Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 juni 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Stand van zaken van de recreatievisserij in de EU
 Clearingverplichting, rapportagevereisten en risicolimiteringstechnieken voor otc-derivaten, en transactieregisters ***I
 Gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart ***I
 CO2-emissies en brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ***I
 De modernisering van het onderwijs in de EU
 Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector

Stand van zaken van de recreatievisserij in de EU
PDF 142kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2018 over de stand van zaken van de recreatievisserij in de Europese Unie (2017/2120(INI))
P8_TA(2018)0243A8-0191/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 43,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(4), en met name artikel 77,

–  gezien Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008(5) van de Raad, en met name artikel 5,

–  gezien de studie getiteld "Marine recreational and semi-subsistence fishing – its value and its impact on fish stocks", die in juli 2017 gepubliceerd werd door de beleidsondersteunende afdeling voor Structuur- en Cohesiebeleid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8‑0191/2018),

A.  overwegende dat de definitie van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) van 2013 de recreatievisserij beschrijft als "het vangen of trachten te vangen, hoofdzakelijk als vrijetijdsbesteding en/of voor persoonlijke consumptie, van levende aquatische hulpbronnen. Dit omvat actieve visserijmethoden, onder meer met lijnen, harpoenen en door middel van strandvisserij, en passieve visserijtechnieken, zoals met netten, kooien, fuiken en staande lijnen"; overwegende dat, gelet op het feit dat in artikel 55, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is bepaald dat in het kader van de recreatievisserij gedane vangsten niet in de handel mogen worden gebracht, duidelijke definities van recreatievisserij en mariene recreatievisserij noodzakelijk zijn;

B.  overwegende dat het belangrijk is het verschil te begrijpen tussen recreatievisserij en semizelfvoorzieningsvisserij, omdat die twee afzonderlijk moeten worden geëvalueerd en gereguleerd en omdat duidelijk moet worden gemaakt dat recreatievisserij geen semizelfvoorzieningsvisserij is; overwegende dat de semizelfvoorzieningsvisserij niet in de verordening inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) wordt genoemd; overwegende dat de twee vormen van visserij dan ook afzonderlijk moeten worden geëvalueerd en gereguleerd;

C.  overwegende dat de EU-wetgeving uitsluitend werkt met een systeem met twee categorieën visserij, namelijk recreatieve en commerciële visserij, en dus de semi-zelfvoorzieningsvisserij en de semicommerciële visserij niet erkent;

D.  overwegende dat recreatievisserij gezien haar omvang een aanzienlijke impact kan hebben op visbestanden, maar dat regulering van de kwestie hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de lidstaten valt;

E.  overwegende dat de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties zelfvoorzieningsvisserij heeft gedefinieerd als visserij op waterdieren die aanzienlijk bijdraagt aan het voorzien in de voedselbehoeften van een persoon;

F.  overwegende dat, als er geen duidelijk juridisch onderscheid wordt gemaakt tussen recreatievisserij, semizelfvoorzieningsvisserij en semicommerciële visserij, bepaalde vormen van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO) onontdekt kunnen blijven aangezien zij niet worden geteld of naar behoren gereguleerd;

G.  overwegende dat er op EU-niveau geen eenduidige definitie van recreatievisserij bestaat waarover overeenstemming bestaat, en dat het daardoor zeer moeilijk is de recreatievisserij te controleren, gegevens daarover te verzamelen en de gevolgen voor de visbestanden en het milieu of het economische belang ervan te beoordelen;

H.  overwegende dat er voor een goed beheer van elk soort visserijactiviteiten, met inbegrip van recreatievisserij, regelmatig betrouwbare gegevens moeten worden verzameld en tijdreeksen nodig zijn om de impact op de visbestanden of andere mariene organismen en het milieu te kunnen beoordelen; en dat deze gegevens momenteel ontbreken of incompleet zijn; overwegende dat behalve de directe effecten op de visbestanden ook de verdere milieueffecten van de recreatievisserij onvoldoende zijn onderzocht;

I.  overwegende dat studies hebben aangetoond dat een aanzienlijke hoeveelheid traceerbaar plastic afval in zeeën, meren en rivieren afkomstig is van watergebaseerde recreatieactiviteiten zoals met een boot varen, toerisme en visserij; stelt vast dat afval in de vorm van verloren uitrusting voor recreatievisserij ernstige schade kan toebrengen aan habitats en aan het milieu;

J.  overwegende dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) financiële steun verleent voor het verzamelen van gegevens, ook over recreatievisserij;

K.  overwegende dat in de doelstellingen die zijn opgenomen in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt gerefereerd aan de noodzaak om voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en om de visbestanden en andere mariene organismen boven een niveau te brengen en te behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren;

L.  overwegende dat, volgens een recente studie die in opdracht van het Europees Parlement is uitgevoerd, de impact van recreatievisserij kan variëren afhankelijk van de visbestanden en 2 % (makreel) tot 43 % (witte koolvis) van de totale vangst kan uitmaken;

M.  overwegende dat het voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB noodzakelijk is dat visbestanden en visserijactiviteiten beheerd en in evenwicht gehouden worden; overwegende dat deze doelstellingen niet kunnen worden verwezenlijkt als een deel van de gegevens over de vangsten en over het economisch belang van de visserijactiviteiten, met inbegrip van recreatievisserij, ontbreekt;

N.  overwegende dat de lidstaten verplicht zijn om gegevens te verzamelen, met inbegrip van ramingen van in het kader van recreatievisserij gedane vangsten en terugzettingen van soorten die zijn vermeld in Verordening (EU) 2017/1004 en uiteindelijk zijn opgenomen in meerjarige beheersplannen; overwegende dat slechts enkele lidstaten beschikken over volledige gegevens over de recreatievisserij die in hun territoriale wateren wordt bedreven;

O.  overwegende dat bij de recreatievisserij op zee een groot aantal soorten wordt gevangen, maar dat verplichte gegevensverzameling op slechts enkele daarvan van toepassing is, en dat het daarom noodzakelijk is om per land meer soorten te controleren en analyseren; overwegende dat de vangsten van de recreatievisserij moeten worden opgenomen in de totale ramingen van visserijsterfte en biomassa;

P.  overwegende dat de beschikbaarheid van gegevens over recreatievisserij van regio tot regio verschilt en dat er betere informatie beschikbaar is over de mariene recreatievisserij in de Noordzee en de Oostzee dan over die in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee of de Atlantische Oceaan;

Q.  overwegende dat er in de EU naar schatting tussen 8,7 en 9 miljoen personen zijn die mariene recreatievisserijactiviteiten uitoefenen, d.w.z. 1,6 % van de Europese bevolking, die samen goed zijn voor naar schatting 77 miljoen visdagen per jaar;

R.  overwegende dat in artikel 3, lid 2, punt 6, van Verordening (EU) nr. 508/2014 inzake het EFMZV "visser" wordt gedefinieerd als een door de lidstaat als zodanig erkend persoon die commerciële visserijactiviteiten uitoefent, en dat het derhalve noodzakelijk is dat personen die zich bezighouden met recreatievisserij op een andere manier worden gedefinieerd;

S.  overwegende dat de geschatte economische impact van de Europese recreatievisserij (zonder de waarde van toeristische visserij) 10,5 miljard EUR bedraagt, waarvan 5,1 miljard EUR directe, 2,3 miljard EUR indirecte en 3,2 miljard EUR geïnduceerde uitgaven; overwegende dat in de EU de waarde wordt geraamd op 8,4 miljard EUR, waarvan (4,2 miljard EUR directe, 1,8 miljard EUR indirecte en 2,5 miljard EUR geïnduceerde uitgaven);

T.  overwegende dat er een rechtstreeks verband is tussen overvloed/structuur van visbestanden, toegang tot vangstmogelijkheden en de hieruit voortvloeiende werkgelegenheid en de economische en sociaaleconomische impact ervan; overwegende dat het belangrijk is om de impact van alle visserijtakken op een specifiek bestand te beoordelen, alsook de economische waarde ervan, om beheersmaatregelen te kunnen vaststellen die ertoe bijdragen dat zowel de milieudoelstelling als de economische doelstelling worden behaald;

U.  overwegende dat mariene recreatievisserij goed is voor naar schatting 99 000 voltijdsequivalente banen (vte's) in Europa, waarvan 57 000 directe, 18 000 indirecte en 24 000 afgeleide banen, en een gemiddelde waarde van 49 000 EUR per jaar per vte genereert; overwegende dat dit voor de EU 84 000 vte's (50 000 directe, 15 000 indirecte en 20 000 afgeleide banen) bedraagt;

V.  overwegende dat toeristische mariene recreatievisserij, alsook andere toeristische visserij, erg belangrijk is gebleken voor de economie van vele regio's en landen, en als zodanig moet worden geanalyseerd om de waarde, de impact en het ontwikkelingspotentieel ervan beter te beoordelen;

W.  overwegende dat alle soorten recreatievisserij meer economische en sociale impact op lokaal en regionaal niveau hebben dan op nationaal niveau doordat ze lokale en kustgemeenschappen ondersteunen via toerisme, productie, detailhandel in en verhuur van uitrusting en andere diensten in verband met recreatievisserij;

X.  overwegende dat recreatieve vangsten in sommige gevallen een aanzienlijk aandeel van de totale visserijsterfte van het bestand vertegenwoordigen en dat er daarom rekening mee moet worden gehouden bij de vaststelling van vangstmogelijkheden; overwegende dat, volgens een recente studie in opdracht van het Parlement, het geraamde procentuele aandeel in de totale vangsten dat voor rekening komt van de mariene recreatievisserij per doelsoort sterk kan variëren (van 2 % voor makreel tot 43 % voor witte koolvis);

Y.  overwegende dat het belangrijk is de verschillende recreatievisserijmethoden of segmenten beschreven in de ICES-definitie van 2013 afzonderlijk te beoordelen;

Z.  overwegende dat de evaluatie van de impact van de recreatievisserij op de visbestanden onder meer betrekking moet hebben op de hoeveelheden bewaarde vis en de sterftecijfers van vrijgelaten vis; overwegende dat het overlevingspercentage van met de hengel of de vislijn gevangen vis (vangen en terugzetten) in de meeste gevallen hoger is dan dat voor vis die met ander vistuig en op andere wijzen is gevangen, en dat in deze gevallen met dit gegeven rekening moet worden gehouden; overwegende dat meer informatie over de belangrijkste soorten voor de recreatievisserij op zee nodig is om een vergelijking te kunnen maken tussen de waarschijnlijke overleving van teruggeworpen vissen in de commerciële en teruggezette vissen in de recreatievisserij;

AA.  overwegende dat recreatievisserij een brede waaier van tuig en technieken met verschillende bestanden en milieu-impact omvat en daarom dienovereenkomstig moet worden beoordeeld en gereguleerd;

AB.  overwegende dat er op EU-niveau beperkingen zijn ingevoerd op de recreatievisserij vanwege de deplorabele toestand van het noordelijke zeebaarsbestand en het kabeljauwbestand in de westelijke Oostzee, waarin meeneemlimieten of het verbod op bewaren (zeebaars) zijn vastgesteld om de betrokken bestanden te helpen herstellen; overwegende dat de dringende noodmaatregelen die worden genomen wanneer men van mening is dat de toestand van een bestand te lijden heeft onder recreatievisserij de sector niet de nodige zichtbaarheid bieden;

AC.  overwegende dat bepaalde recreatievissers op diadrome soorten zoals zalm, forel en paling vissen; overwegende dat de gegevensverzameling voor deze soorten in zowel zoet als zout water moet worden uitgevoerd om te beoordelen hoe de visbestanden zich in de loop van de tijd ontwikkelen;

AD.  overwegende dat de gebieden die het best toegankelijk zijn voor de meeste recreatievissers kustgebieden zijn, waar naast vissoorten ook vaak ongewervelde dieren worden gevangen en zeewier wordt geoogst; overwegende dat deze een belangrijke rol spelen in de ecologie van dergelijke gebieden; overwegende dat de impact van vangsten van deze soorten ook moet worden beoordeeld, niet alleen met het oog op de bestanden in kwestie, maar ook op de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken;

AE.  overwegende dat zalmen terugkeren naar de wateren waar zij zijn geboren, en dat deze soort derhalve idealiter alleen zou mogen worden gevangen in de rivierstelsels waar doeltreffende controle en handhaving mogelijk zijn; overwegende dat zalmvangst op zee zonder onderscheid zalm uit zowel gezonde als kwetsbare populaties verwijdert;

AF.  overwegende dat de recreatievisserij een belangrijke bron van visserijsterfte zou kunnen zijn, maar dat de hoogst ingeschatte milieugevolgen voor de zoetwaterrecreatievisserij verband houden met de eventuele uitzetting van niet-inheemse soorten in het ecosysteem, waarvan bij de maritieme recreatievisserij nauwelijks sprake kan zijn;

AG.  overwegende dat het GVB is ingevoerd om de commerciële visserij te beheren, zonder rekening te houden met de recreatievisserij, de bijzonderheden ervan en de behoefte aan specifieke beheersinstrumenten en planning;

AH.  overwegende dat recreatievisserij naast de verwijdering van vis nog andere invloeden op het milieu heeft, maar dat het bij gebrek aan duidelijke gegevens moeilijk is ze te onderscheiden van andere antropogene bronnen;

AI.  overwegende dat met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie rekening moet worden gehouden in verband met het toekomstige beheer van maritieme recreatievisserij, gezien het belang van deze activiteit in het VK en de betekenis ervan voor gedeelde visbestanden;

AJ.  overwegende dat de sportvisserij veel sociale voordelen en voordelen voor de volksgezondheid heeft, zoals een betere levenskwaliteit voor de deelnemers, meer interactie tussen jongeren en meer aandacht voor het milieu en het belang van duurzaamheid;

1.  benadrukt dat het van belang is voldoende gegevens te verzamelen over recreatievisserij, en met name die op zee, om de totale niveaus van visserijsterfte voor alle bestanden naar behoren te kunnen evalueren;

2.  benadrukt dat de recreatievisserij in de meeste Europese landen toeneemt en dat deze vorm van visserij een belangrijke activiteit is met maatschappelijke, economische, werkgelegenheids- en milieueffecten, en dat deze vorm van visserij met name een aanzienlijke impact op de visbestanden kan hebben; benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat recreatievisserij plaatsvindt op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van het GVB;

3.  benadrukt de noodzaak om de artisanale vloot te beschermen en de overleving en generationele vervanging ervan te verzekeren met het oog op de uitbreiding van recreatieve activiteit die verband houdt met recreatieve havens en seizoenstoerisme;

4.  is van mening dat er gegevens moeten worden verzameld over het aantal recreatievissers, de door hen gevangen hoeveelheden vis en de door hen gegenereerde meerwaarde in kustgemeenschappen;

5.  roept de Commissie op de bestaande bepalingen met betrekking tot recreatievisserij te verbeteren en op te nemen in de nieuwe controleverordening;

6.  dringt er bij de Commissie op aan de gegevensverzameling voor de recreatievisserij te evalueren en zo nodig uit te breiden, zodat deze meer visbestanden en andere mariene organismen omvat, een haalbaarheidsstudie uit te voeren naar de uniforme verzameling van gegevens over de sociaaleconomische gevolgen van recreatievisserij, en de verzameling van dergelijke gegevens verplicht te stellen;

7.  benadrukt de noodzaak om de aangifte en de controle van de vangsten afkomstig van recreatievisserij te verbeteren; herinnert eraan dat het Europees Parlement bij de goedkeuring van de EU-begroting voor 2018 zijn goedkeuring heeft gehecht aan een proefproject voor de invoering van een regeling voor maandelijkse rapportage over de vangsten van zeebaars, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om verdere monitoringprojecten te financieren voor de soorten die het kwetsbaarst zijn voor recreatievisserij; herinnert aan het belang van traceerbaarheid en roept de Commissie op de bestaande bepalingen met betrekking tot recreatievisserij te verbeteren en op te nemen in de nieuwe controleverordening;

8.  roept de Commissie op een effectbeoordeling over recreatievisserij in de EU uit te voeren; is van mening dat de beoordeling van de beheersplannen die bepalingen betreffende recreatievisserij bevatten ook moet worden opgenomen in het eindverslag van de Commissie over de effectbeoordeling;

9.  verzoekt de lidstaten de nodige technische maatregelen te treffen om de huidige verordening inzake gegevensverzameling ten uitvoer te leggen en uit te breiden tot andere bestanden en aspecten van de recreatievisserij;

10.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke gegevens over recreatievisserij regelmatig worden verzameld ten behoeve van een volledige evaluatie van de visbestanden en andere mariene organismen, om te zorgen voor een grotere zichtbaarheid van de sector; waarschuwt ervoor dat zonder een dergelijke alomvattende evaluatie en passende maatregelen die op basis van deze evaluatie worden genomen, de visserijbeheersplannen en technische maatregelen de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wellicht niet zullen halen en er ook geen evenwicht zal zijn tussen recreatie- en commerciële visserij;

11.  is van mening dat vangsten van de recreatievisserij die een aanzienlijke impact hebben op de bestanden, moeten worden opgenomen als integraal onderdeel van het ecosysteem en in de sociale en economische overwegingen van de meerjarige beheersplannen, met het oog op het vaststellen van vangstmogelijkheden en het nemen van relevante technische maatregelen; verzoekt de Commissie derhalve om recreatievisserij waar nodig op te nemen in de meerjarige beheersplannen die reeds zijn goedgekeurd of ter goedkeuring voorliggen;

12.  benadrukt dat gegevensverzameling een verplichting van de lidstaten is; wijst er echter op dat een passende definitie van recreatievisserij de kwaliteit van de gegevens zou verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan om op EU-niveau een uniforme definitie van recreatievisserij voor te stellen die een duidelijk onderscheid maakt tussen recreatievisserij en commerciële visserij en semi-zelfvoorzieningsvisserij, uitgaande van het beginsel dat recreatievangsten nooit mogen worden verkocht;

13.  is van mening dat de Commissie op basis van de gegevens en het effectbeoordelingsverslag en rekening houdend met de bevoegdheden van de lidstaten inzake recreatievisserij, de rol van de recreatievisserij in het toekomstige GVB moet evalueren, zodat beide vormen van zeevisserij – commerciële en recreatievisserij – op evenwichtige, eerlijke en duurzame wijze kunnen worden beheerd met het oog op het bereiken van de gewenste doelstellingen;

14.  dringt er bij de Commissie op aan steun te verlenen, met inbegrip van financiële steun, aan de ontwikkeling van de recreatievisserij in de toeristische sector, aangezien deze een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van de blauwe economie in kleine gemeenschappen, kustgemeenschappen en eilanden, met name in de ultraperifere gebieden; is van mening dat dit een positief effect zou hebben op de inspanningen om het toeristenseizoen langer te doen duren dan alleen de zomermaanden; stelt voor dat de Commissie de sportvisserij aanwijst als thema van het projectjaar van EDEN voor duurzaam toerisme en in het kader van het COSME-fonds projecten opstart om het recreatief visserijtoerisme in kleine kustgemeenschappen te bevorderen;

15.  wijst erop dat, buiten de context van normaal beheer van visbestanden op basis van substantieve wetenschappelijke gegevens, de ontwikkeling van recreatievisserijactiviteiten niet mag betekenen dat professionele visserijmogelijkheden worden verminderd of dat de schaarse rijkdommen moeten worden verdeeld tussen professionele en recreatieactiviteiten, vooral in het geval van kleinschalige en artisanale visserij;

16.  erkent dat recreatievisserij al eeuwenlang wordt beoefend in de EU en integraal deel uitmaakt van de cultuur, de tradities en het erfgoed van veel kust- en eilandgemeenschappen; merkt op dat de verschillende soorten recreatievisserij even divers zijn als de culturen binnen de EU zelf en dat dit feit moet worden erkend bij elke poging om op dit gebied wetgeving op te stellen;

17.  verzoekt de Commissie passende maatregelen in te stellen opdat een toekomstige regulering van de recreatievisserij de beroepsvisserij eerbiedigt en niet benadeelt;

18.  wijst erop dat het nodig is nieuwe basisregels voor de recreatieve visserij vast te stellen en dat er bovendien een catalogus van recreatievisserijactiviteiten moet worden aangelegd met informatie over het vistuig en de visserijmethoden en een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten;

19.  wijst op het belang van het EFMZV voor de ontwikkeling van de wetenschappelijke capaciteit en voor een volledige en betrouwbare evaluatie van de maritieme hulpbronnen voor de recreatievisserij; herinnert eraan dat uit het EFMZV middelen voor gegevensverzameling beschikbaar worden gesteld en verzoekt de Commissie het toepassingsgebied van het EFMZV in de toekomst uit te breiden om financiële steun te kunnen verlenen voor onderzoek en analyse van de verzamelde gegevens;

20.  benadrukt dat het dringend noodzakelijk en cruciaal is om de gegevens te delen en wijst erop dat het EFMZV het verzamelen van gegevens ondersteunt, ook met betrekking tot recreatievisserij; dringt er dan ook bij de lidstaten op aan de nodige maatregelen te nemen om gegevens te verzamelen en dringt er bij de Commissie op aan verder te werken aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke databank met alomvattende en betrouwbare gegevens die beschikbaar zijn voor onderzoekers, zodat zij de toestand van de visbestanden kunnen volgen en beoordelen; is van mening dat voor deze maatregelen wellicht financiering in het kader van het EFMZV kan worden aangewend;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.
(2) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(3) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(4) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(5) PB L 157 van 20.6.2017, blz. 1.


Clearingverplichting, rapportagevereisten en risicolimiteringstechnieken voor otc-derivaten, en transactieregisters ***I
PDF 243kWORD 81k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 juni 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (COM(2017)0208 – C8-0147/2017 – 2017/0090(COD))(1)
P8_TA(2018)0244A8-0181/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Amendement 1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)
P8_TA(2018)0244A8-0181/2018
op het voorstel van de Commissie
P8_TA(2018)0244A8-0181/2018
---------------------------------------------------------
P8_TA(2018)0244A8-0181/2018

Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6) is op 27 juli 2012 in het Publicatieblad van de Europese Unie (EU) bekendgemaakt en op 16 augustus 2012 in werking getreden. De vereisten in de verordening, te weten de centrale clearing van gestandaardiseerde otc-derivatencontracten, marginvereisten, operationele vereisten inzake risicolimitering voor otc-derivatencontracten die niet centraal worden gecleard, rapportageverplichtingen voor derivatencontracten, vereisten voor centrale tegenpartijen (hierna "CTP's" genoemd) en vereisten voor transactieregisters, dragen bij tot het verminderen van de systeemrisico's in de vorm van meer transparantie op de otc-derivatenmarkt en een lager tegenpartijkredietrisico en operationeel risico dat met otc-derivaten gepaard gaat.

(2)  Een vereenvoudiging van bepaalde gebieden die onder Verordening (EU) nr. 648/2012 vallen, en een evenredigere benadering van die gebieden, is in overeenstemming met het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van de Commissie, waarin de nadruk wordt gelegd op de noodzaak van kostenvermindering en vereenvoudiging, zodat de beleidsdoelstellingen van de Unie op de meest efficiënte wijze worden bereikt, en is meer specifiek gericht op het verminderen van de regelgevende en administratieve lasten, onverminderd de overkoepelende doelstelling om de financiële stabiliteit te behouden en de systeemrisico's te verkleinen.

(3)  Efficiëntere en robuustere transactieverwerkende systemen en zekerhedenmarkten zijn essentieel voor een goed werkende kapitaalmarktenunie en versterken de inspanningen ter ondersteuning van investeringen, groei en banen in overeenstemming met de beleidsprioriteiten van de Commissie.

(4)  In 2015 en 2016 heeft de Commissie twee openbare raadplegingen georganiseerd over de toepassing van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad. De Commissie heeft ook input over de toepassing van die verordening ontvangen van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), het Europees Comité voor systeemrisico's (ECSR) en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Uit die openbare raadplegingen is gebleken dat de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 648/2012 werden ondersteund door de belanghebbenden en dat er geen behoefte was aan een grondige herziening van die verordening. Op 23 november 2016 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 85, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 een toetsingsverslag aangenomen. Hoewel niet alle bepalingen van Verordening (EU) nr. 648/2012 al volledig van toepassing zijn en een algehele evaluatie van die verordening bijgevolg nog niet mogelijk is, komen in het verslag aspecten aan bod die gerichte actie vereisen om te garanderen dat de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 648/2012 evenrediger, efficiënter en doeltreffender worden verwezenlijkt.

(5)  Verordening (EU) nr. 648/2012 moet betrekking hebben op alle financiële tegenpartijen die een belangrijk systeemrisico voor het financiële stelsel kunnen vormen. De definitie van financiële tegenpartijen moet derhalve worden gewijzigd.

(6)  Sommige financiële tegenpartijen hebben een te beperkt activiteitsvolume op otc-derivatenmarkten om een groot systeemrisico voor het financiële stelsel te vormen en ▌te beperkt om centrale clearing economisch levensvatbaar te maken. Die tegenpartijen, gewoonlijk aangeduid als kleine financiële tegenpartijen (KFT's), moeten worden vrijgesteld van de clearingverplichting maar moeten wel verplicht blijven om zekerheden uit te wisselen om eventuele systeemrisico's in te perken. De overschrijding door een KFT van de clearingdrempel voor ten minste één klasse van otc-derivaten moet echter leiden tot de activering van de clearingverplichting voor alle klassen van otc-derivaten, gezien de onderlinge verwevenheid van de financiële tegenpartijen en de mogelijke systeemrisico's voor het financiële stelsel wanneer deze derivatencontracten niet centraal worden gecleard.

(7)  Niet-financiële tegenpartijen zijn minder met elkaar verweven dan financiële tegenpartijen. Ook zijn ze vaak in slechts één klasse van otc-derivaten actief. Derhalve houden hun activiteiten voor het financiële stelsel een kleiner systeemrisico in dan de activiteiten van financiële tegenpartijen. Het toepassingsgebied van de clearingverplichting voor niet-financiële tegenpartijen moet daarom worden ingeperkt, zodat die niet-financiële tegenpartijen enkel onderworpen worden aan de clearingverplichting met betrekking tot de activaklasse of activaklassen die boven de clearingdrempel uitkomen ▌.

(7 bis)  Aangezien de financiële tegenpartijen en niet-financiële tegenpartijen verschillende risico’s vormen, moeten er twee aparte clearingdrempels worden ontwikkeld. Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen van financiële markten moeten deze drempels regelmatig worden geactualiseerd.

(8)  Het vereiste om bepaalde otc-derivatencontracten te clearen die zijn gesloten voordat de clearingverplichting van kracht wordt, leidt tot rechtsonzekerheid, operationele problemen en biedt weinig voordelen. Dat vereiste veroorzaakt vooral extra kosten en werk voor de tegenpartijen bij deze contracten, kan tevens de goede werking van de markt belemmeren en zorgt niet voor een meer eenvormige en coherente toepassing van Verordening (EU) nr. 648/2012 of een gelijk speelveld voor marktdeelnemers. Het moet bijgevolg worden geschrapt.

(9)  Tegenpartijen met een beperkt activiteitsvolume op de markt voor otc-derivaten krijgen moeilijk toegang tot centrale clearing, hetzij als cliënt van een clearinglid, hetzij via indirecte clearingregelingen. Het vereiste dat clearingleden indirecte clearingdiensten tegen redelijke handelsvoorwaarden faciliteren, is dan ook niet efficiënt. De clearingleden en cliënten van clearingleden die clearingdiensten rechtstreeks leveren aan andere tegenpartijen of dat indirect doen door hun eigen cliënten dergelijke diensten aan andere tegenpartijen te laten leveren, moeten daarom uitdrukkelijk worden verplicht om dit op eerlijke, redelijke, niet-discriminerende en transparante handelsvoorwaarden te doen.

(10)  De clearingverplichting moet in bepaalde omstandigheden opgeschort kunnen worden. Ten eerste moet opschorting mogelijk zijn wanneer de criteria op basis waarvan een specifieke klasse van otc-derivaten aan de clearingverplichting werd onderworpen, niet meer zijn vervuld. Dat zou het geval kunnen zijn wanneer een klasse van otc-derivaten ongeschikt wordt voor verplichte centrale clearing of wanneer een materiële wijziging is opgetreden in een van die criteria ten aanzien van een specifieke klasse van otc-derivaten. De clearingverplichting moet ook opgeschort kunnen worden wanneer een CTP niet langer een clearingdienst voor een specifieke klasse van otc-derivaten of voor een specifiek type tegenpartij verricht en andere CTP’s die clearingdiensten niet snel genoeg kunnen overnemen. Ten slotte moet de opschorting van een clearingverplichting ook mogelijk zijn wanneer dat noodzakelijk wordt geacht om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit in de Unie te voorkomen.

(11)  Rapportage van historische transacties is lastig gebleken vanwege het ontbreken van bepaalde rapportagegegevens die vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 648/2012 niet hoefden te worden gerapporteerd, maar nu wel. Dit heeft geleid tot een groot aantal rapportagefouten en een belabberde kwaliteit van de gerapporteerde gegevens, terwijl het rapporteren van die transacties een aanzienlijke belasting vormt. De kans is dan ook groot dat deze historische gegevens nooit zullen worden gebruikt. Bovendien zal een aantal van deze transacties, en de daarmee gepaarde gaande blootstellingen en risico's, reeds verstreken zijn op het moment dat de termijn voor de rapportage van historische transacties van kracht wordt. Om die situatie te verhelpen, moet de verplichting om historische transacties te rapporteren, worden geschrapt.

(12)  Intragroeptransacties met niet-financiële tegenpartijen vertegenwoordigen een relatief klein deel van alle otc-derivatentransacties en worden hoofdzakelijk gebruikt voor interne hedging binnen groepen. Deze transacties dragen derhalve niet in significante mate bij tot systeemrisico's en de verwevenheid tussen instellingen, maar de verplichting om die transacties te rapporteren brengt wel aanzienlijke kosten en lasten voor niet-financiële tegenpartijen met zich mee. Alle transacties tussen filialen binnen de groep waarbij ten minste één van de tegenpartijen een niet-financiële tegenpartij is, moeten daarom van de rapportageverplichting worden vrijgesteld, ongeacht de plaats van vestiging van de niet-financiële tegenpartij.

(13)  De verplichting tot het rapporteren van op de beurs verhandelde derivatencontracten vormt een aanzienlijke last voor tegenpartijen omdat elke dag een groot aantal van dergelijke contracten wordt gesloten. De openbare raadpleging van de Commissie over de geschiktheidscontrole inzake toezichtrapportage, die werd gepubliceerd op 1 december 2017, heeft tot doel bewijs te verzamelen over de kosten van naleving van bestaande vereisten voor rapportage aan toezichthouders op Unieniveau, en over de consistentie, samenhang, doeltreffendheid, efficiëntie en toegevoegde waarde voor de Unie van die vereisten. Deze raadpleging biedt autoriteiten de kans de rapportage van derivatencontracten op holistische wijze te beoordelen samen met alle bestaande en toekomstige stelsels van toezichtrapportage, stelt de autoriteiten in staat rekening te houden met de nieuwe rapportageomgeving na de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 600/2014▌(7) en biedt de mogelijkheid voorstellen te doen om de ▌last voor marktdeelnemers die transacties van derivatencontracten moeten melden, effectief te verminderen. De Commissie moet rekening houden met die bevindingen om toekomstige veranderingen van de rapportagevereisten krachtens artikel 9, lid 1, voor te stellen in verband met de rapportage van derivatencontracten▌.

(14)  Om de rapportagelast voor kleine niet-financiële tegenpartijen die niet zijn onderworpen aan de clearingverplichting te verminderen, moet uitsluitend de financiële tegenpartij verantwoordelijk, en wettelijk aansprakelijk, zijn voor de rapportage van een eenvormige gegevensverzameling met betrekking tot otc-derivatencontracten die zijn gesloten met een niet-financiële tegenpartij die niet is onderworpen aan de clearingverplichting ▌, alsmede voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens. Teneinde ervoor te zorgen dat de financiële tegenpartij over de benodigde gegevens beschikt om aan haar rapportageverplichting te voldoen, moet de niet-financiële tegenpartij de informatie met betrekking tot de otc-derivatentransacties verstrekken waarvan redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de financiële tegenpartij hier de beschikking over heeft. Niet-financiële tegenpartijen moeten echter ook de keuze hebben over hun otc-derivatencontracten te rapporteren. In dat geval moet de niet-financiële tegenpartij de financiële tegenpartij dienovereenkomstig informeren en moet zij verantwoordelijk en wettelijk aansprakelijk zijn voor de rapportage, alsmede voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens.

(15)  De verantwoordelijkheid voor het rapporteren van andere derivatencontracten moet ook worden vastgesteld. Daarom moet worden gespecificeerd dat de beheermaatschappij van een instelling voor collectieve belegging in effecten (hierna "icbe" genoemd) verantwoordelijk, en wettelijk aansprakelijk, is voor de rapportage namens die icbe ten aanzien van otc-derivatencontracten die door die icbe zijn gesloten, alsook voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens. Evenzo moet de beheerder van een alternatieve beleggingsinstelling (hierna "abi" genoemd) verantwoordelijk, en wettelijk aansprakelijk, zijn voor de rapportage namens die abi ten aanzien van otc-derivatencontracten die door die abi zijn gesloten, alsook voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens.

(16)  Om inconsistenties bij de toepassing van de risicolimiteringstechnieken in de Unie te vermijden, moeten de toezichthouders risicobeheerprocedures goedkeuren die tijdige, nauwkeurige en passend gescheiden uitwisseling van zekerheden van tegenpartijen vereisen, of belangrijke wijzigingen aan die procedures vooraleer deze worden toegepast.

(16 bis)  Teneinde op internationaal niveau verschillen in regelgeving te vermijden en met het oog op de specifieke aard van de handel in deze derivaten, moet de verplichte uitwisseling van variatiemarges voor fysiek afgewikkelde deviezenforwards en fysiek afgewikkelde valutaswaps alleen van toepassing zijn op transacties tussen de meest systemisch relevante tegenpartijen, namelijk kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(16 ter)  Posttransactionele risicoverlagingsdiensten, zoals het comprimeren van portefeuilles, kunnen leiden tot een verlaging van het systeemrisico. Door het verminderen van risico’s in bestaande derivatenportefeuilles, zonder aanpassing van de algemene marktpositie van de portefeuille, kunnen deze diensten tegenpartijblootstellingen en tegenpartijrisico's verbonden aan een toename van uitstaande brutoposities, verlagen. "Compressie van een portefeuille" wordt omschreven in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 en is uitgesloten van het toepassingsgebied van de Uniehandelsverplichting vastgesteld in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 600/2014. Teneinde deze verordening waar nodig in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) nr. 600/2014, en rekening houdend met de verschillen tussen deze twee verordeningen en de mogelijkheid om de clearingverplichting te omzeilen, moet de Commissie, in samenwerking met de ESMA en het ESRB, beoordelen welke posttransactionele risicoverlagingsdiensten kunnen worden vrijgesteld van de clearingverplichting.

(17)  Om de transparantie en voorspelbaarheid van de initiële margins te verbeteren en CTP's ervan te weerhouden hun modellen voor initiële margins te wijzigen op manieren die als procyclisch kunnen worden opgevat, moeten CTP's hun clearingleden voorzien van instrumenten om hun vereisten inzake initiële margins te simuleren en van een gedetailleerd overzicht van de modellen voor initiële margins die zij gebruiken. Dit strookt met de internationale normen die zijn gepubliceerd door het Comité betalingen en marktinfrastructuur en de raad van de Internationale organisatie van effectentoezichthouders, en met name met het in december 2012 gepubliceerde openbaarmakingskader(8) en met de in 2015 gepubliceerde openbare kwantitatieve openbaarmakingsnormen voor centrale tegenpartijen(9), die belangrijk zijn voor het bevorderen van een beter begrip van de risico's en de kosten van de deelname van clearingleden aan een CTP en voor het verbeteren van de transparantie van CTP's ten opzichte van de marktdeelnemers.

(18)  Onzeker blijft echter in hoeverre op omnibusrekeningen of individuele aparte rekeningen aangehouden activa beschermd zijn tegen insolventie. Het is derhalve onduidelijk in welke gevallen CTP's cliëntenposities met voldoende rechtszekerheid kunnen overdragen wanneer een clearinglid in gebreke blijft, of in welke gevallen CTP's, met voldoende rechtszekerheid, de opbrengst uit een vereffening rechtstreeks aan cliënten kunnen uitbetalen. Om clearing en de toegang ertoe te bevorderen, moeten de regels inzake bescherming tegen insolventie van die activa en posities worden verduidelijkt.

(19)  De geldboeten die de ESMA aan onder haar direct toezicht staande transactieregisters kan opleggen, moeten voldoende doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn om de doeltreffendheid van de toezichtbevoegdheden van de ESMA te verzekeren en om de transparantie van de posities en blootstellingen van otc-derivaten te verbeteren. De bedragen van de geldboeten waarin Verordening (EU) nr. 648/2012 aanvankelijk voorzag, bleken onvoldoende afschrikkend te zijn in het licht van de huidige omzet van de transactieregisters, hetgeen de toezichtbevoegdheden van de ESMA uit hoofde van die verordening ten aanzien van transactieregisters mogelijk minder doeltreffend zou kunnen maken. De bovengrens van de basisbedragen voor geldboeten moet dan ook worden opgetrokken.

(20)  Autoriteiten van derde landen moeten toegang hebben tot aan transactieregisters van de Unie gerapporteerde gegevens wanneer het derde land aan bepaalde garanties betreffende de behandeling van die gegevens voldoet en voorziet in een wettelijk bindende en afdwingbare verplichting om autoriteiten van de Unie rechtstreekse toegang te verlenen tot in dat derde land aan transactieregisters gerapporteerde gegevens.

(21)  Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad(10) voorziet in een vereenvoudigde registratieprocedure voor transactieregisters die reeds overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn geregistreerd en die registratie wensen uit te breiden om hun diensten aan te bieden in verband met effectenfinancieringstransacties. Een soortgelijke vereenvoudigde registratieprocedure moet worden ingesteld voor de registratie van transactieregisters die reeds overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2365 zijn geregistreerd en deze registratie wensen uit te breiden om hun diensten aan te bieden in verband met derivatencontracten.

(22)  Ontoereikende kwaliteit en transparantie van door transactieregisters geleverde gegevens maken het moeilijk voor entiteiten die tot deze gegevens toegang hebben gekregen om ze te gebruiken voor toezicht op de derivatenmarkten en beletten regelgevers en toezichthouders om risico's voor de financiële stabiliteit tijdig te onderkennen. Om de kwaliteit van de gegevens en de transparantie te verbeteren en de rapportagevereisten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 648/2012 in overeenstemming te brengen met die van Verordening (EU) 2015/2365 en Verordening (EU) nr. 600/2014, is verdere harmonisatie van de rapportageregels en ‑vereisten noodzakelijk, en met name verdere harmonisatie van gegevensnormen, methoden en regelingen voor rapportage, alsook procedures die moeten worden toegepast door transactieregisters voor het valideren van de volledigheid en nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens, en de afstemming van gegevens met andere transactieregisters. Bovendien moeten transactieregisters tegenpartijen op hun verzoek toegang verlenen tot alle namens hen gerapporteerde gegevens zodat die tegenpartijen de nauwkeurigheid van die gegevens kunnen nagaan.

(22 bis)   Om de administratieve last te verminderen en de matching van de transacties te vergroten, moet de ESMA een gemeenschappelijke Uniestandaard voor rapportage aan transactieregisters invoeren. Aangezien CTP's en andere financiële tegenpartijen gedelegeerde rapportageverplichtingen op zich nemen, zou een enkel formaat de efficiëntie voor alle deelnemers vergroten.

(23)  Inzake de door transactieregisters verrichte diensten is bij Verordening (EU) nr. 648/2012 een concurrerende omgeving ingesteld. Tegenpartijen moeten derhalve kunnen kiezen aan welk transactieregister zij rapporteren en, zo zij dat willen, naar een ander transactieregister kunnen overstappen. Om een overstap te vergemakkelijken en te zorgen voor de continue beschikbaarheid van gegevens zonder overlapping, moeten transactieregisters een passend beleid instellen om de ordelijke overdracht van gegevens aan andere transactieregisters op verzoek van een aan de rapportageverplichting onderworpen onderneming te waarborgen.

(24)  In Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt bepaald dat de clearingverplichting niet mag gelden voor pensioenregelingen zolang CTP's geen passende technische oplossing hebben ontwikkeld voor de overdracht van andere zekerheden dan contanten als variatiemarge. Aangezien voor centrale clearing door pensioenregelingen nog geen realistische oplossing beschikbaar is, moet de tijdelijke vrijstelling met nog eens twee jaar worden verlengd wat betreft de overgrote meerderheid van pensioenregelingen. Centrale clearing moet wel het einddoel blijven, aangezien de huidige regelgevings- en marktontwikkelingen marktdeelnemers in staat stellen binnen de bovenbedoelde termijn passende technische oplossingen te bedenken. Met ondersteuning van de ESMA, de EBA, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (hierna de "Eiopa" genoemd) en het ESRB, moet de Commissie toezicht houden op de vorderingen van CTP's, clearingleden en pensioenregelingen inzake haalbare oplossingen ter bevordering van de deelname van pensioenregelingen aan centrale clearing en een verslag over die vorderingen opstellen. Dat verslag moet ook informatie bevatten over de oplossingen en de daarmee gepaard gaande kosten voor pensioenregelingen, waarbij rekening moet worden gehouden met de evolutie van de regelgeving en de markt, zoals wijzigingen van het type aan de clearingverplichting onderworpen financiële tegenpartij. De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend deze vrijstelling met nog eens een jaar te verlengen, als zij van mening is dat de belanghebbenden tot een oplossing zijn gekomen en meer tijd nodig is voor de uitvoering daarvan.

(24 bis)  Kleine pensioenregelingen, naast die welke zijn aangemerkt als kleine financiële tegenpartijen, brengen niet dezelfde risico’s met zich mee als grotere pensioenregelingen en het is passend om hun een langere vrijstelling van de clearingverplichting toe te staan. Voor dergelijke pensioenregelingen moet de Commissie de vrijstelling van die verplichting verlengen tot drie jaar. Indien, aan het einde van die periode, de Commissie van mening is dat de kleine pensioenregelingen de nodige inspanningen hebben geleverd om passende technische oplossingen te ontwikkelen voor de deelname aan centrale clearing en dat de negatieve gevolgen van centrale clearing van derivatencontracten voor het pensioeninkomen van gepensioneerden onveranderd blijven, moet de Commissie de mogelijkheid hebben de vrijstelling met nog eens twee jaar te verlengen. Wanneer de vrijstelling vervalt, moeten kleine pensioenregelingen onder deze verordening vallen, op dezelfde wijze als alle andere entiteiten die binnen het toepassingsgebied vallen. Vanwege de lagere volumes derivatencontracten die worden gesloten door kleine pensioenregelingen, zullen zij naar verwachting de drempels voor de clearingverplichting niet overschrijden. Dientengevolge zullen de meeste kleine pensioenregelingen, zelfs na het vervallen van de vrijstelling, nog steeds niet aan de clearingverplichting zijn onderworpen.

(24 ter)  De vrijstelling moet van toepassing blijven vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Indien deze verordening in werking treedt na 16 augustus 2018 moet zij ook met terugwerkende kracht van toepassing zijn op alle otc-derivatencontracten die na die datum zijn uitgevoerd. De toepassing met terugwerkende kracht van deze bepaling is nodig om te vermijden dat er een leemte ontstaat tussen het einde van de toepassingsperiode van de bestaande vrijstelling en het begin van de toepassingsperiode van de nieuwe vrijstelling. Beide vrijstellingen dienen namelijk hetzelfde doel.

(25)  Aan de Commissie moet overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen ter specificatie van de omstandigheden waaronder handelsvoorwaarden inzake het verrichten van clearingdiensten worden beschouwd als eerlijk, redelijk, transparant en niet-discriminerend, en ter verlenging van de periode waarin de clearingverplichting niet mag gelden voor pensioenregelingen.

(26)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, en met name met betrekking tot de beschikbaarheid van informatie uit transactieregisters in de Unie voor de desbetreffende autoriteiten van derde landen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(11).

(27)  Met het oog op een consistente harmonisatie van de regels betreffende risicolimiteringsprocedures, de registratie van transactieregisters en rapportagevereisten, moet de Commissie ontwerpen van technische reguleringsnormen vaststellen die zijn opgesteld door de EBA, de EIOPA en de ESMA betreffende de toezichtprocedures voor de initiële en doorlopende validatie van de risicobeheerprocedures die moeten voorzien in tijdige, nauwkeurige en passend gescheiden zekerheden, de bijzonderheden van een vereenvoudigde aanvraag tot verlenging van de registratie van een reeds uit hoofde van Verordening (EU) 2015/2365 geregistreerd transactieregister, de bijzonderheden van de procedures die het transactieregister moet toepassen om de naleving van de rapportagevereisten door de rapporterende tegenpartij of de indienende entiteit te verifiëren, de volledigheid en nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens en de bijzonderheden van de procedures voor de afstemming van gegevens tussen transactieregisters. De Commissie moet die ontwerpen van technische reguleringsnormen vaststellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(12), Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad(13) en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(14).

(28)  De Commissie moet ook de bevoegdheid krijgen om door de ESMA opgestelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 met betrekking tot de gegevensnormen voor de informatie die moet worden gerapporteerd voor de verschillende klassen van derivaten en de methoden en regelingen voor rapportage.

(29)  Daar de doelstellingen van deze verordening – het waarborgen van de evenredigheid van regels die anders overbodige administratieve lasten en nalevingskosten veroorzaken, zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen, en het verbeteren van de transparantie van de posities en blootstellingen van otc-derivaten – niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege hun omvang en gevolgen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(30)  Om alle essentiële uitvoeringsmaatregelen te kunnen vaststellen en marktdeelnemers in staat te stellen de voor nalevingsdoeleinden noodzakelijke maatregelen te nemen, moet de toepassing van sommige bepalingen van deze verordening worden uitgesteld.

(31)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(15) geraadpleegd en heeft op [...] een advies uitgebracht.

(32)  Verordening (EU) nr. 648/2012 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

(32 bis)  De clearingverplichting voor derivaten zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 648/2012 en de handelsverplichting voor derivaten zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 600/2014 moeten waar nodig en passend met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Bijgevolg moet de Commissie een verslag opstellen over de wijzigingen die deze verordening aanbrengt in de clearingverplichting voor derivaten, met name wat betreft de entiteiten die aan de clearingverplichting en het opschortingsmechanisme onderworpen zijn, die ook moeten worden aangebracht in de handelsverplichting voor derivaten zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 600/2014.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt als volgt gewijzigd:

(-1)  In artikel 1 wordt lid 4 vervangen door:"

"4. Deze verordening is niet van toepassing op:

   a) centrale banken en andere overheidsinstellingen die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld;
   b) de Bank voor Internationale Betalingen;
   c) multilaterale ontwikkelingsbanken als vermeld in artikel 117, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.";

"

(-1 bis)  In artikel 1, lid 5, wordt punt a) geschrapt.

(1)  In artikel 2 wordt punt 8 vervangen door:"

"8) "financiële tegenpartij": een beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(16), een kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(17), een icbe waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG, behalve als die icbe verband houdt met een aandelenplan voor werknemers, een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 6, onder a), van Richtlijn 2003/41/EG, een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/61/EU, welke alternatieve beleggingsinstelling in de Unie is gevestigd of wordt beheerd door een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerder) en beschikt over een vergunning of is geregistreerd overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU, behalve als die alternatieve beleggingsinstelling verband houdt met een aandelenplan voor werknemers en, in voorkomend geval, de abi-beheerder in de Unie is gevestigd; en een centrale effectenbewaarinstelling waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(18) ▌;".

"

(2)  Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  Lid 1, onder a), wordt als volgt gewijzigd:

i)  de punten i) tot en met iv) worden vervangen door:"

"i) tussen twee financiële tegenpartijen die zijn onderworpen aan de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, tweede alinea;

   ii) tussen een financiële tegenpartij die is onderworpen aan de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, tweede alinea, en een niet-financiële tegenpartij die is onderworpen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, tweede alinea;
   iii) tussen twee niet-financiële tegenpartijen die zijn onderworpen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, tweede alinea;
   iv) tussen, enerzijds, een financiële tegenpartij die is onderworpen aan de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, tweede alinea, of een niet-financiële tegenpartij die is onderworpen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, tweede alinea, en, anderzijds, een in een derde land gevestigde entiteit die aan de clearingverplichting zou zijn onderworpen indien zij in de Unie was gevestigd;";

"

(b)  In lid 1 wordt punt b) vervangen door:"

"b) zij worden gesloten of verlengd:

   i) op of na de datum met ingang waarvan de clearingverplichting in werking treedt; hetzij
   ii) op of na de datum met ingang waarvan beide tegenpartijen voldoen aan de onder a) uiteengezette voorwaarden.";

"

(c)  de volgende leden worden ingevoegd:"

"3 bis. Clearingleden en cliënten die, rechtstreeks of indirect, clearingdiensten verrichten, doen dat op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende en transparante handelsvoorwaarden. Die clearingleden en cliënten nemen alle redelijke stappen bedoeld om belangenconflicten te herkennen, te voorkomen, te beheren en te monitoren, binnen een groep van verbonden entiteiten, met name tussen de handelseenheid en de clearingeenheid, die een negatieve invloed kunnen hebben op de eerlijke, redelijke, niet-discriminerende en transparante verlening van clearingdiensten.

Clearingleden of cliënten mogen de risico's controleren die verband houden met de aangeboden clearingdiensten.

3 ter.  Om een consistente toepassing van dit artikel te waarborgen, stelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de voorwaarden volgens welke de in lid 3 bis bedoelde handelsvoorwaarden voor clearingdiensten eerlijk, redelijk, niet-discriminerend en transparant worden geacht.

De ESMA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.";

"

(3)  Het volgende artikel 4 bis wordt toegevoegd:"

"Artikel 4 bis

Aan de clearingverplichting onderworpen financiële tegenpartijen

1.  Een financiële tegenpartij die posities in otc-derivatencontracten inneemt, mag jaarlijks haar geaggregeerde gemiddelde positie berekenen aan het eind van de maand voor de voorgaande twaalf maanden ▌, overeenkomstig lid 3.

Wanneer de financiële tegenpartij haar positie niet berekent of wanneer het resultaat van die berekening de in artikel 10, lid 4, onder b), gespecificeerde clearingdrempels overschrijdt, is de financiële tegenpartij gehouden:

   a) de ESMA en de desbetreffende bevoegde autoriteit onmiddellijk daarvan in kennis te stellen;
   b) zich voor toekomstige otc-derivatencontracten, ongeacht de activaklasse of activaklassen waarvoor de clearingdrempel is overschreden, te onderwerpen aan de in artikel 4 bedoelde clearingverplichting; en
   c) de onder b) bedoelde contracten uiterlijk vier maanden na de datum waarop zij onder de clearingverplichting is komen te vallen, te clearen.

2.  Een financiële tegenpartij die overeenkomstig lid 1 aan de clearingverplichting is onderworpen en vervolgens ten aanzien van de desbetreffende bevoegde autoriteit aantoont dat haar geaggregeerde gemiddelde positie aan het eind van de maand voor de voorgaande twaalf maanden ▌niet langer de in lid 1 bedoelde clearingdrempel overschrijdt, valt niet langer onder de in artikel 4 opgenomen clearingverplichting.

2 bis.  Indien een voordien vrijgestelde financiële tegenpartij onderworpen wordt aan de clearingverplichting overeenkomstig lid 1, cleart zij haar otc-derivatencontracten binnen vier maanden nadat de clearingverplichting op haar van toepassing is geworden.

3.  Bij de berekening van de in lid 1 bedoelde posities neemt de financiële tegenpartij alle otc-derivatencontracten mee die zijn gesloten door die financiële tegenpartij of door andere entiteiten binnen de groep waartoe die financiële tegenpartij behoort.";

"

(4)  Artikel 5, lid 2, onder c), wordt geschrapt;

(4 bis)   In artikel 6, lid 2, wordt na punt d) het volgende punt toegevoegd:"

"d bis) binnen elke klasse van otc-derivaten waarnaar onder d) wordt verwezen, de gegevens van de contracttypes waarvoor relevante CTP's zijn gemachtigd om te clearen en de datum waarop die CTP's gemachtigd zijn om die contracten te clearen;".

"

(5)  Artikel 6, lid 2, onder e), wordt geschrapt;

(6)  Het volgende artikel 6 ter wordt toegevoegd:"

"Artikel 6 ter

Opschorting van de clearingverplichting in andere situaties dan afwikkeling

1.  In andere gevallen dan bedoeld in artikel 6 bis, lid 1, mag de ESMA de Commissie verzoeken om tijdelijke opschorting van de in artikel 4, lid 1, bedoelde clearingverplichting voor een specifieke klasse van otc-derivaten of voor een specifiek type tegenpartij, wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de klasse van otc-derivaten komt niet langer in aanmerking voor centrale clearing op basis van de in artikel 5, lid 4, eerste alinea, en artikel 5, lid 5, bedoelde criteria;
   b) een CTP zal de clearing van die specifieke klasse van otc-derivaten waarschijnlijk stopzetten en geen andere CTP is in staat deze specifieke klasse van otc-derivaten zonder onderbreking te clearen;
   c) de opschorting van de clearingverplichting voor een specifieke klasse van otc-derivaten of voor een specifiek type tegenpartij is noodzakelijk om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit in de Unie te voorkomen of aan te pakken en is evenredig met dit doel.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), raadpleegt de ESMA eerst het ESRB.

Wanneer de ESMA de Commissie verzoekt de in artikel 4, lid 1, bedoelde clearingverplichting tijdelijk op te schorten, voert zij redenen en bewijzen aan waaruit blijkt dat aan ten minste één van de in de eerste alinea gestelde voorwaarden is voldaan. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad onverwijld in kennis van het verzoek van de ESMA.

1 bis.  Een verzoek om opschorting van de ESMA zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel kan worden verzocht door een bevoegde autoriteit die is aangewezen in overeenstemming met artikel 22. Wanneer een bevoegde autoriteit de ESMA vraagt een verzoek om opschorting in te dienen, voert zij redenen en bewijzen aan waaruit blijkt dat aan ten minste één van de in de eerste alinea van lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan.

Binnen 48 uur na ontvangst van het verzoek van de bevoegde autoriteit en op basis van de door de bevoegde autoriteit aangevoerde redenen en bewijzen, verzoekt de ESMA de Commissie om de clearingverplichting voor de specifieke klasse van otc-derivaten of voor het in lid 1 bedoelde specifieke type tegenpartij op te schorten, ofwel wijst de ESMA het verzoek van de bevoegde autoriteit af. De ESMA stelt de bevoegde autoriteit in kennis van haar beslissing en geeft daarbij een gedetailleerde toelichting van de redenen.

2.  Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt niet openbaar gemaakt.

3.  De Commissie beslist binnen 48 uur na het in lid 1 bedoelde verzoek en op basis van de door de ESMA aangevoerde redenen en bewijzen, om de clearingverplichting voor de specifieke klasse van otc-derivaten of voor het in lid 1 bedoelde specifieke type tegenpartij op te schorten, of het verzoek om opschorting af te wijzen. De Commissie stelt de ESMA in kennis van haar beslissing en geeft daarbij een gedetailleerde toelichting van de redenen. De Commissie zendt vervolgens die informatie onverwijld door aan het Europees Parlement en de Raad.

4.  Het besluit van de Commissie tot opschorting van de clearingverplichting ▌wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie, op de website van de Commissie en in het in artikel 6 bedoelde openbaar register bekendgemaakt.

5.  Een opschorting van de clearingverplichting overeenkomstig dit artikel is geldig voor een periode van niet meer dan één maand vanaf de datum van de bekendmaking van die opschorting in het Publicatieblad van de Europese Unie.

6.  Mits de redenen voor de opschorting nog steeds bestaan kan de Commissie na raadpleging van de ESMA en het ESRB de in lid 5 bedoelde opschorting verlengen voor een of meer perioden van een maand, doch in totaal niet meer dan twaalf maanden na het einde van de aanvankelijke opschortingsperiode. Een verlenging van de opschorting wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 4.

Voor de toepassing van de eerste alinea stelt de Commissie de ESMA in kennis van en informeert het Europees Parlement en de Raad over haar voornemen om een opschorting van de clearingverplichting te verlengen. De ESMA brengt over de verlenging van de opschorting binnen 48 uur na die kennisgeving een advies uit.";

"

(7)  Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  Lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Financiële tegenpartijen, niet-financiële tegenpartijen die voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 10, lid 1, tweede alinea, en CTP's zorgen ervoor dat de gegevens betreffende elk derivatencontract dat zij hebben gesloten en betreffende elke wijziging van het contract of de beëindiging ervan, overeenkomstig lid 1 bis worden gerapporteerd aan een overeenkomstig artikel 55 geregistreerd of een overeenkomstig artikel 77 erkend transactieregister. De gegevens worden uiterlijk op de werkdag volgend op de sluiting, wijziging of beëindiging van het contract gerapporteerd.

De rapportageverplichting is van toepassing op derivatencontracten die ▌op of na 12 februari 2014 zijn gesloten.

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 3 is de rapportageverplichting niet van toepassing op otc-derivatencontracten binnen dezelfde groep wanneer ten minste een van de tegenpartijen een niet-financiële tegenpartij is of als niet-financiële tegenpartij zou worden aangemerkt als zij in de Unie was gevestigd, mits:

   a) beide tegenpartijen op volledige basis zijn opgenomen in dezelfde consolidatie;
   b) beide tegenpartijen zijn onderworpen aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures; en
   c) de moederonderneming geen financiële tegenpartij is.";

"

(b)  De volgende leden 1 bis en 1 ter worden ingevoegd:"

"1 bis. De in lid 1 bedoelde gegevens betreffende derivatencontracten worden als volgt gerapporteerd:

   b) ▌ de gegevens betreffende otc-derivatencontracten die zijn gesloten tussen een financiële tegenpartij en een niet-financiële tegenpartij die niet voldoen aan de in artikel 10, lid 1, tweede alinea, bedoelde voorwaarden, worden als volgt gerapporteerd:
   i) financiële tegenpartijen zijn bij uitsluiting verantwoordelijk en wettelijk aansprakelijk voor de rapportage van een eenvormige gegevensverzameling, alsook voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens. Teneinde ervoor te zorgen dat de financiële tegenpartij over de benodigde gegevens beschikt om aan de rapportageverplichting te voldoen, verstrekt de niet-financiële tegenpartij aan de financiële tegenpartij de informatie met betrekking tot de tussen hen gesloten otc-derivatencontracten waarvan redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de financiële tegenpartij hier de beschikking over heeft. De niet-financiële tegenpartij is verantwoordelijk voor de nauwkeurigheid van die gegevens;
   ii) onverminderd punt i) kunnen niet-financiële tegenpartijen die al geïnvesteerd hebben in het opzetten van een rapportagesysteem, ervoor kiezen de gegevens betreffende hun otc-derivatencontracten met financiële tegenpartijen te rapporteren aan een transactieregister. In dat geval stellen de niet-financiële tegenpartijen de financiële tegenpartijen waarmee zij otc-derivatencontracten zijn aangegaan vooraf in kennis van hun beslissing. De verantwoordelijkheid en wettelijke aansprakelijkheid voor de rapportage en de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens blijven in deze situatie bij de niet-financiële tegenpartijen berusten.
   (b bis) in het geval van otc-derivatencontracten die zijn aangegaan door een niet-financiële tegenpartij die niet is onderworpen aan de in artikel 10, lid 1, tweede alinea, bedoelde voorwaarden, met een in een derde land gevestigde entiteit die bij vestiging in de Unie een financiële tegenpartij zou zijn, is die niet-financiële tegenpartij niet gehouden te rapporteren op grond van artikel 9 en is deze niet wettelijk aansprakelijk voor de rapportage en de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens betreffende die otc-derivatencontracten als:
   i) de betreffende juridische regeling voor rapportage van het derde land gelijkwaardig geacht wordt op grond van artikel 13 en de financiële tegenpartij uit het derde land dergelijke informatie heeft gerapporteerd op grond van de juridische regeling van het betreffende derde land;
   ii) de betreffende juridische regeling voor rapportage van het derde land niet gelijkwaardig is verklaard op grond van artikel 13 en de financiële tegenpartij uit het derde land ervoor kiest onderworpen te zijn aan de voorschriften van dit artikel, alsof het een financiële tegenpartij is die in de Unie gevestigd is, en zich laat registeren bij de ESMA.

De ESMA maakt een Uniebreed register van de financiële tegenpartijen uit derde landen die ervoor kiezen om onderworpen te zijn aan dit artikel overeenkomstig punt ii), openbaar op haar website;

   (c) de beheermaatschappij van een icbe is verantwoordelijk voor de rapportage van de gegevens betreffende otc-derivatencontracten waarvoor die icbe een tegenpartij is, alsook voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens;
   (d) de beheerder van een abi is verantwoordelijk voor de rapportage van de gegevens betreffende otc-derivatencontracten waarvoor die abi een tegenpartij is, alsook voor de nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens;
   (e) tegenpartijen en CTP's die otc-derivatencontracten rapporteren aan een transactieregister zorgen ervoor dat de gegevens van hun derivatencontracten correct worden gerapporteerd en dat zij niet meermaals worden gerapporteerd.

Tegenpartijen en CTP's die onderworpen zijn aan de in lid 1 bedoelde rapportageverplichting kunnen die rapportageverplichting delegeren.

1 ter.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen ter specificatie van de gegevens die moeten worden verstrekt door een financiële tegenpartij uit een derde land voor haar registratie bij de ESMA als bedoeld in lid 1 bis, eerste alinea, onder b bis), ii).

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.";

"

(c)  Lid 6 wordt vervangen door:"

“6. Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de leden 1 en 3 te garanderen, stelt de ESMA in nauwe samenwerking met het ESCB ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op ter bepaling van:

   a) de gegevensnormen en -formats voor de informatie die moet worden gerapporteerd, waaronder ten minste het volgende:
   i) het mondiale identificatienummer van juridische entiteiten ("legal entity identifier – LEI");
   ii) de internationale effectenidentificatiecode ("international securities identification number – ISIN");
   iii) de unieke transactie-identificatiecode (unique trade identifier – "UTI");
   b) de methoden en regelingen voor rapportage;
   c) de frequentie van de rapporten;
   d) de uiterste datum waarop de derivatencontracten moeten worden gerapporteerd, met inbegrip van een eventuele gefaseerde invoering van de contracten die zijn gesloten voordat de rapportageverplichting van toepassing is.

Bij het ontwikkelen van die ontwerpen van technische normen houdt de ESMA rekening met internationaal overeengekomen ontwikkelingen en normen op Unie- of wereldniveau, en de consistentie ervan met de rapportagevereisten zoals vastgelegd in artikel 4 van Verordening (EU) 2015/2365* en artikel 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014.

De ESMA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.;

__________________________________________________________________

* Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1)."

"

(8)  In artikel 10 worden de leden 1 tot en met 4 vervangen door:"

"1. Een niet-financiële tegenpartij die posities in otc-derivatencontracten inneemt, mag jaarlijks haar geaggregeerde gemiddelde positie berekenen aan het eind van de maand voor de voorgaande twaalf maanden ▌, overeenkomstig lid 3.

Wanneer de niet-financiële tegenpartij haar positie niet berekent of wanneer het resultaat van die berekening als bedoeld in de eerste alinea, de in artikel 10, lid 4, onder b), gespecificeerde clearingdrempels overschrijdt, is die niet-financiële tegenpartij gehouden:

   a) de ESMA en de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit onmiddellijk daarvan in kennis te stellen;
   b) wanneer zij haar positie niet heeft berekend, zich aan de in artikel 4 bedoelde clearingverplichting te onderwerpen voor toekomstige otc-derivatencontracten in alle activaklassen en aan de in artikel 11, lid 3, neergelegde voorschriften;
   b bis) wanneer het resultaat van die berekening als bedoeld in de eerste alinea, de in lid 4, onder b), gespecificeerde clearingdrempels overschrijdt, zich voor toekomstige otc-derivatencontracten in de activaklasse of activaklassen waarvoor de clearingdrempel overschreden is, te onderwerpen aan de in artikel 4 bedoelde clearingverplichting, en vrijgesteld te zijn van de in artikel 11, lid 3 neergelegde vereisten in de andere activaklasse of activaklassen waarvoor de clearingdrempel niet overschreden is;
   c) de onder b) bedoelde contracten uiterlijk vier maanden na de datum waarop zij onder de clearingverplichting is komen te vallen, te clearen.

2.  Een niet-financiële tegenpartij die overeenkomstig lid 1, tweede alinea, onder de clearingverplichting is komen te vallen en die vervolgens tegenover de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit aantoont dat haar geaggregeerde gemiddelde positie aan het eind van de maand voor de voorgaande twaalf maanden ▌de in lid 1 bedoelde clearingdrempel niet langer overschrijdt, valt niet langer onder de clearingverplichting van artikel 4.

3.  Bij de berekening van de in lid 1 bedoelde posities houdt de niet-financiële tegenpartij rekening met alle otc-derivatencontracten die zijn gesloten door de niet-financiële tegenpartij of door andere niet-financiële entiteiten binnen de groep waartoe de niet-financiële tegenpartij behoort en waarvan niet objectief kan worden aangetoond dat ze risico's verminderen die rechtstreeks met de commerciële bedrijvigheid of de activiteiten betreffende het beheer van de kasmiddelen van de niet-financiële tegenpartij of van die groep verband houden.

4.  Om een consistente toepassing van dit artikel te garanderen, stelt ESMA, na raadpleging van het ESRB en andere relevante autoriteiten, ontwerpen van technische reguleringsnormen op, waarin het volgende wordt gespecificeerd:

   a) criteria om te bepalen van welke otc-derivatencontracten objectief kan worden vastgesteld dat zij risico's verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteiten of de activiteiten betreffende kasbeheer als bedoeld in lid 3; en
   b) de waarden van de clearingdrempels die worden vastgesteld met inachtneming van de systeemrelevantie van de som van de nettoposities en risicoposities per tegenpartij en per klasse van otc-derivaten.

De ESMA kan voor financiële en niet-financiële tegenpartijen verschillende clearingdrempels vaststellen waarbij rekening gehouden wordt met de verwevenheid van financiële tegenpartijen en hun hogere systeemrisico.

Na een open publieke raadpleging te hebben gehouden, legt ESMA deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 30 september 2012 voor aan de Commissie en werkt die stelselmatig bij.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

De ESMA toetst, na raadpleging van het ESRB en andere relevante autoriteiten, periodiek de drempels als bedoeld onder b), en stelt, waar passend, met name om te zorgen voor een grotere deelname aan centrale clearing, technische reguleringsnormen voor tot wijziging van die drempels.";

"

(8 bis)  In artikel 11 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"1 bis. De in lid 1 van dit artikel bedoelde vereisten zijn niet van toepassing op de in artikel 3 bedoelde intragroeptransacties wanneer een van de tegenpartijen een niet-financiële tegenpartij is die niet onder de in artikel 10, lid 1, tweede alinea, bedoelde clearingverplichting valt.";

"

(8 ter)  Artikel 11, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:"

"3. Financiële tegenpartijen beschikken over risicobeheerprocedures die een tijdige, nauwkeurige en passend gescheiden uitwisseling van zekerheden voorschrijven met betrekking tot otc-derivatencontracten die op of na 16 augustus 2012 worden gesloten. Niet-financiële tegenpartijen als bedoeld in artikel 10 mogen geen risicobeheerprocedures toepassen die een tijdige, nauwkeurige en passend gescheiden uitwisseling van zekerheden voorschrijven met betrekking tot otc-derivatencontracten in de activaklasse of activaklassen waarvoor de clearingdrempel niet overschreden is.";

"

(9)  Artikel 11, lid 15, wordt als volgt gewijzigd:

(a)  Punt a) wordt vervangen door:"

"a) de risicobeheerprocedures, inclusief de in lid 3 bedoelde niveaus en categorie zekerheden en scheidingsregelingen, alsook de desbetreffende toezichtprocedures om te zorgen voor de initiële en doorlopende validatie van deze risicobeheerprocedures;";

"

(b)  De eerste zin van de tweede alinea wordt vervangen door:"

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.";

"

(10)  Aan artikel 38 worden de volgende leden 6 en 7 toegevoegd:"

"6. Een CTP verschaft haar clearingleden een simulatie-instrument waarmee zij, op brutobasis, het bedrag kunnen bepalen van de aanvullende initiële margin die de CTP na het clearen van een nieuwe transactie kan verlangen. Dat instrument is enkel toegankelijk via een beveiligde toegang en de resultaten van de simulatie zijn niet bindend.

7.  Een CTP verschaft haar clearingleden informatie over de modellen voor initiële margins die zij gebruikt. Die informatie voldoet aan alle volgende voorwaarden:

   a) het ontwerp van het model voor initiële margins en de werking ervan worden erin uitgelegd;
   b) de belangrijkste aannames en beperkingen van het model voor initiële margins en de omstandigheden waaronder die aannames niet meer gelden, worden erin uitgelegd;
   c) de informatie is gedocumenteerd.";

"

(11)  Aan artikel 39 wordt het volgende lid 11 toegevoegd:"

"11. De nationale insolventiewetgeving van de lidstaten belet niet dat een CTP handelt in overeenstemming met artikel 48, leden 5 tot en met 7, ten aanzien van de activa en posities die zijn vastgelegd in de rekeningen bedoeld in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel.”;

"

(12)  Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  Lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Voor de toepassing van artikel 55, lid 1, dient een transactieregister bij de ESMA een van de volgende aanvragen in:

   a) een registratieaanvraag;
   b) een aanvraag tot verlenging van de registratie indien het transactieregister reeds is geregistreerd uit hoofde van hoofdstuk III van Verordening (EU) 2015/2365.";

"

(b)  Lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Om een consistente toepassing van dit artikel te garanderen, stelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen op voor:

   a) de gegevens in de in lid 1, onder a), bedoelde registratieaanvraag;
   b) de gegevens van een vereenvoudigde aanvraag tot verlenging van de registratie als bedoeld in lid 1, onder b).

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.";

"

(c)  Lid 4 wordt vervangen door:"

"4. Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van lid 1 te garanderen, stelt de ESMA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op waarin het volgende is gespecificeerd:

   a) het formaat van de in lid 1, onder a), bedoelde registratieaanvraag;
   b) het formaat van de aanvraag tot verlenging van de registratie als bedoeld in lid 1, onder b).

Met betrekking tot punt b) van de eerste alinea stelt de ESMA een vereenvoudigd formaat op.

De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [9 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.";

"

(12 bis)   Artikel 62, lid 5, wordt geschrapt.

(12 ter)   Artikel 63, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Om haar taken krachtens deze verordening uit te voeren, kan de ESMA alle nodige inspecties ter plaatse in elke bedrijfsruimte en op elk terrein van de in artikel 61, lid 1, bedoelde rechtspersonen verrichten. Wanneer dit voor het behoorlijk en efficiënt verrichten van de inspecties nodig is, kan de ESMA de inspectie ter plaatse onaangekondigd verrichten.";

"

(12 quater)   Artikel 63, lid 2, wordt vervangen door:"

"2. De functionarissen en andere personen die door de ESMA gemachtigd zijn een inspectie ter plaatse uit te voeren, kunnen de bedrijfsruimten of gebouwen van onder de onderzoeksbeschikking van de ESMA vallende rechtspersonen betreden en hebben alle in artikel 62, lid 1, bepaalde bevoegdheden. Zij zijn tevens bevoegd tot het verzegelen van alle ruimten en boeken of vastleggingen van het bedrijf voor de duur van en voor zover nodig voor de inspectie.”;

"

(12 quinquies)  In artikel 63 wordt lid 8 geschrapt.

(12 sexies)  Artikel 64, lid 4, wordt als volgt gewijzigd:"

"4. Wanneer de onderzoeksfunctionaris het dossier met de bevindingen aan de ESMA voorlegt, stelt hij de aan het onderzoek onderworpen personen daarvan in kennis. Die personen zijn gerechtigd toegang tot het dossier te krijgen, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van andere personen bij de bescherming van hun zakengeheimen. Het recht op toegang tot het dossier geldt niet voor vertrouwelijke informatie of interne voorbereidende documenten van de ESMA.";

"

(12 septies)   Artikel 64, lid 8, wordt vervangen door:"

"8. Indien de ESMA bij het vervullen van haar taken krachtens deze verordening tot de bevinding komt dat er ernstige aanwijzingen zijn voor het mogelijke bestaan van feiten waarvan zij weet dat ze strafbaar zijn volgens het toepasselijke recht, verwijst zij de zaak voor onderzoek en mogelijke strafrechtelijke vervolging door naar de bevoegde instanties. Bovendien ziet de ESMA af van het opleggen van geldboeten of dwangsommen wanneer zij weet er weet van heeft dat een eerdere vrijspraak of veroordeling in een krachtens het nationale recht gevoerde strafprocedure wegens dezelfde feiten of in wezen gelijkaardige feiten reeds in kracht van gewijsde is gegaan.”;

"

(12 octies)   Artikel 65, lid 1, tweede alinea, wordt geschrapt.

(13)  Artikel 65, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

(a)  onder a) wordt "20 000 EUR" vervangen door "200 000 EUR";

(b)  onder b) wordt "10 000 EUR" vervangen door "100 000 EUR";

(c)  het volgende punt c) wordt ingevoegd:"

"c) voor de inbreuken bedoeld in afdeling IV van bijlage I bedragen de geldboeten niet minder dan 5 000 EUR en niet meer dan 10 000 EUR.";

"

(13 bis)   In artikel 67 wordt aan lid 1 de volgende alinea toegevoegd:"

"De eerste alinea is niet van toepassing indien dringende maatregelen nodig zijn om significante en dreigende schade aan het financiële stelsel of significante en dreigende schade aan de integriteit, transparantie, efficiëntie en ordelijke werking van de financiële markten te voorkomen, met inbegrip van de stabiliteit of de nauwkeurigheid van de aan transactieregisters gerapporteerde gegevens. In dat geval kan ESMA een voorlopig besluit nemen en worden de betrokken personen zo spoedig mogelijk na het nemen van het besluit in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.".

"

(14)  Artikel 72, lid 2, wordt vervangen door:"

"2. Het bedrag van een vergoeding die een transactieregister wordt aangerekend, dekt alle door de ESMA voor haar activiteiten op het gebied van registratie en toezicht redelijkerwijs gemaakte administratieve kosten en is evenredig met de omzet van het betrokken transactieregister en het type registratie en toezicht dat is uitgeoefend.";

"

(15)  Het volgende artikel 76 bis wordt ingevoegd:"

"Artikel 76 bis

Wederzijdse rechtstreekse toegang tot gegevens

1.  Indien noodzakelijk voor de uitoefening van hun taken krijgen de desbetreffende autoriteiten van derde landen waar een of meer transactieregisters zijn gevestigd, rechtstreeks toegang tot in transactieregisters in de Unie bewaarde informatie, op voorwaarde dat de Commissie daartoe overeenkomstig lid 2 een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld.

2.  Bij de indiening van een in lid 1 bedoeld verzoek door de autoriteiten kan de Commissie overeenkomstig de in artikel 86, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vaststellen om te bepalen of de regelgeving van het derde land van de verzoekende autoriteit beantwoordt aan de volgende voorwaarden:

   a) aan in dat derde land gevestigde transactieregisters is een vergunning verleend;
   b) transactieregisters in dat derde land zijn doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving van hun verplichtingen onderworpen;
   c) er bestaan waarborgen inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening opgenomen waarborgen, met inbegrip van de bescherming van bedrijfsgeheimen die de autoriteiten met derden delen;
   d) de transactieregisters waaraan in dat derde land een vergunning is verleend, zijn onderworpen aan een wettelijk bindende en afdwingbare verplichting om de in artikel 81, lid 3, bedoelde entiteiten rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot de gegevens te verlenen.";

"

(16)  In artikel 78 worden de volgende leden 9 en 10 toegevoegd:"

"9. Een transactieregister stelt de volgende procedures en gedragslijnen vast:

   a) procedures voor de effectieve afstemming van gegevens tussen transactieregisters;
   b) procedures om de volledigheid en nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens te waarborgen;
   c) gedragslijnen voor de correcte overdracht van gegevens aan andere transactieregisters op verzoek van de in artikel 9 bedoelde tegenpartijen of CTP's of indien anderszins noodzakelijk.

(10)  Met het oog op een consistente toepassing van dit artikel stelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin het volgende is gespecificeerd:

   a) de procedures voor de afstemming van gegevens tussen transactieregisters;
   b) de procedures die het transactieregister moet toepassen om na te gaan of de rapporterende tegenpartij of indienende entiteit de rapportageverplichtingen nakomt en om de volledigheid en nauwkeurigheid van de op grond van artikel 9 gerapporteerde informatie te verifiëren.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.";

"

(17)  Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  Aan lid 3 wordt het volgende punt q toegevoegd:"

"q) de relevante autoriteiten van een derde land waarvoor overeenkomstig artikel 76 bis een uitvoeringshandeling is vastgesteld;";

"

(b)  Het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:"

"3 bis. Een transactieregister verschaft de in artikel 9, lid 1 bis, tweede alinea, bedoelde tegenpartijen en CTP’s de namens hen gerapporteerde informatie.";

"

(c)  Lid 5 wordt vervangen door:"

"5. Om een consistente toepassing van dit artikel te garanderen, stelt de ESMA nadat zij de leden van het ESCB heeft geraadpleegd, ontwerpen van technische reguleringsnormen op voor:

   a) de informatie die moet worden bekendgemaakt of beschikbaar moet worden gesteld overeenkomstig de leden 1 en 3;
   b) de frequentie van de bekendmaking van de in lid 1 bedoelde informatie;
   c) de operationele normen die nodig zijn om gegevens tussen registers te kunnen aggregeren en vergelijken en om de in lid 3 bedoelde entiteiten toegang tot deze informatie te kunnen verschaffen;
   d) de voorwaarden, regelingen en vereiste documentatie op basis waarvan transactieregisters toegang verlenen tot de in lid 3 bedoelde entiteiten.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] in bij de Commissie.

Bij het opstellen van deze ontwerpen van technische normen draagt de ESMA er zorg voor dat er bij de bekendmaking van de in lid 1 bedoelde informatie geen contractpartijen worden geïdentificeerd.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.";

"

(18)  Artikel 82, lid 2, wordt vervangen door:"

"2. De in artikel 1, lid 6, artikel 4, lid 3, artikel 64, lid 7, artikel 70, artikel 72, lid 3, artikel 76 bis en artikel 85, lid 2, bedoelde bevoegdheden worden aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd.";

"

(19)  Artikel 85 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  Lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Uiterlijk op ... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] beoordeelt de Commissie de toepassing van deze verordening en stelt zij er een algemeen verslag over op. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.”;

"

(a bis)  Het volgende lid wordt ingevoegd:"

"1 bis. Uiterlijk op ... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] dient de ESMA bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag in met een analyse van de gevolgen voor de marktdeelnemers van bij Verordening (EU) 2018/... [deze wijzigingsverordening] ingevoerde wijzigingen van het rapportagesysteem. In dat verslag wordt met name het gebruik en de toepassing beoordeeld van de respectieve bepalingen die het delegeren van rapportage aan financiële tegenpartijen mogelijk maken en de rapportage van contracten door CTP's verplichten. In het kader van het verslag wordt daarnaast onderzocht of die nieuwe bepalingen daadwerkelijk hebben geleid tot de beoogde vermindering van de rapportagelast voor kleinere tegenpartijen. Tevens wordt onderzocht hoe deze nieuwe bepalingen de concurrentie tussen transactieregisters hebben beïnvloed en of en in welke mate zij hebben geresulteerd in een minder concurrerende omgeving en minder keuzevrijheid voor clearingleden en hun cliënten.";

"

(b)  Lid 2 wordt vervangen door:"

"2. Uiterlijk op ... [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] en vervolgens elk jaar daarna tot ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] stelt de Commissie een verslag op waarin beoordeeld wordt of realistische technische oplossingen zijn ontwikkeld voor de overdracht door pensioenregelingen van contanten en andere zekerheden dan contanten als variatiemarge en of er behoefte is aan maatregelen om die technische oplossingen te faciliteren.

De ESMA dient uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] en vervolgens elk jaar daarna tot ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], in samenwerking met de Eiopa, de EBA en het ESRB, een verslag in bij de Commissie, waarin het volgende wordt beoordeeld:

   a) of centrale tegenpartijen, clearingleden en pensioenregelingen passende inspanningen hebben geleverd en realistische technische oplossingen hebben ontwikkeld ter bevordering van de deelname van pensioenregelingen aan centrale clearing door het storten van contanten en andere zekerheden dan contanten als variatiemarge, met inbegrip van de gevolgen van die oplossingen voor de liquiditeit van de markt en procyclische effecten en de mogelijke juridische en andere implicaties daarvan;
   b) de omvang en de aard van de activiteiten van pensioenregelingen op geclearde en niet-geclearde otc-derivatenmarkten, per activaklasse, en eventuele daarmee verband houdende systeemrisico's voor het financiële stelsel;
   c) indien pensioenregelingen aan de clearingverplichting voldoen, de gevolgen voor hun beleggingsstrategieën, met inbegrip van elke verandering in hun contante en niet-contante allocatie van activa;
   d) de gevolgen van de in artikel 10, lid 4, bedoelde clearingdrempels voor pensioenregelingen;
   e) het effect van andere wettelijke voorschriften op het kostenverschil tussen geclearde en niet-geclearde otc-derivatentransacties, met inbegrip van marginvereisten voor niet-geclearde derivaten en de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 uitgevoerde berekening van de hefboomratio;
   f) of verdere maatregelen nodig zijn ter bevordering van een clearingoplossing voor pensioenregelingen.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 82 een gedelegeerde handeling vast tot eenmalige verlenging met twee jaar van de in artikel 89, lid 1, bedoelde termijn van drie jaar, indien zij tot de conclusie komt dat er geen realistische technische oplossing is ontwikkeld en dat de negatieve gevolgen van het centraal clearen van derivatencontracten voor het pensioeninkomen van toekomstige gepensioneerden ongewijzigd blijven.";

"

(c)  Lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Uiterlijk … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] ▌gaat de Commissie over tot

   a) het indienen van een voorstel voor een andere bindende oplossing dan permanente of verdere tijdelijke vrijstellingen van pensioenregelingen van de clearingverplichting, als de Commissie van mening is dat de belanghebbenden niet tot een oplossing zijn gekomen; hetzij
   b) het vaststellen van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 82, met het oog op het eenmalig voor een periode van één jaar verlengen van de in artikel 89, lid 1, bedoelde periode van twee jaar, uitsluitend als zij van mening is dat de belanghebbenden tot een oplossing zijn gekomen en meer tijd nodig is voor de uitvoering daarvan; hetzij
   c) het laten vervallen van de vrijstelling en het tegelijkertijd aansporen van de belanghebbenden om hun oplossing vroegtijdig toe te passen indien de Commissie van mening is dat er een oplossing is gevonden.;

"

(c bis)  de volgende leden worden ingevoegd:"

"3 bis. Uiterlijk op … [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 82 een gedelegeerde handeling vast tot eenmalige verlenging met twee jaar van de in artikel 89, lid 1 bis, bedoelde termijn van drie jaar, uitsluitend indien zij tot de conclusie komt dat de pensioenregelingen als bedoeld in artikel 89, lid 1 bis, de nodige inspanningen hebben geleverd om passende technische oplossingen te ontwikkelen en dat de negatieve gevolgen van het centraal clearen van derivatencontracten voor het pensioeninkomen van gepensioneerden ongewijzigd blijven.

3 ter.   De ESMA dient uiterlijk op … [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] een verslag in bij de Commissie waarin wordt beoordeeld of de lijst van financiële instrumenten die als zeer liquide instrumenten met een zeer laag krediet- en marktrisico kunnen worden beschouwd, overeenkomstig artikel 47, kan worden uitgebreid en of in deze lijst een of meer geldmarktfondsen waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1131, kunnen worden opgenomen.";

"

(e)  de volgende leden worden toegevoegd:"

"6. Uiterlijk op ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] dient de Commissie, na raadpleging van de ESMA, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de aanpassing van de handelsverplichting voor derivaten op grond van Verordening (EU) nr. 600/2014, met de wijzigingen op grond van Verordening (EU) 2018/... [deze wijzigingsverordening] aan de clearingverplichting voor derivaten, met name wat betreft de entiteiten die aan de clearingverplichting en het opschortingsmechanisme onderworpen zijn. Indien deze aanpassing nodig en passend wordt geacht, gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel waarin de nodige wijzigingen worden opgenomen.

7.  De ESMA dient uiterlijk op … [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], in samenwerking met de Eiopa en de EBA een verslag in bij de Commissie, waarin wordt beoordeeld of het in artikel 4, lid 3 bis, bedoelde beginsel van eerlijke, redelijke, niet-discriminerende en transparante handelsvoorwaarden doeltreffend is geweest om de toegang tot clearing te vergemakkelijken.

De Commissie dient uiterlijk op … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld of het beginsel van eerlijke, redelijke, niet-discriminerende en transparante handelsvoorwaarden doeltreffend is geweest om de toegang tot clearing te vergemakkelijken en waarin, in voorkomend geval, verbeteringen van dat beginsel worden voorgesteld. In dit verslag worden de bevindingen van het in de eerste alinea bedoelde verslag in aanmerking genomen. Het verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

8.  Uiterlijk op … [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] stelt de Commissie een verslag op waarin wordt beoordeeld of transacties die rechtstreeks voortvloeien uit posttransactionele risicoverlagende diensten, met inbegrip van het comprimeren van portefeuilles, moeten worden vrijgesteld van de in artikel 4, lid 1, bedoelde clearingverplichting. In dit verslag neemt de Commissie met name in aanmerking in welke mate deze transacties de risico's beperken, met name het tegenpartijkredietrisico en het operationele risico, alsook in hoeverre de clearingverplichting via deze transacties kan worden omzeild en centrale clearing kan worden ontmoedigd. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende wetgevingsvoorstellen.

Ter ondersteuning van de Commissie bij de uitwerking van het in de eerste alinea bedoelde verslag, dient de ESMA uiterlijk op … [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], in samenwerking met het ESRB, bij de Commissie een verslag in waarin wordt beoordeeld of transacties die rechtstreeks voortvloeien uit posttransactionele risicobeperkingsdiensten, moeten worden vrijgesteld van de clearingverplichting. In dit verslag worden het comprimeren van portefeuilles en andere beschikbare niet-prijsvormende posttransactionele risicoverlagende diensten onderzocht die niet-marktrisico's in derivatenportefeuilles verlagen, zonder het marktrisico van de portefeuilles te veranderen, zoals herbalanceringstransacties. In het verslag worden ook de doelstellingen en de werking van dergelijke posttransactionele risicoverlagende diensten uiteengezet, en de mate waarin deze risico's beperken, met name het tegenpartijkredietrisico en het operationele risico, en wordt de behoefte beoordeeld om dergelijke transacties te clearen of om ze vrij te stellen van clearing, om systeemrisico's te beheersen. Tevens wordt beoordeeld in hoeverre een vrijstelling van de clearingverplichting voor dergelijke diensten centrale clearing ontmoedigt en ertoe kan leiden dat tegenpartijen de clearingverplichting omzeilen.

9.  Op basis van onder meer de bevindingen van de openbare raadpleging van de Europese Commissie over de geschiktheidscontrole inzake toezichtrapportage die op 1 december 2017 zijn bekendgemaakt, en het op grond van de tweede alinea door de ESMA ingediende verslag, evalueert de Commissie uiterlijk op ... [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] de toepassing van artikel 9, lid 1 bis, en brengt zij daarover een verslag uit. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende wetgevingsvoorstellen. Bij de beoordeling van de toepassing van artikel 9, lid 1 bis, beoordeelt de Commissie of de verplichting om transacties te melden uit hoofde van artikel 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014 leidt tot onnodige dubbele transactiemeldingen voor niet-otc-derivaten en of de vereiste om transacties van niet-otc-derivaten te melden overeenkomstig artikel 9, lid 1 bis, kan worden beperkt zonder onnodig verlies van informatie, met het oog op de vereenvoudiging van de rapportageketens voor niet-otc-derivaten voor alle tegenpartijen, met name voor niet-financiële tegenpartijen die niet onderworpen zijn aan de in de tweede alinea van artikel 10, lid 1, bedoelde clearingverplichting.

De ESMA dient uiterlijk op … [zes maanden na inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], in samenwerking met het ESRB, een verslag in bij de Commissie, waarin het volgende wordt beoordeeld:

   a) de samenhang tussen de rapportageverplichtingen voor niet-otc-derivaten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 600/2014 en uit hoofde van artikel 9 van deze verordening, zowel wat betreft de gegevens van het gerapporteerde derivatencontract als de toegang tot gegevens door de relevante entiteiten;
   b) of het mogelijk is de rapportageverplichtingen voor niet-otc-derivaten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 600/2014 en uit hoofde van artikel 9 van deze verordening, met elkaar in overeenstemming te brengen, zowel wat betreft de gegevens van het gerapporteerde derivatencontract als de toegang tot gegevens door de relevante entiteiten. en
   c) de haalbaarheid om de rapportageketens voor alle tegenpartijen, inclusief alle indirecte cliënten, te vereenvoudigen, rekening houdend met de noodzaak van tijdige rapportage en de handelingen en maatregelen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4, van deze verordening en artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) nr. 600/2014.".

"

(20)  In artikel 89 wordt de eerste alinea van lid 1 vervangen door:"

"1. Tot en met ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] is de in artikel 4 vastgestelde clearingverplichting niet van toepassing op otc-derivatencontracten waarvan objectief kan worden aangetoond dat ze beleggingsrisico's verminderen die rechtstreeks met de financiële solvabiliteit van pensioenregelingen verband houden, en op entiteiten die zijn opgericht om leden van pensioenregelingen te compenseren wanneer een pensioenregeling in gebreke blijft.

Pensioenregelingen, CTP's en clearingleden spannen zich tot het uiterste in om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van technische oplossingen die de clearing van dergelijke otc-derivatencontracten door pensioenregelingen vergemakkelijken.

De Commissie richt een deskundigengroep op bestaande uit vertegenwoordigers van pensioenregelingen, CTP's, clearingleden en andere relevante partijen die bij die technische oplossingen zijn betrokken teneinde hun inspanningen te volgen en de voortgang te beoordelen bij het ontwikkelen van technische oplossingen die de clearing van dergelijke otc-derivatencontracten door pensioenregelingen vergemakkelijken. Deze deskundigengroep komt ten minste eens per zes maanden bijeen. Bij het opstellen van haar verslagen overeenkomstig artikel 85, lid 2, eerste alinea, neemt de Commissie de door de pensioenregelingen, CTP's en clearingleden verrichte inspanningen in aanmerking.

"

(20 bis)  In artikel 89 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"1 bis. Niettegenstaande lid 1, is tot en met ... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] de in artikel 4 vastgestelde clearingverplichting niet van toepassing op otc-derivatencontracten waarvan objectief kan worden aangetoond dat ze beleggingsrisico's verminderen en die rechtstreeks verband houden met de financiële solvabiliteit van pensioenregelingen die behoren tot de categorie kleine pensioenregelingen, en entiteiten die zijn opgericht om leden van pensioenregelingen te compenseren wanneer een pensioenregeling in gebreke blijft.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 82 een gedelegeerde handeling vast om deze verordening aan te vullen door te bepalen welke pensioenregelingen kunnen worden beschouwd als kleine pensioenregelingen overeenkomstig de eerste alinea van dit lid, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de categorie kleine pensioenregelingen niet meer dan vijf procent mag vertegenwoordigen van de door pensioenregelingen afgesloten otc-derivatencontracten.";

"

(21)  Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van … [vijf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].

Onverminderd de tweede alinea van dit artikel, zijn artikel 1, lid 7, onder d), en de leden 8, 10, en 11 van artikel 1 van toepassing met ingang van ... [▌zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] en artikel 1, lid 2, onder c), artikel 1, lid 7, onder e), en artikel 1, lid 9, artikel 1, lid 12, onder b) en c), en artikel 1, lid 16, van toepassing met ingang van [▌18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].

Indien deze verordening na 16 augustus 2018 in werking treedt, is artikel 89, lid 1, met terugwerkende kracht van toepassing op alle otc-derivatencontracten die door pensioenregelingen na 16 augustus 2018 en vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn uitgevoerd.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

(1)   In afdeling I worden de volgende punten i), j) en k) toegevoegd:

"i) een transactieregister schendt artikel 78, lid 9, onder a), door geen passende procedures vast te stellen voor de afstemming van gegevens tussen transactieregisters;

j)  een transactieregister schendt artikel 78, lid 9, onder b), door geen passende procedures vast te stellen om de volledigheid en nauwkeurigheid van de gerapporteerde gegevens te verzekeren;

k)  een transactieregister schendt artikel 78, lid 9, onder c), door geen passende beleidsmaatregelen vast te stellen voor de ordelijke overdracht van gegevens aan andere transactieregisters wanneer dit gevraagd wordt door de in artikel 9 genoemde tegenpartijen en ctp's of wanneer dit anderszins noodzakelijk is.";

(2)   In afdeling IV wordt het volgende punt d) toegevoegd:

"d) een transactieregister schendt artikel 55, lid 4, door de ESMA niet tijdig in kennis te stellen van significante wijzigingen in de voorwaarden voor zijn registratie.".

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0181/2018).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
(3) PB C […] van […], blz. […].
(4) PB C […] van […], blz. […].
(5) Standpunt van het Europees Parlement van ... (PB ...) en Besluit van de Raad van ...
(6) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
(7) Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).
(8) http://www.bis.org/cpmi/publ/d106.pdf
(9) http://www.bis.org/cpmi/publ/d125.pdf
(10) Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1)
(11) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(12) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(13) Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).
(14) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
(15) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(16) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014 blz. 349).
(17) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(18) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).


Gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart ***I
PDF 126kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0613 – C8-0389/2015 – 2015/0277(COD))
P8_TA(2018)0245A8-0364/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0613),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0389/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Italiaanse Senaat en het Maltese Parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 12 oktober 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0364/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1139.)

(1) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 111.
(2) PB C 88 van 21.3.2017, blz. 69.


CO2-emissies en brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ***I
PDF 133kWORD 56k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (COM(2017)0279 - C8-0168/2017 – 2017/0111(COD))
P8_TA(2018)0246A8-0010/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0279),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0168/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0010/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaringen van de Commissie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../2018 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/956.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE

Voorstel voor CO2-normen voor zware bedrijfsvoertuigen

Zoals op 8 november 2017 aangekondigd in de mededeling "Invulling geven aan emissiearme mobiliteit — Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt" (COM(2017)0675), is de Commissie voornemens in de eerste helft van mei 2018 het derde mobiliteitspakket te presenteren, waarin een voorstel voor de vaststelling van normen voor kooldioxide-emissies door vrachtwagens wordt opgenomen.

Tijdschema voor de ontwikkeling van de Vecto/Certificeringsverordening

De Commissie gaat verder met de technische ontwikkeling van de calculator voor de berekening van het energieverbruik van voertuigen (Vecto: Vehicle Energy Consumption Calculation Tool) om deze vanaf 2020 ook voor nieuwe bekende technologieën en andere typen voertuigen toe te passen, zoals vrachtwagens, bussen en touringcars vanaf 2020 en aanhangwagens vanaf 2021.

Nadere informatie over de ontwikkeling van de Vecto-calculator en de wijziging van Verordening (EU) 2017/2400 zullen op de relevante websites van de Commissie worden bekendgemaakt om te waarborgen dat belanghebbenden en marktdeelnemers regelmatig worden geïnformeerd.

Ontwikkeling van een controleproef op de weg in het kader van de Certificeringsverordening

De Commissie erkent dat het belangrijk is over betrouwbare en representatieve gegevens over de CO2-uitstoot en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen te beschikken.

Derhalve is het de bedoeling Verordening (EU) 2017/2400 aan te vullen met een procedure om de conformiteit van de Vecto-operatie en van de kenmerken betreffende CO2 en brandstofverbruik van de relevante onderdelen, technische eenheden en systemen te controleren en te waarborgen. Het technisch comité motorvoertuigen moet volgens planning vóór het einde van 2018 zijn stem uitbrengen over de controleprocedure, die onder meer het op de weg testen van in productie genomen zware bedrijfsvoertuigen moet omvatten.

De controleprocedure moet ook de basis gaan vormen voor een toekomstige test voor het controleren van de prestaties van voertuigen tijdens het gebruik door fabrikanten en typegoedkeuringsinstanties, of door onafhankelijke derden.

(1) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 95.


De modernisering van het onderwijs in de EU
PDF 207kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2018 over de modernisering van het onderwijs in de EU (2017/2224(INI))
P8_TA(2018)0247A8-0173/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid – Een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien het recht op onderwijs als gedefinieerd in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding(1),

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 en 19 mei 2015 over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 met als titel "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381) en de resolutie van het Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(5),

–  gezien artikel 2 van het Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, over het recht op onderwijs,

–  gezien Resolutie 1904 (2012) van de Raad van Europa over het recht op keuzevrijheid in het onderwijs,

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) getiteld "Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(6),

–  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(7),

–  gezien de Verklaring van Parijs van 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non‑discriminatie door middel van onderwijs,

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow‑up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(8),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 juni 2016 over "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (SWD(2016)0195),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(9),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2016 getiteld "Onderwijs verbeteren en moderniseren" (COM(2016)0941),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 getiteld "Een goede start in het leven dankzij ontwikkeling van scholen en uitstekend onderwijs" (COM(2017)0248),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 getiteld "Een nieuwe EU‑agenda voor het hoger onderwijs" (COM(2017)0247),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 30 mei 2017 voor een aanbeveling van de Raad over het volgen van afgestudeerden (COM(2017)0249),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 5 oktober 2017 voor een aanbeveling van de Raad inzake een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (COM(2017)0563 – SWD(2017)0322),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 november 2017 over de modernisering van scholen en het hoger onderwijs,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2017 getiteld "Nieuwe Europese onderwijsstrategie",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 januari 2018 voor een aanbeveling van de Raad inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie van onderwijs (COM(2018)0023),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 januari 2018 voor een aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (COM(2018)0024),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

–  gezien het eindrapport van de sociale top over eerlijke werkgelegenheid en groei die op 17 november 2017 plaatsvond in Göteborg, Zweden(12),

–  gezien de conclusies van de Raad over "Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen", die werden aangenomen op de 3 090e vergadering van de Raad over onderwijs, jeugd, cultuur en sport van 19 en 20 mei 2011(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 1984 over onderwijsvrijheid in de Europese Gemeenschap(14),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de internationalisering van het hoger onderwijs(15),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029) en de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over datzelfde onderwerp (16),

–  gezien artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Handvest van de Raad van Europa inzake onderwijs op het gebied van democratisch burgerschap en mensenrechten, aangenomen in het kader van Aanbeveling CM/Rec(2010)7,

–  gezien artikel 10 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979,

–  gezien strategische doelstelling B van de verklaring en het actieprogramma van Peking (1995),

–  gezien de artikelen 28 en 29 van het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in september 2015 werd aangenomen en die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen 4 en 5,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0173/2018),

A.  overwegende dat krachtens artikel 6, onder e), van het VWEU de bevoegdheid op het vlak van onderwijs en opleiding bij de lidstaten berust, maar dat de Europese Unie een cruciale ondersteunende rol heeft bij het formuleren van uitdagingen en doelen en bij de bevordering van het uitwisselen van optimale werkmethoden;

B.  overwegende dat het recht op onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en dat onderwijs in alle vormen en op alle niveaus de volgende onderling samenhangende en essentiële kenmerken moet vertonen: a) beschikbaarheid, b) toegankelijkheid, c) aanvaardbaarheid en d) aanpasbaarheid;

C.  overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten als belangrijkste prioriteit hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren heeft;

D.  overwegende dat het verwezenlijken van gelijke kansen een belangrijke functie van onderwijs is, en dat toegang tot onderwijs dan ook inclusief moet worden gemaakt; overwegende dat er daarom meer inspanningen nodig zijn om erop toe te zien dat iedereen, vooral de meest kwetsbare personen, zoals gehandicapten, mensen met speciale behoeften en kansarme groepen, dezelfde kansen hebben om onderwijs of een opleiding te volgen en te voltooien en vaardigheden op te doen op elk niveau;

E.  overwegende dat Europese onderwijssystemen een enorme rijkdom aan culturele, sociale en taalkundige verscheidenheid vertonen en dat de lidstaten gelijkaardige onderwijsdoelstellingen en -uitdagingen hebben, waaronder het garanderen van gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen, zodat deze zaken op Europees niveau kunnen worden aangepakt;

F.  overwegende dat de mate waarin onderwijssystemen kunnen voldoen aan maatschappelijke, economische en persoonlijke behoeften afhangt van hun kwaliteit, toegankelijkheid, verscheidenheid, efficiëntie, kapitaal en de beschikbaarheid van voldoende mensen en financiële en materiële middelen;

G.  overwegende dat erop moet worden gewezen dat onderwijs, waaronder lerarenopleidingen, gebukt ging onder de economische en financiële crisis en dat overheidsfinanciering voor onderwijs van groot belang is voor de onderwijsstelsels in de EU; overwegende dat permanente en meer financiële overheidssteun voor onderwijs, zo ook voor leerkrachten en hun werkomstandigheden, alsmede voor onderzoek cruciaal is voor het waarborgen van gratis, inclusief en toegankelijk openbaar onderwijs;

H.  overwegende dat onderwijs en opleiding de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren moeten bevorderen, zodat zij kunnen uitgroeien tot proactieve en verantwoordelijke burgers die graag in een technologisch geavanceerde en geglobaliseerde wereld leven en werken en zijn uitgerust met de belangrijkste competenties voor een leven lang leren, d.w.z. een combinatie van kennis, vaardigheden en gedragingen die nodig zijn voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap en werk;

I.  overwegende dat onderwijskwaliteit een bepalende factor is voor de resultaten van leerlingen en studenten en dat daarom een krachtige ondersteuning van excellentie van onderwijs en leerkrachten een van de prioriteiten voor samenwerking op EU-niveau is op het vlak van onderwijs en opleiding;

J.  overwegende dat het recht op onderwijs ook bestaat uit de vrijheid om een onderwijsinstelling op te zetten, op basis van de nodige eerbiediging van de democratische beginselen, en uit het recht van ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen worden opgevoed en onderwezen volgens hun persoonlijke religieuze, filosofische en pedagogische overtuigingen;

K.  overwegende dat de open coördinatiemethode die wordt gehanteerd in het onderwijs de lidstaten in staat stelt een gemeenschappelijke strategie voor onderwijs en opleiding op te zetten en uit te voeren, waartoe ook het onlineplatform ET 2020 (Onderwijs en Opleiding 2020) behoort; overwegende dat de criteria voor deze strategie elk jaar worden geanalyseerd en geëvalueerd in de publicatie "Onderwijs- en opleidingenmonitor", zowel voor de afzonderlijke lidstaten als voor de EU als geheel;

L.  overwegende dat in de meest recente "Onderwijs- en opleidingenmonitor", die uitkwam in 2017, de Commissie inziet dat, ofschoon er voortdurend vooruitgang wordt geboekt om het aantal vroegtijdige schoolverlaters terug te dringen, dit aantal in de EU nog altijd erg hoog ligt;

M.  overwegende dat volgens de resultaten van de meest recente PISA-tests 20,6 % van de Europese leerlingen problemen heeft met het verwerven van basisvaardigheden op het vlak van lezen, rekenen en exacte vakken en dat een beduidend aantal Europese burgers een gebrekkige geletterdheid vertoont; overwegende dat dit aanleiding geeft tot ernstige zorgen op het gebied van vervolgstudies, persoonlijke ontwikkeling en een actieve deelname aan het openbare leven en op de arbeidsmarkt;

N.  overwegende dat het garanderen van toegang tot hoogwaardige diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang voor alle kinderen cruciaal is om ze een positieve start in het leven en het onderwijs te kunnen bieden;

O.  overwegende dat de kwaliteit van het personeel een essentiële factor is voor diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

P.  overwegende dat de bevordering van de mobiliteit van studenten en personeel een belangrijk onderdeel vormt van de Europese stelsels voor hoger onderwijs, waarmee wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van jongeren en economische en sociale vooruitgang kan worden aangewakkerd; overwegende dat er behoefte is aan kwalitatieve verbeteringen en meer financiële steun om de mobiliteit van studenten en personeel in het kader van Erasmus+ uit te breiden;

Q.  overwegende dat methodologische en digitale innovaties als instrument kunnen dienen om de toegang tot inhoud en kennis uit te breiden, maar geen vervanging kunnen zijn voor persoonlijk contact en uitwisselingen tussen studenten onderling en studenten en leerkrachten, noch tot prioriteit mogen worden gemaakt van onderwijsstelsels;

R.  overwegende dat gendergelijkheid een grondbeginsel van de Europese Unie is dat verankerd is in de Verdragen en een vast onderdeel moet vormen van alle beleidsdomeinen van de Unie, met inbegrip van onderwijs en cultuur;

S.  overwegende dat onderwijs een krachtig middel is om genderongelijkheid en discriminatie tegen te gaan, terwijl het bestaande discriminatie vaak ook klakkeloos kan overnemen of zelfs verergeren; overwegende dat genderongelijkheid in het onderwijs zowel de persoonlijke ontwikkeling als de werkgelegenheid belemmert en invloed heeft op talrijke sociaal-culturele gebieden;

T.  overwegende dat, ondanks het feit dat vrouwen drie vijfde (57,6 %) uitmaken van alle afgestudeerden in het hoger onderwijs, de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in 2015 nog altijd 11,6 procentpunten bedroeg(17);

Kennis als belangrijk economisch middel en een bron voor het welbevinden van burgers

1.  bekrachtigt dat universeel hoogwaardig onderwijs een essentiële factor is voor persoonlijke, culturele, sociale en professionele ontwikkeling in een kennismaatschappij;

2.  is van mening dat de waarborging van gemeenschappelijke Europese waarden, de verwezenlijking van de economische en sociale doelstellingen van de EU en de bewerkstelliging van het concurrentievermogen en duurzame groei gekoppeld zijn aan hoogwaardig onderwijs door de bevordering van democratische waarden, mensenrechten, sociale cohesie, integratie en het succes van individuele personen;

3.  onderstreept hoe belangrijk onderwijs is bij de invulling van de toekomst van Europa, zowel economisch als sociaal gezien, terwijl het daarnaast voorziet in de behoeften van de Europese burgers en een gemeenschap opbouwt van burgers met een uiteenlopende achtergrond, die echter met elkaar verbonden zijn vanwege hun gemeenschappelijke kernwaarden;

4.  onderstreept dat hoogwaardige onderwijs- en opleidingsstelsels actief burgerschap en gemeenschappelijke waarden bevorderen, en zodoende bijdragen aan een open, inclusieve, pluralistische, democratische en tolerante samenleving;

5.  benadrukt de rol van onderwijs bij het helpen ontwikkelen van ethische en burgerlijke waarden en door ervoor te zorgen dat leerlingen actieve, verantwoordelijke en tolerante leden van de samenleving worden die in staat zijn hun democratische rechten en verantwoordelijkheden in de samenleving uit te oefenen en te verdedigen, diversiteit hoog in het vaandel hebben staan, een actieve rol spelen in het democratische leven en verantwoordelijkheid voor zichzelf en hun gemeenschappen nemen; benadrukt in dit verband het belang van lessen over burgerschap, moraal en milieu;

6.  benadrukt dat hoogwaardig en inclusief onderwijs jongeren de nodige kennis, vaardigheden, mediageletterdheid, kritisch en zelfstandig denken en een democratische houding moet bijbrengen zodat ze uitdagingen aan kunnen gaan, actieve Europese burgers kunnen worden en succes kunnen hebben in het leven en op de arbeidsmarkt maar ook de toekomst van de wereld kunnen vormgeven;

7.  onderstreept dat het waarborgen van gelijke toegang tot hoogwaardig inclusief onderwijs de sleutel is voor de verwezenlijking van blijvende sociale cohesie, door ten strijde te trekken tegen armoede, de sociale uitsluiting van mensen uit een kansarm of kwetsbaar milieu, en genderstereotypen, en daarom nog altijd een doorslaggevende factor is voor sociale mobiliteit;

8.  merkt op dat hoogwaardig onderwijs innovatie en onderzoek kan stimuleren met relevantie en nut voor de samenleving;

9.  beseft hoe belangrijk onderwijs is voor het ontwikkelen van culturele vaardigheden en het aanmoedigen van culturele ontwikkeling; moedigt sterkere synergieën tussen de onderwijs- en culturele sector aan, die behaald moeten worden door een actieve rol voor cultuur en kunst te ondersteunen in de context van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs;

10.  wijst op de rol die onderwijs speelt bij de ontwikkeling van methoden om een leven lang te leren, waarmee mensen zich gemakkelijker kunnen aanpassen aan de veranderende eisen van de moderne wereld;

11.  wijst erop dat scholen en onderwijsinstellingen cruciaal zijn om een positieve houding ten opzichte van (een leven lang) leren aan te nemen en te koesteren;

De veranderende realiteit van het onderwijs en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan

12.  is van mening dat een alomvattend onderwijsbeleid met een sterk politiek en publiek draagvlak cruciaal is voor het hervormingsproces van het onderwijs, en dat het om deze doelstellingen te halen essentieel is om de samenleving als geheel maar ook alle relevante en geïnteresseerde belanghebbenden erbij te betrekken, zo ook ouders;

13.  is van mening dat doeltreffend bestuur en toereikende financiering voor alle onderwijsomgevingen, moderne, hoogwaardige leermiddelen en lesmethoden, gemotiveerde en bekwame leraren en een leven lang leren cruciaal zijn om rechtvaardigheid, verscheidenheid en excellentie in het onderwijs te bereiken;

14.  benadrukt het potentieel van nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT) en innovatie als instrumenten om nieuwe mogelijkheden aan te bieden in het onderwijs, doeltreffender tegemoet te komen aan de behoeften van afzonderlijke studenten (waaronder speciale onderwijsbehoeften), de flexibiliteit bij het leren en onderwijzen, een persoonlijke aanpak en de verantwoordelijkheid te vergroten en interactieve vormen van samenwerking en communicatie te bevorderen;

15.  benadrukt de mogelijkheden die digitalisering en nieuwe gemeenschappelijke onderwijsplatforms bieden voor modern onderwijs, vooral als het gaat om leren en onderwijs op afstand en "blended learning" (een combinatie van contact- en afstandsonderwijs), waardoor onderwijs flexibeler kan worden door het lesaanbod nauwer af te stemmen op de leefsituatie van studenten, met positieve gevolgen voor een leven lang leren, de kwaliteit van het onderwijs, toegankelijkheid en de ontwikkeling van toekomstige vaardigheden; wijst op de noodzaak van aan de leeftijd aangepaste ICT- en mediaprogramma's waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkeling en het welzijn van kinderen, en het belang van zowel verantwoord gebruik als kritisch denken wordt benadrukt;

16.  merkt op dat doeltreffende leer- en lesmethoden waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale technologie gelijkwaardige toegang vereisen, evenals een hoog niveau van digitale vaardigheden, kwalitatief hoogstaande leermiddelen, opleidingen in technologieaanpassingen voor pedagogische doeleinden en de bevordering van de houding en motivatie die nodig zijn voor zinvolle digitale participatie; is van mening dat digitale vaardigheden en vaardigheden in mediageletterdheid een essentieel onderdeel moeten vormen van het onderwijsbeleid en onder andere burgerschapscompetenties en kritisch denken moeten omvatten; benadrukt dat bronnen, hun betrouwbaarheid en projecten over mediageletterdheid in dit verband aan een kritische beoordeling moeten worden onderworpen;

17.  beseft dat er in een steeds verder geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld innovatieve en relevante leer-, onderwijs- en beoordelingsmethoden nodig zijn, evenals een toereikende onderwijsinfrastructuur waarmee werk in groepjes en teamonderwijs mogelijk wordt en waarmee creatief denken en oplossingsgerichtheid worden gestimuleerd, samen met andere progressieve onderwijsmethoden; benadrukt hoe belangrijk het is om studenten, leerkrachten en andere medewerkers op scholen te betrekken bij de beoordeling of en hoe de leerdoelstellingen zijn gehaald;

18.  merkt op dat er inspanningen nodig zijn om het onderwijsparadigma zodanig aan te passen dat er een evenwicht wordt bereikt tussen een op leerkracht- en op inhoud gerichte aanpak, die specifiek wordt afgestemd op individuele studenten en hun leefomstandigheden, waarbij een begripsgerichte benadering wordt gehanteerd en leermethoden worden gecombineerd die zijn aangepast aan zowel conventionele als onlineleermodellen, zodat het onderwijsproces persoonlijker wordt als gevolg waarvan het percentage leerlingen dat op school blijft en hun opleiding afmaakt stijgt;

19.  onderstreept dat onderwijssystemen interdisciplinaire, coöperatieve en creatieve benaderingen en teamwork moeten bevorderen en ontwikkelen die erop gericht zijn leerlingen en studenten niet alleen toe te rusten met kennis en vaardigheden, waaronder horizontale en zachte vaardigheden, maar ook met professionele, horizontale, sociale en burgerschapscompetenties;

20.  wijst erop dat het verzorgen van kwalitatief hoogstaand onderwijs en goede leermethoden een continu proces is waarin dialoog, het delen van ervaringen en het stellen van vragen centraal staan en waaraan prioriteit moet worden verleend bij een eventuele modernisering van het onderwijs;

21.  benadrukt dat de bevordering van gelijke toegang tot hoogwaardig, inclusief onderwijs essentieel is voor de onafhankelijkheid en de integratie in de samenleving van studenten met een handicap; verzoekt lidstaten de toegang tot regulier inclusief onderwijs van hoge kwaliteit te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van alle studenten met een handicap, wat bijvoorbeeld betekent dat er wordt voorzien in tweetalig inclusief onderwijs voor dove kinderen vanwege hun specifieke taalkundige behoeften; verzoekt scholen zowel formele als informele gedifferentieerde diensten en extra begeleiding te bieden, waarbij ook het potentieel van nieuwe technologieën wordt benut zodat wordt voorzien in de individuele behoeften van alle studenten; roept de Commissie op scholen te monitoren op hun niet-afwijzingsbeleid en speciale indicatoren voor gehandicapten in de Europa 2020-strategie op te nemen;

22.  houdt vol dat het Europese onderwijs er in de eerste plaats op gericht moet zijn om argumentatievaardigheden, reflectie en wetenschappelijke nieuwsgierigheid aan te leren, dat het moet kunnen voortbouwen op de fundamenten van een kunstminnende, wetenschappelijke en technische humanistische cultuur, en dat het, uitgaande van de praktische realiteit van het lokale, regionale, nationale en Europese leven, de nodige opleiding moet bieden om nationale en Europese problemen op te lossen en bewustzijn te kweken voor de problemen die er binnen de internationale gemeenschap bestaan;

23.  ziet in dat er individuele verschillen bestaan in cognitieve vermogens en karaktereigenschappen die in contact treden met sociale en omgevingsfactoren en zo de onderwijsresultaten beïnvloeden; benadrukt in dit verband dat onderwijs efficiënter, gelijkwaardiger en eerlijker is als er rekening wordt gehouden met deze verschillen;

24.  beseft dat het in een competitieve wereld cruciaal is Europees talent zo vroeg mogelijk te spotten en te bevorderen;

25.  benadrukt dat het verbeteren van de gemiddelde onderwijsresultaten aansluit bij het stimuleren van excellentie onder getalenteerde studenten; wijst er in dit verband op dat er passende interventieprogramma's moeten worden ontworpen om karaktereigenschappen te ontplooien die relevant zijn om het potentieel van mensen volledig tot wasdom te laten komen;

26.  benadrukt dat er aandacht moet worden besteed aan visueel vermogen als een nieuwe vaardigheid om je te kunnen redden in het leven, aangezien mensen tegenwoordig veel meer communiceren met beelden dan op traditionele manieren;

27.  wijst op het voorstel voor het opzetten van een Europese onderwijsruimte, dat werd gepresenteerd tijdens de sociale top over eerlijke werkgelegenheid en groei die in 2017 plaatsvond in Göteborg; wijst erop dat dit initiatief samenwerking, wederzijdse erkenning van diploma's en kwalificaties en meer mobiliteit en groei in de hand moet werken;

28.  schaart zich achter de conclusies van de Raad van 14 december 2017 waarin werd gepleit voor een grotere studentenmobiliteit en de deelname van studenten aan onderwijs- en culturele activiteiten, onder andere via een Europese studentenkaart waarmee de erkenning van in andere lidstaten verworven universitaire punten gemakkelijker moet worden;

29.  is van mening dat het programma Erasmus+ het vlaggenschipprogramma van de EU is op het gebied van onderwijs en dat de impact en de populariteit ervan door de jaren heen onomstotelijk bewezen zijn; pleit dan ook voor een aanzienlijke verhoging van de financiering voor dit programma in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021‑2027, om het toegankelijker en inclusiever te maken en meer studenten en leerkrachten te kunnen bereiken;

30.  onderstreept dat jeugdwerkloosheid overal in de Unie voorkomt en volgens de statistieken ongeveer twee keer zo hoog is als het gemiddelde algemene werkloosheidspercentage; toont zich bezorgd over de alarmerend hoge percentages in de lidstaten in het Middellandse Zeegebied, met uitschieters in Spanje (44,4 %), Italië (37,8 %), en Griekenland (47,3 % voor jeugdwerkloosheid en 30,5 % voor jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's)), volgens Eurostat;

31.  wijst erop dat ondanks de 2 miljoen vacatures in de EU meer dan 30 % van de gekwalificeerde jongeren met een diploma werk verricht dat niet aansluit bij hun vaardigheden of ambities, terwijl 40 % van de Europese werkgevers problemen ondervindt bij het werven van mensen met de vereiste vaardigheden(18);

32.  bevestigt dat een genderperspectief voor ogen moet worden gehouden in onderwijssystemen op alle niveaus, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die onder meervoudige vormen van discriminatie lijden, met inbegrip van personen met een handicap, personen die zichzelf tot de LGBTI's rekenen en mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

33.  benadrukt dat hoogwaardige en toegankelijke voor- en vroegschoolse educatie en opvang niet alleen het fundament vormt voor rechtvaardigere en doeltreffendere onderwijssystemen, maar ook de persoonlijke ontwikkeling, het welzijn en de doeltreffendheid van verdere scholing waarborgt;

34.  hamert op de enorme voordelen voor alle kinderen, vooral die met een kansarme achtergrond, van voor- en vroegschoolse educatie en opvang, en benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat elk kind daar terecht kan; stelt in dit verband bezorgd vast dat in verscheidene lidstaten de vraag naar plaatsen in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang het aanbod overstijgt, vooral voor jongere kinderen;

35.  onderstreept het belang van toezicht op de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie en opvang om kinderen in staat te stellen hun cognitieve vaardigheden te ontwikkelen en om na te gaan of de belangen van het kind optimaal gediend worden;

Schoolonderwijs

36.  beschouwt alle scholen als autonome centra waar kritisch en creatief denken wordt gestimuleerd en democratische waarden en actief burgerschap worden bevorderd; is van mening dat scholen erop gericht moeten zijn om jongeren te helpen de vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor een correct begrip van gebruik van de beschikbare informatie, en om ze te helpen autonome leermethodes en taalvaardigheid te ontwikkelen;

37.  wijst erop dat de specifieke behoeften van alle studenten centraal moeten staan bij het doeltreffend functioneren van scholen, waartoe gezamenlijke doelstellingen moeten worden geformuleerd, er een duidelijke agenda moet worden opgesteld voor de uitvoering ervan en alle schoolmedewerkers en belanghebbenden in voorkomend geval nauw met elkaar moeten samenwerken;

38.  is van mening dat moderne studieprogramma's moeten uitgaan van competenties, en daarnaast persoonlijke vaardigheden en het vermogen om op een gezonde en toekomstgerichte manier te leven moeten versterken en gericht moeten zijn op procesevaluaties en fysiek en emotioneel welbevinden; vindt dat elke student de mogelijkheid moet hebben om zijn of haar intellectuele potentieel te ontplooien; benadrukt dat het ontwikkelen en versterken van vaardigheden een continu proces is dat plaatsvindt op alle onderwijsniveaus en zich voortzet op de arbeidsmarkt, en dat er zowel in het onderwijsproces als bij de erkenning van onderwijskwalificaties aandacht moet zijn voor vaardigheden en competenties;

39.  onderstreept dat de verwerving van fundamentele taal- en numerieke vaardigheden essentieel is voor het verdere leerproces, de persoonlijke ontwikkeling en de verwerving van digitale competenties; benadrukt dat het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET2020) en de nieuwe agenda voor vaardigheden van de Commissie als aanvulling moeten dienen van nationale maatregelen en de lidstaten op dit vlak moeten ondersteunen; verzoekt de lidstaten en de onderwijsinstellingen om basisvaardigheden te versterken met oplossingen als projectmatig en probleemgestuurd leren;

40.  is van mening dat de lidstaten moeten garanderen dat niemand van school gaat zonder basisvaardigheden, waaronder digitale basisvaardigheden; onderstreept dat de meeste banen tegenwoordig betere taal-, reken-, digitale en andere cruciale vaardigheden vereisen, en dat moderne onderwijssystemen daarom alle acht sleutelcompetenties moeten combineren die genoemd worden in het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, waar ook kennis en attitudes onder vallen; is ingenomen met het feit dat in dit voorstel digitale vaardigheden worden gedefinieerd als basisvaardigheden;

41.  is van mening dat school ondanks de impact van nieuwe technologie op het onderwijs een fundamentele leeromgeving moet blijven waar potentieel wordt ontwikkeld en waar eenieder ruimte en tijd kan vinden voor persoonlijke en sociale groei;

42.  vestigt de aandacht op het feit dat een grotere autonomie van scholen op het vlak van lesprogramma's, beoordeling en financiering geleid heeft tot betere prestaties van leerlingen, mits er sprake is van doeltreffend schoolbestuur en verantwoordelijkheidsgevoel van scholen voor de leermethoden van leerlingen;

43.  benadrukt de positieve gevolgen van culturele verscheidenheid en meertaligheid op scholen voor de cognitieve en taalontwikkeling van leerlingen, en voor de bevordering van intercultureel bewustzijn, respect en pluralisme;

44.  benadrukt dat het leren van talen moet worden aangemoedigd zodat iedereen naast zijn moedertaal twee extra talen spreekt, en dat moet worden gestimuleerd dat op de middelbare school ten minste twee vakken worden aangeboden in een vreemde taal;

45.  wijst erop dat uitwisselingen van middelbare scholen zeer nuttig zijn om leerlingen aan te sporen zich de kennis, vaardigheden, houdingen en waarden eigen te maken die onlosmakelijk verbonden zijn met dynamisch Europees burgerschap en constructief en kritisch te leren denken;

46.  benadrukt dat scholen meer moeten worden opengesteld voor de erkenning van niet-formele en informele leervormen en betere doorstroommogelijkheden tussen verschillende onderwijspaden (bijv. technische en academische trajecten);

47.  onderstreept dat studenten moeten worden aangespoord om technieken voor zelfbeoordeling te hanteren om hun leervorderingen te meten; spoort onderwijsinstellingen aan erop toe te zien dat hulpmiddelen om feedback te krijgen betrouwbare informatie verschaffen door een combinatie van verschillende instrumenten te gebruiken, zoals studentenvragenlijsten, werkgroepen en ideeënbussen;

48.  benadrukt hoe belangrijk het is een actief leven te leiden door te sporten; benadrukt in dit verband dat fysieke activiteiten en lichamelijke opvoeding moeten worden bevorderd en een grotere rol moeten krijgen in onderwijscurricula op alle niveaus, met uitgebreidere mogelijkheden voor een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen en lokale sportorganisaties; moedigt tevens onderwijsinitiatieven en buitenschoolse activiteiten aan om studenten te helpen voorzien in hun persoonlijke behoeften en belangen maar daarnaast te bemiddelen met lokale gemeenschappen;

49.  onderstreept het belang van kwalitatief hoogwaardig onderwijs, beroepsopleiding en gemeenschaps- en vrijwilligersactiviteiten om bij te dragen aan een hogere status van een professionele roeping;

50.  merkt op dat een aanzienlijk aantal nieuwe banen wordt gecreëerd in bedrijfstakken die zich bezighouden met hernieuwbare energie, en dat groene sectoren en beroepen dienovereenkomstig behandeld moeten worden in schoolcurricula;

51.  benadrukt dat informatieverwerking, kritisch denkvermogen en de vaardigheid om verworven kennis toe te passen essentiële doelstellingen van academisch onderwijs zijn;

52.  wijst op de noodzaak om de kennisdriehoek te versterken en de relatie tussen onderzoek en onderwijs te verbeteren door voldoende middelen uit te trekken voor relevante programma's en door erop toe te zien dat studenten die betrokken zijn bij onderzoeksprogramma's beschikken over de financiële middelen om hun onderzoek uit te voeren;

53.  is van mening dat hogeronderwijssystemen flexibeler en opener moeten worden en dat duale opleidingstrajecten moeten worden bevorderd op universiteiten en instellingen voor een vervolgstudie, met name door stages aan te moedigen, om de erkenning van informeel en niet-formeel leren mogelijk te maken, betere doorstroommogelijkheden te garanderen tussen verschillende onderwijsniveaus, zo ook tussen beroepsonderwijs en hoger onderwijs, en verschillende uitvoeringsvormen van programma's toe te staan; benadrukt dat het bovenstaande gebaseerd moet zijn op een beter begrip van de prestaties van afgestudeerden;

Hoger onderwijs

54.  benadrukt in het kader van de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte hoe belangrijk het is om samenwerking te ondersteunen en voort te bouwen op het potentieel van alle Europese instellingen voor hoger onderwijs en van studenten om netwerken, internationale samenwerking en concurrentie te stimuleren;

55.  is van mening dat de Europese instellingen voor hoger onderwijs voor een groot deel gevormd moeten worden door een alomvattende benadering van internationalisering, inclusief een verbeterde mobiliteit van personeel en studenten (ook via stages en leerlingplaatsen), en een internationale dimensie van studieprogramma's, onderwijs, onderzoek, samenwerking en aanvullende activiteiten;

56.  pleit voor meer aandacht voor interdisciplinaire studieprogramma's, en is er voorstander van dat zowel de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM) als de sociale en menswetenschappen beter onder de aandacht worden gebracht; benadrukt dat de deelname van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen aan de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde en in de desbetreffende beroepen moet worden gestimuleerd;

57.  pleit ervoor dat het hoger onderwijs midden in de samenleving moet staan om innovatieve groei en maatschappelijk welzijn te bevorderen; is van mening dat samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en externe belanghebbenden wenselijk is, aangezien laatstgenoemden met kennis en expertise een bijdrage kunnen leveren aan de opzet en uitvoering van studieprogramma's voor het hoger onderwijs; benadrukt wel dat de verantwoordelijkheid voor de besluitvorming altijd moet liggen bij de studenten en pedagogische experts;

58.  onderkent de cruciale rol die academici en studenten spelen bij de verspreiding van kennis, empirische bevindingen en feiten onder het grote publiek; moedigt in dit verband economisch en politiek onafhankelijk onderzoek aan dat relevant en nuttig is voor de samenleving;

59.  benadrukt de rol van op onderzoek gebaseerd onderwijs en pedagogisch onderzoek als middel om actief leren en de ontwikkeling van vaardigheden te bevorderen en didactische methoden te verbeteren;

60.  onderstreept dat studenten moeten worden aangespoord om technieken voor zelfbeoordeling te hanteren om hun leervorderingen te meten;

De leerkracht die garant staat voor kwaliteitsonderwijs

61.  is van mening dat leerkrachten en hun vaardigheden, toewijding en doeltreffendheid de basis vormen van het onderwijs;

62.  onderstreept de noodzaak om het beroep van leerkracht aantrekkelijk te maken voor een groter aantal gemotiveerde kandidaten met een degelijke academische of professionele achtergrond en pedagogische kwaliteiten voor het beroep van leerkracht; verzoekt om procedures die geschikt zijn voor het beoogde doel en om specifieke maatregelen en initiatieven om de beroepsstatus, opleiding, carrièremogelijkheden en arbeidsvoorwaarden, waaronder salaris, te verbeteren, om onstabiele arbeidsvormen te vermijden en sociale rechten, veiligheid en bescherming te garanderen, en om leerkrachten ondersteuning te bieden die bestaat uit mentorprogramma's, intercollegiaal leren en de uitwisseling van optimale werkmethoden; roept de Commissie op een grotere mate van gendergelijkheid in het onderwijs te bevorderen;

63.  benadrukt hoe belangrijk het is om te investeren in lerarenopleidingen en deze opnieuw vorm te geven, zowel in de beginfase als gedurende hun hele professionele ontwikkeling als leerkracht, om ze uit te rusten met solide en actuele kennis, vaardigheden en competenties die essentieel zijn voor een hoog onderwijsniveau en onder andere bestaan uit gevarieerde lesmethoden, zoals onderwijs op afstand dat mogelijk is dankzij digitale leertechnologieën; benadrukt het belang van de voortdurende professionele ontwikkeling van leerkrachten, waaronder programma's voor een leven lang leren en opfriscursussen, en van om- en bijscholingsmogelijkheden tijdens hun loopbaan, waarmee praktische oplossingen worden aangedragen voor de uitdagingen waarmee leerkrachten in de klas te maken krijgen, en mogelijkheden om deel te nemen aan internationale uitwisselingen voor leerkrachten zodat er een institutionele leercultuur wordt gecreëerd;

64.  is het ermee eens dat de hoogstaande pedagogische, psychologische en methodologische opleiding van schoolleerkrachten en docenten in het hoger onderwijs een cruciale voorwaarde is voor het succesvolle onderwijs aan toekomstige generaties; benadrukt in dit verband dat optimale werkmethoden moeten worden gedeeld en dat er vaardigheden en competenties worden ontwikkeld via internationale samenwerking, mobiliteitsprogramma's zoals Erasmus+ en betaalde stages in andere lidstaten;

65.  benadrukt de cruciale rol van de leerkracht bij het creëren van een inclusieve leeromgeving waarin een reeks methoden en benaderingen moet worden gehanteerd om tegemoet te komen aan uiteenlopende behoeften, zodat alle leerlingen kunnen worden betrokken bij de planning, verwezenlijking en beoordeling van hun leerresultaten; onderkent de wezenlijke taak van leerkrachten als proactieve gidsen en mentoren die laten zien hoe je informatie moet beoordelen, een ondersteunende rol op zich nemen bij moeilijkheden en leerlingen klaarstomen voor het leven;

66.  is van mening dat de betrokkenheid van leerkrachten en schooldirecteuren bij de modernisering van onderwijssystemen doorslaggevend is om hervormingsprocessen doeltreffend te laten verlopen en het onderwijzend personeel warm te maken voor verdere verbeteringen in het schoolbeleid;

67.  is van mening dat een algemeen geldend schoolbeleid doeltreffende ondersteuning moet garanderen voor leerkrachten om de verwezenlijking van onderwijsdoelen, een stimulerend schoolklimaat, een efficiënte werking en ontwikkeling van de school en coöperatief bestuur te waarborgen;

68.  is zich bewust van de belangrijke rol van leerkrachten en van samenwerking tussen ouders, leraren en schoolautoriteiten binnen het formele, niet-formele en informele onderwijs door huidige en toekomstige generaties bij te staan; juicht in dit verband intensievere samenwerking tussen alle belangrijke spelers in het formele, niet-formele en informele onderwijs toe;

69.  is van mening dat nauwere samenwerking tussen leerkrachten, onderzoekers en academici gunstig uitpakt voor alle betrokken partijen, leidt tot de verbetering en modernisering van de lessen, leermethoden en pedagogische aanpak, en innovaties, creativiteit en nieuwe vaardigheden bevordert;

Aanbevelingen

70.  is van mening dat de Europese onderwijsruimte gericht moet zijn op de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelen, waaronder het waarborgen van goed onderwijs voor iedereen, en gevormd moet worden op basis van de afstemming op en de kritische beoordeling van bestaande beleidsmaatregelen, onderwijstrends en -statistieken zowel binnen als buiten de EU teneinde samenhang, consistentie en haalbare resultaten te garanderen, maar tegelijkertijd ook een nieuwe impuls geeft aan de ontwikkeling hiervan en de eerbiediging van de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit, vrijheid en evenredigheid, en van de institutionele en didactische autonomie;

71.  vindt dat de Europese onderwijsruimte het Bolognaproces niet in gevaar mag brengen of mag vervangen en dat het Bolognaproces juist verder moet worden ontwikkeld en aangescherpt; benadrukt het belang van wederzijdse koppelingen en complementariteit tussen de Europese onderwijsruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs;

72.  verzoekt de lidstaten zich te scharen achter het opzetten van een Europese onderwijsruimte en de samenwerking te intensiveren om de doelstellingen ervan uit te werken en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie in dit verband de voorwaarden te scheppen voor het uitwisselen van ideeën en optimale werkmethoden om die doelstellingen te halen;

73.  schaart zich achter een nieuw Europees netwerk van universiteiten als basis voor nauwere samenwerking waarbij instellingen voor hoger onderwijs zowel binnen als buiten de EU worden betrokken, aan de hand van een bottom-upbenadering en initiatieven van de universiteiten zelf, die er onder andere toe moeten bijdragen dat de Europese onderwijsruimte een innovatievere, vitalere en aantrekkelijkere ruimte voor onderwijs en onderzoek wordt;

74.  verzoekt de lidstaten onderwijs te erkennen als investering in menselijk kapitaal, en meer en transparante overheidsfinanciering beschikbaar te stellen voor het ontplooien van initiatieven die gericht zijn op de verbetering van de kwaliteit, inclusiviteit en gelijkwaardigheid in het onderwijs en leren;

75.  benadrukt dat grotere investeringen in onderwijs- en opleidingsstelsels, alsook de modernisering en aanpassing daarvan een cruciale voorwaarde vormen voor sociale en economische vooruitgang; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om te waarborgen dat sociale investeringen, met name in onderwijs en opleidingen voor iedereen, prioriteit krijgen in de volgende programmeringsperiode van het MFK voor 2020-2026;

76.  stimuleert met het oog op inclusiever onderwijs en een vrije onderwijskeuze toereikende financiële steun voor scholen van alle categorieën en niveaus, zowel openbare scholen als particuliere scholen zonder winstoogmerk, mits het aangeboden lesprogramma gebaseerd is op de beginselen die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en voldoet aan de rechtssystemen en voorschriften en regelgeving over de kwaliteit van onderwijs en het gebruik van dergelijke fondsen in de lidstaat in kwestie;

77.  acht het tijd om de broodnodige investeringen te doen in onderwijsinfrastructuur in de minder ontwikkelde regio's, waarbij er altijd op moet worden gelet dat de investeringen zijn afgestemd op de specifieke regionale situatie; benadrukt dat het in dit verband met name van belang is om via de Europese Investeringsbank en de Europese fondsen meer steun uit te trekken voor regionale initiatieven om het onderwijs verder te ontwikkelen;

78.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervaringen en beste praktijken uit te wisselen op het vlak van mechanismen en methoden voor overheidsfinanciering, waaronder prestatiegebonden financiering en financiering van concurrerend onderzoek, om tot een duurzame en transparante diversifiëring van financiering te komen;

79.  pleit voor een nauwere samenwerking tussen lidstaten bij de modernisering van het onderwijs; dringt er bij de lidstaten op aan te beginnen met de tenuitvoerlegging van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten waarmee manieren worden aangereikt om ongelijkheden in Europa terug te dringen via onderwijs, opleiding en een leven lang leren;

80.  benadrukt de rol van het Europees semester bij de bevordering van nationale hervormingen, door de landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van onderwijs te definiëren;

81.  verwacht dat het actieplan voor digitaal onderwijs de lidstaten en onderwijsinstellingen zal ondersteunen bij het intensievere, doeltreffendere en op leeftijd en ontwikkeling afgestemde gebruik van geavanceerde technologie bij het leren, tijdens de lessen en beoordelingen, die voldoet aan de normen voor kwaliteitsborging; is van mening dat elk actieplan voor digitaal onderwijs een koppeling moet maken tussen digitale onderwijsmethoden en kwalificatiekaders op basis van leerresultaten, en die koppeling regelmatig moet beoordelen;

82.  raadt lidstaten en onderwijsinstellingen aan het gebruik van studentgerichte en geïndividualiseerde leermethoden te bevorderen, waaronder op maat gemaakte cursussen die gebaseerd zijn op en een combinatie vormen van de academische en beroepservaringen van de student en innovatieve methoden en interactie tussen de leerkrachten en de studenten, om ondersteuning te bieden bij vervolgonderwijs en het halen van de beoogde leerresultaten waarbij studenten actief invulling geven aan hun eigen leerproces;

83.  verzoekt de lidstaten een holistische aanpak van onderwijs te hanteren en studenten specifieke en flexibele leermogelijkheden te bieden waarmee ze uitgerust worden met de nodige kerncompetenties voor een succesvolle intrede op de arbeidsmarkt;

84.  pleit ervoor om onderzoekend, actief, projectmatig en probleemgestuurd leren beter te integreren in onderwijsprogramma's van alle niveaus teneinde samenwerking en teamwork te bevorderen; doet de aanbeveling dat onderwijssystemen gericht zijn op het verbeteren van horizontale, zachte en levensvaardigheden;

85.  herhaalt dat het recht op onderwijs moet worden gegarandeerd aan alle personen met een handicap, van de kleuterschool tot de universiteit, en benadrukt hoe belangrijk het is om te beschikken over het juiste lesmateriaal en technische apparatuur, beoordelingsinstrumenten en gekwalificeerd personeel zodat personen met een handicap ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken van dit recht;

86.  steunt en stimuleert de uitvoering van maatregelen voor de ontwikkeling van mediageletterdheid en kritisch denkvermogen via onderwijs en opleiding; wijst op de op dit vlak gedane toezegging, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van 30 mei 2016; verzoekt de Commissie in dit verband om beleidsontwikkelingen op het vlak van mediageletterdheid op EU-niveau te coördineren teneinde de meest recente kennis en beste praktijken op dit gebied te verspreiden; roept de Commissie en de lidstaten op specifieke maatregelen te nemen ter bevordering en ondersteuning van projecten voor media- en digitale geletterdheid, zoals het proefproject Mediageletterdheid voor iedereen, en om een alomvattend beleid inzake media- en digitale geletterdheid te ontwikkelen waarin schoolonderwijs centraal staat;

87.  spoort de lidstaten aan mogelijkheden te bieden om cruciale competenties te ontwikkelen teneinde vaardigheden op te doen en bij te houden, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan basisvaardigheden, de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde, taalvaardigheid, ondernemerschapsvaardigheden, digitale competenties, creativiteit, kritisch denkvermogen en teamwork; spoort de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van het EU-kader van kerncompetenties in alle onderwijssettings te bevorderen en dit kader ook toe te passen op formeel, niet‑formeel en informeel leren, waardoor het potentieel ervan als cruciaal hulpmiddel voor een leven lang leren optimaal wordt benut;

88.  spoort de lidstaten aan om een leven lang leren onder de aandacht van de bevolking te brengen en een genderperspectief in de ontwikkeling van de desbetreffende beleidsmaatregelen en programma's te integreren, met speciale aandacht voor laagopgeleide vrouwen, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, om hun de kans te geven bepaalde vaardigheden te ontwikkelen;

89.  schaart zich achter het aangescherpte EU-criterium voor deelname aan een leven lang leren; verzoekt de Commissie in dit verband voorstellen te doen voor aanbevelingen inzake optimale werkmethoden om deze ambitieuze doelstelling te halen; juicht een grotere nadruk op een leven lang leren op alle onderwijsniveaus toe; benadrukt in dit verband de rol van instellingen voor hoger onderwijs bij de verwezenlijking van een strategie voor een leven lang leren, het onderwijs aan mensen met een baan, de ontwikkeling van competenties en het creëren van een leercultuur voor mensen van alle leeftijden en met uiteenlopende achtergronden;

90.  spoort de Commissie aan de lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling, bevordering en verbetering van opleidings- en onderwijsprogramma's die volwassenonderwijs en de actieve integratie van volwassenen in het onderwijssysteem mogelijk maken; wijst erop dat het volwassenonderwijs een breed scala aan leertrajecten en flexibele leermogelijkheden moet bieden, waaronder begeleiding voor mensen bij het plannen van hun trajecten voor een leven lang leren, tweedekansprogramma's voor mensen die nooit naar school zijn geweest, vroegtijdige schoolverlaters en gesjeesde leerlingen; verzoekt de Commissie haar toezeggingen na te komen, zoals de vaardighedengarantie waarover wordt gerept in de nieuwe EU-agenda voor vaardigheden, en zich in te spannen om de arbeidsmogelijkheden voor laagopgeleide volwassenen in de EU te verbeteren;

91.  verzoekt de lidstaten intergenerationele projecten op te zetten om beter te begrijpen met welke uitdagingen ouderen kampen en om deze mensen de mogelijkheid te bieden om hun vaardigheden, kennis en ervaring te delen;

92.  juicht de ontwikkeling van synergieën en samenwerkingsverbanden tussen formele, niet‑formele en informele onderwijsvormen toe; is ingenomen met de in de laatste paar jaren geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Raad betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren uiterlijk in 2018; verzoekt de lidstaten echter ook na 2018 hun inspanningen voort te zetten om de tenuitvoerlegging van die aanbevelingen verder te verbeteren, relevante juridische kaders in het leven te roepen en uitvoerige validatiestrategieën op te zetten waardoor validatie mogelijk wordt; benadrukt dat de erkenning van informeel en niet‑formeel onderwijs, onder andere via gratis onlinecursussen, naadloos aansluit bij het idee om onderwijs open te stellen voor kansarme groeperingen;

93.  benadrukt de cruciale rol van ouders als onderdeel van de onderwijsdriehoek door kinderen te begeleiden bij het maken van huiswerk; wijst op de voordelen van ouders die betrokken zijn bij het onderwijs van hun kind om betere leerresultaten te bereiken, het welzijn van leerlingen te vergroten en de school in staat te stellen zich verder te ontwikkelen;

94.  verzoekt de Commissie haar steun te verlenen aan grensoverschrijdende initiatieven voor open onlineonderwijs;

95.  benadrukt dat de kwaliteit van onderwijs moet worden afgemeten aan de mate waarin een leerling niet alleen kennis en competenties heeft opgedaan maar ook heeft geleerd hoe hij of zij een leven lang kan blijven leren en creativiteit aan de dag kan leggen;

96.  staat achter de Commissie die een scorebord wil opzetten om de ontwikkeling van de belangrijkste competenties bij te houden, en zich hardmaakt voor onderwijs, leren en opleiding op basis van competenties;

97.  verzoekt de lidstaten om genderstereotypen in het onderwijs te bestrijden, opdat vrouwen dezelfde kansen en keuzevrijheid hebben bij de loopbaan die zij nastreven; is in dit verband bezorgd over de aanhoudende stereotypen in lesmaterialen in sommige lidstaten en de verschillende verwachtingen die leerkrachten hebben van het gedrag van meisjes en jongens; wijst op de noodzaak om zowel tijdens de lerarenopleiding als in bijscholingscursussen van leraren, maar ook in de lessen zelf, aandacht te schenken aan het beginsel van gendergelijkheid, om zo te waarborgen dat leerlingen ongeacht hun geslacht hun volledige potentieel kunnen benutten; verzoekt de lidstaten om bij de toepassing van gendergelijkheid in de leerplannen en programma's van regionale onderwijsstelsels bijzondere aandacht te schenken aan de ultraperifere regio's, gezien het hoge aantal gevallen van geweld tegen vrouwen aldaar; benadrukt dat in onderwijssystemen op alle niveaus een genderperspectief moet worden opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die het slachtoffer zijn van discriminatie;

98.  dringt er bij de lidstaten op aan de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie in onderwijsinstellingen te bevorderen, zowel in formele als informele leervormen;

99.  stelt voor dat de Commissie en/of de lidstaten een Europese/nationale gendergelijkheidsprijs voor onderwijsinstellingen invoeren en promoten met het oog op de bevordering van goede praktijken;

100.  benadrukt dat onderwijs een belangrijk hulpmiddel is om sociale inclusie te bewerkstelligen en om het vaardigheidsniveau en de kwalificaties van zowel minderjarige als volwassen migranten en vluchtelingen te verbeteren; moedigt in deze context het uitwisselen van optimale werkmethoden toe op het vlak van integratie via onderwijs en de overdracht van gemeenschappelijke waarden, een betere en eenvoudigere erkenning van diploma's en kwalificaties, het aanbieden van beurzen, het opzetten van partnerschappen met universiteiten in de landen van herkomst en het voortbouwen op de waardevolle ervaring van de onderwijscorridors;

101.  benadrukt dat er meer moet worden gedaan om toegang te garanderen tot onderwijs en opleidingen op alle niveaus voor leerlingen die afkomstig zijn van autochtone minderheden, en om steun te bieden aan onderwijsinstellingen die diensten aanbieden in de moedertaal van autochtone etnische of taalkundige minderheden; verzoekt de Commissie programma's die gericht zijn op de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op het vlak van onderwijs in regionale en minderheidstalen in Europa meer onder de aandacht te brengen; spoort de lidstaten aan meer mogelijkheden te bieden voor onderwijs in de moedertaal van leerlingen en studenten;

102.  spoort de lidstaten aan taalvaardigheidsniveaus op te schroeven door goede werkmethoden te hanteren, zoals de afgifte van officiële getuigschriften van de beheersing van een vreemde taal onder een bepaalde leeftijd;

103.  verzoekt de lidstaten en de Commissie een stelsel van innovatieve en flexibele beurzen in het leven te roepen om talent en artistieke en sportieve gaven op het vlak van onderwijs en opleiding te stimuleren; ondersteunt de lidstaten die beursregelingen willen invoeren voor studenten met goede studie-, sportieve en artistieke resultaten;

104.  is in dit verband ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa (COM(2016)0381), waarin oplossingen worden aangedragen voor de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan bepaalde vaardigheden, en manieren worden voorgesteld voor het vinden van een goed systeem voor de erkenning van vaardigheden; spoort de lidstaten in dit verband aan kwalitatief hoogstaande duale onderwijssystemen op te zetten (die zeer waardevol zijn vanwege hun holistische persoonlijke aanpak en vanwege de ontwikkeling van vaardigheden voor een leven lang leren) evenals beroepsopleidingen, in samenwerking met lokale en regionale spelers, en aansluitend bij de specifieke aard van elk onderwijssysteem; wijst op de voordelen en de groeiende aantrekkingskracht van het hybride systeem voor beroepsonderwijs en -opleiding waarin in gelijke mate leertrajecten in klassenverband en op de werkplek worden gecombineerd;

105.  beveelt beter schoolkeuzeadvies aan als essentieel hulpmiddel om verschillende onderwijssystemen op flexibele wijze samen te brengen en tegelijkertijd kennis en vaardigheden uit te breiden en te actualiseren;

106.  is voorstander van en stimuleert school- en beroepskeuzeadvies als een wezenlijke onderwijstaak voor de persoonlijke en sociale ontwikkeling van de jonge generaties;

107.  is van mening dat ondernemerschap niet alleen een motor voor groei en werkgelegenheid is, maar ook een middel om economieën concurrerender en innovatiever te maken, wat bijdraagt aan de versterking van de positie van vrouwen;

108.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economie kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is daarom van mening dat lessen in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moeten hebben en onderwerpen moeten behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen, de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, om te streven naar een socialere, inclusievere en duurzamere economie;

109.  verzoekt de lidstaten om hun onderwijs te richten op ondernemerschap en financiën, vrijwilligerswerk en beheersing van vreemde talen en om ook prioriteit aan deze vaardigheden te verlenen in programma's op het gebied van beroepsonderwijs en ‑opleiding;

110.  roept de Commissie en de lidstaten op de concrete arbeidskansen van het beroepsonderwijs en -opleiding en het belang daarvan voor de arbeidsmarkt te bevorderen;

111.  verzoekt de lidstaten loopbaanbegeleiding op te zetten waarmee het gemakkelijker wordt om de vaardigheden en talenten van leerlingen en studenten in kaart te brengen en het proces van maatonderwijs te verbeteren;

112.  vestigt de aandacht op de bijzondere onderwijssituatie van kinderen en tieners van wie de ouders voor hun werk door Europa reizen, en verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten naar de bijzondere situatie van deze kinderen en tieners en de uitdagingen waarmee zij te maken hebben op het gebied van voorschools en schoolonderwijs;

113.  vindt dat de Commissie krachtens artikel 349 VWEU meer steun moet verlenen aan lidstaten met ultraperifere regio's om hun onderwijssystemen op alle niveaus te verbeteren;

114.  spoort de lidstaten en regionale autoriteiten aan regelmatig de relevantie van onderwijsbeleid, strategieën en programma's te beoordelen en te controleren, waarbij ook rekening wordt gehouden met de feedback van leerkrachten en leerlingen, zodat onderwijssystemen kunnen blijven voorzien in de veranderende behoeften van het land in kwestie en kunnen blijven inspelen op de plaatselijke sociaal-economische situatie; raadt aan meer dwarsverbanden tot stand te brengen tussen het onderwijsbeleid en ander beleid om de efficiëntie en resultaten van onderwijshervormingen te bevorderen en te kunnen beoordelen;

115.  wijst erop dat de prestaties en effectbeoordelingen van de EU-programma's die gericht zijn op jeugdwerkgelegenheid moeten worden bijgehouden; benadrukt het belang van doeltreffende en duurzame investeringen;

116.  waardeert de activiteiten van de Commissie ten gunste van de modernisering van onderwijssystemen en verzoekt de lidstaten in dit verband meer betrokken te zijn bij en zich meer in te zetten voor de uitvoering van voorgestelde verbeteringen;

117.  spoort de lidstaten aan om in samenwerking met de Commissie onderwijsinstellingen te ondersteunen bij hun hervormingsprocessen door gespecialiseerde contactpunten toe te wijzen op nationaal en/of regionaal niveau die relevante informatie, begeleiding en hulp aanbieden;

118.  herhaalt dat er op rechten gebaseerde en genderbewuste leeromgevingen gecreëerd moeten worden waarin studenten kunnen leren over mensenrechten, met inbegrip van vrouwen- en kinderrechten, fundamentele waarden en burgerparticipatie, de rechten en verantwoordelijkheden van burgers, democratie en de rechtsstaat en daar ook voor leren opkomen, waarbij zij vertrouwen hebben in hun eigen identiteit, weten dat hun stem wordt gehoord en zich door hun gemeenschap gewaardeerd voelen;

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

119.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor gratis en eerlijke toegang tot hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en opvang, en spoort ze aan om de nodige maatregelen te nemen waarmee aan de materiële en financiële voorwaarden kan worden voldaan zodat elk kind zonder discriminatie deel kan nemen aan voor- en vroegschoolse educatie, en om te zorgen voor meer plekken op crèches en kleuterscholen;

120.  verzoekt de Commissie te overwegen een gemeenschappelijk Europees kader voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang vast te stellen, uitgaande van de beginselen die zijn voorgesteld in het kwaliteitskader; is voorstander van een Europese benchmark voor de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie, die moet worden ontworpen in samenwerking met leerkrachten en in de sector werkzame personen en in overeenstemming met nationale of regionale kwaliteitsindicatoren;

121.  is van mening dat de lidstaten zich meer moeten inzetten om de bestuursorganen van instellingen voor voor- en vroegschoolse educatie aan te sporen de mogelijkheid van Europese projecten te bekijken; wijst erop dat de beroepsorganisaties op die manier in staat zullen zijn innovaties in het onderwijs bij te houden en zo voorschoolse educatie zinvoller te maken;

122.  blijft erbij dat instellingen voor voor- en vroegschoolse educatie niet mogen worden uitgesloten van de Europese onderwijsruimte; is van mening dat ook deze instellingen de uitwisseling van kennis onder de lidstaten moeten bevorderen, vooral met het oog op het delen van informatie tijdens de uitvoering van innovatieve projecten;

123.  pleit voor nauwere samenwerking tussen personeel in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang en leerkrachten in het kleuteronderwijs, teneinde de kwaliteit van het onderwijs en de koppelingen tussen onderwijsniveaus te verbeteren, kleuters voor te bereiden op de overgang naar de basisschool en de aandacht te richten op de ontwikkeling van het kind; benadrukt hoe belangrijk de contacten zijn tussen de aanbieders van voor- en vroegschoolse educatie en opvang en de ouders of verzorgers van kinderen, tussen het schoolpersoneel en kinderen en tussen kinderen onderling;

124.  spoort de lidstaten aan de financiering voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang te verhogen evenals de economische ondersteuning en initiatieven (zoals belastingkortingen, subsidies of vrijstelling van kosten) voor ouders en verzorgers, vooral met een sociaal-economisch kansarmere achtergrond, zodat zij ook gebruik kunnen maken van diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang en dit ook wordt aangemoedigd;

125.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in personeel om deze loopbaan aantrekkelijker te maken voor meer mensen en zodoende de beschikbaarheid van hoog gekwalificeerd personeel in voor- en vroegschoolse educatie en opvang te garanderen;

126.  verzoekt de lidstaten hun systemen te hervormen en te verbeteren om de Barcelona-doelstelling te halen dat ten minste 33 % van de kinderen onder de drie jaar moet deelnemen aan programma's op het vlak van voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

Schoolonderwijs

127.  pleit voor de uitvoering van een schoolomvattende aanpak om de sociale integratie, toegankelijkheid, het democratische bestuur, de kwaliteit en de diversiteit van het onderwijs te verbeteren en het aantal vroegtijdige schoolverlaters te beperken en het probleem van jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen aan te pakken, maar tegelijkertijd leerresultaten, de behoeften en het welzijn van studenten en hun betrokkenheid bij het schoolleven centraal te stellen bij alle activiteiten; pleit voor de bevordering en ondersteuning van democratische structuren voor de vertegenwoordiging van schoolleerlingen;

128.  onderstreept dat het hoge aantal jongeren dat geen werk heeft en evenmin onderwijs of een opleiding volgt – bijna 6,3 miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar – teruggedrongen kan worden met maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en door scholen praktischer te maken en meer te verbinden met hun lokale omgeving, en door banden aan te gaan met lokale ondernemingen, lokale autoriteiten, maatschappelijke instellingen en ngo's; is van mening dat vroegtijdig schoolverlaten, een van de redenen dat bepaalde jongeren geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen, aangepakt kan worden door armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; acht het ook belangrijk studenten te ondersteunen bij het vinden van hun eigen leermethoden, waaronder onlinecursussen en een combinatie van blended learning; is ingenomen met de tenuitvoerlegging van relevante en aantrekkelijke onderwijsprogramma's en sterke en goed ontwikkelde begeleidingssystemen met kwalitatief hoogwaardige adviesdiensten en studieoriëntatie voor alle studenten;

129.  benadrukt dat er meer mogelijkheden en structuren moeten komen voor interne en externe samenwerkingsverbanden op schoolniveau, waaronder interdisciplinaire samenwerking, teamonderwijs, schoolclusters en de communicatie met partijen die betrokken zijn bij het ontwerp en de tenuitvoerlegging van leertrajecten, onder andere ouders; wijst op het belang van internationale uitwisselingen en partnerschappen tussen scholen door middel van programma's als Erasmus+ en e‑Twinning;

130.  benadrukt dat schoolonderwijs ook flexibeler gemaakt moet worden om beter in te kunnen spelen op de leefomstandigheden van studenten, bijv. door meer gebruik te maken van onlinediensten zodat bijvoorbeeld mogelijkheden voor blended learning kunnen worden verbeterd;

131.  is van mening dat hoe eerder mensen STEAM-vaardigheden verwerven, des te beter hun kansen zijn op toekomstig succes in onderwijs of werk; moedigt dan ook meer STEAM-initiatieven aan op scholen, en parallel daaraan de bevordering van sociale en menswetenschappen, onder andere door middel van nauwere en meer gevarieerde samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

132.  spoort de Commissie aan de ontwikkeling van taalvaardigheden bij jonge Europeanen in formele en niet-formele leeromgevingen te steunen door innovatieve, meertalige pedagogische methoden te ontwikkelen, de beste meertalige pedagogische praktijken te delen en de taalbeheersing van leerkrachten op een hoger plan te tillen;

133.  spoort de lidstaten en de Commissie aan bestaande initiatieven te ondersteunen en alomvattende beleidsmaatregelen in het leven te roepen en uit te voeren met betrekking tot inclusief onderwijs en strategieën die gericht zijn op de aanpak van specifieke behoeften, waarmee de rechten van de meest kwetsbare groepen worden bevorderd, er inclusievere leeromgevingen tot stand komen en openheid en betrokkenheid worden gestimuleerd; verzoekt de Commissie om samen met het Europees Agentschap voor bijzondere onderwijsbehoeften en inclusief onderwijs innovatieve methoden en didactische hulpmiddelen te ontwikkelen om inclusie te bevorderen en in de behoeften van elke leerling te voorzien;

134.  beveelt de lidstaten aan lessen over de EU op te nemen in het lesprogramma van middelbare scholen om leerlingen bekend te maken met de werking en de geschiedenis van de Unie en de waarden van het Europees burgerschap;

135.  benadrukt hoe belangrijk het is om kennis over de geschiedenis van vrouwenemancipatie en in het bijzonder het vrouwenkiesrecht op te nemen en te bevorderen in de curricula van scholen en de lessen, ook naar aanleiding van symbolische jubilea (bijv. 100 jaar stemrecht voor vrouwen in Polen en Duitsland in 2018), met het oog op bewustwording en daarmee de bevordering van vrouwenrechten in een onderwijscontext;

136.  benadrukt het belang van voorlichting over gezondheid en relaties, waarin kinderen en jongeren leren over relaties op basis van gelijkheid, instemming, respect en wederkerigheid, en over rechten van vrouwen en meisjes, waaronder reproductieve en seksuele rechten, als middel om stereotypen tegen te gaan, gendergerelateerd geweld te voorkomen en het welzijn te bevorderen;

137.  juicht trainingen van het Rode Kruis op scholen voor leerlingen, leerkrachten en niet-onderwijzend personeel toe, als hulpmiddel om essentiële EHBO-vaardigheden op te doen en te kunnen handelen in een noodsituatie;

138.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een proefregeling op te zetten waarmee uitwisselingen van middelbare scholieren worden ondersteund en in het kader waarvan ze ten minste een semester in een andere lidstaat doorbrengen;

139.  verzoekt de lidstaten het gebruik van gestandaardiseerde teksten niet vaker dan nodig te gebruiken als instrumenten om het niveau van verworven kennis en vaardigheden te beoordelen;

140.  spoort de lidstaten aan te overwegen maatregelen te nemen om te erop toe te zien dat studieperioden in het buitenland die niet leiden tot een diploma of kwalificatie erkend worden; verzoekt de Commissie in dit verband richtsnoeren voor te stellen voor de erkenning van studieperioden in het buitenland, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande goede praktijken in de lidstaten, het beginsel van wederzijdse waardering tussen onderwijssystemen, de op sleutelcompetenties gebaseerde aanpak en de specifieke kenmerken van nationale onderwijsstelsels en culturen;

141.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten de problemen pesten, cyberpesten, intimidatie, verslaving en geweld aan te pakken door op schoolniveau en in samenwerking met de rechtstreeks betrokkenen en alle belanghebbenden (vooral leerkrachten, ouderverenigingen en ngo's die op dit terrein actief zijn) preventieprogramma's en bewustmakingscampagnes over inclusie te ontwikkelen;

142.  stelt voor dat de lidstaten, hun onderwijsinstellingen en de Commissie sport op school actiever bevorderen;

Hoger onderwijs

143.  dringt erop aan bij de totstandbrenging van de Europese onderwijsruimte uit te gaan van de mogelijkheden van reeds bestaande kaders, zoals de Europese onderzoeksruimte, de Innovatie-unie en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, op een manier dat ze elkaar kunnen versterken en aanvullen;

144.  spoort de lidstaten aan ten minste 2 % van hun bbp te investeren in hoger onderwijs en te voldoen aan de EU-benchmark om uiterlijk in 2020 3 % van het bbp van de Unie geïnvesteerd te hebben in O&O;

145.  stelt voor dat de lidstaten en regionale autoriteiten bij de besteding van nationale en regionale middelen en bij de toewijzing van de Europese structuur- en investeringsfondsen prioriteit verlenen aan onderwijsprogramma's en de bevordering van de samenwerking tussen het hoger onderwijs, de arbeidsmarkt, onderzoeksgemeenschappen en de samenleving als geheel;

146.  verzoekt de lidstaten een inclusievere en meer toegankelijke mobiliteit van studenten, stagiairs, begeleiders van leerlingplaatsen, onderzoekers en administratief personeel te bevorderen, omdat mobiliteit zowel bijdraagt tot hun persoonlijke en professionele ontwikkeling als tot een hogere kwaliteit van leren, onderwijzen, onderzoek en administratie; pleit voor de bevordering van mobiliteit voor iedereen, onder andere door middel van een soepele erkenning van in het buitenland behaalde studiepunten en academische en beroepskwalificaties, toereikende financiering en persoonlijke bijstand, garanties voor sociale rechten en in voorkomend geval de opname van mobiliteit als onderdeel van onderwijsprogramma's; wijst in dit verband op de nieuwe initiatieven van de Commissie, met inbegrip van de eCard om studentenmobiliteit over de grenzen te vergemakkelijken;

147.  is van mening dat de financiering voor de mobiliteit van onderwijzend personeel en onderzoekers moet worden verhoogd door niet alleen onkosten te vergoeden maar ook studie-/onderzoeksbeurzen te verstrekken, de duur van perioden in het buitenland te verlengen, goedkeuringsprocedures te vereenvoudigen en co-mentorschappen van leerkrachten en onderzoekers te stimuleren;

148.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen mobiliteit in het volwassenonderwijs een impuls te geven, zoals al het geval is in het programma Erasmus+;

149.  benadrukt dat de wederzijdse grensoverschrijdende erkenning en compatibiliteit van kwalificaties en universitaire diploma's gegarandeerd moeten worden waarmee het systeem van kwaliteitsborging op EU-niveau en in alle landen die zich hebben aangesloten bij de Europese ruimte voor hoger onderwijs versterkt wordt;

150.  benadrukt dat er uitvoerige strategieën en geschikte instrumenten moeten worden ontwikkeld om de kwaliteit van nieuwe onderwijs- en leermethoden te kunnen bepalen, bijv. e-leren, open onlinecursussen voor een groot publiek (MOOC's) en vrij toegankelijke hulpbronnen; onderkent in dit verband de rol van de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs (ENQA) en andere relevante Europese netwerken, gezien hun bijdrage aan de totstandbrenging van kwaliteitsborging;

151.  roept de Commissie en de lidstaten op de nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs beter onder de aandacht te brengen bij instellingen voor hoger onderwijs, regionale en lokale autoriteiten en werkgevers, teneinde te voldoen aan de behoeften van instellingen voor hoger onderwijs en studenten, en de uitdagingen waarmee ze kampen het hoofd te bieden, contacten te leggen met lokale en regionale spelers, lokale gemeenschappen te bereiken, lokale en regionale ontwikkeling en innovatie te bevorderen, te werken aan inclusieve en onderling verbonden systemen voor hoger onderwijs, de samenwerking met het beroepsleven te verbeteren en in te gaan op de regionale behoeften aan vaardigheden; spoort de instellingen voor hoger onderwijs daarnaast aan meer betrokken te raken bij lokale en regionale ontwikkeling, onder andere door deel te nemen aan coöperatieve gemeenschapsprojecten;

152.  pleit voor het nakomen van de verbintenissen in de nieuwe agenda voor vaardigheden, waaronder de ondersteuning van lidstaten bij hun inspanningen om meer informatie beschikbaar te stellen over hoe afgestudeerden het doen op de arbeidsmarkt; is in dit verband ingenomen met het voorstel om uiterlijk in 2020 een Europees systeem voor het volgen van het carrièrepad van afgestudeerden op te zetten; is van mening dat informatie over het carrièrepad van afgestudeerden en de verzameling van accurate en relevante gegevens (niet alleen op nationaal maar ook op EU-niveau) essentieel is voor kwaliteitsborging en de ontwikkeling van hoogwaardig onderwijs;

153.  spoort de Commissie aan haar inspanningen op te voeren om de onderzoeks- en innovatiekloof tussen lidstaten en regio's te dichten door nieuwe initiatieven voor te stellen in het kader van de Marie Skłodowska-Curie-acties, en de combinatie van onderzoeks- en onderwijsactiviteiten te steunen voor begunstigden van de Marie Skłodowska-Curie-acties, die zich opmaken voor een academische carrière;

154.  stelt voor dat de STE(A)M-coalitie van de EU moet bestaan uit een breed scala aan disciplines om studenten voor te bereiden op het leven en een baan in een dynamisch veranderende realiteit;

155.  is het eens met de toekenning van studiepunten in het kader van het Europees puntenoverdrachtssysteem aan studenten die vrijwilligerswerk voor de gemeenschap doen, als een manier om bij te dragen aan de professionele en persoonlijke ontwikkeling van studenten;

156.  benadrukt dat programma's voor internationale samenwerking, culturele diplomatie en beleidsdialogen met derde landen op het vlak van hoger onderwijs niet alleen de kennisoverdracht vergemakkelijken, maar ook bijdragen aan een betere kwaliteit en een hogere internationale status van het Europees hoger onderwijs, en daarnaast onderzoek en innovatie stimuleren, mobiliteit en de interculturele dialoog bevorderen en internationale ontwikkeling aanwakkeren in overeenstemming met de EU-doelstellingen voor extern optreden;

157.  is van mening dat toekomstbestendige onderwijssystemen ook lessen over duurzaamheid en vredesopbouw moet omvatten en deel moet uitmaken van een bredere beraadslaging over professionele geletterdheid in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen, waarbij de nadruk niet alleen op economische groei, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling en op een betere gezondheid en een beter welzijn van studenten moet liggen;

158.  verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven aan te wakkeren om studenten beter voor te bereiden op hun eerste schreden op de arbeidsmarkt en actie te ondernemen om de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan bepaalde vaardigheden aan te pakken; pleit in dit opzicht voor de opname van hoogwaardige en relevante stageplaatsen, die worden erkend via ECTS-studiepunten, in programma's voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleidingen, voor de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, het bedrijfsleven, de onderzoekssector en lokale en regionale economische spelers voor het op poten zetten van kwalitatief hoogstaande systemen voor duaal onderwijs en duale beroepsopleidingen, loopbaanbegeleiding, leerlingplaatsen, stages evenals op de realiteit gebaseerde opleidingen, die onderdeel moeten uitmaken van de curricula in het beroeps- en hoger onderwijs; verzoekt de lidstaten daarnaast om het recht te garanderen van elke jongere in de EU op het vinden van een baan, een leerlingplaats, een aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding;

159.  is van mening dat het, om de kwaliteit van leerlingplaatsen en stages te waarborgen, van fundamenteel belang is dat er een contract wordt gesloten waarin de rollen en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen worden afgebakend en dat een omschrijving bevat van de duur, leerdoelen en taken die overeenkomen met duidelijk omschreven vaardigheden die verworven moeten worden, de aard van de dienstbetrekking, een toereikende vergoeding/beloning, onder andere voor overwerk, alsmede regelingen voor sociale bescherming en sociale zekerheid op grond van de geldende nationale wetgeving, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten, of beide;

160.  benadrukt dat stages en leerlingplaatsen een passende leerinhoud en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden moeten omvatten, om de cruciale rol ervan voor de overgang van onderwijs naar het beroepsleven te waarborgen; benadrukt dat stages en leerlingplaatsen nooit mogen worden gebruikt als vervanging voor banen, en dat stagiairs en leerlingen nooit mogen worden behandeld als goedkope of zelfs onbetaalde werkkrachten;

161.  stelt voor dat universiteiten en opleidingscentra basisopleidingen en bijscholingscursussen verzorgen voor leerkrachten in het beroepsonderwijs, met bijdragen van experts op de werkterreinen die overeenstemmen met de vakgebieden die aan bod komen in de beroepsopleidingen;

De leerkracht die garant staat voor kwaliteitsonderwijs

162.  verzoekt de Commissie en de lidstaten leerkrachten te ondersteunen bij het integreren van innovatie en technologie in hun lessen door hun digitale vaardigheden te verbeteren, en door ze relevante hulpmiddelen en begeleiding aan te reiken, bijv. door meer opfriscursussen aan te bieden en door onlinegemeenschappen en open leermiddelen en cursussen te ontwikkelen;

163.  staat achter de oprichting van een academie voor onderwijs en leren als een aanvullende voorziening voor leerkrachten om beste praktijken op Europees niveau te oefenen en uit te wisselen, door een centrum voor online-uitwisselingen, het delen van ervaringen en van elkaar leren aan te bieden, dat tevens als locatie kan dienen voor regelmatige bijeenkomsten in de vorm van workshops, seminars en conferenties om de samenwerking tussen leerkrachten te bevorderen, de kwaliteit van de lessen te verbeteren en de professionele ontwikkelingen van leerkrachten te stimuleren; verzoekt de Commissie een project voor te stellen voor de oprichting van een dergelijke academie die ook gebaseerd moet worden op de ervaring die is opgedaan met de European Schoolnet Academy;

164.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat docenten van instellingen voor hoger onderwijs een pedagogische opleiding volgen en dat in aanwervingsprocedures ten minste evenveel belang wordt gehecht aan pedagogische als aan onderzoeksvaardigheden; benadrukt de rol van op onderzoek gebaseerd onderwijs en pedagogisch onderzoek om een studentgerichte aanpak in het onderwijs te stimuleren, actief leren en de ontwikkeling van vaardigheden te bevorderen en didactische methoden te verbeteren;

165.  verzoekt de lidstaten stimuleringsmaatregelen te introduceren om jonge mensen en gekwalificeerde leerkrachten aan te trekken en te motiveren om aan de slag te gaan in het onderwijssysteem;

166.  benadrukt dat de professionele status van personeel in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang moet worden erkend;

167.  verzoekt om ondersteuning voor leraren die meertalige lessen verzorgen, aangezien dit een belangrijke factor vormt voor de internationalisering van het onderwijs;

168.  benadrukt de rol van intercultureel leren als onderdeel van de lerarenopleiding om de interculturele vaardigheden van leerkrachten te verbeteren, teneinde de Europese cultuur, gemeenschappelijke waarden en een Europese onderwijsdimensie te bevorderen; merkt op dat interculturele competenties essentieel zijn om te kunnen werken in steeds diversere samenlevingen en om internationalisering op schoolniveau te stimuleren;

169.  is zich bewust van de noodzaak om synergieën te creëren tussen de kennis van leerkrachten en het technologische potentieel van leerlingen en zo de leerresultaten te optimaliseren;

170.  pleit voor de opname van lerarenstages in alle stadia van de lerarenopleiding, onder begeleiding van getrainde mentoren;

171.  spoort leerkrachten en schooldirecteuren aan om innovatie te bevorderen en het voortouw te nemen in het introduceren en ontwikkelen van innovaties in de schoolomgeving;

172.  spoort instellingen voor hoger onderwijs aan prioriteit en ondersteuning te verlenen aan de verbetering en actualisering van de pedagogische kennis van leerkrachten en onderzoekers in het hoger onderwijs en dit ook te belonen, waaronder de didactische mogelijkheden die worden geboden door moderne technologie, als een manier om studenten beter te laten presteren en de onderwijsmethoden doeltreffender te maken;

173.  schaart zich achter de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve en ambitieuze lestechnieken en onderwijsnormen om beter in te spelen op de behoeften van studenten en instellingen voor hoger onderwijs en op de uitdagingen van een snel veranderende wereld;

o
o   o

174.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 22.
(2) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 30.
(3) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(4) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0360.
(6) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(8) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 2.
(9) Aangenomen teksten P8_TA(2017)0018.
(10) PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
(11) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(12) http://www.socialsummit17.se/wp-content/uploads/2017/11/Concluding-report-Gothenburg-summit.pdf
(13) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/educ/122123.pdf
(14) PB C 104 van 16.4.1984, blz. 69.
(15) PB C 135 van 26.5.2010, blz. 12.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0303.
(17) http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Gender_statistics
(18) http://www.cedefop.europa.eu/en/publications-and-resources/publications/3072, en https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1502en_0.pdf


Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector
PDF 189kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2018 over Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector: huidige stand van zaken en toekomstige uitdagingen (2017/2118(INI))
P8_TA(2018)0248A8-0186/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU" (COM(2013)0229),

–  gezien Verordening (EU) nr. 304/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur(1),

–  gezien Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 710/2009 van de Commissie van 5 augustus 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, betreffende de vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de biologische dierlijke aquacultuurproductie en de biologische productie van zeewier(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad(8),

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(9),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad(10),

–  gezien zijn resolutie van 4 december 2008 over het opstellen van een Europees beheersplan voor aalscholvers om de toenemende schade aan visbestanden, visserij en aquacultuur door aalscholvers te verminderen(11),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over een nieuw elan voor de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over de regeling inzake de invoer van visserij- en aquacultuurproducten in de EU in het licht van de hervorming van het GVB(13),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld op 23 november 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur(14),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over het aanboren van het potentieel van onderzoek en innovatie in de blauwe economie voor de schepping van banen en groei(15),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel(16),

–  gezien het werkdocument van de Commissiediensten over de toepassing van de kaderrichtlijn water en de kaderrichtlijn mariene strategie ten aanzien van aquacultuur (SWD(2016)0178),

–  gezien het document van de Commissie van 2015 getiteld "Overview report: Implementation of the rules on finfish aquaculture" (DG SANTE) 2015 – 7406 - MR),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 met als titel "Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)" (COM(2017)0339),

–  gezien het economisch verslag over de aquacultuursector in de EU van 2016 door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV),

–  gezien het Eurobarometerverslag over consumentengewoonten met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten in de EU (2017) en de aanvullende analyse door de Waarnemingspost voor de EU-markt voor visserij- en aquacultuurproducten (Eumofa),

–  gezien het wetenschappelijk advies getiteld "Food from the Oceans" van de groep op hoog niveau van wetenschappelijk adviseurs van november 2017,

–  gezien de Gedragscode van de FAO voor een verantwoorde visserij,

–  gezien de Gezondheidscode voor waterdieren van de OIE,

–  gezien de artikelen 42 en 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU(17),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0186/2018),

A.  overwegende dat de aquacultuur, inclusief de kweek van mariene en zoetwatervis, alsmede de kweek van schaaldieren, schelpdieren, zeewier en stekelhuidigen, een innoverende economische sector is die de snelst groeiende voedselproductieactiviteit is en potentieel een hoogtechnologische bedrijfstak die structurele investeringen en investeringen in onderzoek vereist, alsmede operationele en financiële planning op lange termijn;

B.  overwegende dat de visteelt- en de schelpdierensector een belangrijke en waardevolle rol spelen op het gebied van economie, werkgelegenheid, samenleving en milieu, door het verbeteren van de levenskwaliteit in de kustgebieden en de landinwaarts gelegen gebieden van de Unie en in de ultraperifere gebieden en door bij te dragen aan de voedings- en voedselzekerheid van de Europeanen; overwegende dat bepaalde factoren een negatief effect hebben op de aquacultuurproductie, onder andere milieu- en klimaatgerelateerde factoren, maar bovenal roofdieren; overwegende dat uit een aantal onderzoeken blijkt dat deze kwesties in verband met roofdieren een aanzienlijke impact hebben op de productie;

C.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie "Strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU" vier prioriteiten worden benadrukt waaraan moet worden gewerkt om het potentieel van de aquacultuur in de EU te ontsluiten: administratieve procedures, coördinatie van de ruimtelijke ordening, concurrentievermogen, met name door de sector in contact te brengen met de wetenschap, en een gelijk speelveld;

D.  overwegende dat in deze mededeling ook wordt aangeraden dat de lidstaten nationale strategische meerjarenplannen voor de aquacultuur opstellen, met een analyse van de belangrijkste tekortkomingen en van de kwesties die moeten worden opgelost, evenals de bepaling van gezamenlijke doelstellingen en, indien mogelijk, de vatstelling van indicatoren om de vorderingen in de richting van de realisatie van deze doelstellingen te beoordelen;

E.  overwegende dat instandhouding van de lokale ecosystemen en bestanden een prioritaire hoofddoelstelling moet zijn, om de verplaatsing en teloorgang van de plaatselijke visserij en kweek te voorkomen;

F.  overwegende dat ondanks goede intenties en inspanningen de aquacultuur in de EU stagneert, in tegenstelling tot de toenemende groei die is waar te nemen in andere delen van de wereld;

G.  overwegende dat de aquacultuurproductie in de EU volgens ramingen slechts 10 % van de binnenlandse vraag naar vis dekt en dat meer dan de helft van de vraag naar visserijproducten wordt gedekt door invoer uit derde landen;

H.  overwegende dat aquacultuur moet worden gezien als een vorm van landbouw, in het bijzonder in het geval van vijverkweek;

I.  overwegende dat de achterstand van de ultraperifere gebieden met betrekking tot de ontwikkeling van aquacultuur bijzonder significant is;

J.  overwegende dat het recente advies van de groep op hoog niveau van wetenschappelijk adviseurs over de aan deze groep door commissaris Vella voorgelegde vraag, namelijk: "Hoe kan meer voedsel en biomassa uit de oceaan worden verkregen zonder dat toekomstige generaties de voordelen ervan wordt ontnomen?", de volgende aanbevelingen bevat: een paradigma inzake voedsel uit de oceaan dat gebaseerd is op verantwoorde kweek opnemen in algemene communautaire en mondiale beleidsagenda's op systeemniveau en de ontwikkeling van de maricultuur in Europa naar een hoger en meer strategisch niveau tillen door middel van een alomvattend, gezamenlijk beleidskader – dit omvat de uitgifte van richtsnoeren voor de opname van maricultuurvereisten in de tenuitvoerlegging van de EU-richtlijn van 2014 inzake mariene ruimtelijke ordening en uitbreiding van de technologische samenwerking naar maricultuur in het kader van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij tussen de EU en zuidelijke partnerlanden;

K.  overwegende dat voor het opstarten of uitbreiden van een aquacultuurbedrijf in de EU verschillende vergunningen en machtigingen vereist zijn en dat de procedure voor het verkrijgen van deze officiële documenten niet op EU-niveau geharmoniseerd is en over het algemeen traag en complex is, en geen rechtszekerheid en economische voorspelbaarheid biedt; overwegende dat deze situatie de ontwikkeling van de sector dreigt te belemmeren en dat zij bedrijfsinvesteringen kan ontmoedigen en kan leiden tot buitensporige kosten voor de sector, naast indirecte aanmoediging van import uit derde landen;

L.  overwegende dat de meest complexe procedures voor aquacultuuroperaties procedures zijn die verband houden met milieueisen (milieueffectbeoordelingen, strategische milieubeoordelingen en toezichtprocedures), maar dat, paradoxaal genoeg, de traagheid en de complexiteit van deze administratieve procedures niet altijd leiden tot bescherming van het milieu, en de oprichting van sociaal-economisch en ecologisch duurzame en kwalitatief hoogstaande aquacultuurbedrijven daarentegen soms zelfs bemoeilijken; overwegende dat er verschillen zijn tussen zoetwater- en mariene aquacultuur; overwegende dat de verschillen in de subsectoren van de aquacultuur vereisen dat verschillende praktijken worden gevolgd voor het beheren van bestanden, het voeden en het reproduceren; overwegende dat er voldoende rekening moet worden gehouden met deze verschillen bij de opstelling van regelgeving voor EU-aquacultuur, met name duurzame milieunormen;

M.  overwegende dat bureaucratische complexiteit en vertragingen, in het bijzonder met betrekking tot vergunningen en planning, staan voor passiviteit die onvermijdelijk leidt tot economische en sociale/arbeidskosten voor potentiële investeerders in de gebieden waar aquacultuurbedrijven gevestigd zijn, met bijzondere gevolgen op het gebied van werkgelegenheid voor vrouwen en jongeren;

N.  overwegende dat voor een adequate ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden met de verschillende behoeften van de diverse gebruikers, samen met de noodzaak om de natuur te beschermen, en dat inspanningen moeten worden geleverd om deze met elkaar te verzoenen; overwegende dat het niet voorhanden zijn van locaties, het ontbreken van een adequate ruimtelijke ordening en conflict met andere economische activiteiten een aanzienlijk effect hebben op de ontwikkeling van de aquacultuur in de EU in sommige regio's, aangezien de aquacultuursector wellicht minder zwaar weegt dan andere, "machtige" sectoren;

O.  overwegende dat ruimtelijke ordening een van de voorwaarden is voor de ontwikkeling van aquacultuur op lange termijn en het vereiste instrument om te zorgen voor geschikte locaties voor aquacultuur, rekening houdend met andere activiteiten in de gebieden in kwestie;

P.  overwegende dat de EU-milieuwetgeving gebaseerd is op richtlijnen (de richtlijn mariene strategie, de vogel- en habitatrichtlijn) en dat het dus wordt overgelaten aan de lidstaten en de lokale en regionale overheden om deze om te zetten en toe te passen, tot op zekere hoogte naar eigen inzicht; overwegende dat er bijgevolg geen uniforme toepassing is in de hele EU, hetgeen leidt tot rechtsonzekerheid voor ondernemingen en landbouwbedrijven en tot een gebrek aan voorspelbaarheid voor investeerders en zorgt voor een ongelijk speelveld;

Q.  overwegende dat volgens het wetenschappelijk advies "Food from the Oceans" de enige manier om op korte termijn significant meer voedsel en biomassa uit de oceanen te verkrijgen, het vangen van organismen is die zich onderaan de voedselketen bevinden, zoals macroalgen en tweekleppige schelpdieren;

R.  overwegende dat verschillende nationale en regionale wettelijke kaders voor aquacultuur kunnen leiden verschillende wettelijke vereisten voor bedrijven, zelfs wanneer deze actief zijn in hetzelfde zeebekken, hetgeen op zijn beurt de mededinging dreigt te verstoren;

S.  overwegende dat de voorbeelden van goede samenwerking op basis van convenanten en andere overeenkomsten tussen natuurbeschermers en de sector moeten worden verwelkomd; overwegende dat, hoewel de positieve voorbeelden van bijdragen door aquacultuur aan het behoud van een goede waterkwaliteit en goede aquatische ecosysteemdiensten moeten worden verwelkomd, het ook belangrijk is de negatieve gevolgen op te merken en te proberen te verminderen die aquacultuur kan hebben voor het plaatselijke milieu en de waterkwaliteit; moedigt daarom verdere innovatie en initiatieven aan om te zorgen voor een duurzame en winstgevende sector op lange termijn;

T.  overwegende dat de productie van tweekleppige schelpdieren en de kweek van macroalgen een evenwichtige toevoeging van voedingszouten in het milieu vereisen;

U.  overwegende dat, rekening houdend met het bovenstaande, deze soort zoetwaterviskwekerij ook te beschouwen is als een milieubeschermingsdienst die de kwaliteit en kwantiteit van het water beschermt, en meer erkenning en steun van de besluitvormers van de EU verdient dan momenteel het geval is;

V.  overwegende dat EU-producten moeten voldoen aan een reeks strenge regels en normen inzake het milieu, diergezondheid, dierenwelzijn en consumentenbescherming op het gebied van productieactiviteiten, diervoeder, welzijn, vervoer, verwerking en sociale en arbeidsvoorwaarden, die rechtstreekse gevolgen hebben voor de productiekosten; overwegende dat dit resulteert in een uitstekende kwaliteit en duurzame producten die duurder en bijgevolg vaak minder concurrerend kunnen zijn dan de geïmporteerde producten die met grote regelmaat op de EU-markt komen tegen lage prijzen als gevolg van praktijken die uit ecologisch, sociaal en arbeidsoogpunt onhoudbaar zijn en waarvan de productie gepaard is gegaan met slechte normen inzake dierenwelzijn en gezondheid;

W.  overwegende dat sommige aquacultuurbedrijven erg afhankelijk zijn van energiebronnen, hetgeen de kosten van aquacultuurproductie opdrijft;

X.  overwegende dat de consumptie van vis – een levensmiddel dat proteïnen, vetzuren, vitaminen, mineralen en essentiële micronutriënten bevat die de menselijke gezondheid ten goede komen – moet worden verhoogd en overwegende dat de uitstekende kwaliteit van vis, schaal- en schelpdieren uit de EU een groot concurrentievoordeel voor de EU‑aquacultuur moet vormen;

Y.  overwegende dat de mondiale visconsumptie gestaag toeneemt, parallel met de mondiale bevolkingstoename;

Z.  overwegende dat er bovendien niet altijd coherentie is tussen het handels-, het sociale en het milieubeleid van de EU: de EU verleent bijvoorbeeld de SAP- en SAP+-status (stelsel van algemene preferenties) aan kwetsbare ontwikkelingslanden, om ervoor te zorgen dat deze minder of geen rechten op de uitvoer naar de EU hoeven te betalen, zodat hun onmisbare toegang tot de EU-markt wordt gegeven en wordt bijgedragen tot hun groei; overwegende dat sommige van deze landen, bijvoorbeeld sommige Aziatische landen, tegelijk aquacultuurproducten produceren die niet voldoen aan de normen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en gezondheid, alsmede de sociale en arbeidsnormen waaraan exploitanten uit de EU moeten voldoen en die in sommige gevallen in strijd zijn met de mensenrechten;

AA.  overwegende dat de EU ook sterk afhankelijk is van de invoer van visserijproducten uit derde landen voor voeders voor de aquacultuur en dat duurzamere, alternatieve voeders tot nu toe onvoldoende zijn onderzocht en bevorderd;

AB.  overwegende dat de buitenlandse handel van de EU op het gebied van aquacultuur een tekort vertoont en dat er oneerlijke concurrentie is tussen ingevoerde aquacultuurproducten uit derde landen en producten uit de EU, ten koste van de voedselkwaliteit en de gezondheid van de consument;

AC.  overwegende dat aquacultuur in derde landen mogelijkheden biedt voor EU‑investeringen;

AD.  overwegende dat de verschillen tussen de producten van de Europese aquacultuur in vergelijking met die van derde landen in termen van kwaliteit, ecologische voetafdruk, sociaal gedrag en respect voor het welzijn van dieren niet door Europese consumenten kunnen worden waargenomen als de informatie die zij over deze producten ontvangen onvoldoende of onjuist is (met name in verband met het land van herkomst, ontdooiing of de identificatie van soorten);

AE.  overwegende dat de EU-wetgeving inzake informatie over aquatische producten voor de consument duidelijk is en dat de controle hierop onder de verantwoordelijkheid valt van de autoriteiten van de lidstaten; overwegende dat evenwel algemeen bekend is dat deze cruciale informatie voor de consument niet daadwerkelijk wordt verstrekt, noch door vishandelaren, noch door restaurants; overwegende dat deze situatie van een ontoereikende tenuitvoerlegging het concurrentievermogen van de aquacultuur in de EU ondermijnt;

AF.  overwegende dat duurzame viskwekerij gebaseerd is op het houden van gezonde dieren en dat het hiervoor van essentieel belang is specifieke, innoverende diergeneeskundige instrumenten te ontwikkelen, in het bijzonder vaccins en antibiotica, die moeten worden gebruikt op een verantwoorde en beperkte wijze met waarborging van de gezondheid en het welzijn van dier en consument, alsmede van veilige en voedzame aquacultuurproducten, zonder nadelige gevolgen voor het milieu en in het wild levende soorten; overwegende dat in de EU-regelgeving inzake diergezondheid ook rekening moet worden gehouden met de bijzonderheden van aquacultuur en de specifieke kenmerken van vissoorten, wanneer het gaat om de behandeling van infecties en ziekten en de gevolgen voor de productkwaliteit;

AG.  overwegende dat in het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) wordt opgemerkt dat immunisatie door vaccinatie een kosteneffectieve gezondheidsinterventie is in de strijd tegen antimicrobiële resistentie(18), hetgeen ook geldt voor aquacultuur;

AH.  overwegende dat het beeld dat de Europese samenleving en consument heeft van aquacultuur, per lidstaat verschilt, maar dat er in het algemeen duidelijk ruimte is voor verbetering;

AI.  overwegende dat, hoewel er altijd ruimte is voor verbetering aan de hand van betere praktijken, het slechte imago van deze activiteit niet altijd te wijten is aan echte problemen (milieu-, kwaliteits- en veiligheidsaspecten), maar aan de vooroordelen die consumenten van aquacultuur hebben; overwegende dat een aanzienlijk deel van deze situatie het gevolg is van de overtuiging dat de reële gevolgen van aquacultuur in sommige derde landen (ontwikkelingslanden) ook worden vastgesteld in de EU, hetgeen niet waar is;

AJ.  overwegende dat de sterk uiteenlopende praktijken met betrekking tot aquacultuur tot aanzienlijke verschillen leiden onder meer in productkwaliteit, milieugevolgen en hygiënische omstandigheden, hetgeen de consument vaak in onzekerheid laat over het resulterende product;

AK.  overwegende dat de slechte reputatie van aquacultuur invloed heeft op de governance ervan door overheidsdiensten (vergunningen, planning enz.), maar ook op de afzetvoorwaarden;

AL.  overwegende dat moet worden gewezen op de mogelijkheden van aquacultuur in zoet water, aquacultuur op het vasteland met omsloten wateren, geïntegreerde multitrofe aquacultuur en recirculatiesystemen of aquaponics in stedelijke gebieden voor de verbetering van de voedselzekerheid en de ontwikkeling van plattelandsgebieden;

AM.  overwegende schaal- en schelpdieren en waterplanten zoals algen ook een belangrijke bron voor aquacultuur vormen;

AN.  overwegende dat voor onderzoek en innovatie een essentiële rol is weggelegd bij het ontsluiten van het potentieel van duurzame aquacultuur; overwegende dat de productie duurzaam kan worden verhoogd aan de hand van door innovatie gedreven groei, de regeneratie en zuivering van water, het gebruik van hernieuwbare energie en energie- en hulpbronnenefficiëntie, terwijl de milieueffecten worden verminderd en milieudiensten worden geleverd;

AO.  overwegende dat gestandaardiseerde protocollen op EU-niveau van wetenschappelijke gegevens die het toezicht op en de verbetering van de beheer- en productiepraktijken en de gevolgen hiervan op milieu en gezondheid mogelijk maken, erg belangrijk zijn;

AP.  overwegende dat voorrang moet worden gegeven aan inheemse of endemische soorten om de effecten op het milieu te beperken en de aquacultuur duurzamer te maken;

AQ.  overwegende dat moeilijkheden om toegang te krijgen tot krediet en een aanzienlijke tijdsspanne tussen investeringen en de eerste verkoop (doorgaans drie jaar of meer) beleggers kunnen ontmoedigen;

AR.  overwegende dat de door banken en financiële instellingen geboden voorfinancieringsvoorwaarden steeds strenger worden;

AS.  overwegende dat de procedures, die in de meeste gevallen niet duidelijk genoeg zijn voor de gebruikers, en de overvloed aan documenten die moeten worden ingediend om financiering uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) te verkrijgen, ontmoedigend zijn voor de aanvrager; overwegende dat het bedrag van ongeveer 1 280 miljoen EUR dat in de huidige programmaperiode (2014-2020) ter beschikking is, niet toereikend is om de Europese aquacultuursector te ontwikkelen; overwegende dat het absorptiepercentage in de lidstaten tegelijk bijzonder laag is;

AT.  overwegende dat bij duurzame aquacultuur rekening moet worden gehouden met de potentiële effecten op wildevisbestanden en de waterkwaliteit, maar dat duurzame aquacultuur andersom ook gezonde visbestanden en een uitstekende waterkwaliteit nodig heeft;

AU.  overwegende dat de beschikbare gegevens wijzen op een toenemende kloof – naar schatting 8 miljoen ton – tussen de consumptie van vis, schaal- en schelpdieren in de EU en het door de visserij gerealiseerde vangstvolume; overwegende dat duurzame aquacultuur samen met duurzame visserij kan bijdragen tot het garanderen van voedsel- en voedingszekerheid op lange termijn, inclusief voedselvoorziening, alsmede tot groei en werkgelegenheid voor de burgers van de Unie en tot het voldoen van de toenemende wereldwijde vraag naar aquatische levensmiddelen, mits voor aquacultuuractiviteiten gebruik wordt gemaakt van duurzame voedselbronnen en milieuschade wordt voorkomen; overwegende dat zij op deze manier kan bijdragen tot de overkoepelende doelstelling de kloof te dichten tussen het verbruik en de productie van vis, schaaldieren en schelpdieren in de EU;

AV.  overwegende dat in de aquacultuur één kilogram laagwaardige vis kan worden omgezet in één kilogram hoogwaardige vis (bijvoorbeeld lodde in tarbot, waar de waarde toeneemt van 0,10 tot 7 EUR per kilogram);

AW.  overwegende dat jongeren minder geïnteresseerd zijn om te werken in de aquacultuursector of om erin te investeren of de sector te ontwikkelen, door slechte communicatie en een gebrek aan financiële vooruitzichten en stabiliteit, die aquacultuur onaantrekkelijk maken voor jongere generaties;

AX.  overwegende dat duurzame aquacultuur die in handen is van en beheerd wordt door de gemeenschap, sociaal-economische voordelen kan opleveren voor perifere kustgebieden en een positieve rol kan spelen in de blauwe economie;

AY.  overwegende dat zoetwateraquacultuur goed is voor 20 % van de prestaties van de sector in Europa als geheel en dat de steun van de EU deze verhouding moet weerspiegelen; overwegende dat het afwijkende karakter van zoetwateraquacultuur betekent dat zij speciale regelgeving en een apart hoofdstuk in de wetgeving betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU vereist;

AZ.  overwegende dat onderzoek en innovatie cruciaal zijn voor het realiseren van meer duurzaamheid en een groter concurrentievermogen van de aquacultuursector op de Europese markt;

BA.  overwegende dat projecten op het gebied van zoetwateraquacultuur ook kunnen worden uitgevoerd met ex-postfinanciering en overwegende dat dit vaak onevenredige inspanningen vereist van investeerders, zodat viskwekers het vaak niet aandurven om projecten te starten; overwegende dat de omvang van de steun in de meeste gevallen ontoereikend is;

Ontsluiten van het potentieel van de aquacultuur in de EU

1.  erkent de positieve effecten die duurzame aquacultuur, zowel de mariene als de zoetwatersector, kan hebben op de werkgelegenheid en de economie van de Unie in het algemeen, door de productiviteit en de levenskwaliteit in de kustgemeenschappen en landinwaarts gelegen gebieden te verbeteren; benadrukt het feit dat een impuls moet worden gegeven aan de ontwikkeling en diversificatie ervan en aan de innovatie in de sector, door het bevorderen van hogere productieniveaus van vis, schaaldieren, schelpdieren, algen en stekelhuidigen uit de aquacultuur en het concurrentievermogen van deze producten te verbeteren (om de communautaire aquacultuurproductie te verbeteren, zodat deze binnen vijf jaar ten minste het huidige mondiale groeicijfer van de aquacultuur bereikt, en om investeringen aan te moedigen in meer energie-efficiënte en zuinige apparaten) en door het vergroten van de consumptie ervan en de bijdrage ervan aan de voedsel- en voedingszekerheid voor EU-burgers; benadrukt het feit dat hierbij de goede werking van de mariene ecosystemen intact moet worden gelaten, om ervoor te zorgen dat kan worden voortgegaan met winstgevende aquacultuur, commerciële visserij en andere duurzame gebruiksdoelen van het mariene milieu;

2.  is van mening dat de EU haar productie in de aquacultuursector moet opvoeren, met name om de druk op de natuurlijke visbestanden te verlichten; is van mening dat op vis gebaseerd voeder op duurzame wijze moet worden geproduceerd en niet ten koste mag gaan van de doelstellingen inzake maximale duurzame opbrengst in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en dat de nutriëntenbelasting moet worden gecontroleerd; benadrukt het belang van samenwerking tussen onderzoekers, de aquacultuursector, voederproducenten, milieuorganisaties en overheidsdiensten; wijst erop dat in de EU-aquacultuur rekening moet worden gehouden met kwaliteit, duurzaamheid, voedselveiligheid, milieuaspecten en de gezondheid van mens en dier, en dat zij op dit gebied een model moet zijn; neemt met voldoening kennis van nieuwe initiatieven met aquacultuur op het land, met name in kwetsbare zeegebieden en EU‑gebieden met gesloten wateren, en is van mening dat krachtigere maatregelen nodig zijn om van de aquacultuur een efficiëntere, economisch levensvatbaardere, meer maatschappelijk verantwoorde en milieuvriendelijkere sector te maken, waarbij wordt voldaan aan een groter deel van de Europese vraag naar vis en de afhankelijkheid van Europa van invoer wordt verminderd;

3.  is verheugd over de mededeling van de Commissie getiteld "Strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU" en de aanwijzing daarin van de gebieden waarop inspanningen moeten worden gericht teneinde het potentieel van de aquacultuur in de EU te ontsluiten, zodat zij samen met duurzame visserij kan bijdragen tot de doelstelling de kloof te dichten tussen het verbruik en de productie van vis, schaaldieren en schelpdieren in de EU op een ecologisch, sociaal en economisch duurzame manier;

4.  benadrukt dat zoetwateraquacultuur nog steeds een onvoldoende onderzochte mogelijkheid is om de voedselzekerheid te verbeteren en plattelandsgebieden te ontwikkelen;

5.  benadrukt dat duurzame groei moet berusten op: voorspelbaarheid van bedrijfsinvesteringen en rechtszekerheid, die tot stand kan worden gebracht door efficiëntere administratieve kaders, transparantere governance, duidelijke, homogene en vereenvoudigde criteria voor het verlenen van vergunningen in de hele EU, gemeenschappelijke procedures voor de aanpak van ziekten en toegang tot passende diergeneeskundige behandelingen die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier, effectieve ruimtelijke ordening, de beschikbaarheid van richtsnoeren, de uitwisseling van beste praktijken, steun van de adviesraad voor aquacultuur en toereikende financiële ondersteuning; wijst erop dat al deze factoren kunnen bijdragen tot duurzame groei;

6.  verwelkomt de conclusies en aanbevelingen in het wetenschappelijk advies over "Food from the Oceans" van november 2017 betreffende de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van maritiem, visserij- en aquacultuurbeleid in de komende jaren om de hoeveelheid duurzaam voedsel afkomstig uit de oceanen te helpen verhogen;

7.  roept de Commissie op om de sector te ondersteunen bij zijn inspanningen om zijn afhankelijkheid van wilde visbestanden voor de productie van visvoeder terug te dringen, onder meer door zeewier en andere algen meer te gebruiken;

8.  roept de Commissie op de verdere ontwikkeling van de opkomende aquacultuur van zeewier aan te moedigen;

9.  erkent het potentieel van aquacultuur om bij te dragen aan voedsel- en voedingszekerheid voor EU-burgers en de noodzaak van duurzame en gezonde voeding, klimaatvriendelijke, uit het oogpunt van het dierenwelzijn gunstige en ecologisch duurzame voedselsystemen, het circulaire karakter en hulpbronnenefficiënte gebruik van voedselsystemen, het stimuleren van innovatie en de empowerment van gemeenschappen;

10.  herhaalt dat de ontwikkeling van de Europese aquacultuur moet worden gekoppeld aan de fundamentele en essentiële behoefte aan een zelfvoorzienende, veilige en duurzame productie van voedzaam voedsel en hoger op de wereldwijde agenda van de EU moet worden geplaatst;

11.  verzoekt de Commissie en lidstaten te investeren in onderzoek, studies en proefprojecten voor innoverende, toekomstgerichte, ecologisch verantwoorde aquacultuurpraktijken, waaronder geïntegreerde multitrofe aquacultuursystemen, aquaponics en recirculatie-aquacultuursystemen, die de impact van aquacultuurbedrijven op habitats, wildedierenpopulaties en de waterkwaliteit verminderen, en zo bijdragen tot een ecosysteemgerichte benadering;

12.  verzoekt de Commissie een​grondige analyse uit te voeren en te zorgen voor een goede follow-up met betrekking tot elk van de aanbevelingen van de groep op hoog niveau van wetenschappelijk adviseurs;

13.  benadrukt dat in het kader van een duurzame Europese aquacultuur rekening moet worden gehouden met de kenmerken en uiteenlopende behoeften en uitdagingen van de verschillende typen aquacultuurproductie en maatregelen op maat moeten worden ontwikkeld waarbij ook rekening wordt gehouden met geografische verschillen en de mogelijke effecten van de klimaatverandering; verzoekt de Commissie daarom in het gemeenschappelijk visserijbeleid na 2020 afzonderlijke regels vast te stellen die aangepast zijn aan de kenmerken van elke subsector;

14.  wijst op het potentieel van zoetwateraquacultuur en aquacultuur op het vasteland met omsloten wateren, geïntegreerde multitrofe aquacultuur en recirculatiesystemen of aquaponics in stedelijke gebieden; benadrukt dat zoetwateraquacultuur nog steeds een onvoldoende onderzochte mogelijkheid is om de voedselzekerheid te verbeteren en plattelandsgebieden te ontwikkelen, maar dat zij een belangrijke sociale rol speelt, door werkgelegenheid op het platteland te verschaffen in de armste gebieden, evenals door een ecologische rol te spelen bij het onderhouden van waardevolle wetlands en door een breed scala aan ecosysteemdiensten aan te bieden, die veel verder gaan dan de economische waarde ervan;

15.  benadrukt het feit dat het belangrijk is coördinatie-instrumenten, onderzoeksgroepen en EU-acties te starten om de situaties te identificeren waar de schelpdierproductie bijzonder bedreigd wordt door het agressieve optreden van goudbrasem (Sparus aurata) en om te zoeken naar duurzame, milieuvriendelijk oplossingen;

16.  erkent het potentieel van aquacultuur en de bijbehorende verwerking en export van visproducten als een binnenlandse sector die werkgelegenheid en economische voordelen brengt, met name voor afgelegen kust- en eilandgemeenschappen;

17.  wijst erop dat het belangrijk is dat de kaderrichtlijn water en de kaderrichtlijn mariene strategie bescherming bieden voor de productiezones van schelpdieren, als vastgesteld in de intussen ingetrokken richtlijn schelpdieren;

18.  wijst erop dat in een omgeving waar macroalgen of tweekleppige schelpdieren moeten worden geproduceerd, bij de vermindering van de toevoeging van voedingsstoffen om een goede milieutoestand te realiseren, rekening moet worden gehouden met de natuurlijke afbraakcapaciteit van de geproduceerde of gekweekte dieren;

Vereenvoudiging van administratieve procedures

19.  onderstreept de cruciale rol van de lokale en regionale overheden in de EU bij de ontwikkeling van de aquacultuur, ook bij de uitvoering van de strategische meerjarenplannen die de lidstaten hebben opgesteld;

20.  benadrukt dat de duurzame groei van de aquacultuur moet berusten op voorspelbaarheid van bedrijfsinvesteringen en rechtszekerheid, die met name het volgende vereist:

   (a) vereenvoudiging en versnelling van administratieve procedures – minder administratieve rompslomp – op EU-, nationaal en regionaal niveau, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van informatie- en communicatietechnologie en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat het mariene milieu niet verder wordt aangetast;
   (b) meer transparantie en een goede planning;
   (c) een betere coördinatie met betrekking tot de gedeelde bevoegdheden van de EU, de lidstaten en, in voorkomend geval, regionale en lokale overheden;
   (d) snelle, duidelijke en transparante vergunningsprocedures met beperkte termijnen voor overeenstemming, om investeerders niet te ontmoedigen;
   (e) nauwlettend toezicht door de Commissie op de nationale strategische meerjarenplannen van de lidstaten;
   (f) richtsnoeren van de Commissie voor nationale strategische plannen voor een uniforme toepassing van de EU-wetgeving (hoofdzakelijk milieuwetgeving en voor het waarborgen van de gezondheid, en om ervoor te zorgen dat noch de ecosystemen, noch de visserijactiviteiten schade wordt berokkend);
   (g) een gecoördineerd wettelijk kader voor verschillende regio's en lidstaten die dezelfde wateren delen om eerlijke concurrentie en een efficiënt milieubeleid te garanderen;
   (h) nauwe samenwerking tussen de Commissie en de bevoegde autoriteiten (nationale, maar ook lokale en regionale) bij de uitvoering van de EU-wetgeving (vooral inzake sanitaire vereisten en milieu) en ondersteuning van de coördinatie van nationale of regionale wetgeving waar nodig;
   (i) mechanismen om informatie en beste praktijken tussen lidstaten uit te wisselen via een open methode voor de coördinatie van nationale maatregelen betreffende zekerheid van het bedrijfsklimaat, toegang tot de wateren en de ruimte van de Unie en vereenvoudiging van de vergunningsprocedures;
   (j) toereikende openbare financiële steun op EU- en nationaal niveau voor duurzame en verantwoorde aquacultuurproductie, ‑innovatie en ‑ontwikkeling;
   (k) betere integratie van de aquacultuur- en visserijperspectieven in de handelsovereenkomsten van de Unie;

21.  pleit er met betrekking tot het administratieve systeem voor om zo spoedig mogelijk één loket op te richten dat alle bevoegdheden voor zijn rekening neemt en uitoefent, zodat documenten kunnen worden ingediend bij één administratieve instantie; is van mening dat dit de relatie tussen de eindgebruiker en de verschillende bestuursniveaus zou verbeteren;

22.  stelt de invoering voor van een vereenvoudigde of spoedregeling voor de verlening van vergunningen, waarbij de bevoegde overheid een voorlopig certificaat verstrekt waardoor ondernemers die aan vooraf bepaalde criteria voldoen, hun activiteiten kunnen starten; wijst erop dat deze criteria gebaseerd kunnen zijn op de antecedenten van de aanvrager, het feit dat deze een aquacultuurproject heeft ingediend dat baanbrekend is uit het oogpunt van innovatie en/of duurzaamheid of de instelling van erfdienstbaarheidszones voor aquacultuur, waarbij van tevoren wordt aangegeven welke gebruiksvormen met aquacultuur onverenigbaar zijn;

Gelijkheid in de interacties met andere sectoren

23.  onderstreept dat bij een passende ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden met alle sectoren (holistische benadering), duurzaamheidsvraagstukken en voedselzekerheid, zonder begunstiging van machtige economische sectoren ten nadele van aquacultuur; benadrukt dat ruimtelijke ordening niet noodzakelijk een opdeling van activiteiten in bepaalde gebieden moet inhouden, maar veeleer een evenwichtige verenigbaarheid van de activiteiten, en dat dit voordelen kan opleveren voor iedereen;

24.  stelt voor een actievere en prominentere rol en betrokkenheid te ondersteunen van aquacultuurorganisaties en plaatselijke actiegroepen voor de visserij (FLAG's) in het besluitvormingsproces, door middel van regionalisering, om de beste aanpak te garanderen voor elke specifieke regio;

25.  wijst erop dat terdege rekening moet worden gehouden met de belangen van de aquacultuursector en dat de sector eerlijk moet worden behandeld bij interacties met andere sectoren, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening;

26.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om kaarten voor ruimtelijke ordening op te stellen, teneinde gebieden te identificeren waar aquacultuur en andere activiteiten eventueel naast elkaar kunnen bestaan;

27.  wijst erop dat ruimtelijke ordening en de vergunningsvoorwaarden de meest waarschijnlijke reden zijn voor de onwil van andere, belangrijke of machtige sectoren om ruimte te delen;

28.  wijst erop dat om een gelijk speelveld te garanderen voor de toegang tot mariene hulpbronnen, de voor aquacultuur vereiste beoordelingen van het sociaal-economische en het milieueffect ook voorgeschreven moeten zijn voor alle sectoren die met aquacultuur concurreren, zoals toerisme of de winning van grondstoffen;

29.  dringt bij de lidstaten en de nationale autoriteiten aan op de naleving van de Uniewetgeving betreffende wateren en de regeneratie en zuivering van verontreinigde gebieden;

30.  benadrukt het feit dat de wetgeving moet worden vastgesteld na raadpleging, op voet van gelijkheid, van alle betrokkenen;

Aanpassing van de wetgeving aan de behoeften van de aquacultuur

31.  benadrukt dat ecologische duurzaamheid hand in hand moet gaan met sociale en economische duurzaamheid (duurzaamheid heeft drie dimensies), en dat de nodige aandacht moet worden besteed aan de huidige en potentiële bijdrage van de aquacultuur aan de voedselzekerheid in de Unie;

32.  verwelkomt de beste praktijken en voorbeelden van goede samenwerking in de sector op basis van convenanten en overige overeenkomsten tussen natuurbeschermers en de sector in onder meer Natura 2000-gebieden; is verheugd over de vele voorbeelden van bijdragen door de aquacultuur aan het behoud van een goede waterkwaliteit; erkent de door de sector geleverde aquatische ecosysteemdiensten en roept op tot stimulansen ter versterking ervan; benadrukt dat de invoering van verdere juridische complicaties met betrekking tot aquacultuur onwenselijk is uit het oogpunt van duurzaamheid en sociaal-economische ontwikkeling;

33.  benadrukt dat de EU-wetgeving beter aangepast moet zijn aan de realiteit, de specifieke kenmerken en de behoeften van de aquacultuur in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en in samenhang met onder meer de EU-milieuwetgeving, in overeenstemming met het doel om een goede milieutoestand van alle mariene wateren te bereiken tegen 2020, en rekening houdend met het belang van werkgelegenheid voor vrouwen en jongeren in de sector;

34.  benadrukt dat waar de uitvoering van Uniewetgeving problematisch of inconsistent is, er richtsnoeren over de interpretatie ervan en beste praktijken moeten worden verstrekt;

35.  herhaalt dat de sector meer bij de besluitvorming moet worden betrokken;

36.  spoort de Commissie ertoe aan de beperkte bijdrage van de aquacultuurproductie aan de binnenlandse vraag naar vis (naar schatting rond 10 %) te verbeteren en de situatie om te keren dat aan meer dan de helft van de vraag naar vis in de Unie wordt voldaan met ingevoerde producten;

Het concurrentievermogen van de aquacultuur van de EU zowel binnen als buiten onze grenzen versterken

37.  roept ertoe op dat ingevoerde aquacultuurproducten moeten voldoen aan dezelfde milieu-, voedselveiligheids-, sociale en arbeidsnormen en dezelfde verplichtingen inzake eerbiediging van de mensenrechten die gelden voor exploitanten uit de EU en betreurt het feit dat er nog steeds geen gelijk speelveld is op dit gebied en dat gevaarlijke verstoringen van de mededinging een groot probleem vormen voor bedrijven in de EU;

38.  wijst op de huidige situatie van Europese vijverkwekers, die worstelen met aanzienlijke verliezen in hun hele bestand, als gevolg van roofdieren als de otter, de reiger en de aalscholver; onderstreept dat deze roofdieren ook de kuit doden van de snoekbaars en de karper en als gevolg hiervan de kweek en voortplanting van zoetwatervissen aanzienlijk beperken; roept de lidstaten daarom op de bestaande uitzonderingen toe te passen in het geval van reigers en aalscholvers en verzoekt de Commissie een evaluatie uit te voeren van de instandhoudingsstatus van de otter en indien nodig de verwijdering en controle van deze roofdieren toe te staan;

39.  dringt aan op meer en betere controles van de oorsprong en aan de grenzen bij ingevoerde producten en, binnen de Unie, op maatregelen ter bestrijding van illegale en clandestiene aquacultuurpraktijken die de binnenlandse ontwikkeling van de sector treffen;

40.  wijst erop dat de EU haar duurzaamheidsnormen en deskundigheid moet exporteren; acht dit vooral relevant in het geval van naburige regio's die soorten produceren die vergelijkbaar zijn met de soorten die worden geproduceerd in de EU, met name derde landen waarmee de EU dezelfde wateren deelt;

41.  roept de Commissie op om ervoor te zorgen dat in het kader van handelsovereenkomsten met derde partnerlanden preferentiële markttoegang afhankelijk wordt gesteld van de naleving van duurzaamheids- en dierenwelzijnsnormen die gelijkwaardig zijn aan degene die gelden in de EU;

42.  dringt er bij de Commissie op aan in het kader van het EU-beleid inzake samenwerking met ontwikkelingslanden steun- en opleidingsmaatregelen te bevorderen om duurzame aquacultuur te helpen stimuleren en de aquacultuurproducenten in deze landen meer bewust te maken van een beleid inzake kwaliteit en strengere productienormen, met name met betrekking tot milieu, hygiëne en sociale normen;

43.  dringt erop aan dat stappen worden ondernomen om EU-investeringen in aquacultuurprojecten in derde landen aan te moedigen;

44.  verzoekt de Commissie om te blijven verzekeren dat de EU-regels voor invoer worden nageleefd, ook wat landbouwprocedures betreft die voldoen aan de milieu-, hygiëne- en sociale normen in uitvoerende derde landen, zodat internationaal een gelijk speelveld kan worden ingevoerd; is tegelijk van mening dat de resultaten van de controle van de aquacultuurprocessen in derde landen een doorslaggevende rol moeten spelen voor de hernieuwing van uitvoervergunningen voor producten naar de EU;

45.  verzoekt de Commissie de gevolgen van de brexit op het gebied van aquacultuur te beoordelen;

Betere consumentenvoorlichting

46.  dringt aan op een volledige en onverkorte tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake etikettering en consumentenvoorlichting, zowel in vismijnen als in de horeca; acht dit van belang voor alle visserijproducten (en niet alleen aquacultuurproducten), zowel ingevoerde als door de EU geproduceerde; is van mening dat de controleverordening hiertoe moet worden aangepast en versterkt;

47.  vraagt de invoering van een specifiek etiket voor de erkenning van producten uit de duurzame EU-aquacultuur en wijst erop dat transparantie voor consumenten ook nodig is voor aquacultuurproducten die worden ingevoerd uit derde landen, door een verbetering van de traceerbaarheid;

Het dierenwelzijn garanderen

48.  is van mening dat de strategie voor de slacht voorstellen moet omvatten om te zorgen voor processen voor de ontwikkeling van doeltreffende parameters voor humane methoden om vis te doden, in overeenstemming met de OIE- en EFSA-richtsnoeren, en ervoor te zorgen dat de uitrusting die wordt gebruikt voor de slacht van vis, werkt conform deze parameters en dat een doeltreffende humane slacht van kweekvis wordt uitgevoerd, beoordeeld, geëvalueerd en gecertificeerd in de hele EU;

Beschikbaarheid van diergeneesmiddelen

49.  wijst erop dat de Europese wetgeving op het gebied van diergeneeskunde beter aangepast moet zijn aan de realiteit en behoeften van de aquacultuur, rekening houdend met de verschillende soorten en de exploitatieverschillen;

50.  benadrukt dat een echte gemeenschappelijke EU-markt vereist is voor vaccins en andere diergeneeskundige producten die de gezondheid van mens en dier beschermen, met name voor minder gangbare soorten;

51.  wijst erop dat de relatief hogere kosten van diagnose, antimicrobiële alternatieven en vaccinatie in vergelijking met algemeen gebruikte antibiotica helaas een belemmering vormen voor het realiseren van een groter vaccingebruik en een hogere vaccinatiegraad, overeenkomstig de ambitie van het actieplan(19); verwelkomt dat de Commissie in het actieplan stimulansen aankondigt om het gebruik van diagnostiek, antimicrobiële alternatieven en vaccins te bevorderen(20);

52.  dringt er bij de Commissie op aan de verplichting in te voeren om informatie over het gebruik van vaccins en antibiotica in de aquacultuur te verstrekken, gezien de mogelijke risico's voor de menselijke gezondheid en het ecosysteem;

53.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten concrete prikkels en maatregelen, inclusief een verbeterde uitvoering of, indien nodig, wijziging van Richtlijn 2006/88/EG, moeten ontwikkelen om een geïntegreerde aanpak voor de hele keten van AMR te bevorderen en het gebruik van antimicrobiële alternatieven, diagnostiek en vaccins in de aquacultuur te verhogen en zodoende zowel de preventie, bestrijding en uitroeiing van ziekten en antibioticaresistentie bij waterdieren kosteneffectief te bevorderen als de overleving, groei en productie-efficiëntie van waterdieren te maximaliseren;

54.  onderstreept dat wetenschappelijk onderzoek moet worden gestimuleerd in de Europese en nationale programma's voor schelpdieren en de gezondheid van vissen en dat de ontwikkeling moet worden bevorderd van nieuwe diergeneeskundige producten voor aquatische soorten;

55.  merkt in verband hiermee op dat resistentie tegen antibiotica een zeer ernstig probleem wordt zowel in de menselijke als in de dierlijke geneeskunde en verzoekt de Commissie het gebruik van antibiotica te beperken tot situaties met een risico op een epidemie in de aquacultuurvoorziening en niet louter als preventieve maatregel, en verzoekt haar de impact ervan te beoordelen met betrekking tot het risico dat de resistentie wordt overgedragen op consumenten;

Betere promotiecampagnes en communicatie

56.  wijst erop dat betere promotiecampagnes en communicatie op EU-niveau over de voordelen van de aquacultuur en van visconsumptie nodig zijn;

57.  verzoekt de Commissie krachtige en langlopende algemene EU-campagnes te bevorderen waarin de duurzaamheidsverdienste van EU-aquacultuurproducten wordt uiteengezet, met focus op de strenge normen op het gebeid van kwaliteit, dierenwelzijn en milieu in vergelijking met de producten die worden ingevoerd uit derde landen, zoals met het label "Gekweekt in de EU";

58.  onderstreept het feit dat promotiecampagnes moeten worden aangemoedigd en gefinancierd voor regionale kwaliteitsregelingen, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1151/2012, zoals beschermde oorsprongsbenamingen; verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten een informatiecampagne in de hele EU te starten voor consumenten en bedrijven over aquacultuur in het algemeen en de verschillen tussen de strenge, allesomvattende normen op de Europese markt en de soepelere normen die gelden voor ingevoerde producten uit derde landen in het bijzonder, met bijzondere nadruk op de problemen voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid die worden veroorzaakt door de insleep in de Unie van bijzonder resistente micro-organismen (BRMO) en AMR; benadrukt de waarde van de EU‑wetgeving inzake het welzijn van kweekvis tijdens de kweek, het vervoer en de slacht om te voldoen aan de verwachtingen van consumenten en voor het onderstrepen van de productkwaliteit die wordt gegarandeerd door de EU-normen, in vergelijking met producten die worden ingevoerd uit derde landen;

59.  roept de Commissie ertoe op een passend bedrag binnen de reclamebegroting van de EU te reserveren voor reclame voor vis en andere visserij- en aquacultuurproducten; is van oordeel dat een grootscheepse marketingcampagne moet worden gestart in alle lidstaten, op basis van gemeenschappelijke beginselen, in de vorm van een collectieve maatregel, met een ondersteuning van 80-100 %, om het bewustzijn en de aanvaarding van aquacultuurproducten in de EU te vergroten;

60.  steunt de aquacultuur-FLAG's van het Farnet-netwerk bij de promotie van hun activiteiten op lokaal, nationaal en Europees niveau;

Bevordering van onderzoek en innovatie

61.  wijst erop dat het EFMZV, dat 1,2 miljard EUR toekent voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU, en andere financieringsbronnen, zoals Horizon 2020, een gelegenheid tot innovatie bieden;

62.  wijst op het belang van FLAG's, die in bepaalde gebieden bijdragen aan de ontwikkeling van de visserij en de aquacultuur door de plaatselijke visbestanden te versterken en innovatie en diversificatie in de visserij en de aquacultuur aan te moedigen;

63.  verzoekt de Commissie om steun te verlenen aan onderzoek naar en de bestrijding van het oester-herpesvirus;

64.  is bezorgd over de gevolgen van sommige invasieve uitheemse soorten voor de Europese aquacultuur; benadrukt het belang van een wetenschappelijk gefundeerde, doeltreffende en proportionele uitvoering van Verordening (EU) nr. 1143/2014 inzake de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (IUS) om zowel de Europese aquacultuur als de inheemse soorten en ecosystemen te beschermen; verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek en innovatie op het gebied van de bestrijding van de meest problematische IUS te steunen;

65.  verzoekt de Commissie en lidstaten met klem steun te verlenen aan de bestrijding van de Japanse oesterboorder;

66.  benadrukt dat Horizon 2020 en het negende kaderprogramma (KP9) ondersteuning moeten blijven bieden aan onderzoeksactiviteiten op het gebied van aquacultuur die het concurrentievermogen van de sector ten goede komen en betrekking hebben op de kwesties die aan bod zijn gekomen tijdens de conferentie van de Commissie van 2016, "FOOD 2030", en in het advies van de groep op hoog niveau van wetenschappelijk adviseurs, "Food from the Oceans";

67.  is van mening dat de Commissie het Europees technologie- en innovatieplatform voor de aquacultuur (EATIP) en de adviesraad voor aquacultuur moet raadplegen over de onderwerpen die bij wijze van prioriteit moeten worden opgenomen in de nationale strategische plannen;

68.  dringt aan op investeringen in onderzoek, studies en proefprojecten met betrekking tot ecosysteemgebaseerde aquacultuurpraktijken, in het bijzonder in afgelegen regio's en regio's met demografische handicaps;

69.  wijst erop dat de samenwerking moet worden versterkt tussen enerzijds de wetenschappelijke gemeenschap en anderzijds aquacultuurproducenten en andere betrokkenen, hoger en lager in de keten ten opzichte van de producenten;

70.  vraagt dat op basis van de beste wetenschappelijke aanbevelingen gestandaardiseerde protocollen op EU-niveau worden opgesteld voor de verzameling van gegevens ter controle en verbetering van de praktijken in de aquacultuur op het gebied van beheer en productie, en van de sociale, gezondheids-, economische en milieugevolgen van deze praktijken, zowel voor mariene als voor zoetwaterviskwekerijen;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten innoverende, milieuvriendelijke technologieën in de aquacultuur te bevorderen, zoals aquaponics, om voedsel te produceren op duurzame, hulpbronnenefficiënte wijze en nadelige effecten op het milieu te voorkomen;

72.  verzoekt de Commissie het onderzoek aan te moedigen naar mogelijkheden voor de verdere ontwikkeling van zeewieraquacultuur, een sector met ecologische en economische waarde waar sociale en ecologische duurzaamheid naar behoren in acht wordt genomen;

Scholing en werkgelegenheid stimuleren

73.  verzoekt de lidstaten, waar nuttig met ondersteuning van de Commissie, passende beroepsopleiding op het gebied van aquacultuur te garanderen en neemt kennis van de mogelijkheid beroepsvissers om te scholen in alternatieve methoden voor het beheer van het aquatisch milieu, hetgeen ook helpt banen te creëren voor vrouwen en jongeren in plattelandsgebieden, in kuststreken, in ultraperifere gebieden, op eilanden en, in het algemeen, in regio's die in hoge mate van visserij en aquacultuur afhankelijk zijn;

De duurzaamheid van de aquacultuursector in de EU verbeteren

74.  benadrukt het feit dat vrouwen een belangrijke rol in de aquacultuursector spelen en dat de wetgeving aan deze werkelijkheid moet worden aangepast en onderstreept het feit dat naar behoren rekening moet worden gehouden met de andere activiteiten, die met aquacultuur verbonden zijn, bijvoorbeeld die van visnetwevers en verpakkers;

75.  stelt vast dat innoverende systemen om vissen zo veel mogelijk te kweken in overeenstemming met het ecosysteem, met natuurlijke voeders, tot nu toe niet voldoende aanwezig zijn op de Europese markt; vraagt de randvoorwaarden voor deze systemen te verbeteren;

76.  is van mening dat investeringen nodig zijn om het potentieel van de aquacultuursector te benutten en de duurzaamheid ervan te waarborgen, voor de bescherming van het milieu en voor de levering van publieke goederen, en dringt daarom aan op een verhoging van de financiering voor projecten op het gebied van onderzoek, innovatie en kwaliteitsgerichte, duurzame productie; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bureaucratische lasten voor de aquacultuursector, met inbegrip van vijverkwekers, verder te vereenvoudigen en te verminderen;

77.  benadrukt dat het aanmoedigen van samenwerking tussen onderzoek en innovatie in de aquacultuursector en specifieke universiteitsprogramma's tot nieuwe ideeën zal leiden en de interesse in deze economische sector zal stimuleren;

Zorgen voor toereikende financiering uit het EFMZV en andere structuurfondsen

78.  is verheugd over de bevordering van een duurzame en concurrerende aquacultuur als een van de prioriteiten van het EFMZV; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat op grond van de conclusies van de in 2014 gepubliceerde studie door de Europese Rekenkamer, de voorganger van het EFMZV, het Europees Visserijfonds (EVF), de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur niet doeltreffend heeft ondersteund; merkt op dat de steunmaatregelen op Europees niveau volgens de beoordeling niet goed waren ontworpen, dat er geen behoorlijk toezicht op is uitgeoefend en dat zij geen voldoende duidelijk kader voor de ontwikkeling van de aquacultuur boden; merkt voorts op dat de steunmaatregelen op nationaal niveau niet naar behoren waren ontworpen en niet naar behoren zijn toegepast, dat de nationale strategische plannen en de bijbehorende operationele programma's geen voldoende duidelijke basis boden voor de bevordering van de aquacultuur en dat de situatie niet echt is verbeterd door de steun uit het EMFZV;

79.  wijst erop dat onderwijs en goede communicatie jongeren in de richting van deze sector zullen bewegen, de toekomst en het concurrentievermogen van de sector zullen veiligstellen en nieuwe technologie en innovatie zullen inbrengen voor de ontwikkeling ervan;

80.  roept de Commissie, het Parlement en de Raad op om de steun voor investeringen in zoetwateraquacultuur tot 75 % te verhogen in het visserijbeleid na 2020 om de wil om te investeren aan te wakkeren en viskwekers de hoognodige hulp te bieden; spoort daarnaast de Commissie aan om samen met de Europese Investeringsbank op EU‑niveau een ondersteuningsmechanisme met rentetarief vast te stellen om in de aquacultuur te investeren en liquide activa te financieren;

81.  stelt ook voor om de EU-steun in de toekomst te verhogen voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van aquacultuur, met bijzondere nadruk op gebieden die van invloed zijn op de economische duurzaamheid en het internationale concurrentievermogen, zoals energie- en hulpbronnenefficiëntie, financiering van de ontwikkeling van biologische materialen, terugdringing van de druk op het milieu, verlening van hoogwaardige milieudiensten enz.;

82.  merkt op dat door de vertraging bij de goedkeuring van de EFMZV-verordening en de operationele programma's van de lidstaten, de exploitanten pas ten vroegste eind 2016 pas hebben kunnen gebruikmaken van de middelen uit het EFMZV, een vertraging met bijna drie jaar;

83.  pleit voor een vereenvoudiging van de procedure en de documenten die moeten worden ingediend om financiering uit het EFMZV te verkrijgen;

84.  vraagt om alle regelingen die de bevordering van de aquacultuur, ook via andere financieringsinstrumenten van de EU (zoals het EFRO), in de weg staan, op subsidie-georiënteerde wijze te toetsen;

85.  roept de Commissie op om verder inspanningen te leveren en de benodigde aanvullende hulp te bieden om gebruikers van het EFMZV toegang te geven tot financiering;

86.  benadrukt dat meer steun nodig is voor de producenten- en sectoroverschrijdende organisaties zodat zij pijlers van de GMO kunnen worden;

Harmonieuze symbiose met de visserij

87.  wijst erop dat er geen sprake van antagonisme hoeft te zijn tussen de visserij en de aquacultuur en dat beide sectoren perfect verenigbaar kunnen zijn en elkaar perfect kunnen aanvullen, met name in kustgebieden of eilanden die sterk afhankelijk zijn van deze activiteiten en waar ambachtelijke visserij wordt beoefend; vraagt daarom dat offshore-aquacultuurfaciliteiten verder worden ontwikkeld;

88.  benadrukt dat de mariene aquacultuur compatibel is met en complementair is aan de kustvisserij in de ultraperifere gebieden, en verzoekt de Commissie de ontwikkeling te ondersteunen van kweektechnieken en technieken voor soortenselectie in de warme wateren van de tropische en subtropische zones; verzoekt de Commissie de aandacht te vestigen op de rol van vrouwen in de niet-industriële kustvisserij en alle daarmee samenhangende activiteiten;

89.  verzoekt de Commissie om meer financiering toe te kennen aan milieubewuste aquacultuurproductiemethoden, zoals gesloten inperkingssystemen voor aquacultuur op zee en recirculatie-aquacultuursystemen op het land, om de negatieve effecten van aquacultuur op habitats, wilde visbestanden en de waterkwaliteit te verminderen;

90.  herhaalt de standpunten die het al heeft ingenomen in zijn resolutie over het opstellen van een Europees beheersplan voor aalscholvers, en herinnert eraan dat het terugdringen van de door aalscholvers en andere roofvogels veroorzaakte schade aan de aquacultuurbedrijven een belangrijke factor is in de productiekosten en daarmee voor de levensvatbaarheid en de concurrentiepositie van de sector; roept de lidstaten op om de bestaande uitzonderingen toe te passen in het geval van reigers en aalscholvers en verzoekt de Commissie een evaluatie uit te voeren van de instandhoudingsstatus van de otter;

91.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten maatregelen te nemen om de aalscholverbestanden met alle mogelijke middelen drastisch te verminderen om enerzijds de instandhouding van het aalscholverbestand te garanderen en anderzijds elke bedreiging voor andere soorten en schade aan de betrokken aquacultuurtakken te voorkomen;

o
o   o

92.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 1.
(2) PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.
(3) PB L 204 van 6.8.2009, blz. 15.
(4) PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.
(5) PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1.
(6) PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.
(7) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(8) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1.
(9) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(10) PB L 157 van 20.6.2017, blz. 1.
(11) PB C 21 E van 28.1.2010, blz. 11.
(12) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 132.
(13) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 119.
(14) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 177.
(15) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 64.
(16) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 40.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.
(18) Europese Commissie (29 juni 2017), “A European One Health action plan against antimicrobial resistance (AMR)”, blz. 10.
(19) “Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)”, blz. 15.
(20) Ibid., blz. 12.

Juridische mededeling