Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 31 mei 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De situatie van gevangenen met dubbel EU- en Iraans staatsburgerschap in Iran
 Verdedigers van vrouwenrechten in Saudi-Arabië
 Sudan, met name de situatie van Noura Hussein Hammad
 Benoeming van een lid van de selectiecommissie voor het Europees Openbaar Ministerie
 Manipulatie van de kilometerstand in motorvoertuigen: herziening van het EU-rechtskader
 Uniemechanisme voor civiele bescherming ***I
 Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020
 De situatie in Nicaragua
 Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020
 Uitvoering van de EU-strategie voor jongeren
 Uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp
 Reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

De situatie van gevangenen met dubbel EU- en Iraans staatsburgerschap in Iran
PDF 123kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de situatie van gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit in Iran (2018/2717(RSP))
P8_TA(2018)0231RC-B8-0254/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran, in het bijzonder die van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst(1), die van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran(2), die van 17 november 2011 over Iran – recente gevallen van schending van de mensenrechten(3), en die van 10 maart 2011 over de benadering van Iran door de EU(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de jaarverslagen van de EU over de mensenrechten,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien het nieuwe strategisch kader en actieplan inzake mensenrechten en democratie van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen op alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien het besluit van de Raad (GBVB) 2018/568 van 12 april 2018(5) om de beperkende maatregelen in verband met ernstige mensenrechtenschendingen in Iran met een jaar te verlengen, tot 13 april 2019,

–  gezien de op 16 april 2016 in Teheran afgelegde gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini, en de minister van Buitenlandse Zaken van de Islamitische Republiek Iran, Javad Zarif, waarin overeen was gekomen een mensenrechtendialoog aan te gaan en uitwisselingsbezoeken te organiseren tussen de EU en Iran met betrekking tot mensenrechtengerelateerde kwesties,

–  gezien het jaarverslag van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten en het Bureau van de Hoge Commissaris en de secretaris-generaal van de VN voor de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van 23 maart 2018,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Iran partij is,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat verschillende personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit vastzitten in Iraanse gevangenissen, onder wie de heer Ahmadreza Djalali, een Zweeds-Iraanse onderzoeker die is beschuldigd van spionage en na een oneerlijk proces zonder toegang tot een advocaat of tot de nodige medische zorg ter dood is veroordeeld, waarbij hij het gevaar loopt te worden terechtgesteld en zich in een slechte gezondheid bevindt;

B.  overwegende dat de heer Kamran Ghaderi, een Oostenrijks-Iraanse burger, op zakenreis was in Iran toen hij werd gearresteerd en na een gedwongen bekentenis tot tien jaar gevangenisstraf werd veroordeeld; overwegende dat eveneens mevrouw Nazanin Zaghari-Ratcliffe, een Brits-Iraanse die werkzaam was voor een liefdadigheidsorganisatie, momenteel in Iran is gedetineerd, en dat bij haar een gevorderde depressie is vastgesteld; overwegende dat de heer Abbas Edalat, een Brits-Iraans academicus, in april 2018 is gearresteerd en dat de hem ten laste gelegde beschuldiging nog niet is meegedeeld;

C.  overwegende dat de aanhoudende praktijk van arrestaties van personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit wordt gevolgd door een patroon van verlengde eenzame opsluiting en ondervragingen, een gebrek aan een behoorlijke rechtsgang, ontzegging van toegang tot consulaire diensten of bezoeken door de VN of humanitaire organisaties, geheimzinnige processen waarin de gedetineerde slechts beperkt toegang krijgt tot verdediging, lange gevangenisstraffen op basis van vage of niet gespecificeerde aanklachten in verband met de nationale veiligheid en spionage, en door de overheid gesteunde lastercampagnes tegen de gedetineerden;

D.  overwegende dat Iran, als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst moet eerbiedigen, evenals de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, conform zijn verplichtingen;

E.  overwegende dat Iran doorgaat met het opsluiten van activisten uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en politieke en milieuactivisten, en de arrestaties onlangs heeft opgevoerd; overwegende dat mensenrechtenverdedigers, journalisten en politieke activisten actief worden vervolgd voor hun vreedzame acties;

F.  overwegende dat in Iran gedetineerde personen met een dubbele nationaliteit niet altijd toegang hebben gekregen tot een advocaat en een eerlijk proces; overwegende dat Iran personen met een dubbele nationaliteit in de praktijk behandelt alsof zij enkel Iraniër zijn, waardoor de toegang van buitenlandse ambassades tot hun in het land gedetineerde burgers wordt beperkt, evenals de toegang van gedetineerden tot consulaire bescherming;

G.  overwegende dat diverse politieke gevangenen en personen die beschuldigd zijn van misdrijven tegen de nationale veiligheid te kampen hebben gehad met een gebrek aan gepaste toegang tot medische zorg tijdens hun detentie, met de ernstige gevolgen van dien;

1.  veroordeelt de aanhoudende praktijk van de detentie van personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit door de Iraanse autoriteiten na een oneerlijk proces; roept op tot hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating, of tot een nieuw proces voor deze personen overeenkomstig internationale normen, en dringt erop aan dat de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de schending van hun rechten ter verantwoording worden geroepen;

2.   toont zich ernstig bezorgd over de arrestaties van personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit bij binnenkomst in Iran, zonder prima-faciebewijs dat zij een misdrijf hebben gepleegd; benadrukt dat deze arrestaties de mogelijkheid tot persoonlijke contacten verhinderen;

3.  betreurt dat personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit onder erbarmelijke omstandigheden in Iraanse gevangenissen worden vastgehouden, en dat zij vaak door middel van foltering en onmenselijke behandeling tot een bekentenis worden gedwongen;

4.  verzoekt de Iraanse autoriteiten de heer Djalali te verzekeren van volledige toegang tot zijn advocaat en tot medische zorg indien hij daarom verzoekt; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan dat zij gehoor geven aan de verzoeken van de internationale gemeenschap en zijn doodsvonnis intrekken en hem onmiddellijk vrijlaten;

5.  verzoekt de Iraanse autoriteiten een nieuw proces voor Kamran Ghaderi te waarborgen en zo te garanderen dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geëerbiedigd, Nazanin Zaghari-Ratcliffe, die reeds in aanmerking komt voor vervroegde vrijlating, onmiddellijk vrij te laten, en de aanklacht tegen Abbas Edalat dringend bekend te maken;

6.  roept de Iraanse autoriteiten ertoe op het fundamentele recht van de beklaagden op toegang tot een advocaat van hun keuze en hun recht op een eerlijk proces te eerbiedigen, gezien de internationale verplichtingen van Iran zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens;

7.  veroordeelt, naar aanleiding van geloofwaardige berichten, de toepassing van foltering en andere wrede behandeling, met name tijdens ondervragingen, en verzoekt de Iraanse autoriteiten de menselijke waardigheid van de gevangenen te eerbiedigen; betreurt de wrede en onmenselijke detentieomstandigheden en verzoekt Iran erop toe te zien dat alle gevangenen gepaste medische zorg krijgen;

8.  roept de rechterlijke macht ertoe op de beginselen van een eerlijk proces en behoorlijke rechtsgang te eerbiedigen en verdachten toegang te bieden tot juridische bijstand, consulaire bezoeken en bezoeken van de VN en humanitaire organisaties, evenals volledige toegang tot medische zorg en gezondheidsdiensten, conform de internationale verplichtingen van Iran; verzoekt Iran de nodige stappen te nemen met het oog op een herziening van de wet om eerlijke processen en toegang tot een advocaat tijdens de onderzoeksfasen te waarborgen, en een eind te maken aan door foltering verkregen gedwongen bekentenissen;

9.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie een interne taskforce op te richten ter ondersteuning van EU-burgers die in derde landen ter dood zijn veroordeeld of aan een onmiskenbaar oneerlijk proces worden onderworpen, teneinde de beschikbare steun van hun nationale consulaire of diplomatieke diensten uit te breiden;

10.  verzoekt de Iraanse autoriteiten in samenwerking met de ambassades van de EU-lidstaten in Teheran een lijst samen te stellen van personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit die momenteel vastzitten in Iraanse gevangenissen, en nauwlettend toezicht te houden op ieder afzonderlijk geval, aangezien de veiligheid van burgers en de bescherming van hun grondrechten voor de EU van primair belang zijn;

11.  dringt erop aan dat alle in Iran gedetineerde mensenrechtenverdedigers worden vrijgelaten en dat aan iedere tegen hen gerichte vorm van intimidatie een eind wordt gemaakt;

12.  juicht toe dat de criteria voor drugsgerelateerde misdrijven waarop de doodstraf staat aanzienlijk zijn verhoogd, en beschouwt dit als een eerste stap in de richting van een invoering van een moratorium op de doodstraf in Iran;

13.  roept Iran ertoe op in nauwere dialoog te treden met internationale mensenrechtenmechanismen door medewerking te verlenen aan speciale rapporteurs en speciale mechanismen, onder meer door verzoeken om toegang tot het land door mandaathouders in te willigen; verzoekt de Iraanse autoriteiten er met name op toe te zien dat de toekomstige speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Iran toestemming krijgt het land binnen te komen;

14.  staat achter de besprekingen over de mensenrechten in het kader van de dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran, die werd opgestart na de lancering van het gezamenlijk alomvattend actieplan; benadrukt dat de EU vastbesloten moet blijven haar zorgen op het vlak van de mensenrechten bij Iran aan te kaarten, zowel bilateraal als binnen multilaterale fora;

15.  wijst er andermaal op dat Iran een mensenrechtendialoog is aangegaan en staat positief tegenover de open houding van de Iraanse autoriteiten bij het voeren van deze dialoog;

16.  verzoekt de VV/HV de kwesties van gevangenisomstandigheden en mensenrechtenschendingen bij de autoriteiten ter sprake te brengen, en met name de gevallen van de personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit die vastzitten in Iran, om een eind te maken aan de wrede en onmenselijke behandeling in Iraanse gevangenissen; verzoekt de VV/HV en de lidstaten problemen in verband met de mensenrechten stelselmatig bij de Iraanse autoriteiten aan te kaarten, met inbegrip van de situatie van politieke gevangenen en mensenrechtenverdedigers en de vrijheid van meningsuiting en vereniging;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van Iran.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0402.
(2) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 39.
(3) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 157.
(4) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 163.
(5) PB L 95 van 13.4.2018, blz. 14.


Verdedigers van vrouwenrechten in Saudi-Arabië
PDF 130kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de situatie van voorvechters van vrouwenrechten in Saudi-Arabië (2018/2712(RSP))
P8_TA(2018)0232RC-B8-0259/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Saudi-Arabië, met name die van 11 maart 2014 over Saudi-Arabië, de betrekkingen tussen Saudi-Arabië en de Europese Unie en de rol van Saudi-Arabië in het Midden-Oosten en Noord-Afrika(1), die van 12 februari 2015 over Raif Badawi(2), en die van 8 oktober 2015 over Ali Mohammed al-Nimr(3),

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting aan de Saudische blogger Raif Badawi in 2015,

–  gezien de verklaring van 29 mei 2018 van de woordvoerder van de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten over recente arrestaties in Saudi-Arabië, waaronder de arbitraire detentie en verdwijning, zonder een eerlijk proces, van Nawaf Talal Rasheed, een prins van de Al-Rashid-dynastie, en de zoon van de overleden dichter Nawaf Talal bin Abdul Aziz Al-Rashid,

–  gezien de verklaring van 18 mei 2018 van het hoofd van de dienst voor staatsveiligheid van Saudi-Arabië over de arrestatie van zeven verdachten,

–  gezien het nieuwe wetsontwerp inzake intimidatie zoals goedgekeurd door de Saudische Sjoera-raad op 28 mei 2018,

–  gezien de invloed op de mensenrechten (in Saudi-Arabië zelf en in de regio) van de sancties die Saudi-Arabië en andere landen aan Qatar hebben opgelegd, en gezien het rapport over de 'invloed van de Golf-crisis op de mensenrechten' van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) van december 2017,

–  gezien het lidmaatschap van Saudi-Arabië van de VN-Mensenrechtenraad en de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen, alsook het toekomstige lidmaatschap van het land van de Uitvoerende Raad van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen, dat in januari 2019 begint,

–  gezien de toespraak van Europees commissaris Christos Stylianides, namens de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), tijdens het debat in het Europees Parlement op 4 juli 2017 over de verkiezing van Saudi-Arabië tot lid van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen,

–  gezien de slotopmerkingen van 9 maart 2018 van het Comité voor de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen over het gecombineerde derde en vierde periodieke rapport over Saudi-Arabië(4),

–  gezien de gezamenlijke bijdrage over Saudi-Arabië namens ALQST, het Gulf Centre for Human Rights (GCHR) en de International Federation for Human Rights Leagues (FIDHR) voor de 69e zitting van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen op 7 maart 2018,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Saudische autoriteiten sinds 15 mei 2018 zeven vrouwen hebben gearresteerd - Loujain al-Hathloul, Aisha al-Mana, Madeha al-Ajroush, Iman al-Nafjan, Aziza al-Youssef, Hessah al-Sheikh en Walaa al-Shubbar - en vier mannen - Ibrahim Fahad Al-Nafjan, Ibrahim al-Modeimigh, Mohammad al-Rabiah en Abdulaziz al-Meshaal - voor hun inzet voor vrouwenrechten; overwegende dat deze gearresteerde mensenrechtenactivisten sindsdien in staat van beschuldiging zijn gesteld in verband met het verlenen van steun aan activiteiten van buitenlandse elementen, het werven van personen op gevoelige regeringsposities en het aan buitenlandse elementen ter beschikking stellen van geld met het oog op het destabiliseren van het koninkrijk; overwegende dat deze activisten bekend zijn vanwege hun campagne tegen het verbod voor vrouwen om een auto te besturen en hun inzet voor de afschaffing van het systeem van mannelijke voogdij; overwegende dat zij gearresteerd zijn voorafgaand aan de verwachte opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen op 24 juni 2018;

B.  overwegende dat Madeha al-Ajroush, Walaa al-Shubbar, Aisha al-Mana en Hessah al-Sheikh naar verluidt op 24 mei 2018 vrij zijn gelaten;

C.  overwegende dat de zaak-Loujain al-Hathloul bijzonder verontrustend is, aangezien zij in maart 2018 tegen haar wil van Abu Dhabi naar Saudi-Arabië is overgebracht na het bijwonen van een toetsingssessie over Saudi-Arabië van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen; overwegende dat haar een reisverbod was opgelegd tot aan haar recente arrestatie en dat ze nu, naar verluidt samen met andere activisten, in afzondering wordt gehouden;

D.  overwegende dat Saudi-Arabië tot de landen behoort waar voor vrouwen de zwaarste beperkingen gelden, ondanks recente regeringshervormingen gericht op het vergroten van de rechten van vrouwen op het gebied van werk; overwegende dat het Saudische politieke en sociale systeem onveranderd ondemocratisch en discriminerend is, vrouwen tot tweederangsburgers maakt, geen vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging kent, het grote aantal buitenlandse werknemers in het land sterk discrimineert, en elke tegengeluid hard aanpakt;

E.  overwegende dat het onderzoek naar en het werk aan deze zaak nog voortduurt en moeilijk informatie over de arrestaties kan worden verkregen omdat de Saudische autoriteiten nauwelijks mededelingen doen;

F.  overwegende dat de Saudische autoriteiten op 25 mei 2018 de prominente mensenrechtenactivist Mohammed al-Bajadi hebben gearresteerd, één van de oprichters van de verboden Saudische Vereniging voor civiele en politieke rechten, die de veiligheidsdiensten van mensenrechtenschendingen heeft beschuldigd;

G.  overwegende dat aan de regering gelieerde media en socialemediaplatforms binnen enkele dagen na de arrestatie van de mensenrechtenactivisten een vileine lastercampagne tegen hen zijn begonnen, en ze hebben weggezet als 'verraders' en een bedreiging voor de staatsveiligheid hebben genoemd; overwegende dat deskundigen van oordeel zijn dat de huidige lastercampagne tegen de mensenrechtenvoorvechters duidt op het voornemen hen mogelijkerwijs zeer zware straffen op te leggen;

H.  overwegende dat de Saudische samenleving geleidelijk maar voortdurend verandert, en verder overwegende dat de Saudische autoriteiten een aantal maatregelen hebben genomen ter verbetering van de erkenning van vrouwen als gelijkwaardige burgers, zoals het recht om te stemmen in gemeenteraadsverkiezingen, toegang tot de raadgevende Sjoera-raad en de nationale mensenrechtenraad, opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen en toegang tot openbare sportmanifestaties;

I.  overwegende dat de hervormingsagenda Vision 2030, gericht op een economische en sociale transformatie van het land op basis van de empowerment van vrouwen, een daadwerkelijke kans voor Saudische vrouwen kan zijn op hun wettelijke emancipatie, hetgeen absoluut noodzakelijk is om hen in staat te stellen hun rechten uit hoofde van het CEDAW ten volle uit te oefenen; overwegende dat de recente golf van arrestaties van voorvechters van vrouwenrechten haaks op dit doel lijkt te staan en de hervormingsagenda in gevaar zou kunnen brengen;

J.  overwegende dat de Saudische kroonprins Mohammad bin Salman met de mond steun voor de hervormingen van de vrouwenrechten heeft beleden, met name tijdens zijn rondreis door Europa en de Verenigde Staten, maar dat dergelijke hervormingen tot nu toe op de vingers van één hand te tellen zijn, en dat het systeem van mannelijke voogdij, het belangrijkste obstakel voor vrouwenrechten, in grote lijnen voortbestaat; overwegende dat hij daarnaast toezicht heeft uitgeoefend op een grootschalige campagne tegen prominente activisten, juristen en mensenrechtenvoorvechters, die aan intensiteit heeft gewonnen sinds hij zijn controle over de veiligheidsdiensten is beginnen te consolideren;

K.  overwegende dat Saudi-Arabië een waaier aan discriminerende wetten kent, met name de wettelijke bepalingen in verband met de persoonlijke status, de situatie van vrouwelijke arbeidsmigranten, het wetboek op de burgerlijke staat, de arbeidswetgeving, de nationaliteitswet en het systeem van mannelijke voogdij, dat de uitoefening door vrouwen van de meeste van hun rechten uit hoofde van het CEDAW afhankelijk stelt van de toestemming door een mannelijke voogd;

L.  overwegende dat Saudi-Arabië een levendige gemeenschap van onlinemensenrechtenactivisten en het grootste aantal Twittergebruikers van het Midden-Oosten heeft; overwegende dat Saudi-Arabië op de lijst van "vijanden van het internet" van Verslaggevers zonder Grenzen staat vanwege de censuur van de media en het internet in het land, en de bestraffing van diegenen die de regering of godsdienst bekritiseren; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de pers- en de mediavrijheid, zowel online als offline, cruciale voorwaarden en katalysatoren voor democratisering en hervorming zijn, evenals essentiële aspecten van de controle op de macht; overwegende dat de winnaar van de Sacharovprijs van 2015, Raif Badawi, nog altijd in de gevangenis zit, en dát uitsluitend voor het geweldloos tot uitdrukking brengen van zijn mening;

M.  overwegende dat Saudi-Arabië een score van 0,847 op de menselijke ontwikkelingsindex van de VN heeft, waarmee het land op plaats 38 van in totaal 188 landen en gebiedsdelen staat; overwegende dat Saudi-Arabië een score van 0,257 op de genderongelijkheidsindex van de VN heeft, waarmee het op plaats 50 van in totaal 159 landen staat op de index van 2015; overwegende dat Saudi-Arabië op plaats 138 van in totaal 144 landen staat in het "Global Gender Gap Report" 2017 van het World Economic Forum;

N.  overwegende dat het voorbehoud van Saudi-Arabië op het CEDAW volgens het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen onverenigbaar is met het doel en de strekking van het verdrag, en ontoelaatbaar op basis van artikel 28 van dat verdrag; overwegende dat Saudi-Arabië, toen het in 2013 met succes het lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad aanvroeg, heeft beloofd "zich te houden aan de hoogste normen met betrekking tot de bevordering en bescherming van de mensenrechten";

1.  verzoekt de Saudische autoriteiten een eind te maken aan alle vormen van intimidatie, waaronder van juridische aard, van Eman al-Nafjan, Aziza al-Youssef, Loujain al-Hathloul, Aisha al-Mana, Madiha al-Ajroush, Hessah Al-Sheikh, Walaa Al-Shubbar, Mohammed al-Rabiah en Ibrahim al-Modeimigh, en alle andere mensenrechtenactivisten in het land, zodat zij hun werk zonder ongerechtvaardigde belemmeringen en angst voor vergeldingsmaatregelen kunnen doen;

2.  veroordeelt de voortdurende repressie tegen mensenrechtenvoorvechters, waaronder voorvechters van vrouwenrechten, in Saudi-Arabië, die de geloofwaardigheid van het hervormingsproces in het land ondermijnt; roept de regering van Saudi-Arabië op alle mensenrechtenactivisten en andere gewetensbezwaarden die uitsluitend gevangenen zitten en veroordeeld zijn voor het gebruik maken van het recht op de vrijheid van meningsuiting en hun geweldloze inzet voor de mensenrechten, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; veroordeelt de voortdurende en stelselmatige discriminatie van vrouwen en meisjes in Saudi-Arabië;

3.  betoont zijn respect aan de Saudische vrouwen en vrouwenrechtenactivisten die iets proberen te doen aan de oneerlijke en discriminerende behandeling, alsmede aan diegenen die de mensenrechten verdedigen ondanks de moeilijkheden die hen dat oplevert;

4.  verwelkomt de in het kader van Vision 2030 beloofde opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen in het koninkrijk;

5.  beklemtoont dat alle gevangenen, waaronder mensenrechtenactivisten, behandeld moeten worden in overeenstemming met de voorwaarden als bedoeld in de "Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment" in resolutie 43/173 van de VN-Veiligheidsraad van 9 december 1988;

6.  neemt er kennis van dat meerdere internationale automerken, en met name enkele uit de EU, vooruitlopend op de opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen reeds op de doelgroep in kwestie gerichte reclameboodschappen hebben gemaakt;

7.  maakt zich ernstige zorgen over het op gender gebaseerde geweld in Saudi-Arabië, waarover bijna niet wordt bericht en nauwelijks documentatie bestaat, en dat wordt gerechtvaardigd met redenen als de noodzaak om vrouwen te disciplineren onder de voogdij van een man; dringt er met klem bij de Saudische autoriteiten op aan alomvattende wetgeving vast te stellen voor het specifiek definiëren en strafbaar stellen van alle vormen van op gender gebaseerd geweld tegen vrouwen, met name verkrachting, waaronder binnen het huwelijk, en seksueel geweld en seksuele intimidatie, en alle obstakels voor de toegang van vrouwen tot rechtbanken te elimineren;

8.  is ontstemd over het bestaan van het systeem van mannelijke voogdij, waarbij op een aantal gebieden nog altijd de toestemming van een mannelijke voogd vereist is, waaronder voor buitenlandse reizen, toegang tot gezondheidszorgdiensten, het kiezen van een woonplaats, huwelijk, het indienen van een klacht bij justitie, het verlaten van staatsopvanghuizen voor mishandelde vrouwen, en het verlaten van detentiecentra; beklemtoont dat dit systeem een weerspiegeling vormt van het diepgewortelde patriarchale systeem dat het land in zijn greep heeft;

9.  verzoekt de Saudische autoriteiten de wet op verenigingen en stichtingen van december 2015 te herzien om vrouwelijke activisten in staat te stellen zich aaneen te sluiten en vrij en onafhankelijk te werken, zonder ongerechtvaardigde bemoeienis door de autoriteiten; dringt ook aan op herziening van de wet op de terrorismebestrijding, de wet op de bestrijding van cybercriminaliteit en de wet op de pers en publicaties, die steeds weer worden gebruikt om mensenrechtenactivisten te vervolgen, alsook op herziening van alle discriminerende bepalingen in het huidige rechtssysteem;

10.  verzoekt de Saudische autoriteiten het Internationaal Verdrag inzake politieke en civiele rechten te ratificeren, de voorbehouden op het CEDAW in te trekken en het optioneel protocol bij het CEDAW te ratificeren, zodat Saudische vrouwen ten volle van de in dit verdrag vastgelegde rechten kunnen genieten, en een eind te maken aan kindhuwelijken, gedwongen huwelijken en de bindende kledingvoorschriften voor vrouwen; verzoekt Saudi-Arabië met klem een vaste uitnodiging te verstrekken aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad om het land te bezoeken;

11.  verzoekt de Saudische autoriteiten om onafhankelijke pers en media toe te staan en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering voor alle inwoners van het Saudi-Arabië te waarborgen; veroordeelt de repressie tegen mensenrechtenactivisten en demonstranten wanneer zij zonder geweld demonstreren; benadrukt dat op een vreedzame manier ijveren voor basisrechten in de wetgeving of het maken van kritische opmerkingen in de sociale media uitingen zijn van een onvervreemdbaar recht; verzoekt de Saudische autoriteiten met klem de beperkingen voor mensenrechtenactivisten om zich in de sociale media en de internationale pers uit te spreken, op te heffen;

12.  brengt in herinnering dat Saudi-Arabië met de steun van een aantal EU-lidstaten gekozen is als lid van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen;

13.  verzoekt de VV/HV, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten te zorgen voor volledige uitvoering van de EU-richtsnoeren met betrekking tot mensenrechtenvoorvechters, en de bescherming en ondersteuning van deze groep, en met name van vrouwelijke mensenrechtenvoorvechters, uit te breiden;

14.  verzoekt de EU tijdens de volgende sessie van de VN-Mensenrechtenraad een resolutie in te dienen over de situatie van mensenrechtenactivisten in Saudi-Arabië; verzoekt de EU tijdens de volgende bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad en de Commissie betreffende de status van vrouwen de kwestie van het lidmaatschap van landen met een twijfelachtige reputatie op het gebied van de mensenrechten, waaronder wat betreft de eerbiediging van vrouwenrechten en gendergelijkheid, aan de orde te stellen; verzoekt de EU in de VN-Mensenrechtenraad een voorstel voor te leggen voor de benoeming van een speciale rapporteur voor de mensenrechten in Saudi-Arabië;

15.  verzoekt de EU een discussie over mensenrechten, en met name over de situatie van vrouwelijke mensenrechtenactivisten, als een permanent onderwerp op de agenda van de jaarlijkse top tussen de EU en de Raad voor samenwerking van de Arabische Golfstaten, alsook andere bilaterale en multilaterale fora, te zetten; verzoekt de Raad te overwegen gerichte maatregelen vast te stellen tegen individuen die zich aan ernstige mensenrechtenschendingen schuldig maken; neemt er kennis van dat in de regels voor de toekenning van de Chaillot-prijs voor het bevorderen van de mensenrechten in de regio van de Raad voor samenwerking van de Arabische Golfstaten staat dat aanvragen alleen kunnen worden ingediend door personen die officieel ingeschreven zijn en 'constructieve contacten met de autoriteiten onderhouden';

16.  verzoekt de EDEO en de Commissie groepen van het maatschappelijk middenveld en individuen die zich voor de mensenrechten inzetten in Saudi-Arabië actief te ondersteunen, waaronder middels het organiseren van gevangenisbezoeken, waarneming bij processen en openbare verklaringen;

17.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten door te gaan met het voeren van een dialoog met Saudi-Arabië over mensenrechten, fundamentele vrijheden en de verontrustende rol van het land in de regio; spreekt zijn bereidheid uit tot het voeren van een constructieve en open dialoog met de Saudische autoriteiten, inclusief parlementsleden, over de implementatie van hun internationale mensenrechtenverplichtingen; dringt aan op een uitwisseling van expertise over juridische en wettelijke kwesties, gericht op het versterken van de bescherming van de rechten van het individu in Saudi-Arabië;

18.  roept de Saudische autoriteiten ertoe op de eventuele volgende zweepslagen tegen Raif Badawi niet uit te voeren en hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, aangezien hij wordt beschouwd als een gewetensbezwaarde die uitsluitend is veroordeeld en gevangen gezet vanwege de uitoefening van zijn recht op de vrijheid van meningsuiting; verzoekt de EU door te gaan met het ter sprake brengen van zijn zaak bij elk contact op hoog niveau;

19.  verzoekt de Saudische autoriteiten onmiddellijk een moratorium in te stellen op het gebruik van de doodstraf, als een stap in de richting van volledige afschaffing; dringt erop aan alle processen waarbij de doodstraf is opgelegd tegen het licht te houden, teneinde te waarborgen dat daarbij de internationale normen in acht zijn genomen;

20.  verzoekt de Saudische autoriteiten een eind te maken aan het aanzetten tot haat en discriminatie van religieuze minderheden, en van alle andere individuen en groepen waarvan de mensenrechten in Saudi-Arabië worden geschonden, met inbegrip van mensen uit landen in andere regio's;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de secretaris-generaal van de VN, de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten, de Commissie betreffende de status van vrouwen, de VN-Mensenrechtenraad, Zijne Koninklijke Hoogheid koning Salman bin Abdulaziz Al Saud en kroonprins Mohammad bin Salman Al Saud, de regering van het Koninkrijk Saudi-Arabië, en de secretaris-generaal van het Centrum voor nationale dialoog van het Koninkrijk Saudi-Arabië.

(1) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 64.
(2) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 29.
(3) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 34.
(4) CEDAW/C/SAU/CO/3-4.


Sudan, met name de situatie van Noura Hussein Hammad
PDF 123kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over Sudan, met name de situatie van Noura Hussein Hammad (2018/2713(RSP))
P8_TA(2018)0233RC-B8-0265/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Sudan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij de Republiek Sudan partij is sinds 1986,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Sudan partij is sinds 1990,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 inzake kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), dat de Algemene Vergadering van de VN in 1979 heeft aangenomen, en de Verklaring inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen (DEVAW), die de Algemene Vergadering van de VN in 1993 heeft aangenomen,

–  gezien resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2007, ingediend door de EU en nogmaals bevestigd in 2008, 2010, 2012, 2014 en 2016, die een pleidooi bevat voor een moratorium op de doodstraf,

–  gezien het Eerste Protocol bij het in 1981 aangenomen Afrikaans Handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika,

–  gezien de artikelen 16 en 21 van het Afrikaans Handvest inzake de rechten en het welzijn van het kind, dat in werking is getreden op 29 november 1999,

–  gezien het dringend beroepschrift met betrekking tot de situatie van Noura Hussein Hammad van 17 mei 2018 van het Afrikaanse Comité van deskundigen voor de rechten en het welzijn van het kind (ACERWC) aan de Republiek Sudan,

–  gezien de grondwet van Sudan van 2005,

–  gezien artikel 96 (mensenrechtenclausule) van de Overeenkomst van Cotonou, die de regering van Sudan in 2005 heeft ondertekend,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Noura Hussein Hammad door haar familie gedwongen werd met Abdulrahman Hammad te trouwen toen zij een kind van 16 was; overwegende dat Noura heeft aangevoerd dat zij eerst door haar man was verkracht met de hulp van leden van zijn familie; overwegende dat, volgens haar getuigenis, op 2 mei 2017 drie mannen Noura Hussein in bedwang hielden terwijl Abdulrahman haar verkrachtte; overwegende dat Noura, toen haar man haar de volgende dag opnieuw probeerde te verkrachten, hem uit zelfverdediging heeft doodgestoken; overwegende dat uit een later medisch onderzoek is gebleken dat zij ook gewond was geraakt tijdens het gevecht met haar man;

B.  overwegende dat Noura Hussein Hammad in de gevangenis van Omdurman heeft vastgezeten tot 29 april 2018, de dag waarop zij schuldig werd bevonden aan moord met voorbedachten rade; overwegende dat Noura Hussein Hammad, die nu 19 jaar oud is, door het Centraal Strafhof van Omdurman ter dood is veroordeeld wegens moord op de man die zij van haar vader moest trouwen; overwegende dat de familie van de man bij de veroordeling de doodstraf heeft gekozen als passende "straf" voor Hussein; overwegende dat tegen haar vonnis hoger beroep is ingesteld;

C.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten gegevens heeft verzameld waaruit blijkt dat het Hof het gedwongen huwelijk, de verkrachting en andere vormen van gendergerelateerd geweld tegen Hussein niet in aanmerking heeft genomen als verzachtende omstandigheden om de straf te verlichten; overwegende dat de VN-deskundige inzake standrechtelijke executies heeft aangevoerd dat het opleggen van de doodstraf wanneer er duidelijk bewijs is voor zelfverdediging, neerkomt op willekeurig doden;

D.  overwegende dat Sudan de 165e plaats inneemt op een totaal van 188 landen op de menselijke ontwikkelingsindex en op de VN-genderongelijkheidsindex; overwegende dat het VN-Comité voor de rechten van het kind en het Mensenrechtencomité van de VN hun ernstige bezorgdheid hebben geuit over de mensenrechtensituatie van vrouwen in Sudan; overwegende dat het rechtsstelsel van Sudan is gebaseerd op de islamitische sharia; overwegende dat is aangetoond dat vrouwen, wanneer zij in politiek, cultureel en economisch opzicht niet gelijkwaardig zijn aan mannen, het slachtoffer worden van gendergerelateerd geweld, ongeacht hun geloof, ras of nationaliteit;

E.  overwegende dat in de Sudanese grondwet is bepaald dat de staat vrouwen beschermt tegen onrecht en gendergelijkheid bevordert; overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in conflictgebieden, Pramila Patten, na haar bezoek aan Sudan van 18 tot en met 25 februari 2018 heeft vastgesteld dat er in Sudan een diepgewortelde cultuur heerst van ontkenning van seksueel geweld; overwegende dat gedwongen huwelijken, verkrachting binnen het huwelijk en gendergerelateerd geweld in Sudan als normaal worden beschouwd en dat al deze vormen van geweld gerechtvaardigd worden op grond van traditie, cultuur en godsdienst; overwegende dat de speciale openbaar aanklager tot dusver geen enkel geval van conflictgerelateerd seksueel geweld heeft onderzocht;

F.  overwegende dat het mandaat van het Internationaal Strafhof (ICC) om de straffeloosheid van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide aan te pakken ook betrekking heeft op wreedheden die vaak ten aanzien van vrouwen begaan worden, waaronder een breed scala aan seksuele en gendergerelateerde misdaden; overwegende dat het ICC op 4 maart 2009 een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd tegen president Omar al-Bashir van de Republiek Sudan, die in staat van beschuldiging is gesteld voor vijf aanklachten wegens misdaden tegen de menselijkheid: moord, uitroeiing, gedwongen overbrenging, marteling en verkrachting;

G.  overwegende dat er een wereldwijde campagne "Justice for Noura Hussein Hammad" is gestart om de doodstraf teniet te doen; overwegende dat sinds mei 2018 bijna een miljoen mensen een petitie met de titel "Justice for Noura Hussein Hammad" heeft ondertekend; overwegende dat de intimidatie van advocaten een aanval vormt op het recht op een eerlijk proces; overwegende dat Noura Hussein Hammad als slachtoffer van verkrachting psychologische ondersteuning nodig heeft;

H.  overwegende dat de zaak van Noura Hussein Hammad internationaal de aandacht heeft gevestigd op vrouwenrechten en op de problematiek van gedwongen huwelijken en verkrachting binnen het huwelijk in Sudan, waar de wettelijke huwbare leeftijd slechts tien jaar is; overwegende dat verkrachting binnen het huwelijk pas sinds 2015 wettelijk wordt erkend in Sudan; overwegende dat de gerechtelijke autoriteiten de erkenning daarvan als misdrijf evenwel weigeren;

I.  overwegende dat vrouwen- en kinderrechtenactivisten in toenemende mate campagne hebben gevoerd tegen gedwongen huwelijken van meisjes en huwelijken van minderjarige meisjes, een wijdverbreid verschijnsel in Sudan; overwegende dat het voorkomen van en reageren op alle vormen van geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes, met inbegrip van huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, een van de doelstellingen is van het EU-genderactieplan voor 2016-2020;

J.  overwegende dat door Human Rights Watch (HRW), zoals ook door de onafhankelijke VN-deskundige voor Sudan, in het World Report van 2017 is verklaard dat Sudanese veiligheidstroepen seksueel geweld, intimidatie en andere vormen van misbruik hebben gepleegd om vrouwelijke mensenrechtenactivisten in het hele land het stilzwijgen op te leggen; overwegende dat de advocaat van Noura Hussein Hammad door de Nationale Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (NISS) werd verboden een persconferentie te houden te midden van een steeds heviger intimidatiecampagne; overwegende dat Nahid Gabralla, directeur van SEEMA, een niet-gouvernementele organisatie die in Khartoem, de hoofdstad van Sudan, met slachtoffers en overlevenden van gendergerelateerd geweld werkt, verscheidene malen gevangen is genomen toen zij campagne voerde voor Noura Hussein Hammad, aangezien Sudan beperkingen oplegt aan de vrijheid van meningsuiting;

K.  overwegende dat Sudan een van de zeven landen is die nog steeds geen partij zijn bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);

L.  overwegende dat de EU momenteel voor 275 miljoen EUR aan projecten in Sudan financiert, voornamelijk via het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP); overwegende dat Sudan de herziene versie van de Overeenkomst van Cotonou niet heeft geratificeerd;

M.  overwegende dat vrouwen in Sudan te maken krijgen met discriminatie, willekeurige arrestaties en vernederende straffen; overwegende dat volgens de onafhankelijke VN-deskundige voor Sudan zogenoemde misdrijven tegen de openbare zeden, bijvoorbeeld in het geval van vrouwen die ervan worden beschuldigd "onfatsoenlijk" gekleed te gaan, evenals vernederende lijfstraffen in strijd zijn met de internationale mensenrechtennormen; overwegende dat de artikelen 151, 152, 154 en 156 van de Sudanese strafwet de voor vrouwen geldende beperkingen inzake de manier waarop zij zich in het openbaar kleden en gedragen, versterken; overwegende dat overtredingen van deze wetten strafbaar zijn met boetes en in bepaalde gevallen zelfs met geseling;

N.  overwegende dat de EU Sudan ondersteunt door een combinatie van ontwikkelingshulp en humanitaire bijstand, maar ook steun verleent aan de bijzonder controversiële operaties van het land op het gebied van grenstoezicht en bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel, onder meer in het kader van het zogenoemde ROCK-project;

1.  betreurt en veroordeelt de terdoodveroordeling van Noura Hussein Hammad; roept de Sudanese autoriteiten op de doodstraf in gevangenisstraf om te zetten en er ten volle rekening mee te houden dat mevrouw Hussein uit zelfverdediging handelde tegen een man met medeplichtigen die probeerde haar te verkrachten;

2.  verzoekt de Sudanese autoriteiten zich te houden aan het nationale recht en de internationale mensenrechtennormen, met inbegrip van het Protocol bij het Afrikaans Handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika, en het Protocol van het Hof van Justitie van de Afrikaanse Unie, dat op 11 juli 2003 is aangenomen; herinnert eraan dat het opleggen van de doodstraf wanneer er duidelijk bewijs is voor zelfverdediging, volgens de internationale normen neerkomt op willekeurig doden, met name in gevallen waarin vrouwen die handelen uit zelfverdediging, moord ten laste wordt gelegd;

3.  herinnert de Sudanese autoriteiten aan hun verplichting om de grondrechten te waarborgen, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces; hamert erop dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat bij het proces tegen Noura Hussein Hammad daadwerkelijk de hoogste normen inzake eerlijkheid en eerlijke rechtsbedeling in acht worden genomen;

4.  wijst er nogmaals op dat het van wezenlijk belang is om essentiële wetgeving in Sudan, waaronder de nationale veiligheidswet van 2010 en wetgeving inzake de media en maatschappelijke organisaties, te herzien en te hervormen, om deze in overeenstemming te brengen met internationale normen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging; uit zijn bezorgdheid over de zeer ruime bevoegdheden die aan de NISS zijn toegekend om tot arrestaties over te gaan en personen gevangen te nemen, terwijl de NISS willekeurig mensen arresteert en van hun vrijheid berooft die in veel gevallen worden gefolterd en op andere manieren worden mishandeld en terwijl NISS-medewerkers niet vervolgd kunnen worden;

5.  merkt op dat de Sudanese autoriteiten terwijl de gerechtelijke procedure loopt, nog steeds moeten tonen dat zij verkrachting of gendergerelateerd geweld niet tolereren en dat zij daarom het leven van een jonge vrouw moeten redden, dat al is verwoest om redenen buiten haar wil; roept de Sudanese autoriteiten op ervoor te zorgen dat in alle gevallen van gendergerelateerd en seksueel geweld, met inbegrip van verkrachting binnen het huwelijk en huiselijk geweld, vervolging wordt ingesteld en de daders ter verantwoording worden geroepen; dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan kindhuwelijken en gedwongen huwelijken en verkrachting binnen het huwelijk aan te pakken;

6.  dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan onmiddellijk een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen tegen de Sudanese veiligheidstroepen, die worden beschuldigd van het gebruik van geweld, intimidatie en andere vormen van misbruik ten aanzien van vrouwen;

7.  betreurt dat de NISS de verdediging van Noura Hussein Hammad heeft verboden een persconferentie te organiseren na haar veroordeling; veroordeelt met klem de intimidatie van mensenrechtenactivisten en advocaten in verband met de zaak van Noura Hussein Hammad;

8.  dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan de fysieke en psychologische integriteit van Noura Hussein Hammad tijdens haar opsluiting, evenals die van haar advocaten en familie, ten volle te beschermen;

9.  herhaalt sterk gekant te zijn tegen het gebruik van de doodstraf, in alle gevallen en onder alle omstandigheden; is van mening dat de doodstraf een inbreuk vormt op de menselijke waardigheid en neerkomt op wrede, onmenselijke en vernederende behandeling; roept de Sudanese autoriteiten op het VN-moratorium op de doodstraf na te leven; roept Sudan op het Verdrag tegen foltering en het CEDAW te ratificeren;

10.  wijst de Sudanese autoriteiten erop dat betere bescherming van de mensenrechten van vrouwen en strafbaarstelling van verkrachting binnen het huwelijk kunnen bijdragen tot het redden van talrijke levens, en situaties zoals die van Noura Hussein Hammad kunnen helpen voorkomen;

11.  veroordeelt met klem huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken en geweld tegen vrouwen en meisjes in Sudan en elders; wijst erop dat het huidige hoger beroep tegen het vonnis van Hussein, dat zich beperkt tot de formele en juridische aspecten van de veroordeling zonder enig onderzoek van de feiten, niet volstaat op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Sudan heeft geratificeerd; dringt er bij de autoriteiten op aan gehoor te geven aan de aanbeveling van het Comité voor de rechten van het kind en het recht inzake de burgerlijke stand te wijzigen om de leeftijd te verhogen waarop het wettelijk is toegestaan is om te trouwen;

12.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan te waarborgen dat bij de uitvoering van gezamenlijke projecten met de Sudanese autoriteiten het "berokken geen schade"-beginsel wordt gehanteerd, wat betekent dat samenwerking met plegers van schendingen van de mensenrechten is uitgesloten;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de president van Sudan, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de beide voorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.


Benoeming van een lid van de selectiecommissie voor het Europees Openbaar Ministerie
PDF 110kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de benoeming van Antonio Mura tot lid van de commissie die opgericht is overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (2018/2071(INS))
P8_TA(2018)0234B8-0237/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) nr. 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM")(1),

–  gezien het voorstel van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (B8-0237/2018),

–  gezien zijn Reglement,

A.  overwegende dat Antonio Mura voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) nr. 2017/1939;

1.  stelt voor Antonio Mura te benoemen tot lid van de commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.


Manipulatie van de kilometerstand in motorvoertuigen: herziening van het EU-rechtskader
PDF 177kWORD 64k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 met aanbevelingen aan de Commissie over manipulatie van de kilometerstand bij motorvoertuigen: herziening van het wettelijk kader van de EU (2017/2064(INL))
P8_TA(2018)0235A8-0155/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikel 91, lid 1, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2014/47/EU van het Europees Parlement en de Raad(2),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie(3), Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad(4), Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie(5) en Reglement nr. 39 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over CARS 2020: naar een sterke, concurrerende en duurzame Europese automobielindustrie(7),

–  gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) van november 2017 getiteld "Odometer tampering: measures to prevent it"(8) en de bijbehorende beoordeling van de Europese meerwaarde getiteld "Odometer manipulation in motor vehicles in the EU"(9),

–  gezien het eindverslag van de Association of European Vehicle and Driver Registration Authorities getiteld "Vehicle Mileage Registration"(10),

–  gezien de studie van de Commissie over de werking van de markt voor tweedehandsauto's vanuit het oogpunt van de consument ("Consumer Market Study on the Functioning of the Market for Second-Hand Cars from a Consumer's perspective"),

–  gezien schriftelijke verklaring 0030/2016 van 11 april 2016 over de bestrijding van fraude met de kilometerstand op de markt voor tweedehandsauto's,

–  gezien artikel 46 en artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0155/2018),

Huidige situatie

A.  overwegende dat manipulatie van de kilometerstand, met name de malafide praktijk van het bewust en ongeoorloofd wijzigen van de werkelijke kilometerstand van een voertuig zoals die op de kilometerteller wordt vermeld, een ernstig en wijdverbreid probleem in de Unie is, met name in de context van grensoverschrijdende handel, en dat dit nadelige gevolgen heeft voor derde landen die tweedehandsauto's uit de Unie invoeren;

B.  overwegende dat het manipuleren van de kilometerstand aanzienlijke economische voordelen kan opleveren, gezien de lage prijs van de benodigde apparatuur en de kunstmatige toename van de waarde van de tweedehandsauto’s; overwegende dat studies het aandeel gemanipuleerde voertuigen in de binnenlandse handel in tweedehandsauto's op 5 à 12 % schatten en in de grensoverschrijdende handel op 30 à 50 %, hetgeen in totaal tussen 5,6 en 9,6 miljard EUR aan economische schade in de Unie veroorzaakt;

C.  overwegende dat het aantal gereden kilometers een van de belangrijkste parameters vormt op basis waarvan een koper de technische staat van een voertuig kan bepalen, en dat de kilometerstand een wezenlijke invloed heeft op de marktwaarde van een aangekocht voertuig;

D.  overwegende dat kilometerstanden digitaal worden opgeslagen en getoond en dat externe toegang ten behoeve van herconfiguratie eenvoudig is, daar hiervoor een geringer beschermingsniveau van kilometertellers geldt dan voor andere componenten in het voertuig;

E.  overwegende dat de manipulatie van kilometertellers niet alleen consumenten maar ook verkopers van tweedehandsauto's, verzekeraars en leasebedrijven schaadt, maar rendabel is voor fraudeurs, en dat er technische oplossingen moeten worden gevonden om het moeilijker te maken voor leken om te sjoemelen met kilometertellers;

F.  overwegende dat de grotere slijtage van auto's met een gemanipuleerde kilometerstand nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid; overwegende dat kopers van zulke auto's vaak hogere onderhouds- en reparatiekosten kunnen hebben dan verwacht omdat die auto's niet overeenkomstig hun werkelijke kilometerstand worden gecontroleerd;

G.  overwegende dat auto's met een gemanipuleerde kilometerstand een groter verbruik kunnen hebben en meer verontreinigende emissies kunnen uitstoten dan verwacht, en daardoor niet voldoen aan de duurzaamheidseisen van de typegoedkeuringswetgeving;

H.  overwegende dat de markt voor tweedehandsvoertuigen in de Unie, die twee tot drie keer zo groot is dan de markt voor nieuwe voertuigen, het laagste consumentenvertrouwen van alle goederenmarkten kent volgens het Scorebord van de consumentenmarkten, Europese Commissie 2014(11) en dat manipulatie van de kilometerstand significant bijdraagt tot een verlies van consumentenvertrouwen in verkopers van tweedehandsauto's en aldus de werking van de interne markt en de eerlijke concurrentie verstoort;

I.  overwegende dat consumenten niet voldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheden om de manipulatie van de kilometerstand in tweedehandsvoertuigen te voorkomen, noch van de bestaande methoden om de kilometerstand bij te houden en fraude hierbij tegen te gaan of van de manieren waarop gebruik kan worden gemaakt van deze methoden;

J.  overwegende dat veel lidstaten er nog steeds niet in slagen de consument de noodzakelijke instrumenten aan te reiken om de voorgeschiedenis van een tweedehands voertuig te kunnen verifiëren;

K.  overwegende dat kilometerfraude onevenredig vaak voorkomt onder bepaalde groepen in de samenleving en in geografische regio's met een laag inkomen, waardoor klanten in de in of na 2004 tot de Unie toegetreden lidstaten en de buurlanden van de Unie, vooral in de kandidaat-lidstaten op de Westelijke Balkan waar tweedehandsvoertuigen uit de Unie met lage of zelfs zonder douanerechten worden ingevoerd, een groter risico lopen om een auto met een gemanipuleerde kilometerstand te kopen en dus vaker te maken krijgen met die malafide praktijken;

L.  overwegende dat er vanwege het gebrek aan een gemeenschappelijk, geïntegreerd systeem voor uitwisseling van informatie tussen de afzonderlijke lidstaten een verhoogd risico bestaat op legalisering van een kilometerstand die al is gemanipuleerd vóór de eerste controle in de lidstaat waarin de auto in kwestie uiteindelijk zal worden geregistreerd en waar er reeds maatregelen voorhanden zijn om een auto te registreren en de kilometerstand te controleren;

M.  overwegende dat het aanpakken van manipulatie van de kilometerstand door middel van een snelle vaststelling van uniforme voorschriften wezenlijk zal bijdragen tot meer veiligheid en zekerheid in de grensoverschrijdende handel in auto's en het aantal oneerlijke praktijken zal doen dalen, waarvan miljoenen consumenten in de Unie enorm zullen profiteren;

Bestaande maatregelen ter bestrijding van kilometerfraude

N.  overwegende dat sommige lidstaten reeds instrumenten hebben ingevoerd om manipulatie van de kilometerstand terug te dringen, zoals de "Car-Pass" in België en de "Nationale Autopas" (NAP) in Nederland; overwegende dat beide lidstaten gebruik maken van een databank waarin bij elke onderhouds-, service- of reparatiebeurt of periodieke keuring van het voertuig de kilometerstand wordt opgeslagen, zonder dat persoonsgegevens worden verzameld, en dat beide landen kilometerfraude op hun gebied binnen korte tijd vrijwel hebben weten uit te bannen;

O.  overwegende dat het Belgische systeem op basis van wetgeving gerund wordt door een organisatie zonder winstoogmerk, terwijl het systeem in Nederland door een overheidsinstantie wordt gerund; overwegende dat beide systemen tegen aanvaardbare kosten functioneren en dat het succes ervan gepaard gaat met en vergroot wordt door bewustmakings- en voorlichtingscampagnes alsmede een krachtig wettelijk kader met duidelijke regels en afschrikkende sancties;

P.  overwegende dat het aanzienlijk grotere aantal gemanipuleerde voertuigen in landen zonder toegang tot die databanken laat zien dat grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens en samenwerking tussen de lidstaten van essentieel belang is voor het succes ervan;

Q.  overwegende dat het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (Eucaris), reeds een infrastructuur en een organisatie biedt voor de uitwisseling van geharmoniseerde gegevens over vervoer tussen de autoriteiten van de lidstaten en door alle lidstaten wordt gebruikt om te voldoen aan de verplichtingen van Richtlijn 2011/82/EU van het Europees Parlement en de Raad(12), terwijl het opslaan van kilometerstanden al tot de specificaties ervan behoort;

R.  overwegende dat er tevens technische oplossingen zijn, zowel voor hardware als voor software, die door de fabrikant in voertuigen kunnen worden ingebouwd en zo manipulatie van de kilometerstand van meet af aan voorkomen, terwijl "Hardware Security Modules" (HSM) and "Secure Hardware Extensions" (SHE) al worden toegepast om elektronische controle-units in voertuigen te beschermen tegen ongeoorloofde toegang, manipulatie of autodiefstal, en dat de kosten daarvan per voertuig naar schatting op één euro liggen;

S.  overwegende dat Verordening (EU) 2017/1151 fabrikanten die typegoedkeuring voor een voertuig willen verkrijgen, de verplichting oplegt om systematische strategieën voor beveiliging tegen manipulatie en functies voor schrijfbeveiliging toe te passen om herprogrammering van kilometertellers tegen te gaan, waarbij ook rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor de uitwisseling van gegevens op afstand; overwegende dat op grond van deze verordening alleen door de fabrikant verstrekte informatie en toelichtingen vereist zijn en er niet hoeft te worden getest of de kilometerteller fraudebestendig is, terwijl er wel degelijk gecertificeerde en internationaal erkende procedures bestaan zoals "Common Criteria for Information Technology Security Evaluation"; overwegende dat internationaal erkende procedures zoals de Common Criteria (ISO/IEC 15408) kunnen bijdragen aan de bescherming tegen manipulatie;

Wetgeving en achterpoortjes

T.  overwegende dat manipulatie van de kilometerstand in 26 lidstaten verboden is, maar dat slechts tien lidstaten voor klanten aanvullende maatregelen kennen om de kilometerstand te verifiëren en slechts zes manipulatie van de kilometerstand als strafbaar feit erkennen(13); overwegende dat de hardware en software die wordt gebruikt voor de manipulatie van kilometertellers vrij toegankelijk is in de Unie en dat dit niet als strafbaar wordt aangemerkt, en overwegende dat een aantal lidstaten bezig is activiteiten die verband houden met de illegale manipulatie van kilometerstanden strafbaar te stellen;

U.  overwegende dat kilometerfraude een bedreiging vormt voor de technische staat van een voertuig, zoals ook al is vastgesteld in Richtlijn 2014/45/EU, waarin de lidstaten worden verzocht doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen bij dergelijke manipulatie; overwegende dat de Commissie zou moeten nagaan of het haalbaar is nationale platforms onderling te verbinden zodat grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over de technische staat van voertuigen, met inbegrip van kilometerstanden, mogelijk wordt;

V.  overwegende dat Richtlijn 2014/45/EU de verplichting bevat om kilometerstanden bij de periodieke technische keuring te registreren en deze registers beschikbaar te houden voor volgende periodieke technische keuringen, maar alleen betrekking heeft op registratie van de kilometerstand tijdens technische keuringen vanaf de eerste technische keuring; overwegende dat de eerste periodieke technische keuring soms pas vier jaar na de eerste registratie van het voertuig plaatsvindt, waardoor er voldoende tijd is om vóór de eerste keuring of tussen keuringen in de kilometerstand te manipuleren en dat dit zelfs tot officiële registratie van een onjuiste kilometerstand kan leiden;

W.  overwegende dat noch Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(14) en Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie inzake typegoedkeuring, noch Reglement nr. 39 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE-reglement 39) aandacht besteden aan kilometerfraude of fraudebestendige kilometertellers; overwegende dat in Verordening (EG) nr. 661/2009 wordt verwezen naar UNECE-reglement 39 inzake voorschriften voor de goedkeuring van de snelheidsmeter, maar dat er geen voorschriften zijn met betrekking tot kilometertellers of de wezenlijke kenmerken daarvan;

Toekomstige ontwikkelingen in de automobielsector

X.  overwegende dat de automobielindustrie grote vooruitgang heeft geboekt wat betreft de ontwikkeling en productie van voertuigen die verbonden zijn, ITS gebruiken en met hun omgeving communiceren, zodat de meeste auto's die op de markt komen al kunnen beschikken over connectiviteitsmogelijkheden waardoor er op de wegen in de Unie geleidelijk een verbonden wagenpark tot stand komt;

Y.  overwegende dat de gemiddelde leeftijd van auto's op de wegen in de Unie volgens verschillende studies tussen de zeven en elf jaar bedraagt en nog altijd oploopt, terwijl deze leeftijd in de in of na 2004 toegetreden lidstaten ruimschoots boven dat gemiddelde ligt, zodat het wagenpark bestaat uit nieuwere, goed verbonden voertuigen en oudere voertuigen zonder connectiviteitsmogelijkheden;

Z.  overwegende dat moderne auto's al regelmatig gegevensbundels naar de fabrikant sturen, waaronder de kilometerstand en de totale bedrijfstijd, die essentiële gegevens opleveren aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de kilometerstand plausibel is;

AA.  overwegende dat blockchaintechnologie één oplossing zou kunnen zijn voor de opslag van kilometerstandgegevens in de toekomst;

AB.  overwegende dat CarTrustChain, medegefinancierd door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, een succesvol project is wat betreft het gebruik van blockchaintechnologie ter voorkoming van kilometerfraude;

1.  verzoekt de Commissie op grond van artikel 91, lid 1, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een wetgevingskader voor te leggen dat lidstaten verplicht wettelijke, technische en operationele belemmeringen in te voeren om manipulatie van kilometertellers onmogelijk te maken, aan de hand van de aanbevelingen in onderhavige resolutie en in de bijlage hierbij, en binnen twaalf maanden na de goedkeuring van onderhavige resolutie door het Parlement; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de wettelijke voorschriften van Verordening (EU) 2017/1151 te evalueren;

2.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat dezelfde wettelijke en technische belemmeringen ook voor invoer uit derde landen gelden;

3.  is ingenomen met technische oplossingen als HSM en SHE die reeds op grote schaal worden gebruikt om gevoelige gegevens in voertuigen te beschermen, en benadrukt dat de kilometerstand een vergelijkbare bescherming zou moeten genieten, zodat kilometertellers niet gemanipuleerd kunnen worden;

4.  spoort de Commissie aan om de typegoedkeuring voor de interne veiligheid van auto's aan te scherpen, met name wat betreft de technische maatregelen tegen kilometerfraude, maar ook gezien het toenemende aantal verbonden voertuigen;

5.  is ermee ingenomen dat de Commissie vereisten voor technologieveiligheid van kilometertellers heeft opgenomen in Verordening (EU) 2017/1151; wijst er echter op dat niet is vastgelegd hoe de naleving van deze vereisten moet worden gecontroleerd, en verzoekt de Commissie dan ook duidelijke criteria vast te stellen voor de doeltreffende controle van de veiligheid van kilometertellers, deze vereisten zo nodig en binnen de kortst mogelijke termijn aan te passen en aan het Parlement verslag uit te brengen over de doeltreffendheid van deze verordening;

6.  stelt vast dat nationale oplossingen waarbij gebruik wordt gemaakt van databanken waarin met regelmaat kilometerstanden worden opgeslagen die afkomstig zijn van periodieke technische keuringen, bezoeken aan de garage en andere voertuigcontroles, veel succes hebben bij de bestrijding van manipulatie van de kilometerstand in de desbetreffende lidstaten, en stelt dan ook voor dat de lidstaten die tot nu toe nog niet in actie zijn gekomen, zo snel mogelijk met adequate oplossingen moeten komen;

7.  benadrukt in dit verband dat alle lidstaten zouden moeten beschikken over nationale registers en zouden moeten deelnemen aan de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens uit deze registers, aangezien alleen op die manier kilometerfraude efficiënt kan worden aangepakt in de Unie; verzoekt de Commissie dan ook een wetgevingskader voor te stellen voor de lidstaten om vergelijkbare en wederzijds compatibele nationale mechanismen voor gegevensverzameling op te zetten, op basis van gevestigde praktijken, waarmee vanaf het moment van de eerste registratie van een voertuig regelmatig betrouwbare gegevens over de kilometerstand worden verstrekt, en die zich lenen voor internationale uitwisseling;

8.  benadrukt dat grensoverschrijdende toegang tot kilometerstanden mogelijk moet zijn en dat gemakkelijke toegang tot die informatie voor een koper van een tweedehandsauto in belangrijke mate zou bijdragen aan de bescherming van de consument; onderstreept dat de koper van een tweedehandsauto de juistheid van de kilometerstand van het voertuig moet kunnen verifiëren, ongeacht de lidstaat waar het voertuig eerder geregistreerd was; verzoekt de Commissie en de lidstaten consumenten en andere belanghebbenden proactief te informeren over bestaande maatregelen tegen kilometerfraude en over de mogelijkheden om manipulatie van de kilometerstand te ontdekken en te voorkomen;

9.  benadrukt dat Eucaris een bestaande infrastructuur biedt voor kosteneffectieve uitwisseling van kilometerstanden in de hele Unie, op basis van een op een databank berustende oplossing; betreurt het dat in 2017 alleen België, Nederland en Slowakije gebruikmaakten van het Eucaris-platform voor de uitwisseling van informatie over kilometerstanden en spoort de lidstaten dan ook aan om de mogelijkheden van dit systeem te benutten;

10.  spoort de Commissie aan de deelname aan Eucaris verplicht te stellen en het systeem in te zetten als voertuiginformatieplatform om aldus in de Unie het verifiëren van kilometerstanden te vergemakkelijken, zodat de mogelijkheden om de kilometerstand te manipuleren worden ingeperkt;

11.  betreurt dat het in Richtlijn 2014/45/EU bedoelde elektronische register nog niet is ingevoerd en dat de sancties van de lidstaten onvoldoende afschrikkend zijn, waardoor de doelstellingen inzake gegevensuitwisseling niet zijn bereikt;

12.  verzoekt de Commissie te voorzien in een wettelijk kader dat de lidstaten in staat stelt de registratie van kilometerstanden verplicht te stellen bij periodieke technische keuringen en bij elke controle, keuring, onderhoudsbeurt, reparatie en andere bezoeken aan de garage, vanaf het moment van de eerste registratie van het voertuig;

13.  benadrukt dat een op blockchain gebaseerde oplossing kosteneffectiever zou kunnen zijn en spoort de Commissie aan binnen twaalf maanden na de goedkeuring van onderhavige resolutie door het Parlement een kosten-batenanalyse uit te voeren, onder meer betreffende veiligheid, transparantie en gegevensbescherming; benadrukt dat er zo spoedig mogelijk doeltreffende, gebruiksvriendelijke en snel in te zetten oplossingen, met name gegevensbanken moeten worden toegepast totdat deze technologie ingevoerd kan worden;

14.  benadrukt dat een grootschaligere toepassing van geavanceerde cryptografische technologieën, zoals op HSM of SHE gebaseerde oplossingen, extra bescherming kan bieden tegen de manipulatie van kilometerstanden, door kilometertellers te beschermen tegen ongeoorloofde toegang door middel van beveiligde chips;

15.  benadrukt dat voertuigen steeds beter zijn toegerust voor connectiviteit en dat deze ontwikkeling zich zal voortzetten, waardoor het mogelijk zal zijn om kilometerstanden automatisch in te voeren in een databank of een blockchainnetwerk; is verheugd over de inspanningen van de auto-industrie om diverse technische beveiligingsmechanismen te ontwikkelen tegen de illegale manipulatie van kilometertellers, waaronder versleuteling van gegevens alsmede gegevensbescherming en -beveiliging, maar spoort de fabrikanten aan om hun technische oplossingen nog verder te verfijnen;

16.  vestigt de aandacht op het feit dat alle maatregelen betreffende overdracht en opslag van gegevens in overeenstemming met het Europese acquis op het gebied van gegevensbescherming moeten zijn en alleen mogen worden gebruikt om manipulatie van de kilometerstand te voorkomen, en dat hierbij het hoogste niveau van cyberbescherming moet gelden;

17.  spoort de lidstaten aan wetgeving inzake kilometerfraude in te voeren of aan te passen zodat dit een strafbaar feit wordt – met inbegrip van het verstrekken van hardware, software en de diensten die nodig zijn voor ongeoorloofde manipulatie –, aangezien manipulatie tot een incorrecte beoordeling van de technische staat van een voertuig leidt en dit negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid; spoort de lidstaten aan voldoende personeel en financiële middelen beschikbaar te stellen voor een doeltreffende, niet-discriminerende en evenredige handhaving van deze wetgeving;

18.  is van mening dat het vervangen van een kilometerteller door een andere waarvan de kilometerstand lager is, moet worden beschouwd als kilometerfraude als dit als bedoeling heeft de werkelijke kilometerstand te verbergen en op die manier winst te maken;

19.  verzoekt de Commissie op grond van artikel 91, lid 1, en artikel 114 VWEU, een voorstel in te dienen voor een handeling voor het aanpakken van manipulatie van de kilometerstand, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage hierbij;

o
o   o

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Stimulering van technische oplossingen en typegoedkeuring

Teneinde het manipuleren van kilometerstanden moeilijker te maken, dient er een hoger niveau van interne veiligheid voor kilometerstandgegevens te worden vastgesteld. Dit moet worden bereikt door het volgende wijze op te nemen in het voorstel:

—  er moet toezicht worden gehouden op de tenuitvoerlegging van artikel 5, lid 3, onder f), van Verordening (EU) 2017/1151 en er moet zo spoedig mogelijk verslag verslag worden uitgebracht met de resultaten aan het Parlement;

—  er moeten duidelijke eisen worden gesteld voor het beveiligen van de kilometerstand tegen manipulatie, waaronder – bij een positieve beoordeling – cryptografische bescherming tegen manipulatie, manipulatieherkenningssystemen, afzonderlijke waarneming en registratie van de kilometerstand en hardwarebeveiliging;

—  er moet een testmethode worden ingevoerd of de Common Criteria for Information Technology Security Evaluation moeten worden toegepast voor de preventieve oplossingen zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2017/1151 betreffende kilometerfraude;

Databanksystemen

Databanken met kilometerstanden zorgen voor een aanzienlijke vermindering van het aantal gemanipuleerde voertuigen. Het is belangrijk dat er een Uniebrede oplossing wordt gevonden, aangezien geïsoleerde nationale initiatieven kilometerfraude bij de grensoverschrijdende handel in tweedehandsauto's niet kunnen voorkomen. Daarom moet het voorstel de volgende maatregelen bevatten:

—  de verplichte registratie van kilometerstanden zoals voorzien in Richtlijn 2014/45/EU dient beschikbaar te worden gemaakt voor grensoverschrijdende uitwisseling en op verzoek ook voor klanten;

—  er moet een rechtskader komen voor het opzetten van databanken voor de registratie van vergelijkbare kilometerstanden in de lidstaten, waarmee internationale uitwisseling en toegang tot informatie wordt gegarandeerd op basis van bestaande beste praktijken die garant staan voor de regelmatige en betrouwbare registratie van gegevens over de kilometerstand;

—  bestaande databanken voor kilometerstanden op lidstaatniveau dienen op Unieniveau met elkaar te worden verbonden en compatibel en interoperabel te zijn zodat internationale gegevensuitwisseling mogelijk wordt, en bestaande infrastructuur zoals Eucaris moet worden gebruikt voor een kosteneffectieve en spoedige tenuitvoerlegging;

—  regelgeving inzake gegevensbescherming moet worden nageleefd en waar nodig zodanig worden aangepast dat opslag en uitwisseling van de desbetreffende gegevens alsmede bescherming van de privacy mogelijk zijn en frauduleus gebruik van de verzamelde gegevens doeltreffend wordt voorkomen;

—  kopers van tweedehandsvoertuigen moeten de mogelijkheid krijgen om voorafgaand aan de aanschaf de juistheid van de kilometerstand van de auto te verifiëren op basis van de verzamelde gegevens over de kilometerstand van dat voertuig, ongeacht de lidstaat waarin het eerder geregistreerd was;

Blockchain en connectiviteit als mogelijke en elkaar aanvullende langetermijnoplossingen

Voertuigen zijn steeds vaker verbonden en het percentage verbonden voertuigen in de Unie neemt voortdurend verder toe. Zij geven reeds gegevens zoals de actuele kilometerstand door aan de servers van de fabrikant. Deze gegevens zouden nu al kunnen worden gebruikt om kilometerfraude op te sporen.

Blockchaintechnologie kan op termijn een betrouwbaar instrument bieden om gegevens in een netwerk te beveiligen en het manipuleren van ingevoerde gegevens te helpen voorkomen. Als deze ontwikkelingen worden gecombineerd met technologie kan dit worden verkend als een langetermijnoplossing voor kilometerfraude.

Daarom moeten de volgende maatregelen worden voorgesteld:

—  de potentiële kosten en baten van de inrichting van een Europees blockchainnetwerk voor kilometerstanden moeten worden beoordeeld;

—  in geval van een positieve beoordeling moet er een wettelijk en regelgevingskader voor de geautomatiseerde overdracht van kilometerstanden van met connectiviteitsfuncties uitgeruste voertuigen worden ingevoerd en – ongeacht de blockchainevaluatie – voor de toegang tot kilometerstandgegevens die door de fabrikant zijn verzameld en opgeslagen in aanvulling op handmatig ingevoerde gegevens bij periodieke keuringen en uit andere bronnen;

—  moet het verplicht worden gesteld om kilometerstanden die bij periodieke technische keuringen, bezoeken aan een garage en controles zijn geregistreerd, door te geven en aldus in het systeem te integreren om het verder te ontwikkelen;

Wetgeving en handhaving

Tot dusver is kilometerfraude niet in alle lidstaten een strafbaar feit, hoewel Richtlijn 2014/45/EU hier expliciet in voorziet. De handhaving van doeltreffende wettelijke maatregelen, met inbegrip van sancties, is van essentieel belang voor het uitbannen van kilometerfraude. Daarom moeten de volgende maatregelen worden voorgesteld:

—  kilometerfraude moet worden beschouwd als een overtreding die wordt begaan door zowel de persoon die opdracht geeft tot het veranderen van de kilometerstand (de eigenaar van een auto) als door de persoon die de kilometerstand verandert, en daarop moeten straffen staan die doeltreffend, evenredig, afschrikkend en niet-discriminerend zijn en die in de hele Unie op een zeer vergelijkbaar niveau liggen.

(1) Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51).
(2) Richtlijn 2014/47/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 134).
(3) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1).
(6) Reglement nr. 39 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat de snelheidsmeter en de installatie ervan betreft (PB L 120 van 13.5.2010, blz. 40).
(7) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 57.
(8) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/602012/IPOL_STU%282017%29602012_EN.pdf
(9) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/615637/EPRS_STU%282018%29615637_EN.pdf
(10) https://www.ereg-association.eu/media/1122/final-report-ereg-topic-group-xiii-vehicle-mileage-registration.pdf
(11) https://ec.europa.eu/info/files/consumer-markets-scoreboard-2014-edition_en (Scorebord van de consumentenmarkten, Europese Commissie 2014).
(12) Richtlijn 2011/82/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PB L 288 van 5.11.2011, blz. 1).
(13) Zie European Consumer Centers Network (ECC-Net, 2015), Cross-border car purchases: what to look out for when you're bargain hunting, blz. 236.
(14) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).


Uniemechanisme voor civiele bescherming ***I
PDF 215kWORD 75k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 31 mei 2018 op het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (COM(2017)0772/2 – C8-0409/2017 – 2017/0309(COD))(1)
P8_TA(2018)0236A8-0180/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging 1
(1)  Het EU-mechanisme voor civiele bescherming (hierna "het mechanisme" genoemd), ingesteld bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad12 is gericht op het versterken van de samenwerking tussen de Unie en de lidstaten en het faciliteren van de coördinatie op het terrein van civiele bescherming, om zodoende te komen tot een betere respons van de Unie ten aanzien van door de mens of de natuur veroorzaakte rampen.
(1)  Het EU-mechanisme voor civiele bescherming (hierna "het mechanisme" genoemd), ingesteld bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad12 is gericht op het versterken van de samenwerking tussen de Unie, de lidstaten en hun regio's en het faciliteren van de coördinatie op het terrein van civiele bescherming, om zodoende te komen tot een betere respons van de Unie ten aanzien van door de mens of de natuur veroorzaakte rampen.
_________________
_________________
12 Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
12 Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 3
(3)  Door de mens of de natuur veroorzaakte rampen kunnen overal ter wereld plaatsvinden, vaak zonder waarschuwing. Of het nu door de mens of door de natuur veroorzaakte rampen betreft, zij komen steeds vaker voor, in steeds extremere en complexere vorm, nog versterkt door de gevolgen van de klimaatverandering, en zonder rekening te houden met nationale grenzen. De gevolgen van rampen voor de mens, het milieu en de economie kunnen aanzienlijk zijn.
(3)  Door de mens of de natuur veroorzaakte rampen kunnen overal ter wereld plaatsvinden, vaak zonder waarschuwing. Of het nu door de mens of door de natuur veroorzaakte rampen betreft, zij komen steeds vaker voor, in steeds extremere en complexere vorm, nog versterkt door de gevolgen van de klimaatverandering, en zonder rekening te houden met nationale grenzen. De gevolgen van rampen voor de mens, het milieu, de samenleving en de economie kunnen van onvoorzienbare omvang zijn. Helaas kan bij dergelijke rampen opzet in het spel zijn, bijvoorbeeld in het geval van terroristische aanslagen.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 4
(4)  Uit recente ervaring is gebleken dat door een beroep te doen op een louter vrijwillig aanbod van wederzijdse bijstand, gecoördineerd en gefaciliteerd door het Uniemechanisme, niet altijd kan worden gegarandeerd dat voldoende capaciteit beschikbaar wordt gesteld om in toereikende mate tegemoet te komen aan de fundamentele behoeften van bevolkingsgroepen die door een ramp worden getroffen, noch dat het milieu en de eigendom in voldoende mate veilig worden gesteld. Dit is speciaal het geval wanneer lidstaten tegelijk worden getroffen door herhaaldelijke rampen en collectieve capaciteit ontoereikend is.
(4)  Uit recente ervaring is gebleken dat door een beroep te doen op een louter vrijwillig aanbod van wederzijdse bijstand, gecoördineerd en gefaciliteerd door het Uniemechanisme, niet altijd kan worden gegarandeerd dat voldoende capaciteit beschikbaar wordt gesteld om in toereikende mate tegemoet te komen aan de fundamentele behoeften van bevolkingsgroepen die door een ramp worden getroffen, noch dat het milieu en de eigendom in voldoende mate veilig worden gesteld. Dit is speciaal het geval wanneer lidstaten tegelijk worden getroffen door herhaaldelijke en onverwachte rampen, of deze nu door de natuur of door de mens veroorzaakt worden, en collectieve capaciteit ontoereikend is. Om dergelijke tekortkomingen te verhelpen en nieuwe gevaren het hoofd te kunnen bieden, dienen alle Unie-instrumenten op geheel flexibele wijze te worden ingezet, onder meer door een actieve participatie van de civiele samenleving te bevorderen. Niettemin moeten de lidstaten passende preventieve maatregelen treffen om in nationale capaciteit te voorzien die volstaat om adequaat te kunnen optreden bij rampen.
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Het voorkomen van bosbranden is van wezenlijk belang in het kader van de wereldwijde inspanningen ter vermindering van de CO2-uitstoot. De verbranding van bomen en van bodems met een hoog turfgehalte bij bosbranden leidt namelijk tot de uitstoot van CO2. Zo blijkt uit studies dat branden de oorzaak vormen van 20 % van de wereldwijde CO2-uitstoot, hetgeen meer is dan de totale uitstoot van alle vervoermiddelen op aarde (voertuigen, schepen en vliegtuigen).
Amendement 5
Voorstel voor een besluit
Overweging 5
(5)  Preventie is van groot belang voor de bescherming tegen rampen en vraagt om verdere actie. Tot dit doel moeten de lidstaten op regelmatige basis risico-evaluaties met elkaar delen, alsook samenvattingen van hun rampenrisicobeheersplanning, met het oog op een geïntegreerde aanpak van rampenbeheersing waarbij preventie-, paraatheids- en responsacties aan elkaar zijn gekoppeld. Daarnaast moet de Commissie in staat worden gesteld om van de lidstaten te eisen hun specifieke preventie- en paraatheidsplannen in verband met specifieke rampen mede te delen, met name om de algemene steunverlening van de Unie voor rampenrisicobeheer te maximaliseren. De administratieve rompslomp moet worden teruggebracht en het preventiebeleid moet worden versterkt, met inbegrip van de noodzakelijke koppelingen met andere essentiële beleidsacties en instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen die zijn genoemd in overweging 2 van Verordening (EU) nr. 1303/201313.
(5)  Preventie is van groot belang voor de bescherming tegen rampen en vraagt om verdere actie. Tot dit doel moeten de lidstaten op regelmatige basis risico-evaluaties met betrekking tot hun nationale veiligheids- en beveiligingsrisico's met elkaar delen, alsook samenvattingen van hun rampenrisicobeheersplanning, met het oog op een geïntegreerde aanpak van de beheersing van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, waarbij preventie-, paraatheids- en responsacties aan elkaar zijn gekoppeld. Daarnaast moet de Commissie in staat worden gesteld om van de lidstaten te eisen hun specifieke preventie- en paraatheidsplannen in verband met specifieke rampen, waaronder door de mens veroorzaakte rampen, mede te delen, met name om de algemene steunverlening van de Unie, in het bijzonder van het Europees Milieuagentschap (EEA), voor rampenrisicobeheer te maximaliseren. Het is absoluut noodzakelijk om de administratieve rompslomp terug te brengen en het preventiebeleid te versterken, onder meer door een sterkere koppeling en samenwerking met andere essentiële beleidsacties en instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen die zijn genoemd in overweging 2 van Verordening (EU) nr. 1303/201313.
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Risico's vormen een negatieve prikkel voor de ontwikkeling van regio's. Preventie en risicobeheersing vereisen een bijstelling van beleidsmaatregelen en institutionele kaders en een versterking van de lokale, nationale en regionale capaciteit voor de uitwerking en tenuitvoerlegging van risicobeheersingsmaatregelen waarbij coördinatie tussen tal van actoren nodig is. Het is van essentieel belang om risicokaarten voor regio's en/of lidstaten op te stellen en de responscapaciteit en preventieve maatregelen te versterken, waarbij bijzondere nadruk moet worden gelegd op klimaatrisico's. Van essentieel belang is ook dat risicokaarten rekening houden met risico's die van de huidige onbestendigheid van het klimaat uitgaan, alsook met prognoses met betrekking tot de ontwikkeling van de klimaatverandering.
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   Bij de ontwikkeling van hun risicobeoordeling en risicobeheersplanning dienen de lidstaten rekening te houden met de specifieke risico's voor in het wild levende dieren en het dierenwelzijn. De Commissie dient de verspreiding van informatie over door rampen getroffen dieren in heel Europa te stimuleren. De opleidingsprogramma's en cursussen op dit gebied moeten verder worden ontwikkeld.
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 quater (nieuw)
(5 quater)   Veel lidstaten kenden in 2017 een bijzonder lang en hevig bosbrandseizoen, waarbij alleen al in één lidstaat meer dan honderd doden te betreuren waren. Het gebrek aan beschikbare capaciteit, zoals beschreven in het verslag inzake de tekorten van de responscapaciteit1 bis, en het onvermogen van de Europese responscapaciteit in noodsituaties (EERC, of de vrijwillige pool) om tijdig te reageren op alle 17 verzoeken voor bijstand bij bosbranden, hebben aangetoond dat het vrijwillige karakter van de bijdrage van de lidstaten ontoereikend is in het geval van noodsituaties met een grote impact die meerdere lidstaten tegelijk treffen.
_________________
1 bis Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de vorderingen en resterende tekorten van de Europese responscapaciteit in noodsituaties, 17.2.2017.
Amendement 9
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 quinquies (nieuw)
(5 quinquies)   Buurlanden die over dezelfde deskundigheid en structuren beschikken en doorgaans te maken hebben met dezelfde rampen en risico's, zijn de meest aangewezen partners voor een verdieping van de samenwerking.
Amendement 68
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 sexies (nieuw)
(5 sexies)  De veiligheid van de watervoorraden is van essentieel belang voor de klimaatbestendigheid. De lidstaten moeten de bestaande watervoorraden in kaart brengen om de aanpassing aan de klimaatverandering te vergemakkelijken en de veerkracht van de bevolking te vergroten als het erom gaat het hoofd te bieden aan klimaatbedreigingen zoals droogte, branden of overstromingen. Het in kaart brengen van de watervoorraden moet bijdragen aan de ontwikkeling van maatregelen om de kwetsbaarheid van de bevolking te verminderen.
Amendement 10
Voorstel voor een besluit
Overweging 6
(6)  Er bestaat een noodzaak om het collectieve vermogen tot rampenparaatheid en rampenrespons te versterken met name door wederzijdse steunverlening in Europa. Naast een versterking van de mogelijkheden die reeds worden geboden door de Europese responscapaciteit voor noodsituaties (EERC, of de vrijwillige pool), vanaf heden de "Europese pool voor civiele bescherming" genoemd, moet de Commissie ook rescEU opzetten. De samenstelling van rescEU moet noodresponscapaciteit omvatten inzake bosbranden, grootschalige overstromingen en aardbevingen, alsook een veldhospitaal en medische teams volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie die snel kunnen worden ontplooid.
(6)  Er bestaat een noodzaak om het collectieve vermogen tot rampenparaatheid en rampenrespons te versterken met name door wederzijdse steunverlening in Europa. Naast een versterking van de mogelijkheden die reeds worden geboden door de Europese responscapaciteit voor noodsituaties (EERC, of de vrijwillige pool), vanaf heden de "Europese pool voor civiele bescherming" genoemd, moet de Commissie ook rescEU opzetten. De samenstelling van rescEU moet noodresponscapaciteit omvatten inzake bosbranden, grootschalige overstromingen en aardbevingen, terroristische aanslagen en chemische, biologische, radiologische en nucleaire aanslagen, alsook een veldhospitaal en medische teams volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie die snel kunnen worden ontplooid. In dit verband moet worden benadrukt hoe belangrijk het is om de specifieke capaciteit van de lokale en regionale autoriteiten te versterken en hierbij te betrekken, aangezien zij als eerste bij rampen optreden. Deze autoriteiten moeten samenwerkingsmodellen ontwikkelen waarbinnen gemeenschappen beste praktijken kunnen uitwisselen, waardoor hun de mogelijkheid wordt geboden zelf bij te dragen aan de ontwikkeling van hun weerbaarheid tegen natuurrampen.
Amendement 11
Voorstel voor een besluit
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   De regionale en lokale autoriteiten spelen een belangrijke rol bij rampenpreventie en -beheersing en hun responscapaciteit moet op passende wijze worden geïntegreerd in de in het kader van dit besluit uitgevoerde coördinatie- en inzetactiviteiten, in overeenstemming met het institutioneel en juridisch kader van de lidstaten, teneinde overlappingen zoveel mogelijk te voorkomen en interoperabiliteit te bevorderen. Deze autoriteiten kunnen een belangrijke preventieve rol vervullen en moeten tevens als eersten reageren in de nasleep van een ramp, tezamen met hun vrijwilligerscapaciteit. Er is dan ook behoefte aan doorlopende samenwerking op lokaal, regionaal en grensoverschrijdend niveau met het doel gemeenschappelijke waarschuwingssystemen in te voeren voor snelle interventie vóór de rescEU wordt gemobiliseerd, evenals regelmatige voorlichtingscampagnes over maatregelen voor een eerste respons.
Amendement 12
Voorstel voor een besluit
Overweging 7
(7)  De Unie moet in staat zijn om de lidstaten bij te staan indien de beschikbare capaciteit niet volstaat voor een doeltreffende respons op rampen, door bij te dragen aan de financiering van leasing- of verhuringsregelingen, met het oog op een snelle toegang tot dergelijke capaciteit, of door de financiering van de aankoop ervan. Hierdoor zou de doeltreffendheid van het Uniemechanisme aanzienlijk worden vergroot, door de beschikbaarheid te garanderen van capaciteit in gevallen waar een effectieve rampenrespons in andere situaties niet zou kunnen worden verzekerd, met name bij rampen die een wijdverbreide impact hebben of een aanzienlijk aantal lidstaten treffen. Het verstrekken van deze capaciteit door de Unie moet schaalvoordelen opleveren en leiden tot een betere coördinatie bij rampenrespons.
(7)  De Unie moet in staat zijn om de lidstaten bij te staan indien de beschikbare materiële en technische capaciteit niet volstaat voor een doeltreffende respons op rampen, ook in het geval van grensoverschrijdende gebeurtenissen, door bij te dragen aan de financiering van leasing- of verhuringsregelingen, met het oog op een snelle toegang tot dergelijke capaciteit, of door de financiering van de aankoop ervan. Hierdoor zou de doeltreffendheid en inzetbaarheid van het Uniemechanisme aanzienlijk worden vergroot, door de beschikbaarheid te garanderen van materiële en technische capaciteit, waaronder capaciteit voor het redden van ouderen of personen met een handicap, in gevallen waar een effectieve rampenrespons anders niet gewaarborgd zou zijn, met name bij rampen die een wijdverbreide impact hebben of een aanzienlijk aantal lidstaten treffen, zoals grensoverschrijdende epidemieën. Het verstrekken van specifieke passende uitrusting en van capaciteit door de Unie moet schaalvoordelen opleveren en leiden tot een betere coördinatie bij rampenrespons. Er moet voor een optimaal en transparant gebruik van de financiële middelen worden gezorgd.
Amendement 13
Voorstel voor een besluit
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Veel lidstaten worden geconfronteerd met een gebrek aan materiële en technische uitrusting wanneer zich onverwachte rampen voordoen. Het Uniemechanisme moet het daarom mogelijk maken dat de hoeveelheid materiële en technische uitrusting indien nodig wordt uitgebreid, met name om personen met een handicap, ouderen of zieken te redden.
Amendement 14
Voorstel voor een besluit
Overweging 9
(9)  Met het oog op grotere efficiëntie en doelmatigheid van opleiding en oefeningen en op grotere samenwerking tussen de nationale civiele-beschermingsautoriteiten en -diensten van de lidstaten is het noodzakelijk een kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming op te zetten dat is gebaseerd op bestaande structuren.
(9)  Opleiding, onderzoek en innovatie zijn essentiële aspecten van de samenwerking op het gebied van civiele bescherming. De efficiëntie en doelmatigheid van opleiding en oefeningen, de bevordering van innovatie en dialoog alsmede samenwerking tussen de nationale civiele-beschermingsautoriteiten en -diensten van de lidstaten moeten op basis van bestaande structuren worden versterkt, met participatie van en uitwisseling van informatie met kenniscentra, universiteiten, onderzoekers en andere expertise die in de lidstaten aanwezig is.
Amendement 15
Voorstel voor een besluit
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Aangezien de versterking van de civiele bescherming in het licht van de evolutie van rampen, zowel aan het weer gerelateerde rampen als rampen die verband houden met interne veiligheid, een van de belangrijkste prioriteiten in de hele Europese Unie is, is het van essentieel belang om de instrumenten van de Unie een sterkere territoriale en vanuit de gemeenschap geleide dimensie te geven, omdat actie vanuit de lokale gemeenschap de snelste en meest effectieve manier is om door rampen veroorzaakte schade te beperken.
Amendement 16
Voorstel voor een besluit
Overweging 10
(10)  Om het functioneren van de rescEU-capaciteit te verzekeren moeten extra financiële toewijzingen beschikbaar worden gesteld voor financiële acties in het kader van het Uniemechanisme.
(10)  Om het functioneren van de rescEU-capaciteit te verzekeren moeten extra financiële toewijzingen beschikbaar worden gesteld voor financiële acties in het kader van het Uniemechanisme, maar niet ten koste van de financiële middelen die zijn toegewezen aan andere belangrijke beleidsterreinen van de Unie.
Amendement 17
Voorstel voor een besluit
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Voor het herziene Uniemechanisme moeten afzonderlijke financiering en begrotingstoewijzingen worden gegarandeerd. Aangezien negatieve gevolgen voor de financiering van bestaande meerjarenprogramma's moeten worden voorkomen, dient de verhoging van de financiering voor de gerichte herziening van het Uniemechanisme in de jaren 2018, 2019 en 2020 uitsluitend afkomstig te zijn van alle middelen die beschikbaar zijn op grond van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/20131 bis van de Raad, waarbij met name een beroep moet worden gedaan op het flexibiliteitsinstrument.
___________________
1 bis Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
Amendement 18
Voorstel voor een besluit
Overweging 11
(11)  Er bestaat behoefte aan een vereenvoudiging van de procedures van het Uniemechanisme om de toegang van de lidstaten te verzekeren tot de steun en de capaciteit die nodig zijn om zo spoedig mogelijk te antwoorden op natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen.
(11)  Er bestaat behoefte aan vereenvoudiging en stroomlijning alsmede meer flexibiliteit van de procedures van het Uniemechanisme om ervoor te zorgen dat lidstaten snel toegang hebben tot de steun en de capaciteit die nodig zijn om zo spoedig en efficiënt mogelijk te reageren op natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen.
Amendement 19
Voorstel voor een besluit
Overweging 12
(12)  Met het oog op een zo groot mogelijk gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten en steun voor de lidstaten bij de hulpverlening, meer bepaald bij rampen buiten de Unie, dient te worden voorzien in een afwijking van artikel 129, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad14, in gevallen waarin financiering wordt toegstaan uit hoofde van de artikelen 21, 22, en 23 van Besluit nr. 1313/2013/EU.
(12)  Met het oog op een zo groot mogelijk gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten en steun voor de lidstaten bij de hulpverlening, waaronder bij rampen buiten de Unie, dient te worden voorzien in een afwijking van artikel 129, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad14, in gevallen waarin financiering wordt toegestaan uit hoofde van de artikelen 21, 22, en 23 van Besluit nr. 1313/2013/EU. Ondanks deze afwijking moet, in welke toekomstige financiële architectuur van de Unie dan ook, de financiering van activiteiten voor civiele bescherming en in het bijzonder humanitaire hulp, duidelijk gescheiden blijven en volledig in lijn zijn met de verschillende doelstellingen en wettelijke vereisten van de architectuur in kwestie.
__________________
__________________
14 Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
14 Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
Amendement 20
Voorstel voor een besluit
Overweging 13
(13)  Het is van belang te garanderen dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen treffen om door de natuur of de mens veroorzaakte rampen doeltreffend te voorkomen en hun gevolgen te verminderen. De bepalingen moeten het verband versterken tussen acties voor preventie, paraatheid en respons in het kader van het Uniemechanisme. Er moet ook worden gezorgd voor samenhang met andere relevante wetgeving van de Unie inzake de preventie en het beheer van rampenrisico's, met inbegrip van grensoverschrijdende preventie-activiteiten en respons op bedreigingen zoals ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de volksgezondheid15. Evenzo moet de samenhang worden verzekerd met internationale verbintenissen zoals het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, de overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling.
(13)  Het is van belang te garanderen dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen treffen om door de natuur of de mens veroorzaakte rampen doeltreffend te voorkomen en hun gevolgen te verminderen. De bepalingen moeten het verband versterken tussen acties voor preventie, paraatheid en respons in het kader van het Uniemechanisme. Er moet ook worden gezorgd voor samenhang met andere relevante wetgeving van de Unie inzake de preventie en het beheer van rampenrisico's, met inbegrip van grensoverschrijdende preventie-activiteiten en respons op bedreigingen zoals ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de volksgezondheid15. De programma's voor territoriale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid voorzien in specifieke acties inzake weerbaarheid tegen rampen, risicopreventie en risicobeheersing, evenals verdere inspanningen voor sterkere integratie en verhoogde synergieën. Verder moeten alle acties samenhangen met en actief bijdragen aan het nakomen van internationale verbintenissen zoals het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, de overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling.
__________________
__________________
15 Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).
15 Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).
Amendement 21
Voorstel voor een besluit
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Het is van essentieel belang dat de tot dusver bij het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem ("Common Emergency Communication and Information System" – CECIS) aangemelde modules worden gehandhaafd opdat op verzoeken om bijstand kan worden gereageerd en deelname aan het opleidingsstelsel in de thans gebruikelijke vorm mogelijk blijft.
Amendement 22
Voorstel voor een besluit
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)   Het is eveneens van belang om het Uniemechanisme, dat zich beperkt tot de periode vlak na een ramp, te koppelen met andere EU-instrumenten die gericht zijn op het herstel van schade, zoals het Solidariteitsfonds.
Amendement 23
Voorstel voor een besluit
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)   Het is van essentieel belang dat het Solidariteitsfonds wordt aangepast door de verplichting in te voeren om milieuschade te herstellen en het bbp per inwoner van de regio of de lidstaat in plaats van het mondiale bbp als indicator te gebruiken voor de goedkeuring ervan, teneinde te voorkomen dat grote dichtbevolkte regio's met een laag welvaartspeil niet in aanmerking komen voor middelen uit het fonds. Het is van groot belang om de door een ramp aan het milieu berokkende schade op economische wijze te waarderen, met name als het om gebieden met een hoge natuurwaarde gaat, zoals beschermde gebieden of gebieden die deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk, teneinde die getroffen gebieden te herstellen.
Amendement 24
Voorstel voor een besluit
Overweging 13 quinquies (nieuw)
(13 quinquies)   De Unie moet tevens aandacht besteden aan technische bijstand en opleiding, zodat de zelfredzaamheid van gemeenschappen kan worden verbeterd en zij beter voorbereid zijn om snel te reageren en de gevolgen van een ramp binnen de perken te houden. Specifieke opleidingen en training voor personen die taken uitoefenen op het gebied van de openbare veiligheid, zoals gemeenschapsleiders, personeel in de sociale en medische sector, de reddingsdiensten en de brandweer alsmede lokale vrijwilligersgroepen die snel beschikbaar interventiemateriaal paraat hebben, kunnen helpen de gevolgen van een ramp binnen de perken te houden en het aantal dodelijke slachtoffers zowel tijdens als in de nasleep van een crisis te beperken.
Amendement 25
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 3 – lid 1 – punt e
e)  het vergroten van de beschikbaarheid en het gebruik van wetenschappelijke kennis over rampen.
e)  het vergroten van de beschikbaarheid en het gebruik van wetenschappelijke kennis over rampen, ook in de ultraperifere regio's en de landen en gebieden overzee (LGO);
Amendement 26
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a bis (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 3 – lid 1 – punt e bis (nieuw)
a bis)  in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
"e bis) het beperken van de mogelijke onmiddellijke gevolgen van rampen voor mensenlevens en het cultureel en natuurlijk erfgoed;"
Amendement 27
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a ter (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 3 – alinea 1 – punt e ter (nieuw)
a ter)  in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
"e ter) het intensiveren van de samenwerkings- en coördinatieactiviteiten op grensoverschrijdend niveau."
Amendement 28
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 5 – lid 1 – punt a
a)  verbeteren van de kennisbasis betreffende rampenrisico's en vergemakkelijken van de uitwisseling van kennis, de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, informatie en beste praktijken, met name onder lidstaten die met dezelfde risico's worden geconfronteerd.
a)  verbeteren van de kennisbasis betreffende rampenrisico's en verder vergemakkelijken en bevorderen van samenwerking en de uitwisseling van kennis, de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en innovatie, beste praktijken en informatie, met name onder lidstaten die met dezelfde risico's worden geconfronteerd;
Amendement 29
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 5 – lid 1 – punt a bis (nieuw)
3 bis)  In artikel 5, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
"a bis) harmoniseren van informatie en richtsnoeren inzake waarschuwingssystemen, ook op grensoverschrijdend niveau;"
Amendement 30
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 5 – lid 1 – punt f
3 ter)   In artikel 5, lid 1, wordt punt f) vervangen door het volgende:
f)  bundelen en verspreiden van door de lidstaten verstrekte informatie; organiseren van de uitwisseling van ervaring in verband met de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen; samen met de lidstaten en uiterlijk 22 december 2014 opstellen van richtsnoeren betreffende de inhoud, de methode en de structuur van deze beoordelingen; en faciliteren van de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van preventie en paraatheidsplanning, onder meer door middel van vrijwillige collegiale toetsingen;
"f) bundelen en verspreiden van door de lidstaten verstrekte informatie; organiseren van de uitwisseling van ervaring in verband met de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen; samen met de lidstaten en uiterlijk per 22 december 2019 opstellen van nieuwe richtsnoeren betreffende de inhoud, de methode en de structuur van deze beoordelingen; en faciliteren van de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van preventie en paraatheidsplanning, onder meer door middel van vrijwillige collegiale toetsingen;"
Amendement 31
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter a
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 6 – alinea 1 – punt a
a)  uiterlijk op 22 december 2018 en vervolgens om de drie jaar opstellen van risicobeoordelingen op nationaal of passend subnationaal niveau en deze aan de Commissie ter beschikking stellen;
a)  uiterlijk op 22 december 2018 en vervolgens om de drie jaar opstellen van risicobeoordelingen op nationaal of passend subnationaal niveau, in overleg met relevante lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering, en deze aan de Commissie ter beschikking stellen, op basis van een met de Commissie overeengekomen model, met gebruikmaking van de bestaande nationale informatiesystemen;
Amendement 32
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter a bis (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 6 – alinea 1 – letter d
a bis)  het bepaalde onder d) wordt vervangen door:
d)  op vrijwillige basis deelnemen aan collegiale toetsingen van de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen.
"d) op vrijwillige basis deelnemen aan collegiale toetsingen betreffende het risicobeheersingsvermogen met het oog op de vaststelling van maatregelen om bestaande lacunes te dichten."
Amendement 33
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter b
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 6 – alinea 2
Een samenvatting van de relevante elementen van de risicobeheersingsplanning dient uiterlijk op 31 januari 2019, en vervolgens om de drie jaar, bij de Commissie te worden ingediend, met inbegrip van informatie over de uitgekozen preventie- en paraatheidsmaatregelen. Daarnaast kan de Commissie van de lidstaten vragen specifieke preventie- en paraatheidsplannen mede te delen die zowel de inspanningen op de korte als op de lange termijn moeten bestrijken. De Unie onderzoekt terdege de vooruitgang die door de lidstaten wordt geboekt inzake rampenpreventie en rampenparaatheid als onderdeel van elke toekomstige toepasselijke ex-antevoorwaarde in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen.
Een samenvatting van de relevante elementen van de risicobeheersingsplanning dient uiterlijk op 31 januari 2019, en vervolgens om de drie jaar, bij de Commissie te worden ingediend, met inbegrip van informatie over de uitgekozen preventie- en paraatheidsmaatregelen en overeenkomstig een door middel van een uitvoeringshandeling vastgesteld model. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Daarnaast kan de Commissie van de lidstaten vragen specifieke preventie- en paraatheidsplannen mede te delen die zowel de inspanningen op de korte als op de lange termijn moeten bestrijken. Deze inspanningen kunnen maatregelen van de lidstaten omvatten om investeringen op basis van risicobeoordelingen te bevorderen en om een betere wederopbouw na rampen te waarborgen. Er moet voor worden gezorgd dat de bijkomende lasten voor de nationale of subnationale overheidsdiensten tot een minimum worden beperkt.
Amendement 34
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter b
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 6 – alinea 3
De Commissie kan tevens een specifiek overlegmechanisme opzetten om passende preventie- en paraatheidsplanning en -coördinatie tussen de lidstaten die vaak door rampen worden getroffen, te bevorderen.
De Commissie kan tevens, in samenwerking met de lidstaten, een specifiek overlegmechanisme opzetten om passende preventie- en paraatheidsplanning en -coördinatie tussen de lidstaten die vaak door rampen worden getroffen, te bevorderen. De Commissie en de lidstaten bevorderen bovendien, waar mogelijk, de samenhang tussen rampenrisicobeheer en strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering.
Amendement 36
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 8 – alinea 1 – letter k
4 bis)  In artikel 8, lid 1, wordt letter k) vervangen door:
k)  in nauw overleg met de lidstaten uitvoeren van extra ondersteunende en aanvullende paraatheidacties teneinde de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling te verwezenlijken.
"k) in nauw overleg met de lidstaten uitvoeren van extra ondersteunende en aanvullende paraatheidacties, onder meer door coördinatie met andere instrumenten van de Unie, teneinde de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling te verwezenlijken."
Amendement 37
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 9 – lid 1 bis (nieuw)
(4 ter)   In artikel 9 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis. De lidstaten versterken de relevante administratieve capaciteit van de bevoegde regionale en lokale overheden, in overeenstemming met hun institutioneel en juridisch kader."
Amendement 38
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 10 – lid 1
1.  De Commissie en de lidstaten werken samen aan het verbeteren van de planning van responsoperaties bij rampen in het kader van het Uniemechanisme, onder meer door het opstellen van scenario’s voor respons op rampen gebaseerd op de risicobeoordelingen als bedoeld in artikel 6, onder a), en het overzicht van risico's als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), het in kaart brengen van de beschikbare middelen en het opstellen van plannen voor de inzet van de responscapaciteit.
1.  De Commissie en de lidstaten werken samen aan het verbeteren van de planning van responsoperaties bij natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen in het kader van het Uniemechanisme, onder meer door het opstellen van scenario’s voor respons op rampen gebaseerd op de risicobeoordelingen als bedoeld in artikel 6, onder a), en het overzicht van risico's als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), het in kaart brengen van de beschikbare middelen, waaronder grondverzetmachines, wagens met elektrische generatoraggregaten en mobiel brandmaterieel, en het opstellen van plannen voor de inzet van de responscapaciteit.
Amendement 39
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 11 – lid 1
1.  Er wordt een Europese pool voor civiele bescherming opgericht. Deze bestaat uit een pool van vooraf toegezegde responscapaciteit van de lidstaten en omvat modules, andere responscapaciteit en deskundigen.
1.  Er wordt een Europese pool voor civiele bescherming opgericht. Deze bestaat uit een vrijwillige pool van vooraf toegezegde responscapaciteit van de lidstaten en omvat modules, andere responscapaciteit en deskundigen.
Amendement 40
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 11 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Aangezien de lidstaten met het oog op de beperking van veiligheids- en beveiligingsrisico's in de eerste plaats voor nationale preventie moeten zorgen, vormt de Europese pool voor civiele bescherming een aanvulling op bestaande nationale capaciteit.
Amendement 41
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 11 – lid 2
2.  Op basis van geïdentificeerde risico's bepaalt de Commissie het soort en de hoeveelheid cruciale responscapaciteit die nodig is voor de Europese pool voor civiele bescherming (hierna "capaciteitsdoelen" genoemd). De Commissie houdt de vooruitgang bij het realiseren van de capaciteitsdoelen en de resterende tekortkomingen in het oog en spoort de lidstaten aan deze aan te pakken. De Commissie kan conform artikel 20, artikel 21, lid 1, onder i), en artikel 21, lid 2, de lidstaten ondersteunen bij deze activiteiten.
2.  Op basis van ter plekke geïdentificeerde behoeften en risico's bepaalt de Commissie in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het soort en de hoeveelheid cruciale responscapaciteit die nodig is voor de Europese pool voor civiele bescherming (hierna "capaciteitsdoelen" genoemd). De Commissie houdt de vooruitgang bij het realiseren van de capaciteitsdoelen en de resterende tekortkomingen in het oog en spoort de lidstaten aan deze aan te pakken. De Commissie kan conform artikel 20, artikel 21, lid 1, onder i), en artikel 21, lid 2, de lidstaten ondersteunen bij deze activiteiten.
Amendement 42
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter c
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 11 – lid 7
7.  De responscapaciteit die de lidstaten beschikbaar stellen voor de Europese pool voor civiele bescherming wordt beschikbaar gesteld voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme naar aanleiding van een verzoek om bijstand via het ERCC, tenzij de lidstaten worden geconfronteerd met een uitzonderlijke situatie waardoor de taken in eigen land aanzienlijk in het gedrang zouden komen.
7.  De responscapaciteit die de lidstaten beschikbaar stellen voor de Europese pool voor civiele bescherming wordt beschikbaar gesteld voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme naar aanleiding van een verzoek om bijstand via het ERCC, tenzij er sprake is van een binnenlandse noodsituatie of overmacht, of wanneer de lidstaten worden geconfronteerd met een uitzonderlijke situatie waardoor de taken in eigen land aanzienlijk in het gedrang zouden komen. De definitieve beslissing over de inzet ervan wordt genomen door de lidstaat die de betrokken responscapaciteit heeft geregistreerd.
Amendement 43
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter c
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 11 – lid 8 – alinea 1
Wanneer dergelijke responscapaciteit wordt ingezet, blijft zij onder de leiding en controle van de betrokken lidstaten staan en kan zij, wanneer een lidstaat met een uitzonderlijke situatie wordt geconfronteerd waardoor de taken in eigen land aanzienlijk in het gedrang komen en deze responscapaciteit niet beschikbaar kan worden gehouden, worden teruggetrokken. In dergelijke gevallen wordt overleg gepleegd met de Commissie.
Wanneer dergelijke responscapaciteit wordt ingezet, blijft zij onder de leiding en controle van de betrokken lidstaten staan en kan zij, indien die lidstaten met een binnenlandse noodsituatie of overmacht worden geconfronteerd of indien zij op grond van een uitzonderlijke situatie niet in staat zijn deze responscapaciteit beschikbaar te houden, worden teruggetrokken. In dergelijke gevallen wordt overleg gepleegd met de Commissie.
Amendement 44
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 1
1.  rescEU wordt opgericht om hulp te verlenen waar de bestaande capaciteit geen doeltreffende respons op rampen mogelijk maakt.
1.  rescEU wordt opgericht om hulp te verlenen in buitengewone omstandigheden waar op nationaal niveau geen capaciteit beschikbaar is of de bestaande capaciteit geen doeltreffende respons op rampen mogelijk maakt. De rescEU-capaciteit wordt niet gebruikt ter vervanging van de eigen capaciteit van de lidstaten en hun desbetreffende verantwoordelijkheden.
Amendement 45
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 2
2.  rescEU is uit de volgende capaciteit samengesteld:
2.  rescEU is samengesteld uit capaciteit die een aanvulling vormt op de bestaande capaciteit in de lidstaten, met de bedoeling om die aan te vullen en te versterken, en is bedoeld om huidige en toekomstige risico's het hoofd te kunnen bieden. De capaciteit wordt vastgesteld op basis van eventuele tekorten aan responscapaciteit op het gebied van volksgezondheid, industriële, ecologische, seismische en vulkanische rampen, overstromingen en branden, waaronder bosbranden, en terroristische aanvallen en chemische, biologische, radiologische en nucleaire dreigingen.
Op basis van de vastgestelde tekorten omvat rescEU ten minste capaciteit op de volgende gebieden:
a)  bestrijding van bosbranden uit de lucht;
a)  bestrijding van bosbranden uit de lucht;
b)  pompen met hoog debiet;
b)  pompen met hoog debiet;
c)  stedelijke zoek- en reddingsoperaties;
c)  stedelijke zoek- en reddingsoperaties;
d)  veldhospitalen en medische noodteams.
d)  veldhospitalen en medische noodteams.
Amendement 46
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De aard van die capaciteit blijft flexibel en kan evolueren om het hoofd te kunnen bieden aan toekomstige evoluties en uitdagingen, zoals de gevolgen van klimaatverandering.
Amendement 47
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 4
4.  Op basis van vastgestelde risico's en uitgaande van een multirisico-aanpak is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 30, ten einde de vereiste typen responscapaciteit vast te stellen bovenop de responscapaciteit die bedoeld is in lid 2 van dit artikel, en om de samenstelling van rescEU dienovereenkomstig aan te passen. De samenhang met andere beleidsonderdelen van de Unie wordt gewaarborgd.
4.  Op basis van vastgestelde risico's en capaciteit, alsmede de in artikel 6 bedoelde risicobeheersingsplanning, en uitgaande van een multirisico-aanpak is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 30, ten einde de vereiste typen responscapaciteit vast te stellen bovenop de responscapaciteit die bedoeld is in lid 2 van dit artikel, en om de samenstelling van rescEU dienovereenkomstig aan te passen. De samenhang met andere beleidsonderdelen van de Unie wordt gewaarborgd.
Indien dit wegens een ramp of een dreigende ramp om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 31 neergelegde procedure van toepassing op op grond van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Indien dit wegens een ramp of een dreigende ramp om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 31 neergelegde procedure van toepassing op op grond van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Amendement 48
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 5
5.  De Commissie stelt kwaliteitseisen vast voor de responscapaciteit die deel uitmaakt van rescEU. De kwaliteitseisen zijn gebaseerd op erkende internationale standaarden voor zover dergelijke standaarden reeds bestaan.
5.  De Commissie stelt in samenwerking met de lidstaten kwaliteitseisen vast voor de responscapaciteit die deel uitmaakt van rescEU. De kwaliteitseisen zijn gebaseerd op erkende internationale standaarden voor zover dergelijke standaarden reeds bestaan.
Amendement 49
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 7
7.  De rescEU-capaciteit is beschikbaar voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme naar aanleiding van een verzoek om bijstand via het ERCC. Het besluit tot de inzet ervan wordt door de Commissie genomen, die de bevelvoering en controle over de rescEU-capaciteit onder haar bevoegdheid houdt.
7.  De rescEU-capaciteit is beschikbaar voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme naar aanleiding van een verzoek om bijstand via het ERCC. Het besluit tot de inzet ervan wordt door de Commissie genomen, die de strategische coördinatie over de rescEU-capaciteit onder haar bevoegdheid houdt en de autoriteit is ten aanzien van de inzet ervan, terwijl de operationele bevelvoering in handen blijft van de verantwoordelijke autoriteiten in de ontvangende lidstaten.
Amendement 50
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 8
8.  In het geval van inzet van de rescEU-capaciteit komt de Commissie met de verzoekende lidstaat de operationele ontplooiing overeen. De verzoekende lidstaat faciliteert de operationele coördinatie van zijn eigen capaciteit met de rescEU-activiteiten tijdens de operaties.
8.  Wanneer de rescEU-capaciteit wordt ingezet komt de Commissie via het ERCC met de verzoekende lidstaat de operationele ontplooiing overeen. De verzoekende lidstaat faciliteert de operationele coördinatie van zijn eigen capaciteit met de rescEU-activiteiten tijdens de operaties.
Amendement 51
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 – lid 10
10.  Indien de Commissie uitrusting ter beschikking stelt zoals voor de bestrijding van bosbranden uit de lucht, door middel van aanschaf, leasing of verhuring, worden de volgende punten gewaarborgd:
10.  Indien de Commissie uitrusting ter beschikking stelt zoals voor de bestrijding van bosbranden uit de lucht, door middel van aanschaf, leasing of verhuring, worden de volgende punten gewaarborgd:
a)  In geval van aanschaf van de uitrusting, voorziet een akkoord tussen de Commissie en de lidstaat in de registratie van de uitrusting in die lidstaat.
a)  In geval van aanschaf van de uitrusting, voorziet een akkoord tussen de Commissie en de lidstaat in de registratie van de uitrusting in die lidstaat.
b)  In geval van leasing of verhuring volstaat de registratie van de uitrusting in een lidstaat.
b)  In geval van leasing of verhuring is de registratie van de uitrusting in een lidstaat niet verplicht.
b bis)  Het commerciële beheer van de luchtvaartuigen wordt toegewezen aan door het EASA gecertificeerde exploitanten.
Amendement 52
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 bis – alinea 1
De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad om de twee jaar over de vooruitgang met betrekking tot operaties en de vooruitgang die in verband met de artikelen 11 en 12 wordt geboekt.
De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad jaarlijks over de vooruitgang met betrekking tot operaties en de vooruitgang die in verband met de artikelen 11 en 12 wordt geboekt.
Amendement 53
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 12 bis – alinea 1 bis (nieuw)
Deze informatie omvat een overzicht van de budgettaire en kostenontwikkelingen, met een gedetailleerde technische en financiële beoordeling, nauwkeurige informatie over de kostenstijgingen en wijzigingen in de vereiste typen responscapaciteit en de eventuele kwaliteitseisen van deze capaciteiten, en de redenen voor deze verhogingen of wijzigingen.
Amendement 54
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 13 – lid 1 – alinea 1
De Commissie zet een netwerk op van relevante actoren en instellingen inzake civiele bescherming en rampenbeheersing, die tezamen met de Commissie een kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming vormen.
De Commissie zet een netwerk op van relevante actoren en instellingen inzake civiele bescherming en rampenbeheersing, met inbegrip van kenniscentra, universiteiten en onderzoekers, die tezamen met de Commissie een kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming vormen. De Commissie houdt daarbij rekening met de expertise die in de lidstaten beschikbaar is en de expertise van de organisaties die op dit gebied actief zijn.
Amendement 55
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 13 – lid 1 – tweede alinea – inleidende zin
Het netwerk voert op het gebied van opleiding, oefeningen, geleerde lessen en kennisverspreiding de volgende taken uit, in nauwe coördinatie met de relevante kenniscentra, waar passend:
Het netwerk voert op het gebied van opleiding, oefeningen, geleerde lessen en kennisverspreiding de volgende taken uit, daarbij strevend naar een genderevenwichtige samenstelling, in nauwe coördinatie met de relevante kenniscentra, waar passend;
Amendement 56
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 13 – lid 1 – alinea 2 – punt a
9 bis)  Artikel 13, lid 1, punt a), wordt vervangen door:
a)  het opzetten en beheren van een opleidingsprogramma voor het personeel voor civiele bescherming en crisisbeheersing inzake preventie van, paraatheid bij en respons op rampen. Het programma omvat onder meer gezamenlijke cursussen en een systeem voor de uitwisseling van deskundigen waarbij individuele personen naar een andere lidstaat kunnen worden gedetacheerd.
"a) het opzetten en beheren van een opleidingsprogramma voor het personeel voor civiele bescherming en crisisbeheersing inzake preventie van, paraatheid bij en respons op rampen. Het programma omvat onder meer gezamenlijke cursussen en een systeem voor de uitwisseling van deskundigen waarbij individuele personen naar een andere lidstaat kunnen worden gedetacheerd. Er wordt een nieuw Erasmusprogramma voor civiele bescherming opgezet in overeenstemming met de regels en beginselen van Verordening (EU) nr. 1288/2013*;
Het opleidingsprogramma heeft ten doel de coördinatie, compatibiliteit en complementariteit van de in de artikelen 9 en 11 bedoelde capaciteiten alsmede de bekwaamheid van de in artikel 8, onder d) en f), bedoelde deskundigen te verbeteren.
Het Erasmusprogramma voor civiele bescherming heeft eveneens ten doel de coördinatie, compatibiliteit en complementariteit van de in de artikelen 9, 11 en 12 bedoelde capaciteiten alsmede de bekwaamheid van de in artikel 8, onder d) en f), bedoelde deskundigen te verbeteren.
Het Erasmusprogramma voor civiele bescherming omvat een internationale dimensie ter ondersteuning van het externe optreden van de Unie, met inbegrip van de betrokken ontwikkelingsdoelstellingen, dankzij de samenwerking tussen lidstaten en tussen partnerlanden.
_______________
* Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).
Amendement 57
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 ter (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 13 – lid 1 – alinea 2 – punt f
9 ter)   Artikel 13, lid 1, punt f), wordt vervangen door:
f)  het stimuleren en aanmoedigen van de invoering en toepassing van relevante nieuwe technologieën ten behoeve van het Uniemechanisme.
"f) het stimuleren van onderzoek en innovatie en het aanmoedigen van de invoering en toepassing van relevante nieuwe technologieën ten behoeve van het Uniemechanisme."
Amendement 58
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 quater (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
9 quater)  Aan artikel 13 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. De Commissie breidt de opleidingscapaciteiten uit en bevordert de uitwisseling van kennis en ervaring tussen het kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming en internationale organisaties en derde landen, teneinde bij te dragen aan de nakoming van internationale verbintenissen met betrekking tot rampenrisicovermindering, met name binnen de context van het kader van Sendai."
Amendement 59
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 16 – lid 2
11 bis)  Artikel 16, lid 2, wordt vervangen door:
2.   Interventies als bedoeld in dit artikel kunnen hetzij als autonome bijstandsinterventie, hetzij als bijdrage tot een door een internationale organisatie geleide interventie worden uitgevoerd. De coördinatie door de Unie wordt volledig geïntegreerd in de algemene coördinatie door het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de Verenigde Naties (OCHA), waarbij de leidende rol van deze organisatie in acht wordt genomen.
‘2. Interventies als bedoeld in dit artikel kunnen hetzij als autonome bijstandsinterventie, hetzij als bijdrage tot een door een internationale organisatie geleide interventie worden uitgevoerd. De coördinatie door de Unie wordt volledig geïntegreerd in de algemene coördinatie door het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de Verenigde Naties (OCHA), waarbij de leidende rol van deze organisatie in acht wordt genomen. In het geval van door de mens veroorzaakte rampen of complexe noodsituaties definieert de Commissie, in overleg met humanitaire actoren, duidelijk de reikwijdte van de interventie en de relatie ervan met de bij de bredere humanitaire respons betrokken partijen, teneinde de samenhang met de Europese consensus over humanitaire hulp te waarborgen, evenals de eerbiediging van humanitaire beginselen."
Amendement 60
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 19 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De noodzakelijke kredieten voor het Uniemechanisme worden geleidelijk door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurd in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, rekening houdend met alle middelen die beschikbaar zijn op grond van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad*, waarbij met name gebruik wordt gemaakt van het flexibiliteitsinstrument, zoals vermeld in bijlage I.
____________________
* Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
Amendement 61
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 20 bis – alinea 1
Elke steun of financiering die wordt verstrekt uit hoofde van dit besluit, dient de nodige zichtbaarheid te geven aan de Unie, met inbegrip van het logo van de Unie voor de capaciteit die wordt genoemd onder de artikelen 11, 12 en 21, lid 2, onder c).
Elke steun of financiering die wordt verstrekt uit hoofde van dit besluit, dient de nodige zichtbaarheid te geven aan de Unie, met inbegrip van het logo van de Unie voor de capaciteit die wordt genoemd onder de artikelen 11, 12 en 21, lid 2, onder c). Er wordt een communicatiestrategie ontwikkeld om de concrete resultaten van de acties in het kader van het Uniemechanisme onder de aandacht van de burgers te brengen.
Amendement 62
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 15 – letter b
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 23 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De financiële steun van de Unie voor het vervoer van capaciteit van de lidstaten die niet vooraf is bestemd voor de Europese pool voor civiele bescherming, bedraagt niet meer dan 55 % van de totale subsidiabele kosten. Om in aanmerking te komen voor dergelijke financiële steun, stellen de lidstaten een lijst op met de gehele capaciteit waarover zij beschikken, naast de capaciteit die vooraf is vastgelegd voor de Europese pool, evenals de betreffende beheersstructuren, om te kunnen reageren op industriële, seismische en vulkanische rampen, overstromingen, bosbranden, evenals terroristische aanvallen en chemische, biologische, radiologische en nucleaire aanslagen.
Amendement 63
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 26 – lid 2
2.  Er wordt gestreefd naar synergie en complementariteit met andere instrumenten van de Unie, zoals instrumenten op het gebied van cohesiebeleid, plattelandsontwikkeling, onderzoek, gezondheids-, migratie- en veiligheidsbeleid. Bij optreden in humanitaire crises in derde landen zorgt de Commissie voor complementariteit en samenhang van acties die uit hoofde van dit besluit worden gefinancierd en acties die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1257/96 worden gefinancierd.
2.  Er dient synergie, complementariteit en meer coördinatie te worden ontwikkeld met andere instrumenten van de Unie, zoals instrumenten op het gebied van cohesiebeleid – met inbegrip van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie –, plattelandsontwikkeling, onderzoek, gezondheids-, migratie- en veiligheidsbeleid, zonder het nodig is de middelen van die gebieden te herschikken. Bij optreden in humanitaire crises in derde landen zorgt de Commissie voor complementariteit en samenhang van acties die uit hoofde van dit besluit worden gefinancierd en acties die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1257/96 worden gefinancierd, waarbij de onderscheiden en onafhankelijke aard van die acties en de financiering ervan in acht worden genomen en voor overeenstemming met de Europese consensus over humanitaire hulp wordt gezorgd.
Amendement 64
Voorstel voor een besluit
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18
Besluit nr. 1313/2013/EU
Artikel 32 – lid 1 – punt g
g)  het opzetten, beheren en in stand houden van rescEU, als bedoeld in artikel 12, met inbegrip van criteria voor besluiten tot inzet en operationele procedures;
g)  het opzetten, beheren en in stand houden van rescEU, als bedoeld in artikel 12, met inbegrip van criteria voor besluiten tot inzet, operationele procedures en de voorwaarden voor de inzet van de rescEU-capaciteit op nationaal niveau door een lidstaat en de hiermee verband houdende financiële en andere regelingen;
Amendement 65
Voorstel voor een besluit
Bijlage I (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BIJLAGE I

INDICATIEVE EXTRA FINANCIËLE TOEWIJZINGEN VOOR DE PERIODE 2018-2020

 

 

2018

2019

2020

TOTAAL

Totale extra kredieten in rubriek 3*

Vastleggingskredieten

19,157

115,2

122,497

256,854

 

Betalingskredieten

11

56,56

115,395

182,955

Totale extra kredieten in rubriek 4*

Vastleggingskredieten

2

2

2,284

6,284

 

Betalingskredieten

0,8

1,8

2,014

4,614

Totale extra kredieten in de rubrieken 3 en 4 samen*

Vastleggingskredieten

21,157

117,2

124,781

263,138

 

Betalingskredieten

11,8

58,36

117,409

187,569

(cijfers in miljoen EUR)

* De volledige bedragen moeten via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar worden gesteld.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0180/2018).


Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020
PDF 131kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de vervoerspijler van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020 (2018/2718(RSP))
P8_TA(2018)0237RC-B8-0242/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1) en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(4),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën (COM(2017)0358),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(5),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604), de mededeling van de Commissie (COM(2016)0603) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0299),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2016)0606),

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016 en door de Raad op 5 oktober 2016,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020(6),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016 over de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK)(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2018 getiteld "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt – Het meerjarig financieel kader 2021-2027" (COM(2018)0321),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 28 maart 2018 over het actieplan voor militaire mobiliteit (JOIN(2018)0005),

–  gezien het verslag van de Commissie van 14 februari 2018 over de tussentijdse evaluatie van de Connecting Europe Facility (CEF) (COM(2018)0066),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de ontwikkeling en het herstel van vervoersinfrastructuur in de EU nog steeds behoorlijk versnipperd is en een grote uitdaging vormt wat capaciteit en financiering betreft maar van essentieel belang is om zowel duurzame groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen als sociale en territoriale cohesie in de Unie te waarborgen, waardoor onevenwichtigheden tussen de regio's worden aangepakt;

B.  overwegende dat de Connecting Europe Facility (CEF) een gemeenschappelijk, centraal beheerd financieringsprogramma betreft ter bevordering van de ontwikkeling van efficiënte, duurzame en onderling verbonden trans-Europese netwerken (TEN) op het gebied van vervoer, energie en digitale-diensteninfrastructuur;

C.  overwegende dat de spoedige voltooiing van het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-V) aanzienlijk zal bijdragen tot de verwezenlijking door de EU van haar emissiereductiedoelstellingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs, tot het koolstofarm maken van de Europese economie en tot de verwezenlijking van de "20-20-20"-doelstellingen van de EU op het gebied van energie- en klimaatbeleid; overwegende dat het kernnetwerk uiterlijk in 2030 voltooid moet zijn en het uitgebreide netwerk uiterlijk in 2050;

D.  overwegende dat een op de tien Europeanen werkzaam is in de vervoerssector in ruime zin en investeringen in vervoersinfrastructuur zullen leiden tot de totstandkoming van nieuwe banen; naar schatting levert elke miljard euro dat geïnvesteerd wordt in het TEN-V-kernnetwerk 20 000 nieuwe banen op;

E.  overwegende dat de CEF gericht is op het vergemakkelijken van grensoverschrijdende verbindingen, multimodale en stedelijke knooppunten, het verhelpen van tekortkomingen van de markt en het wegwerken van knelpunten; overwegende dat de CEF gezorgd heeft voor de verwezenlijking van projecten die anders niet gerealiseerd zouden zijn, en daarmee de EU een duidelijke meerwaarde verleent door transnationale samenwerking en coördinatie te bevorderen;

F.  overwegende dat het grootste deel van de CEF-begroting in de periode 2014-2020 betrekking heeft op de vervoerssector; overwegende dat het aandeel van het vervoer was onderverdeeld in een algemeen bedrag voor alle lidstaten en middelen voor cohesiebeleid die rechtstreeks uit het Cohesiefonds werden overgedragen aan lidstaten die voor steun uit dat fonds in aanmerking kwamen;

G.  overwegende dat de CEF een van de meest geslaagde EU-programma's is gezien het feit dat de oproepen tot het indienen van voorstellen tot een overvloed aan voorstellen geleid hebben; overwegende dat CEF-Vervoer eind 2017 reeds subsidies ten belope van 21,3 miljard EUR aan TEN-V-projecten had toegekend, waarmee een totaalbedrag van 41,6 miljard EUR aan investeringen werd gegenereerd; overwegende dat in de loop van 2018 aanvullende subsidie-overeenkomsten zullen worden getekend voor een "blendingoproep" voor een combinatie van CEF-subsidies en particuliere investeringen, waaronder van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); overwegende dat de oorspronkelijke begroting van 1 miljard EUR voor deze oproep in november 2017 met 350 miljoen EUR is verhoogd voor steun voor de prioriteit "innovatie en nieuwe technologieën", overeenkomstig de doelstellingen van het actieplan voor alternatieve brandstoffen;

H.  overwegende dat de invoering van het beginsel "gebruiken of verliezen" aanzienlijk heeft bijgedragen tot het welslagen van de CEF; overwegende dat terugvordering van de begrotingsmiddelen van niet-uitgevoerde projecten echter moet worden versneld;

I.  overwegende dat de CEF tot doel heeft de investeringen in trans-Europese vervoersinfrastructuren en -innovatie te versnellen en als hefboom te fungeren voor financiering vanuit zowel de publieke als de particuliere sector, waarbij tegelijkertijd de rechtszekerheid wordt vergroot en het beginsel van technologische neutraliteit in acht wordt genomen;

J.  overwegende dat de Commissie naar verwachting in juni 2018 haar wetgevingsvoorstellen inzake Europese strategische investeringen, met inbegrip van een geactualiseerde Connecting Europe Facility (CEF), zal presenteren;

1.  beklemtoont dat investeringen in vervoersinfrastructuur neerkomen op investeringen in langdurige duurzame groei, cohesie, concurrentievermogen en werkgelegenheid; benadrukt derhalve het strategisch belang van het CEF-programma voor de integratie van de interne markt, slimme mobiliteit en de mogelijkheden voor de EU om door middel van dit programma concrete toegevoegde waarde voor de burgers te bieden;

2.  benadrukt dat de CEF een doeltreffend en doelgericht instrument voor investeringen in trans-Europese infrastructuur (TEN) op het gebied van vervoer, energie en de digitale diensten was, is en moet blijven, en bijdraagt tot de prioriteiten van de EU inzake werkgelegenheid, groei en investeringen, de interne markt, de energie-unie, het klimaat en de digitale interne markt;

3.  wijst er met nadruk op dat het CEF-programma 2014-2020 erin is geslaagd veel Europese meerwaarde te creëren door connectiviteitsprojecten te ondersteunen met een grensoverschrijdende, interoperabele en multimodale dimensie en projecten die de connectiviteit in alle vervoersmodi verhogen, ook op zee, in binnenhavens en binnenwateren, waarbij prioriteit is gegeven aan projecten die ontbrekende schakels en knelpunten wegwerken, met het oog op de verwezenlijking van een interne, voor iedereen toegankelijke Europese vervoersruimte en een innovatieve vervoerssector; verzoekt de Commissie de grensoverschrijdende toegevoegde waarde van knooppunten zoals zeehavens te verhogen, en projecten te ondersteunen die de verbindingen met derde landen die partners zijn verbeteren;

4.  is zich ervan bewust dat de voordelen en het potentieel van EU-investeringen in het TEN-V-netwerk slechts volledig kunnen worden benut na de voltooiing van het kernnetwerk en de uitgebreide netwerken; verzoekt de Commissie ermee rekening te houden dat de voltooiing van deze netwerken niet mogelijk is zonder aanzienlijke investeringen, waarvan een deel afhankelijk zal zijn van doorlopende EU-steun, omdat ze anders dreigen stil te vallen; onderstreept dat nog altijd druk moet worden uitgeoefend om ervoor te zorgen dat deze netwerken respectievelijk uiterlijk 2030 en 2050 worden voltooid en dat hierbij de normen van de 21ste eeuw worden nageleefd;

5.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het CEF-programma in het MFK-voorstel 2021-2027, wat beleidsdoelstellingen en financiële middelen betreft, met nog grotere ambitie vervolg zal geven aan het huidige programma; benadrukt dat investeringen in digitale, innovatieve en duurzame vervoersprojecten moeten worden versneld om een groener, echt geïntegreerd, modern, voor iedereen toegankelijk, veiliger en efficiënter vervoerssysteem te bewerkstelligen;

6.  onderkent dat de tussenkomst van de CEF beslissend was voor de start van de meeste projecten, vooral voor connectiviteitsprojecten op grensoverschrijdend, nationaal, regionaal of lokaal niveau; wijst erop dat de CEF bewezen heeft een belangrijke katalysator te zijn voor publieke en particuliere investeringen; is echter van mening dat meer maatregelen nodig zijn om het potentieel van de CEF volledig te kunnen benutten;

7.  verzoekt de Commissie na te denken over andere manieren om de CEF te bevorderen als een beleidsgestuurd instrument met specifieke sectorale doelstellingen, voor het ten uitvoer leggen van complexe projecten met een grensoverschrijdende of pan-Europese interoperabiliteitsdimensie;

8.  is van mening dat in het volgende MFK, uitgaande van een grondige evaluatie van de periode 2014-2020 en de gevolgen van de ingewikkelde relatie tussen de CEF en andere financiële programma's en instrumenten, zoals Horizon 2020, de ESI-fondsen en het EFSI, en met name het waargenomen substitutie-effect tussen de CEF en het EFSI, de Commissie de complementariteit tussen de CEF en andere programma's, zoals Horizon Europa en het InvestEU-fonds, verder moet versterken en waarborgen, teneinde de duidelijke doelstellingen van het programma te handhaven en te bevorderen, overlappingen te vermijden en begrotingsbronnen te optimaliseren;

9.  beklemtoont dat elke besparing op de volgende CEF ten gunste van andere programma’s, zoals het geval was in de CEF 2014-2020 ten behoeve van het EFSI en het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie, uit den boze is; dringt er bij de Commissie op aan de integriteit van de financiële capaciteit van de CEF te handhaven, omdat het leeuwendeel van de CEF-financiering betrekking heeft op projecten die ruimere voordelen op regionaal en EU-niveau opleveren, maar waarvoor onvoldoende nationale financiering beschikbaar is of marktgebaseerde financiering ontbreekt;

10.  erkent het bemoedigende succes van de eerste resultaten van de blendingoproep tot het indienen van voorstellen die is gedaan binnen het huidige CEF-programma; spoort de Commissie derhalve aan dergelijke oproepen in de toekomst te herhalen en gebruik te blijven maken van een sterker CEF in de vorm van subsidies die worden gecombineerd met financiële instrumenten van de EU en van derden, indien mogelijk; verzoekt de Commissie eveneens mogelijkheden te onderzoeken om de deelname van particuliere mede-investeerders effectiever aan te moedigen, en de lidstaten om wetgevende en administratieve obstakels voor een dergelijk proces weg te nemen;

11.  verzoekt de Commissie op projectniveau tussen de drie sectoren meer synergieën te bevorderen, die thans beperkt zijn als gevolg van de starheid van het begrotingskader wat de subsidiabiliteit van de projecten en de kosten betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten de infrastructuur aan te passen aan de groeiende behoefte aan schone en slimme mobiliteit; verwacht dat de toekomstige richtsnoeren voor het sectorale beleid en de CEF-instrumenten worden versoepeld om synergieën te bewerkstelligen en meer rekening te kunnen houden met nieuwe technologische ontwikkelingen en prioriteiten, zoals de digitalisering, en tegelijkertijd de totstandbrenging van een emissiearme economie dichterbij te brengen en gemeenschappelijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals cyberveiligheid;

12.  benadrukt het belang van rechtstreeks beheer voor gemeenschappelijke procedures in de drie sectoren, een snelle toewijzing van middelen en een zeer goede begrotingsuitvoering; beklemtoont dat het rechtstreekse beheer van CEF-subsidies zeer doeltreffend gebleken is, met een sterke projectpijplijn en een concurrerend selectieproces, nadruk op EU-beleidsdoelstellingen, een gecoördineerde implementatie en volledige betrokkenheid van de lidstaten; erkent de cruciale bijdrage die het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) heeft geleverd aan het welslagen van de CEF door het optimaliseren van het budget, met name dankzij de flexibiliteit waarmee het onbesteed geld van bepaalde acties snel naar de financiering van andere acties kan sluizen; dringt er op aan het INEA te versterken, teneinde te waarborgen dat de EU-middelen goed worden besteed;

13.  steunt de toepassing van het beginsel "gebruiken of verliezen" in het rechtstreekse beheer van de CEF; dringt tegelijkertijd aan op de handhaving van de mogelijkheid de vastleggingen in geval van projecten die niet presteren zoals verwacht, te hergebruiken, teneinde de efficiëntie van de CEF te vergroten;

14.  onderkent de complexiteit van het indienen van een projectaanvraag, in het bijzonder voor grote vervoersinfrastructuren, en het belang van de technische bijstand, bijvoorbeeld via programma-ondersteunende acties van de CEF, met name aan cohesielidstaten, om de subsidiabiliteit van tot wasdom gekomen en hoogwaardige projecten te bevorderen; verzoekt de Commissie dit soort ondersteuning te blijven bieden en evaluatiecriteria te overwegen die kunnen zorgen voor een duidelijker vaststelling van de meerwaarde van projecten; vraagt de Commissie voorts verdere stappen te ondernemen om de administratieve voorschriften niet alleen voor geringe subsidies aanzienlijk te vereenvoudigen en de technische bijstand voor aanvragers van kleinere projecten aan te passen;

15.  is ingenomen met de overdracht binnen het programma 2014-2020 van 11,3 miljard EUR van het Cohesiefonds naar de cohesiemiddelen van de vervoerspijler van de CEF en wijst op het enorme succes van de cohesie-oproepen;

16.  neemt nota van het voorstel van de Commissie om een bedrag van 42 265 miljoen EUR toe te wijzen aan de CEF voor de periode 2021-2027, waaronder 7 675 miljoen EUR voor energieprojecten en 2 662 miljoen EUR (beide in constante prijzen) voor telecommunicatie- en digitale projecten; is echter teleurgesteld dat in constante prijzen de toewijzing aan de CEF voor vervoer 11 384 miljoen EUR bedraagt en de bijdrage van het Cohesiefonds 10 000 miljoen EUR, wat een besparing van respectievelijk 12 % en 13 % betekent; stelt vast en acht het niet aanvaardbaar dat de vervoerspijler als enige minder middelen toegewezen heeft gekregen; onderstreept dat de uitdagingen waar de vervoerssector in de interne markt voor staat en het succes van de CEF in schril contrast staan met de voor vervoer beschikbare middelen en verzoekt de Commissie het voorgestelde bedrag te heroverwegen;

17.  is van mening dat teneinde ervoor te zorgen dat het CEF-programma zijn grote geloofwaardigheid en aantrekkelijkheid voor investeerders behoudt, de financiële capaciteit ervan in de volgende MFK-periode moet worden vergroot; benadrukt dat een ontoereikend budget voor vervoer de voltooiing van het TEN-V-netwerk in gevaar zal brengen en dat daardoor de reeds gedane investeringen uit overheidsmiddelen in feite in waarde dalen;

18.  onderstreept voorts dat de cohesiemiddelen een sterke regionale dimensie hebben waarmee wordt ingespeeld op de lokale vraag en cruciaal zijn voor de voltooiing van de delen van het kernnetwerk in de cohesielidstaten en derhalve voor de territoriale cohesie van de EU; merkt op dat investeringen in EU-vervoersinfrastructuur die worden gerealiseerd met de bijdrage uit het Cohesiefonds een evenwichtige constructie moeten blijven van centraal beheerde en gedeelde beheersmiddelen; beklemtoont dat het bedrag dat onder rechtstreeks beheer van het CEF-kader uit het Cohesiefonds in het volgende MFK voor de periode 2021-2027 wordt toegewezen, minstens op hetzelfde niveau als in het voorgaande MFK voor de periode 2014-2020 moet worden gehandhaafd en dat dit bedrag toereikend moet zijn om de uit het Cohesiefonds op grond van de huidige CEF gefinancierde projecten tijdens het volgende MFK voor de periode 2021-2027 te voltooien;

19.  wijst erop dat voor de voltooiing van het kernvervoersnetwerk in de EU en de volledige uitvoering van de beleidsprioriteiten, inspraak in de besluitvorming van de betrokken burgers en belanghebbenden, transparantie bij de beoordeling en controle van de uitvoering van de projecten op milieu- en financieel gebied, een betere intermodale integratie en de bevordering van comodale oplossingen, vereist blijven;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te blijven inzetten voor de belangrijkste beleidsdoelstellingen van de CEF in de vervoerssector: voltooiing - tegen 2030 - van het TEN-V-kernnetwerk, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (Sesar), snelwegen op zee (MoS) en het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), en de transitie naar schone, concurrerende, innovatieve en geconnecteerde mobiliteit, met inbegrip van een Europese hoofdstructuur van laadpunten voor alternatieve brandstoffen tegen 2050; vooruitgang in de richting van de voltooiing van het uitgebreide TEN-V-netwerk tegen 2050;

21.  benadrukt dat er meer nadruk moet worden gelegd op slimme horizontale projecten; verzoekt de Commissie derhalve na te denken over de vaststelling van specifieke, gerichte en transnationale initiatieven om de correcte uitvoering van de horizontale prioriteiten zoals ERTMS te versnellen en te waarborgen door particuliere investeringen te genereren, onder andere door subsidies en financieringsinstrumenten bij elkaar te brengen;

22.  herinnert ten aanzien van de vervoerssector dat de nadruk moet worden gelegd op multimodale en grensoverschrijdende verbindingen, digitale oplossingen, een modal shift en duurzamer vervoer; is van oordeel dat de geactualiseerde CEF ook prioriteit moet toekennen aan directere verbindingen tussen kern- en uitgebreide netwerken; meent dat deze doelstellingen tot uiting moeten komen in de lijsten met vooraf geselecteerde projecten die in de volgende CEF-verordening worden opgenomen;

23.  erkent dat de vervoersector ten volle gebruik moet maken van de mogelijkheden die worden geboden door de digitale en innovatieve technologieën en onderkent dat nieuwe innovatieve vervoersinfrastructuur altijd aantrekkelijker is voor investeringen, met name uit de particuliere sector; wijst er echter op dat de bestaande infrastructuur nog steeds de ruggengraat van het Europese netwerk vormt en benadrukt dat er met spoed meer moet worden geïnvesteerd in het onderhoud van bestaande infrastructuur; verzoekt de Commissie dan ook erop toe te zien dat het aantrekkelijk is de renovatie of modernisering van bestaande infrastructuur vooral innovatief aan te pakken;

24.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de ultraperifere gebieden, overeenkomstig artikel 349 van het VWEU, door het kernnetwerk van havens uit te breiden om de verbindingen binnen de betreffende geografische zones, tussen deze gebieden, met het vasteland en met derde landen, te verbeteren; is van mening dat de ultraperifere gebieden aanspraak moeten kunnen maken op maximum 85% aan medefinanciering voor alle vervoerswijzen om hun toegang tot oproepen te verbeteren en reguliere maritieme verbindingen tussen deze gebieden en het vasteland tot stand te brengen; verzoekt de Commissie te overwegen een specifieke oproep voor de ultraperifere gebieden te organiseren en verder te overwegen middelen toe te kennen aan innovatieve technologie voor regionale vliegvelden in de ultraperifere gebieden om de veiligheid en het onderhoud van luchthaveninfrastructuur te waarborgen;

25.  is verheugd over de in de gezamenlijke mededeling over het actieplan voor militaire mobiliteit opgenomen doelstellingen voor zowel de verbetering van infrastructuur als de totstandbrenging van synergieën; verzoekt de Commissie gebruik te maken van de CEF voor de ontwikkeling van infrastructuur voor duaal civiel en militair gebruik;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 64.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0412.
(7) PB C 17 van 18.1.2017, blz. 20.


De situatie in Nicaragua
PDF 140kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de situatie in Nicaragua (2018/2711(RSP))
P8_TA(2018)0238RC-B8-0244/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Nicaragua, met name die van 18 december 2008(1), 26 november 2009(2) en 16 februari 2017(3),

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Midden-Amerika van 2012,

–  gezien het landenstrategiedocument en het indicatief meerjarenprogramma van de EU voor 2014-2020 voor Nicaragua,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenactivisten van juni 2004,

–  gezien de grondwet van Nicaragua,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 19 november 2016 over de definitieve verkiezingsuitslag in Nicaragua,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de VV/HV van 22 april 2018 en 15 mei 2018 over Nicaragua,

–  gezien het persbericht over de mensenrechtensituatie in Nicaragua van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) van 27 april 2018,

–  gezien het bezoek van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens (IACHR) van 17 t/m 21 mei 2018 om de situatie in Nicaragua te onderzoeken en haar voorlopige verklaring van 21 mei 2018,

–  gezien de verklaring over geweld tijdens de protesten in Nicaragua van de woordvoerder van het VN-Bureau voor de mensenrechten, Liz Throssell, van 20 april 2018,

–  gezien het persbericht over het onderzoeksbezoek aan Nicaragua van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) van 14 mei 2018,

–  gezien het verslag van het secretariaat-generaal van de OAS over Nicaragua van 20 januari 2017 en zijn verklaring van 22 april 2018 waarin het geweld in Nicaragua wordt veroordeeld,

–  gezien de verschillende persberichten van de bisschoppenconferentie van Nicaragua, in het bijzonder het laatst gepubliceerde bericht van 23 mei 2018,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat naar verluidt ten minste 84 personen zijn gedood, meer dan 860 personen gewond zijn geraakt en 400 personen zijn gearresteerd ten gevolge van de door studenten geleide vreedzame protesten die zijn begonnen op 18 april 2018 als verzet tegen de hervormingen van het socialezekerheidsstelsel zoals aangekondigd door president Daniel Ortega; overwegende dat de meeste slachtoffers schotwonden aan het hoofd, de nek, de borst of de buik vertoonden, wat sterk wijst op standrechtelijke executies; overwegende dat de Nicaraguaanse autoriteiten de betogers in het openbaar "vandalen" hebben genoemd en hen van "politieke manipulatie" hebben beschuldigd;

B.  overwegende dat de heer Ortega op 23 april 2018 aangekondigd heeft de hervorming van de sociale zekerheid stop te zetten, maar dat de protesten daarop veranderden in een algemene aanhoudende onrust en oproepen tot een interim-regering en het herstel van de democratische orde; overwegende dat de ontevredenheid en het openlijke conflict voorts worden veroorzaakt door de sterke toename van exportgerichte "extractivistische" activiteiten;

C.  overwegende dat op 20 april 2018 zeshonderd studenten in de Nieuwe kathedraal van Managua zijn aangevallen door de anti-oproerpolitie en een groep leden van het Sandinistisch Front voor Nationale Bevrijding die volledig straffeloos en met medeweten en toestemming van de politie handelde; overwegende dat de IACHR melding heeft gemaakt van aanvallen op het terrein van vier universiteiten (UCA, UPOLI, UNA en UNAN);

D.   overwegende dat het hoge aantal gewonden de meedogenloze repressie van de openbare autoriteiten aan het licht brengt, waarmee zij de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid zoals opgenomen in het internationale recht, evenals de normen waarin grenzen aan het gebruik van geweld worden gesteld, schenden; overwegende dat het hoofd van de nationale politie van Nicaragua, Aminta Granera, vanwege het buitensporige gebruik van geweld is afgetreden;

E.  overwegende dat media die over de protesten bericht gaven op willekeurige wijze door de regering zijn gesloten en journalisten die zich kritisch hadden geuit zijn geïntimideerd en vastgezet; overwegende dat de aanval van de Nicaraguaanse autoriteiten op de vrije meningsuiting en de intimidatie van oppositieleiders is veroordeeld als aanval op de burgerlijke vrijheden; overwegende dat de journalist Angel Gahona is doodgeschoten terwijl hij een live-uitzending presenteerde;

F.  overwegende dat mensenrechtenorganisaties een groot aantal klachten hebben ontvangen over het gebrek aan hulp en behandeling voor gewonde demonstranten in openbare ziekenhuizen;

G.  overwegende dat de voorzitter van de Nationale Vergadering, Gustavo Porras, op 27 april 2018 aankondigde dat er een waarheidscommissie zou worden ingesteld om de gebeurtenissen rondom de protesten te onderzoeken; overwegende dat op 6 mei 2018 een raad van zeven wetgevers, van wie er vijf tot de partij van president Ortega behoren, de vijf leden van de commissie hebben geselecteerd en de Nationale Vergadering hun aanstelling heeft goedgekeurd;

H.  overwegende dat de IACHR van 17 t/m 21 mei 2018 een bezoek bracht aan Nicaragua; overwegende dat zij bewijzen heeft verzameld van illegale en willekeurige arrestaties, martelpraktijken, vormen van wrede, onmenselijke en onterende behandeling, censuur en aanvallen op de pers, en andere vormen van intimidatie zoals bedreigingen, treiterijen en vervolging, die erop waren gericht de protesten te ontbinden en deelname van burgers te verhinderen;

I.  overwegende dat de op 16 mei 2018 begonnen nationale dialoog tussen de heer Ortega en de Nicaraguaanse oppositie en maatschappelijke groeperingen met bemiddeling van de katholieke kerk geen uitweg uit de crisis heeft gebracht en is onderbroken, aangezien de onderhandelaars van de regering weigerden de door de bemiddelaars gepresenteerde agenda met 40 punten te bespreken, die een routekaart naar democratische verkiezingen omvatte, met inbegrip van hervormingen van de kieswet, vervroegde verkiezingen en een verbod op de herverkiezing van de president; overwegende dat werd voorgesteld een gezamenlijke commissie op te richten bestaande uit zes afgevaardigden: drie van de regering en drie van het platform "Alianza Cívica por la Justicia y la Democracia";

J.  overwegende dat de heer Ortega sinds 2007 drie opeenvolgende keren tot president is verkozen, ondanks het feit dat op grond van de Nicaraguaanse grondwet opeenvolgende herverkiezing verboden is, waaruit blijkt dat het land de weg van corruptie en autoritarisme is ingeslagen; overwegende dat de onregelmatigheden tijdens de verkiezingen in 2011 en 2016, tijdens welke noch de EU-instellingen of de OAS, noch andere geloofwaardige internationale waarnemers aanwezig waren, door eerstgenoemden ernstig zijn bekritiseerd;

K.  overwegende dat corruptie in de openbare sector, waarbij ook verwanten van de heer Ortega betrokken zijn, een van de grootste uitdagingen blijft; overwegende dat omkoping van ambtenaren, onwettige inbeslagname en willekeurige beoordelingen door douane- en belastingautoriteiten zeer vaak voorkomen; overwegende dat legitieme bezorgdheden over nepotisme binnen de Nicaraguaanse regering werden geuit; overwegende dat mensenrechtengroeperingen de geleidelijke concentratie van de macht als gevolg van het éénpartijstelsel en de uitholling van de overheidsinstellingen hebben veroordeeld;

L.  overwegende dat Nicaragua het afgelopen decennium een terugval van de democratie en de rechtsstaat heeft gekend; overwegende dat de ontwikkeling en consolidatie van de democratie en de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden integraal deel moeten uitmaken van het extern beleid van de EU, met inbegrip van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen van Midden-Amerika van 2012;

1.  veroordeelt de harde repressie en intimidatie in Nicaragua van vreedzame betogers tegen de hervorming van het socialezekerheidsstelsel, met vele doden, vermissingen en willekeurige arrestaties tot gevolg, waaraan de Nicaraguaanse autoriteiten, krijgsmacht, politie en gewelddadige groepen die de overheid steunen zich schuldig hebben gemaakt; herinnert alle veiligheidstroepen in Nicaragua aan hun plicht om, bovenal, de burgers te beschermen;

2.  drukt zijn medeleven uit aan de families van al diegenen die tijdens de demonstraties zijn gedood of gewond zijn geraakt;

3.  roept de Nicaraguaanse autoriteiten ertoe op een einde te maken aan de gewelddaden tegen personen die hun recht op vrijheid van meningsuiting en hun recht op vergadering uitoefenen; verzoekt ook de demonstranten en maatschappelijke organisaties die de protesten leiden af te zien van het gebruik van geweld bij de uitoefening van hun rechten; spoort de Nicaraguaanse autoriteiten ertoe aan al diegenen die op willekeurige wijze zijn vastgezet vrij te laten, alle getroffen familieleden te compenseren en garanties te bieden dat zij niet strafrechtelijk zullen worden vervolgd; dringt er bij de overheidsautoriteiten op aan om geen publieke uitlatingen te doen waarin betogers, mensenrechtenverdedigers en journalisten worden gestigmatiseerd en om staatsmedia niet te gebruiken voor overheidscampagnes die het geweld kunnen aanwakkeren;

4.  roept de Nicaraguaanse autoriteiten ertoe op onverwijld in te stemmen met een internationaal, onafhankelijk en transparant onderzoek om de verantwoordelijken voor de repressie en sterfgevallen tijdens de protesten te kunnen vervolgen; is in dit verband verheugd over het bezoek van de IACHR aan Nicaragua en drukt zijn bezorgdheid uit over de conclusies van haar voorlopige verslag; spoort de internationale gemeenschap ertoe aan een actieve rol te spelen bij het ter verantwoording roepen van de verantwoordelijken;

5.  vraagt de Nicaraguaanse regering het gezag van de commissie voor het monitoren van de uitvoering van de aanbevelingen van de IACHR te erkennen en te bevestigen en een tijdsschema voor nieuwe bezoeken van de IACHR vast te stellen; verzoekt om de instelling van een openbaar opnameregister in ziekenhuizen, zoals verzocht door de IACHR;

6.  spoort de Nicaraguaanse autoriteiten aan om alle spelers in de samenleving, waaronder oppositiepartijen, journalisten en mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van milieuactivisten en het maatschappelijk middenveld, voldoende ruimte te bieden om hun werk vrijelijk te kunnen doen, op grond van het internationale recht, om de omstandigheden te creëren waarin alle betrokkenen de situatie in het land kunnen bespreken en de mensrenrechtensituatie in het land kan worden beschermd; herinnert eraan dat de volledige participatie van de oppositie, de depolarisering van de rechterlijke macht, het einde van de straffeloosheid en de pluraliteit van de media essentiële factoren zijn voor het herstellen van de democratische orde in het land;

7.  betreurt dat de mediavrijheid in Nicaragua is geschonden, zowel voor als tijdens de protesten; acht de inbeslagneming van mediakanalen door de autoriteiten tijdens de protesten onaanvaardbaar; verzoekt de regering om de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting in het land volledig in ere te herstellen en ervoor te zorgen dat journalisten niet meer worden lastiggevallen;

8.   neemt kennis van de recente totstandbrenging van een nationale dialoog en de instelling van een waarheidscommissie, waaraan onafhankelijke actoren uit alle sectoren, evenals internationale actoren moeten deelnemen; betreurt het mislukken van de eerste ronde van de nationale dialoog vanwege de beperkingen die door de Nicaraguaans regering werden opgelegd en spreekt de hoop uit dat de recente hervatting van de dialoog een kans biedt om de crisis op te lossen en het geweld te beëindigen; benadrukt dat elke dialoog moet plaatsvinden zonder geweld of repressie en met eerbieding van de wet en grondwet en het beginsel dat de wet alleen gewijzigd kan worden in overeenstemming met de uit hoofde van de wet vastgestelde procedures;

9.  keurt de illegale maatregelen af waardoor het rechtsstelsel is geschonden en grondwetswijzingen zijn doorgevoerd waarmee de beperkingen van de ambtstermijn van de president zijn weggenomen, hetgeen het voortdurende presidentschap van de heer Ortega mogelijk heeft gemaakt en het recht op democratische verkiezingen duidelijk heeft geschonden; benadrukt de noodzaak van sterke democratische instellingen, vrijheid van vergadering en politieke verscheidenheid; roept in dit verband op tot een hervorming van het kiesstelsel die moet leiden tot eerlijke, transparante en geloofwaardige verkiezingen in overeenstemming met de internationale normen, als manier om de politieke crisis op te lossen;

10.  roept de autoriteiten ertoe op de strijd aan te gaan tegen de ongeremde corruptie in Nicaraguaanse politieke kringen, die de werking van alle openbare instellingen aantast en buitenlandse investeringen beperkt; roept op tot de tenuitvoerlegging van de anti-corruptiewetgeving van Nicaragua, waaronder de wetgeving betreffende omkoping, ambtsmisbruik en betalingen voor versoepeling van procedures; is bezorgd over de betrokkenheid van president Ortega bij andere conflicten in de regio; doet een beroep op de Nicaraguaanse autoriteiten tot ondertekening en ratificatie van het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof;

11.  wijst erop dat Nicaragua er, gezien de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen van Midden-Amerika, aan moet worden herinnerd dat het de beginselen van de rechtsstaat, democratie en mensenrechten, die zijn vastgelegd in de mensenrechtenclausule van de overeenkomst, moet eerbiedigen; dringt er bij de EU op aan de situatie op de voet te volgen en in voorkomend geval te beoordelen welke maatregelen moeten worden genomen; waarschuwt voor de ernstige gevolgen die de mensenrechtenschendingen kunnen hebben op het gebied van politiek, economie en investeringen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse staten, de Euro-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering, het Midden-Amerikaans parlement, de Groep van Lima en de regering en het parlement van de Republiek Nicaragua.

(1) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 89.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 74.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0043.


Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020
PDF 184kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk werkdocument (SWD(2015)0182) – Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: Het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020 (2017/2012(INI)
P8_TA(2018)0239A8-0167/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (ETS nr. 197) en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (CETS nr. 201),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien het rapport van het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA), getiteld "Marrying Too Young – End Child Marriage", uit 2012,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die uit de vierde Wereldvrouwenconferentie van 1995 zijn voortgekomen, en de resultaten van de toetsingsconferenties,

–  gezien het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling en de resultaten van de toetsingsconferenties,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid: nrs. 1325 (2000), 1820 (2009), 1888 (2009), 1889 (2010), 1960 (2011), 2106 (2013), 2122 (2013) en 2242 (2015),

–  gezien de actieagenda van Addis Abeba van juli 2015 betreffende de derde internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in september 2015 werd aangenomen en die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen 1, 5, 8 en 10 daarvan,

–  gezien het Spotlight-initiatief van de EU en de VN,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het genderactieplan 2010-2015 van de EU (GAP I),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) van de Raad van 7 maart 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010, getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 28 april 2015 aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, getiteld "Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019): De mensenrechten in de EU centraal blijven stellen", (JOIN(2015)0016),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 inzake gender in ontwikkeling,

–  gezien het genderactieplan 2016-2020 van de EU (GAP II), dat op 26 oktober 2015 door de Raad is goedgekeurd, en het bijbehorende jaarlijkse uitvoeringsverslag 2016, dat op 29 augustus 2017 door de Commissie en de hoge vertegenwoordiger werd gepubliceerd,

–  gezien de nota Strategische inzet voor gendergelijkheid 2016-2019 van de Europese Commissie van 3 december 2015,

–  gezien de integrale strategie van de EU voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van juni 2016,

–  gezien artikel 208 van het VWEU waarin het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling is vastgelegd, op grond waarvan bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden, rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de nieuwe Europese consensus over ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU-actieplan over gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen in het kader van ontwikkeling(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling(2),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van het genderactieplan 2016-2020 van de EU, die in oktober 2017 door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag van COC Nederland over de tenuitvoerlegging van de LGBTI-richtsnoeren van de EU(3),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het gezamenlijke verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0167/2018),

A.  overwegende dat het beginsel van gelijkheid tussen vrouwen en mannen een kernwaarde van de EU is, in de EU-Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd is en gendermainstreaming uitgevoerd moet worden bij alle activiteiten en beleidsmaatregelen van de EU en daarin geïntegreerd moet worden om in de praktijk gelijkheid en duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen; overwegende dat gelijkheid en de empowerment van vrouwen voorwaarden zijn voor het verwezenlijken van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen voor de periode na 2015 en ook een op zichzelf staande mensenrechtenkwestie vormen, die moet worden nagestreefd ongeacht de voordelen ervan voor ontwikkeling en groei;

B.  overwegende dat de vijfde duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) gendergelijkheid beoogt en de empowerment van alle vrouwen en meisjes overal ter wereld, en overwegende dat deze vijfde SDG moet worden gemainstreamd in de gehele Agenda 2030 om vooruitgang te boeken bij alle duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen en streefcijfers;

C.  overwegende dat een ontwikkelingsstrategie alleen maar doeltreffend kan zijn als vrouwen en meisjes daarin een centrale rol vervullen;

D.  overwegende dat met het oorspronkelijke genderactieplan I (2010-2015) enige vooruitgang werd geboekt, maar dat dat plan ook gekenmerkt werd door een aantal tekortkomingen: een beperkte reikwijdte, een ontbrekende genderresponsieve begroting, een slecht begrip van het kader voor gendergelijkheid door de EU-delegaties, een gebrek aan engagement onder leidinggevenden binnen de EU en het ontbreken van institutionele architectuur, stimulansen en adequate steun voor personeel;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 8 oktober 2015 heeft verzocht deze tekortkomingen te verhelpen en een aantal andere wijzigingen door te voeren, waaronder een uitbreiding van de reikwijdte van het GAP en meer verantwoordelijkheid op managementniveau op het gebied van gendergelijkheid;

F.  overwegende dat het in 2018 zeventig jaar geleden is dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd aangenomen en overwegende dat het gelijkheidsbeginsel de kern vormt van de mensenrechtenvisie in het in 1945 getekende Handvest van de Verenigde Naties, waarin wordt gesteld dat mensenrechten en fundamentele vrijheden voor ieder mens toegankelijk moeten zijn "zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst";

G.  overwegende dat uit deze aanbevelingen het nieuwe genderactieplan II (2016-2020) (GAP II) is voortgekomen, waarin de nadruk wordt gelegd op het bewerkstelligen van verschuivingen binnen de institutionele cultuur van de EU op het niveau van hoofdvestigingen en delegaties om de EU-benadering van gender systemisch te veranderen alsook om het leven van vrouwen en meisjes via vier thematische pijlers te transformeren;

H.  overwegende dat in het GAP II vier thematische pijlers werden gecreëerd: waarborging van de lichamelijke en psychische integriteit van vrouwen en meisjes; bevordering van de sociale en economische rechten en de empowerment van vrouwen; versterking van de politieke stem van vrouwen en meisjes en vergroting van hun participatie; een horizontale pijler voor het teweegbrengen van verschuivingen binnen de institutionele cultuur van de diensten van de Commissie en de EDEO om de verbintenissen van de EU doeltreffender na te komen;

I.  overwegende dat in de resolutie van het Parlement van 3 oktober 2017 over het aanpakken van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden(4) de nadruk wordt gelegd op het grote belang van de bevordering van gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen via de externe betrekkingen van de EU;

J.  overwegende dat moeilijk vast te stellen is welk budget aan maatregelen ter bevordering van de gendergelijkheid toegewezen is, aangezien gendermainstreaming nog niet geïnternaliseerd is in alle begrotingstoewijzingen en uitgavebesluiten als onderdeel van een genderbudgetteringsmethodologie; overwegende dat de financiële verbintenissen van de EU ten aanzien van gendergelijkheid volgens de Commissie zijn gestegen, maar dat de capaciteit aan personele middelen van de Commissie en de EDEO om dit stijgende werkvolume aan te kunnen, niet is toegenomen;

K.  overwegende dat de participatie van vrouwen aan economische activiteiten van cruciaal belang is voor duurzame ontwikkeling en economische groei;

L.  overwegende dat gendergelijkheid doorgaans niet is opgenomen in de monitoringsystemen en evaluatieprocessen voor programma's en projecten en overwegende dat genderanalyse nauwelijks wordt gebruikt om landelijke strategiedoelstellingen, programma's, projecten en dialoog te onderbouwen;

M.  overwegende dat het, een jaar na de goedkeuring van het GAP II, nog te vroeg is om het effect van het plan volledig te beoordelen; overwegende dat wordt aanbevolen een EU-maatregel pas te beoordelen nadat een beleidsinterventie of -uitvoering ten minste drie jaar aan de gang is; overwegende dat deze resolutie niet bedoeld is om de doelstellingen van het GAP II ter discussie te stellen, maar om te kijken naar de manier waarop deze doelstellingen in het eerste jaar ten uitvoer zijn gelegd en om aanbevelingen te doen die de toekomstige tenuitvoerlegging ten goede kunnen komen;

N.  overwegende dat de Internationale Conventie voor de rechten van het kind door 195 landen is ondertekend, juridisch bindend is en een essentieel instrument vormt waarmee de kwetsbaarheid van meisjes en hun behoefte aan speciale bescherming en zorg kan worden aangepakt;

O.  overwegende dat de hernieuwde invoering en uitbreiding van het Mexico City-beleid (de zogenaamde "global gag rule") waarbij de VS niet langer hulpgelden toekennen aan organisaties die in het buitenland actief zijn op het gebied van gezinsplanning en seksuele en reproductieve gezondheidszorg een punt van grote zorg is; overwegende dat programma's in verband met hiv/aids, de gezondheid van moeder en kind, de bestrijding van het zikavirus en andere aangelegenheden in verband met gezondheid en ziekte daardoor getroffen zullen worden, alsook organisaties die hulp en bijstand verlenen in verband met abortus, die doorverwijzen naar abortushulpverlening of die voorstander zijn van dergelijke hulpverlening – zelfs als zij dat doen met hun eigen, niet uit de VS afkomstige middelen, en zelfs als abortus legaal is in hun land;

P.  overwegende dat de EU-delegaties en -missies het voortouw nemen bij de tenuitvoerlegging van het GAP II in partnerlanden en overwegende dat het leiderschap en de kennis van de hoofden en het personeel van delegaties en missies een belangrijke rol vervullen voor het welslagen van de tenuitvoerlegging van het GAP II; overwegende dat er nog altijd een genderbarrière bestaat waardoor vrouwen geen toegang hebben tot leidinggevende en managementfuncties in EU-delegaties;

Q.  overwegende dat slechts een derde van alle EU-delegaties werken op het gebied van de mensenrechten van LGBTI-personen; overwegende dat de LGBTI-richtsnoeren van de EU niet consistent worden toegepast; overwegende dat de toepassing van deze richtsnoeren sterk afhangt van de kennis en belangstelling van individuele ambassadeurs en niet van een structurele aanpak;

R.  overwegende dat vrouwen en mannen anders door conflictsituaties, de nasleep van conflicten en fragiele situaties worden getroffen; overwegende dat vrouwen niet alleen slachtoffers zijn maar ook positieve verandering bewerkstelligen en dat zij kunnen bijdragen tot conflictpreventie en -oplossing, vredesopbouw, vredesonderhandelingen en de wederopbouw na conflicten; overwegende dat vrouwen en meisjes verschillende vormen van discriminatie kunnen ervaren en sterker aan armoede worden blootgesteld; overwegende dat wereldwijd één vrouw op drie het risico loopt vroeg of laat in contact te komen met fysiek en seksueel geweld; overwegende dat jaarlijks 14 miljoen meisjes tot een huwelijk worden gedwongen;

1.  neemt nota van de publicatie van het eerste jaarlijkse uitvoeringsverslag 2016 in augustus 2017, waarin een duidelijk momentum te zien is voor de tenuitvoerlegging van het GAP II;

2.  benadrukt dat het ernaar uitziet dat het GAP II, ondanks het feit dat het plan nog maar een jaar geleden is goedgekeurd, een algemene koers in de goede richting en een aantal positieve trends laat zien; wijst evenwel op een aantal uitdagingen in verband met de verslaglegging en de tenuitvoerlegging van topprioriteiten en gendergerelateerde SDG's, en in verband met het volgen van de vooruitgang op het vlak van alle doelstellingen en op het vlak van gendermainstreaming in de sectorale beleidsdialoog;

3.  merkt op dat het GAP II is opgesteld in de vorm van een gezamenlijk werkdocument; verzoekt de Commissie echter om haar vastberadenheid te tonen door in de toekomst een mededeling over gendergelijkheid op te stellen;

4.  is van oordeel dat door middel van geavanceerd beleidsonderzoek en het verzamelen van deugdelijk bewijs kennis vergaard moet worden over gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen om zo beleid en strategieën te ontwikkelen die de Unie kan inzetten om gendergelijkheid te verwezenlijken; verzoekt de EDEO en de Commissie derhalve om er nauwlettend op toe te zien dat er een onafhankelijke evaluatie wordt uitgevoerd van de tenuitvoerlegging van de in bijlage 1 bij het GAP II vastgelegde maatregelen;

5.  merkt op dat in het GAP II een uitgebreide agenda is opgenomen die de gehele EU-agenda voor buitenlands beleid omvat en is in dit verband ingenomen met de keuze voor drie thematische pijlers, namelijk de fysieke en psychologische integriteit van meisjes en vrouwen waarborgen, de economische en sociale rechten en de empowerment van meisjes en vrouwen bevorderen en de politieke stem en participatie van meisjes en vrouwen versterken; benadrukt dat deze pijlers bedoeld zijn om de belangrijkste factoren en oorzaken van discriminatie en marginalisering aan te pakken; neemt ook kennis van de horizontale pijler voor het teweegbrengen van verschuivingen binnen de institutionele cultuur van de diensten van de Commissie en de EDEO om de verbintenissen van de EU inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen doeltreffender na te komen via de externe betrekkingen van de EU;

6.  wijst erop dat onder meer de volgende factoren en oorzaken in de grootste mate bijdragen tot discriminatie en marginalisering: seksueel en gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes – onder meer schadelijke tradities zoals kindhuwelijken en vrouwelijke genitale verminking (VGV) –, een ontoereikende toegang tot basissectoren en sociale diensten, zoals gezondheid, onderwijs, water, sanitaire voorzieningen en voedsel, een moeilijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en een ongelijke participatie aan openbare en particuliere instellingen, aan de politieke besluitvorming en aan vredesprocessen;

7.  merkt op dat de genderkloof andere vormen van ongelijkheid doorkruist en verergert en dat een goed begrip van dat gegeven de leidraad moet vormen bij de selectie van prioriteiten en toezeggingen voor actie;

8.  vraagt om bij de tenuitvoerlegging van het GAP II meer aandacht te besteden aan meisjes en vrouwen die nog eens extra worden gediscrimineerd op grond van hun etniciteit, seksuele geaardheid, handicap, kaste of leeftijd en verzoekt de gegevens volgens die categorieën op te splitsen;

9.  is ervan overtuigd dat een grotere inclusie van vrouwen in de arbeidsmarkt, betere ondersteuning voor vrouwelijke ondernemers, het waarborgen van gelijke kansen en gelijke betaling voor mannen en vrouwen, en de bevordering van de balans tussen werk en privéleven belangrijke factoren zijn om langdurige inclusieve economische groei te verwezenlijken, ongelijkheid te bestrijden en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen aan te moedigen;

10.  is ingenomen met het sterke kader voor monitoring en verantwoordingsplicht, dat is opgesteld om de vooruitgang van het GAP II te meten en te volgen, en erkent dat het plan ambitieuzer is, wat de EU een reële kans geeft om gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen, alsmede de positie van meisjes en vrouwen op het gebied van externe betrekkingen te versterken; erkent echter dat een dieper inzicht in dit kader en een sterkere harmonisatie ervan nodig zijn om de effecten van de EU-maatregelen correct te kunnen beoordelen;

11.  erkent dat het belangrijk is het beleid en de maatregelen ter bevordering van onderwijs voor meisjes te versterken en erkent het belang van de implicaties daarvan voor de gezondheid en economische empowerment van meisjes; wijst erop dat meisjes en jonge vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn en dat er specifiek op moet worden gelet dat zij toegang hebben tot alle onderwijsniveaus; verzoekt in dit verband een reeks mogelijkheden op het vlak van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM-onderwerpen) in overweging te nemen;

12.  wijst erop dat een sterkere betrokkenheid van zowel de openbare als de particuliere sector cruciaal is voor de bevordering van vrouwenrechten en de economische empowerment van vrouwen in uiteenlopende economische sectoren; beklemtoont dat vrouwen moeten worden opgenomen en vertegenwoordigd in opkomende economische domeinen die belangrijk zijn voor duurzame ontwikkeling, waaronder ICT; benadrukt dat het bedrijfsleven een belangrijke rol te vervullen heeft bij de verbetering van de vrouwenrechten; vraagt in dit verband dat meer steun wordt verleend aan plaatselijke kmo's, en vooral aan vrouwelijke ondernemers, zodat zij kunnen profiteren van door de particuliere sector gestuurde groei;

13.  beklemtoont dat de empowerment van vrouwen op het platteland moet worden gerealiseerd door hun toegang tot land, water, onderwijs en opleiding, markten en financiële diensten te verbeteren;

14.  verzoekt de EU te ijveren voor een grotere participatie van vrouwen in vredeshandhavings- en vredesopbouwprocessen en EU-missies op het gebied van het beheer van militaire en civiele crises;

Resultaten van GAP II

15.  is ingenomen met de opname van alle externe diensten van de EU en alle lidstaten in het genderactieplan en merkt op dat er vooruitgang wordt geboekt in de vorm van verschuivingen binnen de institutionele cultuur van de EU op het niveau van de hoofdvestigingen en delegaties, hetgeen essentieel is voor het versterken van de effectiviteit van EU-initiatieven en hun impact op gendergelijkheid; is ingenomen met de door het GAP II voor alle EU-actoren vastgestelde verplichting om een jaarverslag uit te brengen over de vooruitgang die op ten minste één thematisch gebied is geboekt; herhaalt desalniettemin dat een sterker leiderschap noodzakelijk is en dat het noodzakelijk is om coherentie en coördinatie tussen EU-instellingen en -lidstaten te blijven bevorderen met behulp van reeds bestaande structuren en begrotingen;

16.  is ingenomen met het feit dat de diensten van de Commissie en de EDEO, alsmede 81 % van de delegaties van de EU en 22 lidstaten, genderverslagen hebben ingediend voor 2016; hoewel het de delegaties onder buitengewone omstandigheden is toegestaan geen verslag in te dienen, verwacht het Europees Parlement dat delegaties en lidstaten hun inspanningen opvoeren en wenst de komende jaren een stijgende lijn te zien in het aantal verslagen totdat alle verslagen worden ingediend; stelt vast dat er tussen de lidstaten aanmerkelijke verschillen blijven bestaan; herinnert eraan dat volledige naleving van de GAP-verslaglegging en -uitvoering van belang is om het GAP II-streefcijfer te behalen en tegen 2020 in 85 % van alle nieuwe initiatieven genderacties te mainstreamen;

17.  is ingenomen met de praktische stappen die worden gezet naar een cultuuromslag en de invoering van een verplichte genderanalyse voor alle toekomstige externe maatregelen, zodat de verantwoordelijkheid voor verslaglegging met betrekking tot het genderactieplan bij het hoofden van de delegaties wordt gelegd, alsook dat hooggeplaatst personeel in toenemende mate wordt betrokken bij de tenuitvoerlegging van het GAP II en er in EU-delegaties steeds meer voorvechters op gendergebied worden benoemd en gendersteunpunten opgezet worden, hoewel tot dusver slechts de helft van de delegaties over een dergelijk steunpunt beschikt; verzoekt om meer aandacht voor genderproblematiek op managementniveau en om instelling van gendersteunpunten door de delegaties die dat tot dusver nog niet hebben gedaan; beklemtoont dat alle gendersteunpunten voldoende tijd en capaciteit tot hun beschikking moeten hebben om hun taken uit te voeren;

18.  betreurt dat volgens een EDEO-verslag van november 2016 slechts een paar GVDB-missies opleidingen aanbieden over seksueel of gendergerelateerd geweld en merkt op dat er in 2015 geen melding werd gemaakt van gevallen van seksue(e)l(e) of gendergerelateerd(e) intimidatie, misbruik of geweld tijdens GVDB-missies; benadrukt dat een nultolerantiebeleid moet worden toegepast ten aanzien van gevallen van seksuele of gendergerelateerde intimidatie en van het ondersteunen van institutionele structuren die gericht zijn op het voorkomen van seksueel of gendergerelateerd geweld; verzoekt de EDEO en de lidstaten van de Unie alle inspanningen ter bestrijding van seksueel of gendergerelateerd geweld tijdens internationale vredesoperaties te ondersteunen en een doeltreffende bescherming voor klokkenluiders en slachtoffers te waarborgen;

19.  is ingenomen met het toegenomen aantal initiatieven die gericht zijn op gendergelijkheid (G1- en G2-indicatoren) en de verplichting voor delegaties om projecten die daar niet op gericht zijn te verantwoorden; onderstreept dat de toename van dergelijke initiatieven niet ten koste mag gaan van gerichte projecten op het gebied van gender (G2-indicator) en stelt daarom een afzonderlijke doelstelling voor G2-projecten voor; merkt op dat het onduidelijk is hoe gerichte (G2) en gemainstreamde maatregelen (G1) elkaar aanvullen; verlangt meer inspanningen om gendermainstreaming te verduidelijken en het aantal gerichte maatregelen te verhogen;

20.  merkt op dat slechts enkele terugkerende aspecten van gendergelijkheid worden toegepast in de programmering en de selectie van projecten; vraagt de uitvoerende actoren om het gehele bereik van gendergelijkheid toe te passen;

21.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, en alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder mensenhandel, seksuele uitbuiting, gedwongen huwelijken, eergerelateerde misdrijven, vrouwelijke genitale verminking en het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen; verzoekt de EU en alle lidstaten het Verdrag van Istanbul, het eerste wettelijk bindende internationale instrument om geweld tegen vrouwen te voorkomen en bestrijden, in al zijn onderdelen te ratificeren;

22.  betreurt dat vrouwen die met geweld werden of worden geconfronteerd niet op dezelfde manier worden bijgestaan tegen het geweld van mannen op het vlak van informatie over, toegang tot en de voorziening van vluchthuizen, ondersteuning en rechten, hulplijnen, opvangcentra voor verkrachte vrouwen, enz.; beklemtoont dat het Verdrag van Istanbul het geweld van mannen tegen vrouwen centraal moet stellen, en dat het daarnaast al het gendergerelateerd geweld moet behandelen door geweld dat zijn oorsprong vindt in een combinatie van diverse motieven, waaronder seksuele geaardheid, genderidentiteit en genderexpressie, aan te pakken; onderstreept het belang van strategische maatregelen om genderstereotypen proactief te bestrijden en patronen van patriarchaal denken, racisme, seksisme, homofobie en transfobie alsook gendernormativiteit en heteronormativiteit tegen te gaan;

23.  betreurt ten zeerste dat de huidige programmering geen rekening lijkt te houden met de genderdimensie in crisis- of moeilijke conflictsituaties en onder meer ertoe heeft geleid dat veel meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn van verkrachting in oorlogsverband geen toegang hebben tot niet-discriminatoire zorg, met name alomvattende medische zorg; verzoekt de Commissie het GAP II stelselmatig ten uitvoer moet te leggen in humanitaire contexten en te voorzien in niet-discriminatoire toegang tot medische diensten, en haar humanitaire partners er actief van op de hoogte te stellen dat haar beleid erin voorziet dat het aanbieden van een veilige abortus overeenkomstig het internationaal humanitair recht kan worden gerechtvaardigd wanneer de zwangerschap voor de vrouw of het meisje in kwestie levensbedreigend is of lijden veroorzaakt; hamert erop dat het verlenen van humanitaire hulp door de EU en haar lidstaten niet mag worden onderworpen aan door andere partnerdonoren opgelegde beperkingen met betrekking tot noodzakelijke medische behandelingen, waaronder de mogelijkheid van een veilige abortus voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn geworden van verkrachting in gewapende conflicten; is verheugd dat veel EU-delegaties zich hebben gericht op de bestrijding van geweld tegen vrouwen; onderstreept in dit verband dat de bescherming van het recht van vrouwen en meisjes op leven en waardigheid moet worden gewaarborgd door schadelijke praktijken als gendercide actief te bestrijden; onderstreept dat het gebruik van verkrachting als oorlogswapen en middel ter onderdrukking uitgebannen moet worden, en dat de EU druk moet uitoefenen op regeringen van derde landen en op alle betrokken partijen in regio's waar dergelijk gendergerelateerd geweld voorkomt, teneinde deze praktijk een halt toe te roepen, de daders voor het gerecht te brengen en nabestaanden, getroffen vrouwen en gemeenschappen te helpen bij hun genezing en herstel;

24.  onderstreept dat de universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten bijdragen tot de verwezenlijking van alle gezondheidgerelateerde duurzameontwikkelingsdoelstellingen, zoals prenatale zorg en maatregelen ter voorkoming van risicovolle geboortes en ter terugdringing van zuigelingen- en kindersterfte; wijst erop dat toegang tot gezinsplanning, gezondheidszorg voor moeders en veilige en legale hulpverlening bij abortus belangrijk zijn om het leven van vrouwen te redden; merkt op dat prioriteiten met betrekking tot gezinsplanning of reproductieve gezondheid zowel in de financiering als in de programma's worden verwaarloosd; is verontrust dat geen enkele EU-delegatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en de regio's Europa en Centraal-Azië een indicator in verband met seksuele en reproductieve gezondheid en rechten heeft gekozen, ondanks het feit dat er in die regio's grote behoeften bestaan op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; verzoekt de EU-delegaties in die regio's gebruik te maken van de tussentijdse evaluatie van de programmering om deze verontrustende cijfers opnieuw te bekijken en na te gaan of ze wellicht samenhangen met een fout in de verslaglegging dan wel of de huidige programma's moeten worden aangevuld met gerichte acties op het gebied van SRGR; onderstreept dat het speciale hoofdstuk over SRGR in het jaarverslag behouden moet blijven om de hervormende effecten van het GAP II degelijk te beoordelen en ervoor te zorgen dat vooruitgang op SRGR-gebied op passende wijze wordt geregistreerd door de methodologische aanpak van het verslag;

25.  merkt op dat uit het verslag blijkt dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) sterker moeten worden gesteund als voorwaarde om te kunnen komen tot gendergelijkheid en empowerment van vrouwen, en dat er passende instrumenten nodig zijn om de vooruitgang met betrekking tot het waarborgen van universele toegang tot SRGR te meten, zoals overeengekomen in overeenstemming met de verbintenis van de EU tot uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (ICPD), het actieprogramma van Peking en de resultaten van de toetsingsconferenties ervan volgens duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 5.6; wijst in dit verband ook op de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen 3.7 en 5.3;

26.  betreurt het dat in een context waarin de ruimte voor maatschappelijke organisaties krimpt, weinig aandacht gaat naar doelstelling 18 betreffende vrouwenrechtenorganisaties en voorvechters van de mensenrechten voor vrouwen; is bezorgd dat bij de tenuitvoerlegging van het GAP II weinig nadruk is gelegd op de thematische prioriteit inzake politieke en burgerrechten, en met name de participatie van vrouwen en meisjes aan politieke en burgerrechten;

Belangrijke aanbevelingen voor de Commissie/de EDEO

27.  verzoekt de Commissie en de EDEO verdere stappen te ondernemen om de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van verbetering van gendergelijkheid en gendermainstreaming tussen delegaties en afdelingen te bevorderen, zoals het opzetten en promoten van een netwerk van gendersteunpunten en het delen van meer succesvoorbeelden uit de praktijk, waaronder, maar niet uitsluitend, de opstelling, de uitvoering van programma's en systemische genderanalyse, en ervoor te zorgen dat de genderanalyses daadwerkelijk gevolgen hebben voor de programma's die door de EU-delegaties worden uitgevoerd;

28.  wijst erop dat er reeds aanmerkelijke vooruitgang is geboekt op verschillende prioriteitsgebieden, maar dat sommige daarvan trager vorderen dan verwacht; verzoekt de Commissie om aan de hand van een onderzoek na te gaan waarom bepaalde thematische doelstellingen en prioriteitsgebieden door de EU-delegaties vaker in aanmerking worden genomen dan andere zodat daar meer vooruitgang is geboekt;

29.  dringt erop aan meer personeel te betrekken bij taken op het gebied van gendermainstreaming binnen de diensten van de Commissie aan de hand van scholing op maat, reorganisatie van de huidige structuren en extra personeel; is van mening dat gendermainstreaming op de afdelingen voor extern beleid kan worden bevorderd door meer personeelsscholing aan te bieden, voornamelijk voor hogere ambtenaren in leidinggevende functies en met specifieke opleiding over de genderproblematiek bij kwetsbaarder groepen, alsook op elke afdeling een gendersteunpunt in het leven te roepen en een gedeelde gendercoördinatiegroep in te stellen voor alle afdelingen in DG DEVCO, DG NEAR, DG ECHO en de EDEO; is van mening dat verbeteringen en verdere specialisatie in de opleiding over de gendergelijkheidsproblematiek ook beschikbaar moeten worden gesteld voor lokale partners op regeringsniveau en bij niet-overheidsactoren, met inbegrip van ngo's;

30.  beklemtoont dat er moet worden gezorgd voor samenhang en complementariteit tussen alle bestaande externe instrumenten en beleidsmaatregelen van de EU op het vlak van gendermainstreaming, waaronder de nieuwe consensus inzake ontwikkeling, het "Resource package on gender mainstreaming in development cooperation" van de EU en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie;

31.  is ingenomen met de leidraad van 8 maart 2016 voor DG DEVCO en de EDEO waarin de hulpmiddelen en instrumenten voor de tenuitvoerlegging van het GAP II worden geschetst en roept op tot de verstrekking van richtsnoeren voor alle Europese diensten die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van het GAP II;

32.  verwelkomt de lancering van het zogenaamde Spotlight-initiatief, een gezamenlijk wereldwijd genderinitiatief van de EU en de VN, dat, in overeenstemming met de doelstelling van het GAP II, seksueel en gendergerelateerd geweld aanpakt en schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking (VGV), gedwongen huwelijken op jonge leeftijd en mensenhandel bestrijdt; merkt echter op dat het Spotlight-initiatief voornamelijk elementen van de agenda behandelt die reeds wereldwijd als zorg worden gedeeld, zoals blijkt uit het uitvoeringsverslag, en onderstreept daarom dat het nodig is gendergelijkheid te bevorderen op een omvattender manier, aan de hand van een passende mix van programma's en modaliteiten; verzoekt om de toekenning van extra middelen aan het Spotlight-initiatief die nog niet voor gendergelijkheid zijn gereserveerd; verzoekt de Commissie de tussentijdse herziening van haar internationale samenwerkingsprogramma's aan te wenden voor het verhogen van de middelen van het pakket middelen voor genderbeleid teneinde de ambitieuze doelstellingen van het GAP II te verwezenlijken, waaronder gendermainstreaming in bilaterale samenwerking en via thematische programma's;

33.  beklemtoont dat de EU het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in haar externe betrekkingen moet bevorderen en mainstreamen; merkt echter op dat er in GAP II niet voldoende aandacht wordt geschonken aan het verband tussen handel en gender en dat, meer in het algemeen, gendermainstreaming een multidimensionale uitdaging blijft; herinnert er in dit verband aan dat onderhandelingen over handelsovereenkomsten, en met name de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling die gaan over arbeidsrechten, een belangrijk instrument zijn om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen en de empowerment van vrouwen in derde landen, te bevorderen; verzoekt DG Handel derhalve om stappen te ondernemen voor de toepassing van het GAP II in zijn werkzaamheden en vraagt de rechten van meisjes en vrouwen en gendergelijkheid in alle handelsovereenkomsten van de EU op te nemen, als aanjagers van economische groei, de kernverdragen van de IAO inzake gender en arbeidsrechten te eerbiedigen, waaronder die inzake dwangarbeid en kinderarbeid; herinnert eraan dat de gevolgen van het EU-handelsbeleid voor de empowerment van vrouwen en de gendergelijkheid tijdens de uitvoering ervan moeten worden gemonitord;

34.  merkt op dat de versterking van de positie van meisjes en vrouwen centraal staat in het externe optreden van de EU en deel uitmaakt van de integrale strategie van de EU voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; merkt op dat de in het GAP II vastgelegde rol van vrouwen in vredesonderhandelingen en -bemiddeling ontoereikend is; onderstreept de belangrijke rol die vrouwen spelen bij het bevorderen van de dialoog, het winnen van vertrouwen, het vormen van vredescoalities en het bieden van verschillende perspectieven op de betekenis van vrede en veiligheid, met name op het gebied van conflictpreventie en -oplossing en heropbouw na conflicten; merkt op dat de bevordering van de rechten van de vrouw in door crisis of conflicten geteisterde landen tot sterkere en veerkrachtigere gemeenschappen leidt; is verheugd dat er binnen de EDEO een hoofdadviseur voor gendervraagstukken en voor de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid is benoemd; pleit voor de intensivering van maatregelen van EU-lidstaten en internationale VN-maatregelen om de gevolgen van (post)conflictsituaties voor vrouwen en meisjes op doeltreffendere wijze aan te pakken; verzoekt de Commissie het nieuwe, mondiale netwerk van contactpersonen voor vrouwen, vrede en veiligheid te ondersteunen; wijst op het belang van Resolutie 2250 van de VN-Veiligheidsraad over jeugd, vrede en veiligheid, en vindt het belangrijk dat gezocht wordt naar de beste manier waarop deze resolutie door de EU ten uitvoer kan worden gelegd;

35.  herhaalt zijn vraag om, in verband met het handelsoverleg met Chili, een speciaal hoofdstuk over handel, gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen op te nemen; beklemtoont dat het voorstel om een dergelijk speciaal hoofdstuk in een handelsovereenkomst op te nemen nu voor het eerst realiteit wordt; benadrukt de noodzaak om over de inhoud van dit hoofdstuk te worden geïnformeerd en het te beoordelen teneinde daarna algemenere besluiten te kunnen nemen; dringt er bij de EU op aan om horizontale maatregelen in te voeren in handelsovereenkomsten teneinde de gendergelijkheid te bevorderen, beste praktijken uit te wisselen en vrouwen in staat te stellen meer voordeel te halen uit handelsovereenkomsten;

36.  verzoekt naar sekse uitgesplitste gegevens te verzamelen in belangrijke sectoren die de meeste gevolgen ondervinden van een handelsovereenkomst teneinde een nuttig instrument te verschaffen om zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen welke gevolgen de handelsovereenkomst in kwestie met zich kan meebrengen voor het leven van vrouwen en op die manier eventuele negatieve gevolgen tegen te gaan; pleit ook voor een mechanisme dat uitdrukkelijk wordt opgezet voor de monitoring en versterking van het genderbeleid uit hoofde van handelsovereenkomsten;

37.  verwelkomt de thematische prioriteit inzake economische en sociale empowerment en de analyse van belemmeringen voor de toegang tot productiemiddelen, onder meer land, en de bijbehorende activiteiten; herhaalt dat de EU weliswaar heeft toegezegd om te investeren in gendergelijkheid in de landbouw, maar dat vrouwelijke landbouwers niet de voornaamste doelgroep zijn van agrarische officiële ontwikkelingshulp (ODA) en verzoekt de EU en de lidstaten om meer middelen toe te wijzen aan vrouwelijke landbouwers, in overeenstemming met doelstelling 5 van het GAP II;

38.  spoort de instellingen met klem aan om het percentage vrouwen in EU-delegaties, met name als hoofd van die delegaties – momenteel 28 vrouwen voor een totaal van 138 delegaties – substantieel te verhogen, alsook het aantal vrouwen als hoofd van missies (momenteel 5 van in totaal 17); verzoekt daarom de Commissie en de EDEO de doelgerichte beleidsmaatregelen efficiënt ten uitvoer te leggen zodat vrouwen gemakkelijker toegang krijgen tot leiderschap en leidinggevende functies; wijst op de opvallend lage aanwezigheid van vrouwen in de besluitvorming, hetgeen aangeeft dat onzichtbare belemmeringen vrouwen de toegang tot verantwoordelijke functies belemmeren;

39.  benadrukt dat het succes van het GAP II uiteindelijk zal afhangen van het langetermijnengagement van hooggeplaatste (politieke) leidinggevenden bij alle EU-actoren, van de beschikbaarheid van voldoende personele en financiële middelen voor de uitvoering ervan en van de aanpassing van de EU-inspanningen aan de lokale realiteit in de ontvangende landen; is in dit verband ingenomen met het positieve engagement van de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling en spoort andere commissarissen aan zijn voorbeeld te volgen; merkt op dat de hoge vertegenwoordiger en de leidinggevenden meer politiek leiderschap aan de dag moeten leggen om de middelen te verhogen, de verantwoordingsplicht te versterken en om dit engagement in de komende jaren te coördineren en te versterken; vraagt alle EU-actoren gebruik te maken van het "Gender Resource Package" teneinde te garanderen dat gendermainstreaming consistent wordt toegepast om de ambitieuze doelstellingen van het GAP II te verwezenlijken;

40.  veroordeelt krachtig de herinvoering en uitbreiding van de werkingssfeer van het Mexico City-beleid (de zogenaamde "global gag rule") door de Verenigde Staten in januari 2017 en de gevolgen daarvan voor de algehele gezondheidszorg voor en de rechten van vrouwen en meisjes; doet andermaal een beroep op de EU en haar lidstaten om de rechten van vrouwen in de gehele wereld proactief te steunen en zowel de nationale als EU-ontwikkelingsfinanciering voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aanzienlijk te verhogen, met name ten behoeve van de toegang tot gezinsplanning en veilige en legale abortus, teneinde de financieringskloof te dichten die de Verenigde Naties op dit gebied hebben achtergelaten;

41.  verzoekt de EDEO de uitvoering van de LGBTI-richtsnoeren van de EU te verbeteren en er zorg voor te dragen dat de EU-delegaties regelmatig overleg plegen met LGBTI-organisaties en hen op de hoogte brengen over wat er inzake LGBTI-rechten wordt gedaan, om te garanderen dat het niveau van inzet en de genomen maatregelen afhangen van de behoeften van de LGBTI-gemeenschap in een land en niet van de persoonlijke inzet van het delegatiepersoneel; verzoekt de EDEO voorts om de strategie en maatregelen niet alleen te coördineren met de nationale ambassades van de lidstaten, maar ook met ambassades van derde landen en met internationale organisaties zoals de VN;

42.  merkt op dat passende financiering voor gendergelijkheid in externe betrekkingen noodzakelijk zal zijn om het politieke engagement voor dit doel in stand te houden; beklemtoont dat de huidige financiering voor maatregelen inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen ontoereikend blijft en dringt erop aan om deze situatie in het volgende MFK te verhelpen;

Belangrijke aanbevelingen voor EU-delegaties

43.  is ingenomen met de vrijheid die de delegaties krachtens het GAP II hebben om hun prioriteiten af te stemmen op een voor hen relevante nationale context, aangezien dit analyses per geval en de beoordeling van de specifieke behoeften van elk land of elke regio mogelijk maakt en de bijzondere uitdaging wordt aangegaan om de rechten en economische empowerment van vrouwen te versterken; beveelt desalniettemin aan dat delegaties gestimuleerd moeten worden om tegen het eind van het GAP II ten minste vooruitgang te hebben geboekt met betrekking tot één prioriteit per thematische pijler om een gelijkere bestrijking van de verschillende thema's, zoals de versterking van het beleid en van maatregelen ter bevordering van onderwijs voor meisjes en de gevolgen daarvan voor hun gezondheid en economische empowerment, te waarborgen; dringt erop aan de aandacht te richten op de situatie van vrouwen en meisjes in gebieden waar conflicten heersen, alsook op gendergeweld, en met name het gebruik van verkrachting als oorlogswapen; herinnert er voorts aan dat de door de EU gefinancierde maatregelen en projecten systematisch moeten streven naar het wegwerken van de genderkloof en discriminatie;

44.  herinnert eraan dat het noodzakelijk is om gendermainstreaming in te zetten in politieke dialogen en in alle sectorale beleidsdialogen, en op gebieden zoals energie, landbouw, vervoer, onderwijs en openbaar bestuur die tot dusver minder aandacht hebben gekregen; dringt erop aan gendermainstreaming te integreren in nationale plannen en beleidskaders zodat de eigen inbreng en verantwoordelijkheid van de partnerlanden gegarandeerd wordt en herinnert daarmee aan het belang om ontwikkelingsprojecten te steunen die van vrouwen uit de betreffende landen uitgaan; wijst erop dat het belangrijk is met partnerlanden samen te werken aan genderbewuste nationale begrotingen;

45.  pleit voor een speciale begrotingslijn voor gendergelijkheid om de politieke participatie en vertegenwoordiging van vrouwen in de buurlanden van de EU en binnen de EU beter te kunnen stimuleren; benadrukt dat de programma's in dit kader volledig geharmoniseerd moeten worden met de doelstellingen en programma's van UN Women en dat hierin tevens meetbare doelstellingen moeten worden opgenomen, zodat de vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid in de landen van het Oostelijk en het Zuidelijk Nabuurschap in de gaten kan worden gehouden en de samenwerking en de banden met de overheden van partnerstaten kunnen worden versterkt om zo in het kader van bilaterale partnerschaps- en associatieovereenkomsten sneller tot betere resultaten te komen;

46.  merkt op dat opleiding inzake gendermainstreaming slechts in sommige delegaties plaatsvindt en dat een groot deel van de opgeleide personeelsleden een tijdelijk contract had; verzoekt de EU-delegaties om deze toestand te verhelpen;

47.  beklemtoont dat het belangrijk is tijdens de politieke dialoog de participatie van vrouwen aan onderwijs, economische activiteiten, werkgelegenheid en het bedrijfsleven te verbeteren als een middel dat bij voorrang wordt ingezet om de positie van vrouwen in de samenleving te verbeteren;

48.  onderstreept het belang van het systematisch en op feiten gebaseerd uitvoeren van genderanalyse op basis van, waar mogelijk, naar sekse en leeftijd uitgesplitste gegevens, in overleg en met medewerking van plaatselijke maatschappelijke organisaties, vrouwenorganisaties, mensenrechtenorganisaties en plaatselijke en regionale overheden voor de selectie en beoordeling van de keuze van de doelstellingen, de middelen voor uitvoering en monitoring, en de doeltreffendheid en duurzaamheid van de resultaten; is ingenomen met de 42 landelijke genderanalyses die zijn afgerond, spoort de overige landen aan hun analyses zo spoedig mogelijk af te ronden en tot een veel groter gebruik van gendergelijkheidscriteria in monitoringsystemen en evaluatieprocessen van programma's en projecten en verzoekt aan genderanalyses een rol toe te kennen bij de vaststelling van de landelijke strategische doelstellingen, programma's, projecten en dialoog; spoort de EU aan op zoek te gaan naar systematischere manieren voor het delen en beheren en updaten van genderanalyses ter bevordering van de coördinatie, en genderanalyse niet te beperken tot voor de hand liggende beleidsdomeinen zoals onderwijs en de gezondheid van moeders, maar ook beleidsdomeinen in aanmerking te nemen die momenteel ten onrechte genderneutraal worden geacht, met name landbouw, klimaat of energie;

49.  merkt op dat de Commissie in het gezamenlijk werkdocument van de diensten over het kader voor 2016-2020 bevestigt dat de financiële investeringen van de EU in gendergelijkheid niet stelselmatig zijn gemeten; verzoekt de Commissie om te kiezen voor een duidelijke, resultaatgerichte benadering met hoge normen voor rapporterings-, beoordelings- en aansprakelijkheidsmechanismen, evenals empirisch onderbouwde besluitvorming te bevorderen om de beschikbare financiële hulpmiddelen op efficiëntere en doeltreffendere wijze te kunnen inzetten; verzoekt om een verslag waarin het exacte bedrag wordt vermeld dat voor gendermainstreaming is uitgetrokken en waarin de meest noemenswaardige prestaties in kaart worden gebracht;

50.  benadrukt dat de gegevensverzameling op nationaal niveau verder moet worden verbeterd, dat er specifieke indicatoren moeten worden ontwikkeld op basis waarvan er streefcijfers kunnen worden bepaald, en dat het belangrijk is dat de monitoring daarvan wordt afgestemd op het SDG-kader;

51.  herinnert eraan dat vrouwenrechten mensenrechten zijn en moedigt aan verder te werken aan de verandering van sociale normen en genderstereotypen in de maatschappij door nauwer samen te werken met het maatschappelijk middenveld en basisorganisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten en empowerment, met name in de context van fragiele staten, en conflict- en noodsituaties; meent dat het van essentieel belang is nieuwe netwerken op te zetten of bestaande netwerken te ontwikkelen en alle belangrijke actoren, met inbegrip van de particuliere sector, daarbij te betrekken, alsook publiek-private partnerschappen te ontwikkelen; beklemtoont dat vrouwen in plaatselijke gemeenschappen en ngo's een grotere rol moeten spelen op het vlak van monitoring en het ter verantwoording roepen van plaatselijke autoriteiten; is van mening dat meisjes en vrouwen niet zozeer mogen worden bekeken als "kwetsbaar", maar dat de klemtoon veeleer moet liggen op het feit dat zij verandering en ontwikkeling teweegbrengen en dat zij bij het oplossen van conflicten de rol van vredestichter vervullen; beklemtoont dat, om daadwerkelijk gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bewerkstelligen, jongens en mannen actief bij het proces moeten worden betrokken; spoort daarom aan tot een brede educatie voor gedragsverandering inzake gendergerelateerd geweld, gericht op alle mannen en jongens en gemeenschappen; benadrukt dat vrouwen ten gevolge van de sociale normen met betrekking tot de rol van vrouwen en mannen zich in een veel kwetsbaarder situatie bevinden, voornamelijk met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid, hetgeen aanleiding geeft tot schadelijke praktijken zoals VGV of kinder- en tienerhuwelijken en gedwongen huwelijken;

52.  verzoekt de EU wettelijke kaders en strategieën te bevorderen die een grotere en doeltreffender participatie van vrouwen aan de vredeshandhaving, vredesopbouw en bemiddeling en aan EU-missies voor militaire en civiele crisisbeheersing aanmoedigen, in overeenstemming met Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid, met bijzondere aandacht voor conflictgerelateerd seksueel geweld; is van mening dat, met het oog daarop, een genderbewuste conflictanalyse, in overleg met actoren en vrouwenorganisaties in de gemeenschap, een beter inzicht in de rol van vrouwen bij conflicten mogelijk maakt;

53.  benadrukt dat er financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor programma's ter preventie van kindhuwelijken, die erop gericht zijn een omgeving te creëren waarin meisjes zich volledig kunnen ontplooien, onder meer door middel van scholing, maatschappelijke en economische programma's voor niet-schoolgaande meisjes, kinderbeschermingsregelingen, opvanghuizen voor meisjes en vrouwen, juridisch advies en psychologische ondersteuning;

54.  wijst uitdrukkelijk op het belang van de toegenomen betrokkenheid, via regelmatige dialoog en coördinatie, van maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden zoals mensenrechten-, gezondheids- of milieu-actoren bij EU-delegaties, aangezien een dergelijke samenwerking zal bijdragen tot een grotere zichtbaarheid en een betere uitvoering van het GAP II, met als gevolg dat de publieke verantwoording inzake vooruitgang op het vlak van gendergelijkheid toeneemt;

55.  vreest dat er onvoldoende aandacht wordt gegeven aan de bescherming van voorvechters van vrouwenrechten en vrouwenrechtenorganisaties, nu zij onder enorme druk staan door de krimpende ruimte voor maatschappelijke organisaties in tal van regio's; is eveneens bezorgd dat de thematische prioriteit inzake politieke en burgerrechten, met name de participatie van vrouwen en meisjes aan politieke en burgerrechten, weinig voorrang krijgt bij de tenuitvoerlegging van het GAP II;

56.  verzoekt de EU-delegaties te zorgen voor doeltreffende en regelmatige gegevensverzameling over geweld tegen vrouwen en meisjes, landenspecifieke aanbevelingen op te stellen en de vaststelling van beschermingsmechanismen en passende ondersteuningsstructuren voor slachtoffers te bevorderen;

Belangrijke aanbevelingen voor het Europees Parlement

57.  spoort de delegaties van het Europees Parlement aan bij hun werk met partnerlanden systematisch navraag te doen naar genderprogrammering en de resultaten van genderanalyses, en te werken aan het bevorderen van gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen, en bijeenkomsten met vrouwenorganisaties op te nemen in hun missieprogramma's; verzoekt het Parlement te zorgen voor een beter genderevenwicht bij de samenstelling van zijn delegaties;

58.  vraagt dat landelijke genderanalyseverslagen door de Commissie beschikbaar worden gesteld en worden opgenomen in de achtergrondbriefings voor alle delegaties van het Europees Parlement naar derde landen;

59.  raadt het Parlement aan toekomstige verslagen over de tenuitvoerlegging van het GAP II periodiek te bestuderen, indien mogelijk om de twee jaar;

Belangrijke aanbevelingen voor toekomstige verslaglegging

60.  onderstreept het belang van een vereenvoudigde verslagleggingsmethode om de bureaucratie tot een minimum te beperken; dringt erop aan dat de toekomstige verslagen over de tenuitvoerlegging binnen een korter tijdsbestek worden afgerond en gepubliceerd; dringt aan op de ontwikkeling van online-verslaglegging, duidelijke modellen en een handboek om het werk van de delegaties te verlichten;

61.  benadrukt dat vrouwen moeten worden betrokken bij en vertegenwoordigd moeten zijn in economische sectoren die van belang zijn voor duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het bedrijfsleven een belangrijke rol moet spelen in de bevordering van de rechten van de vrouw; verzoekt in dit verband om meer steun in de vorm van microkredieten aan plaatselijke kmo's, en met name aan vrouwelijke ondernemers, zodat zij kunnen profiteren van door de particuliere sector gestuurde groei;

62.  beklemtoont dat de versterking van de nationale statistische capaciteiten en mechanismen in partnerlanden moet worden ondersteund, dat de financiële en technische bijstand daarbij doeltreffend moet worden gecoördineerd zodat betere metingen, krachtiger monitoring en een beter beheer mogelijk worden van de resultaten die werden verkregen op het vlak van gendermainstreaming;

63.  verzoekt de Commissie naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen tijdens de tenuitvoerlegging van door de EU gefinancierde programma's voor de empowerment van vrouwen;

64.  wijst erop dat er niet alleen een robuust beleid voor gendermainstreaming nodig is, maar dat er ook behoefte is aan verslagen over specifieke praktische maatregelen – vooral op gevoelige domeinen zoals seksuele en reproductieve gezondheid – aan de hand waarvan de daadwerkelijke gevolgen voor het leven van vrouwen en meisjes, en dat van mannen en jongens, kunnen worden afgemeten;

65.  herinnert er echter aan dat gendergegevens meer inhoudt dan het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens en pleit ervoor om de verzameling van gegevens te verbeteren zodat er een kwalitatieve analyse kan worden verricht van de situatie van vrouwen, bijvoorbeeld, op het gebied van arbeidsvoorwaarden;

66.  beklemtoont dat de betrouwbaarheid van genderanalyse moet worden verbeterd door de gegevens die door de EU-delegaties worden verzameld dusdanig te harmoniseren dat vergelijking mogelijk wordt;

67.  wijst erop dat internationale en nationale partners, de academische wereld, denktanks en vrouwenorganisaties niet alleen moeten worden geraadpleegd maar dat hun input en deskundigheid ook kunnen worden aangewend voor de monitoring van door de EU gefinancierde activiteiten en programma's inzake gendergelijkheid;

68.  herinnert aan de verplichting van de EU en haar lidstaten om de rechten van meisjes en vrouwen met de status van migrant, vluchteling of asielzoeker te respecteren bij de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van het migratiebeleid van de EU; pleit in dit verband voor de herbeoordeling van de verbintenis van de militaire operatie van de Europese Unie in het zuidelijke deel van het centrale Middellandse Zeegebied (EUNAVFOR MED Operation SOPHIA) met de Libische kustwacht in het licht van de verslagen over systematisch seksueel geweld tegen vrouwen in de detentiecentra op Libisch grondgebied;

69.  merkt op dat het begrip gendermainstreaming nog vaak slecht wordt begrepen en wijst op het gebrek aan kwalitatieve verslaglegging aan de hand waarvan een beoordeling van de toepassing van het GAP in de bestaande beleidsmaatregelen en projecten mogelijk zou zijn; wijst op de behoefte aan tastbare doelstellingen en activiteiten die gekoppeld zijn aan duidelijke, specifieke referentiepunten en een strikt schema, en op de behoefte aan een kwalitatieve beoordeling van gegevens die aantoont welke reële gevolgen de uitgevoerde maatregelen voor de ontvangende landen hebben gehad, waarbij ernaar wordt gestreefd het GAP II niet enkel te hanteren als een intern verslagleggingsinstrument, maar het in te zetten als een mechanisme voor daadwerkelijke prioritering en beleidsuitvoering;

o
o   o

70.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 50.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0026.
(3) https://www.ilga-europe.org/sites/default/files/Attachments/report_on_the_implementation_of_the_eu_lgbti_guidelines_2016.pdf
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0365.


Uitvoering van de EU-strategie voor jongeren
PDF 174kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren (2017/2259(INI))
P8_TA(2018)0240A8-0162/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 9, 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 14, 15, 21, 24 en 32,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat in 2010 door de EU is geratificeerd,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien de resolutie van de Raad over een werkplan van de Europese Unie voor jongeren voor 2016-2018(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie(3),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 over de invoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief(4),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(5),

–  gezien de evaluatie van de Commissie van de EU-strategie voor jongeren(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over de toekomst van het programma Erasmus+(8),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(9),

–  gezien de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs, die werd aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU in Parijs op 17 maart 2015,

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het hernieuwde kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018), dat door de Raad werd aangenomen op 23 november 2015(10),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet‑formeel en informeel leren(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2015 getiteld "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding" (COM(2015)0408),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld: "EU 2020: een Europese strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over de beoordeling van de EU-strategie voor jongeren 2013‑2015(12),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages(13),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien de resolutie van de Raad van Europa van 25 november 2008 over het jeugdbeleid van de Raad van Europa (CM/Res(2008)23),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa van 31 mei 2017 over jeugdwerk (CM/Rec(2017)4),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(14),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(15),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Comité van de Regio's – Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(16),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(17),

–  gezien het schaduwverslag over jeugdbeleid, dat is uitgebracht door het Europees Jeugdforum,

–  gezien de resolutie van het Europees Jeugdforum over de EU-strategie voor jongeren(18),

–  gezien de standpuntnota "Engage. Inform. Empower" (Betrokkenheid, informatie, zeggenschap) van de Europese organisatie voor voorlichting en adviesverlening aan jongeren (ERYICA),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 over de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0162/2018),

A.  overwegende dat de negatieve effecten van de recessie op de vooruitzichten van jongeren om hun volledige potentieel te ontplooien, overal in de Europese Unie nog steeds voelbaar zijn;

B.  overwegende dat veel lidstaten, vooral in Zuid-Europa, ver verwijderd blijven van hun niveau van voor de crisis op het vlak van een aantal jeugdindicatoren, zoals werkgelegenheid, welzijn en sociale bescherming;

C.  overwegende dat de kleiner wordende verschillen op regionaal niveau in de gehele EU zichtbaar zijn; overwegende dat veel regio's nog steeds een lagere arbeidsparticipatiegraad kennen dan voor de crisis;

D.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid de afgelopen jaren geleidelijk is afgenomen, maar volgens Eurostat in januari 2018 toch nog 16,1 % bedroeg, en in sommige lidstaten zelfs meer dan 34 %; overwegende dat dit percentage is toegenomen ten opzichte van 2008 (15,6 %); overwegende dat uit deze cijfers blijkt dat er geen standaardoplossing is om jongeren hun volledige potentieel te laten verwezenlijken; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de ultraperifere regio's zorgwekkend hoog is en in sommige van die regio's, zoals Mayotte, zelfs boven de 50 % ligt;

E.  overwegende dat achtergestelde groepen, zoals etnische minderheden, mensen met speciale behoeften, vrouwen, leden van de LGHBTIQ-gemeenschap, migranten en vluchtelingen – die op barrières stuiten bij het betreden van de arbeidsmarkt en de toegang tot cultuur, sociale dienstverlening en onderwijs – het meest getroffen worden door de sociaaleconomische crisis;

F.  overwegende dat onderwijs de gevolgen van sociaaleconomische ongelijkheid helpt beperken door het bijbrengen van de vaardigheden en competenties die nodig zijn om de overdracht van achterstand van de ene generatie op de andere te beperken;

G.  overwegende dat het algemene gebrek aan investeringen in jongeren en hun rechten jongeren zal beletten hun rechten op te eisen, uit te oefenen en te verdedigen, zal bijdragen aan de verergering van verschijnselen als bevolkingsafname, schooluitval, gebrekkige beroepskwalificaties, laattijdige betreding van de arbeidsmarkt, gebrek aan financiële onafhankelijkheid, mogelijk slecht functionerende socialezekerheidsstelsels, wijdverbreide arbeidsonzekerheid en sociale uitsluiting;

H.  overwegende dat de problemen waarmee jongeren te kampen hebben op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, alsook wat betreft maatschappelijk en politiek engagement, niet uniform zijn en dat sommige groepen hier onevenredig veel sterker mee te maken hebben dan andere; overwegende dat er meer moet worden gedaan om degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan of er geheel buiten staan, te ondersteunen;

I.  overwegende dat het voortbestaan van lokale scholen en onderwijsinstellingen in alle Europese regio's essentieel is als het erop aankomt jongeren beter onderwijs te bieden, en dat de EU de regio's bij deze uitdaging ten volle moet steunen;

J.  overwegende dat vooral voor onderwijs, interculturele dialoog, strategische communicatie en nauwere samenwerking tussen de lidstaten een cruciale rol is weggelegd om marginalisering en radicalisering van jongeren te voorkomen en hun weerbaarheid te vergroten;

K.  overwegende dat jongeren actief betrokken moeten worden bij de planning, ontwikkeling, tenuitvoerlegging, controle en evaluatie van alle beleidsmaatregelen met gevolgen voor jongeren; overwegende dat 57 % van de jongerenorganisaties in de EU van mening is dat bij het ontwikkelen van jeugdbeleid geen rekening wordt gehouden met hun deskundigheid(19);

L.   overwegende dat het van belang is dat jongerenorganisaties, om volledig legitiem te kunnen zijn, voldoende representatief en inclusief zijn voor jongeren;

M.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren weliswaar een doorlopende strategie is die voortdurend wordt bijgeschaafd, maar dat de doelstellingen nog steeds zeer breed en ambitieus zijn; overwegende dat er sprake is van een gebrek aan deugdelijk vastgestelde referentiecriteria;

N.  overwegende dat in de EU-strategie voor jongeren 2010-2018 wordt gehamerd op een gestructureerde dialoog tussen jongeren en beleidsmakers;

O.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren er hoofdzakelijk op gericht is meer en gelijke kansen te creëren voor alle Europese jongeren;

P.  overwegende dat jongeren moeten worden geholpen en het heft in eigen handen moeten kunnen nemen om de ernstige problemen waarmee ze momenteel kampen aan te kunnen pakken en de uitdagingen waarvoor ze zich in de toekomst geplaatst zullen zien het hoofd te kunnen bieden dankzij relevanter, doeltreffender en beter gecoördineerd jeugdbeleid, beter en toegankelijk onderwijs en de gerichte inzet van het economische, arbeids- en sociale beleid op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau;

Q.  overwegende dat de EU de afgelopen jaren in het kader van haar strategie voor jongeren een aantal initiatieven, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie heeft opgezet die tot doel hebben meer en gelijke kansen voor alle jongeren in het onderwijs en op de arbeidsmarkt te creëren en de integratie, empowerment en actieve maatschappelijke participatie van jongeren te bevorderen;

R.  overwegende dat het EU-optreden ten aanzien van jongeren moet worden gemainstreamd door de jongerendimensie op te nemen in de bestaande en toekomstige beleidsmaatregelen en financieringsprogramma's, met name in alle belangrijke beleidsdomeinen: economie, werkgelegenheid en sociale zaken, cohesie, gezondheid, vrouwen, medezeggenschap, migratie, cultuur, media en onderwijs;

S.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de toekomstige EU-strategie voor jongeren in de diverse beleidssectoren en instellingen gecoördineerd moet worden;

T.  overwegende dat er een genderperspectief moet worden opgenomen in de besluitvorming over het jeugdbeleid waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke uitdagingen en omstandigheden van met name jonge vrouwen en meisjes met een uiteenlopende culturele en religieuze achtergrond; overwegende dat specifieke gendergevoelige maatregelen moeten worden opgenomen in het jeugdbeleid, zoals de preventie van geweld tegen vrouwen en meisjes, onderwijs op het gebied van gendergelijkheid en seksuele voorlichting; overwegende dat vrouwen gemiddeld een 1,4 maal grotere kans hebben om geen werk te hebben en geen onderwijs of opleiding te volgen (NEET) dan mannen(20) en dat er voortdurende inspanningen nodig zijn ter verhoging van het participatieniveau op de arbeidsmarkt van jonge vrouwen – vooral na zwangerschapsverlof en onder alleenstaande moeders – en vroegtijdige schoolverlaters, laagopgeleiden, gehandicapte jongeren en alle jongeren die het slachtoffer dreigen te worden van discriminatie;

U.  overwegende dat er voortdurende inspanningen nodig zijn om de maatschappelijke participatie van jongeren te bevorderen, vooral voor gehandicapten, migranten, vluchtelingen, NEET's en degenen die het risico lopen op sociale uitsluiting;

V.  overwegende dat onderwijs een cruciale factor is in de bestrijding van sociale uitsluiting en dat investeren in vaardigheden en competenties dus cruciaal is om de hoge werkloosheidscijfers, met name onder NEET's, aan te pakken;

W.  overwegende dat in artikel 9 VWEU wordt bepaald dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houdt met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid;

X.  overwegende dat de EU-strategie voor jongeren een goede basis heeft gelegd voor een vruchtbare en zinvolle samenwerking in jeugdzaken;

Y.  overwegende dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de afgelopen driejarige cyclus van de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) niet goed en precies genoeg kan worden beoordeeld en dat het erg moeilijk is de situaties van de verschillende lidstaten met elkaar te vergelijken omdat het ontbreekt aan benchmarks en indicatoren en de uitvoeringsinstrumenten elkaar overlappen;

Z.  overwegende dat beroepsoriëntatie en toegang tot informatie over arbeidsmogelijkheden en onderwijstrajecten essentieel zijn voor de verdere ontwikkeling van het onderwijs en de overgang naar de arbeidsmarkt;

AA.  overwegende dat de EU bij de vaststelling van de doelstellingen van deze strategie en de tenuitvoerlegging en evaluatie ervan nauw moet samenwerken met nationale, regionale en lokale instanties;

Uitdagingen voor jongeren en lessen die uit het huidige beleidvormingsproces van de EU op jeugdgebied kunnen worden getrokken

1.  betreurt het dat bezuinigingsmaatregelen voor de lange termijn, met name verlaging van de financiële middelen voor onderwijs, cultuur en jeugdbeleid, negatieve gevolgen hebben gehad voor jongeren en hun levensomstandigheden; waarschuwt ervoor dat jongeren, vooral de meest kansarme, zoals jongeren met een handicap, jonge vrouwen, minderheden en personen met speciale behoeften, zwaar worden getroffen door toenemende ongelijkheid, het risico op uitsluiting, onzekerheid en discriminatie;

2.  is ingenomen met de resultaten van de Europese samenwerking in jeugdzaken, in het kader waarvan de problemen waarmee de meeste Europeanen worstelen aangepakt kunnen worden en nationale beleidsmakers gesteund kunnen worden door ze te voorzien van expertise, aanbevelingen en legitimiteit, en door met succes meer EU‑financiering vrij te maken;

3.  beschouwt de open coördinatiemethode als geschikte maar nog steeds ontoereikende methode voor de invulling van het jeugdbeleid en dus moet worden aangevuld met andere maatregelen; herhaalt zijn oproep tot nauwere samenwerking en uitwisseling van optimale werkmethoden in jeugdzaken op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau; dringt er bij de lidstaten op aan duidelijke prestatie-indicatoren en benchmarks overeen te komen om de geboekte vooruitgang te kunnen monitoren;

4.  onderkent de positieve resultaten die met de EU-strategie voor jongeren zijn bereikt dankzij de ontwikkeling van sectoroverschrijdende werkzaamheden en een gestructureerde dialoog om de deelname van jongeren te garanderen, en is van mening dat de betrokken actoren en belanghebbenden over de hele lijn meer bewust moeten worden gemaakt van de doelstellingen en instrumenten van de strategie; merkt met name op dat de bottom‑upbenadering bij de gestructureerde dialoog een toegevoegde waarde vertegenwoordigt en moet worden gehandhaafd; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om bij de ontwikkeling van de nieuwe strategie rekening te houden met de resultaten van de zesde cyclus van de gestructureerde dialoog die gericht is op de toekomstige strategie;

5.  stelt voor om lokale en regionale autoriteiten te betrekken bij het jeugdbeleid, vooral in de lidstaten waar zij bevoegdheden op dit vlak hebben;

6.  is verheugd over beleidsinitiatieven die gericht zijn op de ondersteuning van de jeugd in Europa, met name Investeren in de jongeren van Europa, het Europees solidariteitscorps en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; is echter van mening dat deze instrumenten beter moeten aansluiten op de EU-strategie voor jongeren en een bottom‑upbenadering moeten volgen; verzoekt de Commissie dan ook om systematisch alle beleidsvoorstellen met betrekking tot jongeren te koppelen aan de overkoepelende strategie en daar alle belanghebbenden, waaronder sociale partners en het maatschappelijk middenveld, bij te betrekken door te kiezen voor een holistische langetermijnaanpak met duidelijk gedefinieerde horizontale doelstellingen;

7.  dringt bij de Commissie aan op de instelling van een horizontale werkgroep voor de coördinatie van de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren in de toekomst, met deelname van de EU-instellingen, waaronder het Europees Parlement, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld, met name vakbonden en jongerenorganisaties;

8.  dringt er bij de Commissie op aan doeltreffende instrumenten te creëren voor de coördinatie tussen de betrokken diensten en een van haar vicevoorzitters te belasten met de mainstreaming van jongeren als cluster;

9.  moedigt de lidstaten aan de Europese pijler van sociale rechten als uitgangspunt te nemen voor het opstellen van wetgeving met betrekking tot jongeren;

10.  benadrukt dat het van belang is een gezonde levensstijl te bevorderen om ziektes te voorkomen, en acht het nodig om jongeren te voorzien van correcte informatie over en hulp bij ernstige psychische problemen zoals tabak-, alcohol- en drugsgebruik en ‑verslaving;

11.  wijst erop dat evaluatie van de uitvoering van de jongerenstrategie in de lidstaten door de Commissie belangrijk is om meer controles en toezicht ter plaatste mogelijk te maken; vraagt de Commissie doelstellingen voor de EU-strategie voor jongeren vast te stellen die kwalitatief en kwantitatief kunnen worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke lidstaat of regio; vraagt de Commissie meer financiële middelen uit te trekken voor programma's en acties die jongeren voorbereiden op de wereld van de arbeid;

Jongeren een stem geven in de EU-strategie voor jongeren

12.  pleit ervoor dat de toekomstige EU-strategie gericht moet zijn op deelname van en moet draaien om jongeren en de vergroting van hun welzijn, en dat zij de behoeften, de ambities en diversiteit van alle jongeren in Europa moet weerspiegelen en ervoor moet zorgen dat jongeren meer toegang krijgen tot creatieve instrumenten waarmee nieuwe technologieën gemoeid zijn;

13.  is van mening dat de EU solidariteit met jongeren aan de dag moet leggen en hen steeds beter in staat moet stellen om deel te nemen aan de samenleving door specifieke maatregelen te ontwikkelen zoals mainstreaming van vrijwilligerswerk, ondersteuning van jongerenwerk, ontwikkeling van nieuwe instrumenten, met name die waarmee nieuwe technologieën gemoeid zijn, en bevordering van uitwisseling op basis van solidariteit, gemeenschapszin, vrije ruimte en democratische dialoog; erkent daarom het belang van jongerenverenigingen als ruimte waarbinnen jongeren kunnen groeien en een gevoel van actief burgerschap kunnen ontwikkelen; verzoekt de lidstaten de actieve betrokkenheid van jongeren in vrijwilligersorganisaties te faciliteren; benadrukt dat meer maatschappelijke participatie van jongeren niet alleen een belangrijke verwezenlijking op zich is, maar ook als opstap kan fungeren naar meer politieke participatie;

14.  wijst er in dit verband op dat niet-formeel en informeel leren, naast deelname aan sport en vrijwilligersactiviteiten, een belangrijke rol speelt bij het stimuleren van de ontwikkeling van burgerlijke, sociale en interculturele competenties en vaardigheden onder jonge Europeanen;

15.  verzoekt de lidstaten te voorzien in nationale rechtskaders en passende financiële middelen voor vrijwilligerswerk;

16.  dringt er met klem bij de Commissie en de lidstaten op aan om jongeren, en met name die met minder kansen en degenen die buiten de formele organisatiestructuren staan, aan te sporen een actieve en kritische rol te gaan spelen en mee te doen aan de beleidsvorming, zodat zij invloed kunnen uitoefenen op besluiten die gevolgen hebben voor hun leven, door hun zowel online als offline democratische instrumenten ter beschikking te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen en risico's van sociale media, en door de belanghebbenden, zoals sociale partners, het maatschappelijk middenveld en jongerenorganisaties, te betrekken bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, monitoring en beoordeling van jeugdbeleid;

17.  verzoekt de lidstaten jongeren aan te moedigen tot volledige deelname aan het verkiezingsproces;

18.  acht het noodzakelijk dat de gestructureerde dialoog tussen jongeren en besluitvormers blijft voortbestaan in het volgende Europese samenwerkingskader op het gebied van jeugdzaken; is van mening dat de gestructureerde dialoog stelselmatig steeds meer jongeren en steeds meer verschillende doelgroepen jongeren moet betreffen en wijst erop dat de nationale en Europese werkgroepen voldoende financiële steun moeten krijgen om daarvoor te zorgen; verzoekt de lidstaten de deelname van nationale, regionale en lokale beleidsmakers aan de gestructureerde dialoog met jongeren aan te moedigen;

19.  vraagt de lidstaten transparant te werk te gaan bij het voorleggen van hun rekeningen en bij het besteden van de middelen die zijn bestemd voor het bevorderen van duurzame werkgelegenheidsperspectieven voor jongeren; wijst er in dit verband op hoe belangrijk het is dat de lidstaten desgevraagd gedetailleerde gegevens over de situatie van hun jongeren verstrekken;

20.  onderstreept dat het ontbreekt aan stelselmatige verslaglegging en betrouwbare gegevens over de tenuitvoerlegging van de strategie; vraagt de lidstaten en de Commissie daarom werk te maken van een betere samenwerking tussen de nationale en regionale statistische diensten bij het indienen van relevante en geactualiseerde statistische gegevens over jongeren, die van belang zijn om de mate van succes van de uitgevoerde strategie te kunnen bepalen; meent dat de driejaarlijkse verslagen vergezeld moeten gaan van deze statistische gegevens;

21.  wijst er nogmaals op dat de deelname van jongeren aan nationale en lokale verkiezingen een dalende lijn vertoont en dat jongeren politiek engagement nodig hebben en het resultaat van hun bijdrage moeten kunnen zien; herinnert eraan dat de mogelijkheden om ervaring op te doen met politieke participatie in hun eigen omgeving en in plaatselijke gemeenschappen vanaf jonge leeftijd een cruciale stap is om het gevoel van Europees burgerschap te versterken en jongeren in staat te stellen actieve burgers te worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom regionale en lokale instanties aan te sporen erop toe te zien dat jongeren en jongerenorganisaties volledig en effectief kunnen deelnemen aan en betrokken worden bij de besluitvorming en de verkiezingsprocessen;

22.  verzoekt de lidstaten de nationale jeugdraden te betrekken bij de toezicht- en uitvoeringscomités van de EU-strategie voor jongeren;

23.  benadrukt de mogelijkheden die de technologie biedt om contact te leggen met jongeren en verzoekt de EU hun meer mogelijkheden te geven voor maatschappelijke participatie via e‑platforms;

24.  constateert dat veel jongeren helaas nog steeds vinden dat zij weinig toegang hebben tot de mogelijkheden die hun via de diverse programma's van de Unie worden geboden, ondanks de aanhoudende inspanningen van de Commissie om daarover te communiceren; verzoekt de Commissie haar communicatiekanalen te verbeteren;

Gelijke mogelijkheden voor een gegarandeerde langdurige integratie in de arbeidsmarkt

25.  maakt zich grote zorgen over de blijvend hoge jeugdwerkloosheidspercentages in de hele EU, met name in Zuid-Europa; herinnert eraan dat het scheppen van hoogwaardige banen en werkgelegenheid moet worden gewaarborgd en een belangrijk engagement ten behoeve van de jongeren moet blijven, en dringt in dit verband aan op maatregelen ter bevordering van de overstap van jongeren van onderwijs naar werk door te voorzien in hoogwaardige stage- en leerplaatsen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om structurele hervormingen van de arbeidsmarkt en billijke arbeidsvoorwaarden en lonen te bevorderen, zodat jongeren niet worden gediscrimineerd wanneer zij hun intrede doen op de arbeidsmarkt; benadrukt dat het van belang is dat er sociale rechten voor nieuwe arbeidsvormen worden gedefinieerd, dat er goede beroepsstages worden gecreëerd en dat er een sociale dialoog wordt opgezet;

26.  benadrukt het belang van initiatieven van nationale, regionale en lokale autoriteiten om op maat gesneden regelingen en gepersonaliseerde steun vast te stellen om alle NEET's te kunnen bereiken; herhaalt dat plaatselijke stakeholders zoals de sociale partners, vakbonden en maatschappelijke en jeugdorganisaties daarbij moeten worden betrokken;

27.  pleit voor speciale maatregelen om de precaire situatie van jonge vrouwen op de arbeidsmarkt aan te pakken, met bijzondere aandacht voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de oververtegenwoordiging van vrouwen in atypische vormen van arbeid zonder sociale bescherming;

28.  benadrukt dat het noodzakelijk is te zorgen voor billijke arbeidsvoorwaarden en voldoende sociale bescherming voor degenen die werkzaam zijn in de zogeheten nieuwe vormen van werkgelegenheid, waarin jongeren oververtegenwoordigd zijn;

29.  is van mening dat er ook maatregelen moeten worden genomen om jonge migranten in te passen in de arbeidsmarkt, met volledige inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling;

30.  benadrukt dat een inclusief jongerenbeleid sociale programma's ter facilitering van politieke en culturele participatie moet verdedigen en bevorderen; is voorts van mening dat behoorlijk en gereguleerd werk dat gestoeld is op collectieve arbeidsovereenkomsten, zonder onzekere arbeidsverhoudingen, met toereikende lonen en kwalitatief hoogwaardige openbare diensten voor iedereen, belangrijk zijn voor het maatschappelijk welzijn van jongeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten om eerlijke arbeidsvoorwaarden en een afdoende sociale bescherming te bevorderen, ook met betrekking tot nieuwe vormen van werk;

31.  herinnert eraan dat werkgelegenheid en ondernemerschap tot de acht prioriteiten behoren die in de EU-strategie voor jongeren (2010-2018) zijn vastgesteld; benadrukt dat jeugdwerk en niet-formeel leren, vooral zoals dit in jongerenorganisaties wordt ontwikkeld, van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van het potentieel van jongeren, met inbegrip van ondernemersvaardigheden, en hen in staat stellen een brede waaier aan competenties te ontwikkelen die hun kansen op de arbeidsmarkt kunnen vergroten;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten grensoverschrijdende beroeps- en opleidingsmogelijkheden aan te moedigen, meer te investeren in beroepsonderwijs en ‑opleiding en dit als een aantrekkelijke opleidingskeuze te presenteren;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om regionale en lokale autoriteiten te steunen en te investeren in nieuwe levenskansen voor jongeren zodat ze hun creativiteit en hun volledige potentieel kunnen ontplooien, ondernemerschap voor jongeren te ondersteunen en de maatschappelijke inclusie van jongeren te bevorderen, ten voordele van hun gemeenschap;

34.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een op rechten gebaseerde benadering van jeugd en werkgelegenheid te hanteren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat jongeren een goede stage en baan kunnen krijgen waarbij hun rechten geëerbiedigd worden, zoals het recht op een vaste baan met een loon waarvan ze kunnen leven, daarbij sociale bescherming genieten en verzekerd zijn van een waardig en autonoom leven;

35.  spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan controles uit te voeren bij bedrijven die herhaaldelijk opeenvolgende stages aanbieden zonder daarna banen aan te bieden, om te voorkomen dat arbeidsovereenkomsten worden vervangen door zogenaamde stages;

36.  is ingenomen met het feit dat meer dan 1,6 miljoen jongeren steun hebben ondervonden van maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief(21); benadrukt dat er meer inspanningen en financiële verbintenissen nodig zijn; benadrukt dat het noodzakelijk is jongeren in NEET-situaties die te maken hebben met meervoudige obstakels beter te bereiken en de kwaliteit van het aanbod in het kader van de jongerengarantie te verbeteren door duidelijke kwaliteitscriteria en ‑normen vast te stellen, met inbegrip van toegang tot sociale bescherming, een minimuminkomen en arbeidsrechten; verzoekt de lidstaten hun systemen voor toezicht, verslaglegging en prestatiebeoordeling daadwerkelijk te verbeteren en ervoor te zorgen dat middelen van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gebruikt worden als aanvulling op en niet ter vervanging van nationale financiering;

37.  beklemtoont bovendien dat aandacht moet worden besteed aan de kwaliteit op het gebied van mentorschap en begeleiding, de kwaliteit en de toereikendheid van de eigenlijke individuele opleiding, stage of baan, en aan de kwaliteit van het resultaat ten opzichte van de vastgestelde doelstellingen; onderstreept in dit verband dat de toepassing van de reeds bestaande kwaliteitskaders, zoals het Europees kwaliteitskader, in het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet worden gewaarborgd; is van mening dat jongeren ook bij de controle van de kwaliteit van het aanbod betrokken moeten worden;

38.  wijst erop dat maatregelen waarmee de integratie van NEET's op de arbeidsmarkt wordt bevorderd, waaronder betaalde stages en leerplaatsen, financieel ondersteund moeten worden door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief of toekomstige Europese instrumenten, waarbij elke vorm van baanvervangend werk of misbruik van werkende jongeren moet worden vermeden;

39.  merkt op dat het bevorderen van de ondernemersgeest onder jongeren een prioriteit is en dat de formele en niet-formele onderwijsstelsels de meest doeltreffende maatregelen zijn om ondernemerschap van jongeren te stimuleren; benadrukt dat ondernemerschap een middel is om jeugdwerkloosheid en sociale uitsluiting tegen te gaan en innovatie te bevorderen; meent daarom dat de jongerenstrategie het scheppen van een gunstig klimaat voor jonge ondernemers moet ondersteunen;

40.  herinnert eraan dat het bereiken van NEET's het hoofddoel van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is en verzoekt de lidstaten derhalve met klem om meer te doen om de NEET-populatie in kaart te brengen en te bereiken, en met name de meest kwetsbare jongeren, zoals jongeren met een handicap, en daarbij rekening te houden met hun speciale behoeften;

41.  verzoekt de lidstaten en de Commissie innovatieve en flexibele beurzen in het leven te roepen om talent en artistieke en sportieve gaven op het vlak van onderwijs en opleiding te stimuleren; ondersteunt de lidstaten die beursregelingen willen invoeren voor studenten met goede studie-, sportieve en artistieke resultaten;

42.  benadrukt dat 38 % van de jongeren moeilijk toegang heeft tot informatie; benadrukt dat het van belang is te zorgen voor een collectieve aanpak ten aanzien van de begeleiding, de ondersteuning en de voorlichting van jongeren over hun rechten en mogelijkheden;

43.  benadrukt voorts dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet alleen moet focussen op hoogopgeleide jonge NEET's, maar ook op laaggeschoolde en niet‑werkende jongeren en jongeren die niet zijn ingeschreven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening;

44.  benadrukt dat de arbeidsmobiliteit binnen de EU, ondanks de hoge werkloosheid, beperkt blijft; wijst er daarom op hoe belangrijk de mobiliteit van werknemers is voor een concurrerende arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten daartoe grensoverschrijdende arbeids- en opleidingsmogelijkheden te stimuleren;

45.  wijst op de belangrijke rol die 55‑plussers spelen bij de opleiding van jongeren op de werkplek; pleit net als de Commissie voor het opzetten van programma's die deze mensen de mogelijkheid bieden om in de aanloop naar de pensioengerechtigde leeftijd geleidelijk uit de arbeidsmarkt uit te treden, met name door eerst over te stappen op een deeltijdregeling tijdens welke ze ook jongeren opleiden en helpen om zich in te werken;

46.  onderstreept de belangrijke rol die ondernemingen spelen bij de verwerving van vaardigheden en het scheppen van banen voor jongeren; wijst erop dat onderwijs en opleiding op gebieden die verband houden met het bevorderen van ondernemerschap kunnen bijdragen tot ontwikkeling op lange termijn, versterking van het Europese concurrentievermogen en de bestrijding van werkloosheid;

47.  verzoekt de lidstaten de beoogde effecten van de vast te stellen maatregelen te vermelden in hun actieplannen; onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is dat de lidstaten garanties bieden dat de getroffen maatregelen de werkgelegenheid daadwerkelijk hebben bevorderd; benadrukt dat de duurzaamheid van het te voeren beleid moet worden gemeten;

Duurzame ontwikkeling: de toekomst voor jongeren

48.  is er stellig van overtuigd dat hoogwaardig formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en dito opleidingen een grondrecht zijn; is dan ook van mening dat de toegang tot alle niveaus van hoogwaardig onderwijs moet worden gegarandeerd voor alle Europeanen, ongeacht hun sociaaleconomische status, etnische afkomst, geslacht, of fysieke of cognitieve handicaps; onderstreept de belangrijke rol die het formele, niet‑formele en informele onderwijs heeft om jongeren de kennis, de vaardigheden en de competenties bij te brengen om geëngageerde burgers te worden en deel te nemen aan het Europese project; verzoekt de lidstaten derhalve specifiek beleid te ontwikkelen en moedigt in dit verband aan dat artistiek en creatief onderwijs in de onderwijsprogramma's even belangrijk worden geacht als technologische vakken (STEM);

49.  benadrukt het belang van modernisering van het onderwijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten de opneming van nieuwe vaardigheden en competenties in het onderwijs te stimuleren, zoals burgerschap, kritisch denken en ondernemingszin, en de ontwikkeling van nieuwe leermiddelen te stimuleren die de participatie in en de toegankelijkheid van onderwijs vergroten;

50.  is zeer verontrust over het bijzonder prangende probleem van kinderarmoede waardoor maar liefst 25 miljoen kinderen in de EU getroffen worden (meer dan 26,4 % van alle Europeanen in de leeftijd tot 18 jaar) in gezinnen die elke dag kampen met een gebrek aan voldoende inkomsten en basisvoorzieningen; is van mening dat het jongerenbeleid een bijdrage kan leveren op gebieden zoals kinder- en gezinsbeleid; ;

51.  is ernstig bezorgd over het verschijnsel van voortijdige schoolverlating en pleit daarom voor passende oplossingen om dat aan te pakken teneinde de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken;

52.  moedigt de Commissie aan om initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op de bevordering van actief en kritisch burgerschap, respect, verdraagzaamheid, waarden en intercultureel leren, en benadrukt in dit verband de cruciale rol van EU-programma's zoals Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger; verzoekt de Commissie en de lidstaten mogelijkheden voor dialogen met jongeren op te zetten over een breed scala aan onderwerpen, zoals seks, geslacht, beleid, solidariteit en milieu, recht, geschiedenis en cultuur;

53.  is ervan overtuigd dat geletterdheid, onder meer op het gebied van digitale middelen en media, rekenvaardigheid en de basisvaardigheden die essentieel zijn voor de autonomie en voor een veelbelovende toekomst voor jongeren, een prioriteit moeten zijn op Europees, nationaal en lokaal niveau; dringt er dan ook bij de Commissie en de lidstaten op aan zich meer in te spannen om fundamentele leervaardigheden en competenties aan te bieden voor iedereen;

54.  verzoekt de Commissie initiatieven met formeel onderwijs en informeel leren aan te moedigen om innovatie, creativiteit en ondernemerschap bij jongeren te ondersteunen en om de saamhorigheid en het begrip tussen jongeren van verschillende groepen te bevorderen;

55.  constateert in dit verband met grote bezorgdheid dat er nog steeds een hoog aantal Europese burgers is met slechte lees- en schrijfvaardigheden en met functionele, digitale en media-ongeletterdheid, wat een ernstig probleem vormt voor een goede deelname aan het openbare leven en de arbeidsmarkt;

56.  herinnert eraan dat het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten luidt dat iedereen recht heeft op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren om de vaardigheden te verwerven en te onderhouden die nodig zijn om ten volle aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen en te kunnen omgaan met veranderingen op de arbeidsmarkt; benadrukt daarom dat het van belang is om in de nieuwe programmeringsperiode van het MFK voor 2021-2027 prioriteit toe te kennen aan onderwijs en opleiding en te zorgen voor sociale investeringen daarin;

57.  is sterk van mening dat het sociale scorebord dat was ingevoerd in het kader van de Europese pijler van sociale rechten, moet worden gebruikt om de EU-strategie voor jongeren te beoordelen; verzoekt de Commissie een reeks specifieke indicatoren vast te stellen om de EU-strategie voor jongeren te beoordelen, zoals onderwijs, vaardigheden, een leven lang leren, gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, gezondheidszorg, digitale toegang, levensomstandigheden en armoede;

58.  benadrukt de cruciale rol van het gezin en van leerkrachten bij de ondersteuning van jongeren die worden gepest op school of op internet; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om maatregelen te nemen tegen deze vormen van gedrag, die gevolgen hebben voor het geestelijk welzijn van jongeren, in het bijzonder door vanaf de lagere school de juiste digitale vaardigheden te ontwikkelen, zoals voorzien in de actieplan voor digitaal onderwijs;

59.  is van mening dat er om de maatregelen op het gebied van onderwijs, jeugdzaken en sport doeltreffender te maken, gezamenlijke doelstellingen en instrumenten voor het meten van de beleidsimpact moeten worden ontwikkeld op basis van internationale studies;

60.  onderstreept het schadelijke effect van stress op het welzijn van jongeren op school, in de beroepsopleiding, op de arbeidsmarkt en in hun privéleven; verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in programma's voor geestelijke gezondheid en de belanghebbende partijen aan te sporen om jongeren te helpen op dit vlak;

61.  benadrukt het belang van geestelijk en lichamelijk welzijn van jonge Europeanen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om buitenschoolse sportactiviteiten te stimuleren en campagnes te voeren ter bevordering van bewust eten;

62.  onderstreept het belang van bevordering van de interculturele dialoog in de sport, onder meer via het opzetten van platforms waarbij jongeren, vluchtelingen en migranten betrokken zijn;

63.  is van mening dat, gezien de complexiteit van het jongerenbeleid en de effecten ervan, onderzoekssamenwerking moet worden gestimuleerd teneinde empirisch onderbouwde antwoorden en maatregelen en preventieve oplossingen te ontwikkelen die het welzijn en de weerbaarheid van jongeren bevorderen;

64.  benadrukt het belang van cultuur, niet alleen voor de bestrijding van geweld, racisme, radicalisering en intolerantie, maar ook voor de ontwikkeling van een Europese identiteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten cultuur te bevorderen, daarin te investeren en gelijke toegang voor iedereen te garanderen;

65.  benadrukt dat jongerenorganisaties een cruciale rol spelen in de maatschappelijke participatie en integratie van jongeren; verzoekt de lidstaten daarom jongerenorganisaties te steunen en hun rol in de ontwikkeling van competenties en de maatschappelijke inclusie te onderkennen, en in samenwerking met de jongeren de instelling van jongerenraden op alle niveaus te ondersteunen;

66.  hamert op het belang van de validatie van niet-formeel en informeel leren voor de empowerment van de lerenden, aangezien dit essentieel is voor de ontwikkeling van een samenleving die gebaseerd is op sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen en bijdraagt aan de ontwikkeling van burgerschapsvaardigheden en zelfontplooiing; betreurt dat werkgevers en aanbieders van formeel onderwijs niet voldoende de waarde en relevantie erkennen van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven via niet-formeel en informeel leren; wijst erop dat het gebrek aan vergelijkbaarheid en coherentie tussen de validatieaanpakken van de EU-landen een bijkomende belemmering vormt; verzoekt de lidstaten te blijven toewerken naar een nationaal erkennings- en validatiesysteem en te zorgen voor voldoende financiering voor vaardigheden die via niet-formeel onderwijs zijn verworven, waarbij verwezen wordt naar de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren;

Betere afstemming en steun uit financieringsinstrumenten voor de EU-strategie voor jongeren

67.  is van mening dat de EU-strategie voor jongeren het MFK moet volgen en moet aansluiten bij de doelstellingen voor duurzame ontwikkelingen en alle relevante vlaggenschipinitiatieven, programma's en beleidsstrategieën, door een systematische dialoog aan te gaan met de bevoegde organen, duidelijke doelen en streefcijfers te formuleren en een passend coördinatiemechanisme op te zetten;

68.  herinnert eraan dat de EU vanwege het subsidiariteitsbeginsel op het gebied van jeugdzaken alleen maatregelen kan nemen om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen; wijst op het belang van samenhang tussen EU- en nationale financiering en verzoekt de Commissie derhalve synergieën met nationale, regionale en lokale initiatieven te faciliteren om duplicatie, overlapping of herhaling van activiteiten te voorkomen;

69.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de overheidsinvesteringen in onderwijs- en jeugdgerelateerde initiatieven te verhogen;

70.  is er vast van overtuigd dat de middelen die beschikbaar zijn om diverse initiatieven en beleidsmaatregelen voor jongeren te ondersteunen, zoals het Erasmus+-programma, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het programma Europa voor de burger, in het volgende MFK beduidend moeten worden verhoogd om de jongeren meer kansen te bieden en uitsluiting te voorkomen;

71.  is ingenomen met het Europees solidariteitscorps – een programma om de solidariteit tussen jonge Europeanen, vrijwilligerswerk en de ontwikkeling van inclusief burgerschap te bevorderen; herhaalt het standpunt van het Parlement dat het nieuwe initiatief naar behoren moet worden gefinancierd met verse middelen en dat het programma niet moet worden gebruikt als optie om de jeugdwerkloosheid aan te pakken;

72.  is er stellig van overtuigd dat het programma Europa voor de burger actief burgerschap, burgerschapsvorming en dialoog moet blijven stimuleren en een gevoel van Europese identiteit tot stand moet brengen; wijst op het geringe succes van het programma, dat te wijten is aan een gebrek aan financiering; pleit voor een aanzienlijke verhoging van de middelen voor het programma;

73.  dringt er bij de Commissie op aan het Erasmusprogramma voor jonge ondernemers te handhaven; spoort de lidstaten en de Commissie ertoe aan dit programma gezamenlijk te promoten, in samenwerking met de kamers van koophandel, het bedrijfsleven en de jongeren zelf, zonder de kernactiviteiten uit het oog te verliezen;

74.  herhaalt zijn steun voor de versterking van het programma Creatief Europa dat specifieke mobiliteitsregelingen biedt voor jonge kunstenaars en jongeren die werkzaam zijn in culturele en creatieve sectoren;

75.  benadrukt het belang van Erasmus+, dat een essentieel instrument is om te zorgen voor actieve en geëngageerde jonge burgers; is er stellig van overtuigd dat Erasmus+ gericht moet zijn op alle jongeren, ook die met minder kansen, en dat de hogere ambities voor de volgende programmeringsperiode tot uiting moeten komen in een aanzienlijke verhoging van de middelen om het volledige potentieel van het programma te kunnen ontsluiten en om te zorgen voor vereenvoudiging van de procedures dankzij de invoering van elektronische systemen voor de toegang tot grensoverschrijdende diensten en studentengegevens, zoals het "e‑card"-project;

76.  verzoekt om een betere afstemming tussen de EU-strategie voor jongeren en Erasmus+ door de tijdschema's voor de uitvoering op elkaar af te stemmen, door de Erasmus+-verordening te wijzigen om de doelstellingen van de strategie te ondersteunen via gemeenschappelijke "jeugddoelen", en door Cruciale Actie 3 tot het belangrijkste uitvoeringsmiddel van de strategie te bestempelen;

77.  benadrukt dat de begroting voor de EU-strategie voor jongeren niet toereikend is om de doelstellingen van het programma te halen; wenst daarom dat er in het volgende MFK een aanzienlijk hoger bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt uitgetrokken en dat de lidstaten in hun nationale begroting ruimte creëren voor werkgelegenheidsregelingen voor jongeren; wijst voorts op de noodzaak om de geldende leeftijdsgrens op te trekken van 25 tot 29 jaar, aangezien vele pas afgestudeerden en nieuwkomers op de arbeidsmarkt tussen de 25 en 30 jaar oud zijn;

78.  pleit, onverminderd het subsidiariteitsbeginsel, voor een harmonisering van het begrip jongere, met een leeftijdsgrens die in de gehele EU van toepassing is; moedigt alle lidstaten aan om aan deze harmonisering bij te dragen en belemmeringen voor het meten van de vooruitgang en voor het formuleren van de doelstellingen weg te nemen;

79.  pleit voor de bevordering van het toekomstige EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie voor de ontwikkeling van geïntegreerde, empirisch onderbouwde antwoorden en maatregelen en preventieve oplossingen die het welzijn en de weerbaarheid van jongeren bevorderen;

80.  wijst op de bevindingen en risico's die erop wijzen dat door de Commissie beheerde acties (waaronder uitwisselingsprogramma's voor studenten) door de nationale autoriteiten worden geacht aan de vereisten van de jongerenstrategie te voldoen en dat sommige lidstaten hun financiële middelen terugtrekken uit beleidsgebieden die steun uit de EU-begroting krijgen(22);

o
o   o

81.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 1.
(3) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(4) EUCO 37/13.
(5) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(6) http://ec.europa.eu/assets/eac/dgs/education_culture/more_info/evaluations/docs/youth/youth-strategy-2016_en.pdf
(7) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0359.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0018.
(10) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 17.
(11) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0426.
(13) PB C 88 van 27.3.2014, blz. 1.
(14) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 57.
(15) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 76.
(16) PB C 120 van 5.4.2016, blz. 22.
(17) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 16.
(18) https://www.youthforum.org/resolution-eu-youth-strategy-0
(19) Schaduwverslag over jeugdbeleid, uitgebracht door het Europees Jeugdforum.
(20) Society at a Glance 2016 – OECD Social Indicators.
(21) Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten (P8_TA(2018)0018).
(22) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/615645/EPRS_STU(2018)615645_EN.pdf


Uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp
PDF 161kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG) (2017/2087(INI))
P8_TA(2018)0241A8-0165/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(1) (hierna: "de richtlijn inzake ecologisch ontwerp") en de uitvoeringsverordeningen en vrijwillige overeenkomsten die krachtens die richtlijn zijn aangenomen,

–  gezien het Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 van de Commissie (COM(2016)0773), vastgesteld in overeenstemming met Richtlijn 2009/125/EG,

–  gezien Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU(2) (hierna: "de richtlijn inzake de etikettering van het energieverbruik",

–  gezien de doelstellingen van de Unie met betrekking tot broeikasgasemissiereducties en energie-efficiëntie,

–  gezien het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) van het UNFCCC,

–  gezien de ratificatie van het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering door de EU en de lidstaten,

–  gezien de in dit Akkoord opgenomen langetermijndoelstelling, namelijk om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur ruim onder 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden en via inspanningen te proberen de stijging te beperken tot 1,5 °C boven die niveaus,

–  gezien het algemeen milieuactieprogramma van de Unie voor de periode tot en met 2020 (Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013(3)),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een Europese strategie voor plastic in de circulaire economie (COM(2018)0028),

–  gezien de mededeling van de Commissie alsmede het werkdocument van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken op het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032 – SWD(2018)0020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 over de lijst van 2017 van voor de EU kritieke grondstoffen (COM(2017)0490),

–  gezien de conclusies van de Raad over eco-innovatie: de overgang naar een circulaire economie bewerkstelligen, zoals aangenomen op 18 december 2017(4),

–  gezien het rapport over de emissiekloof 2017 dat is opgesteld door het VN-Milieuprogramma in november 2017,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(5),

–  gezien de wetgeving van de EU inzake afval,

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(6),

–  gezien de Europese beoordeling van de uitvoering die werd opgesteld door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Parlement om te worden bijgevoegd bij de toetsing van de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0165/2018),

A.  overwegende dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp ten doel heeft de energie-efficiënte en het niveau van milieubescherming te verhogen door middel van geharmoniseerde vereisten die de werking van de interne markt waarborgen en de voortdurende vermindering van het algemene milieueffect van energiegerelateerde producten bevorderen; overwegende dat deze maatregelen ook een positieve uitwerking hebben op de energiezekerheid door de verlaging van het energiegebruik;

B.  overwegende dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp is voorzien in maatregelen die moeten worden genomen ter beperking van het milieueffect van energiegerelateerde producten gedurende de levenscyclus; overwegende dat besluiten op grond van de richtlijn tot nu toe grotendeels gericht waren op het beperken van het energieverbruik tijdens de gebruiksfase;

C.  overwegende dat de richtlijn een sterkere bijdrage zou kunnen leveren aan de inspanningen van de EU om de energie-efficiëntie te verbeteren en zou kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de klimaatactiedoelstellingen;

D.  overwegende dat de vermindering van het milieueffect van energiegerelateerde producten in de ecologisch-ontwerpfase, doordat wordt voorzien in minimumcriteria betreffende hun levensduur en verbeterbaarheid, repareerbaarheid, recycleerbaarheid en herbruikbaarheid, tot vele nieuwe banen kan leiden;

E.  overwegende dat begin 2018 29 specifieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp van kracht waren, die betrekking hadden op verschillende productgroepen, en dat drie in het kader van de richtlijn erkende vrijwillige overeenkomsten waren aangenomen;

F.  overwegende dat vrijwillige overeenkomsten en andere zelfregulerende maatregelen in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp gepresenteerd worden als alternatieven voor uitvoeringsbepalingen wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan; overwegende dat niet alle huidige vrijwillige overeenkomsten sneller en kostenefficiënter zijn gebleken dan regelgevingsmaatregelen;

G.  overwegende dat ecologisch ontwerp economische voordelen voor industrie en consumenten met zich meebrengt en aanzienlijk bijdraagt aan het beleid van de Unie op het gebied van klimaat, energie en de circulaire economie;

H.  overwegende dat de wetgeving inzake ecologisch ontwerp nauw verband houdt met de EU-wetgeving inzake de etikettering van het energieverbruik en dat maatregelen die uit hoofde van deze twee richtlijnen zijn aangenomen in ten laatste 2020 naar verwachting 55 miljard EUR per jaar aan extra omzet zullen genereren voor de industrie, de groothandel en de detailhandel, en naar schatting tot 2020 175 Mtoe per jaar aan besparingen op primaire energie zullen opleveren, en dus tot de helft van de energiebesparingsstreefwaarde van de Unie voor 2020 zullen realiseren, en de afhankelijkheid van energie-importen zullen reduceren; overwegende dat de wetgeving ook in belangrijke mate bijdraagt aan de verwezenlijking van de EU-klimaatdoelstellingen door de uitstoot van broeikasgassen met 320 ton CO2-equivalenten per jaar te verminderen; overwegende dat het energiebesparingspotentieel op de lange termijn zelfs nog groter is;

I.  overwegende dat consumenten volgens het boekhoudkundig verslag over de impact van ecologisch ontwerp ("Ecodesign Impact Accounting report", Europese Commissie, 2016) voor 2020 naar schatting in totaal tot 112 miljard EUR, of rond 490 EUR per jaar per huishouden, zullen besparen;

J.  overwegende dat meer dan 80 % van het milieueffect van energiegerelateerde producten in de ontwerpfase wordt vastgesteld;

K.  overwegende dat voor het grootste deel van de belanghebbenden drie belangrijke belemmeringen kunnen worden aangemerkt voor de volledige tenuitvoerlegging van de wetgeving: het gebrek aan duidelijke politieke steun en een duidelijke politieke richting, het trage verloop van de regelgevingsprocessen en de ontoereikendheid van het markttoezicht in de lidstaten;

L.  overwegende dat naar schatting 10 – 25 % van de producten op de markt niet voldoet aan de richtlijnen inzake ecologisch ontwerp en de etikettering van het energieverbruik, wat leidt tot een verlies van rond 10 % van de beoogde energiebesparingen en oneerlijke concurrentie;

M.  overwegende dat de huidige vrijstelling voor theaterverlichting van Verordeningen (EG) nr. 244/2009(7) en (EU) nr. 1194/2012 van de Commissie(8) een passende en efficiënte manier is om de specifieke behoeften en omstandigheden van theaters en de hele entertainmentsector te respecteren en deze vrijstelling moet worden gehandhaafd;

N.  overwegende dat, hoewel het toepassingsgebied van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp in 2009 werd uitgebreid tot alle energiegerelateerde producten (met uitzondering van vervoersmiddelen), nog geen producten die geen energie verbruiken zijn opgenomen onder de vereisten inzake ecologisch ontwerp;

O.  overwegende dat in de EU alle producten zodanig ontworpen, gefabriceerd en in de handel gebracht zouden moeten worden dat zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van gevaarlijke stoffen, mét waarborgen betreffende de veiligheid van de producten, zodat deze eenvoudiger gerecycleerd en opnieuw kunnen worden gebruikt, terwijl tegelijkertijd de beschermingsniveaus van de menselijke gezondheid en het milieu hoog worden gehouden;

P.  overwegende dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp gesteld wordt dat haar complementariteit met de REACH-verordening inzake chemische stoffen moet bijdragen tot de verhoging van hun respectieve effect en tot de formulering van coherente, door de fabrikanten toe te passen eisen; overwegende dat de eisen in verband met het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen en de recycling ervan tot dusverre beperkt zijn geweest;

Q.  overwegende dat er in het kader van de nieuwe verordening energie-etikettering een nieuwe databank wordt ontwikkeld en dat de databank voor het informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (ICSMS) in sommige, maar niet in alle lidstaten wordt gebruikt;

R.  overwegende dat het een van de hoofddoelstellingen van het algemeen milieuactieprogramma van de Unie voor de periode tot en met 2020 (7de MAP) is om de Unie te transformeren tot een hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie; overwegende dat in het MAP gesteld wordt dat het beleidskader van de Unie ervoor moet zorgen dat prioritaire producten die op de markt worden gebracht in de Unie een ecologisch ontwerp hebben om de hulpbronnenefficiëntie en de materiaalefficiëntie te optimaliseren;

S.  overwegende dat het EU-actieplan voor de circulaire economie het engagement omvat om aspecten van de circulaire economie te benadrukken in toekomstige productontwerpeisen in het kader van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp door stelselmatig zaken als repareerbaarheid, duurzaamheid, verbeterbaarheid en recycleerbaarheid, of de identificatie van bepaalde materialen of stoffen te analyseren;

T.  overwegende dat het Akkoord van Parijs een streefcijfer op lange termijn bevat dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2°C boven de pre-industriële niveaus te houden, en te trachten de stijging tot 1,5°C boven de pre-industriële niveaus te beperken; overwegende dat de EU eraan hecht zijn steentje bij te dragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen door emissieverlagingen in alle sectoren;

U.  overwegende dat maatregelen inzake ecologisch ontwerp de gehele levenscyclus van producten moeten bestrijken teneinde de hulpbronnenefficiëntie in de Unie te verbeteren, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat meer dan 80 % van het milieueffect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, die derhalve zeer belangrijk is voor de bevordering van circulaire economische aspecten, duurzaamheid, verbeterbaarheid, herstelbaarheid, hergebruik en recycleerbaarheid van een product;

V.  overwegende dat naast het maken van duurzamere en hulpbronnenefficiëntere producten de beginselen van de deeleconomie en de diensteneconomie moeten worden versterkt, terwijl de lidstaten bij het voorstellen van programma's om aan te sporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten en diensten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen, inclusief de huishoudens die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen;

W.  overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en daarom verplicht is maatregelen te nemen met het oog op het geleidelijk afbouwen van het gebruik van deze gevaarlijke stoffen, onder meer door het gebruik ervan in de ontwerpfase te beperken;

Een doeltreffend instrument om kosteneffectieve energiebesparingen te realiseren

1.  is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een succesvol instrument is gebleken voor de verbetering van de energie-efficiëntie, heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering van de broeikasgasemissies en economische voordelen voor de consumenten heeft opgeleverd;

2.   beveelt de Commissie aan meer productgroepen onder het toepasingsgebied te laten vallen, en deze te selecteren op basis van hun ecologischontwerppotentieel, waaronder hun energie-efficiëntiepotentieel en hun materiaalefficiëntiepotentieel, alsook andere milieu-aspecten, met gebruikmaking van de methodologie als bedoeld in artikel 15 van de richtlijn, en de huidige normen voortdurend te actualiseren, teneinde ten volle de vruchten te kunnen plukken van het toepassingsgebied en de doelstellingen van de richtlijn;

3.   benadrukt dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp de werking van de interne markt van de EU verbetert door de vaststelling van gemeenschappelijke productnormen; benadrukt dat de continu vaststelling van geharmoniseerde productvereisten op EU-niveau bevorderend werkt voor innovatie, onderzoek en het concurrentievermogen van Europese fabrikanten, en bijdraagt aan het waarborgen van eerlijke concurrentie, zonder dat dit onnodige administratieve lasten oplevert;

4.  herinnert eraan dat de richtlijn van de Commissie vereist dat zij met uitvoeringsmaatregelen komt wanneer een product voldoet aan de criteria, d.w.z. een significant handelsvolume, significant milieu-effect en potentieel voor verbetering; benadrukt de verantwoordelijkheid die op de Commissie rust met betrekking tot de uitvoering van dit mandaat en dat zij er voor moet zorgen dat de voordelen voor consumenten, de circulaire economie en het milieu op effectieve wijze worden verwezenlijkt, in de onderkenning dat dergelijke productnormen alleen op het niveau van de EU kunnen worden toegepast en dat de lidstaten derhalve afhankelijk zijn van de Commissie voor het nemen van de nodige maatregelen;

5.  is van mening dat de coördinatie met initiatieven die verband houden met de circulaire economie de doeltreffendheid van de richtlijn verder zou vergroten; verzoekt derhalve om een ambitieus plan inzake ecologisch ontwerp en de circulaire economie, dat zowel milieuvoordelen als kansen voor duurzame groei en werkgelegenheid oplevert, waaronder in de mkb-sector, alsmede voordelen voor de consumenten; wijst er in dit verband op dat door een grotere hulpbronnenefficiëntie en het gebruik van secondaire grondstoffen bij de fabricage een grote bedrage kan worden geleverd aan de vermindering van afval en de besparing van middelen;

6.  benadrukt dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp deel uitmaakt van een breder instrumentarium en dat de doeltreffendheid ervan afhankelijk is van synergieën met andere instrumenten, met name inzake de etikettering van het energieverbruik; is van mening dat overlappende voorschriften moeten worden voorkomen;

Het besluitvormingsproces versterken

7.  wijst in het bijzonder op de belangrijke rol van het overlegforum bij het samenbrengen van de industrie, maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden in het kader van het besluitvormingsproces, en is van mening dat deze entiteit goed werkt;

8.  is bezorgd over de soms aanzienlijke vertragingen bij de ontwikkeling en de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen, die onzekerheid voor marktdeelnemers creëren, in veel gemiste kansen op energiebesparingen voor de consumenten - en de bijbehorende broeikasgasemissieverlagingen - hebben geresulteerd, en ertoe kunnen leiden dat maatregelen achterlopen op technologische ontwikkelingen;

9.  wijst erop dat een deel van de vertragingen kan worden toegeschreven aan het feit dat er bij de Commissie beperkte middelen beschikbaar zijn; dringt erbij de Commissie op aan voldoende middelen te mobiliseren voor het eco-designproces, gezien de significante toegevoegde waarde van EU-wetgeving;

10.  verzoekt de Commissie met klem vertragingen bij de goedkeuring en de publicatie van uitvoeringsmaatregelen te voorkomen, en beveelt aan duidelijke termijnen en mijlpalen vast te stellen voor de afronding hiervan en voor de herziening van de bestaande voorschriften; onderstreept dat eco-designmaatregelen afzonderlijk moeten worden vastgesteld en onmiddellijk na de vaststelling ervan openbaar moeten worden gemaakt;

11.  benadrukt dat het tijdschema in het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 moet worden gerespecteerd;

12.  benadrukt dat eco-designvereisten gebaseerd moeten zijn op grondige technische analyses en effectbeoordelingen, waarbij de best presterende producten of technologieën op de markt en de technologische ontwikkeling in iedere sector als referentie worden gehanteerd; verzoekt de Commissie voorrang te verlenen aan de uitvoering en de herziening van maatregelen betreffende producten met het grootste potentieel voor zowel primaire-energiebesparingen, als de circulaire economie;

13.  onderkent dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp ook voorzien is in het gebruik van vrijwillige overeenkomsten; beklemtoont dat vrijwillige overeenkomsten kunnen worden gebruikt in plaats van uitvoeringsmaatregelen wanneer ze verreweg de meeste producten op de markt afdekken en geacht worden ten minste een identiek milieu-effect te waarborgen, en dat ze tot een sneller besluitvormingsproces moeten leiden; is van oordeel dat de doeltreffendheid van het toezicht op vrijwillige overeenkomsten moet worden vergroot en dat voor adequate betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld moet worden gezorgd; is in dit verband verheugd over Aanbeveling van de Commissie (EU) 2016/2125 inzake richtsnoeren betreffende zelfregulering door de industrie en verzoekt de Commissie nauw toe te zien op alle vrijwillige overeenkomsten die krachtens de richtlijn inzake ecologisch ontwerp worden erkend;

14.  moedigt de integratie van technologische leercurves in de methodologie voor het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten (Meerp) aan, om te anticiperen op technologische verbeteringen zodra de voorschriften in werking treden en ervoor te zorgen dat ze actueel blijven;

15.  dringt er bij de Commissie op aan in voorkomend geval beoordelingen over het vrijkomen van microplastics in het aquatisch milieu op te nemen in de ecodesign-maatregelen; dringt er bij de Commissie op aan bindende vereisten in te voeren voor microplasticfilters bij de herziening van de eco-designmaatregelen voor huishoudelijke wasmachines en drogers;

Van energiebesparingen tot hulpbronnenefficiëntie

16.  herhaalt zijn verzoek om een nieuwe impuls voor de aspecten van producten die verband houden met de circulaire economie en is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een aanzienlijk potentieel biedt voor het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie, dat nog niet benut is;

17.  is derhalve van mening dat bij de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp – naast de voortdurende inspanningen ter verbetering van de energie-efficiëntie – nu de volledige levenscyclus van elke productgroep die onder het toepassingsgebied valt, moet worden aangepakt, door middel van de vaststelling van minimumcriteria voor de efficiëntie van hulpbronnen, onder andere betrekking hebbend op de houdbaarheid, robuustheid, de herstelbaarheid en de mogelijkheid tot upgraden, maar ook op het potentieel voor gezamenlijk gebruik, het hergebruik, de schaalbaarheid, de recyclebaarheid, de mogelijkheid van herfabricage, het gebruik van gerecyclede materialen of secondaire grondstoffen, en het gebruik van kritieke grondstoffen;

18.  meent dat de keuze van de criteria aangaande de circulaire economie voor elke productgroep op duidelijke en objectieve wijze moet worden gemaakt, en dat de verwezenlijking van de criteria in kwestie eenvoudig meetbaar moet zijn tegen proportionele kosten, teneinde te waarborgen dat de richtlijn toepasbaar blijft;

19.  wenst dat diepgaande beoordelingen van het potentieel op het gebied van de circulaire economie systematisch worden uitgevoerd in het kader van de voorbereidende onderzoeken voor specifieke maatregelen inzake ecologisch ontwerp voor elke productcategorie;

20.  benadrukt dat fabrikanten duidelijke en objectieve aanwijzingen moeten verstrekken die gebruikers en onafhankelijke reparateurs in staat stellen de producten eenvoudiger te repareren, zonder hiervoor specifiek materiaal nodig te hebben; onderstreept eveneens dat informatie moet worden verstrekt over de beschikbaarheid van losse onderdelen en de levensduur van producten indien dit mogelijk is;

21.  wijst op de mogelijke voordelen van het zich focussen op andere milieuaspecten dan energiegebruik, zoals het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen, het vrijkomen van microplastics, afvalproductie en de input van grondstoffen, en dringt erop aan gebruik te maken van de instrumenten krachtens de richtlijn om de transparantie voor de consumenten te vergroten;

22.  is van mening dat omdat meer dan 80 % van het milieu-effect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, het in die fase is dat, in grote mate, een zorgwekkende stof kan worden vermeden, vervangen of beperkt; benadrukt dat het gebruik van materialen en stoffen van kritiek belang, zoals zeldzame aardmetalen, of stoffen van giftige aard of zorgwekkende stoffen, zoals POP’s en hormoonontregelaars, specifiek in ogenschouw moeten worden genomen in het kader van de uitgebreide criteria voor ecologisch ontwerp, teneinde - in voorkomend geval - het gebruik ervan te beperken of ze te vervangen, of er ten minste oor te zorgen dat deze stoffen aan het eind van de levenscyclus worden gewonnen/gescheiden, onverminderd andere op het niveau van de EU vastgestelde geharmoniseerde wettelijke vereisten voor die stoffen;

23.  dringt erop aan dat voorschriften inzake ecologisch ontwerp, in geval van energiegerelateerde producten, geen doelstellingen creëren die voor fabrikanten in de EU moeilijk kunnen worden gehaald, met name door het midden- en kleinbedrijf, wier potentieel met betrekking tot gepatenteerde technologie duidelijk geringer is dan ondernemingen die de markt domineren;

24.  is in dit opzicht ingenomen met het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp voor de periode 2016-2019, dat toezeggingen omvat om vereisten en normen te ontwikkelen voor materiaalefficiëntie, waarbij het gebruik van secondaire grondstoffen wordt ondersteund, en dringt er bij de Commissie op aan deze werkzaamheden bij voorrang af te ronden; is van mening dat dergelijke criteria productspecifiek moeten zijn, moeten worden gebaseerd op robuuste analyses, gericht moeten zijn op gebieden waarop een duidelijk potentieel voor verbetering bestaat en moeten kunnen worden afgedwongen en gecontroleerd door instanties voor markttoezicht; is van oordeel dat bij de vaststelling van goede praktijken het gebruik van resultaten van vroegere en lopende onderzoeksactiviteiten, alsook de nieuwste innovaties in de recycling van elektrische en elektronische apparatuur moet worden bevorderd;

25.  is van mening dat de ontwikkeling van een ‘systeembenadering’ waarbij niet alleen naar het product wordt gekeken maar naar het hele systeem dat nodig om producten te laten functioneren in het ecodesign-proces een steeds zwaarder wegende succesfactor wordt op weg naar hulpbronnenefficiëntie en dringt er bij de Commissie op aan meer van deze mogelijkheden op systeemniveau op te nemen in het volgende werkprogramma voor ecologisch ontwerp;

26.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan waterverbruikende producten waar aanzienlijke milieuvoordelen kunnen worden behaald en belangrijke besparingen voor consumenten;

27.  dringt er bij de Commissie op aan de terugwinning van kritieke grondstoffen uit mijnbouwafval aan te moedigen;

28.  neemt er nota van dat de Commissie maatregelen inzake informatie- en communicatietechnologieën (ICT), zoals mobiele telefoons en smartphones, heeft uitgesteld, in afwachting van verdere beoordelingen en gezien de snelle technologische veranderingen binnen deze productgroep; is echter van mening dat voor deze producten, die in grote aantallen worden verkocht en vaak worden vervangen, een duidelijk potentieel voor verbeteringen bestaat, met name wat de hulpbronnenefficiëntie betreft, en dat daarom criteria inzake ecologisch ontwerp op hen moeten worden toegepast en dat gewerkt moet worden aan het stroomlijnen van het regelgevingsproces; benadrukt dat zorgvuldig moet worden beoordeeld hoe het ecologisch ontwerp van productgroepen waarvoor repareerbaarheid en de vervanging van losse onderdelen belangrijke ecodesignparameters zijn, kan worden verbeterd;

29.  benadrukt dat de herstelbaarheid moet worden bevorderd door gedurende de gehele levensduur van een product reserveonderdelen beschikbaar te stellen tegen een prijs die redelijk is ten opzichte van de totale kostprijs van het product,

30.  dringt nogmaals aan op een grondige herziening van de Uniewetgeving voor producten, teneinde hulpbronnenefficiëntie daarin een prominentere plaats te geven; verzoekt de Commissie in dit verband te onderzoeken of de bestaande ecodesignmethodologie voor andere productcategorieën kan worden gebruikt naast energiegerelateerde producten, en - in voorkomend geval - voorstellen te presenteren voor nieuwe wetgeving;

31.  benadrukt dat het gebruik van gerecycleerde/secundaire materialen alleen kan worden gegarandeerd als er hoogwaardige secundaire materialen en een goed georganiseerde markt voor secundaire materialen beschikbaar zijn en dat hiervoor moet worden gezorgd;

32.  benadrukt hoe belangrijk het is producenten verantwoordelijk te stellen en de garantietermijnen en -voorwaarden uit te breiden, waarbij fabrikanten verplicht verantwoordelijk worden gesteld voor het beheer van de afvalfase van de levenscyclus van een product in overeenstemming met de relevante wetgeving van de Unie, aandacht wordt besteed aan het stimuleren van herstelbaarheid, verbeterbaarheid, modulariteit en recycleerbaarheid en wordt gewaarborgd dat het beheer van grondstoffen en afval binnen de Europese Unie blijft;

33.  dringt aan op uitbreiding van minimumwaarborgen voor duurzame consumptiegoederen;

Het markttoezicht verbeteren

34.  dringt aan op versterking van het toezicht op producten die op de interne markt worden gebracht door middel van een betere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, alsook door middel van de terbeschikkingstelling van passende financiële middelen aan de markttoezichtsautoriteiten;

35.  verzoekt de Commissie te bekijken of het mogelijk is een digitaal ‘productpaspoort’ te ontwikkelen, zoals geopperd in de conclusies van de Raad van 18 december 2017 over eco-innovatie, als een instrument voor het verstrekken van informatie over de materialen en stoffen die in producten worden gebruikt, hetgeen ook dienstig zou zijn in het kader van het markttoezicht;

36.  verzoekt om een coherenter en kostenefficiënter systeem voor markttoezicht in de Unie, teneinde de naleving van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp te waarborgen, en doet de volgende aanbevelingen:

   de nationale autoriteiten moeten worden verplicht de ICSMS-databank te gebruiken om alle resultaten te delen van controles van de naleving van productvoorschriften en uitgevoerde tests voor alle producten die onder de voorschriften inzake ecologisch ontwerp vallen; deze databank moet alle informatie bevatten over conforme en niet-conforme producten om onnodige testen in een andere lidstaat te vermijden, en moet gebruiksvriendelijk en gemakkelijk toegankelijk zijn;
   de algemene databank voor productregistratie voor producten met een energie-etiket moet worden uitgebreid tot alle producten die onder de voorschriften inzake ecologisch ontwerp vallen;
   de nationale autoriteiten moeten specifieke plannen opstellen voor hun markttoezichtsactiviteiten op het gebied van ecologisch ontwerp, en deze moeten worden medegedeeld aan de overige lidstaten en de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008(9); de lidstaten moeten in deze plannen ook voorzien in steekproefsgewijze inspecties;
   er moeten snelle screeningsmethoden worden toegepast om producten die niet voldoen aan de voorschriften op te sporen, en deze moeten worden uitgewerkt in samenwerking met deskundigen uit de industrie en ze moeten worden gedeeld met het publiek;
   de Commissie moet overwegen een minimumpercentage vast te stellen van te testen producten op de markt, alsook een mandaat ontwikkelen voor haar eigen onafhankelijke markttoezicht en - in voorkomend geval - voorstellen presenteren;
   er moeten afschrikkende maatregelen worden aangenomen, waaronder: sancties voor fabrikanten die de regels niet naleven die in verhouding staan tot de impact van de niet-naleving op de gehele Europese markt en compensaties voor consumenten die niet-conforme producten hebben gekocht, zelfs na de wettelijke garantieperiode, waaronder collectieve rechtsmiddelen;
   er moet bijzondere aandacht worden besteed aan online verkochte producten en invoer uit niet-EU-landen;
   er moet voor samenhang worden gezorgd met het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van voorschriften en procedures voor de naleving en de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten (COM(2017)0795), waarvan het toepassingsgebied ook producten omvat die onder de richtlijn inzake ecologisch ontwerp vallen; ondersteunt in dit verband de facilitering op het niveau van de EU van gezamenlijke tests;

37.  wijst op het belang van passende en duidelijk gedefinieerde geharmoniseerde normen voor tests, en benadrukt dat testprotocollen moeten worden ontwikkeld die zo veel mogelijk overeenkomen met de werkelijke omstandigheden; benadrukt dat de testmethoden robuust moeten zijn, en zodanig ontworpen en toegepast moeten worden dat manipulatie en opzettelijke of onopzettelijke verbetering van de resultaten uitgesloten is; is van oordeel dat de tests geen onredelijke lasten moeten opleveren voor bedrijven, en in het bijzonder kmo’s, die niet over dezelfde capaciteiten beschikken als hun grotere concurrenten; is verheugd over Verordening (EU) nr. 2016/2282 van de Commissie wat betreft het gebruik van toleranties in controleprocedures;

38.  verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij hun handhavingswerkzaamheden en nauwer met hen samen te werken wanneer een product niet conform blijkt; benadrukt dat de fabrikanten en importeurs behoefte hebben aan richtsnoeren inzake de gedetailleerde vereisten voor de documenten die de markttoezichtautoriteiten verlangen;

Andere aanbevelingen

39.  wijst erop dat het noodzakelijk is te zorgen voor consistentie en convergentie tussen de voorschriften inzake ecologisch ontwerp en horizontale voorschriften, zoals de Uniewetgeving inzake chemicaliën en afval, waaronder REACH en de AEEA- en BGGS-richtlijnen, en benadrukt de noodzaak om de synergieën met groene overheidsopdrachten en de EU-milieukeur te versterken;

40.  benadrukt de koppeling tussen de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en de richtlijn energieprestatie van gebouwen; dringt er bij de lidstaten op aan de acceptatie door de markt van efficiënte producten en diensten te bevorderen, en hun inspanningen op de gebieden inspecties en advisering op te voeren; is van mening dat de verbetering van het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten eveneens een positieve impact op de energieprestatie van gebouwen kan hebben;

41.  benadrukt dat het noodzakelijk is het publiek en met name de media voorafgaand aan de invoering van een maatregel duidelijke informatie te verstrekken over de voordelen van ecologisch ontwerp, en moedigt de Commissie en de lidstaten aan proactief te communiceren over de voordelen van maatregelen inzake ecologisch ontwerp die een integrerend onderdeel vormen van het proces voor de vaststelling van deze maatregelen en actiever met belanghebbenden in verbinding te treden om te zorgen dat het publiek de wetgeving beter begrijpt;

42.  benadrukt dat de overgang naar een duurzame en circulaire economie niet alleen veel kansen zal bieden maar ook sociale uitdagingen met zich zal brengen; wijst er - omdat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten - op dat de Commissie en de lidstaten in hun voorstellen voor programma's die aansporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen; is van oordeel dat de programma's in kwestie geen obstakel mogen vormen voor innovatie, maar de fabrikanten onverminderd in staat moeten stellen de consumenten een brede waaier aan kwaliteitsproducten aan te bieden, en dat ze ook de marktpenetratie moeten bevorderen van energiegerelateerde en waterverbruikende producten die een grotere hulpbronnenefficiëntie aan de dag leggen en besparingen voor de consumenten kunnen opleveren;

43.  dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om het goede voorbeeld te geven door de strategieën voor de circulaire economie en voor groene overheidsopdrachten (GPP) vast te stellen en deze volledig te benutten, zodat bij alle investeringen voorrang wordt gegeven aan bewezen duurzame producten, zoals producten met een ecologisch ontwerp, en wordt gezorgd voor de hoogste normen inzake hulpbronnenefficiëntie, en om ervoor te zorgen dat groene aanbestedingsprocedures ook in de particuliere sector steeds meer tot een gangbare praktijk gaan behoren;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(2) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1.
(3) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(4) http://www.consilium.europa.eu/media/32274/eco-innovation-conclusions.pdf
(5) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0287.
(7) Verordening (EG) nr. 244/2009 van de Commissie van 18 maart 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik (PB L 76 van 24.3.2009, blz. 3).
(8) Verordening (EU) nr. 1194/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor gerichte lampen, ledlampen en gerelateerde uitrusting betreft (PB L 342 van 14.12.2012, blz. 1).
(9) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).


Reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
PDF 137kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over het reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (2018/2600(RSP))
P8_TA(2018)0242B8-0238/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 153, lid 1, onder a) en b), artikel 155, lid 1, en artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 4 en 30 van het Europees Sociaal Handvest en de artikelen 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de antidiscriminatie- en antimisbruikmaatregelen van Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid – Bijlage: Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid(1) (de "richtlijn inzake deeltijdse arbeid"),

–  gezien Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd(2) (de "richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd"),

–  gezien Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(3) (de "arbeidstijdenrichtlijn"),

–  gezien Richtlijn 2008/104/EG van 19 november 2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende uitzendarbeid(4),

–  gezien Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(5) (de "richtlijn inzake een Europese ondernemingsraad"),

–  gezien Verdrag nr. 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, en Verdrag nr. 175 betreffende deeltijdwerk,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk(6),

–  gezien het in november 2017 door zijn directoraat-generaal Intern Beleid gepubliceerde onderzoek, getiteld "Temporary contracts, precarious employment, employees' fundamental rights and EU employment law" ("Tijdelijke arbeidsovereenkomsten, onzekere arbeidsomstandigheden, de grondrechten van werknemers en het arbeidsrecht van de EU")(7),

–  gezien de talrijke verzoekschriften over schendingen van de richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector(8), over de onzekere arbeidsomstandigheden van werknemers in de particuliere sector met een nulurencontract(9), over vakbondsvertegenwoordiging, over verschillen in socialezekerheidsstelsels(10) en over bezwaren tegen het toenemend aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten(11),

–  gezien de nieuwe voorstellen van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese arbeidsautoriteit (COM(2018)0131) en tot opstelling van een aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (COM(2018)0132),

–  gezien het resultaat van de hoorzitting van de Commissie verzoekschriften van 22 november 2017 over de "Bescherming van de rechten van werknemers in tijdelijk of onzeker dienstverband, op basis van ontvangen verzoekschriften",

–  gezien Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn(12),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie en tot intrekking van Richtlijn 91/533/EEG van de Raad (COM(2017)0797),

–  gezien de vraag aan de Commissie over "Reageren op verzoekschriften over de aanpak van onzekere arbeidsomstandigheden en het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd" (O-000054/2018 – B8‑0022/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie verzoekschriften,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het aantal werknemers in de EU met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een deeltijdse overeenkomst in de afgelopen 15 jaar is toegenomen als gevolg van de tenuitvoerlegging van bezuinigingsbeleid en de inperking van de arbeidsrechten, wat heeft geleid tot werkonzekerheid en -instabiliteit; overwegende dat er efficiënt beleid nodig is om de verschillende vormen van werk te bestrijken en werknemers adequaat te beschermen;

B.  overwegende dat onzekere arbeidsomstandigheden ontstaan door grote lacunes op het gebied van de doeltreffende bescherming van de rechten van werknemers op verschillende regelgevingsniveaus, met inbegrip van het primaire en secundaire recht van de EU en het recht van de lidstaten; overwegende dat verzoekschriften over verschillende soorten werk in volledige overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaten waarin de verzoekschriften in kwestie zijn ingediend en met het betreffende EU-recht in overweging moeten worden genomen; overwegende dat het sociaal en arbeidsbeleid van de EU gebaseerd is op het subsidiariteitsbeginsel;

C.  overwegende dat beleidsmaatregelen beter moeten worden afgestemd op het feit dat onzekere arbeidsomstandigheden een dynamisch verschijnsel zijn en op alle persoonlijke werkbetrekkingen van invloed zijn; overwegende dat gestreefd moet worden naar de bestrijding van onzekere arbeidsomstandigheden aan de hand van een geïntegreerd pakket van beleidsmaatregelen voor meerdere beleidsniveaus ter bevordering van inclusieve en doeltreffende arbeidsnormen, alsmede van doeltreffende maatregelen om ervoor te zorgen dat het gelijkheidsbeginsel wordt geëerbiedigd;

D.  overwegende dat de doelstelling om oneerlijke arbeidspraktijken die tot onzekere arbeidsomstandigheden leiden op doeltreffende wijze aan te pakken tevens moet worden nagestreefd met de IAO-agenda voor waardig werk als leidraad, die gericht is op nieuwe banen, arbeidsrechten en sociale bescherming en dialoog – met gendergelijkheid als horizontale doelstelling;

E.  overwegende dat uit gegevens van Eurostat en Eurofound over onvrijwillig tijdelijk werk, over verschillen tussen tijdelijke dienstverbanden met betrekking tot gender en leeftijd en over de onderbenutting van een aanzienlijk aantal deeltijdse werknemers blijkt dat er in toenemende mate sprake is van werkvormen die als niet-standaard of atypisch kunnen worden gekarakteriseerd; overwegende dat uit de naar gender en leeftijd uitgesplitste gegevens over werkloosheid blijkt dat de werkloosheid in de verschillende categorieën momenteel het laagst is sinds 2009;

F.  overwegende dat het aantal atypische en tijdelijke arbeidsovereenkomsten in de particuliere en de overheidssector in de loop der jaren in verscheidene lidstaten aanzienlijk is toegenomen, binnen een rechtskader waarin het misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd vanwege een gebrek aan doeltreffende en evenredige maatregelen niet adequaat kan worden voorkomen, noch kan worden bestraft; overwegende dat dit afbreuk heeft gedaan aan de integriteit van de Europese arbeidswetgeving en aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

G.  overwegende dat er een integraal EU-wetgevingskader bestaat dat het risico op onzekere arbeidsomstandigheden in verband met bepaalde soorten dienstverbanden moet beperken, en onder meer de richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, de richtlijn inzake deeltijdse arbeid, de richtlijn inzake tijdelijke arbeid, de arbeidstijdenrichtlijn, de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep, de richtlijn inzake gelijke behandeling van personen en de richtlijn inzake gelijke kansen en gelijke behandeling omvat;

H.  overwegende dat de behandeling door de Commissie van inbreukprocedures met betrekking tot de schending van de arbeidswetgeving van de EU door bepaalde lidstaten grote vertraging heeft opgelopen en dat dit geleid heeft tot het jarenlange voortslepen van het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en van de schending van de rechten van werknemers;

I.  overwegende dat recente informatie met betrekking tot verzoekschriften over het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector een licht heeft geworpen op de situatie van enkele tijdelijke werknemers die door de overheidsinstantie waarbij zij in dienst waren, ontslagen werden nadat tijdens gerechtelijke procedures was vastgesteld dat de desbetreffende werknemers slachtoffer waren geworden van het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en dat de instantie in kwestie daarmee in overtreding was van Richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;

J.  overwegende dat de lidstaten specifieke nationale wetgeving op het gebied van arbeidsovereenkomsten hebben en dat de arbeidsvoorwaarden daarom per lidstaat verschillen;

K.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften afdoend bewijs heeft ontvangen van onzekere arbeidsomstandigheden;

L.  overwegende dat ook werknemers met een nulurencontract uit hoofde van het EU-recht als werknemers moeten worden aangemerkt, aangezien zij tegen een vergoeding onder het gezag van een ander werken, wat betekent dat zij onder de sociale wetgeving van de EU vallen;

M.  overwegende dat onzekere werkomstandigheden, waaronder ook nulurencontracten worden verstaan, resulteren in ontoereikende toegang tot sociale bescherming en het recht op collectieve onderhandelingen ondermijnen, met name waar het vergoeding en bescherming na onterecht ontslag betreft, en dat deze tevens van invloed zijn op de loopbaanontwikkeling en opleiding van werknemers; overwegende dat onzekere werkomstandigheden in het algemeen hand in hand gaan met onzekere leefomstandigheden;

N.  overwegende dat vrouwen vaker deeltijds, tegen een laag loon of op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werken en daarmee een groter risico lopen op onzekere werkomstandigheden als gevolg van discriminatie op de arbeidsmarkt, en dat dit de vooruitgang op het gebied van de bestrijding en uitbanning van de pensioen- en loonkloof tussen mannen en vrouwen belemmert;

1.  verstaat onder onzekere arbeidsomstandigheden arbeidsomstandigheden die onder meer voortkomen uit het misbruik van tijdelijke arbeidsovereenkomsten en daarmee in strijd zijn met de internationale normen voor arbeidsvoorwaarden, de arbeidsrechten en het EU-recht; onderstreept dat onzekere arbeidsomstandigheden een grotere kans op sociaaleconomische kwetsbaarheid, onvoldoende middelen voor het leiden van een degelijk bestaan en ontoereikende sociale bescherming met zich meebrengen;

2.  beklemtoont dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen atypisch werk en het bestaan van onzeker werk; benadrukt dat de termen "atypisch" en "onzeker" niet als synoniemen kunnen worden gebruikt;

3.  neemt kennis van de resolutie van het Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk en van de ontvangen verzoekschriften, en benadrukt dat het risico op onzekere arbeidsomstandigheden afhangt van het soort overeenkomst maar ook van de volgende factoren:

   weinig of geen baanzekerheid als gevolg van de niet-vaste aard van het werk, zoals het geval is bij onvrijwillige en vaak marginale deeltijdovereenkomsten en, in sommige lidstaten, onduidelijke werktijden en veranderlijke taken als gevolg van werk op aanvraag;
   rudimentaire ontslagbescherming en onvoldoende sociale bescherming bij ontslag;
   onvoldoende beloning voor een fatsoenlijk levenspeil;
   geen of beperkte socialezekerheidsrechten of -uitkeringen;
   geen of beperkte bescherming tegen discriminatie;
   geen of geringe vooruitzichten op een betere positie op de arbeidsmarkt of loopbaanontwikkeling en opleiding;
   weinig collectieve rechten en beperkt recht op collectieve vertegenwoordiging van werknemers;
   arbeidsomstandigheden die niet aan de minimumregels voor veiligheid en gezondheid beantwoorden;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onzekere arbeidsomstandigheden, met inbegrip van nulurencontracten, tegen te gaan door zorg te dragen voor de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en voor de wijdverbreide eerbiediging van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede voor de concrete handhaving van zowel nationale als EU-wetgeving op nationaal niveau om het gebrek aan waardig werk aan de orde te stellen en een op rechten gebaseerde aanpak in te voeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten met alle sociale partners – met name met vakbonden – en met de betrokken belanghebbenden samen te werken om kwalitatief, zeker en goed betaald werk te bevorderen en op deze manier onder andere de arbeidsinspecties te versterken;

5.  verzoekt de Commissie met klem onmiddellijk wetgevende maatregelen te nemen om arbeidspraktijken die ten grondslag liggen aan onzekere werkomstandigheden op doeltreffende wijze aan te pakken;

6.  verzoekt de Commissie haar inspanningen om een einde te maken aan oneerlijke voorwaarden in arbeidsovereenkomsten te intensiveren door alle vormen van misbruik aan te pakken en alle mazen te dichten; neemt kennis van het nieuwe voorstel voor een richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, met als doel voor alle werknemers nieuwe rechten vast te stellen, en met name de arbeidsvoorwaarden voor werknemers die nieuwe en niet-standaardvormen van werk verrichten te verbeteren, alsmede de lasten voor werkgevers te beperken en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt te handhaven;

7.  is in het bijzonder ingenomen met de bepalingen inzake het recht om aanvullend werk te zoeken en het bijbehorende verbod op exclusiviteitsclausules en beperkingen met betrekking tot onverenigbaarheidsclausules, evenals met de bepalingen inzake het recht om op een redelijk tijdstip voorafgaand aan de startdatum van het dienstverband over deze datum geïnformeerd te worden;

8.  benadrukt dat de arbeidstijdenrichtlijn van toepassing kan en moet zijn op werknemers met een nulurencontract en dat dit derhalve betekent dat deze werknemers zich op de regels over minimale rustperioden en maximale werktijden kunnen beroepen;

9.  verzoekt de lidstaten bij het bepalen van het al dan niet bestaan van een dienstverband, rekening te houden met de indicatoren van de IAO om zo het gebrek aan bescherming als gevolg van onzekere arbeidsomstandigheden aan de orde te stellen;

10.  merkt op dat toegang tot sociale bescherming van cruciaal belang is voor de economische en sociale veiligheid van de beroepsbevolking, alsmede voor goed functionerende arbeidsmarkten die vruchtbare omgevingen vormen voor nieuwe banen en duurzame groei;

11.  onderstreept dat er inspecties moeten worden uitgevoerd, zodat werknemers die op basis van tijdelijke of flexibele arbeidsregelingen werken, ten minste dezelfde bescherming genieten als alle andere werknemers; merkt op dat er gericht moet worden getracht om bestaande instrumenten van de IAO in specifieke campagnes tegen onzekere arbeidsomstandigheden in te zetten, en dat er serieus moet worden nagedacht over de behoefte aan nieuwe bindende instrumenten en wettelijke maatregelen onzekere arbeidsomstandigheden te beperken en te verminderen en om onzekere arbeidsovereenkomsten minder aantrekkelijk te maken voor werkgevers;

12.  is er stellig van overtuigd dat er een algemene beoordeling moet worden uitgevoerd van de omstandigheden die een rol spelen bij de verlenging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aangezien de diensten die van werknemers die zich in een dergelijke situatie bevinden worden verlangd, klaarblijkelijk niet van tijdelijke aard zijn, wat betekent dat er sprake is van misbruik en specifiek van schending van clausule 5 van de raamovereenkomst van Richtlijn 1999/70/EG;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten volledige waarborging te bieden voor gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

14.  dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten een beoordeling uitvoeren van de wetgeving op het gebied van onzekere arbeidsomstandigheden en de manier waarop deze omstandigheden verband houden met gender; is van mening dat de aandacht moet worden gevestigd op bestaande maatregelen met betrekking tot de behoeften van vrouwen met onzeker werk, aangezien vrouwen reeds het meest onder deze onzekere omstandigheden lijden en dit zullen blijven doen;

15.  herinnert eraan dat Richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gebaseerd is op de veronderstelling dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer zijn en dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd slechts typisch zijn voor sommige sectoren, beroepen en activiteiten;

16.  veroordeelt de verlenging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om behoeften te dekken die niet van tijdelijke, maar van permanente aard zijn, omdat deze praktijk een inbreuk vormt op Richtlijn 1999/70/EG;

17.  merkt op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vastgesteld dat de omzetting van een overeenkomst voor bepaalde tijd naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd in overeenstemming is met de uit het EU-recht voortvloeiende vereisten, aangezien misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd aan de hand van deze maatregel kan worden voorkomen en de gevolgen van dergelijk misbruik hiermee definitief kunnen worden uitgebannen(13);

18.  beklemtoont dat de omzetting van een overeenkomst voor bepaalde tijd naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd moet worden beschouwd als een maatregel voor het doeltreffend voorkomen en bestraffen van misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd in zowel de particuliere als de overheidssector, en dat deze maatregel door alle lidstaten duidelijk en consequent moet worden opgenomen in de desbetreffende nationale rechtskaders voor arbeidsrecht;

19.  beklemtoont dat het omzetten van een overeenkomst voor bepaalde tijd van een werknemer die het slachtoffer is geworden van het misbruik van dergelijke overeenkomsten – een schending van Richtlijn 1999/70/EG – naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd, niet betekent dat de betrokken lidstaat wordt vrijgesteld van de verplichting om dit misbruik te bestraffen, noch dat de werknemer in kwestie niet langer de mogelijkheid heeft om een schadevergoeding te verkrijgen voor de schade die hij of zij in het verleden heeft geleden;

20.  onderstreept dat, indien een lidstaat besluit om discriminatie of misbruik van een tijdelijke werknemer en daarmee de schending van het EU-recht te bestraffen door de desbetreffende werknemer een vergoeding aan te bieden, deze vergoeding in ieder geval adequaat en doeltreffend moet zijn en alle geleden schade volledig moet dekken;

21.  benadrukt dat de begrotingsoverwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze van een lidstaat voor een bepaald sociaal beleid geen rechtvaardiging kunnen zijn voor het gebrek aan doeltreffende maatregelen voor het voorkomen en het naar behoren bestraffen van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd; benadrukt dat de invoering van dergelijke doeltreffende maatregelen, in volledige overeenstemming met het EU-recht, in wezen noodzakelijk is om de gevolgen van de schending van de rechten van werknemers volledig ongedaan te maken;

22.  veroordeelt het ontslag van werknemers van wie door de bevoegde rechterlijke instanties was vastgesteld dat zij slachtoffer waren geweest van het misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aangezien dit een schending van Richtlijn 1999/70/EG behelst; is er stellig van overtuigd dat er, wanneer misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd wordt vastgesteld, een maatregel kan worden genomen om werknemers te beschermen door doeltreffende en gelijkwaardige waarborgen te bieden en daarmee misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van het EU-recht ongedaan te maken, alsmede de betrekking van de getroffen burgers veilig te stellen;

23.  vraagt de lidstaten de kwaliteit van ongebruikelijke banen te verbeteren door ten minste een reeks minimumnormen inzake sociale bescherming, minimumlonen en toegang tot opleiding en ontwikkeling vast te stellen;

24.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen ter eerbiediging, bevordering en verwerkelijking van de fundamentele beginselen en rechten op het werk die van toepassing zijn op mensen die werkzaam zijn in de informele economie, alsmede ter invoering van passende mechanismen of ter beoordeling van bestaande mechanismen die tot doel hebben om ervoor te zorgen dat de nationale wet- en regelgeving wordt nageleefd en om dienstverbanden zodanig te erkennen en te handhaven dat de overgang van de desbetreffende werknemers naar de formele economie wordt vergemakkelijkt;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten

(1) PB L 14 van 20.1.1998, blz. 9.
(2) PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43.
(3) PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.
(4) PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.
(5) PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0290.
(7) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596823/IPOL_STU(2017)596823_EN.pdf
(8) Verzoekschriften nrs. 0389/2015, 1328/2015, 0044/2016, 0988/2016, 1108/2016, 1202/2016, 1310/2016, 0188/2017, 0268/2017, 0283/2017, 0640/2017 en 0701/2017.
(9) Verzoekschriften nrs. 0019/2016, 0020/2016, 0021/2016, 0099/2017 en 1162/2017.
(10) Verzoekschriften nrs. 0019/2016 en 0442/2017.
(11) Verzoekschrift nr. 1043/ 2017.
(12) PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.
(13) Arrest van het Hof van Justitie van 26 november 2014, Mascolo, C‑22/13, ECLI:EU:C:2014:2401, alinea 55.

Juridische mededeling