gericht is op bevordering van de groei van start-ups en innoverende bedrijven;

I.  overwegende dat de EIB-leningen voor klimaatactie de overgang naar een koolstofarme, milieuvriendelijke en klimaatbestendige economie moeten ondersteunen, met name via projecten ter bevordering van een efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

J.  overwegende dat het Investeringsplan voor Europa berust op drie pijlers: geld vrijmaken voor investeringen, ervoor zorgen dat de investeringen de reële economie bereiken en het investeringsklimaat in de Unie verbeteren;

K.  overwegende dat de investeringen van de EIB niet alleen rendabele verrichtingen moeten zijn, maar ook moeten beantwoorden aan duurzaamheidscriteria en bestuurlijke normen, in overeenstemming met de in het Verdrag opgenomen vereiste om zonder winstoogmerk te handelen in het belang van de Unie;

L.  overwegende dat het binnen de EIB ontwikkelde transparantiebeleid met het probleem kampt dat de EIB enerzijds een overheidsorgaan is – de bank van de EU – en anderzijds een commerciële bank die cliënten van de EIB beheert en over informatie over die cliënten beschikt;

M.  overwegende dat de EIB haar AAA-rating moet behouden, die een fundamenteel pluspunt vormt van haar bedrijfsmodel, nl. het aantrekken van middelen en het verstrekken van leningen tegen gunstige tarieven en het beschikken over een solide activaportefeuille;

N.  overwegende dat de EIB zich gezien haar aard af en toe moet bezighouden met particuliere, winstgerichte ondernemingen, maar dat het de primaire rol van de bank is om de belangen van de EU-burgers te dienen en deze boven de belangen van particuliere ondernemingen, bedrijven en concerns te stellen;

Bevordering van financieel duurzame activiteiten voor een solide langetermijneffect van EIB-investeringen

1.  merkt op dat de EIB-groep in 2016 in totaal 83,8 miljard EUR heeft gefinancierd en dat jaar in totaal 280 miljard EUR aan investeringen heeft gemobiliseerd;

2.  neemt nota van de reeks jaarverslagen van de EIB over 2016 waarin de diverse verwachte effecten van de investeringsactiviteiten worden gepresenteerd; herhaalt zijn verzoek aan de EIB om een vollediger, gedetailleerder en geharmoniseerder jaarlijks activiteitenverslag te presenteren en de presentatie van de informatie aanzienlijk te verbeteren door gedetailleerde en betrouwbare uitsplitsingen te verstrekken van de investeringen die voor een bepaald jaar zijn goedgekeurd, ondertekend en uitbetaald en de gebruikte financieringsbronnen (eigen middelen, EFSI, centraal beheerde EU‑programma's enz.) evenals informatie van dergelijke aard met betrekking tot begunstigden (lidstaten, overheid, particuliere sector, intermediairs of directe ontvangers), ondersteunde sectoren en de resultaten van de ex‑postevaluaties;

3.  verzoekt de EIB zich daarvoor in te spannen door de beleidsmakers complete en uitputtende informatie te verstrekken over de bereikte concrete economische, sociale en milieueffecten en de toegevoegde waarde van haar verrichtingen in de lidstaten en buiten de EU, in de vorm van respectievelijk driepijlerbeoordelingen (3PA) en Results Measurement (ReM) Framework-verslagen; benadrukt het belang van een onafhankelijke ex-ante- en ex-postevaluatie van elk project; verzoekt de EIB om in de rapportage over de impact van haar investeringen gedetailleerde voorbeelden van grensoverschrijdende meerwaarde te geven, alsook kernindicatoren voor sectorale en intersectorale successen; verzoekt de EIB de resultaten van de ex-postevaluaties te doen toekomen aan het Parlement;

4.  herinnert eraan dat door de EIB ondersteunde activiteiten in overeenstemming moeten zijn met de kerntaak van de bank uit hoofde van het VWEU, met de beginselen van de EU-beleidsdoelstellingen zoals uiteengezet in de Europa 2020-strategie en met de COP 21-overeenkomst; wijst er daarom op dat het de taak van de EIB is om de Europese economie nieuw leven in te blazen teneinde kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te stimuleren en slimme, inclusieve en duurzame groei in de Unie, evenals de grotere samenhang die nodig is om de trend van groeiende ongelijkheid binnen en tussen lidstaten om te buigen, te ondersteunen; hoopt derhalve op een steeds nauwere samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de lidstaten om zo het niveau van de programmering en de vaststelling van doelstellingen te verbeteren, zodat de financieringsdoelstellingen weer geprioriteerd worden;

5.  onderstreept dat investeringen in kmo's, start‑ups, onderzoek, innovatie, de digitale economie en energie-efficiëntie, gezien de gevolgen en het belang ervan voor zowel lokale als nationale economieën, de meest cruciale factor zijn om het economisch herstel in de EU en hoogwaardige werkgelegenheid te stimuleren;

6.  wijst erop dat het steeds weer noodzakelijk blijkt dat de EIB bijdraagt tot de vermindering van de aanhoudende investeringskloof op basis van degelijke economische criteria; benadrukt dat bij de beoordeling van gefinancierde projecten ook rekening moet worden gehouden met de – positieve of negatieve – sociale, economische en milieueffecten, met name de gevolgen van de projecten voor de lokale gemeenschappen, om te kunnen uitmaken of er echte meerwaarde wordt geboden aan de burgers van de EU;

7.  is van mening dat de goedkeuring van investeringsprojecten gebaseerd moet zijn op een deugdelijke, onafhankelijke analyse met een beoordeling van de financiële duurzaamheid en de risico’s die aan de projecten verbonden zijn, om te voorkomen dat, wanneer het om openbare middelen gaat, verliezen gesocialiseerd en winsten geprivatiseerd worden; wijst erop dat verlening van overheidssubsidies alleen moet worden overwogen voor de uitvoering van opdrachten van algemeen belang en wanneer de markt niet in staat is de nodige resultaten te leveren op het gebied van openbaar beleid;

8.  wijst nogmaals op de zorgen van het Parlement over de vaststelling van een evenwichtige strategie met een dynamische, eerlijke en transparante geografische spreiding van projecten en investeringen over de lidstaten, rekening houdend met de specifieke nadruk op minder ontwikkelde landen en regio's; merkt op dat 70 % van de totale kredietverlening door de EIB voor 2016 (46,8 miljard EUR) is geconcentreerd in een klein aantal landen met de meest ontwikkelde financiële markten, hetgeen aantoont dat niet alle lidstaten of regio's de achterstand kunnen inlopen en in gelijke mate van investeringsmogelijkheden kunnen profiteren;

9.  spreekt zijn steun uit voor de vier publieke beleidsdoelstellingen van de EIB en voor twee horizontale doelstellingen die als een rode draad door deze doelstellingen lopen, te weten economische en sociale cohesie en klimaatactie, en die talrijke aspecten bestrijken, zoals regionale onevenwichtigheden aanpakken, zwakkere regio's helpen om aantrekkelijker te worden en een gunstig klimaat scheppen voor de bevordering van duurzame en inclusieve groei; herhaalt echter zijn oproep aan de EIB om economische, sociale en territoriale cohesie weer tot een primaire doelstelling van openbaar beleid te maken;

10.  verzoekt de EIB rekening om bij grootschalige infrastructuurprojecten rekening te houden met alle risico’s die van invloed kunnen zijn op het milieu en voorrang te geven aan de financiering van projecten waarvan is aangetoond dat ze werkelijk meerwaarde hebben voor het milieu, de economie en de plaatselijke bevolking; benadrukt het belang van streng toezicht op mogelijke risico's van fraude en corruptie, en verzoekt de EIB om de leningen voor projecten te bevriezen wanneer een officieel OLAF- of nationaal onderzoek dat vereist;

11.  betreurt dat veel lidstaten onvoldoende in staat zijn om financiële instrumenten toe te passen, publiek-private partnerschappen (PPP's) tot stand te brengen en synergieën te realiseren tussen verschillende soorten financiering, hetgeen negatieve consequenties heeft voor de algehele voortgang van de investeringen;

12.  benadrukt dat het gebruik van EU-gelden en -subsidies, evenals de aanpak van de EIB bij het verstrekken van technische steun en financieel advies aan de lidstaten in een gemakkelijk toegankelijke vorm, geoptimaliseerd moeten worden op basis van een combinatie van leningen (projectleningen, leningen via een intermediair, microkredieten, durfkapitaal, aandelenkapitaal en kapitaalinvestering), gemengde financiering (rechtstreekse financiering ondersteund door extra investeringsbronnen, zoals garanties, projectobligaties, enz.) en advies (financiële en technische expertise); verzoekt de EIB derhalve om in samenwerking met de Commissie aan lidstaten die slechts een gering deel van de financiering van de EIB ontvangen meer technische bijstand te verlenen op het gebied van advies- en analysediensten, projectbeheer en capaciteitsopbouw; herinnert eraan dat financieringsinstrumenten, zoals projectobligaties, serieus moeten worden beoordeeld op hun financiële, sociale en milieugevolgen, teneinde te voorkomen dat de volledige risicolast wordt afgewenteld op het publiek;

13.  erkent dat er verschillen kunnen bestaan tussen de beoordeling van een bank van de haalbaarheid van projecten en een traditionele sectorale beoordeling die voor de structuurfondsen wordt gebruikt; is voorts van mening dat de doeltreffendheid van interventies moet worden beoordeeld op basis van het potentieel en de duurzaamheid van financieringsinstrumenten, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de kwantificeerbare resultaten die zouden kunnen worden behaald;

14.  verzoekt de EIB om, gezien het grote aantal mandaten dat zij beheert, aandacht te besteden aan de kosteneffectiviteit van haar bedrijfsvoering door zorgvuldig toezicht te houden op en verslag uit te brengen over beheerskosten en vergoedingen; acht het van essentieel belang dat de kosten van activiteiten proportioneel zijn; vraagt de EIB om in haar rapportage uitvoerige informatie over de structuur van de beheerskosten en vergoedingen op te nemen (direct, indirect en cumulatief) naar gelang van de aard van de beheerde mandaten, de omvang van de projecten en de gebruikte financiële instrumenten (lening, garantie of aandelen);

15.  beschouwt de AAA-rating als een essentiële troef voor de ontwikkeling van de investeringsstrategie en de leningprioriteiten van de EIB voor de lange termijn; wijst er evenwel op dat de instrumenten en interventies van de EIB (met name als die gebaseerd zijn op risico-overdracht), willen zij kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling van de EU, niet risicovrij kunnen zijn;

16.  merkt op dat het VK 16,1 % van het kapitaal van de EIB inbrengt, wat neerkomt op 3,5 miljard EUR van het gestorte kapitaal en 35,7 miljard EUR van het opvraagbare kapitaal van de bank; vraagt de directie van de EIB om snel vast te stellen wat de gevolgen van de brexit zullen zijn en het Parlement daar snel over te informeren, teneinde te garanderen dat de EIB in staat blijft om haar beleidsdoelstellingen te verwezenlijken;

17.  verzoekt de EIB, gezien de meest directe uitdaging voor de bank die voortvloeit uit het besluit van het VK om artikel 50 in gang te zetten en het feit dat niet kan worden vooruitgelopen op de exacte terugtrekkingsvoorwaarden, het Parlement een gedetailleerde uitsplitsing te verschaffen van de projecten en de uitvoeringsfase waarin deze zich aan het einde van 2017 bevonden, in combinatie met een voorlopige evaluatie van de mogelijke risico's die hiermee zijn gemoeid;

Betere monitoring van meerwaarde en additionaliteit bij het financieel beheer van de EIB

18.  wijst erop dat de EIB in 2016 via leningen, garanties en investeringen in totaal 280 miljard EUR heeft gemobiliseerd; constateert dat 67,7 miljard EUR aan investeringen verband hield met EFSI-goedkeuringen in 2016, die hoofdzakelijk betrekking hadden op kleinere bedrijven (31 %), de energiesector (22 %) en onderzoek, ontwikkeling en innovatie (22 %); betreurt echter dat een groot deel van de investeringen in het kader van de EFSI-portefeuille bestemd was bestemd voor projecten in verband met fossiele brandstoffen; wijst nogmaals op de noodzaak van een grondige analyse en evaluatie van de milieueffecten van elk project;

19.  is van mening dat versterking van de impact en waarborging van additionaliteit van cruciaal belang zijn; neemt nota van de modellering en de verwachte impact van de activiteiten van de EIB, die zouden moeten bijdragen tot een extra groei van het bbp met 1,1 % en het scheppen van 1,4 miljoen extra banen tegen 2030; juicht het toe dat 385 000 kmo's zullen profiteren van EIF-financiering en herinnert eraan dat die ondernemingen de ruggengraat van de Europese economie vormen en werkgelegenheid en duurzame groei stimuleren; verzoekt de EIB regelmatig verslag uit te brengen over geactualiseerde hefboomeffecten; begrijpt echter dat het hefboomeffect per sector kan verschillen en dat een project met een laag hefboomeffect niet per definitie een lage toegevoegde waarde heeft;

20.  benadrukt dat de activiteiten van de EIB in de huidige periode van traag herstel zorgvuldig moeten worden gericht op projecten van hoge kwaliteit die zorgen voor sterkere additionaliteit ten opzichte van andere bestaande instrumenten van de Unie en van de hoofdverrichtingen van de EIB; hoopt derhalve ook op een nauwere samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de lidstaten met het oog op een meer flexibele markt en verbetering van de digitale en de vervoersinfrastructuur, het ontbreken waarvan dikwijls wordt gezien als een obstakel voor investeringen;

21.  is van mening dat voor elk betrokken project relevante kwalitatieve beleidsinformatie moet worden verstrekt op basis van monitoring of additionaliteitsindicatoren, alsmede de risicoblootstelling, zodat voor elk project correct kan worden beoordeeld welke de meerwaarde ervan is, of het de efficiëntie kan vergroten en of het bijdraagt aan de economie van de EU;

22.  verzoekt de EIB om, wanneer de EU een hefboomeffect sorteert op overheidsmiddelen, precieze informatie te verstrekken over de minimale en de gemiddelde hefboomwerking die is bereikt en die naar begunstigden of projecten is gegaan, en te vermelden hoeveel privaat kapitaal is aangetrokken; verlangt dat duidelijk wordt vastgesteld wat het aandeel van de hefboomwerking van de publieke financiering respectievelijk het private kapitaal is; is van mening dat het risico bestaat dat het multiplicatoreffect wordt overschat en dat de vastgestelde doelstellingen en resultaten enkel projecties zijn die niet bevestigd worden door concrete, nauwkeurige, duidelijke en actuele statistieken;

Resultaten van het EFSI tot op heden

23.  constateert dat het EFSI eind 2016 naar verwachting in totaal 163,9 miljard EUR aan in aanmerking komende investeringen zou moeten hebben gemobiliseerd; merkt echter ook op dat het daadwerkelijke volume van de investeringen die in 2016 zijn gemobiliseerd in het kader van het venster infrastructuur en innovatie (IIW) en het kmo‑venster (SMEW) volgens het operationeel plan 2018 van de EIB-groep niet meer dan 85,5 miljard EUR bedroeg, wat opgeteld bij de 37 miljard EUR van 2015 een totaal bedrag van 122,5 miljard EUR aan door EFSI gemobiliseerde investeringen geeft;

24.  betwijfelt of het geformuleerde streefcijfer van 500 miljard EUR kan worden bereikt bij de uitvoering van EFSI 2.0 en roept de EIB op om de toegevoegde waarde van het EFSI als financieringsinstrument voor het stimuleren van particuliere investeringen aan te tonen;

25.  herinnert eraan dat het uitgangspunt van het EFSI, dat wordt ondersteund vanuit de EU‑begroting, is dat het, in tegenstelling tot andere financieringsinstrumenten van de EIB, voor additionaliteit moet zorgen door werkelijk aanvullende en innovatieve toekomstgerichte sectoren te bepalen en projecten waarmee een hoger risico is gemoeid, alsook door nieuwe tegenpartijen uit de particuliere sector te kiezen;

26.  merkt op dat complementariteit tussen de verschillende pijlers van het Investeringsplan voor Europa (IPE) nog in een vroeg stadium verkeert; erkent dat de EIB-groep in het kader van de tweede pijler weliswaar veel invloed heeft op de Europese investeringsadvieshub (EIAH), maar slechts zeer weinig op de rest van die tweede pijler (ervoor zorgen dat investeringen de reële economie bereiken) of op de derde pijler (verbetering van het investeringsklimaat, hervorming van de regelgeving);

27.  benadrukt het belang van de additionaliteitscriteria, die impliceren dat verrichtingen moeten worden ondersteund die alleen voor EFSI-steun in aanmerking komen als ze duidelijk aantoonbaar marktfalen of suboptimale investeringssituaties aanpakken en die niet of niet in dezelfde mate of binnen hetzelfde tijdsbestek hadden kunnen worden uitgevoerd zonder het EFSI; verlangt dat de EIB-groep ten volle gebruik maakt van haar risicodragende capaciteit om ondernemingen te selecteren die innoverend zijn, maar tegelijkertijd ook laten zien dat zij echte meerwaarde kunnen bieden, bijvoorbeeld in de vorm van stabiele en hoogwaardige banen;

28.  herinnert eraan dat de beoordeling van de additionaliteit van door het EFSI ondersteunde projecten naar behoren moet worden gedocumenteerd; betreurt dat de scoreborden voor de goedgekeurde projecten niet bekend worden gemaakt in het kader van EFSI 1.0; wijst erop dat dit verzuim tot zowel verantwoordings- als transparantieproblemen leidt; benadrukt het belang van transparantie ten aanzien van het EFSI-scorebord van indicatoren, die ook noodzakelijk is om het investeringscomité van het EFSI ter verantwoording te kunnen roepen, en merkt daarom met tevredenheid op dat het scorebord van indicatoren in het kader van EFSI 2.0 openbaar wordt gemaakt; wijst bovendien op de noodzaak van een duidelijkere definitie van het additionaliteitsbeginsel ten aanzien van activiteiten die meer risicovol zijn dan de standaardverrichtingen van de EIB, om te kunnen zorgen voor meer samenhang en transparantie bij de selectie van de projecten;

29.  verzoekt de EIB om volledige en relevante kwalitatieve beheersinformatie te verstrekken over de tenuitvoerlegging van de verklaarde doelstellingen van het EFSI, waarin de werkelijke additionaliteit en impact worden afgezet tegen benchmarks;

30.  roept de bank op licht te werpen op EFSI-projecten die mogelijkerwijs gepaard gaan met infrastructuurvoorzieningen met grote milieueffecten en een twijfelachtige additionaliteit, zoals bioraffinaderijen, staalfabrieken, verdampingsinstallaties, gasopslaginstallaties en snelwegen; roept de Bank op serieus aandacht te besteden aan verklaringen van plaatselijke autoriteiten, de betroffen gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld in overeenstemming met haar procedures voor due diligence; verwijst naar het voorzorgsbeginsel en beveelt de EIB aan om financieringen op te schorten en zo nodig in te trekken wanneer er wetenschappelijk bewijs is of er een aanzienlijk risico bestaat dat de milieuregels zijn overtreden en dat de samenleving of de lokale gemeenschappen schade ondervinden;

31.  dringt er omwille van de verantwoording op aan dat het investeringscomité de ontwikkeling van resultaatgerichte investeringen regelmatig beoordeelt met behulp van het scorebord van indicatoren teneinde goed gerichte projecten, dat wil zeggen projecten die een effectieve macro-economische impact hebben of groei en werkgelegenheid stimuleren, te identificeren; verzoekt om een objectief overzicht van de additionaliteit en meerwaarde van die projecten en van de mate waarin ze stroken met Uniebeleid en andere klassieke EIB-verrichtingen;

32.  betreurt dat met slechts 20 % van de EFSI-financiering projecten zijn ondersteund die bijdragen tot matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, terwijl de standaardportefeuille van de EIB de drempel van 25 % heeft bereikt; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat in alle omstandigheden de hand wordt gehouden aan haar maximumnormen omwille van de bescherming van het milieu en de toepassing van de COP21-criteria;

33.  is bezorgd over het feit dat de EFSI-investeringen in sociale infrastructuur (menselijk kapitaal, cultuur en gezondheid) aan het eind van 2016 slechts 4 % bedroegen (minder dan 900 miljoen EUR), waardoor dat de sector is die in het algemeen en binnen de twee individuele vensters (IIW en SMEW) de minste EFSI-steun ontvangt; benadrukt dat er een duidelijke en dringende noodzaak is om het aandeel en het volume van dergelijke investeringen aanzienlijk te verhogen;

34.  betreurt dat de bestaande ondersteuningsdiensten niet in elke lidstaat lokaal aanwezig zijn om capaciteitsgebreken aan te pakken; is van mening dat er goede uitleg of strategische richtsnoeren moeten worden gegeven voor lokale en regionale actoren, met name met betrekking tot de positionering van het EFSI en de mogelijke combinatie ervan met andere EU- of EIB-fondsen; wijst erop dat de samenwerking tussen het EFSI en andere financieringsbronnen van de EU (COSME, Horizon 2020) moet worden verbeterd om betere synergieën teweeg te brengen; wijst erop dat het EFSI niet moet worden beschouwd als de zoveelste financieringsbron en dat overlapping van doelstellingen of financiering zorgvuldig moet worden vermeden;

35.  neemt kennis van de toename van het aantal bijzondere activiteiten van de EIB die het gevolg zijn van het eerste anderhalf jaar EFSI; is van mening dat door het EFSI gesteunde speciale activiteiten van de EIB moeten zorgen voor additionaliteit ten opzichte van andere financieringsinstrumenten van de EIB, het EIF of de Unie;

36.  dringt erop aan het selectieproces voor de verrichtingen transparanter te maken en alle operationele informatie over ondertekende verrichtingen bekend te maken via het scorebord van indicatoren, alsook om het verantwoordingsproces voor verrichtingen te verbeteren;

37.  verzoekt om gestroomlijnde bestuursregelingen om de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de EIB beter af te bakenen, onafhankelijkheid te waarborgen en belangenconflicten van de diverse actoren die deelnemen aan het besluitvormingsproces, en met name van de leden van het investeringscomité van het EFSI, te voorkomen;

38.  is ingenomen met het feit dat er bij EFSI 2.0 meer verantwoording moet worden afgelegd aan het Europees Parlement (onder meer via regelmatige verslagen en een vertegenwoordiger van het EP in het bestuur van het EFSI), en dat het EFSI-scorebord van indicatoren transparanter wordt; verwacht dan ook dat de projectbeoordelingen in het kader van het scorebord van indicatoren bekend worden gemaakt zoals bepaald in de EFSI 2.0-verordening, om ervoor te zorgen dat de EU-begrotingsmiddelen uitsluitend worden gebruikt als garantie voor projecten waarvan de aard een dergelijke aanvullende overheidssteun rechtvaardigt; betreurt evenwel dat het voorstel voor de verlenging van het EFSI niet vergezeld ging van een effectbeoordeling zoals voorzien in de richtsnoeren voor betere regelgeving, noch van een evaluatie vooraf zoals in de artikelen 30 en 140 van het Financieel Reglement is voorgeschreven voor uitgavenprogramma’s en financieringsinstrumenten;

39.  beveelt aan dat de EIB in haar jaarverslagen aangeeft hoe zij de in de resoluties van het Europees Parlement gedane aanbevelingen heeft geïntegreerd, een praktijk op het gebied van verantwoording die moet worden geformaliseerd;

Factoren voor verandering en waardecreatie bij de uitvoering van de doelstellingen van het EU-overheidsbeleid

40.  neemt nota van het verslag over de verrichtingen van de EIB binnen de EU in 2016, met een overzicht van de financiering die zij heeft verleend op vier fundamentele beleidsterreinen, te weten innovatie en vaardigheden (19,6 % van de ondertekeningen door de EIB in 2016 — 13,1 miljard EUR), financiering voor kmo's en midcaps (31,7 % — 21,3 miljard EUR), infrastructuur (27,1 % — 18,1 miljard EUR) en milieu (21,6 % — 14,5 miljard EUR);

41.  betreurt dat in het verslag over de activiteiten van de EIB binnen de EU in 2016 geen gestructureerde informatie wordt verstrekt over een van de horizontale beleidsterreinen van de bank, namelijk economische en sociale samenhang; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de EIB in 2016 voor een tweede jaar op rij het beoogde doel van 30 % voor investeringen voor cohesie niet heeft bereikt (26,8 % in 2016 en 25,2 % in 2015 binnen de EU);

42.  benadrukt de noodzaak om in het jaarverslag van de EIB een meer gedetailleerde analyse van de investeringsbehoeften per sector in de EU op te nemen, zodat kan worden nagegaan waar de investeringen achterblijven bij wat nodig is om de prioriteiten van de EU te verwezenlijken; is van mening dat de EIB moet beoordelen of haar investeringsinstrumenten deze tekorten kunnen wegwerken;

43.  is van mening dat een uitbreiding van de leningenactiviteit van de EIB kan worden bewerkstelligd door een efficiëntere en meer strategische toewijzing van middelen, gericht op productieve en duurzame investeringsprojecten met een aangetoonde meerwaarde en betere synergieën met overheidsfondsen, met als doel overheidsinvesteringen aan te moedigen en de interne vraag te stimuleren; benadrukt dat die uitbreiding gepaard moet gaan met een overeenkomstige diversificatie van het productassortiment van de EIB, onder meer via een efficiënt en transparant gebruik van publiek-private partnerschappen — waarbij de publieke en private voordelen in evenwicht moeten worden gehouden — en andere innovatieve oplossingen, teneinde beter te kunnen inspelen op de behoeften van de reële economie;

44.  vestigt de aandacht op de talrijke verzoeken aan de EIB om de verspreiding van best practices in alle lidstaten te stimuleren en te vergemakkelijken, in het bijzonder via de nationale stimuleringsbanken, investeringsplatforms en -instellingen, die voor de EU van groot belang zijn als middel om het lage investeringspeil op gecoördineerde wijze aan te pakken;

45.  betreurt dat sociale investeringen minder dan 6 % uitmaken van de jaarlijkse portefeuille van de EIB; onderstreept dat sociale cohesie een cruciale horizontale prioritaire doelstelling is voor de EIB en dringt er bij de bank op aan rekening te houden met de noodzaak om ongelijkheden en onevenwichtigheden binnen de EU terug te dringen en te investeren in de sociale sector en op een bredere geografische schaal;

Steun voor kmo's en midcaps

46.  beseft dat de trend om voor steun aan kmo's meer financieringsinstrumenten te ontwikkelen in plaats van klassieke subsidies een beleidsuitdaging en -verschuiving inhoudt voor wat betreft het toezicht op transacties, het fondsbeheer en de hoogte of de snelheid van de uitbetalingen aan kmo's; wijst erop dat kmo's en midcaps een cruciale rol spelen in de Europese economie doordat zij banen en welvaart creëren en innovatie bevorderen; benadrukt dat kmo's meer dan 90 % van alle bedrijven in de EU uitmaken en werk verschaffen aan twee derde van de actieve beroepsbevolking, en dat het ondersteunen van toegang tot financiering voor kmo's en midcaps derhalve een belangrijke prioriteit moet blijven voor de EIB; herinnert eraan dat de EIB een van de instellingen moet zijn die de financieringskloof waarmee kmo's te kampen hebben, moeten helpen verkleinen;

47.  merkt op dat de steun van de EIB aan kmo's circa 33,6 % van haar financiering over 2016 via het Europees Investeringsfonds uitmaakte, waarbij 36,2 miljard EUR aan investeringen werd gemobiliseerd via financiële intermediairs, met als doel 3,8 miljoen banen te behouden;

48.  neemt er nota van dat het scala van de InnovFin-producten is uitgebreid met twee nieuwe financieringsfaciliteiten die zijn opgezet voor demonstratieprojecten op het gebied van hernieuwbare energie en besmettelijke ziekten; is ingenomen met de nieuwe verrichting van 140 miljoen EUR die betrekking heeft op een "peer-to-peer"-leningenplatform dat beleggers in contact brengt met kmo's die op zoek zijn naar financiering;

49.  verzoekt de EIB om nauwer samen te werken met haar financiële intermediairs in de lidstaten om relevante informatie te verspreiden onder potentiële begunstigden, teneinde een ondernemersvriendelijk klimaat tot stand te brengen waarin kmo's gemakkelijker toegang tot financiering hebben; benadrukt het belang van de EIB voor de bevordering van het aangaan van partnerschappen en de versterking van steuninstrumenten voor de financiering van de activiteiten van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en voor innovatieve start-ups; verzoekt de EIB ook nauwer samen te werken met regionale openbare instellingen om de financieringsmogelijkheden voor kmo's te optimaliseren;

50.  benadrukt dat de EIB haar risicocultuur verder moet ontwikkelen om haar doeltreffendheid en de complementariteit tussen haar interventies en de verschillende EU-beleidslijnen te verbeteren, in het bijzonder in regio's met een economische achterstand of een gebrek aan stabiliteit, in overeenstemming met de doelstelling die al jarenlang wordt nagestreefd om een laagdrempelige toegang tot financiering voor kmo's te garanderen, maar zonder afbreuk te doen aan de beginselen van deugdelijk beheer;

51.  benadrukt de noodzaak om investeringsprogramma's af te stemmen op kleinschalige projecten om de deelname van kmo's te verzekeren; is van mening dat de EIB moet bijdragen aan het overbruggen van mogelijke financieringskloven voor micro-ondernemingen door meer gebruik te maken van financieringsinstrumenten en producten zoals microfinancieringsfaciliteiten en garanties;

52.  benadrukt dat toegang tot financiering en internationalisering belangrijke obstakels vormen voor kmo's; onderstreept dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen; is van mening dat de EIB weliswaar de goede weg is ingeslagen, maar meer moet doen om ervoor te zorgen dat kmo's gemakkelijker en doeltreffender toegang hebben tot financiering zodat zij een plaats vinden in de mondiale waardeketens; merkt op dat de EIB ondersteuning moet bieden aan EU-ondernemingen die zaken willen doen in het buitenland, onder meer via de handelsfinancieringsfaciliteit;

Innovatie en vaardigheden

53.  onderstreept dat investeringen in innovatie en vaardigheden van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de Europese kenniseconomie en de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020, met inbegrip van de doelstelling om 3 % van het bbp aan O&O te besteden; hoopt met name dat de EIB in samenwerking met de Commissie en de lidstaten projecten zal financieren die er op korte of middellange termijn voor zorgen dat het tekort aan gekwalificeerd personeel, dat een ernstig obstakel vormt voor investeringen, wordt weggewerkt;

54.  merkt op dat er in 2016 in totaal voor 13,5 miljard EUR aan leningen voor innovatieve projecten werd verstrekt, waarvan 12,2 miljard EUR betrekking had op eerste contracten, en dat de totale projectinvesteringskosten voor nieuwe operaties 50,2 miljard EUR bedroegen;

55.  dringt er bij de EIB op haar steun te waarborgen voor innovatieve bedrijven bij het ontwikkelen en commercialiseren van hun nieuwe producten, processen en diensten, aangezien het voor die bedrijven moeilijk is om financiële steun te krijgen van commerciële banken; benadrukt de rol van de EIB bij de voltooiing van het digitale netwerk van Europa (bv. snelle breedband) en de totstandbrenging van een digitale eengemaakte markt, met inbegrip van digitale diensten; moedigt de EIB aan om stimulansen te ontwikkelen die gericht zijn op het bevorderen van publieke en private investeringen in O&O op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, biowetenschappen, levensmiddelen, duurzame landbouw, bosbouw en koolstofarme technologieën;

56.  is ingenomen met de herziening van het leningenprogramma voor de kenniseconomie op onderwijsgebied, die ertoe heeft geleid dat de financiering niet meer alleen voor op jongeren gerichte initiatieven bestemd is, maar nu ook beroepsopleiding en levenslang leren voor alle leeftijdscategorieën omvat;

Investeringen in infrastructuur

57.  is van mening dat het voor de Unie prioritair moet zijn om uitvoering te geven aan projecten met een echte Europese meerwaarde; is ervan overtuigd dat een innovatieve en doeltreffende economie geavanceerde, milieuvriendelijke en hoogwaardige vervoerssystemen en -infrastructuur vereist, en dat deze tot de prioriteiten van de Unie moeten behoren, met bijzondere nadruk op innovatieve intermodale infrastructuur en vervoersoplossingen in dunbevolkte gebieden;

58.  vraagt de EIB meer aandacht te besteden aan de realisering van infrastructuurprojecten, met name in de zwakkere regio's, om een vertraging van het economische convergentieproces te voorkomen; hoopt daarom dat er op het gebied van de openbare financiën op Unie-niveau wordt nagedacht over maatregelen, ook van tijdelijke aard, die een daadwerkelijke uitbreiding van de openbare investeringen in infrastructuur mogelijk maken;

59.  benadrukt dat in het Europese investeringsbeleid meer aandacht moet worden besteed aan horizontale thema’s, met name wat betreft duurzame vervoermiddelen en -diensten van de toekomst, waarvoor een gelijktijdige en coherente ontwikkeling van alternatieve energie en telecommunicatienetwerken nodig zal zijn; benadrukt daarom de cruciale rol van de EIB bij het tegen concurrerende voorwaarden verstrekken van de langetermijnfinanciering die nodig is voor deze projecttypes;

60.  neemt nota van de financieringsactiviteiten van de EIB op het gebied van infrastructuur en vervoer, die in 2016 in totaal 18,1 miljard EUR beliepen, en herinnert aan het belang van de verwezenlijking van een echte economische, ecologische en sociale meerwaarde voor de burgers van de EU alsook van zowel een gedetailleerde beoordeling vooraf van de geselecteerde projecten als een beoordeling achteraf van de bereikte resultaten;

61.  roept de EIB op om, met betrekking tot infrastructuurverrichtingen binnen de EU, aanzienlijk meer middelen te investeren in omvattende bijstand in de vorm van adviesdiensten aan lokale autoriteiten en kleinere gemeenten in een vroegtijdiger stadium van de vaststelling en beoordeling vooraf van projecten;

62.  uit zijn bezorgdheid over de EIB-lening van 1,5 miljard EUR aan het trans-Adriatische pijplijnproject, dat in de doorvoerlanden Albanië, Griekenland en Italië in verschillende mate strijdig is met de minimale sociale en milieunormen die zijn vastgesteld in de Equator Principles; betreurt dat de EBWO al 500 miljoen EUR aan financiering heeft toegewezen, en is van mening dat dit project niet geschikt is voor investeringen van de EIB en niet in aanmerking mag komen voor financiering door banken die de ambitie hebben om sociaal en ecologisch verantwoord te investeren;

Milieu- en klimaatmaatregelen

63.  neemt nota van de toezegging van de EIB om ten minste 25 % van de EU-leningenportefeuille toe te wijzen voor koolstofarme en klimaatbestendige groei; stelt vast dat de totale waarde van milieugerelateerde activiteiten in 2016 14,4 miljard EUR beliep, waarvan 4,9 miljard EUR voor duurzaam vervoer, 5,0 miljard EUR voor de bescherming van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen, en 4,6 miljard EUR voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; neemt voorts ter kennis dat voor de horizontale klimaatdoelstelling voor 17,5 miljard EUR aan leningen werd afgesloten;

64.  benadrukt het belang van de doelstellingen die in het kader van de COP21 voor het vervoer zijn vastgesteld met het oog op de bestrijding van de klimaatverandering; uit zijn bezorgdheid over het feit dat het vervoer verantwoordelijk is voor bijna een kwart van de Europese uitstoot van de broeikasgassen en de belangrijkste oorzaak van luchtverontreiniging in de steden is, en dat de uitstoot in deze sector nog steeds hoger is dan in 1990; neemt er nota van dat de EIB in de periode 2014-2016 fossiele-energieprojecten in lidstaten heeft gefinancierd voor een totale waarde van 5,3 miljard EUR, te weten twee aardolieprojecten, één kolenproject en 27 gasgerelateerde projecten, en daarnaast een externe garantie van 976 miljoen EUR heeft afgegeven voor zes projecten buiten de EU, waarvan er één betrekking had op kolen en vijf op fossiele gassen; onderstreept dat de financiering een verschuiving van het wegvervoer naar meer duurzame vormen van vervoer in de hand moet werken;

65.  benadrukt hoe belangrijk het is dat de projecten die op de nominatie staan om te worden gefinancierd of medegefinancierd door de EIB verenigbaar zijn met de nationale klimaatdoelstellingen die zijn gekoppeld aan de uitvoering van de COP 21;

66.  roept de EIB ertoe op de financiering te bevorderen van projecten die in overeenstemming zijn met haar nieuwe klimaatstrategie en de Overeenkomst van Parijs en daarbij de steun voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen om te evolueren tot een sleutelinstrument van de EU in het kader van de wereldwijde gemeenschappelijke inspanningen om de klimaatverandering tegen te gaan, en duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van een concurrerender, zekerder en duurzamer energiesysteem te ondersteunen dat aansluit bij de energiestrategie voor 2030; vraagt de EIB daarom geen projecten te financieren waarbij zwaar vervuilende en verouderde technologie wordt gebruikt, in het bijzonder wanneer zij investeringen in de energiesector stimuleert; roept de EIB ertoe op meer kredieten te verstrekken aan openbare infrastructuurprojecten die de gevolgen van de klimaatverandering, zoals overstromingen, verzachten, en aan kleinschalige projecten op het gebied van hernieuwbare energie;

67.  roept de EIB op haar steun voor de hernieuwbare-energiesector, en dan met name voor gedecentraliseerde en kleinschalige projecten, op te schroeven;

Respons op problemen wereldwijd

68.  herinnert eraan dat 10 % van de totale leenactiviteiten van de EIB bestemd is voor activiteiten buiten de Unie, en neemt nota van het feit dat het totaalbedrag van de door de EIB aan projectontwikkelaars buiten de Europese Unie toegewezen financiële middelen is toegenomen ten opzichte van 2015; benadrukt daarom dat de EIB jaarlijks moet rapporteren over haar operaties buiten de EU wat betreft de naleving van de algemene beginselen die aan het extern optreden van de Unie ten grondslag liggen, en de rol moet spelen die voor haar is weggelegd in het kader van het hernieuwde engagement van de Unie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en met het oog op de consistentie met andere beleidslijnen van de EU, de VN-agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, en daarbij de totstandbrenging van degelijke banen en degelijk onderwijs te ondersteunen, de volledige eerbiediging van mensenrechten, arbeids- en milieurechten te garanderen, en gendergelijkheid te stimuleren; onderstreept dat de EIB bij het ondersteunen van EU-bedrijven in het buitenland terdege rekening moet houden met de handelsstrategie van de EU, inclusief de bestaande en toekomstige handelsovereenkomsten;

69.  vraagt de EIB om in samenwerking met de EDEO en DG DEVCO van de Commissie een methode uit te werken om de impact te meten van de door de EIB buiten de EU verstrekte leningen op de globale EU-ontwikkelingssamenwerking, met name wat betreft de Agenda 2030 en de gevolgen voor de mensenrechten;

70.  neemt nota van de initiatieven van de EIB om de economische veerkracht in de bronlanden van migratie te versterken, en met name haar inspanningen om een krachtig multiplicatoreffect van het externe EU-beleid in Afrika teweeg te brengen;

71.  acht het essentieel dat de EIB haar capaciteit om risico's te dragen en te garanderen vergroot, in het bijzonder met betrekking tot projecten ter ontwikkeling en versterking van de privésector en projecten in het kader van het initiatief voor economische veerkracht;

72.  wijst er nogmaals op dat de Rekenkamer haar evaluaties van door de EU-begroting ondersteunde EIB-verrichtingen moet verbeteren en meer toezicht moet uitoefenen op de verrichtingen in het kader van het mandaat van de EIB voor externe leningen;

73.  benadrukt dat de externe verrichtingen van de EIB een ondersteunende functie moeten hebben op beleidsterreinen die van bijzonder belang zijn voor de EU;

74.  constateert dat de EIB de capaciteit van de impactfinancieringsenveloppe voor de ACS‑landen aan het vergroten is en daarvan een revolverend fonds maakt, met een bedrag van 300 miljoen EUR om migratie rechtstreeks aan te pakken door steun te verlenen aan initiatieven van de privésector; neemt ter kennis dat de EIB ook 500 miljoen EUR beschikbaar zal stellen in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit voor overheidsprojecten die gericht zijn op migratie; benadrukt dat het van belang is dat EIB-middelen niet worden gebruikt voor veiligheidsdoeleinden of grenscontroles; is van mening dat de nadruk eerder moet worden gelegd op de duurzame ontwikkeling van derde landen; wijst er nogmaals op dat het van belang is om met betrekking tot de uitgevoerde projecten gedetailleerd te controleren of aan de zorgvuldigheidsplicht in verband met de mensenrechten wordt voldaan; verzoekt de EIB bij de tenuitvoerlegging van haar projecten rekening te houden met mensenrechtenschendingen en eventueel op grond daarvan leningen te beëindigen; beveelt aan dat de EIB nog voor eind 2018 aanvaardt de desbetreffende mensenrechtenverdragen van de VN te respecteren teneinde de zorgvuldigheidsplicht in verband met de mensenrechten in alle niveaus van de projectcyclus te integreren; wenst dat er praktische richtsnoeren worden ontwikkeld voor de beoordeling van aspecten in verband met alle fundamentele mensenrechten en betroffen groepen en dat die voor elk project bij de beoordeling vooraf en het permanent toezicht worden gebruikt; verzoekt de Commissie met klem een beoordeling te maken waarin zij de risico's van mensenrechtenschending in het kader van de EU-garantie onder de aandacht brengt;

75.  onderstreept de doeltreffendheid van de in 2003 in het kader van de overeenkomst van Cotonou gelanceerde Investeringsfaciliteit, en vraagt dat een dergelijk instrument na de heronderhandeling in 2020 van de overeenkomsten tussen de EU en haar ACS-partners blijft bestaan;

76.  verzoekt de EIB met betrekking tot haar nieuwe mandaat voor externe leningen te waarborgen dat naast de eerdere prioriteiten, te weten klimaat, kmo's en sociaaleconomische infrastructuur, ook de nieuwe prioriteit migratie werkelijk meerwaarde en additionaliteit oplevert; benadrukt derhalve de noodzaak om op passende wijze uitvoering te geven aan het nieuwe initiatief voor economische veerkracht door andere projecten te ondersteunen dan die welke eerder werden gefinancierd;

77.  is ingenomen met de rol van de EIB bij de ontwikkeling van de lokale particuliere sector en haar steun voor microkredieten en erkent dat haar activiteiten nieuwe economische en commerciële mogelijkheden bieden; benadrukt de noodzaak van een daadwerkelijke en doeltreffende aanpassing van de activiteiten van de EIB aan de huidige internationale uitdagingen; pleit ervoor het mandaat voor externe leningen van de EIB uit te breiden teneinde haar rol voor het bereiken van duurzame ontwikkeling te versterken en een strategisch antwoord te bieden voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie, en pleit ervoor dat de EIB actiever deelneemt aan de nieuwe strategie voor de particuliere sector; verzoekt de EIB in dit verband om meer betrokkenheid bij projecten betreffende de infrastructuur, het vervoer en de digitalisering die nodig zijn om plaatselijke en regionale handelsroutes te stimuleren en de internationalisering van kmo's te bevorderen en daarbij actief bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de handelsbevorderingsovereenkomst van de WTO; herhaalt dat de EIB haar activiteiten moet afstemmen op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN;

78.  stelt vast dat de EIB in 2016 nieuwe microfinancieringsfaciliteiten heeft goedgekeurd, één voor de Caraïben, één voor de Stille Oceaan en twee voor Afrika, voor een totaalbedrag van 110 miljoen EUR, en één microfinancieringsfaciliteit voor de landen van het Zuidelijk Nabuurschap ten belope van 75 miljoen EUR; brengt in herinnering dat er via de microfinancieringsfaciliteiten en technische bijstand van de EIB 300 miljoen EUR is verstrekt aan meer dan 1,5 miljoen begunstigden; verzoekt de EIB om in haar volgende verslag een beschrijving op te nemen van de hefboomeffecten van deze faciliteiten gecombineerd met de via de financieringsinstrumenten voor externe acties toegekende middelen;

79.  neemt kennis van het feit dat in 2016 de helft van alle in het kader van het mandaat voor externe leningen door de EIB verstrekte leningen naar plaatselijke financiële tussenpersonen is gegaan, met als doel microkredieten te bevorderen; vraagt de EIB een genderbeoordeling uit te voeren van het doorlenen door financiële tussenpersonen, aangezien microkredieten meestal naar vrouwelijke ondernemers gaan;

80.  ziet dat de EIB plannen maakt om binnen de EIB-groep een ontwikkelingsfiliaal op te zetten, waarmee de bank beoogt de ontwikkelingsbank van de EU te worden; verzoekt de EIB en de Commissie op de meest transparante en inclusieve manier verder te gaan met deze voorbereidingen, onder meer door een openbare raadpleging te houden;

81.  merkt op dat de EIB door middel van haar leeninstrumenten een belangrijke hefboom kan zijn voor de nieuwe economische diplomatie van de EU; benadrukt in dit verband dat de EIB bij haar activiteiten aandacht moet besteden aan overwegingen van economische diplomatie;

82.  steunt de intensifiëring van de partnerschappen tussen de EIB en de ontwikkelingsagentschappen van de lidstaten en van de door de EIB en andere multilaterale ontwikkelingsbanken gezamenlijk geleide projecten, in het bijzonder wanneer deze projecten gericht zijn op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) voor 2030 van de Verenigde Naties;

83.  stelt vast dat er de voorbije jaren sprake is geweest van een gebrek aan ondersteunende operaties van buitenlandse directe investeringen (BDI) ten aanzien van Azië; benadrukt dat EU-investeerders en in het bijzonder kmo's meer aanwezig moeten zijn op de Chinese en Indiase markt en de markten van de ASEAN-landen, en van een gelijk speelveld moeten kunnen gebruikmaken; vraagt de EIB rechtstreekse financiering te verstrekken aan EU-ondernemingen ter ondersteuning van uitgaande investeringen, onder meer via het mandaat voor externe leningen;

Aanscherping van de normen van de EIB inzake corporate governance, zakelijke praktijken, transparantie en verantwoordingsplicht

84.  is van mening dat de koppeling tussen toezicht op impact en prestaties enerzijds, en meer verantwoordingsplicht en zichtbaarheid anderzijds moet worden versterkt op basis van een zekerheidsproces dat verbindend is voor alle belanghebbenden (financieel intermediairs, projectontwikkelaars en eindbegunstigden, met grondige controles van de integriteit en de "ken-uw-klant"-regels); verzoekt de EIB informatie bekend te maken over risicovolle subprojecten en opgedane ervaring te delen met andere internationale multilaterale ontwikkelingsbanken, met name door informatie uit te wisselen over de resultaten van de controles op de naleving van de zorgvuldigheidsplicht inzake bedrijfs- of fiscale aangelegenheden of van de toetsing van de "ken-uw-klant"-regel;

85.  erkent dat het belangrijk is lokale en regionale actoren bewust te maken van de beschikbaarheid van financiering en technische ondersteuning in de gehele EU, en dat daarnaast een passende mate van zichtbaarheid van de betrokkenheid van de EIB bij projectfinanciering voor verschillende belanghebbenden van cruciaal belang is om de burgers op lokaal niveau bewust te maken van hun recht om beroep aan te tekenen en een klacht in te dienen bij het klachtenmechanismebureau en de Europese Ombudsman; stelt vast dat in 2016 89 klachten geregistreerd werden, waarvan er 84 ontvankelijk waren, terwijl er dat in 2015 56 waren;

86.  uit zijn bezorgdheid over de voorgestelde herziening van het beleid met betrekking tot het klachtenmechanisme van de EIB en verzoekt de EIB er in het bijzonder voor te zorgen dat het hoofd van haar klachtenmechanismebureau alle klachten naar behoren registreert en de indieners informeert dat hun klacht is ontvangen voordat er een besluit is genomen over de ontvankelijkheid ervan, te garanderen dat het hoofd van haar klachtenmechanismebureau onafhankelijk is van alle andere delen van de bestuursstructuur van de Bank, alle besluiten met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht kan nemen zonder de diensten van de EIB-groep te raadplegen en kan besluiten of een klacht in aanmerking komt voor een onderzoek/conformiteitscontrole of bemiddeling, ook als er geen overeenstemming is met de EIB-diensten, de inspecteur-generaal of de directie, de voorbeelden te volgen die door de Europese Ombudsman zijn gegeven voor de definitie van wanbeheer, zodat deze definitie vormen van slecht of falend bestuur bevat, zoals administratieve onregelmatigheden, onrechtvaardigheid, discriminatie, machtsmisbruik, nalaten om te antwoorden, weigeren van informatie en onnodige vertraging, en ervoor te zorgen dat de procedure zo transparant mogelijk is, dat het klachtenmechanismebureau proactief informatie verschaft over zijn procedures en verrichtingen en over de behandelde zaken, en dat de aanwervingsprocedures voor het hoofd en het personeel van het klachtenmechanismebureau transparanter worden;

87.  vestigt de aandacht op de punten van zorg die naar voren kwamen tijdens de openbare raadpleging met betrekking tot bepaalde voorstellen voor de herziening van het klachtenmechanismebureau van de EIB, namelijk het feit dat zaken in verband met overheidsopdrachten niet onder het klachtenmechanisme vallen, evenmin als kwesties met betrekking tot de wettigheid van het EIB-beleid, en het feit dat de onafhankelijkheid van het klachtenmechanismebureau beperkt wordt door de mogelijke vereiste om andere diensten te raadplegen voordat wordt beoordeeld of een klacht ontvankelijk is en door de inperking van het vermogen van het bureau om aanbevelingen te doen; moedigt de directie nadrukkelijk aan om aandacht te besteden aan deze punten van zorg;

88.  benadrukt dat het van belang is dat de Europese Ombudsman publieke controle uitoefent op de EIB;

89.  is ingenomen met de openbaarmaking van de notulen van de vergaderingen van de Raad van Bewind van de EIB, en beveelt de EIB ook aan te overwegen niet-vertrouwelijke informatie over de directievergaderingen openbaar te maken; herhaalt, met betrekking tot het projectniveau, zijn verzoek om systematische bekendmaking van projectvoltooiingsrapporten voor EIB-activiteiten buiten Europa, alsook van 3PA en het ReM voor EIB-projecten; is van mening dat de openbaarmaking van het scorebord van indicatoren, zoals die voor het EFSI 2.0 is voorzien, moet gelden voor alle projecten die door de EIB worden uitgevoerd; wijst erop dat die openbaarmaking een belangrijke doorbraak zou betekenen wat betreft de transparantie van de EIB-verrichtingen;

90.  toont zich zeer bezorgd over het feit dat de directie van de Bank tot nu toe geen enkele reactie heeft gegeven op de specifieke bepalingen van paragrafen 75 en 76 van de resolutie van het Parlement van 27 april 2017 over de controle op de financiële activiteiten van de EIB voor 2015 en herinnert aan de noodzaak om strengere regels inzake belangenconflicten en duidelijke, strikte en transparante criteria vast te stellen om elke vorm van corruptie te voorkomen; wijst er nogmaals op dat de EIB haar gedragscode moet herzien om te garanderen dat haar vicepresidenten niet worden belast met verrichtingen in hun lidstaten van herkomst, omdat dit een gevaar vormt voor de onafhankelijkheid van de instelling; is zeer verontrust over de geconstateerde tekortkomingen in de bestaande EIB-mechanismen om mogelijke belangenconflicten binnen haar bestuursorganen te voorkomen; verzoekt de EIB in dit verband belangenconflicten in haar bestuursorganen en potentiële "draaideurgevallen" beter te voorkomen door rekening te houden met de aanbevelingen van de Ombudsman en haar gedragscode zo snel mogelijk te herzien; roept de EIB op zich aan te sluiten bij het interinstitutioneel akkoord over het transparantieregister van de EU zodra de onderhandelingen tussen de Commissie, het Parlement en de Raad zijn afgerond;

91.  onderstreept dat de bestrijding van alle soorten schadelijke belastingpraktijken een belangrijke prioriteit moet blijven voor de EIB; dringt er bij de EIB op aan de desbetreffende EU-wetgeving en -normen inzake belastingontwijking, belastingparadijzen en andere daarmee verband houdende kwesties, onverwijld toe te passen en van haar cliënten te eisen dat zij zich aan die regels houden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de EIB geen informatie openbaar maakt over de uiteindelijke begunstigden, vooral wanneer de financiering gebaseerd is op particuliere aandelenfondsen; verzoekt de EIB nadrukkelijk proactief op te treden en verscherpte due-diligencemaatregelen toe te passen wanneer EIB-projecten banden blijken te hebben met rechtsgebieden met een bedenkelijke reputatie op het gebied van belastingen;

92.  hamert erop dat de EIB een deugdelijke openbare lijst van criteria voor de selectie van financiële tussenpersonen moet opstellen, opdat de EU zich sterker kan inzetten voor de bestrijding van belastingmisbruik en het gevaar van corruptie en infiltratie door de georganiseerde misdaad en terrorisme doeltreffender kan voorkomen; onderstreept dat de criteria voor de beoordeling van projecten moeten worden verbeterd om ervoor te zorgen dat de EU-middelen niet worden geïnvesteerd via entiteiten in derde landen die niet voldoen aan de internationale belastingnormen;

93.  benadrukt dat de normen op het gebied van fiscale transparantie en goed fiscaal bestuur moeten worden aangescherpt, met name wat betreft de bepalingen inzake belastingontwijking; neemt nota van de goedkeuring eind 2017 van de EU-lijst van niet‑coöperatieve fiscale rechtsgebieden; verzoekt de EIB in dit verband haar beleid inzake niet-transparante en niet-coöperatieve rechtsgebieden (NCJ-beleid) in haar lopende toetsing aan te scherpen en een breder beleid voor verantwoordelijke belastingheffing te ontwikkelen; verzoekt de EIB de haalbaarheid aan te tonen van hogere normen inzake fiscale transparantie door een beleid vast te stellen dat verder gaat dan de wettelijke minimumvereisten, waarbij de EIB een gidsrol op het gebied van eerlijke belastingheffing moet spelen; benadrukt met name dat de verstrekking van directe en indirecte leningen afhankelijk moet worden gemaakt van de bekendmaking van de belasting- en boekhoudkundige gegevens per land en van de verspreiding, zonder uitzonderingen, van de gegevens over de effectieve eigendom van de begunstigden en de financiële tussenpersonen die betrokken zijn bij de financieringsverrichtingen;

94.  is ingenomen met het belang dat de EIB hecht aan haar beleid van nultolerantie ten aanzien van fraude, corruptie en collusie; roept de EIB op alle nodige maatregelen te nemen, met inbegrip van opschorting van alle betalingen en uitbetalingen op verstrekt krediet, om de financiële belangen van de EIB en de EU te beschermen wanneer onderzoeken van OLAF of strafrechtelijke onderzoeken dit vereisen, en roept de EIB verder op haar interne regels dienovereenkomstig aan te passen; onderstreept de noodzaak om informatie over het systeem van aanbesteding en onderaanbesteding openbaar te maken om elk risico van fraude en corruptie te voorkomen; benadrukt dat er op een specifieke en zichtbare plaats op de EIB-website een lijst van uitgesloten entiteiten moet worden opgenomen, zulks vanwege de afschrikkende werking die daarvan uitgaat; onderstreept dat het van belang is dat de EIB met andere multilaterale kredietverleners "cross-debarment"-netwerken (kruisgewijze uitsluiting) opzet; dringt er bij de EIB op aan haar uitsluitingsbeleid te harmoniseren met dat van andere multilaterale kredietverleners, zoals de Wereldbank, die meer dan 800 personen en ondernemingen op de zwarte lijst heeft staan, ondanks het feit dat haar financieringsvolume slechts half zo groot is als dat van de EIB;

95.  hoopt dat de EIB naar aanleiding van de mededeling van de Commissie uit 2016 verder zal gaan met de uitvoering en verbetering van een externe strategie voor effectieve belastingheffing, waarbij de hand gehouden wordt aan internationale normen inzake fiscale transparantie en internationale verslaglegging per land wordt aangemoedigd; vraagt de EIB te zorgen voor hoogwaardige informatie over eindbegunstigden, en effectief transacties te voorkomen met financiële intermediairs die negatieve precedenten hebben wat betreft transparantie, fraude, corruptie, georganiseerde criminaliteit, witwassen van geld en negatieve invloed op sociaal en milieugebied;

96.  betreurt dat het "dieselgate"-schandaal een aantal vragen heeft opgeworpen over het feit dat Volkswagen leningen van de EIB heeft ontvangen via fraude en bedrog; verzoekt de EIB de aanbevelingen van OLAF op te volgen inzake het nemen van actieve maatregelen ter uitvoering van haar anti-fraudebeleid; benadrukt de geheimzinnigheid waarmee de zaak door de EIB wordt behandeld en dringt er bij de bank op aan om het verslag van OLAF over haar lening aan Volkswagen openbaar te maken en ten minste een zinvolle synthese van dat verslag te publiceren;

97.  wijst erop dat de langdurige corruptieonderzoeken in het schandaal rond het MOSE-systeem op 14 september 2017 zijn afgesloten met een uitspraak van de rechtbank van Venetië waarbij twee prominente personen die rechtstreeks betrokken waren bij het schandaal tot vier jaar gevangenisstraf en de inbeslagname van 9 575 000 EUR werden veroordeeld; betreurt dat de EIB tussen 2011 en 2013 voor de uitvoering van het MOSE-project drie leningen heeft uitbetaald voor een bedrag van 1,2 miljard EUR, waarvan de laatste werd toegekend nadat de nationale autoriteiten al onderzoeken hadden geopend wegens corruptie; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat haar nultolerantiebeleid ten aanzien van fraude zo strikt mogelijk wordt toegepast en haar financiering volledig terug te trekken uit het MOSE-project en de projecten die daarmee samenhangen via het systeem van ondernemingen en begunstigden die betrokken zijn bij de uitvoering van projecten in de regio Veneto, met name met betrekking tot het gedeelte van de autosnelweg A4, bekend als Passante di Mestre, in verband waarmee er nog steeds onderzoeken lopen wegens belastingfraude, corruptie en infiltratie door de georganiseerde misdaad, en de derde rijbaan van de snelweg A4 op het tracé tussen Venetië en Triëst; dringt er bij de EIB op aan passende interne onderzoeken te verrichten met betrekking tot de selectie van begunstigden en de uitbetaling en het beheer van haar middelen, en de resultaten daarvan openbaar te maken;

98.  is ingenomen met de regelmatige toetsing van het optimale bancaire kader en optimale praktijken binnen de EIB-groep die bedoeld is om tekortkomingen in de naleving aan het licht te brengen; is van mening dat de mandaten van de EIB en het EIF vragen om een alomvattend en continu systeem van risicobeoordeling en toezicht op het niveau van de EIB-groep waarmee de verfijning van de belangrijkste bedrijfsprocessen en de uitwisseling van informatie met betrekking tot het beheer van de mandaten cruciaal worden voor de algemene verantwoordingsplicht van de EIB;

99.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie ethiek en compliance van de EIB op het gebied van corporate governance en transparantie, zoals de opneming van ethische aspecten in haar taak, in aanvulling op de mechanismen ter voorkoming van belangenconflicten in haar bestuursorganen en potentiële "draaideuren", de invoering van een opschortingsprocedure voor directieleden en de oprichting van het nieuwe adviescomité dat advies zal kunnen uitbrengen voordat de directieleden officieel worden benoemd;

100.  onderstreept dat het van belang is de verplichtingen inzake integriteit na beëindiging van het dienstverband aan te scherpen en concrete sancties in te voeren voor potentiële "draaideurgevallen" tussen de leiding van de EIB en de particuliere sector; is daarom van mening dat de "afkoelingsperiode" tijdens dewelke voormalige leden van de Raad van Bewind niet mogen lobbyen bij de bestuursorganen of bij personeel van de EIB minstens twaalf maanden moet bedragen;

101.  is ingenomen met de start van de herziening van het klokkenluidersbeleid van de EIB en de actualiseringen in verband met de toepassing van het raamwerk voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT) sinds dat in 2014 door de EIB werd vastgesteld, in nauwe samenhang met de "ken-uw-klant"-voorschriften voor lopende portefeuilles en nieuwe zakelijke activiteiten;

Opvolging van de aanbevelingen van het Parlement

102.  verzoekt de EIB nogmaals verslag uit te brengen over de stand van zaken en de status van eerdere aanbevelingen die het Parlement in zijn jaarlijkse resoluties heeft gedaan, met name met betrekking tot de impact van haar leningsactiviteiten;

o
o   o

103.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)PB C 378 van 9.11.2017, blz. 2.
(2)PB C 346 van 21.9.2016, blz. 77.
(3)PB C 66 van 21.2.2018, blz. 6.
(4)Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0138.
(5)PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1.
(6)PB L 135 van 8.5.2014, blz. 1.
(7)PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


Presidentsverkiezingen in Venezuela
PDF 163kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over de verkiezingen in Venezuela (2018/2695(RSP))
P8_TA(2018)0199RC-B8-0225/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vele resoluties over Venezuela, met name die van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela(1), die van 18 december 2014 over de vervolging van de democratische oppositie in Venezuela(2), en die van 12 maart 2015(3), 8 juni 2016(4), 27 april 2017(5) en 8 februari 2018(6) over de situatie in Venezuela,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien de verklaringen van "El Grupo de Lima" van 23 januari 2018 en 14 februari 2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017 en 22 januari 2018,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 26 januari 2018 over de laatste ontwikkelingen in Venezuela,

–  gezien de verklaring van 8 februari 2018 van de procureur-generaal van het Internationaal Strafhof, mevrouw Fatou Bensouda,

–  gezien de verklaring van de VV/HV van 19 april 2018 over de situatie in Venezuela,

–  gezien de verklaring van 20 april 2018 van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) over de verslechterende humanitaire situatie in Venezuela,

–  gezien de verklaring van zijn Coördinatiegroep democratieondersteuning en verkiezingen van 23 april 2018,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de vervroegde presidentsverkiezingen waartoe is besloten door de internationaal niet-erkende Nationale Grondwetgevende Vergadering en waaraan de Nationale Kiesraad zijn goedkeuring heeft verleend nu gehouden zullen worden op 20 mei 2018; overwegende dat de Nationale Kiesraad heeft besloten de deelname aan gelijktijdig gehouden lokale en regionale verkiezingen te beperken tot partijen die een kandidaat leveren voor de presidentsverkiezingen;

B.  overwegende dat het Venezolaanse Hooggerechtshof op 25 januari 2018 heeft besloten de Mesa de la Unidad Democrática (MUD), een coalitie van oppositiepartijen, van de presidentsverkiezingen uit te sluiten, hetgeen een ernstige inbreuk op het beginsel van rechtvaardige verkiezingen vormt, waardoor kandidaten van de oppositie niet vrij en onder gelijke voorwaarden aan de verkiezingen mogen deelnemen;

C.  overwegende dat niet aan de voorwaarden voor geloofwaardige, transparante en inclusieve verkiezingen is voldaan, zoals gebleken is bij de besprekingen in Santo Domingo, waar geen akkoord werd bereikt tussen de Venezolaanse regering en de oppositie; overwegende dat de internationale democratische organen, waaronder de Europese Unie, de uitnodiging om als waarnemer te fungeren bij een dergelijk onwettig verkiezingsproces, hebben afgeslagen;

D.  overwegende dat de Raad van de Europese Unie op 13 november 2017 heeft besloten Venezuela een wapenembargo op te leggen, alsook een embargo op aanverwant materiaal dat voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt; overwegende dat de Raad van de Europese Unie op 22 januari 2018 heeft besloten zeven Venezolaanse overheidsambtenaren sancties in de vorm van beperkende maatregelen op te leggen, zoals een reisverbod en bevriezing van tegoeden, wegens het niet eerbiedigen van de democratische beginselen;

E.  overwegende dat de recente ontwikkelingen in Venezuela tot verdere polarisatie en verslechtering van de situatie van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat leiden; overwegende dat Venezuela kampt met een ongekende politieke, economische, maatschappelijke en humanitaire crisis waarbij al veel doden zijn gevallen;

1.  is sterk gekant tegen het besluit van de internationaal niet-erkende Nationale Grondwetgevende Vergadering waaraan de Nationale Kiesraad zijn goedkeuring heeft verleend om vervroegde presidentsverkiezingen te houden, die nu gepland staan voor 20 mei 2018; verzoekt om de onmiddellijke schorsing van deze organen totdat aan de voorwaarden voor geloofwaardige, transparante en inclusieve verkiezingen is voldaan;

2.  benadrukt dat alleen verkiezingen die gebaseerd zijn op een uitvoerbare verkiezingskalender waarover overeenstemming is bereikt in het kader van de nationale dialoog met alle relevante actoren en politieke partijen, met inachtneming van gelijke, eerlijke en transparante voorwaarden voor deelname – waaronder de opheffing van het verbod op deelname voor politieke tegenstanders, de vrijlating van politieke gevangenen, een evenwichtige samenstelling van een onpartijdige Nationale Kiesraad en voldoende waarborgen, zoals toezicht door onafhankelijke internationale waarnemers – door de EU zullen worden erkend;

3.  verlangt dat er onmiddellijk verkiezingen worden uitgeschreven die aan alle internationale normen voldoen en volledig in overeenstemming zijn met de criteria van de OAS; benadrukt dat de wettige regering die na deze verkiezingen zal aantreden de huidige economische en sociale crisis in Venezuela dringend moet aanpakken en zich moet inzetten voor verzoening in het land;

4.  verzoekt zowel de regering als de oppositie onverwijld een plan voor macro-economische stabilisatie vast te stellen, samen met de internationale financiële instellingen, teneinde het hoofd te bieden aan de talrijke uitdagingen waarvoor het land zich geplaatst ziet, zoals de humanitaire crisis die wordt veroorzaakt door de hyperinflatie en het tekort aan basisgoederen en geneesmiddelen; verzoekt de Venezolaanse regering nogmaals humanitaire hulp toe te laten tot het land;

5.  verklaart dat het Europees Parlement onder de huidige omstandigheden de verkiezingen, die het gevolg zijn van deze onrechtmatige procedure, niet kan erkennen; verzoekt de Europese Unie, de OAS en "El Grupo de Lima" in dit verband de krachten te bundelen en eendrachtig op te treden;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 145.
(2) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 21.
(3) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 190.
(4) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 101.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0200.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0041.


Het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren"
PDF 281kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren" – artikel 9, punt 7, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (2017/2285(INI))
P8_TA(2018)0200A8-0136/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het cohesiebeleid en de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren" – artikel 9, punt 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen(1),

–  gezien artikel 37 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, over door de ESI-fondsen ondersteunde financieringsinstrumenten,

–  gezien artikel 5, punt 7, van Verordening (EU) nr. 1301/2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, over bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren(2),

–  gezien artikel 4, onder d), van Verordening (EU) nr. 1300/2013 inzake het Cohesiefonds, over bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans‑Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010(5),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over achterstandsregio's in de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU(8),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU(9),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011; inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit(10),

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2009 over het Groenboek over de toekomst van het TEN‑T-beleid(11),

–  gezien het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie van 9 oktober 2017, getiteld "Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst" (COM(2017)0583),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 getiteld "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU" (COM(2017)0623),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2017 getiteld "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU" (COM(2017)0534),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2013 getiteld "Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem" (COM(2013)0913),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien het Witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 4 februari 2009 getiteld "TEN-V: een beleidsevaluatie – Op weg naar een beter geïntegreerd trans-Europees vervoersnetwerk ten dienste van het gemeenschappelijke vervoersbeleid" (COM(2009)0044),

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van augustus 2016 getiteld "Work Package 1: Ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF)",

–  gezien het samenvattend verslag van de Commissie van juni 2016 getiteld "Regional development trends in the EU - Work Package 1: Ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF)",

–  gezien het eindverslag van de Commissie van mei 2016 getiteld "Work Package 5: Ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF)",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 getiteld "Competitiveness in low-income and low-growth regions. The lagging regions report" (SWD(2017)0132),

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 4 mei 2010 getiteld "Raadpleging met het oog op de herziening van het beleid inzake de trans-Europese vervoersnetwerken"(COM(2010)0212),

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld "Approximated European Union greenhouse gas inventory: Proxy GHG emission estimates for 2016",

–  gezien de studie getiteld "The world is changing, transport, too", in opdracht van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement, Beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid, maart 2016,

–  gezien de studie getiteld "The future of the EU's transport infrastructure", in opdracht van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement, Beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid, januari 2010,

–  gezien het Eurostat-verslag van 2016 getiteld "Energy, transport and environment indicators – 2016 edition",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0136/2018),

A.  overwegende dat thematische concentratie, die bedoeld is om de doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) te vergroten en regio's te ondersteunen bij hun inspanningen om de Europa 2020-strategie te verwezenlijken, opzettelijk investeringen heeft geschaard onder thematische doelstelling 7: de verbetering van de kwaliteit van de vervoersinfrastructuur, met inbegrip van het efficiënte gebruik van de bestaande infrastructuur;

B.  overwegende dat met het CF en het EFRO steun wordt uitgetrokken voor de ontwikkeling van zowel het TEN-T-netwerk als van regionale en lokale vervoersinfrastructuur die zich niet in het TEN-T bevindt, met name in minder ontwikkelde lidstaten en in regio's waar nog steeds aanzienlijke inspanningen nodig zijn om de ontbrekende schakels aan te vullen, knelpunten op te heffen en rollend materieel te moderniseren;

C.  overwegende dat de vervoerssector en de infrastructuur voor deze sector een centrale en essentiële factor vormen in de ontwikkeling van een land en in het welzijn van de bevolking van de lidstaten, en dat de vervoerssector om deze reden een cruciaal investeringsdomein blijft waarmee wordt bijgedragen aan groei, concurrentievermogen en ontwikkeling door het economisch potentieel van elke EU‑regio te versterken en aldus de economische en sociale samenhang te bevorderen, door de interne markt te ondersteunen en zodoende de cohesie, integratie en sociaaleconomische inclusie van de burgers te faciliteren, het onevenwicht tussen de regio's aan te pakken, de toegang tot diensten en opleiding in de meest afgelegen gebieden met een risico van ontvolking te faciliteren en de netwerken voor het starten en ontwikkelen van bedrijfsactiviteit en ondernemingen te versterken;

D.  overwegende dat in de periode 2007-2013 81 miljard EUR, of bijna een derde (31 %) van de ESI-fondsen in vervoersinfrastructuur is geïnvesteerd; overwegende dat de positieve effecten van de investeringen in vervoersinfrastructuur van de EU met name en meer bepaald in Midden- en Oost-Europa het meest zichtbaar waren, en dat 69 % van de totale vervoersfinanciering daaraan werd toegewezen;

E.  overwegende dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 wordt gekenmerkt door een stijgende ESI- en CEF-begroting (financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen); overwegende dat er ondanks de negatieve gevolgen van de recente economische en financiële crisis en de vertraging in de uitvoering van de programmeringsperiode geen grote gevolgen zijn voor de vervoersinvesteringen; overwegende dat EU-investeringen in vervoersinfrastructuur behoren tot de beleidsmaatregelen die de hoogste Europese toegevoegde waarde hebben vanwege de overloopeffecten op onder meer de eengemaakte markt, waardoor alle lidstaten netto‑ontvangers van de investeringen zijn;

F.  overwegende dat succesvolle wegen-, spoor- en havenprojecten die uit de EU-begroting worden gefinancierd, bijdragen aan de economie, de groei, de industrie, de export, het toerisme, de handel, de werkgelegenheid, de heropleving van regio's en de omkering van ontvolking; overwegende dat er voorbeelden bestaan waaruit de Europese toegevoegde waarde blijkt, zoals de modernisering van de spoorlijn E30/C-E30 van Krakau naar Rzeszów in Polen, de spoorlijn van Sofia naar Plovdiv in Bulgarije, de spoortunnel (modules 5 en 6) in het centrum van Leipzig in Duitsland, de vernieuwing van het spoor van Votice naar Benešov u Prahy in Tsjechië, de vernieuwing van het Ülemiste-knooppunt in Tallinn (Estland), de renovatie van rijksweg DN6 van Alexandria naar Craiova in Roemenië, de hogesnelheidslijn van Madrid naar Valencia-Murcia in Spanje, de voltooiing van de Trakia-autosnelweg van Sofia naar de haven van Burgas aan de Zwarte Zee, metrolijn 4 van Boedapest in Hongarije, de metrolijnen van Sofia in Bulgarije en vele andere voorbeelden;

G.  overwegende dat TEN-T en vervoersinfrastructuur zoals wegen, (hogesnelheids)spoorlijnen, waterwegen en luchtverkeer EU-prioriteiten zijn en dat, als Europese investeringen achterblijven, toegenomen buitenlandse directe investeringen deze leemte zouden kunnen opvullen en winsten, belastingen en werkgelegenheid naar buiten de EU zouden kunnen verplaatsen, wat kan leiden tot meer afhankelijkheid en macro-economische instabiliteit van de regio's; overwegende dat een dergelijk proces op den duur de regionale aanwezigheid en het beleid van de Unie zou ondermijnen en dat dit zou leiden tot versnippering en divergentie;

H.  overwegende dat de ontwikkeling van de kernnetwerkcorridors een aantal integrale componenten omvat zoals infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (laadapparatuur) en intelligente, innoverende vervoerssystemen en dat deze corridors een essentiële rol spelen als katalysator voor het koolstofarm maken van het vervoerssysteem in zijn geheel;

I.  overwegende dat slim, toekomstbestendig, duurzaam en volledig onderling verbonden vervoer, energie en digitale netwerken een noodzakelijke voorwaarde vormen voor de voltooiing en soepele werking van de Europese eengemaakte markt en voor het verbinden van Europa met de wereldmarkt; overwegende dat dit echt cruciale punten zijn voor Europese economische productiviteitsgroei, territoriale cohesie en het welzijn van de burgers;

J.  overwegende dat een meer geïntegreerde aanpak voor investeringen in vervoersinfrastructuur knelpunten zal wegwerken, de multimodale connectiviteit zal verbeteren en de investeringen zal opvoeren in de verschuiving van het wegvervoer naar het spoor, in milieuvriendelijke voertuigen zoals elektrische auto's, en in spoor- en waterwegen; overwegende dat dit zal leiden tot energiediversificatie van het vervoer, groenere vervoersnetwerken en tot broeikasgasemissiereducties en een betere luchtkwaliteit en dat dit verdere maatregelen zal bevorderen ter bestrijding van de klimaatverandering;

K.  overwegende dat vervoer een belangrijke bouwsteen is van het energie- en klimaatbeleid van de EU en dat de EU-streefcijfers voor het minimumaandeel van hernieuwbare energie en voor de vermindering van broeikasgasemissies niet kunnen worden gehaald zonder een belangrijke bijdrage van het vervoer;

1.  onderstreept dat de CEF, het CF en het EFRO in de volgende programmeringsperiode de voornaamste EU-bronnen moeten blijven voor investeringen in vervoersinfrastructuur in het kader van de thematische doelstelling "bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren"; wenst dat vanwege de hoge Europese toegevoegde waarde en de uitgebreide overloopeffecten deze financieringsbronnen beschikbaar blijven en alle EU-lidstaten en -regio's op evenwichtige wijze bestrijken om bij te dragen tot de uitvoering van het EU‑cohesiebeleid;

2.  merkt op dat de interventielogica die ten grondslag ligt aan EU-investeringen in vervoersinfrastructuur een evenwichtige constructie van bronnen onder centraal en onder gedeeld beheer moet blijven voor de aanpak van beleids- en financieringsbehoeften; wijst erop dat de CEF bedoeld is om de EU-brede prioriteit van TEN-T-kerncorridors centraal aan te pakken, met inbegrip van aspecten met betrekking tot veiligheid, technologische innovatie en milieu; wijst er ook op dat het EFRO en het CF een sterke regionale dimensie hebben waarmee wordt ingespeeld op de lokale vraag (stedelijke en periurbane gebieden) en de regionale omstandigheden; vestigt er de aandacht op dat zij steun bieden voor de aansluiting op TEN-T en mobiliteit door middel van secundaire en tertiaire knooppunten en multimodale terminals (uitgebreid TEN-T-netwerk); onderstreept in dit verband dat de relevante budgetten voor de drie financieringsbronnen op evenwichtige wijze moeten worden versterkt om een ongelijke verdeling van de investeringen tussen de niveaus te vermijden; roept de Commissie op om vereenvoudigde, tijdige en flexibele procedures voor de overdraagbaarheid van middelen tussen regio's, operationele programma's en zwaartepunten in het kader van de ESI-fondsen te bevorderen, zodat op passende wijze kan worden ingespeeld op de veranderende economische realiteit en regionale vraag;

3.  is van mening dat de rol van aanvullende bronnen zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en financieringsinstrumenten moet worden bepaald met het oog op de complementariteit ervan met het EFRO en het CF en de additionaliteit ervan ten opzichte van kredietverlening door de EIB; merkt op dat de blendingoproep van 2017 voor de CEF op het gebied van vervoer ook is opgezet om deze synergieën te versterken, maar dat de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten en verdere ondersteuning van capaciteit eveneens nodig zijn; benadrukt in dit verband dat het EFSI als platform voor publiek-private partnerschappen (PPP's) moet fungeren door de financieringsinstrumenten op private investeringen en nationale/regionale financiering op projectniveau af te stemmen; merkt op dat voor banken aanvaardbare infrastructuurprojecten in de eerste plaats moeten worden ondersteund met leningen, EU-garanties of gemengde financiering, ter aanvulling van financiering uit hoofde van het EFRO, het CF of de CEF; is evenwel van mening dat subsidies de belangrijkste financieringsbron moeten blijven van investeringen in duurzaam openbaar vervoer;

4.  wijst erop dat voor infrastructuur een objectieve voorafgaande kwantificering van de vraag en toekomstige behoeften vereist is voordat de begroting en de uitvoeringsmethoden worden vastgesteld; onderstreept dat het in het kader van deze doelstellingen op het gebied van centrale netwerkinfrastructuren mogelijk moet zijn met de subsidiabiliteitscriteria van het EFRO en het CF de bestaande vraag op een passend territoriaal niveau in aanmerking te nemen; merkt tevens op dat modellering van het Europese grensoverschrijdende, regionale en lokale vervoersnetwerk doeltreffend kan zijn om aan te tonen waar investeringen een optimale Europese toegevoegde waarde kunnen opleveren;

5.  roept de Commissie op om met het oog op de bevordering van duurzaam vervoer en de opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren een checklist met subsidiabiliteitscriteria op te stellen waarin de lokale en regionale behoeften inzake vervoersinfrastructuur beter tot hun recht komen, om met behulp daarvan het totaal aan middelen voor vervoer en de vereiste investeringen te kunnen bepalen en prioriteiten te kunnen vaststellen; wijst erop dat gegevens van het EU-scorebord vervoer als uitgangspunt moeten worden genomen, aangezien die kwalitatief hoogstaand, betrouwbaar, actueel, gestructureerd en beschikbaar zijn; merkt voorts op dat deze checklist aspecten kan omvatten zoals multimodale connectiviteit, lokale en regionale omstandigheden, beschikbaarheid van alternatieve vervoerswijzen, veiligheid op de weg en spoorwegveiligheid, en milieueffecten;

6.  merkt op dat de investeringen in vervoersinfrastructuur uit hoofde van het EFRO, de CEF en het CF meer moeten worden afgestemd op de behoefte aan sterker geïntegreerde investeringen in basisvervoersinfrastructuur in minder ontwikkelde regio's en in bergachtige, afgelegen, dunbevolkte of ultraperifere gebieden met beperkte toegankelijkheid, wanneer de Europese toegevoegde waarde is gebleken uit een adequate kosten-batenanalyse, en merkt op dat de multimodale connectiviteit moet worden verbeterd; benadrukt dat verbetering van de toegankelijkheid in deze regio's een voorwaarde is voor economische ontwikkeling; roept de Commissie en de lidstaten op – door middel van een openbare raadpleging die aan de uitvoering van het project voorafgaat – een actievere betrokkenheid van overheidsinstanties bij vervoersoplossingen te stimuleren op nationaal, regionaal, maar ook op lokaal/stedelijk en plattelandsniveau, om optimale vervoersinvesteringen te ontwikkelen;

7.  merkt op dat duurzame innovaties in het vervoer synergieën en additionaliteit vereisen tussen de drie belangrijkste instrumenten – ESI-fondsen, CEF en Horizon 2020 en de opvolger daarvan;

8.  pleit ervoor dat met bijkomende middelen meer EFRO-steun voor Europese territoriale samenwerking wordt verleend, waarbij de nadruk ligt op belangrijke investeringen in duurzame vervoersinfrastructuur (zoals grensoverschrijdende waterwegen, havens, bruggen, spoorwegen, gekoppelde vervoerswijzen en interconnectieterminals enz.); begrijpt dat de nadruk moet liggen op aansluitingen in grensoverschrijdende regio's, met inbegrip van de buitengrenzen van de EU, en op adviesdiensten en capaciteitsopbouw op projectniveau; roept op belemmeringen weg te nemen om investeringen te vergemakkelijken, in het bijzonder grensoverschrijdende investeringen (in waterwegen, spoorweg- en wegvervoer) en toegang tot externe markten;

9.  roept wat projecten op het gebied van geïntegreerd vervoer betreft op tot het wegwerken van de hiaten inzake vervoersinfrastructuur met betrekking tot de Westelijke Balkan door zich te richten op verdere investeringen in connectiviteit en op het aanpakken van vervoersknelpunten, met name gezien de mededeling van de Commissie over het Europese perspectief voor de Westelijke Balkan; wijst in dit verband op het belang van de Europese territoriale samenwerking en de macroregionale strategieën voor projecten inzake geïntegreerd vervoer, en geeft zich rekenschap van de behoefte aan betere coördinatie van de vervoersplannen en -projecten om hiaten inzake vervoer weg te werken, bijv. met betrekking tot de Westelijke Balkan; wijst er in dit verband voorts op dat zeehavens en waterwegen heel vaak grensoverschrijdende entiteiten zijn en dat zij in aanmerking moeten komen voor hetzelfde medefinancieringspercentage als grensoverschrijdende spoorweg- en wegenprojecten;

10.  benadrukt dat de klimaatbescherming in het cohesiebeleid moet worden geïntegreerd om de doelstelling inzake duurzaam vervoer te verwezenlijken en aldus te voldoen aan de EU-doelstellingen inzake de terugdringing van CO2-emissies; verzoekt de Commissie de lidstaten te verplichten om EU-milieuwetgeving te integreren in de goedkeuring en planning van projecten die voor financiering in aanmerking komen, met name de richtlijnen inzake Natura 2000, de strategische milieubeoordelingen en de milieueffectbeoordelingen, de richtlijn inzake luchtkwaliteit, de kaderrichtlijn water, de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn, alsmede het mechanisme voor rapportage over vervoer en milieu (TERM) van het Europees Milieuagentschap;

11.  benadrukt dat er meer steun moet worden verleend voor de bevordering van verstandig beheer van het verkeer, onder meer door digitalisering, door een efficiënter gebruik van de bestaande infrastructuur en door een verschuiving naar daluren;

12.  dringt aan op een adequaat en ambitieus gemeenschappelijk Europees vervoersbeleid op basis van een financieringskader dat wordt geïntegreerd in en gecoördineerd met de EU‑instrumenten op het gebied van vervoer; is van mening dat thematische concentratie behouden moet blijven om op projectniveau vereenvoudiging en synergieën tussen verschillende financieringsbronnen mogelijk te maken; stelt voor een uniforme reeks regels in te stellen voor alle financieringsbronnen met betrekking tot alle thematische doelstellingen; acht het noodzakelijk de procedures inzake openbare aanbestedingen en de naleving van staatssteunregels te stroomlijnen, te standaardiseren en te versnellen;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten projecten in de volgende programmeringsperiode mee te blijven financieren volgens het beginsel "gebruiken of verliezen";

14.  is ingenomen met het werk van de Gezamenlijke Ondersteuning van projecten in de Europese regio's (Jaspers), het Europees expertisecentrum op het gebied van publiek-private partnerschappen (EPEC) en de Europese investeringsadvieshub (EIAH); verwacht echter dat de EIB-groep bij haar activiteiten op het gebied van vervoersinfrastructuur in de EU in een eerder stadium, bij de vaststelling en de beoordeling vooraf van projecten met Europese toegevoegde waarde, aanzienlijk meer middelen besteedt aan uitgebreide adviesverlening aan lokale, regionale en nationale autoriteiten;

15.  verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe verordening(en) inzake het cohesiebeleid na 2020 meer financiële middelen ter beschikking te stellen voor steden, zodat zij gezamenlijk aanbestedingen kunnen uitschrijven voor infrastructuur of technologieën die kunnen bijdragen tot het koolstofarm maken van het stedelijk vervoer en het verminderen van de luchtvervuiling door wegvoertuigen;

16.  steunt overeenkomstig de verklaring van Valletta over verkeersveiligheid de toewijzing van adequate middelen aan onderzoek, programma's en projecten om de verkeersveiligheid in Europa te bevorderen;

17.  benadrukt dat middelen moeten worden uitgetrokken ter ondersteuning van duurzame stedelijke mobiliteit, de ontwikkeling van intelligente vervoerssystemen, het ondersteunen van projecten voor fietsers en voetgangers en het verbeteren van de toegankelijkheid van het vervoer voor personen met een handicap;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(4) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.
(6) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0067.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0222.
(10) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 155.
(11) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 35.


De bescherming van migrerende kinderen
PDF 185kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over de bescherming van migrerende kinderen (2018/2666(RSP))
P8_TA(2018)0201B8-0218/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2017 over de bescherming van migrerende kinderen (COM(2017)0211),

–  gezien de conclusies van de Raad van donderdag 8 juni 2017 over de bescherming van migrerende kinderen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 19 september 2016, namelijk de "Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten"(1),

–  gezien alinea 44 van algemene opmerking nr. 21 (2017) van 21 juni 2017 van het VN‑Comité voor de Rechten van het Kind over straatkinderen(2),

–  gezien de EU-richtsnoeren van 6 maart 2017 ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, getiteld “Geen kind aan zijn lot overlaten”,

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(4),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(5),

–  gezien het arrest van 12 april 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-550/16, A en S / Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie(6),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de bescherming van migrerende kinderen (O‑000031/2018 – B8‑0016/2018),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er volgens Unicef in Europa ongeveer 5,4 miljoen migrerende kinderen leven(7); overwegende dat er volgens de recentste cijfers van het bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Vluchtelingen (UNHCR) in 2017 32 039 kinderen zijn aangekomen in Griekenland, Italië, Spanje en Bulgarije; overwegende dat het in 46 % van deze gevallen om niet-begeleide of van hun familie gescheiden kinderen ging, en dat de kinderen in de overige 54 % vergezeld waren van hun ouders of andere verzorgers; overwegende dat er volgens rapporten per 1 september 2016 in negen lidstaten 821 kinderen werden vastgehouden; overwegende dat de meerderheid van de lidstaten niet systematisch gegevens verstrekt noch verzamelt over kinderen in detentiecentra voor migranten(8);

B.  overwegende dat de Commissiemededeling over de bescherming van migrerende kinderen is gepubliceerd op 12 april 2017 en dat de lidstaat één jaar later nog altijd moeilijkheden ondervinden bij de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen in deze mededeling;

C.  overwegende dat een gebrek aan betrouwbare informatie, lang aanslepende procedures voor gezinshereniging en de benoeming van voogden, en de angst om in detentie te worden geplaatst of te worden teruggestuurd of overgeplaatst, ertoe leiden dat een aantal kinderen onderduikt, waardoor zij worden blootgesteld aan mensenhandel, geweld en uitbuiting;

D.  overwegende dat het gebrek aan diensten voor kinderbescherming en aan activiteiten voor kinderen op opvanglocaties een ongunstige impact heeft op de geestelijke gezondheid van kinderen;

E.  overwegende dat volgens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind bij alle maatregelen ten aanzien van kinderen het belang van het kind de voornaamste overweging moet vormen;

F.  overwegende dat uit recent vergelijkend onderzoek(9) blijkt dat minderjarige asielzoekers niet in alle lidstaten even snel naar school kunnen gaan, in sommige gevallen pas na meer dan drie maanden vanaf de indiening van hun asielaanvraag, wat bijzondere problemen oplevert voor oudere kinderen;

G.  overwegende dat de toegang tot asielprocedures volgens een verslag uit 2016 van de Asylum Information Database (AIDA) vaak problematisch is en tot aanzienlijke bijkomende vertraging kan leiden(10);

H.  overwegende dat sommige lidstaten nog altijd moeilijkheden ondervinden op het vlak van leeftijdsbepaling en voor wat de bescherming betreft van kinderen die geen asiel aanvragen;

I.  overwegende dat volgens een recent verslag van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) over de aankomst van seksueel uitgebuite migranten naar schatting 80 % van alle meisjes die via de route door het centrale Middellandse Zeegebied vanuit Nigeria naar Europa komen - en wier aantal exponentieel is toegenomen, van 1454 in 2014 tot 11 009 in 2016 - potentieel slachtoffer zijn van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; overwegende dat de lidstaten moeilijkheden ondervinden bij het identificeren en ondersteunen van vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting;

J.  overwegende dat de staatloosheid van kinderen ernstige problemen stelt met betrekking tot de mensenrechten en de procedures voor het bepalen van de status van kinderen in de Europese Unie vertraagt, met als gevolg dat deze kinderen geen toegang hebben tot basisvoorzieningen en basisrechten;

1.  benadrukt dat alle kinderen, ongeacht hun migratie- of vluchtelingenstatus, eerst en vooral kinderen zijn en aanspraak kunnen maken op alle in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind vastgelegde rechten;

2.  is ervan overtuigd dat de Commissie de lidstaten moet bijstaan bij de vastlegging en correcte toepassing van een holistische, op rechten gebaseerde benadering in alle beleidsdomeinen die betrekking hebben op kinderen;

3.  benadrukt het belang van de opstelling van een individueel plan voor elk kind, op basis van zijn behoeften en specifieke kwetsbaarheid, en hierbij rekening te houden met het feit dat de levenskwaliteit en het welzijn van kinderen onder meer afhangen van een snelle integratie, een maatschappelijk ondersteuningsstelsel en mogelijkheden om hun talenten ten volle te ontplooien; is van mening dat een dergelijke aanpak ook doeltreffend is gebleken om te verhinderen dat kinderen vermist raken;

4.  vraagt de lidstaten om bij alle beslissingen over kinderen, ongeacht hun status, het beginsel van het belang van het kind toe te passen;

5.  benadrukt dat alle nodige informatie over de rechten van kinderen en over de procedures en mogelijkheden inzake bescherming beschikbaar moet worden gemaakt voor kinderen, op een kindvriendelijke en genderbewuste manier en in bewoordingen die zij begrijpen; doet een beroep op het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken om de lidstaten te helpen met de opstelling van aangepast materiaal voor de voorlichting van kinderen bij opvang;

6.  dringt er bij de lidstaten op aan de procedures voor de benoeming van voogden of tijdelijke voogden voor niet-begeleide kinderen bij aankomst van deze kinderen te versnellen;

7.  vraagt de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat alle kinderen bij hun aankomst contact kunnen hebben met ambtenaren van de kinderbescherming, ook in zogenaamde hotspots, speciale opvangcentra voor kinderen en bij grensovergangsposten;

8.  vraagt de lidstaten erop toe te zien dat alle kinderen en in het bijzonder niet-begeleide kinderen toegang hebben tot waardig onderdak en gezondheidszorg, en volledige toegang tot officieel, inclusief onderwijs in dezelfde omstandigheden als die die gelden voor kinderen uit het EU-gastland in kwestie, wat ook voorbereidende maatregelen zoals taalcursussen inhoudt, om ervoor te zorgen dat de kinderen gedurende hun volledige verblijf op het grondgebied van de lidstaat in het maatschappelijk leven in het gastland worden geïntegreerd;

9.  brengt in herinnering dat niet-begeleide kinderen en volwassenen op afzonderlijke plekken moeten worden ondergebracht, met als doel het risico op geweld en seksuele uitbuiting te vermijden;

10.  pleit ervoor om de herplaatsing van de resterende niet-begeleide kinderen uit Griekenland en Italië die uit hoofde van de relevante EU-besluiten voor herplaatsing in aanmerking komen, als prioritair te beschouwen; vraagt om de oprichting van structuren voor de continue herplaatsing van kinderen vanuit de lidstaten waar zij de EU binnenkomen, wanneer dit in hun belang is;

11.  erkent de cruciale rol van plaatselijke en regionale autoriteiten, die het voortouw nemen bij de opvang en integratie van migrerende kinderen, ondanks de beperkte middelen waarover zij beschikken; verzoekt de lidstaten om capaciteit op te bouwen en voldoende middelen uit te trekken voor de opvang van migrerende kinderen, en met name niet‑begeleide kinderen;

12.  vraagt de lidstaten om voor voldoende en permanente financiering en ondersteuning te zorgen voor plaatselijke en regionale autoriteiten, en de toegang tot Europese financiële middelen, bijvoorbeeld uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), te waarborgen;

13.  vraagt de lidstaten met klem om alle lopende procedures voor gezinshereniging zonder verder uitstel voort te zetten;

14.  onderstreept dat kinderen niet om immigratieredenen mogen worden vastgehouden en vraagt de lidstaten om alle kinderen en gezinnen met kinderen tijdens de evaluatie van hun immigratiestatus onder te brengen in niet-vrijheidsberovende en gemeenschapsgerichte woonruimten;

15.  is van mening dat de Commissie in gevallen van langdurige en stelselmatige vasthouding van migrerende kinderen en hun gezinsleden inbreukprocedures tegen de lidstaten moet inleiden, met als doel de eerbiediging van de grondrechten van kinderen te waarborgen;

16.  benadrukt dat de lidstaten dringend moeten investeren in psychologische en psychiatrische ondersteuning en rehabilitatie, met als doel de problemen van migrerende kinderen op het vlak van geestelijke gezondheid aan te pakken;

17.  onderstreept het belang van de invoering van een degelijk identificatie- en registratiesysteem waarbij wordt uitgegaan van het belang van het kind, om ervoor te zorgen dat kinderen in de nationale beschermingsstelsels worden opgenomen en er blijven, en beklemtoont dat het belangrijk is om gedurende deze hele procedure een op het kind gerichte benadering te hanteren, met volledige inachtneming van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind; benadrukt dat de lidstaten geen dwang mogen gebruiken voor de afname van biometrische gegevens van kinderen;

18.  vraagt de lidstaten goede praktijken uit te wisselen met betrekking tot procedures voor leeftijdsbepaling, met als doel hiervoor hoge normen vast te leggen die in de hele EU van toepassing zijn; benadrukt dat medische onderzoeken van kinderen moeten gebeuren op een niet-opdringerige manier en met respect voor de waardigheid van de kinderen;

19.  vraagt de lidstaten bovendien om meer inspanningen en meer grensoverschrijdende samenwerking tussen wetshandhavings- en kinderbeschermingsinstanties om vermiste kinderen op te sporen en te beschermen, en erop toe te zien dat het belang van het kind hierbij altijd centraal staat;

20.  betreurt het aanhoudende en wijdverspreide verschijnsel van de staatloosheid van kinderen; verzoekt de EU en haar lidstaten om ervoor te zorgen dat de staatloosheid van kinderen afdoende wordt aangepakt met behulp van nationale wetten, met volledige inachtneming van artikel 7 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

21.  erkent dat de lidstaten en de Commissie vorderingen hebben gemaakt voor wat het Europees voogdijnetwerk betreft, en vraagt de lidstaten om dit netwerk te ondersteunen;

22.  beklemtoont dat mensen die met kinderen werken, absoluut geen aantoonbaar strafblad mogen hebben, in het bijzonder met betrekking tot strafbare feiten in verband met kinderen; vraagt de lidstaten om continue en aangepaste opleiding te verstrekken over de rechten en noden van niet-begeleide minderjarigen en over alle mogelijke toepasselijke normen voor de bescherming van kinderen;

23.  verzoekt de lidstaten om meer inspanningen, onder meer in de vorm van grensoverschrijdende samenwerking, om minderjarige slachtoffers van mensenhandel, misbruik en andere vormen van uitbuiting te identificeren en alle minderjarige slachtoffers dezelfde toegang tot slachtofferhulp te garanderen; erkent het bestaan van een bijzondere problematiek in verband met de uitbuiting van meisjes voor prostitutie;

24.  benadrukt dat de uitwerking van nieuwe veilige en legale routes de Unie en de lidstaten in staat zou stellen een beter antwoord te bieden op de behoeften aan bescherming, in het bijzonder voor wat kinderen betreft, en het bedrijfsmodel van smokkelaars te ondergraven;

25.  erkent de humanitaire bijdrage van een aantal nationale en Europese ngo's, met inbegrip van ngo's die opsporings- en reddingsoperaties uitvoeren, ten behoeve van het belang van het kind;

26.  vraagt dat de lidstaten hun inspanningen voor een gemeenschappelijke aanpak van diverse vormen van georganiseerde misdaad - zoals kinderhandel - onverwijld opdrijven, met als doel straffeloosheid te bestrijden en te zorgen voor een snelle berechting van de plegers van dergelijke misdrijven, ongeacht of het om EU‑burgers gaat of niet;

27.  is van mening dat de rechten van migrerende kinderen in de begrotingsperiode na 2020 als een prioriteit moeten worden beschouwd, in de geest van de mededeling van de Commissie van 2017 over de bescherming van migrerende kinderen, de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de toolkit van de Commissie inzake het gebruik van EU-middelen voor de integratie van mensen met een migratieachtergrond;

28.  doet een beroep op de lidstaten voor meer grensoverschrijdende samenwerking, informatie-uitwisseling en coördinatie tussen diverse diensten binnen de lidstaten, met als doel leemten te vullen en ervoor te zorgen dat de systemen voor de bescherming van kinderen adequaat en niet versnipperd zijn;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1) VN-resolutie /RES/71/1, http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/71/1
(2) https://www.streetchildrenresources.org/resources/general-comment-no-21-2017-on-children-in-street-situations/
(3) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(4) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 9.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0329.
(6) ECLI:EU:C:2018:248.
(7) https://www.unicef.org/publications/files/Uprooted_growing_crisis_for_refugee_and_migrant_children.pdf
(8) http://fra.europa.eu/en/publication/2017/child-migrant-detention
(9) '#Backtoschool' van het Global Progressive Forum, de Migration Policy Group en het Europees Beleidsnetwerk SIRIUS: www.globalprogressiveforum.org/backtoschool
(10) Verslagen van AIDA uit 2016 (blz. 3).


Een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica
PDF 179kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica (2017/2922(RSP))
P8_TA(2018)0202B8-0217/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten(1) ("cosmeticaverordening"),

–  gezien artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende het verbod op dierproeven en het verbod op in de handel brengen en betreffende de stand van zaken met betrekking tot alternatieve methoden op het gebied van cosmetische producten (COM(2013)0135),

–  gezien het verslag van de Commissie van 19 september 2016 over de ontwikkeling, validering en wettelijke erkenning van alternatieve methoden voor dierproeven op het gebied van cosmetische producten (2013-2015) (COM(2016)0599),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 juni 2015 over het Europees burgerinitiatief "Stop Vivisectie" (C(2015)3773),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 21 september 2016 in zaak C-592/14(2),

–  gezien de speciale Eurobarometer-enquête nr. 442 van maart 2016 getiteld "De houding van Europeanen ten aanzien van dierenwelzijn",

–  gezien de studie van januari 2017 getiteld "Animal Welfare in the European Union", uitgevoerd in opdracht van de Commissie verzoekschriften,

–  gezien de vraag aan de Raad over een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica (O‑000040/2018 – B8‑0017/2018),

–  gezien de vraag aan de Commissie over een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica (O‑000041/2018 – B8‑0018/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de cosmeticaverordening de voorwaarden zijn vastgelegd voor het in de handel brengen van cosmetische producten en ingrediënten in de EU, en dat er wordt beoogd om tot een interne markt voor cosmetische producten te komen en tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen;

B.  overwegende dat in artikel 13 VWEU wordt bepaald dat de Unie en de lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie, in het bijzonder op het gebied van de interne markt, ten volle rekening moeten houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel;

C.  overwegende dat cosmetica een wezenlijk deel uitmaken van het dagelijks leven van de EU-burgers, en dat ze een breed palet aan producten omvatten, van make-up en deodorant tot bad- en doucheproducten, zonnebrandmiddelen, producten voor haar-, huid- en nagelverzorging, en producten voor scheren en mondhygiëne;

D.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden dierenwelzijn te bevorderen en de volksgezondheid en het milieu te beschermen;

E.  overwegende dat in artikel 10 van de cosmeticaverordening is bepaald dat voor elk product een veiligheidsbeoordeling moet worden uitgevoerd en een veiligheidsrapport moet worden opgesteld om de veiligheid van cosmetische producten te waarborgen;

F.  overwegende dat krachtens artikel 11 van de cosmeticaverordening voor elk product dat op de markt wordt gebracht een productinformatiedossier moet worden bijgehouden, waarin gegevens worden opgenomen over eventuele dierproeven die zijn verricht voor de ontwikkeling of veiligheidsbeoordeling van het cosmetische product of de ingrediënten daarvan;

G.  overwegende dat het verrichten van dierproeven met cosmetische eindproducten en met cosmetische ingrediënten in de EU sinds september 2004 respectievelijk maart 2009 verboden is ("verbod op dierproeven");

H.  overwegende dat het in de handel brengen van op dieren geteste cosmetische eindproducten en cosmetische ingrediënten sinds maart 2009 in de EU verboden is, met uitzondering van het testen op toxiciteit bij herhaalde toediening, voortplantingstoxiciteit en toxicokinetica; overwegende dat voor deze specifieke complexe gezondheidseffecten het verbod op het in de handel brengen wordt toegepast sinds maart 2013, ongeacht het al dan niet beschikbaar zijn van alternatieve tests zonder dierproeven ("verbod op het in de handel brengen");

I.  overwegende dat de meeste ingrediënten die in cosmetische producten worden gebruikt, ook gebruikt worden in veel andere consumptiegoederen en industriële producten, zoals farmaceutische producten, detergenten en andere chemische stoffen, en levensmiddelen; overwegende dat deze ingrediënten uit hoofde van het geldende rechtskader, zoals de REACH-verordening(3), wellicht getest zijn op dieren, als er geen alternatief beschikbaar was;

J.  overwegende dat volgens de speciale Eurobarometer-enquête nr. 442 van maart 2016 89 % van de EU-burgers vindt dat de EU meer zou moeten doen om het belang van het dierenwelzijn internationaal onder de aandacht te brengen, en 90 % van de EU-burgers vindt dat het belangrijk is dat er strenge normen inzake dierenwelzijn worden vastgesteld die wereldwijd worden erkend;

K.  overwegende dat het Parlement veel verzoekschriften ontvangt van burgers die het recht uitoefenen dat is vervat in de artikelen 24 en 227 VWEU en in artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin zij pleiten voor het uitbannen van dierproeven in Europa en voor de opstelling van internationale normen inzake dierenwelzijn;

L.  overwegende dat de burgers vragen om de vaststelling van een nieuw rechtskader, in het kader waarvan dierproeven geleidelijk worden uitgebannen;

M.  overwegende dat het HvJ-EU in zijn arrest van 21 september 2016 in zaak C‑592/14 heeft bevestigd dat het in de Unie op de markt brengen van cosmetische producten die ingrediënten bevatten waarop dierproeven buiten de Unie zijn verricht teneinde deze producten in derde landen op de markt te brengen, mag worden verboden, indien de uit deze proeven afgeleide gegevens worden gebruikt om de veiligheid van de betreffende producten aan te tonen met als doel deze in de Unie op de markt te brengen;

N.  overwegende dat mazen in de wetgeving ervoor zorgen dat buiten de EU op dieren geteste cosmetische producten in de Unie in de handel kunnen worden gebracht, waarna de producten in de EU opnieuw worden getest met gebruikmaking van alternatieven voor dierproeven, hetgeen in strijd is met geest van de EU-wetgeving;

O.  overwegende dat de EU binnen de Verenigde Naties een belangrijke speler is; overwegende dat de EU-instellingen en de lidstaten zich moeten blijven inzetten voor een wereldorde die berust op het internationale recht en op multilaterale samenwerking;

P.  overwegende dat de Europese Unie meer inspanningen moet leveren om in het kader van haar buitenlandse betrekkingen strenge normen inzake dierenwelzijn te bevorderen;

Lessen uit het baanbrekende EU-verbod op dierproeven voor cosmetica

1.  merkt op dat Europa een florerende en innovatieve cosmeticasector heeft die goed is voor twee miljoen banen, en dat Europa de grootste markt ter wereld is voor cosmetische producten; benadrukt dat het EU-verbod op dierproeven de ontwikkeling van de sector niet heeft geschaad;

2.  stelt vast dat het verbod op dierproeven en het verbod op het in de handel brengen in hoge mate worden nageleefd; benadrukt niettemin dat het ontbreken van volledige en betrouwbare documentatie in het productinformatiedossier over cosmetica die in de EU worden ingevoerd uit derde landen waar dierproeven nog steeds vereist zijn, een ernstig probleem blijft, waarvan de aanpak prioriteit moet krijgen;

3.  is van mening dat het baanbrekende verbod van de EU op dierproeven voor cosmetica een krachtig signaal aan de wereld heeft afgegeven over de waarde die de EU hecht aan dierenwelzijn, en dat hiermee met succes is aangetoond dat de geleidelijke afschaffing van dierproeven voor cosmetica mogelijk is;

4.  wijst er nogmaals op dat er in Europa een politieke keuze is gemaakt voor de uitvoering van het verbod, ongeacht de volledige beschikbaarheid van alternatieve methoden voor dierproeven; is van mening dat uit het Europese voorbeeld blijkt dat het ontbreken van alternatieven voor dierproeven voor sommige eindpunten geen argument is tegen een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica;

5.  herhaalt dat het verrichten van dierproeven voor cosmetica niet meer valt te rechtvaardigen en verzoekt de Europese en nationale autoriteiten om het verzet van het grote publiek tegen dierproeven voor cosmetica en de ontwikkeling van innovatieve, humane testmethoden te steunen;

6.  dringt er bij de regelgevende instanties en bij ondernemingen op aan een monitoringssysteem op te zetten dat aan regelmatige en onafhankelijke controles wordt onderworpen, om ervoor te zorgen dat toeleveranciers een volledig verbod naleven;

Gevolgen van het verbod voor de ontwikkeling van alternatieve methoden

7.  wijst er nogmaals op dat het verbod op dierproeven heeft geleid tot grotere inspanningen op het gebied van onderzoek naar alternatieve testmethoden met gevolgen die veel verder strekken dan de cosmeticasector; merkt op dat er ook aanzienlijke vooruitgang is geboekt wat betreft de validering en wettelijke erkenning van alternatieve methoden;

8.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om voldoende middellange- en langetermijnfinanciering beschikbaar te stellen voor de snelle ontwikkeling, validering en invoering van alternatieve testmethoden, met het oog op de volledige vervanging van dierproeven voor belangrijke toxicologische eindpunten, zoals carcinogeniteit, voortplantingstoxiciteit en toxiciteit bij herhaalde toediening(4);

9.  benadrukt dat er veel aandacht besteed moet worden aan training en opleiding, om ervoor te zorgen dat in laboratoria en bij de bevoegde instanties grondige kennis aanwezig is over alternatieve methoden en processen;

10.  wijst erop dat academische instellingen een belangrijke rol moeten spelen bij de bevordering van alternatieven voor dierproeven binnen wetenschappelijke disciplines en bij het verspreiden van nieuwe kennis en werkmethoden die wel beschikbaar zijn, maar nog niet altijd op grote schaal gebruikt worden;

11.  benadrukt dat het belangrijk is dat er in internationaal verband gewerkt wordt aan een snellere validatie en erkenning van alternatieve methoden, en dat derde landen waar wetenschappers onvoldoende op de hoogte zijn van alternatieve methoden en de testfaciliteiten niet over de nodige onderzoeksinfrastructuur beschikken, gesteund worden door middel van kennisoverdracht en beschikbaarstelling van financiële middelen;

12.  wijst erop dat de EU internationale samenwerking op het gebied van alternatieve methoden heeft gestimuleerd in het kader van het "European Partnership for Alternative Approaches to Animal Testing" (EPAA), en dat de EU betrokken is bij een aantal andere relevante internationale processen, zoals de "International Collaboration on the Cosmetics Regulation" (ICCR), en de "International Cooperation on Alternative Test Methods" (ICATM); merkt op dat dergelijke samenwerkingsverbanden van cruciaal belang zijn;

Internationale situatie

13.  wijst erop dat in Guatemala, IJsland, India, Israël, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Servië, Turkije en Zwitserland verboden op dierproeven voor cosmetica van kracht zijn; merkt op dat andere landen, zoals Zuid-Korea en Australië, aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op weg naar een dergelijk verbod;

14.  merkt op dat, hoewel overal in de wereld op wetgevingsgebied aanzienlijke vooruitgang is geboekt, het in 80 % van de landen in de wereld nog altijd is toegestaan dierproeven uit te voeren en op dieren geteste cosmetica in de handel te brengen;

Een mondiaal verbod instellen op dierproeven voor cosmetica

15.  wenst dat er op internationaal niveau, naar het voorbeeld van de cosmeticaverordening, een verbod wordt ingevoerd op het verrichten van dierproeven voor cosmetica, alsmede een verbod op internationale handel in cosmetische ingrediënten en producten die op dieren getest zijn, en dat deze verboden uiterlijk 2023 in werking zullen treden;

16.  verzoekt de EU-instellingen een gelijk speelveld te waarborgen voor alle producten die in de EU in de handel worden gebracht, en te garanderen dat geen van die producten in derde landen op dieren is getest;

17.  verzoekt de voorzitters van de EU-instellingen om zich sterk te maken voor een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica tijdens vergaderingen met hun tegenhangers, met name met de secretaris-generaal van de VN, alsook dit verbod te bevorderen en de invoering ervan te vergemakkelijken;

18.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om gebruik te maken van hun diplomatieke netwerken en zich in het kader van alle bilaterale en multilaterale handelsfora krachtig in te zetten voor de totstandbrenging van een sterke en brede coalitie ter ondersteuning van een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica;

19.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om binnen het kader van de VN de sluiting van een internationaal verdrag tegen het gebruik van dieren voor het verrichten van proeven voor cosmetica te vergemakkelijken, te bevorderen en te steunen; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica op de agenda van de volgende bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de VN te plaatsen;

20.  verzoekt de Commissie om proactief met alle belanghebbenden samen te werken, in de eerste plaats met de initiatiefnemers van de campagne voor een mondiaal verbod op dierproeven voor cosmetica, ngo's en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, om nevenevenementen tijdens de Algemene Vergadering van de VN te ondersteunen, en een dialoog op gang te brengen over de voordelen en de meerwaarde van een internationaal verdrag tegen het verrichten van dierproeven voor cosmetica;

21.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat het EU-verbod op dierproeven voor cosmetica niet door lopende handelsbesprekingen of voorschriften van de Wereldhandelsorganisatie wordt afgezwakt; verzoekt de Commissie om op dieren geteste cosmetica van het toepassingsgebied van alle vrijhandelsovereenkomsten, zowel de reeds bestaande vrijhandelsovereenkomsten als die waarover nog wordt onderhandeld, uit te sluiten;

o
o   o

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59.
(2) ECLI:EU:C:2016:703.
(3) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(4)1Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid, Notes of Guidance for the Testing of Cosmetic Ingredients and their Safety Evaluation, 9th revision, SCCS/1564/15.


Huidige situatie en vooruitzichten van de schapen- en geitensector in de EU
PDF 240kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over de huidige situatie en de vooruitzichten van de schapen- en geitensector (2017/2117(INI))
P8_TA(2018)0203A8-0064/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbevelingen van het Europees Forum voor schapenvlees dat in 2015 en in 2016 is georganiseerd onder auspiciën van de Commissie,

–  gezien het onderzoek, dat de beleidsondersteunende afdeling B van het Europees Parlement op verzoek van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling heeft doen uitvoeren over de toekomst van de sector schapen- en geitenvlees in Europa,

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2008 over de toekomst van de sector schapen- en geitenvlees in Europa(1),

–  gezien de door de Commissie verrichte "beoordeling van de maatregelen van het GLB in de schapen- en geitensector" uit 2011,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over het EU-actieplan voor natuur, mens en economie,

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (COM(2017)0339),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten,

–  gezien de conclusies van de Nederlandse Ombudsman in 2012 in zijn rapport over de aanpak van de overheid rondom Q-koorts(3) en in 2017 in zijn onderzoek naar de lessen die de Nederlandse overheid uit de Q-koorts epidemie(4) heeft getrokken,

–  gezien artikel 52 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0064/2018),

A.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij in de meeste lidstaten wordt gekenmerkt door lage winsten, met inkomens die tot de laagste in de EU behoren, hetgeen grotendeels te verklaren is door de hoge operationele en regelgevingskosten, die soms zelfs de verkoopprijzen overstijgen, en zware administratieve lasten, die ertoe leiden dat er steeds meer bedrijven moeten sluiten;

B.  overwegende dat onevenwichtigheden in de voedselvoorzieningsketen deze sectoren nog kwetsbaarder maken en dat de Commissie daartegen tot dusver niet de noodzakelijke, door het Parlement gevraagde regelgevingsmaatregelen heeft getroffen;

C.  overwegende dat het onmogelijk is de schapen- en geitenproductie op te zetten en in stand te houden zonder garantie op stabiele inkomsten voor de veehouders;

D.  overwegende dat de schapen- en geitenfokkerij in Europa seizoensgebonden is, in tegenstelling tot in andere regio's in de wereld, die het helle jaar door volledig kunnen fokken en produceren; overwegende dat het sterk seizoensgebonden karakter kan leiden tot economische onzekerheid voor veehouders en producenten;

E.  overwegende dat beide sectoren potentieel hebben om banen te scheppen en te behouden in achtergestelde gebieden, zoals afgelegen regio's en berggebieden;

F.  overwegende dat de schapen- en de geitensector een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van en werkgelegenheid in talrijke kwetsbare landelijke gebieden en stedelijke agglomeraties, in het bijzonder dankzij de verkoop van schapen- en geitenvlees en hoogwaardige zuivelproducten, die via korte, lokale toeleveringsketens op de markt kunnen worden gebracht;

G.  overwegende dat schapenfokkers moeite hebben om gekwalificeerde en soms zelfs ongeschoolde arbeidskrachten te vinden;

H.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij in talrijke lidstaten deel uitmaakt van het culturele erfgoed en hoogwaardige traditionele producten oplevert;

I.  overwegende dat de schapen- en geitensector moet voldoen aan de hoogste normen ter wereld inzake voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eerbiediging van het milieu;

J.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij, met name als die gebaseerd is op begrazing, een belangrijke rol speelt in de ecologische duurzaamheid, aangezien die gebezigd wordt in 70 % van de EU-gebieden met geografische handicaps, waaronder afgelegen en relatief ontoegankelijke regio's, en zo bijdraagt aan het behoud van de biodiversiteit (met inbegrip van inheemse rassen) en aan de bestrijding van erosie, ongewenste ophoping van biomassa, schade aan oevers en dijken, lawines en bos- en heidebranden;

K.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij een belangrijke sociaaleconomische bijdrage levert aan het Europese platteland doordat zij de landbouw en de werkgelegenheid in minder begunstigde gebieden in stand houdt en hoogwaardige traditionele producten levert;

L.  overwegende dat de generatievernieuwing onder veehouders moet worden verbeterd om het voortbestaan van dit soort veehouderij te verzekeren en een halt toe te roepen aan de snelle ontvolking van veel landelijke gebieden, waar basisdiensten en dienstverlening voor gezinnen schaars zijn, wat vooral gevolgen heeft voor vrouwen, die op vaak onzichtbare wijze een groot deel van het werk in de sector voor hun rekening nemen;

M.  overwegende dat deze sectoren dankzij factoren zoals beperkte kapitalisering, een goed ontwikkelde collectieve organisatie, wederzijdse bijstand en coöperatieve bedrijven met uitrusting voor gemeenschappelijk gebruik, een gunstig klimaat en goede kansen bieden voor jongeren die vee willen houden in een kleinschalige structuur of voor het starten van bedrijven;

N.  overwegende dat de gemiddelde leeftijd van de schapen- en geitenhouders stijgt en dat er onvoldoende kennisoverdracht plaatsvindt tussen generaties, hetgeen de vlotte werking van beide sectoren in de weg staat en het gevaar inhoudt dat er in de toekomst gebrek aan vaardigheden en kennis zal ontstaan; overwegende dat fokkers en producenten van verwerkte kwaliteitsproducten, zoals ambachtelijke kaas, vaak niet over de nodige marketing- en verkoopvaardigheden beschikken om hun producten op een aantrekkelijke manier in de handel te brengen;

O.  overwegende dat schapen- en geitenhouderij in de EU in de meeste gevallen extensief is, bijvoorbeeld op grasland; overwegende dat die houderij in sommige lidstaten op een intensief model gebaseerd is;

P.  overwegende dat deze sectoren bijdragen aan de instandhouding van gebieden van hoge ecologische of natuurwaarde, zoals weiden en arm grasland, graasgebieden met houtachtige planten en in bossen (dehesas), en minder vruchtbaar land, en dat zij ook een cruciale rol spelen bij het korthouden van ondergroei;

Q.  overwegende dat de definitie van blijvend grasland voor de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2017/2393(5) onvoldoende rekening hield met mediterraan grasland met overblijvende houtachtige plantensoorten, zoals dehesas en andere ecosystemen die verband houden met de boslandbouw, waardoor minder areaal in aanmerking kwam voor directe steun en de veehouders in deze gebieden werden benadeeld;

R.  overwegende dat het herdersbestaan een traditionele activiteit is binnen de extensieve veeteelt, die vooral wordt bedreven in berggebieden en die ontwikkeling mogelijk maakt in moeilijk toegankelijke of moeilijk te bewerken gebieden met een lage agronomische waarde, er zo voor zorgt dat er in deze gebieden een economische activiteit kan blijven bestaan;

S.  overwegende dat transhumance in sommige lidstaten deel uitmaakt van de veeteeltpraktijken;

T.  overwegende dat in het huidige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is voorzien in steun voor verschillende inheemse schapen- en geitenrassen;

U.  overwegende dat die rassen goed zijn aangepast aan de plaatselijke omgeving en een substantiële rol spelen in de instandhouding van de biodiversiteit en het natuurlijke evenwicht in hun habitats;

V.  overwegende dat inheemse rassen veel beter aangepast zijn aan de omstandigheden en kenmerken van het gebied waarin zij voorkomen;

W.  overwegende dat er momenteel 25 miljoen minder schapen zijn dan in de jaren '80 en dat de productie de afgelopen 17 jaar met meer dan 20 % is gedaald;

X.  overwegende dat de consumptie van schapen- en geitenvlees de afgelopen jaren aanzienlijk is gedaald, in het geval van schapenvlees van 3,5 kilo per persoon in 2001 tot 2 kilo nu, en dat die neerwaartse trend in 2017 heeft doorgezet, vooral onder jongeren;

Y.  overwegende dat de markt voor geitenvlees in Europa erg specifiek is, aangezien de productie in hoge mate geconcentreerd is in Griekenland, Spanje en Frankrijk bevindt en er vooral in Portugal, Italië en Griekenland veel geitenvlees wordt gegeten;

Z.  overwegende dat de productie van geitenvlees, afkomstig van geitenlammeren of volwassen uitstootdieren, seizoensgebonden is en een bijproduct van de zuivelproductie is dat gecontroleerd wordt door een gering aantal marktdeelnemers en waarvan de verkoopprijs niet hoog genoeg is om de veehouders te vergoeden;

AA.  overwegende dat de beperkte beschikbaarheid van geitenvlees in verkooppunten de zichtbaarheid van het product aantast, waardoor de consument minder geitenvlees eet;

AB.  overwegende dat de schapen- en geitensector goed is voor 3 % van de Europese melkproductie en 9 % van de Europese kaasproductie en dat er in de Europese Unie in totaal 1,5 miljoen mensen werkzaam zijn in deze sectoren;

AC.  overwegende dat de consumptie van geitenmelk- en kaas de afgelopen jaren in een aantal lidstaten aanzienlijk is toegenomen;

AD.  overwegende dat de productie van schapenvlees in de Unie slecht zo'n 87 % van de vraag dekt en dat de invoer uit derde landen, vooral uit Nieuw-Zeeland, het concurrentievermogen van de producten uit de EU aantast in de gevoeligste periodes van het jaar (Pasen en Kerstmis), maar ook tijdens de rest van het jaar, aangezien Nieuw-Zeeland en Australië grote exporteurs van schapenvlees zijn;

AE.  overwegende dat Nieuw-Zeeland de afgelopen jaren meer vers of gekoeld vlees is gaan uitvoeren en zijn traditionele uitvoer van bevroren vlees heeft beperkt, waardoor zijn invloed op de Europese markt voor vers vlees toeneemt en de prijzen die aan de Europese producenten worden betaald, dalen; overwegende dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de komende onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland;

AF.  overwegende dat de Europese producenten vaak niet op gelijke voet concurreren met de invoer uit derde landen, waarvoor vaak minder strenge kwaliteitsnormen, regelgevingseisen en milieunormen gelden;

AG.  overwegende de schapen- en de geitensector een gevoelige sector is die bij de lopende onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomsten tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland en Australië moet worden beschermd of volledig uitgesloten moet worden van die overeenkomsten;

AH.  overwegende dat sommige regio's in het nabuurschap van de EU belangstelling tonen voor schapen- en geitenproducten uit de EU, hetgeen een kans betekent voor de producenten in de EU die helaas niet ten volle wordt benut;

AI.  overwegende dat brexit aanzienlijke veranderingen teweeg zou kunnen brengen in de schapenvleeshandel binnen de EU, aangezien het VK de grootste producent en de belangrijkste haven van binnenkomst voor de invoer uit derde landen is;

AJ.  overwegende dat het VK ongeveer de helft van zijn marktquota voor schapenvlees uit Nieuw-Zeeland betrekt en bijna twee derde uit Australië en dat de Unie niet van de ene dag op de andere onder haar internationale verbintenissen uit kan, wat de door de brexit veroorzaakte onzekerheid nog verder vergroot;

AK.  overwegende dat schapen- en geitenwol een duurzame, hernieuwbare en biologisch afbreekbare grondstof voor de textielsector is;

AL.  overwegende dat wol niet als landbouwproduct is erkend uit hoofde van bijlage I bij het VWEU, maar slechts als dierlijke bijproduct is ingedeeld in Verordening (EU) nr. 142/2011;

AM.  overwegende dat de schapenhouders door dit gebrek aan erkenning worden benadeeld ten opzichte van andere veehouders, omdat voor wol strengere voorschriften gelden tijdens het vervoer dan voor erkende landbouwproducten, en omdat er voor wol geen marktinterventies via een gedeelde marktorganisatie mogelijk zijn;

AN.  overwegende dat de schapen- en geitenproductie hoofdzakelijk extensief van aard is, waardoor zij rechtstreeks in contact staat met in het wild levende dieren, waarvan de gezondheidstoestand niet kan worden gegarandeerd;

AO.  overwegende dat het scrapieplan van Verordening (EG) nr. 999/2001 tot een beperking van de uitwisseling van fokvee met 100 % heeft geleid en dat de scrapie-genotypering voor kleine, inheemse rassen een daling van het aantal mannelijke fokdieren met 50 % tot gevolg heeft gehad;

AP.  overwegende dat recente uitbraken van dierziekten hebben aangetoond dat een uitbraak in één lidstaat een bedreiging voor de gehele Europese landbouwmarkt kan vormen, zoals gebleken is bij de diverse epidemieën die de Europese Unie getroffen hebben, waarvan sommige, zoals de grootste Q-koortsepidemie ooit die tussen 2007 en 2011 in de geitenhouderij woedde, gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid;

AQ.  overwegende dat het vaccineren van schapen en geiten de kuddes in de lidstaten beschermt tegen grensoverschrijdende ziekten, waardoor het risico van het overslaan van ziektes naar andere lidstaten wordt beperkt en de effecten van antimicrobiële resistentie worden afgezwakt;

AR.  overwegende dat immunisatie door vaccinatie volgens het Europees "één gezondheid"-Actieplan tegen antimicrobiële resistentie een kosteneffectieve volksgezondheidsmaatregel is in de strijd tegen antimicrobiële resistentie, ondanks het feit dat het gebruik van antibiotica op de korte termijn goedkoper is, en dat het plan ook voorziet in maatregelen om te stimuleren dat er meer gebruik wordt gemaakt van diagnoses, antimicrobiële alternatieven en vaccins;

AS.  overwegende dat het systeem voor de elektronische identificatie van schapen en geiten de traceerbaarheid van de dieren effectief garandeert, maar dat het verlies van oormerken of onopzettelijke fouten bij het uitlezen ervan tot soms onevenredig zware sancties kunnen leiden;

AT.  overwegende dat de veehouders ook problemen ondervinden bij de toepassing van de huidige identificatievoorschriften voor geitenlammeren;

AU.  overwegende dat de bescherming die de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) bepaalde diersoorten biedt, en met name grote carnivoren, de verslechtering van hun natuurlijke habitats en de vermindering van het aantal en de kwaliteit van hun natuurlijke prooien, in combinatie met de ontvolking van het platteland en het ontbreken van investeringen in preventiemaatregelen door de lidstaten, hebben bijgedragen tot een toename van het aantal aanvallen op schapen- en geitenbeslagen in alle regio's, wat de toch al precaire situatie waarin sommige bedrijven verkeren nog verder aanscherpt en traditionele vormen van landbouw en veeteelt in vele gebieden in het gedrang brengt;

AV.  overwegende dat roofdieren en grote carnivoren in sommige regio's van de Europese Unie een goede instandhoudingsstatus hebben bereikt;

AW.  overwegende dat erover moet worden gedacht om de mogelijkheid in te voeren om de beschermingsstatus van soorten in bepaalde regio's te wijzigen zodra de gewenste instandhoudingsstatus is bereikt;

AX.  overwegende dat schapen- en geitenhouders worden geconfronteerd met heel wat bureaucratie en administratieve lasten die niet alleen voortvloeien uit hoofde het GLB, maar ook uit andere EU-regelgeving, zoals die inzake de behandeling van niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten;

AY.  overwegende dat de markt voor schapen- en geitenvlees sterk versnipperd is en met een gebrek aan transparantie in de verslaglegging over de marktprijzen kampt;

AZ.  overwegende dat er in sommige lidstaten maar zeer weinig slachthuizen zijn, hetgeen de ontwikkeling van de sectoren in die lidstaten belemmert;

BA.  overwegende dat de herstructurering van de slachtindustrie, de naleving van de gezondheidsregels en het dalende aantal slachtingen ten gevolge van de afname van de veehouderijactiviteiten in talrijke regio's hebben geleid tot de verdwijning van de economische instrumenten die noodzakelijk zijn om de lokale toeleveringsketens toegevoegde waarde te geven en in stand te houden;

BB.  overwegende dat onder andere de herstructurering van de slachtindustrie, de maatregelen die zijn ingevoerd naar aanleiding van de "gekkekoeienziekte" en het hygiëne- en gezondheidspakket, in veel landen hebben geleid tot de verdwijning van diverse instrumenten die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de rechtstreekse lokale verkoop, alsook tot hogere slachtkosten;

BC.  overwegende dat mobiele melkinstallaties en slachthuizen of maatregelen om dergelijke faciliteiten ter plekke beschikbaar te maken belangrijk en noodzakelijk zijn om de productiviteit van de schapen- en geitenhouderij te bevorderen;

BD.  overwegende dat de verscheidenheid van eindproducten in de schapen- en geitenvleessector vaak minder groot is dan bij andere soorten vlees, waardoor die producten minder aantrekkelijk zijn en er bijgevolg minder vraag naar is onder de consumenten;

BE.  overwegende dat de toegevoegde waarde van de vleesproductie moet worden verbeterd en er vernieuwende formules moeten worden ingevoerd die beter zijn afgestemd op het consumptiepatroon van jongeren;

BF.  overwegende dat de schapen- en geitenhouderij niet alleen de consumenten in de EU voorziet van een breed scala aan vlees-, zuivel- en wolproducten, maar ook een vitale culturele rol speelt in talrijke gemeenschappen, met evenementen zoals het kukeri-feest in Bulgarije en de capra-tradities in Roemenië;

BG.  overwegende dat er in talrijke lidstaten een steeds grotere markt bestaat voor lokale en biologische landbouwproducten, die beantwoorden aan de vraag van consumenten naar transparantie en kwaliteit;

BH.  overwegende dat de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1151/2012 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 665/2014 de facultatieve kwaliteitsaanduiding "product uit de bergen" mogen gebruiken om producten uit de schapen- en geitenhouderij die afkomstig zijn uit berggebieden meer zichtbaarheid te geven;

BI.  overwegende dat de kwaliteitsregelingen van de EU, en met name de BGA- (beschermde geografische aanduiding) en de BOB- (beschermde oorsprongsbenaming) keurmerken, een middel vormen om de producten uit de schapen- en geitenhouderij meer zichtbaarheid te geven en bijgevolg betere kansen te creëren om die met succes op de markt te brengen;

BJ.  overwegende dat sommige lidstaten geen structureel beleid kennen voor de ontwikkeling van beide of een van beide sectoren, hetgeen de ontwikkeling ervan in de weg staat;

BK.  overwegende dat dergelijk beleid aanbevelingen zou kunnen omvatten voor verschillende fases, zoals het fokken (rassenselectie, productie van rammen, enz.), alsook voor de marktrealisatie;

Betere ondersteuning

1.  steunt de aanbevelingen die in 2016 zijn gepubliceerd door het Forum voor schapenvlees dat onder auspiciën van de Commissie werd gehouden, en meer in het bijzonder de noodzaak milieubetalingen in te voeren ter erkenning van de rol die de schapen- en geitensector speelt bij het leveren van collectieve goederen, met name in geval van extensieve begrazing, op gebieden als bodemverbetering en het behoud van biodiversiteit, ecosystemen, ecologisch belangrijke gebieden en waterkwaliteit, het voorkomen van klimaatverandering, overstromingen, lawines, bosbranden en daarmee gepaard gaande erosie, en het behoud van het landschap en de werkgelegenheid; benadrukt dat deze aanbevelingen ook zouden moeten gelden voor geitenvlees en voor melkproducten van schapen en geiten;

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen om stimulansen te bieden aan landbouwers die transhumance toepassen;

3.  pleit ervoor om bij de komende hervorming van het GLB de vrijwillige gekoppelde steun voor de schapen- en geitensector en andere relevante maatregelen voor beide sectoren te behouden of indien mogelijk te verhogen, met gedifferentieerde subsidies voor veebeslagen die worden geweid, om de leegloop in deze sectoren in de EU af te remmen, gezien het feit dat veel schapen- en geitenhouders sterk afhankelijk zijn van rechtstreekse betalingen;

4.  onderstreept dat de regeling inzake vrijwillige gekoppelde steun in het kader van de overeenkomst die is bereikt bij de onderhandelingen over Verordening (EU) 2017/2393 wordt vereenvoudigd en verduidelijkt omdat geen gewag meer wordt gemaakt van kwantitatieve beperkingen en productiebehoud en bepaalde subsidiabiliteitscriteria en het totale budget jaarlijks door de lidstaten kunnen worden herzien;

5.  verzoekt de lidstaten om de agromilieubetalingen uit te breiden naar grasland dat gebruikt wordt voor begrazing door schapen en geiten en steun te verlenen aan houders die voor meer dierenwelzijn zorgen;

6.  is ingenomen met de overeenkomst die is bereikt bij de onderhandelingen over de Verordening (EU) 2017/2393, waarin de specifieke eigenschappen van mediterraan grasland, zoals dehesas, worden erkend, waardoor er eerlijkere regelingen kunnen worden getroffen inzake land dat in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen en er een einde wordt gemaakt aan de intrinsieke discriminatie van de begrazing van arm grasland en silvo-pastorale systemen;

7.  benadrukt het belang van dit soort weidegronden voor de brandpreventie, maar constateert dat deze verbeteringen nog steeds facultatief zijn voor de lidstaten;

8.  meent dat andere ecosystemen die verband houden met de begraasde boslandbouw in dat opzicht evenmin mogen worden gediscrimineerd en vraagt om het criterium van 50 % gras in bebost gebied waaraan veehouders moeten voldoen om een rechtstreekse areaalbetaling te kunnen krijgen, te schrappen voor de geiten- en schapenhouders;

9.  pleit ervoor om dieren ook te laten grazen in gebieden van ecologisch belang, met inbegrip van droog en arm grasland zoals dat in sommige minder begunstigde regio's voorkomt;

10.  benadrukt dat begrazing niet moet worden toegestaan als het gevaar bestaat dat gevoelige natuurgebieden geschaad worden; onderstreept in dat verband het grote belang van herkauwers in de exploitatie van ruwe vezels;

11.  acht het noodzakelijk om meer steun te verlenen aan jonge boeren en nieuwe starters, zowel via de rechtstreekse steun als via steun uit hoofde van het plattelandsontwikkelingsbeleid, in overeenstemming met het nationaal beleid, met het oog op de invoering van maatregelen om het opzetten of overnemen van schapen- en geitenhouderijen te stimuleren, aangezien de hoge gemiddelde leeftijd in de veeteelt, die zelfs duidelijk hoger is dan die in andere landbouwberoepen vanwege de geringe winstgevendheid, een van de belangrijkste uitdagingen vormt voor de leefbaarheid van het platteland en de voedselzekerheid in de Unie;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de specifieke problemen die worden gesignaleerd door vertegenwoordigende organisaties van vrouwen die in deze sector werken, door onder meer maatregelen te nemen om hun zichtbaarheid te vergroten, eigendom en mede-eigendom te stimuleren en te voorzien in de nodige diensten om gezinnen te ondersteunen;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke programma's uit te werken om vrouwen in staat te stellen hun plek te vinden in deze specifieke sectoren, aangezien dit een grote bijdrage zou kunnen leveren aan de noodzakelijke generatievernieuwing in de sector en de instandhouding van de schapen- en geitenhouderij als familiebedrijf;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om beter te waken over de diversiteit van de genetische hulpbronnen in de schapen- en geitensector, gezien het belang daarvan voor de productiviteit (vruchtbaarheid enz.), de kwaliteit van de producten en de aanpassing van de dieren aan hun omgeving;

15.  is ingenomen met de huidige steun om inheemse rassen en rassen van kenmerkende kwaliteit te bevorderen, zoals biologische certificatie;

16.  benadrukt dat in dit verband bij de fokplannen rekening moet worden gehouden met de instandhouding van lokale en landrassen;

17.  benadrukt hoe belangrijk inheemse schapen- en geitenrassen zijn voor de begrazing van het Alpengebied, aangezien dat niet door andere diersoorten kan worden benut;

18.  roept de Commissie op maatregelen te nemen om de steun voor dit soort schapen- en geitenhouderij op te voeren;

19.  verzoekt om meer steun voor producentenorganisaties in de schapen- en geitensector;

20.  houdt rekening met de ontwikkeling van subsidies in deze sectoren, die van het allergrootste belang is om de efficiëntie en het concurrentievermogen in de productie te vergroten, de productkwaliteit te verbeteren en het vermogen van de EU om haar eigen vraag naar schapenvlees te dekken, te vergroten, aangezien dit allemaal doelen zijn die stroken met de doelstellingen van de EU op het gebied van efficiëntie-ontwikkeling en kwaliteitsverbetering;

Afzetbevordering en innovatie

21.  verzoekt de Commissie om meer steun te verlenen voor onderzoek naar innovatieve productiemethoden en -technologieën om het concurrentievermogen van de schapen-en geitensector te vergroten en de afzet van vlees-, zuivel- en wolproducten te bevorderen op de interne markt, waarbij de nadruk niet alleen moet liggen op traditionele producten zoals kaas, maar ook op nieuwere soorten vleesproducten, zodat er een aanbod ontstaat dat beantwoordt aan de verwachtingen van de consumenten en de marktvraag; verzoekt de Commissie eveneens een regelmatigere consumptie aan te moedigen door middel van informatiecampagnes over recepten en bereidingswijzen die aangepast zijn aan de nieuwe consumptiepatronen, ook in nieuwe opkomende markten in buurlanden en in het oosten, en waarin de nadruk wordt gelegd op de voedingswaarde en gezondheidsvoordelen van schapen- en geitenvlees;

22.  acht het noodzakelijk het idee te ontkrachten dat lamsvlees moeilijk te bereiden zou zijn en de huidige trend om rood vlees te vermijden te keren;

23.  wijst erop dat er absoluut inspanningen moeten worden geleverd om de consumptie van schapen- en geitenvlees te vergroten als de productie in de EU wordt opgevoerd;

24.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om binnen de volgende door de Unie gesubsidieerde afzetbevorderingscampagnes in een specifieke begrotingslijn voor vlees- en melkproducten van geiten en schapen te voorzien;

25.  onderstreept dat reclamecampagnes om de consumptie van producten van geiten en schapen te verhogen in de gehele EU voldoende financiering moeten krijgen;

26.  wenst dat vachten en wol worden opgenomen onder de producten die voor steun in aanmerking komen;

27.  verzoekt de Commissie campagnes te coördineren om de invoering van BGA- en BOB-keurmerken voor producten van schapen en geiten te stimuleren om die aantrekkelijker te maken; verzoekt om een grondige studie naar de afzetmogelijkheden voor wol om producenten van een grotere opbrengst te verzekeren;

28.  spoort meer lidstaten ertoe aan om de facultatieve kwaliteitsaanduiding "product uit de bergen" te gebruiken, zoals voorzien in de huidige EU-regelgeving, die een instrument vormt om de producten meer zichtbaarheid te geven en consumenten in staat te stellen om een beter geïnformeerde keuze te maken;

29.  benadrukt de noodzaak van invoering van garantiemerken voor vlees van schapen- en geitenlammeren, zowel voor individuele producenten als voor producentenverenigingen als mogelijke begunstigden van steun voor kenmerkende kwaliteit; benadrukt dat die merken moeten worden goedgekeurd door de bevoegde lokale autoriteit overeenkomstig de toepasselijke regelingen en bepalingen inzake het gebruik van dergelijke merken;

30.  verzoekt om steun voor EU-brede promotie-evenementen rond de schapen- en geitensector, zoals festivals of andere soortgelijke jaarlijkse evenementen, als middel om de bevolking meer bewust te maken van de voordelen van deze sectoren voor de EU, het milieu en de burgers;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de benutting van het grote potentieel van traditionele praktijken in de schapen- en geitenhouderij te ondersteunen via agrotoerisme;

Goede praktijken

32.  verzoekt de Commissie om de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van een schapen- en geitensector waarin de toegevoegde waarde op de bedrijven kan worden gemaximaliseerd via een kwaliteitsvol beleid dat bevorderlijk is voor de productie van melkproducten op het bedrijf, die hoofdzakelijk in korte ketens en op plaatselijke markten worden afgezet; wijst er in dit verband op dat de Commissie erop moet toezien dat de hygiënevoorschriften in alle lidstaten beter worden toegepast, in het bijzonder door gebruik te maken van de "Europese gids voor goede hygiënische praktijken in de ambachtelijke kaasproductie" die in samenwerking met de Commissie is uitgewerkt door het FACE-netwerk (Farmhouse and Artisan Cheese & Dairy Producers European Network);

33.  verzoekt de Commissie om een onlineplatform op te zetten voor de schapen- en de geitensector, dat hoofdzakelijk bestemd moet zijn voor het uitwisselen van goede praktijken en gegevens van de lidstaten;

34.  dringt er bij de Commissie op aan om richtsnoeren voor goede afzetpraktijken voor producten uit de schapen- en geitensector op te stellen, die vervolgens kunnen worden verspreid in de lidstaten en onder de beroepsorganisaties;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om meer aandacht te schenken aan de wolproducerende en -verwerkende sector door de tenuitvoerlegging van programma's voor de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de actoren in de wolverwerkingsketen te ondersteunen;

36.  dringt er bij de Commissie op aan om na te gaan of bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en Verordening (EU) nr. 142/2011 inzake de behandeling van dierlijke bijproducten een uitzondering kan worden gemaakt voor wol, aangezien het gaat om een product dat niet bestemd is voor menselijke consumptie;

Marktverbetering

37.  roept de Commissie op om voorstellen in te dienen inzake prijstransparantie in de schapen- en geitensector teneinde consumenten en producenten informatie te verstrekken over productprijzen;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te overwegen om de regelingen inzake hele geslachte dieren te harmoniseren opdat zij de werkelijke kosten weerspiegelen, zonder afbreuk te doen aan de biodiversiteit waarvoor lokale rassen zorgen, en om een Europese waarnemingspost in het leven te roepen die toezicht houdt op de prijzen en de productiekosten van schapen- en geitenvlees; wijst op het belang van toezicht op de marges in de gehele voedselvoorzieningsketen, ook wat de groothandelsprijzen betreft;

39.  waarschuwt ervoor dat een stagnerende of dalende vraag en een hogere productie tot lagere prijzen voor de producenten kunnen leiden;

40.  herinnert eraan dat producenten van schapen- of geitenmelk die verenigd zijn in producentenorganisaties, uit hoofde van artikel 149 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 de mogelijkheid hebben om gezamenlijke contractuele onderhandelingen te voeren voor maximaal 33 % van de nationale productie en 3,5 % van de Europese productie; onderstreept dat die drempels hoofdzakelijk zijn ingevoerd voor de productie van rauwe koemelk en bijgevolg beperkend zijn en weinig zijn aangepast aan de productie van kleine herkauwers, in het bijzonder wanneer veehouders zich willen organiseren in verenigingen van lokale producentenorganisaties of producentenorganisaties van meerdere kopers of wanneer zij te maken hebben met grote industriële concerns;

41.  vraagt om precieze indicatoren uit te werken om een nauwere follow-up van de productie en consumptie van en de handel in geitenvlees mogelijk te maken, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen volwassen dieren en lammeren;

42.  is van mening dat de onderhandelingspositie en de marktmacht van de producenten in de voedselvoorzieningsketen moeten worden verbeterd door de regels inzake contractuele betrekkingen voor de schapen- en geitensector uit te breiden, zowel voor vlees- als voor zuivelproducten, door producentenorganisaties en brancheorganisaties op te zetten zoals dat reeds gebeurt in andere landbouw- en veeteeltsectoren, in overeenstemming met het akkoord dat is bereikt in het kader van Verordening (EU) 2017/2393, teneinde het concurrentievermogen te vergroten en de productiviteit van de sector, die momenteel laag is, te verbeteren;

43.  vraagt om voor schapenvlees dezelfde BOB- en BGA-keurmerken in te voeren als voor ham, overeenkomstig artikel 172 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, als beheersmaatregel om ervoor te zorgen dat het aanbod beter kan worden afgestemd op de vraag;

44.  onderstreept dat producentenorganisaties en verenigingen van producentenorganisaties voor schapen- of geitenmelk zich aan de bindende plafonds van artikel 149 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kunnen onttrekken als zij overeenkomstig artikel 152 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2393 samen een economische activiteit verrichten (afzetbevordering, kwaliteitscontrole, verpakking, etikettering of verwerking);

45.  moedigt alle lidstaten die dat nog niet doen om de financiële steun uit het melkpakket uit te breiden tot de schapen- en geitenmelksector;

46.  meent dat moet worden voorkomen dat producten van de schapen- en geitenhouderij onder de producentenprijs worden verkocht;

47.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten een onderzoek in te stellen naar de toeleveringsketen van schapen- en geitenvlees (en daarbij onder meer onderscheid te maken tussen vlees van volwassen dieren en dat van lammeren) om ervoor te zorgen dat de landbouwers een eerlijke marktprijs voor hun producten krijgen;

48.  wijst in dat verband op het belang van rechtstreekse afzet van producten van de schapen- en geitenhouderij;

49.  verzoekt de Commissie rechtstreekse verkoop door producenten en producentenverenigingen te stimuleren om kunstmatige prijsstijgingen te beperken;

50.  pleit voor de ontwikkeling van lokale toeleveringsketens in de schapenhouderij als middel om de inkomsten van de schapenhouderijen te verhogen en vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, en vraagt de lidstaten en de Commissie om bijzondere aandacht te besteden aan hun openbaar beleid inzake lokale slachthuizen, die onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van deze lokale toeleveringsketens;

51.  herinnert eraan dat de producenten uit hoofde van artikel 150 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 maatregelen kunnen treffen om het aanbod van kaas, in het bijzonder van schapen- of geitenmelk met een BOB- of BGA-keurmerk, te reguleren;

52.  is ingenomen met het feit dat deze instrumenten in het kader van de overeenkomst die bij de onderhandelingen over Verordening (EU) 2017/2393 is bereikt, tot na 2020 zijn verlengd;

53.  acht het noodzakelijk om veehouders te stimuleren om hun aanbod te concentreren in samenwerkingsverbanden zoals coöperaties om zo hun onderhandelingspositie binnen de toeleveringsketen te versterken, de productie van de aangesloten veehouders meerwaarde te bieden en acties op te zetten die de kosten helpen verlagen of die moeilijk op individueel niveau te realiseren zijn, zoals innovatie en fokadvies;

54.  spoort de autoriteiten in de lidstaten waar beroepsorganisaties in de schapen- en geitensector duidelijk belangstelling hebben getoond, aan om strategieën voor de ontwikkeling van die sectoren op de middellange en de lange termijn uit te werken, met suggesties om de rassenselectie en de marktdoorbraak van producten te verbeteren;

55.  roept de Commissie en de lidstaten op om programma's te starten die de producenten aanmoedigen tot het oprichten van producenten- en afzetverenigingen, tot rechtstreekse verkoop en tot de productie van en toekenning van keurmerken aan bijzondere kwaliteiten van vlees- en melkproducten van geiten en schapen (bijvoorbeeld biologische producten of regionale specialiteiten);

56.  verzoekt de Commissie om de administratieve formaliteiten te verlichten voor het openen van kleine kaasmakerijen binnen schapen- en geitenhouderijen, waardoor de veehouders de kans krijgen om de toegevoegde waarde van hun bedrijf te vergroten;

57.  dringt er bij de Commissie op aan om aanvullende hulpmiddelen en instrumenten te overwegen die de sectoren kunnen helpen om het hoofd te bieden aan crises, mondiale uitdagingen aan te gaan en hun duurzame ontwikkeling te verzekeren;

58.  acht het noodzakelijk om over instrumenten voor crisispreventie en -beheer te kunnen beschikken in de schapen- en geitensector, om prijsschommelingen te beperken, een correcte vergoeding van de producenten mogelijk te maken en een gunstig klimaat te creëren voor investeringen en voor overnames door jongeren;

59.  wijst erop dat de kwaliteit van schapen- en geitenvlees sterk afhankelijk is van het voedsel van de dieren en dat de mededingingsvoorwaarden in de schapen- en geitensector in de EU bijgevolg sterk verschillen van regio tot regio;

60.  verzoekt de nationale overheden te waarborgen dat de producenten toegang hebben tot de markten en dat er gespecialiseerde afzetkanalen worden opgezet;

Brexit en handelsovereenkomsten

61.  vraagt de Commissie om te analyseren hoe de situatie op de schapenmarkt eruit zal zien na de brexit en om de nodige maatregelen te nemen om ernstige marktverstoringen te voorkomen, onder meer door een doeltreffender vangnet voor prijzen en markten in te voeren om de sector te beschermen tegen de effecten van de brexit;

62.  dringt er bij de Commissie op aan om, in afwachting van haar beoordeling van de effecten van de brexit op de schapen- en geitensector, voorzichtigheid te betrachten bij de onderhandelingen over de nieuwe vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland en Australië en met name de toekomst van het contingent van 287 000 ton equivalent geslacht gewicht schapenvlees dat door de EU is toegewezen aan Nieuw-Zeeland en gemiddeld voor ongeveer 75 % wordt benut en waarvan momenteel ongeveer 48 % door het VK wordt gebruikt, en van het contingent van 19 200 ton equivalent geslacht gewicht schapenvlees, dat door de EU aan Australië is toegewezen en gemiddeld voor bijna 100 % wordt benut en waarvan momenteel ongeveer 75 % door het VK wordt gebruikt;

63.  is van mening dat in de nieuwe vrijhandelsovereenkomsten moet worden bepaald dat de contingenten die aan Nieuw-Zeeland en Australië worden toegekend voor de uitvoer van lamsvlees naar de EU worden gesplitst in onderscheiden categorieën voor enerzijds vers of gekoeld en anderzijds bevroren vlees; herinnert eraan dat lammeren in de EU heel vaak op de markt worden gebracht als ze zes of negen maanden oud zijn, terwijl ze in Nieuw-Zeeland vaak worden verkocht als ze twaalf maanden oud zijn; onderstreept dat de preferentiële markttoegang niet mag worden verhoogd tot boven de bestaande tariefcontingenten;

64.  herinnert eraan dat het Parlement schapenvlees als bijzonder gevoelig heeft aangemerkt voor de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland en in zijn resolutie van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad voor het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor handelsonderhandelingen met Nieuw-Zeeland(6) heeft gepleit om de meest gevoelige sectoren mogelijk buiten beschouwing te laten;

65.  herhaalt dat de hoge Europese normen op het vlak van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid in elke vrijhandelsovereenkomst volledig moeten worden geëerbiedigd; merkt op dat de huidige tariefcontingenten voor Nieuw-Zeeland gevolgen hebben voor de productie van schapenvlees in de EU;

66.  is bezorgd over de brief die de Verenigde Staten en zes andere grote exporteurs van landbouwproducten (Argentinië, Brazilië, Canada, Nieuw-Zeeland, Thailand en Uruguay) op 26 september 2017 aan de vertegenwoordigers van het VK en de EU bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hebben doen toekomen over interne discussies over een eventuele herverdeling van de tariefcontingenten tussen het VK en de overige lidstaten;

67.  onderstreept dat het van belang is dat het VK na zijn vertrek uit de Unie zijn huidige aandeel in de tariefcontingenten behoudt en dat er een overeenkomst wordt bereikt waarin het aanbod aan ingevoerd schapenvlees op de markten van het VK en van de EU niet te groot is, om nadelige gevolgen voor de producenten in het VK en in de EU te voorkomen;

68.  begrijpt dat de Britse schapenvleessector sterk afhankelijk is van de EU-markt, maar is van mening dat deze situatie zowel uitdagingen stelt als kansen biedt;

69.  is van mening dat de terugtrekking van het VK uit de EU een kans moet zijn om de Europese schapen- en geitensector verder te ontwikkelen teneinde de EU minder afhankelijk te maken van de invoer van schapen- en geitenvlees uit Nieuw-Zeeland;

70.  betreurt dat de meer dan 1 400 Europese landbouwproducten met een beschermde geografische aanduiding niet automatisch een gelijkwaardige bescherming krijgen op de markten van derde landen die onder de door de Unie gesloten internationale handelsovereenkomsten vallen;

71.  vraagt om bij het sluiten van nieuwe handelsovereenkomsten met derde landen rekening te houden met de onzekere situatie van de schapen- en geitenhouders, meer bepaald door deze bedrijfstakken op te nemen in de lijst van gevoelige sectoren of zelfs uit te sluiten van de onderhandelingen, om te vermijden dat er bepalingen worden vastgesteld die het Europese productiemodel en de lokale economieën op de een of andere wijze in het gedrang te brengen;

72.  benadrukt dat de productiekosten en de productienormen van de voornaamste schapen- en geitenvlees exporterende landen beduidend lager zijn dan die in Europa;

73.  onderstreept dat deze sectoren een passende behandeling moeten krijgen, bijvoorbeeld via de invoering van tariefcontingenten of passende overgangsperioden, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de gecumuleerde effecten van handelsovereenkomsten op de landbouw, of zelfs door deze sectoren uit te sluiten van de onderhandelingen;

74.  wijst in dat verband ook vooral op de ernstige dierenwelzijnsproblemen en milieugevolgen van grote vervoersafstanden van en naar verafgelegen landen;

75.  roept de Commissie op om in de Unie een verplichte regeling voor EU-etikettering voor schapenvleesproducten in te voeren, zo mogelijk met één in de hele EU gebruikt logo dat consumenten in staat stelt onderscheid te maken tussen EU-producten en producten uit derde landen; stelt voor dat dat label gecertificeerd wordt op grond van een aantal criteria, zoals een garantiesysteem voor landbouwbedrijven en een aanduiding van het land van herkomst, zodat consumenten zich volledig bewust zijn van de plaats van herkomst van het product;

76.  is van mening dat het systeem zo moet worden opgezet dat de bestaande promotionele etiketteringssystemen in de lidstaten en de regio's niet worden ondermijnd;

77.  roept de Commissie op bijstand te verlenen bij het openen van exportmarkten voor schapenvlees en slachtafval uit de EU in landen waar op dit moment onnodige beperkingen gelden;

78.  verzoekt de Commissie te overwegen om de uitvoer van de Unie naar Noord-Afrika te vergroten, aangezien dit een groeimarkt is die de kwaliteit en de voedselveiligheid die de EU garandeert, weet te waarderen;

79.  verzoekt de Commissie om verslagen op te stellen over de mogelijke doelmarkten voor vlees- en zuivelproducten van schapen en geiten uit de EU;

80.  verzoekt de Commissie om de kwaliteit van de door de EU uitgevoerde producten te bevorderen, in het bijzonder via strikte gezondheidsnormen en traceerbaarheidsvereisten, die schapen- en geitenvlees van een hogere kwaliteit garanderen dan het door Nieuw-Zeeland en Australië uitgevoerde vlees; wijst erop dat de bijzondere nadruk die de EU legt op kwaliteit benadrukt moet worden om de consumptie van Europees schapen- en geitenvlees te stimuleren;

Elektronisch identificatiesysteem

81.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op te overwegen om de tolerantieniveaus die worden toegepast wanneer sancties worden opgelegd aan veehouders die bij het merken van schapen en de toepassing van het systeem voor elektronische identificatie onopzettelijke fouten hebben gemaakt, te harmoniseren, onder de strikte voorwaarde dat dit leidt niet tot acceptatie van een hogere foutenmarge dan voor de preventieve diergezondheidszorg en in het licht van de "één gezondheid"-aanpak verantwoord is;

82.  erkent het belang van een eenvormige aanpak en verbetering van de preventieve diergezondheidszorg in de Unie;

83.  benadrukt dat de lidstaten zonder uitzondering de wetgeving moeten toepassen;

84.  onderstreept dat er bij schapen die extensief worden geweid in gebieden met natuurlijke beperkingen meer oormerken verloren gaan dan bij ander vee in laagvlakten en vraagt de Commissie om dit te erkennen;

85.  verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of er een vereenvoudigd identificatiesysteem kan worden opgezet voor kleine beslagen in de extensieve veeteelt bestemd voor lokale ketens, zonder afbreuk te doen aan de effectieve traceerbaarheid van producten, en meer flexibele en op groei gerichte bepalingen in te voeren met betrekking tot het gebruik van elektronische oormerken;

86.  merkt op dat identificatiesystemen zo moeten worden ontworpen dat de administratieve rompslomp tot een minimum wordt beperkt; onderstreept dat producenten met lage inkomens financiële bijstand nodig zullen hebben om dure verplichte systemen voor elektronische identificatie in te voeren;

Gezondheidsaspecten

87.  stelt vast dat uitbraken van dierziekten desastreuze gevolgen hebben voor het welzijn van dieren, boeren en omwonenden;

88.  benadrukt dat de gezondheid van mens en dier te allen tijde voorop moet staan;

89.  is van mening dat er meer moet worden gedaan om grensoverschrijdende uitbraken van dierziekten te voorkomen en de gevolgen van antimicrobiële resistentie te verkleinen, en dat vaccinatie moet worden bevorderd om de verspreiding van infecties bij schapen en geiten tegen te gaan;

90.  roept de Commissie op om, in overeenstemming met het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie, stimulansen en ondersteuning te voorzien voor schapen- en geitenhouders die een hoge vaccinatiegraad van hun dieren kunnen aantonen, aangezien er voor die houders anders weinig marktprikkels zouden zijn om dat te doen;

91.  verzoekt de Commissie te zorgen dat zij beter kan reageren op het uitbreken van dierepidemieën, zoals blauwtong, door middel van een nieuwe EU-strategie voor diergezondheid, de financiering van onderzoek, een schadeloosstelling voor verliezen, voorschotten op betalingen enz.;

92.  roept de Commissie op een plan van aanpak op te stellen om ziekte en sterfte onder bokjes te voorkomen waarbij uitgegaan wordt van de intrinsieke waarde van het dier en waarbij zowel het welzijn van de bokjes als dat van de geiten voorop staat;

93.  roept de Commissie op om het gebruik van vaccins met immuunprecisie te faciliteren als een eerste maatregel ter bestrijding van mogelijke ziekte-uitbraken in de sector;

94.  benadrukt de noodzaak om de beschikbaarheid van medicinale en veterinaire producten voor de schapen- en geitensector op EU-niveau te verbeteren door het farmaceutisch onderzoek te ondersteunen en het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen te vereenvoudigen;

95.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gezondheidstoestand van de in het wild levende diersoorten opnieuw te bekijken, in het bijzonder in gebieden waar extensieve veeteelt wordt bedreven;

Roofdieren

96.  herinnert eraan dat de toename van het aantal roofdieren onder meer toe te schrijven is aan de huidige EU-regelgeving inzake de instandhouding van inheemse wilde diersoorten;

97.  is voorstander van een herziening van de desbetreffende bijlagen bij de habitatrichtlijn om de verspreiding van roofdieren in bepaalde beweidingsgebieden te controleren en te beheren;

98.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de flexibiliteit die die richtlijn biedt voor het aanpakken van deze problemen op een wijze die de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden niet in het gedrang brengt;

99.  onderstreept dat in alle suggesties die worden overwogen, moet worden uitgegaan van een objectieve, op wetenschappelijke feiten gebaseerde aanpak waarin rekening wordt gehouden met het gedrag van dieren, de verhoudingen tussen roofdier en prooi, een nauwkeurige kwantificering per regio van het predatierisico door soorten die in de habitatrichtlijn worden opgesomd, hybridisatie, de dynamiek van verspreidingsgebieden en andere ecologische kwesties;

100.  onderstreept dat het aantal aanvallen op vee door wolven en niet-beschermde kruisingen tussen wolven en honden blijft stijgen, ondanks het feit dat de veehouders en de gemeenschap hier steeds meer middelen voor inzetten;

101.  wijst erop dat de grenzen van de aanbevolen en getroffen maatregelen om het vee te beschermen thans in zicht komen, zoals blijkt uit het feit dat het aantal gedode dieren aanzienlijk is gestegen;

102.  merkt op dat dit gebrek aan doeltreffendheid de toekomst van milieuvriendelijke veehouderijen, zoals de herderseconomie, waarbij het vee buiten wordt gehouden, in het gedrang brengt, aangezien sommige veehouders hun dieren beginnen op te sluiten, hetgeen er op termijn niet alleen toe leidt dat een immens, bijzonder extensief areaal niet meer benut wordt, waardoor een hoog risico op bosbranden en lawines ontstaat, maar ook dat veehouders ertoe worden aangezet om voor intensievere houderijvormen te kiezen;

103.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, alsook de lokale en regionale autoriteiten, om in overleg met veehouders en andere belanghebbenden plattelandsontwikkelingsmaatregelen te overwegen om het vee te beschermen, de verliezen veroorzaakt door aanvallen van grote roofdieren, waaronder ook roofdieren die niet krachtens de habitatrichtlijn zijn beschermd, naar behoren te vergoeden en de steun zo aan te passen dat de beslagen kunnen worden aangevuld;

104.  acht het noodzakelijk dat er maatregelen worden genomen om de beschermingsstatus van roofdieren in het kader van het Verdrag van Bern te herzien;

105.  verzoekt de lidstaten om de aanbevelingen van dat verdrag toe te passen om de verspreiding van hybride wolfshonden, die de instandhouding van de soort canis lupus in het gedrang brengen en verantwoordelijk zijn voor het merendeel van de aanvallen op schapen- en geitenbeslagen, tegen te gaan;

106.  wijst op het gedeeltelijke succes van regelingen om bepaalde rassen herdershonden opnieuw te introduceren om wolven of op zijn minst kruisingen af te schrikken;

107.  stelt voor dat er "wolvenombudsmannen" worden aangewezen om te bemiddelen tussen de verschillende belangen en bij geschillen over de beschermingsstatus en de noodzaak van schadeloosstelling voor door wolven gedode dieren, naar het voorbeeld van het geslaagde model voor berenombudsmannen dat in sommige lidstaten bestaat;

108.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de aanbevelingen van het Parlement in zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie;

109.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om met het oog op de verbetering van de arbeidssituatie in de sector programma's te ontwikkelen om de opleiding van waak- en herdershonden te verbeteren en de veehouders te leren die honden op de juiste manier in te zetten, en verzoekt met het oog daarop om spoedige verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking en uitwisseling van ideeën en succesvolle werkwijzen tussen overheden, veehouders en natuurbeschermers met betrekking tot grote roofdieren;

110.  verzoekt om de instelling van beschermde weidegebieden waarin grote roofdieren onder controle kunnen worden gehouden, zodat hun terugkeer niet tot een achteruitgang op het gebied van dierenwelzijn (transhumance, open stallen, enz.) of van de traditionele landbouw en veeteelt (zomerweiden in berggebieden) leidt;

Slachthuizen

111.  wijst erop dat er in de slachtbedrijven steeds meer concentratie plaatsvindt, wat tot uiting komt in het feit dat groepen vleesverwerkingsbedrijven de volledige vleestoeleveringsketen van levend dier tot verpakt vers vlees controleren, en dat dit niet alleen tot langere afstanden voor het vervoer van levende dieren leidt, maar ook tot hogere kosten en een daling van het rendement voor de producenten;

112.  verzoekt de Commissie om steunmaatregelen vast te stellen voor het opzetten van slachtinrichtingen en het vereenvoudigen van vergunningsprocedures;

113.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om werk te maken van de ontwikkeling van lokale netwerken die kunnen helpen om de inkomsten te verbeteren door de oprichting van plaatselijke en mobiele slachthuizen te faciliteren, die onmisbaar zijn voor de structurering van deze ketens;

Opleiding

114.  verzoekt de lidstaten scholingsprogramma's op te zetten om vertegenwoordigers van de sector opleidingen aan te bieden om hun te leren hoe zij hun producten kunnen valoriseren, zodat zij kunnen concurreren met andere vlees- en zuivelproducten;

115.  acht het absoluut noodzakelijk om in de lidstaten waar veel van dit soort veehouderijen aanwezig zijn op transhumance gerichte herdersscholen op te richten, om zo te voorzien in een alternatieve bron van werk in de veehouderij die de generatievernieuwing bevordert en tegelijkertijd het aanzien en de maatschappelijke erkenning van traditionele beroepen, zoals het herdersbestaan, vergroot;

116.  acht het noodzakelijk om niet alleen de innovatie (landbouwpraktijken, nieuwe producten enz.), maar ook de adviesdiensten en de initiële en voortgezette opleiding in de schapen- en geitensector te bevorderen;

Andere punten

117.  verzoekt de Commissie om de relevante EU-wetgeving te implementeren en te handhaven, in het bijzonder Richtlijn (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het transport;

118.  acht het noodzakelijk dat gevolg wordt gegeven aan de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat bescherming van dierenwelzijn niet ophoudt aan de EU-buitengrenzen en dat transporteurs van dieren die vanuit de Europese Unie vertrekken, zich daarom ook buiten de EU aan de Europese regels voor dierenwelzijn moeten houden;

119.  vestigt de aandacht op de waterschaarste in veel regio's waar geiten en schapen worden gehouden en in het bijzonder in de regio's in het Middellandse Zeegebied, en wijst erop dat die situatie door de klimaatverandering alleen maar erger zal worden;

120.  wijst erop dat het bijgevolg noodzakelijk is om een beter beheer van de waterhuishouding te verzekeren via aangepaste voorzieningen, rekening houdend met spreiding van neerslag over het jaar en de duurzaamheid;

o
o   o

121.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 286 E van 27.11.2009, blz. 41.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0441.
(3) https://www.nationaleombudsman.nl/onderzoeken/2012/100
(4) https://www.nationaleombudsman.nl/onderzoeken/2017030-onderzoek-naar-de-lessen-die-de-overheid-uit-de-qkoorts-epidemie-heeft
(5) Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15).
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0420.


Pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie
PDF 235kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2018 over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie (2017/2209(INI))
P8_TA(2018)0204A8-0144/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 7, 9, 10, 11 en 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 9, 10 en 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Europees Sociaal Handvest,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, aangenomen en voor ondertekening en ratificatie opengesteld bij Resolutie nr. 2106 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 1965,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1),

–  gezien Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten,

–  gezien het Europees Handvest voor persvrijheid,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien de verklaringen, aanbevelingen en resoluties van het Comité van ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de adviezen en de checklist voor de rechtsstaat van de Commissie van Venetië,

–  gezien de studie van de Raad van Europa getiteld "Journalists under pressure – Unwarranted interference, fear and self-censorship in Europe",

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie en het Unescoverdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

–  gezien Algemeen Commentaar nr. 34 van het Mensenrechtencomité van de VN,

–  gezien de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN,

–  gezien de relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de verslagen van de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting,

–  gezien het actieplan van de VN inzake de veiligheid van journalisten en de kwestie van straffeloosheid,

–  gezien de werkzaamheden die de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), en met name de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid, heeft uitgevoerd op het gebied van mediavrijheid,

–  gezien het werk van het platform van de Raad van Europa voor de bevordering van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over vrijheid van meningsuiting en "nepnieuws", desinformatie en propaganda, die op 3 maart 2017 werd afgelegd door de speciale VN‑rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid, de speciale rapporteur van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) inzake vrijheid van meningsuiting en de speciale rapporteur van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken (ACHPR) inzake vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie,

–  gezien de cijfers in de door Verslaggevers zonder grenzen gepubliceerde Wereldindex voor persvrijheid en die van de Monitor voor het pluralisme van de media van het Centrum voor pluralisme van de media en mediavrijheid van het Europees Universitair Instituut,

–  gezien de beleidsnota van ARTICLE 19 getiteld "Defining Defamation: Principles on Freedom of Expression and Protection of Reputation",

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU(2),

–  gezien zijn resoluties van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(3), en van 29 oktober 2015 over de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2014 over grootschalig elektronisch toezicht op EU-burgers(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over e-democratie in de Europese Unie: potentieel en uitdagingen(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6),

–  gezien zijn resoluties van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(7) en van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties(8),

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over de vrijheid en de pluriformiteit van de media in een digitale omgeving(9),

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechten inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en de richtsnoeren van de Commissie voor EU-steun aan mediavrijheid en integriteit van de media in uitbreidingslanden in de periode 2014‑2020,

–  gezien het jaarlijks colloquium van de Commissie over de grondrechten van 2016 over pluralisme in de media en de democratie, en gezien de door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten gepubliceerde relevante bijdragen,

–  gezien de deskundigengroep op hoog niveau inzake nepnieuws en onlinedesinformatie die door de Commissie is benoemd om advies te verlenen bij het peilen naar de omvang van dit verschijnsel en het afbakenen van de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken belanghebbenden,

–  gezien Advies nr. 5/2016 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over de herziening van de e-privacyrichtlijn (Richtlijn 2002/58/EG),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(10),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over veiligheid en defensie van 22 juni 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A8‑0144/2018),

A.  overwegende dat het recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van mening fundamentele mensenrechten zijn, alsook noodzakelijke voorwaarden voor de volledige ontwikkeling van mensen en hun actieve deelname aan een democratische samenleving, voor de verwezenlijking van de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht en voor de vervulling van andere mensenrechten en fundamentele vrijheden;

B.  overwegende dat pluralisme onlosmakelijk verbonden is met vrijheid, democratie en de rechtsstaat;

C.  overwegende dat het recht om informatie te verstrekken en te verkrijgen deel uitmaakt van de fundamentele democratische kernwaarden die aan de grondslag van de Europese Unie liggen;

D.  overwegende dat het belang van pluralistische, onafhankelijke en betrouwbare media als hoeders en toezichthouders van de democratie en de rechtsstaat niet mag worden onderschat;

E.  overwegende dat vrijheid, pluralisme en onafhankelijkheid van de media essentiële bestanddelen zijn van het recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de media een essentiële rol in de democratische maatschappij spelen omdat ze optreden als publieke waakhond en helpen de burgers zich te informeren en hun positie te versterken, door hun begrip van het actuele politieke en maatschappelijke landschap te vergroten en te bevorderen dat zij op bewuste wijze deelnemen aan het openbare leven; overwegende dat deze rol zou moeten worden uitgebreid tot online- en burgerjournalistiek en tot het werk van bloggers, internetgebruikers, socialemedia-activisten en mensenrechtenverdedigers, om zo de hedendaagse, grondig veranderde mediarealiteit te weerspiegelen met inachtneming van het recht op privacy; overwegende dat netneutraliteit een essentieel beginsel is voor een open internet;

F.  overwegende dat nepnieuws, cyberpesten en wraakporno steeds grotere zorgpunten in onze samenlevingen vormen, met name onder jongeren;

G.  overwegende dat de verspreiding van nepnieuws en desinformatie op sociale media of zoekmachines de geloofwaardigheid van de traditionele media sterk heeft aangetast, wat vervolgens ook hun vermogen in het gedrang brengt om als waakhond op te treden;

H.  overwegende dat overheden niet alleen de plicht hebben om af te zien van maatregelen die de vrijheid van meningsuiting inperken, maar ook de positieve plicht hebben om een wettelijk en regelgevend kader tot stand te brengen dat de ontwikkeling van vrije, onafhankelijke en pluralistische media bevordert;

I.  overwegende dat krachtens artikel 2 en 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en artikel 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens de vrijheid van meningsuiting nooit mag worden gebruikt om uitlatingen te verdedigen die een inbreuk vormen op dat verdrag en die verklaring, zoals haatzaaierij of propaganda gebaseerd op ideeën of theorieën over de superioriteit van een ras of groep mensen van een bepaalde huidskleur of etnische afkomst, of waarmee wordt getracht rassenhaat en discriminatie in welke vorm dan ook te rechtvaardigen of te bevorderen;

J.  overwegende dat overheden de plicht hebben om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de publieke media te beschermen, met name als actoren die de democratische samenleving ten dienste staan en niet de belangen van de zittende regering behartigen;

K.  overwegende dat de overheden eveneens zich ervan moeten vergewissen dat de media de geldende wetten en voorschriften naleven;

L.  overwegende dat recente politieke ontwikkelingen in verschillende lidstaten waar nationalisme en populisme in opkomst zijn, geleid hebben tot toenemende druk op en bedreigingen van journalisten, wat erop duidt dat de Europese Unie de vrijheid en pluriformiteit van de media moet waarborgen, bevorderen en verdedigen;

M.  overwegende dat het misbruik en de misdaden die volgens de Raad van Europa door zowel overheids- als niet-overheidsactoren jegens journalisten worden begaan een ernstig en beklemmend effect hebben op de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat het risico op en de veelvuldigheid van ongeoorloofde bemoeienis bij journalisten, burgerjournalisten, bloggers en andere informatie-actoren gevoelens van angst versterkt, wat tot een hoge graad van zelfcensuur kan leiden en het recht van burgers op informatie en participatie ondermijnt;

N.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting er in september 2016 aan herinnerde dat regeringen niet alleen gehouden zijn de journalistiek te respecteren, maar ook ervoor te zorgen dat journalisten en hun bronnen worden beschermd door krachtige wetten, de vervolging van daders en waar nodig uitgebreide beveiliging;

O.  overwegende dat journalisten en andere media-actoren in de Europese Unie nog steeds worden geconfronteerd met geweld, bedreigingen, intimidatie of publieke vernedering, voornamelijk vanwege onderzoeksactiviteiten waarmee zij het algemeen belang trachten te beschermen tegen machtsmisbruik, corruptie, schendingen van mensenrechten of criminele activiteiten;

P.  overwegende dat de gegarandeerde veiligheid en bescherming van journalisten en andere media-actoren een noodzakelijke voorwaarde is om ervoor te zorgen dat zij ten volle in staat zijn hun taak te vervullen om burgers naar behoren te informeren en op doeltreffende wijze deel te nemen aan het openbare debat;

Q.  overwegende dat volgens het platform van de Raad van Europa voor de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten het misbruik jegens mediaprofessionals in meer dan de helft van de gevallen wordt begaan door overheidsactoren;

R.  overwegende dat onderzoeksjournalistiek zou moeten worden bevorderd als een vorm van maatschappelijke betrokkenheid en als een daad van voorbeeldig burgerschap en zou moeten worden ondersteund met voorlichting, leerprocessen, onderwijs en training;

S.  overwegende dat de radicale ontwikkeling van het mediasysteem, de snelle groei van de onlinedimensie van het pluralisme van de media en de opkomst van zoekmachines en socialemediaplatforms als bronnen van nieuws zowel een uitdaging als een kans vormen om de vrijheid van meningsuiting te bevorderen, om de productie van nieuws te democratiseren door burgers bij het openbaar debat te betrekken, en om steeds meer informatiegebruikers in informatieproducenten te veranderen; overwegende dat de concentratie van de macht van mediaconglomeraten, platformbeheerders en internetintermediairs, en controle over de media van ondernemingen en politieke actoren echter negatieve gevolgen kunnen hebben voor het pluralisme van het openbaar debat en voor de toegang tot informatie en een impact hebben op de vrijheid van meningsuiting, integriteit, kwaliteit en de redactionele onafhankelijkheid van de journalistiek en omroepen; overwegende dat een gelijk speelveld op Europees niveau noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat zoekmachines, socialemediaplatforms en andere hightechgiganten zich aan de regels houden van de digitale eengemaakte markt van de EU, op gebieden zoals e-privacy en mededinging;

T.  overwegende dat journalisten rechtstreekse, onmiddellijke en onbelemmerde toegang tot informatie moeten krijgen van de overheid om autoriteiten naar behoren ter verantwoording te kunnen roepen;

U.  overwegende dat inlichtingen die worden verkregen via het enquêterecht en informatie van klokkenluiders elkaar aanvullen en allebei van vitaal belang zijn om journalisten in staat te stellen om hun taken in het kader van het algemeen belang te kunnen vervullen;

V.  overwegende dat aan journalisten een zo uitgebreid mogelijke juridische bescherming moet worden geboden om dergelijke informatie van publiek belang in hun werk te gebruiken en te verspreiden;

W.  overwegende dat het recht om informatie op te vragen bij en te ontvangen van overheden in de hele Europese Unie op gefragmenteerde en onvolledige wijze is geregeld;

X.  overwegende dat de mediasector een cruciale rol speelt in elke democratische samenleving; overwegende dat het effect van de economische crisis, in combinatie met de gelijktijdige groei van socialemediaplatforms en andere hightechgiganten en zeer selectieve advertentie-inkomsten heeft geleid tot een drastische verslechtering van de werkomstandigheden en sociale zekerheid van media-actoren, waaronder onafhankelijke journalisten, en daarmee tot een ernstige verlaging van de beroeps-, maatschappelijke en kwaliteitsnormen in de journalistiek, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor de redactionele onafhankelijkheid;

Y.  overwegende dat het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector van de Raad van Europa ervoor heeft gewaarschuwd dat er zich een digitaal duopolie aan het ontwikkelen is waardoor Google en Facebook in 2016 goed waren voor bijna 85 % van de totale groei van de digitaleadvertentiemarkt, wat een bedreiging vormt voor de toekomst van traditionele, uit reclame-inkomsten gefinancierde mediabedrijven als commerciële televisiezenders, kranten en tijdschriften die een veel kleiner publiek bereiken;

Z.  overwegende dat de Commissie in het kader van het uitbreidingsbeleid de plicht heeft om te eisen dat de criteria van Kopenhagen, waaronder vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid, volledig worden nageleefd, en dat de EU daarom een voorbeeldfunctie moet vervullen door de strengste normen op dit gebied hoog te houden; overwegende dat staten, als ze eenmaal lid zijn van de EU, krachtens de EU‑verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten voortdurend en ondubbelzinnig zijn gebonden aan mensenrechtenverplichtingen, en dat hun eerbiediging van de vrije meningsuiting en de mediavrijheid aan regelmatige toetsing moet worden onderworpen; overwegende dat de EU op het wereldtoneel enkel geloofwaardig kan overkomen wanneer de pers- en mediavrijheid binnen de Unie zelf wordt gewaarborgd en geëerbiedigd;

AA.  overwegende dat uit onderzoek voortdurend blijkt dat vrouwen een minderheid vormen in alle mediasectoren, met name in creatieve functies, en dat zij zwaar ondervertegenwoordigd zijn op de hogere, leidinggevende niveaus; overwegende dat onderzoek naar de participatie van vrouwen in de journalistiek erop lijkt te wijzen dat er weliswaar een relatief goed evenwicht tussen mannen en vrouwen bestaat onder beginnende journalisten, maar dat de verdeling van de leidinggevende functies wordt gekenmerkt door verregaande genderongelijkheid;

AB.  overwegende dat de naleving van de bepalingen van het EU-Handvest van de grondrechten en van het Verdrag betreffende de Europese Unie die de eerbiediging van deze beginselen waarborgen, plaatsvindt door middel van positieve maatregelen voor de bevordering van mediavrijheid en pluralisme, alsook van de kwaliteit, toegankelijkheid en beschikbaarheid van informatie (positieve vrijheid), maar ook vereist dat overheden zich onthouden van schadelijke inmenging (negatieve vrijheid);

AC.  overwegende dat onwettig en willekeurig toezicht, in het bijzonder wanneer dit op grote schaal plaatsvindt, onverenigbaar is met mensenrechten en grondrechten waaronder vrijheid van meningsuiting, inclusief persvrijheid en de bescherming van de geheimhouding van journalistieke bronnen, en het recht op privacy en gegevensbescherming; overwegende dat het internet en sociale media een rol spelen bij de verspreiding van haatzaaiende uitlatingen en de bevordering van radicalisering wat door circulatie van verboden materiaal tot gewelddadig extremisme leidt, en vooral schadelijke invloed heeft op jongeren; overwegende dat de bestrijding van deze verschijnselen nauwe en gecoördineerde samenwerking vergt tussen alle betrokken actoren op alle bestuursniveaus (lokaal, regionaal en nationaal), alsook met maatschappelijke organisaties en de privésector; overwegende dat doeltreffende wetten en activiteiten op het gebied van veiligheid en terrorismebestrijding evenals maatregelen gericht op de bestrijding en het voorkomen van haatzaaierij en gewelddadig extremisme altijd moeten voldoen aan verplichtingen ten aanzien van de grondrechten, om elke schending van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting te vermijden;

AD.  overwegende dat, zoals de Raad van Europa zegt, klokkenluiden een fundamenteel aspect is van de vrijheid van meningsuiting en een centrale rol speelt bij het opsporen en melden van onrechtmatige handelingen en wangedrag, en bij de versterking van democratische verantwoordingsplicht en transparantie; overwegende dat klokkenluiden een essentiële bron van informatie vormt voor het bestrijden van georganiseerde misdaad, het onderzoeken, identificeren en het bekendmaken van gevallen van corruptie in de publieke sector en de privésector en het opsporen van belastingontwijkingsconstructies die door particuliere ondernemingen zijn opgezet; overwegende dat toereikende bescherming van klokkenluiders op EU-, nationaal en internationaal niveau, alsook de bevordering van een cultuur van erkenning van de belangrijke rol die klokkenluiders in de samenleving spelen, voorwaarden zijn om de effectiviteit van die rol te waarborgen;

AE.  overwegende dat, in het kader van de bestrijding van corruptie en wanbeheer in de EU, onderzoeksjournalistiek ,als instrument dat ten dienste staat van het algemeen belang, bijzondere aandacht en financiële steun dient te krijgen;

AF.  overwegende dat volgens de bevindingen van de Monitor voor het pluralisme van de media zeggenschap over de media sterk geconcentreerd blijft, hetgeen een groot risico inhoudt voor de diversiteit van de informatie en de standpunten die in media-uitingen worden weergegeven;

AG.  overwegende dat de criteria voor pluralisme van de media en mediavrijheid in even grote mate als voor nationale berichtgeving moeten gelden voor berichtgeving over EU‑aangelegenheden en activiteiten van de EU‑instellingen en -agentschappen, en dat die berichten in verschillende talen moeten worden aangeboden om een zo groot mogelijk aantal EU‑burgers te bereiken;

1.  verzoekt de lidstaten gepaste maatregelen te nemen, met inbegrip van het waarborgen van toereikende overheidsfinanciering, voor de bescherming en bevordering van een pluralistisch, onafhankelijk en vrij medialandschap dat ten dienste staat van de democratische samenleving, inclusief de onafhankelijkheid en houdbaarheid van de publieke en plaatselijke media, die cruciale elementen zijn van een gunstig klimaat voor de vrijheid van meningsuiting;

2.  benadrukt dat wetgevers, journalisten, uitgevers en tussenpersonen op het internet, maar ook burgers als consumenten van informatie, een gedeelde verantwoordelijkheid hebben;

3.  verzoekt de EU-instellingen om in het kader van al hun besluiten, maatregelen en beleid te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van het EU‑Handvest van de grondrechten, als een manier om pluralisme van de media en mediavrijheid ten volle in stand te houden en te vrijwaren tegen ongepaste inmenging door nationale overheidsinstanties; vraagt de Commissie om in dit opzicht bij wetgevingsvoorstellen een beoordeling van de effecten op de mensenrechten in te voeren en om een voorstel te doen om, in overeenstemming met de toepasselijke resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016 , een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in te stellen;

4.  benadrukt dat er onafhankelijke monitoringmechanismen voorhanden moeten zijn ter beoordeling van de mediavrijheid en het pluralisme van de media in de EU, met het oog op de bevordering en bescherming van de rechten en vrijheden verankerd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 EVRM, alsook dat er onmiddellijk moet worden gereageerd op eventuele bedreigingen of schendingen van die rechten en vrijheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de instrumenten die in dit verband al zijn ontwikkeld, zoals de Monitor voor het pluralisme van de media en het platform van de Raad van Europa voor de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten, volledig te steunen en te versterken;

5.  roept de Commissie als hoedster van de Verdragen op om pogingen van regeringen van de lidstaten om de vrijheid en het pluralisme van de media aan te tasten, te behandelen als ernstig en systemisch machtsmisbruik en als inbreuk op de fundamentele waarden van de Europese Unie die zijn verankerd in artikel 2 VEU, gezien het feit dat het recht op vrijheid van mening en meningsuiting fundamentele mensenrechten zijn en dat de vrijheid, het pluralisme en de onafhankelijkheid van de media een essentiële rol spelen in een democratische samenleving, onder meer doordat zij een controlefunctie uitoefenen op de macht van de regering en de staat;

6.  verzoekt de lidstaten een onafhankelijke beoordeling uit te voeren van hun desbetreffende wetten en praktijken om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid en het pluralisme van de media te beschermen;

7.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het misbruik, de misdaden en de dodelijke aanvallen die in de lidstaten nog steeds worden begaan jegens journalisten en medewerkers in de mediasector vanwege hun werkzaamheden; dringt er bij de lidstaten op aan al het mogelijke te doen om dergelijk geweld te voorkomen, om de verantwoordingsplicht te waarborgen en straffeloosheid te vermijden, en te garanderen dat slachtoffers en hun gezinnen toegang hebben tot passende rechtsmiddelen; verzoekt de lidstaten om in samenwerking met journalistieke organisaties een onafhankelijk orgaan in het leven te roepen voor het monitoren, documenteren en melden van geweld tegen en bedreiging van journalisten en dat zich inzet voor de bescherming en veiligheid van journalisten op nationaal niveau; doet bovendien een beroep op de lidstaten om Aanbeveling CM/Rec(2016)4 van de Raad van Europa over de bescherming van de journalistiek en over de veiligheid van journalisten en van andere media-actoren volledig ten uitvoer te leggen;

8.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de verslechterende arbeidsomstandigheden voor journalisten en de hoeveelheid psychologisch geweld waaraan journalisten worden blootgesteld; verzoekt de lidstaten derhalve om in nauwe samenwerking met journalistieke organisaties nationale actieplannen op te stellen teneinde de arbeidsomstandigheden van journalisten te verbeteren en ervoor te zorgen dat journalisten geen slachtoffer worden van psychologisch geweld;

9.  is bezorgd over de toestand van de mediavrijheid in Malta na de moord in oktober 2017 op de in corruptie gespecialiseerde journaliste Daphne Caruana Galizia, die al eerder het slachtoffer was geweest van intimidatie, onder meer in de vorm van voorlopige gerechtelijke bevelen tot bevriezing van haar banktegoeden, en bedreigingen door multinationale ondernemingen;

10.  veroordeelt met klem de moord op de Slowaakse onderzoeksjournalist Jan Kuciak en zijn partner Martina Kušnírová;

11.  is verheugd over de beslissing om de perszaal van het Europees Parlement te vernoemen naar de vermoorde journaliste Daphne Caruana Galizia; roept in dit verband nogmaals op tot instelling van een jaarlijkse prijs van het Europees Parlement voor onderzoeksjournalistiek die haar naam draagt;

12.  verzoekt de Conferentie van voorzitters een voorstel in te dienen over de wijze waarop het Parlement het werk van Jan Kuciak zou kunnen honoreren, en te overwegen het stageprogramma van het Parlement voor journalisten te hernoemen naar Jan Kuciak;

13.  verzoekt de lidstaten om hun volledige steun te verlenen aan het initiatief van Verslaggevers zonder grenzen voor de benoeming van een speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor de veiligheid van journalisten;

14.  verzoekt de lidstaten om zowel wettelijk als in de praktijk een veilig klimaat voor journalisten en andere media-actoren, met inbegrip van buitenlandse journalisten die hun journalistieke werkzaamheden verrichten in de lidstaten van de EU, te scheppen en in stand te houden, waardoor de uitoefening van hun werk kan plaatsvinden in volledige onafhankelijkheid en zonder ongepaste inmenging, zoals de dreiging van geweld, intimidatie, financiële, economische en politieke druk, druk om geheime bronnen en materialen openbaar te maken en gerichte controle; benadrukt dat in verband met de bovengenoemde handelingen het noodzakelijk is dat de lidstaten de beschikbaarheid van efficiënte rechtsmiddelen waarborgen voor journalisten wiens professionele vrijheid om ongerechtvaardigde redenen wordt bedreigd, teneinde zelfcensuur te voorkomen; vraagt bijzondere aandacht voor het belang van een genderbewuste aanpak wanneer maatregelen ten behoeve van de veiligheid van journalisten worden overwogen;

15.  onderstreept het belang van het waarborgen van passende werkomstandigheden voor medewerkers in de mediasector, waarbij de vereisten van het EU-Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest volledig worden nageleefd, als een middel ter vermijding van ongepaste interne en externe druk, afhankelijkheid, kwetsbaarheid en instabiliteit, en dientengevolge het gevaar van zelfcensuur; benadrukt dat onafhankelijke journalistiek niet door de markt alleen kan worden gewaarborgd en bevorderd; vraagt de Commissie en de lidstaten derhalve om nieuwe sociaal duurzame economische modellen aan te moedigen en uit te werken die zijn gericht op de financiering en ondersteuning van kwaliteits- en onafhankelijke journalistiek, en ervoor te zorgen dat burgers accuraat worden geïnformeerd; vraagt de lidstaten om de financiële steun aan openbaredienstverleners en onderzoeksjournalisten op te voeren, zonder zich daarbij echter te mengen in redactionele beslissingen;

16.  veroordeelt de pogingen van regeringen om kritische media het zwijgen op te leggen en de vrijheid en het pluralisme van de media weg te vagen, ook op subtielere manieren die niet meteen de aandacht trekken van het platform van de Raad van Europa voor de bevordering van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten, zoals wanneer regeringsleden en hun handlangers commerciële mediakanalen opkopen en publieke media dwingen om partijdige belangen te dienen;

17.  wijst op de noodzaak om de activiteiten van het Europees Centrum voor pers- en mediavrijheid te ondersteunen en uit te breiden, met name op het gebied van juridische bijstand aan bedreigde journalisten;

18.  onderstreept dat mediaprofessionals vaak onder precaire omstandigheden moeten werken wat contracten, loon en sociale zekerheid betreft, waardoor zij hun werk niet naar behoren kunnen uitvoeren, hetgeen weer de mediavrijheid belemmert;

19.  erkent dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan beperkingen in het belang van, onder meer, de bescherming van de reputatie en de rechten van anderen, op voorwaarde dat zij bij de wet zijn voorzien, een legitiem doel nastreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn; spreekt evenwel zijn bezorgdheid uit over de negatieve en beklemmende effecten die strafrechtelijke bepalingen tegen smaad kunnen hebben op het recht op vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en het openbaar debat; dringt er bij de lidstaten op aan zich te onthouden van elke vorm van misbruik van strafwetten inzake smaad door een juist evenwicht aan te brengen tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, met inbegrip van reputatie, en tegelijkertijd het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen en overdreven zware en onevenredige straffen en sancties te voorkomen, in overeenstemming met de criteria die zijn geformuleerd door het EHRM;

20.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een "anti-SLAPP-richtlijn" (Strategic Lawsuit Against Public Participation – strategisch rechtsgeding tegen publieke participatie) om onafhankelijke media te beschermen tegen vexatoire rechtszaken die bedoeld zijn om hen in de EU het zwijgen op te leggen of te intimideren;

21.  is van mening dat de deelname aan democratische processen in de eerste plaats berust op daadwerkelijke en niet-discriminerende toegang tot informatie en kennis; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan gepaste beleidsmaatregelen te ontwikkelen om algehele toegang tot internet te realiseren en internettoegang, inclusief netneutraliteit, te erkennen als fundamenteel recht;

22.  betreurt het besluit van de Federal Communications Commission van de Verenigde Staten om de regels van 2015 betreffende netneutraliteit in te trekken en wijst op de negatieve gevolgen die dat besluit in een digitaal verbonden wereld kan hebben op het recht op gelijke toegang tot informatie; verzoekt de EU en de lidstaten om te streven naar versterking van het beginsel van netneutraliteit door voort te bouwen op de richtsnoeren van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec) inzake de toepassing door de nationale regelgevende instanties van de Europese regels betreffende netneutraliteit, en deze verder te ontwikkelen;

23.  vraagt bijzondere aandacht voor de belangrijke rol die onafhankelijke en pluralistische media spelen in het politieke debat en bij het recht op pluralistische informatie zowel tijdens verkiezingsperiodes als in de periodes daartussen; benadrukt de noodzaak dat wordt gewaarborgd dat alle politieke actoren zich volledig kunnen uitspreken, overeenkomstig de bepalingen van het ICERD, en dat de hoeveelheid zendtijd die hen door de openbare omroep wordt gegeven gebaseerd is op journalistieke en professionele criteria en niet op de mate waarin zij instituties vertegenwoordigen of de politieke standpunten daarvan steunen;

24.  roept de lidstaten en de Commissie op geen onnodige maatregelen te treffen die zijn gericht op een arbitraire beperking van toegang tot internet en uitoefening van fundamentele mensenrechten of op beperkende regels ten aanzien van openbare communicatie, zoals het instellen van repressieve regels voor de vestiging en exploitatie van mediakanalen en/of websites, het arbitrair uitroepen van de noodtoestand, technisch beheer van digitale technologieën, d.w.z. het blokkeren, filteren, storen of sluiten van digitale ruimten, of het de facto privatiseren van beperkend beleid door intermediairs onder druk te zetten om actie te ondernemen om internetinhoud te beperken of te wissen; roept de EU en de lidstaten voorts op om te voorkomen dat private exploitanten dergelijke maatregelen nemen;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat zowel privébedrijven als regeringen volledig transparant te werk gaan bij het gebruik van algoritmen, kunstmatige intelligentie en geautomatiseerde besluitvorming, en meent dat deze technieken niet mogen worden toegepast en ontwikkeld op een manier of met de bedoeling om internetinhoud op willekeurige wijze te blokkeren, te filteren of te verwijderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten eveneens te garanderen dat alle beleidsmaatregelen en strategieën van de EU op digitaal vlak worden opgesteld vanuit het oogpunt van de mensenrechten, onder vaststelling van gepaste rechtsmiddelen en waarborgen, en met volledige inachtneming van de relevante bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het EVRM;

26.  herhaalt dat cyberpesten, wraakporno en materiaal dat seksueel kindermisbruik bevat voorwerp van toenemende zorg zijn in onze samenlevingen en zeer ernstige gevolgen kunnen hebben, met name voor jongeren en kinderen, en benadrukt dat de belangen en rechten van kinderen moeten worden geëerbiedigd in de context van de massamedia; moedigt alle lidstaten aan om toekomstgerichte wetgeving op te stellen om deze verschijnselen aan te pakken, met inbegrip van bepalingen betreffende de opsporing, melding en verwijdering van inhoud die duidelijk inbreuk maakt op de menselijke waardigheid; moedigt de Commissie en de lidstaten aan hun inspanningen te verhogen om doeltreffende tegenverhalen te creëren en in duidelijke richtsnoeren te voorzien die zorgen voor rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor gebruikers, dienstverleners en de internetsector als geheel, en tegelijkertijd de mogelijkheid van een beroep op de rechter te waarborgen, in overeenstemming met het nationale recht, teneinde te reageren op het misbruik van de sociale media voor terroristische doeleinden; benadrukt evenwel dat maatregelen die internetinhoud beperken of verwijderen alleen mogen worden genomen in gespecificeerde, uitdrukkelijke en legitieme omstandigheden en onder strikt rechterlijk toezicht, in overeenstemming met internationale normen, de jurisprudentie van het EHRM en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

27.  neemt nota van de door de Commissie aanbevolen Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende online uitlatingen; wijst op de grote speelruimte die aan private bedrijven is gelaten om te bepalen wat "onwettig" is en verzoekt dat deze ruimte wordt ingeperkt, om elk risico van censuur en tot arbitraire beperkingen van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen;

28.  wijst er opnieuw op dat anonimiteit en encryptie essentiële instrumenten zijn voor de uitoefening van democratische rechten en vrijheden, voor het bevorderen van vertrouwen in de digitale infrastructuur en communicatie, en voor de bescherming van geheimhouding van journalistieke bronnen; erkent dat encryptie en anonimiteit de nodige privacy en veiligheid bieden om het recht op de vrijheid van mening en meningsuiting uit te oefenen in het digitale tijdperk, en herinnert eraan dat vrije toegang tot informatie per definitie inhoudt dat de persoonlijke informatie die burgers verstrekken bij hun onlineactiviteiten moet worden beschermd; neemt nota van het feit dat versleuteling en anonimiteit ook kunnen leiden tot misbruik en wangedrag en het moeilijk maken om criminele activiteiten te voorkomen en te onderzoeken, zoals functionarissen op het gebied van rechtshandhaving en terrorismebestrijding opmerken; herinnert eraan dat beperkingen op encryptie en anonimiteit overeenkomstig de beginselen van legaliteit, noodzakelijkheid en evenredigheid moeten worden toegepast; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten de aanbevelingen uit het verslag van 22 mei 2015 van de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting betreffende het gebruik van encryptie en anonimiteit bij digitale communicatie, volledig te ondersteunen en uit te voeren;

29.  ondersteunt de ontwikkeling van gedragscodes voor journalisten en voor degenen die betrokken zijn bij het beheer van mediakanalen, teneinde de volledige onafhankelijkheid van journalisten en mediaorganen te waarborgen;

30.  benadrukt dat rechtshandhavings- en rechterlijke instanties worden geconfronteerd met een groot aantal belemmeringen bij het onderzoeken en vervolgen van onlinemisdrijven, mede ten gevolge van verschillen in de wetgeving van de EU‑lidstaten;

31.  merkt op dat in het zich ontwikkelende digitale media-ecosysteem nieuwe intermediairs zijn opgestaan die online invloed en controle kunnen uitoefenen op informatie en ideeën door poortwachtersfuncties en -bevoegdheden te verwerven; onderstreept dat er voldoende onafhankelijke en autonome onlinekanalen, ‑diensten en ‑bronnen moeten zijn die een veelheid aan meningen en democratische ideeën kunnen overbrengen aan het publiek over kwesties van algemeen belang; verzoekt de lidstaten in dit verband nieuwe of bestaande nationale beleidslijnen en maatregelen uit te werken;

32.  erkent dat de nieuwe digitale omgeving het probleem van de verspreiding van desinformatie, het zogenaamde "nepnieuws", heeft vergroot; herinnert er echter aan dat dit geen nieuw verschijnsel is en zich niet alleen online voordoet; benadrukt hoe belangrijk het is om het recht op hoogwaardige informatie te waarborgen door de toegang van burgers tot betrouwbare informatie te verbeteren en tegelijkertijd de verspreiding van online- en offlinedesinformatie te voorkomen; herinnert eraan dat de term „nepnieuws” nooit mag worden gebruikt om het vertrouwen van het publiek in de media te ondermijnen en in diskrediet te brengen of kritische stemmen te criminaliseren; spreekt zijn bezorgdheid uit dat nepnieuws een mogelijke bedreiging kan vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media, en onderstreept de negatieve gevolgen die het verspreiden van valse nieuwsberichten zou kunnen hebben voor de kwaliteit van het politieke debat en de geïnformeerde participatie van de burgers in democratische samenleving; benadrukt het belang om te zorgen voor effectieve, op de beginselen van nauwkeurigheid en transparantie gebaseerde zelfreguleringsystemen, en te voorzien in passende verplichtingen en instrumenten met betrekking tot het natrekken van bronnen en factchecking door onafhankelijke derden om de objectiviteit van informatie en de bescherming daarvan te bevorderen;

33.  spoort de socialemediabedrijven en onlineplatforms aan instrumenten te ontwikkelen die gebruikers in staat stellen om nepnieuws te melden en te markeren om onmiddellijke rectificatie te vergemakkelijken en evaluatie mogelijk te maken door onafhankelijke en onpartijdig gecertificeerde factcheckingorganisaties, die belast worden met het formuleren van nauwkeurige definities van nepnieuws en desinformatie, teneinde de discretionaire bevoegdheid die aan de actoren van de particuliere sector is overgelaten, te beperken, en informatie die bestaat uit "valse nieuwsberichten" als zodanig te blijven tonen en aanduiden, met het oog op het stimuleren van het publieke debat en te voorkomen dat dezelfde desinformatie in een andere vorm de kop opsteekt;

34.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om een deskundigengroep op hoog niveau inzake nepnieuws en onlinedesinformatie op te richten, gevormd door vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, socialemediaplatforms, nieuwsmedia, journalisten en de academische wereld, teneinde deze opkomende dreigingen te analyseren en praktische maatregelen voor te stellen die zowel op Europees als nationaal niveau moeten worden genomen;

35.  onderstreept de verantwoordelijkheid die onlineactoren hebben om te vermijden dat er ongecontroleerde of leugenachtige informatie wordt verspreid met als enig doel om meer internetverkeer te genereren door bijvoorbeeld zogeheten "clickbait" te gebruiken;

36.  erkent dat de rol van persuitgeverijen – evenals hun investeringen – in onderzoeksgerichte, professionele en onafhankelijke journalistiek van vitaal belang is om de verspreiding van "nepnieuws" tegen te gaan en benadrukt de noodzaak te zorgen voor de duurzaamheid van pluralistische redactionele inhoud; moedigt de Commissie en de lidstaten aan in voldoende financiële middelen voor media- en digitale geletterdheid te investeren en communicatiestrategieën te ontwikkelen, samen met internationale organisaties en het maatschappelijk middenveld, teneinde burgers en onlinegebruikers in staat te stellen bewust te zijn van twijfelachtige informatiebronnen en deze te herkennen en opzettelijk onjuiste inhoud en propaganda op te merken en aan de kaak te stellen; moedigt hiertoe de lidstaten aan om media- en informatiegeletterdheid op te nemen in hun nationale onderwijsprogramma's; verzoekt de Commissie om de beste praktijken op nationaal niveau in beschouwing te nemen om de kwaliteit van de journalistiek en de betrouwbaarheid van de gepubliceerde informatie te waarborgen;

37.  wijst eens te meer op het recht van eenieder om over het lot van zijn persoonsgegevens te beschikken, met name het exclusieve recht op de controle over het gebruik en de bekendmaking van persoonsgegevens en het recht om te worden vergeten, oftewel de mogelijkheid om inhoud die nadelig voor zijn eigen waardigheid kan zijn, direct te laten verwijderen van sociale media en zoekmachines;

38.  erkent dat het internet, en meer in het algemeen de ontwikkeling van de digitale omgeving, heeft geleid tot een verruiming van het toepassingsgebied van diverse mensenrechten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 mei 2014 in zaak C‑131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González(11); verzoekt de EU‑instellingen in dit verband om een inspraakprocedure in te leiden voor het opstellen van een Handvest van internetrechten, waarbij de beste praktijken in de lidstaten – met name de Italiaanse verklaring van internetrechten – in aanmerking moeten worden genomen als referentiepunt voor het reguleren van het digitale domein, naast de toepasselijke Europese en internationale instrumenten betreffende mensenrechten;

39.  benadrukt de vitale rol van klokkenluiders bij het beschermen van het algemeen belang en het bevorderen van een cultuur van publieke verantwoording en integriteit, zowel in openbare als in particuliere instellingen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om een passend, geavanceerd en alomvattend kader voor een gemeenschappelijke Europese wetgeving ter bescherming van klokkenluiders te realiseren en ten uitvoer te leggen, door de aanbevelingen van de Raad van Europa en de resoluties van het Parlement van 14 februari en 24 oktober 2017 te onderschrijven; is van mening dat ervoor moet worden gezorgd dat meldingsmechanismen toegankelijk, veilig en goed beveiligd zijn en dat meldingen van klokkenluiders en onderzoeksjournalisten op een professionele manier worden onderzocht;

40.  beklemtoont dat de wettelijke bescherming van klokkenluiders wanneer zij informatie openbaar maken in het bijzonder gebaseerd is op het recht van het publiek deze informatie te ontvangen; onderstreept dat een persoon het recht op bescherming niet mag verliezen louter en alleen omdat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt of het gevaar voor het algemeen belang zich uiteindelijk niet heeft geconcretiseerd, op voorwaarde dat hij op het moment van de melding redelijke gronden had om aan te nemen dat de feiten op waarheid berustten; wijst er nogmaals op dat personen die bewust onjuiste of misleidende informatie aan de bevoegde autoriteiten melden niet als klokkenluiders mogen worden beschouwd en dus niet in het genot van de beschermingsmechanismen mogen komen; benadrukt bovendien dat eenieder die is benadeeld, rechtstreeks of onrechtstreeks, door de melding of openbaarmaking van onjuiste of misleidende informatie het recht moet krijgen op een daadwerkelijke voorziening in rechte;

41.  spoort zowel de Commissie als de lidstaten aan maatregelen te nemen om de geheimhouding van de informatiebronnen te waarborgen teneinde discriminerende maatregelen of bedreigingen te voorkomen;

42.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat journalisten over de juiste instrumenten beschikken om informatie op te vragen en in te winnen bij de EU en de overheidsinstanties van de lidstaten, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten, zonder dat zij te maken krijgen met willekeurige beslissingen waarbij hun dit recht op toegang wordt ontzegd; merkt op dat de informatie die journalisten of burgers via het enquêterecht verkrijgen, met inbegrip van informatie van klokkenluiders, een aanvulling vormt op en van essentieel belang is voor de mogelijkheid van journalisten om hun taak van openbaar belang te vervullen; herhaalt dat de toegang tot openbare bronnen en evenementen afhankelijk moet zijn van objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria;

43.  benadrukt dat persvrijheid onafhankelijkheid van politieke en economische macht vereist, wat betekent dat media gelijk moeten worden behandeld, ongeacht de redactionele lijn; wijst er opnieuw op dat het belangrijk is dat de journalistiek wordt beschermd door mechanismen die voorkomen dat media geconcentreerd raken in handen van één concern of van monopolistische of quasi-monopolistische groepen, zodat de vrije mededinging en de redactionele diversiteit gewaarborgd blijft; roept de lidstaten op om regelgeving inzake eigendom in de mediasector aan te nemen en ten uitvoer te leggen om horizontale, indirecte en diagonale concentratie van eigendom in de mediasector te voorkomen, en transparantie en openbaarmaking van de informatie over eigendom, de financieringsbronnen en het beheer van de media, en de gemakkelijke toegang van burgers tot die informatie, te waarborgen; onderstreept het belang om passende beperkingen op te leggen ten aanzien van mediaeigendom van personen die een openbaar ambt bekleden, en om te zorgen voor onafhankelijk toezicht en doeltreffende mechanismen voor de naleving om daarmee belangenconflicten en draaideurconstructies te voorkomen; acht het bestaan van onafhankelijke en onpartijdige nationale autoriteiten essentieel om een effectief toezicht op de audiovisuele mediasector te waarborgen;

44.  dringt er bij de lidstaten op aan hun eigen strategische capaciteiten te ontwikkelen en samen te werken met lokale gemeenschappen in de EU en haar nabuurschap om een pluralistisch mediaklimaat te bevorderen en het EU-beleid op een samenhangende, doeltreffende manier over te brengen;

45.  verzoekt de lidstaten om de op 7 maart 2018 vastgestelde aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over het pluralisme van de media en de transparantie van mediaeigendom, volledig te steunen en te onderschrijven;

46.  wijst op de belangrijke rol die is weggelegd voor publieke omroepen bij de instandhouding van het pluralisme van de media, zoals benadrukt in Protocol nr. 29 bij de Verdragen; verzoekt de lidstaten om deze omroepen de gepaste financiële en technische middelen te bieden die zij nodig hebben om hun maatschappelijke functie te vervullen en het algemeen belang te dienen; verzoekt de lidstaten in dit verband om hun redactionele onafhankelijkheid te waarborgen door hen via welomschreven regelgevingskaders te behoeden voor elke vorm van bestuurlijke, politieke en commerciële inmenging en beïnvloeding, en tegelijkertijd de volledige autonomie en onafhankelijkheid van alle overheidsorganen en -entiteiten veilig te stellen die bevoegdheden hebben op het gebied van het omroepbestel en telecommunicatie;

47.  dringt er bij de lidstaten op aan om bij hun vergunningenbeleid voor nationale omroepbedrijven rekening te houden met het beginsel inzake de eerbiediging van het pluralisme van de media; merkt op dat de te betalen vergoedingen en de striktheid van de verplichtingen met betrekking tot de afgifte van de vergunningen onderworpen moeten zijn aan toezicht en de mediavrijheid niet in gevaar mogen brengen;

48.  vraagt de Commissie om na te gaan of de lidstaten uitzendvergunningen toekennen op grond van objectieve, transparante, onpartijdige en evenredige criteria;

49.  stelt voor om, met het oog op een doeltreffende bescherming van mediavrijheid en ‑pluralisme, de deelname aan een aanbestedingsprocedure van bedrijven waarvan de uiteindelijke eigenaar ook eigenaar is van een mediabedrijf, te verbieden of op zijn minst volledig transparant te maken; stelt voor de lidstaten ertoe te verplichten regelmatig verslag uit te brengen over alle aan mediabedrijven verstrekte overheidsfinanciering, en alle aan media-eigenaren verstrekte overheidsfinanciering regelmatig te controleren; benadrukt dat media-eigenaren niet mogen zijn veroordeeld voor of schuldig bevonden aan een strafbaar feit;

50.  benadrukt dat overheidsfinanciering aan mediaorganisaties moet worden verstrekt op basis van niet-discriminerende, objectieve en transparante criteria, die vooraf aan alle media bekend moeten worden gemaakt;

51.  herinnert eraan dat de lidstaten manieren moeten vinden om de media te ondersteunen, bijvoorbeeld door te zorgen voor btw-neutraliteit, zoals aanbevolen in zijn resolutie van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw(12), en door initiatieven met betrekking tot de media te steunen;

52.  verzoekt de Commissie om permanente en gepaste financiering in de EU-begroting te bestemmen voor steun aan de Monitor voor het pluralisme van de media van het Centrum voor pluralisme van de media en mediavrijheid, en een jaarlijks mechanisme te creëren voor de beoordeling van de risico's voor het pluralisme van de media in de lidstaten; benadrukt dat hetzelfde mechanisme moet worden gebruikt om het pluralisme van de media in kandidaat-lidstaten te meten, en dat de bevindingen van de Monitor voor het pluralisme van de media daadwerkelijk invloed moeten hebben op de voortgang van het onderhandelingsproces;

53.  verzoekt de Commissie om de vrijheid en het pluralisme van de media in alle lidstaten te monitoren door het verzamelen van informatie en statistische gegevens, alsook om inbreuken op de grondrechten van journalisten grondig te analyseren en daarbij het beginsel van subsidiariteit te eerbiedigen;

54.  benadrukt dat de uitwisseling van beste praktijken tussen de regelgevende instanties van de lidstaten voor de audiovisuele sector moet worden geïntensiveerd;

55.  verzoekt de Commissie om acht te slaan op de aanbevelingen die het Europees Parlement heeft gedaan in zijn resolutie van 25 oktober 2016 betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten; verzoekt de Commissie in dit verband om de resultaten en aanbevelingen van de Monitor voor het pluralisme van de media betreffende de risico's voor het pluralisme van de media en de mediavrijheid in de EU mee te nemen bij het opstellen van haar jaarverslag over democratie, de rechtsstaat en grondrechten (het Europees DRG-verslag);

56.  moedigt de lidstaten aan meer inspanningen te leveren om de mediageletterdheid te verhogen en opleidings- en onderwijsinitiatieven onder alle burgers te bevorderen door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs op basis van een leven lang leren, mede door bijzondere aandacht te besteden aan initiële en permanente opleiding en ondersteuning van leerkrachten, alsmede door het aanmoedigen van dialoog en samenwerking tussen de onderwijs- en opleidingssector en alle relevante belanghebbenden, waaronder mediaprofessionals, maatschappelijke organisaties en jongerenorganisaties; wijst nogmaals op de noodzaak om steun te verlenen aan op leeftijd afgestemde innovatieve instrumenten ter bevordering van empowerment en onlineveiligheid als verplichte onderdelen van het leerplan op scholen, en om de digitale kloof te overbruggen door middel van specifieke projecten op het gebied van technologische geletterdheid en door adequate investeringen in infrastructuur, teneinde universele toegang tot informatie te waarborgen;

57.  benadrukt dat het ontwikkelen van het vermogen om media-inhoud kritisch te beoordelen en te analyseren essentieel is voor het inzicht dat mensen kunnen krijgen in actuele kwesties en voor hun bijdrage aan het openbare leven, alsook voor hun kennis van zowel de vernieuwende mogelijkheden als de bedreigingen die inherent zijn aan een steeds complexere en onderling verbonden mediaomgeving; benadrukt dat mediageletterdheid een essentiële democratische vaardigheid is die de burgers mondiger maakt; roept de Commissie en de lidstaten op om specifieke maatregelen te nemen ter bevordering en ondersteuning van mediageletterdheidsprojecten, zoals het proefproject Media Literacy for All, en om een alomvattend mediageletterdheidsbeleid te ontwikkelen dat gericht is op burgers van alle leeftijdsgroepen en op alle mediatypen, als integraal onderdeel van het onderwijsbeleid van de Europese Unie, en ondersteund door de daarvoor bestemde financieringsbronnen van de EU, zoals de ESI-fondsen en Horizon 2020;

58.  stelt met bezorgdheid vast dat, zoals in de Media Pluralism Monitor 2016 wordt benadrukt, de toegang tot de media voor minderheden, lokale en regionale gemeenschappen, vrouwen en mensen met een handicap gevaar loopt; benadrukt dat inclusieve media essentieel zijn in een open, vrij en pluralistisch medialandschap, en dat alle burgers het recht hebben op toegang tot onafhankelijke informatie in hun moedertaal, ongeacht of dit de landstaal of een minderheidstaal is; benadrukt dat het belangrijk is dat Europese journalisten, met name journalisten die in minder gebruikte en minderheidstalen werken, adequate opleidings- en omscholingsmogelijkheden krijgen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan om onderzoek, projecten en beleidsmaatregelen ter verbetering van de toegang tot de media aan te moedigen en te ondersteunen, alsmede relevante initiatieven ten behoeve van kwetsbare minderheidsgroepen (zoals het proefproject over stagemogelijkheden voor media in minderheidstalen) en om alle burgers mogelijkheden tot participatie en meningsuiting te bieden;

59.  moedigt de mediasector aan gendergelijkheid in de beleidsmaatregelen en praktijken van de sector te waarborgen door middel van medereguleringsmechanismen, interne gedragscodes en andere vrijwillige maatregelen;

60.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om maatschappelijke campagnes, onderwijsprogramma's en beter gerichte trainingen en bewustmakingsacties in gang te zetten (ook voor de besluitvormers in de sector) teneinde egalitaire waarden en praktijken te bevorderen door middel van financiering en stimulatie op nationaal en Europees niveau met het oog op een doeltreffende aanpak van de genderongelijkheid in de mediasector;

61.  beveelt de Commissie aan om een sectorale strategie voor de Europese mediasector te ontwikkelen op basis van innovatie en duurzaamheid; is van mening dat een dergelijke strategie de grensoverschrijdende samenwerking en coproducties tussen mediaproducenten in de EU moet versterken om hun diversiteit te benadrukken en de interculturele dialoog te bevorderen, de samenwerking met individuele nieuwsbureaus en audiovisuele diensten van alle Europese instellingen, met name die van het Europees Parlement, te verbeteren en de media-aandacht en zichtbaarheid van EU‑aangelegenheden te bevorderen;

62.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van nieuwe modellen voor de oprichting van een Europees platform voor publieke omroepen dat politieke debatten in de hele EU op basis van feiten, uiteenlopende meningen en respect bevordert, bijdraagt tot een verscheidenheid aan standpunten in de nieuwe geconvergeerde mediaomgeving en de zichtbaarheid van de EU bij haar externe betrekkingen bevordert;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting in de hedendaagse kunst te beschermen door het creëren van kunstwerken te bevorderen die actuele maatschappelijke thema's tot onderwerp hebben, kritisch debat aanmoedigen en het naar voren brengen van andere standpunten stimuleren;

64.  benadrukt dat "geoblocking" van media-inhoud moet worden afgeschaft, zodat EU‑burgers de mogelijkheid krijgen om programma's van televisiezenders uit andere EU‑lidstaten online te bekijken, aan te vragen of opnieuw te bekijken;

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

(1) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(2) PB C 55 van 12.2.2016, blz. 33.
(3) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 104.
(4) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 51.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0095.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0402.
(9) PB C 32 van 4.2.2014, blz. 6.
(10) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(11) ECLI:EU:C:2014:317.
(12) PB C 94 E van 3.4.2013, blz. 5.

Juridische mededeling