Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 13 juni 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Samenstelling van het Europees Parlement ***
 Insolventieprocedures: bijgewerkte bijlagen bij de verordening ***I
 Overeenkomst tussen de EU en IJsland betreffende extra voorschriften voor de buitengrenzen en visa voor 2014–2020 ***
 Overeenkomst tussen de EU en Zwitserland betreffende extra voorschriften voor de buitengrenzen en visa voor 2014–2020 ***
 Toepassing van de resterende bepalingen van het Schengenacquis over het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië *
 Cohesiebeleid en de circulaire economie
 Verdere macrofinanciële bijstand aan Oekraïne ***I
 De gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen de EU en Chili
 Betrekkingen tussen de EU en de NAVO
 Cyberdefensie

Samenstelling van het Europees Parlement ***
PDF 115kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over het ontwerp van besluit van de Europese Raad inzake de samenstelling van het Europees Parlement (00007/2018 – C8-0216/2018 – 2017/0900(NLE))
P8_TA(2018)0249A8-0207/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Europese Raad (00007/2018),

—  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Europese Raad heeft ingediend krachtens artikel 14, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (C8‑0216/2018),

—  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement en zijn hieraan gehechte voorstel voor een besluit van de Europese Raad(1),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie constitutionele zaken (A8-0207/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Europese Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Europese Raad en, ter informatie, aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0029.


Insolventieprocedures: bijgewerkte bijlagen bij de verordening ***I
PDF 240kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vervanging van bijlage A bij Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures (COM(2017)0422 – C8-0238/2017 – 2017/0189(COD))
P8_TA(2018)0250A8-0174/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0422),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0238/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 23 mei 2018 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0174/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot vervanging van de bijlagen A en B bij Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/946.)


Overeenkomst tussen de EU en IJsland betreffende extra voorschriften voor de buitengrenzen en visa voor 2014–2020 ***
PDF 244kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en IJsland betreffende extra voorschriften met betrekking tot het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid voor de periode 2014–2020 (09228/2017 – C8-0101/2018 – 2017/0088(NLE))
P8_TA(2018)0251A8-0196/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (09228/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en IJsland betreffende aanvullende regels met betrekking tot het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid voor de periode 2014-2020 (09253/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0101/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0196/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en IJsland.


Overeenkomst tussen de EU en Zwitserland betreffende extra voorschriften voor de buitengrenzen en visa voor 2014–2020 ***
PDF 246kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende extra voorschriften met betrekking tot het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, voor de periode 2014–2020 (06222/2018 – C8-0119/2018 – 2018/0032(NLE))
P8_TA(2018)0252A8-0195/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06222/2018),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende extra voorschriften met betrekking tot het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa, als onderdeel van het fonds voor interne veiligheid, voor de periode 2014-2020 (06223/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0119/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0195/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat.


Toepassing van de resterende bepalingen van het Schengenacquis over het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië *
PDF 241kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de inwerkingstelling van de resterende bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië (15820/1/2017 – C8-0017/2018 – 2018/0802(CNS))
P8_TA(2018)0253A8-0192/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (15820/1/2017),

–  gezien artikel 4, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0017/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0192/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Cohesiebeleid en de circulaire economie
PDF 280kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over cohesiebeleid en de circulaire economie (2017/2211(INI))
P8_TA(2018)0254A8-0184/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 11, 174 tot en met 178, 191 en 349,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC, en de 11e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien artikel 7, lid 2, en artikel 11, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs, waarin wordt gewezen op de lokale, subnationale en regionale dimensies van klimaatverandering en klimaatactie,

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 7: "Zorgen voor toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen" en doelstelling 11: "Steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam maken",

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" genoemd),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006(6) van de Raad,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2017 getiteld "De rol van energiewinning uit afval in de circulaire economie" (COM(2017)0034),

–  gezien het verslag van de Commissie van 26 januari 2017 inzake de uitvoering van het actieplan voor de circulaire economie (COM(2017)0033),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Groen actieplan voor het mkb: Het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen" (COM(2014)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 februari 2012 getiteld "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" (COM(2012)0060),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juli 2012 getiteld "Slimme steden en gemeenschappen – Europees Innovatiepartnerschap" (C(2012)4701),

–  gezien de in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie van december 2017 over de integratie van milieuaspecten in de fondsen voor het cohesiebeleid (EFRO, ESF, Cohesiefonds) – Resultaten, ontwikkeling en tendensen in drie programmeringsperioden (2000-2006, 2007-2013, 2014-2020),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(10),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over groene groeimogelijkheden voor kmo's(12),

–  gezien de verklaring over slimme eilanden van 28 maart 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0184/2018),

A.  overwegende dat lokale en regionale overheden het meest vertrouwd zijn met lokale en regionale aangelegenheden en niet alleen cruciale actoren zijn voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, maar bovendien een vooraanstaande rol vervullen bij de overgang naar een circulaire economie; overwegende dat een Europees meerlagig bestuursmodel, dat op actieve en constructieve samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen en belanghebbenden berust, samen met adequate informatieverstrekking aan en actieve betrokkenheid van de burgers, van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van deze transitie;

B.  overwegende dat steden slechts 3 % van het aardoppervlak beslaan, maar meer dan de helft van de wereldbevolking huisvesten en verantwoordelijk zijn voor ruim 75 % van het verbruik van de mondiale hulpbronnen en voor 60-80 % van de broeikasgasemissies, en overwegende dat tegen 2050 naar verwachting 70 % van de wereldbevolking in steden zal wonen;

C.  overwegende dat de overgang naar een sterkere, meer circulaire economie voor de EU, haar lidstaten en haar burgers een uitdaging maar ook een uitgelezen kans vormt om de Europese economie te moderniseren en om te vormen richting meer duurzaamheid; overwegende dat zij met name een kans vormt voor alle Europese regio's en voor de lokale overheden, die het bestuursniveau vormen dat het dichtst bij de plaatselijke gemeenschappen staat; overwegende dat zij groei- en ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor de Europese regio's en hen kan helpen om een duurzaam model op te bouwen dat bijdraagt tot economische ontwikkeling, om bestaande sectoren te hervormen, om hun handelsbalans en het concurrentievermogen van hun industrie te verbeteren met een hogere productiviteit, en om nieuwe, goedbetaalde kwaliteitsbanen en nieuwe waardeketens te scheppen;

D.  overwegende dat circa 60 % van het afval in de EU momenteel niet wordt gerecycleerd en dat onderzoek naar en invoering van nieuwe, circulaire bedrijfsmodellen grote kostenvoordelen en zakelijke kansen met zich mee kunnen brengen voor kleine en middelgrote ondernemingen in de EU;

E.  overwegende dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs een omschakeling naar een meer circulaire economie nodig is en dat aldus een essentiële bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van een economisch model dat niet alleen op winst, maar ook op milieubescherming gericht is;

F.  overwegende dat het cohesiebeleid niet alleen investeringsmogelijkheden biedt om via de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) in te spelen op plaatselijke en regionale behoeften, maar ook een geïntegreerd beleidskader om de verschillen in ontwikkeling van de Europese regio's te verminderen, deze regio's het hoofd te helpen bieden aan de diverse uitdagingen op het gebied van hun ontwikkeling, onder meer door middel van ondersteuning van hulpbronnenefficiëntie en duurzame ontwikkeling, alsook territoriale samenwerking en capaciteitsopbouw, en particuliere investeringen aan te trekken en te bevorderen;

G.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie in het huidige wetgevingskader voor het cohesiebeleid niet als doelstelling is opgenomen, en dat duurzame ontwikkeling een horizontaal beginsel is voor het gebruik van de ESI-fondsen, zoals bepaald in artikel 8 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en in het gemeenschappelijk strategisch kader (bijlage I), dat het mogelijk zal maken de band te versterken tussen de bestaande instrumenten ter ondersteuning van op de circulaire economie gerichte projecten;

H.  overwegende dat veel van de thematische doelstellingen die aan de ESI-fondsen zijn verbonden met het oog op de uitvoering van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, alsook de bijbehorende ex-antevoorwaarden, relevant zijn voor de doelstellingen betreffende een circulaire economie;

I.  overwegende dat artikel 6 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voorschrijft dat concrete acties die door de ESI-fondsen worden ondersteund, in overeenstemming moeten zijn met het toepasselijke recht van de Unie en het nationale recht betreffende de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van, in het bijzonder, het milieurecht;

J.  overwegende dat een van de doelstellingen van de circulaire economie erin bestaat de hoeveelheid gestort afval te verminderen, en dat de beveiliging en sanering van legale en illegale stortplaatsen op het grondgebied van de lidstaten als een topprioriteit moet worden beschouwd;

K.  overwegende dat de invoer van plastic schroot en ongescheiden papierafval sinds 1 januari 2018 verboden is in China, en dat dit voor de Unie problemen op het gebied van recyclage zal opleveren, die op regionaal en lokaal niveau aan de orde zullen moeten worden gesteld;

De rol van het cohesiebeleid bij de bevordering van de circulaire economie

1.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om het cohesiebeleid in te zetten ter ondersteuning van de circulaire economie, met name via ondersteuningsactiviteiten die erop gericht zijn om lidstaten en regio's te helpen bij het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid voor de circulaire economie;

2.  merkt op dat volgens het verslag van de Commissie inzake de uitvoering van het actieplan voor de circulaire economie de EU-steun voor de periode 2014-2020 voor innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen, een koolstofarme economie en milieubescherming 150 miljard EUR bedraagt, en dat veel van deze gebieden bijdragen tot de verwezenlijking van de circulaire economie;

3.  merkt op dat bij bestudering van het resultaat van de onderhandelingen over de operationele programma's in het kader van partnerschapsovereenkomsten en het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor de huidige programmeringsperiode is gebleken dat het ESF is ingezet ter ondersteuning van maatregelen met betrekking tot de invoering van groenere arbeidsorganisatiemodellen en maatregelen in de groene sector;

4.  merkt, zoals wordt aangestipt in een in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie, echter op dat het cohesiebeleid in het huidige beleidskader niet ten volle kan bijdragen aan de circulaire economie; wijst er in dit verband op dat de circulaire economie als dusdanig niet is vervat in de omschrijving van de bestaande categorieën "steunverleningsgebieden" die voor financiële toewijzingen worden gebruikt;

5.  verzoekt de Commissie met klem om de geplande maatregelen ter ondersteuning van de circulaire economie ten uitvoer te leggen met inachtneming van goede praktijken op het gebied van regelgeving, en benadrukt dat de uitvoeringsmaatregelen moeten worden gemonitord;

6.  benadrukt dat de Commissie haar toezeggingen moet nakomen en een monitoringkader voor de circulaire economie(13) ten uitvoer moet leggen om de voortgang met betrekking tot de overgang naar een circulaire economie – zowel in de gehele EU als in de afzonderlijke lidstaten – te bevorderen en te beoordelen, en de administratieve lasten hierbij tot een minimum te beperken;

7.  verzoekt de Commissie buitengewone maatregelen te nemen met het oog op de sanering van gebieden die zijn gebruikt voor het illegaal storten en begraven van gevaarlijk afval, dat nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het economisch en maatschappelijk welzijn van de betrokken bevolking;

8.  onderstreept het belang van Horizon 2020 – het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie – en het LIFE-programma 2014-2020 voor de financiering van innovatieve projecten en voor de ondersteuning van projecten op het gebied van afvalvermindering, recyclage en hergebruik, die een rol spelen in de circulaire economie;

9.  stelt het op prijs dat verschillende regio's hun strategieën voor slimme specialisatie hebben gebruikt om prioriteiten in verband met de circulaire economie vast te stellen en hun investeringen in onderzoek en innovatie in het kader van het cohesiebeleid op die doelstelling af te stemmen, waardoor zij een belangrijke rol spelen ter ondersteuning van infrastructuur en investeringen die beantwoorden aan de behoeften van kmo's; verzoekt de regionale autoriteiten deze goede werkwijze courant te gebruiken en deze strategieën voor slimme specialisatie uit te voeren;

10.  is ingenomen met de oprichting van een Europees kenniscentrum inzake hulpbronnenefficiëntie voor kleine en middelgrote ondernemingen en van het ondersteuningsplatform voor financiering op het gebied van de circulaire economie;

11.  herhaalt zijn zienswijze dat de circulaire economie verder gaat dan afvalbeheer en ook terreinen bestrijkt als groene banen, hernieuwbare energie, hulpbronnenefficiëntie, de bio-economie, landbouw- en visserijbeleid dat erop gericht is fossiele brandstoffen via biogebaseerde industrieën te vervangen, waterbeheer, energie-efficiëntie, voedselverspilling, zwerfvuil op zee, verbetering van de luchtkwaliteit, onderzoek en ontwikkeling en innovatie op aanverwante terreinen; erkent evenwel dat afvalinfrastructuur van cruciaal belang is om lineaire productie- en consumptiepatronen terug te dringen en dat het noodzakelijk is innovatie op het vlak van ecologisch ontwerp te ondersteunen om de hoeveelheid plastic afval te verminderen;

12.  herinnert eraan dat het fundamentele probleem dat het eerst moet worden opgelost de markt voor secundaire grondstoffen is, omdat het – als grondstoffen goedkoper zijn dan gerecycleerde materialen – duidelijk is dat het streven naar een groene economie aanzienlijk wordt vertraagd en dat de middelen uit de structuurfondsen in een vicieuze cirkel verloren kunnen gaan; merkt in dit verband op dat bepaalde ad-hocwetgeving (zoals het aankomende voorstel van de Commissie inzake kunststofproducten voor eenmalig gebruik) en passende belastingheffing op Europees niveau, als deel van de eigen middelen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, een beslissende bijdrage kunnen leveren aan de overgang naar een circulaire economie;

13.  beklemtoont dat gemiddeld aan slechts 10 % van de EU-vraag naar materialen kan worden voldaan uit gerecycleerde materialen; onderkent in het licht van nieuwe ontwikkelingen op de mondiale markten, en met name het Chinese verbod op de invoer van plastic schroot en ongescheiden papierafval, dat zich voor regio's en lokale gemeenschappen nieuwe kansen aandienen om in recyclinginfrastructuur te investeren, nieuwe, groene banen te scheppen en de problemen aan te pakken waarmee de EU momenteel te maken heeft;

14.  wijst op het bestaan en het belang van de ex-antevoorwaarden met betrekking tot de ESI-fondsen, met name wat de doelstelling inzake behoud en bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen betreft; onderstreept in het bijzonder de voorwaarde inzake bevordering van uit economisch en ecologisch oogpunt duurzame investeringen in de afvalsector; betreurt echter de verwaarlozing van de afvalhiërarchie en het gebrek aan een degelijke milieubeoordeling van de langetermijnresultaten van investeringen in het kader van de ESI-fondsen;

15.  roept op tot coördinatie en betere samenwerking van regio's, kmo's en andere publieke/private actoren om nieuwe thematische platformen voor slimme specialisatie op te starten, met name in de levensmiddelen-, de energie- en de industriesector;

16.  benadrukt dat het belangrijk is de afvalhiërarchie toe te passen als voorwaarde om tot een circulaire economie te komen, alsook de transparantie door de toeleveringsketen heen te verbeteren, zodat producten en materialen aan het einde van de levenscyclus efficiënt gemonitord en teruggewonnen kunnen worden; erkent voorts dat de ESI-fondsen een negatieve trend van investeringen in lagere niveaus van de afvalhiërarchie te zien geven, met name biomechanische afvalverwerkingsinstallaties en verbranding, wat in een aantal gevallen tot overcapaciteit en langdurige technologische afhankelijkheid leidt en daarmee de verwezenlijking van de Europese streefcijfers voor recyclage in gevaar kan brengen; wijst erop dat er aanvullende materialen kunnen worden gegenereerd, alsmede potentiële afzetmogelijkheden met betrekking tot de productie, door bedrijven aan te sporen de hiërarchie te eerbiedigen;

17.  herinnert aan de nieuwe afvaldoelstellingen voor 2025, 2030 en 2035 die tijdens de herziening van de afvalwetgeving van de EU zijn vastgesteld, en onderstreept dat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen politiek engagement op nationaal, regionaal en lokaal niveau alsmede economische investeringen nodig zijn; verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de beschikbare middelen van de Unie ter ondersteuning van deze investeringen en benadrukt dat deze investeringen grote economische groei en nieuwe banen zullen opleveren;

18.  onderstreept dat regionale projecten een belangrijke rol spelen in de verwerking van volledig niet-recycleerbaar restafval met het oog op de productie van duurzame biobrandstoffen van de tweede generatie, na zorgvuldige scheiding of afzonderlijke inzameling overeenkomstig de afvalhiërarchie;

19.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle definities met betrekking tot afval in overeenstemming zijn met de kaderrichtlijn afvalstoffen en dat er vergelijkbare gegevens over de vooruitgang van de lidstaten en van de lokale en regionale autoriteiten beschikbaar zijn;

20.  onderstreept het belang van het initiatief inzake stedelijke innovatieve acties, in het kader waarvan voor reeds acht innovatieve projecten met betrekking tot een circulaire economie in stedelijke overheden financiering uit het EFRO beschikbaar is gesteld, en verzoekt de Commissie toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze projecten en deze te beoordelen om breder beleid op het gebied van de circulaire economie te kunnen ontwikkelen;

De circulaire economie als aanjager van duurzame en regionale ontwikkeling

21.  benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel en de belangrijke rol van alle belanghebbenden, met name de regionale en plaatselijke overheden en de niet-gouvernementele sector, met inbegrip van kmo's en bedrijven van de sociale economie, bij het opstellen van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; dringt erop aan partners daadwerkelijk bij beleidsprocessen te betrekken door horizontale partnerschappen aan te gaan, en doelstellingen in verband met de circulaire economie passend in programmeringsdocumenten te integreren; spoort de lidstaten aan om eigen nationale strategieën op dit gebied te ontwikkelen, in overeenstemming met de EU-benadering inzake de circulaire economie; wijst erop dat lokale overheden een voortrekkersrol kunnen spelen bij de verwezenlijking van de circulaire economie;

22.  wijst op de belangrijke rol van publiek-private partnerschappen bij het ontwerp en de planning van nieuwe producten en diensten waarbij rekening wordt gehouden met de levenscyclus, met het oog op de hantering van de vier ontwerpmodellen die in een circulaire economie kunnen worden gebruikt: ontwerp voor lange levensduur, ontwerp voor lease of dienstverlening, ontwerp voor hergebruik in het fabricageproces, en ontwerp voor materiaalterugwinning;

23.  onderstreept dat de huidige strategieën en marktmodellen om de overgang van de regio's naar deze meer duurzame vorm van economie te begeleiden, moeten worden gewijzigd en aangepast en dat daarbij het economische, industriële en ecologische concurrentievermogen moet worden bevorderd;

24.  dringt aan op de volledig transparante tenuitvoerlegging van de circulaire economie in het kader van een gecoördineerd meerlagig bestuur en het partnerschapsbeginsel, in samenwerking met lokale gemeenschappen, en met behulp van brede publieke deelname;

25.  benadrukt de noodzaak om nauwere samenwerking te bevorderen tussen alle belanghebbenden die betrokken zijn bij de processen van de circulaire economie;

26.  merkt op dat projecten in verband met de circulaire economie die steun hebben ontvangen in het kader van het cohesiebeleid, meer ontwikkelde regio's grotere voordelen hebben opgeleverd; onderkent de beperkte administratieve capaciteit van minder ontwikkelde regio's en verzoekt de nationale autoriteiten van de lidstaten en de Commissie daarom alle bestaande mogelijkheden te benutten om deskundige bijstand te verlenen en deze regio's meer capaciteit te geven zodat zij meer inspanningen kunnen leveren, en geschikte omstandigheden te scheppen om technologisch een sprong voorwaarts te maken door meer projecten uit te voeren die aan de beginselen van de circulaire economie voldoen, en door partnerschappen te ontwikkelen en nauwer samen te werken met belanghebbenden, zoals materiaaldeskundigen, chemici, fabrikanten en recyclingbedrijven, met name in het kader van het initiatief "Industrie 2020 in de circulaire economie";

27.  benadrukt dat de overstap naar biologische grondstoffen en verwerkingsmethoden tegen 2030 naar schatting een besparing van 2,5 miljard ton CO2-equivalent per jaar kan opleveren, wat betekent dat de markt voor biogebaseerde grondstoffen en de markt voor nieuwe consumentenproducten met een veelvoud kunnen worden vergroot; onderstreept dat duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van de biodiversiteit van cruciaal belang zijn bij de omzetting van hulpbronnen in biogebaseerde producten, materialen en brandstoffen;

28.  acht de bio-economie van essentieel belang voor regionale en lokale ontwikkeling omdat ze voor meer samenhang tussen regio's zorgt door werkgelegenheid te creëren en groei in plattelandsgebieden te bewerkstelligen; dringt erop aan meer gebruik te maken van de ESI-fondsen voor de toepassing van bestaande innovaties, door middel van beleidsmaatregelen om belanghebbenden aan te moedigen, en tegelijk verdere innovatie te bevorderen inzake de ontwikkeling van met duurzaam beheerde biogrondstoffen geproduceerde biogebaseerde, biologisch afbreekbare, recycleerbare en composteerbare materialen; wijst erop dat een samenhangende totstandbrenging van de bio-economie ook een oplossing kan bieden voor het voedselverspillingsprobleem; dringt aan op betere samenwerking tussen nationale, regionale en lokale overheden om structuren en platformen te ontwikkelen die bedoeld zijn om verschillende actoren (voedselproducenten, transporteurs, kleinhandelaars, consumenten, de afvalsector en andere belanghebbenden) samen te brengen om zo grotere synergieën te creëren en doeltreffende oplossingen te ontwikkelen;

29.  wijst erop dat niet alleen lokale, regionale en nationale overheden, maar ook de consumenten zelf gestimuleerd moeten worden en dat zij te allen tijde op de hoogte moeten worden gesteld en moeten worden aangespoord om hun consumptiegedrag met betrekking tot afvalbeheer en -productie, recyclage en kwesties op het gebied van duurzame oplossingen in het dagelijks leven te veranderen;

30.  dringt erop aan lokale en regionale overheden beter, eenvoudiger en transparanter toegang tot financiering te verschaffen, onder meer door hun administratieve capaciteit te versterken en door nauwer samen te werken met de EIB in het kader van de Europese investeringsadvieshub, om meer investeringen in groene banen, afvalbeheer, slimme specialisatie, verdere ontwikkeling van plattelandsgebieden, met inbegrip van de nodige infrastructuur en milieuvriendelijke technologieën, de overstap van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen, en de lokale energietransitie, met inbegrip van energie-efficiëntie, decentrale energiedistributie, innovatie op het gebied van schone energie, en de circulaire economie mogelijk te maken; is verheugd dat de EIB in de laatste vijf jaar ongeveer 2,4 miljard EUR aan medefinanciering ter beschikking heeft gesteld voor projecten in het kader van de circulaire economie op het vlak van afvalbeheer, waterbeheer of landbouwonderzoek en -ontwikkeling; benadrukt het belang van een betere coördinatie van de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) op het gebied van de circulaire economie, mede om ervoor te zorgen dat programma's een regionale aanpak omvatten en beter gebruikmaken van het regionale potentieel voor duurzame energiebronnen;

31.  verzoekt de lidstaten, regio's en lokale overheden het opzetten en ondersteunen van hergebruik- en reparatienetwerken aan te moedigen, en met name van netwerken die fungeren als ondernemingen in de sociale economie, teneinde producten dankzij hergebruik of reparatie langer te laten meegaan, door dergelijke netwerken gemakkelijker toegang te verlenen tot afvalinzamelingspunten en door het gebruik van de ESI-fondsen, economische instrumenten, aanbestedingscriteria of andere maatregelen te stimuleren;

32.  benadrukt dat de algehele duurzaamheid met betrekking tot het hergebruik en de recycling van producten tijdens de levenscyclus ook afhangt van de hoeveelheid energie die voor het vervoer van de desbetreffende producten wordt verbruikt; onderstreept dat dit met name geldt voor plattelandsgebieden, waar langere afstanden moeten worden afgelegd tussen de plaats van inzameling en de plaats van verwerking; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten met klem om in strategieën met betrekking tot de circulaire economie voor plattelandsgebieden rekening te houden met deze levenscyclusbenadering om negatieve gevolgen voor het milieu en het klimaat te voorkomen;

33.  wijst erop dat in het kader van een studie over de integratie van milieuaspecten in fondsen voor het cohesiebeleid een steekproef van 32 operationele programma's werd onderzocht en dat negen daarvan betrekking hadden op de circulaire economie en zes op groene banen; is ingenomen met de inspanningen die nationale en regionale overheden leveren, maar roept de lidstaten tegelijk ertoe op de circulaire economie beter te integreren in hun operationele en regionale programma's en partnerschapsovereenkomsten; dringt erop aan dat steun wordt verleend aan de regio's om te zorgen voor een zo soepel mogelijke overgang naar een circulaire economie;

34.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de circulaire economie naar behoren als interdisciplinair thema wordt opgenomen in programma's voor onderwijs, beroepsopleiding en omscholing, met het oog op de ontwikkeling van nieuwe attitudes die zullen bijdragen tot het vaststellen van nieuwe bedrijfsmodellen en het scheppen van nieuwe banen;

35.  roept nationale en regionale overheden die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding van operationele programma's op de circulaire economie sterker te integreren in de programma's voor territoriale samenwerking, met name in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking, met het oog op de uitvoering van grensoverschrijdende oplossingen die efficiëntere en goedkopere resultaten kunnen opleveren;

36.  is van oordeel dat de toekomstige planning van de ESI-fondsen in de volgende programmaperiode beter moet worden afgestemd op de nationale energie- en klimaatplannen voor 2030, door zo mogelijk gebruik te maken van soortgelijke indicatoren als die van de verordening inzake de governance van de energie-unie; dringt erop aan dat de lidstaten een ambitieuze en samenhangende strategie aan de dag leggen om te voldoen aan de op EU-niveau reeds bestaande bindende streefcijfers inzake beperking van de klimaatverandering;

37.  verzoekt de lidstaten de gelegenheid aan te grijpen om de circulaire economie tijdens de herzieningsperiode verder in hun huidige operationele programma's op te nemen; is van mening dat de Commissie dit proces moet vergemakkelijken en de lidstaten moet helpen bij het bestuderen van de huidige stand van zaken en van de gebieden die mogelijk met de beginselen van de circulaire economie kunnen worden verrijkt;

38.  is van mening dat de rol van Europese territoriale samenwerking (ETS) bij het aanpakken van problemen in verband met de tenuitvoerlegging van de circulaire economie verder moet worden vergroot; verzoekt de lidstaten grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen, met name via ETS, om projecten op het gebied van de circulaire economie uit te voeren; benadrukt daarnaast dat het belangrijk is om door middel van de pretoetredingsovereenkomsten met derde landen duurzame oplossingen te vinden om de huidige problemen, met name op het gebied van luchtvervuiling, aan te pakken;

39.  benadrukt dat de lopende macroregionale strategieën nog onbenut potentieel bieden om problemen te helpen aanpakken in verband met de verwezenlijking van de circulaire economie, niet alleen in de lidstaten maar ook in derde landen die in hetzelfde geografische gebied liggen; benadrukt dat deze strategieën gericht moeten zijn op prioriteiten waarmee ondersteuning kan worden verleend voor de totstandbrenging van een markt voor secundaire grondstoffen voor de Unie; dringt aan op de ontwikkeling van initiatieven voor samenwerking tussen de EU en buurlanden;

40.  herhaalt zijn standpunt over het belang van adequate capaciteitsopbouw en capaciteitsbehoud bij lokale, regionale en nationale autoriteiten, wat ook uiterst belangrijk is voor de overgang naar een circulaire economie; wijst op de belangrijke rol die technische bijstand op dit vlak kan spelen; erkent dat regio's en stedelijke gebieden een essentiële rol vervullen bij het bevorderen van betrokkenheid bij de energietransitie van onderop en het meest geschikt zijn voor het testen en ten uitvoer leggen van geïntegreerde energieoplossingen die direct met burgers in verband staan; benadrukt de rol die "slimme steden"-initiatieven kunnen spelen in de circulaire economie door groene technologiemodellen te promoten in het kader van strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling; onderstreept dat duurzame en "circulaire" steden een instrument zijn voor een doeltreffende kringloopeconomie;

41.  benadrukt het belang van groene overheidsopdrachten als drijfveer voor de circulaire economie, met een potentiële markt van naar schatting 1,8 biljoen EUR per jaar voor de uitvoering of levering van werken, goederen en diensten aan de overheid(14);

42.  benadrukt de behoefte aan een regelgevingskader inzake energie om burgers en energiegemeenschappen aan te sporen aan de energietransitie deel te nemen door gebruik te maken van hun recht op eigen productie en consumptie, alsmede door doorlopende ondersteuningsregelingen, gewaarborgde prioritaire toegang tot het net en prioritaire dispatching voor hernieuwbare energie;

43.  moedigt regionale en lokale overheden ertoe aan verder te investeren in onderwijsprogramma's, in beroepsopleiding en de omscholing van werknemers en in campagnes om het publiek bewust te maken van de voordelen van alle maatregelen die tot doel hebben de circulaire economie in de praktijk te brengen via projecten in het kader van het cohesiebeleid, om zo de participatie van burgers te vergroten en het consumentengedrag te beïnvloeden; onderstreept in dit verband het potentieel van het ESF; benadrukt dat het jonge ondernemers moet aansporen om de overgang te maken naar de circulaire economie, met name in regio's met lage inkomens en beperkte groei; beklemtoont ook dat de circulaire economie plattelandsgebieden een kans biedt om de ontvolking tegen te gaan, hun economie te diversifiëren en hun risicobestendigheid te vergroten; wijst er in dit verband op dat plattelandsgebieden stimulansen nodig hebben voor de overgang naar duurzame waardeketens; benadrukt dat er een specifieke strategie moet worden ontwikkeld voor eilandregio's;

44.  spoort de Commissie aan om door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) te stimuleren om lokale belanghebbenden te helpen financieringsstromen te combineren en lokale initiatieven in het kader van de circulaire economie te organiseren;

45.  merkt op dat 80 % van het zwerfvuil op zee van het land afkomstig is; benadrukt daarom dat het belangrijk is om vervuiling aan land en op zee aan te pakken door middel van lokale en regionale maatregelen die niet alleen het milieu, maar ook de menselijke gezondheid ten goede komen; verzoekt de lidstaten, regio's en lokale overheden zich vooral in te spannen om de productie van landvuil te voorkomen;

46.  verzoekt de Commissie in het kader van het Europees Semester voor ogen te houden welke invloed door de ESI-fondsen medegefinancierde regionale en nationale investeringen in projecten in verband met de circulaire economie hebben op de berekening van de nationale overheidstekorten;

47.  is ingenomen met het voorstel tot herziening van de drinkwaterrichtlijn (Richtlijn 98/83/EG), die de overgang naar een circulaire economie zal faciliteren door de hoeveelheid plastic afval van water in flessen te verminderen, wat aanzienlijke energiebesparingen en een efficiënt beheer van de drinkwatervoorraden zal opleveren;

De circulaire economie in het cohesiebeleid voor de periode na 2020

48.  verzoekt de Commissie, voor de volgende programmeringsperiode, een relevante traceringsmethode met geschikte indicatoren uit te werken om beter te kunnen toezien op de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van een circulaire economie zodat er een nauwkeuriger beeld kan worden geschetst van de ecologische en sociaal-economische omstandigheden;

49.  wijst erop dat ook in het kader van andere programma's, zoals LIFE, Cosme en Horizon 2020, aanzienlijke steun wordt verleend om de overgang naar een circulaire economie tot stand te brengen; benadrukt dat de synergie tussen de bovenvermelde instrumenten verbeterd moet worden om de doelstellingen van het actieplan van de Commissie voor de circulaire economie te verwezenlijken;

50.  verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot het toekomstige cohesiebeleidskader geschikte ex-antevoorwaarden betreffende de verwezenlijking van een circulaire economie te ontwikkelen; is van mening dat strategieën voor de circulaire economie moeten worden ontwikkeld in partnerschap met de nationale, regionale en plaatselijke overheden en de economische en sociale partners;

51.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er in het Horizon 2020-programma nog meer aandacht en middelen worden besteed aan innovatie- en onderzoeksprojecten op het gebied van de circulaire economie;

52.  acht het belangrijk de steun voor duurzame stedelijke en plattelandsontwikkeling in het kader van het cohesiebeleid op te voeren en vraagt dat doelstellingen in verband met de circulaire economie hierbij een prominentere rol krijgen; vraagt om innovatieve acties op het gebied van duurzame stedelijke en plattelandsontwikkeling voort te zetten en verzoekt de Commissie om bij de opstelling van voorstellen voor de toekomst maximaal gebruik te maken van de ervaring die in de periode 2014-2020 is opgedaan; pleit voor een flexibele aanpak op maat bij de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda, waarbij stimulansen en begeleiding moeten worden geboden om het potentieel van steden voor de tenuitvoerlegging van de circulaire economie volledig te benutten;

53.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie een omgeving is waarin beste praktijken kunnen worden uitgewisseld, zodat de middelen van het cohesiebeleid zo goed mogelijk kunnen worden ingezet ter verwezenlijking van de overgang naar een circulaire economie;

54.  benadrukt de onderlinge verwevenheid van de circulaire economie en de beperking van klimaatverandering, en dringt daarom aan op grotere uitgaven voor investeringen op het gebied van de circulaire economie en het klimaat in het cohesiebeleid voor de periode na 2020; benadrukt bovendien dat klimaatgerelateerde uitgaven in het algemeen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) moeten toenemen ten opzichte van het huidige MFK;

o
o   o

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.
(10) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 111.
(11) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(12) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 27.
(13) Mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029).
(14) "Groen kopen! – Een handboek over groene overheidsopdrachten", derde editie, Europese Commissie, 2016.


Verdere macrofinanciële bijstand aan Oekraïne ***I
PDF 253kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Oekraïne (COM(2018)0127 – C8-0108/2018 – 2018/0058(COD))
P8_TA(2018)0255A8-0183/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0127),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 212, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0108/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die is aangenomen samen met Besluit nr. 778/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan Georgië(1),

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 mei 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0183/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2018 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Oekraïne

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2018/947.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

Het Parlement, de Raad en de Commissie herinneren eraan dat als randvoorwaarde voor de toekenning van macrofinanciële bijstand geldt dat het begunstigde land doeltreffende democratische mechanismen eerbiedigt, waaronder een parlementair meerpartijenstelsel en de rechtsstaat, en de eerbiediging van de mensenrechten waarborgt.

De Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden zien tijdens de volledige duur van de macrofinanciële bijstand van de Unie erop toe dat aan die randvoorwaarde is voldaan.

Gezien het feit dat niet aan de voorwaarden betreffende corruptiebestrijding is voldaan en dat hierdoor de derde tranche van het vorige programma van macrofinanciële bijstand op grond van Besluit (EU) 2015/601 niet is uitbetaald, onderstrepen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie dat verdere macrofinanciële bijstand afhankelijk zal zijn van vooruitgang op het gebied van corruptiebestrijding in Oekraïne. Daarvoor moeten in het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Unie en Oekraïne voorwaarden op het gebied van economisch beleid en financiële voorwaarden worden opgenomen, die onder andere de verplichting omvatten het bestuur, de administratieve capaciteiten en de institutionele structuur in het bijzonder met het oog op de bestrijding van corruptie in Oekraïne, te versterken. Het gaat hier in het bijzonder om een systeem voor de verificatie van vermogensaangiften, de controle van de gegevens van ondernemingen over hun uiteindelijke begunstigden en een goed werkende gespecialiseerde corruptiebestrijdingsrechtbank overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie van Venetië. Voorwaarden over de bestrijding van witwaspraktijken en belastingontduiking moeten eveneens worden overwogen. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de Commissie de uitbetaling van de macrofinanciële bijstand van de Unie tijdelijk opschorten of die annuleren overeenkomstig artikel 4, lid 4.

De Commissie zal niet alleen het Europees Parlement en de Raad regelmatig informeren over ontwikkelingen betreffende de bijstand en hun relevante documenten verschaffen, maar ook zal zij bij elke uitbetaling openbaar verslag doen over de naleving van alle voorwaarden op het gebied van economisch beleid en alle financiële voorwaarden voor de betreffende uitbetaling, in het bijzonder de voorwaarden op het gebied van corruptiebestrijding.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie brengen in herinnering dat deze macrofinanciële bijstand aan Oekraïne moet bijdragen aan met de Europese Unie gedeelde waarden, met inbegrip van duurzame en maatschappelijk verantwoorde ontwikkeling die leidt tot nieuwe banen en minder armoede, en de inzet voor een sterk maatschappelijk middenveld. De Commissie zal het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie ter goedkeuring van het memorandum van overeenstemming vergezeld doen gaan van een beoordeling van de verwachte maatschappelijke impact van de macrofinanciële bijstand. In overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 zal deze beoordeling worden ingediend bij het Comité lidstaten en beschikbaar worden gesteld aan het Parlement en de Raad via het register van de werkzaamheden van het comité.

(1) PB L 218 van 14.8.2013, blz. 15.


De gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen de EU en Chili
PDF 181kWORD 53k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 juni 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid over de gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Chili (2018/2018(INI))
P8_TA(2018)0256A8-0158/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3, alsook Titel V, met name de artikelen 21 en 36, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en gezien het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 218 VWEU,

–  gezien de bestaande associatieovereenkomst tussen de Republiek Chili en de Europese Unie,

–  gezien de start van de onderhandelingen over de gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Chili op 16 november 2017,

–  gezien de goedkeuring door de Raad, op 13 november 2017, van de onderhandelingsrichtsnoeren voor deze overeenkomst,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de 25e vergadering van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Chili van 22 januari 2018,

–  gezien zijn aanbeveling van 14 september 2017 aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden over de onderhandelingen over de modernisering van de handelspijler van de associatieovereenkomst EU-Chili(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over de strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika(2),

–  gezien de verklaring van het EU-Celac-forum voor het maatschappelijk middenveld van 11 mei 2015 over gelijkheid, rechten en democratische participatie van de volkeren in Europa, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied,

–  gezien artikel 108, lid 4, en artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0158/2018),

A.  overwegende dat Chili en de EU gemeenschappelijke waarden delen en nauwe culturele, economische en politieke banden onderhouden;

B.  overwegende dat Chili en de EU nauw samenwerken bij het aanpakken van regionale en mondiale uitdagingen zoals de klimaatverandering, internationale veiligheid, duurzame ontwikkeling en mondiale governance;

C.  overwegende dat Chili een belangrijke voorvechter is van democratie en mensenrechten, vrije en open handel en multilaterale betrekkingen; overwegende dat het land ook een sleutelrol speelt als lid van de Pacifische Alliantie, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en de Unie van Zuid-Amerikaanse Naties (UZAN), een hooginkomensland is en lid van de OESO;

D.  overwegende dat Chili een belangrijke speler is in regionale aangelegenheden, bijvoorbeeld als garantiegever in het Colombiaanse vredesproces en de gesprekken van Santo Domingo tussen de Venezolaanse regering en de oppositie; overwegende dat Chili zich uit de gesprekken met Venezuela heeft teruggetrokken, omdat niet was voldaan aan de minimumvoorwaarden voor democratische presidentsverkiezingen en een normalisering van de institutionele situatie;

E.  overwegende dat in januari 2014 ook een kaderovereenkomst is gesloten inzake de deelname van Chili aan de crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie; overwegende dat Chili deelneemt aan de EUFOR ALTHEA-operatie in Bosnië en Herzegovina en aan talrijke VN-vredeshandhavingsoperaties, en daarmee blijk geeft van zijn inzet voor mondiale vrede en veiligheid;

F.  overwegende dat de recente parlements- en presidentsverkiezingen opnieuw hebben aangetoond dat Chili over een stabiele en volwassen democratie beschikt; overwegende dat Chili de voorbije decennia een sterke economische groei heeft gekend en een van de snelst groeiende economieën in de regio is; overwegende dat het land zijn hervormingsinspanningen voortzet;

G.  overwegende dat de legalisatie van abortus onder bepaalde omstandigheden wijst op een toenemende openheid in de Chileense samenleving wat betreft empowerment van vrouwen en meisjes;

H.  overwegende dat Chili in de menselijke ontwikkelingsindex 2016 als een land met een zeer hoge menselijke ontwikkeling wordt beschouwd, dat het het hoogst geplaatste Latijns-Amerikaanse land is en het 38e wereldwijd, vóór zeven EU-lidstaten;

I.  overwegende dat de bestaande associatieovereenkomst een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verdiepen van de politieke betrekkingen tussen de EU en Chili en het handelsverkeer en de investeringsstromen aanzienlijk heeft versterkt; overwegende dat de onverminderde eerbiediging van de rechtsstaat en een stabiel wettelijk en politiek kader Chili en de EU in staat stellen het vrije ondernemerschap tot bloei te laten komen en een gunstig investeringsklimaat scheppen met waarborgen voor de inachtneming van het beginsel van rechtszekerheid;

J.  overwegende dat de EU en Chili recentelijk ruimere en ambitieuzere overeenkomsten hebben gesloten met andere partners; overwegende dat een modernisering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Chili derhalve aanzienlijke kansen biedt voor een verdieping van de bestaande betrekkingen, ook op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid;

K.  overwegende dat de toekomstige associatieovereenkomst tussen de EU en Chili volledig in overeenstemming moet zijn met het transformerende karakter van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de rol van internationale ontwikkelingssamenwerking met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's);

L.  overwegende dat een gemoderniseerde associatieovereenkomst, samen met de overeenkomsten met Mexico en Mercosur waarover momenteel (opnieuw) wordt onderhandeld, de rol van de EU als belangrijke bondgenoot van Latijns-Amerika zou versterken, op een moment dat andere spelers zoals China en Rusland steeds meer trachten hun invloed in de regio uit te breiden;

M.  overwegende dat de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Chili (GPC) herhaaldelijk haar steun voor de modernisering van de associatieovereenkomst heeft uitgesproken, laatstelijk in de gemeenschappelijke verklaring van de 25e vergadering op 22 januari 2018;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) het volgende aan:

Algemene beginselen

Multilaterale betrekkingen en regionale en internationale samenwerking

Politieke dialoog en samenwerking

Institutionele bepalingen

   a) de samenwerking tussen Chili en de EU, als twee gelijkgestemde partners in een nieuwe context van onzekerheid in de internationale betrekkingen, aanzienlijk te versterken, op basis van onze gezamenlijke waarden en beginselen van democratie, bestrijding van de klimaatverandering, tenuitvoerlegging van gendergelijkheid, de rechtsstaat, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden;
   b) ervoor te zorgen dat de gemoderniseerde overeenkomst met Chili ambitieus, alomvattend en evenwichtig is en tastbare voordelen oplevert voor de burgers, ondernemingen en economieën aan beide zijden; ervoor te zorgen dat de overeenkomst een van de meest geavanceerde wordt die de EU met derde landen heeft gesloten;
   c) de mensenrechtendimensie in de samenwerking tussen de EU en Chili te versterken in het licht van de mensenrechtenstrategie EU-Chili 2016-2020; in de overeenkomst een gezamenlijk engagement te bevestigen voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, gendergelijkheid en de rechten van minderheden zoals de LGBTI-gemeenschap en inheemse volkeren, met afdwingbare mechanismen voor toezicht, regelmatige rapportage en geschillenbeslechting; Chili aan te moedigen om een oplossing te vinden voor de kwestie met de inheemse Mapuche-bevolking en andere inheemse volkeren; in alle toekomstige associatieovereenkomsten vast te houden aan de praktijk om een mensenrechtenclausule in de overeenkomst op te nemen; de regelmatige dialoog over de mensenrechten tussen de EU en Chili voort te zetten om ook in het kader van de multilaterale samenwerking het institutionele kader en het overheidsbeleid ter bevordering van de mensenrechten te versterken;
   d) Chili aan te moedigen om een goede rechtsbedeling en eerlijke gerechtelijke procedures te verzekeren, in volledige overeenstemming met de internationale normen;
   e) te streven naar de bevordering van duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, armoedebestrijding en de vermindering van de ongelijkheid, in het licht van de toezegging van Chili om in het kader van de Agenda 2030 de SDG's te verwezenlijken;
   f) Chili te helpen bij het verbeteren van de onderwijsnormen en -programma's om ervoor te zorgen dat ook mensen met de laagste inkomens toegang hebben tot hoger onderwijs; de banden tussen universiteiten en de arbeidsmarkt te versterken om de vaardigheidskloof te overbruggen en werkgelegenheid voor jongeren te bevorderen;
   g) de bescherming van sociale en milieurechten te bevorderen en de daadwerkelijke toepassing van de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), alsook de uitbanning van gedwongen en kinderarbeid te verzekeren;
   h) de dialoog en samenwerking te versterken ten aanzien van regionale en mondiale problemen zoals georganiseerde misdaad, drugshandel, toenemende ongelijkheid, migratie, terrorisme en klimaatverandering, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030; de samenwerking tussen de EU en Chili op het gebied van migratiebeleid te ondersteunen en overnameregelingen vast te stellen, onder meer ook voor staatlozen en onderdanen van derde landen;
   i) oog te houden voor het belang van de multilaterale agenda en het feit dat bilaterale onderhandelingen de ambitie om multilateraal vooruitgang te boeken niet mogen ondermijnen;
   j) bij te dragen tot een versterking van de multilaterale betrekkingen en de internationale samenwerking om de internationale veiligheid te verbeteren en de wereldproblemen op doeltreffende wijze aan te pakken; te komen tot een betere coördinatie van de standpunten van beide partijen in internationale organisaties en fora;
   k) Chili aan te moedigen om initiatieven voor regionale integratie en samenwerking te blijven ondersteunen, met name de Pacifische Alliantie, die bemoedigende resultaten kan voorleggen als echte, actieve drijvende kracht voor economische integratie tussen de leden in de regio, alsook UZAN en de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (Celac); na te gaan of de EU de status van waarnemer kan krijgen in de Pacifische Alliantie;
   l) te komen tot een zinvolle, regelmatige dialoog over alle belangrijke kwesties, en daarbij de bestaande gesprekskaders ten volle te benutten en verder uit te bouwen; via het Partnerschapsinstrument (PI) beschikbare middelen te mobiliseren om strategische doelstellingen te verwezenlijken;
   m) te voorzien in nauwe samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie, met name conflictpreventie, maritieme veiligheid, ontwapening en non-proliferatie; een grotere deelname van Chili mogelijk te maken aan de missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie (GVDB);
   n) sterkere samenwerking mogelijk te maken bij de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en cybercriminaliteit en bij de preventie van radicalisering en internationale criminaliteit, zonder afbreuk te doen aan de burgerlijke vrijheden en de grondrechten; actie te ondernemen in de context van de mondiale strijd tegen het terrorisme door de versterking van de mechanismen, maatregelen en organen voor mondiale en regionale samenwerking in overeenstemming met het internationale recht en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;
   o) de samenwerking te verbeteren in de strijd tegen corruptie, witwassen en belastingontduiking; in de overeenkomst bepalingen op te nemen inzake normen op het gebied van fiscale transparantie en goed fiscaal bestuur, die het engagement van de partijen bevestigen om internationale normen toe te passen in de strijd tegen belastingontwijking en belastingontduiking;
   p) niet te vergeten dat corruptie mensenrechten, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid, handel en eerlijke concurrentie ondermijnt en aldus de economische groei belemmert; specifieke secties op te stellen met duidelijke en krachtige toezeggingen en maatregelen om corruptie in al haar vormen te bestrijden en internationale normen en multilaterale anticorruptieovereenkomsten ten uitvoer te leggen;
   q) mobiliteit tussen de EU en Chili aan te moedigen; uitwisselingsprogramma's voor jongeren en studenten, beurs- en opleidingsprogramma's te bevorderen, onder meer via het ERASMUS+-programma; verdere inspanningen te doen met het oog op de volledige wederzijdse erkenning van academische kwalificaties en de modernisering, toegankelijkheid en internationalisering van het hoger onderwijs;
   r) de overdracht van wetenschappelijke en technologische kennis te bevorderen en de samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling te intensiveren, en daarbij de mogelijkheden van bestaande programma's zoals Horizon 2020 ten volle te benutten;
   s) de betrekkingen op het gebied van internationale samenwerking te bevorderen en te versterken, op de grondslag van het in 2015 ondertekende Memorandum van overeenstemming over internationale samenwerking; innovatieve mechanismen in het leven te roepen om de driehoekssamenwerking en regionale samenwerking met derde partijen binnen en buiten Latijns-Amerika te verdiepen en te versterken via programma's zoals EUROsociAL+, Euroclima+ en samenwerkingsprogramma's inzake drugsbeleid zoals COPOLAD;
   t) een methodologie te ontwikkelen om de effecten van de gemoderniseerde overeenkomst op mannen en vrouwen in kaart te brengen en de resultaten te gebruiken als grondslag voor het opzetten van beleid om genderevenwicht te verwezenlijken;
   u) het gezamenlijke engagement in de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 te bevestigen en te zorgen voor nauwe samenwerking tussen de EU en Chili op het gebied van milieubescherming en de strijd tegen de klimaatverandering; het partnerschap voor technische en beleidssamenwerking te versterken op cruciale milieugebieden, inclusief CO2-emissies voor internationaal vervoer, het behoud van de biodiversiteit en duurzame productie en consumptie; nauwere samenwerking op het gebied van de circulaire economie aan te moedigen met het oog op een betere hulpbronnenefficiëntie, duurzaam gebruik van natuurlijke rijkdommen, eco-innovatie en waterbeheer; meer steun te verlenen voor projecten die erop gericht zijn de gevolgen van de klimaatverandering te beperken;
   v) nauwer samen te werken op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en bij het gebruik van de aardobservatiesatellietgegevens van het Copernicus-programma van de EU voor milieudoeleinden;
   w) culturele samenwerking te bevorderen en de diaspora in Chili en de EU te ondersteunen met het doel buitenlandse investeringen zowel in de EU als in Chili aan te moedigen;
   x) de toegang tot water als een grondrecht van de mens te bevestigen;
   y) ervoor te zorgen dat de associatieovereenkomst gebaseerd is op een sterke parlementaire participatie, waarbij de huidige bepalingen en samenwerkingsmechanismen worden versterkt zodat een grotere inbreng in en controle op de tenuitvoerlegging mogelijk wordt gemaakt, met name via het bestaande interparlementaire formaat van de GPC; de GPC de mogelijkheid te geven om relevante informatie over de associatieovereenkomst te verzoeken;
   z) te zorgen voor passende betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, zowel bij de onderhandelingen als bij de uitvoeringsfase van de associatieovereenkomst, onder meer maar niet uitsluitend via het Gemengd Raadgevend Comité; te zorgen voor het noodzakelijke institutionele kader om politieke dialoog met maatschappelijke organisaties in beide regio's mogelijk te maken;
   aa) het Parlement in iedere fase van de onderhandelingen onverwijld en ten volle te informeren, overeenkomstig artikel 218, lid 10, van het VWEU, waarbij het Parlement tevens de onderhandelingsteksten en notulen van elke onderhandelingsronde moet ontvangen; is in dit verband verheugd over het besluit van de Raad van 22 januari 2018 tot publicatie van het onderhandelingsmandaat dat de Commissie en de vv/hv in november 2017 hebben ontvangen;
   ab) de recente publicatie van de onderhandelingsrichtsnoeren aan te grijpen als een belangrijk precedent en de toezegging te doen om in de toekomst alle onderhandelingsrichtsnoeren voor internationale overeenkomsten te publiceren;
   ac) de onderhandelingen over de associatieovereenkomst te bespoedigen zodat deze vóór het einde van de lopende zittingsperiode door het Europees Parlement kan worden geratificeerd;
   ad) ervoor te zorgen dat de gevestigde praktijk om de voorlopige toepassing van de nieuwe overeenkomst op te schorten tot het Parlement zijn goedkeuring heeft gegeven, op alle niveaus wordt geëerbiedigd;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de president, de regering en het parlement van de Republiek Chili.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0354.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0345.


Betrekkingen tussen de EU en de NAVO
PDF 315kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO (2017/2276(INI))
P8_TA(2018)0257A8-0188/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon,

–  gezien het Noord-Atlantisch Verdrag,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 28 juni en 15 december 2016 en 9 maart, 22 juni en 15 december 2017,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 mei 2015 en 14 november 2016 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, van 6 december 2016 over de samenwerking tussen de EU en de NAVO, van 6 maart, 18 mei en 17 juli 2017 over de integrale EU-strategie, en van 19 juni en 5 december 2017 over de uitvoering van het gemeenschappelijk pakket voorstellen dat door de raden van de EU en van de NAVO op 6 december 2016 werd goedgekeurd,

–  gezien het document getiteld "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid" dat op 28 juni 2016 door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) is gepresenteerd,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 8 juli 2016 van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie en de secretaris-generaal van de NAVO over het gemeenschappelijke pakket van 42 voorstellen dat door de raden van de EU en van de NAVO op 6 december 2016 werd goedgekeurd en de voortgangsverslagen van 14 juni en 5 december 2017 betreffende de tenuitvoerlegging daarvan, en over het nieuwe pakket van 32 voorstellen dat op 5 december 2017 door beide raden werd goedgekeurd,

–  gezien de resultaten van de bijeenkomsten van de Raad Buitenlandse Zaken (inclusief Defensie) van 13 november 2017 en 6 maart 2018 die specifiek gewijd waren aan de samenwerking tussen de EU en de NAVO,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 10 november 2017 van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement en de Raad over verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie (JOIN(2017)0041) en het bijbehorende actieplan dat in maart 2018 is gepresenteerd (JOIN(2018)0005),

–  gezien het defensiepakket dat op 7 juni 2017 door de Commissie is gepresenteerd,

–  gezien het jaarverslag 2017 van de secretaris-generaal van de NAVO, dat op 15 maart 2018 is gepubliceerd,

–  gezien resolutie nr. 439 van de Parlementaire Vergadering van de NAVO van 9 oktober 2017 over nauwere samenwerking tussen de NAVO en de EU,

–  gezien resolutie nr. 440 van de Parlementaire Vergadering van de NAVO van 9 oktober 2017 over de industriële basis voor de Europese defensie,

–  gezien het verslag van de Commissie Defensie en Veiligheid van de Parlementaire Vergadering van de NAVO van 8 oktober 2017 over de samenwerking tussen de NAVO en de EU na Warschau, met inbegrip van de door het Europees Parlement opgestelde bijlage,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(1),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(2),

–  gezien zijn resoluties van 23 november 2016 en 13 december 2017 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(3),

–  gezien zijn resoluties van 14 december 2016 en 13 december 2017 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0188/2018),

A.  overwegende dat onze waarden, zoals de liberale democratie, multilateralisme, mensenrechten, vrede, ontwikkeling en de rechtsstaat, waarop de EU en de trans-Atlantische betrekkingen zijn gestoeld, alsook het op rechtsregels gebaseerde internationale systeem en de Europese eenheid en cohesie, in deze periode van geopolitieke onrust en snelle verslechtering van het strategisch klimaat op de proef worden gesteld;

B.  overwegende dat de twee belangrijkste westelijke organisaties, de EU en de NAVO, vorderingen maken op weg naar een betere samenwerking om het hoofd te bieden aan complexe uitdagingen, risico's en bedreigingen, zowel van conventionele als hybride aard, door overheden en niet-overheidsactoren, vooral uit het oosten en uit het zuiden; overwegende dat de opeenhoping van destabiliserende crisissen in het Europese nabuurschap zowel interne als externe veiligheidsdreigingen veroorzaakt; overwegende dat geen van beide organisaties alleen over de volledige waaier aan instrumenten beschikt om deze veiligheidsuitdagingen alleen aan te pakken en dat beide organisaties beter in staat zouden zijn om deze bedreigingen aan te pakken wanneer zij samenwerken; overwegende dat de EU en de NAVO onontbeerlijk zijn voor het verzekeren van de veiligheid van Europa en zijn burgers;

C.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO niet mag worden beschouwd als een doel op zich, maar moet worden gezien als een manier om gemeenschappelijke prioriteiten en doelstellingen op het gebied van veiligheid te verwezenlijken, door elkaars missies en beschikbare middelen aan te vullen; overwegende dat de EU-lidstaten en de NAVO-bondgenoten één set strijdkrachten hebben; overwegende dat beide organisaties samen doeltreffend gebruik kunnen maken van de beschikbare middelen en een breed spectrum aan bestaande instrumenten op doeltreffender wijze kunnen ontplooien om veiligheidsproblemen het hoofd te bieden;

D.  overwegende dat de NAVO in tegenstelling tot de EU een militair bondgenootschap is; overwegende dat de EU een mondiale strategische speler is die voor veiligheid zorgt en over een uniek en breed palet aan instrumenten en hulpmiddelen beschikt om de huidige uitdagingen alomvattend aan te pakken via haar verschillende beleidslijnen; overwegende dat de EU in het kader van haar mondiale strategie en overeenkomstig de doelstellingen daarvan, meer verantwoordelijkheid neemt voor haar eigen veiligheid en defensie en als partner voor internationale vrede en veiligheid, haar vermogen om autonoom te handelen versterkt en tegelijkertijd haar bijdrage aan de NAVO opvoert en een nauwere samenwerking bevordert;

E.  overwegende dat de NAVO in de eerste plaats verantwoordelijk is voor de collectieve defensie van haar leden; overwegende dat de NAVO-richtsnoeren bepalen dat de lidstaten binnen een periode van tien jaar 2 % van hun bbp moeten besteden aan defensie om een passende defensiecapaciteit in stand te houden; overwegende dat de NAVO, als belangrijkste veiligheidspartner van de EU, van wezenlijk belang is om de interoperabiliteit van de capaciteit van de bondgenoten en de consistentie van hun uitrustingsinspanningen te waarborgen;

F.  overwegende dat de acties van de EU en de NAVO elkaar meer moeten aanvullen op het gebied van veiligheid om nieuwe, ongekende en veelzijdige veiligheidsproblemen beter aan te pakken; overwegende dat gezamenlijke taakgebieden tussen de twee organisaties tevens nopen tot nauwere en doeltreffendere samenwerking;

G.  overwegende dat de EU en de NAVO, die zich beide bezighouden met crisisbeheer, dit op doeltreffender wijze zouden kunnen doen indien er sprake was van een echt gecoördineerd optreden waarbij de expertise en middelen optimaal worden ingezet; overwegende dat de EU als follow-up van haar mondiale strategie haar gezamenlijke aanpak van externe conflicten en crises versterkt en met civiele en militaire middelen optreedt tegen bedreigingen en problemen op het snijvlak van de interne en de externe veiligheid;

H.  overwegende dat het bondgenootschap en de EU tijdens de NAVO-top van 2016 in Warschau gebieden voor versterkte samenwerking hebben gedefinieerd in het licht van de gemeenschappelijke uitdagingen in het oosten en het zuiden, waaronder de bestrijding van hybride bedreigingen, het verhogen van de weerbaarheid, de opbouw van defensiecapaciteiten, cyberdefensie, maritieme veiligheid en oefeningen; overwegende dat de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO-lidstaten in december 2016 42 maatregelen hebben goedgekeurd om de samenwerking tussen de NAVO en de EU op bepaalde terreinen te bevorderen en dat in december 2017 verdere gezamenlijke werkterreinen zijn vastgesteld;

I.  overwegende dat een partnerschap tussen de EU en de NAVO noodzakelijk is om het hoofd te bieden aan hybride bedreigingen, met inbegrip van desinformatie en foute voorstellingen van de feiten, en om de weerbaarheid te vergroten; overwegende dat er een duidelijk onderscheid nodig is ten aanzien van de bevoegdheden en de politieke strategieën van beide organisaties;

J.  overwegende dat Rusland zich steeds sterker roert; overwegende dat weliswaar het risico bestaat dat afbreuk wordt gedaan aan de trans-Atlantische band en de solidariteit tussen de lidstaten van de EU, maar dat hun gemeenschappelijke strategische benadering ten aanzien van Rusland moet worden versterkt; overwegende dat de EU en de NAVO bezorgd zijn over het assertievere militaire optreden van Rusland; overwegende dat ook politieke manipulatie en cyberaanvallen reden tot bezorgdheid zijn; overwegende dat de EU heeft gereageerd op de inmenging van Rusland in interne Europese aangelegenheden, in strijde met het internationale recht en de internationale normen; overwegende dat weerbaarheid een cruciaal element van de collectieve defensie is en zal blijven;

K.  overwegende dat het zuidelijke nabuurschap te maken heeft met een ongekende instabiliteit en strategisch gezien een belangrijke uitdaging is voor de EU-lidstaten en de NAVO-lidstaten, met name voor de landen die zich in de frontlinie bevinden;

L.  overwegende dat cyberaanvallen steeds vaker voorkomen en steeds gesofisticeerder worden; overwegende dat de NAVO cyberdefensie in 2014 heeft aangemerkt als een van de kerntaken van het bondgenootschap op het gebied van collectieve defensie en de cyberruimte in 2016 heeft erkend als operationeel domein naast land, lucht en zee; overwegende dat de EU en de NAVO elkaars inspanningen kunnen complementeren; overwegende dat een versterkte samenwerking van de EU-lidstaten op het gebied van cyberveiligheid moet worden bevorderd en dat er op dit gebied een gecoördineerde inzet van alle EU-lidstaten nodig is;

M.  overwegende dat de NAVO en de EU in december 2017 hebben besloten om hun samenwerking in de strijd tegen terrorisme te versterken, voornamelijk door meer informatie te gaan uitwisselen en de nationale weerbaarheid te verbeteren;

N.  overwegende dat de EU en de NAVO in Europa dezelfde vervoersinfrastructuur gebruiken, een belangrijke factor voor een snelle militaire inzet, en dat militaire mobiliteit recentelijk is erkend als prioriteit voor samenwerking tussen beide organisaties;

O.  overwegende dat de publieke steun voor de NAVO volgens de laatste peilingen van het Pew Research Center groot is en in de meeste NAVO-lidstaten toeneemt;

Een dieper partnerschap

1.  is ervan overtuigd dat de EU en de NAVO in hun streven naar internationale vrede en veiligheid dezelfde waarden delen en met vergelijkbare strategische uitdagingen worden geconfronteerd, alsook dat beide organisaties, die 22 lidstaten delen, gelijkgerichte belangen hebben op het gebied van veiligheid en defensie, waaronder de bescherming van hun burgers tegen alle bedreigingen; meent dat het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO van fundamenteel belang is om het hoofd te bieden aan deze veiligheidsuitdagingen; onderstreept dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO een aanvulling vormt op de respectieve kenmerken en taken van beide organisaties en die in acht neemt;

2.  wijst erop dat openheid en transparantie met volledige eerbiediging van de autonome beslissingsbevoegdheid en procedures van beide organisaties, alsook inclusiviteit en wederkerigheid zonder afbreuk te doen aan het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van de lidstaten, belangrijke beginselen zijn van het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO; wijst erop dat samenwerking met EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO en met NAVO-lidstaten die geen lid zijn van de EU een integrerend deel uitmaakt van de samenwerking tussen de EU en de NAVO;

3.  is ervan overtuigd dat de NAVO voor haar lidstaten de hoeksteen blijft van een collectief defensie- en afschrikkingsbeleid in Europa; is er tevens van overtuigd dat een sterkere EU, die beschikt over een doeltreffender GVDB via meerdere gezamenlijke projecten van de lidstaten, en die in staat is te voldoen aan de bepalingen van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, op grond waarvan lidstaten om bijstand kunnen vragen, bijdraagt tot een sterkere NAVO; wijst erop dat in de samenwerking tussen de EU en de NAVO ook rekening moet worden gehouden met het veiligheids- en defensiebeleid van de zes EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO en van de zeven NAVO-lidstaten die geen lid zijn van de EU;

4.  is stellig van mening dat een doeltreffend antwoord op het volledige spectrum van veiligheidsproblemen strategische visie vereist, alsook verdere structurele aanpassingen en een combinatie van "hard power" en "soft power"-instrumenten van zowel de EU als de NAVO; onderstreept dat tijd een cruciale factor is in het versterken van het partnerschap tussen de EU en de NAVO, rekening houdend met de verschillen tussen beide organisaties;

5.  onderstreept dat verder werk moet worden gemaakt van het ontwikkelen van een gemeenschappelijke strategische cultuur, en dat het bereiken van een gedeelde perceptie van bedreigingen een positieve impact zal hebben; is van mening dat de EU moet ijveren voor een versterking van haar strategische autonomie; moedigt de EU-lidstaten derhalve aan om in samenwerking met de EU-instellingen tot een gemeenschappelijke visie te komen van de veranderende dreigingssituatie en verder te gaan met de gezamenlijke briefings, de opleiding op het gebied van civiele noodrespons en de gezamenlijke beoordelingen van de dreigingssituatie; verwelkomt de inspanningen die daartoe onlangs zijn gedaan;

6.  onderstreept dat de Europese burgers zich ervan bewust zijn dat louter nationale reacties op terrorisme en onveiligheid niet volstaan en daarom verwachten dat de EU hen beschermt tegen deze bedreigingen; onderstreept tevens dat met nauwe samenwerking tussen de EU en de NAVO de complementariteit en de doelmatigheid van de middelen van de lidstaten kunnen worden verbeterd;

7.  wijst op de noodzaak om de samenwerking tussen de EU en de NAVO inzake missies en operaties te versterken, zowel op strategisch als op tactisch niveau;

8.  beklemtoont dat het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO van fundamenteel belang is voor het veranderende GVDB van de EU en voor de toekomst van het bondgenootschap, alsook voor de betrekkingen tussen de EU en het VK na de brexit;

9.  meent dat het potentieel van de betrekkingen tussen de EU en de NAVO beter kan worden benut en dat een verdere ontwikkeling en verdieping van het partnerschap niet beperkt mag blijven tot een gemeenschappelijke respons op crisissituaties buiten Europa, met name in het nabuurschap, maar ook tot een gemeenschappelijk antwoord op crisissen op het continent zelf;

10.  wijst op de noodzaak om samen te werken op het gebied van preventie, analyse en vroegtijdige waarschuwing door de doeltreffende uitwisseling van informatie, om gezamenlijk op te treden tegen opkomende bedreigingen;

11.  ziet de gezamenlijke verklaring van de EU en de NAVO en de tenuitvoerlegging ervan als een nieuwe, essentiële fase in het strategisch partnerschap; toont zich verheugd over de tastbare resultaten bij de tenuitvoerlegging van de gezamenlijke verklaring, met name wat betreft het aanpakken van hybride bedreigingen, strategische communicatie, een samenhangende uitkomst van de respectieve planningsprocessen op defensiegebied, en maritieme samenwerking; moedigt verdere vooruitgang aan en is ingenomen met het nieuwe pakket maatregelen dat op 5 december 2017 is toegevoegd, vooral de maatregelen inzake terrorismebestrijding, militaire mobiliteit en vrouwen, en vrede en veiligheid; verwelkomt de veranderde inzet en de goede samenwerking tussen het personeel van beide organisaties bij gezamenlijke acties; herinnert eraan dat het proces zelf weliswaar wordt geleid door de organisaties, maar dat het succes van de uitvoering van de gemeenschappelijke doelen en acties afhangt van de duurzame politieke steun van alle lidstaten; verwelkomt in dit verband de inzet van zowel EU- als NAVO-leden en benadrukt dat een succesvolle tenuitvoerlegging van de gezamenlijke verklaring afhangt van de politieke steun van alle lidstaten; acht het belangrijk om de samenwerking en dialoog tussen de EU en de NAVO te versterken en politieke wil te creëren en te zorgen voor de nodige middelen voor het verder uitvoeren en verder ontwikkelen van de samenwerking; kijkt uit naar de nieuwe verklaring van de EU en de NAVO die zal worden vastgesteld tijdens de NAVO-top van 11‑12 juli 2018 in Brussel;

12.  neemt nota van de regelmatige gemeenschappelijke briefings van de VV/HV en de secretaris-generaal van de NAVO, respectievelijk in de Raad Buitenlandse Zaken van de EU en de Noord-Atlantische Raad van de NAVO (NAR), en de voortgezette periodieke bijeenkomsten tussen het Politiek en Veiligheidscomité van de EU en de NAR;

13.  toont zich verheugd over de bevestiging van het engagement van de VS tegenover de NAVO en de Europese veiligheid; herinnert eraan dat de EU en de Verenigde Staten belangrijke internationale partners zijn en dat dit partnerschap ook door de NAVO wordt bestendigd; beklemtoont het belang van de bilaterale betrekkingen tussen de EU‑lidstaten en de VS; is er stellig van overtuigd dat nauwere samenwerking tussen de EU en de NAVO de trans-Atlantische banden zal versterken en dat het vermogen van de NAVO om haar missies te vervullen verband houdt met de trans-Atlantische betrekkingen; merkt bijgevolg op dat de recente politieke ontwikkelingen een impact kunnen hebben op de kracht van de trans-Atlantische betrekkingen; wijst erop dat de VS, die de aanzienlijke ontwikkelingen in de EU-defensie in het algemeen heeft aangemoedigd en verwelkomd, verdere inspanningen moet doen om een beter inzicht te krijgen in de strategische belangen van Europa, inclusief de ontwikkeling van Europese defensievermogens; benadrukt dat de inspanningen van de EU om strategische autonomie te verkrijgen het veiligheidsklimaat van het bondgenootschap verbeteren;

14.  is ingenomen met de inzet van de Enhanced Forward Presence van de NAVO op de oostelijke flank; is ingenomen met de inzet van vier multinationale gevechtseenheden in Estland, Letland, Litouwen en Polen, onder leiding van respectievelijk het Verenigd Koninkrijk, Canada, Duitsland en de Verenigde Staten; meent dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO op de oostelijke en de zuidelijke flank verder moet worden versterkt met het oog op de veiligheid van beide organisaties en dat een Russische inval, hetzij met hybride of met conventionele middelen, ook in de landen op de oostelijke flank, moet worden voorkomen en op passende wijze afgeweerd; wijst erop dat de bestaande infrastructuur in Europa, die vooral oost-west georiënteerd is, moet worden aangevuld met een nieuwe noord-zuiddimensie, die tegemoetkomt aan de vereisten van militaire mobiliteit; wijst erop dat de inspanningen op het gebied van militaire mobiliteit moeten bijdragen aan een efficiënte uitvoering van de GBVB-missies en ‑acties alsmede aan het defensiestandpunt van het bondgenootschap; meent dat wegen, bruggen en spoorwegen moeten worden verbeterd om een snelle inzet van militair personeel en materieel mogelijk te maken;

15.  benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is de NAVO-capaciteit inzake snelle versterking te verbeteren door de EU- en nationale infrastructuur te verbeteren, bureaucratische en infrastructurele belemmeringen voor de snelle verplaatsing van troepen weg te nemen en alvast militair materieel en militaire voorraden in stelling te brengen om onze collectieve veiligheid te vergroten;

16.  is ingenomen met de inwerkingtreding van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO); beklemtoont haar potentieel om de Europese bijdrage binnen de NAVO te versterken; meent dat zij kan zorgen voor meer synergie en doeltreffendheid, en een cruciale stap is om de veiligheids- en defensiecapaciteiten van de EU en de potentiële prestaties van de Europese NAVO-leden te verbeteren; is ervan overtuigd dat een sterkere EU ook een sterkere NAVO betekent, en vice‑versa;

17.  beklemtoont dat de PESCO een aanvulling vormt op de NAVO en een drijvende kracht moet zijn voor nauwere samenwerking tussen de EU en de NAVO inzake capaciteitsontwikkeling, aangezien zij ernaar streeft de defensiecapaciteit van de EU te versterken en het GVDB in het algemeen doeltreffender en relevanter te maken in de aanpak van de militaire en veiligheidsproblemen van vandaag; benadrukt hoe belangrijk transparantie en communicatie over de PESCO tegenover de Verenigde Staten en de andere NAVO-leden zijn om misverstanden te voorkomen;

18.  onderstreept dat de EU en de NAVO in hun volgende gezamenlijke verklaring moeten onderstrepen dat de capaciteiten die in multinationaal verband worden ontwikkeld door de EU-lidstaten, ook in het kader van de PESCO, en door de NAVO-leden, beschikbaar moeten worden gesteld voor zowel NAVO- als EU-operaties; wijst erop dat de recente beslissingen van de EU (de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie, de PESCO en het Europees Defensiefonds (EDF)) die tot doel hebben de Europeanen meer verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun veiligheid, bijdragen aan een sterkere NAVO en zorgen voor een billijke verdeling van de trans-Atlantische lasten, rekening houdend met het doel om samen gemeenschappelijke veiligheidsproblemen aan te pakken, onnodige overlapping te vermijden en samenhangende, complementaire en interoperabele defensiecapaciteiten te ontwikkelen; meent dat de ontwikkeling van gemeenschappelijke normen, procedures, opleidingen en oefeningen in overweging moet worden genomen als belangrijke factor om de samenwerking tussen de EU en de NAVO efficiënter te maken;

19.  merkt op dat na de brexit 80 % van de defensie-uitgaven van de NAVO voor rekening zal komen van niet-EU-landen en drie van de vier bataljons in het oosten onder leiding zullen staan van niet-EU-landen;

20.  verzoekt de EU en de NAVO met klem periodieke oefeningen op strategisch niveau te organiseren en de politieke leiders van beide instellingen daaraan te laten deelnemen; is in dit verband ingenomen met de Estse EU CYBRID 2017-oefening, waarbij voor het eerst aan een EU-oefening werd deelgenomen door de secretaris-generaal van de NAVO;

Belangrijkste samenwerkingsgebieden

21.  wijst erop dat er meer hybride en minder conventionele veiligheidsbedreigingen zijn en dat internationale samenwerking nodig is om hieraan het hoofd te bieden; roept de EU en de NAVO op om hun weerbaarheid te vergroten en een gedeeld situationeel bewustzijn voor hybride bedreigingen te ontwikkelen; moedigt de EU en de NAVO aan om hun mechanismen voor crisisrespons te coördineren teneinde samenhangende oplossingen voor hybride bedreigingen te bieden; is ingenomen met de recente gezamenlijke opening van het NAVO-kenniscentrum voor de bestrijding van hybride bedreigingen door de secretaris-generaal van de NAVO en de VV/HR, en spoort de EU‑lidstaten aan om kenniscentra voor de bestrijding van hybride bedreigingen op te richten naar het voorbeeld van het centrum in Helsinki; is in dit verband ingenomen met de afzonderlijke, maar parallelle oefeningen PACE17 en CMX17, die in 2017 zijn gehouden en waarbij respectievelijk EU- en NAVO-medewerkers hun procedures voor het communiceren en delen van informatie tijdens een zich ontvouwende fictieve hybride bedreiging hebben getest; is ingenomen met de gecoördineerde actie van de westerse bondgenoten in reactie op de vermeende Russische chemische aanslag in het VK;

22.  meent dat de volgende gezamenlijke verklaring van de EU en de NAVO de gemaakte vorderingen moet toejuichen en moet aandringen op de concrete uitvoering van alle voorstellen die door beide organisaties zijn aangenomen; meent dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om de vele reeds gedane toezeggingen ten uitvoer te leggen;

23.  meent in dit verband dat de initiatieven ter versterking van de Europese defensie beide organisaties ten goede moeten komen en op die manier de EU-lidstaten in staat moeten stellen hun strategische autonomie te versterken en op een geloofwaardige wijze samen militair op te treden; herinnert eraan dat deze initiatieven en die van de NAVO elkaar aanvullen;

24.  acht het tevens belangrijk uitvoering te geven aan de beginselen van inclusiviteit en wederkerigheid en volledige inachtneming van de autonome besluitvorming van beide organisaties, zoals bepaald in de conclusies van de Raad van 5 december 2017;

25.  is ingenomen met de geslaagde parallelle en gecoördineerde EU‑crisisbeheersingsoefening 2017, die een nuttig platform biedt voor het delen van goede praktijken; wil nagaan welke lessen hieruit kunnen worden getrokken en kijkt uit naar verdere samenwerking bij gemeenschappelijke oefeningen tussen de EU en de NAVO, inclusief de door de EU geleide oefening die gepland is voor 2018;

26.  merkt op dat de huidige procedures voor het delen van gerubriceerde informatie tussen beide organisaties nog steeds omslachtig en inefficiënt zijn; meent dat beide organisaties met vergelijkbare strategische uitdagingen worden geconfronteerd en impliciet ook samen de gevolgen daarvan moeten aanpakken; meent dat de samenwerking op het gebied van de uitwisseling van gerubriceerde informatie en inlichtingenanalyse moet worden verbeterd door wederzijds vertrouwen op te bouwen, inclusief op het gebied van terrorismebestrijding; benadrukt dat de EU haar capaciteit zal moeten vergroten door aan meer EU-medewerkers veiligheidsmachtigingen te verstrekken, speciale opleidingen te verzorgen voor het werken met gerubriceerde informatie en door te investeren in veilige communicatie; is van oordeel dat de toepassing van wederkerigheid en het "need-to-share"-principe bij de uitwisseling van passende informatie ook de missies en operaties van beide organisaties ten goede zou komen; meent dat de parallelle en gecoördineerde inlichtingenbeoordeling kan worden ingezet om hybride bedreigingen op doeltreffender wijze samen te bestrijden;

27.  verzoekt de EU en de NAVO om hun samenwerking inzake strategische communicatie te verbeteren, onder meer door het partnerschap tussen het NAVO-kenniscentrum voor strategische communicatie en de StratCom-afdeling van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) te versterken;

28.  verwelkomt de nieuwe EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen en de interactie met de Cel voor analyse van hybride bedreigingen van de NAVO bij het delen van situationeel bewustzijn en de analyse van mogelijke hybride bedreigingen;

29.  is ervan overtuigd dat samenwerking en het uitwisselen en delen van informatie van cruciaal belang zijn op het gebied van cyberveiligheid en erkent de vorderingen die op dit gebied zijn gemaakt; onderstreept de noodzaak om de preventie, detectie en respons bij cyberincidenten te verbeteren; nodigt de EU en de NAVO uit om hun toezichtactiviteiten te coördineren en waar nodig gegevens in verband met cyberdefensie uit te wisselen, teneinde het inlichtingenwerk van beide organisaties te faciliteren; moedigt de EU en de NAVO aan om hun operationele samenwerking en coördinatie te intensiveren en interoperabiliteit te bevorderen door beste praktijken uit te wisselen over de middelen, methoden en procedures om verantwoordelijken van cyberaanvallen aan te wijzen; beschouwt de verbetering van de informatie-uitwisseling tussen de EU en de NAVO als een prioriteit om de identificatie van de verantwoordelijken voor alle cyberaanvallen mogelijk te maken en passende wettelijke stappen te kunnen ondernemen; acht het belangrijk om ook opleidingsactiviteiten te harmoniseren en samen te werken op het gebied van onderzoek en technologie inzake cyberdefensie; is ingenomen met de overeenkomst tussen het computercrisisteam van de EU en de responscapaciteit voor computerincidenten van de NAVO; meent dat de NAVO mogelijk belangstelling zal hebben voor bepaalde activiteiten in verband met samenwerking op het gebied van cyberdefensie in het nieuwe mandaat van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa);

30.  meent dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat de inspanningen op het gebied van maritieme capaciteitsopbouw elkaar aanvullen en elkaar niet onnodig overlappen, teneinde de maritieme veiligheid op doeltreffender wijze te kunnen handhaven; verwelkomt de nauwere operationele samenwerking en coördinatie tussen de EU en de NAVO, waaronder de uitwisseling van situationeel bewustzijn op basis van de ervaringen die zijn opgedaan in het Middellandse Zeegebied en de Hoorn van Afrika, om te zoeken naar verdere mogelijkheden voor onderlinge logistieke ondersteuning en de uitwisseling van informatie over operationele activiteiten, onder meer met betrekking tot irreguliere migratie, tussen de medewerkers van beide organisaties;

31.  is ingenomen met de nauwere tactische en operationele samenwerking, onder meer via directe banden tussen het maritieme commando van de NAVO en Frontex, alsook tussen de operatie Sea Guardian en EUNAVFOR MED operatie Sophia, die de EU helpen bij haar missies om irreguliere migratiestromen in te dammen en illegale netwerken, onder meer voor de illegale handel in wapens, te bestrijden; merkt op dat de NAVO op verzoek logistieke steun en andere capaciteiten kan bijdragen, zoals brandstofbevoorrading op zee en medische bijstand; merkt op dat dit volgt op de succesvolle EU-NAVO-samenwerking tussen de operatie Ocean Shield en EUNAVFOR operatie Atalanta in de strijd tegen piraterij bij de Hoorn van Afrika;

32.  moedigt meer synergie tussen de EU en de NAVO aan en pleit voor verdere verbeteringen, met name bij de coördinatie van de inspanningen op het gebied van inlichtingen, surveillance en verkenning (ISR);

33.  herhaalt dat de EU-initiatieven die gericht zijn op de versterking van de Europese veiligheid en defensie er ook voor moeten zorgen dat de EU-lidstaten die NAVO-lid zijn aan hun NAVO-verplichtingen kunnen voldoen; meent dat het gelijktijdige lidmaatschap van de EU en de NAVO de lidstaten niet mag schaden; benadrukt voorts dat EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO andere verplichtingen dienen te hebben in het kader van de Europese defensie-unie; wijst erop dat de lidstaten van de EU tevens in staat moeten zijn onafhankelijke militaire missies op te zetten indien de NAVO niet bereid is om op te treden of waar optreden van de EU passender is;

34.  is ingenomen met de aanhoudende trend van stijgende defensie-uitgaven onder de NAVO-leden; spoort alle EU-lidstaten die ook NAVO-lid zijn aan om aanzienlijke vooruitgang te boeken bij de verhoging van hun defensie-uitgaven tot 2 % van het bbp, waarvan 20 % wordt bestemd voor groot nieuw materieel; is van mening dat de EU‑lidstaten die zich hebben verbonden aan de NAVO-richtsnoeren inzake defensie-uitgaven moeten overwegen om, in het kader van het inkooprichtsnoer van 20 %, een gespecificeerd bedrag uit te trekken voor onderzoek en ontwikkeling om te waarborgen dat er een minimumbedrag wordt uitgegeven aan innovatie, wat weer kan leiden tot een technologisch overloopeffect naar de civiele sector;

35.  herinnert aan de verklaring van de NAVO-top van Warschau, waarin de lidstaten worden opgeroepen om een sterkere defensie-industrie en meer defensieonderzoek te bevorderen; meent stellig dat de EU en de NAVO moeten samenwerken en naar synergieën moeten zoeken om hun technologische en industriële basis te versterken en te ontwikkelen, teneinde tegemoet te komen aan de capaciteitsprioriteiten, met name via het jaarlijks gecoördineerd onderzoek op defensiegebied en het defensieplanningsproces van de NAVO; acht het belangrijk dat effectieve en evenwichtige trans-Atlantische technologische en industriële samenwerking op defensiegebied door beide organisaties als strategische prioriteit wordt gezien; steunt de maatregelen die in het kader van het EDF zijn gepland om gezamenlijk onderzoek en de ontwikkeling van Europese capaciteiten aan te moedigen; meent dat een grotere inzet voor onderzoek en capaciteitsplanning de efficiëntie kan verhogen;

36.  wijst opnieuw op de noodzaak om te zorgen voor samenhang in de uitkomsten en de tijdschema's tussen de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie van de EU, het vermogensontwikkelingsplan en de respectieve NAVO-processen, zoals het defensieplanningsproces; wijst op de noodzaak om ervoor te zorgen dat de multinationale initiatieven van zowel de EU als de NAVO op het gebied van capaciteitsontwikkeling elkaar aanvullen en wederzijds versterken; onderstreept dat de lidstaten de zeggenschap behouden over de capaciteiten die worden ingezet in het kader van het GVDB en worden ontwikkeld in het kader van de PESCO, en die capaciteiten ook in een ander verband kunnen inzetten;

37.  wijst op de noodzaak van een snelle opheffing, in nauwe samenwerking tussen de EU en de NAVO, van de fysieke en juridische hinderpalen voor een snelle verplaatsing van militair personeel en militaire middelen binnen en buiten de EU, om te verzekeren dat materiaal en troepen indien nodig ongehinderd door Europa kunnen bewegen, met inbegrip van de bruikbaarheid van kritische infrastructuur zoals wegen, bruggen en spoorwegen, met name middels de tenuitvoerlegging van het actieplan van de VV/HV en de Commissie op basis van de routekaart die door de EU-lidstaten is ontwikkeld onder de auspiciën van het Europees Defensieagentschap; dringt er bij de EU-lidstaten op aan hier spoedig gevolg aan te geven en het tot nu toe gecreëerde momentum te benutten; benadrukt dat compatibele defensiecapaciteiten EU- en NAVO-brede inzet en samenwerking moet bevorderen; beveelt de EU en de NAVO aan om ook de kwestie van de mobiliteit van niet-EU-troepen van de NAVO op Europees grondgebied aan te pakken;

38.  meent dat de EU en de NAVO meer gezamenlijke acties moeten ondernemen om de weerbaarheid, defensie en veiligheid van de buurlanden en partners van beide organisaties te bevorderen; is ingenomen met het feit dat de bijstand aan buur- en partnerlanden bij het opbouwen van hun capaciteit en bevordering van hun weerbaarheid, onder meer wat betreft terrorismebestrijding, strategische communicatie, cyberdefensie, de opslag van munitie en de hervorming van de veiligheidssector, een gemeenschappelijke doelstelling is, met name in drie proeflanden (Bosnië en Herzegovina, Moldavië en Tunesië);

39.  herinnert eraan dat het in het belang van zowel de EU als de NAVO is om de veiligheidsproblemen in de westelijke Balkan en in het nabuurschap van de EU aan te pakken en om samen te werken op bepaalde gebieden; is ingenomen met de inspanningen van de EU en de NAVO om de landen in de westelijke Balkan, Oost‑Europa en de zuidelijke Kaukasus politieke en praktische steun te bieden; stelt voor dat de lidstaten deze inspanningen voortzetten om te zorgen voor verdere democratische ontwikkeling en een hervorming van de veiligheidssector; onderstreept dat samenwerking tussen de EU, de NAVO en de westelijke Balkanlanden cruciaal is voor het aanpakken van de veiligheidsdreigingen voor het hele continent;

40.  benadrukt het belang van de beginselen die zijn vervat in het Weens document, met name de beginselen van openheid en transparantie; is in dit verband ingenomen met het feit dat de militaire en gezamenlijke oefeningen van de EU en de NAVO openstaan voor internationale waarnemers;

41.  herinnert aan de belangrijke rol die vrouwen spelen in GVDB- en NAVO-missies, met name bij de omgang met vrouwen en kinderen in conflictgebieden; is ingenomen met het feit dat de EU en de NAVO deze belangrijke rol hebben erkend; beveelt de EU en de NAVO aan om genderdiversiteit proactief te bevorderen in hun structuren en operaties;

42.  benadrukt dat de EU na de brexit nauwe betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk moet onderhouden op veiligheids- en defensiegebied, aangezien het VK als NAVO-lidstaat en Europees land een vooraanstaande bijdrage zal blijven leveren aan de Europese defensie, ook al is het land geen EU-lidstaat meer;

o
o   o

43.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de VV/HV, de secretaris-generaal van de NAVO, de EU‑agentschappen op het gebied van veiligheid en defensie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de NAVO.

(1) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 109.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0435.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0440 en P8_TA(2017)0492.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0503 en P8_TA(2017)0493.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0092.


Cyberdefensie
PDF 257kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over cyberdefensie (2018/2004(INI))
P8_TA(2018)0258A8-0189/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het document "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid", dat op 28 juni 2016 door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) werd gepresenteerd,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017 en 15 december 2017,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Discussienota over de toekomst van de Europese defensie" (COM(2017)0315),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Oprichting van het Europees Defensiefonds" (COM(2017)0295),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 over het Europees defensieactieplan (COM(2016)0950),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 7 februari 2013 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake cyberbeveiliging van de Europese Unie: Een open, veilige en beveiligde cyberspace(JOIN(2013)0001),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 13 september 2017 getiteld "Assessment of the EU 2013 Cybersecurity Strategy" ("Beoordeling van de EU-strategie voor 2013 inzake cyberbeveiliging") (SWD(2017)0295),

–  gezien het EU-beleidskader voor cyberdefensie van 18 november 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 februari 2015 over cyberdiplomatie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over een kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten (het "instrumentarium voor cyberdiplomatie"),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 13 september 2017 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Weerbaarheid, afschrikking en defensie: Bouwen aan sterke cyberbeveiliging voor de EU" (JOIN(2017)0450),

–  gezien het "Handboek van Tallinn 2.0 over het internationale recht toepasselijk op cyberoperaties"(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie(2),

–  gezien de werkzaamheden van de Global Commission on the Stability of Cyberspace (de wereldcommissie voor stabiliteit in cyberspace),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 6 april 2016 aan het Europees Parlement en de Raad over het "Gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen: Een reactie van de Europese Unie" (JOIN(2016)0018),

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie, en van de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016, alsook de gemeenschappelijke reeksen voorstellen voor de toepassing van de gemeenschappelijke verklaring als bekrachtigd door de NAVO-Raad en de EU-Raad op 6 december 2016 en 5 december 2017, en de voortgangsverslagen van 14 juni en 5 december 2017 over de tenuitvoerlegging daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en -defensie(4),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(5),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 13 september 2017 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Enisa, het agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging, tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013, en de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie ("de cyberbeveiligingsverordening") (COM(2017)0477),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0189/2018),

A.  overwegende dat hybride en cyberproblemen, -dreigingen en -aanvallen een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid, de defensie, de stabiliteit en het concurrentievermogen van de EU, haar lidstaten en haar burgers; overwegende dat cyberdefensie zowel militaire als civiele aspecten omvat;

B.  overwegende dat de EU en de lidstaten worden geconfronteerd met een ongekende dreiging in de vorm van politiek gemotiveerde en door overheden gesponsorde cyberaanvallen, alsmede van cybercriminaliteit en -terrorisme;

C.  overwegende dat cyberspace algemeen door strijdkrachten wordt erkend als het vijfde operationele domein en dat dit ruimte biedt voor de ontwikkeling van het cyberdefensievermogen; overwegende dat er momenteel wordt gedebatteerd over het al dan niet erkennen van cyberspace als het vijfde domein van oorlogvoering;

D.  overwegende dat in de clausule betreffende wederzijdse defensie van artikel 42, lid 7, VEU is bepaald dat de lidstaten verplicht zijn elkaar met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen indien een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen; overwegende dat dit het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat; overwegende dat de solidariteitsclausule van artikel 222 VWEU een aanvulling vormt op de clausule betreffende wederzijdse defensie, aangezien hierin is bepaald dat lidstaten gezamenlijk moeten optreden indien een lidstaat getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp; overwegende dat de solidariteitsclausule het gebruik van zowel civiele als militaire middelen omvat;

E.  overwegende dat de EU, hoewel cyberdefensie een kerncompetentie van de lidstaten is en blijft, een beslissende rol speelt bij het bieden van een platform voor Europese samenwerking en bij het waarborgen van de nauwe coördinatie van de inspanningen op dit gebied op internationaal niveau en binnen de trans-Atlantische veiligheidsarchitectuur, vanaf het begin, om de lacunes en inefficiëntie die veelal bij traditionele defensie-inspanningen komen kijken, te vermijden; overwegende dat het versterken van onze samenwerking en coördinatie niet volstaat; overwegende dat er voor doeltreffende preventie moet worden gezorgd door de EU beter in staat te stellen om aanvallen te identificeren, af te weren en te beletten; overwegende dat er voor de verwezenlijking van doeltreffende cyberbeveiliging voor de EU een geloofwaardig vermogen voor het afweren en beletten van aanvallen vereist is, en dat er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat de landen die het minst zijn voorbereid, geen makkelijke doelwitten worden voor cyberaanvallen, en overwegende dat solide cyberdefensie een onmisbaar onderdeel moet vormen van het GVDB en van de ontwikkeling van de Europese defensie-unie; overwegende dat we momenteel te maken hebben met een permanent gebrek aan hoogopgeleide cyberveiligheidsdeskundigen; overwegende dat de nauwe coördinatie van de bescherming van de strijdkrachten tegen cyberaanvallen essentieel is voor de ontwikkeling van een doeltreffend GVDB;

F.  overwegende dat de EU-lidstaten vaak het slachtoffer zijn van cyberaanvallen op civiele of militaire doelwitten door vijandige en gevaarlijke (niet-)overheidsactoren; overwegende dat de huidige kwetsbaarheid voornamelijk te wijten is aan de fragmentatie van Europese defensiestrategieën en -vermogens, wat buitenlandse inlichtingendiensten de kans geeft om herhaaldelijk te profiteren van zwakke punten in de beveiliging van IT-systemen en -netwerken die van essentieel belang zijn voor de Europese veiligheid; overwegende dat de overheden van de lidstaten vaak hebben verzaakt de betrokken belanghebbenden tijdig van deze kwetsbaarheden in hun producten en diensten in kennis te stellen om hun de gelegenheid te geven deze te verhelpen; overwegende dat dringende versterking en uitbreiding van de offensieve en defensieve capaciteiten van Europa op civiel en militair niveau vereist is om het hoofd te bieden aan dergelijke aanvallen en de mogelijke grensoverschrijdende gevolgen op economisch en maatschappelijk gebied te voorkomen;

G.  overwegende dat het onderscheid tussen civiele en militaire inmenging in cyberspace vervaagt;

H.  overwegende dat veel cyberincidenten plaatsvinden vanwege een gebrek aan weerbaarheid en betrouwbaarheid van de private en publieke netwerkinfrastructuur, slecht beschermde of beveiligde databanken en andere gebreken in de vitale informatie-infrastructuur; overwegende dat slechts een paar lidstaten het beschermen van hun afzonderlijke netwerken en informatiesystemen en de daarin opgenomen gegevens tot hun zorgplicht en verantwoordelijkheden rekenen, wat het algemene gebrek aan investeringen in opleiding en geavanceerde beveiligingstechnologieën, alsmede aan de ontwikkeling van relevante richtsnoeren verklaart;

I.  overwegende dat het recht op privacy en het recht op gegevensbescherming zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 16 VWEU, en worden geregeld bij de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van de EU, die op 25 mei 2018 in werking is getreden;

J.  overwegende dat een actief en doeltreffend cyberbeleid vijanden moet kunnen afschrikken en mogelijkheden moet omvatten om te anticiperen op aanvallen en het aanvalsvermogen van vijanden te verminderen;

K.  overwegende dat verscheidene terroristische groeperingen en organisaties cyberspace gebruiken als een goedkoop middel voor werving en radicalisering en voor het verspreiden van terroristische propaganda; overwegende dat terroristische groeperingen, niet-overheidsactoren en grensoverschrijdende misdaadnetwerken cyberoperaties inzetten om anoniem geld te verkrijgen, inlichtingen te verzamelen en cyberwapens te ontwikkelen met het oog op cyberterreurcampagnes, om vitale infrastructuur te verstoren, te beschadigen of te vernietigen, om financiële systemen aan te vallen en om andere onwettige activiteiten te verrichten met alle gevolgen van dien voor de veiligheid van de Europese burgers;

L.  overwegende dat de cyberdefensie en -afschrikking van de Europese krijgsmacht en de bescherming van vitale infrastructuur tegen cyberaanvallen cruciale kwesties zijn geworden in debatten over de modernisering van defensie, de gemeenschappelijke inspanningen van Europa op het gebied van defensie, de toekomstige ontwikkeling van de krijgsmacht en haar operaties, en de versterking van de strategische autonomie van de Europese Unie;

M.  overwegende dat verscheidene lidstaten aanzienlijke investeringen hebben gedaan in goed uitgeruste cybercommando's om deze nieuwe problemen aan de orde te stellen, maar dat er nog veel werk moet worden verzet aangezien het steeds moeilijker wordt om cyberaanvallen op het niveau van de lidstaten tegen te gaan; overwegende dat de cybercommando's van de afzonderlijke lidstaten verschillen met betrekking tot hun offensieve of defensieve mandaat; overwegende dat andere cyberdefensiestructuren sterk uiteenlopen per lidstaat en nog altijd aanzienlijk versnipperd zijn; overwegende dat cyberdefensie en -afschrikking op operationeel gebied geen nationale of organisatorische grenzen kennen en daarom het best in samenwerkingsverband op Europees niveau en in overleg met onze partners en bondgenoten kunnen worden benaderd; overwegende dat militaire en civiele cyberbeveiliging nauw met elkaar verband houden en dat er daarom meer samenwerking tussen militaire en civiele deskundigen nodig is; overwegende dat particuliere ondernemingen veel ervaring hebben op dit gebied, hetgeen fundamentele beheers- en veiligheidsvragen doet rijzen over het vermogen van overheden om hun burgers te beschermen;

N.  overwegende dat er dringend behoefte is aan versterking van het cyberdefensievermogen van de EU, omdat er niet tijdig is ingespeeld op het veranderende cyberbeveiligingslandschap; overwegende dat een snelle reactie en goede voorbereiding essentieel zijn voor het waarborgen van de veiligheid op dit gebied;

O.  overwegende dat permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en het Europees Defensiefonds (EDF) beide nieuwe initiatieven zijn met een toepassingsgebied dat ruimte biedt voor de bevordering van een vruchtbare omgeving voor kmo's en start-ups, alsmede voor samenwerkingsprojecten op het gebied van cyberdefensie, en dat beide initiatieven zullen bijdragen aan de vormgeving van het institutioneel en regelgevingskader;

P.  overwegende dat de lidstaten die aan PESCO deelnemen, zich ertoe hebben verbonden te waarborgen dat de samenwerkingsinspanningen op het gebied van cyberdefensie, zoals informatie-uitwisseling, opleiding en operationele ondersteuning, voortdurend worden uitgebreid;

Q.  overwegende dat twee van de zeventien projecten die in het kader van PESCO zijn uitgekozen, betrekking hebben op cyberdefensie;

R.  overwegende dat het EDF, aan de hand van investeringen in digitale en cybertechnologieën, ter ondersteuning van het mondiale innovatie- en concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie moet dienen en dat het tevens kansen moet creëren voor kmo's en start-ups om een steentje bij te dragen en de ontwikkeling van slimme oplossingen te bevorderen;

S.  overwegende dat het Europees Defensieagentschap (EDA) een aantal projecten heeft opgezet om aan de behoeften van de lidstaten met betrekking tot de ontwikkeling van hun cyberdefensievermogen tegemoet te komen, waaronder onderwijs- en opleidingsprojecten als het Cyber Defence Training & Exercises Coordination Platform (CD TEXP), Demand Pooling for Cyber Defence Training and Exercise (DePoCyTE) voor opleidingen van particulieren, en het Cyber Ranges-project met betrekking tot cybertestomgevingen;

T.  overwegende dat er momenteel andere EU-projecten lopen op het gebied van situationeel bewustzijn, malwaredetectie en informatie-uitwisseling (het Malware Information Sharing Platform (MISP) en het Multi-Agent System For Advanced persistent threat Detection (MASFAD));

U.  overwegende dat er een beduidende en toenemende behoefte is aan capaciteitsopbouw en opleidingen op het gebied van cyberdefensie en dat hieraan het best in samenwerkingsverband op EU- en NAVO-niveau tegemoet kan worden gekomen;

V.  overwegende dat GVDB-missies en -operaties, net als andere moderne organisatorische inspanningen, sterk afhankelijk zijn van goed werkende IT-systemen; overwegende dat bij GVDB-missies en -operaties op verschillende niveaus cyberdreigingen kunnen komen kijken, variërend van het tactische (GVDB-missies en -operaties) en operationele niveau (EU-netwerken), tot het bredere niveau van de wereldwijde IT-infrastructuur;

W.  overwegende dat commando- en besturingssystemen, informatie-uitwisseling en logistiek met name op tactisch en operationeel niveau sterk afhankelijk zijn van (niet-)gerubriceerde IT-infrastructuur; overwegende dat deze systemen aantrekkelijke doelwitten vormen voor actoren die kwaadwillige bedoelingen hebben en missies willen saboteren; overwegende dat cyberaanvallen ernstige gevolgen kunnen hebben voor de infrastructuur van de EU; overwegende dat met name cyberaanvallen op de energie-infrastructuur van de EU ernstige gevolgen zouden hebben en dat deze infrastructuur hier daarom tegen moet worden beschermd;

X.  overwegende dat het duidelijk is dat in alle fasen van de planning van GVDB-missies en -operaties goed rekening moet worden gehouden met cyberdefensie en dat voortdurend toezicht hierbij onontbeerlijk is, en dat het defensievermogen toereikend moet zijn om cyberdefensie volledig in de planning van missies op te kunnen nemen en doorlopend de essentiële ondersteuning te kunnen bieden;

Y.  overwegende dat de Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) de enige Europese instantie is die opleidingen aanbiedt voor GVDB-structuren, -missies en operaties; overwegende dat de academie in de toekomst naar verwachting een grotere rol zal gaan spelen in het bundelen van Europese opleidingen op het gebied van cyberdefensie;

Z.  overwegende dat cyberspace in de verklaring van de NAVO-top van 2016 in Warschau wordt erkend als operationeel domein waarbinnen de NAVO zich even doeltreffend moet kunnen verdedigen als in de lucht, te land en op zee;

AA.  overwegende dat de EU en de NAVO aan de hand van onderzoek voor tweeërlei gebruik en van door het EDA en de NAVO gecoördineerde projecten hebben bijgedragen aan de bevordering van het cyberdefensievermogen van de lidstaten en aan de vergroting van de weerbaarheid op cybergebied van de lidstaten, met steun van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa);

AB.  overwegende dat de NAVO operaties op het gebied van cyberbeveiliging in 2014 heeft aangemerkt als onderdeel van haar collectieve defensie, en cyberspace in 2016, naast land, lucht en zee, heeft erkend als operationeel domein; overwegende dat de EU en de NAVO elkaar als partners aanvullen bij het versterken van hun weerbaarheid en defensievermogen op cybergebied; overwegende dat de samenwerking tussen de partijen het intensiefst is op het vlak van cyberbeveiliging en -defensie, en dat beide op dit gebied unieke capaciteiten hebben; overwegende dat de EU en de NAVO in hun gezamenlijke verklaring van 8 juli 2016 hebben ingestemd met een brede agenda voor samenwerking; overwegende dat vier van de 42 voorstellen voor nauwere samenwerking betrekking hebben op cyberbeveiliging en -defensie, terwijl verdere voorstellen meer in het algemeen gericht zijn op het aanpakken van hybride dreigingen; overwegende dat er op 5 december 2017 een aanvullend voorstel over cyberbeveiliging en -defensie is gepresenteerd;

AC.  overwegende dat de groep van regeringsdeskundigen van de Verenigde Naties (UN GGE) haar laatste overlegronde heeft afgerond; overwegende dat de verslagen van 2013 en 2015, ondanks het feit dat de groep tijdens de overlegronde van 2017 geen overeenstemming heeft kunnen bereiken, van toepassing zijn en tevens dat het bestaand internationaal recht, en met name het Handvest van de Verenigde Naties, daarmee van toepassing is op en van wezenlijk belang is voor de handhaving van vrede en stabiliteit, en de bevordering van een open, veilige, vredige en toegankelijke ICT-omgeving;

AD.  overwegende dat het onlangs ingevoerde kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten (het zogenaamde "instrumentarium voor cyberdiplomatie"), dat gericht is op de ontwikkeling van het vermogen van de EU en haar lidstaten om het gedrag van potentiële agressors te kunnen beïnvloeden, een set van evenredige (restrictieve) maatregelen omvat die binnen het GBVB kunnen worden toegepast;

AE.  overwegende dat verscheidene overheidsactoren, waaronder Rusland, China en Noord-Korea, maar ook door overheden geïnspireerde, ingehuurde of gesponsorde niet-overheidsactoren (met inbegrip van georganiseerde criminele groepen), veiligheidsdiensten en particuliere bedrijven, betrokken zijn geweest bij kwaadwillige cyberactiviteiten ter verwezenlijking van politieke, economische of veiligheidsdoelstellingen, bijvoorbeeld door middel van cyberaanvallen op vitale infrastructuur, cyberspionage en massa-observatie van EU-burgers, hulp bij desinformatiecampagnes en beperking van de internettoegang en de werking van IT-systemen door het verspreiden van malware (Wannacry, NotPetya enz.); overwegende dat dergelijke aanvallen in strijd zijn met het internationaal recht, de mensenrechten en de grondrechten van de EU en een gevaar vormen voor de democratie, de veiligheid, de openbare orde en de strategische autonomie van de EU, en dat ze derhalve tot een gezamenlijk diplomatisch EU-optreden (met inbegrip van restrictieve maatregelen in het kader van het EU-instrumentarium voor cyberdiplomatie zoals, in het geval van privébedrijven, geldboetes en beperking van de toegang tot de interne markt) zouden moeten leiden;

AF.  overwegende dat er in het verleden verscheidene malen dergelijke grootschalige aanvallen zijn uitgevoerd op de ICT-infrastructuur van, bijvoorbeeld, Estland in 2007 en van Georgië in 2008, en dat er momenteel vrijwel dagelijks aanvallen worden uitgevoerd op de infrastructuur van Oekraïne; overwegende dat offensief cybervermogen momenteel ook op ongekende schaal wordt ingezet tegen EU- en NAVO-lidstaten;

AG.  overwegende dat cyberbeveiligingstechnologieën, die zowel op civiel als militair gebied van groot belang zijn, zogenaamde technologieën voor tweeërlei gebruik zijn die tal van mogelijkheden bieden voor de ontwikkeling van synergieën tussen civiele en militaire actoren op een aantal terreinen, waaronder programma's voor encryptie, beveiliging en risicobeheer, en inbraakdetectie- en preventiesystemen;

AH.  overwegende dat de ontwikkeling van cybertechnologieën de komende jaren een invloed zal hebben op nieuwe gebieden als kunstmatige intelligentie, het internet der dingen, robotica en mobiele apparaten, en dat dit ook op het gebied van defensie veiligheidsimplicaties met zich mee kan brengen;

AI.  overwegende dat de door verscheidene lidstaten opgerichte cybercommando's een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de bescherming van vitale civiele infrastructuur en dat kennis over cyberdefensie op civiel gebied vaak even nuttig is;

Ontwikkeling van het defensie- en afschrikkingsvermogen op cybergebied

1.  benadrukt dat een gemeenschappelijk cyberdefensiebeleid en een aanzienlijk cyberdefensievermogen tot de kernelementen van de ontwikkelingen op het gebied van de Europese defensie-unie moeten behoren;

2.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie voor een cyberbeveiligingspakket ter bevordering van de weerbaarheid, afschrikking en defensie op cybergebied in de EU;

3.  herinnert eraan dat cyberdefensie zowel militaire als civiele aspecten heeft en daarom gebaat is bij een geïntegreerde beleidsaanpak en nauwe samenwerking tussen militaire en civiele belanghebbenden;

4.  pleit voor een coherente ontwikkeling van het cybervermogen in alle EU-instellingen en -organen, alsook in de lidstaten, en voor de nodige politieke en praktische oplossingen om de overgebleven politieke, wettelijke en organisatorische belemmeringen voor de samenwerking op het gebied van cyberdefensie uit de weg te ruimen; acht een regelmatige en intensievere uitwisseling en samenwerking op EU- en nationaal niveau op het gebied van cyberdefensie tussen de betrokken publieke belanghebbenden van cruciaal belang;

5.  wijst er in het kader van de opkomende Europese defensie-unie nadrukkelijk op dat het cyberdefensievermogen van de lidstaten voorop moet staan en vanaf de beginfase zo goed mogelijk in het beleid moet worden opgenomen om te zorgen voor een maximale doeltreffendheid; verzoekt de lidstaten daarom met klem om hun nationale cyberdefensie in nauwe samenwerking en op basis van een duidelijk stappenplan te ontwikkelen, teneinde coördinatie door de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en het EDA te vereenvoudigen voor een betere onderlinge aansluiting van de cyberdefensiestructuren van de lidstaten door dringend de beschikbare kortetermijnmaatregelen te nemen en de uitwisseling van deskundigheid te stimuleren; is van mening dat er een veilig Europees netwerk voor cruciale informatie en vitale infrastructuur moet worden ontwikkeld; bevestigt dat het met het oog op doeltreffende cyberdefensie en -afschrikking van wezenlijk belang is om de aanstichter te kunnen aanwijzen, en dat voor doeltreffende preventie aanzienlijke verdere technologische deskundigheid moet worden vergaard; dringt er bij de lidstaten op aan om de financiële en personele middelen te verruimen, met name voor deskundigen op het gebied van forensisch computeronderzoek, om bij cyberaanvallen gemakkelijker de aanstichter aan te kunnen wijzen; benadrukt dat een dergelijke samenwerking ook ten uitvoer moet worden gelegd middels de versterking van het Enisa;

6.  realiseert zich dat het beschikken over het eigen cyberdefensievermogen door veel lidstaten als kern van het nationaal veiligheidsbeleid en als wezenlijk onderdeel van de nationale soevereiniteit wordt beschouwd; beklemtoont echter dat er voor alomvattende en doeltreffende acties op het gebied van cyberdefensie ter waarborging van de strategische autonomie van de EU in cyberspace vanwege de grensoverschrijdende aard van cyberspace een toepassingsgebied en deskundigheid vereist zijn die buiten het bereik van de afzonderlijke lidstaten vallen, wat inhoudt dat er intensiever en op gecoördineerde wijze door de lidstaten moet worden opgetreden op EU-niveau; merkt in dit verband op dat de EU en haar lidstaten met betrekking tot de uitwerking van dergelijke acties onder tijdsdruk staan en direct in actie moeten komen; merkt op dat de EU, dankzij EU-initiatieven als de digitale eengemaakte markt, in een goede positie verkeert om het voortouw te nemen bij de ontwikkeling van Europese cyberdefensiestrategieën; herinnert eraan dat de ontwikkeling van cyberdefensie op Europees niveau het vermogen van de EU om zich te beschermen en zelfstandig op te treden moet versterken; is in dit verband ingenomen met het voorstel voor een permanent mandaat voor en versterking van de rol van het Enisa;

7.  verzoekt de lidstaten in dit verband met klem het uit PESCO en het Europees Defensiefonds voortvloeiende kader zo goed mogelijk toe te passen om voorstellen voor samenwerkingsprojecten op te stellen;

8.  neemt kennis van de vele inspanningen van de EU en haar lidstaten op het gebied van cyberdefensie; neemt in het bijzonder kennis van de projecten van het EDA in verband met cybertestomgevingen, de strategische onderzoeksagenda voor cyberdefensie, en de samenstelling van pakketten voor bewustmaking met betrekking tot cybersituaties voor hoofdkwartieren;

9.  is ingenomen met de cyberprojecten die in het kader van PESCO worden uitgevoerd, namelijk het platform voor informatie-uitwisseling over cyberdreigingen en -incidenten, de cybercrisisteams en wederzijdse bijstand op het gebied van cyberbeveiliging; benadrukt dat beide projecten gericht zijn op een defensief cyberbeleid dat gebaseerd is op de uitwisseling van informatie over cyberdreigingen via een netwerkplatform van de lidstaten en de samenstelling van cybercrisisteams met behulp waarvan de lidstaten elkaar kunnen helpen om de weerbaarheid op cybergebied te vergroten en cyberdreigingen collectief op te sporen, te herkennen en te ondervangen; vraagt de Commissie en de lidstaten voort te bouwen op de PESCO-projecten voor nationale cybercrisisteams en wederzijdse bijstand op het gebied van cyberbeveiliging, door een Europees cybercrisisteam op te richten om collectieve cyberdreigingen te detecteren en af te slaan en acties te coördineren ter ondersteuning van de inspanningen van de deelnemende lidstaten;

10.  merkt op dat kennis van technologieën, apparatuur, diensten en gegevens en de bewerking daarvan bepalend is voor het vermogen van Europa om cyberdefensieprojecten te ontwikkelen en dat hiertoe een beroep moet worden gedaan op een groep betrouwbare actoren uit het bedrijfsleven;

11.  herinnert eraan dat de geleverde inspanningen ter versterking van de homogeniteit van de commandosystemen onder meer tot doel hebben ervoor te zorgen dat de beschikbare commandostructuren interoperabel zijn met die van derde landen die bij de NAVO zijn aangesloten, alsmede met die van gelegenheidspartners, zodat ervoor kan worden gezorgd dat de uitwisseling vlot verloopt teneinde het besluitvormingsproces te versnellen en dat de leidende positie op gebied van informatie over cyberrisico's wordt gehandhaafd;

12.  pleit voor nieuwe mogelijkheden (bijvoorbeeld een meerjarige ontwikkeling van het cyberdefensievermogen) ter aanvulling van de projecten van de NAVO op het gebied van slimme defensie, de zogenaamde "Smart Defense"-projecten, het platform voor de uitwisseling van informatie over malware (MISP) en multinationale scholing en opleidingen over cyberdefensie (MN CD E&T);

13.  is zich bewust van de ontwikkelingen op het gebieden als nanotechnologie, kunstmatige intelligentie, big data, elektronisch afval en geavanceerde robotica; dringt er bij de lidstaten en de EU op aan bijzondere aandacht te schenken aan de mogelijke uitbuiting van deze gebieden door vijandige overheidsactoren en de georganiseerde misdaad; pleit voor de ontwikkeling van opleidingen en het vermogen om bescherming te bieden tegen de opkomst van geavanceerde misdrijven als complexe identiteitsfraude en namaak van goederen;

14.  benadrukt dat de terminologie in verband met de veiligheid in cyberspace moet worden verduidelijkt, en dat er behoefte is aan een alomvattende geïntegreerde aanpak en gemeenschappelijke inspanningen om cyber- en hybride dreigingen te bestrijden, en wijkplaatsen voor extremisten en criminelen op het internet op te sporen en op te doeken, door de uitwisseling van informatie tussen de EU en EU-agentschappen als Europol, Eurojust, het EDA en het Enisa te versterken en te intensiveren;

15.  benadrukt de toenemende rol van kunstmatige intelligentie bij cyberagressie en -defensie; verzoekt de EU en de lidstaten met klem hier zowel bij het onderzoek naar en de praktische uitwerking van hun cyberdefensievermogen bijzondere aandacht aan te schenken;

16.  wijst er nadrukkelijk op dat er met het oog op de inzet van al dan niet bewapende onbemande luchtvaartuigen, aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om mogelijke cyberkwetsbaarheden te verminderen;

Cyberdefensie tijdens GVDB-missies en -operaties

17.  beklemtoont dat cyberdefensie bij GVDB-missies en -operaties beschouwd moet worden als een operationele taak, en dat zij in alle planningsprocessen moet worden opgenomen om te waarborgen dat in alle fasen van het planningsproces rekening wordt gehouden met cyberveiligheid en zo cyberkwetsbaarheden te verminderen;

18.  bevestigt dat voor het plannen van succesvolle GVDB-missies en -operaties zowel in de operationele hoofdkwartieren als binnen de missie zelf aanzienlijke deskundigheid op het gebied van cyberdefensie alsook een veilige IT-infrastructuur en veilige netwerken vereist zijn om een grondige dreigingsanalyse uit te kunnen voeren en adequate bescherming te kunnen bieden in het veld; verzoekt de EDEO en de lidstaten die fungeren als hoofdkwartieren voor GVDB-operaties de tijdens EU-missies en -operaties geboden deskundigheid op het gebied van cyberdefensie te bevorderen; merkt op dat er grenzen zijn met betrekking tot de mate waarin GVDB-missies op cyberaanvallen kunnen worden voorbereid;

19.  benadrukt dat de planning van GVDB-missies en -operaties steeds vergezeld moet gaan van een grondige analyse van het cyberdreigingslandschap; merkt op dat de door het Enisa opgestelde dreigingsclassificatie een passend model voor een dergelijke analyse vormt; pleit voor de totstandbrenging van een vermogen voor het analyseren van de cyberweerbaarheid voor GVDB-hoofdkwartieren;

20.  bevestigt met name hoe belangrijk het is om de digitale voetafdruk en het aanvalsoppervlak van GVDB-missies en -operaties tot een minimum te beperken; verzoekt de betrokken planners met klem dit vanaf de beginfase van het planningsproces in aanmerking te nemen;

21.  is zich ervan bewust dat de analyse door het EDA met betrekking tot opleidingsbehoeften belangrijke tekortkomingen op het gebied van cyberdefensievaardigheden en -competenties bij besluitvormers binnen en buiten de EU aan het licht heeft gebracht, en is ingenomen met de EDA-initiatieven inzake opleidingen voor belangrijke besluitvormers in de lidstaten ter ondersteuning van GVDB-missies en -operaties;

Onderwijs en opleiding op het gebied van cyberdefensie

22.  merkt op dat het stroomlijnen van het opleidings- en scholingslandschap van de EU-cyberdefensie de dreigingen in hoge mate zou inperken en roept de EU en de lidstaten op hun samenwerking op het gebied van opleiding, scholing en oefeningen te intensiveren;

23.  is groot voorstander van het militair Erasmus-programma en andere gemeenschappelijke opleidings- en uitwisselingsinitiatieven die gericht zijn op het bevorderen van de interoperabiliteit van de strijdkrachten van de lidstaten en van de ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategische cultuur door frequentere uitwisseling van jonge militaire medewerkers, gezien het feit dat een dergelijke interoperabiliteit tussen alle lidstaten en NAVO-bondgenoten van essentieel belang is; is echter van mening dat de uitwisseling voor opleidings- en onderwijsdoeleinden op het vlak van cyberdefensie zich niet tot dit initiatief moet beperken, maar militair personeel van alle leeftijden en rangen moet beslaan, evenals studenten uit alle academische instellingen die opleidingsprogramma's op het gebied van cyberveiligheid bieden;

24.  benadrukt dat er meer deskundigen nodig zijn op het gebied van cyberdefensie; verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen civiele academische instellingen en militaire academies te vergemakkelijken om dit tekort te overbruggen en te voorzien in meer mogelijkheden voor onderwijs en opleiding op het gebied van cyberdefensie, en pleit tevens voor het inzetten van meer middelen voor gespecialiseerde opleidingen op het gebied van cyberoperaties, met inbegrip van opleidingen op het gebied van kunstmatige intelligentie; verzoekt militaire academies onderwijs op het gebied van cyberdefensie in hun curricula op te nemen om zo de pool van cyberdeskundigen uit te breiden ten behoeve van GVDB-missies;

25.  verzoekt alle lidstaten om bedrijven, scholen en burgers proactief te informeren en te adviseren over cyberveiligheid en de grootste digitale dreigingen, en bij hen het bewustzijn hiervan te vergroten; is in dit opzicht verheugd over de ontwikkeling van cyberrichtsnoeren die burgers en organisaties kunnen helpen een betere cyberveiligheidsstrategie te ontwikkelen, en over de hele linie kennis over cyberveiligheid en weerbaarheid in de cyberspace kunnen bevorderen;

26.  constateert dat de lidstaten zich gezien de behoefte aan meer gespecialiseerd personeel niet alleen moeten richten op het werven van militair personeel, maar ook op het behouden van de benodigde deskundigen;

27.  is ingenomen met de tenuitvoerlegging van het eerste van de vier in het kader van de EDA-agenda voor bundelen en delen gestarte cyberdefensieprojecten door de elf lidstaten (België, Duitsland, Estland, Finland, Griekenland, Ierland, Letland, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Zweden) die deelnemen aan het "Cyber Ranges Federation"-project; roept de andere lidstaten op zich bij dit initiatief aan te sluiten; verzoekt de lidstaten de wederzijdse beschikbaarheid van virtuele cybertestomgevingen en opleidingen op het gebied van cyberdefensie te bevorderen; merkt in dit verband op dat ook de rol en deskundigheid van het Enisa in overweging moeten worden genomen;

28.  is van mening dat dergelijke initiatieven Uniebreed kunnen bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van onderwijs op het gebied van cyberdefensie, met name door het opzetten van uitgebreide technische platformen en het samenstellen van groepen van EU-deskundigen; is van mening dat de Europese krijgsmacht ervoor kan zorgen dat deze initiatieven meer in trek raken door veelomvattende opleidingen op het gebied van cyberdefensie te bieden en cyberdeskundigen aan te trekken en te behouden; benadrukt dat het van essentieel belang is zwakke plekken in computersystemen te identificeren in zowel de lidstaten als de EU-instellingen; realiseert zich dat het merendeel van deze zwakke plekken in cyberveiligheidssystemen het gevolg is van menselijk falen en pleit derhalve voor periodieke opleidingen voor zowel militair als civiel personeel in dienst van de EU-instellingen;

29.  verzoekt het EDA het coördinatieplatform voor opleiding en oefening op het gebied van cyberdefensie (CD TEXP) zo spoedig mogelijk op te zetten ter ondersteuning van het "Cyber Ranges Federation"-project, met speciale aandacht voor versterkte samenwerking ten aanzien van geharmoniseerde voorschriften, het stimuleren van onderzoek op het gebied van cyberdefensie en technologische innovatie, en het gezamenlijk helpen van derde landen bij hun capaciteitsopbouw met betrekking tot hun weerbaarheid in cyberspace; verzoekt de Commissie en de lidstaten deze initiatieven aan te vullen met een Europees Kenniscentrum voor cyberdefensie om de meest veelbelovende nieuwe medewerkers van vakkundige opleidingen te kunnen voorzien ter ondersteuning van de opleidingen op het gebied van cyberdefensie in de deelnemende lidstaten;

30.  is ingenomen met de ontwikkeling van het platform voor onderwijs, opleiding, evaluatie en oefening op het gebied van cyberdefensie binnen de EVDA om de mogelijkheden op het gebied van opleiding en onderwijs in de lidstaten uit te kunnen breiden;

31.  dringt aan op een betere uitwisseling van kennis over het situationeel bewustzijn door middel van simulatieoefeningen op cybergebied en het coördineren van de afzonderlijke inspanningen ter ontwikkeling van het cyberdefensievermogen teneinde de interoperabiliteit te bevorderen, toekomstige aanvallen beter te kunnen voorkomen en hier beter op te kunnen reageren; pleit ervoor om dergelijke projecten uit te voeren in samenwerking met NAVO-bondgenoten en andere partners die ruime ervaring hebben bij het afslaan van cyberaanvallen ter bevordering van de operationele paraatheid en de ontwikkeling van gemeenschappelijke procedures en normen om zo verschillende cyberdreigingen grondig aan te kunnen pakken; is in dit opzicht ingenomen met de deelname van de EU aan cyberoefeningen zoals "CODE" (Cyber Offence and Defence Exercise);

32.  herinnert eraan dat een weerbare cyberspace een feilloze cyberhygiëne vereist; verzoekt alle publieke en particuliere belanghebbenden voor al hun medewerkers regelmatig opleidingen op het gebied van cyberhygiëne te organiseren;

33.  pleit voor de intensivering van de uitwisseling van deskundigheid en geleerde lessen tussen strijdkrachten, politiediensten en andere overheidsdiensten van de lidstaten die zich actief bezighouden met de bestrijding van cyberdreigingen;

Samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van cyberdefensie

34.  herhaalt dat de EU en de NAVO op basis van hun gemeenschappelijke waarden en strategische belangen een bijzondere verantwoordelijkheid en daarnaast ook het vermogen hebben om de toenemende cyberveiligheids- en cyberdefensieproblemen doelmatiger en in hechte samenwerking aan te pakken door te zoeken naar mogelijke complementariteit en daarbij dubbel werk te vermijden en elkaars afzonderlijke verantwoordelijkheden te eerbiedigen;

35.  verzoekt de Raad met andere betrokken EU-instellingen en -structuren samen te werken om zo snel mogelijk manieren te vinden om ondersteuning te bieden op communautair niveau en om het cyberdomein op geharmoniseerde wijze en in nauwe samenwerking met de NAVO in de militaire doctrine van de lidstaten op te nemen;

36.  pleit voor de tenuitvoerlegging van de reeds toegezegde maatregelen; pleit voor nieuwe initiatieven voor verdere samenwerking tussen de EU en de NAVO, waarbij tevens de mogelijkheden voor samenwerking met het Kenniscentrum voor cyberdefensie van de NAVO (CCD COE), alsmede met de Academie voor communicatie en informatie van de NAVO (NCI) in overweging moeten worden genomen, met als doel opleidingen op het gebied van het cyberdefensievermogen met betrekking tot IT- en cybersystemen, wat betreft software en hardware, te bevorderen; merkt op dat hiertoe ook een dialoog met de NAVO moet worden gevoerd over de mogelijke deelname van de EU aan het Kenniscentrum om zo de complementariteit en samenwerking te bevorderen; is ingenomen met de recente oprichting van het Europees Kenniscentrum voor de bestrijding van hybride dreigingen; spoort alle betrokken instellingen en bondgenoten aan regelmatig hun werkzaamheden te bespreken teneinde overlappingen te voorkomen en een gecoördineerde aanpak ten aanzien van cyberdefensie te bevorderen; is van mening dat het van cruciaal belang is om, op basis van wederzijds vertrouwen, de uitwisseling van informatie over cyberdreigingen tussen de EU-lidstaten en met de NAVO te bevorderen;

37.  is ervan overtuigd dat meer samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van cyberdefensie belangrijk en nuttig is voor het voorkomen, identificeren en beletten van cyberaanvallen; verzoekt beide partijen derhalve hun operationele samenwerking en coördinatie te bevorderen en hun gezamenlijke inspanningen ter ontwikkeling van het cyberdefensievermogen te intensiveren, met name in de vorm van gezamenlijke oefeningen en opleidingen voor civiele en militaire werknemers in de cyberdefensiesector, en via de deelname van lidstaten aan NAVO-projecten op het gebied van slimme defensie; acht het van cruciaal belang dat de EU en de NAVO de uitwisseling van informatie intensiveren zodat cyberaanvallen formeel aan bepaalde partijen kunnen worden toegeschreven en restrictieve maatregelen kunnen worden vastgesteld tegen deze partijen; spoort beide partijen aan om nauwer samen te werken, onder meer waar het de cybergerelateerde aspecten van crisisbeheersing betreft;

38.  is ingenomen met de uitwisseling van ideeën met als doel de vereisten en normen op het gebied van cyberdefensie op te nemen in de planning en uitvoering van missies en operaties ter bevordering van de interoperabiliteit, en spreekt de hoop uit dat deze aanpak wordt gevolgd door een hechtere operationele samenwerking om de cyberdefensie tijdens deze missies te waarborgen, alsook de afstemming van operationele strategieën;

39.  is ingenomen met de regeling tussen het computercrisisteam van de EU (EU Computer Emergency Response Team, CERT-EU) en dat van de NAVO (NATO Computer Incident Response Capability, NCIRC), waarmee wordt beoogd de uitwisseling van informatie, logistieke steun, gedeelde dreigingsanalyses, personeelswerving en beste praktijken te vergemakkelijken zodat dreigingen in real time kunnen worden aangepakt; benadrukt dat het van belang is om informatie-uitwisseling tussen het CERT-EU en NCIRC te stimuleren en het wederzijdse vertrouwen te bevorderen; is van mening dat de informatie waar het CERT-EU over beschikt van nut kan zijn voor onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en voor de NAVO en dat deze informatie derhalve moet worden gedeeld, mits volledig aan de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming wordt voldaan;

40.  is ingenomen met de samenwerking tussen de twee instanties met betrekking tot oefeningen op het gebied van cyberdefensie; neemt kennis van de deelname van EU-vertegenwoordigers aan de jaarlijkse "Cyber Coalition"-oefening; neemt daarnaast kennis van de vooruitgang die via de deelname van de EU aan de parallelle en gecoördineerde oefeningen (PACE) van 2017, als onderdeel van de crisisbeheersingsoefening van 2017 van de NAVO, is geboekt, en is in het bijzonder ingenomen met het daaraan toegevoegde cyberdefensie-onderdeel; verzoekt beide instanties met klem deze inspanningen te intensiveren;

41.  verzoekt de EU en de NAVO met klem periodieke oefeningen op strategisch niveau te organiseren en de politieke leiders van beide instellingen daaraan te laten deelnemen; is in dit verband ingenomen met de Estische "EU CYBRID 2017"-oefening, waarbij voor het eerst aan een EU-oefening werd deelgenomen door de secretaris-generaal van de NAVO;

42.  verzoekt beide instellingen met klem om bij de volgende toetsing van de tenuitvoerlegging van de gezamenlijke verklaring bestaande maatregelen concreet en doeltreffend uit te voeren en met ambitieuzere voorstellen te komen; verzoekt beide instellingen met klem om alle reeds bestaande maatregelen daadwerkelijk in de praktijk ten uitvoer te leggen en om bij de volgende toetsing van de tenuitvoerlegging van de gezamenlijke verklaring met ambitieuzere voorstellen te komen;

43.  is verheugd over het in 2014 opgerichte NATO Industry Cyber Partnership (NICP) en verzoekt de EU een bijdrage te leveren aan de inspanningen in het kader van het NICP teneinde de gezamenlijke inspanningen van de NAVO en de EU te koppelen aan de inspanningen van vooraanstaande partijen uit de industrie die gespecialiseerd zijn in cybertechnologieën, om zo de cyberveiligheid te bevorderen door middel van een blijvende samenwerking die specifiek gericht is op: opleidingen, oefeningen en onderwijs voor vertegenwoordigers van de NAVO, de EU en de industrie, de deelname van de EU en de industrie aan NAVO-projecten op het gebied van slimme defensie, de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de NAVO, de EU en de industrie met het oog op paraatheid en herstel, het leveren van inspanningen gericht op de gezamenlijke ontwikkeling van het cyberdefensievermogen, en in voorkomend geval het waarborgen van een gezamenlijke aanpak van cyberincidenten;

44.  neemt kennis van de lopende werkzaamheden inzake het voorstel voor een verordening tot herziening van de Enisa-verordening ((EU) nr. 526/2013) en tot vaststelling van een Europees kader voor ICT-beveiligingscertificering en -etikettering; verzoekt het Enisa een overeenkomst met de NAVO aan te gaan ter bevordering van de praktische samenwerking tussen de partijen, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en deelname aan oefeningen op het gebied van cyberdefensie;

Internationale normen met betrekking tot cyberspace

45.  pleit voor de sectoroverschrijdende opname van cybercapaciteit in het externe optreden en het GBVB van de EU en haar lidstaten, en voor nauwere samenwerking tussen de lidstaten, de EU-instellingen, de NAVO, de Verenigde Naties, de Verenigde Staten en andere strategische partners, met name wat regels, normen en handhavingsmaatregelen op het gebied van cyberspace betreft;

46.  betreurt het dat de VN-groep van regeringsdeskundigen (UN GGE) 2016-2017 na maanden van onderhandelingen niet tot een nieuw consensusverslag heeft kunnen komen; herinnert eraan dat het bestaande internationaal recht, en met name het Handvest van de Verenigde Naties, waarin bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de politieke onafhankelijkheid van een staat, met inbegrip van dwingende cyberoperaties die tot doel hebben de technische infrastructuur te verstoren die nodig is voor het uitvoeren van officiële participatieve procedures, waaronder verkiezingen, in een andere staat, verboden wordt, van toepassing is en in cyberspace moet worden gehandhaafd, zoals ook in het verslag van 2013 is vastgesteld; merkt op dat het verslag van de UN GGE van 2015 een reeks normen voor verantwoordelijk staatsgedrag bevat, met inbegrip van het verbod voor landen om bewust bij te dragen aan cyberactiviteiten die krachtens internationale bepalingen in strijd zijn met de verplichtingen van de desbetreffende landen, of deze zelf uit te voeren; doet een beroep op de EU om een leidende rol op zich te nemen in het lopende en toekomstige debat over en bij de tenuitvoerlegging van internationale normen met betrekking tot cyberspace;

47.  merkt op dat het Handboek van Tallinn 2.0 een basis biedt voor discussie over en analyse van de manier waarop het bestaande internationaal recht in cyberspace kan worden toegepast; roept de lidstaten op de door de deskundigen in het Handboek van Tallinn vastgelegde bevindingen te analyseren en toe te passen, en verdere vrijwillige normen voor internationaal gedrag vast te stellen; merkt in het bijzonder op dat het offensief gebruik van het cybervermogen gegrond moet zijn op het internationaal recht;

48.  bevestigt zijn volledige toewijding aan een open, vrije, stabiele en veilige cyberspace, onder eerbiediging van de kernwaarden van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, en waarbij internationale geschillen op vreedzame wijze worden beslecht op basis van het Handvest van de Verenigde Naties en de internationale rechtsbeginselen; verzoekt de lidstaten de verdere tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke en alomvattende EU-aanpak voor cyberdiplomatie en bestaande cybernormen te bevorderen, en samen met de NAVO op EU-niveau criteria en definities vast te stellen om duidelijk te maken wat een cyberaanval precies inhoudt zodat de EU sneller tot een gezamenlijk standpunt kan komen in het geval van een volgens het internationaal recht onrechtmatige handeling in de vorm van een cyberaanval; ondersteunt nadrukkelijk de tenuitvoerlegging van de in het verslag van de UN GGE van 2015 vastgelegde vrijwillige, vrijblijvende normen voor verantwoordelijk staatsgedrag in cyberspace, met eerbiediging van de privacy en grondrechten van de burgers, en pleit tevens voor vaststelling van regionale maatregelen ter bevordering van het vertrouwen; ondersteunt in dit kader de werkzaamheden van de Global Commission on the Stability for Cyberspace (wereldcommissie voor stabiliteit in cyberspace), die gericht zijn op de opstelling van voorstellen voor normen en beleidsmaatregelen ter bevordering van de internationale veiligheid en stabiliteit, alsook van verantwoordelijk gedrag van (niet-)overheidsactoren in cyberspace; steunt het voorstel waarin wordt gesteld dat zowel overheids- als niet-overheidsactoren geen activiteiten mogen uitvoeren of bewust mogen toestaan wanneer deze activiteiten tot doel hebben de algemene beschikbaarheid of integriteit van de openbare kernfuncties van het internet, en daarmee de stabiliteit van cyberspace, doelbewust en ernstig aan te tasten;

49.  erkent dat het grootste deel van de technologische infrastructuur eigendom is van of beheerd wordt door de particuliere sector en dat nauwe samenwerking en overleg met, alsook de inclusie van, de particuliere sector en groepen uit het maatschappelijk middenveld door middel van een dialoog tussen de diverse belanghebbenden daarom van essentieel belang zijn voor het waarborgen van een open, vrije, stabiele en veilige cyberspace;

50.  realiseert zich dat bilaterale overeenkomsten tussen landen vanwege handhavingsproblemen niet altijd de gewenste resultaten opleveren; is derhalve van mening dat er coalities moeten worden gevormd binnen groepen van gelijkgestemde landen die bereid zijn om met elkaar in overleg te treden, om op doeltreffende wijze de inspanningen van de diverse belanghebbenden op dit gebied aan te vullen; benadrukt het belang van de rol van lokale overheden bij het proces van technologische innovatie en bij het delen van gegevens om de bestrijding van criminaliteit en terroristische activiteiten te versterken;

51.  is verheugd over de vaststelling door de Raad van het kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten, het zogeheten EU-instrumentarium voor cyberdiplomatie; steunt de mogelijkheid dat de EU restrictieve maatregelen neemt tegen tegenstanders die cyberaanvallen tegen de lidstaten uitvoeren, met inbegrip van het opleggen van sancties;

52.  pleit daarnaast voor een duidelijke, proactieve strategie voor cyberveiligheid en -defensie en voor de algemene versterking van het vermogen en de instrumenten van de EU met betrekking tot cyberdiplomatie als sectoroverschrijdende taak in het buitenlands beleid van de EU, zodat de normen en waarden van de EU op doeltreffende wijze kunnen worden bevorderd en wereldwijd overeenstemming kan worden bereikt over regels, normen en handhavingsmaatregelen met betrekking tot cyberspace; merkt op dat het bevorderen van de cyberweerbaarheid in derde landen een bijdrage levert aan de internationale vrede en veiligheid, en uiteindelijk ook aan de veiligheid van de Europese burgers;

53.  is van mening dat cyberaanvallen als NotPetya en WannaCry vanuit overheden worden aangestuurd of plaatsvinden met medeweten en goedkeuring van overheden; merkt op dat deze cyberaanvallen, die blijvende economische schade veroorzaken en een levensgevaarlijke dreiging vormen, een duidelijke schending zijn van het internationaal recht en de rechtsnormen; is van mening dat de cyberaanvallen NotPetya en WannaCry schendingen van het internationaal recht betreffen waar respectievelijk de Russische Federatie en Noord-Korea voor verantwoordelijk zijn, en dat hier een evenredige en passende respons vanuit de EU en de NAVO op moet volgen;

54.  pleit ervoor dat het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit van Europol een centraal punt voor wetshandhavingsafdelingen en overheidsorganen wordt, dat zich specifiek bezighoudt met cybercriminaliteit en met name verantwoordelijk is voor de beveiliging van zowel de .eu-domeinen als de vitale infrastructuur van de EU-netwerken tijdens een aanval; benadrukt dat een dergelijk centraal punt ook gemachtigd moet zijn om informatie uit te wisselen en lidstaten van steun te voorzien;

55.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van normen met betrekking tot privacy en beveiliging, encryptie, haatuitingen, desinformatie en terroristische dreigingen;

56.  beveelt alle EU-lidstaten aan de verplichting aan te gaan om andere lidstaten die slachtoffer worden van een cyberaanval bij te staan en in nauwe samenwerking met de NAVO toe te zien op de waarborging van verantwoordingsplicht op het gebied van cyberveiligheid op nationaal niveau;

Civiel-militaire samenwerking

57.  roept alle belanghebbenden op om de vorming van partnerschappen voor uitwisseling van kennis te stimuleren, de juiste bedrijfsmodellen toe te passen en vertrouwen te scheppen tussen bedrijven, defensie en civiele eindgebruikers, alsmede om de omzetting van academische kennis in praktische oplossingen te bevorderen, teneinde synergieën en overbruggingsoplossingen te vormen tussen de civiele en militaire markt voor cyberbeveiliging – in wezen een Europese eengemaakte markt voor cyberbeveiliging en producten op dit gebied – op basis van transparante procedures en met eerbiediging van het EU- en internationaal recht met het oog op de instandhouding en versterking van de strategische autonomie van de EU; wijst op de sleutelrol die particuliere cyberbeveiligingsbedrijven spelen bij het vroegtijdig waarschuwen voor cyberaanvallen en het aanwijzen van de partijen die verantwoordelijk zijn voor deze aanvallen;

58.  benadrukt met klem het belang van onderzoek en ontwikkeling, met name in het licht van de strenge eisen met betrekking tot veiligheid in de defensiemarkt; verzoekt de EU en de lidstaten met klem om meer praktische ondersteuning te bieden aan de Europese cyberveiligheidssector en andere betrokken economische actoren en om de bureaucratische lasten te verminderen, met name voor kmo's en start-ups (belangrijke bronnen van innovatieve oplossingen op het gebied van cyberdefensie), en om nauwere samenwerking met instanties voor universiteitsonderzoek en andere belangrijke spelers te bewerkstelligen, teneinde de afhankelijkheid van externe bronnen voor cyberdefensieproducten te minimaliseren en een strategische voorzieningsketen binnen de EU op te zetten; merkt in dit verband op dat het Europees Defensiefonds en andere instrumenten in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) een waardevolle bijdrage kunnen leveren;

59.  spoort de Commissie aan cyberdefensie-elementen te integreren in een netwerk van Europese onderzoeks- en kenniscentra voor cyberbeveiliging, mede teneinde in voldoende middelen te voorzien voor het tweeledige gebruik van cybercapaciteit en cybertechnologieën binnen het volgende MFK;

60.  merkt op dat de bescherming van essentiële publieke en andere civiele infrastructuur, en met name informatiesystemen en de bijbehorende gegevens, een cruciale defensietaak is voor de lidstaten, en in het bijzonder voor de instanties die belast zijn met de beveiliging van informatiesystemen, en dat deze defensietaak onder de bevoegdheden van nationale cybercommando's of dergelijke instanties moet vallen; benadrukt dat hiervoor wederzijds vertrouwen en zo nauw mogelijke samenwerking tussen militaire actoren, agentschappen voor cyberdefensie, andere relevante autoriteiten en de betrokken sectoren nodig zijn, wat enkel kan worden bereikt door de taken, rollen en verantwoordelijkheden van civiele en militaire actoren duidelijk te definiëren, en verzoekt alle belanghebbenden met klem dit bij hun planningsprocessen in aanmerking te nemen; pleit voor meer grensoverschrijdende samenwerking inzake wetshandhaving gericht op de bestrijding van kwaadwillige cyberactiviteiten, met volledige inachtneming van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming;

61.  verzoekt alle lidstaten om hun nationale strategieën inzake cyberveiligheid toe te spitsen op de bescherming van hun informatiesystemen en daarmee samenhangende gegevens en om de bescherming van deze cruciale infrastructuur te beschouwen als onderdeel van hun zorgplicht; dringt er bij de lidstaten op aan om strategieën, richtsnoeren en instrumenten aan te nemen en toe te passen die redelijke beschermingsniveaus bieden tegen redelijkerwijs identificeerbare dreigingen, waarbij de kosten en lasten van deze bescherming evenredig dienen te zijn aan de vermoedelijke schade voor de betrokken partijen; verzoekt de lidstaten om de nodige stappen te zetten teneinde rechtspersonen onder hun bevoegdheid te verplichten de aan hen toevertrouwde persoonsgegevens te beschermen;

62.  is zich ervan bewust dat het vanwege de ontwikkelingen op het gebied van cyberdreigingen mogelijk verstandig is nauwer en op gestructureerdere wijze samen te werken met de politiediensten, met name op cruciale terreinen als de opsporing van dreigingen onder de noemer van de cyberjihad, cyberterrorisme, radicalisering via het internet en de financiering van extremistische of radicale organisaties;

63.  dringt aan op nauwe samenwerking tussen de EU-agentschappen, zoals het EDA, het Enisa en het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit, in de vorm van een sectoroverschrijdende benadering ter bevordering van synergieën en ter voorkoming van overlappingen;

64.  verzoekt de Commissie een stappenplan voor een gecoördineerde aanpak van de Europese cyberdefensie te ontwikkelen en het EU-beleidskader voor cyberdefensie verder bij te werken om ervoor te zorgen dat dit beleidsmechanisme geschikt blijft voor het beoogde doel: de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU op het gebied van cyberdefensie, dit alles in nauwe samenwerking met de lidstaten, het EDA, het Parlement en de EDEO; merkt op dat dit onderdeel moet zijn van een bredere strategische benadering ten aanzien van het GVDB;

65.  pleit voor de ontwikkeling van het cyberdefensievermogen via onwikkelingssamenwerking en onderwijs en bewustwordingstrainingen over cyberveiligheid, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat er in de komende jaren, voornamelijk in ontwikkelingslanden, miljoenen nieuwe internetgebruikers bij zullen komen en het dan ook zaak is de weerbaarheid van deze landen en gemeenschappen tegen hybride dreigingen en cyberdreigingen te verhogen;

66.  pleit voor de totstandbrenging van internationale samenwerking en multilaterale initiatieven voor het creëren van sterke kaders voor cyberdefensie en cyberbeveiliging ter bestrijding van de "gijzeling" van staten in de vorm van corruptie, financiële fraude, witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, alsook om de problemen als gevolg van cyberterrorisme, het gebruik van cryptovaluta en andere betaalmethoden aan te pakken;

67.  wijst erop dat cyberaanvallen als NotPetya zich razendsnel verspreiden en zo willekeurig schade kunnen aanrichten indien de mondiale weerbaarheid tegen dergelijke aanvallen niet wordt versterkt; is van mening dat opleidingen en onderwijs op het gebied van cyberdefensie deel moeten uitmaken van het externe optreden van de EU, en dat het bevorderen van de cyberweerbaarheid in derde landen een bijdrage levert aan de internationale vrede en veiligheid, en uiteindelijk ook aan de veiligheid van de Europese burgers;

Institutionele versterking

68.  roept de lidstaten op zich in te zetten voor een ambitieuzere samenwerking met betrekking tot cyberveiligheid in het kader van PESCO; pleit ervoor dat de lidstaten een nieuw PESCO-samenwerkingsprogramma op het gebied van cyberveiligheid te ontwikkelen ter ondersteuning van de snelle en doeltreffende planning van en bevelvoering en controle over huidige en toekomstige EU-operaties en -missies; wijst erop dat dit een beter gecoördineerde operationele capaciteit in cyberspace zou opleveren en mogelijk tot de ontwikkeling van een gemeenschappelijk cyberdefensiecommando zou leiden, mocht de Europese Raad hiertoe besluiten;

69.  verzoekt nogmaals de lidstaten en de VV/HV een EU-witboek over veiligheid en defensie uit te brengen; verzoekt de lidstaten en de VV/HV cyberdefensie en ‑afschrikking als hoofdthema's voor dit witboek te gebruiken, waarbij zowel de bescherming van het cyberdomein als bedoeld in artikel 43 VEU aan bod komt, als de gemeenschappelijke defensie als bedoeld in artikel 42, lid 7, VEU;

70.  wijst erop dat het nieuwe PESCO-samenwerkingsprogramma op het gebied van cyberveiligheid op basis van een rouleersysteem moet worden geleid door hooggeplaatste militaire en civiele medewerkers vanuit elke lidstaat, en verantwoording moet afleggen aan zowel de ministers van Defensie van de EU-landen die deelnemen aan PESCO als aan de VV/HV, teneinde vertrouwen te creëren bij de lidstaten en EU-instellingen en -agentschappen wanneer informatie en inlichtingen worden uitgewisseld;

71.  pleit nogmaals voor de totstandbrenging van een EU-defensieraad bestaande uit de huidige ministeriële stuurgroep van het EDA en de ministers van defensie van de EU-landen die deelnemen aan PESCO ter bevordering van het stellen van prioriteiten, de inzet van middelen, en doeltreffende samenwerking en integratie tussen de lidstaten;

72.  herinnert eraan dat het Europees Defensiefonds in het volgende MFK moet worden voortgezet of zelfs moet worden geïntensiveerd, en dat er voldoende middelen voor cyberdefensie moeten worden gereserveerd;

73.  pleit ervoor dat er meer middelen worden ingezet voor het moderniseren en stroomlijnen van cyberveiligheid en de uitwisseling van informatie tussen de EDEO/het Inlichtingen- en situatiecentrum van de Europese Unie (EU-Intcen), de Raad en de Commissie;

Publiek-private partnerschappen

74.  erkent dat particuliere ondernemingen een sleutelrol spelen bij het voorkomen, identificeren en beperken van en het reageren op cyberveiligheidsincidenten, niet alleen als aanbieders van technologieën, maar ook als aanbieders van diensten buiten de IT-sector;

75.  erkent dat de particuliere sector een sleutelrol speelt bij het voorkomen, identificeren en beperken van en het reageren op cyberveiligheidsincidenten, alsook bij het stimuleren van innovaties op het gebied van cyberdefensie, en pleit dan ook voor betere samenwerking met de particuliere sector om zo tot gezamenlijke inzichten te komen met betrekking tot de EU- en NAVO-vereisten en het vinden van gemeenschappelijke oplossingen te vergemakkelijken;

76.  verzoekt de EU een grondige evaluatie uit te voeren van de binnen de instellingen gebruikte software, IT- en communicatieapparatuur, en infrastructuur, om zo mogelijk gevaarlijke programma's en apparatuur te elimineren en het gebruik van programma's waarvan bekend is dat ze kwaadaardig zijn, zoals Kaspersky Lab, te verbieden;

o
o   o

77.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU‑agentschappen op het gebied van defensie en cyberbeveiliging, de secretaris-generaal van de NAVO, en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1) Cambridge University Press, februari 2017, ISBN 9781316822524, https://doi.org/10.1017/9781316822524
(2) PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(4) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 145.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0435.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0492.

Juridische mededeling