Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 30 mei 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor steun aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor bijstand aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal
 Bescherming tegen invoer met dumping en subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EU ***II
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering aanvraag EGF/2018/000 TA 2018 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie
 Genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9)
 Genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603, en genetisch gemodificeerde mais die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen 1507, 59122, MON 810 en NK603 combineert
 Conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt
 De toekomst van voedsel en landbouw
 Uitlegging en tenuitvoerlegging van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven"
 Meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen
 Libië
 Jaarverslag over de werking van het Schengengebied
 Minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten
 Jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor steun aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal
PDF 126kWORD 50k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal (COM(2018)0150 – C8-0039/2018 – 2018/2029(BUD))
P8_TA(2018)0217A8-0175/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0150 – C8-0039/2018),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0175/2018),

1.  verwelkomt het besluit als een teken van solidariteit van de Unie met de burgers en regio's van de Unie die door natuurrampen zijn getroffen;

2.  betreurt het aantal mensenlevens dat in 2017 bij natuurrampen in de Unie verloren is gegaan; dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in de preventie van rampen door de nodige middelen beschikbaar te stellen en de Europese structuur- en investeringsfondsen aan te wenden om te voorkomen dat er in de toekomst mensenlevens verloren gaan;

3.  steunt de lidstaten die de Europese structuur- en investeringsfondsen aanwenden voor de wederopbouw van de getroffen regio's; verzoekt de Commissie om de financiële herschikking van de partnerschapsovereenkomsten waar de lidstaten om hebben verzocht, te steunen en snel goed te keuren;

4.  dringt er bij de lidstaten op aan de financiële bijdrage uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) op transparante wijze aan te wenden, om een eerlijke verdeling onder de getroffen regio's te garanderen;

5.  is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een nieuw EU-mechanisme voor civiele bescherming om natuurrampen te voorkomen en om handelend op te treden bij natuurrampen; is van mening dat het EU-mechanisme voor civiele bescherming gestalte geeft aan de solidariteit in de Unie, in overeenstemming met het SFEU; herinnert er in dit verband aan dat de bijzondere voorwaarden voor toegang tot het SFEU voor ultraperifere regio's gehandhaafd moeten worden zodat zij de problemen als gevolg van hun grote blootstelling aan natuurrampen kunnen aanpakken; dringt er tevens op aan dat, in situaties waar het verzamelen van informatie gevoelig ligt en afhankelijk van de intensiteit van het klimaatverschijnsel, flexibeler wordt omgegaan met de termijnen voor het indienen van de aanvraag tot beschikbaarstelling en voor het gebruik van de SFEU-fondsen;

6.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

7.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/846.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor bijstand aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal
PDF 118kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor steun aan Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal (08109/2018 – C8-0181/2018 – 2018/2030(BUD))
P8_TA(2018)0218A8-0176/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(1), en met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, definitief vastgesteld op 30 november 2017(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018, dat de Commissie op 22 februari 2018 heeft goedgekeurd (COM(2018)0155),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018, vastgesteld door de Raad op 14 mei 2018 en dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (08109/2018 – C8‑0181/2018),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0176/2018),

A.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018 betrekking heeft op de voorgestelde beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor het verlenen van bijstand aan Griekenland voor de aardbevingen op Lesbos, aan Frankrijk voor de orkanen op Sint-Maarten en Guadeloupe, en aan Portugal en Spanje voor de bosbranden in Centro en Galicië in 2017;

B.  overwegende dat de Commissie derhalve voorstelt de Uniebegroting voor 2018 te wijzigen en begrotingsartikel 13 06 01 "Bijstand aan lidstaten in het geval van een grote natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van de burgers, het natuurlijke milieu of de economie" te verhogen met 97 646 105 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten;

C.  overwegende dat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie een speciaal instrument is in de zin van de MFK-verordening en dat de desbetreffende vastleggings- en betalingskredieten buiten de MFK-plafonds om moeten worden gebudgetteerd;

1.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2018 goed;

2.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2018 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 57 van 28.2.2018.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Bescherming tegen invoer met dumping en subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EU ***II
PDF 115kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie en Verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (05700/1/2018 – C8-0168/2018 – 2013/0103(COD))
P8_TA(2018)0219A8-0182/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05700/1/2018 – C8‑0168/2018),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0192),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord,

–  gezien artikel 67 bis van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie internationale handel (A8‑0182/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat de handeling is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter de handeling samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal de handeling te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 934.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering aanvraag EGF/2018/000 TA 2018 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie
PDF 142kWORD 53k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2018/000 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie) (COM(2018)0165 – C8-0131/2018 – 2018/2048(BUD))
P8_TA(2018)0220A8-0172/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0165 – C8-0131/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2017/000 TA 2017 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)(4),

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0172/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat het maximale jaarlijkse bedrag dat voor het EFG beschikbaar is 150 miljoen EUR bedraagt (prijzen van 2011) en dat in artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening wordt bepaald dat op initiatief van de Commissie jaarlijks maximaal 0,5 % van dit bedrag (d.w.z. 861 515 EUR in 2018) kan worden gebruikt voor technische bijstand, ter financiering van de voorbereiding van, het toezicht op, de gegevensverzameling voor en het creëren van een kennisbasis, administratieve en technische bijstand, informatie- en communicatieactiviteiten alsook boekhoudkundige, controle- en evaluatiewerkzaamheden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de EFG-verordening;

E.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzakelijke verbetering van de meerwaarde, de doeltreffendheid en de inzetbaarheid van begunstigden van het EFG als instrument van de Unie ter ondersteuning van werknemers die zijn ontslagen;

F.  overwegende dat het voorgestelde bedrag van 345 000 EUR overeenkomt met circa 0,2 % van het beschikbare jaarlijkse maximumbedrag voor het EFG in 2018;

1.  stemt ermee in dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen gefinancierd worden als technische bijstand, in overeenstemming met artikel 11, leden 1 en 4, en artikel 12, leden 2, 3 en 4, van de EFG-verordening;

2.  wijst op het belang van monitoring en gegevensverzameling; wijst op het belang van een reeks degelijke statistieken die zijn opgesteld in een praktisch bruikbare vorm, zodat ze makkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn; verwelkomt de geplande toekomstige terbeschikkingstelling van de tweejaarlijkse verslagen van 2019 en verzoekt om een openbare en brede verspreiding van deze verslagen in de hele Unie;

3.  herinnert aan het belang van een specifieke website over het EFG die toegankelijk voor alle burgers van de Unie moet zijn en verzoekt om meer zichtbaarheid; benadrukt het belang van meertaligheid bij de communicatie met het brede publiek; is ingenomen over het voornemen van de Commissie om nieuwe informatie op de EFG-website te vertalen in alle officiële talen van de Unie; vraagt om een gebruikersvriendelijker opzet van de internetpagina's en spoort de Commissie aan tot verbetering van de inhoudelijke waarde van haar publicaties en audiovisuele activiteiten als voorzien in artikel 11, lid 4, van het EFG-verordening; stelt voor dat de Commissie beter communiceert via de sociale media en verschillende platforms;

4.  verwelkomt het voortgezette werk aan de gestandaardiseerde procedures voor EFG-aanvragen en -beheer, gebruikmakend van de functies van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC 2014), wat een vereenvoudiging en snellere verwerking van aanvragen mogelijk maakt, alsmede een betere verslaglegging; verzoekt om betere informatie-uitwisseling over de processen tussen de Commissie en de lidstaten en de lidstaten onderling; wijst erop dat de Commissie de financiële verrichtingen van het EFG heeft vereenvoudigd door de invoering van een interface tussen SFC en het boekhoudkundige en financiële informatiesysteem ABAC; wijst erop dat alleen nog verdere verfijningen en aanpassingen voor eventuele wijzigingen nodig zijn, waarmee de EFG-bijdrage feitelijk wordt beperkt tot dat soort uitgaven;

5.  wijst erop dat de Commissie voornemens is 105 000 EUR van het beschikbare bedrag voor technische bijstand te gebruiken voor het houden van drie vergaderingen van de Deskundigengroep van contactpersonen van het EFG; wijst op het nut van het houden van een extra vergadering van de Deskundigengroep van contactpersonen in het kader van de voorbereiding voor het volgende meerjarig financieel kader; wijst tevens op het voornemen van de Commissie om 120 000 EUR te gebruiken voor het bevorderen van netwerken tussen de lidstaten door middel van seminars, EFG-uitvoeringsorganen en sociale partners; roept de Commissie andermaal op het Parlement, binnen redelijke termijnen, uit te nodigen voor vergaderingen en seminars van de Deskundigengroep, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(5);

6.  is verheugd dat de Commissie bereid is leden van haar EFG-werkgroep uit te nodigen om, indien mogelijk, deel te nemen aan het EFG-netwerkseminar; roept de Commissie op het Parlement te blijven uitnodigen voor dergelijke vergaderingen en seminars, overeenkomstig de relevante bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie; verwelkomt het feit dat de sociale partners ook zijn uitgenodigd om hieraan deel te nemen;

7.  wijst nogmaals op het belang van netwerken en de uitwisseling van informatie over het EFG, om de verspreiding van beste praktijken mogelijk te maken; steunt daarom de twee netwerkseminars over de implementatie van het EFG, naast de vergaderingen van de Deskundigengroep; verwacht dat deze informatie-uitwisseling ook zal bijdragen tot een betere en gedetailleerdere verslaglegging over de mate van succes van de maatregelen in de lidstaten, in het bijzonder over het herintredingspercentage van begunstigden;

8.  benadrukt dat het nodig is het contact verder te versterken tussen alle betrokkenen bij EFG-aanvragen, waaronder met name de sociale partners en de belanghebbenden op regionaal en lokaal niveau, om zo veel mogelijk synergieën tot stand te brengen; wijst erop dat de interactie tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners moet worden versterkt en dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over communicatie, ondersteuning en informatievoorziening (interne verdeling van taken en bevoegdheden), waarmee alle partners moeten instemmen;

9.  onderstreept het belang van het geven van meer bekendheid en zichtbaarheid aan het EFG; herinnert de lidstaten die aanvragen indienen aan hun taak om bekendheid te geven aan de acties die met het EFG worden gefinancierd en zich daarbij te richten tot de beoogde begunstigden, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek, zoals bepaald in artikel 12 van de verordening;

10.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

11.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2018/000 TA 2018 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/845.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0116.
(5) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


Genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9)
PDF 149kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D056125-02 – 2018/2698(RSP))
P8_TA(2018)0221B8-0232/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D056125-02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

–  gezien de stemming van 23 april 2018 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien artikel 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 21 september 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA) werd goedgekeurd en op 24 oktober 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bij Beschikking 2008/280/EG(5) van de Commissie een vergunning werd verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais GA21 (hierna: "mais GA21"); overwegende dat die vergunning ook betrekking heeft op andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais GA21 voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere mais, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 13 september 2007, voorafgaand aan Beschikking 2008/280/EG van de Commissie, overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 2 oktober 2007(6) werd gepubliceerd ("EFSA 2007");

C.  overwegende dat Syngenta France SAS op 6 oktober 2016 bij de Commissie namens Syngenta Crop Protection AG, Zwitserland een aanvraag heeft ingediend overeenkomstig artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 voor de verlenging van deze vergunning;

D.  overwegende dat de EFSA op 21 september 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 24 oktober 2017(7) werd gepubliceerd ("EFSA 2017");

E.  overwegende dat mais GA21 werd ontwikkeld om te zorgen voor tolerantie voor glyfosaat door een gemodificeerde versie van het EPSPS-eiwit tot expressie te brengen;

F.  overwegende dat het gebruik van het complementaire herbicide, in dit geval glyfosaat, tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze er een onvermijdelijk bestanddeel van uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde gewassen meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers;

G.  overwegende dat er dan ook van uitgegaan moet worden dat mais GA21 zal worden blootgesteld aan hogere en ook herhaaldelijke doses glyfosaat, wat niet alleen zal leiden tot een grotere aanwezigheid van residuen in de oogst maar ook van invloed kan zijn op de samenstelling van de genetisch gemodificeerde maisplant en hun agronomische eigenschappen;

H.  overwegende dat er tijdens de raadplegingsperiode van drie maanden voor zowel EFSA 2007(8) als EFSA 2017(9) door de lidstaten talrijke kritische opmerkingen werden ingediend; overwegende dat lidstaten bijvoorbeeld hebben bekritiseerd dat nadere informatie noodzakelijk was om conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de risicobeoordeling van mais GA21, dat gegevens ter ondersteuning van een geschiedenis van veilig gebruik niet werden verstrekt, dat de controleverslagen voor mais GA21 voor de vergunningsperiode fundamentele tekortkomingen hadden en dat de toegepaste controleaanpak niet volledig in overeenstemming was met Richtlijn 2001/18/EG;

I.  overwegende dat het ggo-panel van de EFSA (panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo's)) zelf van mening is dat verdere gesprekken met aanvragers en risicomanagers nodig zijn in verband met de praktische uitvoering van de plannen voor de milieumonitoring na het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde (gg) planten voor invoer en verwerking;

J.  overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie was gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn, en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

K.  overwegende dat het Parlement een bijzondere commissie heeft ingesteld voor de goedkeuringsprocedure van de Unie voor pesticiden, die zal helpen vaststellen of de desbetreffende wetenschappelijke normen van de Unie werden gevolgd tijdens de risicobeoordelingsprocedure en of het bedrijfsleven ongepaste invloed heeft uitgeoefend op de conclusies van de agentschappen van de Unie over kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat;

L.  overwegende dat er volgens het pesticidenpanel van de EFSA geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van residuen die afkomstig zijn van het besproeien van genetisch gemodificeerde gewassen met glyfosaatpreparaten(10); overwegende dat toevoegingsmiddelen en mengsels daarvan die in commerciële glyfosaatsproeistoffen worden gebruikt, giftiger kunnen zijn dan de werkzame stof alleen(11);

M.  overwegende dat de Unie al een toevoegingsmiddel van glyfosaat dat bekend staat als POE-tallowamine van de markt gehaald heeft vanwege bezorgdheid over de giftige eigenschappen ervan; overwegende dat problematische additieven en mengsels echter nog steeds kunnen worden toegestaan in de landen waar mais GA21 wordt geteeld (Argentinië, Brazilië, Canada, Japan, Paraguay, de Filipijnen, Zuid-Afrika, de VS, Uruguay en Vietnam);

N.  overwegende dat gegevens over de hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten essentieel zijn voor een grondige risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat residuen afkomstig van besproeiing met bestrijdingsmiddelen in overweging worden genomen buiten de werkingssfeer van het ggo-panel van de EFSA; overwegende dat de effecten van besproeiing met mais GA21 met glyfosaat niet werden beoordeeld;

O.  overwegende dat de lidstaten niet verplicht zijn om glyfosaatresiduen op maisinvoer te meten om in overeenstemming te zijn met de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen als onderdeel van het in 2018, 2019 en 2020 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2017/660(12) van de Commissie, zijn evenmin verplicht om dit te doen voor de jaren 2019, 2020 en 2021(13); overwegende dat het derhalve niet bekend is of glyfosaatresiduen op ingevoerde genetisch gemodificeerde mais GA21 in overeenstemming zijn met de in de Unie geldende maximale residuengehaltes;

P.  overwegende dat mais GA21 onder meer in Argentinië wordt geteeld; overwegende dat de desastreuze gevolgen van het gebruik van glyfosaat voor de gezondheid uitgebreid gedocumenteerd is; overwegende dat de Unie de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) heeft onderschreven, die onder meer een engagement inhouden om het aantal overlijdens en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en lucht-, water- en bodemverontreiniging en -vervuiling tegen 2030 aanzienlijk terug te dringen (SDG 3, doelstelling 3.9)(14);

Q.  overwegende dat de Unie vasthoudt aan het concept van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat erop gericht is tegenstrijdigheden in het Uniebeleid tot een minimum te beperken en synergieën te creëren tussen de verschillende beleidsdomeinen van de Unie, onder meer op het gebied van handel, milieu en landbouw, zodat het beleid ten goede komt aan ontwikkelingslanden en de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroot;

R.  overwegende dat de EFSA geconcludeerd heeft dat op één na alle representatieve wijzen van gebruik van glyfosaat voor conventionele gewassen (d.w.z. niet-genetisch gemodificeerde gewassen) een risico opleverden voor wilde gewervelde landdieren van niet-doelsoorten, en ook een hoog langetermijnrisico voor zoogdieren heeft vastgesteld voor sommige van de belangrijkste aanwendingen van glyfosaat op conventionele gewassen(15); overwegende dat het ECHA glyfosaat heeft ingedeeld als giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen; overwegende dat de negatieve gevolgen van het gebruik van glyfosaat voor de biodiversiteit en het milieu volop zijn aangetoond; overwegende dat bijvoorbeeld in een Amerikaanse studie uit 2017 een negatief verband werd vastgesteld tussen het gebruik van glyfosaat en de hoeveelheid volwassen monarchvlinders, vooral in gebieden met landbouwconcentratie(16);

S.  overwegende dat een nieuwe vergunning voor het op de markt brengen van mais GA21 ertoe zal leiden dat er vraag blijft bestaan naar de verbouwing ervan in derde landen; overwegende dat er, zoals eerder opgemerkt, verwacht kan worden dat hogere en herhaalde doses pesticiden worden gebruikt op herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen (in vergelijking met niet-genetisch gemodificeerde gewassen), aangezien zij voor dat doel ontworpen zijn;

T.  overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, op grond waarvan de partijen ervoor moeten zorgen dat activiteiten die binnen hun rechtsgebied of onder hun controle worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten(17); overwegende dat het besluit over het al dan niet verlengen van de toelating van mais GA21 onder de jurisdictie van de Unie valt;

U.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat er in 2015 wereldwijd ten minste 29 glyfosaatresistente onkruidsoorten voorkwamen(18);

V.  overwegende dat na de stemming op 23 april 2018 het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft geleverd;

W.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook voorzitter Juncker deze praktijk heeft betreurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(19);

X.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(20) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

Y.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name wanneer die gevoelige kwesties betreft zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

Z.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit om de vergunning te verlengen alle relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(21) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo's op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de Commissie zich te houden aan haar toezeggingen in het kader van het VN‑Verdrag inzake biologische diversiteit door alle invoer van genetisch gemodificeerde glyfosaattolerante planten op te schorten;

6.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer in de Unie voor levensmiddelen en diervoeders;

8.  herhaalt zijn belofte dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt over de toelating van een ggo, hetzij voor de teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, de Commissie het voorstel intrekt; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van datzelfde voorstel van de Commissie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2017.5006
(4)––––––––––––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 108).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 111).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0396).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0397).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0398).Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0051).Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6) en genetisch gemodificeerde mais die twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0052).Resolutie van 3 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0197).
(5) Beschikking 2008/280/EG van de Commissie van 28 maart 2008 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais GA21 (MON-ØØØ21-9) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 87 van 29.3.2008, blz. 19).
(6) https://www.efsa.europa.eu/fr/efsajournal/pub/541
(7) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2017.5006
(8) Bijlage G - Opmerkingen van de lidstaten, http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2005-226
(9) Bijlage G - Opmerkingen van de lidstaten, http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionDocumentsLoader?question=EFSA-Q-2016-00714
(10) Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat. EFSA journal 2015, 13(11):4302, http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4201/epdf
(11) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3955666
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/660 van de Commissie van 6 april 2017 inzake een in 2018, 2019 en 2020 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 94 van 7.4.2017, blz. 12).
(13) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/555 van de Commissie van 9 april 2018 inzake een in 2019, 2020 en 2021 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 92 van 10.4.2018, blz. 6).
(14) https://sustainabledevelopment.un.org/sdg3
(15) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2015.4302
(16) https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/ecog.02719
(17) Artikel 3, https://www.cbd.int/convention/articles/default.shtml?a=cbd-03
(18) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5606642/
(19) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(20) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.
(21) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603, en genetisch gemodificeerde mais die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen 1507, 59122, MON 810 en NK603 combineert
PDF 149kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de events of het enkele event 1507, 59122, MON 810 en NK603, en tot intrekking van Beschikkingen 2009/815/EG, 2010/428/EU en 2010/432/EU ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D056123-02 – 2018/2699(RSP))
P8_TA(2018)0222B8-0233/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de events of het enkele event 1507, 59122, MON 810 en NK603, en tot intrekking van Beschikkingen 2009/815/EG, 2010/428/EU en 2010/432/EU ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D056123-02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de stemming van 23 april 2018 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien artikel 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 14 november 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA) werd goedgekeurd en op 28 november 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Pioneer Overseas Corporation op 3 februari 2011 namens Pioneer Hi-Bred International Inc., de Verenigde Staten, bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag heeft ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603 ("de aanvraag") in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat de aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van producten die bestaan uit genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603 ("gg-mais"), voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de aanvraag betrekking had op tien subcombinaties van de afzonderlijke transformatie-events die het gg-mais vormen, waarvan vijf reeds een vergunning hebben gekregen; overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betrekking heeft op acht van deze subcombinaties; overwegende dat in verschillende beschikkingen van de Commissie reeds een vergunning werd verleend voor de subcombinaties 1507 × NK603 en NK603 × MON 810;

C.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 14 november 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 28 november 2017 is gepubliceerd(5);

D.  overwegende dat het genetisch gemodificeerde mais wordt afgeleid van een kruising van vier genetisch gemodificeerde maisevents: 1507 produceert het insectendodend eiwit Cr1F en is resistent tegen het herbicide glufosinaat; 59122 produceert de insectendodend eiwitten Cry34Ab1 en Cry35Ab1 en is ook resistent tegen het herbicide glufosinaat; MON810 produceert het insectendodend eiwit Cr1Ab en NK603 produceert twee enzymen die tegen het herbicide glyfosaat resistent maken;

E.  overwegende dat het gebruik van de complementaire herbiciden, in dit geval glyfosaat en glufosinaat, tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze er een onvermijdelijk bestanddeel van uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde gewassen meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers;

F.  overwegende dat er dan ook van uitgegaan moet worden dat genetisch gemodificeerde mais zal worden blootgesteld aan hogere en ook herhaaldelijke doses glyfosaat en glufosinaat, wat niet alleen zal leiden tot een grotere aanwezigheid van residuen in de oogst maar ook van invloed kan zijn op de samenstelling van de genetisch gemodificeerde maisplant en hun agronomische eigenschappen;

G.  overwegende dat uit een onafhankelijke studie is gebleken dat de risicobeoordeling van de EFSA niet mag worden aanvaard, onder meer, omdat de EFSA geen empirische gegevens over de toxiciteit en impact op het immuunsysteem heeft opgevraagd, combinatorische effecten werden genegeerd, net als de gevolgen van de hogere doseringen van besproeiing met complementaire herbiciden, dat de milieueffectbeoordeling onaanvaardbaar is en gebaseerd is op de foute veronderstellingen en dat er niet is voorzien in een systeem om gevalspecifieke lekkage en potentiële gevolgen voor de gezondheid te monitoren(6);

H.  overwegende dat de aanvrager geen experimentele gegevens heeft verstrekt voor een momenteel niet toegestane subcombinatie van het in meerdere transformatiestappen gecreëerde event (59122 × MON810 × NK603); overwegende dat een vergunning van een in meerdere transformatiestappen gecreëerde event niet mag worden overwogen zonder een grondige beoordeling van de experimentele gegevens voor elke subcombinatie;

I.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting en derhalve onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(7); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat voor gebruik in de Uni op 31 juli 2018 verstrijkt(8);

J.  overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn, en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

K.  overwegende dat er volgens het pesticidenpanel van de EFSA geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van residuen die afkomstig zijn van het besproeien van genetisch gemodificeerde gewassen met glyfosaatpreparaten(9); overwegende dat toevoegingsmiddelen en mengsels daarvan die in commerciële glyfosaatsproeistoffen worden gebruikt, giftiger kunnen zijn dan de werkzame stof alleen(10);

L.  overwegende dat de Unie al een toevoegingsmiddel van glyfosaat dat bekend staat als POE-tallowamine van de markt gehaald heeft vanwege bezorgdheid over de giftige eigenschappen ervan; overwegende dat problematische additieven en mengsels echter nog steeds kunnen worden toegestaan in de landen waar de genetisch gemodificeerde mais wordt geteeld (Canada en Japan);

M.  overwegende dat gegevens over de hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten essentieel zijn voor een grondige risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat residuen afkomstig van besproeiing met bestrijdingsmiddelen in overweging worden genomen buiten de werkingssfeer van het ggo-panel van de EFSA; overwegende dat de effecten van het besproeien van het genetisch gemodificeerde mais met herbiciden alsook het cumulatieve effect van besproeien met zowel glyfosaat als glufosinaat niet werden beoordeeld;

N.  overwegende dat de lidstaten niet verplicht zijn om glyfosaat- of glufosinaatresiduen op maisinvoer te meten om in overeenstemming te zijn met de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen als onderdeel van het in 2018, 2019 en 2020 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2017/660(11) van de Commissie, zijn evenmin verplicht om dit te doen voor de jaren 2019, 2020 en 2021(12); overwegende dat het derhalve niet bekend is of glyfosaat- of glufosinaatresiduen op ingevoerde genetisch gemodificeerde mais GA21 in overeenstemming zijn met de in de Unie geldende maximale residuengehaltes;

O.  overwegende dat het in meerdere transformatiestappen gecreëerde event vier insectendodende gifstoffen produceert (Cry1F en Cry1Ab gericht tegen schubvleugelige insecten en Cry34Ab1 en Cry35Ab1 gericht tegen schildvleugelige insecten); overwegende dat in een wetenschappelijke studie uit 2017 over de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van Bt-toxinen en residuen die afkomstig zijn van besproeiing met complementaire herbiciden is geconcludeerd dat er speciale aandacht moet worden besteed aan de residuen van herbiciden en de interactie daarvan met Bt-toxinen(13); overwegende dat dit niet onderzocht was door de EFSA;

P.  overwegende dat de EFSA geconcludeerd heeft dat op een na alle representatieve wijzen van gebruik van glyfosaat voor conventionele gewassen (d.w.z. niet-genetisch gemodificeerde gewassen) een risico opleverden voor wilde gewervelde landdieren van niet-doelsoorten, en ook een hoog langetermijnrisico voor zoogdieren heeft vastgesteld voor sommige van de belangrijkste aanwendingen van glyfosaat op conventionele gewassen(14); overwegende dat het ECHA glyfosaat heeft ingedeeld als giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen; overwegende dat de negatieve gevolgen van het gebruik van glyfosaat voor de biodiversiteit en het milieu volop zijn aangetoond; overwegende dat bijvoorbeeld in een Amerikaanse studie uit 2017 een negatief verband werd vastgesteld tussen het gebruik van glyfosaat en de hoeveelheid volwassen monarchvlinders, vooral in gebieden met landbouwconcentratie(15);

Q.  overwegende dat een vergunning voor het op de markt brengen van de genetisch gemodificeerde mais ertoe zal leiden dat de vraag naar de verbouwing ervan in derde landen toeneemt; overwegende dat er, zoals eerder opgemerkt, hogere en herhaalde doses pesticiden worden gebruikt op herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen (in vergelijking met niet-genetisch gemodificeerde gewassen), aangezien zij voor dat doel ontworpen zijn;

R.  overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, op grond waarvan de partijen ervoor moeten zorgen dat activiteiten die binnen hun rechtsgebied of onder hun controle worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten(16); overwegende dat het besluit over het al dan niet verlengen van de toelating van genetisch gemodificeerde mais onder de jurisdictie van de Unie valt;

S.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat er in 2015 wereldwijd ten minste 29 glyfosaatresistente onkruidsoorten voorkwamen(17);

T.  overwegende dat na de stemming op 23 april 2018 het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft geleverd;

U.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook voorzitter Juncker deze praktijk heeft betreurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(18);

V.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(19) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

W.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name wanneer die gevoelige kwesties betreft zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

X.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit om de vergunning te verlengen alle relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(20) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo's op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de Commissie zich te houden aan haar toezeggingen in het kader van het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit door alle invoer van genetisch gemodificeerde glyfosaattolerante planten op te schorten;

6.  vraagt de Commissie in het bijzonder geen toestemming te verlenen voor de invoer van genetisch gemodificeerde planten voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder die tolerant zijn gemaakt voor een herbicide waarvan het gebruik in de Unie niet is toegestaan (in dit geval glufosinaat, waarvan de vergunning verstrijkt op 31 juli 2018);

7.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

8.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer in de Unie voor levensmiddelen en diervoeders;

9.  herhaalt zijn belofte dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt over de toelating van een ggo, hetzij voor de teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, de Commissie het voorstel intrekt; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van datzelfde voorstel van de Commissie;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2017.5000
(4)––––––––––––––––––––––– ­ Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 71).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 19).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 17).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (PB C 35 van 31.1.2018, blz. 15).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 108).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4). (PB C 86 van 6.3.2018, blz. 111).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0396).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 × 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0397).Resolutie van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0398).Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 59122 (DAS-59122-7), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0051).Resolutie van 1 maart 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6) en genetisch gemodificeerde mais die twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineert, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0052).Resolutie van 3 mei 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde suikerbiet H7-1 (KM-ØØØH71-4) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0197).
(5) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2017.5000
(6) https://www.testbiotech.org/node/2130
(7) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(8) Punt 7 van de bijlage bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/404 van de Commissie (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6).
(9) Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat. EFSA journal 2015, 13 (11); 4302, http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4201/epdf
(10) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3955666
(11) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/660 van de Commissie van 6 april 2017 inzake een in 2018, 2019 en 2020 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 94 van 7.4.2017, blz. 12).
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/555 van de Commissie van 9 april 2018 inzake een in 2019, 2020 en 2021 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 92 van 10.4.2018, blz. 6).
(13) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5236067/
(14) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2015.4302
(15) https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/ecog.02719
(16) Artikel 3, https://www.cbd.int/convention/articles/default.shtml?a=cbd-03
(17) https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5606642/
(18) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(19) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.
(20) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt
PDF 161kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over de uitvoering van controlemaatregelen voor de vaststelling van de conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt (2017/2129(INI))
P8_TA(2018)0223A8-0156/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1),

–  gezien de controleregeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), bestaande uit Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(2), Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad(3) en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten(7),

–  gezien Speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer van december 2017, getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU",

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het beheer van de visserijvloten in de ultraperifere gebieden(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0156/2018),

A.  overwegende dat de EU de grootste markt voor visserij- en aquacultuurproducten ter wereld is, goed voor 24 % van de totale wereldwijde invoer in 2016, en dat de EU voor meer dan 60 % van haar consumptie van deze producten afhankelijk is van invoer;

B.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 8 juli 2010 over de regeling inzake de invoer van visserij- en aquacultuurproducten in de EU(9) heeft benadrukt dat het één van de essentiële doelstellingen van het EU-beleid met betrekking tot de invoer van visserij- en aquacultuurproducten moet zijn om ervoor te zorgen dat invoerproducten in alle opzichten aan dezelfde vereisten beantwoorden die ook voor producten van de EU gelden, en dat EU-inspanningen inzake duurzame visvangst niet verenigbaar zijn met de import van producten afkomstig uit landen die hun visserijinspanningen intensiveren zonder zorg voor de duurzaamheid daarvan;

C.  overwegende dat de EU zich met de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497) verbindt tot een verantwoordelijker handelsbeleid als middel om de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen ten uitvoer te leggen;

D.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn om te controleren of vis van EU-producenten beantwoordt aan de sanitaire normen van de EU, en dat de Commissie voor ingevoerde vis derde landen machtigt tot het aanwijzen van inrichtingen die visserijproducten mogen uitvoeren naar de EU, op voorwaarde dat deze gelijkwaardige normen kunnen waarborgen;

E.  overwegende dat de ultraperifere regio's van de EU in het Caribisch gebied, de Indische Oceaan en de Atlantische Oceaan grenzen aan diverse derde landen wier voorschriften inzake visserij, productie en het in de handel brengen niet altijd overeenkomen met de Europese normen, waardoor er oneerlijke concurrentie met de lokale productie ontstaat;

F.  overwegende dat er met betrekking tot vissers tal van internationale instrumenten voorhanden zijn die moeten worden geratificeerd en uitgevoerd, zoals Verdrag nr. 188 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende werk in de visserijsector (ILO C188), de Overeenkomst van Kaapstad van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van 2012 en het Internationaal Verdrag van de IMO betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen (STCW-F);

G.  overwegende dat in de conclusies van wetenschappelijk advies nr. 3/2017 van 29 november 2017, getiteld "Food from the Oceans" (Voedsel uit de oceaan), wordt geadviseerd de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in te passen in alle beleidsdomeinen van de Unie en dezelfde aanpak te hanteren in andere internationale fora en bij de ondersteuning van andere regio's in de wereld, zodat er een evenwicht ontstaat tussen economische en milieudoelstellingen die verband houden met de productie van voedsel en met het mariene milieu;

1.  merkt op dat EU-marktdeelnemers alleen visserij- en aquacultuurproducten in de handel mogen brengen als ze een uitgebreide reeks regels naleven en beantwoorden aan strenge criteria, waaronder de regels van het GVB en normen inzake sanitaire vereisten, arbeid, veiligheid van vaartuigen en milieu; wijst erop dat al deze normen worden ondersteund door regelingen om naleving te waarborgen; is ervan overtuigd dat de combinatie hiervan leidt tot de creatie van strenge normen inzake de kwaliteit en duurzaamheid van een product, waarop de EU-consument terecht is gaan rekenen;

2.  is van mening dat het voor de duurzaamheid in derde landen goed zou zijn om voor hun visserij- en aquacultuurproducten de EU-normen inzake ecologische en sociale duurzaamheid na te leven, en dat dit ook bevorderlijk zou zijn voor een eerlijkere concurrentie tussen producten uit de EU en producten uit derde landen;

3.  is bezorgd over het feit dat bij de invoer van deze producten minder controles worden verricht, waarbij in de eerste plaats wordt gekeken naar gezondheidsnormen en naar de verordening betreffende illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-verordening)(10) en deze laatste controle enkel is bedoeld om te garanderen dat het product overeenkomstig de toepasselijke regels werd gevangen;

4.  benadrukt dat de EU alleen kan waarborgen dat ingevoerde en Europese visserij- en aquacultuurproducten gelijk worden behandeld – hetgeen een centrale doelstelling moet zijn van het visserijbeleid – door te eisen dat alle ingevoerde producten voldoen aan zowel de EU-normen op het gebied van instandhouding en beheer als de krachtens de EU-wetgeving opgelegde hygiënevoorschriften; wijst erop dat dit zou bijdragen tot eerlijkere concurrentie en een opwaardering van de normen voor de exploitatie van mariene hulpbronnen in derde landen;

5.  meent dat de inspanningen die de EU zich middels het GVB getroost om de bestanden in stand te houden en de visserij duurzaam te maken, niet verenigbaar zijn met de import van visserij- en aquacultuurproducten uit landen die hun visserijinspanningen opvoeren zonder zich te bekommeren om de duurzaamheid en die alleen oog hebben voor de kortetermijnwinsten;

6.  uit zijn bezorgdheid over de verschillende regels voor het in de handel brengen van vis, een situatie die een discriminerende markt tot gevolg heeft, ten nadele van EU-vissers en -producenten van aquacultuurproducten, en is van mening dat om die reden de controles op visserij- en aquacultuurproducten moeten worden opgevoerd en verbeterd;

7.  is van mening dat de toepassing van de controleverordening(11) in alle lidstaten moet worden aangescherpt, zodat de verordening op homogene en geharmoniseerde wijze wordt toegepast in alle stadia van de toeleveringsketen, met inbegrip van de diensten die worden geleverd in de detailhandel en in restaurants, en dit zowel voor EU-producten als voor ingevoerde producten; merkt op dat dit ook geldt voor etiketteringsvoorschriften;

Sanitaire normen

8.  is verontrust door de vaststelling dat het door de Unie opgelegde systeem dat door de bevoegde autoriteiten van derde landen wordt gehanteerd voor de toetsing van de sanitaire normen voor naar de EU uitgevoerde visserijproducten onvoldoende garandeert dat deze normen te allen tijde worden nageleefd;

9.  verzoekt de Commissie meer opleiding, technische bijstand en middelen voor institutionele capaciteitsopbouw te verstrekken om ontwikkelingslanden te helpen te voldoen aan de EU-regels; moedigt initiatieven aan zoals het programma "Betere opleiding voor veiliger voedsel" van het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid (DG SANTE), dat opleidingen voor officieel controlepersoneel uit ontwikkelingslanden organiseert over EU-normen voor visserij- en aquacultuurproducten;

10.  wijst met nadruk op het belang van een strenge toepassing van Europese wetgeving die verband houdt met gezondheidsnormen en -inspecties in al haar aspecten (voedselveiligheid, traceerbaarheid, preventie) op ingevoerde visserij- en aquacultuurproducten, met inbegrip van diervoeder en grondstoffen voor diervoeder, aangezien dit essentiële aspecten zijn voor de bescherming van de consument; dringt er in die zin bij de Commissie op aan om haar programma voor inspecties in derde landen te verbeteren door de missies van het Voedsel- en Veterinair Bureau te verfijnen, hoofdzakelijk door het aantal gecontroleerde inrichtingen bij elke missie te verhogen, teneinde resultaten te verkrijgen die beter stroken met de realiteit van het derde land;

11.  merkt op dat zelfs uit de controles die door DG SANTE zelf worden uitgevoerd blijkt dat sommige derde landen er totaal niet in slagen te garanderen dat producten beantwoorden aan de noodzakelijke gezondheidsnormen, althans wat vissers- en fabrieksvaartuigen en koelschepen betreft, hetgeen de gezondheidscontroles die worden verricht in inspectieposten aan de grenzen van de EU bemoeilijkt waar het gaat om controle op de naleving van de wettelijke sanitaire voorschriften;

12.  beschouwt het als onrustwekkend dat niet-EU-vissersvaartuigen die actief zijn in de kustwateren van West-Afrika volgens waarnemingen moeite hebben om de traceerbaarheid van producten en de naleving van sanitaire normen te waarborgen; is van mening dat niet volledig kan worden vertrouwd op de echtheid van de certificaten die door derde landen worden toegekend aan vaartuigen en ondernemingen die naar de EU mogen uitvoeren;

13.  meent dat het in tegenspraak is met het concept van de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat – dat ten grondslag ligt aan het GVB, met inbegrip van de IOO-verordening – om derde landen de mogelijkheid te bieden hun recht op het toekennen van deze certificaten te delegeren aan andere geselecteerde derde landen, zelfs aan een kuststaat, en dat dit met name geldt voor de verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat die het vangstcertificaat valideert; is van mening dat de Commissie een einde moet stellen aan de praktijk om derde landen de mogelijkheid te bieden deze bevoegdheid te delegeren aan andere landen;

14.  is bovendien van mening dat de bevoegde autoriteiten ten minste eenmaal per jaar een sanitaire controle van vissersvaartuigen moeten verrichten;

Arbeidsrechten

15.  wijst op de tegenstelling tussen de erg lovenswaardige staat van dienst van de lidstaten met betrekking tot het ratificeren van arbeidsverdragen inzake zeevarenden, en hun buitengewoon povere staat van dienst wat betreft het ratificeren van verdragen die betrekking hebben op vissers, en spoort de lidstaten ertoe aan de desbetreffende instrumenten onmiddellijk te ratificeren, waaronder ILO C188, de Overeenkomst van Kaapstad en het SCTW-F;

16.  is vol lof over de sociale partners die met succes gebruik hebben gemaakt van artikel 155 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) om Richtlijn (EU) 2017/159 van de Raad(12) tot stand te brengen, waarin ILO C188 gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd, maar betreurt dat de richtlijn geen betrekking heeft op zelfstandige vissers; spoort de Commissie ertoe aan het proces te voltooien door met een voorstel voor een aanvullende richtlijn te komen waarin handhavingsbepalingen zijn opgenomen, net als ze heeft gedaan voor de scheepvaart;

17.  dringt er in dit verband bij de Commissie op aan procedures op te starten om zich te beroepen op artikel 155 VWEU met betrekking tot het STCW-F-Verdrag, met het oog op een grotere veiligheid op zee bij het vissen, een beroepsbezigheid die alom bekendstaat als een van de gevaarlijkste ter wereld;

18.  staat achter de voortdurende inspanningen om het visserijbeleid van de EU te verbeteren en ecologisch duurzamer te maken, teneinde het langdurige voortbestaan van kustgemeenschappen te waarborgen en een bron van voedzame levensmiddelen in stand te houden; is van mening dat dit haaks staat op de steeds verdere openstelling van de EU-markt voor visserijproducten uit derde landen met minder strikte beheersregelingen; ziet dit als een gebrek aan coherentie tussen het visserijbeleid en het handelsbeleid;

Handelsbeleid

19.  betreurt dat de Commissie soms tegengestelde signalen geeft aan derde landen, bijvoorbeeld in de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten, of wanneer ze een land betere toegang verleent tot de EU-markt, ook al is dit land in het kader van de IOO-verordening of de verordening inzake niet-duurzame visserij(13) aangemerkt als land dat niet meewerkt;

20.  verzoekt de Commissie om het handelsbeleid en het visserijbeleid van de Unie nauw op elkaar af te stemmen, onder meer bij het voeren van onderhandelingen over handelsovereenkomsten waarin visserij aan bod komt; acht het van essentieel belang om een analyse te maken van de economische en sociale effecten van vrijhandelsovereenkomsten op de visserijproducten van de EU, om waar nodig te voorzien in passende vrijwaringsmaatregelen, en om bepaalde visserijproducten te beschouwen als gevoelig product;

21.  is van mening dat de EU, als grootste importeur van visserijproducten ter wereld, met andere landen die op grote schaal vis importeren de politieke verantwoordelijkheid deelt om ervoor te zorgen dat de handelsvoorschriften van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in overeenstemming zijn met de strengst mogelijke wereldwijde normen voor visserijbeheer en instandhouding van bestanden; verzoekt de Commissie in dit verband ervoor te zorgen dat de criteria voor eerlijke, transparante en duurzame handel in vis worden aangescherpt in de bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten van de EU;

22.  vraagt met klem dat er in door de Commissie onderhandelde vrijhandelsovereenkomsten en andere multilaterale overeenkomsten met handelsbepalingen aangescherpte hoofdstukken over duurzame ontwikkeling worden opgenomen waarin specifieke aandachtspunten van de visserij aan de orde worden gesteld, meer bepaald:

   een expliciete bekrachtiging van de voorschriften van de IOO-verordening en een verbintenis van de kant van het derde land om een procedure te starten om te voorkomen dat IOO-producten in de handel worden gebracht in dat land, teneinde te verhinderen dat ze onrechtstreeks in de EU terechtkomen;
   de eis ten aanzien van het derde land om belangrijke internationale instrumenten op het gebied van visserij – zoals het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, de VN-visbestandenovereenkomst, de overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de FAO (VN-Voedsel- en Landbouworganisatie) en de FAO-nalevingsovereenkomst – te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, en om zich te houden aan de normen van de desbetreffende regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's);

23.  dringt erop aan dat daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de belangen van de ultraperifere regio's bij het sluiten van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij of handelsovereenkomsten met derde landen, en dat zo nodig wordt voorzien in uitsluiting van gevoelige producten;

24.  verzoekt de Commissie bij het opstellen van een post-brexit-overeenkomst de toegang tot de EU-markt van visserij- en aquacultuurproducten uit het Verenigd Koninkrijk afhankelijk te stellen van toegang tot de Britse wateren voor vaartuigen uit de EU en van toepassing van het GVB;

25.  verzoekt de Commissie een wijziging van de SAP-verordening(14) voor te stellen om daarin voor de visserij belangrijke instrumenten op te nemen, zoals het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, de VN-visbestandenovereenkomst, de FAO-nalevingsovereenkomst en de overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de FAO, die alle moeten worden geratificeerd en toegepast, alsook bepalingen op grond waarvan de SAP+-status kan worden opgeschort wanneer de bepalingen van die instrumenten niet worden nageleefd;

26.  benadrukt dat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de hoofdstukken in vrijhandelsovereenkomsten die betrekking hebben op handel en duurzame ontwikkeling alleen kunnen worden weggewerkt en dat de desbetreffende bepalingen alleen kracht kan worden bijgezet als er een bindend geschillenbeslechtingsmechanisme wordt ingevoerd (met overleg tussen regeringen, een panelprocedure, openbare toegang tot documenten en raadpleging van het maatschappelijk middenveld), met de mogelijkheid om sancties op te leggen wanneer internationale verbintenissen niet worden nagekomen;

27.  is verontrust over de zwakke punten en mazen in de douanecontroles die beschreven worden in speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij de daarin vervatte aanbevelingen zo spoedig mogelijk uitvoeren;

28.  wijst erop dat er naast de algemene verplichtingen inzake bekendmaking van niet-financiële informatie voor grote bedrijven ook nog aanvullende, aangescherpte vereisten inzake zorgvuldigheidsverplichtingen zijn opgelegd aan marktdeelnemers van elke omvang (met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen) voor twee problematische sectoren – hout en conflictmineralen – die in de hele controleketen moeten worden toegepast; is van mening dat de visserij baat zou hebben bij soortgelijke verplichtingen en dringt er bij de Commissie op aan om na te gaan of het haalbaar is om voor visserijproducten zorgvuldigheidsvereisten in te voeren;

Handelsnormen

29.  stelt vast dat de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1379/2013 betreffende een gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten weliswaar van toepassing zijn op alle visserij- en aquacultuurproducten, maar dat de bepalingen betreffende etikettering voor consumenten slechts gelden voor een relatief kleine groep van producten en niet verplicht is voor bereidingen en conserven of verwerkte producten; is van mening dat de consumenteninformatie ook voor deze producten moet worden verbeterd, onder meer door bijkomende verplichte informatie aan te brengen op de etiketten; vindt dat de etikettering van deze producten moet worden verbeterd, zodat de consument goed geïnformeerd is en de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten gewaarborgd is;

30.  verzoekt de Commissie informatiecampagnes te bevorderen waarin wordt uitgelegd welke inspanningen de vis- en aquacultuurproducenten in de EU zich getroosten om duurzaamheid te garanderen, en waarin de nadruk wordt gelegd op de strenge kwaliteits- en milieunormen die de EU-wetgeving oplegt in vergelijking met die van derde landen;

31.  is van mening dat de eerbiediging van hoge normen op het vlak van milieu, hygiëne en gezondheid en op sociaal vlak door de EU-vloot wordt gewaarborgd door een strikte naleving van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van andere EU-wetgeving, en vraagt de Commissie bijgevolg met klem onverwijld de mogelijkheid te onderzoeken van de oprichting van een label tot identificatie van de visserijproducten van de EU;

32.  is ervan overtuigd dat de Europese consumenten dikwijls andere keuzen zouden maken als ze beter ingelicht zouden zijn over de ware aard van producten in de winkelrekken, over hun geografische oorsprong, hun kwaliteit en de omstandigheden waarin deze producten zijn geproduceerd of gevangen;

33.  is van mening dat ook de vermelding van de vlaggenstaat van het vaartuig dat de vis heeft gevangen deel moet uitmaken van de verplichte informatie op de etiketten van visserijproducten;

34.  is ingenomen met de onlangs door de Commissie opgestarte evaluatie van handelsnormen die tientallen jaren geleden zijn vastgesteld, om na te gaan welke normen moeten worden toegepast in de context van de huidige handelspraktijken en de beschikbare technologieën voor de traceerbaarheid van producten;

Controleregeling

35.  meent dat de drie verordeningen die samen de controleregeling vormen, kunnen worden beschouwd als een evenwichtig pakket en dat deze voor aanzienlijke verbeteringen hebben gezorgd in het visserijbeheer in de EU;

36.  uit woorden van lof voor de Commissie voor de manier waarop zij de IOO-verordening ten uitvoer heeft gebracht met betrekking tot derde landen, waarmee ze heeft bewezen dat de EU in haar rol van verantwoordelijke markstaat een gigantische invloed kan uitoefenen op de wereldwijde visserij; dringt er bij de Commissie op aan druk te blijven uitoefenen op derde landen voor het treffen van maatregelen om te voorkomen dat uit IOO-visserij afkomstige producten op hun markt terechtkomen;

37.  vestigt de aandacht op het onlangs gepubliceerde rapport van een aantal organisaties uit het maatschappelijk middenveld, waarin de invoerstromen van visserijproducten naar EU-landen worden geanalyseerd vanaf 2010, het jaar waarin de IOO-verordening in werking is getreden, en waarin wordt aangetoond hoe tekortkomingen in de controles op de invoer uit derde landen naar de lidstaten en niet-eenvormige normen ertoe kunnen leiden dat niet-conforme producten op de Europese markt belanden; verzoekt de lidstaten, de doorvoerlanden en de landen van bestemming dan ook om voor betere onderlinge coördinatie te zorgen om te garanderen dat vangstcertificaten die voor de invoer van visserijproducten worden afgegeven nauwkeuriger worden onderzocht; acht het van fundamenteel belang dat er een geharmoniseerd en gecoördineerd Europees computersysteem wordt opgezet dat de controles op de invoer van visserijproducten in de lidstaten kan vereenvoudigen;

38.  is van mening dat de Commissie en sommige lidstaten er niet in zijn geslaagd alle drie de verordeningen strikt toe te passen en te handhaven, zoals blijkt uit documenten van de Commissie, de Rekenkamer en onafhankelijke waarnemers;

39.  is van mening dat er naast de toepassing van de IOO-verordening ook een striktere controle moet plaatsvinden verderop in het proces van afzet van die vis, met name door middel van strengere audits ten aanzien van de lidstaten en van bedrijven die ervan worden verdacht producten te leveren die afkomstig zijn van illegale visserij;

40.  verzoekt de Commissie alle beschikbare middelen aan te wenden om ervoor te zorgen dat alle landen die visserij- en aquacultuurproducten uitvoeren naar de EU een strikt beleid inzake de instandhouding van bestanden toepassen; spoort de Commissie ertoe aan om in alle geëigende fora met die landen samen te werken, met name in de ROVB's;

41.  stelt vast dat mislukkingen op het vlak van tenuitvoerlegging betrekking hebben op vele aspecten, zoals:

   een ongelijk niveau van sancties en de mislukte toepassing van het puntensysteem in verschillende lidstaten;
   sancties die niet altijd voldoende afschrikkend, doeltreffend of evenredig zijn om herhaling van de inbreuken te voorkomen;
   ontoereikende gegevensvergaring en -uitwisseling door en tussen de lidstaten, met name vanwege het ontbreken van een gemeenschappelijke, compatibele databank;
   slechte traceerbaarheid van vis, onder meer bij het overschrijden van nationale grenzen;
   slechte controle op weging;
   grote verschillen op het vlak van de verificatie van ingevoerde producten en de plaats van binnenkomst, met inbegrip van vangstcertificaten;
   gebrek aan een voor alle lidstaten duidelijke en eenvormige definitie van ernstige inbreuken;

42.  wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat een geïmporteerd product dat in een haven van de ene lidstaat is afgekeurd, niet toch op de EU-markt komt via een haven van een andere lidstaat;

43.  is het ermee eens dat sommige bepalingen van de controleverordeningen voor interpretatie vatbaar zijn en een uniforme tenuitvoerlegging in de weg hebben gestaan, maar is van mening dat de Commissie en de lidstaten met de nodige openheid en politieke wil grotere inspanningen zouden kunnen leveren om een beter geharmoniseerde uitvoering van de bestaande wetgeving te waarborgen, bijvoorbeeld door richtsnoeren en interpretaties te verstrekken;

44.  wijst erop dat dit net de intentie was van de deskundigengroep inzake naleving van de verplichtingen uit hoofde van de visserijcontroleregeling van de Europese Unie, die is opgericht in het kader van de GVB-hervorming als forum waar de diverse spelers open en oordeelvrij konden spreken over tekortkomingen, en betreurt dat de groep zich tot nu toe niet in die zin heeft ontwikkeld;

45.  is van mening dat er veel meer moet worden gedaan om de onverkorte toepassing van het controlestelsel aan te moedigen, met passende vervolgmaatregelen in geval van gesignaleerde inbreuken, betere verslaglegging door de lidstaten over ondernomen acties, en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten onderling en met de Commissie;

46.  verzoekt de Commissie met klem alle middelen waarover zij beschikt aan te wenden om de lidstaten ertoe aan te sporen om de bepalingen van het controlestelsel volledig toe te passen, eventueel zelfs met inbegrip van inhouding van middelen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

47.  herhaalt de conclusie van zijn resolutie van 25 oktober 2016 over hoe we de controles op de visvangst homogeen kunnen maken in Europa(15) dat een herziening van de controleverordening of de IOO-verordening er specifiek op moet worden toegespitst om alleen die aspecten aan te pakken die doeltreffende en gelijke controles in alle lidstaten van de Unie in de weg staan;

48.  dringt erop aan de bevoegdheden van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) uit te breiden met het verrichten van controles op vaartuigen die onder de visserijovereenkomsten vallen, onder meer door bij de controles naar samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de ondertekenende staat te streven, en vraagt dat het EFCA met het oog hierop wordt voorzien van de nodige middelen;

49.  betreurt ten zeerste dat de Commissie heeft besloten een ingrijpende herziening van het hele controlestelsel te starten zonder overeenkomstig de richtsnoeren inzake beter wetgeven een behoorlijke openbare raadpleging te houden over de tenuitvoerlegging van de IOO-verordening, het mandaat van het EFCA of de herziening van het hele pakket; is van mening dat de organisatie van een formele openbare raadpleging over al deze elementen voordat er een herzieningsvoorstel wordt ingediend alle belanghebbenden de mogelijkheid zou bieden om voldoende inspraak te hebben in de herziening van deze uiterst kritieke pijler van het GVB;

50.  wijst er nadrukkelijk op dat een herziening niet mag leiden tot een afzwakking van de huidige maatregelen, maar eerder een verbetering en versterking moet inhouden van gelijke voorwaarden op het gebied van visserijcontrole, als enige manier om de "gemeenschappelijke" dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid te waarborgen;

51.  hamert erop dat het herziene controlestelsel onder meer de volgende basisbeginselen moet omvatten:

   voor de hele EU geldende standaarden en normen inzake inspecties op zee, in de haven en in de volledige controleketen;
   volledige traceerbaarheid van vis in de diverse stadia van de controleketen, van het vaartuig tot het uiteindelijke verkooppunt;
   volledige gegevens over vangsten door alle exploitanten, met inbegrip van vaartuigen met een lengte van minder dan 10 meter en recreatievissers;
   even hoge sancties in alle lidstaten;
   een gemeenschappelijke definitie van inbreuken;
   een door alle lidstaten op gelijke wijze toegepast puntensysteem;
   sancties die voldoende afschrikkend, doeltreffend en evenredig zijn;
   een voor de Commissie en alle lidstaten toegankelijk systeem voor de uitwisseling van alle informatie met betrekking tot waargenomen inbreuken en het wettelijk en gerechtelijk gevolg dat hieraan wordt gegeven;
   volledige toepassing van verbeteringen in de beschikbare technologieën, met de mogelijkheid om nieuwe technologieën toe te passen naarmate die zich ontwikkelen zonder dat daarvoor wetswijzigingen nodig zijn;
   ondubbelzinnige vaststelling van verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de regio's binnen de lidstaten;
   geen regionalisering van de controleverordening;

52.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk met haar voorstel voor de wijziging van de controleverordening te komen;

53.  benadrukt dat de bepalingen en beginselen van de IOO-verordening op geen enkele manier mogen worden gewijzigd of afgezwakt, gezien het enorme succes van deze verordening en de effecten ervan op de visserij in de hele wereld;

54.  hamert erop dat er bij het opnemen van derde landen in de procedures van de IOO-verordening voor de voorafgaande bepaling, de bepaling en het opstellen van de lijst geen enkele politieke inmenging mag zijn, en dat schrapping uit de lijst strikt gebaseerd moet zijn op de eis dat het betrokken land de door de Commissie noodzakelijk geachte verbeteringen volledig heeft gerealiseerd;

55.  is van mening dat de rol van het EFCA versterkt moet worden om het bureau een grotere rol toe te kennen bij de toepassing van de controle- en IOO-verordeningen, met inbegrip van de verificatie en kruiscontrole van gegevens in de hele controleketen, de planning en coördinatie van inspecties door de Commissie en de lidstaten en de verificatie van vangstcertificaten;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(4) Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).
(5) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.
(7) PB L 316 van 14.11.2012, blz. 34.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0195.
(9) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 119.
(10) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad.
(11) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad.
(12) PB L 25 van 31.1.2017, blz. 12.
(13) Verordening (EU) nr. 1026/2012.
(14) Verordening (EU) nr. 978/2012 (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0407.


De toekomst van voedsel en landbouw
PDF 224kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over de toekomst van voeding en landbouw (2018/2037(INI))
P8_TA(2018)0224A8-0178/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "De toekomst van voeding en landbouw" (COM(2017)0713),

–  gezien de artikelen 38 en 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) waarbij het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de bijbehorende doelstellingen zijn vastgesteld,

–  gezien de artikelen 40 en 42 VWEU tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor landbouwproducten en de mate waarin de regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten van toepassing zijn,

–  gezien artikel 13 VWEU,

–  gezien artikel 349 VWEU, waarin de status van de ultraperifere gebieden is vastgesteld en de voorwaarden voor de toepassing van de Verdragen op deze gebieden zijn neergelegd,

–  gezien Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal(1) ("omnibusverordening"),

–  gezien Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren(2),

–  gezien het briefingdocument van de Europese Rekenkamer over de toekomst van het GLB, zoals bekendgemaakt op 19 maart 2018,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(3) en het verslag van de Commissie van 10 oktober 2017 inzake de nationale actieplannen van de lidstaten en de vooruitgang op het gebied van de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (COM(2017)0587),

–  gezien zijn besluit van 6 februari 2018 over de instelling, bevoegdheden, aantal leden en ambtstermijn van de speciale commissie Toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(4),

–  gezien Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 16/2017 getiteld "Programmering van plattelandsontwikkeling: minder complexiteit nodig en meer aandacht voor resultaten" en Speciaal verslag nr. 21/2017 getiteld "Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is",

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën (COM(2017)0358),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018)0098),

–  gezien de Cork 2.0-verklaring van 2016 getiteld "A Better Life in Rural Areas" (Een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden), die is afgegeven tijdens de Europese Conferentie over plattelandsontwikkeling,

–  gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over de huidige situatie en de vooruitzichten van de schapen- en geitensector in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over een Europese strategie voor de bevordering van eiwithoudende gewassen – Aanmoediging van de productie van eiwithoudende en peulgewassen in de Europese landbouwsector(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(7),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 inzake vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU(8),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven(9),

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over de instrumenten van het GLB ter vermindering van de prijsschommelingen op de landbouwmarkten(11),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over hoe het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden kan verbeteren(12),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(13),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2015 over de vooruitzichten van de zuivelmarkt van de EU – Evaluatie van de tenuitvoerlegging van het Zuivelpakket(14),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een mogelijke hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(15),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's over het GLB na 2020(16),

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de VN (SDG's), waarvan de meeste relevant zijn voor het GLB,

–  gezien het verslag van november 2016 van de taskforce landbouwmarkten getiteld "Naar betere marktresultaten: de positie van landbouwers in de toeleveringsketen versterken" en de conclusies daarvan,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs die is gesloten tijdens de VN-conferentie over klimaatverandering van 2015 (COP 21), en met name de verbintenissen die de Europese Unie is aangegaan in de vorm van "nationaal bepaalde bijdragen" om de wereldwijde doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken,

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 december 2016 over de uitvoering van de regeling houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (POSEI) (COM(2016)0797),

–  gezien de in 2016 aangekondigde evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR) (zie COM(2016)0316), een instrument dat er door een betere tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving en het milieubeleid van de EU toe moet bijdragen om hieruit voordeel te halen ten behoeve van het bedrijfsleven en de burgers,

–  gezien de brief van de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Begrotingscommissie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0178/2018),

A.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling over de toekomst van voeding en landbouw erkent dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) een van de oudste en meest geïntegreerde beleidsterreinen van de EU en van wereldwijd strategisch belang is, en zodanig moet worden opgezet dat de land- en bosbouwsector van de EU dankzij het GLB in staat is te beantwoorden aan de gerechtvaardigde wensen van de burger inzake voedselzekerheid en ‑veiligheid en de kwaliteit en duurzaamheid van voedsel, maar ook die inzake milieuzorg, biodiversiteit en de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen, klimaatactie, plattelandsontwikkeling, gezondheid, werkgelegenheid en strenge normen op het gebied van dierenwelzijn;

B.  overwegende dat nu vastgesteld moet worden dat het GLB aan hervorming toe is, wil het beter tegemoetkomen aan de behoeften van zowel zijn eerste doelgroep, de landbouwers, als de burgers in het algemeen;

C.  overwegende dat het GLB in heel Europa van cruciaal belang is voor ongeveer 12 miljoen landbouwbedrijven;

D.  overwegende dat landbouwgrond 47 % van het Europese grondgebied uitmaakt en dat er in de EU 22 miljoen landbouwers en werknemers in de landbouw zijn;

E.  overwegende dat het GLB gericht moet zijn op het waarborgen van voedselveiligheid en -soevereiniteit en van de veerkracht en duurzaamheid van de landbouwsystemen en -gebieden van de EU;

F.  overwegende dat de overkoepelende doelstelling van de EU van een multifunctionele, gediversifieerde, banenscheppende en eerlijke land- en bosbouwsector die wordt aangestuurd door duurzame landbouwpraktijken en waarin wordt gezorgd voor het behoud van levensvatbare familiebedrijven, die toegankelijk zijn voor en overgenomen kunnen worden door een nieuwe generatie, van essentieel belang blijft om de positieve externe effecten te sorteren en de collectieve goederen (voedingswaren, niet-voedingswaren en diensten) te leveren waar de Europese burger op rekent;

G.  overwegende dat het van het allergrootste belang is de huidige concentratie van macht in de handen van grootwinkelbedrijven en grote bedrijven een halt toe te roepen en terug te dringen;

H.  overwegende dat bij het wijzigen van het GLB moet worden uitgegaan van strategische doelstellingen ter versterking van het concurrentievermogen en ter waarborging van de kwaliteit en veiligheid van het voedsel;

I.  overwegende dat het GLB gedurende de afgelopen periode van meer dan 25 jaar regelmatig hervormingen heeft moeten ondergaan als gevolg van de openstelling van de Europese landbouw voor de internationale markten en door de opkomst van nieuwe uitdagingen zoals milieu en klimaat; overwegende dat het nu noodzakelijk is een nieuwe stap te zetten in dit voortdurende proces van aanpassing, om het GLB te vereenvoudigen, te moderniseren en om te buigen en ervoor te zorgen dat het in staat is de inkomsten van de landbouwers veilig te stellen en efficiënter tegemoet te komen aan de verwachtingen van de hele samenleving, met name als het gaat om voedselveiligheid en voedselzekerheid, klimaatverandering, volksgezondheid en werkgelegenheid, met waarborging van beleidszekerheid en financiële zekerheid voor de sector teneinde duurzame plattelandsgebieden te realiseren, het hoofd te bieden aan de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid en ervoor te zorgen dat de Europese milieu- en klimaatdoelstellingen worden gehaald, alsook de meerwaarde van de EU te vergroten;

J.  overwegende dat de mededeling van de Commissie over de lopende hervorming van het GLB weliswaar "De toekomst van voeding en landbouw" heet, maar dat de Commissie geen enkele garantie biedt voor het behoud van de GLB-begroting, en dat het van cruciaal belang is om dit te regelen voordat de komende wetgevingsvoorstellen worden ingediend; overwegende dat deze wetgevingsvoorstellen ervoor moeten zorgen dat er geen hernationalisering van het GLB plaatsvindt, dat de goede werking van de interne markt geen schade wordt toegebracht en dat er een echte vereenvoudiging voor de belanghebbenden tot stand wordt gebracht – niet alleen op EU-niveau, maar ook op het niveau van de lidstaten, op regionaal en lokaal niveau en binnen landbouwbedrijven – alsook dat flexibiliteit en rechtszekerheid worden gewaarborgd voor landbouwers en boseigenaren, zonder afbreuk te doen aan de hoge milieu-ambities, en dat de doelstellingen van het nieuwe GLB worden verwezenlijkt, zonder de lidstaten nieuwe beperkingen op te leggen en zo een nieuwe laag toe te voegen aan de reeds complexe structuur, wat tot vertragingen bij de uitvoering van nationale strategieën zou leiden;

K.  overwegende dat een nieuw uitvoeringssysteem een rechtstreekse band tussen de EU en de Europese landbouwers moet waarborgen;

L.  overwegende dat het GLB een belangrijke rol moet spelen bij het versterken van de productiviteit op de lange termijn en het concurrentievermogen van de sector en bij het voorkomen van stagnatie en volatiliteit van landbouwinkomens, aangezien deze inkomens ondanks de concentratie en intensivering van de productie en de toenemende productiviteit gemiddeld nog steeds lager liggen dan in de rest van de economie;

M.  overwegende dat rechtstreekse betalingen de eerste belangrijke vorm van stabiliteit en een inkomensvangnet voor landbouwers zijn, aangezien zij in bepaalde gebieden een aanzienlijk bestanddeel of zelfs wel 100 % van het jaarlijkse landbouwinkomen uitmaken; overwegende dat deze betalingen moeten worden voortgezet om landbouwers te helpen op gelijke voet te concurreren met derde landen;

N.  overwegende dat nieuwe waardeketens op het platteland op het gebied van de bio‑economie een gunstig groei- en werkgelegenheidspotentieel bieden voor plattelandsgebieden;

O.  overwegende dat rechtstreeks betalingen meer gericht moeten zijn op landbouwers, aangezien zij de mensen zijn die bijdragen aan de stabiliteit en de toekomst van onze plattelandsgebieden en zij economische risico's lopen op de markt;

P.  overwegende dat landbouwers de afgelopen jaren zijn geconfronteerd met een steeds grotere prijsvolatiliteit, die samenhangt met prijsschommelingen op mondiale markten en onzekerheid als gevolg van macro-economische ontwikkelingen, extern beleid, problemen op het gebied van handel, politieke en diplomatieke aangelegenheden, gezondheidscrises, overproductie in bepaalde Europese sectoren, klimaatverandering en steeds vaker voorkomende extreme weersomstandigheden in de EU;

Q.  overwegende dat specifieke instrumenten voor mediterrane sectoren deel moeten blijven uitmaken van de eerste pijler;

R.  overwegende dat het van het allergrootste belang is flexibele en snel reagerende instrumenten te verschaffen die gevoelige en strategische sectoren in staat stellen structurele veranderingen, zoals de mogelijke gevolgen van de brexit of van goedgekeurde bilaterale handelsovereenkomsten met de voornaamste partners van de EU, het hoofd te bieden;

S.  overwegende dat sectorale strategieën voor groenten en fruit, wijn en de bijenteelt verplicht moeten blijven voor de producerende landen en dat de specifieke kenmerken van de desbetreffende instrumenten en voorschriften gehandhaafd moeten worden;

T.  overwegende dat het van cruciaal belang is een gelijk speelveld, eerlijke prijzen en een redelijke levensstandaard te waarborgen voor landbouwers in alle regio's en de EU‑lidstaten en tegelijk betaalbare prijzen voor burgers en consumenten te waarborgen en ervoor te zorgen dat landbouwactiviteiten mogelijk zijn in alle delen van de Unie, ook in gebieden met natuurlijke beperkingen; overwegende dat het van cruciaal belang is de consumptie van en de toegang tot hoogwaardige en gezonde voeding te bevorderen, maar dat het tevens belangrijk is de verbintenissen op het gebied van sociale en ecologische duurzaamheid, klimaatactie, volksgezondheid, dieren- en plantengezondheid en ‑welzijn en een evenwichtige ontwikkeling van plattelandsgebieden na te komen;

U.  overwegende dat water en landbouw onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat het duurzaam beheer van water in de landbouwsector van essentieel belang is om een toereikende voedselproductie van hoge kwaliteit en de bescherming van de watervoorraden te waarborgen;

V.  overwegende dat het GLB in passende instrumenten moet voorzien om de kwetsbaarheid van de landbouw voor klimaatverandering aan te pakken en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de druk die op de zoetwatervoorraad wordt uitgeoefend door de landbouwsector, die verantwoordelijk is voor 50 % van het zoetwatergebruik in de EU, wordt beperkt;

W.  overwegende dat er in het kader van meer gelijkheid en legitimiteit een geactualiseerd, eenvoudiger en eerlijker systeem van betalingen moet worden ingevoerd;

X.  overwegende dat het huidige GLB de instrumenten ontbeert die noodzakelijk zijn om een fatsoenlijk inkomen te garanderen dat ertoe bijdraagt dat oudere landbouwers waardig kunnen leven;

Y.  overwegende dat het ontbreekt aan toereikende instrumenten om aan te moedigen dat bedrijven van de oudere generatie landbouwers worden overgedragen aan de jongere generatie;

Z.  overwegende dat volgens het briefingdocument van de Europese Rekenkamer van maart 2018 over de toekomst van het GLB in 2010 tegenover elke 100 landbouwondernemers boven de 55 jaar slechts 14 landbouwondernemers stonden die jonger waren dan 35, en in 2013 nog maar 10,8; overwegende dat de gemiddelde leeftijd van landbouwers in de EU in de periode 2004-2013 is gestegen van 49,2 tot 51,4 jaar; overwegende dat de kleinste landbouwbedrijven meestal in handen van oudere landbouwers zijn;

AA.  overwegende dat zich door de toenemende mondiale handel nieuwe kansen en uitdagingen aandienen, onder meer in verband met milieu, klimaatverandering, bescherming van wateren, gebrek aan landbouwgrond en bodemdegradatie, en dat het daardoor noodzakelijk wordt de internationale handelsregels aan te passen teneinde een gemeenschappelijk gelijk speelveld op basis van hoge normen en eerlijke en duurzame voorwaarden tot stand te brengen voor de uitwisseling van goederen en diensten, alsmede vernieuwde en doeltreffende handelsbeschermingsmechanismen, in overeenstemming met de bestaande sociale, economische en milieu-, gezondheids-, sanitaire en fytosanitaire en dierenwelzijnsnormen van de EU;

AB.  overwegende dat deze normen wereldwijd en met name in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) moeten worden bevorderd, terwijl de belangen van Europese producenten en consumenten worden beschermd door de Europese normen te waarborgen in handelsovereenkomsten voor invoer;

AC.  overwegende dat ca. 80 % van de benodigde eiwitten in de EU uit derde landen wordt ingevoerd en er tot dusver veel te weinig is gedaan om een eiwitstrategie in het GLB te verwerken;

AD.  overwegende dat de aandacht voor onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot hulpbronnenbesparende product- en procesinnovatie weliswaar moet worden toegejuicht, maar dat er meer moet gebeuren om de onderzoekscapaciteit en infrastructuur te ontwikkelen die noodzakelijk zijn om de resultaten van onderzoek om te zetten in voedings- en landbouw-, en duurzame boslandbouwpraktijken, gefaciliteerd door toereikende steun, en om een aanpak met meerdere actoren te bevorderen waarbij de landbouwers centraal staan, ondersteund door onafhankelijke, transparante en in toereikende mate met openbare middelen gefinancierde landbouwvoorlichtingsdiensten in alle lidstaten en regio's en door kennisuitwisseling en opleidingsdiensten op het niveau van de lidstaten;

AE.  overwegende dat rechtstreekse investeringssteun beter moet worden afgestemd op de eisen van economische en milieuprestaties en daarbij rekening moet worden gehouden met de behoeften van de landbouwbedrijven zelf;

AF.  overwegende dat de Europese Unie een reeks programma's heeft ontwikkeld op het gebied van ruimtevaart (Egnos en Galileo) en aardobservatie (Copernicus) waarvan de mogelijkheden voor een gemakkelijkere controle op de uitvoering van het GLB en de overgang van de Europese landbouw naar een precisielandbouw en een tweeledig, ecologisch en economisch prestatievermogen van de landbouwbedrijven, maximaal moeten worden benut;

AG.  overwegende dat het biotechnologisch onderzoek nu overwegend buiten de EU plaatsvindt, waarbij de nadruk doorgaans ligt op agrarisch-economische vraagstukken die voor de EU-sector niet van belang zijn, wat kan leiden tot verlies aan investeringen en focus;

AH.  overwegende dat de ervaring leert dat de productiekosten waarschijnlijk kunnen worden verminderd door te profiteren van natuurlijke processen om de opbrengsten en de veerkracht te verhogen, en deze processen aan te moedigen;

AI.  overwegende dat een concurrerende landbouw-, voedings- en bosbouwsector een grote rol moet blijven spelen bij het verwezenlijken van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU als vastgesteld in internationale overeenkomsten als COP21 en de SDG's van de VN, waarbij landbouwers gestimuleerd en betaald worden voor hun bijdrage en gesteund worden door het wegnemen van onnodige wettelijke en administratieve lasten bij de maatregelen die ze nemen;

AJ.  overwegende dat de verwachte stijging van het mondiale jaarlijkse gemiddelde van de oppervlaktetemperatuur in de 21e eeuw en de onmiddellijke gevolgen daarvan voor de klimaatomstandigheden een ecologisch duurzaam voedselsysteem noodzakelijk maken dat een veilige en overvloedige productie waarborgt, maar tegelijkertijd voorkomt dat de Unie afhankelijk wordt van andere markten;

AK.  overwegende dat het van belang is dat het toekomstige GLB strookt met de SDG's, de Overeenkomst van Parijs en het EU-beleid, met name op het gebied van duurzaamheid, milieu, klimaat, volksgezondheid en voeding;

AL.  overwegende dat de landbouw een van de economische sectoren vormt die volgens de verordening inzake de verdeling van inspanningen moeten bijdragen tot de doelstelling om de broeikasgasemissies tegen 2030 met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2005;

AM.  overwegende dat kleine landbouwbedrijven ongeveer 40 % van de landbouwbedrijven in de EU uitmaken, maar slechts 8 % van de GLB-subsidies ontvangen;

AN.  overwegende dat de 17 SDG's nieuwe, duidelijke doelstellingen voor het GLB in de periode na 2020 omvatten;

AO.  overwegende dat in het GLB gaandeweg milieudoelstellingen zijn geïntegreerd door ervoor te zorgen dat de desbetreffende voorschriften verenigbaar zijn met de milieueisen van de EU-wetgeving en dat landbouwers daaraan voldoen, en door duurzame landbouwpraktijken te bevorderen ter bescherming van het milieu en de biodiversiteit;

AP.  overwegende dat de geconsumeerde hoeveelheid verzadigde vetten en rood vlees nog steeds duidelijk boven de aanbevolen voedingsinname ligt en dat de voedingsindustrie nog steeds aanzienlijk bijdraagt tot broeikasgas- en stikstofemissies;

AQ.  overwegende dat door gesloten productiekringlopen, waarbij productie, verwerking en verpakking in dezelfde regio plaatsvinden, de meerwaarde in de regio in kwestie blijft, de lokale arbeidsmarkt meer werkgelegenheid te bieden heeft en landelijke gebieden nieuw leven kan worden ingeblazen;

AR.  overwegende dat het GLB economische en ecologische doelstellingen nastreeft die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat deze dualiteit in het kader van de hervorming van de eerste pijler en de vergroening behouden en zelfs versterkt moet worden om de overgang naar een duurzaam en goed presterend Europees landbouwmodel te bevorderen;

AS.  overwegende dat de Europese Unie bij het toekomstige GLB moet streven naar een aanzienlijke beperking van het gebruik van antibiotica in de landbouw en de voedingssector ter versterking van de duurzame landbouw;

AT.  overwegende dat de versterking van de veerkracht en duurzaamheid op lange termijn van de landbouwsystemen en ‑gronden van nut zal zijn voor de EU als geheel;

AU.  overwegende dat de Europese Rekenkamer heeft beklemtoond dat wegens de vergroeningsvereisten die de reeds bestaande praktijken vaak kenmerken, de vergroeningsbetalingen die in het kader van de hervorming van 2013 zijn ingevoerd bijkomende complexiteit en bureaucratie hebben gecreëerd, moeilijk te begrijpen zijn en volgens het advies van de Rekenkamer niet voldoende bijdragen aan een aanzienlijke verbetering van de prestaties van het GLB op het gebied van milieu en klimaat als gevolg van de opzet ervan, punten waarmee rekening moet worden gehouden bij het uitwerken van de nieuwe groene architectuur voor het GLB;

AV.  overwegende dat de Rekenkamer ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld in verband met de uitvoering van de tweede pijler, met name ten aanzien van het lange goedkeuringsproces en de complexe en bureaucratische aard van de programma's voor plattelandsontwikkeling;

AW.  overwegende dat bij een empirisch onderbouwde metabeoordeling van wetenschappelijke studies ("Fitness Check") is gebleken dat vergroeningsmaatregelen niet tot een aanzienlijke verbetering van de milieuprestaties hebben geleid en dat dit voornamelijk te wijten is aan het feit dat reeds aan de desbetreffende vereisten werd voldaan;

AX.  overwegende dat de doelstellingen van de Cork 2.0-verklaring inzake een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden bepalingen in verband met dynamische plattelandsgebieden, slimme multifunctionaliteit, biodiversiteit in de landbouw, de bosbouw en daarbuiten, zeldzame dierenrassen en instandhouding van gewassen omvatten, alsook bepalingen in verband met biologische landbouw, steun voor probleemgebieden en verplichtingen in het kader van Natura 2000; overwegende dat in de verklaring ook wordt gewezen op het belang van inspanningen om de ontvolking van plattelandsgebieden af te wenden, en de rol van vrouwen en jongeren daarbij, alsook op de noodzaak om beter gebruik te maken van de endogene hulpbronnen van plattelandsgebieden door geïntegreerde strategieën en multisectorale benaderingen ter versterking van de bottom‑upbenadering ten uitvoer te leggen en synergieën tussen de diverse actoren tot stand te brengen, wat het noodzakelijk maakt dat er wordt geïnvesteerd in de levensvatbaarheid van de plattelandsgebieden, natuurlijke hulpbronnen worden behouden en efficiënter worden beheerd, klimaatactie wordt aangemoedigd, kennis en innovatie worden gestimuleerd, het bestuur van plattelandsgebieden wordt verbeterd en het plattelandsbeleid en de uitvoering ervan worden vereenvoudigd;

AY.  overwegende dat in het GLB rekening moet worden gehouden met minder begunstigde gebieden, bijvoorbeeld regio's waar de concurrentie tussen stedelijke ontwikkeling en landbouw groot is, omdat de landbouwers in dergelijke gebieden kampen met aanvullende beperkingen op de toegang tot land;

AZ.  overwegende dat minder begunstigde gebieden, zoals ultraperifere en berggebieden, in het kader van het GLB een vergoeding moeten blijven ontvangen voor de bijkomende kosten in verband met hun specifieke problemen teneinde de landbouwactiviteiten in dergelijke gebieden in stand te houden;

BA.  overwegende dat het GLB de nodige aandacht moet besteden aan de grote voordelen voor het milieu van bepaalde sectoren, zoals de schapen- en geitenteelt of de teelt van eiwithoudende gewassen;

BB.  overwegende dat de bijenteelt van wezenlijk belang is voor de EU en een belangrijke bijdrage levert aan de samenleving, uit zowel economisch als milieuoogpunt;

BC.  overwegende dat het van essentieel belang is om de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen verder te versterken en om op de eengemaakte markt eerlijke concurrentie te waarborgen aan de hand van eerlijke en transparante regels die rekening houden met de specifieke kenmerken van de landbouw als het gaat om de relatie tussen productie en andere schakels van de voedselvoorzieningsketen, zowel upstream als downstream, en om te voorzien in stimulansen om risico's en crises doeltreffend te voorkomen met instrumenten voor een actief aanbodbeheer, die vraag en aanbod beter op elkaar kunnen afstemmen en door openbare instanties en op het niveau van de sector kunnen worden ingezet, zoals blijkt uit het verslag van de taskforce landbouwmarkten; overwegende dat aspecten die buiten de reikwijdte van het GLB vallen en van invloed zijn op het concurrentievermogen en het gelijke speelveld voor landbouwers eveneens naar behoren moeten worden afgewogen en geëvalueerd;

BD.  overwegende dat de nieuwe uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid en voedselautonomie waar de Europese landbouw in het kader van de politieke prioriteiten van de EU mee te maken zal krijgen – zoals vermeld in de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën – tot gevolg hebben dat er in het volgend meerjarig financieel kader (MFK) moet worden voorzien in de handhaving of verhoging van een landbouwbegroting in euro in constante prijzen om zowel bestaande als nieuwe uitdagingen aan te pakken;

BE.  overwegende dat de samenleving van landbouwers verwacht dat ze hun praktijken aanpassen en volledig duurzaam worden, en dat ze bij deze overgang met overheidsmiddelen moeten worden gesteund;

BF.  overwegende dat wijzigingen van het huidige GLB zodanig moeten worden doorgevoerd dat de sector op stabiliteit kan blijven rekenen, en dat landbouwers en boseigenaren rechts- en planningszekerheid wordt geboden, door te voorzien in passende overgangsperioden en ‑maatregelen;

BG.  overwegende dat het Parlement zijn rol bij het vaststellen van een duidelijk beleidskader ten volle moet kunnen spelen, teneinde een gemeenschappelijke ambitie op EU-niveau te behouden en voortzetting te geven aan het democratische debat over de strategische aspecten die van invloed zijn op het dagelijkse leven van alle burgers wat betreft het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, waaronder water, bodem en lucht, de kwaliteit van onze voeding, de financiële stabiliteit van landbouwproducenten, voedselveiligheid, gezondheid en de duurzame modernisering van landbouwpraktijken en praktijken inzake hygiëne, teneinde op Europees niveau een maatschappelijk contract tussen producenten en consumenten te sluiten;

BH.  overwegende dat een herziening van het GLB noodzakelijk is om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige uitdagingen, dat de medewetgevers in staat gesteld moeten worden hun taken volledig uit te voeren binnen een vastgesteld tijdskader, en dat er onzekerheden bestaan met betrekking tot de brexit;

BI.  overwegende dat de voedselzekerheid in Europa in de toekomst zowel voor het VK als voor de EU-27 moet worden gewaarborgd en dat er daarbij alles aan moet worden gedaan om verstoringen van de voedselproductie en -voorziening voor beide partijen tot een minimum te beperken; overwegende dat alles in het werk moet worden gesteld om de milieu- en voedselveiligheidsnormen onderling op elkaar af te stemmen, teneinde te waarborgen dat de burgers van het VK en van de EU niet worden geconfronteerd met een vermindering van de kwaliteit of veiligheid van voedingsmiddelen;

BJ.  overwegende dat het herstel, de instandhouding en de versterking van land- en bosbouwgerelateerde ecosystemen, ook in Natura 2000-gebieden, behoren tot de zes grootste prioriteiten voor plattelandsontwikkeling in de EU;

BK.  overwegende dat de EU thans een eiwitstrategie uitwerkt om te bevorderen dat zij in haar eigen behoefte aan plantaardige eiwitten kan voorzien;

BL.  overwegende dat in 2017 124 miljoen mensen in 51 landen werden getroffen door ernstige voedselonzekerheid, zijnde 16 miljoen meer dan in 2016; overwegende dat de meeste mensen die met voedselonzekerheid te kampen hebben, in plattelandsgebieden leven;

BM.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een kerndoelstelling van de EU en haar lidstaten is; overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden tal van rollen vervullen die landbouwbedrijven en plattelandsgemeenschappen levensvatbaar helpen houden; overwegende dat inspanningen om de ontvolking van plattelandsgebieden af te wenden nauw samenhangen met de kansen voor vrouwen en jongeren; overwegende dat plattelandsvrouwen nog steeds voor talloze uitdagingen staan, en dat het beleid op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling niet in toereikende mate over een genderdimensie beschikt; overwegende dat het geslacht van de begunstigden van rechtstreekse betalingen of plattelandsontwikkeling weliswaar geen betrouwbare indicator vormt voor het effect van programma's, maar dat vrouwen desalniettemin ondervertegenwoordigd zijn in de hoedanigheid van aanvrager of begunstigde;

BN.  overwegende dat, om de GLB-begroting tegenover de Europese belastingbetaler te verantwoorden, de financiering ervan in de toekomst gekoppeld moet zijn aan zowel de productie van veilige en hoogwaardige voeding als een duidelijke maatschappelijke meerwaarde in de vorm van duurzame landbouw, ambitieuze prestaties op het gebied van milieu en klimaat, de gezondheid en het welzijn van mens en dier, en andere effecten van het GLB op de samenleving, om voor een echt gelijk speelveld in de EU en daarbuiten te zorgen;

BO.  overwegende dat uit Speciale Eurobarometer 442 over de standpunten van de Europese bevolking ten aanzien van dierenwelzijn blijkt dat 82 % van de Europese burgers van mening is dat het dierenwelzijn in de landbouw beter moet worden beschermd;

BP.  overwegende dat het gebruik van pesticiden, de achteruitgang van de biodiversiteit en veranderingen in de landbouwomgeving negatieve gevolgen kunnen hebben voor het aantal bestuivers en de verscheidenheid aan soorten bestuivers; overwegende dat zowel gedomesticeerde als in het wild levende bestuivers met aanzienlijke uitdagingen worden geconfronteerd en dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de landbouw en de voedselzekerheid in de EU, gezien het feit dat de EU-productie grotendeels afhankelijk is van bestuivingsdiensten; overwegende dat in januari 2018 in het kader van het Europees bestuivingsinitiatief een openbare raadpleging is gestart om te bepalen welke benadering het meest geschikt en welke maatregelen noodzakelijk zijn om de achteruitgang van bestuivers in de EU een halt toe te roepen;

BQ.  overwegende dat er in het kader van plattelandsontwikkeling een specifieke maatregel moet komen, gestoeld op de acht beginselen van geïntegreerde gewasbescherming van de Europese Unie, om een aanzienlijke vermindering van het gebruik van pesticiden aan te moedigen en de toepassing van niet-chemische alternatieven te bevorderen;

BR.  overwegende dat minder begunstigde gebieden, zoals ultraperifere en berggebieden, in het kader van het GLB een vergoeding moeten blijven ontvangen voor de bijkomende kosten in verband met hun specifieke problemen teneinde de landbouwactiviteiten in dergelijke gebieden in stand te houden;

BS.  overwegende dat bij de toepassing van het GLB-raamwerk in de ultraperifere gebieden de draagwijdte van artikel 349 VWEU volledig moet worden benut, aangezien deze gebieden in een bijzonder ongunstige positie verkeren als gevolg van sociaal-economische ontwikkelingen, met betrekking tot aspecten zoals vergrijzing en ontvolking; overwegende dat Posei een efficiënt instrument is dat erop gericht is de structurering van de sector te ontwikkelen en te versterken door in te spelen op de specifieke problemen van de landbouw in de ultraperifere gebieden; overwegende dat de Commissie in haar verslag aan het Parlement en de Raad van 15 december 2016 over de tenuitvoerlegging van Posei tot de conclusie komt dat "[r]ekening houdend met de beoordeling van het programma [...] een wijziging van de basisverordening (Verordening (EU) nr. 228/2013) niet noodzakelijk [wordt] geacht";

BT.  overwegende dat zowel bosbeheer als boslandbouw met een bovenlaag van houtvegetatie boven grasland of een landbouwgewas een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de veerkracht van landbouwbedrijven en landschappen en aan de uitvoering van de vereiste milieumaatregelen en maatregelen ter beperking van klimaatverandering, en daarbij bosbouw- of landbouwproducten dan wel andere ecosysteemdiensten kunnen leveren, en daarmee de doelstellingen van het GLB versterken en het voor de circulaire economie en de bio-economie mogelijk maken om bij te dragen aan nieuwe bedrijfsmodellen die landbouwers, bosbouwers en plattelandsgebieden ten goede komen; overwegende dat de EU-bosstrategie een samenhangende, holistische kijk op het bosbeheer en de vele voordelen van bossen bevordert, en de boswaardeketen als geheel benadert, en dat het GLB een belangrijke rol speelt bij de doelstellingen ervan, en bijzondere aandacht schenkt aan de mediterrane bossen, die meer te lijden hebben van klimaatverandering en branden, waardoor de biodiversiteit en het productiepotentieel van de landbouw in gevaar worden gebracht;

Nieuwe betrekkingen tussen de Europese Unie, de lidstaten, regio's en landbouwers

1.  juicht het voornemen toe om het GLB ten gunste van landbouwers en om aan de verwachtingen van de burgers te voldoen, te vereenvoudigen en te moderniseren, maar benadrukt dat de absolute prioriteit bij een hervorming moet liggen bij de in het Verdrag van Rome opgenomen beginselen, de integriteit van de eengemaakte mark, en een echt gemeenschappelijk en door de EU adequaat gefinancierd beleid dat modern en resultaatgericht is, duurzame landbouw ondersteunt en veilige, kwalitatief hoogwaardige en diverse voedingsmiddelen, banen en groei in plattelandsgebieden garandeert;

2.  neemt nota van de mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw en is verheugd dat zij erkent dat een van de GLB-doelstellingen erin moet bestaan het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen te versterken en te waarborgen en bij te dragen tot de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU;

3.  dringt aan op een GLB waarin het omvormen van alle Europese boerderijen tot ondernemingen die economische en milieuprestatienormen verenigen de hoogste prioriteit heeft;

4.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat binnen het GLB de essentiële relatie tussen EU‑wetgevers, landbouwers en burgers wordt gehandhaafd; wijst elke mogelijkheid die ertoe leidt dat het GLB opnieuw wordt genationaliseerd van de hand, aangezien dit zou leiden tot grotere onevenwichtigheden met betrekking tot de concurrentie op de eengemaakte markt;

5.  wijst op de zeer belangrijke rol die kleine en middelgrote landbouwbedrijven spelen, een rol die moet worden erkend en naar waarde moet worden geschat;

6.  wijst erop dat de flexibiliteit waarover de lidstaten momenteel beschikken met betrekking tot de opties die zijn opgenomen in basisregels, het mogelijk maakt om in te spelen op specifieke situaties, maar tegelijkertijd aantoont dat delen van het GLB niet langer als gemeenschappelijk kunnen worden beschouwd; onderstreept dat het noodzakelijk is de concurrentievoorwaarden binnen de eengemaakte markt te handhaven en een gelijk speelveld te garanderen met betrekking tot de toegang tot steun voor landbouwers in verschillende lidstaten of regio's, terwijl er adequate en efficiënte oplossingen nodig zijn om een eventueel risico op verstoring van de concurrentie of risico's voor de cohesie te beperken;

7.  is van mening dat de lidstaten een redelijke mate van flexibiliteit moeten genieten binnen een krachtig gemeenschappelijk kader van op EU-niveau door de medewetgever goedgekeurde EU-regels, elementaire normen, interventie-instrumenten, controles en financiële toewijzingen, waarmee een gelijk speelveld voor landbouwers wordt gewaarborgd en met name een EU-benadering voor steun in het kader van de eerste pijler, om zo de naleving van de voorwaarden van eerlijke concurrentie te garanderen;

8.  is van mening dat, teneinde de uitvoering van het GLB efficiënter te laten verlopen en beter af te stemmen op de reële omstandigheden in de diverse soorten landbouw in Europa, de nationale keuzen die worden gemaakt binnen het kader van de door de EU gedefinieerde reeks beschikbare instrumenten binnen de eerste en tweede pijler, moeten worden gestroomlijnd en dat de lidstaten in samenwerking met alle relevante belanghebbenden hun eigen samenhangende en op feiten gebaseerde nationale strategieën moeten opstellen op basis van EU-doelstellingen en -indicatoren met betrekking tot de belangrijkste soorten mogelijke interventie-instrumenten, die eveneens op EU-niveau moeten worden gedefinieerd, en de selectiecriteria ervan, binnen een duidelijk en gemeenschappelijk kader van in de EU geldende regels, waarbij de regels en beginselen van de eengemaakte markt naar behoren worden geëerbiedigd;

9.  benadrukt dat aanvullende subsidiariteit enkel mag worden verleend als er sprake is van een sterke, gemeenschappelijke reeks EU-regels, ‑doelstellingen, ‑indicatoren en ‑controles;

10.  vraagt de Commissie de nodige aanpassingen aan het volgende GLB aan te brengen om gehoor te geven aan de oproep van het Parlement om geen landbouwsubsidies te gebruiken voor het fokken van stieren die voor stierengevechten worden gebruikt;

11.  onderstreept het risico van "gold‑plating" op nationaal en regionaal niveau en de hoge mate van onzekerheid voor landbouwers vanwege de mogelijkheid die de lidstaten krijgen om hun nationale plannen onafhankelijk van elkaar uit te stippelen en hun beslissingen jaarlijks te herzien, afhankelijk van de standpunten van de zittende regeringen; verzoekt de Commissie dan ook om, naast haar wetgevingsvoorstellen, een duidelijk en eenvoudig model voor nationale strategische plannen aan de medewetgevers voor te leggen om hen in staat te stellen de draagwijdte, de gedetailleerdheid en de inhoud van die plannen te beoordelen – daar dit essentiële elementen zullen zijn van het toekomstige Commissievoorstel – en te verduidelijken aan de hand van welke criteria deze nationale strategieën zullen worden beoordeeld;

12.  roept de Commissie op instrumenten te verschaffen voor een betere benutting van de synergieën tussen de middelen van het GLB en die van het cohesiebeleid;

13.  benadrukt dat het toekomstige GLB de verdeling van bevoegdheden binnen de lidstaten, die vaak zijn vastgelegd in de grondwet, ten volle moet eerbiedigen, met name de wettelijke bevoegdheden van de regio's van de EU bij het uitwerken, beheren en uitvoeren van haar beleid, zoals het Elfpo; benadrukt dat moet worden gegarandeerd dat landbouwers en andere begunstigden naar behoren worden betrokken bij alle stadia van beleidsontwikkeling;

14.  is verheugd dat de Commissie inspanningen levert om voor het ontwerp, de uitvoering en de controle van programma's een op resultaten gebaseerde benadering te hanteren, zodat de nadruk eerder ligt op betere prestaties dan op naleving, en tegelijkertijd zorgt voor passende en op risico's gebaseerde monitoring aan de hand van duidelijk omschreven, eenvoudigere, minder bureaucratische (met inbegrip van de preventie van gold‑plating), degelijke, transparante en meetbare indicatoren op EU-niveau, met onder meer passende controles van het ontwerp van maatregelen en programma's, de tenuitvoerlegging en sancties van lidstaten; acht het noodzakelijk om uniforme basiscriteria in te voeren voor het vaststellen van vergelijkbare sancties op gelijkwaardige gevallen van niet-naleving met betrekking tot de verschillende maatregelen die de lidstaten of regio's instellen om de gemeenschappelijke, door de EU geformuleerde algemene doelstellingen te verwezenlijken;

15.  benadrukt dat lidstaten bij een louter op resultaten gebaseerde benadering het risico lopen dat hun nationale toewijzingen achteraf worden verlaagd en financiering wordt opgeschort als zij, als gevolg van hun specifieke situatie, niet in staat zijn alle in hun nationale plannen uiteengezette resultaten te verwezenlijken;

16.  erkent dat het nieuwe uitvoeringssysteem de komende jaren zal moeten worden geperfectioneerd en aangepast, zodat landbouwers niet worden gestraft als gevolg van de overgang naar een op resultaten gebaseerd model;

17.  merkt echter op dat een potentiële vertraging in de goedkeuring van strategische plannen voor het GLB kan leiden tot late betalingen, een scenario dat moet worden voorkomen;

18.  is van mening dat de lidstaten binnen de eerste pijler programma's moeten kunnen kiezen uit een prioritaire catalogus die door de EU wordt opgesteld;

19.  roept ertoe op een systeem van passende institutionele en juridische aanpassingen te ontwikkelen dat bevorderlijk is voor de wijziging van het uitvoeringsmodel, om te voorkomen dat er aanvullende kosten moeten worden gemaakt en te vermijden dat de absorptie van fondsen in de lidstaten vermindert;

20.  is van mening dat bij de verzameling van informatie gebruik moet worden gemaakt van satellietbeelden en databanken van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem en niet van de gegevens die individuele landbouwers indienen;

21.  verzoekt de Commissie relevante synergieën tot stand te brengen tussen de voornaamste ruimtevaartprogramma's van de EU en het GLB, en vooral met het Copernicus-programma, dat van specifiek belang is voor de landbouwgemeenschap op het gebied van klimaatverandering en milieucontrole;

22.  dringt aan op maatregelen die de recycling van voedingsstoffen bevorderen; roept ertoe op om het landbouwstructuurbeleid in overeenstemming te brengen met de steunregeling voor milieumaatregelen, bijvoorbeeld door een betere combinatie van landbouw en veeteelt;

23.  vraagt om de vereenvoudigde regeling voor kleine landbouwers (SFS) te behouden;

24.  is van mening dat landbouwers met minder dan 5 hectare grond de kans moeten krijgen vrijwillig aan deze regeling deel te nemen;

25.  verzoekt de Commissie om financiële en prestatiecontroles en audits uit te voeren om te waarborgen dat in alle lidstaten functies voldoen aan dezelfde hoge normen en worden uitgevoerd aan de hand van dezelfde criteria, ongeacht de grotere flexibiliteit voor de lidstaten op het gebied van het ontwerp en beheer van programma's, en met name om te waarborgen dat alle in aanmerking komende landbouwers en plattelandsgemeenschappen in alle lidstaten tijdig middelen krijgen uitbetaald en de administratieve lasten voor de begunstigden tot een minimum worden beperkt;

26.  wijst erop dat het bij de vorige hervorming lastig was overeenstemming te bereiken over de definitie van een "actieve landbouwer"; is daarom van mening dat de output van een landbouwbedrijf (bijv. dat het land in goede landbouwkundige staat wordt gehouden, er goede veehouderijmethoden worden toegepast of een bijdrage wordt geleverd aan de circulaire economie) een gerichtere en beter kwantificeerbare oplossing zou kunnen zijn voor een dergelijke definitie;

27.  verwerpt de bezuiniging van 25 % op de begroting voor de plattelandsontwikkeling, die in het recente voorstel inzake het MFK 2021-2027 van 2 mei 2018 is opgenomen; onderstreept dat bezuinigingen op de begroting voor de landbouw en de plattelandsontwikkeling niet mogen leiden tot een afzwakking van de ambitie in vergelijking met het huidige GLB;

28.  is van mening dat alle spelers die betrokken zijn bij het proces van controle op de EU-financiën, waaronder de Rekenkamer, het resultaatgerichte controlesysteem op dezelfde manier moeten interpreteren, opdat de lidstaten en begunstigden niet worden geconfronteerd met onverwachte financiële correcties;

29.  benadrukt dat landbouwers ondernemers zijn en dat hun ondernemingsvrijheden moeten worden gegarandeerd om ervoor te zorgen dat zij hun producten voor behoorlijke prijzen op de markt kunnen aanbieden;

30.  benadrukt dat deeltijdlandbouwers en landbouwers met een gemengd inkomen niet mogen worden uitgesloten;

31.  juicht het voorstel van de Commissie toe om de lidstaten, regio's en landbouwers een grotere flexibiliteit toe te kennen in het kader van een hogere financiële drempel voor de de‑minimisregels op het gebied van landbouw, en ook de integriteit van de interne markt te behouden;

32.  roept de Commissie bovendien op de lidstaten meer flexibiliteit te bieden in het kader van de regels met betrekking tot staatssteun voor de landbouw zodat zij landbouwers kunnen aanmoedigen uit voorzorg vrijwillig meer te sparen om beter voorbereid te zijn op door het klimaat veroorzaakte en gezondheidsrisico's, waarvan er steeds meer zijn, en economische crises;

33.  roept er echter toe op de collectieve goederen die worden geleverd door micro- en kleine landbouwbedrijven, waaronder hun deelname aan coöperatieve en gemeenschapsinitiatieven, eerlijk te vergoeden;

34.  roept de lidstaten op grotere synergieën na te streven tussen het GLB en ander beleid en andere fondsen, zoals de cohesie-, structuur- en andere investeringsfondsen, om in plattelandsgebieden een meervoudig effect teweeg te brengen;

35.  pleit voor een betere beleidscoördinatie tussen het GLB en andere EU-beleidsmaatregelen en -acties, in het bijzonder met Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 91/676/EEG en Verordening (EG) nr. 1107/2009 – als middel om een duurzame bescherming van de watervoorraden te verzekeren, waarvan de kwantiteit en kwaliteit negatief worden beïnvloed door de landbouw; pleit voor stimulansen ter bevordering van lokale samenwerkingsprojecten tussen landbouwers en waterleveranciers om zo te zorgen voor een betere bescherming van de watervoorraden;

36.  merkt op dat veel dorpen en regio's in sommige lidstaten, ondanks hun rurale karakter, om administratieve redenen buiten het toepassingsgebied van plattelandsontwikkelingspramma's vallen, waardoor zij worden benadeeld;

37.  roept de lidstaten op flexibelere benaderingen te overwegen om deze regio's en de producenten die er gevestigd zijn, niet te benadelen;

Een slim, efficiënt, duurzaam en eerlijk GLB – resultaten boeken voor landbouwers, burgers, plattelandsgebieden en het milieu

38.  acht het noodzakelijk de huidige structuur met twee pijlers te behouden en benadrukt dat de pijlers samenhangend en complementair moeten zijn, waarbij de eerste pijler, die volledig met Europese fondsen wordt gefinancierd, een doeltreffend ondersteuningsmiddel vormt voor inkomenssteun, voor basismilieumaatregelen en voor de voortzetting van bestaande marktmaatregelen, en waarbij de tweede pijler tegemoetkomt aan de specifieke behoeften van de lidstaten; acht het tegelijkertijd echter noodzakelijk om landbouwers en andere begunstigden aan te sporen om acties te realiseren die ecologische en sociale collectieve goederen opleveren die niet door de markt worden vergoed, en om zowel nieuwe als bestaande landbouwmethoden op basis van gemeenschappelijke, uniforme en objectieve criteria te eerbiedigen, waarbij de lidstaten nog steeds de mogelijkheid moet worden geboden om specifieke benaderingen te hanteren om te beantwoorden aan lokale en sectorale omstandigheden; is van mening dat de overgang van alle Europese boerderijen naar duurzaamheid, en de volledige integratie van alle Europese boerderijen in de circulaire economie, waarbij economische en milieuprestatienormen worden verenigd zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de sociale of arbeidsnormen, de hoogste prioriteit heeft;

39.  herinnert de Commissie eraan dat de doelstellingen van het GLB, die zijn opgenomen in artikel 39 VWEU, als volgt luiden: de productiviteit van de landbouw doen toenemen om aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, de markten stabiliseren, de voorziening veiligstellen en redelijke prijzen verzekeren bij de levering aan verbruikers;

40.  onderstreept het potentieel van technologische innovatie voor een slimme en efficiënte sector die resultaten levert op het gebied van duurzaamheid, met name wat betreft het efficiënte gebruik van hulpbronnen, het monitoren van de gezondheid van gewassen en dieren en het milieu;

41.  verzoekt erom dat de toepassing van dergelijke innovaties via het GLB wordt vergemakkelijkt en ondersteund;

42.  is van mening dat de toekomstige GLB-structuur alleen resultaten kan opleveren als er voldoende middelen worden vrijgemaakt; dringt er daarom op aan dat de begroting van het GLB (in constante euro) in het volgende MFK wordt gehandhaafd of verhoogd om de ambities van een herzien en efficiënt GLB na 2020 te kunnen waarmaken;

43.  is van mening dat de landbouwsector bij een verdere liberalisering van de markt en de daarmee samenhangende vermindering van bescherming voor landbouwers, moet worden gecompenseerd, hetgeen in het bijzonder geldt voor landbouwbedrijven die worden geconfronteerd met concurrentienadelen – met name moeilijkheden die verband houden met het gebruik van landbouwgrond of met hun ligging in een bergachtig gebied –, en dat alleen dergelijke compensatiemaatregelen een extensief beheer van landbouwgrond en het behoud van het cultuurlandschap kunnen garanderen;

44.  benadrukt dat de GLB-begroting moet worden afgestemd op toekomstige behoeften en uitdagingen, zoals degene die voortvloeien uit de brexit en de vrijhandelsovereenkomsten die de EU heeft gesloten met haar belangrijkste handelspartners;

45.  wijst op de aanhoudende verschillen in ontwikkeling tussen stedelijke gebieden in verschillende regio's en lidstaten en is derhalve van mening dat cohesiecriteria een belangrijke rol moeten blijven spelen bij de distributie over de lidstaten van fondsen in het kader van de tweede pijler;

46.  onderstreept het belang van de toewijzing van een robuuste begroting voor de tweede pijler (beleid voor plattelandsontwikkeling) binnen de algehele GLB-begroting;

47.  is van mening dat landbouwers moeten worden ondersteund bij de transitie naar volledige duurzaamheid;

48.  is van mening dat de ontwikkeling van nieuw beleid en nieuwe doelstellingen voor de EU niet ten koste mag gaan van een succesvol GLB en de bijbehorende middelen;

49.  erkent de huidige onzekerheid omtrent de toekomstige GLB-begroting;

50.  benadrukt dat het GLB wordt bekostigd met geld van belastingbetalers uit alle lidstaten en dat belastingbetalers in de hele EU recht hebben op zekerheid dat deze middelen alleen op gerichte en transparante wijze worden gebruikt;

51.  is van mening dat nieuwe begrotingsonderdelen voor plattelandsontwikkeling waarvoor geen extra middelen beschikbaar worden gesteld, moeten worden vermeden;

52.  is van mening dat gerichtere steun noodzakelijk is voor diverse landbouwsystemen, met name kleine en middelgrote familiebedrijven en jonge landbouwers, zodat de regionale economieën kunnen worden versterkt door een landbouwsector die resultaten levert in economisch, ecologisch en maatschappelijk opzicht; is van mening dat dit kan worden verwezenlijkt door een verplicht herverdelend hoger steunpercentage voor de eerste hectaren van een bedrijf, dat is gekoppeld aan de gemiddelde omvang van een bedrijf in de lidstaten, gezien de grote verschillen in omvang van de landbouwbedrijven in de EU; benadrukt dat steun voor grotere bedrijven degressief moet zijn, rekening houdend met de schaalvoordelen, waarbij een verplicht maximumbedrag wordt ingesteld op Europees niveau, evenals flexibele criteria om rekening te houden met de capaciteit van boerderijen en coöperaties om stabiele werkgelegenheid te creëren waardoor mensen in plattelandsgebieden blijven wonen; is van mening dat de middelen die beschikbaar komen door plafonnering en degressie, in de lidstaat of regio moeten blijven waarvan ze afkomstig zijn;

53.  is van mening dat het cruciaal is te verzekeren dat steun wordt verstrekt aan "echte" landbouwers, die actief landbouw bedrijven om aan de kost te komen;

54.  acht het noodzakelijk een vereenvoudigde regeling te handhaven voor kleine producenten om de toegang tot en het beheer van de rechtstreekse betalingen van het GLB voor hen te vereenvoudigen;

55.  onderstreept dat in kaart dient te worden gebracht welke elementen centraal moeten staan in een goed gebalanceerd, transparant, eenvoudig en objectief systeem van sancties en stimulansen, in combinatie met een transparant systeem waarmee tijdig kan worden bepaald welke begunstigden in aanmerking komen voor overheidssteun voor het leveren van collectieve goederen, en dat een dergelijk systeem moet bestaan uit eenvoudige, vrijwillige en verplichte maatregelen en gericht moet zijn op resultaat om op die manier de nadruk te verschuiven van naleving naar feitelijke prestaties;

56.  benadrukt dat er op het platteland ook veel deeltijdbedrijven en bedrijven met een gemengd inkomen voorkomen die landbouw bedrijven om in hun levensonderhoud te voorzien en daarmee echte landbouwers zijn in de zin van de mededeling van de Commissie;

57.  dringt aan op modernisering van het bestaande systeem voor het berekenen van rechtstreekse betalingen in het kader van de eerste pijler, met name in lidstaten waar de waarde van de rechten nog steeds deels wordt gebaseerd op historische cijfers, door het te vervangen door een in de hele EU geldende methode voor het berekenen van betalingen, waarbij een basisbedrag bestemd is om het inkomenspeil van de landbouwers binnen bepaalde grenzen te ondersteunen en dat bedrag kan worden aangevuld met compensaties voor de bijdragen die zij leveren aan de totstandbrenging van collectieve goederen in overeenstemming met de EU-doelstellingen en streefcijfers tot 2030, teneinde het systeem eenvoudiger en transparanter te maken;

58.  is ingenomen met de eenvoudige, gerechtvaardigde, transparante en gemakkelijk uitvoerbare regeling inzake een enkele areaalbetaling (REAB) die in veel lidstaten met succes wordt toegepast; roept er daarom toe op de REAB na 2020 te handhaven en ervoor te zorgen dat de regeling in alle lidstaten en door alle landbouwers wordt gebruikt;

59.  onderstreept dat deze regeling in de plaats zou kunnen komen van het beheerstechnisch gecompliceerde systeem van betalingsaanspraken, wat zou leiden tot een aanzienlijke vermindering van de administratieve rompslomp;

60.  is van mening dat deze nieuwe betalingen geen verhandelbare waren mogen worden zodat hun doeltreffendheid op de lange termijn kan worden gewaarborgd;

61.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of betalingsverzoeken noodzakelijk zijn met betrekking tot verenigbaarheid met de WTO-regels;

62.  onderstreept dat de overheidsgelden van het huidige GLB die aan daadwerkelijke activiteiten van landbouwers worden besteed, zeer precieze en minutieuze controles ondergaan;

63.  is van mening dat met betalingen strikte gemeenschappelijke voorwaarden moeten zijn gemoeid, onder andere met betrekking tot milieuprestaties en de levering van andere collectieve goederen zoals hoogwaardige werkgelegenheid;

64.  herinnert eraan dat in de resolutie van het Parlement over de "stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven" wordt erkend dat betalingen op basis van hoeveelheid grond zonder duidelijke voorwaarden leiden tot verstoringen van de grondmarkt en derhalve bijdragen aan de steeds grotere concentratie van landbouwgrond in een paar handen;

65.  verduidelijkt dat collectieve goederen diensten zijn die boven de milieu-, klimaat- en dierenwelzijnswetgeving staan en onder meer betrekking hebben op waterbesparing, bescherming van de biodiversiteit, bescherming van de vruchtbaarheid van de bodem, bescherming van bestuivers, bescherming van de humuslaag en dierenwelzijn;

66.  benadrukt dat de rechtstreekse betalingen eerlijk moeten worden verdeeld over de lidstaten, hetgeen essentieel is voor de werking van de interne markt, en waarbij rekening moet worden gehouden met objectieve criteria zoals de bedragen die de lidstaten ontvangen in het kader van eerste en tweede pijler en met het feit dat de natuurlijke omstandigheden, de werkgelegenheid en sociaal-economische factoren, de algemene levensstandaard, de productiekosten, in het bijzonder de kosten van grond, en de koopkracht niet overal in Europa gelijk zijn;

67.  benadrukt dat een grotere convergentie tussen lidstaten van het bedrag aan directe betalingen alleen kan worden bereikt als de begroting voldoende wordt verhoogd;

68.  onderstreept dat rechtstreekse betalingen tot doel hebben boeren te ondersteunen bij de productie van voedsel en de bescherming van het milieu en het dierenwelzijn;

69.  is van mening dat betalingen in het kader van vrijwillige gekoppelde steun moeten worden behouden, onder de strikte voorwaarden dat een gelijk speelveld op de interne markt kan worden gewaarborgd, dat verstoring van de concurrentie (in het bijzonder met betrekking tot grondstoffen) wordt voorkomen, dat samenhang met de WTO-regels wordt gegarandeerd, en dat de verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelen niet in gevaar wordt gebracht, maar dat deze betalingen alleen mogen worden geactiveerd na een beoordeling door de Commissie; is van mening dat vrijwillige gekoppelde steun een instrument is om tegemoet te komen aan de behoeften van kwetsbare sectoren en specifieke doelstellingen met betrekking tot het milieu, het klimaat of de kwaliteit en het op de markt brengen van landbouwproducten, om landbouwpraktijken te stimuleren die voldoen aan hoge dierenwelzijns- en milieunormen, om in te spelen op specifieke problemen, met name die welke voortkomen uit het structurele concurrentienadeel van achtergestelde en berggebieden, maar ook problemen die eerder tijdelijk van aard zijn en bijvoorbeeld het gevolg zijn van een verschuiving van de oude regeling op basis van rechten naar een nieuw systeem; is verder van mening dat vrijwillige gekoppelde steun ook een instrument is om strategisch belangrijke productie, zoals eiwithoudende gewassen, in de toekomst te bevorderen of om te voorzien in compensatie voor de effecten van vrijhandelsovereenkomsten; benadrukt voorts dat betalingen in het kader van vrijwillige gekoppelde steun belangrijk zijn om de verscheidenheid aan landbouwproducten, de werkgelegenheid in de landbouw en duurzame productiesystemen in de EU te behouden;

70.  dringt erop aan dat betalingen uit de eerste pijler, met inbegrip van gekoppelde steun, per hectare en begunstigde worden beperkt tot het dubbele van het gemiddelde van de directe betalingen van de EU per hectare, dit om concurrentieverstoring te voorkomen;

71.  wijst erop dat landbouwers in tal van lidstaten problemen ondervinden met de wisseling van generaties en het aantrekken van nieuwkomers en dat elke nationale of regionale strategie hier dan ook aandacht aan moet besteden aan de hand van een alomvattende benadering, waarbij alle financiële middelen van het GLB dienen te worden gemobiliseerd, met inbegrip van de aanvullende betalingen voor jonge landbouwers in de eerste pijler en maatregelen om jonge landbouwers te helpen opstarten in de tweede pijler, die beiden verplicht zouden moeten worden gemaakt voor de lidstaten, alsook ondersteuning van nieuwe financieringsinstrumenten, zoals een instrument om toegang tot kapitaal te geven indien de beschikbare middelen beperkt zijn; wijst verder op het belang van nationale maatregelen die regelgevings- en economische belemmeringen wegnemen en tegelijkertijd opvolgingsplanning, pensioneringspakketten en toegang tot land stimuleren, en samenwerking zoals partnerschappen, deelpacht, veehouderij op contract en huurovereenkomsten tussen jonge en oude landbouwers faciliteren en aanmoedigen; is van mening dat de staatssteunregels rekening moeten houden met het belang van generatiewisseling en de teloorgang van familiale landbouw moeten voorkomen;

72.  is van mening dat de nieuwe wetgeving een duidelijker onderscheid moet maken tussen de criteria die de basis zijn van stimuleringsmaatregelen voor "jonge landbouwers" en voor "startende landbouwers" (jonge landbouwers op basis van leeftijd, startende landbouwers op basis van het aantal jaren sinds de oprichting van hun onderneming) om zo het potentieel voor beide groepen te verhogen en generatievernieuwing en verbetering van de levenskwaliteit in plattelandsgebieden te verwezenlijken;

73.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te erkennen dat de nieuwe maatschappelijke, technologische en economische veranderingen, zoals schone energie, digitalisering en slimme oplossingen effecten hebben op het leven op het platteland;

74.  vraagt de Commissie inspanningen te ondersteunen om de levenskwaliteit in plattelandsgebieden te verbeteren om mensen, en in het bijzonder jongeren, op die manier aan te moedigen op het platteland te blijven of daarnaar terug te keren, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om ondersteuning te geven bij de ontwikkeling van nieuwe diensten door ondernemers, op de eerste plaats aan vrouwen en jongeren;

75.  stelt met zorg vast dat door het tekort aan arbeidskrachten in verscheidene landbouwsectoren landbouwactiviteiten worden gestaakt; vraagt om steun te verlenen teneinde werknemers in de landbouwsector aan te trekken;

76.  benadrukt het belang van het delen van succesvolle modellen uit lidstaten waarmee jonge en oudere landbouwers ten behoeve van generatievernieuwing worden samengebracht;

77.  doet de aanbeveling om de toegang tot financiële middelen te verbeteren door nieuwkomers leningen met rentesubsidie te verstrekken;

78.  wijst erop dat er speciale aandacht en geïntegreerde inspanningen nodig zijn om plattelandsgebieden en rurale woongebieden tot slimme dorpen te laten ontwikkelen;

79.  pleit voor een betere samenwerking met de EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF) om financieringsinstrumenten in het leven te kunnen roepen ten behoeve van jonge landbouwers in alle lidstaten;

80.  dringt aan op een gelijk speelveld voor speciale technologische verbeteringen voor landelijke knooppunten en netwerken;

81.  onderstreept het belang van plattelandsontwikkeling, met inbegrip van het Leader-initiatief, voor het verbeteren van de synergieën van verschillende beleidsmaatregelen en het versterken van het concurrentievermogen, voor het bevorderen van doeltreffende en duurzame economieën, voor het ondersteunen van duurzame en multifunctionele land- en bosbouw die voedings- en niet-voedingsproducten produceren en diensten verlenen, die toegevoegde waarde en banen genereren; benadrukt het belang van plattelandsontwikkeling voor het stimuleren van partnerschappen tussen landbouwers, lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, en het bevorderen van bijkomende ondernemersactiviteiten en -kansen, die vaak niet-verplaatsbaar zijn, in de agrosector, het agrotoerisme, de rechtstreekse verkoop, door de gemeenschap gesteunde landbouw, de bio-economie, en de duurzame productie van bio-energie en hernieuwbare energie, die allemaal het behoud van economische activiteit in de regio helpen waarborgen; benadrukt daarom het belang van financiële versterking van de tweede pijler, waardoor het vermogen wordt vergroot om inkomsten te genereren, ontvolking, werkloosheid en armoede aan te pakken en sociale inclusie te stimuleren, alsmede om sociale diensten te verlenen en de sociaal-economische structuren in plattelandsgebieden te versterken, met als algemeen doel om de kwaliteit van het bestaan in die gebieden te verbeteren;

82.  doet een beroep op de Commissie om in de zittingsperiode vanaf 2020 een benadering te kiezen waarbij voor investeringen van meerdere fondsen gebruik kan worden gemaakt, om zo te zorgen voor een soepele tenuitvoerlegging van de geïntegreerde plattelandsontwikkelingsinstrumenten, zoals het slimmedorpeninitiatief;

83.  vraagt om een nieuw fonds voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling in het leven te roepen, voortbouwend op het Leader-initiatief en de ervaringen daaromtrent, met een reservering van 10 % in alle structuurfondsen voor doelstellingen die zijn bepaald in door lokale gemeenschappen geleide strategieën, zonder afbakening tussen de structuurfondsen, die op gedecentraliseerde basis moeten worden ingezet;

84.  benadrukt dat plattelandsontwikkelingsprogramma's toegevoegde waarde voor landbouwbedrijven dienen te hebben en hun belangrijke rol dienen te behouden bij het mogelijk maken van langetermijnactie met betrekking tot innovatieve praktijken en agromilieumaatregelen;

85.  is van mening dat binnen het Leader-initiatief extra aandacht moet worden besteed aan de behoeften en projecten van microfamiliebedrijven die verder gaat dan de noodzakelijke financiële steun;

86.  is van mening dat is aangetoond dat plattelandsgebieden landbouwactiviteiten nodig hebben die in handen zijn van kleine en middelgrote bedrijven van mannelijke en vrouwelijke landbouwers;

87.  onderstreept het belang van de handhaving van specifieke compenserende steun voor bedrijven in probleemgebieden, overeenkomstig de door de lidstaten in het licht van hun specifieke lokale kenmerken vastgestelde voorwaarden;

88.  wijst er bovendien met nadruk op dat de toepassing van financiële instrumenten bij plattelandsontwikkeling op vrijwillige basis dient te geschieden en dat de investeringen in plattelandsgebieden versterkt moeten worden;

89.  verzoekt de Commissie maatregelen voor het initiatief inzake slimme dorpen vast te stellen om van slimme dorpen een prioriteit te maken in het volgende beleid inzake plattelandsontwikkeling;

90.  is van mening dat onder de tweede pijler vallende financiering van bijenteelt gerichter en doeltreffender moet worden, en dat het nieuwe wetgevingskader moet voorzien in een nieuwe onder de eerste pijler vallende steunregeling voor bijenhouders, met inbegrip van directe steun per bijengemeenschap;

91.  benadrukt dat er een hoger cofinancieringspercentage moet gaan naar maatregelen die zijdelings met de landbouw verband houden;

92.  verzoekt de Commissie om een nieuwe, samenhangende, versterkte en vereenvoudigde randvoorwaardenregeling in te voeren in de eerste pijler, waarin de verschillende bestaande soorten milieuacties kunnen worden opgenomen en ten uitvoer gelegd, zoals het huidige systeem van randvoorwaarden en vergroeningsmaatregelen; benadrukt dat de basisvereisten van de eerste pijler voor het bereiken van duurzame landbouwontwikkeling verplicht moeten zijn en duidelijk de maatregelen en resultaten moeten vermelden die van landbouwers worden verwacht, om een gelijk speelveld te waarborgen, terwijl ze tegelijkertijd moeten zorgen voor minimale bureaucratie voor landbouwbedrijven en, met inachtneming van lokale omstandigheden, passende controle door de lidstaten; dringt daarnaast aan op een nieuwe en eenvoudige regeling die verplicht is voor lidstaten en facultatief voor landbouwers, gebaseerd op EU-regels die verder gaan dan de basisvereisten teneinde de omschakeling van landbouwers naar duurzame technieken en klimaat- en milieupraktijken die bovendien verenigbaar zijn met de agromilieu- en klimaatmaatregelen in de tweede pijler te stimuleren; is van mening dat de tenuitvoerlegging van deze regeling moet worden vastgelegd in de nationale strategische plannen binnen een EU-kader;

93.  verzoekt de Commissie te garanderen dat agromilieu- en klimaatmaatregelen voor plattelandsontwikkeling compensatie zullen blijven bieden voor de aanvullende kosten en de inkomstenderving in verband met de vrijwillige invoering van milieu- en klimaatvriendelijke praktijken door landbouwers, met de mogelijkheid om een extra stimulans te bieden om te investeren in milieubescherming, biodiversiteit en het hulpbronnenefficiëntie; is van mening dat deze programma's vereenvoudigd, doelgerichter en efficiënter moeten worden zodat landbouwers daadwerkelijk resultaten kunnen boeken bij de verwezenlijking van ambitieuze beleidsdoelen met betrekking tot milieubescherming, biodiversiteit, waterbeheer en klimaatactie en beperking van klimaatverandering, terwijl ze tegelijkertijd moeten zorgen voor minimale bureaucratie voor landbouwbedrijven en, met inachtneming van lokale omstandigheden, passende controle door lidstaten;

94.  dringt erop aan dat behalve de bedrijven die conform artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007 zuiver ecologische of biologische landbouw bedrijven en conform artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn vrijgesteld van vergroeningsvereisten, ook de bedrijven worden vrijgesteld die de agromilieumaatregelen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1305/2013 uitvoeren;

95.  onderstreept dat de mediterrane regio's van de EU kwetsbaarder zijn voor de effecten van klimaatverandering, zoals droogten, bosbranden en woestijnvorming, en dat landbouwers in deze gebieden derhalve grotere inspanningen zullen moeten leveren om hun bedrijfsvoering aan het veranderde milieu aan te passen;

96.  is van oordeel dat er in de toekomstige wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor moet worden gezorgd dat zo veel mogelijk landbouwers worden ondersteund bij hun op een duurzamere ontwikkeling van de landbouw gerichte moderniseringsinspanningen;

97.  roept ertoe op om ter vereenvoudiging van het GLB de huidige vrijstelling te handhaven en de kleinste bedrijven, van maximaal 15 hectare, niet te belasten met aanvullende milieu- en klimaatmaatregelen uit hoofde van het GLB;

98.  stelt voor om deze nieuwe vorm van vergroening vergezeld te doen gaan van aanzienlijke, gecoördineerde en doeltreffendere middelen in de tweede pijler, waarbij gerichte materiële en immateriële investeringen (kennisoverdracht, opleiding, advies, de uitwisseling van knowhow, netwerken en innovatie via de Europese innovatiepartnerschappen) een nieuwe manier vormen om verandering aan te jagen;

99.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar wetgevingsvoorstellen voor de GLB-hervorming passende maatregelen en instrumenten bevatten waardoor de productie van eiwithoudende gewassen wordt geïntegreerd in verbeterde vruchtwisselingssystemen om het huidige proteïnetekort weg te werken, de inkomens van de landbouwers te verbeteren en in te spelen op de hoofdproblemen waarmee de landbouw kampt, zoals klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, bodemverarming en de bescherming en het beheer van watervoorraden;

100.  is van mening dat een minimumbedrag van de totale beschikbare begroting voor de tweede pijler moet worden toegewezen aan agromilieu- en klimaatmaatregelen, waaronder biologische landbouw, CO2-vastlegging, bodemgezondheid, duurzame maatregelen voor bosbeheer, nutriëntenbeheerplanning voor de bescherming van biodiversiteit, en bestuiving en genetische diversiteit bij dieren en planten; wijst in dit verband op het belang van het behoud van Natura 2000-betalingen en de waarborging dat zij toereikend zijn om een echte stimulans te vormen voor landbouwers;

101.  onderstreept de noodzaak van betalingen in het kader van plattelandsontwikkeling aan mannelijke en vrouwelijke landbouwers die zich bevinden in gebieden met natuurlijke beperkingen, met moeilijke klimatologische omstandigheden, steile hellingen of beperkingen op het vlak van bodemkwaliteit; verzoekt om een vereenvoudiging en een betere focus van het plan voor gebieden met natuurlijke beperkingen voor de periode na 2020;

102.  herinnert eraan reeds te hebben onderstreept dat bij de geschiktheidscontrole van de Natura-richtlijn werd benadrukt dat voor meer samenhang met het GLB moet worden gezorgd, en wijst op de zorgwekkende achteruitgang van soorten en habitats in verband met de landbouw; verzoekt de Commissie de impact van het GLB op de biodiversiteit te evalueren; pleit voorts voor hogere Natura 2000-betalingen om meer prikkels te bieden voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, die in zeer slechte staat verkeren;

103.  vraagt om de tenuitvoerlegging en versterking van klimaatvriendelijke landbouwmaatregelen, aangezien het effect van klimaatverandering op de landbouw in Europa in de toekomst zal toenemen;

104.  is van oordeel dat de risico's die samenhangen met klimaatverandering en bodemdegradatie op alle landbouwgrond door het GLB moeten worden beheerst door te investeren in veerkrachtige en solide agro-ecosystemen, in ecologische infrastructuur om bebouwbare akkergrond te creëren, alsook door de bodemerosie terug te dringen, wisselbouw in te voeren of te verlengen, meer bomen toe te voegen aan het landschap en de biologische en structurele diversiteit binnen het landbouwbedrijf te bevorderen;

105.  is van oordeel dat het gebruik van oogstafval in plattelandsgebieden als een vernieuwbare, efficiënte en duurzame energiebron ondersteund en gestimuleerd moet worden;

106.  verzoekt de Commissie om innovatie, onderzoek en modernisering op het gebied van landbouw, boslandbouw en de voedingssector te stimuleren via de ondersteuning van een krachtig adviesstelsel en opleidingen die beter zijn afgestemd op de behoeften van GLB-begunstigden bij de ontwikkeling van hun praktijken in de richting van grotere duurzaamheid en bescherming van hulpbronnen, en door het ondersteunen van de toepassing van slimme technologieën om efficiënter te reageren op de uitdagingen op het gebied van gezondheid, milieu en concurrentie; benadrukt dat opleiding en voorlichting een allereerste voorwaarde moeten zijn bij het ontwerp en de uitvoering van programma's in alle lidstaten en dat het stimuleren van de overdracht van knowhow en de uitwisseling van modellen inzake beste praktijken tussen coöperaties en producentenorganisaties in de verschillende lidstaten, bijvoorbeeld via het Europees systeem voor gezondheidsinformatie en -kennis (AKIS), essentieel is; is van mening dat agro-ecologische methoden en de beginselen die aan precisielandbouw ten grondslag liggen aanzienlijke voordelen voor het milieu kunnen opleveren, het inkomen van landbouwers kunnen verhogen, het gebruik van landbouwmachines kunnen beperken en de hulpbronnenefficiëntie aanzienlijk kunnen verhogen;

107.  benadrukt hoe belangrijk en noodzakelijk het is dat het GLB, Horizon 2020 en andere ondersteunende financieringsregelingen landbouwers aanmoedigen om in nieuwe, aan de omvang van hun bedrijf aangepaste technologieën te investeren, zoals instrumenten voor precisielandbouw en digitale landbouw die de veerkracht en de milieueffecten van de landbouw verbeteren;

108.  doet een beroep op de Commissie om de ontwikkeling en invoering van innovatieve technologieën voor alle soorten landbouwbedrijven te stimuleren, ongeacht hun grootte en productie, of zij conventioneel of biologisch zijn, of het om een veehouderij of een akkerbedrijf gaat, en of zij een kleine of grote schaal hebben;

109.  vraagt de Commissie een GLB uit te werken dat zorgt voor meer innovatie, bijdraagt aan vorderingen op het gebied van de bio-economie en oplossingen aanreikt voor de biodiversiteit, het klimaat en het milieu;

110.  verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de levenskwaliteit in plattelandsgebieden en het leven daar aantrekkelijk te maken voor iedereen, met name voor de jongere generatie;

111.  is van mening dat de digitalisering en de binnen het GLB gestimuleerde precisielandbouw er niet toe mogen leiden dat landbouwers afhankelijker worden van aanvullende input of externe financiering of dat hen daardoor de toegang tot middelen wordt belet, maar dat deze van het open-sourcetype moeten zijn en op een inclusieve manier met landbouwers samen moeten worden ontwikkeld;

112.  vraagt dat de huidige programma's voor plattelandsontwikkeling, zoals goedgekeurd overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, van toepassing blijven tot 2024 of tot het moment dat er een nieuwe hervorming is aangenomen, onverminderd een bijstelling van het totale bedrag aan EU-steun voor plattelandsontwikkeling;

113.  is ingenomen met de inzet die de Commissie laat zien bij het promoten van het concept van slimme dorpen in de EU, dat het mogelijk maakt om door middel van een beter gecoördineerde ontwikkeling van de verschillende maatregelen de onvoldoende breedbandverbindingen, arbeidsmogelijkheden en dienstverlening in plattelandsgebieden aan te pakken;

114.  eist dat er via maatregelen in de tweede pijler gericht op investeringen in veiligheidsmaatregelen en opleiding actie wordt ondernemen tegen het serieuze probleem van bedrijfsongelukken, die op EU-landbouwbedrijven tot letsel en gevallen met dodelijke afloop leiden;

115.  dringt erop aan dat in het kader van de opbouw van een EU-strategie voor eiwithoudende gewassen het eenmalig toepassen van gewasbeschermingsmiddelen vóór of kort na het zaaien op alle akkers met eiwithoudende gewassen is toegestaan;

116.  is van mening dat investeringen in innovatie, onderwijs en opleiding essentieel zijn voor de toekomst van de Europese landbouw;

117.  wijst er met nadruk op dat een resultaatgerichte benadering op lidstaat- en regionaal niveau en door certificeringsregelingen geleverde innovatieve oplossingen nader moeten worden onderzocht in het kader van het toekomstige GLB, zonder nieuwe bureaucratie en controles ter plaatse;

118.  spreekt zich nadrukkelijk uit voor de invoering van doelgerichte moderniserings- en structuurverbeteringsmaatregelen in de tweede pijler om doelstellingen met hoge prioriteit te realiseren, zoals Digital Farming 4.0;

119.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de toegang van kleinschalige landbouwers en gemarginaliseerde groepen tot zaden en landbouwbenodigdheden te waarborgen en te stimuleren, evenals de uitwisseling van zaden en het publieke eigendom daarvan, tegelijk met duurzame traditionele technieken die een waarborg vormen voor het als mensenrecht erkende recht op voeding;

120.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om meer nadruk te leggen op ondernemingskansen met betrekking tot diensten aan en vanuit dorpen;

121.  merkt op dat elk landbouwbedrijf anders is en dat er dan ook behoefte is aan individuele oplossingen;

Een sterke positie voor landbouwers in het mondiale voedselsysteem

122.  verzoekt de Commissie het huidige kader van integrale gemeenschappelijke marktordening (integrale GMO) binnen de eerste pijler te behouden, met inbegrip van de specifieke beleidsinstrumenten en marktnormen, en de EU-regelingen voor fruit, groenten en melk op school te verbeteren; wijst op het belang van bestaande productiebeheersystemen voor specifieke producten en het behoud van verplichte programma's voor individuele sectoren (wijn, groenten en fruit, olijfolie, en bijenteelt) voor producerende landen, met als uiteindelijke doel om de duurzaamheid en het concurrentievermogen van elke sector te verbeteren, een gelijk speelveld te behouden en te zorgen voor toegang voor alle landbouwers;

123.  is van mening dat de positieve en "marktgeoriënteerde" ervaring van de operationele programma's van de integrale gemeenschappelijke marktordening in de groenten- en fruitsector, ten uitvoer gelegd door producentenorganisaties en gefinancierd op basis van de waarde van de productie, hun nut hebben bewezen voor het verbeteren van het concurrentievermogen, de structurering en de duurzaamheid van de doelsectoren; verzoekt de Commissie daarom te overwegen om soortgelijke operationele programma's in te voeren voor andere sectoren; is van mening dat dit met name van nut kan zijn voor producentenorganisaties waarin melkboeren in berg- en perifere gebieden van de Unie verenigd zijn en die hoogwaardige kwaliteitsproducten verwerken en op de markt brengen, en zo de melkproductie in deze moeilijke productiegebieden in stand houden;

124.  wijst erop dat ongelijke marktmacht een kostendekkende productie in de zuivelsector belemmert;

125.  vraagt aandacht voor de mogelijkheid om de regeling voor vrijwillige melkproductiebeperking bij de GMO onder te brengen;

126.  vraagt om de invoering van een nieuw zelfhulpinstrument voor olijfolie waarmee olie kan worden opgeslagen in jaren met overproductie en de olie voor de markt kan worden vrijgegeven als de productie lager is dan de vraag;

127.  benadrukt met klem dat het van cruciaal belang is dat het volgende GLB landbouwers op een efficiëntere, eerlijkere en snellere wijze ondersteunt, opdat deze zich staande kunnen houden in een context van prijs- en inkomensvolatiliteit als gevolg van klimaat-, gezondheids- en marktrisico's en slechte weersomstandigheden, door aanvullende stimulansen en marktomstandigheden te creëren voor de ontwikkeling en vrijwillige toepassing van risicobeheer- en stabiliseringsinstrumenten (verzekeringsregelingen, inkomensstabiliseringsinstrumenten, mechanismen voor individuele voorzieningen en onderlinge fondsen), en door toegang en verenigbaarheid met de bestaande nationale regelingen te waarborgen;

128.  roept op tot betere ondersteuning om de productie van peulgewassen in de EU te verhogen en tot het verlenen van specifieke steun aan extensieve veehouderijen van schapen en geiten, gezien de baten die deze sectoren opleveren voor het milieu, en de noodzaak om de afhankelijkheid van de EU van de invoer van eiwitten voor veevoer te verminderen;

129.  benadrukt dat een toekomstgericht GLB dusdanig moet zijn vormgegeven dat kritieke gezondheidskwesties beter worden aangepakt, zoals die met betrekking tot antimicrobiële resistentie, de luchtkwaliteit en gezondere voeding;

130.  onderstreept de uitdagingen voor de gezondheid van dieren en mensen als gevolg van antimicrobiële resistentie; is van mening dat het nieuwe rechtskader actief moet aanzetten tot een betere diergezondheid en dierenwelzijn als middel ter bestrijding van antibioticaresistentie, waardoor de volksgezondheid en de landbouwsector als geheel betere bescherming genieten;

131.  wijst op het feit dat marktrisico's ook kunnen worden beheerd door de markttoegang van landbouw- en voedingsproducten uit de EU tot exportmarkten te verbeteren;

132.  hamert erop dat de positie van primaire producenten in de voedselvoorzieningsketen moet worden versterkt, met name door een eerlijke verdeling van de toegevoegde waarde tussen producenten, verwerkers en de kleinhandel te garanderen, door de financiële middelen en stimulansen in te voeren die nodig zijn om de oprichting en ontwikkeling van economische organisaties te ondersteunen, zowel verticaal als horizontaal, zoals producentenorganisaties, met inbegrip van coöperaties en hun verenigingen en brancheorganisaties, door uniforme minimumnormen vast te stellen om oneerlijke en onrechtmatige handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen te bestrijden en door transparantie op de markten te versterken, alsook door betere instrumenten voor crisispreventie te ontwikkelen;

133.  onderstreept dat overeenkomstig de doelstellingen van artikel 39 VWEU en de in artikel 42 VWEU bedoelde uitzondering, de omnibusverordening de juridische verhouding tussen de bepalingen van de verordening inzake de integrale gemeenschappelijke marktorganisatie en de mededingingsregels van de EU heeft verduidelijkt en nieuwe collectieve mogelijkheden voor landbouwers heeft ingevoerd om hun onderhandelingspositie in de voedselvoorzieningsketen te versterken; is van mening dat deze bepalingen essentieel zijn binnen het kader van het toekomstige GLB en verder moeten worden verbeterd;

134.  is van mening dat, voortbouwend op de leerervaringen met de werking van de verschillende EU-marktobservatoria (melk, vlees, suiker en gewassen), deze instrumenten moeten worden uitgebreid naar andere landbouwsectoren en verder moeten worden ontwikkeld om betrouwbare gegevens en prognoses te bieden aan marktdeelnemers, zodat zij vroegtijdig gewaarschuwd kunnen worden en bij marktverstoringen snelle en preventieve maatregelen kunnen nemen om crises te voorkomen;

135.  dringt aan op betere ondersteuning en bevordering van lokale markten en korte voedselvoorzieningsketens; benadrukt de noodzaak om lokale diensten voor korte voedselvoorzieningsketens te ontwikkelen;

136.  roept de Commissie op om de regels voor producentenorganisaties en brancheorganisaties verder te verduidelijken en waar nodig te actualiseren, met name wat betreft het mededingingsbeleid en de maatregelen en afspraken van brancheorganisaties, om te voorzien in de maatschappelijke behoeften;

137.  benadrukt dat de historische marktbeheerinstrumenten van het GLB (overheidsinterventie en particuliere opslag) in de context van een gemondialiseerde economie niet langer efficiënt genoeg zijn en dat risicobeheerinstrumenten niet altijd toereikend zijn om het hoofd te bieden aan aanzienlijke prijsvolatiliteit en ernstige marktverstoringen;

138.  benadrukt daarom dat de integrale gemeenschappelijke marktordening in het toekomstige GLB een belangrijke rol als vangnet moet blijven spelen bij het snel stabiliseren van landbouwmarkten en het anticiperen op crises, en benadrukt het belang van de omnibusverordening voor het faciliteren en aanmoedigen van het complementaire gebruik van innovatieve instrumenten voor markt- en crisisbeheer, zoals vrijwillige sectorale overeenkomsten tussen producenten, producentenorganisaties, verenigingen van producentenorganisaties en brancheorganisaties en verwerkers om het aanbod in kwantitatieve zin te beheren (zoals de EU-reductieregeling voor melkproductie), en waar passend te verminderen, gebruikmakend van de ervaringen die zijn opgedaan tijdens de laatste marktcrises, met name in de zuivelsector;

139.  is verheugd over het werk dat wordt verricht ter ontwikkeling van een duurzame EU‑strategie voor eiwitten;

140.  constateert de noodzaak om in de hele EU lokale en regionale markten voor peulgewassen te creëren, hun milieuprestaties te verbeteren door het gebruik van wisselteelt, waarbij ook de afhankelijkheid van geïmporteerd diervoeder, meststoffen en pesticiden wordt verminderd, en om het rendabeler en economisch aantrekkelijk te maken om over te stappen op duurzamere landbouwpraktijken;

141.  is van mening dat de beheermaatregelen voor het aanbod van kazen en ham met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, alsook die voor het aanbod van wijn hun doeltreffendheid hebben bewezen doordat zij de duurzaamheid, de concurrentiepositie en de kwaliteit van de betrokken producten hebben verbeterd en daarom moeten worden gehandhaafd en waar nodig moeten worden uitgebreid naar alle producten met kwaliteitslabels, in overeenstemming met de doelstellingen van het GLB;

142.  dringt aan op een diepgaande herziening van de huidige regeling van de crisisreserve met het oog op de invoering van een praktisch en onafhankelijk EU-landbouwcrisisfonds dat wordt uitgezonderd van het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit, zodat er begrotingsoverdrachten kunnen plaatsvinden van het ene jaar naar het andere, met name wanneer de marktprijzen hoog genoeg zijn, en tegelijkertijd de crisisreserve tijdens de hele MFK-periode op een constant niveau kan worden gehouden, waardoor snellere, meer samenhangende en doeltreffendere preventieve acties en antwoorden mogelijk zijn als aanvulling op het gebruik van markt- en risicobeheerinstrumenten in het geval van ernstige crisissituaties, met inbegrip van crises die economische gevolgen hebben voor landbouwers als gevolg van problemen met de gezondheid van dieren, plantenziekten en voedselveiligheid alsook problemen die voortvloeien uit externe schokken die een invloed hebben op de landbouw;

143.  is van mening dat handelsovereenkomsten weliswaar gunstig zijn voor sommige landbouwsectoren in de EU, en nodig zijn om de positie van de EU op de mondiale landbouwmarkt te versterken en gunstig zijn voor de EU-economie als geheel, maar dat ze ook een aantal uitdagingen met zich meebrengen, met name voor kleine en middelgrote landbouwbedrijven en gevoelige sectoren, waarmee rekening moet worden gehouden, zoals de eerbiediging van sanitaire, fytosanitaire, milieu-, sociale en dierenwelzijnsnormen, die vragen om samenhang tussen het handelsbeleid en bepaalde doelstellingen van het GLB en die geen afbreuk mogen doen aan de hoge normen van Europa of Europese plattelandsgebieden in gevaar mogen brengen;

144.  benadrukt dat door de toepassing van verschillende normen het risico toeneemt dat Europese productieactiviteiten naar derde landen worden verplaatst, ten koste van de plattelandsontwikkeling, het milieu en, in bepaalde gevallen, de voedselkwaliteit;

145.  benadrukt dat de behoefte aan sterkere vrijwaringsmechanismen ook voorop moet staan bij de discussie over toekomstige handelsakkoorden (Mercosur, Nieuw-Zeeland, Australië enz.) en hun effecten op de landbouw in Europa;

146.  benadrukt dat het belangrijk is om te blijven werken aan een ruimere markttoegang voor Europese landbouwproducten, maar dat ook passende maatregelen nodig zijn voor de bescherming van de Europese landbouw, die rekening houden met sectorspecifieke zorgen, zoals vrijwaringsmechanismen om negatieve sociale en economische gevolgen voor kleine en middelgrote boerenbedrijven in de EU en derde landen te voorkomen, de potentiële uitsluiting van de meest gevoelige sectoren van de onderhandelingen en de toepassing van het beginsel van wederkerigheid van de productievoorwaarden, teneinde een gelijk speelveld te waarborgen tussen de landbouwers in de Europese Unie en hun buitenlandse concurrenten; hamert erop dat de Europese productie niet mag worden ondermijnd door inferieure en kwalitatief gebrekkige importproducten;

147.  verzoekt de Commissie om landbouw opnieuw als een strategische activiteit aan te merken en bij het in ogenschouw nemen van vrijhandelsovereenkomsten de landbouw niet meer op te vatten als een aanpassingsvariabele voor de andere aan de handel onderworpen sectoren en sleutelsectoren zoals de rauwemelkproductie te beschermen;

148.  is van oordeel dat de vereisten van de internationale handel en de WTO een zeer grote invloed hebben gehad op de reeks hervormingen van het GLB die zijn doorgevoerd sinds de jaren 1990; is van mening dat deze hervormingen de Europese landbouwproducten en de Europese agrovoedingssector concurrerender hebben gemaakt, maar dat zij ook grote delen van de landbouwsector hebben ondermijnd door hen bloot te stellen aan de instabiliteit van de wereldmarkten; is van mening dat het nu tijd is, zoals in de mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw in Europa wordt voorgesteld, om meer te focussen op andere doelstellingen van het GLB, zoals de levensstandaard van de landbouwers en aangelegenheden betreffende gezondheid, werkgelegenheid, milieu en klimaat;

149.  onderstreept dat het EU-handelsbeleid coherent moet zijn met andere EU-beleidsdomeinen, zoals ontwikkelingsbeleid en milieubeleid, en de verwezenlijking van de SDG's moet ondersteunen, en dat het kan bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het GLB, met name het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers; benadrukt dat de agrovoedingssector in de EU moet profiteren van de door export geboden groeimogelijkheden, aangezien naar schatting 90 % van de bijkomende wereldwijde vraag naar agrovoedingsproducten in het volgende decennium van buiten Europa zal komen; benadrukt dat het GLB moet voldoen aan de voedings-, milieu- en klimaatgerelateerde behoeften van de Europese samenleving alvorens te denken aan productie voor verkoop op de internationale markt; benadrukt dat zogenaamde ontwikkelingslanden over voldoende kansen moeten beschikken om een sterke agrovoedingssector op te zetten en te handhaven;

150.  is bovendien van mening dat goederen waarvan de productie in verband wordt gebracht met ontbossing, de illegale toe-eigening van land of hulpbronnen of mensenrechtenschendingen, geen toegang mogen krijgen tot de EU-markt;

151.  herinnert aan de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling waarin de EU en haar lidstaten hebben bevestigd zich te willen inzetten voor en het cruciale belang erkennen van doeltreffende naleving van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat is vastgelegd in artikel 208 VWEU, wat betekent dat er in alle beleidsmaatregelen van de EU die waarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor ontwikkelingslanden, waaronder maatregelen op het gebied van landbouwbeleid en -financiering, rekening moet worden gehouden met de doelstellingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking; is in dit kader van mening dat bij de hervorming van het GLB rekening moet worden gehouden met het recht van ontwikkelingslanden om hun landbouw- en voedselbeleid te ontwikkelen, zonder de voedselproductiecapaciteit en voedselzekerheid van deze landen, en met name de minst ontwikkelde landen, op de lange termijn in gevaar te brengen;

152.  herinnert aan de verplichtingen die de EU en haar lidstaten zijn aangegaan ten aanzien van de SDG's en onderstreept dat coherentie tussen het GLB en de SDG's van cruciaal belang is, met name in het geval van SDG 2 (geen honger), 5 (gendergelijkheid), 12 (verantwoorde consumptie en productie), 13 (klimaatactie), en 15 (leven op het land), waaraan het toekomstige GLB moet worden aangepast;

153.  dringt overeenkomstig het beginsel van begrotingsefficiëntie aan op coherentie en betere synergie tussen het GLB en alle overige EU-beleidsterreinen en internationale verplichtingen, met name op het gebied van energie, watervoorziening, grondgebruik, biodiversiteit en ecosystemen, en van de ontwikkeling van afgelegen en bergachtige gebieden;

154.  verzoekt de Commissie een systematische effectbeoordeling van de bepalingen betreffende de landbouwsector in alle handelsovereenkomsten uit te voeren en specifieke strategieën voor te stellen om te waarborgen dat geen enkele landbouwsector schade lijdt als gevolg van een handelsovereenkomst met een derde land;

155.  benadrukt dat procedés en productiemethoden (PPM) een belangrijk onderdeel vormen van de sociale, economische en milieunormen in de mondiale handel in landbouwproducten en spoort de Commissie aan er bij de WTO op aan te dringen PPM als zodanig te erkennen;

156.  onderstreept dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering en de verwezenlijking van de SDG's moeten behoren tot de grondbeginselen van elk handelsbeleid met betrekking tot landbouwproducten; merkt op dat de Commissie in haar discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering terecht wijst op de vraag naar meer eerlijke handel en duurzame en lokale producten als een veranderende trend in de globalisering; benadrukt dat het handelsbeleid van de EU in hoge mate kan bijdragen aan de verwezenlijking van de SDG's en de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

157.  wijst erop dat de EU van haar kant de exportsubsidies heeft afgeschaft en dat er in de huidige begroting van de EU geen begrotingslijn meer is voor exportsubsidies; verzoekt de handelspartners van de EU in dit verband toezeggingen te doen tot het terugdringen van handelsverstorende interne steun; doet een beroep op de WTO-leden die exportsubsidies blijven verlenen om het ministerieel besluit inzake uitvoerconcurrentie dat op 19 december 2015 in Nairobi is aangenomen, uit te voeren;

158.  eist dat de Commissie waakzaam blijft en dat de Unie meer defensieve maatregelen neemt ter oplossing van de bestaande en toekomstige belemmeringen van de markttoegang in derde landen, omdat deze in aantal en omvang toenemen, met inachtneming van het milieu en de mensenrechten, waaronder het recht op voedsel; onderstreept dat de meeste van deze belemmeringen gevolgen hebben voor landbouwproducten (27 % volgens de gegevensbank van de Commissie inzake markttoegang), vooral in de vorm van sanitaire en fytosanitaire maatregelen voor markttoegang;

159.  verzoekt de Commissie om te anticiperen op en rekening te houden met de gevolgen van de brexit bij de voorbereiding van de onderhandelingen en de berekening van quota;

160.  verzoekt de Commissie duidelijke en transparante initiatieven in gang te zetten om de productie-, veiligheids-, dierenwelzijns- en milieunormen van de EU, korte toeleveringsketens en regelingen voor kwaliteitsproductie verder te bevorderen, wat zou kunnen worden bereikt door middel van Europese regelingen voor oorsprongsetikettering, en door op de interne markt en de markten van derde landen maatregelen te nemen op het gebied van marketing en promotie voor sectoren die onder specifieke beleidsinstrumenten binnen het GLB vallen; dringt erop aan de administratieve lasten en overbodige voorwaarden te beperken om ook kleinere producenten de mogelijkheid te bieden aan deze regelingen deel te nemen; is verheugd over de gestage toename van de beschikbare begroting voor programma's voor afzetbevordering, en verzoekt de Commissie dringend om de stijgende lijn van de toewijzingen vast te houden vanwege de toenemende belangstelling van producenten;

161.  wijst op het belang van korte lokale en regionale toeleveringsketens, die vanuit milieuoogpunt duurzamer zijn omdat zij minder vervoer vereisen en derhalve minder vervuilen, terwijl de landbouwproducten verser en beter traceerbaar zijn;

162.  herinnert eraan hoe belangrijk het is om lokale landbouwers aan te sporen hun positie in de waardeketen te verbeteren door hen hulp en ondersteuning te bieden op het gebied van biologische producten en producten met toegevoegde waarde en op het gebied van nieuwe kennis en technologieën, aangezien duurzaamheid niet kan worden bereikt zonder directe maatregelen om natuurlijke hulpbronnen te behouden, te beschermen en te bevorderen;

163.  herinnert eraan dat lokale productie ook bevorderlijk is voor de lokale voedingscultuur en economie;

164.  benadrukt dat de focus in de landbouw van de toekomst zou moeten liggen op het produceren van voedsel van hoge kwaliteit, aangezien dat het terrein is waar het concurrentievoordeel van de EU ligt; onderstreept dat de EU-normen moeten worden gehandhaafd en aangescherpt waar dat haalbaar is; dringt aan op maatregelen om de productiviteit op de lange termijn en het concurrentievermogen van de levensmiddelensector verder te vergroten en om nieuwe technologieën in te voeren alsmede een efficiënter gebruik van hulpbronnen te bewerkstelligen, om aldus de rol van de EU als wereldleider te versterken;

165.  acht het onaanvaardbaar dat er kwaliteitsverschillen bestaan tussen op de interne markt verhandelde en via reclame aangeprezen producten die onder dezelfde merknaam en met dezelfde verpakking worden verkocht; verwelkomt de inspanningen van de Commissie om het probleem van tweeërlei kwaliteit van levensmiddelen op de interne markt aan te pakken, waaronder haar werkzaamheden voor een gemeenschappelijke testmethode;

166.  is ingenomen met de geboekte vooruitgang bij de bevordering van de Europese landbouwbelangen in de recente bilaterale handelsbesprekingen, met name wat betreft markttoegang voor hoogwaardige Europese agrovoedingsproducten en de bescherming van geografische aanduidingen in derde landen; vertrouwt erop dat deze tendens kan worden voortgezet en nog verder kan worden verbeterd;

Een transparant besluitvormingsproces voor een degelijk voorstel betreffende het GLB 2021-2028

167.  benadrukt dat het Parlement en de Raad via de medebeslissingsprocedure de algemene gemeenschappelijke doelstellingen, basisnormen, maatregelen en financiële toewijzingen moeten vastleggen en de passende mate van flexibiliteit moeten bepalen die nodig is om de lidstaten en hun regio's in staat te stellen in overeenstemming met de interne markt in te spelen op hun eigen specifieke kenmerken en behoeften om verstoringen van de mededinging die voortvloeien uit nationale keuzes te voorkomen;

168.  betreurt dat het hele proces van de programmering van het GLB voor de periode na 2020 – raadpleging, communicatie, effectbeoordeling en wetgevingsvoorstellen – andermaal met aanzienlijke vertraging van start gaat met het einde van de achtste zittingsperiode reeds in zicht, waardoor het debat over het toekomstige GLB dreigt te worden overschaduwd door verkiezingsdebatten en het moeilijk wordt om nog voor de Europese verkiezingen een definitief akkoord te bereiken;

169.  verzoekt de Commissie een overgangsverordening in te voeren waarmee het voor landbouwers mogelijk is om, bij vertraging van de aanneming van het GLB, toegang te behouden tot maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's, met name milieu- en investeringsmaatregelen;

170.  roept de lidstaten op er bij de uitvoering van de nieuwe hervorming voor te zorgen dat de uitbetaling aan landbouwers geen vertraging oploopt, en hun verantwoordelijkheid te nemen en landbouwers naar behoren te vergoeden als zich vertragingen voordoen;

171.  onderstreept evenwel dat voor het eind van de huidige mandaatsperiode zoveel mogelijk vooruitgang moet worden geboekt en dit thema aan bod moet komen tijdens de verkiezingscampagne voor het Europees Parlement;

172.  erkent dat het van belang is om bij het GLB-besluitvormingsproces instellingen en deskundigen te betrekken die verantwoordelijk zijn voor het gezondheids- en milieubeleid dat gevolgen heeft voor de biodiversiteit, de klimaatverandering en de lucht-, bodem- en waterverontreiniging;

173.  verzoekt de Commissie om de invoering van wezenlijke veranderingen in het ontwerp en/of de toepassing van het GLB te laten voorafgaan door een overgangsperiode die lang genoeg is om een zachte landing te waarborgen die de lidstaten de tijd geeft om het nieuwe beleid op goede en ordelijke wijze uit te voeren om te vermijden dat er vertragingen ontstaan in verband met de jaarlijkse betalingen voor landbouwers en de uitvoering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling;

174.  verzoekt de EU en haar lidstaten de dialoog met ontwikkelingslanden te versterken en hun expertise en financiële steun in te zetten ter bevordering van op kleinschalige en familiale landbouw gebaseerde duurzame landbouw, met vrouwen en jongeren als voornaamste doelgroep, overeenkomstig de toezegging die is gedaan in de verklaring getiteld "Investing in Youth for Accelerated Inclusive Growth and Sustainable Development" ("Investeren in de jeugd voor inclusieve groei en duurzame ontwikkeling"), die is uitgegeven tijdens de top tussen de Afrikaanse Unie en de Europese Unie van 2017; herinnert aan de bijdrage van vrouwen in plattelandsgebieden als ondernemers en bevorderaars van duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is dat zij hun potentieel op het gebied van duurzame landbouw en hun weerstandsvermogen in plattelandsgebieden ontwikkelen;

175.  herinnert eraan dat honger en ondervoeding in ontwikkelingslanden grotendeels in verband staan met een ontoereikende koopkracht en/of het onvermogen van arme plattelandsgebieden om zelfvoorzienend te zijn; verzoekt de EU dan ook dringend om ontwikkelingslanden actief te helpen bij het wegnemen van problemen die de productie van eigen landbouwgoederen in de weg staan (zoals slechte infrastructuur en gebrekkige logistiek);

176.  onderstreept dat in 2050 meer dan de helft van de bevolking van de minst ontwikkelde landen nog steeds op het platteland zal leven en dat de ontwikkeling van een duurzame landbouw in ontwikkelingslanden zal helpen om het potentieel van hun plattelandsgemeenschappen te benutten, ontvolking van het platteland tegen te gaan en de ondertewerkstelling, armoede en voedselonzekerheid te verminderen, hetgeen zal bijdragen tot de bestrijding van de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie;

177.  erkent de cruciale rol die ruimtevaarttechnologieën, zoals de technologieën die zijn ontwikkeld binnen de door het Europees GNSS-Agentschap beheerde ruimtevaart- en satellietprogramma's van de EU (Galileo, Egnos en Copernicus), bij de verwezenlijking van de SDG's van de VN kunnen spelen, aangezien deze technologieën betaalbare oplossingen bieden om gemakkelijker over te stappen op precisielandbouw, waarmee afval kan worden uitgebannen, tijd kan worden bespaard, de uitputting van grond kan worden beperkt en middelen optimaal kunnen worden ingezet;

178.  verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe technologieën en toepassingen in dienst van de ruimtevaart en het mondiale partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking kunnen worden ingezet voor het monitoren van gewassen, vee, bosbouw, visserijen en aquacultuur, en voor het ondersteunen van landbouwers, vissers, bosbouwers en beleidsmakers bij het ontwikkelen van diverse methoden ten behoeve van duurzame voedselproductie en bij het inspelen op de hieraan gerelateerde uitdagingen;

179.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in plattelandsgebieden waarborgen in hun actieplannen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in de structuren van de instellingen voor dialoog met de sector te ondersteunen, evenals in de besluitvormingsorganen van de beroepsorganisaties, coöperaties en verenigingen van de sector; is van mening dat de nieuwe EU-wetgeving de thematische subprogramma's voor vrouwen in plattelandsgebieden aanzienlijk moet verbeteren;

180.  benadrukt dat de Commissie de strikte handhaving van EU-wetgeving inzake dierenwelzijn te allen tijde en in alle lidstaten op dezelfde manier moet garanderen, met passende controles en sancties; verzoekt de Commissie om diergezondheid en dierenwelzijn, met inbegrip van het vervoer van dieren, te monitoren en hierover verslag uit te brengen; herinnert eraan dat producten die de EU binnenkomen, moeten voldoen aan de Europese dierenwelzijns-, milieu- en sociale normen; vraagt om financiële stimulansen voor de vrijwillige invoering van maatregelen op het gebied van dierenwelzijn die verder gaan dan de minimale wettelijke normen;

181.  dringt erop aan dat de Commissie relevante EU-wetgeving implementeert en handhaaft, in het bijzonder Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer; acht het in dit verband noodzakelijk dat gevolg wordt gegeven aan de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU dat bescherming van dierenwelzijn niet ophoudt aan de EU-buitengrenzen en dat transporteurs van dieren die vanuit de Europese Unie vertrekken, zich daarom ook buiten de EU aan de Europese regels voor dierenwelzijn moeten houden;

182.  dringt erop aan dat landbouwers die extra kosten maken wegens specifieke beperkingen in verband met de hoge natuurwaarde van gebieden zoals berggebieden, eilanden, ultraperifere gebieden en andere achtergestelde gebieden, speciale aandacht zouden moeten krijgen; is van mening dat voor deze regio's, vanwege hun specifieke beperkingen, GLB-financiering van essentieel belang is en dat bezuinigingen zeer schadelijke gevolgen zouden hebben voor veel landbouwproducten; spoort de lidstaten aan om kwaliteitsregelingen te ontwikkelen en in te voeren om geïnteresseerde producenten de mogelijkheid te bieden deze snel te gaan gebruiken;

183.  is van mening dat de begroting van Posei moet worden gehandhaafd op een niveau dat toereikend is om de uitdagingen op het gebied van landbouw in de ultraperifere gebieden het hoofd te kunnen bieden, zoals al meerdere malen door het Europees Parlement is gevraagd; toont zich verheugd over het meest recente verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Posei en is van mening dat programma's voor de ultraperifere gebieden en de programma's voor de kleine Egeïsche eilanden gescheiden moeten worden gehouden van de algemene regeling van de EU voor rechtstreekse betalingen, om een evenwichtige territoriale ontwikkeling te waarborgen, omdat hiermee het risico wordt voorkomen dat de productie wordt gestaakt wegens problemen die voortvloeien uit afgelegenheid, isolement, geringe omvang, moeilijke topografische omstandigheden of klimaat of uit economische afhankelijkheid van een gering aantal producten;

184.  verzoekt de Commissie om binnen het melkmarktobservatorium een aparte afdeling op te zetten voor de bestudering van de prijzen in de ultraperifere gebieden om snel te kunnen reageren wanneer zich een crisis in de sector voordoet; is van mening dat de definitie van "crisis" en de daaropvolgende maatregelen van de Commissie moeten worden aangepast aan de ultraperifere gebieden, gezien de omvang van de markt, de afhankelijkheid van een beperkt aantal economische activiteiten en de beperktere capaciteit voor diversificatie;

185.  dringt aan op een betere integratie van de "circulaire economie" om te zorgen voor het best en meest efficiënt mogelijke gebruik van primaire grondstoffen en bijproducten in de opkomende bio-economie, met inachtneming van de beperkte beschikbaarheid van biomassa, land en andere ecosysteemdiensten, en is van mening dat de ontwikkeling van bio-industrie in plattelandsgebieden tot nieuwe bedrijfsmodellen zou kunnen leiden die landbouwers en boseigenaren kunnen helpen om nieuwe markten voor hun producten te vinden en nieuwe banen te scheppen; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom de nodige steun te geven aan de land- en bosbouw, met het oog op een grotere bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de bio-economie in de EU; benadrukt dat de agrobosbouw, die veelzijdige recreatieve en productieve ecosystemen en microklimaten kan bieden, moet worden bevorderd en dat de lacunes die de ontwikkeling ervan zouden kunnen belemmeren moeten worden aangepakt;

186.  is van mening dat ondersteuning via agromilieu- en klimaatmaatregelen, aangevuld door ecoregelingen op het niveau van lidstaten, de kosten voor landbouwers om over te schakelen naar nieuwe duurzame praktijken moet dekken, bijvoorbeeld via bevordering en ondersteuning van agrobosbouw en andere duurzame maatregelen voor de bosbouw die biodiversiteit en genetische diversiteit in dieren- en plantensoorten ondersteunen, alsook de kosten van de aanpassing aan veranderende klimaatomstandigheden;

187.  verzoekt de Commissie om innovatie, onderzoek en modernisering op het gebied van agrobosbouw en bosbouw te garanderen door een krachtig en op deze sectoren toegesneden adviesstelsel, gerichte opleiding en maatoplossingen te ondersteunen teneinde innovatie en de uitwisseling van knowhow en beste praktijken tussen lidstaten te stimuleren, waarbij in het algemeen de nadruk moet liggen op nieuwe technologieën en digitalisering; onderstreept tegelijkertijd de cruciale rol van verenigingen van boseigenaren voor de overdracht van informatie en innovatie, de opleiding en nascholing van kleine boseigenaren en de tenuitvoerlegging van actief multifunctioneel bosbeheer;

o
o   o

188.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15.
(2) PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.
(3) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0022.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0203.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0095.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0057.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0197.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0099.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0504.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0427.
(13) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 62.
(14) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 7.
(15) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 10.
(16) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 10.


Uitlegging en tenuitvoerlegging van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven"
PDF 201kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over de interpretatie en tenuitvoerlegging van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" (2016/2018(INI))
P8_TA(2018)0225A8-0170/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–   gezien artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(1) ("het nieuwe IIA"),

–  gezien het Kaderakkoord van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(2) ("het Kaderakkoord van 2010"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven(3) ("het IIA van 2003"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(4),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 22 december 1998 betreffende de gemeenschappelijke richtsnoeren voor de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving(5),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(6),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 13 juni 2007 over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure(7),

–  gezien de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken(8),

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2017(9),

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2018-2019(10),

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 maart 2014 ("de biocidenzaak"), van 16 juli 2015 ("de visumwederkerigheidszaak"), van 17 maart 2016 ("de zaak-gedelegeerde handelingen in het kader van de CEF"), van 14 juni 2016 ("de zaak-Tanzania") en van 24 juni 2014 ("de zaak-Mauritius")(11),

–  gezien zijn besluit van 13 december 2016 over de algemene herziening van het Reglement van het Europees Parlement(12),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten(13),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de strategische prioriteiten met betrekking tot het werkprogramma van de Commissie voor 2017(14),

–  gezien zijn besluit van 9 maart 2016 over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(15),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(16),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(17),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(18),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over het achttiende verslag "De wetgeving verbeteren" – Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (2010)(19),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving(20),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over het garanderen van onafhankelijke effectbeoordelingen(21),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017, getiteld "Voltooiing van de agenda voor betere regelgeving: betere oplossingen voor betere resultaten" (COM(2017)0651),

–  gezien artikel 294 VWEU over de medebeslissingsprocedure,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 oktober 2017 getiteld "Overview of the Union's Efforts to Simplify and to Reduce Regulatory Burdens" (Overzicht van de inspanningen van de Unie om de regeldruk te vereenvoudigen en te beperken) (SWD(2017)0675),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2016 getiteld "EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing"(22),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Betere regelgeving: betere resultaten voor een sterkere Unie" (COM(2016)0615),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 mei 2015 getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten – Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 7 juli 2017 getiteld "Better Regulation Guidelines" (Richtsnoeren voor betere regelgeving) (SWD(2017)0350),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie juridische zaken en de Commissie constitutionele zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie verzoekschriften (A8-0170/2018),

A.  overwegende dat het nieuwe IIA in werking is getreden op 13 april 2016, de dag van de ondertekening van het akkoord;

B.  overwegende dat het Parlement en de Commissie naar aanleiding van de aanneming van het nieuwe IIA een verklaring hebben afgelegd waarin zij bevestigen dat het nieuwe akkoord "het evenwicht tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en hun respectieve bevoegdheden zoals neergelegd in de Verdragen [weerspiegelt]" en "geen afbreuk [doet] aan het Kaderakkoord van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie"(23);

C.  overwegende dat het Parlement, om de bepalingen van het nieuwe IIA over interinstitutionele programmering ten uitvoer te leggen, zijn Reglement heeft herzien, onder meer om interne procedures te bepalen voor onderhandeling over en aanneming van gezamenlijke conclusies met betrekking tot meerjarige programmering en gezamenlijke verklaringen met betrekking tot jaarlijkse interinstitutionele programmering;

D.  overwegende dat de drie instellingen het in het kader van de jaarlijkse interinstitutionele programmering eens zijn geworden over twee gezamenlijke verklaringen over de wetgevingsprioriteiten van de EU, respectievelijk voor 2017 en 2018-2019;

E.  overwegende dat het nieuwe IIA, in tegenstelling tot het IIA van 2003, geen rechtskader bevat voor het gebruik van alternatieve regelgevingsmethoden, zoals coregulering en zelfregulering, met als gevolg dat verwijzingen naar dergelijke methoden volledig ontbreken;

F.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van punt 13 van het nieuwe IIA op zo breed mogelijke schaal overleg moet voeren in het kader van haar eigen effectbeoordelingsprocedure; overwegende dat de Commissie op soortgelijke wijze uit hoofde van punt 19 van het nieuwe IIA op open en transparante wijze raadplegingen van het publiek moet houden, voorafgaand aan de vaststelling van een voorstel en niet erna, en daarbij moet verzekeren dat de wijze van uitvoering en de termijnen van deze raadplegingen van het publiek voor een zo breed mogelijke deelneming zorgen die niet beperkt blijft tot gevestigde belangen en de lobbyisten van deze belangen;

G.  overwegende dat de Commissie in juli 2017 haar richtsnoeren voor betere regelgeving heeft herzien met als doel hieraan een nieuwe leidraad over planning en raadpleging van betrokken partijen toe te voegen en de verbanden tussen de verschillende stappen van beleidsvorming binnen de Commissie te verduidelijken en beter te benutten, in plaats van de vroegere, op zichzelf staande richtsnoeren, waarin effectbeoordeling, evaluatie en tenuitvoerlegging afzonderlijk werden aangepakt;

H.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van punt 16 van het nieuwe IIA op eigen initiatief of op verzoek van het Parlement of de Raad haar eigen effectbeoordeling kan aanvullen of verdere, door haar noodzakelijke geachte analyses kan verrichten;

I.  overwegende dat in het nieuwe IIA is besloten dat de vroegere Effectbeoordelingsraad wordt vervangen door de Raad voor regelgevingstoetsing van de Commissie; overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing onder meer als taak heeft een objectieve kwaliteitscontrole van de effectbeoordelingen van de Commissie uit te voeren; overwegende dat een positief advies van de Raad voor regelgevingstoetsing nodig is om een initiatief, vergezeld van een effectbeoordeling, door de Commissie te laten goedkeuren; overwegende dat het ontwerpverslag bij een negatief advies moet worden herzien en opnieuw bij de Raad voor regelgevingstoetsing moet worden ingediend, en dat er in het geval van een tweede negatief advies een politiek besluit nodig is om door te gaan met het initiatief; overwegende dat het advies van de Raad voor regelgevingstoetsing samen met het verslag over het betreffende initiatief publiek moet worden gemaakt op de website van de Commissie, en, in het geval van effectbeoordelingen, zodra de Commissie het betreffende beleidsinitiatief heeft goedgekeurd(24);

J.  overwegende dat de aanwerving van personeel voor de Raad voor regelgevingstoetsing begin 2017 voltooid werd, en dat daarbij drie leden van buiten de EU-instellingen werden aangenomen; overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing in 2016 60 afzonderlijke effectbeoordelingen heeft onderzocht, waarvan er 25 (42 %) initieel een negatief oordeel kregen, waarna ze werden herzien en opnieuw werden ingediend bij de raad; overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing daarna alle ontvangen herziene effectbeoordelingen, op één na, een algemene positieve beoordeling heeft gegeven; overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing informatie heeft uitgewisseld met de diensten van het Parlement over beste praktijken en methoden met betrekking tot effectbeoordelingen;

K.  overwegende dat de drie instellingen uit hoofde van punt 25 van het nieuwe IIA van gedachten moeten wisselen over een beoogde wijziging van de rechtsgrondslag, wanneer die tot gevolg heeft dat in de plaats van de gewone wetgevingsprocedure een bijzondere wetgevingsprocedure of een niet-wetgevingsprocedure wordt toegepast; overwegende dat het Parlement zijn Reglement heeft herzien om hieraan gevolg te geven; overwegende dat deze bepaling tot op heden nog niet moest worden toegepast;

L.  overwegende dat de drie instellingen in punt 27 van het nieuwe IIA de noodzaak erkennen om alle bestaande wetgeving aan te passen aan het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde rechtskader, en met name de noodzaak om hoge prioriteit te verlenen aan de snelle aanpassing van alle basishandelingen die nog verwijzen naar de regelgevingsprocedure met toetsing (RPT); overwegende dat de Commissie deze aanpassing in december 2016 heeft voorgesteld(25); overwegende dat het Parlement en de Raad dit voorstel momenteel zeer nauwkeurig onderzoeken;

M.  overwegende dat een nieuwe versie van het Gezamenlijk Akkoord over gedelegeerde handelingen en over de daarmee verband houdende standaardbepalingen is opgenomen in een bijlage bij het nieuwe IIA; overwegende dat de drie instellingen uit hoofde van punt 28 van het nieuwe IIA onverwijld onderhandelingen moeten aangaan na de inwerkingtreding van dit akkoord om het Gezamenlijk Akkoord aan te vullen met niet-bindende criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU; overwegende dat deze onderhandelingen in september 2017, na een lange periode van voorbereiding, eindelijk van start zijn gegaan;

N.  overwegende dat de drie instellingen zich er uit hoofde van punt 29 van het nieuwe IIA toe moeten verbinden om uiterlijk eind 2017 een gemeenschappelijk functioneel register van gedelegeerde handelingen in te stellen dat op een gestructureerde en gebruiksvriendelijke manier informatie verstrekt teneinde de transparantie te bevorderen, de planning te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat alle onderscheiden stadia van de levenscyclus van een gedelegeerde handeling traceerbaar zijn; overwegende dat dit register ondertussen is opgezet en in december 2017 in gebruik is genomen;

O.  overwegende dat in punt 32 van het IIA is bepaald dat "de Commissie [...] haar faciliterende rol uit[oefent] door de twee takken van de wetgevende autoriteit gelijk te behandelen, met volledige inachtneming van de rollen die in de Verdragen aan de drie instellingen zijn toebedeeld";

P.  overwegende dat het Parlement en de Raad in hun hoedanigheid van medewetgevers in punt 34 van het nieuwe IIA benadrukken dat het belangrijk is om nog voor de aanvang van de interinstitutionele onderhandelingen nauwe contacten te onderhouden zodat zij elkaars standpunten beter begrijpen, en dat zij daartoe overeen zijn gekomen om de wederzijdse uitwisseling van gedachten en informatie te faciliteren, onder meer door de vertegenwoordigers van de andere instellingen regelmatig uit te nodigen voor informele gedachtewisselingen; overwegende dat deze bepalingen niet hebben geleid tot nieuwe specifieke procedures of structuren; overwegende dat het contact tussen de instellingen in het kader van de gezamenlijke verklaring over wetgevingsprioriteiten weliswaar is geïntensiveerd, maar dat de ervaring van de commissies erop lijkt te wijzen dat er geen sprake is van een systematische aanpak om een wederzijdse gedachtewisseling te faciliteren, en dat het moeilijk blijft om informatie en feedback van de Raad te krijgen over kwesties die de lidstaten binnen de Raad hebben aangekaart; overwegende dat het Parlement van oordeel is dat deze situatie sterk te wensen overlaat;

Q.  overwegende dat het Parlement met het oog op een nog grotere transparantie van de wetgevingsprocedure zijn Reglement heeft herzien om de regels voor interinstitutionele onderhandelingen in de gewone wetgevingsprocedure aan te passen, voortbouwend op de in 2012 ingevoerde bepalingen; overwegende dat alle onderhandelingsmandaten van het Parlement openbaar zijn, maar dat dit niet geldt voor de mandaten van de Raad; overwegende dat het Parlement van oordeel is dat deze situatie sterk te wensen overlaat;

R.  overwegende dat in punt 39 van het nieuwe IIA wordt verklaard dat de drie instellingen, om de traceerbaarheid van de diverse stappen in het wetgevingsproces te bevorderen, zich ertoe verbinden om uiterlijk 31 december 2016 aan te geven hoe daartoe verder platforms en instrumenten kunnen worden ontwikkeld, zodat een specifieke gezamenlijke database over de stand van zaken van wetgevingsdossiers kan worden aangemaakt; overwegende dat deze gezamenlijke database tot op heden nog niet tot stand is gebracht;

S.  overwegende dat de drie instellingen zich er in punt 40 van het nieuwe IIA, met betrekking tot het onderhandelen over en het sluiten van internationale overeenkomsten, toe verbinden om binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het nieuwe IIA bijeen te komen om te onderhandelen over verbeterde praktische regelingen voor samenwerking en informatiedeling in het kader van de Verdragen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU); overwegende dat deze onderhandelingen in november 2016 van start zijn gegaan en nog lopende zijn;

T.  overwegende dat samenwerking op het gebied van regelgeving is uitgegroeid tot een zeer belangrijk instrument in internationale handelsovereenkomsten om te komen tot een regelgevingsdialoog en -coherentie tussen de handelspartners; overwegende dat de Commissie zich tijdens dit proces moet blijven inzetten voor de eerbiediging van de beginselen van een eerlijk en gelijk speelveld voor alle betrokken partijen en bovendien moet blijven zorgen voor een maximale transparantie van de besluitvorming;

U.  overwegende dat de drie instellingen in punt 46 van het nieuwe IIA bevestigen dat zij zich ertoe verbinden vaker gebruik te maken van de wetgevingstechniek van herschikking voor het wijzigen van bestaande wetgeving, met volledige inachtneming van het Interinstitutionele Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten;

V.  overwegende dat de Commissie zich er uit hoofde van punt 48 van het nieuwe IIA, als bijdrage aan haar programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT), toe verbindt jaarlijks een overzicht te presenteren, waaronder een jaarlijks lastenoverzicht, van de resultaten die de Unie heeft geboekt bij het vereenvoudigen van wetgeving, het vermijden van overregulering en het verminderen van administratieve lasten; overwegende dat de resultaten van het eerste jaarlijkse lastenoverzicht op 24 oktober 2017 werden gepresenteerd in het kader van het werkprogramma van de Commissie voor 2018;

W.  overwegende dat het jaarlijkse lastenoverzicht een unieke gelegenheid biedt om na te gaan wat de resultaten zijn van de inspanningen van de EU om overregulering te vermijden en administratieve lasten te verminderen, en daar verder op toe te zien; overwegende dat het jaarlijkse lastenoverzicht een uitstekende gelegenheid biedt om de meerwaarde van EU-wetgeving aan te tonen en de EU-burgers transparantie te bieden;

X.  overwegende dat in het nieuwe IIA wordt opgeroepen tot interinstitutionele samenwerking met het oog op de vereenvoudiging van de bestaande Uniewetgeving en het vermijden van overregulering en administratieve lasten voor burgers, overheidsdiensten en bedrijven; overwegende dat het Parlement wenst te benadrukken dat deze doelstellingen in het geval van internationale handelsovereenkomsten niet mogen leiden tot afzwakking van de normen ter bescherming van het milieu, de volksgezondheid, de gezondheid van werknemers, de veiligheid, de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie en de rechten van de consument;

Y.  overwegende dat de drie instellingen uit hoofde van punt 50 van het nieuwe IIA gezamenlijk en regelmatig de uitvoering van het nieuwe IIA monitoren, zowel op politiek niveau door middel van jaarlijkse besprekingen als op technisch niveau in de interinstitutionele coördinatiegroep; overwegende dat monitoring op politiek niveau regelmatige besprekingen in de Conferentie van commissievoorzitters en de jaarlijkse evaluatievergadering op hoog niveau omvat; overwegende dat er bovendien specifieke afspraken over monitoring zijn vastgelegd in het kader van de gezamenlijke verklaringen over de wetgevingsprioriteiten van de EU voor respectievelijk 2017 en 2018-2019; overwegende dat de ervaring die de commissies tot dusver hebben opgedaan van onschatbare waarde is voor de beoordeling van de tenuitvoerlegging van het nieuwe IIA; overwegende dat de Commissie juridische zaken specifiek bevoegd is voor beter wetgeven en de vereenvoudiging van het recht van de Unie;

Gemeenschappelijke verbintenissen en doelstellingen

1.  beschouwt het nieuwe IIA als een interinstitutionele oefening die erop gericht is de kwaliteit van de Uniewetgeving te verbeteren; herinnert eraan dat de EU-wetgeving in veel gevallen zorgt voor harmonisering van de verschillende regels in de 28 lidstaten, of deze vervangt, waardoor nationale markten wederzijds en voor iedereen in gelijke mate toegankelijk worden en de totale administratieve kosten afnemen om een volledig functionele interne markt tot stand te brengen;

2.  is blij met de geboekte vooruitgang en de opgedane ervaring tijdens het eerste anderhalf jaar van de toepassing van het nieuwe IIA en moedigt de instellingen aan om verdere inspanningen te leveren om het akkoord volledig ten uitvoer te leggen, vooral met betrekking tot de interinstitutionele onderhandelingen over niet-bindende criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU, de aanpassing van alle basishandelingen die nog verwijzen naar de RPT, de interinstitutionele onderhandelingen over praktische regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling met betrekking tot het onderhandelen over en het sluiten van internationale overeenkomsten, en de oprichting van een specifieke gezamenlijke database over de stand van zaken van wetgevingsdossiers;

3.  herinnert eraan dat het nieuwe IIA tot doel heeft een meer open en transparante relatie tussen de drie instellingen te ontwikkelen, met het oog op een kwalitatief hoogstaande wetgeving in het belang van de EU-burgers; is van oordeel dat het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen gedurende de volledige wetgevingscyclus moet worden nageleefd als een van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 13 VEU, ook al komt het in het nieuwe IIA alleen aan bod in punt 9 en punt 32 met betrekking tot specifieke gebieden;

Programmering

4.  is ingenomen met de overeenkomst van de drie instellingen om de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie te versterken overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU, door middel van een meer gestructureerde procedure met een precieze tijdlijn; stelt met tevredenheid vast dat de drie instellingen actief hebben deelgenomen aan de eerste interinstitutionele jaarlijkse programmering volgens het nieuwe IIA, en dat dit heeft geleid tot een gezamenlijke verklaring over de wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2017, met 59 centrale wetgevingsvoorstellen die als prioriteiten voor 2017 werden aangemerkt, en, naar aanleiding van een gezamenlijke verklaring over de wetgevingsprioriteiten voor 2018-2019, 31 centrale wetgevingsvoorstellen die als prioriteiten werden aangemerkt tot het einde van de huidige mandaatperiode; is in dit verband bijzonder ingenomen met de actieve betrokkenheid van de Raad en vertrouwt erop dat dit in de toekomst zo zal blijven, ook met betrekking tot de meerjarige programmering voor de volgende mandaatperiode; is echter van mening dat de prioritaire behandeling van bepaalde wetgevingsdossiers waarover in gezamenlijke verklaringen een akkoord is bereikt, niet mag worden gebruikt om onnodige druk uit te oefenen op de medewetgevers, en dat een grotere snelheid niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de wetgeving; acht het van belang te evalueren hoe de huidige praktijken en regels voor de goedkeuring van gezamenlijke verklaringen worden toegepast en of er geen verbeteringen kunnen worden aangebracht in het Reglement van het Parlement met betrekking tot de onderhandelingen over interinstitutionele programmering, bijvoorbeeld ter versterking van het mandaat dat de fracties de Voorzitter toekennen;

5.  acht het cruciaal dat de parlementaire commissies uitvoerig worden geraadpleegd tijdens het volledige voorbereidings- en uitvoeringsproces van de gezamenlijke verklaring;

6.  wijst erop dat het nieuwe IIA geen afbreuk doet aan de wederzijdse verbintenissen die het Parlement en de Commissie in het Kaderakkoord van 2010 overeen zijn gekomen; herinnert er in het bijzonder aan dat de regelingen met betrekking tot het tijdschema voor het werkprogramma van de Commissie, vastgelegd in bijlage 4 bij het Kaderakkoord van 2010, moeten worden nageleefd bij de toepassing van de punten 6 tot en met 11 van het nieuwe IIA;

7.  is van oordeel dat de Commissie bij de presentatie van haar werkprogramma naast de elementen waar in punt 8 van het nieuwe IIA naar wordt verwezen, moet aangeven hoe de voorgenomen wetgeving gerechtvaardigd is in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en moet verduidelijken wat de Europese meerwaarde ervan is;

8.  is verheugd over de instelling van de taskforce subsidiariteit, evenredigheid en "minder, maar efficiënter" van de Commissie, die aan de hand van het nieuwe IIA moet zorgen voor een toenemend vertrouwen bij burgers die het subsidiariteitsbeginsel als een essentieel onderdeel van het democratisch proces beschouwen;

9.  verzoekt de Commissie meer inclusieve, gedetailleerde en betrouwbare werkprogramma's te presenteren; vraagt in het bijzonder dat de Commissie in haar werkprogramma's duidelijk de juridische aard van elke voorstel aangeeft en nauwkeurige en realistische termijnen opneemt; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige wetgevingsvoorstellen – met name de voornaamste wetgevingspakketten – ruim voor het einde van de huidige zittingsperiode verschijnen, zodat de medewetgevers genoeg tijd hebben om hun prerogatieven ten volle uit te oefenen;

10.  moedigt de ontwikkeling aan van een efficiënte wetgeving die gericht is op een betere bescherming van werkgelegenheid en een verdere ontwikkeling van het Europees concurrentievermogen, met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen, in alle sectoren van de economie;

11.  is verheugd dat de Commissie heeft gereageerd op de verzoeken om voorstellen voor Uniehandelingen die het Parlement overeenkomstig artikel 225 VWEU heeft gedaan, voor het grootste deel binnen de termijn van drie maanden waar in punt 10 van het nieuwe IIA naar wordt verwezen; wijst er echter op dat de Commissie geen specifieke mededelingen heeft aangenomen in de zin van die bepaling; verzoekt de Commissie deze mededelingen aan te nemen om volledige transparantie te verzekeren en een politiek antwoord te geven op de verzoeken die het Parlement in zijn resoluties formuleert, met inachtneming van de desbetreffende analyses van het Parlement in verband met de Europese meerwaarde en de "kosten van geen Europa";

12.  onderstreept het belang van transparante samenwerking in goed vertrouwen tussen het Parlement, de Raad en de Commissie, hetgeen zich in de praktijk moet vertalen in een daadwerkelijke bereidheid bij de Commissie om het Parlement en de Raad op voet van gelijkheid te betrekken bij de tenuitvoerlegging van haar programmeringsregelingen, en herinnert de Commissie eraan dat zij verplicht is snel op wetgevende en niet-wetgevende initiatiefverslagen te reageren; betreurt dat op meerdere initiatiefverslagen niet is gereageerd, en verzoekt de Commissie de medewetgevers binnen drie maanden op de hoogte te brengen van de redenen voor de intrekking van een tekst en daarnaast een met redenen omkleed antwoord te formuleren op verzoeken om wetgevings- of niet-wetgevingsvoorstellen;

13.  is van mening dat het schrappen van alle verwijzingen naar het gebruik van alternatieve regelgevingsmethoden in het nieuwe IIA geen afbreuk doet aan het standpunt van het Parlement dat "soft law"-instrumenten slechts uiterst behoedzaam en onder opgave van redenen mogen worden gehanteerd, zonder daarbij de rechtszekerheid en de duidelijkheid van de bestaande rechtsregels te schaden, en wel na raadpleging van het Parlement(26); is daarom bezorgd dat het ontbreken van duidelijke grenzen voor het gebruik van "soft law" zelfs het gebruik ervan kan aanmoedigen, zonder enige zekerheid dat het Parlement controle zou kunnen uitoefenen;

14.  vraagt de Raad en de Commissie ermee in te stemmen dat alternatieve regelgevingsmethoden – mits deze strikt noodzakelijk zijn – moeten worden opgenomen in de documenten met betrekking tot meerjarige en jaarlijkse programmering, teneinde correcte identificatie en controle door de wetgevers mogelijk te maken;

Instrumenten voor beter wetgeven

15.  onderstreept dat effectbeoordelingen een bron van informatie kunnen zijn voor, maar nooit in de plaats mogen komen van politieke besluiten, en geen onnodige vertragingen in het wetgevingsproces mogen veroorzaken; benadrukt dat in het volledige wetgevingsproces en in alle effectbeoordelingen met betrekking tot voorgestelde wetgeving bijzondere aandacht moet worden besteed aan de mogelijke gevolgen voor de belanghebbende partijen die het minst in de gelegenheid zijn om hun bezorgdheden aan de besluitvormers te presenteren, waaronder kmo's, het maatschappelijk middenveld, vakbonden en andere partijen die niet het voordeel van vlotte toegang tot de instellingen hebben; is van mening dat effectbeoordelingen evenveel aandacht moeten besteden aan beoordeling van met name sociale, gezondheids- en milieueffecten en dat ook de effecten op de grondrechten van burgers en de gelijkheid van vrouwen en mannen moeten worden beoordeeld;

16.  wijst erop dat kmo's 99 % van alle ondernemingen in de EU vertegenwoordigen, 58 % van de omzet in de EU genereren en voor twee derde van alle werkgelegenheid in de particuliere sector zorgen; wijst er voorts op dat de Commissie in de "Small Business Act" de toezegging heeft gedaan het principe "denk eerst klein" toe te passen op haar beleidsvorming, en dat dit ook betrekking heeft op de kmo-test om de effecten van op stapel staande wetgeving en administratieve initiatieven op kmo's te beoordelen(27); herinnert eraan dat het Parlement in zijn besluit van 9 maart 2016 over het nieuwe IIA heeft verklaard dat de formulering in het nieuwe IIA de drie instellingen er onvoldoende toe verplicht in hun effectbeoordelingen ook aandacht te schenken aan kmo's en concurrentievermogenstests(28); benadrukt dat in alle fasen van de wetgevingscyclus rekening moet worden gehouden met en aandacht moet worden besteed aan de effecten op het concurrentievermogen, op innovatie en op de behoeften van kmo's; toont zich tevreden dat in de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie is bepaald dat potentiële effecten op kmo's en op het concurrentievermogen in voorkomend geval systematisch in alle effectbeoordelingen moeten worden onderzocht en gerapporteerd; wijst erop dat de kwaliteit en coherente toepassing van kmo-tests dikwijls te wensen overlaat; moedigt de Commissie aan om na te gaan hoe nog meer rekening kan worden gehouden met de gevolgen voor kmo's en is voornemens deze kwestie de komende jaren op de voet te volgen;

17.  dringt er in de context van beter wetgeven bij de Commissie op aan de sociale en milieugevolgen van haar beleid beter te beoordelen, evenals de gevolgen voor de grondrechten van burgers, door ook oog te hebben voor de kosten van het niet uitvaardigen van wetten op Europees niveau en het feit dat kosten-batenanalyses lang niet alle aspecten dekken;

18.  herhaalt zijn oproep om in alle effectbeoordelingen een evenwichtige analyse op te nemen van de economische, sociale, milieu- en gezondheidsgevolgen op middellange en lange termijn;

19.  verzoekt de Commissie om gebruik te maken van effectbeoordelingen en beoordelingen achteraf om na te gaan of initiatieven, voorstellen of bestaande wetgeving verenigbaar zijn met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en welke invloed zij respectievelijk hebben op de voortgang en uitvoering van deze doelstellingen;

20.  herinnert eraan dat het idee van een aanvullend technisch onafhankelijk ad-hocpanel, dat in het initiële voorstel van de Commissie voor het nieuwe IIA was opgenomen, in de loop van de onderhandelingen niet meer ter sprake kwam; wijst erop dat de oprichting van een dergelijk panel tot doel had de onafhankelijkheid, transparantie en objectiviteit van effectbeoordelingen te vergroten; herinnert eraan dat in punt 15 van het nieuwe IIA is afgesproken dat het Parlement en de Raad, wanneer zij dit passend en noodzakelijk achten, effectbeoordelingen opstellen over hun eigen wezenlijke wijzigingen van het Commissievoorstel, die dringend nodig zijn om een geïnformeerd, onderbouwd besluit te kunnen nemen; herinnert zijn commissies eraan hoe belangrijk het is dat zij hiervan, waar nodig, gebruikmaken;

21.  verneemt met instemming dat in het nieuwe IIA wordt vermeld dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in het kader van de effectbeoordelingen worden opgenomen; benadrukt in dit verband dat in de effectbeoordelingen altijd grondig en nauwgezet moet worden geanalyseerd hoe het voorstel overeenstemt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en wat de Europese meerwaarde ervan is;

22.  merkt op dat een aanzienlijk aantal Commissievoorstellen niet vergezeld ging van een effectbeoordeling en dat de commissies hun bezorgdheid hebben laten blijken over de kwaliteit en de gedetailleerdheid van de effectbeoordelingen, die variëren van uitgebreid tot eerder oppervlakkig; wijst erop dat, in de eerste fase van de toepassing van het nieuwe IIA, 20 van de 59 Commissievoorstellen die in de gezamenlijke verklaring van 2017 zijn opgenomen niet vergezeld gingen van een effectbeoordeling; wijst in dit verband op de bepaling dat initiatieven die naar verwachting significante economische, ecologische of sociale gevolgen zullen hebben steeds vergezeld moeten gaan van een effectbeoordeling, en dat in punt 13 van het IIA tevens wordt gesteld dat ook de initiatieven die in het werkprogramma van de Commissie of in de gezamenlijke verklaring zijn opgenomen in de regel vergezeld moeten gaan van een effectbeoordeling;

23.  is verheugd dat in het IIA wordt bepaald dat bij de vaststelling van de wetgevingsagenda niet enkel rekening moet worden gehouden met de "Europese meerwaarde" van elk voorstel tot optreden van de Unie, maar ook met de "kosten van geen Europa" indien niet op Unieniveau zou worden opgetreden; wijst erop dat de "kosten van geen Europa" op 1,75 biljoen EUR per jaar kunnen worden geraamd, wat overeenkomt met 12 % van het bbp van de EU (2016); spreekt in deze context zijn waardering uit voor het werk van het directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS);

24.  verzoekt de Commissie om verder te verduidelijken hoe zij van plan is de in de punten 10 en 12 van het nieuwe IIA bedoelde "kosten van geen Europa" te beoordelen, onder meer de kosten voor producenten, consumenten, werknemers, overheidsdiensten en het milieu doordat er geen geharmoniseerde wetgeving op EU-niveau bestaat en doordat uiteenlopende nationale regels leiden tot extra kosten en minder effectieve beleidsmaatregelen; wijst erop dat een dergelijke beoordeling niet alleen moet worden uitgevoerd in het geval van vervalbepalingen, tegen het einde van een programma of bij een voornemen tot intrekking, maar ook moet worden overwogen in gevallen waarin actie of wetgeving op EU-niveau nog niet bestaat of wordt getoetst;

25.  wijst erop dat de vroegere Effectbeoordelingsraad is vervangen door de nieuwe Raad voor regelgevingstoetsing, en dat dit de onafhankelijkheid van de raad ten goede komt; herhaalt dat de onafhankelijkheid, transparantie en objectiviteit van de Raad voor regelgevingstoetsing en het werk van deze raad moeten worden gewaarborgd en dat de leden ervan onder geen enkele vorm van politiek toezicht mogen staan(29); onderstreept dat de Commissie moet verzekeren dat alle adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing, ook de negatieve, openbaar en toegankelijk worden gemaakt op hetzelfde moment dat de desbetreffende effectbeoordelingen worden gepubliceerd; dringt aan op een evaluatie van de prestaties van de Raad voor regelgevingstoetsing bij het vervullen van zijn taak om toe te zien op en objectief advies te geven over effectbeoordelingen;

26.  wijst erop dat het directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde, dat deel uitmaakt van de administratie van het Parlement, de parlementaire commissies ondersteunt en verschillende diensten aanbiedt, en dat er in dit verband voldoende middelen beschikbaar moeten zijn om te verzekeren dat de leden en de commissies de best mogelijke ondersteuning krijgen; stelt met waardering vast dat de Conferentie van commissievoorzitters een geactualiseerde versie van het "Handboek inzake effectbeoordeling – Richtsnoeren voor commissies" heeft aangenomen op 12 september 2017;

27.  verzoekt al zijn commissies de effectbeoordelingen van de Commissie te evalueren en de voorafgaande effectbeoordelingsanalyse van het Parlement zo vroeg mogelijk in het wetgevingsproces te evalueren;

28.  herinnert eraan dat het Parlement uit hoofde van punt 14 van het nieuwe IIA bij de behandeling van wetgevingsvoorstellen van de Commissie ten volle rekening zal houden met de effectbeoordelingen van de Commissie; herinnert er in dit verband aan dat parlementaire commissies de Commissie mogen uitnodigen om haar effectbeoordeling en het gekozen beleid te presenteren tijdens een vergadering van de voltallige commissie, en verzoekt zijn commissies om meer van deze mogelijkheid gebruik te maken, alsook van de mogelijkheid om een presentatie te krijgen over de eerste evaluatie van de effectbeoordeling van de Commissie door de eigen diensten van het Parlement; wijst er echter op dat dit niet mag leiden tot een beperking van de manoeuvreerruimte waarover de medewetgevers beschikken;

29.  is blij met de mogelijkheid dat de Commissie haar eigen effectbeoordelingen aanvult tijdens het wetgevingsproces; is van oordeel dat punt 16 van het nieuwe IIA zo geïnterpreteerd moet worden dat de Commissie, indien het Parlement of de Raad hierom verzoeken, in de regel onverwijld dergelijke aanvullende effectbeoordelingen moet uitvoeren;

30.  onderstreept het belang van tijdige, openbare en transparante betrokkenheid en raadpleging van de belanghebbenden, met voldoende tijd voor zinvolle antwoorden; herhaalt dat het essentieel is dat de openbare raadplegingen door de Commissie in de voorbereidende fase in alle officiële talen worden gehouden;

31.  herinnert eraan dat, zoals in punt 17 van het nieuwe IIA over beter wetgeven wordt vermeld, elk van de drie instellingen de wijze bepaalt waarop haar werkzaamheden met betrekking tot effectbeoordelingen, met inbegrip van de interne organisatorische middelen en de kwaliteitscontrole, worden georganiseerd;

32.  is verheugd dat de drie instellingen in punt 17 van het nieuwe IIA hebben toegezegd informatie uit te wisselen over goede praktijken en methoden in verband met effectbeoordelingen; is van oordeel dat dit waar mogelijk ook het delen van de onverwerkte gegevens die ten grondslag liggen aan de effectbeoordeling van de Commissie moet omvatten, met name wanneer het Parlement besluit om de effectbeoordeling van de Commissie aan te vullen met eigen werk; moedigt daarom de diensten van de drie instellingen aan om zoveel mogelijk samen te werken, ook met betrekking tot gezamenlijke opleidingen over effectbeoordelingsmethoden, tevens met het oog op een toekomstige, gemeenschappelijke interinstitutionele methodologie;

33.  onderstreept dat het belangrijk is dat, uit hoofde van punt 18 van het nieuwe IIA, "de initiële effectbeoordeling van de Commissie en eventuele bijkomende werkzaamheden die de instellingen in verband met de effectbeoordelingen tijdens het wetgevingsproces verrichten", uiterlijk aan het einde van het wetgevingsproces openbaar worden gemaakt, teneinde de transparantie ten opzichte van burgers en belanghebbenden te waarborgen;

34.  herhaalt zijn standpunt dat belanghebbenden, waaronder vakbonden en het maatschappelijk middenveld, effectieve input moeten kunnen geven bij de effectboordelingsprocedure, zo vroeg mogelijk in de raadplegingsfase, en spoort de Commissie daarom aan om systematischer gebruik te maken van routekaarten en aanvangseffectbeoordelingen, en deze tijdig bekend te maken aan het begin van de effectbeoordelingsprocedure;

35.  neemt met instemming nota van de toezegging van de Commissie om, vooraleer een voorstel aan te nemen, een brede raadpleging te houden, en in het bijzonder de directe deelname van kmo's, het maatschappelijk middenveld en andere eindgebruikers aan de raadpleging aan te moedigen; stelt met tevredenheid vast dat de herziene richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie deze weg uitgaan;

36.  onderstreept de nieuwe bepalingen inzake de raadpleging van de bevolking en belanghebbenden, die zowel in de voorbereidende fase als in het gehele wetgevingsproces een belangrijk instrument moet vormen;

37.  verzoekt de Commissie met klem de bindende termijnen voor uitvoeringsverslagen en evaluaties van richtlijnen en verordeningen te eerbiedigen;

38.  onderstreept het belang van de evaluatie achteraf van bestaande wetgeving, in overeenstemming met het beginsel van eerst evalueren, en pleit ervoor dat deze evaluatie, waar mogelijk, in de vorm van een effectbeoordeling achteraf gebeurt, aan de hand van dezelfde methode als bij de voorafgaande effectbeoordeling van hetzelfde stuk wetgeving, om een betere evaluatie van de prestaties van de betreffende wetgeving mogelijk te maken;

39.  is ingenomen met punt 22 van het nieuwe IIA, waarin de drie instellingen overeenkomen om, indien nodig, ter ondersteuning van de beoordelingsprocedure van bestaande wetgeving, in de wetgeving voorschriften op te nemen voor rapportering, monitoring en evaluatie, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden; wijst op de uitdagingen in verband met het verzamelen van gegevens in de lidstaten over de prestaties van wetgeving en moedigt de Commissie en de lidstaten aan om op dit vlak meer inspanningen te leveren;

40.  is ingenomen met punt 23 van het nieuwe IIA, waarin de drie instellingen overeenkomen systematisch het gebruik van evaluatieclausules in wetgeving te overwegen; verzoekt de Commissie om, waar passend, evaluatieclausules op te nemen in haar voorstellen, en als dat niet gebeurt, te verklaren waarom zij van deze algemene regel is afgeweken;

Wetgevingsinstrumenten

41.  is ingenomen met de toezeggingen van de Commissie met betrekking tot de reikwijdte van de toelichting bij elk van haar voorstellen; is in het bijzonder verheugd over het feit dat de Commissie ook zal uitleggen hoe de voorgestelde maatregelen gerechtvaardigd zijn in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; onderstreept in dit verband het belang van een versterkte en alomvattende beoordeling en rechtvaardiging met betrekking tot de naleving van deze beginselen en de Europese meerwaarde van de voorgestelde maatregel;

42.  is van oordeel dat samenhang tussen de toelichting en de effectbeoordeling van hetzelfde voorstel noodzakelijk is; verzoekt de Commissie dan ook om deze samenhang te verzekeren, en om toelichting te geven wanneer ervoor werd gekozen om van de conclusies van de effectbeoordeling af te wijken;

43.  vestigt de aandacht op het feit dat de Commissie in punt 25 van het nieuwe IIA enkel heeft toegezegd "naar behoren rekening te houden met het verschil in aard en in gevolgen tussen verordeningen en richtlijnen"; herhaalt zijn verzoek om, in navolging van het verslag-Monti, meer gebruik te maken van verordeningen bij wetgevingsvoorstellen(30), in overeenstemming met de wettelijke voorschriften op grond van de Verdragen over hun gebruik, teneinde samenhang, eenvoud en rechtszekerheid in de hele Unie te waarborgen;

44.  is verheugd over de toezegging van de drie instellingen om van gedachten te wisselen over het wijzigen van de rechtsgrondslag, als bedoeld in punt 25 van het nieuwe IIA; benadrukt de rol en de expertise van de Commissie juridische zaken met betrekking tot het controleren van rechtsgronden(31); herinnert aan het standpunt van het Parlement, namelijk dat het zich zal verzetten tegen elke poging om de wetgevingsbevoegdheden van het Parlement te ondermijnen door middel van ongegronde wijzigingen van de rechtsgrondslag; verzoekt de Raad zich volledig te houden aan zijn verbintenis om een dialoog aan te gaan met het Parlement in het geval van onenigheid over de voorgestelde rechtsgrondslag, met name bij politiek gevoelige dossiers;

45.  beklemtoont dat de keuze van de rechtsgrondslag van een voorstel van de Commissie moet worden gemaakt op objectieve gronden die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn; wijst echter op het recht van het Parlement als medewetgever om op basis van zijn interpretatie van de Verdragen wijzigingen in de rechtsgrondslag voor te stellen;

Gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

46.  onderstreept het belang van het beginsel dat in punt 26 van het nieuwe IIA is opgenomen en herhaalt dat het de bevoegdheid van de wetgever is om te bepalen of en in hoeverre binnen de perken van de Verdragen en in het licht van de jurisprudentie van het HvJ-EU gebruik wordt gemaakt van gedelegeerde of uitvoeringshandelingen(32);

47.  merkt op dat de bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie niet alleen een technische kwestie is, maar ook politiek gevoelige kwesties kan betreffen, die van groot belang zijn voor de burgers, consumenten en bedrijven in de EU;

48.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie voor het halen van de in punt 27 van het nieuwe IIA bedoelde termijn om voorstellen te doen over de aanpassing van alle basishandelingen die nog verwijzen naar de RPT; is voorts van oordeel dat in de regel alle dossiers waarop voorheen de RPT van toepassing was nu in overeenstemming moeten worden gebracht met artikel 290 VWEU, en dus in gedelegeerde handelingen moeten worden omgezet(33);

49.  waarschuwt ervoor dat de invoering van de verplichting voor de Commissie om stelselmatig een beroep te doen op de deskundigen van de lidstaten bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen er niet op mag neerkomen dat de relevante procedure erg vergelijkbaar wordt met, of zelfs volledig identiek aan, de procedure die is vastgesteld voor de voorbereiding van uitvoeringshandelingen, vooral wat betreft de procedurele prerogatieven die aan deze deskundigen worden verleend; is van mening dat dit kan leiden tot de vervaging van de verschillen tussen de twee soorten handelingen, in die mate dat het de facto zou kunnen leiden tot een herinvoering van het comitologiemechanisme van voor het Verdrag van Lissabon;

50.  uit zijn ongenoegen over het feit dat de Raad, ondanks de toegevingen van het Parlement, nog steeds erg terughoudend is om gedelegeerde handelingen te aanvaarden wanneer aan de criteria uit hoofde van artikel 290 VWEU is voldaan; herinnert eraan dat het nieuwe IIA, zoals bepaald in overweging 7, de onderhandelingen in het kader van de gewone wetgevingsprocedure moet bevorderen en de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU moet verbeteren; herinnert eraan dat de Raad er in verschillende wetgevingsdossiers echter op heeft aangedrongen om ofwel uitvoeringsbevoegdheden toe te kennen overeenkomstig artikel 291 VWEU ofwel in de basishandeling zelf alle elementen op te nemen die in abstracto in aanmerking komen voor bevoegdheidsdelegatie of voor de toekenning van uitvoeringsbevoegdheden; uit zijn teleurstelling over het feit dat de Commissie in deze gevallen haar eigen oorspronkelijke voorstellen niet heeft verdedigd;

51.  is zeer bezorgd over het feit dat de Raad bijna systematisch probeert gedelegeerde handelingen te vervangen door uitvoeringshandelingen; vindt het met name onaanvaardbaar dat de Raad de post-Lissabon-aanpassing tracht te gebruiken om de RPT te vervangen door uitvoeringshandelingen, in plaats van door gedelegeerde handelingen;

52.  is ingenomen met het begin van de interinstitutionele onderhandelingen als bedoeld in punt 28 van het nieuwe IIA; bevestigt zijn standpunt over de niet-bindende criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU als bedoeld in zijn resolutie van 25 februari 2014(34); is van mening dat deze de basis van de onderhandelingen moeten zijn;

53.  herinnert eraan dat politiek belangrijke elementen, zoals Unielijsten of registers van producten of stoffen, een integraal onderdeel van de basishandeling moeten blijven – in voorkomend geval in de vorm van bijlagen – en dus enkel gewijzigd mogen worden door middel van gedelegeerde handelingen; onderstreept dat de vaststelling van op zichzelf staande lijsten in het belang van de rechtszekerheid moet worden voorkomen;

54.  is van oordeel dat in de criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU rekening moet worden gehouden met de jurisprudentie van het HvJ-EU, zoals de arresten in de biocidenzaak, de zaak-gedelegeerde handelingen in het kader van de CEF, en de visumwederkerigheidszaak(35);

55.  is verheugd over de toezegging van de Commissie om, indien meer expertise in een vroeg stadium van de voorbereiding van ontwerpuitvoeringshandelingen nodig zou zijn, naar gelang van het geval een beroep te doen op deskundigengroepen, specifieke belanghebbenden te raadplegen en openbare raadplegingen te houden; is van oordeel dat het Parlement naar behoren moet worden geïnformeerd wanneer een dergelijke raadplegingsprocedure wordt ingeleid;

56.  stelt verheugd vast dat de Commissie er in punt 28 van het nieuwe IIA mee heeft ingestemd ervoor te zorgen dat het Parlement en de Raad gelijke toegang tot alle informatie over gedelegeerde en uitvoeringshandelingen krijgen, zodat zij alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten zullen ontvangen; verneemt met instemming dat de deskundigen van het Parlement en de Raad systematisch toegang krijgen tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie waarvoor deskundigen van de lidstaten worden uitgenodigd en die betrekking hebben op de voorbereiding van gedelegeerde handelingen; verzoekt de Commissie deze belofte daadwerkelijk en consequent na te komen; merkt op dat deze toegang reeds is verbeterd;

57.  benadrukt dat de informele samenwerking bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen moet worden verbeterd; waarschuwt dat bij het opstellen van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen de bedoeling van de medewetgevers, zoals verwoord in een daartoe vastgestelde wetgevingshandeling, niet uit het oog mag worden verloren; wijst op het belang van het register van gedelegeerde handelingen, dat nu operationeel is;

58.  betreurt het feit dat de Commissie er in veel gevallen van uitgaat dat maatregelen van niveau 2 die worden voorgesteld door de drie autoriteiten op het gebied van financiële diensten (ESMA, EBA en Eiopa) zonder wijzigingen zijn goedgekeurd, waardoor het Parlement minder tijd heeft voor toetsing wanneer er belangrijke of een groot aantal wijzigingen worden aangebracht;

59.  prijst de snelle voortgang die geboekt is op interinstitutioneel niveau bij de oprichting van een gemeenschappelijk functioneel register van gedelegeerde handelingen en is verheugd over de officiële lancering ervan op 12 december 2017;

60.  kijkt ernaar uit gebruik te kunnen maken van een goed gestructureerd en gebruiksvriendelijk functioneel register van gedelegeerde handelingen, dat op 12 december 2017 gepubliceerd is, op verzoek van het Parlement;

61.  merkt op dat betere wetgevingsprocedures op EU-niveau, met tijdige en intensievere interinstitutionele samenwerking, kunnen leiden tot een meer samenhangende en geharmoniseerde toepassing van het EU-recht;

Transparantie en coördinatie van het wetgevingsproces

62.  is blij dat het Parlement en de Raad uit hoofde van punt 32 van het nieuwe IIA als de medewetgevers hun bevoegdheden op voet van gelijkheid moeten uitoefenen en dat de Commissie haar faciliterende rol moet uitoefenen door de twee takken van de wetgevingsautoriteit gelijk te behandelen; herinnert eraan dat dit beginsel al in het Verdrag van Lissabon is opgenomen; verzoekt de Commissie bijgevolg alle relevante documenten met betrekking tot wetgevingsvoorstellen, met inbegrip van officieuze documenten, op hetzelfde ogenblik ter beschikking te stellen van beide wetgevers, en indien mogelijk tevens openbaar te maken;

63.  betreurt dat de punten 33 en 34 van het nieuwe IIA nog niet hebben gezorgd voor een verbetering van de informatiestroom vanuit de Raad, vooral omdat er een algemeen gebrek aan informatie lijkt te zijn met betrekking tot de kwesties die de lidstaten binnen de Raad hebben aangekaart, en er geen systematische aanpak is om de wederzijdse uitwisseling van standpunten en informatie te bevorderen; merkt met bezorgdheid op dat de informatiestroom gewoonlijk sterk verschilt van voorzitterschap tot voorzitterschap en tussen de diensten van het secretariaat-generaal van de Raad; benadrukt de asymmetrische toegang tot informatie van de medewetgevers, aangezien de Raad commissievergaderingen in het Parlement kan bijwonen maar vertegenwoordigers van het Parlement niet worden uitgenodigd om de bijeenkomsten van de werkgroepen van de Raad bij te wonen; is bijgevolg van mening dat een consequent transparante aanpak wenselijk is; stelt voor dat de Raad als regel alle vergaderingen in het openbaar belegt, net zoals het Parlement;

64.  vraagt dat de punten 33 en 34 van het nieuwe IIA volledig ten uitvoer worden gelegd; vraagt de Raad met name om de agenda's, werkdocumenten en voorstellen van het voorzitterschap voor werkgroepen en het Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten (het Coreper) op regelmatige en gestructureerde wijze aan het Parlement te bezorgen, om te verzekeren dat de medewetgevers eenzelfde informatieniveau hebben; is van oordeel dat de punten 33 en 34 van het nieuwe IIA zo geïnterpreteerd moeten worden dat het Parlement niet alleen kan worden uitgenodigd om een vertegenwoordiger naar informele gedachtewisselingen te sturen, maar ook naar vergaderingen van de werkgroepen van de Raad en het Coreper;

65.  benadrukt dat, respectievelijk in de zin van de punten 35 en 36 van het nieuwe IIA, afstemming en versnelling van het wetgevingsproces enkel mogen worden nagestreefd als ook wordt verzekerd dat de prerogatieven van elke instelling volledig in acht worden genomen; is daarom van oordeel dat afstemming of versnelling in geen geval mag impliceren dat andere instellingen het Parlement een tijdschema opleggen;

66.  dringt aan op meer inspanningen om de in punt 39 van het nieuwe IIA bedoelde specifieke gezamenlijke database over de stand van zaken van wetgevingsdossiers op te richten; herinnert eraan dat deze database informatie moet bevatten over alle stappen van het wetgevingsproces om traceerbaarheid mogelijk te maken; stelt voor om in de database ook informatie over het effectbeoordelingsproces op te nemen;

67.  herinnert de drie EU-instellingen eraan dat er meer vooruitgang moet worden geboekt bij het aanmaken van een specifieke gezamenlijke databank over de stand van zaken van wetgevingsdossiers;

68.  stelt voor dat de Raad in het kader van de raadplegingsprocedure ten minste eenmaal met het Parlement bijeenkomt, zodat het Parlement de goedgekeurde wijzigingen kan presenteren en toelichten en de Raad zijn standpunt over elk van deze wijzigingen kenbaar kan maken; stelt voor dat de Raad hoe dan ook een schriftelijk antwoord geeft;

69.  stelt voor dat het Parlement een kwantitatief onderzoek uitvoert naar de doeltreffendheid van de raadplegingsprocedure;

70.  dringt er bij de Commissie op aan de termijn in acht te nemen die is vastgesteld in de verordening tot oprichting van de Europese toezichthoudende autoriteiten voor besluiten over het bevestigen, wijzigen of niet bevestigen van ontwerpen van technische normen, en op zijn minst de medewetgevers ruim van tevoren officieel op de hoogte te stellen indien zij bij wijze van uitzondering deze termijn niet kan naleven, en de redenen hiervoor op te geven; benadrukt dat de Commissie de afgelopen tijd in meerdere gevallen heeft nagelaten dit te doen; herinnert de Commissie eraan dat de procedures waarbij het Parlement verklaart geen bezwaren te hebben tegen een handeling, niet bedoeld zijn om vertragingen te compenseren die worden veroorzaakt door de Commissie, en dat deze procedures aanzienlijke gevolgen hebben voor de tijd die het Parlement heeft om zijn toetsingsrecht uit te oefenen;

71.  is ingenomen met het feit dat de interinstitutionele onderhandelingen als bedoeld in punt 40 van het nieuwe IIA in november 2016 van start zijn gegaan; merkt met teleurstelling op dat er na meer dan een jaar van gesprekken, drie onderhandelingsrondes op politiek niveau en een aantal vergaderingen op technisch niveau, nog steeds geen overeenkomst is bereikt, ondanks duidelijke en vaste rechtspraak; neemt nota van de tot nog toe geboekte vooruitgang en dringt er met klem op aan dat deze onderhandelingen nog onder het Bulgaars voorzitterschap moeten worden afgerond.

72.  is verheugd over de schriftelijke briefings van de Commissie voorafgaand aan internationale conferenties en de dagelijkse mondelinge briefings van het voorzitterschap van de Raad en de Commissie tijdens deze conferenties;

73.  betreurt dat het Parlement de EU-coördinatievergaderingen tijdens internationale conferenties niet als waarnemer mag bijwonen;

74.  herinnert de Raad en de Commissie eraan dat praktische regelingen in verband met internationale overeenkomsten in overeenstemming moeten zijn met de Verdragen, met name artikel 218, lid 10, VWEU, en met de jurisprudentie van het HvJ-EU, zoals de arresten in de zaak-Tanzania en de zaak-Mauritius(36);

75.  dringt er bij de andere instellingen op aan de Verdragen en verordeningen te eerbiedigen en te handelen in overeenstemming met de jurisprudentie op dit gebied, om ervoor te zorgen dat het Parlement:

   a) tijdens de volledige totstandkomingsprocedure van internationale overeenkomsten op proactieve, gestructureerde en gestroomlijnde wijze onverwijld, ten volle en juist wordt geïnformeerd, zonder dat de onderhandelingspositie van de EU daarbij wordt ondermijnd, en bovendien voldoende tijd krijgt om in alle fasen zijn standpunten kenbaar te maken, waar vervolgens zo veel mogelijk rekening mee wordt gehouden;
   b) naar behoren wordt geïnformeerd en wordt betrokken bij de tenuitvoerleggingsfase van deze overeenkomsten, met name wat betreft de besluiten van de organen die krachtens overeenkomsten worden ingesteld, en de kans krijgt zijn rechten als medewetgever ten volle uit te oefenen indien deze overeenkomsten gevolgen hebben voor EU-wetgeving;
   c) proactief op de hoogte wordt gehouden van de standpunten die de Commissie inneemt op internationale fora, zoals de WHO, de UNCTAD, de OESO, het UNDP, de FAO en de UNHRC;

76.  acht het van essentieel belang dat de gevestigde praktijk om te wachten op goedkeuring van het Parlement alvorens voorlopige toepassing te geven aan de bepalingen inzake handel en investeringen van politiek belangrijke overeenkomsten, wordt voortgezet, zoals commissaris Malmström in haar hoorzitting op 29 september 2014 ook heeft toegezegd; dringt bij de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden aan op een steeds bredere toepassing van deze praktijk in het kader van alle internationale overeenkomsten;

77.  merkt op dat het Parlement niet zal aarzelen om, als er in de nabije toekomst geen duidelijke vooruitgang wordt geboekt bij de onderhandelingen overeenkomstig punt 40 van het nieuwe IIA, nogmaals een zaak aanhangig te maken bij het HvJ-EU om ervoor te zorgen dat de rechten van het Parlement worden geëerbiedigd;

78.  merkt op dat alle instellingen moeten beseffen dat hun verantwoordelijkheid als wetgever niet eindigt zodra internationale overeenkomsten zijn gesloten; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van overeenkomsten nauwlettend moet worden gemonitord en dat er duurzame inspanningen moeten worden geleverd om te waarborgen dat de met de overeenkomsten beoogde doelstellingen worden verwezenlijkt; verzoekt de instellingen om beste praktijken uit te wisselen en samen te werken tijdens de tenuitvoerleggings- en evaluatiefase van internationale overeenkomsten;

79.  merkt op dat effectbeoordelingen, waaronder beoordelingen van de gevolgen van overeenkomsten voor de mensenrechten, een belangrijk instrument kunnen zijn bij de onderhandelingen over handels- en investeringsovereenkomsten, en ertoe kunnen bijdragen dat partijen hun verplichtingen op het gebied van de mensenrechten nakomen, en wijst op het bindende karakter van overeenkomsten zoals het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

80.  verzoekt de Commissie en de Raad om de verdeling van de bevoegdheden tussen de EU en haar lidstaten, die afgeleid kan worden uit Advies 2/15 van het HvJ-EU van 16 mei 2017, met betrekking tot de vaststelling van richtsnoeren voor de onderhandelingen, het voeren van onderhandelingen en het bepalen van de rechtsgrondslag van te ondertekenen en te sluiten voorstellen, en met name de ondertekening en de sluiting van internationale handelsovereenkomsten door de Raad, volledig te eerbiedigen;

81.  verzoekt de Europese vertegenwoordigers bijzondere aandacht te besteden aan de consistentie tussen internationale normen/eisen en goedgekeurde, bindende EU-wetgeving;

82.  verzoekt de Commissie documenten openbaar te maken waarin zij haar standpunt uiteenzet in de internationale organisaties die normen vaststellen op financieel, monetair en regelgevingsgebied, met name het Bazels Comité voor bankentoezicht; vraagt dat het Parlement volledig wordt ingelicht in alle stadia van de ontwikkeling van internationale normen die gevolgen kunnen hebben voor het recht van de Unie;

83.  roept op tot het opzetten en formaliseren van een financiële dialoog over de vaststelling en samenhang van Europese standpunten in de aanloop naar belangrijke internationale onderhandelingen, in overeenstemming met zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen(37); benadrukt dat deze standpunten, op basis van gedetailleerde richtsnoeren die kunnen worden aangevuld met proactieve "begeleidende resoluties", vooraf moeten worden besproken en bekend moeten zijn, en dat de follow-up ervan moet worden gegarandeerd door middel van regelmatige verslagen van de Commissie over de toepassing van deze richtsnoeren;

84.  wijst op zijn verklaring van 15 maart 2018 over de plaats van vestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau(38), waarin het Parlement betreurt dat zijn rol en rechten als medewetgever die op gelijke voet staat met de Raad niet naar behoren in aanmerking zijn genomen;

85.  erkent het op 6 december 2017 door het Coreper goedgekeurde mandaat met afspraken over het standpunt van de Raad inzake het Commissievoorstel voor een verplicht transparantieregister; verzoekt alle partijen de onderhandelingen af te ronden in een sfeer van goede samenwerking, zodat de transparantie van het wetgevingsproces wordt vergroot;

86.  neemt terdege nota van het arrest De Capitani(39), waarin opnieuw wordt bevestigd dat de beginselen van publiciteit en transparantie inherent zijn aan het wetgevingsproces van de EU en dat een algemeen vermoeden van niet-openbaarmaking niet kan worden aanvaard inzake wetgevingsdocumenten, met inbegrip van trialoogdocumenten;

Uitvoering en toepassing van Uniewetgeving

87.  benadrukt het belang van het beginsel dat in punt 43 van het nieuwe IIA is vastgelegd, namelijk dat de elementen die de lidstaten bij de omzetting van richtlijnen in intern recht hebben toegevoegd en die op geen enkele wijze verband houden met die Uniewetgeving in de omzettingsmaatregel of in daarmee verband houdende documenten herkenbaar moeten worden gemaakt; merkt op dat deze informatie vaak nog ontbreekt; verzoekt de Commissie en de lidstaten gezamenlijk en consequent op te treden om het gebrek aan transparantie en andere problemen met betrekking tot "gold-plating" aan te pakken(40);

88.  is van oordeel dat bij de uitvoering en omzetting van EU-handelingen een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen gevallen van "gold-plating" waarbij de lidstaten bijkomende administratieve eisen invoeren die niets te maken hebben met EU-wetgeving, en het vaststellen van strengere normen die verder gaan dan de EU-brede minimumnormen inzake milieu- en consumentenbescherming, gezondheidszorg en voedselveiligheid;

89.  is van oordeel dat de drie instellingen de problemen in verband met "gold-plating" kunnen beperken door zich in te spannen om EU-wetgeving aan te nemen die duidelijk en eenvoudig om te zetten is en die een specifieke Europese meerwaarde biedt; herinnert eraan dat onnodige administratieve lasten weliswaar moeten worden vermeden, maar dat dit de lidstaten er niet van mag weerhouden om ambitieuzere maatregelen te behouden of te treffen en striktere normen op het gebied van sociale bescherming, milieu- en consumentenbescherming vast te stellen in gevallen waarin in de EU-wetgeving enkel minimumnormen worden omschreven;

90.  verzoekt de lidstaten om zo terughoudend mogelijk te zijn in het creëren van bijkomende administratieve eisen bij de omzetting van EU-wetgeving, en om overeenkomstig punt 43 van het interinstitutioneel akkoord dergelijke toevoegingen herkenbaar te maken in de omzettingsmaatregel of de daarmee verband houdende documenten;

91.  herinnert eraan dat de lidstaten er in punt 44 van het nieuwe IIA toe worden opgeroepen om met de Commissie samen te werken bij het verzamelen van de informatie en de gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de uitvoering van Uniewetgeving; verzoekt de lidstaten daarom alle noodzakelijke maatregelen te nemen om hun toezeggingen gestand te doen, onder meer door concordantietabellen op te stellen met duidelijke en precieze informatie over de nationale maatregelen tot omzetting van richtlijnen in hun nationale rechtsorde, zoals overeengekomen in de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken en in de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken;

92.  is van oordeel dat de toezegging van de Commissie in punt 45 van het nieuwe IIA aldus geïnterpreteerd moet worden dat de toegang van het Parlement tot informatie in verband met precontentieuze en inbreukprocedures aanzienlijk zal verbeteren, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels; herhaalt daarom zijn reeds lang bestaande verzoek aan de Commissie met betrekking tot de gegevens waar het Parlement toegangsrecht toe heeft(41);

93.  herhaalt zijn waardering voor het probleemoplossingsmechanisme EU Pilot als een eerder informele, maar toch doeltreffende manier om te verzekeren dat het Unierecht door de lidstaten wordt nageleefd(42); staat afkeurend tegenover de aankondiging van de Commissie dat zij voortaan in de regel inbreukprocedures zal inleiden zonder gebruik te maken van het mechanisme(43);

94.  wijst erop dat de leden van de Commissie de wetgevingsprerogatieven van de leden van het Europees Parlement moeten eerbiedigen; is van mening dat zij het Parlement alle onafhankelijk uitgevoerde studies moeten doen toekomen op basis waarvan zij hun besluiten hebben genomen, en dat zij tevens die studies openbaar moeten maken die in tegenspraak zijn met hun conclusies;

95.  betreurt dat niet alle taalversies van wetgevingsvoorstellen op hetzelfde ogenblik beschikbaar zijn, waardoor het wetgevingsproces vertraging oploopt;

96.  benadrukt dat doeltreffende EU-wetgeving moet waarborgen dat bij de tenuitvoerlegging ervan de erin opgenomen procedures overeenkomen met het onderliggende doel van de wetgevingshandeling zelf, met name het uiteindelijke doel van milieubescherming in het geval van wetgeving die tot doel heeft een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen;

97.  erkent het belang van de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften om de kwaliteit van de totstandbrenging van EU-wetgeving te beoordelen in het licht van de feitelijke tenuitvoerlegging ervan, alsook het belang van het werk van deze commissie als uitgangspunt voor de verbetering van wetgevingsteksten en -procedures; wijst in dit verband op het belang van oprechte interinstitutionele samenwerking met de Commissie om ervoor te zorgen dat de verzoekschriften naar behoren worden onderzocht;

Vereenvoudiging

98.  is verheugd over de toezegging in punt 46 van het nieuwe IIA om vaker gebruik te maken van de wetgevingstechniek van herschikking; herhaalt dat deze techniek de gewone wetgevingstechniek moet zijn, omdat zij een instrument van onschatbare waarde is voor vereenvoudiging(44); is echter van oordeel dat de Commissie in het geval van een volledige beleidsherziening een voorstel moet doen voor een volledige nieuwe rechtshandeling met intrekking van de bestaande wetgeving in plaats van de herschikkingstechniek te gebruiken, zodat de medewetgevers kunnen deelnemen aan brede en doeltreffende politieke gesprekken, en hun prerogatieven zoals bepaald in de Verdragen volledig gewaarborgd zijn;

99.  wijst erop dat beter wetgeven in het geval van de beoordeling van onnodige regulering en administratieve lasten (overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt in de punten 47 en 48 van het nieuwe IIA) en bij het onderzoeken van mogelijke doelstellingen ter beperking van lasten om de kosten voor overheidsdiensten en bedrijven (waaronder kmo's) te drukken, in voorkomend geval ook kan betekenen dat er meer EU-wetgeving komt, onder meer om verschillen in nationale wetgeving beter op elkaar af te stemmen, rekening houdend met de voordelen van wetgevingsmaatregelen en de gevolgen indien een optreden op EU-niveau uitblijft met betrekking tot normen inzake sociale, milieu- en consumentenbescherming, en met inachtneming van de vrijheid van de lidstaten om strengere normen toe te passen indien krachtens het Unierecht slechts minimumnormen zijn vastgesteld; wijst er bovendien op dat de Unie krachtens de in artikel 9 VWEU verankerde horizontale sociale clausule verplicht is zorgvuldig rekening te houden met de gevolgen van EU-wetgeving voor sociale normen en werkgelegenheid, en dat dit een behoorlijke raadpleging van maatschappelijke actoren inhoudt, met name vakbonden, consumenten en vertegenwoordigers van de belangen van kwetsbare groepen, met inachtneming van de autonomie van de sociale partners en de overeenkomsten die zij kunnen sluiten overeenkomstig artikel 155 VWEU; benadrukt dan ook dat de beperking van administratieve lasten niet noodzakelijk een deregulering inhoudt en dat dit hoe dan ook niet ten koste mag gaan van grondrechten en normen inzake sociale en consumentenbescherming, bescherming op het gebied van arbeid, gezondheid en veiligheid, gendergelijkheid of dierenwelzijn, met inbegrip van de bijbehorende informatievereisten, en bijgevolg geen nadelige gevolgen mag hebben voor de rechten van werknemers (ongeacht de omvang van de onderneming) of leiden tot een toename van het aantal onzekere arbeidsovereenkomsten;

100.  is ingenomen met het eerste jaarlijkse lastenoverzicht van de Commissie in het kader van de vereenvoudiging van de EU-wetgeving, waarvoor zij een Flash Eurobarometer-enquête heeft gehouden over hoe de bedrijfswereld de regelgeving ziet, waarbij zij meer dan 10 000 bedrijven heeft geïnterviewd, vooral kmo's, in alle 28 lidstaten, met inachtneming van de verdeling van bedrijven binnen de EU; vestigt de aandacht op de resultaten van de enquête, die bevestigen dat de focus op het besparen van onnodige kosten passend blijft, en die suggereren dat er een complex samenspel is van verschillende factoren die de perceptie van bedrijven beïnvloeden, al kan dit ook veroorzaakt zijn door de verschillen in de nationale administratieve en juridische structuren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de wetgeving; wijst erop dat "gold-plating" en zelfs onjuiste berichtgeving in de media van invloed kunnen zijn op deze perceptie; is van mening dat het concept van het jaarlijkse lastenoverzicht een belangrijk instrument is om problemen in verband met de uitvoering en toepassing van EU-wetgeving op te sporen, maar dat dit niet tot de veronderstelling mag leiden dat regulering van nature tot buitensporige administratieve lasten leidt; is het met de Commissie eens dat het verzamelen van standpunten van alle betrokken partijen, met inbegrip van partijen die minder sterk vertegenwoordigd worden, over specifieke stukken wetgeving of verschillende stukken wetgeving die van toepassing zijn op een bepaalde sector, de enige manier is om concreet te bepalen wat in feite vereenvoudigd, gestroomlijnd of geschrapt kan worden; verzoekt de Commissie het jaarlijkse lastenoverzicht te verfijnen op basis van de bij de eerste editie opgedane ervaring, en vraagt tevens om transparante en controleerbare methoden toe te passen voor het verzamelen van gegevens, bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van kmo's, en zowel feitelijke als gepercipieerde lasten in het overzicht op te nemen;

101.  neemt bovendien nota van de resultaten van de beoordeling van de Commissie, die onderzocht of het haalbaar was om, zonder afbreuk te doen aan de doelstelling van de wetgeving, doelstellingen te bepalen om de lasten in specifieke sectoren te verminderen; moedigt de Commissie aan om doelstellingen met betrekking tot de vermindering van lasten vast te stellen voor elk initiatief, op een flexibele maar op feitenmateriaal gebaseerde en betrouwbare manier en met volledige inspraak van betrokken partijen, zoals momenteel in het kader van REFIT al het geval is;

102.  benadrukt dat een EU-norm in de regel in de plaats treedt van 28 nationale normen, hetgeen leidt tot een versterking van de interne markt en een beperking van de bureaucratie;

103.  onderstreept dat het belangrijk is onnodige bureaucratie te vermijden en rekening te houden met het verband tussen de omvang van een bedrijf en de middelen die nodig zijn om aan de vereiste verplichtingen te voldoen;

Uitvoering en monitoring van het nieuwe IIA

104.  merkt op dat de Conferentie van voorzitters regelmatig een verslag zal ontvangen, opgesteld door de Voorzitter, over de huidige stand van zaken van de uitvoering, zowel intern als interinstitutioneel; is van oordeel dat in dit verslag terdege rekening moet worden gehouden met de beoordeling van de Conferentie van commissievoorzitters op basis van de ervaringen van de verschillende commissies, met name de Commissie juridische zaken, als de bevoegde commissie voor betere wetgeving en de vereenvoudiging van het Unierecht(45);

105.  verneemt met instemming dat de eerste jaarlijkse interinstitutionele politieke evaluatievergadering op hoog niveau over de uitvoering van het IIA heeft plaatsgevonden op 12 december 2017; moedigt de Conferentie van commissievoorzitters aan om alle aanbevelingen die zij passend acht over de uitvoering van het nieuwe IIA te bezorgen aan de Conferentie van voorzitters;

o
o   o

106.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(2) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
(3) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(4) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.
(5) PB C 73 van 17.3.1999, blz. 1.
(6) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(7) PB C 145 van 30.6.2007, blz. 5.
(8) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 15.
(9) PB C 484 van 24.12.2016, blz. 7.
(10) PB C 446 van 29.12.2017, blz. 1.
(11) Arrest van het Hof (Grote kamer) van 18 maart 2014, Europese Commissie/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, zaak C-427/12, ECLI:EU:C:2014:170; arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 juli 2015, Europese Commissie/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, zaak C-88/14, ECLI:EUU:C:2015:499; arrest van het Hof van 17 maart 2016, Europees Parlement/Europese Commissie, C-286/14, ECLI:EU:C:2016:183; arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2016, Parlement/Raad, zaak C-263/14, ECLI:EU:C:2016:435; arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 juni 2014, Parlement/Raad, zaak C-658/11, ECLI:EU:C:2014:2025.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0484.
(13) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 39.
(14) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 116.
(15) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 91.
(16) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 53.
(17) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 11.
(18) PB C 93 van 24.3.2017, blz. 14.
(19) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 117.
(20) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 87.
(21) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 31.
(22) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 91.
(23) Zie bijlage II bij het besluit van het Europees Parlement van 9 maart 2016 over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven.
(24)1 Artikel 6, lid 2, van het Besluit van de voorzitter van de Europese Commissie van 19 mei 2015 tot oprichting van een onafhankelijke Raad voor regelgevingstoetsing (C(2015)3263).
(25) Zie COM(2016)0798 en COM(2016)0799.
(26) Zie paragraaf 47 van de resolutie van het Parlement van 9 september 2010 over "De wetgeving verbeteren" overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (vijftiende jaarverslag van de Commissie) (PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 66).
(27) Zie paragraaf 16 van de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test.
(28) Zie paragraaf 4 van het besluit van het Parlement van 9 maart 2016 over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven.
(29) Zie paragraaf 12 van de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014, eerder geciteerd, en paragraaf 6 van het besluit van het Parlement van 9 maart 2016, eerder geciteerd.
(30) Zie paragraaf 5 van de resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving, eerder geciteerd.
(31) Zie punt XVI.1 van bijlage V bij het Reglement van het Europees Parlement.
(32) Zie overweging D van de resolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2014 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, eerder geciteerd.
(33) Zie paragraaf 6 van de resolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2014 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, eerder geciteerd.
(34) Ibid, paragraaf 1.
(35) Arrest van het Hof (Grote kamer) van 18 maart 2014, Europese Commissie/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, eerder geciteerd; arrest van het Hof van 17 maart 2016, Europees Parlement/Europese Commissie, eerder geciteerd; arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2016, Parlement/Raad, eerder geciteerd.
(36) Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2016, Parlement/Raad, eerder geciteerd; arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 juni 2014, Parlement/Raad, eerder geciteerd.
(37) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 76.
(38) Zie aangenomen teksten, P8_TA(2018)0086.
(39) Arrest van het Gerecht (Zevende kamer – uitgebreid) van 22 maart 2018, De Capitani/Parlement, T-540/15, ECLI:EU:T:2018:167.
(40) Zie paragraaf 7 van de resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het 28e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2010) (PB C 419 van 16.12.2015, blz. 73).
(41) Zie paragrafen 21 en 22 van de resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2014 over het 29e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2011).
(42) Zie paragraaf 16 van de resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2016 inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0385).
(43) Zie punt 2 van de mededeling van de Commissie getiteld "EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing", eerder geciteerd (zie blz. 12 in PB C 18 van 19.1.2017).
(44) Zie paragraaf 41 van de resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2011, eerder geciteerd.
(45) Zie punt XVI.3 van bijlage V bij het Reglement van het Europees Parlement.


Meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen
PDF 124kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 en eigen middelen (2018/2714(RSP))
P8_TA(2018)0226B8-0239/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2018 met als titel "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt – Het meerjarig financieel kader 2021-2027" (COM(2018)0321),

–  gezien de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2021 tot 2027 en het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(1), en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(2),

–  gezien de verklaringen van de Commissie en de Raad van 29 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

1.  neemt kennis van de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het MFK 2021-2027 en het stelsel van eigen middelen van de EU, die de basis vormen voor de komende onderhandelingen; herinnert eraan dat het standpunt van het Parlement duidelijk uiteengezet is in twee resoluties die zijn aangenomen met een zeer grote meerderheid op 14 maart 2018, die het mandaat voor de onderhandelingen vormen van het Parlement;

2.  dringt er bij de Raad op aan ervoor te zorgen dat in het volgende financiële kader een duidelijke en positieve visie naar voren komt op de toekomst van de Unie en dat hierin wordt tegemoetgekomen aan de behoeften, bezorgdheden en verwachtingen van de EU‑burgers; benadrukt dat het besluit over het MFK de Unie moet voorzien van de nodige financiële middelen om het hoofd te bieden aan belangrijke uitdagingen en haar politieke prioriteiten en doelstellingen voor de komende periode van 7 jaar te realiseren; verwacht dan ook dat de Raad zal handelen op een manier die consistent is met de politieke verbintenissen die hij reeds is aangegaan en dat hij de kwestie tegemoet zal treden met de vereiste moed; is bezorgd over het feit dat het voorstel van de Commissie de belangrijkste beleidsmaatregelen van de EU op het gebied van solidariteit verzwakt en is voornemens met de Raad te onderhandelen met het oog op de opbouw van een ambitieuzer MFK ten behoeve van de burgers;

3.  spreekt zijn verrassing en bezorgdheid uit over het feit dat de vergelijkende gegevens die de Commissie, op sterk aandringen van het Parlement, op 18 mei 2018 heeft vrijgegeven, wijzen op bepaalde verschillen in de wijze waarop deze cijfers zijn gepresenteerd en gecommuniceerd met de voorstellen voor het MFK; merkt in het bijzonder op dat de verhogingen voor diverse EU-programma's in werkelijkheid aanzienlijk lager zijn, terwijl de bezuinigingen op andere programma's aanzienlijk groter zijn dan de wijze waarop zij oorspronkelijk door de Commissie zijn gepresenteerd; onderstreept het feit dat het Parlement en de Raad het van meet af aan eens moete zijn over een duidelijke methodologie met betrekking tot de cijfers; verklaart voor het redigeren van deze resolutie gebruik te zullen maken van zijn eigen berekeningen, op basis van constante prijzen en rekening houdend met de terugtrekking van het VK;

4.  spreekt zijn teleurstelling uit over het voorgestelde algemene niveau van het komende MFK, dat is vastgesteld op 1,1 biljoen EUR, hetgeen neerkomt op 1,08 % van het bni van de EU-27 na aftrek van het Europees Ontwikkelingsfonds (momenteel 0,03 % van het bni van de EU buiten de EU-begroting); onderstreept dat dit algemeen niveau, wat percentage van het bni betreft, in reële termen lager is dan het niveau van het huidige MFK, ondanks de extra financiering die nodig is voor nieuwe politieke prioriteiten en nieuwe uitdagingen voor de Unie; herinnert eraan dat het huidige MFK kleiner is dan zijn voorganger (het MFK 2007-2013) en ontoereikend is gebleken om de dringende behoeften van de Unie te financieren;

5.  betreurt het feit dat dit voorstel rechtstreeks leidt tot een verlaging zowel van het niveau van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) als van dat van het cohesiebeleid, respectievelijk met 15 % en 10 %; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds (45 %) of voor het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (meer dan 25 %); heeft in verband hiermee vragen bij het voorstel het Europees Sociaal Fonds te verlagen met 6 %, ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

6.  herhaalt zijn krachtige standpunt met betrekking tot het vereiste niveau van financiering voor essentiële beleidsmaatregelen van de EU in het MFK 2021-2027, om ervoor te zorgen dat de taak hiervan kan worden uitgevoerd en de doelstellingen ervan kunnen worden gerealiseerd; benadrukt in het bijzonder het verzoek om de financiering van het GLB en het cohesiebeleid voor de EU-27 ten minste te handhaven op het niveau van de begroting 2014-2020 in reële termen, met inachtneming van de algemene architectuur van deze beleidsterreinen, om de huidige begroting voor het Erasmus+-programma te verdrievoudigen, om de specifieke financiering voor kmo's en de aanpak van de jeugdwerkloosheid te verdubbelen, om het huidige budget voor onderzoek en innovatie met minstens 50 % te verhogen tot 120 miljard EUR, om het Life+-programma te verdubbelen, om de investering via de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen aanzienlijk te verhogen en om te voorzien in aanvullende financiering voor veiligheid, migratie en externe betrekkingen; onderstreept bijgevolg zijn standpunt om het MFK 2021-2027 vast te stellen op het niveau van 1,3 % van het bni van de EU-27;

7.  benadrukt het feit dat de horizontale beginselen belangrijk zijn, die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's) en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de integratie van de SDG's in alle EU-beleid en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat de uitbanning van discriminatie essentieel is voor het nakomen van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa en betreurt het ontbreken van verbintenissen op het gebied van gendermainstreaming en gendergelijkheid in het EU-beleid dat met de voorstellen voor het MFK gepresenteerd is; onderstreept ook zijn standpunt dat op grond van de Overeenkomst van Parijs de klimaatgerelateerde uitgaven aanzienlijk moeten worden opgetrokken ten opzichte van het huidige MFK en zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2017 bij 30 % moeten liggen;

8.  steunt de voorstellen van de Commissie inzake de hervorming van het EU-stelsel van eigen middelen, dat een zeer positieve inkomstencomponent vormt van het MFK 2021-2027-pakket; is daarom ingenomen met de voorgestelde invoering van drie nieuwe eigen middelen van de EU en de vereenvoudiging van de huidige eigenmiddelenbron op basis van de btw; onderstreept het feit dat deze voorstellen, die rechtstreeks gebaseerd zijn op de werkzaamheden van de interinstitutionele groep op hoog niveau inzake eigen middelen, ook deel uitmaakten van het pakket dat het Parlement als voorstel naar voren heeft geschoven in zijn resolutie van 14 maart 2018; neemt met voldoening kennis van het feit dat deze nieuwe middelen overeenkomen met twee strategische doelstellingen van de Unie, namelijk een goede werking van de interne markt en de bescherming van het milieu en de strijd tegen de klimaatverandering; verwacht de steun van de Raad en de Commissie om de rol van het Parlement in de procedure voor de vaststelling van de eigen middelen te versterken; herhaalt nogmaals zijn standpunt dat de ontvangsten- en de uitgavenzijde van het volgende MFK tijdens de komende onderhandelingen moeten worden behandeld als één pakket en dat geen akkoord met het Parlement over het MFK kan worden bereikt, als niet tegelijk vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot de eigen middelen;

9.  is bovendien ingenomen met het principe dat toekomstige ontvangsten die rechtstreeks voortvloeien uit EU-beleid, moeten terugvloeien naar de EU-begroting en staat volledig achter de afschaffing van alle kortingen en correcties; vraagt zich af in welk tempo deze nieuwe eigen middelen zullen worden ingevoerd om de nationale bijdragen te verlagen; heeft evenwel vragen bij het ontbreken van voorstellen van de Commissie voor het aanleggen van een bijzondere reserve in de EU-begroting, te vullen met alle soorten onvoorziene ontvangsten, onder andere geldboeten die zijn opgelegd aan bedrijven in mededingingszaken, alsmede voor een belasting op de grote bedrijven in de digitale sector en de belasting op financiële transacties als nieuwe eigen middelen van de EU;

10.  herhaalt zijn standpunt vóór de invoering van een mechanisme waarbij lidstaten die de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde waarden niet eerbiedigen, hiervan financiële gevolgen kunnen ondervinden; neemt kennis van het voorstel van de Commissie over de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, dat is gepresenteerd als onderdeel van het totale MFK-pakket; is voornemens alle elementen van dit voorstel grondig te onderzoeken en de nodige bepalingen in te voeren om te garanderen dat de uiteindelijke begunstigden van de begroting van de Unie op geen enkele manier geschaad kunnen worden door schendingen van voorschriften waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn;

11.  is ervan overtuigd dat een wettelijk bindende en verplichte tussentijdse herziening van het MFK nodig is, die voldoende vroeg moet worden voorgesteld en vastgesteld om het volgende Parlement en de volgende Commissie in staat te stellen een betekenisvolle aanpassing van het kader 2021-2027 te realiseren; is voornemens de formulering van het voorgestelde artikel in de MFK-verordening te verbeteren;

12.  beschouwt de voorstellen van de Commissie inzake flexibiliteit als een goede basis voor de onderhandelingen; is met name ingenomen met diverse voorstellen ter verbetering van de huidige bepalingen, met name het hergebruik van vrijgemaakte kredieten voor de reserve van de Unie, de verhoogde toewijzingen voor speciale instrumenten en de verwijdering van alle beperkingen voor de overkoepelende marge voor de betalingen, overeenkomstig de verzoeken van het Europees Parlement op dit gebied; is voornemens te onderhandelen over aanvullende verbeteringen, indien nodig;

13.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees stabilisatiemechanisme voor investeringen, als aanvulling van de stabilisatiefunctie van de nationale begrotingen in geval van grote asymmetrische schokken; is voornemens dit voorstel nauwkeurig te onderzoeken, met name wat de doelstellingen en het volume ervan betreft;

14.  benadrukt het feit dat de voorstellen van de Commissie de officiële start zijn van een periode van intensieve onderhandelingen binnen de Raad, maar ook tussen de Raad en het Parlement, met het oog op de goedkeuring door het Parlement van de MFK-verordening; onderstreept dat alle elementen van het MFK/eigen middelen-pakket, inclusief de MFK-cijfers, op de onderhandelingstafel moeten blijven tot een definitieve overeenkomst is bereikt; spreekt zijn bereidheid uit om onmiddellijk een gestructureerde dialoog met de Raad te starten, teneinde te zorgen voor een beter begrip van de verwachtingen van het Parlement en een tijdig akkoord te faciliteren; beschouwt daarom de recente start van regelmatige vergaderingen tussen de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad en het onderhandelingsteam van het Parlement als een essentieel uitgangspunt in de procedure voor de vaststelling van het volgende MFK;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0076.


Libië
PDF 157kWORD 60k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 30 mei 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over Libië (2018/2017(INI))
P8_TA(2018)0227A8-0159/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien resolutie 2259 (2015) van de VN-Veiligheidsraad en daaropvolgende resoluties,

–  gezien het politieke akkoord over Libië,

–  gezien het verslag van 22 augustus 2017 van de secretaris-generaal van de VN over de VN-Ondersteuningsmissie in Libië,

–  gezien resolutie 1973 (2011) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en alle latere resoluties van de VN-Veiligheidsraad betreffende Libië, waaronder resolutie 2380 (2017),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN uit hoofde van resolutie 2312 (2016) van de Veiligheidsraad,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 14 november 2017 over het lijden van migranten in Libië dat het geweten van de mensheid kwelt,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van april 2018, getiteld "Misbruik achter de tralies: willekeurige en onwettige detentie in Libië",

–  gezien zijn resoluties van 18 september 2014(1), 15 januari 2015(2) en 4 februari 2016(3) over de situatie in Libië,

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 20 december 2017 over de situatie van migranten in Libië,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee,

–  gezien de EU-totaalaanpak van migratie en mobiliteit,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 25 januari 2017, getiteld "Migratie langs de centrale Middellandse Zeeroute – Migrantenstromen beheersen en levens redden" (JOIN(2017)0004),

–  gezien de verklaring van Malta van 3 februari 2017,

–  gezien de gezamenlijke strategie EU-Afrika en het actieplan,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de situatie van migranten in Libië, die overeengekomen is tijdens de top van de Afrikaanse Unie en de Europese Unie in 2017, en de oprichting van de trilaterale taskforce op hoog niveau tussen de AU, EU en de VN,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juli 2017 over Libië,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 oktober 2017,

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0159/2018),

A.  overwegende dat de situatie in Libië uiterst kwetsbaar is en het land met een aantal complexe, onderling samenhangende uitdagingen ten aanzien van de politieke stabiliteit, economische ontwikkeling en veiligheid geconfronteerd wordt;

B.  overwegende dat de crisis in Libië een enorme impact heeft op de bevolking van Libië en tevens een weerslag heeft op de hele omliggende regio en de EU, en dat het daarom van essentieel belang is om, ter wille van zowel de Libische bevolking als de naburige landen en de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara en de mediterrane regio, de politieke stabiliteit van Libië te garanderen, wat een essentiële voorwaarde is voor een verbetering van de economische en sociale toestand in het land;

C.  overwegende dat de stabiliteit in het zuiden van Libië een bijzonder punt van zorg is gezien de fragiele staat van zijn buurlanden met een potentieel jihadistische opstand die de verzwakte regeringen in de Sahel-/Sahararegio bedreigt;

D.  overwegende dat de EU proactiever moet communiceren over haar diplomatieke inspanningen en haar aanzienlijke financiële bijdrage aan de consolidatie van de veiligheid en de sociaaleconomische situatie in Libië;

E.  overwegende dat het conflict in Libië alleen kan worden opgelost door middel van een samenhangende, alomvattende en inclusieve aanpak waarbij alle internationale actoren en belanghebbenden, met inbegrip van vertegenwoordigers van de verschillende lokale gemeenschappen, stamhoofden en maatschappelijke activisten, worden betrokken en door aan Libië zeggenschap over en inclusiviteit van het vredesproces te waarborgen;

F.  overwegende dat het politieke akkoord over Libië en het VN-actieplan voor Libië nu het enige mogelijke kader vormen voor een oplossing van de crisis;

G.  overwegende dat de EU, middels diplomatieke acties en concrete steun, de politieke overgang van Libië naar een stabiel, functionerend land bijstaat en de door de VN geleide bemiddelingspogingen in dit opzicht steunt;

H.  overwegende dat het van het allergrootste belang is dat alle lidstaten met één stem spreken, dat de bemiddelingsinspanningen van de EU worden opgevoerd en dat de centrale rol van de VN en het actieplan van de VN worden benadrukt; overwegende dat afzonderlijke initiatieven van de lidstaten in elk geval alleen wenselijk zijn als zij binnen het Europese kader worden genomen en volledig in overeenstemming zijn met het buitenlands beleid van de EU;

I.  overwegende dat de acties van de EU hun vruchten beginnen af te werpen op het gebied van migratie, aangezien de cijfers eind 2017 een derde lager lagen dan in 2016 en de cijfers voor de eerste maanden van 2018 50 % lager liggen in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar;

J.  overwegende dat Libië een belangrijke plaats van doorvoer en vertrek is voor migranten, met name die van bezuiden de Sahara, die naar Europa trachten te komen; overwegende dat duizenden migranten en vluchtelingen, op de vlucht voor het geweld in Libië, zijn omgekomen bij hun poging om de Middellandse Zee over te steken op weg naar Europa;

K.  overwegende dat de migranten behoren tot degenen die het meeste te lijden hebben van de veiligheidsproblemen in Libië doordat zij dikwijls het slachtoffer zijn van geweld, arrestatie en arbitraire gevangenneming door niet-statelijke actoren, alsook van afpersing, ontvoeringen voor losgeld en uitbuiting;

L.  overwegende dat veel migranten, met name die van bezuiden de Sahara, geconfronteerd worden met willekeurige opsluiting door verschillende gewapende groepen in het land;

M.  overwegende dat het feit dat Niger minstens 132 Soedanezen die hulp van de UNHCR kregen, onder dwang naar Libië heeft teruggestuurd, een bron van grote zorg is;

N.  overwegende dat het probleem van intern ontheemden blijft bestaan en dat deze mensen dikwijls worden geconfronteerd met ernstige risico's zoals het doorkruisen van conflictgebieden, de aanwezigheid van landmijnen en niet-ontplofte bommen, alsook het geweld van de verschillende milities;

O.  overwegende dat Libië een doorreisland voor mensenhandel is geworden; overwegende dat er nog honderdduizenden migranten en asielzoekers van verschillende nationaliteiten in Libië verblijven, vaak in erbarmelijke levensomstandigheden, waardoor zij een prooi vormen voor mensenhandelaars; overwegende dat er aantijgingen zijn van slavernij in Libië;

P.  overwegende dat het dagelijkse leven van de gewone burger in Libië wordt gekenmerkt door steeds moeilijkere leefomstandigheden, die nog verder worden bemoeilijkt door een geldcrisis, waterstoringen en veelvuldige stroomonderbrekingen en dat de gezondheidszorg in het land ronduit catastrofaal is;

Q.  overwegende dat het politieke klimaat in Libië wordt gekenmerkt door een diepgeworteld wantrouwen tussen de belangrijkste politieke en militaire spelers uit de verschillende regio's;

R.  overwegende dat de internationaal erkende regering van nationale overeenkomst (GNA) voor haar eigen veiligheid steeds meer afhankelijk is van verscheidene milities; overwegende dat deze milities nog nooit zoveel invloed hebben gehad op de staatsinstellingen in Tripoli, wat een bedreiging vormt voor de aan de gang zijnde pogingen van de VN om een levensvatbaarder politiek kader in het land te creëren;

S.  overwegende dat landen zoals Turkije, Qatar, Egypte en de VAE een significante invloed hebben op diverse groeperingen van de strijdende partijen;

T.  overwegende dat de subnationale identiteiten van de verschillende Libische gemeenschappen, de stammen of de etnische groepen altijd al het sociaal-culturele basisweefsel van Libië hebben gevormd en een essentiële rol spelen in de sociale en politieke dynamiek en de veiligheidskwesties van het land; overwegende dat de Libische samenleving een sterke traditie heeft van processen om onenigheden tussen steden, stammen en etnische gemeenschappen informeel op te lossen;

U.  overwegende dat op dit moment in het land geen duidelijk en algemeen geaccepteerd wetgevend kader bestaat met betrekking tot het kiesstelsel; overwegende dat er geen grondwet is aangenomen, waardoor het land niet over het nodige rechtskader beschikt om nieuwe verkiezingen te houden; overwegende dat het huidige klimaat van straffeloosheid, wijdverspreide wetteloosheid en corruptie alsmede de rol van gewapende groepen en van de tribale en regionale spanningen in Libië eraan bijdragen dat het vertrouwen in de toch al zwakke openbare en bestuurlijke instellingen nog verder afneemt;

V.  overwegende dat in Libië sprake is van een voortdurende toename van buitengerechtelijke moorden, foltering, willekeurige detentie en willekeurige aanvallen op woongebieden en infrastructuur, alsook toenemende haatzaaiende uitlatingen en aansporing tot geweld;

W.  overwegende dat de extremistische groepering van de madkhalisten-salafisten zowel in het oosten als in het westen van Libië steeds sterker en relevanter wordt; overwegende dat de madkhalisten tegen verkiezingen zijn, de status quo willen handhaven, elk democratisch model volledig verwerpen en zwaar gewapend zijn, en dus een concreet risico vormen van verder extremisme en geweld in het land;

X.  overwegende dat de instorting van het strafrechtssysteem de straffeloosheid in het land bevordert, waardoor de mogelijkheden voor slachtoffers om bescherming en bijstand te krijgen worden beperkt; overwegende dat in diverse regio's, zelfs in gevallen waar politieverslagen zijn ingediend naar aanleiding van een misdrijf, weinig actie is ondernomen om snel een uitvoerig, doeltreffend, onpartijdig en onafhankelijk onderzoek in te stellen en daders voor het gerecht te brengen; overwegende dat sinds 2011 in Libië geen enkele dader van een misdrijf als lid van een gewapende groepering is veroordeeld;

Y.  overwegende dat de geweldsspiraal in Libië voortdurend is gevoed door een algehele straffeloosheid voor ernstige mensenrechtenschendingen; overwegende dat, tenzij dit naar behoren wordt aangepakt, het voortdurende ontbreken van de rechtsstaat het voorhouden van vreedzame co-existentie en de bestrijding van gewelddadig extremisme geen betekenis meer zal hebben voor de bevolking;

Z.  overwegende dat tientallen politieke en mensenrechtenactivisten, mediaprofessionals en andere prominente personen ontvoerd of bedreigd zijn; overwegende dat de VN meldingen heeft ontvangen van willekeurige detentie, marteling en mishandeling door beide partijen;

AA.  overwegende dat escalerende aanvallen op leden van de rechterlijke macht, lokale maatschappelijke organisaties, mensenrechtenactivisten en mediawerkers – evenals vluchtelingen en migranten – de verslechtering van de mensenrechtensituatie voor alle burgers op het Libische grondgebied hebben bespoedigd; overwegende dat het ontbreken van de rechtsstaat en de straffeloosheid voor ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder foltering, willekeurige detentie, buitengerechtelijke moorden en willekeurige aanvallen op burgers en infrastructuur, de geweldsspiraal in het land blijven voeden;

AB.  overwegende dat de poreuze Libische grenzen illegale handel over de grens bevorderen en dat de verspreiding van gewapende groepen in de grensgebieden recent de strijd tussen rivaliserende handelaren over controle over en toegang tot de grensoverschrijdende hulpbronnen heeft verergerd; overwegende dat de buitenlandse strijders die naar het land komen, evenals de verschillende criminele netwerken, blijven profiteren van de ongecontroleerde verspreiding van wapens;

AC.  overwegende dat de onveiligheid en de politieke instabiliteit Libië tot een vruchtbaar gebied voor activiteiten van extremistische groepen heeft gemaakt; overwegende dat de regio Fezzan structureel instabiel is en historisch gezien een doorreisgebied naar Europa is voor vluchtelingen en migranten, alsmede voor de smokkel van olie, goud, wapens en drugs, en voor mensenhandel; overwegende dat deze regio ook wordt gekenmerkt door etnische en tribale spanningen, die sterker zijn geworden na de val van Kadhafi, en door de strijd om de controle over de hulpbronnen van het land; overwegende dat de stabilisering van Fezzan essentieel is voor de stabilisering van het gehele land;

AD.  overwegende dat de lokale Libische autoriteiten belangrijk zijn voor het voorkomen van conflicten en het leveren van essentiële openbare diensten aan de bevolking;

AE.  overwegende dat de stad Derna sinds 7 mei 2018 steeds hevigere grond-, lucht- en artillerieaanvallen te verduren krijgt; overwegende dat tal van burgers zijn gedood, dat hulpverleners en medisch personeel nauwelijks toegang krijgen en dat de humanitaire situatie dramatisch is;

AF.  overwegende dat een officiële delegatie van het Parlement van 20 t/m 23 mei 2018 een bezoek aan Libië heeft gebracht;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

   a) de sterkste steun voor het in september 2017 door de speciale vertegenwoordiger van de VN Ghassan Salamé gepresenteerde VN-actieplan voor Libië te garanderen met het oog op de stabilisatie van Libië en een politiek en inclusief nationaal verzoeningsproces, waardoor alle Libische actoren, inclusief alle inheemse entiteiten, een stabiele en langdurige politieke overeenkomst kunnen bereiken en de gepaste aandacht besteden aan de betrokkenheid van vrouwen en minderheden; rekening te houden met de resultaten van de inclusieve raadplegingsprocessen die op 21 mei 2018 aan de VN-Veiligheidsraad zijn gepresenteerd; elke poging om het door de VN geleide vredesproces te ondermijnen, nadrukkelijk te veroordelen; te blijven samenwerken met de VN-Ondersteuningsmissie in Libië (UNSMIL);
   b) hun diplomatieke inspanningen op te voeren ter ondersteuning van het VN-plan en ter consolidering van de inspanningen van de Libische regering om politieke consensus te bereiken, veiligheid te garanderen en haar gezag uit te breiden naar het hele grondgebied van Libië, buiten de strikte territoriale beperking van de internationaal erkende regering van nationale eenheid, als een noodzakelijke voorwaarde voor een inclusieve politieke oplossing ten behoeve van de stabilisatie, wederopbouw en verzoening van het land, voor staatsopbouw alsook voor elke vredeshandhavingsoperatie gebaseerd op democratie, de rechtsstaat en mensenrechten; ervoor te zorgen dat de zeggenschap over het stabilisatieproces en het besluit over de toekomstige staatsvorm bij de Libiërs komen te liggen; steun te geven aan de versterking van mechanismen en lokale bevoegdheden in het land met betrekking tot bemiddeling en oplossing van geschillen en deze te koppelen aan het actieplan van de Verenigde Naties als onderdeel van een samenhangende en geïntegreerde aanpak die leidt tot concrete en duurzame resultaten;
   c) steun te verlenen aan de zogenaamde "town hall meetings" die in verschillende gemeenten onder auspiciën van de VN plaatsvinden, als een doeltreffend bottom-up verzoeningsinitiatief dat tot doel heeft de dialoog tussen de verschillende gemeenschappen aan te moedigen en zo concreet bij te dragen tot de ontwikkeling van een duurzame en levensvatbare oplossing voor de Libische crisis en bij te dragen tot de totstandbrenging van een nationale cultuur van burgerzin;
   d) te werken aan manieren ter bevordering van institutionele opbouw, de opbouw van een echte burgermaatschappij en het weer op gang brengen van de economie, en af te stappen van een onder te grote druk staande openbare dienstverlening en duurzame ontwikkeling van de particuliere sector te bevorderen, hetgeen nodig is om stabiliteit en welvaart op de lange termijn in het land te waarborgen;
   e) Libische inspanningen te steunen om te werken aan een nieuwe grondwettelijke orde die een formule moet behelzen voor de rechtvaardige verdeling van de olierijkdom alsook een duidelijke afbakening van taken en verplichtingen van de historische regio's enerzijds en een eventuele nationale regering anderzijds; eraan te herinneren dat een dergelijke nieuwe grondwet, die deels zou kunnen worden geïnspireerd op elementen van de gewijzigde grondwet van 1963, zou kunnen bijdragen aan inspanningen om nationale verkiezingen te organiseren die alleen moeten plaatsvinden nadat de nieuwe grondwet is aangenomen en daadwerkelijk aan de vereiste voorwaarden is voldaan om een hoge opkomst alsook acceptatie door de bevolking en legitimiteit te waarborgen;
   f) verder voorrang te verlenen aan werkzaamheden in de EU-instellingen over hoe alle aspecten van de Libische crisis beter kunnen worden aangepakt en welke instrumenten en sectoren kunnen worden betrokken, onder meer door meer aandacht te besteden aan de lokale dynamiek, hoe een doeltreffende alomvattende benadering van het land kan worden ingesteld en met alle instellingen en de lidstaten eensgezindheid qua doel en initiatief te tonen om de samenhang van de maatregelen van alle betrokken actoren te garanderen, als onderdeel van een bredere regionale strategie;
   g) hun aanwezigheid, zichtbaarheid en begrip van de complexiteit van de situatie in het land te vergroten door de EU-delegatie opnieuw in Tripoli te vestigen en opnieuw vast EU-personeel naar de delegatie te sturen;
   h) te blijven benadrukken dat er geen militaire oplossing kan zijn voor de crisis in Libië en opnieuw te bevestigen dat alle partijen en gewapende groeperingen in Libië zich moeten houden aan artikel 42 van het politieke akkoord over Libië, de beginselen van het internationale humanitaire recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten eerbiedigen en zich moeten onthouden van gewelddadige retoriek en van het gebruik van geweld, en dat er gedemobiliseerd moet worden en dat er gestreefd moet worden naar een vreedzame oplossing voor het conflict om zo verdere schade en verder verlies van mensenlevens te vermijden; is van mening dat de onderhandelingen erop gericht moeten zijn om de Libische veiligheidskrachten uit alle regio's samen te brengen om een door burgers gecontroleerde nationale veiligheidsstructuur te bouwen onder de inclusieve internationaal erkende Libische regering, met waarborging van transparantie en verantwoordingsplicht en met eerbiediging van de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, en moeten leiden tot de ondertekening van een protocol waarin alle gewapende groeperingen zich ertoe verbinden het gebruik van dwang en geweld af te zweren, in het kader van een coherent en alomvattend proces voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie en hervorming van de veiligheidssector uitgaande van de Skhirat-beginselen van non-discriminatie en transparantie; is van mening dat de ondertekening van zo'n protocol de tenuitvoerlegging van de vredesovereenkomst die het pad effent naar vrije en eerlijke verkiezingen mogelijk moet maken en economische en financiële stimulansen met zich mee moet brengen en de ondertekenaars ertoe moet aanzetten aan de opbouw van nieuwe staatsinstellingen te werken;
   i) in gedachten te houden dat er op maat gesneden programma's moeten worden ontwikkeld om individuele personen, en niet groepen, uit milities te integreren in het reguliere veiligheidsapparaat, zodat verdeelde loyaliteit wordt beperkt;
   j) de inspanningen van de VN te steunen die beogen om tegen eind 2018, en pas nadat er een nieuwe grondwet is aangenomen, verkiezingen in Libië te houden; in het bijzonder de inspanningen te steunen om kiezers in te schrijven aangezien momenteel slechts ongeveer 50 % van de kiesgerechtigden is geregistreerd; ervoor te zorgen dat overeenkomst over een overgangsregeling vóór de verkiezingen wordt bereikt om het vertrouwen terug te winnen en bijgevolg de internationale en nationale legitimiteit van de nieuwe regering te versterken; het proces voor het instellen van een valide constitutioneel kader en van het gehele verkiezingsproces te ondersteunen, ook in technisch opzicht, door mogelijke financiële bijdragen van Europa te verbinden aan het invoeren van een kieswet die formeel en in essentie de internationale beginselen aanvaardt die zijn vastgesteld door de Commissie van Venetië;
   k) druk uit te oefenen op degenen die de politieke vredesbesprekingen belemmeren en het VN-wapenembargo op doeltreffende wijze tegen Libië af te dwingen; het invoeren van nieuwe sancties tegen degenen die illegale olieafspraken steunen, te overwegen;
   l) de samenwerking met alle internationale organisaties en andere actoren ter plaatse te intensiveren ter versterking van de samenhang en convergentie van de internationale actie; de diplomatieke inspanningen met alle regionale actoren en buurlanden op te voeren om ervoor te zorgen dat zij bijdragen tot een positieve oplossing voor de crisis in Libië in overeenstemming met het VN-actieplan, het enige mogelijke kader voor een oplossing van de crisis; zich te scharen achter het aan de gang zijnde proces van de nationale conferentie in Libië met als doel een overeenkomst te bereiken tussen de verschillende Libische partijen over de volgende stappen om de overgang te voltooien; regionale actoren, waaronder Egypte, te weerhouden van unilateraal of multilateraal militair optreden zonder enige rechtsgrondslag of zonder de politieke goedkeuring van de Libische regering;
   m) steun te verlenen middels het inzetten van wetgevers, rechters en gespecialiseerde aanklagers in Libië die bijstand kunnen verlenen bij de herziening van wetten inzake terrorismebestrijding en ervoor te zorgen dat zij van het nodige worden voorzien om zaken van terrorismebestrijding voor te zitten en uit te voeren overeenkomstig het rechtssysteem;
   n) in een bredere, regionale en pan-Afrikaanse context na te denken over de crisis in Libië, rekening houdend met het feit dat Libië essentieel is voor de stabiliteit van Noord-Afrika, de Sahel en het Middellandse Zeegebied; Libische samenwerking met de buurlanden in de Sahel te bevorderen en te vergemakkelijken; als deel van dit proces, rekening te houden met de impact van de situatie in Libië op de dynamiek en de uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd; een alomvattend beleid voor Libië te ontwikkelen waarin rekening wordt gehouden met het regionale en pan-Afrikaanse perspectief dat een breder ontwikkelings-, veiligheids- en migratiebeleid, de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de bestrijding van terrorisme, slavernij en uitbuiting omvat; ervoor te zorgen dat dit beleid wordt ondersteund door gepaste en voldoende financiering voor de uitvoering ervan, met inbegrip van het volgende meerjarig financieel kader, zodat concrete resultaten kunnen worden verwezenlijkt; waar mogelijk banden tussen Operation Sea Guardian van de NAVO en EUNAVFOR Med operation Sophia voort te zetten en te intensiveren;
   o) te zorgen voor een permanente en actieve betrokkenheid bij inspanningen op het gebied van terrorismebestrijding en bestrijding van mensenhandel, niet alleen middels slimme integratie, financiële samenwerking en tactische ondersteuning, maar ook met behulp van sociale en onderwijsprogramma's voor de gezondheidszorg en het onderwijs die de opleiding en de inzet van sociale actoren en belangrijke opinieleiders ondersteunen om gewelddadig extremisme te bestrijden, en een boodschap van co-existentie en vreedzame samenwerking bevorderen;
   p) er rekening mee te houden dat er in Libië, hoewel Daesh/IS er misschien aanzienlijk is verzwakt, nieuwe vormen van extremisme, zoals het madkhalisme, de kop opsteken; in gedachten te houden dat het meest doeltreffende antwoord op de aanwezigheid van radicale milities in het land uiteindelijk in de oprichting van inclusieve binnenlandse instellingen ligt die de rechtsstaat kunnen handhaven, in openbare diensten en lokale veiligheid kunnen voorzien en de groeperingen die de stabiliteit van het land en de hele regio bedreigen, doeltreffend kunnen bestrijden;
   q) krachtens de Verklaring van Parijs van 25 juli 2017 ervoor te zorgen dat de EU-middelen doeltreffend worden ingezet om intergouvernementele coördinatie in het herstel van de openbare infrastructuur via de stabilisatiefaciliteiten van de EU te waarborgen; prioriteit te verlenen aan de financiering voor projecten die actoren steunen die verantwoordingsplicht en democratische verandering bevorderen en die verzoening en een lokaal ingebedde dialoog en regelingen voor geschillenbeslechting bevorderen, waarbij jongeren en vrouwen worden betrokken om hen ervan te weerhouden zich schuldig te maken aan criminele activiteiten, zoals zich aansluiten bij milities die zich bezighouden met mokkel en illegale handel; het maatschappelijk middenveld, met name mensenrechtenactivisten, te blijven versterken en het politieke proces, de veiligheid en bemiddelingsactiviteiten te ondersteunen via het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP); de uitvoering van op lokaal en nationaal niveau representatief bestuur te bevorderen om beter tegemoet te komen aan de uitdagingen ten aanzien van verzoening, stabilisatie en herstel van de veiligheid; ervoor te zorgen dat het geld in het kader van het EU-noodtrustfonds alleen wordt toegekend indien het de oorspronkelijke doelstellingen beoogt en gepaard gaat met een degelijke analyse van de lokale autoriteiten en de begunstigden en met een daaropvolgende evaluatie;
   r) gemeenten te steunen bij de verlening van essentiële diensten en het opzetten van lokaal bestuur; te zorgen voor een basislevensstandaard voor de bevolking, rekening houdend met het feit dat een beter begrip van het lokale politieke en economische systeem van cruciaal belang is om het verzoeningsproces dichter bij de bevolking te brengen en om illegale mensenhandel te bestrijden; te waarborgen dat de EU-middelen doeltreffend worden ingezet voor projecten die de Libische bevolking en het maatschappelijk middenveld helpen; communicatie tussen maatschappelijke organisaties en lokale regeringsinstanties te bevorderen;
   s) initiatieven te steunen zoals die van het verzoeningscomité Misrata-Tawergha, waarbij de twee steden Misrata en Tawergha op basis van een doctrine van vreedzame co-existentie tot een akkoord zijn gekomen dat de weg vrijmaakt voor de terugkeer van de ontheemde inwoners van Tawergha naar hun stad;
   t) de Libische instellingen verder aan te sporen doeltreffender en transparanter te werken aan de verbetering van de levensomstandigheden van alle Libiërs, onder meer middels het herstel van prioritaire openbare diensten en de wederopbouw van openbare infrastructuur, en het economisch bestuur van het land te verbeteren, de liquiditeitscrisis op te lossen en de nodige economische en financiële hervormingen uit te voeren, die door de internationale financiële instellingen worden vereist om economisch herstel en stabilisatie te helpen; het land bij te staan bij de totstandbrenging van een markteconomie die alle Libiërs kan dienen; er bij de Libische autoriteiten op aan te dringen ervoor te zorgen dat inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen en daaruit voortvloeiende voordelen worden geëxploiteerd ten gunste van de gehele bevolking, ook op lokaal niveau; de Libische autoriteiten te verzoeken hoge normen van transparantie in de binnenlandse winningsindustrie na te leven en in het bijzonder de vereisten van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) zo snel mogelijk na te leven; de Libische autoriteiten te helpen bij de strijd tegen elke onwettige activiteit die de nationale economie belemmert, zoals onlangs vermeld in het tussentijds verslag van het panel van deskundigen dat is opgericht naar aanleiding van resolutie 1973 (2011) betreffende Libië;
   u) mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht met klem te blijven veroordelen en de inspanningen om humanitaire bijstand te verlenen aan de bevolking in nood en alle delen van het land, met name ten aanzien van de volksgezondheid en energiefaciliteiten, te intensiveren; de doeltreffendheid van humanitaire financiële bijstand te verhogen en de steun voor en samenwerking met de humanitaire organisaties ter plaatse te versterken; de talrijke, voortdurend toenemende pogingen om de ruimte voor het maatschappelijk middenveld te beperken, met name via een repressief juridisch kader, aanvallen op mensenrechtenactivisten en de rechterlijke macht, te veroordelen; de AU, de VN en de EU te vragen te blijven samenwerken en sterke maatregelen te nemen voor een onmiddellijke beëindiging van deze mensenrechtenschendingen; het maatschappelijk middenveld te versterken en steun te geven aan de ontwikkeling en onafhankelijkheid van de lokale media;
   v) de inspanningen op te voeren ten aanzien van het door de EU gefinancierde noodevacuatiemechanisme van het UNHCR dat het mogelijk heeft gemaakt ongeveer 1 000 zeer kwetsbare vluchtelingen die bescherming nodig hadden uit Libië te evacueren; de Libische tegenhangers aan te sporen het huidige aantal nationaliteiten waar het UNHCR momenteel van Libië mee mag samenwerken, uit te breiden;
   w) de kwestie van onregelmatige migratie via en uit Libië aan te pakken, rekening houdend met het feit dat een duurzame, doeltreffende en werkbare oplossing is vereist die de dieperliggende oorzaken van migratie in Afrika in de landen van herkomst en transit moet aanpakken en de wettelijke basis voor internationale migratieprocessen te definiëren, die momenteel zijn gebaseerd op hervestiging via het noodtransitmechanisme of directe hervestiging; de inspanningen van de EU te richten op de bescherming van migranten in Libië; de Libische autoriteiten bij te staan om te zorgen voor de terugkeer van intern ontheemden naar hun huizen en bij de ondersteuning van lokale gemeenschappen om de uitdagingen aan te pakken en daarbij ervoor te zorgen dat de terugkeer van intern ontheemden niet slechts een eenvoudige uitruil vormt tussen een geldelijke vergoeding ten voordele van de verschillende milities en het recht op terugkeer; de internationale gemeenschap te wijzen op de noodzaak van maatregelen om ontwikkelings-, mensenrechten- en veiligheidsproblemen in Libië en de Sahel-/Sahararegio aan te pakken, met inbegrip van middelen om mensenhandel en de smokkel van migranten te bestrijden; te waarborgen dat maatregelen om mensenhandel te bestrijden niet in de weg staan van het vrije verkeer met het oog op de economische ontwikkeling van de regio;
   x) de gezamenlijke inspanningen van de EU, de Afrikaanse Unie en de VN om de bescherming van migranten en vluchtelingen in Libië op te voeren, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan kwetsbare individuen; onmiddellijk een diepgaand onderzoek in te stellen naar de aantijgingen van mishandeling en onmenselijke behandeling van migranten en vluchtelingen in Libië door criminele groepen, alsook naar klachten wegens slavernijpraktijken; initiatieven te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat dergelijke incidenten zich in de toekomst niet meer voordoen; de omstandigheden van vluchtelingen en migranten in detentiecentra te verbeteren en er bij de Libische autoriteiten op aan te dringen de voorzieningen die niet in overeenstemming met internationale normen blijken te zijn, zo spoedig mogelijk te sluiten; de in samenwerking met de VN en de Afrikaanse Unie geleverde inspanningen op het gebied van begeleide vrijwillige terugkeer en hervestiging te blijven voortzetten en op te voeren en in deze context het belang niet uit het oog te verliezen van de afschaffing van de Libische vereiste van "uitreisvisa; de Libische autoriteiten aan te moedigen een halt toe te roepen aan willekeurige detentie en de detentie van kwetsbare personen, met name kinderen, te vermijden; ervoor te zorgen dat migranten worden behandeld op een manier die overeenstemt met de relevante internationale mensenrechtennormen en de noodzakelijke financiering van de EU-begroting eraan toe te kennen; Libië te verzoeken het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het protocol daarbij van 1967 te tekenen en te ratificeren; ervoor te zorgen dat de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer (EUBAM) in Libië en EUNAVFOR MED (operation Sophia) zich gezamenlijk richten op hoe een halt kan worden toegeroepen aan illegale activiteiten, waaronder de smokkel van migranten, mensenhandel en terrorisme in het centrale Middellandse Zeegebied; ervoor te zorgen dat EUBAM, overeenkomstig haar mandaat, actief blijft samenwerken met en bijstand verleent aan de Libische instanties op prioritaire gebieden ten aanzien van grensbeheer, wetshandhaving en het bredere strafrechtssysteem;
   y) inspanningen te blijven leveren om alle daden met betrekking tot mensensmokkel en -handel in, via en uit het Libische grondgebied en voor de kust van Libië tegen te gaan, omdat deze daden het proces van stabilisatie van Libië ondermijnen en het leven van duizenden mensen in gevaar brengen; in dat opzicht te waarborgen dat de EU haar bijdrage blijft verlenen om deze problemen te bestrijden door de Libische tegenhangers bij te staan bij de opbouw van de reeds lang vereiste capaciteit om de lands- en zeegrenzen veilig te stellen en met de Libische autoriteiten samen te werken om een alomvattende strategie voor grensbeheer in te stellen;
   z) steun te verlenen aan een duurzame oplossing voor de meer dan 180 000 binnenlands ontheemden in Libië, waaronder ongeveer 40 000 voormalige inwoners van Tawargha, middels mogelijkheden op het gebied van hervestiging of vergemakkelijking van een veilige terugkeer naar hun huizen en middels meer steun aan het UNHCR en de IOM hiervoor;
   aa) het fenomeen van hybridisatie tussen de activiteiten van internationale criminele groepen en terroristische groepen aan te pakken door grondig onderzoek te verrichten naar met name mensenhandel en seksueel geweld tijdens conflicten;
   ab) steun te verlenen aan de samenwerking met de Libische kustwacht waardoor tussen januari en eind oktober 2017 bijna 19 000 migranten in Libische territoriale wateren konden worden gered; de Libische autoriteiten bij te staan bij het formeel bekendmaken van hun opsporings- en reddingsgebied (SAR), een reeks duidelijke operationele standaardprocedures voor ontscheping in te stellen en te zorgen voor een goed werkend monitoringsysteem van de Libische kustwacht teneinde een duidelijk en transparant register op te zetten van alle personen die aan de Libische kust worden ontscheept, en erop toe te zien dat zij naar behoren worden opgevangen overeenkomstig de internationale humanitaire normen; nauwer samen te werken met de Libische autoriteiten om de voorbereidende werkzaamheden voor een maritiem reddingscoördinatiecentrum in Libië op te voeren met het oog op het verbeteren van hun opsporings- en reddingscapaciteit; te zorgen voor de voortzetting van door de IOM en het UNHCR geboden gespecialiseerde opleiding aan de Libische kustwacht op het gebied van internationale bescherming, vluchtelingenrecht en mensenrechten;
   ac) hun humanitaire en civiele hulp te intensiveren om het lijden van de Libische bevolking te verlichten en te voorzien in de meest urgente behoeften van personen die ernstig te lijden hebben onder het conflict in Libië, met name in de meest getroffen gebieden, en klaar te staan om te reageren op een verslechtering van de situatie; ervoor te zorgen dat de EU zich inzet voor een sterkere positie van maatschappelijke organisaties, met name vrouwenorganisaties, die niet-gewelddadige oplossingen zoeken voor de meervoudige crises in het land;
   ad) alle vereiste financiële en personele middelen vrij te maken om vluchtelingen te helpen en passende humanitaire hulp te bieden aan ontheemden om het hoofd te bieden aan de humanitaire crisis in Libië, die duizenden mensen ertoe heeft genoopt het land te verlaten;
   ae) internationale inspanningen op te voeren om netwerken op het gebied van migrantensmokkel en mensenhandel op te rollen en inspanningen ter bestrijding van deze misdrijven te intensiveren en de daders voor de rechter te brengen; de activiteiten van EUNAVFOR MED (operation Sophia) voort te zetten en te intensiveren om het bedrijfsmodel van mensenhandelaars en -smokkelaars te verstoren, de capaciteit van de Libische kustwacht te vergroten en de uitvoering van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het wapenembargo en illegale handel in olie te ondersteunen; Libië te blijven ondersteunen door middel van civiele GVDB-missies; aan te dringen op een grotere opsporings- en reddingscapaciteit voor personen in nood, de inzet van een grotere capaciteit door alle staten en de erkenning van de ondersteuning door particuliere actoren en ngo's bij het uitvoeren van reddingsoperaties op zee en op het land, rekening houdend met het bestaande internationale rechtskader en veiligheidskwesties;
   af) opnieuw hun volledige steun te betuigen aan het mandaat van het Internationaal Strafhof inzake aanhoudende schendingen van de mensenrechten in Libië en niet uit het oog te verliezen dat internationale mechanismen voor verantwoordingsplicht zoals het ICC en universele rechtsmacht een belangrijke rol spelen in de tenuitvoerlegging van het vredesplan in een kader dat stappen naar verantwoordingsplicht en de eerbiediging van mensenrechten in Libië uiteenzet; het Internationaal Strafhof te steunen bij zijn inspanningen om daders van gruweldaden voor de rechter te brengen; de speciale vertegenwoordiger van de VN voor Libië te steunen bij zijn verzoek van november 2017 aan de internationale gemeenschap om Libië bij te staan bij het bestrijden van straffeloosheid voor oorlogsmisdaden en mogelijkheden op het gebied van gezamenlijke rechtbanken te bekijken; de EU en de lidstaten te verzoeken internationale mechanismen te steunen om het nationale rechtssysteem te voorzien van alle nodige middelen om een onderzoek in te stellen naar eerdere en actuele ernstige schendingen en de toekomstige legitieme Libische autoriteiten te steunen om zelf deze taak te volbrengen; in acht te nemen dat een eerlijke rechtsgang gerechtigheid voor alle slachtoffers van mensenrechtenschendingen op het Libische grondgebied zou bieden en dat dit het pad naar duurzame verzoening en vrede zal effenen;
   ag) gehoor te geven aan de bezorgdheid van het Parlement over de toenemende aanwezigheid van Daesh en andere terroristische groeperingen in Libië, hetgeen het land destabiliseert en een bedreiging vormt voor de buurlanden en de EU;
   ah) met name de Libische overheid en milities te verzoeken om externe instanties toegang te verschaffen tot detentiecentra, met name die voor migranten;
   ai) de situatie te verduidelijken ten aanzien van de uitkering van dividenden uit aandelen, inkomsten uit obligaties en rente over de bevroren activa in de EU van de Libische investeringsautoriteit; een uitvoerig verslag te verstrekken over de totale rente over de activa van Kadhafi nadat zij in 2011 zijn bevroren, alsook een lijst van de individuen of entiteiten die van deze rentebetalingen hebben geprofiteerd; het zorgpunt wat betreft een mogelijke lacune in het EU-sanctiebeleid ten aanzien van deze kwestie als prioriteit te stellen;
   aj) projecten te bevorderen die zijn gericht op de economische ontwikkeling van de regio van Fezzan en van de legale economie door nauw samen te werken met de verschillende gemeenten, met name degene langs de migratieroutes, om de illegale activiteiten van criminele en het gewelddadige extremisme van terroristische groepen tegen te gaan door het scheppen van alternatieve inkomstenbronnen, met name voor jongeren;
   ak) het embargo op de export van wapens naar Libië in stand te houden, om zo te voorkomen dat wapens in handen blijven vallen van extremisten en gewapende groepen, een factor die uiteindelijk de onveiligheid en de instabiliteit van het gehele Libische grondgebied vergroot;
   (al) dringend diplomatieke actie te ondernemen om de burgerbevolking te beschermen en de humanitaire situatie in Derna aan te pakken;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Libische regering van nationale eenheid.

(1) PB C 234 van 28.6.2016, blz. 30.
(2) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 21.
(3) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 66.


Jaarverslag over de werking van het Schengengebied
PDF 162kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de werking van het Schengengebied (2017/2256(INI))
P8_TA(2018)0228A8-0160/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 september 2017 over de instandhouding en de versterking van Schengen (COM(2017)0570),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2016 getiteld “Terug naar Schengen – Een stappenplan” (COM(2016)0120),

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht(1),

–  gezien de Schengengrenscode, en met name de artikelen 14 en 17,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol)(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur)(3),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0160/2018),

A.  overwegende dat het Schengengebied een unieke regeling is en een van de grootste verwezenlijkingen van de Europese Unie, op grond waarvan personen zich binnen het Schengengebied vrij kunnen verplaatsen zonder controles aan de binnengrenzen; overwegende dat dit mogelijk is gemaakt door een reeks compenserende maatregelen, zoals een versterking van de informatie-uitwisseling door de oprichting van het Schengeninformatiesysteem (SIS) en de instelling van een evaluatiemechanisme om de toepassing van het Schengenacquis door de lidstaten te controleren en het wederzijds vertrouwen in het functioneren van het Schengengebied te bevorderen; overwegende dat wederzijds vertrouwen ook solidariteit, veiligheid, justitiële en politiële samenwerking in strafzaken, gezamenlijke bescherming van de buitengrenzen van de EU, een gemeenschappelijk standpunt en gemeenschappelijk beleid op het gebied van migratie, visum en asiel, en eerbiediging van het internationale recht en het Europees recht op dit gebied vereist;

B.  overwegende dat de afgelopen jaren diverse factoren invloed op het functioneren van het Schengengebied hebben gehad; overwegende dat deze factoren onder andere de impact van internationale verplaatsingen en toeristenstromen die oorspronkelijk aan de basis lagen van de wetgeving inzake slimme grenzen betreffen, alsook het aanzienlijke aantal asielzoekers en irreguliere migranten met daaraan gerelateerde secundaire bewegingen en de daarop volgende herinvoering en verlenging van interne grenscontroles door sommige lidstaten sinds 2014; overwegende dat de herinvoering van controles aan de binnengrenzen verband lijkt te houden met heersende ideeën over bedreigingen voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid in verband met het verkeer van personen en terrorisme, het aantal personen dat internationale bescherming verlangt en het aantal irreguliere migranten, en niet gebaseerd lijkt te zijn op degelijk bewijs voor het bestaan van een ernstige dreiging of het daadwerkelijke aantal personen dat aankomt; overwegende dat deze factoren ook terrorisme omvatten en een verhoogde bedreiging voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid van de lidstaten;

C.  overwegende dat de versterking van de buitengrenzen van de EU en de invoering van systematische controles aan de hand van relevante databanken, ook voor de Europese burgers, tot de maatregelen behoorden die zijn genomen voor de bescherming van het Schengengebied;

D.  overwegende dat bepaalde lidstaten tot invoering van controles aan hun binnengrenzen zijn overgegaan als gevolg van de aankomst van asielzoekers en vluchtelingen, teneinde de bewegingen te "reguleren" van onderdanen van derde landen op zoek naar internationale bescherming, hoewel artikel 14, lid 1, van de Schengengrenscode bepaalt dat de "normale grensprocedure" niet van toepassing is op asielzoekers; overwegende dat de invoering van een billijk en solidair systeem ter verdeling van de verantwoordelijkheden met betrekking tot de beoordeling van asielaanvragen nodig is;

E.  overwegende dat de Commissie sinds maart 2016 een reeks maatregelen heeft voorgesteld om de normale werking van het Schengengebied te herstellen; overwegende dat de behoorlijke werking van het Schengengebied nog niet is hersteld en in de eerste plaats afhangt van de lidstaten, het vertrouwen dat zij in elkaar hebben, hun solidariteit jegens de landen van eerste binnenkomst, en de goedkeuring van passende maatregelen en de uitvoering ervan, in het bijzonder door de lidstaten;

F.  overwegende dat de mate waarin de lidstaten zich geroepen voelen om de aanbevolen maatregelen voor het herstel van de goede werking van het Schengengebied te treffen voornamelijk ervan afhangt of de aanvragen voor grenscontroles niet verlengd worden;

G.  overwegende dat de handhaving van controles aan de binnengrenzen in de Unie of de herinvoering hiervan in het Schengengebied ernstige gevolgen heeft voor het leven van de Europese burgers en van al diegenen die gebruikmaken van het vrij verkeer binnen de EU, en hun vertrouwen in de Europese instellingen en integratie ernstig ondermijnt; overwegende dat de handhaving of herinvoering van controles aan de binnengrenzen leidt tot rechtstreekse operationele en investeringskosten voor grensarbeiders, toeristen, vrachtvervoerders over de weg en overheden, met verlammende gevolgen voor de economieën van de lidstaten; overwegende dat de kosten als gevolg van de herinvoering van grenscontroles naar raming tussen 0,05 miljard EUR en 20 miljard EUR liggen voor eenmalige kosten en rond 2 miljard EUR voor jaarlijkse exploitatiekosten(4); overwegende dat met name de grensoverschrijdende regio's hiermee te maken hebben;

H.  overwegende dat diverse lidstaten steeds meer muren en grensafscheidingen bouwen aan de binnen- en buitengrenzen van de EU en die gebruiken als afschrikwekkend middel tegen de binnenkomst en doorreis op het grondgebied van de EU, ook van asielzoekers; herinnert eraan dat volgens het Transnational Institute (TNI) de Europese landen naar schatting meer dan 1 200 km aan muren en grenzen hebben opgetrokken voor ten minste 500 miljoen EUR, en dat van 2007 tot 2010 EU-gelden hebben bijgedragen aan de uitrol van 545 grensbewakingssystemen die 8 279 km aan buitengrenzen van de EU bestrijken en 22 347 bewakingsapparaten omvatten;

I.  overwegende dat het Schengengebied zich op een kruispunt bevindt en dat resolute en gezamenlijke actie vereist is om alle voordelen ervan voor de burgers terug te brengen; overwegende dat het Schengengebied ook wederzijds vertrouwen, samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten vereist; overwegende dat er geen politiek discours mag zijn dat erop gericht is de schuld te leggen bij Schengen;

J.  overwegende dat de uitbreiding van het Schengengebied een belangrijk instrument blijft voor het uitbreiden van de economische en sociale voordelen die voortvloeien uit het recht op vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal naar de nieuwe lidstaten, het bevorderen van de cohesie en het overbruggen van de kloof tussen landen en regio’s; overwegende dat de volledige toepassing van het Schengenacquis in alle lidstaten die voldoen aan de criteria voor een succesvolle afsluiting van het Schengenevaluatieproces, essentieel is voor de totstandbrenging van een gecoördineerd en solide wettelijk veiligheidskader; overwegende dat de voorzitter van de Commissie meermaals heeft verklaard dat Roemenië en Bulgarije klaar zijn voor toetreding tot het Schengengebied en dat zulks ook gesteld is door het Parlement in zijn standpunt van 8 juni 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in de Republiek Bulgarije en Roemenië(5) en door de Raad in zijn conclusies;

K.  overwegende dat de werkgroep Schengenevaluatie de tenuitvoerlegging van het Schengenacquis nauwgezet heeft gevolgd via de bevindingen in het kader van het Schengenevaluatiemechanisme, de methodiek voor kwetsbaarheidsbeoordelingen, hoorzittingen van commissies en missies naar lidstaten en derde landen; overwegende dat deze werkgroep de maatregelen heeft geïdentificeerd die ten uitvoer zijn gelegd of op het punt staan ten uitvoer te worden gelegd, alsook de grote tekortkomingen in het functioneren van het Schengengebied en de nodige maatregelen die in de toekomst moeten worden genomen;

Hoofdzaken

Vooruitgang geboekt bij het aanpakken van vastgestelde tekortkomingen

1.  wijst erop dat de EU-wetgever de laatste drie jaar een aantal maatregelen heeft vastgesteld die ontworpen zijn ter versterking van de integriteit van het Schengengebied zonder controles aan de binnengrenzen; is ingenomen met de doeltreffendheid van de maatregelen die aan de buitengrenzen zijn genomen en de oprichting van het Europees grens- en kustwachtagentschap; neemt kennis van de inspanningen van het agentschap om de nieuwe verordening ten uitvoer te leggen, met name via gezamenlijke operaties op het gebied van grensbewaking en terugkeer, en door steun te verlenen aan de lidstaten die geconfronteerd worden met toenemende migratiestromen, terwijl tegelijkertijd de grondrechten volledig worden geëerbiedigd overeenkomstig de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht; onderkent dat het onlangs ingevoerde mechanisme voor kwetsbaarheidsbeoordeling belangrijk is om zwakke punten aan de gemeenschappelijke buitengrenzen bloot te leggen en crises te voorkomen; benadrukt dat de agentschappen en andere belanghebbenden gezamenlijke inspanningen hebben geleverd en hebben samengewerkt bij het organiseren van de "hotspot"-aanpak op het gebied van scholing;

2.  neemt kennis van de stappen die zijn ondernomen door de wijziging van de Schengengrenscode en de invoering van verplichte systematische controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen bij de inreis en uitreis van onderdanen van derde landen en EU-onderdanen, maar blijft waakzaam met betrekking tot het effect, de noodzaak en de evenredigheid van deze maatregelen ten aanzien van de grensoverschrijdingen van EU-onderdanen; benadrukt dat in bepaalde gevallen verplichte systematische controles aan de buitengrenzen van het Schengengebied door gerichte controles zijn vervangen vanwege de onevenredige gevolgen ervan voor verkeersstromen; brengt in herinnering dat de Commissie rekening moet houden met deze gevolgen bij het uitvoeren van de beoordeling zoals voorzien in Verordening (EU) 2017/458;

3.  is verheugd over de lopende hervorming van het SIS en de instelling op 5 maart 2018, door het eu-LISA, van het SIS II-platform met een geautomatiseerd systeem voor de identificatie van vingerafdrukken (AFIS), waarmee in het systeem een zoekcapaciteit op basis van biometrische kenmerken wordt ingevoerd, hetgeen zal bijdragen tot een versterking van de strijd tegen misdaad en terrorisme;

4.  wijst erop dat de bestaande instrumenten beter moeten worden gebruikt, en wel om de voordelen van de bestaande systemen zo veel mogelijk te benutten en structurele lacunes in de informatie aan te pakken met volledige inachtneming van de gegevensbeschermingsvereisten en de eerbiediging van de beginselen van het recht op privacy, non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid;

5.  neemt kennis van het werk dat wordt verricht op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking tussen politie, justitie en wetshandhavingsdiensten en het werk van Eurojust en Europol om de grensoverschrijdende en georganiseerde misdaad, de mensenhandel en het terrorisme te bestrijden door middel van inlichtingenwerk, informatie-uitwisseling en gezamenlijke onderzoeken;

6.  is bezorgd over de inspanningen van de Commissie om het concept en de strategie van een Europees geïntegreerd grensbeheer (Integrated Border Management, IBM) verder uit te werken op basis van hetgeen werd gepubliceerd op 14 maart 2018, met het oog op de naleving van de bepalingen in de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht; uit zijn twijfels over de doeltreffendheid hiervan bij de vaststelling van de streefdoelen en doelstellingen op het gebied van het Europees geïntegreerd grensbeheer, met name de versterking en tenuitvoerlegging van de grondrechtencomponent en andere componenten van de strategie;

7.  acht het vernieuwde Schengenevaluatiemechanisme zeer waardevol, omdat het transparantie, wederzijds vertrouwen en aflegging van verantwoording tussen de lidstaten bevordert door te controleren hoe zij de verschillende gebieden van het Schengenacquis ten uitvoer leggen;

Vastgestelde kritieke tekortkomingen

8.  uit zijn bezorgdheid over de kritieke tekortkomingen en gebreken die via het Schengenevaluatiemechanisme en de kwetsbaarheidsbeoordeling zijn ontdekt;

9.  toont zich diep verontrust over de zeer ernstige tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het Schengenacquis die tijdens de evaluatie van het voorlopig gebruik door het VK van het Schengeninformatiesysteem zijn vastgesteld, en wenst dat de Raad en de Commissie, in het belang van de integriteit van dit systeem, met het Parlement in discussie gaan over een passende follow-up van deze bevindingen;

10.  veroordeelt de voortdurende hervatting van interne grenscontroles, omdat dit de basisprincipes van het Schengengebied aantast; is van mening dat vele van de verlengingen niet in overeenstemming zijn met de bestaande regels betreffende de uitbreiding, noodzaak of evenredigheid ervan en daarom onwettig zijn; betreurt dat de lidstaten geen passende maatregelen hebben genomen om te zorgen voor samenwerking met andere getroffen lidstaten teneinde de effecten van deze maatregelen tot een minimum te beperken, en dat zij evenmin voldoende argumenten hebben verstrekt voor deze controles, noch toereikende informatie over de resultaten daarvan, hetgeen analyse door de Commissie en toetsing door het Parlement hindert; betreurt eveneens de praktijk van de lidstaten om op kunstmatige wijze de rechtsgrond voor herinvoering te wijzigen om de herinvoering te laten voortduren na de maximale periode die mogelijk is, onder dezelfde feitelijke omstandigheden; is van mening dat de economische, politieke en sociale effecten van deze praktijk afbreuk doen aan de eenheid van het Schengengebied en schadelijk zijn voor de welvaart van de Europese burgers en het beginsel van vrij verkeer; wijst er nogmaals op dat de wetgever van de Unie de laatste drie jaar tal van maatregelen heeft genomen om de buitengrenzen en de controle aan de buitengrenzen te versterken; onderstreept dat er geen overeenkomstige reactie is gekomen met betrekking tot de opheffing van controles aan de binnengrenzen;

11.  wijst erop dat de herinvoering van grenscontroles aan de binnengrenzen veel eenvoudiger is gebleken dan het opheffen van deze controles aan de binnengrenzen zodra zij eenmaal weer ingevoerd zijn;

12.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan uitvoering op sommige gebieden van de regelgeving met betrekking tot bepaalde gebieden van het toezicht op de buitengrenzen, zoals systematische raadpleging van databanken bij grenscontroles en grondige controle van de vereiste toegangsvoorwaarden; is ook bezorgd dat bepaalde databanken zoals SIS en VIS bij bepaalde grensdoorlaatposten soms niet beschikbaar zijn; merkt op dat de verplichting nationale coördinatiecentra op te richten overeenkomstig de verordening betreffende het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) in veel lidstaten duidelijk niet is nagekomen; benadrukt opnieuw dat de wetgeving over de binnen- en de buitengrenzen alleen doeltreffend kan zijn indien op het niveau van de Unie overeengekomen maatregelen naar behoren door de lidstaten ten uitvoer worden gelegd;

13.  herinnert eraan dat de lidstaten beschikken over andere instrumenten dan controles aan de binnengrenzen, inclusief, overeenkomstig de aanbeveling van de Commissie, gerichte politiecontroles, op voorwaarde dat deze niet dienen voor grenscontrole, gebaseerd zijn op algemene politie-informatie of ervaring met betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid, met name bedoeld zijn ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en gepland en uitgevoerd worden op een manier die duidelijk verschilt van systematische controles van personen aan de buitengrenzen; wijst er nogmaals op dat deze controles doeltreffender zouden kunnen zijn dan de controles aan de binnengrenzen, met name omdat zij flexibeler zijn en gemakkelijker aan de veranderende risico's kunnen worden aangepast;

14.  herinnert eraan dat onaangekondigde beoordelingsbezoeken ter plaatse zonder voorafgaande kennisgeving aan de betrokken lidstaat, aan de binnengrenzen van het Schengengebied kunnen worden afgelegd;

15.  veroordeelt de bouw van fysieke belemmeringen, inclusief hekken, tussen lidstaten en herhaalt zijn twijfels over de verenigbaarheid van zulke maatregelen met de Schengengrenscode; dringt er bij de Commissie op aan bestaande en toekomstige fysieke belemmeringen zorgvuldig te beoordelen en bij het Parlement verslag uit te brengen;

16.  neemt kennis, als onderdeel van de inspanningen om de normale werking van Schengen te herstellen, van het voorstel tot wijziging van de Schengengrenscode wat betreft de regels inzake de tijdelijke herinvoering van controles aan de binnengrenzen; benadrukt dat duidelijke regels moeten worden vastgesteld en dat deze wijzigingen hoofdzakelijk de nieuwe uitdagingen en de diffuse dreiging voor de interne veiligheid moeten weerspiegelen zonder de herinvoering van controles aan de binnengrenzen aan te moedigen; herinnert eraan dat geen enkele wijziging een bijkomend spoor mag zijn voor het verlengen van de controles aan de binnengrenzen; maakt zich zorgen over het feit dat het voorstel van de Commissie inzake de herinvoering van de controles aan de binnengrenzen gebaseerd is op een evaluatie van het "vermeende risico", in plaats van strikte en degelijke bewijzen en het bestaan van een ernstige bedreiging, en dat de voorgestelde “risicobeoordeling” geheel wordt overgelaten aan de staat die de grenscontroles herinvoert; is van mening dat deze stappen omzichtig dienen te worden ondernomen om de basisgedachte van vrij verkeer niet onherstelbaar te beschadigen, met name door de invoering van substantiële procedurele waarborgen, om in het bijzonder een strikte beperking in de tijd te handhaven voor de herinvoering van controles aan de binnengrenzen;

17.  onderstreept het feit dat een verdere verlenging van de bestaande, of de herinvoering van nieuwe controles aan de binnengrenzen grote economische kosten zou veroorzaken voor de EU als geheel, door ernstige schade te berokkenen aan de interne markt;

Te ondernemen maatregelen

18.  benadrukt dat de geconstateerde kritieke tekortkomingen onverwijld moeten worden aangepakt om terug te keren naar het normale functioneren van Schengen zonder controles aan de binnengrenzen;

19.  verzoekt alle lidstaten de bestaande regelgeving volledig uit te voeren en verzoekt de Commissie doortastend op te treden bij schending van gezamenlijk overeengekomen regels, door het opleggen van evenredige en noodzakelijke maatregelen aan de lidstaten in kwestie, om de belangen van de andere lidstaten en van de Unie als geheel te vrijwaren, met inbegrip van inbreukprocedures;

20.  onderstreept dat het belangrijk is het SIS te hervormen en aan te passen om snel in te spelen op nieuwe uitdagingen, met name wat betreft de bescherming van gevaar lopende en vermiste kinderen en de onmiddellijke en verplichte uitwisseling van informatie over terrorisme, terwijl de grondrechten van burgers van de EU en onderdanen van derde landen worden geëerbiedigd en waarborgen blijven bestaan betreffende gegevensbescherming en privacy evenals de verplichte uitwisseling van informatie over terugkeerbesluiten; benadrukt dat deze hervorming geen afbreuk mag doen aan het noodzakelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel; onderstreept dat, om het systeem goed te laten functioneren, signaleringen moeten nopen tot actie en de opneming ervan in het systeem verantwoord moet zijn; wijst op de verwachte aanzienlijke toename van de activiteit van de Sirene-bureaus (Supplementary Information Request at the National Entry, verzoek om aanvullende informatie bij het nationale deel) en dringt er bij de lidstaten op aan de middelen waarover het bureau beschikt, te versterken door ervoor te zorgen dat het beschikt over voldoende financiën en personeel om zijn nieuwe taken uit te voeren;

21.  benadrukt dat de bevindingen van het Schengenevaluatiemechanisme een kritiek karakter hebben en verzoekt de lidstaten de tot hen gerichte aanbevelingen dienovereenkomstig uit te voeren; benadrukt ook de kwetsbaarheidsbeoordeling en verzoekt de lidstaten gevolg te geven aan de aanbevelingen van het Europees grens- en kustwachtagentschap;

22.  verzoekt de Commissie jaarlijks een uitvoerig verslag in te dienen bij het Parlement en de Raad over de op grond van Verordening (EU) nr. 1053/2013 uitgevoerde evaluaties;

23.  dringt er sterk op aan dat de Commissie geen aanvragen meer vernieuwt voor een afwijking van Schengen indien de betrokken lidstaat de hem betreffende aanbevelingen in het kader van het evaluatiemechanisme van Schengen niet heeft uitgevoerd;

24.  benadrukt dat alle lidstaten, inclusief de lidstaten zonder buitengrenzen te land, hun uiterste best moeten doen om een hoog niveau van controle aan hun buitengrenzen te garanderen door hier voldoende middelen aan toe te wijzen door middel van personeel, materiaal en deskundigheid, waarbij een strikte inachtneming van de grondrechten wordt gewaarborgd, ook met betrekking tot kwesties in verband met internationale bescherming en non-refoulement, door de nodige commando- en controlestructuren op te zetten en door actuele risicoanalyses overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1624 te formuleren voor alle niveaus van de commandostructuur, om doeltreffende acties te faciliteren en om te zorgen voor passende infrastructuren voor veilige, ordelijke en soepele grensoverschrijdingen;

25.  is van mening dat, als het Schengenevaluatiemechanisme wordt herzien, elk voorstel een oplossing moet omvatten voor de grote vertragingen tussen het bezoek ter plaatse en de uitvoeringsbesluiten en actieplannen, en een snel corrigerend optreden door de lidstaten mogelijk moet maken, is van mening dat de waarde van de onaangekondigde bezoeken ter plaatse in het kader van het Schengenevaluatiemechanisme kan worden vergroot, als ervoor wordt gezorgd dat deze bezoeken echt aangekondigd zijn (zonder kennisgeving 24 uur vooraf);

26.  herinnert eraan dat het Parlement onmiddellijk en volledig moet worden geïnformeerd over elk voorstel tot wijziging of vervanging van het Schengenevaluatiemechanisme; merkt op dat de Commissie de werking van het Schengenevaluatiemechanisme moet evalueren binnen zes maanden na de goedkeuring van alle evaluatieverslagen met evaluaties die vallen onder het eerste meerjarige evaluatieprogramma;

27.  dringt erop aan het Schengenevaluatiemechanisme te ontwikkelen samen met het kwetsbaarheidsbeoordelingsinstrument, om onvoorziene terugval in het algemene beheer van de buitengrenzen te voorkomen, het algemene beheer van de buitengrenzen te verbeteren, de naleving van het Schengenacquis en de grondrechten aan te scherpen, met inbegrip van de eerbiediging van het door alle EU-lidstaten ondertekende Verdrag van Genève, en grondige controle en transparantie tussen de lidstaten en de Europese instellingen, met name het Parlement, te faciliteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende middelen toe te wijzen aan de tenuitvoerlegging en de follow-up van Schengenevaluaties en kwetsbaarheidsbeoordelingen; verzoekt de Commissie om daadwerkelijk onaangekondigde bezoeken ter plaatse aan de binnengrenzen te organiseren en de aard en impact van de genomen maatregelen te beoordelen;

28.  verzoekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om de verzameling van informatie en statistische gegevens betreffende het nationale beheer van middelen en capaciteiten in verband met grenstoezicht te verbeteren; verzoekt de lidstaten alle noodzakelijke informatie tijdig beschikbaar te stellen aan het kwetsbaarheidsbeoordelingsmechanisme;

29.  verzoekt de lidstaten, met name degene die direct betrokken zijn, de nodige noodplannen op te stellen en deze voldoende te testen, om situaties van toegenomen migratie te verlichten, en hun registratie- en accommodatiecapaciteit te vergroten in geval van dergelijke situaties; verzoekt de lidstaten hun capaciteiten te verbeteren om documentfraude en irreguliere binnenkomsten te detecteren, met volledige inachtneming van het beginsel van non-refoulement en van de grondrechten; verzoekt om gezamenlijke inspanningen in de strijd tegen mensenhandel en terrorisme, om in het bijzonder de criminele organisaties en hun financiering nauwkeuriger in kaart te brengen;

30.  onderstreept dat een legale en veilige toegang tot de EU, ook via de buitengrenzen van het Schengengebied, zal bijdragen aan de algemene stabiliteit van het Schengengebied;

31.  beschouwt de huidige stand van de uitvoering van de strategie voor geïntegreerd grensbeheer als ontoereikend; verzoekt de Commissie en het Europees grens- en kustwachtagentschap de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen om te voldoen aan de vereisten in Verordening (EU) 2016/1624 en de thematische evaluaties van het geïntegreerd grensbeheer in de lidstaten te gepasten tijde te starten; verzoekt de lidstaten hun grensbeheer in overeenstemming te brengen met het concept van geïntegreerd grensbeheer door gebruik te maken van een omvattende aanpak van het grensbeheer op basis van de onderliggende grondbeginselen ervan en in het bijzonder door de volledige eerbiediging van de grondrechten te waarborgen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen en minderjarigen, bij alle grensbeheer- en terugkeeractiviteiten, met inbegrip van het non-refoulementbeginsel; benadrukt het feit dat volledige tenuitvoerlegging van de strategie voor geïntegreerd grensbeheer op Europees en nationaal niveau moet worden gegarandeerd evenals de naleving van internationale verdragen, om zo het beheer van de buitengrenzen te versterken terwijl de grondrechten worden geëerbiedigd;

32.  benadrukt dat de volwaardige strategie voor geïntegreerd grensbeheer snel moet worden ingevoerd, zoals de instellingen onderling hebben afgesproken, evenals de technische en operationele strategie van het Europees grens- en kustwachtagentschap en de daarbij aansluitende nationale strategieën van de lidstaten; is zich ten volle bewust van de inconsistenties in de uitvoering van de strategie voor geïntegreerd grensbeheer in de lidstaten en benadrukt dat de volledige uitvoering van deze strategie in alle lidstaten van essentieel belang is voor de goede werking van het Schengengebied;

33.  verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen tot wijziging van de Eurosur-verordening in het licht van de grote tekortkomingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de huidige verordening en is van mening dat dit voorstel moet aanmoedigen tot een groter gebruik van Eurosur voor deelname aan en hulp bij informatie-uitwisseling, risicoanalyse en zoek- en reddingsoperaties;

34.  herhaalt zijn steun voor de onmiddellijke toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het Schengengebied en voor de toetreding van Kroatië zodra het land voldoet aan de toetredingscriteria; verzoekt de Raad zijn goedkeuring te hechten aan de toetreding van Bulgarije en Roemenië als volwaardig lid van het Schengengebied;

Andere zaken die van invloed zijn op Schengen

35.  benadrukt dat de huidige stand van Schengen en het voortbestaan van controles aan de binnengrenzen niet in de eerste plaats het gevolg zijn van problemen met de structuur en de regels van het Schengengebied zelf, maar van de hiermee verband houdende terreinen van het acquis, zoals tekortkomingen op het gebied van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met inbegrip van een gebrek aan politieke wil, solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheden, de Dublin-verordening, en het beheer van de buitengrenzen;

Vooruitgang geboekt bij het aanpakken van vastgestelde tekortkomingen

36.  benadrukt de ondersteunende en capaciteitsopbouwende maatregelen die zijn genomen om de onderliggende oorzaken van irreguliere migratie aan te pakken en de levensomstandigheden in de landen van oorsprong te verbeteren;

37.  meent dat samenwerking met derde landen een manier is om de omstandigheden die leiden tot gedwongen en irreguliere migratie, te verlichten; benadrukt dat om de beoogde doelstellingen te behalen, omvattende maatregelen moeten worden genomen;

Vastgestelde kritieke tekortkomingen

38.  betreurt het feit dat de afgelopen jaren vele mensen als dood of vermist op de Middellandse Zee zijn opgegeven; benadrukt verder dat opsporing en redding een afzonderlijke component is van het in de verordening betreffende het Europees grens- en kustwachtagentschap omschreven Europees geïntegreerd grensbeheer; is van mening dat een permanente, robuuste en doeltreffende respons van de Unie in de vorm van zoek- en reddingsoperaties op zee cruciaal is om te voorkomen dat levens op zee verloren gaan; acht het van wezenlijk belang dat er adequate maritieme opsporings- en reddingsaspecten en -capaciteiten worden geïntegreerd in alle operationele planning van grensbewaking bij zeegrenzen en de uitvoering van dergelijke operaties door het Europees grens- en kustwachtagentschap, zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 656/2014;

39.  is ernstig bezorgd over de tenuitvoerlegging van de verordening betreffende het Europees Grens- en kustwachtagentschap en onderstreept dat de lidstaten de in de verordening vastgestelde vereisten moeten nakomen, met name wat betreft de verplichtingen om voldoende personeel en technische uitrusting bij te dragen zowel aan gezamenlijke operaties als aan de uitrustingspool voor snelle reactie en toereikende middelen toe te wijzen aan de tenuitvoerlegging van de kwetsbaarheidsbeoordeling; maakt zich zorgen over de middelen en de financiële planning van het Europees grens- en kustwachtagentschap en over de ramingen waarop de financiering van operaties en de vereiste bijdragen van de lidstaten gebaseerd zijn; verzoekt de lidstaten om te zorgen voor adequate opleidingen op het gebied van grondrechten voor nationale grenswachten;

40.  is van mening dat de samenwerking op nationaal niveau tussen de verschillende wetshandhavingsdiensten, het leger, de grenswacht, de douane en de autoriteiten belast met opsporing en redding op zee vaak ontoereikend is, hetgeen leidt tot gefragmenteerde situatiekennis en een geringe doeltreffendheid; merkt op dat het ontbreken van samenwerkingsstructuren tot ondoeltreffende en/of onevenredige maatregelen kan leiden; herinnert eraan dat goedbedoelde maatregelen op het niveau van de Unie, hoeveel het er ook zijn, geen compensatie kunnen vormen voor het gebrek aan interne samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten;

41.  neemt kennis van de invoering van andere grootschalige informatiesystemen, alsmede de doelstelling om de interoperabiliteit hiervan te verbeteren, met behoud van de nodige waarborgen, ook wat betreft gegevensbescherming en privacy;

42.  is van mening dat de werkzaamheden aan de voorstellen voor interoperabiliteit van informatiesystemen de gelegenheid moeten zijn om de nationale IT-systemen en -infrastructuren bij de grensdoorlaatposten te verbeteren en gedeeltelijk te harmoniseren;

Te ondernemen maatregelen

43.  moedigt de agentschappen en de lidstaten aan verder te gaan met de uitvoering van operaties met meer doeleinden en ervoor te zorgen dat passende stappen worden ondernomen om zoek- en reddingsoperaties op zee tot onderdeel van de operaties te maken door middel van passende middelen en personeel; moedigt het agentschap aan te zorgen voor de uitvoering van het klachtenmechanisme, evenals voor de hiermee samenhangende middelen voor en personeelsleden ter ondersteuning van de grondrechtenfunctionaris;

44.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor snelle en doeltreffende terugkeerprocedures, met volledige eerbiediging van de grondrechten en onder humane en waardige omstandigheden, als een terugkeerbesluit eenmaal is uitgevaardigd;

45.  merkt op dat de lidstaten op grond van Richtlijn 2001/40/EG de mogelijkheid hebben om een terugkeerbesluit van een andere lidstaat te erkennen en uit te voeren in plaats van een nieuw terugkeerbesluit te nemen of de irreguliere migrant naar de eerste uitvaardigende lidstaat terug te zenden;

46.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om te zorgen voor adequate infrastructuur, huisvesting en leefomstandigheden voor alle asielzoekers, met name rekening houdend met de behoeften van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen, alsook vrouwen in een kwetsbare situatie; dringt er bij de lidstaten op aan hun detentiefaciliteiten in overeenstemming te brengen met de vereisten overeenkomstig internationale beste praktijken en de regels en verdragen op het gebied van de mensenrechten, om te voldoen aan de vraag naar capaciteit, rekening houdend met het feit dat detentie een laatste redmiddel is en niet in het beste belang van het kind is, en meer gebruik te maken van alternatieve maatregelen voor detentie; dringt er bij de lidstaten op aan hun verplichtingen inzake hervestiging, zoals overeengekomen door de Europese Raad in september 2015 en herbevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in september 2017, na te komen, om het beheer van migratie weer op orde te brengen en de solidariteit en samenwerking binnen de EU te bevorderen;

47.  verzoekt de lidstaten de onafhankelijkheid te garanderen van de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten, met name door hun voldoende financiële middelen en personeel beschikbaar te stellen om hun toenemende taken te kunnen vervullen; verzoekt de onafhankelijke controleautoriteiten van de lidstaten te zorgen voor de nodige audits van informatiesystemen en het gebruik ervan; verzoekt de lidstaten regelingen in te voeren waardoor betrokkenen klachten kunnen indienen en hun persoonlijke informatie kunnen opvragen, en het publiek bewust te maken van informatiesystemen;

48.  dringt erop aan dat operaties met meer doelen worden uitgevoerd door het Europees grens- en kustwachtagentschap, om te voorzien in de behoefte aan activa op het gebied van maritieme opsporing en redding (zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 656/2014), om aanwezig te zijn in de betrokken gebieden; herinnert eraan dat nationale grenswachtautoriteiten ook in toereikende middelen moeten voorzien voor deze operaties, in het bijzonder op het gebied van opsporing en redding; onderstreept dat grenstoezicht moet worden uitgevoerd door een hiervoor opgeleide grenswacht of onder strikt toezicht van een hiertoe bevoegde autoriteit;

49.  merkt op dat het Europees grens- en kustwachtagentschap een breder mandaat heeft gekregen dat het kan gebruiken om de lidstaten te ondersteunen bij gecoördineerde terugkeeroperaties;

50.  verzoekt de lidstaten de wederzijdse grensoverschrijdende politiële samenwerking verder te ontwikkelen door gemeenschappelijke dreigingsanalyses, risicoanalyse en patrouilles; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van het Verdrag van Prüm en Besluit 2008/615/JBZ van de Raad en op toetreding tot het Europees model voor informatie-uitwisseling en het Zweeds initiatief; dringt er bij de lidstaten op aan hun nationale structuren voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en informatiedeling te verbeteren en de praktische samenwerking te verbeteren, in het bijzonder met de aangrenzende lidstaten;

51.  herinnert aan de hoge prioriteit die is gegeven aan de hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System, CEAS) als onderdeel van de holistische aanpak voor de uitdagingen op het gebied van het vluchtelingen-, asielzoekers- en migratiebeleid en de migratieagenda van de Commissie; wijst er nogmaals op dat het Europees Parlement meerdere malen heeft verklaard dat de opening van legale routes voor migranten en vluchtelingen de beste manier is om de strijd aan te binden tegen de mensensmokkel en mensenhandel en daarmee ook de zogenoemde "irreguliere" migratie; verzoekt de Raad het Parlement spoedig te volgen met betrekking tot de vaststelling van een mandaat voor onderhandelingen over elk voorstel op dit gebied, met name wat de Dublin-verordening betreft; benadrukt dat het nieuwe Europees Asielagentschap nog moet worden goedgekeurd en dringt er bij de Raad op aan dit dossier zo snel mogelijk te deblokkeren;

52.  wijst op de noodzaak de beveiliging van de door de lidstaten aan de burgers van de Unie afgegeven identiteitskaarten te verbeteren; bepleit daarom dat de Commissie, zoals reeds het geval is voor de paspoorten, normen voorstelt voor de in de identiteitskaarten te integreren beveiligings- en biometrische elementen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen en het Europees grens- en kustwachtagentschap.

(1) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(2) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(3) PB L 295 van 6.11.2013, blz. 11.
(4) Wouter van Ballegooij, The Cost of Non-Schengen: Civil Liberties, Justice and Home Affairs aspects’, Cost of Non-Europe Report, European Added Value Unit, 2016, blz. 32.
(5) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 160.


Minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten
PDF 189kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (2016/2328(INI))
P8_TA(2018)0229A8-0168/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 10, 18, 19, 21, 79 en 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 3, 6, 20, 21, 23, 24, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het VN-Verdrag over de rechten van het kind van 1989,

–  gezien het VN-Verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 29 november 1985 inzake fundamentele rechtsbeginselen voor slachtoffers van misdrijven en machtsmisbruik,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en de Besluiten (EU) 2017/865(1) en (EU) 2017/866(2) van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–   gezien Aanbeveling CM/Rec(2006)8 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten van 14 juni 2006 over de hulp aan slachtoffers van misdrijven,

–   gezien Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten van 31 maart 2010 inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie wegens seksuele geaardheid of genderidentiteit,

–  gezien het Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2013 over de bestrijding van haatmisdrijven in de EU en van 5 juni 2014 over de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken(6),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(7),

–  gezien Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel(8),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(9),

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2017 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie(11),

–  gezien Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie(12),

–  gezien Richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven(13),

–  gezien de studie getiteld "How can the EU and the Member States better help victims of terrorism?", die in september 2017 door de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Parlement werd gepubliceerd,

–  gezien de enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) getiteld "Tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie", die in december 2017 werd gepubliceerd,

–   gezien de studie van het FRA getiteld "Kindvriendelijke justitie – vooruitzichten en ervaringen van kinderen die bij gerechtelijke procedures betrokken waren als slachtoffer, getuige of partij in negen EU-lidstaten", die in februari 2017 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag over de grondrechten 2017 van het FRA, dat in mei 2017 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag over de grondrechten 2016 van het FRA, dat in mei 2016 werd gepubliceerd,

–  gezien de studie van het FRA getiteld "De omvang en aard van de hulpverlening aan slachtoffers van misdrijven in de EU", die in januari 2015 werd gepubliceerd,

–  gezien de studie van het FRA getiteld "Ernstige arbeidsuitbuiting: werknemers die zich binnen of naar de Europese Unie verplaatsen", die in juni 2015 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag van het FRA getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", dat in maart 2014 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag over project IVOR getiteld "Implementing Victim-oriented reform of the criminal justice system in the EU", dat op 6 mei 2016 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) getiteld "An analysis of the Victims' Rights Directive from a gender perspective",

–  gezien de Jogjakarta-beginselen plus 10, die werden vastgesteld op 10 november 2017, over de beginselen en staatsverplichtingen betreffende de toepassing van het internationaal humanitair recht met betrekking tot seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(14),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2012/29/EU, opgesteld door de afdeling Evaluatie achteraf van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0168/2018),

A.  overwegende dat Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (de "richtlijn slachtofferrechten") ernaar streeft slachtoffers van misdrijven een centrale plaats te geven in het strafrechtstelsel, en tot doel heeft de rechten van slachtoffers van misdrijven te versterken zodat slachtoffers, ongeacht de lidstaat waar het misdrijf heeft plaatsgevonden, hun nationaliteit of verblijfsstatus, dezelfde rechten genieten;

B.  overwegende dat 23 van de 27 lidstaten de richtlijn slachtofferrechten met ingang van september 2017 hebben omgezet in nationale wetgeving; overwegende dat de Commissie 16 inbreukprocedures heeft ingeleid tegen lidstaten die zich in de praktijk nog steeds niet aan de regels houden; overwegende dat de richtlijn het mogelijk maakt vooruitgang te boeken bij de behandeling van slachtoffers van misdrijven in een andere lidstaat; overwegende dat er in het geval van grensoverschrijdende situaties nog steeds lacunes zijn;

C.  overwegende dat er op EU-niveau geharmoniseerde normen en instrumenten bestaan om het leven van de EU-bevolking te verbeteren, maar dat slachtoffers van misdrijven nog altijd in elk land anders worden behandeld;

D.  overwegende dat in weerwil van de vele wijzigingen die in de lidstaten zijn doorgevoerd, slachtoffers nog vaak niet op de hoogte zijn van hun rechten, waardoor de doeltreffendheid van de richtlijn slachtofferrechten in het veld onderuit wordt gehaald, met name het vereiste van toegang tot informatie;

E.  overwegende dat slachtofferhulpgroepen de behoeften van slachtoffers, naast juridische ondersteuning, in vier categorieën indelen: het recht op gerechtigheid, waardigheid, waarheid en herinnering, waarvan de laatste staat voor het onvoorwaardelijk afkeuren van terrorisme;

F.  overwegende dat in sommige lidstaten sprake is van een gebrek aan slachtofferhulpdiensten en coördinatie tussen deze diensten op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau, waardoor de toegang voor slachtoffers tot bestaande hulpdiensten wordt bemoeilijkt;

G.  overwegende dat opvangtehuizen, centra en hulplijnen voor vrouwen essentiële instanties zijn voor de ondersteuning van vrouwelijke slachtoffers van geweld en hun kinderen; overwegende dat er in Europa niet voldoende opvangtehuizen en centra voor vrouwen zijn; overwegende dat er dringend meer opvangtehuizen nodig zijn, aangezien zij veiligheid, accommodatie, psychologische begeleiding en ondersteuning bieden aan vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld en hun kinderen; overwegende dat het gebrek aan opvangtehuizen voor vrouwen levens in gevaar kan brengen;

H.   overwegende dat in het geval van een terreuraanslag in een andere lidstaat dan waar het slachtoffer woont, de twee lidstaten nauw moeten samenwerken om bijstand aan het slachtoffer te faciliteren;

I.  overwegende dat een doeltreffend en beschermend optreden van overheidsinstanties en nationale instellingen ten behoeve van slachtoffers leidt tot steun en vertrouwen van de burgers jegens deze instanties, hetgeen hun reputatie ten goede komt;

J.  overwegende dat naar alle waarschijnlijkheid tal van verschillende zorgverleners in aanraking komen met slachtoffers, met name slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en zij aanvankelijk vaak worden benaderd door het slachtoffer dat aangifte wenst te doen; overwegende dat bewijs aantoont dat werknemers in de gezondheidszorg, zoals dokters en andere clinici, slechts beperkt opleiding hebben gekregen over het effectief omgaan met gendergerelateerd geweld;

K.  overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld bijzondere bijstand en bescherming nodig hebben vanwege hun specifieke kwetsbaarheid voor secundaire en herhaalde victimisatie;

L.  overwegende dat er in de EU nog steeds stelselmatig te weinig aangifte wordt gedaan van geweldsincidenten of tegen de plegers daarvan, met name in gevallen waarbij minderheden, migranten, mensen met een afhankelijke of precaire verblijfssituatie of LGBTI-personen betrokken zijn of waarin sprake is van antisemitische misdrijven, seksueel misbruik van kinderen, huiselijk en gendergerelateerd geweld of slachtoffers van mensenhandel of dwangarbeid; overwegende dat ongeveer twee derde van de vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld dit niet aan de autoriteiten meldt vanwege angst voor wraak, schaamte en sociaal stigma;

M.  overwegende dat haatmisdrijven tegen LGBTI-personen overal in de EU voorkomen; overwegende dat er te weinig aangifte van deze misdrijven wordt gedaan en de rechten van slachtoffers dus niet worden geëerbiedigd;

N.  overwegende dat de studie van het FRA getiteld "Making hate crime visible in the European Union: acknowledging victims' rights" heeft uitgewezen dat een status als immigrant het risico vergroot om het slachtoffer van een misdrijf te worden, los van andere gekende risicofactoren;

O.  overwegende dat racistische haatmisdrijven tegen migranten en asielzoekers in EU‑lidstaten zijn toegenomen; overwegende dat zeer weinig plegers van deze haatmisdrijven voor de rechter worden gebracht;

P.  overwegende dat hoewel alle slachtoffers van misdrijven uit hoofde van artikel 1 van de richtlijn gelijke rechten hebben, zonder discriminatie, de meeste lidstaten in werkelijkheid geen beleidsmaatregelen of procedures hebben ingevoerd om te verzekeren dat slachtoffers zonder papieren veilig ernstige arbeidsuitbuiting, gendergerelateerd geweld en andere vormen van misbruik kunnen melden zonder risico te lopen op immigratiesancties; overwegende dat dit onevenredig zware gevolgen heeft voor vrouwen en meisjes, die ook meer worden blootgesteld aan mensenhandel en seksuele uitbuiting; overwegende dat uit de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie van het FRA blijkt dat slechts een op de acht respondenten melding heeft gemaakt van of een aanklacht heeft ingediend over hun meest recente ervaring met discriminatie als gevolg van hun etnische achtergrond of immigratiestatus;

Q.  overwegende dat in artikel 1 van de richtlijn is bepaald dat de in de richtlijn opgenomen rechten jegens slachtoffers op niet‑discriminerende wijze worden toegepast, mede wat hun verblijfsstatus betreft;

R.  overwegende dat de #MeToo-campagne aan het licht heeft gebracht dat het rechtssysteem onvoldoende gerechtigheid en bescherming biedt aan vrouwen en meisjes, en dat de slachtoffers van gendergerelateerd geweld daarom niet de nodige steun krijgen;

S.  overwegende dat de ratificering en de volledige toepassing van het Verdrag van Istanbul zorgt voor een coherent Europese rechtskader om geweld tegen vrouwen te voorkomen en bestrijden en de slachtoffers ervan te beschermen; overwegende dat de definitie van gendergerelateerd geweld gebaseerd moet zijn op het Verdrag van Istanbul en rekening moet houden met de structurele aard van geweld tegen vrouwen en andere vormen van gendergerelateerd geweld en het verband met de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, die in onze samenleving nog steeds bestaat; overwegende dat geweld in persoonlijke relaties vanuit een genderperspectief moet worden gezien, omdat het vrouwen onevenredig zwaar treft;

T.  overwegende dat de slachtoffers van belaging meestal vrouwen zijn; overwegende dat belaging een breed voorkomende vorm van gendergerelateerd geweld is, maar in zeven lidstaten niet als afzonderlijk misdrijf in het wetboek van strafrecht voorkomt;

U.  overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de veiligheid en bescherming van vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd en huiselijk geweld;

V.  overwegende dat slachtoffers maar al te vaak niet goed op de hoogte worden gehouden van gerechtelijke onderzoeken en de resultaten ervan; overwegende dat slachtoffers maar al te vaak onverhoeds uit de media of van andere externe bronnen vernemen dat een dader is vrijgelaten, en niet van de bevoegde autoriteiten;

W.  overwegende dat slachtoffers en gezinsleden onvoldoende worden geïnformeerd over hun rechten wanneer een misdrijf plaatsvindt in een andere lidstaat dan die waarin het slachtoffer verblijft; overwegende dat in de lidstaten verschillende definities van het begrip "slachtoffer" worden gehanteerd; overwegende dat de werkingssfeer van de nationale wetgeving daarom van lidstaat tot lidstaat verschilt (heeft soms bijvoorbeeld ook betrekking op gezinsleden);

X.  overwegende dat goed toegankelijke en breed kenbaar gemaakte hulplijnen voor vele vrouwen de eerste stap vormen naar de hulp en steun die zij nodig hebben wanneer zij in persoonlijke relaties met geweld worden geconfronteerd;

Y.  overwegende dat slechts 27 % van de Europeanen het voor heel Europa geldende alarmnummer 112 kent; overwegende dat nog altijd niet iedereen er toegang toe heeft;

Z.  overwegende dat het slachtoffer in een aanzienlijk aantal gevallen de belangrijkste getuige op het proces is en tegen mogelijke vergelding en dreigend gedrag van de dader moet worden beschermd, onder meer door herhaalde of secundaire victimisatie te voorkomen; overwegende dat getuigenverklaringen cruciaal zijn voor de behoorlijke werking van en het vertrouwen in het strafrechtelijk stelsel en van essentieel belang zijn voor een effectief onderzoek naar en de vervolging van georganiseerde criminele en terroristische groeperingen, met behulp waarvan zij zouden kunnen worden ontmanteld; overwegende dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om getuigen effectief te beschermen en de uitwisseling van beste praktijken en internationale samenwerking op dit gebied te intensiveren;

AA.  overwegende dat er tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de richtlijn slachtofferrechten zijn gemeld, in het bijzonder met betrekking tot:

   het verstrekken van passende diensten aan slachtoffers overeenkomstig hun specifieke behoeften,
   het naar behoren uitvoeren van de voorschriften ter waarborging van de individuele beoordeling van slachtoffers,
   het naar behoren vaststellen van mechanismen om de vermeende dader een kopie van de aangifte ter hand te stellen,
   het waarborgen van gelijke toegang tot slachtofferhulporganisaties en gespecialiseerde hulpdiensten voor alle slachtoffers, met inbegrip van mensen met een handicap, LGBTI-personen, kindslachtoffers, slachtoffers van gendergerelateerd geweld, waaronder seksueel geweld, en slachtoffers van haatmisdrijven en eergerelateerde misdrijven, ongeacht hun verblijfsstatus,
   het garanderen van snelle, doeltreffende en slachtofferbewuste procedures in strafzaken, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van de meest kwetsbare groepen personen,
   het verzamelen van gegevens en het analyseren van de cultuur van geweld, misogynie en genderstereotypes, en het verband daarvan met haatmisdrijven,
   het verstrekken van informatie aan slachtoffers over de strafrechtelijke en procedurele situatie van de dader;

AB.  overwegende dat slachtoffers van misdrijven vaak verklaren dat het gerechtelijk proces op zich ook een soort victimisatie vormt, een secundaire of hervictimisatie; overwegende dat hoe slachtoffers worden behandeld tijdens het proces, en de mate van controle en mogelijkheden tot participatie die zij krijgen, factoren zijn die bepalen hoe slachtoffers het systeem ervaren;

AC.  overwegende dat slachtoffers van terrorisme het slachtoffer zijn geworden van aanslagen die uiteindelijk bedoeld waren om de samenleving of een grotere groep die zij vertegenwoordigen, te schaden; overwegende dat zij bijgevolg behoefte hebben aan speciale aandacht, steun en sociale erkenning, in verband met het specifieke karakter van het misdrijf dat tegen hen is gepleegd;

AD.  overwegende dat bepaalde rechten uit hoofde van de richtlijn slachtofferrechten, zoals het recht op financiële bijstand en compensatie, niet of onvoldoende werden toegekend aan de slachtoffers van de terroristische aanslagen in Brussel in 2016;

Evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtlijn

1.  uit kritiek op het feit dat de Commissie in november 2017 nog geen verslag aan het Parlement en de Raad had voorgelegd over de toepassing van de richtlijn slachtofferrechten, overeenkomstig artikel 29 van de richtlijn; verzoekt de lidstaten samen te werken en alle relevante gegevens en statistieken aan de Commissie te bezorgen met het oog op de vergemakkelijking van haar beoordeling van de tenuitvoerlegging van de richtlijn;

2.  uit kritiek op het feit dat in september 2017, twee jaar nadat de omzetting had moeten plaatsvinden, slechts 23 van de 27 lidstaten de richtlijn slachtofferrechten officieel hadden omgezet, en dat sommige van deze lidstaten slechts ten dele, op bepaalde punten aan de voorschriften voldoen;

3.  wijst op de geslaagde tenuitvoerlegging door sommige lidstaten van bepaalde bepalingen van de richtlijn slachtofferrechten, te weten:

   het recht op tolk- en vertaaldiensten,
   het recht te worden gehoord,
   de bescherming van kindslachtoffers,
   de rechten van slachtoffers bij het doen van aangifte,
   het recht op informatie bij het eerste contact met een bevoegde autoriteit;

4.  betreurt evenwel de overige belangrijke tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de richtlijn in vele lidstaten, met name met betrekking tot:

   de complexe procedures om toegang te krijgen tot hulpdiensten en tekortkomingen in het systeem voor slachtofferhulp, met inbegrip van onvoldoende toegang tot juridische bijstand en compensatie, een gebrek aan financiële steun en coördinatie tussen hulpdiensten, en inconsistente verwijzingsmechanismen,
   het feit dat er vaak slechts in één taal begrijpelijke informatie wordt verstrekt, waardoor het in de praktijk moeilijk is voor slachtoffers om bescherming te zoeken in het buitenland, in een andere lidstaat,
   het gebrek aan juridisch houvast in grensoverschrijdende zaken en de rechten van in een andere lidstaat wonende slachtoffers, en het ontbreken van maatregelen om te verzekeren dat de afwezigheid van of onzekerheid van hun verblijfsstatus niet verhindert dat slachtoffers hun rechten uitoefenen uit hoofde van deze richtlijn;

5.  wijst erop dat het onontbeerlijk is dat het eerste contact met het slachtoffer naar behoren verloopt, met name in het geval van gendergerelateerd geweld; merkt evenwel op dat sommige van de meest kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen en ongeschoolden, gehandicapten of ouderen, evenals migranten (vanwege de taal) en slachtoffers van mensenhandel, moeite hebben om de hun medegedeelde informatie te begrijpen en bijgevolg hun recht op informatie overeenkomstig artikel 4 van de richtlijn niet volledig kunnen uitoefenen, waardoor het nodig is om voor de aanwezigheid van een gekwalificeerd deskundige te zorgen om slachtoffers bij te staan; merkt op dat artikel 4 behoort tot de sterke punten van de richtlijn, aangezien dit slachtoffers helpt om hun recht op de beschikbare steun en bescherming zoals bepaald in de richtlijn uit te oefenen;

6.  vraagt de lidstaten eenvoudige toegang tot de rechter en adequate kosteloze rechtsbijstand te bevorderen, aangezien dit een grote bijdrage levert aan de doorbreking van de stilte en de bevordering van het vertrouwen van het slachtoffer in het strafrechtstelsel, straffeloosheid helpt tegengaan en het slachtoffer in staat stelt een begin te maken met het psychologisch herstel;

7.  spoort alle lidstaten aan het in artikel 4 van de richtlijn slachtofferrechten gewaarborgde recht op informatie op doeltreffende wijze toe te passen ten behoeve van alle slachtoffers en potentiële slachtoffers; onderstreept de noodzaak om de informatiemechanismen in de lidstaten te verbeteren om ervoor te zorgen dat slachtoffers niet alleen op de hoogte zijn van hun rechten maar ook weten tot wie zij zich moeten wenden om van deze rechten gebruik te kunnen maken; herinnert eraan dat de professionals die als eersten hulp bieden aan slachtoffers tevens hun eerste contactpunt voor informatie moeten zijn wat betreft hun rechten en de programma's die zijn ontwikkeld voor situaties waarin slachtoffers zich bevinden; benadrukt dat het niet verstrekken van informatie aan slachtoffers voor, tijdens en na de strafrechtelijke procedure leidt tot een gebrekkige uitoefening van de slachtofferrechten en ontevredenheid over het rechtssysteem, en slachtoffers ontmoedigt om actief te participeren in het strafrechtelijk proces;

8.  betreurt het feit dat te veel lidstaten hebben nagelaten de individuele beoordeling van slachtoffers in hun wetgeving op te nemen, wat leidt tot ondoelmatigheid bij het achterhalen en vaststellen van hun specifieke behoeften, afdoet aan een waardige en respectvolle behandeling van de slachtoffers en belet dat slachtoffers de bescherming wordt geboden die met hun specifieke behoeften overeenkomt;

9.  merkt op dat het feit dat de richtlijn in sommige lidstaten niet is omgezet in nationale wetgeving betekent dat burgers van deze lidstaten gediscrimineerd worden wanneer het gaat om de eerbiediging van hun rechten als Europese burgers;

10.  betreurt dat de richtlijn slachtofferrechten het slachtoffer beperkt in zijn uitoefening van het recht op rechtsbijstand vanwege bepalingen op grond waarvan de lidstaten alleen verplicht zijn rechtsbijstand te verstrekken wanneer het slachtoffer juridisch partij in een strafprocedure is en waarin is vastgelegd dat de voorwaarden of procedureregels inzake de toegang van slachtoffers tot rechtsbijstand door het nationale recht worden bepaald; benadrukt dat deze beperkingen bijzonder bezwaarlijk zijn voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld die geen aangifte doen en wier zaken nimmer door de strafrechter zullen worden behandeld;

11.  merkt op dat het bestaan van andere instrumenten die de slachtofferrechten op een soortgelijke manier aanvullen, de coherentie met de richtlijn slachtofferrechten bemoeilijkt;

12.  herinnert eraan dat onderdanen van derde landen en EU-burgers die het slachtoffer zijn geworden van een misdrijf in een andere lidstaat ook gebruik kunnen maken van de rechten, bijstand en bescherming die deze richtlijn biedt, ongeacht hun verblijfsstatus, en dat slachtoffers van een misdrijf dat is gepleegd in een andere lidstaat dan waar zij wonen aangifte kunnen doen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van hun woonplaats; merkt evenwel op dat dit recht vaak wordt ondermijnd door onzekerheid met betrekking tot de bepalingen inzake extraterritorialiteit van de lidstaten; roept de lidstaten op te verzekeren dat verblijfsstatus geen criterium is voor de volledige uitoefening van slachtofferrechten, en hun nationale voorschriften inzake extraterritorialiteit duidelijker te formuleren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat slachtoffers van misdrijven die in een andere lidstaat wonen toegang hebben tot hulpdiensten en informatie betreffende hun rechten, en specifieke maatregelen te nemen die in het bijzonder gericht zijn op de rechten van alle slachtoffers op vergoedingen en bij de strafprocedures; verzoekt de lidstaten in dit verband de nodige maatregelen te treffen om de samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten of diensten die gespecialiseerde hulp bieden, te vergemakkelijken zodat slachtoffers daadwerkelijk toegang krijgen tot deze informatie en diensten;

13.  herinnert de lidstaten eraan dat slachtoffers die zich in een irreguliere verblijfssituatie bevinden ook toegang moeten hebben tot rechten en diensten, met inbegrip van opvangtehuizen en andere gespecialiseerde diensten uit hoofde van deze richtlijn, zoals juridische bescherming en psychosociale en financiële steun van de lidstaten, zonder angst om te worden uitgezet; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om te verzekeren dat deze rechten en diensten zonder discriminatie beschikbaar worden gesteld; is ingenomen met de maatregelen van sommige lidstaten om slachtoffers zonder papieren op humanitaire gronden of voor de duur van het strafproces een verblijfsvergunning toe te kennen, wat slachtoffers kan aanmoedigen misdrijven aan te geven en het klimaat van straffeloosheid tegen te gaan; moedigt de lidstaten aan om wetgeving in te voeren waardoor slachtoffers die een afhankelijke verblijfsstatus hebben een uitweg kunnen vinden uit situaties van misbruik, door hun de mogelijkheid te bieden een onafhankelijke verblijfsstatus te verkrijgen; dringt er bij de Commissie om aan om de uitwisseling en beoordeling van bestaande praktijken, die rekening houden met het standpunt van slachtoffers en maatschappelijke organisaties, in de lidstaten mogelijk te maken en te faciliteren;

Aanbevelingen

Individuele beoordeling

14.  herinnert eraan dat de richtlijn slachtofferrechten als een van de belangrijkste doelstellingen heeft de positie van slachtoffers van misdrijven in de gehele EU te verbeteren en slachtoffers een centrale plaats in het strafrechtstelsel te geven;

15.  roept de lidstaten op om de rechten van slachtoffers van haatmisdrijven, onder andere tegen LGBTI-personen of met racistische motieven, te versterken;

16.  wijst erop dat individuele beoordelingen van het grootste belang zijn omdat zij slachtoffers mondiger maken door hen erop te wijzen dat zij bepaalde rechten hebben, waaronder het recht beslissingen te nemen, in de gerechtelijke procedures waarbij zij betrokken zijn en, wanneer het kinderen betreft, het recht op toegang tot specifieke procedurele waarborgen die op hen van toepassing zijn vanaf het begin van de gerechtelijke procedure; verzoekt de lidstaten om tijdige individuele beoordelingen van de slachtoffers naar behoren in hun wetgeving op te nemen, indien nodig ook tijdens hun eerste contact met een bevoegde autoriteit, als een essentiële procedurele stap om de specifieke behoeften van een slachtoffer te erkennen en vast te stellen, om vervolgens specifieke bescherming te verlenen overeenkomstig die behoeften, en om secundaire en herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding te voorkomen; benadrukt dat individuele beoordelingen regelmatig moeten worden herzien om de actuele behoefte aan steun te bepalen, en dat slachtoffers een follow-upevaluatie moet worden aangeboden binnen een bepaalde termijn na het misdrijf, op basis van de bestaande kennis over reactie op trauma; benadrukt nogmaals dat individuele beoordelingen met name nodig zijn voor slachtoffers van mensenhandel en kindslachtoffers van seksueel misbruik, gezien de sociale, fysieke en psychologische effecten van deze misdrijven; herinnert eraan dat alle individuele beoordelingen gendergevoelig moeten zijn, aangezien vrouwen en LGBTI-slachtoffers van gendergerelateerd geweld bijzondere aandacht en bescherming nodig hebben vanwege een groot risico op herhaalde victimisatie, en dat er dus voor specifieke maatregelen en gespecialiseerde hulp moet worden gezorgd;

Slachtofferhulpdiensten

17.  betreurt dat slachtoffers moeilijk toegang tot hulpdiensten krijgen; betreurt het feit dat in sommige lidstaten nog steeds geen slachtofferhulpdiensten zijn opgezet; benadrukt dat slachtofferhulpdiensten en slachtofferrechten moeten worden verleend aan alle slachtoffers in de hele EU en ook toegankelijk moeten zijn wanneer een persoon nog niet aangetoond heeft dat hij of zij het slachtoffer van een misdrijf is, zelfs wanneer nog geen officiële procedure werd opgestart of nog niet officieel werd opgetreden; roept de lidstaten op om te voorzien in vrouwenopvangtehuizen en vrouwencentra en hun aantal en toegankelijkheid te verbeteren, de vrouwelijke slachtoffers van alle vormen van gendergerelateerd geweld bij te staan en ervoor te zorgen dat vrouwelijke overlevers van geweld altijd een plaats krijgen; dringt erop aan dat de diensten worden uitgebreid om beter te kunnen beantwoorden aan de behoeften van alle vrouwen, in het bijzonder vrouwen met een handicap en migrantenvrouwen, met inbegrip van migrantenvrouwen zonder papieren; benadrukt dat dergelijke diensten ook niet‑residentiële gespecialiseerde steun moeten omvatten, zoals informatie en advies, begeleiding in de rechtbank en outreachdiensten; is van mening dat vrouwenopvangtehuizen alle vrouwen moeten helpen die geconfronteerd worden met geweld in persoonlijke relaties, en dat ze 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 kosteloos beschikbaar moeten zijn voor vrouwen en hun kinderen, zodat vrouwen zich veilig kunnen voelen en gendergerelateerd kunnen melden;

18.  roept de lidstaten op bijzondere aandacht te schenken aan de individuele beoordeling van kinderen en de kindslachtoffers van elke vorm van criminaliteit, met name mensenhandel, onder meer met het oog op seksuele uitbuiting, van gendergerelateerd geweld en van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting; herinnert eraan dat kindslachtoffers altijd in aanmerking zullen komen om specifieke bescherming te krijgen vanwege hun kwetsbaarheid, zoals bepaald in artikel 22, lid 4, van de richtlijn; benadrukt dat naar behoren rekening moet worden gehouden met de kwetsbaarheid van minderjarige slachtoffers;

Opleiding

19.  benadrukt dat het waarborgen van voortgezette opleidingen op EU-niveau van zeer groot belang is voor de harmonisatie en standaardisatie van de procedures in alle lidstaten en voor het waarborgen van gelijke behandeling van alle Europese burgers;

20.  verzoekt de lidstaten om specifieke opleidingen aan te bieden aan degenen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van steun aan de slachtoffers van terroristische daden en daarvoor de noodzakelijke middelen te verstrekken;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbewuste opleidingen en richtsnoeren te verstrekken voor alle personen die beroepshalve te maken hebben met de slachtoffers van misdrijven, zoals rechtsbeoefenaren, politiefunctionarissen, openbare aanklagers, rechters, gezondheidswerkers, maatschappelijk werkers en maatschappelijke organisaties; moedigt de lidstaten aan de EU-middelen voor deze doeleinden goed te benutten; verzoekt de lidstaten in het bijzonder te verzekeren dat zij alle verplichtingen met betrekking tot opleidingen voor politieagenten nakomen, zodat zij beter en op een tijdige manier individuele beoordelingen kunnen uitvoeren wanneer er een misdrijf heeft plaatsgevonden; roept de lidstaten op verdere of secundaire victimisatie van slachtoffers van misdrijven te voorkomen en hen van informatie te voorzien over hun rechten en over de diensten en middelen waarvan zij gebruik kunnen maken, teneinde posttraumatische stress te verminderen; benadrukt dat dergelijke opleidingen ook in scholingsprogramma's moeten worden opgenomen, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en ngo's, en dat op gezette tijden verplichte en specifieke opleidingen kunnen worden gegeven aan alle beroepsbeoefenaren die te maken hebben met de slachtoffers van misdrijven, teneinde een benadering te ontwikkelen die aansluit bij de specifieke kenmerken en behoeften van elk type slachtoffer, en beroepsbeoefenaren te helpen geweld te voorkomen en passende steun te bieden aan kwetsbare groepen, zoals kinderen, vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, de slachtoffers van mensenhandel, LGBTI-personen en mensen met een handicap; herinnert eraan dat scholing van personeel van wezenlijk belang is om de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken; is van mening dat dergelijke opleidingen richtsnoeren moeten bevatten over hoe kan worden gewaarborgd dat slachtoffers worden beschermd tegen dwang, misbruik en geweld en dat hun lichamelijke en geestelijke integriteit wordt gerespecteerd; is voorts van mening dat bij alle opleidingssessies de nadruk moet liggen op het beginsel van non‑discriminatie, een hoeksteen van de richtlijn;

22.  herinnert eraan dat kindslachtoffers van misdrijven bijzonder kwetsbaar zijn en dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het opleiden van beroepskrachten die omgaan met slachtoffers van misdrijven waarbij kinderen betrokken zijn, met name gevallen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de verschillende leeftijdsgroepen; benadrukt dat deze beroepskrachten op een kindvriendelijke manier moeten communiceren;

23.  moedigt de Commissie aan een praktische inhoud te geven aan de internationale dag voor de slachtoffers van terrorisme door ten minste tweemaal per jaar een internationale ontmoeting te organiseren die met name bedoeld is voor het uitwisselen van ervaringen en beste praktijken tussen lokale, regionale en nationale autoriteiten van de lidstaten en het verzamelen van getuigenissen van slachtoffers; is van mening dat dit moet bijdragen aan een snelle, uniforme en volledige omzetting van de richtlijn, vroegtijdige opsporing van gemeenschappelijke problemen bij de toepassing, en een procedure voor voortdurende evaluatie van het voorlichtend vermogen ervan en de mate waarin de richtlijn een operationele dimensie toevoegt aan blijken van solidariteit en institutionele en maatschappelijke steun voor slachtoffers;

24.  benadrukt het feit dat gezondheidswerkers cruciaal zijn om slachtoffers van huiselijk geweld te herkennen, aangezien geweld tegen vrouwen in persoonlijke relaties op de lange termijn vaak gevolgen heeft voor zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat informatie over slachtofferhulpdiensten en slachtofferrechten toegankelijk is voor gezondheidswerkers, en gerichte opleidingen te verstrekken aan een breed scala aan gezondheidswerkers, waaronder huisartsen, spoedartsen, verpleegkundigen, medisch assistenten, klinisch maatschappelijk werkers en receptiepersoneel, teneinde effectief met de slachtoffers te kunnen omgaan, met name in het geval van gendergerelateerd geweld, waardoor zij mogelijke gevallen van misbruik kunnen opsporen en vrouwelijke slachtoffers kunnen aanmoedigen om contact op te nemen met een bevoegde autoriteit;

Grensoverschrijdende dimensie

25.  roept de lidstaten op om in het geval van een ernstig misdrijf – d.w.z. wanneer het heeft geleid tot de dood of ernstige verwonding van het slachtoffer – in een andere lidstaat dan waar het slachtoffer woont financiële en rechtsbijstand te verlenen aan diens gezinsleden, met name wanneer het gezin het niet kan betalen om naar die lidstaat af te reizen om de rechtszaak bij te wonen, het slachtoffer psychologisch te laten ondersteunen of het slachtoffer naar huis te brengen;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij vaart zetten achter de werkzaamheden en de doorgifte van veroordelingen wegens gendergerelateerd geweld in een land, vooral in het geval van internationale huwelijken, bespoedigen, zodat de autoriteiten van de landen van herkomst van de twee huwelijkspartners zo snel mogelijk in actie kunnen komen en voorkomen dat het gezag over de kinderen wordt toegekend aan een vader die in een ander land van gendergerelateerd geweld wordt beschuldigd;

27.  verzoekt de Commissie en de Raad de rechten van slachtoffers verder te ontwikkelen zodat de EU een voortrekkersrol kan spelen bij de bescherming van slachtofferrechten;

Procedurele rechten

28.  benadrukt dat het van groot belang is dat kosteloze rechtsbijstand wordt verleend en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de bureaucratische rompslomp voor het slachtoffer zoveel mogelijk wordt beperkt;

29.  roept de lidstaten in het bijzonder op vertrouwelijke en anonieme procedures op te zetten voor het melden van misdrijven, met name in het geval van seksueel misbruik en misbruik van gehandicapten en minderjarigen, teneinde het aantal aangiften te monitoren en te evalueren en ervoor te zorgen dat slachtoffers zonder papieren een klacht kunnen indienen zonder risico op immigratiegerelateerde gevolgen;

30.  vraagt de lidstaten meer strafprocesrechtsmaatregelen in te voeren om de bescherming van kindslachtoffers gedurende de volledige strafprocedure te waarborgen, met inbegrip van de specifieke behoeften van kindslachtoffers van gendergerelateerd geweld, met name wanneer de moeder van het kind is vermoord door hun partner, en te waarborgen dat zij daarna bijstand en sociale en psychologische ondersteuning krijgen, teneinde te voorkomen dat kindslachtoffers worden blootgesteld aan secundaire victimisatie; verzoekt de lidstaten meer specifieke maatregelen te nemen om de rol van nationale hulplijnen te verbeteren met het oog op kindslachtoffers, aangezien de aangiftecijfers door kinderen laag zijn;

31.  verzoekt de lidstaten rekening te houden met significante gevallen van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, bij het bepalen van gezags- en bezoekrecht, en is van mening dat de rechten en behoeften van minderjarige getuigen ook in aanmerking moeten worden genomen bij de verlening van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers;

32.  herinnert de lidstaten aan de verplichting om kosteloos taalkundige bijstand te verlenen, en merkt op dat een gebrek aan informatie in andere talen een obstakel voor de effectieve bescherming van de slachtoffers en een vorm van discriminatie van hen kan zijn;

33.  vraagt de Commissie en de lidstaten met klem actief deel te nemen aan en nauw samen te werken bij voorlichtingscampagnes om het bewustzijn onder het grote publiek ten aanzien van de rechten van slachtoffers onder het EU-recht te vergroten, met inbegrip van de specifieke behoeften van kindslachtoffers; onderstreept dat deze voorlichtingscampagnes ook op scholen moeten worden gehouden, zodat kinderen op de hoogte zijn van hun rechten en over het nodige gereedschap beschikken om iedere vorm van criminaliteit waarvan zij mogelijk slachtoffer of getuige zijn, te herkennen; verzoekt de Commissie en de lidstaten campagnes op te zetten om vrouwen en LGBTQI-personen aan te moedigen alle vormen van gendergerelateerd geweld aan te geven, zodat zij kunnen worden beschermd en de nodige steun kunnen krijgen;

34.  roept de lidstaten op beste praktijken voor een slachtoffergerichte benadering voor politieagenten in hun dagelijkse werkzaamheden uit te wisselen;

35.  verzoekt de lidstaten actief campagnes op te zetten, zowel op regionaal als op nationaal niveau, om gendergerelateerd geweld en hervictimisatie in justitie en in de media te voorkomen, en een mentaliteitswijziging in de publieke opinie te stimuleren om te voorkomen dat de schuld bij de slachtoffers wordt gelegd, wat kan leiden tot bijkomend trauma voor de slachtoffers van specifieke misdrijven zoals gendergerelateerd geweld of seksueel misbruik; verzoekt de lidstaten de privésector, de IT-sector en de media aan te moedigen hun potentieel zo goed mogelijk te benutten en deel te nemen aan de preventie van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld;

36.  roept de lidstaten op beste praktijken uit te wisselen over het tot stand brengen van mechanismen om slachtoffers aan te moedigen aangifte te doen en het doen van aangifte te vergemakkelijken;

37.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om het in het geval van aanslagen met zeer veel slachtoffers mogelijk te maken dat grote aantallen slachtoffers deelnemen aan strafprocedures;

38.   herinnert de lidstaten eraan dat zij met name aandacht moeten schenken aan het gevaar van intimidatie en vergelding en aan de noodzaak om de waardigheid en fysieke integriteit van slachtoffers te beschermen, ook wanneer deze worden gehoord of moeten getuigen, om vast te stellen of en in hoeverre voor deze personen tijdens de strafrechtelijke procedure beschermingsmaatregelen nodig zijn;

39.  benadrukt hoe belangrijk het is dat slachtoffers op de hoogte worden gehouden van lopende strafprocedures tegen de daders van misdrijven tegen hen, met name wat betreft het opleggen of uitzitten van gevangenisstraffen;

Institutioneel perspectief

40.  verzoekt de Commissie haar rapportageverplichtingen overeenkomstig de richtlijn na te komen;

41.  benadrukt het belang van relevante uitgesplitste vergelijkbare gegevens over alle misdrijven, vooral met betrekking tot geweld tegen vrouwen en mensenhandel, teneinde een beter begrip van het probleem te verzekeren, bewustzijn te creëren en de maatregelen van lidstaten om slachtoffers te ondersteunen te beoordelen en te verbeteren;

42.  vraagt de Commissie de justitiële en praktische fouten in de tenuitvoerlegging van deze richtlijn recht te zetten door ervoor te zorgen dat de diverse EU-instrumenten voor slachtofferbescherming, zoals Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europees beschermingsbevel, Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en Richtlijn 2014/42/EU betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie goed op elkaar aansluiten; roept alle lidstaten en de EU op om het Verdrag van Istanbul(15) van de Raad van Europa te ratificeren en volledig toe te passen om geweld tegen vrouwen en meisjes te voorkomen en te bestrijden en deze belangrijke instrumenten op coherente wijze ten uitvoer te leggen zodat slachtoffers in Europa ten volle hun rechten genieten;

43.  verzoekt de Commissie om sectorale onderzoeken op te nemen in haar monitoring en verslaglegging, en om een uniforme toepassing van de richtlijn te verzekeren om alle slachtoffers te beschermen, ongeacht de grond van de victimisatie of specifieke kenmerken, zoals ras, huidskleur, religie, geslacht, genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, geslachtskenmerken, handicap, migratiestatus of enige andere status;

44.  herinnert eraan dat de gezinsleden van slachtoffers onder de definitie van "slachtoffer" vallen en roept de lidstaten op de term "gezinsleden", evenals andere belangrijke termen, zoals "bijzonder kwetsbaar", ruim op te vatten, teneinde te voorkomen dat de lijst van potentiële rechthebbenden onnodig wordt beperkt;

45.  roept de lidstaten op maatregelen in te voeren om ervoor te zorgen dat de schriftelijke en mondelinge communicatie voldoet aan de normen voor eenvoudig taalgebruik, is aangepast aan minderjarigen en personen met een handicap, en is opgesteld in een taal die het slachtoffer begrijpt, zodat slachtoffers in de aanloop naar, tijdens en na afloop van de strafprocedure op een begrijpelijke, passende en gerichte wijze op de hoogte kunnen worden gehouden van hun rechten;

46.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de uitoefening van rechten is gebonden aan verjaringstermijnen, waarbij rekening wordt gehouden met vertragingen door moeilijkheden bij de vertaling en de vertolking;

47.  roept de zeven lidstaten die dat nog niet hebben gedaan op wetgeving aan te nemen teneinde belaging als misdrijf te definiëren, aangezien het een veelvoorkomende vorm van gendergerelateerd geweld is waarvoor specifieke preventiemaatregelen zijn vereist, zoals gevraagd wordt in artikel 34 van het Verdrag van Istanbul, op basis van de desbetreffende bepalingen van de richtlijn inzake het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het recht op bescherming en in het bijzonder het recht contact met de dader – of eventueel andere mogelijke daders of handlangers – te vermijden;

48.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat slachtoffers niet ook nog eens te maken krijgen met vernedering en aantasting van hun eer door maatschappelijke groepen rond de oorspronkelijke dader; herhaalt dat dergelijke uitlatingen het slachtoffer nog verder kwetsen en niet mogen worden verdedigd met een beroep op de vrijheid van meningsuiting, zoals bepaald in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens(16);

49.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat er na een aanval een alarmnummer beschikbaar is, of – bij voorkeur – dat deze dienst in de diensten van het Europese alarmnummer 112 wordt geïntegreerd, en dat voorzieningen worden getroffen om bijstand in vreemde talen te verlenen; roept alle lidstaten derhalve op artikel 22 van de richtlijn slachtofferrechten in hun wetgeving om te zetten;

50.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat als een slachtoffer van terrorisme geen ingezetene is van de lidstaat waar de daad heeft plaatsgevonden, deze lidstaat moet samenwerken met de woonlidstaat om steun aan het slachtoffer te faciliteren;

51.  vraagt de lidstaten een nationale hulplijn op te zetten die 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 open en gratis beschikbaar is, voor vrouwen en LGBTQI-slachtoffers van gendergerelateerd geweld;

52.  roept de lidstaten op bijstand van slachtofferhulporganisaties voor slachtoffers in de aanloop naar, tijdens en na afloop van de strafprocedure, waaronder psychologische ondersteuning te waarborgen; benadrukt dat maatschappelijke organisaties een belangrijke rol hebben bij de hulp voor slachtoffers; is niettemin van mening dat overheden niet alleen op ngo's mogen leunen om belangrijke slachtofferhulp te verlenen ("vrijwilligerswerk"); dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat er meer financiering en middelen worden vrijgemaakt voor ngo's die actief zijn op het gebied van vrouwen- en slachtofferrechten, en capaciteit moeten opbouwen om mechanismen voor slachtofferhulp te ontwikkelen, met de betrokkenheid van rechtshandhavingsinstanties, sociale en gezondheidsdiensten en maatschappelijke organisaties;

53.  verzoekt de lidstaten om in deskundige ondersteuning voor de slachtoffers van terrorisme te voorzien in hun noodreactieplanning zodat zowel onmiddellijk na een aanslag als op de lange termijn passende ondersteuning kan worden geboden;

54.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen vast te leggen om ervoor te zorgen dat informatie wordt verstrekt aan slachtoffers die niet vast verblijven op het grondgebied van de lidstaat waar de terroristische aanslag heeft plaatsgevonden; is van oordeel dat deze maatregelen in het bijzonder aandacht moeten hebben voor de rechten van slachtoffers die in een andere lidstaat wonen bij de strafprocedures en hun recht op vergoedingen;

55.  roept alle lidstaten op straffeloosheid te allen tijde te bestrijden en ervoor te zorgen dat de daders voor het gerecht worden gebracht, zodat de slachtoffers zich beschermd kunnen voelen; roept alle lidstaten bovendien op sectoroverschrijdend te werk te gaan om de systemische factoren die bijdragen aan herhaalde victimisatie van personen in kwetsbare situaties en/of die met hoge discriminatieniveaus te maken krijgen, vast te stellen en aan te pakken, aangezien niets doen ernstige gevolgen kan hebben voor het psychologisch herstel van het slachtoffer;

56.  verzoekt de lidstaten rechtsmechanismen op te zetten voor de strafbaarstelling van de verheerlijking van een specifieke terroristische daad als deze verheerlijking de slachtoffers vernedert en kan leiden tot secundaire victimisatie door de waardigheid en het herstel van de slachtoffers te beschadigen;

57.  is van mening dat de slachtoffers van terrorisme een centrale plaats in de Europese samenleving moeten krijgen, als symbool van de verdediging van democratisch pluralisme; dringt daartoe aan op conferenties, gedenktekens en audiovisueel materiaal om de Europese burgers bewust te maken van een en ander, alsmede op een Europees register van slachtoffers, voor administratieve doeleinden;

58.  vraagt de lidstaten te zorgen voor een betere bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van seksueel geweld, als een manier om de toegang tot justitie en de doeltreffendheid van strafrechtprocedures te verbeteren;

59.  wijst op de specifieke kenmerken van de slachtoffers van terrorisme, die een aparte categorie vormen en specifieke behoeften hebben; verzoekt de Commissie een specifieke richtlijn inzake de bescherming van slachtoffers van terrorisme op te stellen;

60.  roept de lidstaten op om hulpdiensten, zoals traumazorg en counseling, en toegang tot de nodige gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, als onderdeel van gerichte ondersteuning voor slachtoffers met specifieke behoeften, zoals kinderen, vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, slachtoffers van mensenhandel, LGBTI-mensen en personen met een handicap, te waarborgen;

61.  roept de lidstaten op passende mechanismen voor kwaliteitscontrole vast te stellen om te evalueren of zij hebben voldaan aan de voorschriften voor genderbewuste en vrouw- en kindvriendelijke normen ten aanzien van de door slachtofferhulporganisaties getroffen voorzieningen ter aanmoediging van het doen van aangifte en ter bescherming van slachtoffers;

62.  roept de lidstaten op slachtoffers bij te staan bij de afhandeling van juridische, financiële en praktische zaken en de beheersing van het risico op verdere victimisatie;

63.  verzoekt de Commissie het potentiële gebruik van het door de EU gefinancierde project "InfoVictims" te benadrukken als een instrument om slachtoffers te informeren over strafrechtprocedures door verschillende communicatiemethoden te gebruiken, zoals brochures en posters, en om hen te bereiken; is van oordeel dat dit project het delen van goede praktijken voor het informeren van de slachtoffers van misdrijven verbetert;

64.  roept de lidstaten op gecoördineerde mechanismen op te zetten voor het verzamelen van informatie over de slachtoffers van terreuraanslagen op hun grondgebied en, door het uitwerken en instellen van "één-loket"-regelingen, slachtoffers een internetportaal en een telefoonnummer of ander communicatiemiddel voor noodsituaties te bieden, zoals e-mail of multimedia-boodschappentools, die toegang geven tot veilige, persoonlijke, specifieke en relevante informatie die is afgestemd op de behoeften van slachtoffers, met een vertrouwelijke, kosteloze en laagdrempelige hulpdienst; benadrukt dat deze hulpdienst hulp en ondersteuning moet kunnen bieden aan de slachtoffers van terrorisme, al naargelang hun specifieke behoeften, zoals emotionele en psychologische steun, evenals advies en informatie over juridische, praktische en financiële kwesties, en slachtoffers moet kunnen helpen contact te leggen met de verschillende administratieve diensten en hen zo nodig hierbij te vertegenwoordigen in de onmiddellijke nasleep van de aanslag en tijdens de strafprocedure, alsook hulp moet kunnen bieden bij de nationale procedures inzake schadevergoeding;

65.  vraagt de lidstaten passende maatregelen te treffen om, voor zover mogelijk, inbreuken op het privéleven van slachtoffers en hun gezinsleden te voorkomen, in het bijzonder met betrekking tot onderzoeksactiviteiten en tijdens juridische procedures;

66.  vraagt de Commissie om het huidige e-justitieportaal om te vormen tot een gebruiksvriendelijker platform dat beknopte en gemakkelijk te begrijpen informatie verstrekt om slachtoffers te informeren over hun rechten en de door hen te volgen procedures;

67.  vraagt de lidstaten om, in volledige eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, contact te onderhouden met de media en journalisten om in de nasleep van een terroristische aanval maatregelen van zelfregulering aan te nemen, teneinde de bescherming van het privéleven van slachtoffers en hun gezinsleden te garanderen, en bovendien het belang te erkennen van samenwerking met gespecialiseerde diensten voor slachtofferhulp en -ondersteuning om hen te helpen omgaan met de media-aandacht die zij krijgen;

68.  roept de lidstaten op coördinatiemechanismen op te zetten om te zorgen voor een doeltreffende overgang van ondersteuning voor slachtoffers, van onmiddellijke genderbewuste zorg in de nasleep van een misdrijf naar de bijstand die zij op lange termijn nodig hebben; merkt op dat de lokale en regionale autoriteiten die normaliter de meeste diensten leveren die slachtoffers nodig hebben, in alle fasen van de planning, besluitvorming en tenuitvoerlegging moeten worden betrokken; benadrukt dat dergelijke mechanismen met name moeten waarborgen dat slachtoffers worden doorverwezen naar langdurige hulp, waarbij verschillende organisaties in de verschillende fasen ondersteuning bieden; is van mening dat deze mechanismen tevens over de landsgrenzen heen werkzaam moeten zijn om slachtofferhulp te bieden, en het recht op informatie, hulp en schadeloosstelling ten behoeve van het slachtoffer moeten waarborgen, wanneer het misdrijf heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan waar het slachtoffer woont;

69.  verzoekt de lidstaten om in geval van een terroristische aanslag een coördinatiecentrum op te zetten om organisaties en deskundigen met de nodige expertise samen te brengen om informatie en steun te geven en praktische diensten te verlenen aan de slachtoffers en hun gezinnen en familieleden; benadrukt dat deze diensten vertrouwelijk, gratis en makkelijk toegankelijk voor alle slachtoffers van terrorisme moeten zijn en met name het volgende moeten omvatten:

   a) gespecialiseerde emotionele en psychologische ondersteuning, zoals traumazorg en counseling, volgens de specifieke behoeften van de slachtoffers van terrorisme;
   b) diensten voor beroepsrevalidatie om slachtoffers te helpen die letsel hebben opgelopen en nadeel ondervinden bij het zoeken naar een nieuwe baan of bij het veranderen van baan;
   c) het vergemakkelijken van veilige virtuele verbindingen tussen slachtoffers en andere slachtoffers en organisaties voor slachtofferhulp;
   d) gemeenschapsgerichte ondersteuningsdiensten;
   e) diensten om familieleden op de hoogte te brengen van de identificatie van slachtoffers en hun stoffelijk overschot, en voor de repatriëring van het stoffelijk overschot;

70.  betreurt het feit dat het toepassingsgebied van de richtlijn slachtofferrechten, in vergelijking met het Verdrag van Istanbul, beperkter is wat betreft de bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld (met inbegrip van mensen die getroffen worden door vrouwelijke genitale verminking); verwelkomt evenwel het sterkere verantwoordingsmechanisme van de richtlijn en benadrukt dat de twee instrumenten samen gepromoot moeten worden om de bescherming van de slachtoffers van gendergerelateerd geweld te maximaliseren;

71.  moedigt de lidstaten aan te voorzien in passend informatiemateriaal en kosteloze juridische bijstand voor de slachtoffers van terrorisme die tevens partij zijn bij strafrechtprocedures, zodat zij een beslissing inzake compensatie kunnen verkrijgen;

72.  verzoekt de Commissie een voorstel voor te leggen voor de oprichting van een Europees fonds voor hulp aan de slachtoffers van terreurdaden;

73.  verzoekt de lidstaten om:

   a) met spoed een vaste, speciale website beschikbaar te stellen waarop alle openbare informatie over de hulpdiensten die beschikbaar zijn na terroristische aanslagen in die lidstaat kan worden geraadpleegd, en die de volgende informatie moet bevatten: de contactgegevens van organisaties die na een terroristische aanslag ondersteuning en informatie bieden aan slachtoffers, familieleden en leden van het publiek, en informatie over de aanslag en de maatregelen die in reactie hierop zijn vastgesteld, waaronder informatie over de zoektocht naar of het in contact komen met vermiste slachtoffers en maatregelen om slachtoffers te helpen naar huis terug te keren, met inbegrip van:
   i. hoe eventuele bij de aanslag verloren eigendom kan worden teruggekregen;
   ii. normale psychologische reacties van slachtoffers op een aanslag en begeleiding van slachtoffers om eventuele negatieve gevolgen te verzachten, en informatie over mogelijk onzichtbaar letsel zoals gehoorverlies;
   iii. informatie over hoe identiteitsdocumenten kunnen worden vervangen;
   iv. informatie over hoe financiële bijstand, vergoedingen of door de regering verstrekte voordelen kunnen worden verkregen;
   v. informatie over de specifieke rechten van de slachtoffers van terrorisme en hun gezinsleden, met inbegrip van rechten binnen strafrechtelijke procedures, als bepaald in de richtlijn slachtofferrechten;
   vi. alle andere informatie die nodig wordt geacht om slachtoffers te kunnen informeren over hun rechten, hun veiligheid of de diensten waarop zij een beroep kunnen doen;
   b) een website waartoe alleen de slachtoffers van terroristische aanslagen en hun familieleden toegang hebben, waarop zij informatie kunnen raadplegen die niet openbaar beschikbaar is;
   c) planning over de wijze van informeren van gezinsleden over de situatie van de slachtoffers;
   d) uniforme verzameling van informatie over slachtoffers bij alle overheden en organisaties die verantwoordelijk zijn voor de ontvangst, behandeling en ondersteuning van slachtoffers; de informatie moet worden verzameld in overeenstemming met de behoeften van alle organisaties die betrokken zijn bij de reactie op een terroristische aanslag en bij de ondersteuning van de slachtoffers en hun gezinnen;

74.  verzoekt de lidstaten een nationaal netwerk van slachtofferhulpdiensten op te zetten om de samenwerking tussen deze organisaties te verbeteren, en werkgroepen te lanceren om goede praktijken te delen, opleidingen te ontwikkelen en de communicatie tussen de autoriteiten en de slachtoffers van misdrijven te verbeteren;

75.  verzoekt de Commissie een dialoog met de lidstaten aan te gaan met het doel de duidelijke verschillen(17) weg te werken tussen de financiële schadevergoedingen die de afzonderlijke lidstaten aan slachtoffers van terroristische aanslagen toekennen;

76.  benadrukt dat het essentieel is dat de lidstaten op een respectvolle, gevoelige en professionele manier omgaan met slachtoffers van een misdrijf, teneinde hen aan te moedigen om bij rechtshandhavingsinstanties of medisch personeel aangifte te doen;

77.  verzoekt de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat het alarmnummer 112 volledig toegankelijk is voor personen met een handicap en dat er campagnes worden opgezet om de bekendheid van het nummer te vergroten;

78.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om zo snel mogelijk een Europese strategie voor te stellen om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden, met inbegrip van een bindende rechtshandeling die de lidstaten helpt bij de preventie en uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en van gendergerelateerd geweld; herhaalt zijn verzoek aan de Raad om de overbruggingsclausule toe te passen door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (alsook andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een strafbaar feit uit hoofde van artikel 83, lid 1, VWEU;

79.  vraagt de lidstaten om mechanismen op te zetten om een toereikende compensatie van daders te vorderen;

80.  roept de lidstaten op alle bepalingen van de richtlijn slachtofferrechten op doeltreffende wijze, met voldoende economische en financiële middelen en in nauwe samenwerking met de Commissie en andere relevante partijen, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, ten uitvoer te leggen;

81.  verzoekt de Commissie het waarborgen van de persoonlijke veiligheid en de bescherming van alle personen tegen gendergerelateerd en persoonlijk geweld als prioriteit op de Europese veiligheidsagenda te plaatsen;

o
o   o

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 131 van 20.5.2017, blz. 11.
(2) PB L 131 van 20.5.2017, blz. 13.
(3) PB L 82 van 22.3.2001, blz. 1.
(4) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(5) PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.
(6) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.
(7) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(8) PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.
(9) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(10) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0501.
(12) PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39.
(13) PB L 261 van 6.8.2004, blz. 15.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0329.
(15) Zie de resolutie van het Parlement van 12 september 2017 over de sluiting van het Verdrag van Istanbul.
(16) Arrest van de Kamer van 16 juli 2009, Féret/België, C-573.
(17) De financiële schadevergoeding in de diverse lidstaten loopt van het symbolische bedrag van één euro tot 250 000 EUR of meer.


Jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid
PDF 180kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid (2017/2070(INI))
P8_TA(2018)0230A8-0166/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen: Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid",

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(1),

–  gezien het verslag van de Commissie van 13 september 2017 over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid "Handel voor iedereen" (COM(2017)0491),

–  gezien het verslag van de Commissie van 9 november 2017 over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten 1 januari 2016 - 31 december 2016 (COM(2017)0654),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde resolutie getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling",

–  gezien de toespraak over de Staat van de Unie van de voorzitter van de Commissie Jean-Claude Juncker van 13 september 2017,

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires, 10-13 december 2017(2),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(3),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 houdende aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)(4),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(5),

–  gezien zijn in eerste lezing aangenomen standpunt van 15 november 2017 over het voorstel voor een Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie en Verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 "Naar een digitale handelsstrategie"(7),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 16 maart 2017 betreffende de goedkeuring van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(8),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 4 oktober 2016 betreffende de goedkeuring van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(9),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 mei 2006 getiteld "Bevordering van waardig werk voor iedereen: Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld" (COM(2006)0249, SEC(2006)0643),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Korea(12),

–  gezien Advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 mei 2017 over de bevoegdheid van de Unie om de vrijhandelsovereenkomst met Singapore te ondertekenen en te sluiten,

–  gezien de studie van de Commissie van 15 november 2016 over de cumulatieve effecten van toekomstige handelsovereenkomsten op de landbouwsector,

–  gezien de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en met name artikel 4, lid 1 inzake het verbod op slavernij en dwangarbeid,

–  gezien de artikelen 207, 208 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0166/2018),

A.  overwegende dat het gemeenschappelijk handelsbeleid bestaat uit handelsovereenkomsten en wetgevingsinstrumenten die de offensieve en defensieve handelsbelangen van de Unie moeten beschermen, moeten bijdragen tot duurzame groei en nieuwe, fatsoenlijke banen, ervoor moeten zorgen dat de EU-regels en -normen in acht worden genomen, het recht van de staten om regels vast te stellen evenals het welzijn van de burgers moeten waarborgen en de waarden van de Unie moeten bevorderen; en overwegende dat de eerbiediging van deze doelstellingen een goede oriëntatie van het handelsbeleid van de Unie vereist, evenals volledige en doeltreffende uitvoering van en toezicht op dit beleid, op een eerlijkere en transparantere wijze;

B.  overwegende dat de Unie zich in het kader van de Europese consensus inzake ontwikkeling van 2017 heeft verbonden aan het concept van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat erop gericht is duurzame ontwikkeling te realiseren en de transformatie te versnellen door meer aandacht te besteden aan een aantal horizontale elementen van het ontwikkelingsbeleid, zoals gendergelijkheid, jongeren, investeringen en handel, duurzame energie en klimaatactie, goed bestuur, democratie, de rechtsstaat en mensenrechten, en migratie en mobiliteit, teneinde op basis van haar gehele externe beleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk handelsbeleid, een bijdrage te leveren aan de Agenda 2030 van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling;

C.  overwegende dat de Unie zich inzet voor de bevordering van waardig werk voor iedereen overeenkomstig de resultaten van de Wereldtop van 2005 en de ministerverklaring van 2006 van de bijeenkomst op hoog niveau van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties, onder meer door middel van haar handelsbetrekkingen; overwegende dat de Europese Raad meermaals het belang van het aanscherpen van de sociale dimensie van de globalisering heeft onderstreept, alsook het feit dat deze dimensie tot uiting moet komen in de verschillende interne en externe beleidsmaatregelen en de internationale samenwerkingsprogramma's;

D.  overwegende dat de Unie niet alleen het grootste handelsblok en de grootste interne markt ter wereld is, maar ook 's werelds grootste exporteur van goederen en diensten en daarmee goed is voor 31 miljoen banen in Europa, 67 % meer dan in het midden van de jaren negentig;

E.  overwegende dat de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wereldwijd de enige internationale organisatie is die zich bezighoudt met de mondiale handelsregels tussen verschillende economische gebieden of landen;

F.  overwegende dat de uitvoerings- en handhavingsfase essentieel en van wezenlijk belang is om de doeltreffendheid van het handelsbeleid van de Unie te waarborgen;

G.  overwegende dat de burgers van de Unie in toenemende mate eisen dat het handelsbeleid van de Unie garandeert dat goederen die op de EU-markt komen onder fatsoenlijke en duurzame omstandigheden zijn geproduceerd;

H.  overwegende dat Europese ondernemingen voor ongeveer 70 % van de in aanmerking komende uitvoer de verlaagde rechten benutten die door handelsovereenkomsten mogelijk worden gemaakt, terwijl onze partners daar in ongeveer 90 % van de gevallen gebruik van maken, en dat het van wezenlijk belang is dat de Europese ondernemingen deze voordelen ten volle benutten om werkgelegenheid, groei en investeringen te bevorderen;

I.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen ("kmo's") tot de stuwende krachten van de Europese economie behoren en 30 % van de uitvoer van de Unie en 90 % van de werkgelegenheid in de EU vertegenwoordigen, en dat het van wezenlijk belang is dat zij een integrerend onderdeel vormen bij de uitvoering van het handelsbeleid van de Unie, waardoor dit handelsbeleid een krachtigere rol op het gebied van uitvoer, innovatie en internationalisatie kan spelen;

J.  overwegende dat de Unie 's werelds grootste exporteur van diensten is en dat het handelsoverschot van de Unie op dit gebied sinds 2000 vertienvoudigd is en ruim 120 miljard EUR bedroeg in 2016;

K.  overwegende dat duidelijke en nauwkeurige antwoorden moeten worden gegeven op de vragen die in het publiek debat over het gemeenschappelijke handelsbeleid en de uitvoering daarvan zijn gesteld;

L.  overwegende dat het gemeenschappelijk handelsbeleid, zoals blijkt uit de handelsstrategie Handel voor iedereen, een op waarden gebaseerd beleid is dat onder meer tot doel heeft goed bestuur, transparantie, duurzame ontwikkeling en eerlijke handelspraktijken te bevorderen;

M.  overwegende dat het handelsbeleid coherent moet zijn met het buitenlands en binnenlands beleid van de Unie en in overeenstemming met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, teneinde transparantie, stabiliteit en eerlijkere concurrentievoorwaarden te kunnen waarborgen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met onder meer de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

Huidige context van het handelsbeleid

1.  herinnert eraan dat de internationale context diepgaand is gewijzigd sinds de bekendmaking van de strategie Handel voor iedereen en dat nieuwe uitdagingen en concrete taken op handelsgebied aangepakt moeten worden; is bezorgd over de wereldwijde toename van enkele protectionistische handelspraktijken die niet stroken met de WTO-regels en spreekt nogmaals zijn steun uit voor een open, eerlijk, evenwichtig, duurzaam en op regels gebaseerd handelsstelsel;

2.  neemt kennis van de toenemende economische betekenis van het Aziatisch continent en van de geleidelijke terugtrekking van de Verenigde Staten op handelsgebied, met als gevolg onzekerheid voor de internationale handel; neemt tevens kennis van de interne kritiek op het internationale handelsbeleid en de oproep tot eerlijke handel; verzoekt de Commissie haar handelsbeleid aan te passen om te kunnen inspelen op deze ontwikkelingen en blijk te geven van een groter reactievermogen en verantwoordelijkheidszin, en om tegelijkertijd met het oog op deze veranderende internationale context een strategie op langere termijn te ontwikkelen; benadrukt dat binnen deze veranderende mondiale context de rol van de EU bij het bevorderen van een op waarden gebaseerde handelsagenda steeds belangrijker wordt voor de Europese burgers;

3.  onderstreept het groeiende belang van diensten, met inbegrip van de servitisering van de handel in goederen (vorm 5) en digitale diensten, en van e-handel in het internationale handelsverkeer; benadrukt dat de desbetreffende internationale regels moeten worden versterkt om tastbare voordelen voor de consument, betere toegang tot buitenlandse markten voor de Europese ondernemingen en de naleving van de grondrechten, inclusief gegevensbescherming en recht op privacy, in de hele wereld te waarborgen; wijst erop dat over de bescherming van persoonlijke gegevens in handelsovereenkomsten niet kan worden onderhandeld, is van mening dat de digitale rechten van burgers moeten worden bevorderd door middel van handelsovereenkomsten en herinnert aan zijn standpunt inzake gegevensbescherming en digitale handel zoals opgenomen in zijn resolutie "Naar een digitale handelsstrategie"; onderstreept dat het handelsbeleid van de EU een belangrijke rol kan spelen bij het overwinnen van de digitale kloof; spoort de Commissie aan vorderingen te boeken ten aanzien van de digitale handelsagenda in lopende en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten en in de WTO; roept op tot de opneming van hoofdstukken over digitale handel in alle toekomstige handelsovereenkomsten, met inbegrip van de overeenkomsten waar momenteel over wordt onderhandeld, en herinnert aan het belang om ongerechtvaardigde eisen inzake gegevenslokalisatie te voorkomen; verzoekt de Commissie om een strategie voor digitale handel, waarbij rekening wordt gehouden met de kansen die deze biedt voor kleine en middelgrote ondernemingen door de toegang tot de wereldmarkten te vergemakkelijken;

4.  onderstreept dat het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie gevolgen zal hebben voor het interne en externe handelsverkeer; verzoekt de Commissie om op de gevolgen van de brexit voor het handelsbeleid van de Unie te anticiperen en de continuïteit van de uitvoering van het EU-handelsbeleid en de handelsbetrekkingen met derde landen te waarborgen, alsook manieren om een oplossing te vinden voor gezamenlijke verplichtingen in het kader van de WTO;

5.  neemt kennis van Advies 2/15 van het HvJ-EU van 16 mei 2017 over de vrijhandelsovereenkomst van de EU en Singapore, waarin is bepaald dat deze overeenkomst onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt, met uitzondering van de bepalingen inzake portfolio-investeringen en inzake de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten; verzoekt de Commissie en de Raad hun besluit betreffende de structuur van vrijhandelsovereenkomsten in de toekomst zo snel mogelijk toe te lichten, en deze verdeling van bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten volledig in acht te nemen met het oog op de vaststelling van onderhandelingsrichtsnoeren, de onderhandelingen en de rechtsgrondslag van de te ondertekenen en af te wikkelen voorstellen, met name waar het de ondertekening en sluiting door de Raad van internationale handelsovereenkomsten betreft, zodat overeengekomen, maar nog niet geratificeerde handelsakkoorden met handelspartners geen verdere vertraging oplopen; herinnert eraan dat het Parlement vanaf het begin van alle handelsbesprekingen en vóór het vaststellen van de onderhandelingsrichtsnoeren moet worden betrokken bij alle stadia van de toewijzing van het mandaat en van de onderhandelingen en de uitvoering van handelsovereenkomsten, en hier tijdig en volledig over moet worden geïnformeerd; verlangt dat op basis van een internationale overeenkomst de nodige regelingen worden getroffen in het kader van het akkoord over beter wetgeven;

6.  wijst erop dat, ondanks de terugtrekking van de VS uit de onderhandelingen, de overgebleven elf landen op 23 januari 2018 in Tokio een overeenkomst hebben weten te sluiten in het kader van het Trans-Atlantisch Partnerschap;

Stand van zaken met betrekking tot de agenda van de EU-handelsonderhandelingen

7.  betreurt dat geen overeenstemming kon worden bereikt tijdens de ministeriële bijeenkomst van de WTO in Buenos Aires; benadrukt het voornamelijk politieke en economische belang van het multilaterale systeem en spreekt nogmaals zijn steun voor dit systeem uit; verzoekt de Unie zich actief op te stellen en met voorstellen te komen voor de vaststelling van gemoderniseerde multilaterale regels, waarbij rekening moet worden gehouden met nieuwe uitdagingen die voortvloeien uit de mondiale waardeketens, en om de centrale rol van de WTO in het mondiale handelssysteem te bevorderen; verwelkomt de inwerkingtreding van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie; is verheugd dat de WTO-vrijstelling voor farmaceutische producten voor minst ontwikkelde landen (MOL's) tot 2033 is verlengd; betreurt dat bepaalde multilaterale overeenkomsten niet worden geëerbiedigd en verzoekt de Commissie om in het kader van de WTO meer inspanningen te leveren voor de doeltreffende uitvoering van de multilaterale regels en overeenkomsten; herinnert aan zijn eerdere oproep aan de Commissie om zich bezig te houden met het opstellen van de WTO-agenda, met name op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en handel en duurzame ontwikkeling; uit nogmaals zijn zorgen over de blokkering door de VS van nieuwe benoemingen in de WTO-beroepsinstantie en benadrukt het belang van een goed functionerend geschillenbeslechtingssysteem binnen de WTO; verzoekt de Commissie de samenwerking met onze belangrijkste partners te intensiveren om oneerlijke concurrentie en protectionistische praktijken door derde landen aan te pakken;

8.  neemt kennis van de impasse in de plurilaterale onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA) en de Overeenkomst inzake milieugoederen; verzoekt de Unie het initiatief te nemen om beide onderhandelingsprocessen opnieuw op gang te brengen, in het geval van de TiSA-onderhandelingen op basis van het standpunt van het Europees Parlement inzake TiSA;

9.  wijst erop dat verschillende vrijhandelsovereenkomsten, bv. de handelsovereenkomsten met Canada en Ecuador, de DCFTA-bepalingen in de associatieovereenkomst EU-Oekraïne en verschillende economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) met Afrikaanse landen, volledig of voorlopig in werking zijn getreden en dat handelsovereenkomsten met Singapore, Vietnam en Japan zijn gesloten sinds de publicatie van de strategie "Handel voor iedereen"; benadrukt dat er meer politieke en administratieve steun nodig is om te waarborgen dat handelsakkoorden binnen een passend tijdschema kunnen worden overeengekomen en geratificeerd; steunt de lopende procedure voor de modernisering van de handelsovereenkomsten met Chili en Mexico; herinnert aan zijn verzoek om de onderhandelingen met Australië en Nieuw-Zeeland aan te vatten en daarbij zijn standpunten in aanmerking te nemen;

10.  onderstreept dat wederzijds voordelige handels- en investeringsbetrekkingen met de strategische partners van de EU verder moeten worden bevorderd en geïntensiveerd; bepleit hernieuwde inspanningen gericht op het bevorderen van de onderhandelingen inzake de brede investeringsovereenkomst met China, met name ten aanzien van de wederkerigheid van de markttoegang en de vorderingen op het gebied van duurzame ontwikkeling;

11.  onderstreept dat de gesloten overeenkomsten en de lopende en toekomstige bilaterale onderhandelingen die de Unie voert, kansen bieden op het gebied van groei door middel van markttoegang en opheffing van handelsbelemmeringen; verzoekt de Commissie om doorlopend contact te houden met de belanghebbenden teneinde de prioriteiten in de lopende onderhandelingen te kunnen bepalen; herinnert eraan dat meer belang moet worden gehecht aan de inhoud van de onderhandelingen dan aan het tempo van de onderhandelingen, dat de onderhandelingen moeten plaatsvinden in een geest van wederkerigheid en wederzijdse voordelen, dat EU-regels en -normen moeten worden gewaarborgd, zodat ondermijning van het sociale model van de EU en het milieu worden voorkomen, en dat openbare diensten, met inbegrip van diensten van algemeen belang, diensten van algemeen economisch belang overeenkomstig artikel 14 en 106 VWEU en protocol nr. 26, en audiovisuele diensten, uitgesloten moeten worden; benadrukt dat de Commissie er bij alle handelsbesprekingen op moet toezien dat de EU-autoriteiten en de nationale en lokale autoriteiten het volledige recht behouden om maatregelen in te voeren, vast te stellen, te handhaven of te herroepen met betrekking tot het machtigen, organiseren, financieren en leveren van openbare diensten, zoals ook bij eerdere handelsovereenkomsten het geval was;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de onderhandelingsmandaten om de vijf jaar te herzien en indien nodig te actualiseren, teneinde deze af te stemmen op de mogelijk veranderende contexten en uitdagingen, en om in handelsovereenkomsten herzieningsclausules op te nemen om te zorgen voor een zo doeltreffend mogelijke uitvoering en om de overeenkomsten aan te kunnen passen aan de huidige context, mits parlementaire controle en transparantie worden gewaarborgd;

13.  herinnert eraan dat de Commissie meermaals het opstarten van onderhandelingen over investeringen met Hongkong en Taiwan heeft aangekondigd, en verzoekt de Commissie de voorbereidende werkzaamheden af te ronden om zo spoedig mogelijk een begin te kunnen maken met de formele onderhandelingen over investeringsovereenkomsten;

14.  herinnert aan het belang van interne en externe investeringen voor de Europese economie en de noodzaak om bescherming van Europese investeerders in het buitenland te garanderen; verzoekt de Commissie haar werkzaamheden voort te zetten inzake het nieuwe multilaterale stelsel van investeringsgerechten dat onder meer gebaseerd moet zijn op waarborging van het recht van de staten om regels vast te stellen en op transparantie, alsook moet voorzien in een beroepsmechanisme, strikte regels inzake belangenverstrengeling en een gedragscode; is van mening dat dit nieuwe stelsel de plichten van investeerders moet aanpakken, lichtvaardig aangespannen rechtsgedingen moet voorkomen, het recht om in het publieke belang regels vast te stellen moet waarborgen, vrees om regelgeving uit te vaardigen moet voorkomen, en moet zorgen voor gerechtelijke gelijkheid voor investeerders (met bijzondere aandacht voor micro-ondernemingen en kmo's), onafhankelijkheid, transparantie en een verantwoordingsplicht; wijst erop dat daarnaast moet worden gekeken naar de opname van procedurele bepalingen met betrekking tot onder meer tegenvorderingen, wanneer investeringen waarvoor een vordering is ingesteld zijn gedaan in strijd met de toepasselijke wetgeving, en ter voorkoming van parallelle vorderingen via verschillende rechtswegen, zodat de relatie tussen het multilaterale stelsel van investeringsgerechten en binnenlandse gerechten wordt verduidelijkt;

15.  verzoekt de lidstaten om eindelijk de procedure ten aanzien van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten te deblokkeren nu het Hof van Justitie duidelijkheid heeft geschapen in bevoegdheidskwesties, en de Commissie om haar inspanningen in dit opzicht te verdubbelen; wenst ook dat de herziening voor 2020 van de uitzonderingsverordening voor door de lidstaten gehandhaafde bilaterale investeringsovereenkomsten wordt vervroegd;

16.  verwacht een grotere inzet van de EU en haar lidstaten in beraadslagingen binnen de VN ten aanzien van een bindend verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

17.  merkt bezorgd op dat de in de strategie Handel voor iedereen aangekondigde hervorming van de oorsprongsregels niet is uitgevoerd; benadrukt de complexiteit van de oorsprongsregels en dringt nogmaals aan op geactualiseerde, eenvoudig toepasbare en duidelijkere oorsprongsregels; wijst met klem op de tijdens de tiende Conferentie van de ministers van Handel van Euromed gedane toezeggingen om de herziening van de Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane oorsprongsregels voor het einde van 2018 af te ronden; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een verslag op te stellen over de stand van zaken met betrekking tot de oorsprongsregels, waarbij rekening wordt gehouden met de cumulatieve effecten van oorsprongsregels via bilaterale vrijhandelsovereenkomsten;

18.  herinnert eraan dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan landbouwproducten alsook aan de belangen van de Europese consumenten en producenten bij de uitvoering van het handelsbeleid van de Unie, in het bijzonder in het licht van het cumulatieve effect van alle vrijhandelsovereenkomsten op de sector; onderstreept dat handelsovereenkomsten, met name de overeenkomst met Japan, de agrovoedingssector nieuwe economische perspectieven kunnen bieden; merkt op dat de Unie 's werelds grootste exporteur van agrovoedingsmiddelen is; herinnert aan de noodzaak om het juiste evenwicht te vinden tussen de bescherming van gevoelige landbouwproducten en de behartiging van de offensieve belangen van de Unie op het gebied van de uitvoer van agrovoedingsmiddelen, onder meer door inlassing van overgangsperioden en passende quota voor, en in bepaalde gevallen de mogelijke uitsluiting van, de meest gevoelige producten; herinnert eraan dat het van wezenlijk belang is hoge sanitaire en fytosanitaire normen in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel van de EU te waarborgen en tegelijkertijd elke discriminerende behandeling op dit gebied te bestrijden;

Het beginsel van wederkerigheid als pijler van het handelsbeleid van de Unie en als waarborg van eerlijke mededinging

19.  is ervan overtuigd dat een van de hoofddoelen van het handelsbeleid van de Unie moet bestaan in het bevorderen van billijke en eerlijke mededingingsvoorwaarden en het waarborgen van een gelijk speelveld; is verheugd over de verwijzingen naar het beginsel van wederkerigheid in het verslag over de uitvoering van de handelsstrategie van de Unie; herinnert eraan dat wederkerigheid een pijler van het handelsbeleid van de Unie moet zijn, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met asymmetrieën ten aanzien van ontwikkelingslanden en bepalingen betreffende preferentiële behandeling voor de minst ontwikkelde landen; neemt kennis van het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een verordening over toegang van goederen en diensten uit derde landen tot de interne aanbestedingsmarkt van de Unie, hetgeen een belangrijk instrument zou kunnen zijn om te komen tot een gelijk speelveld voor de markttoegang van derde landen; is van mening dat het initiatief inzake de controle op buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie ten doel heeft de veiligheid en de openbare orde in de Unie en de lidstaten te beschermen en zou kunnen zorgen voor grotere wederkerigheid op het gebied van markttoegang en voor aanhoudende openheid inzake buitenlandse directe investeringen;

20.  herinnert eraan dat de uitvoering van het handelsbeleid moet bijdragen tot het waarborgen van gelijke en eerlijke mededingingsvoorwaarden voor de ondernemingen; is ingenomen met de vaststelling van de nieuwe antidumpingmethode bij marktverstoringen in derde landen; neemt kennis van de bereikte interinstitutionele overeenkomst inzake de modernisering van de handelsbeschermingsinstrumenten; benadrukt de nieuwe mogelijkheid die zij bieden, met name met betrekking tot het opleggen van rechten bovenop de schademarge; herinnert eraan dat het belangrijk is erop toe te zien dat deze instrumenten op correcte wijze, dat wil zeggen door onmiddellijk in te grijpen om slechte functionering of misbruik recht te zetten, en evenredig toe te passen, in volledige overeenstemming met het WTO-recht en de andere juridische verplichtingen van de Unie; is ingenomen met de proactieve houding van de Commissie ten aanzien van de inzet van handelsbeschermingsinstrumenten in 2016 en roept op tot soortgelijke standvastigheid en reactiviteit wanneer sommige van onze handelspartners deze instrumenten op onrechtmatige wijze tegen EU-uitvoer gebruiken;

21.  betreurt dat de vereiste coördinatie-inspanningen in douanezaken nauwelijks worden vermeld in het verslag van de Commissie over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid; wijst erop dat het handelsbeleid gericht moet zijn op de bestrijding van illegale handel, om het concurrentievermogen van onze ondernemingen te verzekeren en een hoge mate van veiligheid van de consumenten te waarborgen; wijst ook op de belangrijke rol van mededingingsbeleid in dit opzicht en de noodzaak van bilaterale en multilaterale onderhandelingen hiervoor;

De benutting van doeltreffende overkoepelende instrumenten om een handelsbeleid voor iedereen uit te voeren

22.  pleit ervoor de uitvoering van het handelsbeleid integrerend deel te laten uitmaken van de handelsstrategie van de Unie;

23.  dringt erop aan dat de Commissie in geval van verstoringen, belemmeringen of niet-nakoming van toezeggingen door partners onmiddellijk de instrumenten benut waarover zij beschikt, met name door gebruik te maken van de geschillenbeslechtingsprocedure, alsook van de bestaande ad-hocprocessen die voor bepalingen over handel en duurzame ontwikkeling in de vrijhandelsovereenkomsten van de Unie zijn opgezet;

24.  verzoekt de Commissie de balans op te maken van de momenteel beschikbare personele en financiële middelen, ter verbetering van de voorbereiding van handelsovereenkomsten voor goedkeuring door onze medewetgevers en met het oog op een betere uitvoering van het handelsbeleid, en dringt aan op de oprichting van een specifieke dienst binnen de Commissie, die moet toezien op de uitvoering van het handelsbeleid en dit voortdurend moet evalueren, en die eveneens verslag uitbrengt aan het Parlement;

25.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren, met name met behulp van digitale instrumenten, om elke administratieve belemmering en onnodige lasten op te heffen, om technische vereenvoudiging te bevorderen en om ondernemingen te ondersteunen bij hun inspanningen om van de voordelen van handelsovereenkomsten en ‑instrumenten te genieten;

26.  wijst op het cruciale werk van de EU-delegaties, in samenwerking met de ambassades van de lidstaten en de sociale partners, dat het mogelijk maakt om snel en direct actie te ondernemen met het oog op de goede uitvoering van de handelsbepalingen en om snel problemen en hindernissen vast te stellen en doeltreffend uit te bannen; is van mening dat EU-delegaties baat zouden hebben bij een gestroomlijnd stelsel op basis van uniforme regels en richtsnoeren om te zorgen voor meer coherentie; spoort de commissie aan de aanwezigheid van EU-delegaties in derde landen nauwer te betrekken bij de omzetting van bestaande en nieuwe vrijhandelsovereenkomsten, met name ten aanzien van de versterking van de lokale startende ondernemers; spoort de Commissie en de EDEO aan hun acties op het gebied van economische diplomatie voort te zetten, in samenwerking met onder meer de Europese kamers van koophandel;

27.  verzoekt de Commissie per sector en per land een onderzoek uit te voeren naar de cumulatieve effecten van handelsovereenkomsten om bij te dragen tot de beoordeling van ons handelsbeleid en om te anticiperen op de effecten daarvan en deze aan te passen;

28.  onderstreept dat bepaalde sectoren economische moeilijkheden kunnen ondervinden als gevolg van handel; verzoekt de Commissie en de lidstaten flankerend beleid te ontwikkelen met inachtneming van een sociaal perspectief, teneinde de voordelen te maximaliseren en de nadelige effecten die uit de liberalisering van de handel kunnen voortvloeien tot het minimum te beperken; roept de Commissie in dit verband op het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering doeltreffender en po-actiever te maken;

29.  spoort de Commissie aan haar samenwerking met internationale organisaties en fora zoals de G20, de Verenigde Naties, de OESO, de IAO, de Wereldbank, de Werelddouaneorganisatie en de Internationale Organisatie voor Standaardisatie voort te zetten en uit te diepen op het gebied van onder meer opstelling van internationale normen, uitvoering en monitoring van handelsmaatregelen, onder meer ten aanzien van de sociale en milieuaspecten ervan;

Analyse van het eerste verslag van de Commissie over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten

30.  is ingenomen met de publicatie door de Commissie van het eerste verslag over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie jaarlijks een dergelijk verslag te blijven publiceren; benadrukt daarnaast evenwel dat de Commissie grondigere, uitgebreide onderzoeken naar de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten van de Unie moet verrichten, het onderwerp diepgaander moet behandelen en moet waarborgen dat deze onderzoeken een relevante en passende econometrische en kwalitatieve analyse en interpretatie van gegevens bevatten, evenals concrete aanbevelingen, waarbij de gepubliceerde cijfers worden toegelicht en aanvullende kwalitatieve informatie wordt gegeven, onder andere - wat betreft de tenuitvoerlegging van de regels - delen van de vrijhandelsovereenkomsten, bijvoorbeeld inzake handel en duurzame ontwikkeling en overheidsopdrachten; onderstreept dat dit het mogelijk zal maken om alomvattender en beter te beoordelen wat het reële effect van overeenkomsten in de praktijk is, zodat het verslag effectiever wordt in de zin dat het de EU-instellingen richtsnoeren verschaft betreffende de definitie en uitvoering van de handelsstrategie van de Unie; gelooft in dit verband dat voor deze onderzoeken een gemeenschappelijke methode moet worden vastgesteld en gebruikt;

31.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over bepalingen betreffende meestbegunstigingsbehandeling in bestaande bilaterale vrijhandelsovereenkomsten van de EU en over de praktische gevolgen van de verschaffing van ruimere toegang tot de EU-markt aan derde landen via vrijhandelsovereenkomsten met de partnerlanden van de EU;

32.  onderstreept dat meerdere gegevens en cijfers in het verslag ontbreken; verzoekt de Commissie nauwer samen te werken met de lidstaten en de partnerlanden om meer gegevens en informatie te verkrijgen over de uitvoering van de overeenkomsten; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over onder meer het effect van alle vrijhandelsovereenkomsten op groei en banen, de bijdrage van vrijhandelsovereenkomsten aan de ontwikkeling van handelsstromen en het effect van handels- en investeringsovereenkomsten op investeringsstromen en handel in diensten;

33.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het geringe gebruik van de door de vrijhandelsovereenkomsten van de Unie geboden handelspreferenties, en met name over het feit dat Europese exporteurs er minder gebruik van maken dan de exporteurs van de partnerlanden; verzoekt de Commissie zo snel mogelijk de oorzaken van dit gebrek aan evenwicht te achterhalen en deze aan te pakken; verzoekt de Commissie om het verband te onderzoeken tussen de complexe oorsprongsregels en de benutting van preferentiële handelsovereenkomsten door marktdeelnemers; verzoekt de Commissie en de lidstaten om snel maatregelen te ontwikkelen om de marktdeelnemers beter te informeren over de handelspreferenties waarin de vrijhandelsovereenkomsten voorzien; is van mening dat gedetailleerde informatie, ook op microniveau, vereist is om de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU naar behoren te beoordelen;

34.  is van mening dat de Commissie evenveel aandacht moet besteden aan de uitvoering van de bepalingen van vrijhandelsovereenkomsten als aan de onderhandelingsfase; vraagt de Commissie de moeilijkheden qua tenuitvoerlegging met de betrokken handelspartners van de Unie aan te pakken teneinde oplossingen aan te dragen en uitwisselingen met Europese marktdeelnemers hierover systematisch te laten verlopen;

35.  verzoekt de Commissie haar aanpak te diversifiëren naargelang de sectoren die zij onderzoekt en uiteen te zetten welke gevolgen de uitvoering van de handelsovereenkomsten heeft voor de sectoren die als gevoelig worden beschouwd;

36.  is ingenomen met de aankondiging van de opstelling van een stappenplan voor de uitvoering van elke handelsovereenkomst en verzoekt de Commissie alle belanghebbenden bij de uitwerking daarvan te betrekken; verzoekt de Commissie de te verwezenlijken doelstellingen en concrete criteria vast te stellen die een duidelijke beoordeling mogelijk maken, zoals de stand van zaken met betrekking tot de opheffing van niet-tarifaire belemmeringen, de benuttingsgraad van preferenties en quota, of de situatie inzake de samenwerking op regelgevingsgebied en de vorderingen met betrekking tot handel en duurzame ontwikkeling; verwacht dat de stappenplannen voor de uitvoering tegelijk met de officiële verwijzing aan het Parlement worden voorgelegd, en dringt erop aan dat de stand van de uitvoering van de stappenplannen in het jaarlijks verslag over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten wordt vermeld;

37.  herinnert eraan dat handelsovereenkomsten niet in werking kunnen treden voor de ratificatie ervan door het Europees Parlement, ook in het geval van de hoofdstukken over handel in associatieovereenkomsten; is van mening dat horizontaal de hand moet worden gehouden aan de praktijk om de instemming van het Parlement af te wachten alvorens politiek belangrijke overeenkomsten provisorisch toe te passen, zoals ook commissaris Malmström in haar hoorzitting van 29 september 2014 heeft beloofd te zullen doen;

Specifieke bepalingen van het gemeenschappelijk handelsbeleid voor kmo's

38.  verzoekt de Commissie het geheel van de instrumenten voor kmo's te evalueren om een globale, meer geïntegreerde aanpak uit te werken, evenals een echte strategie voor internationalisering en begeleiding van kmo's die op uitvoer is gericht; spoort de Commissie aan deze aanpak in de internationale fora te bevorderen; betuigt zijn steun voor de inspanningen voor doeltreffende voorlichtingscampagnes voor kmo's in een poging de benuttingsgraad van preferenties in de vrijhandelsovereenkomsten van de EU te verbeteren; onderstreept het belang van meertaligheid bij maatregelen ter ondersteuning van kmo's uit alle lidstaten; pleit voor meer juridische en administratieve ondersteuning voor kmo's die plannen hebben om naar buitenlandse markten te exporteren, niet alleen door websites aan te passen, maar ook door het gebruik van nieuwe instrumenten te overwegen, zoals online advies via technische chatgesprekken om fundamentele en eenvoudiger toegankelijke ondersteuning te bieden; pleit ervoor dat de EU-delegaties deelnemen aan de verstrekking van informatie over uitvoer naar de respectieve overzeese markten met het oog op ondersteuning van kmo's;

39.  betreurt dat het verslag van de Commissie over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten maar weinig gegevens over kmo's bevat; verzoekt de Commissie een specifiek gedeelte van haar verslag te wijden aan de gevolgen van de uitvoering van handelsovereenkomsten voor kmo's en de benutting van de specifieke bepalingen voor kmo's;

40.  is ingenomen met de introductie van specifieke hoofdstukken gewijd aan kmo's en vrijhandelsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld, en verzoekt de Commissie zich te blijven inzetten voor de opname van hoofdstukken en specifieke bepalingen voor kmo's in de handelsovereenkomsten waarover zij onderhandelt en in haar wetgevingsvoorstellen, teneinde het vermogen van kleine en middelgrote ondernemingen om deel te nemen aan handel en investeringen, te vergroten; herinnert eraan dat het van groot belang is dat kmo's de complexe oorsprongsregels kunnen begrijpen, door deze regels te actualiseren en ze eenvoudig toepasbaar en duidelijker te maken, en dat onderhandeld moet worden over specifieke bepalingen voor kmo's inzake toegang tot de buitenlandse markten voor overheidsopdrachten; verzoekt de Commissie te trachten te voorzien in een voor kmo's ontworpen calculator voor oorsprongsregels waarmee zij met name gebruik zouden kunnen maken van de in het kader van bestaande overeenkomsten beschikbare preferenties teneinde de benuttingsgraad van de preferenties te verhogen;

Het belang van toegang tot overheidsopdrachten en bescherming van geografische aanduidingen

41.  herinnert eraan dat de bescherming van geografische aanduidingen van offensief belang is voor de Unie bij de onderhandelingen over overeenkomsten; onderstreept dat uit het verslag over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten blijkt dat de bepalingen inzake bescherming van geografische aanduidingen door bepaalde partners niet worden nageleefd en verzoekt de Commissie zo snel mogelijk op te treden zodat deze verbintenissen worden nagekomen;

42.  herinnert eraan dat de Unie over de hoogste graad van openstelling ter wereld beschikt inzake toegang tot overheidsopdrachten; is bezorgd over de niet-nakoming door bepaalde partners van de bepalingen inzake toegang tot overheidsopdrachten ten koste van de ondernemingen van de Unie en over de uiterst beperkte toegang tot overheidsopdrachten in bepaalde derde landen; verzoekt de Commissie inspanningen te leveren om de toegang tot overheidsopdrachten in derde landen te vergroten en te overwegen om, onder eerbiediging van de bepalingen van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, maatregelen te nemen tegen derde landen die hun eigen ondernemingen voorrang verlenen inzake toegang tot overheidsopdrachten; verzoekt de Commissie ook gegevens op ondernemingsniveau over het gebruik van in vrijhandelsovereenkomsten opgenomen bepalingen inzake toegang tot overheidsopdrachten te verzamelen en te publiceren, om beter te begrijpen met welke uitdagingen ondernemingen uit de EU te maken hebben;

43.  verzoekt de Commissie meer informatie over de evolutie over meerdere jaren en statistieken in verband met de toegang tot overheidsopdrachten te verstrekken, alsook concrete informatie te bieden over de voordelen die de bescherming van geografische aanduidingen heeft geboden;

De doeltreffende uitvoering van het handelsbeleid draagt bij tot de bevordering en de bescherming van de waarden van de Unie

44.  beklemtoont dat het gemeenschappelijk handelsbeleid moet bijdragen tot de bevordering van de waarden waarvoor de Unie zich inzet en die zijn opgenomen in artikel 2 VEU, evenals tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 21, zoals de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele rechten en vrijheden, gelijkheid, de eerbiediging van de menselijke waardigheid en de bescherming van het milieu en sociale rechten; is van mening dat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen daadkrachtige en voortdurende acties van de Commissie nodig zijn; benadrukt dat de Agenda 2030 van de VN en de Klimaatovereenkomst van Parijs belangrijke criteria bieden om te meten in hoeverre het handelsbeleid van de EU bijdraagt tot de verwezenlijking van overeengekomen doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

45.  dringt er bij de Commissie op aan systematisch toezicht op het algemeen preferentiestelsel (APS) en met name APS+ te houden en tweejaarlijkse verslagen te blijven publiceren; verzoekt de Commissie haar werkzaamheden met de begunstigde landen, de EDEO, de EU-delegaties, de diplomatieke missies van de lidstaten, de internationale organisaties, het bedrijfsleven, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op te voeren om te zorgen voor een betere gegevensverzameling en om de follow-up diepgaander te onderzoeken teneinde tot een duidelijke beoordeling van de uitvoering van alle aspecten van het stelsel te kunnen komen; benadrukt dat de doeltreffendheid van het APS berust op het vermogen van de Commissie om de bepalingen van de wetgeving te monitoren en ten uitvoer te leggen in gevallen waarin internationale arbeids- of milieuovereenkomsten niet ten uitvoer worden gelegd;

46.  herinnert eraan dat de nieuwe generatie overeenkomsten clausules omvat over de mensenrechten en hoofdstukken over duurzame ontwikkeling, waarvan de volledige uitvoering tot doel heeft de eerbiediging van de mensenrechten, de waarden van de Unie en sociale en milieunormen op een hoog niveau te waarborgen en te bevorderen; neemt kennis van de beoordeling van de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling in het verslag van de Commissie over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten, en dringt aan op een tijdige tenuitvoerlegging van de bestaande bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling; verzoekt de Commissie een precieze en specifieke methode te ontwikkelen om de uitvoering van de bepalingen van deze hoofdstukken op te volgen en te evalueren, aangezien het onmogelijk is deze te evalueren op grond van louter kwantitatieve gegevens; herinnert eraan dat er zich moeilijkheden voordoen bij te tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling en herhaalt daarom zijn oproep om strikter toe te zien op de naleving van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, met name door een grotere betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de sociale partners, bij alle handelsovereenkomsten; betreurt dat de Commissie een voortijdig einde heeft gemaakt aan het debat over de vraag hoe de naleving van het hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling in handelsovereenkomsten kan worden verbeterd, bijvoorbeeld door naast andere opties een op sancties gebaseerde benadering te overwegen;

47.  wijst in dit verband op de belangrijke rol van interne adviesgroepen; benadrukt de potentiële toegevoegde waarde van een meer gestructureerde en transparante betrekking met interne adviesgroepen bij handelspartners, waarmee hun doorslaggevende rol voor een beter inzicht in de lokale vereisten en de lokale ambities zou worden erkend; is van oordeel dat interne adviesgroepen van cruciaal belang zijn om bij te dragen aan de processen die vereist zijn voor een betere monitoring en uitvoering van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling;

48.  is ingenomen met de herziening van de strategie Hulp voor handel en steunt de doelstelling om de capaciteit van ontwikkelingslanden te vergroten, zodat zij beter gebruik kunnen maken van de door handelsovereenkomsten van de Unie geboden kansen; onderstreept ook dat de strategie moet bijdragen tot de bevordering van eerlijke en ethische handel, en een belangrijk instrument moet worden om de toenemende mondiale ongelijkheid te bestrijden en de economische ontwikkeling in de partnerlanden van de EU te ondersteunen; spoort de Commissie aan ontwikkelingslanden te helpen om de noodzakelijke maatregelen te nemen, teneinde onder meer toegang te houden tot de Europese markt voor hun exportproducten en om klimaatverandering te bestrijden;

49.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor de opneming van ambitieuze anticorruptiebepalingen binnen de exclusieve bevoegdheid van de Unie in alle toekomstige handelsovereenkomsten; is verheugd dat in het kader van de lopende onderhandelingen over de modernisering van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Mexico en de associatieovereenkomst tussen de EU en Chili anticorruptiebepalingen aan de orde komen; herinnert eraan dat vrijhandelsovereenkomsten een goede gelegenheid zijn om de samenwerking in de strijd tegen witwaspraktijken, belastingfraude en belastingontduiking te versterken;

50.  is verheugd dat in het verslag van de Commissie over de uitvoering van de handelsstrategie aandacht wordt besteed aan genderkwesties; herinnert aan de doelstelling om zowel vrouwen als mannen van de voordelen van handel te laten profiteren, onder meer door de "Hulp voor handel"-strategie; benadrukt in dit verband dat hiervoor een proactieve aanpak van de Commissie nodig is, waarbij gender mainstreaming wordt bevorderd in het handelsbeleid van de EU, en verzoekt de Commissie om dit aspect op te nemen in haat toekomstige jaarlijkse uitvoeringsverslagen;

51.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat het handelsoverleg om de huidige associatieovereenkomst EU-Chili te moderniseren voor het eerst in de EU een speciaal hoofdstuk over gender en handel zal bevatten; roept de Commissie en de Raad op de opname van een speciaal aan gender gewijd hoofdstuk in handels- en investeringsovereenkomsten van de EU te ondersteunen;

52.  is ingenomen met de vaststelling van de verordening ter voorkoming van foltering en herinnert eraan dat het belangrijk is erop toe te zien dat deze correct wordt uitgevoerd en wordt geëerbiedigd door onze handelspartners; ondersteunt de lancering op internationaal niveau van de Alliantie voor handel zonder foltering;

53.  is ingenomen met de vaststelling van de verordening conflictmineralen ((EU) 2017/821), die tot doel heeft bij te dragen tot een meer verantwoord beheer van de mondiale waardeketen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de belanghebbenden hun voorbereidende werkzaamheden voor te zetten met het oog op de inwerkingtreding van de verordening; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat op doeltreffende wijze begeleidende maatregelen worden ontwikkeld en dat de lidstaten en de betrokken nationale belanghebbenden de noodzakelijke deskundigheid en bijstand krijgen, met bijzondere aandacht voor de begeleiding van kmo's bij de verbetering van hun vermogen om hun zorgvuldigheidsverplichtingen uit hoofde van de verordening na te leven;

54.  erkent de verbreiding van geïntegreerde mondiale toeleveringsketens in internationale handelspatronen; herhaalt zijn oproep naar manieren te zoeken om strategieën en regels voor transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van de mondiale waardeketen te ontwikkelen, en onderstreept dat bij de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid een verantwoord beheer van de mondiale waardeketen moet worden gewaarborgd; verzoekt de Commissie om verantwoord maatschappelijk ondernemerschap te bevorderen en te versterken als onderdeel van haar handelsbeleid, met inbegrip van nadere stappen om specifieke regels en praktijken te ontwikkelen, met inachtneming van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, om te waarborgen dat maatschappelijk verantwoord ondernemerschap op doeltreffende wijze wordt gerealiseerd; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om maatschappelijk verantwoord ondernemerschap op te nemen in alle handelsovereenkomsten en deze bepalingen doeltreffend te monitoren, in het kader van de verbeterde onafhankelijke monitoring van het hoofdstuk inzake handel en duurzame ontwikkeling waar het Parlement op heeft aangedrongen, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld; spreekt nogmaals zijn steun uit voor internationale initiatieven zoals het Duurzaamheidspact van Bangladesh en verzoekt de Commissie zich te richten op de uitvoering daarvan;

55.  verzoekt de Commissie en alle internationale actoren de nieuwe OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor verantwoorde toeleveringsketens in de kleding- en schoensector na te leven;

56.  herinnert eraan dat het handels- en ontwikkelingsbeleid van de EU op mondiaal niveau moet bijdragen tot duurzame ontwikkeling, regionale integratie en de opneming van ontwikkelingslanden in regionale en uiteindelijk mondiale waardeketens, via economische diversificatie, wat eerlijke en op ontwikkeling gerichte mondiale handelsregels vergt; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van een eerlijke vrijhandelsruimte op het Afrikaanse continent te blijven steunen door middel van politieke en technische bijstand;

57.  herinnert eraan dat de EU de ergste vormen van kinderarbeid op mondiaal niveau wil uitbannen, aangezien dit wordt ingegeven door onze waarden zoals vastgelegd in artikel 21 VEU; verzoekt de Commissie eens te meer een voorstel te presenteren om de invoer te verbieden van goederen die met kinderarbeid of enige vorm van dwangarbeid of moderne slavernij zijn geproduceerd; benadrukt in dit verband dat het van groot belang is dat landen die dit nog niet hebben gedaan IAO-Verdrag nr. 182 betreffende de ergste vormen van kinderarbeid en IAO-Verdrag nr. 138 betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces ratificeren;

58.  wijst op de vooruitgang die is geboekt bij de sluiting en tenuitvoerlegging van EPO's; is van mening dat er een uitgebreide analyse moet worden gemaakt van hun impact op de economieën van de Afrikaanse landen, hun subsectoren en hun respectieve arbeidsmarkten, en dat de intraregionale handel in Afrika moet worden bevorderd; verzoekt de Commissie de dialoog in een geest van oprecht partnerschap voort te zetten teneinde openstaande kwesties aan te pakken; herinnert eraan dat EPO's asymmetrische overeenkomsten zijn waarbij in gelijke mate aandacht moet worden besteed aan ontwikkelings- en aan handelsaspecten; dringt in dit verband aan op de spoedige tenuitvoerlegging van begeleidende maatregelen, met inbegrip van de uitbetaling van middelen uit het EOF;

59.  is verheugd over de tenuitvoerlegging van de EPO met de Cariforum-landen; wijst erop dat verdere bewustmaking nodig is om ervoor te zorgen dat de CARICOM-landen de mogelijkheden die de overeenkomst biedt kunnen benutten; verwelkomt de oprichting van het gemengd raadgevend comité, maar vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de instellingen van het maatschappelijk middenveld in de toekomst tijdig bijeen worden geroepen;

60.  verzoekt de EU eens te meer te werken aan passende en efficiënte oplossingen voor de invoering van een transparant en goed functionerend etiketteringssysteem voor "sociale en milieutraceerbaarheid" in alle stadia van de productieketen, in overeenstemming met de TBT-overeenkomst van de WTO, en tegelijkertijd te ijveren voor soortgelijke acties op internationaal niveau;

De uitvoering van het handelsbeleid van de Unie moet vergezeld gaan van transparantie en toegang tot informatie

61.  neemt kennis van de inspanningen op het gebied van transparantie die de Commissie heeft geleverd en verzoekt de Commissie met optimale transparantie onderhandelingen te voeren en daarbij de beste praktijken die bij eerdere onderhandelingen zijn vastgesteld volledig in acht te nemen; is van mening dat het realiseren van transparantie onderdeel moet zijn van de belangrijkste doelstellingen van de Commissie; verzoekt de Commissie en de lidstaten de documenten openbaar te maken in verband met de onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van overeenkomsten, zonder de onderhandelingspositie van de Unie te ondermijnen;

62.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een echte communicatiestrategie voor het handelsbeleid en rond elke handelsovereenkomst uit te werken om zo veel mogelijk informatie door te geven en deze af te stemmen op alle belanghebbenden, zodat zij van de overeenkomsten kunnen profiteren; verzoekt de Commissie en de staten om bewustmakingsacties voor de marktdeelnemers op te zetten over de gesloten overeenkomsten en een regelmatige dialoog te voeren met de beroepsorganisaties, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld;

63.  is ingenomen met de publicatie door de Raad van de onderhandelingsmandaten voor het Trans-Atlantisch Partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), CETA, TiSA, de overeenkomsten met Japan, Tunesië en Chili, alsook met de publicatie door de Commissie van haar voorstellen voor onderhandelingsmandaten voor overeenkomsten met Australië en Nieuw-Zeeland en voor de oprichting van het multilateraal investeringsgerecht, in overeenstemming met het aloude verzoek van het Parlement om transparantie; verzoekt de Raad en de lidstaten alle onderhandelingsmandaten te publiceren en verzoekt de Commissie alle voorstellen voor een mandaat te publiceren voor de start van toekomstige onderhandelingen; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de aanbevelingen van het Parlement mee te nemen bij de opstelling en de goedkeuring van de onderhandelingsmandaten;

64.  herhaalt zijn verzoek om de lidstaten, het Europees Parlement, de nationale parlementen, de marktdeelnemers, de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners meer bij het toezicht op het handelsbeleid te betrekken, onder andere - maar niet uitsluitend - bij het toezicht op bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling; verzoekt de Commissie een actieplan en een beschrijving van het "versterkte partnerschap" voor de uitvoering van handelsovereenkomsten te publiceren;

65.  verzoekt de Commissie de kwaliteit van de effectbeoordelingen die voor elke handelsovereenkomst worden uitgevoerd te verbeteren en er een sectorale en geografische analyse in op te nemen; onderstreept dat betere en tijdige communicatie over de informatie die is opgenomen in de effectbeoordelingen vooraf en achteraf van de handelsovereenkomsten van wezenlijk belang is;

66.  is ingenomen met de aankondiging van de oprichting van een adviesgroep voor toezicht op het handelsbeleid; onderstreept dat het belangrijk is deze nieuwe instantie snel op te richten op een transparante, open en inclusieve wijze; verzoekt de Commissie de documenten van de vergaderingen en de werkzaamheden van deze adviesgroep regelmatig te publiceren; verzoekt de Commissie eveneens processen vast te stellen om ervoor te zorgen dat naar behoren wordt gereageerd op problemen die door de adviesgroep aan de orde worden gesteld;

o
o   o

67.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

(1) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0439.
(3) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 19.
(4) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 21.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0330.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0437.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0488.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0090.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0369.
(10) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(11) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0225.

Juridische mededeling