Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0091M(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0367/2018

Ingediende teksten :

A8-0367/2018

Debatten :

PV 11/12/2018 - 14
CRE 11/12/2018 - 14

Stemmingen :

PV 12/12/2018 - 12.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0505

Aangenomen teksten
PDF 136kWORD 58k
Woensdag 12 december 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Economische partnerschapsovereenkomst EU-Japan (resolutie)
P8_TA(2018)0505A8-0367/2018

Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap (07964/2018 – C8-0382/2018 – 2018/0091M(NLE))

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07964/2018),

–  gezien de overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap (07965/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (C8-0382/2018),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de 25e topontmoeting EU-Japan van 17 juli 2018,

–  gezien de strategische partnerschapsovereenkomst die de EU en Japan op 17 juli 2018 hebben gesloten,

–  gezien de onderhandelingsrichtsnoeren voor een vrijhandelsovereenkomst met Japan die op 29 november 2012 door de Raad zijn aangenomen en op 14 september 2017 zijn gepubliceerd,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2012 over de handelsbesprekingen tussen de EU en Japan(1),

–  gezien de resoluties van het Europees Parlement van 3 februari 2016 houdende aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)(2), en van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie"(3),

–  gezien het eindverslag van de handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan van april 2016 en de analyse van de economische weerslag van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap die door het directoraat-generaal Handel van de Europese Commissie in juni 2018 is gepubliceerd,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de 38e interparlementaire vergadering EU-Japan van 10 mei 2018,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, goedgekeurd tijdens de top van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling in september 2015 in New York,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" van oktober 2015,

–  gezien het non-paper van de diensten van de Commissie van 26 februari 2018 getiteld "Feedback and way forward on improving the implementation and enforcement of Trade and Sustainable Development chapters in EU Free Trade Agreements",

–  gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 oktober 2014 over de rol van het maatschappelijk middenveld in de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan en van 14 februari 2018 over hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU,

–  gezien het vijftienpuntenplan van de Commissie van 26 februari 2018 om hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling van de EU doeltreffender te maken,

–  gezien advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2017, krachtens artikel 218, lid 11 VWEU, waarom de Commissie op 10 juli 2015 had verzocht,

–  gezien Protocol nr. 26 bij het VWEU over diensten van algemeen belang,

–  gezien de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 168 t/m 191 VWEU en, in het bijzonder, artikel 191, lid 2, VWEU,

–  gezien de artikelen 91, 100, lid 2, en 207 VWEU, en artikel 218 VWEU, in het bijzonder lid 10 ervan,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 12 december 2018(4) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0367/2018),

A.  overwegende dat de Unie en Japan grondwaarden delen, zoals de eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, alsook een sterke inzet voor duurzame ontwikkeling en een gereguleerd stelsel van de Wereldhandelsorganisatie (WTO);

B.  overwegende dat de economische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Japan (EPO) een strategische dimensie heeft en de belangrijkste bilaterale handelsovereenkomst is die ooit door de Unie gesloten is aangezien deze op bijna een derde van het wereldwijde bbp, bijna 40 % van de wereldhandel en ruim 600 miljoen mensen betrekking heeft;

C.  overwegende dat Japan de op twee na grootste consumentenmarkt ter wereld is, maar slechts de zesde uitvoermarkt voor de Unie, waaruit blijkt hoeveel nog te winnen valt bij bilaterale handel;

D.  overwegende dat volgens meerdere ex-ante studies en analyses over de weerslag van de EPO tussen de EU en Japan de overeenkomst positieve effecten kan hebben in termen van bbp, groei, inkomsten, handel, productiviteit en werkgelegenheid voor zowel de Unie als Japan, in overeenstemming met het doel om "slimme, duurzame en inclusieve groei" teweeg te brengen; overwegende dat de overeenkomst eveneens voordelen voor consumenten met zich mee kan brengen door de prijzen te verlagen en het aanbod aan goederen en diensten voor consumenten te verruimen; overwegende dat de Unie de bestaande instrumenten zou moeten verbeteren om werknemers en bedrijven erbij te helpen zich aan te passen aan de nieuwe mogelijkheden en de mogelijke negatieve effecten van de globalisering en handelsovereenkomsten; overwegende dat het succes van de overeenkomst ook beoordeeld zou moeten worden op basis van haar bijdrage aan de realisatie van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen tegen 2030;

E.  overwegende dat het Parlement vanaf het begin toezicht heeft gehouden op deze onderhandelingen en de onderhandelaars onder andere heeft opgeroepen om de belangen van burgers, het maatschappelijk middenveld en ondernemingen te behartigen en transparant te werk te gaan, hetgeen heeft geleid tot betere toegang tot documenten, regelmatige rapportage over de onderhandelingen en betere communicatie; overwegende dat de procedure voor de sluiting van handelsovereenkomsten in de toekomst verder kan worden verbeterd, met name door EU-voorstellen te delen en ervoor te zorgen dat de Raad de onderhandelingsrichtsnoeren systematisch publiceert alvorens de onderhandelingen aan te vatten;

F.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat de door de overeenkomst geboden handelspreferenties en mogelijkheden toegankelijk zijn en ten volle worden benut;

1.  is van mening dat deze overeenkomst van fundamenteel strategisch belang voor beide partners en de rest van de wereld is, dat deze een tijdige blijk van steun vertegenwoordigt voor open, eerlijke en op waarden en regels gebaseerde handel en tegelijkertijd hoge normen bevordert, namelijk op het gebied van milieu, voedselveiligheid, consumentenbescherming en arbeidsrechten, op een moment waarop de internationale orde met ernstig protectionisme kampt; waarschuwt dat dergelijk protectionisme geen optie vormt en dat de status quo in het handelsbeleid niet langer houdbaar is;

2.  is verheugd dat de EPO ambitieus en alomvattend van aard is en inspeelt op de prioriteiten zoals opgenomen in de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2012 over de handelsbesprekingen tussen de EU en Japan;

3.  stelt in het bijzonder vast hoe sterk handelsliberalisering in de EPO wordt nagestreefd: bij de volledige inwerkingtreding van de overeenkomst zullen 99% van de EU-tarieflijnen en 97% van de Japanse tarieflijnen zijn geliberaliseerd, ook voor industrieproducten in sectoren waarin de EU een sterke concurrentiepositie heeft, in combinatie met maatregelen om de meest kwetsbare producten te beschermen door middel van rechtenvrije contingenten, verlaagde rechten of afbouwperiodes; onderstreept dat de EPO een antifraudeclausule bevat, die het de EU mogelijk maakt om in geval van fraude of weigering om medewerking te verlenen in douaneaangelegenheden, handelspreferenties in te trekken, en tegelijk te garanderen dat legitieme handelaars daar geen negatieve gevolgen van ondervinden;

4.  wijst erop dat het EU-tarief voor auto's over een periode van zeven jaar zal worden afgebouwd; verzoekt de Commissie waakzaam te blijven ten aanzien van de ontwikkeling van de handelsstromen met betrekking tot auto's gedurende die periode, teneinde een eventuele verstoring van de Europese markt te voorkomen en er een oplossing voor te vinden; benadrukt echter dat een aanzienlijk aantal van de in de EU verkochte Japanse voertuigmerken in de EU wordt vervaardigd;

5.  wijst erop dat Japan is begonnen met de afbouw van onnodige niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) op een groot aantal gebieden zoals voertuigen, levensmiddelenadditieven, sanitaire en fytosanitaire voorschriften, etikettering van levensmiddelen en cosmetica, waardoor de nalevingskosten afnemen en een voorspelbaarder regelgevingskader ontstaat; herinnert aan het recht van een land om zijn nationale normen strenger dan de internationale normen te maken wanneer dit gerechtvaardigd is om redenen van de volksgezondheid, veiligheid of consumentenbescherming; neemt eveneens nota van Japans verbintenis om zijn normen voor auto's in overeenstemming te brengen met de internationale normen van de Economische Commissie voor Europa van de VN, die EU-autofabrikanten ook naleven;

6.  juicht toe dat Japan met name niet-discriminatoire toegang zal verlenen aan EU-leveranciers tot de aanbestedingsmarkt van 54 kernsteden en het aantal betrokken steden nog verder kan uitbreiden, de "operationele-veiligheidsclausule" zal schrappen, die spoorwegleveranciers uit de EU in de praktijk de toegang tot de Japanse markt belemmerde, en een maximale transparantie bij openbare aanbestedingen zal nastreven; verzoekt de Commissie om de uitvoering van dit punt nauwkeurig te volgen, zodat de toezeggingen met betrekking tot de openstelling van en de gelijke toegang tot de aanbestedingsmarkt worden nagekomen; wijst erop dat bij de gunning van openbare aanbestedingen eveneens rekening moet worden gehouden met sociale en milieucriteria; benadrukt dat zowel in de EU als in Japan bij openbare aanbestedingen het belang van de burger voorop moet blijven staan;

7.  is van mening dat Japan voor landbouwers en voedingsproducenten uit de EU een zeer waardevolle exportmarkt is en merkt op dat circa 85 % van de agrofoodproducten rechtenvrije toegang tot Japan zal krijgen; wijst erop dat na een overgangsperiode ook verwerkte landbouwproducten rechtenvrije toegang tot de Japanse markt zullen genieten; is verheugd over het feit dat de overeenkomst aanzienlijke exportmogelijkheden biedt voor agrofoodproducten uit de EU, zoals wijn, rundvlees, varkensvlees en kaas, en dat deze bescherming biedt aan 205 Europese geografische aanduidingen, met de mogelijkheid om bijkomende geografische aanduidingen toe te voegen, wat een verdere vooruitgang in vergelijking met eerdere handelsovereenkomsten betekent en bijzonder belangrijk is voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in de voedingssector; roept ertoe op de gesprekken na drie jaar verder te zetten om na te gaan op welke wijze de lijst van beschermde geografische aanduidingen kan worden uitgebreid en verwacht dat beide partijen bijzondere aandacht besteden aan duurzame landbouw, met inbegrip van kleinschalige voedselproductie en plattelandsontwikkeling;

8.  onderstreept dat de overeenkomst beste praktijken bevordert om ervoor te zorgen dat consumenten veilige en hoogwaardige (voedings)producten aangeboden krijgen; wijst erop dat niets in de overeenkomst de toepassing van het voorzorgsbeginsel in de EU zoals vervat in het VWEU belet; is verheugd over de opname van een duidelijke verwijzing naar de voorzorgsbenadering in de overeenkomst; wijst erop dat de overeenkomst in geen geval nauwkeurige, begrijpelijke en EU-conforme voedseletikettering in gevaar mag brengen; roept beide partijen ertoe op om bij de uitvoering van de overeenkomst de consumentenbescherming, het consumentenwelzijn en de voedselveiligheid te verhogen en verzoekt de Commissie om specifieke en krachtige bepalingen over consumentenbescherming in alle toekomstige EU-handelsovereenkomsten op te nemen;

9.  benadrukt dat beide partijen er alles aan gelegen is om te zorgen voor hoge niveaus van milieu- en arbeidsbescherming en dat die strenge normen niet als handelsbelemmeringen moeten worden beschouwd, en wijst erop dat de overeenkomst eveneens duidelijk maakt dat arbeids- en milieunormen niet mogen worden versoepeld of verlaagd om handel en investeringen aan te trekken; brengt duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 5 van de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling in herinnering; is verheugd dat zowel Japan als de EU de Verklaring van Buenos Aires inzake vrouwen en handel hebben onderschreven en roept beide partijen ertoe op om hun verbintenissen inzake gender en handel in deze overeenkomst aanzienlijk te versterken, met inbegrip van het recht op een gelijk loon; verwacht dat de EU en Japan alle maatregelen nemen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen bij alles wat zij ondernemen, ook door middel van deze overeenkomst; vraagt de Commissie een ex-post duurzaamheidseffectbeoordeling te maken van de uitvoering van de overeenkomst;

10.  is verheugd over de inzet voor de effectieve uitvoering van de Overeenkomst van Parijs ter bestrijding van de klimaatverandering en van andere multilaterale milieuovereenkomsten, evenals voor het duurzaam beheer van bossen (met inbegrip van de bestrijding van illegale houtkap) en visserij (door illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te bestrijden); benadrukt dat op in de Europese markt ingevoerde producten de wetgeving en normen van de EU van toepassing blijven en dat, in het bijzonder, de houtverordening van de EU (Verordening (EU) nr. 995/2010) verbiedt om illegaal hout in de EU op de markt te brengen en een bindend stelsel van zorgvuldigheidseisen invoert; roept beide partijen ertoe op om nauw samen te werken in het kader van het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling, beste praktijken uit te wisselen en de handhaving van de wetgeving op dit gebied te versterken, met name in het kader van de doeltreffendste maatregelen ter bestrijding van illegale houtkap en bij de bijzondere inspanningen om de uitvoer van illegaal gekapt hout uit de EU naar Japan te voorkomen;

11.  onderstreept dat in de overeenkomst de duidelijke verbintenis om fundamentele IAO-verdragen (Internationale Arbeidsorganisatie) te ratificeren, is opgenomen; onderstreept dat Japan twee IAO-basisverdragen (over discriminatie en over de afschaffing van gedwongen arbeid) nog moet ratificeren en verwacht dat Japan binnen een redelijke termijn concrete vooruitgang zal boeken voor de ratificatie en effectieve uitvoering van deze verdragen, in overeenstemming met de bepalingen van de EPO;

12.  is verheugd dat Japan een interministerieel kader tot stand heeft gebracht om op de uitvoering van de verbintenissen inzake duurzame ontwikkeling toe te zien, met inbegrip van de ratificatie van de IAO-basisverdragen, en dat het comité voor handel en duurzame ontwikkeling waarin de overeenkomst voorziet de opdracht krijgt om over de uitvoering van het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling met het maatschappelijke middenveld in dialoog te gaan;

13.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in paragraaf 161 van advies 2/15 van 16 mei 2017 over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore heeft gesteld dat hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling een directe en onmiddellijke uitwerking op de handel hebben en dat een inbreuk tegen bepalingen inzake duurzame ontwikkeling de tegenpartij het recht verleent om de liberalisering waarin andere bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst voorzien te beëindigen of op te schorten; is verheugd over de opname van een herzieningsclausule in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling en roept beide partijen op om deze clausule op passende wijze en tijdig te benutten om de gedane verbintenissen na te leven en de afdwingbaarheid en doeltreffendheid van de arbeids- en milieubepalingen te verbeteren, en daarbij, als een van de handhavingsmethoden, een op sancties gebaseerd mechanisme als laatste redmiddel te overwegen; verzoekt beide partijen niet te wachten tot de herzieningsclausule wordt geactiveerd om stappen te nemen voor de effectieve tenuitvoerlegging, om te waarborgen dat deze EPO een toonaangevende overeenkomst is die de hoogst mogelijke bescherming biedt; verzoekt de Commissie om toe te zien op de naleving van de verbintenissen in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling en om met Japan samen te werken aan de uitvoering ervan in overeenstemming met het vijftienpunten-non-paper van de Commissie met het oog op de uitvoering van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling;

14.  onderstreept dat op grond van de EPO de autoriteiten van de lidstaten het recht behouden om openbare diensten op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau volledig te bepalen, te verlenen en te reguleren, en dat een "negatieve lijst" waarin deze overeenkomst voorziet regeringen niet belet om geprivatiseerde diensten opnieuw tot openbare diensten te maken of om vrijelijk nieuwe nutsvoorzieningen te ontwikkelen; meent dat in beginsel het gebruik van positieve lijsten zoals in de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (General Agreement on Trade in Services, GATS) van de WTO, de voorkeur verdient; neemt nota van de door beide partijen in de EPO gedane verbintenis om het openbare waterbeheer te beschermen als onderdeel van de algemene uitzondering voor openbare nutsvoorzieningen;

15.  meent dat verbintenissen betreffende markttoegang voor grensoverschrijdende diensten, met inbegrip van e-handel, maritiem vervoer, postdiensten, energie en telecommunicatie, de handel in diensten een flinke duw in de rug kunnen geven; is van mening dat de overeenkomst het voor ondernemingen uit de EU eenvoudiger zal maken om op de Japanse markt diensten te verlenen doordat deze een eerlijkere behandeling waarborgt; herinnert dat doelstellingen van overheidsbeleid moeten worden beschermd, onder andere op het gebied van cyberveiligheid, en dat beleidsruimte moet worden behouden om toekomstige uitdagingen op het gebied van regelgeving aan te kunnen gaan;

16.  wijst erop dat de EPO voorziet in tijdelijke verhuizing van beroepsbeoefenaars naar een ander land ("mode-4") en dat beide zijden zich verbinden tot overplaatsingen binnen ondernemingen in circa 40 sectoren en voor zelfstandigen in circa 20 sectoren, wat helpt om via directe buitenlandse investeringen banden tussen de EU en Japan te bewerkstelligen;

17.  benadrukt dat de overeenkomst het soevereine recht om de financiële en bankensector aan regels te onderwerpen om prudentiële en toezichtsredenen, overeind houdt; roept beide partijen ertoe op om het forum voor financiële regelgeving te gebruiken om het wereldwijde financiële systeem te verbeteren;

18.  is verheugd over belangrijke vernieuwingen, zoals specifieke hoofdstukken of bepalingen betreffende de Overeenkomst van Parijs, betreffende kmo's en betreffende corporate governance, om maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen op basis van de beginselen van de G20 en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO); maant beide partijen ertoe aan om actief te ijveren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

19.  benadrukt dat samenwerking op regelgevingsgebied vrijwillig is en dat deze op geen enkele manier het recht om te reguleren beperkt; herinnert eraan dat de overeenkomende bepalingen ten uitvoer moeten worden gelegd met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de medewetgevers; is verheugd over het feit dat in het hoofdstuk over samenwerking op regelgevingsgebied duidelijk vermeld staat de in het VWEU neergelegde beginselen, zoals het voorzorgsbeginsel, ten volle moeten worden geëerbiedigd;

20.  roept op tot transparantie over de werking van de commissie samenwerking op regelgevingsgebied en tot gepaste deelname van alle belanghebbenden, met name vakverenigingen en maatschappelijke organisaties, wat een vereiste is om het vertrouwen van het publiek in de overeenkomst en haar gevolgen verder te ontwikkelen; benadrukt dat het Parlement op regelmatige basis moet worden ingelicht over de beslissingen die in de commissie samenwerking op regelgevingsgebied worden genomen;

21.  merkt op dat onderhandelingen over een afzonderlijke investeringsovereenkomst gaande zijn, die het Europees Parlement van nabij zal volgen; merkt op dat de Commissie een stelsel van investeringsgerechten heeft opgenomen in overeenkomsten met andere partners, aangezien er nog geen multilateraal investeringsgerecht is opgericht; herhaalt dat het oude, particuliere systeem voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) niet acceptabel is en dat er geen mandaat is om hierop terug te komen;

22.  is verheugd dat de EU en Japan op 17 juli 2018 hun gesprekken over een besluit inzake wederzijdse adequaatheid met succes hebben afgerond en zijn overeengekomen om elkaars systemen voor gegevensbescherming als "gelijkwaardig" te erkennen, waardoor gegevens veiliger tussen de EU en Japan zullen kunnen worden uitgewisseld; benadrukt de belangrijke rol van de respectievelijke gegevensbeschermingsautoriteiten om ervoor te zorgen dat gegevens op toereikende wijze worden beschermd; merkt op dat de overeenkomst een "rendez-vousclausule" bevat die voorziet in een beoordeling van het vraagstuk van de grensoverschrijdende overdracht van gegevensbepalingen binnen drie jaar en erkent het toenemende belang van de digitale economie voor groei en werkgelegenheid; herinnert eraan dat alle handelsovereenkomsten het EU-acquis over gegevensbescherming en over privacybescherming, met inbegrip van de algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679), volledig moeten eerbiedigen, en benadrukt dat het Parlement goedkeuring moet geven aan ieder toekomstig resultaat en dat de fundamentele rechten van de burgers van de EU te allen tijde gevrijwaard moeten blijven;

23.  roept de Commissie op om de samenwerking en coördinatie met Japan over multilaterale vraagstukken te vergroten, in nauwe samenwerking met andere strategische partners, teneinde de internationale normen en een open, eerlijk en sterk multilateraal handelssysteem op basis van de naleving van de WTO-regels en andere internationale normen, te verdedigen en verder te ontwikkelen;

24.  benadrukt dat 78 % van de ondernemingen in de EU die naar Japan exporteren kleinere ondernemingen zijn en is verheugd dat de EPO een afzonderlijk hoofdstuk over kmo’s bevat opdat zij een zo groot mogelijk voordeel uit de overeenkomst kunnen behalen, namelijk via bepalingen waarin beide partijen zich ertoe verbinden om over de markttoegang transparantie te verschaffen en relevante informatie te delen; roept op tot de spoedige oprichting van kmo-contactpunten en een website om ervoor te zorgen dat relevante informatie over markttoegang beschikbaar is voor kmo's;

25.  roept de Commissie ertoe op om nauwlettend toe te zien op de daadwerkelijke uitvoering van de overeengekomen afschaffing van de NTMs, evenals het beheer van de tariefcontingenten voor landbouwproducten, en het Parlement hiervan verslag uit te brengen;

26.  roept beide partijen ertoe op te zorgen voor de actieve betrokkenheid van sociale partners en het maatschappelijk middenveld, met name door middel van de gezamenlijke dialoog met het maatschappelijk middenveld en de interne adviesgroep; roept de Commissie op om actief beste praktijken over de werking van interne adviesgroepen en de gezamenlijke dialoog op te stellen en met Japan te delen; roept beide partijen ertoe op te zorgen voor de snelle oprichting van goed functionerende, doeltreffende en evenwichtige interne adviesgroepen met passende gedragsregels en ervoor te zorgen dat in het overleg tussen regeringen waarin de overeenkomst voorziet op transparante wijze met hun meningen rekening wordt gehouden;

27.  verzoekt de Commissie de delegatie van de Europese Unie in Japan bij het gehele proces van tenuitvoerlegging van de overeenkomst te betrekken; wijst erop dat de delegaties van de EU snel en rechtstreeks handelen mogelijk maken voor de juiste tenuitvoerlegging van de handelsbepalingen en om te waarborgen dat problemen en obstakels snel opgemerkt en doeltreffend aangepakt worden;

28.  verwacht volledige transparantie over de werking van de krachtens de overeenkomst op te richten sectorcommissies, zowel voor het Parlement als voor het algemene publiek;

29.  verbindt zich tot het houden van nauw toezicht op de uitvoering van de overeenkomst, in nauwe samenwerking met de Commissie, de belanghebbenden en de Japanse partners;

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Japan.

(1) PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 16.
(2) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 21.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 22.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0504.

Laatst bijgewerkt op: 7 oktober 2019Juridische mededeling