Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 5 juli 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De politieke crisis in Moldavië na de ongeldigverklaring van de burgemeesterverkiezingen in Chisinau
 Somalië
 Burundi
 Start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Kroatië *
 Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) ***I
 Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie: taken van Europol ***I
 Financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie ***I
 Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ***I
 Begroting 2019 - Mandaat voor de trialoog
 73e zitting van de Algemene Vergadering van de VN
 De migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan zijn grenzen
 Richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld
 Toereikendheid van de door het privacyschild van de EU en de VS geboden bescherming
 De negatieve gevolgen van de Amerikaanse wet naleving belastingplicht buitenlandse rekeningen (FACTA) voor EU-burgers
 Een statuut voor sociale en solidaire ondernemingen

De politieke crisis in Moldavië na de ongeldigverklaring van de burgemeesterverkiezingen in Chisinau
PDF 130kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over de politieke crisis in Moldavië naar aanleiding van de ongeldigverklaring van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău (2018/2783(RSP))
P8_TA(2018)0303RC-B8-0322/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Moldavië, met name zijn resolutie van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten/diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne(1) (AA/DCFTA),

–  gezien het associatie-uitvoeringsverslag over de Republiek Moldavië van 3 april 2018,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 juli 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, die aan de wetgevingsresolutie van 4 juli 2017 is gehecht, met het oog op de vaststelling van politieke randvoorwaarden voor de toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië,

–  gezien de stemming in het parlement van de Republiek Moldavië van 20 juli 2017 waarbij wijzigingen zijn aangenomen met betrekking tot het kiesstelsel,

–  gezien de aanbevelingen van het OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië van 19 juli 2017,

–  gezien de verklaringen van 21 juni 2018 van de voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement, de rapporteur van deze commissie voor Moldavië en de Euronest-covoorzitter, en de verklaringen van 20 juni 2018 en 27 juni 2018 van de Europese Dienst voor extern optreden over de geldigverklaring van de verkiezing van de burgemeester van Chișinău,

–  gezien artikel 2 van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië, waarin wordt gesteld dat "eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden [...] de grondslag [vormt] van het binnen- en buitenlandse beleid van de partijen en [...] een essentieel element [is] van deze overeenkomst",

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Andrei Năstase bij de vervroegde burgemeestersverkiezingen in Chișinău na twee ronden (op 20 mei en 3 juni 2018) als winnaar uit de bus is gekomen met 52,57 % van de stemmen, waarmee hij Ion Ceban versloeg, die 47,43 % van de stemmen achter zijn naam kon scharen;

B.  overwegende dat de internationale waarnemers van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău de uitslag en de competitieve aard van de verkiezingsstrijd hebben erkend;

C.  overwegende dat een rechtbank in Chișinău de uitslag van de burgemeestersverkiezingen op 19 juni 2018 nietig heeft verklaard, op grond van de vaststelling dat beide kandidaten op de verkiezingsdag kiezers hebben benaderd via de sociale media, op een moment dat de campagne wettelijk was afgesloten; overwegende dat niemand van de kandidaten in het verkiezingsproces heeft verzocht om een nietigverklaring van de verkiezingen;

D.  overwegende dat een hof van beroep in Chișinău het besluit van de lagere rechtbank op 21 juni 2018 heeft bevestigd en hierbij concludeerde dat de communicatie met kiezers via de sociale media de verkiezingsuitslag op onwettige wijze heeft beïnvloed;

E.  overwegende dat het Hooggerechtshof van Moldavië de besluiten van de lagere rechtbanken om de uitslag van de verkiezing van de burgemeester van Chișinău ongeldig te verklaren op 25 juni 2018 heeft bevestigd;

F.  overwegende dat de centrale kiescommissie van Moldavië het besluit van het Hooggerechtshof om de burgemeestersverkiezingen in Chișinău ongeldig te verklaren op 29 juni 2018 heeft bevestigd;

G.  overwegende dat de uitnodiging om te gaan stemmen, die door de rechters werd opgevat als het uitoefenen van druk en een onnodige beïnvloeding ten aanzien van de kiezers, tijdens eerdere verkiezingen in Moldavië reeds een gangbare praktijk was en nooit tot een nietigverklaring heeft geleid;

H.  overwegende dat deze ontwikkeling ervoor zorgt dat het land dreigt te ontsporen wat betreft zijn gehechtheid aan Europese waarden en beginselen, en het reeds wankele vertrouwen van de Moldavische burgers in de overheidsinstellingen verder ondermijnt; overwegende dat de Moldavische politieke partijen hebben verklaard dat er een gevaarlijk precedent wordt geschapen voor toekomstige verkiezingen en dat duizenden mensen protest hebben gevoerd tegen het besluit van de rechters in Chișinău;

I.  overwegende dat de internationale gemeenschap, waaronder de Europese Unie en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, kritiek heeft geleverd op het besluit en daarbij benadrukte dat de wil van de kiezers moet worden geëerbiedigd;

J.  overwegende dat de EU en Moldavië samen de verbintenis zijn aangegaan om hun politieke associatie en economische integratie te bevorderen, een proces dat inhoudt dat het land structurele en andere wezenlijke hervormingen moet goedkeuren en doorvoeren,

K.  overwegende dat de ongeldigverklaring een zorgwekkend en opvallend teken is van de steeds slechtere toepassing van democratische normen in Moldavië, en wijst er met name op dat een onafhankelijke en transparante rechterlijke macht een centrale pijler is van de democratie en de rechtsstaat; overwegende dat de ongeldigverklaring van de verkiezingen blijk geeft van de steeds grotere neiging tot autoritair en arbitrair bestuur en van een aanzienlijke daling van het vertrouwen van de bevolking in de autoriteiten en de instellingen;

L.  overwegende dat het parlement van de Republiek Moldavië, ongeacht de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië om dit niet te doen, in juli 2017 een controversiële wijziging van de kieswet heeft goedgekeurd die zorgen baart vanwege het risico op ongepaste beïnvloeding van kandidaten, de oprichting van kiesdistricten met één vertegenwoordiger, al te hoge drempels voor parlementaire vertegenwoordiging in de proportionele component en het gevaar van ontoereikende vertegenwoordiging van minderheden en vrouwen; overwegende dat de Commissie van Venetië bovendien heeft benadrukt dat de bestaande polarisering met betrekking tot dit wetgevingsinitiatief niet wijst op een betekenisvol overleg met en een brede consensus onder de belangrijkste belanghebbende partijen;

M.  overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor de situatie van mensenrechtenverdedigers heeft verklaard dat mensenrechtenverdedigers en journalisten in Moldavië het slachtoffer zijn van stigmatiseringscampagnes, te maken krijgen met politiek gemotiveerde strafrechtelijke vervolging of worden bedreigd wanneer ze mensen met een afwijkende mening verdedigen, en dat journalisten beperkte toegang tot informatie hebben;

N.  overwegende dat de EU in oktober 2017 vanwege onvoldoende vooruitgang bij de hervorming van de rechterlijke macht in Moldavië en het verzuim van het land om de EU‑voorwaarden na te leven het besluit heeft genomen een betaling van 28 miljoen EUR in het kader van het EU-programma tot hervorming van het gerechtelijk bestel op te schorten;

1.  toont zich diep bezorgd over het op twijfelachtige gronden en op niet-transparante wijze genomen besluit van het Hooggerechtshof van Moldavië om de uitslag van de verkiezing van de burgemeester van Chișinău ongeldig te verklaren, aangezien dit de integriteit van het verkiezingsproces aanzienlijk heeft ondermijnd;

2.  herinnert eraan dat geloofwaardige, transparante, eerlijke en inclusieve verkiezingen de hoeksteen zijn van elk democratisch stelsel, waarin de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten aanzien van elke vorm van politieke invloed worden beschermd, en tevens het fundament zijn van het vertrouwen in het politieke systeem van het land, en dat politieke inmenging in de rechterlijke macht en in het verloop van verkiezingen in strijd is met de Europese normen die Moldavië heeft onderschreven, met name in het kader van de associatieovereenkomst EU-Moldavië;

3.  toont zich nadrukkelijk solidair met de duizenden mensen die protest voeren in de straten van Chișinău en deelt hun eis aan de Moldavische autoriteiten om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de uitslag van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău, die tevens wordt erkend door nationale en internationale waarnemers en de wil van de kiezer weerspiegelt, wordt geëerbiedigd; verzoekt de autoriteiten het recht op vreedzaam protest te waarborgen;

4.  dringt er bij de Moldavische autoriteiten op aan de werking van democratische mechanismen te waarborgen en staat erop dat zowel de uitvoerende als de rechterlijke tak van de macht wederzijds respect opbrengen voor de scheiding der machten, de democratische beginselen ten volle onderschrijven en zich houden aan de rechtsstaat;

5.  is diep verontrust door de verdere achteruitgang van democratische normen in Moldavië; erkent dat het besluit van de rechters, waarvan al meermaals is gezegd dat het is genomen onder invloed en op initiatief van de politiek, een voorbeeld is van "state capture" en blijk geeft van een uiterst diepe crisis van de instellingen in Moldavië; betreurt dat de autoriteiten het vertrouwen van de mensen in de billijkheid en onpartijdigheid van overheidsinstellingen blijven ondergraven, in weerwil van talloze oproepen door de internationale gemeenschap;

6.  is van mening dat naar aanleiding van het besluit om de uitslag van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău ongeldig te verklaren, kan worden gesteld dat de politieke voorwaarden voor de uitbetaling van macrofinanciële bijstand niet zijn vervuld, en herinnert eraan dat "voor toekenning van macrofinanciële bijstand als randvoorwaarde geldt dat het begunstigde land doeltreffende democratische mechanismen, waaronder een parlementair meerpartijenstelsel en de rechtsstaat, eerbiedigt, en de eerbiediging van de mensenrechten waarborgt";

7.  dringt er bij de Commissie op aan alle geplande uitbetalingen van macrofinanciële bijstand aan Moldavië op te schorten; is van mening dat er pas na de geplande parlementsverkiezingen een besluit over toekomstige uitbetalingen mag worden genomen, op voorwaarde dat deze verkiezingen overeenkomstig internationaal erkende normen verlopen en worden beoordeeld door gespecialiseerde internationale instanties, en dat de voorwaarden voor macrofinanciële bijstand zijn vervuld;

8.  eist dat de Commissie de begrotingssteun voor Moldavië opschort door zich te beroepen op het precedent van juli 2015, toen een dergelijke opschorting plaatsvond in de nasleep van de bankencrisis; is van mening dat het mechanisme voor de opschorting van EU-begrotingssteun moet worden toegepast als reactie op de ongeldigverklaring van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău, en dat dit mechanisme een reeks voorwaarden moet omvatten waaraan de Moldavische autoriteiten gevolg moeten geven, waaronder de geldigverklaring van de verkiezingen in Chișinău, en een concreet, resultaatgericht en volledig transparant onderzoek, alsook ontneming van vermogensbestanddelen en vervolging ten aanzien van plegers van bankfraude;

9.  verzoekt de Moldavische autoriteiten gevolg te geven aan de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië over hervormingen van het kiesrecht;

10.  herhaalt zijn bezorgdheid in verband met de concentratie van economische en politieke macht in de handen van een beperkte groep mensen, de achteruitgang van de rechtsstaat, van democratische waarden en van de eerbiediging van de mensenrechten, de buitensporige politisering van overheidsinstellingen, de systemische corruptie, het ontoereikende onderzoek naar de bankfraude van 2014 en beperkt pluralisme in de media; toont zich bezorgd over het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name over gevallen van selectieve rechtspraak als manier om druk uit te oefenen op politieke tegenstanders; verzoekt de Moldavische autoriteiten om het rechtsstelsel te hervormen, onder meer door nieuwe rechters te benoemen, teneinde de rechterlijke macht te beletten tussenbeide te komen in electorale en politieke procedures of op andere wijze de democratische wil van het Moldavische volk te ondergraven;

11.  maakt er zich zorgen over dat politieke tegenstanders en hun advocaten worden vervolgd door de Moldavische autoriteiten op basis van valse beschuldigingen en strafrechtelijke procedures, en waarschuwt de autoriteiten dat ze door zo te handelen de rechtsstaat en de rechten van politieke tegenstanders en advocaten schenden;

12.  betreurt dat de autoriteiten na de bankfraude van 2014, waarbij het Moldavische financiële stelsel voor een totaalbedrag van ongeveer 1 miljard USD werd bestolen, erg weinig vooruitgang hebben geboekt bij het voeren van een grondig en onpartijdig onderzoek naar deze kwestie; dringt erop aan dat er vastberaden stappen worden gezet om de gestolen bedragen terug te krijgen en de verantwoordelijken voor de rechter te brengen, ongeacht hun politieke kleur; is van mening dat dit van essentieel belang is om het vertrouwen van de Moldavische burgers in de instellingen te herwinnen en de geloofwaardigheid van de autoriteiten te herstellen;

13.  verzoekt de Moldavische autoriteiten zich te houden aan internationale beginselen en beste praktijken en te zorgen voor een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld; toont zich met name bezorgd dat in de ontwerpwetgeving betreffende ngo's die momenteel op tafel ligt en wordt besproken in het parlement sprake is van bepalingen die buitenlandse financiering voor Moldavische ngo's mogelijk aan banden leggen;

14.  verzoekt het Moldavische parlement om te overleggen met het maatschappelijk middenveld en met onafhankelijke media voordat het de nieuwe wet audiovisuele media definitief aanneemt, en de "hervorming met tweeledig doel" van deze wet te verwerpen; uit zijn bezorgdheid over de vraag of de onafhankelijke, plaatselijke en oppositiegezinde media in Moldavië, die onder meer te kampen hebben met ontoereikende financiering, in staat zullen zijn uitvoering te geven aan de vereisten van de nieuwe wet met betrekking tot verplichte lokale inhoud;

15.  verzoekt de EDEO en de Commissie nauwgezet toe te zien op de ontwikkelingen op al deze gebieden en het Parlement hiervan op de hoogte te houden;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad, de Commissie en de lidstaten, de president, de premier en het parlement van de Republiek Moldavië, de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië.

(1) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0283.


Somalië
PDF 134kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over Somalië (2018/2784(RSP))
P8_TA(2018)0304RC-B8-0323/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Somalië, in het bijzonder die van 15 september 2016(1),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over het vluchtelingenkamp Dadaab(2),

–  gezien de verklaring van 30 oktober 2017 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden over de aanslag in Somalië, evenals alle eerdere verklaringen van de woordvoerder,

–  gezien de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over Somalië,

–  gezien de gezamenlijke strategie EU-Afrika,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het verslag van het Bureau voor de rechten van de mens van de VN "Protection of Civilians: Building the Foundation for Peace, Security and Human Rights in Somalia" van december 2017,

–  gezien het nationaal indicatief programma EU-Somalië voor de Federale Republiek Somalië 2014-2020,

–  gezien de resolutie van 15 mei 2018 van de VN-Veiligheidsraad tot verlenging van het mandaat van de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (Amisom),

–  gezien de resolutie van 27 maart 2018 van de VN-Veiligheidsraad over Somalië, evenals al zijn eerdere resoluties,

–  gezien de briefing van 15 mei 2018 van de speciale VN-vertegenwoordiger voor Somalië aan de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien de persverklaringen van de VN-Veiligheidsraad van 25 januari 2018, 25 februari 2018 en 4 april 2018 over Somalië,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2018 over de Hoorn van Afrika, van 17 juli 2017 over de aanpak van dreigende hongersnood en van 3 april 2017 over Somalië,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN van 26 december 2017 en 2 mei 2018 over Somalië,

–  gezien het communiqué van de VN‑Veiligheidsconferentie voor Somalië van 4 december 2017,

–  gezien de resolutie van 29 september 2017 van de VN-Mensenrechtenraad over bijstand aan Somalië op het gebied van mensenrechten,

–  gezien de verklaring van Amisom van 8 november 2017, waarin Amisom het voornemen aankondigt zijn troepen vanaf december 2017 geleidelijk uit Somalië terug te gaan trekken en deze terugtrekking tegen 2020 te willen afronden,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 4 mei 2016 van vier mensenrechtendeskundigen van de VN, waarin zij hun ontsteltenis uitspreken over de toenemende vervolging van vakbondsleden in Somalië,

–  gezien de conclusies en aanbevelingen in het 380e verslag van november 2016 van het Comité voor vakbondsvrijheid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), zoals goedgekeurd door het IAO-bestuursorgaan voor zaak nr. 3113,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat al-Shabaab talloze terroristische aanslagen heeft gepleegd op Somalisch grondgebied; overwegende dat op 14 oktober 2017 de ernstigste terroristische aanslag in Somalië ooit heeft plaatsgevonden, waarbij volgens officiële berichten ten minste 512 personen om het leven zijn gekomen en er 357 gewond zijn geraakt; overwegende dat al-Shabaab en andere terroristische groeperingen die banden hebben met Islamitische Staat terroristische aanslagen zijn blijven plegen tegen de internationaal erkende Somalische regering en tegen burgers;

B.  overwegende dat al-Shabaab op 1 april 2018 een autobomaanslag heeft gepleegd op een vredeshandhavingsbasis van de Afrikaanse Unie in Bulamarer en nabijgelegen dorpen; overwegende dat op 25 februari 2018 twee terroristische aanslagen plaatsvonden in Mogadishu, waarbij ten minste 32 mensen om het leven kwamen;

C.  overwegende dat veiligheidstroepen van de Somalische regering in juni 2017 burgers om het leven hebben gebracht en verwond tijdens interne gevechten tussen regeringstroepen op een hulpdistributielocatie in Baidoa; overwegende dat de burgerbevolking eveneens doelwit is geweest tijdens gevechten tussen regionale strijdkrachten en clanmilities, met name in de regio's Neder-Shabelle, Galguduud en Hiran;

D.  overwegende dat er volgens het verslag van het VN-Bureau voor de mensenrechten en de bijstandsmissie van de VN in Somalië (UNSOM) over de periode 1 januari 2016 t/m 14 oktober 2017 in Somalië 2078 burgers zijn omgekomen en 2507 gewond zijn geraakt; overwegende dat hiervoor hoofdzakelijk militanten van al-Shabaab verantwoordelijk zijn; overwegende dat een aanzienlijk aandeel van deze sterfgevallen is veroorzaakt door clanmilities en overheidsactoren, met inbegrip van het leger en de politie en zelfs de missie van de Afrikaanse unie in Somalië;

E.  overwegende dat Somalië twee decennia burgeroorlog heeft doorgemaakt; overwegende dat het land sinds 2012, toen een nieuwe, door de internationale gemeenschap gesteunde regering is aangetreden, grote vooruitgang heeft geboekt in de richting van vrede en stabiliteit; overwegende dat de ISIS/Da'esh-subgroep in Somalië, ondanks de grote verliezen die al-Shabaab heeft geleden door terrorismebestrijdingsoperaties, aanzienlijk is gegroeid;

F.  overwegende dat Somalië op 8 februari 2017 zijn eerste vrije verkiezingen heeft gehouden sinds de aantreding van de internationaal gesteunde regering; overwegende dat het kiesstelsel een stap voorwaarts betekende wat de participatie betreft, maar slechts beperkte kiesmogelijkheden bood; overwegende dat de regering heeft toegezegd voor de verkiezingen in 2020/2021 te zullen overstappen naar een ongewogen kiesstelsel op basis van het algemeen kiesrecht;

G.  overwegende dat het mandaat van de missie van de Afrikaanse unie in Somalië is verlengd tot 31 juli 2018; overwegende dat het aantal Amisom-medewerkers in uniform volgens resolutie 2372/17 van de VN-Veiligheidsraad tegen 30 oktober 2018 moet worden teruggebracht tot 20 626; overwegende dat Amisom-medewerkers zijn beschuldigd van mensenrechtenschendingen, seksueel geweld en wangedrag tijdens de dienst;

H.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting, een fundamentele pijler van iedere goedwerkende democratie, in Somalië nog altijd zeer beperkt is; overwegende dat journalisten, mensenrechtenactivisten, activisten uit het maatschappelijk middenveld en politieke leiders nog dagelijks te kampen hebben met bedreigingen; overwegende dat al-Shabaab blijft intimideren, arresteren zonder behoorlijk proces en zelfs doden; overwegende dat de autoriteiten zelden een onderzoek instellen naar dergelijke gevallen; overwegende dat Somalië al acht jaar op rij door de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) is aangemerkt als het dodelijkste land in Afrika voor journalisten en andere mediaprofessionals om te werken en gebruik te maken van hun recht op vrije meningsuiting,

I.  overwegende dat het recht op vrije vergadering en vakbondsactiviteiten van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van iedere goedwerkende democratie; overwegende dat de federale overheid van Somalië de oprichting en het bestaan van onafhankelijke vakbonden niet toestaat; overwegende dat vakbondsleden en activisten die opkomen voor de rechten van werknemers in Somalië dagelijks te maken hebben met intimidatie, represailles en pesterijen; overwegende dat stigmatisering en lastercampagnes tegen vakbondsmedewerkers in Somalië aan de orde van de dag zijn;

J.  overwegende dat de IAO tussenbeide is gekomen naar aanleiding van een klacht over schending van de vrijheid van vereniging door de Somalische regering; overwegende dat de IAO de regering heeft opgedragen de heer Faruk Osman onverwijld te erkennen als leider van de nationale unie van Somalische journalisten (NUSOJ) en de federatie van Somalische vakbonden (FESTU);

K.  overwegende dat de VN-mensenrechtendeskundige openlijk heeft verklaard dat Somalië zijn internationale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten niet nakomt en de situatie voor vakbondsleden blijft verslechteren, ondanks specifieke aanbevelingen van het bestuursorgaan van de IAO aan de Somalische regering om zich te weerhouden van verdere inmenging in de in Somalië geregistreerde vakbonden, met bijzondere vermelding van NUSOJ en FESTU;

L.  overwegende dat mensenrechtenschendingen in Somalië wijdverbreid zijn; overwegende dat hiervoor veelal niet-overheidsactoren – al-Shabaab-militanten en clanmilities – maar ook overheidsactoren verantwoordelijk zijn; overwegende dat er sprake is geweest van buitengerechtelijke executies, seksueel en gendergerelateerd geweld, willekeurige arrestaties en detenties en ontvoeringen; overwegende dat de Somalische nationale veiligheids- en inlichtingendienst (NISA) de internationale mensenrechten volgens het Mensenrechtenbureau van de VN stelselmatig schendt; overwegende dat deze dienst vaak buitengerechtelijk te werk gaat en te uitgebreide bevoegdheden heeft;

M.  overwegende dat de politieke situatie echter instabiel is en het bestuur zwak blijft, wat vooruitgang op het vlak van justitie en hervormingen van de veiligheidssector in de weg staat; overwegende dat Somalië volgens Transparency International het meest corrupte land ter wereld is;

N.  overwegende dat militaire rechtbanken een brede waaier aan zaken blijven behandelen, ook met betrekking tot terrorismegerelateerde overtredingen, zonder te voldoen aan de internationale normen voor een eerlijk proces; overwegende dat tegen het derde kwartaal van 2017 ten minste 23 personen terecht waren gesteld naar aanleiding van veroordelingen door een militaire rechtbank, voornamelijk op grond van aanklachten in verband met terrorisme; overwegende dat op 13 februari 2017 zeven beklaagden, onder wie een kind, in Puntland ter dood werden veroordeeld wegens moord, grotendeels op basis van bekentenissen die onder dwang van de inlichtingendiensten van Puntland waren verkregen; overwegende dat vijf van hen in april van hetzelfde jaar zijn terechtgesteld;

O.  overwegende dat het politieke landschap verder wordt bemoeilijkt door buitenlandse belangen; overwegende dat de federale overheid van Somalië neutraal heeft willen blijven in het bredere conflict tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië enerzijds en Qatar anderzijds; overwegende dat Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten als vergelding hun regelmatige begrotingssteunbetalingen aan Somalië hebben stopgezet, waardoor de overheid nog minder goed in staat is de veiligheidstroepen te betalen;

P.  overwegende dat kinderen tot de grootste slachtoffers van het conflict in Somalië behoren; overwegende dat er talloze gevallen zijn geweest van ontvoeringen en rekrutering van kinderen door terroristische groeperingen; overwegende dat zij door de Somalische veiligheidstroepen als vijand zijn behandeld en dikwijls zijn vermoord, verminkt, gearresteerd en opgesloten;

Q.  overwegende dat in een verslag van Human Rights Watch van 21 februari 2018 wordt gewezen op de schendingen – met inbegrip van foltering, mishandeling, opsluiting en seksueel geweld – waarvan kinderen in hechtenis sinds 2015 het slachtoffer zijn geworden vanwege hun terrorismegerelateerde activiteiten; overwegende dat kinderen in Puntland ter dood zijn veroordeeld wegens terroristische misdrijven;

R.  overwegende dat na jaren van droogte, 230 000 mensen ontheemd zijn geraakt door de overstromingen die werden veroorzaakt door de recente recordhoeveelheid neerslag, en dat naar schatting meer dan de helft van hen kinderen zijn; overwegende dat er in het hele land al ongeveer 2,6 miljoen mensen zijn getroffen door de droogte en het conflict;

S.  overwegende dat een groot aantal van de geregistreerde burgerslachtoffers zijn gemaakt door clanmilities; overwegende dat clanconflicten voornamelijk worden veroorzaakt door onenigheden over grond en grondstoffen, die nog eens worden versterkt door een aanhoudende spiraal van vergelding; overwegende dat dergelijke conflicten worden verergerd door de schaarste van grondstoffen en door droogte; overwegende dat regeringsvijandige elementen deze conflicten uitbuiten om de stabiliteit in bepaalde gebieden verder te ondermijnen;

T.  overwegende dat voedselonzekerheid een groot probleem blijft voor de Somalische staat en bevolking; overwegende dat volgens het directoraat‑generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp van de Commissie ongeveer de helft van de 12 miljoen inwoners van Somalië te kampen heeft met voedselonzekerheid en humanitaire bijstand nodig heeft; overwegende dat naar schatting 1,2 miljoen kinderen acuut ondervoed zijn, en dat 232 000 van hen hierdoor in een levensbedreigende situatie zal komen; overwegende dat grote delen van het land zich nog niet hebben hersteld van de hongersnood van 2011-2012; overwegende dat de voedselonzekerheidsproblematiek in Somalië wordt versterkt door de droogte;

U.  overwegende dat in Kenia verschillende Somalische vluchtelingenkampen zijn, waaronder het Dadaabkamp, waar zich 350 000 vluchtelingen bevinden; overwegende dat de Keniaanse autoriteiten, aangezien de internationale gemeenschap er niet in is geslaagd passende ondersteuning te bieden, van plan zijn deze kampen in te dammen door aan te dringen op terugkeer naar Somalië;

V.  overwegende dat internationale humanitaire actoren een beslissende rol spelen bij het tegengaan van voedselonzekerheid en het bieden van humanitaire bijstand; overwegende dat zij een enorme bijdrage hebben geleverd aan het afwenden van een humanitaire ramp in Somalië; overwegende dat er is geprobeerd humanitaire hulp te gebruiken voor de financiering van oorlogvoering;

W.  overwegende dat de EU haar jaarlijkse humanitaire steun aan Somalië sinds 2016 geleidelijk heeft opgevoerd, met name naar aanleiding van de ernstige droogte waarmee het land te kampen heeft, en in 2017 120 miljoen EUR heeft toegewezen aan humanitaire partners; overwegende dat het internationale humanitaire responsplan voor maar 24 % is gefinancierd;

X.  overwegende dat de EU 486 miljoen EUR heeft verstrekt via het Europees Ontwikkelingsfonds (2014-2020), en daarbij de nadruk heeft gelegd op staats- en vredesopbouw, voedselzekerheid, weerbaarheid en onderwijs; overwegende dat de EU ook Amisom ondersteunt via de Vredesfaciliteit voor Afrika; overwegende dat Amisom, de 22 000 man tellende vredesmacht van de Afrikaanse Unie, bepaalde delen van Somalië een zekere mate van stabiliteit heeft gebracht; overwegende dat delen van het land onder controle blijven van of bedreigd worden door de radicale islamistische Shabaab-beweging, of bestuurd worden door afzonderlijke autoriteiten, zoals het geval is in Somaliland en Puntland;

1.  veroordeelt alle terroristische aanslagen tegen de Somalische bevolking, die gepleegd worden door zowel al-Shabaab als door andere extremistische terroristische groeperingen; herhaalt dat er geen legitieme redenen zijn voor het ondernemen van terroristische activiteiten; dringt erop aan dat de verantwoordelijken voor terroristische aanslagen en mensenrechtenschendingen conform de internationale mensenrechten worden berecht; betuigt zijn innige deelneming aan de slachtoffers van de terroristische aanslagen in Somalië en aan hun achterblijvende gezinnen en betreurt ten zeerste dat er dodelijke slachtoffers zijn gevallen; herinnert de Somalische autoriteiten aan hun verplichting om de mensenrechten te waarborgen en de burgerbevolking onder alle omstandigheden te beschermen;

2.  onderstreept dat het wegnemen van de achterliggende oorzaken van terrorisme, zoals het gebrek aan veiligheid, armoede, mensenrechtenschendingen, de aantasting van het milieu, straffeloosheid, een gebrek aan gerechtigheid en onderdrukking, enorm zou bijdragen aan de uitbanning van terroristische organisaties en activiteiten in Somalië; is van oordeel dat onderontwikkeling en een gebrek aan veiligheid een vicieuze cirkel vormen; roept internationale actoren, waaronder de EU, er daarom toe op de veiligheidssector te hervormen en capaciteitsopbouwinitiatieven te nemen om coherentie tussen hun ontwikkelings- en veiligheidsbeleid in Somalië te waarborgen; verzoekt de EU het vredes- en verzoeningsproces in Somalië te blijven steunen via het kader voor wederzijdse verantwoording en het veiligheidspact;

3.  spoort de federale overheid van Somalië ertoe aan zich te blijven inspannen voor vredes- en staatsopbouw met het oog op de ontwikkeling van sterke instellingen conform de beginselen van de rechtsstaat die in staat zijn fundamentele openbare diensten te bieden, alsook met het oog op het waarborgen van veiligheid, vrijheid van meningsuiting en van vereniging; is verheugd over het feit dat al-Shabaab er niet in is geslaagd het verkiezingsproces van 2016-2017 te ondermijnen; verzoekt de federale overheid van Somalië ervoor te zorgen dat er vóór de verkiezingen van 2020-2021 sprake is van een kiesstelsel op basis het ongewogen algemeen kiesrecht; brengt in herinnering dat blijvende stabiliteit en vrede alleen tot stand kunnen worden gebracht door sociale inclusie, duurzame ontwikkeling en behoorlijk bestuur op grond van de beginselen van democratie en de rechtsstaat;

4.  verzoekt de federale overheid van Somalië haar inspanningen voor de consolidatie van de rechtsstaat in het hele land op te voeren; stelt dat straffeloosheid een belangrijke oorzaak is van de zichzelf in stand houdende geweldspiraal en de verslechtering van de mensenrechtensituatie; wenst dat de Somalische autoriteiten toekomstige civiele zaken onder jurisdictie van een militaire rechtbank overdragen naar een civiele rechtbank; verzoekt de Somalische president hangende doodvonnissen onmiddellijk om te zetten, als een eerste stap in de richting van een moratorium op alle doodvonnissen; is van oordeel dat enkel de rechtsstaat een eind kan maken aan straffeloosheid; verzoekt de regering en internationale actoren te blijven werken aan een onafhankelijke rechterlijke macht, onafhankelijke en geloofwaardige onderzoeken naar tegen Somalische journalisten gepleegde misdrijven, de uitbanning van corruptie, en de opbouw van verantwoordingsplichtige instellingen, met name in de veiligheidssector; juicht in dit verband toe dat de regering vorig jaar in samenwerking met de VN en de EU een landelijk justitieel opleidingsprogramma is gestart;

5.  betreurt de schendingen van de vrijheid van meningsuiting door overheids- en niet-overheidsactoren in Somalië; maakt zich zorgen over de autocratische benadering van de huidige overheid en enkele van de regionale overheden, waarbij politieke tegenstanders en vreedzame critici worden gearresteerd; beschouwt iedere vorm van intimidatie, pesterijen, detentie of doding van journalisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld als volledig onaanvaardbaar; vraagt de Somalische autoriteiten te stoppen met het gebruiken van NISA om onafhankelijke journalisten en politieke tegenstanders te intimideren; verzoekt de regering en de EU, in het kader van haar activiteiten in Somalië met betrekking tot de rechtsstaat, om ervoor te zorgen dat voor NISA regels worden vastgesteld met effectieve controlemechanismen; is van mening dat de vrijheid van meningsuiting en van denken onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van een sterke en democratische samenleving; verzoekt de federale overheid van Somalië erop toe te zien dat de vrijheid van meningsuiting volledig wordt geëerbiedigd; verzoekt de Somalische regering het strafwetboek, de nieuwe mediawet en andere wetgeving te herzien, om ze aan te passen aan de internationale verplichtingen van Somalië inzake het recht op vrije meningsuiting en vrije media;

6.  uit zijn zorgen over bepaalde buitenlandse belangen waardoor het politieke landschap verder wordt bemoeilijkt; merkt op met betrekking tot het bredere conflict tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië enerzijds en Qatar anderzijds dat de federale overheid van Somalië, in haar poging neutraal te blijven, het nu moet stellen zonder regelmatige begrotingssteunbetalingen van Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, waardoor de overheid nog minder goed in staat is de veiligheidstroepen te betalen; verzoekt de Verenigde Arabische Emiraten met klem onmiddellijk een einde te maken aan iedere vorm van destabilisering van Somalië en de soevereiniteit en territoriale integriteit van Somalië te eerbiedigen;

7.  veroordeelt de ernstige schendingen van de vrijheid van vereniging en meningsuiting van de vrije en onafhankelijke Somalische vakbonden, en met name de aanhoudende onderdrukking van de NUSOJ en de FESTU ten stelligste, en dringt aan op een beëindiging van het lopende onderzoek en de zaak van de procureur-generaal tegen de heer Omar Faruk Osman, secretaris-generaal van NUSOJ, wegens het organiseren van een viering van de Werelddag van de persvrijheid zonder toestemming van het Ministerie van Informatie;

8.  veroordeelt de onderdrukking van vakbondsleden door de Somalische staat; roept de Somalische staat ertoe op een eind te maken aan alle vormen van onderdrukking van vakbondsleden; dringt erop aan dat de regering de oprichting van onafhankelijke vakbonden toelaat; is er stellig van overtuigd dat vakbonden onontbeerlijk zijn voor het garanderen van de rechten van werknemers in Somalië; wijst erop dat onafhankelijke vakbonden in grote mate kunnen bijdragen aan de verbetering van de veiligheidssituatie in Somalië;

9.  spoort de federale overheid van Somalië ertoe aan de internationale rechtsorde te eerbiedigen en de besluiten van de IAO met betrekking tot zaak nr. 3113 te aanvaarden en volledig ten uitvoer te leggen;

10.  looft de werkzaamheden van de UNSOM in alle aspecten, en met name op het vlak van het monitoren van de mensenrechten in Somalië, evenals het besluit van de VN-Veiligheidsraad om haar mandaat te verlengen tot 31 maart 2019; is ingenomen met de inspanningen van de Afrikaanse Unie om een zekere mate van stabiliteit in Somalië te doen wederkeren en om het politieke overgangsproces te organiseren; dringt aan op beter EU-toezicht en -capaciteitsopbouw om te zorgen voor verantwoordingsplicht voor misbruik door Amisom-troepen, met name gezien het feit dat de EU de hoofdmoot van de financiering ter beschikking stelt; dringt er bij Amisom op aan zijn mandaat volledig uit te voeren om de burgerbevolking te beschermen.

11.  betreurt de rekrutering van kindsoldaten in Somalië en beschouwt dit als een afgrijselijke oorlogsmisdaad; is van oordeel dat kinderen een van de kwetsbaarste groepen vormen in het conflict; verzoekt alle gewapende groeperingen onmiddellijk een eind te maken aan deze praktijk en alle reeds gerekruteerde kinderen vrij te laten; verzoekt de staat ze niet als overtreders maar als terrorisme- en oorlogsslachtoffers te behandelen, en roept de EU ertoe op de Somalische regering te steunen bij de rehabilitatie en re-integratie; vraagt de Somalische autoriteiten met klem een eind te maken aan de willekeurige detentie van kinderen die vermoedelijk onrechtmatig met al-Shabaab in verband worden gebracht; spoort alle actoren in Somalië ertoe aan de doelstellingen van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind betreffende de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten te eerbiedigen, en vraagt de federale overheid van Somalië dit verdrag onverwijld te ratificeren;

12.  is ingenomen met de selectie van commissarissen voor de onlangs opgerichte onafhankelijke nationale mensenrechtencommissie van Somalië, en verzoekt de Somalische regering de commissie zo spoedig mogelijk te benoemen; maakt zich grote zorgen over de berichten dat Somalische veiligheidstroepen zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen, met inbegrip van moord, willekeurige detentie, foltering, verkrachting en ontvoering; verzoekt de autoriteiten erop toe te zien dat alle schendingen volledig worden onderzocht en dat de schuldigen worden berecht; spoort de regering en de EU ertoe aan de technische deskundigheid van de Somalische criminele inlichtingendienst (CID) te verbeteren, zodat deze grondige en effectieve onderzoeken kan uitvoeren, met eerbiediging van de rechten van de burgers; verzoekt binnenlandse en buitenlandse troepen die betrokken zijn bij de strijd tegen al‑Shabaab het internationaal recht te eerbiedigen; verzoekt de Somalische regering een eind te maken aan de gedwongen uitzetting van binnenlands ontheemden, ook in Mogadishu, de hoofdstad van het land;

13.  prijst de Somalische regering ervoor dat zij na een driedaagse nationale grondwetsconventie in mei 2018 is gestart met de herziening van de Somalische tijdelijke grondwet, welke zal leiden tot een permanente Somalische grondwet; spoort de Somalische regering ertoe aan het Somalische nationale actieplan voor de preventie en bestrijding van gewelddadig extremisme, als onderdeel van de door Amisom gesteunde brede veiligheidsaanpak van het land, af te ronden;

14.  beschouwt gendergerelateerd en seksueel geweld tegen vrouwen, mannen, jongens en meisjes, waarbij vooral vrouwen en meisjes worden getroffen, als een afschuwelijke oorlogsmisdaad; roept de staat op zich sterker in te zetten voor de bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving; juicht in dit verband toe dat de regering vorig jaar in samenwerking met de VN en de EU een landelijk justitieel opleidingsprogramma is gestart; geeft nogmaals uiting aan zijn diepe zorgen over de rechten van vrouwen; verzoekt de bevoegde autoriteiten gendergelijkheid en een sterkere positie van vrouwen te bevorderen; veroordeelt het illegaal verklaren van homoseksualiteit in Somalië en de criminalisering van LGBTI;

15.  betreurt de barre mensenrechtensituatie die een bedreiging vormt voor het leven van miljoenen Somaliërs; brengt in herinnering dat het dodental als gevolg van de hongersnood van 2011 nog hoger uitviel door de onveiligheid en de acties van de extremistische militanten van al-Shabaab, die voedselleveringen in gebieden in zuidelijk Centraal-Somalië die zich destijds onder hun controle bevonden, bemoeilijkten; roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap ertoe op de steun aan de Somalische bevolking op te voeren, om de levensomstandigheden van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen te verbeteren en het hoofd te bieden aan de gevolgen van ontheemding, voedselonzekerheid, epidemieën en natuurrampen; veroordeelt alle aanslagen op humanitaire actoren en vredeshandhavers in Somalië; dringt erop aan dat de EU-steun wordt afgestemd op internationaal overeengekomen beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, om de onlangs goedgekeurde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de president, de premier en het parlement van Somalië, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 127.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0229.


Burundi
PDF 131kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over Burundi (2018/2785(RSP))
P8_TA(2018)0305RC-B8-0333/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi, met name die van 9 juli 2015(1), 17 december 2015(2), 19 januari 2017(3) en 6 juli 2017(4),

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou, en met name artikel 96,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 2248 (2015) van 12 november 2015 en 2303 (2016) van 29 juli 2016 over de situatie in Burundi,

–  gezien de mondelinge briefing van de VN-onderzoekscommissie voor Burundi (UNCI) aan de Mensenrechtenraad van de VN, van 27 juni 2018,

–  gezien het eerste verslag van de secretaris-generaal van de VN over de situatie in Burundi, dat op 23 februari 2017 gepubliceerd is, en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over de politieke situatie en het voortdurende geweld in Burundi, waarin sterk wordt aangedrongen bij de regering en alle partijen om dergelijk geweld onmiddellijk te staken en af te wijzen,

–  gezien het persbericht van de VN-Veiligheidsraad van 13 maart 2017 over de situatie in Burundi en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 5 april 2018 waarin alle schendingen van en inbreuken op de mensenrechten in Burundi veroordeeld worden,

–  gezien het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie van de VN over Burundi (UNIIB), gepubliceerd op 20 september 2016,

–  gezien de resolutie van de Mensenrechtenraad van de VN van 30 september 2016 over de situatie van de mensenrechten in Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de verklaring van de top van de Afrikaanse Unie op 13 juni 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien het besluit van de Raad voor vrede en veiligheid en de toestand van vrede en veiligheid in Afrika (Assembly/AU/Dec.598 (XXVI), aangenomen tijdens de 26e gewone zitting van de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie, die op 30 en 31 januari 2016 in Addis Abeba (Ethiopië) is gehouden,

–  gezien de besluiten en verklaringen van de Raad voor vrede en veiligheid en de toestand van vrede en veiligheid in Afrika (Assembly/AU/Dec.605-620 (XXVII), aangenomen tijdens de 27e gewone zitting van de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie, die op 17 en 18 juli 2016 in Kigali (Rwanda) is gehouden,

–  gezien de resolutie van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren van 4 november 2016 over de situatie van de mensenrechten in de Republiek Burundi,

–  gezien de verklaring van de top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van 31 mei 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien Besluit (EU) 2016/394 van de Raad van 14 maart 2016 betreffende de afsluiting van het overleg met de Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds(5),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015(6), alsook de besluiten (PESC) 2015/1763 van 1 oktober 2015(7) en (PESC) 2016/1745 van 29 september 2016(8) van de Raad betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi,

–  gezien de conclusies van de Raad over Burundi van 16 maart, 18 mei, 22 juni, 16 november 2015 en 15 februari 2016 over Burundi,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 28 mei 2015, 19 december 2015, 21 oktober 2016 en 27 oktober 2017;

–  gezien de verklaring van 8 juni 2018 van de woordvoerder van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) over de situatie in Burundi,

–  gezien de verklaring van de VV/HV namens de EU van 8 mei 2018 over de situatie in Burundi in de aanloop naar het grondwettelijk referendum,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 6 januari 2017 over het verbieden van de Ligue Iteka in Burundi,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burundi vanaf april 2015 een politieke, mensenrechten- en humanitaire crisis kent, toen president Nkurunziza aankondigde dat hij zich kandidaat zou stellen voor een omstreden derde termijn, en die aankondiging gevolgd werd door maanden van dodelijke onrust gedurende welke 593 personen gedood zijn volgens het Internationaal Strafhof (ICC), en sindsdien, volgens de UNHCR, 413 000 mensen het land zijn ontvlucht en 169 000 intern zijn ontheemd; overwegende dat, volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA), 3,6 miljoen mensen in het land humanitaire hulp nodig hebben ;

B.  overwegende dat de grondwetswijzigingen waarmee tijdens het referendum ingestemd is de uitbreiding van bevoegdheden van de president omvat, alsmede de beperking van de macht van de vicepresident, de benoeming van de eerste minister door de president, de invoering van een procedure waarmee wetten en wetswijzigingen met een gewone meerderheid van stemmen in het Parlement kunnen worden aangenomen, de mogelijkheid om de door de Overeenkomst van Arusha ten uitvoer gelegde quota te herzien, en het verbod op regeringsdeelname van politieke partijen die minder dan 5 % van de stemmen hebben; overwegende dat dit alles de Overeenkomst van Arusha in gevaar brengt;

C.  overwegende dat in de aanloop naar het referendum over de grondwet op 17 mei 2018 het geweld tegen en intimidatie van politieke tegenstanders in het hele land is geëscaleerd met de gedwongen verdwijning en intimidatie van tegenstanders van de genoemde constitutionele herziening; overwegende dat het grondwettelijk referendum het ook mogelijk maakt de na onderhandelingen tot stand gekomen bepalingen van de Overeenkomst van Arusha te schrappen, wat kan leiden tot minder inclusiviteit en tot ernstige gevolgen voor de politieke stabiliteit in Burundi; overwegende dat, ondanks de wijzigingen in de grondwet, president Nkurunziza heeft aangekondigd niet deel te nemen aan de verkiezingen van 2020;

D.  overwegende dat, volgens Amnesty International, tijdens de officiële campagneperiode, dikwijls melding is gemaakt van arrestaties, mishandeling en intimidatie van hen die campagne voerden om "nee" te stemmen; overwegende dat het referendum plaatsvond in een dusdanige context van voortdurende repressie dat de Burundese katholieke bisschoppen hebben gezegd dat veel burgers zozeer in angst leven dat mensen niet durven te zeggen wat zij denken, uit angst voor represailles;

E.  overwegende dat de UNCI erop heeft gewezen dat politiek geweld, willekeurige arrestaties, buitengerechtelijke executies, mishandelingen, haatzaaiende uitlatingen en diverse andere vormen van geweld een plaag blijven voor de bevolking; overwegende dat de Imbonerakure, de jeugdliga van de heersende politieke partij, blijft doorgaan met het plegen van mensenrechtenschendingen en intimidatiepraktijken, zoals het opzetten van wegblokkades en controleposten in sommige provincies, afpersing, het lastig vallen van voorbijgangers, arrestatie van personen die zij verdenken van banden met de oppositie, van wie velen worden vastgehouden, gemarteld, verkracht, mishandeld en van wie sommigen sterven als gevolg daarvan;

F.  overwegende dat tijdens de periode van het referendum in 2018, mensenrechtenorganisaties melding hebben gemaakt van gevallen van een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en een verslechterend mediaklimaat, zowel op nationaal als op lokaal niveau; overwegende dat sinds 2015 lokale ngo's en mensenrechtenactivisten steeds vaker bedreigd en als doelwit gekozen worden door de regering en de persvrijheid en de omstandigheden waaronder journalisten werken voortdurend verslechteren; overwegende dat particuliere media en journalisten reeds een hoge prijs hebben betaald in de strijd met de regering, door onder meer het slachtoffer te zijn van arrestaties, standrechtelijke executies en gedwongen verdwijningen of soms door de regering aangemerkt te worden als crimineel of zelfs terrorist;

G.  overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen in zijn World Press Freedom Index 2018 Burundi op de 156e plaats (van 180) heeft gezet;

H.  overwegende dat veel mensenrechtenactivisten lange celstraffen uitzitten, zoals met name Germain Rukuki, die voor de "Association des juristes catholiques du Burundi" werkzaam is en tot 32 jaar is veroordeeld, dan wel in afwachting van een proces vastgehouden worden, zoals Nestor Nibitanga; overwegende dat restrictieve wetten zijn goedgekeurd om lokale en internationale ngo's te controleren; overwegende dat sommige organisaties gedwongen zijn om hun activiteiten op te schorten en andere om definitief te sluiten, zoals de Iteka-liga, de Focode en ACAT; overwegende dat veel leiders en mensenrechtenactivisten in ballingschap zijn gegaan terwijl zij die nog aanwezig zijn onder niet aflatende druk staan of gearresteerd kunnen worden; overwegende dat Emmanuel Nshimirimana, Aimé Constant Gatore, en Marius Nizigama tot gevangenisstraffen van 10 tot 32 jaar zijn veroordeeld, terwijl Nestor Nibitanga 20 jaar kan worden opgelegd; overwegende dat de journalist Jean Bigirimana al twee jaar vermist wordt en een van de vele slachtoffers is van gedwongen verdwijningen tijdens deze crisis;

I.  overwegende dat de rechters van het ICC in oktober 2017 de aanklager van het ICC toestemming hebben verleend om een onderzoek te starten naar misdaden die binnen de jurisdictie van het Hof vallen en naar verluidt tussen 26 april 2015 en 26 oktober 2017 in Burundi en door staatsburgers van Burundi buiten Burundi zijn gepleegd; overwegende dat Burundi op 27 oktober 2017 de eerste natie was die zich uit het Internationaal Strafhof heeft teruggetrokken nadat het Hof in april 2016 besloten had om een voorlopig onderzoek te starten naar geweld en mensenrechtenschendingen en mogelijke misdaden tegen de menselijkheid in Burundi, terwijl in het land het regime straffeloos blijf doden;

J.  overwegende dat de aanwezigheid van Burundese troepen in vredesmissies het de regering van president Pierre Nkurunziza mogelijk maakt om de realiteit van de interne problemen te verhullen en Burundi als een stabiliserende factor in andere in een crisis verkerende landen te presenteren, in tijden dat dit land zelf een ongekende crisis doormaakt die gekenmerkt wordt door brute schendingen van mensenrechten; overwegende dat Burundi op deze wijze enorme hoeveelheden geld verdient dat niet wordt herverdeeld ten behoeve van de bevolking; overwegende dat vreedzame, vrije, democratische en onafhankelijke verkiezingen niet mogelijk zijn zolang de militie Imbonerakure niet wordt ontbonden;

K.  overwegende dat Burundi in een steeds verslechterende socio-economische toestand verkeert en op de een na laatste plaats staat wat de bnp per capita betreft; overwegende dat 3,6 miljoen Burundezen (30 % van de bevolking) hulp nodig heeft en 1,7 miljoen mensen in voedselonzekerheid verkeren; overwegende dat deze armoedetoestand is verslechterd door een invoering van een "vrijwillige" bijdrage aan de verkiezingen van 2020, die dikwijls gedwongen wordt geïnd door de Imbonerakure en ongeveer 10 % of meer bedraagt van het maandsalaris van ambtenaren;

L.  overwegende dat op de 30e top van de Afrikaanse Unie en de 19e top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de Afrikaanse Unie en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap hun steun hebben toegezegd aan een vreedzame oplossing van de politieke situatie in Burundi door middel van een inclusieve dialoog op basis van de Arusha-overeenkomst van 28 augustus 2000;

M.  overwegende dat een aantal bilaterale en multilaterale partners, gezien de situatie in Burundi, hun financiële en technische steun aan de regering van Burundi hebben opgeschort; overwegende dat de EU de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese regering, waaronder begrotingssteun, heeft opgeschort, maar haar steun voor de bevolking handhaaft;

N.  overwegende dat de EU en de VS gerichte en individuele sancties hebben vastgesteld tegen Burundi; overwegende dat de Raad op 23 oktober 2017 de beperkende maatregelen van de EU tegen Burundi heeft verlengd tot 31 oktober 2018; overwegende dat deze maatregelen bestaan uit een reisverbod en een bevriezing van tegoeden ten aanzien van personen wier activiteiten geacht worden de democratie te ondermijnen of de zoektocht naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi te belemmeren;

O.  overwegende dat de Mensenrechtenraad van de VN de resultaten van de universele periodieke evaluatie van Burundi tijdens zijn 38e zitting op 28 juni 2018 heeft overgenomen; overwegende dat Burundi 125 van de 242 aanbevelingen van de evaluatie heeft aanvaard, en met name die aanbevelingen heeft verworpen die oproepen tot praktische stappen ter verbetering van de reputatie van het land op het gebied van de mensenrechten;

P.  overwegende dat het Grondwettelijk Hof de uitslag van het referendum van 17 mei 2018 heeft bevestigd en een verzoekschrift van de oppositie dat gewag maakt van intimidatie en geweld, heeft verworpen;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de endemische straffeloosheid en schendingen van de mensenrechten, waaronder standrechtelijke executies, foltering, gedwongen verdwijningen en willekeurige detentie; herinnert Burundi aan zijn verplichting, als lid van de Mensenrechtenraad van de VN, opnieuw en volledig samen te werken met de UNCI over Burundi en het team van drie VN-deskundigen, en de speciale VN-rapporteur voor de situatie van verdedigers van de mensenrechten toegang tot het land te verlenen;

2.  verzoekt de regering van Burundi om de Overeenkomst van Arusha volledig na te komen als het belangrijkste instrument voor vrede en stabiliteit in het land; verzoekt de regering van Burundi, als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), zijn internationale juridische verplichtingen met betrekking tot de mensen- en burgerrechten na te komen, en de in het verdrag verankerde vrijheid van meningsuiting en vereniging te beschermen;

3.  veroordeelt nogmaals de intimidatie van, de onderdrukking van en het geweld tegen journalisten, aanhangers van de oppositie en mensenrechtenactivisten; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan de rechtsstaat en fundamentele mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, te eerbiedigen, en onmiddellijk en onvoorwaardelijk Germain Rukuki, Nestor Nibitanga, Emmanuel Nshimirimana, Aimé Constant Gatore en Marius Nizigama vrij te laten, vijf mensenrechtenactivisten die uitsluitend worden vastgehouden voor hun activiteiten op het gebied van de mensenrechten, maar door de autoriteiten beschuldigd worden van ondermijning van de binnenlandse staatsveiligheid; verzoekt de Burundese autoriteiten onderzoeken te starten naar de situatie van de journalist Jean Bigirimana;

4.  veroordeelt het besluit van Burundi om zich uit het ICC terug te trekken; staat achter de voortzetting van het onderzoek van het ICC naar de talrijke misdaden en gevallen van repressie in Burundi; vraagt de Unie zich te blijven inspannen voor de verantwoordingsplicht voor de in Burundi gepleegde misdaden; verwacht dat Burundi de samenwerking met het Internationaal Strafhof hervat en voortzet, gelet op het feit dat de strijd tegen straffeloosheid, de vervolging van alle schendingen van de mensenrechten, en verantwoordingsplicht noodzakelijke stappen zijn om aan de crisis een einde te maken en tot een blijvende vreedzame oplossing te komen;

5.  is ingenomen met de mondelinge briefing van de UNCI en prijst haar cruciale werkzaamheden bij het documenteren van de voortdurende mensenrechtencrisis in het land;

6.  benadrukt zijn bezorgdheid over de humanitaire situatie, die gekenmerkt wordt door 169 000 intern ontheemden, 1,67 miljoen mensen die humanitaire hulp nodig hebben, en meer dan 410 000 Burundezen die hun toevlucht zoeken in buurlanden; prijst de gastlanden om hun inspanningen en verzoekt de regeringen in de regio ervoor te zorgen dat de terugkeer van vluchtelingen gebaseerd is op weloverwogen beslissingen en veilig en waardig uitgevoerd wordt;

7.  betreurt evenwel het trage proces van de inter‑Burundese dialoog die door de Oost-Afrikaanse Gemeenschap wordt geleid en het gebrek aan inzet van de kant van de regering van Burundi in dat verband, en verzoekt alle partijen, met name de Burundese autoriteiten, zich te verbinden tot een dringende hervatting van de inter-Burundese dialoog, die moet worden georganiseerd in een daadwerkelijk inclusief kader en zonder voorwaarden;

8.  vraagt om een vernieuwde en gecoördineerde aanpak tussen de AU, de EU, de Economische Commissie voor Afrika (ECA) van de VN en de VN als geheel; betreurt het dat de regering van Burundi geen rekening houdt met de verslagen van de secretaris-generaal van de VN, de resoluties van de Mensenrechtenraad van de VN in Genève, het besluit van de AU van januari 2018 en de bemiddelingsinspanningen van de ECA; moedigt bilaterale en multilaterale partners en de regering van Burundi aan om hun dialoog voort te zetten met de bedoeling dat de regering van Burundi voorwaarden schept die bevorderlijk zijn voor de hervatting van de hulp; verzoekt alle Burundese belanghebbenden actief aan dit proces deel te nemen; spreekt nogmaals zijn steun uit aan het bemiddelingsproces met de steun van de AU en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN;

9.  prijst de bijstand die bilaterale en multilaterale partners verlenen om de humanitaire situatie te verlichten en verzoekt de internationale gemeenschap steun te blijven geven om aan de humanitaire behoeften in het land tegemoet te komen; spoort de Commissie aan in 2018 aanvullende rechtstreekse steun te verlenen aan de bevolking; benadrukt dat een terugkeer naar een klassieke vorm van samenwerking de terugkeer vereist van de rechtsstaat en democratie, waartoe de bestrijding van straffeloosheid en bescherming van de Burundese burgers behoren;

10.  is ongerust dat de voortdurende politiek crisis kan uitmonden in een etnisch conflict door het gebruik van propaganda, verklaringen die tot haat aanzetten of oproepen tot geweld, waarbij opposanten, leden van maatschappelijke organisaties, journalisten en de Tutsi gelijkgesteld worden met "vijanden van het regime" die moeten worden uitgeschakeld; dringt er bij alle partijen in Burundi op aan zich te onthouden van elke gedraging of taaluiting die het geweld kan verergeren, de crisis kan verdiepen of de regionale stabiliteit op de lange termijn kan aantasten;

11.  blijft ernstig bezorgd dat de nieuwe grondwet die bij het referendum van 17 mei 2018 is aanvaard, een begin kan zijn van het uithollen van de bepalingen in de Overeenkomst van Arusha, waarover met zorg is onderhandeld en die geholpen hebben een einde te maken aan de burgeroorlog in Burundi;

12.  bevestigt nogmaals zijn steun aan het besluit van de Europese Unie, na overleg met de autoriteiten van Burundi overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese regering op te schorten en verwelkomt de vaststelling door de EU van reisbeperkingen en de bevriezing van tegoeden van de degenen die verantwoordelijk zijn voor het schenden van mensenrechten en het tegenwerken van de vredesinspanningen;

13.  eist dat een einde wordt gemaakt aan verdere betaling aan de Burundese soldaten en de verschillende contingenten uit Burundi die betrokken zijn bij vredesmissies van de VN en de AU; neemt kennis van de aankondiging van president Nkurunziza dat hij niet voor een nieuwe ambtstermijn in 2020 in aanmerking wil komen; verzoekt de internationale gemeenschap de situatie in Burundi nauwlettend te volgen, ongeacht de verklaring van president Nkurunziza over de verkiezingen van 2020;

14.  herinnert aan de krachtige verklaring van de VV/HV van 8 mei 2018 over de start van de laatste voorbereidende fase voor het constitutioneel referendum van 17 mei 2018; betreurt het gebrek aan consensus tussen de diverse maatschappelijke en politieke groepen in Burundi, het gebrek aan officiële informatie over de belangrijkste elementen van de ontwerpgrondwet, en de nauwlettende controle van journalisten en de media;

15.  herinnert de regering van Burundi eraan dat de voorwaarden voor inclusieve, geloofwaardige en transparante verkiezingen in 2020 het recht op vrije meningsuiting, toegang tot informatie en het bestaan van een vrije ruimte waarin mensenrechtenactivisten zich kunnen uitspreken zonder intimidatie of angst voor represailles, omvatten;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering van Burundi, de ACS-EU-Raad van ministers, de Commissie, de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de lidstaten en instellingen van de Afrikaanse Unie, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 137.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 190.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0004.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0310.
(5) PB L 73 van 18.3.2016, blz. 90.
(6) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.
(7) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 37.
(8) PB L 264 van 30.9.2016, blz. 29.


Start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Kroatië *
PDF 111kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Kroatië (06986/2018 – C8-0164/2018 – 2018/0806(CNS))
P8_TA(2018)0306A8-0225/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (06986/2018),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0164/2018),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0225/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) ***I
PDF 531kWORD 171k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399 en (EU) 2016/1624 (COM(2016)0731 – C8-0466/2016 – 2016/0357A(COD))
P8_TA(2018)0307A8-0322/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0731),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 87, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0466/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2017(1),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 14 september 2017 om de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 25 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie (A8-0322/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (ETIAS) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, ▌(EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226

P8_TC1-COD(2016)0357A


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 87, lid 2, onder a) ▌,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van de ontwerp-wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In de mededeling van de Commissie van 6 april 2016 getiteld "Krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid" wordt gesteld dat de Unie haar IT-systemen, gegevensarchitectuur en informatie-uitwisseling op het gebied van grensbeheer, rechtshandhaving en terrorismebestrijding moet versterken en verbeteren. In de mededeling wordt benadrukt dat de interoperabiliteit van de informatiesystemen moet worden verbeterd. Belangrijk is dat de mededeling een aantal opties schetst om de voordelen van bestaande informatiesystemen te optimaliseren en, indien nodig, nieuwe en aanvullende systemen te ontwikkelen om lacunes in de informatie op te vullen.

(2)  In de mededeling van 6 april 2016 wordt inderdaad een reeks lacunes in de informatie genoemd. Zo hebben de grensautoriteiten aan de buitengrenzen van het Schengengebied bijvoorbeeld geen informatie over reizigers die vrijgesteld zijn van de verplichting om in het bezit te zijn van een visum wanneer zij de buitengrenzen overschrijden ("de visumplicht"). In de mededeling van 6 april 2016 werd aangekondigd dat de Commissie opdracht diende te geven voor een studie over de haalbaarheid van de instelling van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias). Die haalbaarheidsstudie is in november 2016 voltooid. Met het systeem zou voor de afreis van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen naar het Schengengebied kunnen worden bepaald of zij in aanmerking komen voor toegang tot het Schengengebied, en of hun inreis een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt.

(3)  In de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Versterking van de veiligheid in een door mobiliteit gekenmerkte wereld door betere informatie-uitwisseling in de strijd tegen terrorisme en door sterkere buitengrenzen" wordt de prioriteit van het beveiligen van de buitengrenzen bevestigd, en worden concrete initiatieven voorgesteld die een snellere en bredere Unierespons mogelijk maken doordat het beheer van de buitengrenzen verder wordt versterkt.

(4)  De doelstellingen en de technische en organisatiearchitectuur van Etias moeten worden bepaald, , en de voorschriften betreffende het beheer en het gebruik van de door de aanvrager in het systeem in te voeren gegevens moeten worden vastgelegd, evenals de voorschriften voor het afgeven of weigeren van reisautorisaties, de doeleinden van de gegevensverwerking, de autoriteiten die toegang tot de gegevens hebben, en de waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens.

(5)  Etias moet van toepassing zijn op onderdanen van derde landen die vrijgesteld zijn van de visumplicht ▌.

(6)  Het systeem moet ook van toepassing zijn op onderdanen van derde landen die vrijgesteld zijn van de visumplicht en familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) van toepassing is of familielid van een onderdaan van een derde land die het recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan dat van de burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, en die niet in het bezit zijn van een verblijfskaart uit hoofde van Richtlijn 2004/38/EG of een verblijfsvergunning uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad(5). In artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat iedere burger van de Unie het recht heeft, vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Deze beperkingen en voorwaarden zijn opgenomen in Richtlijn 2004/38/EG.

(7)  Zoals bevestigd door het Hof van Justitie(6), hebben de hierboven bedoelde familieleden het recht om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen en hiertoe een inreisvisum te verkrijgen. Bijgevolg dienen van de visumplicht vrijgestelde familieleden het recht te hebben een reisautorisatie te verkrijgen. De lidstaten moeten deze personen alle faciliteiten verlenen voor het verkrijgen van de benodigde reisautorisatie, die kosteloos moet worden afgegeven.

(8)  Het recht om een reisautorisatie te verkrijgen is niet onvoorwaardelijk en kan worden geweigerd aan familieleden die een gevaar vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van Richtlijn 2004/38/EG. In het licht hiervan kunnen familieleden tot het verstrekken van persoonsgegevens inzake hun identificatie en status alleen worden verplicht voor zover deze gegevens relevant zijn voor het beoordelen van de eventuele veiligheidsdreiging die van hen uitgaat. Om dezelfde reden mogen hun reisautorisatieaanvragen alleen worden getoetst aan veiligheidscriteria, en niet aan migratierisico's.

(9)  Etias moet een reisautorisatie afgeven aan onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht, ▌ aan de hand waarvan kan worden bepaald of hun verblijf op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt of zal vormen. Een reisautorisatie moet dus een beslissing vormen die duidelijk maakt dat er geen feitelijke aanwijzingen of redelijke gronden zijn op basis waarvan kan worden besloten dat iemands aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaten dergelijke risico's inhoudt. Aangezien een dergelijke reisautorisatie anders van aard zal zijn dan een visum, verlangt het van een aanvrager niet meer informatie en brengt het voor hem geen zwaardere last met zich dan de visumaanvraag. Het bezit van een geldige reisautorisatie moet een nieuwe voorwaarde zijn voor toegang tot het grondgebied van de lidstaten. Aan het loutere bezit van een reisautorisatie mag echter geen automatisch recht op binnenkomst worden ontleend.

(10)  Door bezoekers te beoordelen voordat zij bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen aankomen, moet Etias bijdragen aan een hoog veiligheidsniveau, het voorkomen van illegale immigratie en het beschermen van de volksgezondheid.

(11)  Etias moet bijdragen aan het vergemakkelijken van de grenscontroles die de grenswachters bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen uitvoeren,. Etias moet eveneens zorgen voor een gecoördineerde en geharmoniseerde beoordeling van onderdanen van derde landen die onder de reisautorisatieplicht vallen en van plan zijn naar de lidstaten te reizen. Tevens moet Etias het voor aanvragers duidelijker maken of zij in aanmerking komen voor toegang tot de lidstaten. Voorts moet Etias ertoe bijdragen de grenscontroles te vergemakkelijken door het aantal toegangsweigeringen aan de buitengrenzen terug te dringen en door de grenswachters bepaalde aanvullende informatie te verstrekken in verband met markeringen.

(12)  Etias moet ook de doelstellingen van het Schengeninformatiesysteem (SIS) ondersteunen met betrekking tot signaleringen van onderdanen van derde landen aan wie de toegang en het verblijf is geweigerd, van personen die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering, van vermiste personen, van personen die worden gezocht met het oog op een gerechtelijke procedure, en van personen die discreet of gericht moeten worden gecontroleerd. Hiertoe moet Etias de relevante gegevens van aanvraagdossiers vergelijken met relevante signaleringen in SIS. Indien de vergelijking uitwijst dat persoonsgegevens in het aanvraagdossier overeenstemmen met signaleringen van onderdanen van derde landen aan wie de toegang en het verblijf is geweigerd of van personen met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering, moet het aanvraagdossier handmatig worden behandeld door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat. De beoordeling door de nationale Etias-eenheid moet leiden tot een beslissing over het al dan niet afgeven van een reisautorisatie. Indien de vergelijking uitwijst dat persoonsgegevens in het aanvraagdossier overeenstemmen met signaleringen van vermiste personen, van personen die worden gezocht met het oog op een gerechtelijke procedure, en van personen die zijn gesignaleerd met het oog op discrete of gerichte controles, moet deze informatie worden doorgegeven aan het Sirene-bureau en worden behandeld overeenkomstig de toepasselijke wetgeving inzake SIS.

(13)  De voorwaarden voor de afgifte van een reisautorisatie moeten stroken met de specifieke doelstellingen van de diverse soorten signaleringen in SIS. Met name het feit dat aanvragers gesignaleerd zijn omdat zij worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering, of gesignaleerd zijn met het oog op discrete of gerichte controles, mag niet beletten dat hun een reisautorisatie wordt afgegeven opdat de lidstaten passende maatregelen nemen overeenkomstig Besluit 2007/533/JBZ van de Raad(7).

(14)  Etias moet bestaan uit een grootschalig informatiesysteem (het Etias-informatiesysteem), ▌de centrale Etias-eenheid, en ▌de nationale Etias-eenheden.

(15)  De centrale Etias-eenheid moet deel uitmaken van het Europees Grens- en kustwachtagentschap. De eenheid moet verantwoordelijk zijn voor het nagaan of ▌, in gevallen waarin het geautomatiseerde aanvraagproces een hit oplevert, de persoonsgegevens van de aanvrager overeenstemmen met de persoonsgegevens van de persoon die deze hit heeft gegenereerd. Indien een hit wordt bevestigd dan wel er twijfels over blijven bestaan, moet de centrale Etias-eenheid de handmatige verwerking van de aanvraag in gang zetten. Zij moet ervoor zorgen dat de gegevens, die zij in de aanvraagdossiers opneemt, actueel zijn, en moet de specifieke risico-indicatoren definiëren, opstellen, vooraf beoordelen, toepassen, achteraf evalueren, en wissen, waarbij zij ervoor moet zorgen dat de controles worden uitgevoerd en de resultaten daarvan worden opgenomen in de aanvraagdossiers. Zij moet regelmatige audits uitvoeren van de behandeling van aanvragen en van de toepassing van de Etias-screeningsregels, in het bijzonder door regelmatige beoordelingen te verrichten van hun impact op de grondrechten, met name het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens. Zij moet voorts verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van een aantal ondersteunende taken, zoals ervoor te zorgen dat de nodige kennisgevingen worden verstrekt en informatie verstrekken en ondersteuning bieden. Zij moet 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel zijn.

(16)  Iedere lidstaat moet een nationale Etias-eenheid opzetten die als taak heeft aanvragen te onderzoeken en te beslissen of reisautorisaties moeten worden verleend, geweigerd, nietig verklaard of ingetrokken. De nationale Etias-eenheden moeten onderling en met het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) samenwerken met het oog op het beoordelen van de aanvragen. De nationale Etias-eenheden moeten over toereikende middelen beschikken om hun taken binnen de in deze verordening gestelde termijnen uit te voeren. Om het besluitvormingsproces en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten te vergemakkelijken, en de vertalingskosten en de responstijd terug te dringen, is het wenselijk dat alle nationale Etias-eenheden in een enkele taal met elkaar communiceren.

(17)  Om zijn doelstellingen te bereiken, moet Etias een online-aanvraagformulier ter beschikking stellen waarop de aanvrager verklaringen dient in te invullen inzake zijn identiteit, reisdocument, verblijfplaats, contactgegevens, opleidingsniveau en beroepsgroep, zijn eventuele status van familielid van een burger van de Unie of de status van onderdaan van een derde land met recht op vrij verkeer die niet in het bezit is van een verblijfskaart uit hoofde van Richtlijn 2004/38/EG of een verblijfsvergunning uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en, indien de aanvrager minderjarig is, de gegevens van de voor hem verantwoordelijke persoon, alsook antwoorden op een aantal vragen over zijn achtergrond ▌. ▌

(18)  Etias moet namens de aanvrager ingediende aanvragen aanvaarden wanneer de reiziger om eender welke reden niet in staat is zelf een aanvraag aan te maken. In dergelijke gevallen mag een derde de aanvraag doen, mits deze daartoe gemachtigd is door de reiziger dan wel de wettelijk verantwoordelijke van de reiziger is, en mits de identiteit van deze derde in het aanvraagformulier wordt vermeld. Het moet mogelijk zijn voor reizigers om commerciële tussenpersonen te machtigen om namens hen een aanvraag op te stellen en in te dienen. De centrale Etias-eenheid moet gepast reageren op alle meldingen van misbruiken door commerciële tussenpersonen.

(19)  Er dienen criteria te worden bepaald om te beoordelen of een aanvraag volledig is en de ingediende gegevens kloppen, zodat kan worden nagegaan of reisautorisatieaanvragen in behandeling kunnen worden genomen. Deze controle zou bijvoorbeeld moeten uitsluiten dat er reisdocumenten worden gebruikt die binnen een termijn van minder dan drie maanden zullen verstrijken, die reeds verstreken zijn, of die meer dan tien jaar vóór de aanvraag zijn afgegeven. Deze controle moet worden verricht voordat de aanvrager wordt verzocht om betaling van de vergoeding.

(20)  Om de aanvraag af te ronden moet ▌de aanvrager ▌een reisautorisatievergoeding betalen. De betaling moet geschieden via een bank of een financieel intermediair. De voor de elektronische betaling vereiste gegevens mogen alleen worden verstrekt aan de bank of de financieel intermediair die de financiële transactie uitvoert, en maken geen deel uit van de in Etias opgeslagen gegevens.

(21)  De meeste reisautorisaties zouden al na enkele minuten moeten worden afgegeven, hoewel in een beperkt aantal, met name uitzonderlijke, gevallen de wachttijd kan oplopen. In dergelijke uitzonderlijke gevallen kan het noodzakelijk zijn om de aanvrager te verzoeken om aanvullende informatie of documentatie te verstrekken, om die aanvullende informatie en documentatie te verwerken en om de aanvrager, nadat de door hem verstrekte informatie of documentatie is onderzocht, voor een gesprek uit te nodigen. Gesprekken mogen slechts in uitzonderlijke omstandigheden plaatsvinden, als laatste stap en slechts indien er nog sterke twijfels zijn over de door de aanvrager verstrekte informatie of documentatie. Het uitzonderlijke karakter van gesprekken moet van dien aard zijn, dat minder dan 0,1 % van de aanvragers wordt uitgenodigd voor een gesprek. Het aantal aanvragers dat wordt uitgenodigd voor een gesprek, moet regelmatig door de Commissie worden gecontroleerd.

(22)  Etias mag de door de aanvrager verstrekte persoonsgegevens enkel verwerken om ▌te beoordelen of de ▌inreis van de aanvrager in de Unie een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico in de Unie kan vormen.

(23)  De hierboven genoemde gevaren kunnen niet worden beoordeeld zonder verwerking van de in een reisautorisatieaanvraag op te geven persoonsgegevens. De persoonsgegevens in de aanvraag moeten worden vergeleken met de gegevens in een notitie, dossier of signalering in een EU-informatiesysteem of -databank (het centrale Etias-systeem, SIS, het Visuminformatiesysteem (VIS), het inreis-uitreissysteem (EES) of Eurodac), met de Europol-gegevens of met de gegevens in de Interpol-databanken (de Interpol-databank voor gestolen of verloren reisdocumenten (SLTD) ▌ of de Interpol-databank voor reisdocumenten die verband houden met kennisgevingen (TDAWN)),. De persoonsgegevens in de aanvragen moeten ook worden vergeleken met de Etias-observatielijst of met specifieke risico-indicatoren. De categorieën persoonsgegevens die voor de vergelijking worden gebruikt, moeten beperkt blijven tot de categorieën gegevens die zijn opgenomen in die geraadpleegde EU-informatiesystemen, in Europol-gegevens, in Interpol-databanken, in de Etias-observatielijst of in de specifieke risico-indicatoren.

(24)  De vergelijking moet geautomatiseerd verlopen. Indien uit de vergelijking blijkt dat alle in de aanvraag opgegeven persoonsgegevens, of een combinatie daarvan, overeenstemmen (een "hit" opleveren) respectievelijk overeenstemt met de specifieke risico-indicatoren of de persoonsgegevens in een notitie, dossier of signalering in de bovengenoemde informatiesystemen , of in de Etias-observatielijst, moet de betrokken aanvraag handmatig worden behandeld door de ▌nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat ▌. De beoordeling door de nationale Etias-eenheid moet leiden tot een beslissing over het al dan niet afgeven van de reisautorisatie.

(25)  Naar verwachting zal het overgrote deel van de aanvragen op geautomatiseerde wijze positief worden beoordeeld. Een weigering, nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie mag niet uitsluitend gebaseerd zijn op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in de aanvragen. Daarom moeten aanvragen die tot een hit hebben geleid, handmatig worden verwerkt door ▌een nationale Etias-eenheid.

(26)  Aanvragers aan wie een reisautorisatie is geweigerd, moeten tegen die weigering beroep kunnen instellen. Het beroep moet worden ingesteld in de lidstaat die de beslissing over de aanvraag heeft genomen en het moet in overeenstemming zijn met het nationale recht van deze lidstaat.

(27)  Een aanvraagdossier moet aan de hand van de Etias-screeningsregels worden geanalyseerd door de in het aanvraagdossier ▌ geregistreerde gegevens te vergelijken met specifieke risico-indicatoren voor vooraf bepaalde veiligheidsrisico's, risico's op het gebied van illegale immigratie of hoog epidemiologisch risico’s. De criteria voor het bepalen van de specifieke risico-indicatoren mogen onder geen beding uitsluitend gebaseerd zijn op iemands geslacht of leeftijd. Zij mogen onder geen beding gebaseerd zijn op informatie waaruit iemands huidskleur, ras, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke of andere denkbeelden, godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid af te leiden zijn. De specifieke risico-indicatoren moeten door de centrale Etias-eenheid worden gedefinieerd, vastgesteld, vooraf beoordeeld, geïmplementeerd, achteraf geëvalueerd, herzien en gewist na raadpleging van een Etias-screeningsraad, die bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken nationale Etias-eenheden en agentschappen. Om bij te dragen aan de naleving van de grondrechten bij het toepassen van de Etias-screeningsregels en de specifieke risico-indicatoren, dient een Etias-sturingsraad voor de eerbiediging van de grondrechten te worden opgericht. Het secretariaat voor de bijeenkomsten van deze raad dient door de grondrechtenfunctionaris van het Europees Grens- en kustwachtagentschap te worden waargenomen.

(28)  Een Etias-observatielijst moet worden opgesteld om correlaties vast te stellen tussen gegevens in een aanvraagdossier en informatie over personen die worden verdacht van het plegen van of van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit of ten aanzien van wie er, op basis van een algemene persoonsbeoordeling, feitelijke aanwijzingen zijn of een redelijk vermoeden bestaat dat zij een terroristisch misdrijf of andere ernstige strafbare feiten zullen plegen. De Etias-observatielijst maakt deel uit van het centrale Etias-systeem. De gegevens dienen in de Etias-observatielijst te worden opgenomen door Europol ▌, zulks onverminderd de toepasselijke bepalingen betreffende internationale samenwerking van Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad(8), en door de lidstaten. Voordat gegevens in de Etias-observatielijst worden opgenomen, dient te worden vastgesteld of die gegevens toereikend, nauwkeurig en belangrijk genoeg zijn om te worden opgenomen in de Etias-observatielijst en en dat de opname ervan niet zou leiden tot een onevenredig hoog aantal handmatig te verwerken aanvragen. De gegevens moeten regelmatig worden herzien en gecontroleerd met het oog op het verzekeren van hun voortdurende nauwkeurigheid.

(29)  Het gegeven dat zich steeds nieuwe soorten veiligheidsdreigingen, nieuwe patronen van illegale immigratie en epidemiologische risico's aandienen, noopt tot een doeltreffende respons met gebruik van moderne middelen. Omdat voor het gebruik van deze middelen aanzienlijke hoeveelheden persoonsgegevens moeten worden verwerkt, moet worden voorzien in passende waarborgen om te voorkomen dat het recht op de eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens meer wordt doorkruist dan in een democratische samenleving noodzakelijk is.

(30)  Daarom moeten de persoonsgegevens in Etias beveiligd worden bewaard. De toegang tot die gegevens moet worden beperkt tot uitdrukkelijk bevoegd personeel. Onder geen beding mag de toegang ▌worden gebruikt om beslissingen te nemen die stoelen op enige vorm van discriminatie. De persoonsgegevens moeten beveiligd worden bewaard in de faciliteiten van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) in de Unie.

(31)  Afgegeven reisautorisaties moeten nietig worden verklaard of worden ingetrokken zodra blijkt dat de voorwaarden voor afgifte ervan niet vervuld waren of niet meer vervuld zijn. Met name wanneer een nieuwe ▌signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf of een signalering waarbij een reisdocument als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard in SIS wordt geregistreerd, moet SIS dit melden aan Etias. Etias verifieert dan of deze nieuwe signalering overeenstemt met een geldige reisautorisatie. Is een nieuwe signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf geregistreerd, dan moet de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat de reisautorisatie intrekken. Is de reisautorisatie gekoppeld aan een reisdocument dat als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard in SIS of als verloren, gestolen of ongeldig verklaard in SLTD geregistreerd, dan moet de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat het aanvraagdossier handmatig verwerken. Evenzo moeten nieuwe gegevens die in de Etias-observatielijst worden opgenomen, met de in Etias opgeslagen aanvraagdossiers worden vergeleken om te verifiëren of die nieuwe gegevens met een geldige reisautorisatie overeenstemmen. Is dat het geval, dan moet de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de nieuwe gegevens heeft ingevoerd of, ingeval de nieuwe gegevens door Europol zijn ingevoerd, de lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf, de hit beoordelen en zo nodig de reisautorisatie intrekken. Ook het intrekken van een reisautorisatie op verzoek van de aanvrager dient mogelijk te worden gemaakt.

(32)  Een lidstaat die het in uitzonderlijke omstandigheden nodig acht een onderdaan van een derde land op humanitaire gronden, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen toestemming te geven naar diens grondgebied te reizen, moet de mogelijkheid worden geboden deze persoon een reisautorisatie af te geven die enkel voor een beperkt territoir en periode geldig is.

(33)  Lucht- en zeevervoerders en internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, moet de verplichting worden opgelegd voor het instappen te controleren ▌ of de reizigers in het bezit zijn van een geldige reisautorisatie. Vervoerders mogen geen toegang hebben tot het Etias-dossier zelf. Vervoerders moeten beveiligde toegang hebben tot het Etias-informatie­systeem, opdat zij het aan de hand van reisdocumentgegevens kunnen raadplegen.

(34)  De technische specificaties voor de toegang tot het Etias-informatiesysteem via het toegangsportaal voor vervoerders moeten de gevolgen voor passagiersverkeer en vervoerders zoveel mogelijk beperken. Hiertoe moet integratie met het EES worden overwogen.

(35)  Met het oog op het beperken van de gevolgen van de in deze verordening opgenomen verplichtingen voor internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, worden gebruiksvriendelijke mobiele toepassingen beschikbaar gemaakt.

(36)  Binnen twee jaar na de ingebruikneming van Etias worden de geschiktheid, de verenigbaarheid en de samenhang van de bepalingen als bedoeld in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen(9) door de Commissie geëvalueerd met het oog op de toepassing van de Etias-bepalingen voor vervoer over land per bus. Er dient rekening te worden gehouden met de recente ontwikkelingen in het vervoer over land per bus. Eventueel dient te worden bezien of de in artikel 26 van die Overeenkomst of onderhavige verordening bedoelde bepalingen betreffende vervoer over land per bus moeten worden gewijzigd.

(37)  Met het oog op de inachtneming van de herziene toegangsvoorwaarden moeten grenswachters controleren of reizigers in het bezit zijn van een geldige reisautorisatie. Hiertoe moeten de grenswachters, tijdens de standaardprocedure voor grenscontrole, de reisdocumentgegevens elektronisch lezen. Dit proces moet overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad(10) (de Schengengrenscode) in verschillende databanken een zoekopdracht genereren, waaronder een zoekopdracht in Etias, die de actuele reisautorisatiestatus moet opleveren. Heeft de reiziger geen geldige reisautorisatie, dan moeten de grenswachters de toegang weigeren en de grenscontrole­procedure dienovereenkomstig afronden. Heeft de reiziger wel een geldige reisautorisatie, dan berust de beslissing om binnenkomst toe te staan of te weigeren, bij de grenswachters. Ter ondersteuning van de uitoefening van hun taken ▌moet ▌ grenswachters toegang tot bepaalde gegevens in het Etias-dossier worden verleend.

(38)  Indien de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat van oordeel is dat de grensautoriteiten sommige aspecten van de reisautorisatieaanvraag nader moeten onderzoeken, dient zij aan de reisautorisatie die zij afgeeft een markering te kunnen hechten met aanbevelingen voor een tweedelijnscontrole bij de grensdoorlaatpost. Ook op verzoek van een geraadpleegde lidstaat moet een dergelijke markering kunnen worden toegevoegd. Indien de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat van oordeel is dat een tijdens de verwerking van de aanvraag gegenereerde specifieke hit een valse hit is, of indien uit de handmatige verwerking blijkt dat er geen gronden waren om een reisautorisatie te weigeren, dient zij aan de reisautorisatie die zij afgeeft een markering te kunnen hechten teneinde de grenscontroles te vergemakkelijken door de grensautoriteiten de gegevens over de verrichte verificaties te verstrekken en de negatieve gevolgen van valse hits voor de reizigers te beperken. De operationele instructies ten behoeve van grensautoriteiten voor het behandelen van reisautorisaties moeten in een praktisch handboek worden opgenomen.

(39)  Aangezien het bezit van een geldige reisautorisatie een voorwaarde is voor toegang en verblijf voor bepaalde categorieën onderdanen van derde landen, moeten de immigratie-autoriteiten van de lidstaten het centrale Etias-systeem kunnen raadplegen indien er reeds eerder een zoekopdracht in het EES is verricht met als resultaat dat het EES geen inreisnotitie bevat waaruit de aanwezigheid van deze onderdaan van een derde land op het grondgebied van de lidstaten blijkt. De immigratie-autoriteiten van de lidstaten moeten, met name met het oog op terugkeer, toegang hebben tot bepaalde gegevens in het centrale Etias-systeem.

(40)  Voor de bestrijding van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten en gezien de mondialisering van criminele netwerken, is het absoluut noodzakelijk dat de aangewezen autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten ("aangewezen autoriteiten") over de noodzakelijke informatie beschikken om hun taken doeltreffend uit te voeren. Toegang tot gegevens in het VIS voor dergelijke doeleinden is al een doeltreffend hulpmiddel gebleken waarmee onderzoekers aanzienlijke vooruitgang hebben kunnen boeken in zaken van mensenhandel, terrorisme en drugshandel. VIS bevat geen gegevens over niet-visumplichtige onderdanen van derde landen.

(41)  Toegang tot de informatie in Etias is noodzakelijk voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad(11) of andere ernstige strafbare feiten als bedoeld in Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad(12). Voor een specifiek onderzoek en voor het verzamelen van bewijsmateriaal en informatie over vermoedelijke plegers of slachtoffers van een ernstig strafbaar feit is het mogelijk dat aangewezen autoriteiten toegang moet worden verleend tot de door Etias gegenereerde gegevens. De in Etias opgeslagen gegevens kunnen ook noodzakelijk zijn om plegers van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te identificeren, met name wanneer dringend moet worden ingegrepen. De toegang tot Etias om terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen of te onderzoeken, doorkruist het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens van personen wier persoonsgegevens in Etias worden verwerkt. Daarom mogen de in Etias opgenomen gegevens enkel worden bewaard en ter beschikking van de aangewezen autoriteiten van de lidstaten en Europol worden gesteld onder de in deze verordening opgenomen strenge voorwaarden. Dit zorgt ervoor dat de verwerking van Etias-gegevens beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten, zulks overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof, met name in de zaak Digital Rights Ireland(13).

(42)  Meer bepaald mag de toegang tot in Etias opgeslagen gegevens voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten slechts worden toegestaan indien de operationele eenheid van een aangewezen autoriteit de noodzaak daarvan uitlegt. ▌In dringende gevallen, wanneer het zaak is te voorkomen dat iemand wegens een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit in onmiddellijk levensgevaar verkeert, moet zo spoedig mogelijk nadat de aangewezen bevoegde autoriteiten toegang tot deze gegevens is verleend, worden nagegaan of aan de voorwaarden was voldaan. Deze verificatie achteraf geschiedt onverwijld en in ieder geval uiterlijk zeven werkdagen na de verwerking van het verzoek.

(43)  Daarom moet worden bepaald welke ▌ autoriteiten van de lidstaten om deze toegang mogen verzoeken met als specifiek doel terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen of te onderzoeken.

(44)  Het/de ▌centrale toegangspunt(en) dient/dienen onafhankelijk van de aangewezen autoriteiten op te treden en dient/dienen te verifiëren of in het betrokken concrete geval is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van toegang tot het centrale Etias-systeem.

(45)  Europol is de draaischijf voor informatie-uitwisseling in de Unie. Europol speelt, door assistentie te verlenen bij het voorkomen, analyseren en onderzoeken van criminaliteit in de gehele Unie, een sleutelrol bij de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken van grensoverschrijdende criminaliteit. Bijgevolg dient ook Europol, in het kader van zijn mandaat en overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794, in specifieke gevallen toegang tot het centrale Etias-systeem te hebben wanneer dat voor Europol noodzakelijk is om het optreden van de lidstaten bij het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te ondersteunen en te versterken.

(46)  Om systematische doorzoekingen tegen te gaan, mogen in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens uitsluitend in specifieke gevallen worden verwerkt, en alleen voor zover zulks noodzakelijk is voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten. De aangewezen autoriteiten en Europol mogen derhalve alleen om toegang tot Etias verzoeken wanneer zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de toegang informatie zal opleveren die hen zal ▌ helpen bij het voorkomen, opsporen of onderzoeken van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit. ▌

(47)  De in Etias opgeslagen persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens zijn verwerkt. Opdat Etias goed functioneert, moeten de gegevens over de aanvragers worden bewaard zolang de betrokken reisautorisaties geldig zijn. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de reisautorisatie mogen de gegevens enkel worden opgeslagen met de uitdrukkelijke toestemming van de aanvrager en dit enkel met het oog op het faciliteren van een nieuwe Etias-aanvraag . Een beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie kan erop wijzen dat van de aanvrager een ▌veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico uitgaat. Wanneer een dergelijke beslissing is gegeven, moeten de ▌ gegevens dan ook gedurende vijf jaar vanaf de datum van die beslissing worden bewaard, opdat Etias terdege rekening kan houden met het mogelijk verhoogde risico dat van de desbetreffende aanvrager uitgaat. Indien de gegevens die aanleiding geven tot deze beslissing eerder worden gewist, dient het aanvraagdossier binnen zeven dagen te worden gewist. Na het verstrijken van deze periode moeten de persoonsgegevens worden gewist.

(48)  In het centrale Etias-systeem opgeslagen persoonsgegevens mogen niet aan een derde land, een internationale organisatie of een particuliere partij ter beschikking worden gesteld. Als uitzondering op deze regel moeten deze persoonsgegevens evenwel aan een derde land kunnen worden doorgegeven indien aan de doorgifte strenge voorwaarden worden gekoppeld en zij in het individuele geval noodzakelijk is met het oog op terugkeer. Bij ontstentenis van een toereikendheidsbesluit in de vorm van een uitvoeringshandeling krachtens Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(14) of van passende waarborgen voor doorgifte krachtens die verordening moet het in uitzonderlijke gevallen mogelijk zijn in Etias opgeslagen gegevens aan een derde land door te geven met het oog op terugkeer, , doch uitsluitend indien doorgifte noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang, als bedoeld in die verordening.

(49)  Persoonsgegevens die lidstaten op grond van deze verordening hebben verkregen, moeten eveneens kunnen worden doorgegeven aan een derde land in uitzonderlijk dringende gevallen, indien er sprake is van onmiddellijk gevaar vanwege een terroristisch misdrijf of indien een ernstig strafbaar feit onmiddellijk levensgevaar voor een persoon inhoudt. Onder onmiddellijk levensgevaar voor een persoon wordt verstaan een gevaar dat voortvloeit uit een ernstig strafbaar feit ten aanzien van die persoon zoals ernstige lichamelijke verwonding, illegale handel in menselijke organen en weefsels, ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en verkrachting.

(50)  Teneinde Etias bekend te maken bij het grote publiek, en met name bij onderdanen van derde landen die onder de reisautorisatieplicht vallen, wordt informatie over het Etias, waaronder ook de toepasselijke Uniewetgeving, en de procedure voor de reisautorisatieaanvraag voor het grote publiek beschikbaar gemaakt via een openbare website en een applicatie voor mobiele apparaten waarmee ook een aanvraag bij Etias moet kunnen worden ingediend. Deze informatie wordt ook via een gemeenschappelijke brochure en andere passende middelen verspreid. Voorts ontvangen de aanvragers van een reisautorisatie per e-mail een melding met informatie over hun aanvraag. In die melding per e-mail worden links naar de toepasselijke Uniewetgeving en nationale wetgeving opgenomen.

(51)  Er dienen gedetailleerde regels te worden vastgesteld voor de verantwoordelijkheden van eu-LISA met betrekking tot het ontwerp, de ontwikkeling en het technische beheer van het Etias-informatiesysteem. Ook moet worden voorzien in regels met betrekking tot de verantwoordelijkheden van het Europees Grens‑ en kustwachtagentschap, de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de verantwoordelijkheden van Europol ten aanzien van Etias. eu‑LISA dient bijzondere aandacht aan het risico van kostenstijgingen te besteden en voor voldoende toezicht op contractanten te zorgen.

(52)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(15) is van toepassing op de activiteiten van eu-LISA en het Europees Grens- en kustwachtagentschap bij de uitvoering van de taken waarmee zij op grond van onderhavige verordening worden belast.

(53)  Verordening (EU) nr. 2016/679 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten bij de uitvoering van deze verordening.

(54)  Indien de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten voor de beoordeling van aanvragen door de bevoegde autoriteiten wordt uitgevoerd met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of van andere ernstige strafbare feiten, is Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad(16) van toepassing.

(55)  Richtlijn (EU) 2016/680 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de door de lidstaten ▌aangewezen autoriteiten met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten uit hoofde van deze verordening ▌.

(56)  De krachtens Verordening (EU) 2016/679 ingestelde onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten dienen toe te zien op de rechtmatigheid van de verwerking van persoons­gegevens door de lidstaten, terwijl de bij Verordening (EG) nr. 45/2001 ingestelde Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming toezicht dient uit te oefenen op de werkzaamheden van de instellingen en organen van de Unie in verband met de verwerking van persoonsgegevens. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de toezichthoudende autoriteiten dienen samen te werken bij het toezicht op Etias.

(57)  Er moeten strenge voorschriften voor toegang tot het centrale Etias-systeem, en de nodige waarborgen worden vastgesteld. Tevens dient te worden voorzien in het recht van personen op toegang, rectificatie, beperking, aanvulling, wissing en verhaal met betrekking tot persoonsgegevens, in het bijzonder het recht op een beroep voor de rechter, en in toezicht op de verwerkingsactiviteiten door onafhankelijke openbare autoriteiten.

(58)  Om het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico van een reiziger te beoordelen, moet interoperabiliteit tussen het Etias-informatiesysteem en andere EU-informatiesystemen tot stand worden gebracht. De interoperabiliteit wordt tot stand gebracht met inachtneming van het Unie-acquis inzake de grondrechten. Indien een gecentraliseerd systeem voor het identificeren van lidstaten met gegevens over veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen op Unieniveau wordt ingevoerd, moet Etias dat kunnen raadplegen.

(59)  Deze verordening dient duidelijke bepalingen te omvatten betreffende aansprakelijkheid en het recht op schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens of wegens een andere handeling die onverenigbaar is met deze verordening. Die bepalingen mogen geen afbreuk doen aan het recht op schadevergoeding door en de aansprakelijkheid van de verwerkings­verantwoordelijke of de verwerker uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679, Richtlijn (EU) 2016/680 en Verordening (EG) nr. 45/2001. eu-LISA moet aansprakelijk zijn voor alle schade die zij als verwerker heeft veroorzaakt wanneer zij niet heeft voldaan aan de specifiek bij deze verordening tot de verwerker gerichte verplichtingen of wanneer zij heeft gehandeld buiten dan wel in strijd met de rechtmatige instructies van de lidstaat die de verwerkingsverantwoordelijke is.

(60)  Voor een doeltreffend toezicht op de toepassing van deze verordening is een regelmatige evaluatie noodzakelijk. De lidstaten dienen de regels vast te stellen inzake de sancties op inbreuken ▌ op deze verordening, en ervoor te zorgen dat deze worden toegepast.

(61)  Met het oog op de vaststelling van de technische maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van deze verordening, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor:

   het definiëren van de vereisten voor een beveiligde-accountdienst,
   het bepalen van de vooraf vastgestelde lijst van beroepsgroepen die in het aanvraagformulier wordt gebruikt ,
   het specificeren van de inhoud en de vorm ▌van vragen aan aanvragers in verband met veroordelingen voor strafbare feiten, verblijven in oorlogs- of conflictgebieden en besluiten tot verlaten van het grondgebied of terugkeer,
   het specificeren van de inhoud en de vorm van ▌aanvullende vragen ▌aan aanvragers die bevestigend antwoorden op een van de vragen in verband met veroordelingen voor strafbare feiten, verblijven in oorlogs- of conflictgebieden en besluiten tot verlaten van het grondgebied of terugkeer, en van een vooraf vastgestelde lijst met antwoorden,

   het bepalen van de betalingswijzen en inningsprocedure voor de reisautorisatievergoeding en eventuele wijzigingen van die vergoeding om stijgingen in de kosten van Etias te verrekenen,
   het bepalen van de inhoud en de vorm van een vooraf vastgestelde lijst van opties voor aanvragers die worden verzocht aanvullende informatie of documentatie te verstrekken,
   de nadere omschrijving van het verificatie-instrument,
   de nadere omschrijving van de veiligheidsrisico's, de risico's op het gebied van illegale immigratie, of hoge epidemiologisch risico’s voor het vaststellen van de specifieke risico-indicatoren,
   de omschrijving van het soort aanvullende informatie met betrekking tot markeringen die kunnen worden toegevoegd aan het Etias-aanvraagdossier, de vorm ervan, de taal en de redenen voor de markeringen,
   het vaststellen van toereikende waarborgen door regels en procedures aan te reiken om belangenconflicten te voorkomen met signaleringen in andere informatiesystemen en het bepalen van de voorwaarden, de criteria en de duur van de markeringen,
   de nadere omschrijving van het instrument dat door aanvragers moet worden gebruikt voor het geven en intrekken van hun toestemming,
   het verlengen van de overgangsperiode ▌tijdens welke geen reisautorisatie vereist is, en de duur van de respijtperiode binnen welke grenswachters onderdanen van derde landen die een reisautorisatie nodig hebben maar die niet in bezit hebben, bij wijze van uitzondering onder bepaalde voorwaarden zullen toestaan in te reizen,

   het bepalen van de financiële steun voor lidstaten voor de kosten die zij maken voor de aanpassing en automatisering van grenscontroles bij de toepassing van Etias.

(62)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden verricht in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(17). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(63)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om gedetailleerde regels vast te stellen inzake:

   een formulier voor het rapporteren van misbruiken door commerciële tussenpersonen die door aanvragers zijn gemachtigd aanvragen namens hen in te dienen,
   de voorwaarden voor de exploitatie van de openbare website en de applicatie voor mobiele apparaten, en de gedetailleerde voorschriften inzake gegevensbescherming en -beveiliging die gelden voor de openbare website en de applicatie voor mobiele apparaten, ▌
   de voorschriften voor de vorm van de persoonsgegevens die op het aanvraagformulier moeten worden ingevuld, en voor de parameters en verificaties die van toepassing zijn om de volledigheid van de aanvraag en de samenhang van de gegevens te garanderen,
   de vereisten voor, het testen en het gebruik van de audio- en videocommunicatie­middelen die bij gesprekken met aanvragers worden gebruikt, en gedetailleerde voorschriften inzake gegevensbescherming, beveiliging en vertrouwelijkheid die voor dergelijke communicatie gelden,
   de veiligheidsrisico's, de risico's op het gebied van illegale immigratie en hoge epidemiologische risico's, waarop specifieke risico-indicatoren moeten worden gebaseerd,
   de technische specificaties van de Etias-observatielijst en het beoordelingsinstrument dat moet worden gebruikt om het mogelijke effect van het opnemen van gegevens in de Etias-observatielijst op het aantal handmatig verwerkte aanvragen te beoordelen,
   een formulier voor de weigering, nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie,
   de voorwaarden voor het verzekeren van een beveiligde toegang tot het Etias-informatiesysteem voor vervoerders, en gegevensbeschermingsregels en beveiligingsvoorschriften die voor deze toegang gelden,
   een authenticatiesysteem ▌voor de toegang tot het Etias-informatiesysteem voor daartoe gemachtigde personeelsleden van vervoerders,
   de vangnetprocedures die moeten worden gevolgd wanneer het technisch onmogelijk is voor vervoerders om iets op te zoeken in het Etias-informatiesysteem,
   modelnoodplannen ingeval het technisch onmogelijk is voor grensautoriteiten om het centrale Etias-systeem te raadplegen of wanneer er een storing is van het Etias,
   een modelbeveiligingsplan en een modelbedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan met betrekking tot de beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens,
   de toegang tot de gegevens in het Etias-informatiesysteem,
   het wijzigen, wissen en vervroegd wissen van gegevens,
   het bijhouden van logbestanden en de toegang tot daartoe,
   prestatievoorschriften,
   specificaties voor technische oplossingen om centrale toegangspunten met het centrale Etias-systeem te verbinden,
   een mechanisme, de procedures en de uitlegging inzake de naleving van de regels op het gebied van gegevenskwaliteit van de in het centrale Etias-systeem opgenomen gegevens,
   gemeenschappelijke brochures om reizigers te informeren over de verplichting tot het bezit van een geldige reisautorisatie,
   het gebruik van een centraal register met gegevens die uitsluitend bedoeld zijn voor rapportage en statistieken, en de gegevensbeschermingsregels en beveiligingsvoorschriften die voor het register gelden, en
   de specificaties van een technische oplossing voor het vergemakkelijken van het verzamelen van statistische gegevens die nodig zijn om verslag uit te brengen over de doeltreffendheid van de toegang tot gegevens in het centrale Etias-systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden.

(64)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het instellen van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem en het invoeren van gemeenschappelijke verplichtingen, voorwaarden en procedures voor het gebruik van daarin opgeslagen gegevens niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van de actie beter op het niveau van de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(65)  De exploitatie- en onderhoudskosten van het Etias-informatiesysteem ▌, van de centrale Etias‑eenheid en van de nationale Etias-eenheden moeten volledig worden gedekt door de ontvangsten uit de reisautorisatievergoedingen. De vergoeding dient derhalve waar nodig te worden aangepast aan de gemaakte kosten.

(66)  De ontvangsten uit de betaling van reisautorisatievergoedingen moeten worden gebruikt om de terugkerende exploitatie- en onderhoudskosten van het Etias-informatiesysteem, van de centrale Etias-eenheid en van de nationale Etias-eenheden te dekken. Gezien het specifieke karakter van het systeem is het zaak de ontvangsten uit de betaling van reisautorisatievergoedingen als interne bestemmingsontvangsten te behandelen. Resterende inkomsten na aftrek van deze kosten moeten worden opgenomen in de begroting van de Unie.

(67)  Deze verordening laat de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG onverlet.

(68)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht.

(69)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die bijgevolg niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening of het deze in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

(70)  Deze verordening houdt een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad(18); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(71)  Deze verordening houdt een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad(19); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(72)  Wat IJsland en Noorwegen betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(20), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad(21).

(73)  Wat Zwitserland betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(22), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG juncto artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad(23) en artikel 3 van Besluit 2008/149/JBZ van de Raad(24).

(74)  Wat Liechtenstein betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(25), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG juncto artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad(26) en artikel 3 van Besluit 2011/349/EU van de Raad(27).

( ▌75) Voor het bepalen van de modaliteiten met betrekking tot de financiële bijdrage van derde landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, moeten verdere regelingen worden vastgesteld tussen de Unie en die landen krachtens de desbetreffende bepalingen in hun associatieovereenkomsten. Die regelingen moeten internationale overeenkomsten zijn in de zin van artikel 218 VWEU.

(76)  Om deze verordening op te nemen in het bestaande rechtskader en om rekening te houden met de noodzakelijke operationele veranderingen voor eu-LISA, het ▌Europees Grens- en kustwachtagentschap ▌, dienen de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011(28), nr. 515/2014(29), (EU) 2016/399, ▌ (EU) 2016/1624(30) en (EU) ) 2017/2226(31) van het Europees Parlement en de Raad dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(77)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op 6 maart 2017(32) advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) ingesteld voor onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de verplichting om bij het overschrijden van de buitengrenzen in het bezit te zijn van een visum ("de visumplicht"), waarmee kan worden beoordeeld of de aanwezigheid van die onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico zou vormen. Hiertoe wordt een reisautorisatie ingevoerd en worden de voorwaarden en procedures voor de afgifte of weigering daarvan vastgesteld.

2.  Bij deze verordening wordt tevens vastgesteld onder welke voorwaarden de aangewezen autoriteiten van de lidstaten en Europol de gegevens in het centrale Etias-systeem mogen raadplegen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten die onder hun bevoegdheid vallen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op de volgende categorieën onderdanen van derde landen ▌:

a)  onderdanen van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad(33) vermelde derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht▌voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen;

b)  ▌Personen ▌die op grond van artikel 4, lid 2, ▌ van Verordening (EG) nr. 539/2001 zijn vrijgesteld van de visumplicht voor een voorgenomen verblijf op het grond­gebied van de lidstaten van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen;

c)  onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)  zij zijn familielid van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is of van een onderdaan van een derde land die een recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan het recht van vrij verkeer voor burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, en

ii)  zij zijn niet in het bezit van een verblijfskaart uit hoofde van Richtlijn 2004/38/EG of van een verblijfsvergunning uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1030/2002.

2.  Deze verordening is niet van toepassing op:

a)  vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit van een land die in een lidstaat verblijven en houder zijn van een door die lidstaat afgegeven reisdocument;

b)  onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is en die in het bezit zijn van een verblijfskaart uit hoofde van die richtlijn;

c)  onderdanen van derde landen die familielid zijn van een onderdaan van een derde land die een recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan dat van de burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, en die in het bezit zijn van een verblijfskaart overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG of een verblijfsvergunning overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002;

d)  houders van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) 2016/399 ▌;

e)  houders van een uniform visum;

f)  houders van een nationaal visum voor verblijf van langere duur;

g)  onderdanen van Andorra, Monaco en San Marino, en houders van een door Vaticaanstad of de Heilige stoel afgegeven paspoort;

h)  ▌onderdanen van derde landen ▌die houder zijn van een door de lidstaten op grond van Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad(34) afgegeven vergunning voor klein grensverkeer, wanneer die houders hun recht uitoefenen in het kader van de regeling inzake klein grensverkeer;

i)  personen of categorieën personen als bedoeld in artikel 4, lid 1 ▌, onder a) tot en met f), van Verordening (EG) nr. 539/2001;

j)  onderdanen van derde landen die houder zijn van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort en die zijn vrijgesteld van de visumplicht uit hoofde van een internationale overeenkomst die de Unie en een derde land hebben gesloten;

k)  personen voor wie een visumplicht geldt op grond van van artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 539/2001;

l)  onderdanen van derde landen die zich gebruikmaken van hun recht op mobiliteit overeenkomstig Richtlijnen 2014/66/EU(35) of (EU) 2016/801(36) van het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 3

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "buitengrenzen": de buitengrenzen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2016/399;

2)  "rechtshandhaving": het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten;

3)  "tweedelijnscontrole": een tweedelijnscontrole zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 13, van Verordening (EU) 2016/399;

4)  "grensautoriteit": de grenswachter die overeenkomstig het nationale recht is aangewezen voor het verrichten van grenscontroles zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) 2016/399;

5)  "reisautorisatie": een overeenkomstig deze verordening ▌ afgegeven beslissing dat is vereist voor onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze verordening om te voldoen aan de toegangsvoorwaarde van artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2016/399 en waarin is aangegeven:

a)  dat er geen feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens op basis van feitelijke aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat de aanwezigheid van de persoon op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt;

b)  dat er geen feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens op basis van feitelijke aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat de aanwezigheid van de persoon op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt of zal vormen, hoewel er twijfel over blijft bestaan of er voldoende reden is om de reisautorisatie te weigeren, overeenkomstig met artikel 36, lid 2;

c)  indien er feitelijke aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat de aanwezigheid van de persoon op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt of zal vormen, dat de territoriale geldigheid van de autorisatie overeenkomstig artikel 44 is beperkt; of

d)  indien er feitelijke aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat de aanwezigheid van de persoon op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico vormt of zal vormen, dat de reiziger in SIS onderwerp is van een signalering betreffende personen die aan een discrete of gerichte controle moeten worden onderworpen of betreffende personen die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering, ter ondersteuning van de SIS-doelstellingen als bedoeld in artikel 4, onder e);

6)  "veiligheidsrisico": het risico van een dreiging voor de openbare orde, de interne veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten;

7)  "risico op het gebied van illegale immigratie": het risico dat een onderdaan van een derde land niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang en verblijf als bepaald in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399;

8)  "hoog epidemiologisch risico": elke potentieel epidemische ziekte als omschreven in de internationale gezondheidsregelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie of het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten indien voor die ziekten voorzien is in beschermende regelingen die van toepassing zijn op de onderdanen van de lidstaten;

9)  "aanvrager": een onderdaan van een derde land als bedoeld in artikel 2 die een reisautorisatieaanvraag heeft ingediend;

10)  "reisdocument": een paspoort of een ander gelijkwaardig document dat de houder ervan het recht geeft de buitengrenzen te overschrijden en waarin een visum kan worden aangebracht;

11)  "kort verblijf": een verblijf op het grondgebied van de lidstaten in de zin van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2016/399;

12)  "persoon die zijn toegestane verblijfsduur overschrijdt": een onderdaan van een derde land die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden betreffende de duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten;

13)  " app voor mobiele apparaten": een softwaretoepassing voor gebruik op mobiele apparaten zoals smartphones en tablets;

14)  "hit": het bestaan van een overeenstemming die wordt geconstateerd door vergelijking van de in een aanvraagdossier van het centrale Etias-systeem opgenomen persoonsgegevens met de in artikel 33 vermelde specifieke risico-indicatoren of met de persoonsgegevens in een notitie, dossier of signalering in het centrale Etias-systeem, in een ander informatiesysteem van de Unie of in een in artikel 20, lid 2, vermelde databank (“EU-informatiesystemen”), in Europol-gegevens of in een Interpol-databank die worden doorzocht door het centrale Etias-systeem ▌;

15)  "terroristische misdrijf": strafbaar feit dat overeenkomt met of gelijkwaardig is aan een van de in Richtlijn (EU) 2017/541 bedoelde misdrijven;

16)  "ernstige strafbaar feit": strafbaar feit dat overeenkomt met of gelijkwaardig zijn aan een van de in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde strafbare feiten, indien het naar nationaal recht strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximumduur van ten minste drie jaar;

17)  "Europol-gegevens": persoonsgegevens die door Europol worden verwerkt voor het in artikel 18, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2016/794 vermelde doel;

18)  "elektronisch ondertekend": de bevestiging van de overeenkomst door het aanvinken van het overeenkomstige veld van het aanvraagformulier of het verzoek om toestemming;

19)  "minderjarige": een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar;

20)  "consulaat": een diplomatieke missie of consulaire post van een lidstaat in de zin van het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 inzake consulaire betrekkingen;

21)  "aangewezen autoriteit": een autoriteit die overeenkomstig artikel 50 door een lidstaat is aangewezen als verantwoordelijk voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten;

22)  "immigratieautoriteit": de bevoegde autoriteit die op grond van het nationale recht met een of meer van de volgende taken is belast:

a)  op het grondgebied van de lidstaten controleren of de voorwaarden voor toegang tot of verblijf op dat grondgebied zijn vervuld;

b)  de voorwaarden voor de vestiging van onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten onderzoeken en beslissingen nemen met betrekking tot die vestiging, voor zover deze autoriteit geen "beslissings­autoriteit" als gedefinieerd in artikel 2, punt f), van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad(37) is, en, in voorkomend geval, advies verstrekken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad(38);

c)  de terugkeer van onderdanen van derde landen naar een derde land van herkomst of doorreis.

2.  De in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 45/2001 gedefinieerde begrippen hebben dezelfde betekenis in deze verordening voor zover persoonsgegevens worden verwerkt door het Europees Grens- en kustwachtagentschap en eu-LISA.

3.  De in artikel 4 van Verordening (EU) 2016/679 gedefinieerde begrippen hebben dezelfde betekenis in deze verordening voor zover persoonsgegevens worden verwerkt door de autoriteiten van de lidstaten voor de in artikel 4, onder a) tot en met e), van deze verordening vastgelegde doeleinden.

4.  De in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2016/680 gedefinieerde begrippen hebben dezelfde betekenis in deze verordening voor zover persoonsgegevens worden verwerkt door de autoriteiten van de lidstaten voor de in artikel 4, onder f), van deze verordening vastgelegde doeleinden.

Artikel 4

Doelstellingen van Etias

Door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te ondersteunen, zal Etias:

a)  bijdragen aan een hoog niveau van veiligheid door grondig te beoordelen of aanvragers een veiligheidsrisico vormen, zulks voorafgaand aan hun aankomst bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen, teneinde te bepalen of er feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens op basis van feitelijke aanwijzingen bestaan om te besluiten dat hun aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico vormt;

b)  bijdragen aan het voorkomen van illegale immigratie door te beoordelen of aanvragers een risico op het gebied van illegale immigratie vormen, zulks voorafgaand aan hun aankomst bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen;

c)  bijdragen aan de bescherming van de volksgezondheid door te beoordelen of de aanvrager een hoog epidemiologisch risico in de zin van artikel 3, lid 1, onder 8), vormt, zulks voorafgaand aan zijn of haar aankomst bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen;

d)  de doeltreffendheid van grenscontroles verhogen;

e)  de SIS-doelstellingen ondersteunen die betrekking hebben op signaleringen van onderdanen van derde landen aan wie de inreis en het verblijf is geweigerd, signaleringen van personen die met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering worden gezocht, signaleringen van vermiste personen, signaleringen van personen die worden gezocht met het oog op hun medewerking in het kader van een gerechtelijke procedure en signaleringen van personen die discreet of gericht moeten worden gecontroleerd;

f)  bijdragen aan het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten.

Artikel 5

Algemene structuur van Etias

Etias bestaat uit:

a)  het in artikel 6 bedoelde Etias-informatiesysteem;

b)  de in artikel 7 bedoelde centrale Etias-eenheid;

c)  de in artikel 8 bedoelde nationale Etias-eenheden.

Artikel 6

Oprichting en technische architectuur van het Etias-informatiesysteem

1.  Het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) ontwikkelt het Etias-informatiesysteem en zorgt voor het technisch beheer daarvan.

2.  Het Etias-informatiesysteem bestaat uit:

a)  het centraal Etias-systeem, waarin de in artikel 34 bedoelde Etias-observatielijst is opgenomen;

b)  een op gemeenschappelijke technische specificaties gebaseerde en voor alle lidstaten identieke nationale uniforme interface (NUI) in elke lidstaat, waarmee een beveiligde aansluiting tussen het centrale Etias-systeem en de nationale grensinfrastructuur en de in artikel 50, lid 2, bedoelde centrale toegangspunten in de lidstaten tot stand kan worden gebracht;

c)  een beveiligde en versleutelde communicatie-infrastructuur tussen het centrale Etias-systeem en de NUI’s;

d)  een beveiligde communicatie-infrastructuur tussen het centrale Etias-systeem en de in artikel 11 bedoelde informatiesystemen;

e)  een openbare website en een app voor mobiele apparaten;

f)  een e-maildienst;

g)  een beveiligde-accountdienst die aanvragers kunnen gebruiken om vereiste aanvullende informatie of documentatie te verstrekken;

h)  een verificatie-instrument voor aanvragers;

i)  een instrument waarmee aanvragers ermee kunnen instemmen of kunnen weigeren dat hun aanvraagdossier een bewaartermijn langer wordt opgeslagen;

j)  een instrument waarmee Europol en lidstaten kunnen beoordelen welke gevolgen het invoeren van nieuwe gegevens in de Etias-observatielijst mogelijk heeft voor het aandeel handmatig verwerkte aanvragen;

k)  een toegangsportaal voor vervoerders;

l)  een beveiligde webdienst die communicatie mogelijk maakt tussen het centrale Etias-systeem en de openbare website, de app voor mobiele apparaten, de e-maildienst, de beveiligde-accountdienst, het toegangsportaal voor vervoerders, het verificatie-instrument voor aanvragers, het instemmings­instrument voor aanvragers, de betalingsintermediair en Interpoldatabanken;

m)  software die de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden in staat stelt de aanvragen te verwerken en de raadpleging van andere nationale Etias-eenheden als bedoeld in artikel 28 en met Europol als bedoeld in artikel 29 te beheren;

n)  een centrale gegevensopslagplaats ten behoeve van rapportage en statistieken.

3.  Voor zover technisch mogelijk delen en hergebruiken het centrale Etias-systeem, de NUI’s, de webdienst, het toegangsportaal voor vervoerders en de communicatie-infrastructuur van Etias de hardware- en softwarecomponenten van respectievelijk het centrale systeem van het EES, de nationale uniforme interfaces van het EES, de webdienst van het EES ▌ en de communicatie-infrastructuur van het EES als bedoeld in Verordening (EU) 2017/2226.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de vaststelling van de in lid 2, onder g), van dit artikel bedoelde vereisten voor een beveiligde-accountdienst.

Artikel 7

De centrale Etias-eenheid

1.  Binnen het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt een centrale Etias-eenheid opgericht.

2.  De centrale Etias-eenheid is 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel en is verantwoordelijk voor hetvolgende :

a)  in gevallen waarin de geautomatiseerde aanvraagprocedure een hit oplevert, overeenkomstig artikel 22 verifiëren of de persoonsgegevens van de aanvrager overeenstemmen met de persoonsgegevens van de persoon op wie die hit betrekking heeft in het centrale Etias-systeem en in de Etias-observatielijst als bedoeld in artikel 34, in een van de geraadpleegde EU-informatiesystemen, met de Europol-gegevens, in een van de Interpol-databanken als bedoeld in artikel 12 of met de in artikel 33 vermelde specifieke risico-indicatoren, en, in een geval waarbij een overeenstemming is bevestigd of waarbij twijfels overblijven, beginnen met de handmatige verwerking van de aanvraag als bedoeld in artikel 26;

b)  ervoor zorgen dat de door haar in de aanvraagdossiers ingevoerde gegevens actueel zijn overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de artikelen 55 en 64;

c)  definiëren, vaststellen, vooraf beoordelen, implementeren, achteraf evalueren, herzien, en wissen van de in artikel 33 bedoelde specifieke risico-indicatoren, na raadpleging van de Etias-screeningsraad;

d)  ervoor zorgen dat de overeenkomstig artikel 22 uitgevoerde verificaties en de bijbehorende resultaten in de aanvraagdossiers worden opgenomen;

e)  regelmatig de verwerking van de aanvragen en de toepassing van artikel 33 controleren door het regelmatig beoordelen van de gevolgen daarvan voor de grondrechten, met name wat betreft privacy en bescherming van persoonsgegevens;

f)  indien nodig, de lidstaat aanwijzen die verantwoordelijk is voor de handmatige verwerking van aanvragen als bedoeld in artikel 25, lid 2;

g)  bij technische problemen of onvoorziene omstandigheden, indien nodig, de raadplegingen tussen de lidstaten onderling als bedoeld in artikel 28 en de raadplegingen tussen de verantwoordelijke lidstaat en Europol als bedoeld in artikel 29 faciliteren;

h)  vervoerders in kennis stellen van gevallen van storing van het Etias-informatiesysteem als bedoeld in artikel 46, lid 1;

i)  de nationale Etias-eenheden van de lidstaten in kennis stellen van een storing van het Etias-informatiesysteem als bedoeld in artikel 48, lid 1;

j)  verzoeken van Europol om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens als bedoeld in artikel 53 behandelen;

k)  het grote publiek voorzien van alle relevante informatie met betrekking tot het aanvragen van een reisautorisatie als bedoeld in artikel 71;

l)  samenwerken met de Commissie in verband met de voorlichtingscampagne als bedoeld in artikel 72;

m)  schriftelijk bijstand verlenen aan reizigers die problemen ondervinden bij het invullen van het aanvraagformulier en die daarom door middel van een standaardcontactformulier hebben verzocht; online een lijst van veelgestelde vragen en antwoorden bijhouden;

n)  zorgen voor follow-up en regelmatige rapportage aan de Commissie over gemelde misbruiken door commerciële tussenpersonen als bedoeld in artikel 15, lid 5.

3.  De centrale Etias-eenheid publiceert jaarlijks een activiteitenverslag. Het verslag bevat:

a)  statistieken over:

i)  het aantal reisautorisaties dat automatisch door het centrale Etias-systeem is afgegeven;

ii)  het aantal aanvragen dat door de centrale Etias-eenheid is geverifieerd;

iii)  het aantal aanvragen per lidstaat dat handmatig is verwerkt;

iv)  het aantal aanvragen per derde land dat is geweigerd en de gronden voor de weigering;

v)  de mate waarin de in artikel 22, lid 6, en in de artikelen 27, 30 en 32 bedoelde uiterste termijnen in acht zijn genomen;

b)  algemene informatie over de werking van de centrale Etias-eenheid, haar activiteiten zoals uiteengezet in dit artikel en informatie over actuele ontwikkelingen en uitdagingen die van invloed zijn op de uitoefening van haar taken.

Het jaarlijkse activiteitenverslag wordt uiterlijk op 31 maart van het volgende jaar toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel 8

Nationale Etias-eenheden

1.  Elke lidstaat wijst een bevoegde autoriteit aan als de nationale Etias-eenheid.

2.  De nationale Etias-eenheden zijn verantwoordelijk voor het volgende:

a)  onderzoeken van en beslissen over reisautorisatieaanvragen wanneer de geautomatiseerde aanvraagprocedure een hit heeft opgeleverd en de handmatige verwerking van de aanvraag door de centrale Etias-eenheid is geïnitieerd;

b)  ervoor zorgen dat de onder a) uitgevoerde taken en de bijbehorende resultaten in de aanvraagdossiers worden opgenomen;

c)  ervoor zorgen dat de door haar in de aanvraagdossiers ingevoerde gegevens actueel zijn overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de artikelen 55 en 64;

d)  beslissen tot afgifte van reisautorisaties met beperkte territoriale geldigheid als bedoeld in artikel 44;

e)  zorgen voor de coördinatie met andere nationale Etias-eenheden en Europol met betrekking tot de in de artikelen 28 en 29 bedoelde raadplegingen;

f)  aanvragers informatie verstrekken over de procedure die moet worden gevolgd in geval van een beroep uit hoofde van artikel 37, lid 3;

g)  een reisautorisatie nietig verklaren en intrekken, als bedoeld in de artikelen 40 en 41.

3.  De lidstaten voorzien de nationale Etias-eenheden van voldoende middelen om hun taken te vervullen overeenkomstig de in deze verordening vermelde termijnen.

Artikel 9

Etias-screeningsraad

1.  Binnen het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt een Etias-screeningsraad met een adviesfunctie opgericht. Deze bestaat uit een vertegenwoordiger van elke nationale Etias-eenheid, van het Europees Grens- en kustwachtagentschap en van Europol.

2.  De Etias-screeningsraad wordt geraadpleegd ▌:

a)  door de centrale Etias-eenheid, over de definitie, vaststelling, beoordeling vooraf, implementatie, evaluatie achteraf, en herziening en schrapping van de in artikel 33 bedoelde specifieke risico-indicatoren;

b)  door de lidstaten, over de toepassing van de in artikel 34 bedoelde Etias-observatielijst;

c)  door Europol over de toepassing van de in artikel 34 bedoelde Etias-observatielijst.

3.  De Etias-screeningsraad verstrekt adviezen, richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken. Bij het verstrekken van aanbevelingen houdt de Etias-screeningsraad rekening met de aanbevelingen van de Etias-sturingsraad voor de grondrechten.

4.  De Etias-screeningsraad vergadert wanneer nodig, doch ten minste tweemaal per jaar. De kosten en logistieke ondersteuning van de vergaderingen van de screeningsraad komen ten laste van het Europees Grens- en kustwachtagentschap.

5.  De Etias-screeningsraad kan de Etias-sturingsraad voor de grondrechten raadplegen over met grondrechten verband houdende aangelegenheden, met name wat betreft privacy, bescherming van persoonsgegevens en non-discriminatie.

6.  De Etias-screeningsraad stelt in zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast bij gewone meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel 10

Etias-sturingsraad voor de grondrechten

1.  Er wordt een onafhankelijke Etias-sturingsraad voor de grondrechten met een advies- en beoordelingsfunctie opgericht. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden en onafhankelijkheid bestaat deze raad uit de grondrechtenfunctionaris van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, een vertegenwoordiger van het adviesforum voor grondrechten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, een vertegenwoordiger van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, een vertegenwoordiger van het Europees Comité voor gegevensbescherming zoals opgericht bij Verordening (EU) 2016/679 en een vertegenwoordiger van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.

2.  De Etias-sturingsraad voor de grondrechten voert regelmatig beoordelingen uit en doet regelmatig aanbevelingen aan de Etias-screeningsraad over de gevolgen voor de grondrechten van de verwerking van aanvragen en van de toepassing van artikel 33, met name wat betreft privacy, bescherming van persoonsgegevens en non-discriminatie.

Tevens staat de Etias-sturingsraad voor de grondrechten de Etias-screeningsraad bij in de uitvoering van zijn taken indien hij door de Etias-screeningsraad wordt geraadpleegd over specifieke aangelegenheden in verband met grondrechten, met name wat betreft privacy, bescherming van persoonsgegevens en non-discriminatie.

De Etias-sturingsraad voor de grondrechten heeft toegang tot de in artikel 7, lid 2, onder e), bedoelde controles.

3.  De Etias-sturingsraad voor de grondrechten vergadert wanneer nodig, doch ten minste tweemaal per jaar. De kosten en logistieke ondersteuning van de vergaderingen van de sturingsraad komen ten laste van het Europees Grens- en kustwachtagentschap. De vergaderingen van de sturingsraad vinden plaats in de gebouwen van het Europees Grens- en kustwachtagentschap. Het secretariaat van de vergaderingen van de sturingsraad wordt waargenomen door het Europees Grens- en kustwachtagentschap. De Etias-sturingsraad voor de grondrechten stelt in zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast bij gewone meerderheid van stemmen van zijn leden.

4.  Een vertegenwoordiger van de Etias-sturingsraad voor de grondrechten wordt uitgenodigd om als adviseur de vergaderingen van de Etias-screeningsraad bij te wonen. De leden van de Etias-sturingsraad voor de grondrechten hebben toegang tot de informatie en dossiers van de Etias-screeningsraad.

5.  De Etias-sturingsraad voor de grondrechten stelt een jaarverslag op. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

Artikel 11

Interoperabiliteit met andere EU-informatiesystemen

1.  Er wordt gezorgd voor interoperabiliteit tussen het Etias-informatiesysteem en andere EU-informatiesystemen en Europol-gegevens teneinde de in artikel 20 bedoelde verificatie te kunnen uitvoeren.

2.  De wijzigingen in de wetgevingshandelingen tot instelling van EU‑informatiesystemen die noodzakelijk zijn om tussen deze informatiesystemen en Etias interoperabiliteit tot stand te brengen en de aanvulling van deze verordening met dienovereenkomstige bepalingen zijn het onderwerp van een afzonderlijk wetgevingsinstrument.

Artikel 12

Raadpleging van de Interpol-databanken

Het centrale Etias-systeem raadpleegt de Interpol-databank voor gestolen of verloren reisdocumenten (SLTD) en de Interpol-databank voor reisdocumenten die verband houden met kennisgevingen (TDAWN). Elke raadpleging en verificatie wordt zodanig uitgevoerd dat hierover aan de eigenaar van de Interpol-signalering geen informatie wordt vrijgegeven.

Artikel 13

Toegang tot in Etias opgeslagen gegevens

1.  De toegang tot het Etias-informatiesysteem wordt uitsluitend voorbehouden aan naar behoren gemachtigde personeelsleden van de centrale Etias-eenheid en van de nationale Etias-eenheden.

2.  De toegang tot het centrale Etias-systeem die grensautoriteiten overeenkomstig artikel 47 hebben, wordt beperkt tot het doorzoeken van het centrale Etias-systeem om de reisautorisatiestatus te achterhalen van een reiziger die zich bij een doorlaatpost aan de buitengrenzen bevindt, en tot de in artikel 47, lid 2, onder a), c) en d) genoemde gegevens. Daarnaast worden grensautoriteiten automatisch in kennis gesteld van de in artikel 36, leden 2 en 3, bedoelde markeringen, en van de redenen daarvoor.

Wanneer, in uitzonderlijke gevallen, volgens een markering een tweedelijnscontrole aan de grens wordt aanbevolen of voor die controle aanvullende verificaties nodig zijn, hebben de grensautoriteiten toegang tot het centrale Etias-systeem om de aanvullende informatie als bedoeld in artikel 39, lid 1, onder e), of artikel 44, lid 6, onder f), te verkrijgen.

3.  De toegang tot het Etias-informatiesysteem ▌ die vervoerders overeenkomstig artikel 45 hebben, wordt beperkt tot het sturen van een zoekopdracht aan het Etias-informatie­systeem om de reisautorisatiestatus van een reiziger te achterhalen.

4.  De toegang tot het centrale Etias-systeem die immigratieautoriteiten overeenkomstig artikel 49 hebben, wordt beperkt tot het achterhalen van de reisautorisatiestatus van een reiziger die zich op het grondgebied van de lidstaat bevindt, en tot bepaalde in dat artikel genoemde gegevens.

De toegang tot het centrale Etias-systeem die immigratieautoriteiten overeenkomstig artikel 65, lid 3 hebben, wordt beperkt tot de in dat artikel genoemde gegevens.

5.  Elke lidstaat wijst de in de leden 1, 2 en 4 van dit artikel bedoelde bevoegde nationale autoriteiten aan en deelt overeenkomstig artikel 86, lid 2, aan eu-LISA onverwijld een lijst met die autoriteiten mee. Deze lijst vermeldt voor welk doel de naar behoren gemachtigde personeelsleden van elke autoriteit toegang hebben tot de gegevens in het Etias-informatiesysteem overeenkomstig de leden 1, 2 en 4 van dit artikel.

Artikel 14

Non-discriminatie en grondrechten

De verwerking van persoonsgegevens in het Etias-informatiesysteem door eender welke gebruiker mag niet leiden tot discriminatie van onderdanen van derde landen op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Bij de verwerking worden de menselijke waardigheid, integriteit en grondrechten ten volle gerespecteerd, met inbegrip van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan kinderen, ouderen en personen met een handicap. Het belang van het kind komt op de eerste plaats.

HOOFDSTUK II

Aanvragen

Artikel 15

Praktische regelingen voor de indiening van een aanvraag

1.  Aanvragers dienen ruim vóór een voorgenomen reis een aanvraag in door het onlineaanvraagformulier in te vullen via de daartoe aangewezen openbare website of de app voor mobiele apparaten, of, indien zij zich reeds op het grondgebied van een lidstaat bevinden, voordat de geldigheidsduur van de reisautorisatie verstrijkt.

2.  Houders van een reisautorisatie kunnen vanaf 120 dagen voordat de reisautorisatie vervalt, een aanvraag voor een nieuwe reisautorisatie indienen.

120 dagen voordat de reisautorisatie vervalt, wordt de houder van die reisautorisatie door het centrale Etias-systeem automatisch geïnformeerd via de e-maildienst over:

a)  de datum van verstrijken van de reisautorisatie;

b)  de mogelijkheid om een aanvraag voor een nieuwe reisautorisatie in te dienen;

c)  de verplichting om gedurende de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten in het bezit te zijn van een geldige reisautorisatie.

3.  Alle mededelingen aan de aanvrager in verband met zijn reisautorisatieaanvraag worden verzonden naar het in artikel 17, lid 2, onder g), bedoelde e-mailadres dat de aanvrager in het aanvraagformulier heeft opgegeven.

4.  Aanvragen kunnen worden ingediend door de aanvrager dan wel door een persoon of commerciële tussenpersoon die door de aanvrager is gemachtigd om de aanvraag namens hem in te dienen.

5.  De Commissie stelt, door middel van een uitvoeringshandeling, het ontwerp van een formulier vast voor het melden van misbruiken door de in lid 4 van dit artikel bedoelde commerciële tussenpersonen. Dat formulier wordt ter beschikking gesteld via de speciale openbare website of de app voor mobiele apparaten als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Die ingevulde formulieren worden toegezonden aan de centrale Etias-eenheid, die passende maatregelen neemt, en aan de Commissie regelmatig verslag uitbrengt. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 16

De openbare website en de app voor mobiele apparaten

1.  Via de openbare website en de app voor mobiele apparaten kunnen onderdanen van derde landen voor wie de reisautorisatieplicht geldt, een aanvraag voor een reisautorisatie indienen, de overeenkomstig artikel 17 vereiste gegevens invullen op het aanvraagformulier en de reisautorisatievergoeding betalen.

2.  De openbare website en de app voor mobiele apparaten maken het aanvraagformulier op grote schaal beschikbaar en gemakkelijk en kosteloos toegankelijk voor de aanvragers. Voor personen met een handicap zal bijzondere aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid van de openbare website en de app voor mobiele apparaten.

3.  De openbare website en de app voor mobiele apparaten zijn beschikbaar in alle officiële talen van de lidstaten.

4.  Indien de officiële taal of talen van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 vermelde landen niet overeenkomt of overeenkomen met de in lid 3 bedoelde talen, worden door eu-LISA op de openbare website en de app voor mobiele apparaten factsheets met informatie over Etias, de aanvraagprocedure, het gebruik van de openbare website en de app voor mobiele apparaten alsmede een stapsgewijze toelichting bij de aanvraag beschikbaar gesteld in ten minste een van de officiële talen van de betrokken landen. Indien een van deze landen meer dan één officiële taal heeft, zijn die factsheets alleen nodig indien geen van deze talen overeenkomt met de in lid 3 bedoelde talen.

5.  Op de openbare website en de app voor mobiele apparaten staat vermeld in welke talen aanvragers het aanvraagformulier kunnen invullen.

6.  De openbare website en de app voor mobiele apparaten voorzien de aanvrager van een accountdienst waarmee aanvragers zo nodig aanvullende informatie of documentatie kunnen verstrekken.

7.  Op de openbare website en de app voor mobiele apparaten staat vermeld dat aanvragers op grond van deze verordening beroep kunnen instellen indien een reisautorisatie geweigerd, ingetrokken of nietig verklaard is. Daartoe bevatten de website en de app informatie over het toepasselijke nationale recht, de bevoegde instantie, de wijze om beroep in te stellen, de beroepstermijn en informatie over eventuele bijstand die de nationale gegevensbeschermingsautoriteit kan verlenen.

8.  De openbare website en de app voor mobiele apparaten bieden aanvragers de mogelijkheid om aan te geven dat hun voorgenomen verblijf verband houdt met humanitaire redenen of internationale verplichtingen.

9.  De openbare website bevat de in artikel 71 bedoelde informatie.

10.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, nadere regels vast betreffende het beheer van de openbare website en de app voor mobiele apparaten, en nadere regels inzake de bescherming en beveiliging van gegevens die gelden voor de openbare website en de app voor mobiele apparaten. Die nadere regels worden gebaseerd op risicobeheer inzake informatiebeveiliging en op het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 17

Aanvraagformulier en persoonsgegevens van de aanvrager

1.  Elke aanvrager dient een ingevuld aanvraagformulier in, met inbegrip van een verklaring van de echtheid, volledigheid, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de ingediende gegevens en een verklaring van de waarachtigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Elke aanvrager verklaart eveneens de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 te hebben begrepen, alsook dat hij bij elke binnenkomst kan worden verzocht de relevante ondersteunende documenten over te leggen. Minderjarigen dienen een aanvraagformulier in dat elektronisch ondertekend is door een persoon die tijdelijk of permanent het ouderlijke gezag of de wettelijke voogdij uitoefent.

2.  De aanvrager verstrekt in het aanvraagformulier de volgende persoonsgegevens:

a)  achternaam (familienaam), voornaam(-namen), achternaam bij geboorte, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland, geslacht, huidige nationaliteit, voornaam(-namen) van de ouders van de aanvrager;

b)  andere namen (alias(sen), artiestennaam(-namen), roepnaam(-namen)) indien van toepassing;

c)  overige nationaliteiten indien van toepassing;

d)  soort, nummer en land van afgifte van het reisdocument;

e)  de datum van afgifte en de uiterste geldigheidsdatum van het reisdocument;

f)  het woonadres van de aanvrager of, indien niet beschikbaar, de plaats en het land van verblijf;

g)  e-mailadres en, indien beschikbaar, telefoonnummer;

h)  opleiding (basisonderwijs, middelbaar onderwijs, hoger onderwijs of geen opleiding);

i)  huidig beroep (beroepsgroep); indien de aanvraag onderworpen is aan de handmatige verwerking overeenkomstig de in artikel 26 bepaalde procedure, kan de verantwoordelijke lidstaat de aanvrager overeenkomstig artikel 27 verzoeken aanvullende informatie te verstrekken over de exacte benaming van zijn beroep en werkgever, of, in het geval van studenten, de naam van de onderwijsinstelling;

j)  lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf en, facultatief, het adres van het eerste voorgenomen verblijf;

k)  voor minderjarigen: achternaam en voornaam(-namen) ▌, woonadres, e-mailadres en, indien beschikbaar, telefoonnummer van de persoon die het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij over de aanvrager uitoefent;

l)  wanneer hij aanspraak maakt op de in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde status van familielid:

i)  zijn status van familielid;

ii)  achternaam, voornaam(-namen), geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland, huidige nationaliteit, woonadres, e-mailadres en, indien beschikbaar, telefoonnummer van het familielid met wie de aanvrager een familieband heeft;

iii)  zijn familieband met dat familielid overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG;

m)  bij door iemand anders dan de aanvrager ingevulde aanvragen: achternaam, voornaam(-namen), bedrijfsnaam, organisatie (indien van toepassing), e-mailadres, postadres en telefoonnummer (indien beschikbaar) van die persoon; de relatie met de aanvrager en een ondertekende volmacht.

3.  De aanvrager kiest ▌zijn of haar huidige beroep ▌ (beroepsgroep) uit een vooraf vastgestelde lijst. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast tot vastlegging van deze vooraf vastgestelde lijst.

4.  Voorts beantwoordt de aanvrager de volgende vragen:

a)  Is de aanvrager ▌gedurende de voorbije tien jaar veroordeeld voor een in de bijlage genoemd strafbaar feit, of gedurende de voorbije twintig jaar veroordeeld voor een terroristisch misdrijf en, zo ja, wanneer en in welk land?

b)  Heeft de aanvrager de voorbije tien jaar ooit in een specifiek oorlogs- of conflictgebied verbleven en, zo ja, waarom?

c)  Is er ten aanzien van de aanvrager in de voorbije tien jaar een beslissing die hem verplichtte het grondgebied van een lidstaat of van een in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen derde land te verlaten, dan wel een terugkeerbesluit genomen?

5.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast  om de inhoud en de vorm van de in lid 4 van dit artikel vermelde vragen nader te bepalen, teneinde de aanvragers in staat te stellen duidelijke en nauwkeurige antwoorden te geven.

6.  Indien de aanvrager een of meer van de in lid 4 bedoelde vragen bevestigend beantwoordt, dient hij via het aanvraagformulier een aanvullende reeks vooraf vastgestelde vragen te beantwoorden door uit een vooraf vastgestelde lijst van antwoorden te kiezen. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast om de inhoud en de vorm van deze aanvullende vragen en de vooraf vastgestelde lijst van antwoorden op die vragen vast te stellen.

7.  De in de leden 2 en 4 bedoelde gegevens worden door de aanvrager ingevoerd in lettertekens van het Latijnse alfabet ▌.

8.  Bij de indiening van het aanvraagformulier registreert het Etias-informatiesysteem het IP‑adres vanwaar het aanvraagformulier is verzonden.

9.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, de voorschriften vast voor het formaat van de in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde persoonsgegevens die op het aanvraagformulier moeten worden ingevuld, alsmede voor de parameters en verificaties die van toepassing zijn om de volledigheid van de aanvraag en de samenhang van die gegevens te garanderen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 18

Reisautorisatievergoeding

1.  De aanvrager betaalt per aanvraag een reisautorisatievergoeding van 7 EUR ▌.

2.  De reisautorisatievergoeding wordt niet geheven voor aanvragers die op het moment van de aanvraag jonger dan 18 of ouder dan 70 jaar zijn.

3.  De reisautorisatievergoeding wordt geheven in euro’s.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast inzake de betalingswijzen en -procedure voor de reisautorisatievergoeding en inzake wijzigingen van het bedrag van die vergoeding. Bij wijzigingen van het bedrag wordt rekening gehouden met stijgingen van de in artikel 85 genoemde kosten.

HOOFDSTUK III

Aanmaak van het aanvraagdossier en onderzoek van de aanvraag door het centrale Etias-systeem

Artikel 19

Ontvankelijkheid en aanmaak van het aanvraagdossier

1.  Na de indiening van een aanvraag verifieert het Etias-informatiesysteem op geautomatiseerde wijze of:

a)  alle velden van het aanvraagformulier zijn ingevuld en alle in artikel 17, leden 2 en 4, bedoelde gegevens bevatten,

b)  de reisautorisatievergoeding is geïnd.

2.  Indien de voorwaarden van lid 1, onder a) en b), zijn vervuld, wordt de aanvraagontvankelijk geacht. Het centrale Etias-systeem maakt vervolgens automatisch onverwijld een aanvraagdossier aan en kent het daaraan een aanvraagnummer toe.

3.  Bij de aanmaak van het aanvraagdossier worden de volgende gegevens in het centrale Etias-systeem geregistreerd en opgeslagen:

a)  het aanvraagnummer;

b)  informatie over de status, waaruit blijkt dat een reisautorisatie is aangevraagd;

c)  de in artikel 17, lid 2, en, indien van toepassing, artikel 17, leden 4 en 6, bedoelde persoonsgegevens, met inbegrip van de drielettercode van het land dat het reisdocument heeft afgegeven;

d)  de in artikel 17, lid 8, bedoelde gegevens;

e)  de datum en het tijdstip waarop het aanvraagformulier is ingediend, alsmede een aantekening dat de reisautorisatievergoeding is betaald, en het unieke referentienummer van die betaling.

4.  Bij de aanmaak van het aanvraagdossier onderzoekt het centrale Etias-systeem of het al een ander aanvraagdossier van de aanvrager bevat, door de in artikel 17, lid 2, onder a), bedoelde gegevens te vergelijken met de persoonsgegevens van de in het centrale Etias-systeem opgeslagen aanvraagdossiers. In dat geval koppelt het centrale Etias-systeem het nieuwe aanvraagdossier aan de eventuele eerdere aanvraagdossiers die voor dezelfde aanvrager zijn aangemaakt.

5.  Na de aanmaak van het aanvraagdossier wordt de aanvrager via de e-maildienst onmiddellijk ervan in kennis gesteld dat hem tijdens de verwerking van zijn aanvraag kan worden gevraagd aanvullende informatie of documentatie te verstrekken of dat hij, in uitzonderlijke omstandigheden, kan worden uitgenodigd voor een gesprek. Die kennisgeving omvat:

a)  informatie over de status, waarbij wordt bevestigd dat een reisautorisatieaanvraag is ingediend; en

b)  het aanvraagnummer.

De kennisgeving stelt de aanvrager in staat gebruik te maken van het verificatieinstrument als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder h).

Artikel 20

Geautomatiseerde verwerking

1.  De aanvraagdossiers worden door het centrale Etias-systeem op geautomatiseerde wijze verwerkt om hits vast te stellen. Het centrale Etias-systeem onderzoekt elk aanvraagdossier afzonderlijk.

2.  Het centrale Etias-systeem vergelijkt de desbetreffende gegevens als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), b), c), d), f), g), j), k) en m), en in artikel 17, lid 8, met de gegevens in een notitie, dossier of signalering in het centrale Etias-systeem, SIS, het EES, VIS, Eurodac ▌, de Europol-gegevens, en de Interpol-databanken SLTD en TDAWN.

Het centrale Etias-systeem verifieert met name of:

a)  het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in SIS staat geregistreerd als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard;

b)  het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in de SLTD staat geregistreerd als verloren, gestolen of ongeldig verklaard;

c)  de aanvrager in SIS is gesignaleerd met het oog op weigering van inreis en verblijf;

d)  de aanvrager in SIS is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;

e)  de aanvrager en het reisdocument gerelateerd zijn aan een geweigerde, ingetrokken of nietig verklaarde ▌reisautorisatie in het centrale Etias-systeem;

f)  de in de aanvraag verstrekte gegevens over het reisdocument gerelateerd zijn aan een andere reisautorisatieaanvraag die samenhangt met andere identiteitsgegevens als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), in het centrale Etias-systeem;

g)  de aanvrager momenteel in het EES geregistreerd staat als een persoon die zijn toegestane verblijfsduur overschrijdt dan wel of de aanvrager in het verleden als zodanig geregistreerd is geweest;

h)  de aanvrager in het EES geregistreerd staat als een persoon wiens toegang is geweigerd;

i)  er ten aanzien van de aanvrager in VIS een beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking ▌van een visum voor kort verblijf is geregistreerd;

j)  de in de aanvraag verstrekte gegevens overeenstemmen met Europol-gegevens;

k)  de aanvrager in Eurodac geregistreerd staat;

l)  het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in een dossier in TDAWN staat geregistreerd;

m)  de persoon die het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij uitoefent, ingeval de aanvrager minderjarig is:

i)  in SIS is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;

ii)  in SIS staat gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf.

3.  Het centrale Etias-systeem verifieert of de aanvrager een van de in artikel 17, lid 4, vermelde vragen bevestigend heeft beantwoord en of de aanvrager geen woonadres maar slechts zijn plaats en land van verblijf heeft opgegeven, zoals bedoeld in artikel 17, lid 2, onder f).

4.  Het centrale Etias-systeem vergelijkt de desbetreffende gegevens als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), b), c), d), f), g), j), k) en m), en in artikel 17, lid 8, met de gegevens in de Etias-observatielijst als bedoeld in artikel 34.

5.  Het centrale Etias-systeem vergelijkt de desbetreffende gegevens als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), c), f), h) en i), met de specifieke risico-indicatoren als bedoeld in artikel 33.

6.  Het centrale Etias-systeem voegt aan het aanvraagdossier een verwijzing toe naar elke ingevolge de leden 2 tot en met 5 verkregen hit .

7.  Wanneer de in het aanvraagdossier geregistreerde gegevens overeenstemmen met de gegevens die een hit hebben gegenereerd overeenkomstig de leden 2 en 4, gaat het centrale Etias-systeem, waar van toepassing, na door welke lidstaat of lidstaten de gegevens die tot de hit hebben geleid, zijn ingevoerd of aangeleverd, en registreert het dit in het aanvraagdossier.

8. Naar aanleiding van een hit overeenkomstig lid 2, onder j), en lid 4, en indien de gegevens die een hit hebben gegenereerd niet door een lidstaat zijn aangeleverd, gaat het centrale Etias-systeem na of Europol de gegevens heeft ingevoerd, en registreert het dit in het aanvraagdossier.

Artikel 21

Resultaten van de geautomatiseerde verwerking

1.  Indien de geautomatiseerde verwerking als bedoeld in artikel 20, leden 2 tot en met 5, geen hit oplevert, geeft het centrale Etias-systeem automatisch een reisautorisatie af overeenkomstig artikel 36 en stelt ▌ het de aanvrager onmiddellijk in kennis overeenkomstig artikel 38.

2.   Indien de geautomatiseerde verwerking als bedoeld in artikel 20, leden 2 tot en met 5, een of meer hits ▌oplevert, wordt de aanvraag verwerkt volgens de procedure van artikel 22.

3. Indien op basis van de in artikel 22 bedoelde verificatie wordt bevestigd dat de in het aanvraagdossier geregistreerde gegevens overeenkomen met de gegevens die een hit hebben gegenereerd tijdens de geautomatiseerde verwerking overeenkomstig artikel 20, leden 2 tot en met 5, of indien er na zulke verificatie twijfels blijven bestaan over de identiteit van de aanvrager, wordt de aanvraag verwerkt overeenkomstig de in artikel 26 vastgelegde procedure.

4.  Indien uit de in artikel 20, lid 3, bedoelde geautomatiseerde verwerking blijkt dat de aanvrager bevestigend heeft geantwoord op een van de in artikel 17, lid 4, vermelde vragen en indien er geen andere hit is, wordt de aanvraag aan de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat gestuurd voor handmatige verwerking als bepaald in artikel 26.

Artikel 22

Verificatie door de centrale Etias-eenheid

1.  Indien de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20, leden 2 tot en met 5, een of meer hits oplevert, raadpleegt het centrale Etias-systeem automatisch de centrale Etias-eenheid.

2.  Wanneer zij wordt geraadpleegd, heeft de centrale Etias-eenheid toegang tot het aanvraagdossier en de eventueel daaraan verbonden aanvraagdossiers, evenals tot alle hits die de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20, leden 2 tot en met 5, heeft opgeleverd en tot de informatie die door het centrale Etias-systeem uit hoofde van artikel 20, leden 7 en 8 is geïdentificeerd .

3.  De centrale Etias-eenheid verifieert of de in het aanvraagdossier geregistreerde gegevens overeenstemmen met:

a)  de in artikel 33 bedoelde specifieke risico-indicatoren;

b)  de gegevens in het centrale Etias-systeem, met inbegrip van de in artikel 34 bedoelde Etias-observatie­lijst;

c)  de gegevens in een van de geraadpleegde EU-informatie­systemen;

d)  Europol-gegevens;

e)  de gegevens in de Interpol-databanken STLD of TDAWN.

4.  Indien de gegevens niet overeenkomen en er geen andere hit is geregistreerd gedurende de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20, leden 2 tot en met 5, verwijdert de centrale Etias-eenheid de valse hit uit het aanvraagdossier en geeft het centrale Etias-systeem automatisch een reisautorisatie af overeenkomstig artikel 36.

5.  Indien de gegevens overeenkomen met die van de aanvrager of er twijfel blijft bestaan over de identiteit van de aanvrager, wordt de aanvraag handmatig verwerkt overeenkomstig de procedure van artikel 26.

6.  De centrale Etias-eenheid voltooit de handmatige verwerking binnen ten hoogste twaalf uur na de ontvangst van het aanvraagdossier.

Artikel 23

Ondersteuning van de SIS-doelstellingen

1.  Voor de toepassing van artikel 4, onder e), kunnen in het centrale Etias-systeem de desbetreffende gegevens als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), b) en d), worden vergeleken met de gegevens in SIS, teneinde vast te stellen of ten aanzien van de aanvrager een van de volgende signaleringen is uitgegaan:

a)  een signalering van vermiste personen;

b)  een signalering van personen die worden gezocht met het oog op een gerechtelijke procedure;

c)  een signalering van personen met het oog op discrete controles of gerichte controles.

2.  Als de in lid 1 bedoelde vergelijking een of meerdere hits oplevert, zendt het centrale Etias-systeem een geautomatiseerde kennisgeving naar de centrale Etias-eenheid. De centrale Etias-eenheid gaat na of de persoonsgegevens van de aanvrager overeenkomen met de persoonsgegevens in de signalering die de hit heeft gegenereerd en indien dat het geval is, stuurt het centrale Etias-systeem een geautomatiseerde kennisgeving naar het Sirene-bureau van de lidstaat die de signalering heeft ingevoerd. Het betrokken Sirene-bureau verifieert of de persoonsgegevens van de aanvrager overeenstemmenmet de persoonsgegevens in de signalering die de hit heeft gegenereerd en treft alle passende follow-upmaatregelen.

Het centrale Etias-systeem zendt ook een geautomatiseerde kennisgeving aan het Sirene-bureau van de lidstaat die de signalering die de hit bij SIS heeft gegenereerd, heeft ingevoerd tijdens de geautomatiseerde verwerking als bedoeld in artikel 20, indien die signalering na verificatie door de centrale Etias-eenheid als bedoeld in artikel 22 heeft geleid tot handmatige verwerking van de aanvraag overeenkomstig artikel 26.

3.  De kennisgeving aan het Sirene-bureau van de lidstaat die de signalering heeft ingevoerd, bevat de volgende gegevens:

a)  familienaam(-namen), voornaam(-namen) en, indien van toepassing, alias(sen);

b)  geboorteplaats en -datum;

c)  geslacht;

d)  nationaliteit en eventuele andere nationaliteiten;

e)  de lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf en, indien beschikbaar, het adres van het eerste voorgenomen verblijf;

f)  het woonadres van de aanvrager en, indien niet beschikbaar, zijn plaats en land van verblijf;

g)  informatie over de reisautorisatiestatus, waaruit blijkt dat een reisautorisatie is afgegeven of geweigerd, of dat de aanvraag handmatig wordt verwerkt overeenkomstig artikel 26;

h)  een verwijzing naar eventuele hits die overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn gegenereerd, met inbegrip van de datum en het tijdstip van de hits.

4.  Het centrale Etias-systeem voegt aan het aanvraagdossier een verwijzing toe naar elke hit die wordt verkregen op grond van lid 1.

Artikel 24

Specifieke regels voor familieleden van burgers van de Unie of van andere onderdanen van derde landen die op grond van het Unierecht het recht van vrij verkeer genieten

1.  Voor de in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde onderdanen van derde landen wordt de reisautorisatie als omschreven in artikel 3, lid 1, onder 5), opgevat als een overeenkomstig onderhavige verordening uitgevaardigd besluit dat er geen feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens op basis van feitelijke aanwijzingen bestaan om te besluiten dat de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico of een hoog epidemiologisch risico vormt overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG.

2.  Wanneer een in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde onderdaan van een derde land een reisautorisatie aanvraagt, gelden de volgende specifieke regels:

a)  de aanvrager hoeft de in artikel 17, lid 4, onder c), bedoelde vraag niet te beantwoorden;

b)  er wordt vrijstelling verleend van de in artikel 18 bedoelde vergoeding.

3.  Bij de verwerking van een reisautorisatieaanvraag voor een in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde onderdaan van een derde land verifieert het centrale Etias-systeem niet of:

a)  de aanvrager momenteel geregistreerd staat als een persoon die zijn toegestane verblijfsduur overschrijdt, dan wel of de aanvrager in het verleden als zodanig geregistreerd is geweest, door raadpleging van het EES als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder g);

b)  de aanvrager overeenkomt met een persoon wiens gegevens zijn geregistreerd in Eurodac als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder k).

De overeenkomstig artikel 33 ▌ bepaalde specifieke risico-indicatoren die zijn gebaseerd op risico’s op het gebied van illegale immigratie zijn niet van toepassing.

4.  Een reisautorisatieaanvraag wordt niet geweigerd op grond van een risico op het gebied van illegale immigratie als bedoeld in artikel 37, lid 1, onder c).

5.  Indien de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20 een hit oplevert die overeenkomt met een signalering betreffende weigering van toegang en verblijf als bedoeld in artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad(39), verifieert de nationale Etias-eenheid om welke reden werd beslist deze signalering in SIS op te nemen. Als deze reden verband houdt met een risico op het gebied van illegale immigratie, wordt geen rekening gehouden met de signalering bij de beoordeling van de aanvraag. De nationale Etias-eenheid gaat te werk overeenkomstig artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1987/2006.

6.  De volgende regels zijn eveneens van toepassing:

a)  in de kennisgeving als bedoeld in artikel 38, lid 1, ontvangt de aanvrager informatie over het feit dat hij bij het overschrijden van de buitengrenzen zijn status van familielid als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), moet kunnen bewijzen; deze informatie bevat tevens een herinnering dat familieleden van een burger die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, indien zij beschikken over een reisautorisatie, slechts recht op binnenkomst hebben indien zij de burger van de Unie of de onderdaan van het derde land die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, vergezellen of zich bij hem voegen;

b)  een beroep als bedoeld in artikel 37, lid 3, wordt ingesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG;

c)  de bewaringstermijn van het aanvraagdossier als bedoeld in artikel 54, lid 1, is:

i)  de geldigheidsduur van de reisautorisatie;

ii)  ▌vijf jaar vanaf de laatste beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking ▌van de reisautorisatie overeenkomstig de artikelen 37, 40 en 41. Indien de gegevens van een notitie, dossier of signalering in een van de EU‑informatiesystemen, in de Europol-gegevens, de Interpol-databanken SLTD of TDAWN, de Etias-observatielijst of de Etias-screeningsregels die aanleiding geven tot een beslissing, worden gewist voordat de onder b), bedoelde periode verstrijkt, wordt het aanvraagdossier gewist binnen zeven dagen vanaf de datum van de wissing van de gegevens in die notitie, dat dossier of die signalering. Daartoe verifieert het centrale Etias-systeem regelmatig en automatisch of nog steeds is voldaan aan de voorwaarden voor het bewaren van de in dit punt bedoelde aanvraagdossiers. Het centrale Etias-systeem wist het aanvraagdossier automatisch indien zulks niet langer het geval is.

Met het oog op het faciliteren van een nieuwe aanvraag na het verstrijken van de geldigheidsduur van een Etias-reisautorisatie kan het aanvraagdossier in het centrale Etias-systeem voor een extra periode van niet meer dan drie jaar na het einde van de geldigheidsduur van de reisautorisatie worden opgeslagen, en op voorwaarde dat de aanvrager daarvoor, na een daartoe strekkend verzoek, vrijelijk en uitdrukkelijk toestemming verleent door middel van een elektronisch ondertekende verklaring. Verzoeken om toestemming worden in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal zodanig gepresenteerd dat een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met de andere aangelegenheden, overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2016/679.

Toestemming wordt aangevraagd na de automatische informatieverstrekking overeenkomstig artikel 15, lid 2. In de automatisch verstrekte informatie wordt de aanvrager gewezen op het doel van de bewaring van gegevens op grond van de informatie zoals bedoeld in artikel 71, onder o).

HOOFDSTUK IV

Onderzoek van de aanvraag door de nationale Etias-eenheden

Artikel ▌ 25

Verantwoordelijke lidstaat

1.  De lidstaat die op grond van artikel 26 verantwoordelijk is voor de handmatige verwerking van aanvragen ("de verantwoordelijke lidstaat") wordt door het centrale Etias-systeem als volgt bepaald:

a)  indien blijkt dat slechts één lidstaat de gegevens heeft ingevoerd of aangeleverd die de hit ingevolge artikel 20 hebben gegenereerd, wordt die lidstaat aangemerkt als de verantwoordelijke lidstaat;

b)  indien blijkt dat meerdere lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die de hits ingevolge artikel 20 hebben gegenereerd, wordt als de verantwoordelijke lidstaat aangemerkt:

i)  de lidstaat die de meest recente gegevens inzake een in artikel 20, lid 2, onder d), bedoelde signalering heeft ingevoerd of aangeleverd, of

ii)  indien geen van die gegevens overeenstemt met een in artikel 20, lid 2, onder d), bedoelde signalering, de lidstaat die de meest recente gegevens inzake een in artikel 20, lid 2, onder c), bedoelde signalering heeft ingevoerd of aangeleverd, of

iii)  indien geen van die gegevens overeenstemt met een in artikel 20, lid 2, onder c) of d), bedoelde signalering, de lidstaat die de meest recente gegevens inzake een in artikel 20, lid 2, onder a), bedoelde signalering heeft ingevoerd of aangeleverd;

c)  indien blijkt dat meerdere lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die de hits ingevolge artikel 20 hebben gegenereerd, maar geen van die gegevens overeenstemt met in artikel 20, lid 2, onder a), c) en d), bedoelde signaleringen wordt de lidstaat die de meest recente gegevens heeft ingevoerd of aangeleverd, aangemerkt als de verantwoordelijke lidstaat;

voor de toepassing van de punten a) en c) van de eerste alinea worden hits op grond van gegevens die niet door een lidstaat zijn ingevoerd of aangeleverd, niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Indien de handmatige verwerking van een aanvraag geen gevolg is van gegevens die door een lidstaat zijn ingevoerd of aangeleverd, is de verantwoordelijke lidstaat de lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf.

2.  Het centrale Etias-systeem geeft in het aanvraagdossier aan welke lidstaat verantwoordelijk is. Indien het centrale Etias-systeem niet in staat is de verantwoordelijke lidstaat aan te duiden als bedoeld in lid 1, zal de centrale Etias-eenheid dit doen.

Artikel 26

Handmatige verwerking van aanvragen door de nationale Etias-eenheden

1.  Indien de geautomatiseerde verwerking als bedoeld in artikel 20, leden 2 tot en met 5, een of meer hits oplevert, wordt de aanvraag handmatig verwerkt door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat. Die nationale Etias-eenheid heeft toegang tot het aanvraagdossier en de eventueel daaraan verbonden aanvraagdossiers, evenals tot alle hits die de geautomatiseerde verwerking ingevolge in artikel 20, leden 2 tot en met 5, oplevert. De centrale Etias-eenheid deelt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat mee of de gegevens die de hit ingevolge artikel 20, leden 2 of 4, hebben gegenereerd, zijn ingevoerd of aangeleverd door één of meer andere lidstaten of door Europol. Indien blijkt dat één of meer lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die een hit hebben gegenereerd, vermeldt de centrale Etias-eenheid deze lidstaat of lidstaten.

2.  Na de handmatige verwerking van de aanvraag gaat de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat over tot:

a)  afgifte van een reisautorisatie, of

b)  weigering van een reisautorisatie.

3.  Indien de geautomatiseerde verwerking als bepaald in artikel 20, lid 2, een hit oplevert, gaat de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat over tot:

a)  weigering van een reisautorisatie indien de hit overeenkomt met een of meer van de verificaties als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a) en c),;

b)  beoordeling van het veiligheidsrisico of het risico op het gebied van illegale immigratie en een beslissing tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie indien de hit overeenstemt met eventuele verificaties als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder b) en d) tot en met m).

4.  Indien de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20, lid 3, uitwijst dat de aanvrager een van de in artikel 17, lid 4, bedoelde vragen bevestigend heeft beantwoord, beoordeelt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat het ▌ veiligheidsrisico of het risico op het gebied van illegale immigratie en besluit zij tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie.

5.  Indien de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20, lid 4, een hit oplevert, beoordeelt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat het veiligheidsrisico en besluit zij tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie.

6.  Indien de geautomatiseerde verwerking ingevolge artikel 20, lid 5, een hit oplevert, beoordeelt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat het ▌veiligheids­risico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico en beslist zij tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie. De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat kan in geen geval automatisch een beslissing nemen die is gebaseerd op een hit op basis van specifieke risico-indicatoren. De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat gaat in elk geval over tot een individuele beoordeling van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie en het hoge epidemiologische risico.

7.  Het Etias-informatiesysteem registreert alle gegevensverwerkingsverrichtingen die door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat of door de nationale Etias-eenheden van de overeenkomstig artikel 28 geraadpleegde lidstaten voor beoordelingen overeenkomstig dit artikel zijn uitgevoerd. Die registratie wordt automatisch in het aanvraagdossier gecreëerd en ingevoerd. Die registratie vermeldt de datum en het tijdstip van iedere verrichting, de gegevens die zijn gebruikt voor de raadpleging van andere EU-informatie­systemen, de gegevens die zijn verbonden aan de ontvangen hit en het personeelslid dat de risicobeoordeling heeft uitgevoerd.

De resultaten van de beoordeling van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico en de verantwoording van de beslissing tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie, wordt in het aanvraagdossier opgenomen door het personeelslid dat de risicobeoordeling heeft uitgevoerd.

Artikel 27

Verzoek aan de aanvrager om aanvullende informatie of documentatie

1.  Indien de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat van oordeel is dat de door de aanvrager verstrekte informatie in het aanvraagformulier niet volstaat om te kunnen beslissen tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie, kan zij de aanvrager om aanvullende informatie of documentatie verzoeken. De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat verzoekt om aanvullende informatie of documentatie op verzoek van een overeenkomstig artikel 28 geraadpleegde lidstaat.

2.  Het verzoek om aanvullende informatie of documentatie wordt met behulp van de in artikel 6, lid 2, onder f), bedoelde e-maildienst meegedeeld aan het e-mailadres dat in het aanvraagdossier is geregistreerd. In het verzoek om aanvullende informatie of documentatie staat duidelijk welke informatie of documentatie de aanvrager dient te verstrekken en een lijst van de talen waarin de informatie of documenten kunnen worden ingediend. Die lijst omvat ten minste het Engels, Frans of Duits, tenzij een officiële taal is vermeld van het derde land waarvan de aanvrager heeft verklaard een onderdaan te zijn. Indien om aanvullende documentatie wordt verzocht, wordt er tevens een elektronische kopie gevraagd van de originele documentatie. Uiterlijk 10 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekt de aanvrager de aanvullende informatie of documentatie rechtstreeks aan de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat door middel van de beveiligde-accountdienst als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder g). De aanvrager verstrekt die informatie of documentatie in een van de in het verzoek genoemde talen. Van de aanvrager wordt geen officiële vertaling verlangd. Om aanvullende informatie of documentatie kan alleen worden verzocht als die noodzakelijk is voor de beoordeling van de Etias-aanvraag.

3.  Voor verzoeken om aanvullende informatie of documentatie als bedoeld in lid 1 maakt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat gebruik van een vooraf vastgestelde lijst met opties. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast om de inhoud en de vorm van die vooraf vastgestelde lijst met opties te bepalen.

4.  In uitzonderlijke omstandigheden kan de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat, indien na het verwerken van de bijkomende informatie of documentatie ernstige twijfels blijven bestaan met betrekking tot de door de aanvrager verstrekte informatie of documentatie, als laatste hulpmiddel de aanvrager voor een gesprek uitnodigen ▌in het consulaat van zijn land van verblijf dat het dichtst bij de verblijfplaats van de aanvrager is gelegen. In het belang van de aanvrager kan het gesprek uitzonderlijk plaatsvinden in een consulaat dat in een ander land dan het land van verblijf van de aanvrager is gelegen.

Indien het consulaat dat zich het dichtst bij de verblijfplaats van de aanvrager bevindt, op een afstand van meer dan 500 km is gelegen, wordt de aanvrager de mogelijkheid geboden dit gesprek met audio- en videocommunicatiemiddelen te voeren, waarbij een gepast niveau van beveiliging en vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd. Als de afstand minder dan 500 km bedraagt, kunnen de aanvrager en de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat overeenkomen gebruik te maken van dergelijke audio- en videocommunicatiemiddelen. Wanneer dergelijke audio- en videocommunicatiemiddelen worden gebruikt wordt het gesprek gevoerd door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat of, uitzonderlijk, door een van de consulaten van die lidstaat. De audio- en videocommunicatiemiddelen op afstand waarborgen een gepast niveau van beveiliging en vertrouwelijkheid.

De reden voor een gesprek wordt in het aanvraagdossier vermeld.

5.  Door middel van uitvoeringshandelingen stelt de Commissie de vereisten vast voor de in lid 4 bedoelde audio- en videocommunicatiemiddelen, onder meer wat betreft regelgeving inzake gegevensbescherming, beveiliging en vertrouwelijkheid, en stelt zij de regels vast voor het testen en selecteren van geschikte instrumenten en voor het gebruik daarvan.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

6.  De uitnodiging voor een gesprek wordt door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat met behulp van de e-maildienst als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder f) aan de aanvrager meegedeeld via het e-mailadres dat in het aanvraagdossier is geregistreerd. De uitnodiging voor het gesprek wordt meegedeeld binnen 72 uur na de indiening door de aanvrager van aanvullende informatie of documentatie overeenkomstig lid 2 van dit artikel. De uitnodiging voor het gesprek bevat informatie over welke lidstaat de uitnodiging stuurt, over de in lid 4 bedoelde opties en betreffende contactgegevens. De aanvrager neemt zo spoedig mogelijk contact op met de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat of het consulaat doch niet later dan vijf dagen nadat de uitnodiging voor het gesprek is meegedeeld, om een voor beide partijen geschikt tijdstip en datum voor het gesprek af te spreken en om te overleggen of het gesprek op afstand zal worden gevoerd. Het gesprek dient binnen 10 dagen na mededeling van de uitnodiging plaats te vinden.

De uitnodiging voor het gesprek wordt door het centrale Etias-systeem geregistreerd in het aanvraagdossier.

7.  Indien ▌ de aanvrager zich, na een uitnodiging voor een gesprek, niet overeenkomstig lid 6 van dit artikel voor het gesprek meldt, wordt de aanvraag geweigerd overeenkomstig artikel 37, lid 1, onder g). De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat deelt de aanvrager dit onverwijld mee.

8.  Ten behoeve van het gesprek als bedoeld in lid 4 geeft de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat aan welke elementen de interviewer moet beoordelen. Die elementen houden verband met de redenen waarom het gesprek werd aangevraagd.

Het gesprek met behulp van audio- en videocommunicatiemiddelen, wordt gevoerd in de taal van de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die om het gesprek heeft gevraagd of in de taal die zij heeft gekozen voor de indiening van aanvullende informatie of documentatie.

Het gesprek dat in een consulaat plaatsvindt, wordt gevoerd in een officiële taal van het derde land waarin het consulaat zich bevindt of in een andere door de aanvrager en het consulaat overeengekomen taal.

Na het gesprek brengt de interviewer een advies uit met de gronden voor zijn of haar aanbevelingen.

De beoordeelde elementen en het advies worden opgenomen in een formulier dat in het aanvraagdossier wordt geregistreerd op de dag van het gesprek.

9.  Nadat de aanvrager overeenkomstig lid 2 aanvullende informatie of documentatie heeft ingediend, wordt deze door de centrale Etias-eenheid geregistreerd en opgeslagen in het aanvraag­dossier. Aanvullende informatie of documentatie die wordt verstrekt tijdens een gesprek overeenkomstig lid 6, wordt door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat toegevoegd aan het aanvraagdossier.

Het formulier dat voor het gesprek is gebruikt en de bijkomende informatie of documentatie die in het aanvraagdossier is opgenomen, worden uitsluitend geraadpleegd om de aanvraag te beoordelen of om hierover een beslissing te nemen, om een beroepsprocedure te beheren en om een nieuwe aanvraag van dezelfde aanvrager te verwerken.

10.  De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat hervat het onderzoek van de aanvraag zodra de aanvrager de aanvullende informatie of documentatie verstrekt of, indien van toepassing, na de datum van het gesprek.

Artikel 28

Raadpleging van andere lidstaten

1.  ▌Indien blijkt dat één of meer lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die een hit hebben gegenereerd overeenkomstig artikel 20, lid 7 ▌, stelt de centrale Etias-eenheid, na de verificatie ingevolge artikel 22, de nationale Etias-eenheid van ▌de betrokken lidstaat of lidstaten hiervan in kennis, en wordt een nieuwe raadplegingsprocedure gestart tussen de lidstaat of lidstaten, enerzijds, en de nationale Etias-eenheid van de betrokken lidstaat, anderzijds ▌.

2.  ▌De nationale Etias-eenheden van de geraadpleegde lidstaten krijgen toegang tot het aanvraagdossier met het oog op raadpleging.

3.  De nationale Etias-eenheid van de geraadpleegde lidstaten:

a)  geeft een met redenen omkleed positief advies over de aanvraag; of

b)  geeft een met redenen omkleed negatief advies over de aanvraag.

Het positieve of het negatieve advies wordt door de nationale Etias-eenheid van de geraadpleegde lidstaat geregistreerd in het aanvraagdossier.

4.  De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat kan ook de nationale Etias-eenheid van één of meer lidstaten raadplegen nadat zij het antwoord van een aanvrager op een verzoek om aanvullende informatie heeft ontvangen. Indien deze aanvullende informatie werd gevraagd namens een geraadpleegde lidstaat overeenkomstig artikel 27, lid 1, raadpleegt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat de nationale Etias-eenheid van de geraadpleegde lidstaat nadat zij het antwoord van de aanvrager op het verzoek om aanvullende informatie heeft ontvangen. In dat geval hebben de nationale Etias-eenheden van de geraadpleegde lidstaten ook toegang tot de relevante aanvullende informatie of documentatie die de aanvrager op verzoek van de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat heeft verstrekt met betrekking tot de aangelegenheid waarover zij worden geraadpleegd. Indien meerdere lidstaten worden geraadpleegd, zorgt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat voor de coördinatie.

5.  De nationale Etias-eenheid van de geraadpleegde lidstaten antwoordt binnen 60 uur na de kennisgeving van de raadpleging. Het uitblijven van een antwoord binnen de uiterste termijn wordt opgevat als een positief advies over de aanvraag.

6.  Gedurende het raadplegingsproces worden het raadplegingsverzoek en de antwoorden daarop doorgezonden via de in artikel 6, lid 2, onder m), bedoelde software en beschikbaar gesteld aan de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat.

7.  Indien de nationale Etias-eenheid van minstens een geraadpleegde lidstaat negatief adviseert over de aanvraag, weigert de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat de reisautorisatie op grond van artikel 37. Dit lid doet geen afbreuk aan artikel 44.

8.  Bij technische problemen of in onvoorziene omstandigheden bepaalt de centrale Etias-eenheid, indien nodig, welke lidstaat verantwoordelijk is en welke lidstaten moeten worden geraadpleegd, en faciliteert zij de in dit artikel bedoelde raadplegingen tussen de lidstaten.

Artikel 29

Raadpleging van Europol

1.  ▌ Indien blijkt dat Europol gegevens heeft aangeleverd die een hit hebben gegenereerd overeenkomstig artikel 20, lid 8, van deze verordening, stelt de centrale Etias-eenheid Europol daarvan in kennis, en wordt een nieuwe raadplegingsprocedure tussen Europol en de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat gestart ▌. Die raadpleging vindt plaats overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794, en met name hoofdstuk IV.

2.  Wanneer ▌Europol wordt geraadpleegd, zendt de centrale Etias-eenheid ▌ de relevante gegevens van het aanvraagdossier en de hits die nodig zijn voor de raadpleging, toe aan Europol. ▌

3.  Europol heeft in geen geval toegang tot de persoonsgegevens over het door de aanvrager gevolgde onderwijs als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder h) ▌.

4.  Indien Europol wordt geraadpleegd overeenkomstig lid 1, geeft het een met redenen omkleed advies over de aanvraag. Het advies van Europol wordt beschikbaar gesteld aan de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat, die het in het aanvraagdossier registreert.

5.  De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat kan Europol raadplegen nadat zij het antwoord van een aanvrager op een verzoek om aanvullende informatie heeft ontvangen. In dergelijke gevallen zendt de nationale Etias-eenheid Europol de relevante aanvullende informatie of documentatie toe die de aanvrager heeft verstrekt in verband met een reisautorisatieaanvraag waarover Europol wordt geraadpleegd.

6.  Europol antwoordt binnen 60 uur na de kennisgeving van de raadpleging. Indien Europol niet binnen de uiterste termijn antwoordt, wordt dit opgevat als een positief advies over de aanvraag.

7.  Gedurende het raadplegingsproces worden het raadplegingsverzoek en de antwoorden daarop doorgezonden via de in artikel 6, lid 2, onder m), bedoelde software en beschikbaar gesteld aan de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat.

8.  Indien Europol negatief adviseert over de aanvraag en de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat beslist tot afgifte van een reisautorisatie, verantwoordt zij haar beslisen registreert zij de verantwoording in het aanvraagdossier.

9.  Bij technische problemen of in onvoorziene omstandigheden bepaalt de centrale Etias-eenheid, indien nodig, welke de verantwoordelijke lidstaat is en faciliteert zij de in dit artikel bedoelde raadplegingen tussen de verantwoordelijke lidstaat en Europol.

Artikel 30

Termijnen voor kennisgeving aan de aanvrager

Binnen 96 uur na de indiening van een overeenkomstig artikel 19 ontvankelijke aanvraag ontvangt de aanvrager een kennisgeving waarin staat:

a)  of zijn reisautorisatie is afgegeven of geweigerd; dan wel

b)  dat om aanvullende informatie of documentatie wordt verzocht en dat de aanvrager voor een gesprek kan worden uitgenodigd, met vermelding van de maximale verwerkingstermijnen overeenkomstig artikel 32, lid 2.

Artikel 31

Verificatie-instrument

De Commissie zorgt voor een verificatie-instrument aan de hand waarvan de aanvrager de stand van zaken betreffende zijn aanvraag, de geldigheidsduur en de status van zijn reisautorisatie kan nagaan (geldig, geweigerd, nietig verklaard of ingetrokken). Dat instrument wordt ter beschikking gesteld via de specifieke openbare website of de app voor mobiele apparaten als bedoeld in artikel 16.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast om het verificatie-instrument nader te omschrijven.

Artikel 32

Beslissing over de aanvraag

1.  Over aanvragen die overeenkomstig artikel 19 ontvankelijk zijn, wordt binnen 96 uur na indiening beslist.

2.  Bij uitzondering wordt de in lid 1 van dit artikel vermelde termijn verlengd wanneer een verzoek om aanvullende informatie of documentatie is meegedeeld en wanneer de aanvrager voor een gesprek is uitgenodigd▌. Over een dergelijke aanvraag wordt ▌beslist binnen 96 uur nadat de aanvrager de aanvullende informatie of documentatie heeft ingediend. Indien de aanvrager voor een gesprek is uitgenodigd als bedoeld in artikel 27, lid 4, wordt over de aanvraag beslist binnen 48 uur nadat het gesprek heeft plaatsgevonden.

3.  Voordat de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uiterste termijnen verstrijken, wordt beslist tot:

a)  afgifte van een reisautorisatie overeenkomstig artikel 36; of

b)  weigering van een reisautorisatie overeenkomstig artikel 37.

HOOFDSTUK V

De Etias-screeningsregels en de Etias-observatielijst

Artikel 33

De Etias-screeningsregels

1.  De Etias-screeningsregels bestaan uit een algoritme waarmee profilering zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2016/679 mogelijk is door overeenkomstig artikel 20 van deze verordening van de gegevens die in een aanvraagdossier in het centrale Etias-systeem zijn geregistreerd te vergelijken met specifieke risico-indicatoren die de centrale Etias-eenheid overeenkomstig lid 4 van dit artikel heeft vastgesteld en die wijzen op ▌een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico. De centrale Etias-eenheid registreert de Etias-screeningsregels ▌in het centrale Etias-systeem.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 een uitvoeringshandeling vast tot nadere omschrijving van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of hoog epidemiologisch risico, op basis van:

a)  door het EES gegenereerde statistieken die voor een specifieke groep reizigers wijzen op buitengewone percentages personen die de toegestane verblijfsduur hebben overschreden of aan wie de toegang is geweigerd;

b)  door Etias overeenkomstig artikel 84 gegenereerde statistieken die voor een specifieke groep reizigers wijzen op buitengewone percentages personen aan wie een reisautorisatie is geweigerd wegens een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico;

c)  door Etias overeenkomstig artikel 84 en door het EES gegenereerde statistieken die wijzen op verbanden tussen aan de hand van het aanvraagformulier verzamelde informatie en de overschrijding van de toegestane verblijfsduur door reizigers of toegangsweigeringen;

d)  door de lidstaten verstrekte informatie, onderbouwd met feitelijke en op bewijs gebaseerde elementen, over specifieke veiligheidsrisico-indicatoren of door die lidstaat geconstateerde veiligheidsdreigingen;

e)  door de lidstaten verstrekte informatie, onderbouwd met feitelijke en op bewijs gebaseerde elementen, die, voor een specifieke groep reizigers met die lidstaat als bestemming, wijst op buitengewone percentages personen die de toegestane verblijfsduur hebben overschreden of aan wie de toegang is geweigerd;

f)  door de lidstaten verstrekte informatie over een specifiek hoog epidemiologisch risico, evenals door het ECDC verstrekte informatie, gebaseerd op epidemiologisch toezicht en risicobeoordelingen, en door de WHO gemelde uitbraken van ziekte.

3.  De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast met specificering van de risico's als vermeld in deze verordening en in de gedelegeerde handeling als bedoeld in lid 2 van dit artikel, waarop de in lid 4 bedoelde specifieke risico-indicatoren moeten worden gebaseerd. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De specifieke risico’s worden ten minste elke zes maanden geëvalueerd en door de Commissie wordt, waar nodig, een nieuwe uitvoeringshandeling vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.  Op basis van de overeenkomstig lid 3 bepaalde specifieke risico’s stelt de centrale Etias-eenheid een aantal specifieke risico-indicatoren vast, die bestaan uit een combinatie van gegevens, waaronder een of meer van de volgende:

a)  leeftijdsgroep, geslacht, ▌nationaliteit;

b)  land en plaats van verblijf;

c)  niveau van ▌opleiding (basisonderwijs, middelbaar onderwijs, hoger onderwijs of geen opleiding);

d)  huidig beroep (beroepsgroep).

5.  De specifieke risico-indicatoren zijn gericht en evenredig. Zij mogen in geen geval uitsluitend gebaseerd zijn op geslacht of leeftijd. Zij mogen in geen geval gebaseerd zijn op informatie waaruit huidskleur, ras, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke of andere denkbeelden, godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, ▌het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, of seksuele geaardheid af te leiden zijn.

6.  De specifieke risico-indicatoren worden gedefinieerd, vastgesteld, vooraf beoordeeld, geïmplementeerd, achteraf geëvalueerd, herzien en gewist door de centrale Etias-eenheid, na raadpleging van de Etias-screeningsraad.

Artikel 34

De Etias-observatielijst

1.  De Etias-observatielijst bestaat uit gegevens over personen die worden verdacht van het plegen van of betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit of over personen ten aanzien van wie er, op basis van een algemene beoordeling van de persoon, feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens bestaan dat zij terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten zullen plegen. De Etias-observatielijst is een onderdeel van het centrale Etias-systeem.

2.  De Etias-observatielijst wordt opgesteld op basis van informatie met betrekking tot terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten.

3.  De in lid 2 bedoelde informatie wordt door Europol, onverminderd Verordening (EU) 2016/794, of door de lidstaten in de Etias-observatielijst opgenomen. Europol respectievelijk de betrokken lidstaat is verantwoordelijk voor alle gegevens die het invoert. De Etias-observatielijst geeft voor elk bestanddeel van de gegevens de datum en het tijdstip van invoering door Europol of door de lidstaat die het heeft ingevoerd, aan.

4.  Op basis van de in lid 2 bedoelde informatie ▌bestaat de Etias-observatielijst uit gegevens die een of meer van de volgende bestanddelen omvat:

a)  achternaam ▌;

b)  achternaam bij geboorte;

c)  geboortedatum ▌;

d)  overige namen (alias(sen), artiestennaam(-namen), roepnaam(-namen));

e)  reisdocument(en) (soort, nummer en land van afgifte van het/de reisdocument(en));

f)  woonadres;

g)  e-mailadres;

h)  telefoonnummer;

i)  naam, e-mailadres, postadres, telefoonnummer van een bedrijf of organisatie;

j)  IP-adres.

Voor zover beschikbaar worden de volgende gegevensbestanddelen toegevoegd aan het betreffende bestanddelen die ten minste uit een van de hierboven genoemde gegevensbestanddelen bestaan: voornaam(-namen), geboorteplaats, geboorteland, geslacht en nationaliteit.

Artikel 35

Verantwoordelijkheden en taken met betrekking tot de Etias-observatielijst

1.  Vooraleer Europol of een lidstaat gegevens invoert in de Etias-observatielijst, doet Europol of de lidstaat het volgende:

a)  bepalen of de informatie toereikend, nauwkeurig en belangrijk genoeg is om in de Etias-observatielijst te worden opgenomen;

b)  een beoordeling verrichten van het mogelijke effect van de gegevens op het aantal handmatig verwerkte aanvragen;

c)  verifiëren of de gegevens overeenstemmen met een in SIS ingevoerde signalering.

2.  eu-LISA ontwikkelt een specifiek instrument voor de in lid 1, onder b) bedoelde beoordeling.

3.  Wanneer verificatie ingevolge lid 1, onder c), uitwijst dat de gegevens overeenstemmen met een in SIS ingevoerde signalering, worden zij niet ingevoerd in de Etias-observatielijst. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden om een signalering in SIS in te voeren, gaat de voorkeur uit naar het invoeren van een signalering in SIS.

4.  De lidstaten en Europol zijn verantwoordelijk voor de nauwkeurigheid van de gegevens als bedoeld in artikel 34, lid 2, die zij in de observatielijst invoeren, en voor het bijwerken daarvan.

5.  Europol controleert en verifieert regelmatig, en ten minste één keer per jaar, de voortdurende nauwkeurigheid van de gegevens die het in de Etias-observatielijst heeft ingevoerd. De lidstaten controleren en verifiëren eveneens op dezelfde wijze regelmatig en tenminste één keer per jaar de voortdurende nauwkeurigheid van de gegevens die zij in de Etias-observatielijst hebben ingevoerd. Europol en de lidstaten ontwikkelen en implementeren een gezamenlijke procedure om de naleving van hun verantwoordelijkheden op grond van dit lid te waarborgen.

6.  Na een controle schrappen de lidstaten en Europol gegevens van de Etias-observatielijst indien is bewezen dat de redenen voor de opname ervan niet langer gelden of dat de gegevens verouderd of niet actueel zijn.

7.  De Etias-observatielijst en het beoordelingsinstrument als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel worden technisch ontwikkeld en gehost door eu-LISA. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de technische specificaties van de Etias-observatielijst en van dat beoordelingsinstrument vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK VI

Afgifte, weigering, nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie

Artikel 36

Afgifte van een reisautorisatie

1.  Indien het onderzoek van een aanvraag op grond van de in de hoofdstukken III, IV en V vastgelegde procedures uitwijst dat er geen feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens op basis van feitelijke aanwijzingen bestaan om te besluiten dat de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt, wordt een reisautorisatie afgegeven door het centrale Etias-systeem of door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat.

2.  Bij twijfel over het bestaan van voldoende redenen om de reisautorisatie te weigeren, heeft de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat, ook na een gesprek, de mogelijkheid om een reisautorisatie met een markering af te geven waarbij de grensautoriteiten wordt aanbevolen een tweedelijnscontrole te verrichten.

De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat kan die markering eveneens aanbrengen op verzoek van een geraadpleegde lidstaat. Die markering mag enkel zichtbaar zijn voor de grensautoriteiten.

De markering wordt automatisch verwijderd zodra de grensautoriteiten de controle hebben uitgevoerd en de inreisnotitie in het EES hebben opgenomen.

3.  De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat heeft de mogelijkheid een markering toe te voegen waarbij de grensautoriteiten en andere autoriteiten met toegang tot de gegevens in het centrale Etias-systeem erop worden gewezen dat een specifieke hit die tijdens de verwerking van de aanvraag werd gegenereerd, is beoordeeld en daarbij is geverifieerd dat er sprake was van een valse hit of dat uit de handmatige verwerking is gebleken dat er geen gronden waren om de reisautorisatie te weigeren.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast  teneinde te voorzien in toereikende waarborgen door middel van regels en procedures ter voorkoming van conflicten met signaleringen in andere informatie­systemen en teneinde de voorwaarden, de criteria en de duur van markeringen ingevolge deze verordening te bepalen.

5.  Een reisautorisatie is geldig voor het grondgebied van de lidstaten gedurende drie jaar of, indien dit korter is, tot het einde van de geldigheidsduur van het bij de aanvraag geregistreerde reisdocument.

6.  Een reisautorisatie geeft niet automatisch recht op binnenkomst of verblijf.

Artikel 37

Weigering van een reisautorisatie

1.  Een reisautorisatie wordt geweigerd indien de aanvrager:

a)  een reisdocument heeft gebruikt dat is geregistreerd als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard in SIS;

b)  ▌een veiligheidsrisico vormt;

c)  een risico op het gebied van illegale immigratie vormt;

d)  een hoog epidemiologisch risico vormt;

e)  met het oog op weigering van toegang en verblijf ▌in SIS gesignaleerd staat;

f)  een verzoek om aanvullende informatie of documentatie niet beantwoordt binnen de in artikel 27 bedoelde uiterste termijn;

g)  zich niet meldt voor het gesprek als bedoeld in artikel 27, lid 4.

2.  Een reisautorisatie wordt ook geweigerd als er op het ogenblik van de aanvraag redelijke en ernstige twijfels bestaan over de authenticiteit van de gegevens, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager, de door de aanvrager verstrekte bewijsstukken of de waarachtigheid van de inhoud ervan.

3.  Aanvragers aan wie een reisautorisatie is geweigerd, hebben het recht daartegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld in de lidstaat die de beslissing over de aanvraag heeft genomen en overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat. De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat verstrekt de aanvragers informatie over de beroepsprocedure. De informatie wordt verstrekt in een van de officiële talen van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen landen waarvan de aanvrager een onderdaan is.

4.  Een eerdere weigering van een reisautorisatie leidt niet automatisch tot weigering van een nieuwe aanvraag. Een nieuwe aanvraag wordt beoordeeld op basis van alle beschikbare informatie.

Artikel 38

Kennisgeving van de afgifte of weigering van een reisautorisatie

1.  Zodra een reisautorisatie is afgegeven, ontvangt de aanvrager onmiddellijk een kennisgeving via de e-maildienst, met onder meer:

a)  een duidelijke vermelding dat de reisautorisatie is afgegeven en het nummer van de aanvraag voor een reisautorisatie;

b)  de datum van aanvang en verstrijken van de reisautorisatie;

c)  een duidelijke vermelding dat de aanvrager bij binnenkomst hetzelfde reisdocument moet overleggen als vermeld op het aanvraagformulier en dat voor elke wijziging van het reisdocument een nieuwe aanvraag voor een reisautorisatie moet worden ingediend;

d)  een herinnering van de toegangsvoorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 en van het gegeven dat een kort verblijf slechts mogelijk is voor een periode van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen;

e)  een herinnering dat aan het loutere bezit van een geldige reisautorisatie geen automatisch recht op binnenkomst mag worden ontleend;

f)  een herinnering dat de grensautoriteiten van de betrokken onderdaan van een derde land bewijsstukken kunnen verlangen om na te gaan of aan de toegangs- en verblijfsvoorwaarden is voldaan;

g)  een herinnering dat het bezit van een geldige reisautorisatie een verblijfsvoorwaarde is waaraan moet worden voldaan gedurende de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten;

h)  een link naar de webdienst als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) 2017/2226, waarmee onderdanen van derde landen op ieder moment hun resterende duur van hun toegestane verblijf kunnen nagaan;

i)  in voorkomend geval, de lidstaten waar de aanvrager naartoe mag reizen;

j)  een link naar de openbare website van Etias met informatie over de mogelijkheid voor de aanvrager om de intrekking van de reisautorisatie te vragen, de mogelijkheid tot intrekking van de reisautorisatie indien niet langer aan de voorwaarden voor afgifte ervan wordt voldaan en de mogelijkheid tot nietigverklaring ervan indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de voorwaarden voor afgifte was voldaan;

k)  informatie over procedures voor het uitoefenen van de rechten krachtens de artikelen 13 tot en met 16 van Verordening (EG) nr. 45/2001 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679; de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en van de nationale toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf wanneer de reisautorisatie is afgegeven door het centrale Etias-systeem, of van de verantwoordelijke lidstaat wanneer de reisautorisatie is afgegeven door een nationale Etias-eenheid.

2.  Indien een reisautorisatie wordt geweigerd, ontvangt de aanvrager onmiddellijk een kennisgeving via de e-maildienst, met onder meer:

a)  een duidelijke vermelding dat de reisautorisatie is geweigerd en het nummer van de aanvraag voor een reisautorisatie;

b)  een verwijzing naar de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de reisautorisatie heeft geweigerd en het adres van die eenheid;

c)  de vermelding van de gronden voor de weigering van de reisautorisatie, met opgave van de toepasselijke gronden uit de lijst in artikel 37, leden 1 en 2, zodat de aanvrager beroep kan instellen;

d)  informatie over het recht en de termijn om beroep in te stellen en een link naar de in artikel 16, lid 7 bedoelde informatie op de website ;

e)  informatie over de procedures voor het uitoefenen van de rechten krachtens de artikelen 13 tot en met 16 van Verordening (EG) nr. 45/2001 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679; de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en van de nationale toezichthoudende autoriteit van de verantwoordelijke lidstaat.

3.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, een standaardformulier voor de weigering, nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 39

Gegevens die moeten worden toegevoegd aan het aanvraagdossier na de beslissing tot afgifte of tot weigering van een reisautorisatie

1.  Indien is beslist tot afgifte ▌ van een reisautorisatie, worden door het centrale Etias-systeem of, indien de beslissing is genomen na handmatige verwerking als bedoeld in hoofdstuk IV, door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat onverwijld de volgende gegevens aan het aanvraagdossier toegevoegd:

a)  statusinformatie waaruit blijkt dat de reisautorisatie is afgegeven ▌;

b)  een verwijzing waaruit blijkt dat de reisautorisatie ▌door het centrale ETIAS-systeem of na handmatige verwerking is afgegeven; in laatstgenoemd geval, een verwijzing naar de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de beslissing heeft genomen, met vermelding van het adres van die eenheid;

c)  ▌de datum van de beslissing tot afgifte ▌van de reisautorisatie;

d)  de datum van aanvang en verstrijken van de reisautorisatie;

;

e)  eventuele markeringen op de reisautorisatie als bepaald in artikel 36, leden 2 en 3, met opgave van de redenen van die markeringen, en aanvullende informatie die relevant is voor respectievelijk tweedelijnscontroles in het geval van artikel 36, lid 2, en voor de grensautoriteiten in het geval van artikel 36, lid 3.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast ter nadere omschrijving van het soort aanvullende informatie die kan worden toegevoegd, de taal en de opmaak ervan, alsmede van de redenen voor de markeringen.

3.  Indien is beslist tot weigering van een reisautorisatie, worden door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat de volgende gegevens aan het aanvraagdossier toegevoegd:

a)  statusinformatie waaruit blijkt dat de reisautorisatie is geweigerd;

b)  een verwijzing naar de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de reisautorisatie heeft geweigerd en het adres van die eenheid;

c)  datum van de beslissing tot weigering van de reisautorisatie;

d)  de gronden voor weigering van de reisautorisatie, door opgave van de gronden uit de lijst in artikel 37, leden 1 en 2.

4.  Indien is beslist tot afgifte of weigering van een reisautorisatie, voegt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat naast de in de leden 1 en 3 bedoelde gegevens ook de redenen voor de eindbeslissing toe, tenzij die beslissing bestaat uit een weigering op grond van een negatief advies van een geraadpleegde lidstaat.

Artikel 40

Nietigverklaring van een reisautorisatie

1.  Een reisautorisatie wordt nietig verklaard indien blijkt dat bij de afgifte niet aan de voorwaarden voor afgifte was voldaan. De reisautorisatie wordt nietig verklaard op basis van een of meer van de in artikel 37, leden 1 en 2, vermelde gronden voor weigering van de reisautorisatie.

2.  Indien een lidstaat beschikt over bewijs dat bij de afgifte niet werd voldaan aan de voorwaarden voor afgifte van een reisautorisatie, verklaart de nationale Etias-eenheid van die lidstaat de reisautorisatie nietig.

3.  Een persoon van wie de reisautorisatie nietig is verklaard, heeft het recht hiertegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld in de lidstaat die de beslissing tot nietigverklaring heeft genomen en overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat. De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat verstrekt aanvragers informatie over de beroepsprocedure in een van de officiële talen van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen landen waarvan de aanvrager een onderdaan is.

4.  De verantwoording van de beslissing om een reisautorisatie nietig te verklaren, wordt door het personeelslid dat de risicobeoordeling uitvoert, in het aanvraagdossier opgenomen.

Artikel 41

Intrekking van een reisautorisatie

1.  Een reisautorisatie wordt ingetrokken indien blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor afgifte. De reisautorisatie wordt ingetrokken op basis van een of meer van de in artikel 37, lid 1, vermelde gronden voor weigering van de reisautorisatie.

2.  Indien een lidstaat beschikt over bewijs dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor afgifte van de reisautorisatie, trekt de nationale Etias-eenheid van die lidstaat de reisautorisatie in.

3.  Onverminderd lid 2 informeert SIS het centrale Etias-systeem wanneer een nieuwe signalering met betrekking tot een nieuwe weigering van toegang en verblijf of met betrekking tot een als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig geregistreerd reisdocument in SIS wordt geregistreerd. Het centrale Etias-systeem verifieert of deze nieuwe signalering betrekking heeft op een geldige reisautorisatie. Als dit het geval is, zendt het centrale Etias-systeem het aanvraagdossier door naar de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de signalering heeft opgenomen ▌. Is een nieuwe signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf geregistreerd, dan trekt de nationale Etias-eenheid de reisautorisatie in. Is een reisautorisatie gekoppeld aan een reisdocument dat als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard in SIS of SLTD staat geregistreerd, dan wordt het aanvraagdossier door de nationale Etias-eenheid handmatig verwerkt.

4.  Nieuwe gegevens die worden opgenomen ▌ in de Etias-observatielijst, worden vergeleken met de gegevens van de aanvraagdossiers in het centrale Etias-systeem. Het centrale Etias-systeem verifieert of die nieuwe gegevens overeenstemmen met op een geldige reis­autorisatie. Indien zulks het geval is, zendt het centrale Etias-systeem het aanvraag­dossier door naar de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de nieuwe gegevens heeft ingevoerd of, indien Europol de nieuwe gegevens heeft ingevoerd, naar de nationale Etias-eenheid van de lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf zoals door de aanvrager opgegeven overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder j). Die nationale Etias-eenheid beoordeelt het veiligheidsrisico en trekt de reisautorisatie in indien zij besluit dat niet langer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan ▌.

5.  Indien in het EES een weigering van inreisnotitie wordt ingevoerd met betrekking tot de houder van een geldige reisautorisatie en die invoering verantwoord is door reden B of I, als vermeld in bijlage V, deel B, bij Verordening (EU) 2016/399, draagt het centrale Etias-systeem het aanvraagdossier over aan de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de toegang heeft geweigerd. Die nationale Etias-eenheid beoordeelt of nog steeds aan de voorwaarden voor een reisautorisatie is voldaan en, zo niet, trekt de reisautorisatie in.

6.  De verantwoording van de beslissing om een reisautorisatie in te trekken, wordt in het aanvraagdossier opgenomen door het personeelslid dat de risicobeoordeling heeft uitgevoerd.

7.  Een aanvrager wiens reisautorisatie is ingetrokken, heeft het recht hiertegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld in de lidstaat die de beslissing tot intrekking heeft genomen en overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat. De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat verstrekt aanvragers informatie over de beroepsprocedure. De informatie wordt verstrekt in een van de officiële talen van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen landen waarvan de aanvrager een onderdaan is.

8.  Een reisautorisatie kan worden ingetrokken op verzoek van de aanvrager. Er is geen beroep mogelijk tegen een intrekking op die grond. Indien de aanvrager aanwezig is op het grondgebied van een lidstaat op het ogenblik dat een dergelijk verzoek wordt ingediend, wordt de intrekking van kracht zodra de aanvrager het grondgebied is uitgereisd en de overeenkomstige inreis-uitreisnotitie is gecreëerd in het EES overeenkomstig artikel 16, lid 3, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226.

Artikel 42

Kennisgeving van de nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie

Indien een reisautorisatie nietig is verklaard of is ingetrokken, ontvangt de aanvrager onmiddellijk een kennisgeving via de e-maildienst, met daarin onder meer:

a)  een duidelijke vermelding dat de reisautorisatie nietig is verklaard of is ingetrokken en het nummer van de aanvraag voor een reisautorisatie;

b)  een verwijzing naar de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de reisautorisatie nietig heeft verklaard of heeft ingetrokken en het adres van die eenheid;

c)  een vermelding van de gronden voor de nietigverklaring of intrekking van de reisautorisatie, met opgave van de toepasselijke gronden uit de lijst in artikel 37, leden 1 en 2, zodat de aanvrager beroep kan instellen;

d)  informatie over het recht en de termijn om beroep in te stellen; een link naar de in artikel 16, lid 7, bedoelde informatie op de website ;

e)  een duidelijke vermelding dat het bezit van een geldige reisautorisatie een voorwaarde voor verblijf is waaraan moet worden voldaan gedurende de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten;

f)  informatie over de procedures voor het uitoefenen van de rechten krachtens de artikelen 13 tot en met 16 van Verordening (EG) nr. 45/2001 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679; de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming van het Europees Grens- en kustwacht­agentschap, van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en van de nationale toezichthoudende autoriteit van de verantwoordelijke lidstaat.

Artikel 43

Gegevens die moeten worden toegevoegd aan het aanvraagdossier na de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie

1.  Indien is beslist tot nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie, worden door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de reisautorisatie nietig heeft verklaard of heeft ingetrokken, onverwijld de volgende gegevens aan het aanvraagdossier toegevoegd:

a)  statusinformatie waaruit blijkt dat de reisautorisatie nietig is verklaard of is ingetrokken;

b)  een verwijzing naar de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de reisautorisatie heeft ingetrokken of nietig heeft verklaard en het adres van die eenheid, en

c)  ▌de datum van de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van de reisautorisatie.

2.  De▌ nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat die de reisautorisatie nietig heeft verklaard of heeft ingetrokken, geeft in het aanvraagdossier tevens de overeenkomstig artikel 37, leden 1 en 2, toepasselijke reden(en) voor nietigverklaring of intrekking aan, of verklaart dat de reisautorisatie op grond van artikel 41, lid 8op verzoek van de aanvrager is ingetrokken.

Artikel 44

Afgifte van een reisautorisatie met een beperkte territoriale geldigheid op humanitaire gronden, om redenen van nationaal belang of op grond van internationale verplichtingen

1.  Indien een aanvraag overeenkomstig artikel 19 ontvankelijk is bevonden, kan de lidstaat waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land voornemens is te reizen, bij wijze van uitzondering een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid ▌ afgeven, indien die lidstaat ▌dat noodzakelijk acht op humanitaire gronden overeenkomstig zijn nationale recht, om redenen van nationaal belang of op grond van internationale verplichtingen, niettegenstaande het feit dat:

a)  de handmatige verwerking krachtens artikel 26 nog niet is voltooid; of ▌

b)  een reisautorisatie is geweigerd, nietig is verklaard of is ingetrokken.

Dergelijke autorisaties zijn doorgaans enkel geldig op het grondgebied van de lidstaat van afgifte. Bij wijze van uitzondering kunnen zij echter ook worden afgegeven met een territoriale geldigheid voor het grondgebied van meer dan één lidstaat, onder voorbehoud van toestemming van elk van die lidstaten via hun nationale Etias-eenheden. Als een nationale Etias-eenheid overweegt een reisautorisatie af te geven met beperkte territoriale geldigheid voor meerdere lidstaten, raadpleegt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat deze lidstaten.

Indien een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is aangevraagd of afgegeven in de in onder a) van de eerste alinea van dit lid bedoelde omstandigheden, leidt dat niet tot een onderbreking van de handmatige verwerking van de aanvraag die de mogelijkheid biedt tot afgifte van een reisautorisatie zonder beperkte territoriale geldigheid.

2.  Voor de toepassing van lid 1, en zoals vermeld op de openbare website en de app voor mobiele, kan een aanvrager contact opnemen met de centrale Etias-eenheid, waarbij hij zijn aanvraagnummer en de lidstaat waarnaar hij voornemens is te reizen vermeldt en meedeelt dat het doel van zijn reis gebaseerd is op humanitaire gronden of verband houdt met internationale verplichtingen. Wanneer contact in die zin is opgenomen, geeft de centrale Etias-eenheid daarvan kennis aan de nationale Etias-eenheid van de lidstaat waarnaar de onderdaan van een derde land voornemens is te reizen, en registreert zij de informatie in het aanvraagdossier.

3.  De nationale Etias-eenheid van de lidstaat waarnaar de onderdaan van een derde land voornemens is te reizen, kan de aanvrager om aanvullende informatie of documentatie verzoeken en kan de termijn bepalen waarbinnen die aanvullende informatie of documentatie moet worden ingediend. Van een dergelijk verzoek moet kennis worden gegeven via de in artikel 6, lid 2, onder f), genoemde e-maildienst, op het e-mailcontactadres als vermeld in het aanvraagdossier, met vermelding van een lijst van de talen waarin de informatie of documentatie mag worden ingediend. Die lijst omvat ten minste het Engels, Frans of Duits, tenzij een officiële taal is vermeld van het derde land waarvan de aanvrager heeft verklaard een onderdaan te zijn. Van de aanvrager wordt geen officiële vertaling in die talen verlangd. De aanvrager verstrekt de aanvullende informatie of documentatie rechtstreeks aan de nationale Etias-eenheid door middel van de beveiligde-account­dienst als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder g). Nadat de aanvullende informatie of documentatie is ingediend, wordt zij door de centrale Etias-eenheid geregistreerd en opgeslagen in het aanvraagdossier. De aanvullende informatie of documentatie die in het aanvraagdossier is opgenomen, wordt uitsluitend geraadpleegd om de aanvraag te beoordelen of om hierover een beslissing te nemen, om een beroepsprocedure te beheren of om een nieuwe aanvraag van dezelfde aanvrager te verwerken.

4.  Een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is geldig voor ten hoogste 90 dagen vanaf de datum van de eerste binnenkomst op grond van die autorisatie.

5.  Op grond van dit artikel afgegeven reisautorisaties kunnen onderworpen zijn aan een markering uit hoofde van artikel 36, leden 2 of 3.

6.  Indien een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid wordt afgegeven, worden door de nationale Etias-eenheid die de autorisatie heeft afgegeven, de volgende gegevens aan het aanvraagdossier toegevoegd:

a)  statusinformatie waaruit blijkt dat een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven ▌;

b)  de lidstaat of lidstaten waarnaar de houder van de reisautorisatie mag reizen en de geldigheidsduur van die reisautorisatie;

c)  de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid heeft afgegeven en het adres van die eenheid;

d)  de datum van de beslissing tot afgifte van de reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid;

e)  een vermelding van de aangevoerde humanitaire gronden, de redenen van nationaal belang of de internationale verplichtingen;

f)  markeringen van de reisautorisatie als bepaald in artikel 36, leden 2 en 3, met opgave van de redenen van die markering(en), en aanvullende informatie die relevant is voor respectievelijk tweedelijnscontroles in het geval van artikel 36, lid 2, en voor de grensautoriteiten in het geval van artikel 36, lid 3.

Indien een nationale Etias-eenheid een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid afgeeft zonder dat de aanvrager informatie of documentatie heeft ingediend, wordt passende informatie of documentatie ter verantwoording van die beslissing door de nationale Etias-eenheid in het aanvraagdossier geregistreerd en opgeslagen.

7.  Indien een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven, ontvangt de aanvrager een kennisgeving via de e-maildienst, met onder meer:

a)  een duidelijke vermelding dat een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven en het nummer van de aanvraag voor een reisautorisatie;

b)  de datum van aanvang en verstrijken van de reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid;

c)  een duidelijke vermelding van de lidstaten waarnaar de houder van die autorisatie mag reizen en dat hij enkel binnen het grondgebied van die lidstaten mag reizen;

d)  een herinnering dat het bezit van een geldige reisautorisatie een voorwaarde voor verblijf is waaraan moet worden voldaan gedurende de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaat waarvoor de reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven;

e)  een link naar de webdienst als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) 2017/2226, waarmee onderdanen van derde landen op ieder moment hun resterende duur van het toegestane verblijf kunnen nagaan.

HOOFDSTUK VII

Gebruik van Etias door vervoerders

Artikel 45

Toegang tot gegevens voor verificatie door vervoerders

1.  Luchtvervoerders, zeevervoerders en internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, sturen een zoekopdracht naar het Etias-informatiesysteem om te verifiëren of onderdanen van derde landen die onderworpen zijn aan de reisautorisatie­plicht al dan niet in het bezit zijn van een geldige reisautorisatie.

2.  Beveiligde toegang tot het in artikel 6, lid 2, onder k), bedoelde toegangsportaal voor vervoerders, met inbegrip van de mogelijkheid om mobiele technische oplossingen te gebruiken, stelt vervoerders in staat om de in lid 1 bedoelde zoekopdracht te verrichten voordat de passagier instapt. De vervoerder verstrekt de gegevens die zich in de machineleesbare zone van het reisdocument bevinden en vermeldt de lidstaat van binnenkomst. In afwijking daarvan is de vervoerder in het geval van luchthaventransit niet verplicht na te gaan of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een geldige reisautorisatie.

Het Etias-informatiesysteem bezorgt de vervoerders ▌ door middel van het toegangsportaal een respons “OK/NIET OK”, waarbij wordt vermeld of de persoon al dan niet een geldige reisautorisatie heeft. Indien er een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven overeenkomstig artikel 44, wordt in het antwoord van het centrale Etias-systeem rekening gehouden met de betrokken lidstaat of lidstaten waarvoor de autorisatie geldt en met de lidstaat van binnenkomst die door de vervoerder is vermeld. Vervoerders mogen de door hen verstuurde informatie en het door hen ontvangen antwoord opslaan overeenkomstig het toepasselijke recht. Het antwoord “OK/NIET OK” kan niet worden beschouwd als een beslissing om toegang te verlenen of te weigeren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399.

De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor de werking van het toegangsportaal voor vervoerders en de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming en -beveiliging. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.  De Commissie richt, door middel van uitvoeringshandelingen, een uitsluitend voor vervoerders bestemd authenticatiesysteem op om, voor de toepassing van lid 2 van dit artikel, de naar behoren gemachtigde personeelsleden van vervoerders toegang te bieden tot het toegangsportaal voor vervoerders. Bij de oprichting van het authenticatiesysteem wordt rekening gehouden met risicobeheer op het gebied van informatiebeveiliging en met de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en door standaard­instellingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.  Het toegangsportaal voor vervoerders maakt gebruik van een afzonderlijke alleen uitleesbare databank die dagelijks wordt bijgewerkt door extractie in één richting van de minimaal noodzakelijke subreeks van in Etias opgeslagen gegevens. eu-LISA is verantwoordelijk voor de beveiliging van het toegangsportaal voor vervoerders, voor de beveiliging van de persoonsgegevens die dat toegangsportaal bevat en voor het proces van extractie van de persoonsgegevens en invoer ervan in de afzonderlijke alleen uitleesbare databank.

5.  Aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde vervoerders worden de sancties opgelegd waarin overeenkomstig artikel 26, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen ("de Overeenkomst tot uitvoering van het Akkoord van Schengen") en artikel 4 van Richtlijn 2001/51/EG van de Raad(40) is voorzien wanneer zij onderdanen van derde landen vervoeren die, hoewel onderworpen aan de reis­autorisatieplicht, niet in het bezit zijn van een geldige reisautorisatie.

6.  In afwijking van lid 5 van dit artikel zijn de in lid 5 van dit artikel bedoelde sancties niet van toepassing wanneer, met betrekking tot dezelfde onderdaan van een derde land, aan de in lid 1 bedoelde vervoerders reeds de sancties zijn opgelegd waarin overeenkomstig artikel 26, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en artikel 4 van Richtlijn 2001/51/EG is voorzien.

7.  Teneinde uitvoering te geven aan lid 5 of teneinde een oplossing te bieden voor een eventueel geschil waartoe de toepassing van lid 5 aanleiding zou geven, houdt eu-LISA logbestanden bij van alle gegevensverwerkende verrichtingen van vervoerders binnen het toegangsportaal voor vervoerders. Deze logbestanden tonen de datum en het tijdstip van elke verrichting, de voor raadpleging gebruikte gegevens, de door het toegangsportaal voor vervoerders doorgezonden gegevens en de naam van de betrokken vervoerder.

Logbestanden worden gedurende een periode van twee jaar opgeslagen. Logbestanden worden door passende maatregelen beschermd tegen ongeoorloofde toegang.

8.  Indien aan onderdanen van derde landen de toegang wordt geweigerd, wordt de vervoerder die deze onderdanen door de lucht, over zee en over land tot aan de buitengrenzen heeft gebracht, verplicht om onmiddellijk weer de verantwoordelijkheid voor hen op zich te nemen. Op verzoek van de grensautoriteiten worden de vervoerders ertoe verplicht om onderdanen van derde landen terug te brengen naar het derde land van waaruit zij werden vervoerd of naar het derde land dat het reisdocument waarmee zij reisden heeft afgegeven of naar enig ander derde land waar zij zeker zullen worden toegelaten.

9.  In afwijking van lid 1 geldt voor vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, dat gedurende de eerste drie jaar na de ingebruikneming van het Etias, de in lid 1 bedoelde verificatie facultatief is en dat de in lid 5 bedoelde bepalingen niet op hen van toepassing zijn.

Artikel 46

Vangnetprocedures wanneer het technisch onmogelijk is voor vervoerders om toegang tot gegevens te verkrijgen

1.  Indien het technisch onmogelijk is om de in artikel 45, lid 1, bedoelde zoekopdracht te verrichten wegens een storing in eender welk onderdeel van het Etias-informatiesysteem ▌, worden vervoerders vrijgesteld van de verplichting om het bezit van een geldige reisautorisatie te verifiëren. Indien een dergelijke storing door eu-LISA wordt ontdekt, stelt de centrale Etias-eenheid de vervoerders daarvan in kennis. Zij doet hetzelfde zodra de storing is hersteld. Indien een dergelijke storing door de vervoerders wordt ontdekt, mogen zij de centrale Etias-eenheid daarvan in kennis stellen.

2.  De in artikel 45, lid 5, bedoelde sancties worden niet aan vervoerders opgelegd in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen.

3.  Indien het om andere redenen dan een storing in enig deel van het Etias-informatiesysteem gedurende een langere periode voor een vervoerder technisch onmogelijk is om de in artikel 45, lid 1, bedoelde zoekopdracht te verrichten, , brengt die vervoerder de centrale Etias-eenheid daarvan op de hoogte ▌.

4.  De Commissie stelt, door middel van een uitvoeringshandeling, de bijzonderheden vast van de vangnetprocedures als bedoeld in dit artikel. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK VIII

Gebruik van Etias door grensautoriteiten aan de buitengrenzen

Artikel 47

Toegang tot gegevens voor verificatie aan de buitengrenzen

1.  De grensautoriteiten die overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399 bevoegd zijn om grenscontroles te verrichten bij doorlaatposten aan de buitengrenzen, raadplegen ▌ het centrale ETIAS-systeem aan de hand van de gegevens die zijn opgeslagen in de machineleesbare zone van het reisdocument.

2.  Het centrale Etias-systeem reageert met de vermelding:

a)  of deze persoon al dan niet een geldige reisautorisatie heeft en, in het geval van een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid afgegeven op grond van artikel 44, voor welke lidstaat of lidstaten deze autorisatie geldig is;

b)  van elke overeenkomstig artikel 36, leden 2 en 3, aan de reisautorisatie verbonden markering;

c)  of de reisautorisatie zal verstrijken binnen de volgende 90 dagen, en wat de resterende geldigheidsduur is;

d)  van de in artikel 17, lid 2, onder k) en l), bedoelde gegevens.

3.  Indien de reisautorisatie binnen de volgende 90 dagen vervalt, wordt de houder ervan door de grensautoriteiten geïnformeerd over de resterende geldigheidsduur, over de mogelijkheid om zelfs tijdens een verblijf op het grondgebied van de lidstaten een aanvraag voor een nieuwe reisautorisatie in te dienen en over de verplichting om gedurende de volledige duur van een kort verblijf in het bezit te zijn van een geldige reisautorisatie. Die informatie wordt tijdens de grenscontroles door de grenswachter verstrekt of beschikbaar gesteld door middel van aan de grensdoorlaatpost geïnstalleerde apparatuur waarmee de onderdaan van een derde land het in artikel 31 bedoelde verificatie-instrument. De informatie wordt bovendien beschikbaar gesteld op de in artikel 16 bedoelde openbare website. Daarnaast wordt via de e-maildienst van het centrale Etias-systeem dezelfde informatie automatisch aan de houder van een reisautorisatie verstrekt.

4.  Indien het centrale Etias-systeem een overeenkomstig artikel 36, lid 2, aan een reisautorisatie verbonden markering meldt, voeren de grensautoriteiten een tweedelijnscontrole uit. Met het oog op die tweedelijnscontrole zijn zij gemachtigd de aan het aanvraagformulier toe te voegen aanvullende informatie als bedoeld in artikel 39, lid 1, onder e), of artikel 44, lid 6, onder f), te raadplegen.

Indien het centrale Etias-systeem een in artikel 36, lid 3, bedoelde markering meldt en er aanvullende verificaties nodig zijn, krijgen de grensautoriteiten toegang tot het centrale Etias-systeem om de aanvullende informatie als bedoeld in artikel 39, lid 1, onder e), of artikel 44, lid 6, onder f), te verkrijgen.

Artikel 48

Vangnetprocedures wanneer het technisch onmogelijk is toegang tot gegevens te verkrijgen aan de buitengrenzen

1.  Indien het vanwege een storing van eender welk onderdeel van het Etias-informatiesysteem technisch onmogelijk is om de in artikel 47, lid 1, bedoelde raadpleging te verrichten, stelt de centrale Etias-eenheid de grensautoriteiten en de nationale Etias-eenheden van de lidstaten daarvan in kennis.

2.  Indien het technisch onmogelijk is om de in artikel 47, lid 1, bedoelde zoekopdracht te verrichten vanwege een storing in de nationale grensinfrastructuur in een lidstaat, stellen de grensautoriteiten de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheid van die lidstaat daarvan in kennis. De centrale Etias-eenheid stelt vervolgens onmiddellijk eu-LISA en de Commissie op de hoogte.

3.  In de gevallen bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel volgen de grensautoriteiten hun nationale noodplannen. Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399 kunnen de grensautoriteiten op grond van het noodplan gemachtigd worden tijdelijk af te wijken van de in artikel 47, lid 1, bedoelde verplichting om de centrale Etias-eenheid te raadplegen.

4.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, modelnoodplannen vast voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde gevallen, met inbegrip van de door de grensautoriteiten te volgen procedures. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De lidstaten stellen hun nationale noodplannen vast met gebruikmaking van modelnoodplannen als basis, waar nodig aangepast op nationaal niveau.

HOOFDSTUK IX

Gebruik van Etias door immigratie-autoriteiten

Artikel 49

Toegang tot gegevens voor immigratie-autoriteiten

1.  Ten behoeve van de controle of verificatie of aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de lidstaten is voldaan en met het oog op het nemen van passende daarmee verband houdende maatregelen, krijgen de immigratie-autoriteiten van de lidstaten toegang om het centrale Etias-systeem te doorzoeken aan de hand van de in artikel 17, lid 2, onder a) tot en met e), bedoelde gegevens.

2.  Toegang tot het centrale Etias-systeem overeenkomstig lid 1 van dit artikel wordt alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  in het EES is overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2017/2226 een voorafgaande zoekopdracht uitgevoerd; en

b)  het resultaat van de zoekopdracht wijst uit dat het EES geen gegevens met betrekking tot binnenkomst bevat die verband houden met de aanwezigheid van de onderdaan van een derde land op het grondgebied van lidstaten.

Indien nodig wordt de naleving van de in de onder a) en b), van de eerste alinea van dit lid genoemde voorwaarden gecontroleerd door raadpleging van de logbestanden in het EES, die betrekking hebben tot de in punt a) van de eerste alinea van dit id bedoelde zoekopdracht en tot de in punt b) van die alinea bedoelde respons, overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) 2017/2226 .

3.  Het centrale Etias-systeem meldt vervolgens of deze persoon al dan niet een geldige reisautorisatie heeft en, in het geval van een overeenkomstig artikel 44 afgegeven reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid, voor welke lidstaten die reisautorisatie geldig is. Het centrale Etias-systeem vermeldt ook of de reisautorisatie zal verstrijken binnen de volgende 90 dagen en wat de resterende geldigheidsduur is.

In het geval van minderjarigen krijgen de immigratie-autoriteiten ook toegang tot de informatie met betrekking tot het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij van de reiziger als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder k).

HOOFDSTUK X

Procedure en voorwaarden voor toegang tot het centrale Etias-systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden

Artikel 50

Aangewezen autoriteiten ▌ van de lidstaten

1.  De lidstaten wijzen de ▌ autoriteiten aan die bevoegd zijn om met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten, te verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens.

2.  Elke lidstaat wijst een centraal toegangspunt aan dat toegang heeft tot het centrale Etias-systeem. Het centrale toegangspunt vergewist zich ervan dat is voldaan aan de in artikel 52 vermelde voorwaarden voor een verzoek om toegang tot het centrale Etias-systeem.

Indien het nationale recht dit toestaat, kunnen de aangewezen autoriteit en het centrale toegangspunt deel uitmaken van dezelfde organisatie, maar het centrale toegangspunt treedt bij de uitvoering van zijn taken op grond van deze verordening volledig onafhankelijk van de aangewezen autoriteiten op. Het centrale toegangspunt staat los van de aangewezen autoriteiten en ontvangt van dezen geen instructies met betrekking tot de resultaten van de verificatie, die het onafhankelijk verricht.

De lidstaten kunnen, afhankelijk van hun organisatorische en bestuurlijke structuur, meer dan één centraal toegangspunt aanwijzen om hun grondwettelijke of andere wettelijke vereisten na te komen.

De lidstaten geven eu-LISA en de Commissie kennis van hun aangewezen autoriteiten en centrale toegangspunten, en kunnen hun kennisgevingen te allen tijde wijzigen of vervangen.

3.  Op nationaal niveau houdt elke lidstaat een lijst bij van de operationele eenheden binnen de aangewezen autoriteiten die gemachtigd zijn te verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens via de centrale toegangspunten.

4.  Alleen naar behoren gemachtigd personeel van de centrale toegangspunten heeft toegang tot het centrale Etias-systeem overeenkomstig de artikelen 51 en 52.

Artikel 51

Procedure voor toegang tot het centrale Etias-systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden

1.  Een in artikel 50, lid 3, genoemde operationele eenheid richt een gemotiveerd elektronisch of schriftelijk verzoek om raadpleging van een specifieke reeks in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens tot een in artikel 50, lid 2, bedoeld centraal toegangspunt. Indien raadpleging van de in artikel 17, lid 2, onder i), en artikel 17, lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde gegevens wordt gewenst, bevat het gemotiveerde elektronische of schriftelijke verzoek een onderbouwing waaruit blijkt dat raadpleging van die specifieke gegevens noodzakelijk is.

2.  Na ontvangst van het verzoek om toegang gaat het centraal toegangspunt na of aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 52 wordt voldaan, waarbij ook wordt gecontroleerd of verzoeken om raadpleging van de in artikel 17, lid 2, onder i), en artikel 17, lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde gegevens gerechtvaardigd zijn.

3.  Indien de in artikel 52 bedoelde voorwaarden voor toegang vervuld zijn, verwerkt het centrale toegangspunt het verzoek. De in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens waartoe het centrale toegangspunt toegang heeft verworven, worden op zodanige wijze aan de operationele eenheid die het verzoek heeft gedaan doorgegeven dat de beveiliging van de gegevens niet wordt geschonden.

4.  In dringende gevallen, wanneer een dreigend gevaar voor het leven van een persoon wegens een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit moet worden voorkomen, verwerkt het centrale toegangspunt het verzoek onmiddellijk en verifieert het pas achteraf of aan alle voorwaarden van artikel 52 is voldaan en er daadwerkelijk sprake was van een dringend geval. De verificatie achteraf geschiedt zonder onnodige vertraging en in elk geval uiterlijk zeven werkdagen na de verwerking van het verzoek.

Indien uit een verificatie achteraf ▌ blijkt dat de raadpleging van of toegang tot in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens niet gerechtvaardigd was, wissen alle autoriteiten die toegang tot die gegevens hebben gehad ▌, de gegevens waartoe via het centrale Etias-systeem toegang hebben verworven. De autoriteiten brengen het betrokken centraal toegangspunt van de lidstaat waar het verzoek was gedaan, daarvan op de hoogte.

Artikel 52

Voorwaarden voor toegang tot in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens door aangewezen autoriteiten van lidstaten

1.  Aangewezen autoriteiten kunnen verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens indien aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  toegang voor raadpleging is noodzakelijk met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit;

b)  toegang voor raadpleging is noodzakelijk en evenredig in een specifiek geval; en

c)  er is bewijs of er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens zal bijdragen tot het voorkomen, opsporen of onderzoeken van de desbetreffende strafbare feiten, met name wanneer er een gegrond vermoeden bestaat dat de verdachte, de dader of het slachtoffer van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit behoort tot een reizigerscategorie waarop ▌deze verordening van toepassing is ▌.

2.  Bij raadpleging van het centrale Etias-systeem wordt uitsluitend gezocht aan de hand van een of meer van de volgende in het aanvraagdossier geregistreerde gegevensbestanddelen:

a)  achternaam (familienaam) en, indien beschikbaar, voornaam(-namen);

b)  overige namen (alias(sen), artiestennaam(-namen), roepnaam(-namen));

c)  nummer van het reisdocument;

d)  woonadres;

e)  e-mailadres;

f)  telefoonnummers;

g)  IP-adres.

3.  Raadpleging van het centrale Etias-systeem aan de hand van de in lid 2 vermelde gegevens kan worden gecombineerd met de volgende gegevens uit het aanvraagdossier, teneinde gerichter te kunnen zoeken:

a)  nationaliteit(en);

b)  geslacht;

c)  geboortedatum of leeftijdsgroep.

4.  Bij raadpleging van het centrale Etias-systeem wordt, in geval van een hit op basis van in een aanvraagdossier geregistreerde gegevens, toegang verleend tot de in artikel 17, lid 2, onder a) tot en met g) en j) tot en met m), bedoelde gegevens die zijn geregistreerd in datzelfde aanvraagdossier alsmede tot de overeenkomstig de artikelen 39 en 43 aan dat aanvraagdossier toegevoegde gegevens die betrekking hebben op de afgifte, weigering, nietigverklaring of intrekking ▌van een reisautorisatie. Toegang tot de in artikel 17, lid 2, onder i), en in artikel 17, lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde gegevens die aan het aanvraagdossier zijn toegevoegd, wordt enkel verleend als in het gemotiveerde elektronische of schriftelijke verzoek dat overeenkomstig artikel 51, lid 1, is ingediend, door een operationele eenheid uitdrukkelijk om raadpleging van die gegevens is verzocht en het raadplegingsverzoek na de onafhankelijke verificatie door het centrale toegangspunt is goedgekeurd. Bij raadpleging van het centrale Etias-systeem wordt geen toegang verleend tot gegevens over het onderwijs, als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder h) ▌.

Artikel 53

Procedure en voorwaarden voor toegang tot in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens door Europol

1.  Voor de toepassing van artikel 1, lid 2, kan Europol verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens en een gemotiveerd elektronisch verzoek om raadpleging van een specifieke reeks in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens richten tot de centrale Etias-eenheid. Indien raadpleging van de in artikel 17, lid 2, onder i), en artikel 17, lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde gegevens wordt gewenst, bevat het gemotiveerde elektronische verzoek een onderbouwing waaruit blijkt dat raadpleging van die specifieke gegevens noodzakelijk is.

2.  Het gemotiveerde verzoek bevat bewijs dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de raadpleging is noodzakelijk om het optreden van de lidstaten bij het voorkomen, opsporen of onderzoeken van onder het mandaat van Europol vallende terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te ondersteunen en te versterken;

b)  de raadpleging is noodzakelijk en evenredig in een specifiek geval;

c)  bij de raadpleging wordt enkel gezocht aan de hand van de in artikel 52, lid 2, bedoelde gegevens, gecombineerd met de in artikel 52, lid 3, bedoelde gegevens indien nodig, en

d)  er is bewijs of er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de raadpleging zal bijdragen tot het voorkomen, opsporen of onderzoeken van de desbetreffende strafbare feiten, met name wanneer er een gegrond vermoeden bestaat dat de verdachte, de dader of het slachtoffer van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit behoort tot een reizigerscategorie waarop deze verordening van toepassing is.

3.  Van Europol afkomstige verzoeken om raadpleging van gegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem, worden vooraf geverifieerd door een gespecialiseerde dienst van naar behoren gemachtigde Europol-ambtenaren, die tijdig en op doeltreffende wijze onderzoekt of het verzoek voldoet aan alle voorwaarden van lid 2.

4.  Bij raadpleging van het centrale Etias-systeem wordt in geval van een hit op basis van in een aanvraagdossier opgeslagen gegevens, toegang verleend tot de in artikel 17, lid 2, onder a) tot en met g) en j) tot en met m), bedoelde gegevens alsmede tot de overeenkomstig de artikelen 39 en 43 in het aanvraagdossier opgenomen gegevens die betrekking hebben op de afgifte, weigering, nietigverklaring of intrekking ▌van een reisautorisatie. Toegang tot de in artikel 17, lid 2, onder i), en in artikel 17, lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde gegevens die in het aanvraagdossier zijn opgenomen, wordt enkel verleend indien door Europol uitdrukkelijk om raadpleging van die gegevens is verzocht. Bij raadpleging van het centrale Etias-systeem wordt geen toegang verleend tot de gegevens over onderwijs als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder h).

5.  Zodra de gespecialiseerde dienst van naar behoren gemachtigde Europol-ambtenaren heeft ingestemd met het verzoek, behandelt de centrale Etias-eenheid het verzoek om raadpleging van gegevens in het centrale Etias-systeem. Die centrale Etias-eenheid zendt Europol de aangevraagde gegevens toe op een wijze die niet ten koste gaat van de beveiliging van de gegevens.

HOOFDSTUK XI

Bewaring en wijziging van gegevens

Artikel 54

Bewaring van gegevens

1.  Elk aanvraagdossier wordt in het centrale Etias-systeem opgeslagen gedurende:

a)  de geldigheidsduur van de reisautorisatie;

b)  vijf jaar vanaf de laatste beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van de reisautorisatie overeenkomstig de artikelen 37, 40 en 41. Indien de gegevens van een notitie, dossier of signalering in een van de EU-informatie­systemen, Europol-gegevens, de Interpol-databanken SLTD of TDAWN, de Etias-observatielijst of de Etias-screeningsregels die aanleiding geven tot een dergelijke beslissing worden gewist voor het verstrijken van de onder b) bedoelde periode, wordt het aanvraagdossier gewist binnen zeven dagen vanaf de datum van die wissing. Het centrale Etias-systeem verifieert daartoe regelmatig en automatisch of nog is voldaan aan de voorwaarden voor het bewaren van de in dit punt bedoelde aanvraagdossiers. Het centrale Etias-systeem wist het aanvraagdossier automatisch indien niet langer is voldaan aan die voorwaarden.

2.  Met het oog op het faciliteren van een nieuwe aanvraag na het verstrijken van de geldigheidsduur van een Etias-reisautorisatie kan het aanvraagdossier in het centrale Etias-systeem voor een extra periode van niet meer dan drie jaar na het einde van de geldigheidsduur van de reisautorisatie worden opgeslagen, en dit op voorwaarde dat de aanvrager daarvoor, na een daartoe strekkend verzoek om toestemming, vrijelijk en uitdrukkelijk toestemming verleent door middel van een elektronisch ondertekende verklaring. Verzoeken om toestemming worden in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal zodanig gepresenteerd dat een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met de andere aangelegenheden, overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2016/679.

Toestemming wordt aangevraagd na het automatisch verstrekken van informatie overeenkomstig artikel 15, lid 2. Bij de automatisch verstrekte informatie wordt de aanvrager gewezen op het doel van de bewaring van gegevens op grond van de informatie zoals bedoeld in artikel 71, punt o), en op de mogelijkheid om te allen tijde een gegeven toestemming in te trekken.

De aanvrager kan overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 zijn toestemming te allen tijde intrekken. Indien de aanvrager zijn toestemming intrekt, wordt het aanvraagdossier automatisch uit het centrale Etias-systeem gewist.

eu-LISA ontwikkelt een instrument waarmee aanvragers hun toestemming kunnen geven of intrekken. Dat instrument wordt ter beschikking gesteld via de specifieke openbare website of de app voor mobiele apparaten.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast ter nadere omschrijving van het instrument waarmee aanvragers hun toestemming kunnen geven of intrekken.

3.  Bij het verstrijken van de bewaringstermijn wordt het aanvraagdossier automatisch uit het centrale Etias-systeem gewist.

Artikel 55

Wijziging van gegevens en vervroegd wissen van gegevens

1.  De centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden zorgen ervoor dat de in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens nauwkeurig en actueel zijn. De centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden hebben niet het recht om gegevens te wijzigen die overeenkomstig artikel 17, leden 2, 3 of 4, rechtstreeks door de aanvrager aan het aanvraagdossier zijn toegevoegd.

2.  Wanneer de centrale Etias-eenheid beschikt over bewijs dat gegevens die door de centrale Etias-eenheid zijn geregistreerd in het centrale Etias-systeem, feitelijk onnauwkeurig zijn of dat gegevens in het centrale Etias-systeem zijn verwerkt op een wijze die strijdig is met onderhavige verordening, controleert zij de betrokken gegevens, waarna zij deze zo nodig onverwijld wijzigt dan wel uit het centrale Etias-systeem wist.

3.  Wanneer de verantwoordelijke lidstaat beschikt over bewijs dat in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens feitelijk onnauwkeurig zijn of dat gegevens in het centrale Etias-systeem zijn verwerkt op een wijze die strijdig is met onderhavige verordening, controleert de nationale Etias-eenheid de betrokken gegevens, waarna zij deze zo nodig onverwijld wijzigt dan wel uit het centrale Etias-systeem wist.

4.  Wanneer de centrale Etias-eenheid beschikt over bewijs dat in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens feitelijk onnauwkeurig zijn of dat gegevens in het centrale Etias-systeem zijn verwerkt op een wijze die strijdig is met onderhavige verordening, neemt zij binnen 14 dagen contact op de met de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat. Indien een andere dan de verantwoordelijke lidstaat over zulk bewijs beschikt, neemt het ook binnen 14 dagen contact op met de centrale Etias-eenheid of de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat. De centrale Etias-eenheid of de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat controleert binnen één maand de nauwkeurigheid van de gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking daarvan, waarna zij de gegevens zo nodig onverwijld wijzigt dan wel uit het centrale Etias-systeem wist.

5.  Wanneer een onderdaan van een derde land de nationaliteit van een lidstaat heeft verworven of onder artikel 2, lid 2, onder a) tot en met c), is komen te vallen, verifiëren de autoriteiten van die lidstaat of de betrokkene over een geldige reisautorisatie beschikt en wissen zij het aanvraagdossier zo nodig onverwijld uit het centrale Etias-systeem. De voor het wissen van de aanvraag verantwoordelijke autoriteit is ▌:

a)  de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die het in artikel 2, lid 2, onder a), bedoelde reisdocument heeft afgegeven;

b)  de nationale Etias-eenheid van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft verworven;

c)  de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de verblijfskaart of verblijfsvergunning heeft afgegeven ▌.

6. Wanneer een onderdaan van een derde land onder artikel 2, lid 2, onder d), e), f) of l), is komen te vallen, kan hij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die de verblijfsvergunning, het uniform visum of het nationaal visum voor lang verblijf als bedoeld in dat artikel heeft afgegeven, ervan in kennis stellen dat hij een geldige reisautorisatie heeft, en vragen om het betreffende aanvraagdossier uit het centraal Etias-systeem te wissen. De autoriteiten van die lidstaat verifiëren of de betrokken persoon over een geldige reisautorisatie beschikt. Indien wordt bevestigd dat de persoon over een dergelijke autorisatie beschikt, wist de nationale Etias-eenheid van de lidstaat die de verblijfsvergunning, het uniform visum of het nationaal visum voor lang verblijf heeft afgegeven het aanvraagdossier onverwijld uit het centrale Etias-systeem.

7.  Wanneer een onderdaan van een derde land onder artikel 2, lid 2, onder g) ▌ is komen te vallen, kan hij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die hij vervolgens binnenkomt, in kennis stellen van deze wijziging. De lidstaat neemt binnen 14 dagen contact op met de centrale Etias-eenheid. De centrale Etias-eenheid controleert binnen één maand de nauwkeurigheid van de gegevens en wist indien nodig het aanvraagdossier onverwijld uit het centrale Etias-systeem. ▌

8.  Onverminderd beschikbare mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep hebben betrokkenen toegang tot een doeltreffend beroep voor de rechter om de in Etias opgeslagen gegevens te laten wijzigen of wissen.

HOOFDSTUK XII

Gegevensbescherming

Artikel 56

Gegevensbescherming

1.  Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het Europees Grens- en kustwachtagentschap en eu-LISA.

2.  Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de nationale Etias-eenheden die de aanvragen beoordelen, door de grensautoriteiten en door de immigratie-autoriteiten.

Wanneer de verwerking van persoonsgegevens door de nationale Etias-eenheden wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten die de aanvragen beoordelen met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of van andere ernstige strafbare feiten, is Richtlijn (EU) 2016/680 van toepassing.

Wanneer de nationale Etias-eenheid beslist over de afgifte, weigering, intrekking of nietigverklaring van een reisautorisatie, is Verordening (EU) 2016/679 van toepassing.

3.  Richtlijn (EU) 2016/680 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten van de lidstaten voor de toepassing van artikel 1, lid 2, van deze verordening.

4.  Verordening (EU) 2016/794 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door Europol krachtens de artikelen 29 en 53 van deze verordening.

Artikel 57

Verwerkingsverantwoordelijke

1.  Het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt beschouwd als een verantwoordelijke voor de verwerking overeenkomstig artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 45/2001 in verband met de verwerking van persoonsgegevens in het centrale Etias-systeem. Voor het informatiebeveiligingsbeheer van het centrale Etias-systeem wordt eu-LISA beschouwd als verantwoordelijke voor de verwerking.

2.  In verband met de verwerking van persoonsgegevens in het centrale Etias-systeem door een lidstaat wordt de nationale Etias-eenheid beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van Verordening (EU) 2016/679. Zij draagt de centrale verantwoordelijkheid voor de verwerking van persoonsgegevens in het centrale Etias-systeem door die lidstaat.

Artikel 58

Verwerker

1.  eu-LISA wordt beschouwd als verwerker in de zin van artikel 2, onder e), van Verordening (EG) nr. 45/2001 in verband met de verwerking van persoonsgegevens in het Etias-informatiesysteem.

2.  eu-LISA waarborgt dat het Etias-informatiesysteem overeenkomstig deze verordening wordt geëxploiteerd.

Artikel 59

Beveiliging van de verwerking

1.  ▌eu-LISA, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden waarborgen de beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens ▌die plaatsvindt krachtens ▌deze verordening. eu-LISA, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden werken bij gegevensbeveiligingsgerelateerde taken samen.

2.  Onverminderd artikel 22 van Verordening (EG) nr. 45/2001 neemt eu-LISA de nodige maatregelen ter beveiliging van het Etias-informatiesysteem.

3.  Onverminderd artikel 22 van Verordening (EG) nr. 45/2001 en de artikelen 32 en 34 van Verordening (EU) 2016/679 stellen ▌eu-LISA, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden de nodige maatregelen vast, met inbegrip van een beveiligingsplan en een bedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan, teneinde:

a)  de gegevens fysiek te beschermen, onder meer met noodplannen voor de bescherming van kritieke infrastructuur;

b)  te verhinderen dat onbevoegden toegang krijgen tot de beveiligde webdienst, de e‑maildienst, de beveiligde-accountdienst, het toegangsportaal voor vervoerders, het verificatie-instrument voor aanvragers en het instemmingsinstrument voor aanvragers;

c)  te verhinderen dat onbevoegden toegang krijgen tot gegevensverwerkende apparatuur en nationale installaties, in overeenstemming met de doeleinden van ▌Etias;

d)  te voorkomen dat gegevensdragers onrechtmatig worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of verwijderd;

e)  te voorkomen dat gegevens onrechtmatig worden ingevoerd en geregistreerde persoonsgegevens onrechtmatig worden geïnspecteerd, gewijzigd of gewist;

f)  te verhinderen dat onbevoegden de systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking gebruiken met behulp van gegevenscommunicatieapparatuur;

g)  te voorkomen dat gegevens onrechtmatig in het centrale Etias-systeem worden verwerkt en in het centrale Etias-systeem verwerkte gegevens onrechtmatig worden gewijzigd of gewist;

h)  door middel van persoonlijke en unieke gebruikersidentiteiten en vertrouwelijke toegangsprocedures te waarborgen dat personen met toegangsrecht tot het Etias-informatiesysteem uitsluitend toegang hebben tot de gegevens waarop hun toegangsbevoegdheid betrekking heeft;

i)  te waarborgen dat alle autoriteiten met toegangsrecht tot het Etias-informatiesysteem profielen opstellen waarin de taken en verantwoordelijkheden worden omschreven van de personen die bevoegd zijn om gegevens te raadplegen, en deze profielen ter beschikking stellen aan de toezichthoudende autoriteiten;

j)  te waarborgen dat kan worden nagegaan en vastgesteld aan welke instanties persoonsgegevens mogen worden doorgegeven door middel van gegevenscommunicatieapparatuur;

k)  te waarborgen dat kan worden nagegaan en vastgesteld welke gegevens wanneer, door wie en met welk doel in het Etias-informatiesysteem zijn verwerkt;

l)  in het bijzonder door middel van passende versleutelingstechnieken te voorkomen dat persoonsgegevens bij hun doorgifte vanuit en naar het centrale Etias-systeem of gedurende het vervoer van gegevensdragers onrechtmatig worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of gewist;

m)  ervoor te zorgen dat de normale werking van de gebruikte systemen in geval van storing kan worden hersteld;

n)  de betrouwbaarheid te verzekeren door ervoor te zorgen dat eventuele functiestoringen in Etias correct worden gesignaleerd en dat de nodige technische maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat persoonsgegevens kunnen worden hersteld wanneer zij beschadigd worden door een slechte werking van Etias;

o)  de doeltreffendheid van de in dit lid bedoelde beveiligingsmaatregelen te monitoren, en met betrekking tot de interne controle de nodige organisatorische maatregelen te nemen om te waarborgen dat deze verordening wordt nageleefd.

4.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, een modelbeveiligingsplan en een modelbedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De raad van bestuur van eu-LISA, de raad van bestuur van het Europees Grens- en kustwachtagentschap en de lidstaten stellen het beveiligingsplan en het bedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan vast voor respectievelijk eu-LISA, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheid . Zij doen zulks op basis van de door de Commissie vastgestelde modelplannen, waar nodig aangepast.

5.  eu-LISA licht het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in over de maatregelen die het krachtens dit artikel neemt.

Artikel 60

Beveiligingsincidenten

1.  Elke gebeurtenis die gevolgen heeft of kan hebben voor de beveiliging van Etias en kan leiden tot beschadiging of verlies van in Etias opgeslagen gegevens, wordt beschouwd als een beveiligingsincident, met name wanneer ongeoorloofde toegang tot gegevens kan zijn verkregen of wanneer de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens in gevaar is of kan zijn gekomen.

2.  Het beheer van beveiligingsincidenten is gericht op een snelle, doeltreffende en passende reactie.

3.  Onverminderd de melding en mededeling van een inbreuk in verband met persoons­gegevens uit hoofde van artikel 33 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 30 van Richtlijn (EU) 2016/680, of beide, stellen de lidstaten de Commissie, eu-LISA en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in kennis van beveiligings­incidenten. eu-LISA stelt de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in kennis van beveiligingsincidenten betreffende het Etias-informatiesysteem. Europol meldt een Etias-gerelateerd beveiligingsincident aan de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

4.  Informatie betreffende een beveiligingsincident dat gevolgen heeft of kan hebben voor de werking van Etias of voor de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van in Etias opgeslagen gegevens, wordt aan de Commissie verstrekt en, voor zover dat voor hen gevolgen heeft, aan de centrale Etias-eenheid, aan de nationale Etias-eenheden en aan Europol. Dergelijke incidenten worden ook gemeld in overeenstemming met het door eu-LISA te verstrekken incidentenbeheerplan.

5.  De lidstaten, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, eu-LISA en Europol werken samen wanneer zich een beveiligingsincident voordoet.

Artikel 61

Interne controle

Het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol en de lidstaten zorgen ervoor dat elke instantie met toegangsrecht tot het Etias-informatiesysteem de nodige maatregelen neemt met het oog op de naleving van deze verordening en, waar nodig, medewerking verleent aan de toezichthoudende autoriteit.

Artikel 62

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de regels worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 63

Aansprakelijkheid

1.  Onverminderd het recht op schadevergoeding door, en de aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op grond van Verordening (EU) 2016/679, Richtlijn (EU) 2016/680 en Verordening (EU) nr. 45/2001, geldt het volgende:

a)  iedere persoon of lidstaat die als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking of een andere met deze verordening strijdige handeling vanwege een lidstaat materiële of immateriële schade heeft geleden, is gerechtigd om van die lidstaat schadevergoeding te ontvangen;

b)  iedere persoon of lidstaat die als gevolg van een met deze verordening strijdige handeling vanwege eu-LISA materiële of immateriële schade heeft geleden, is gerechtigd om van dat agentschap schadevergoeding te ontvangen. eu‑LISA is aansprakelijk voor onrechtmatige gegevensverwerking, overeenkomstig zijn rol als verwerker of, naargelang het geval, verwerkingsverantwoordelijke.

Een lidstaat of eu-LISA wordt geheel of gedeeltelijk van aansprakelijkheid op grond van de eerste alinea ontheven indien hij of het kan aantonen niet verantwoordelijk te zijn voor het feit dat de schade heeft veroorzaakt.

2.  Indien schade aan het centrale Etias-systeem ontstaat doordat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet is nagekomen, is deze lidstaat daarvoor aansprakelijk, tenzij en voor zover eu-LISA of een andere lidstaat die aan het centrale Etias-systeem deelneemt, heeft nagelaten redelijke stappen te ondernemen om de schade te voorkomen of te beperken.

3.  Op vorderingen tegen een lidstaat tot vergoeding van de in de leden 1 en 2 bedoelde schade is het nationale recht van die lidstaat van toepassing. Op vorderingen tegen de verwerkingsverantwoordelijke of eu-LISA tot vergoeding van de in de leden 1 en 2 bedoelde schade zijn de in de Verdragen bepaalde voorwaarden van toepassing.

Artikel 64

Recht op ▌toegang tot, rectificatie, aanvulling en wissing van persoonsgegevens en op beperking van de verwerking

1.  Onverminderd het recht van informatie bedoeld in de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 45/2001 worden aanvragers wier gegevens in het centrale Etias-systeem worden opgeslagen, op het moment dat hun gegevens worden verzameld in kennis gesteld van de procedures voor het uitoefenen van de rechten krachtens de artikelen 13 tot en met 16 van Verordening (EG) nr. 45/2001 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679. Zij krijgen tegelijkertijd ook de contactgegevens meegedeeld van de functionaris voor gegevensbescherming van het Europees Grens- en kustwachtagentschap en van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming ▌.

2.  Voor de uitoefening van hun rechten krachtens de artikelen 13 tot en met 16 van Verordening (EG) nr. 45/2001 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679 heeft elke aanvrager het recht zich te wenden tot de centrale Etias-eenheid of tot de voor de aanvraag verantwoordelijke nationale Etias-eenheid. De eenheid die de aanvraag ontvangt, onderzoekt en beantwoordt de aanvraag zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 30 dagen.

Indien in antwoord op een verzoek blijkt dat de gegevens in het centrale Etias-systeem feitelijk onnauwkeurig zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, worden die gegevens in het centrale Etias-systeem onverwijld gerectificeerd of gewist door de centrale Etias-eenheid of door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat ▌.

Als een reisautorisatie gedurende haar geldigheidsduur in antwoord op een aanvraag op grond van dit lid wordt gewijzigd door de centrale Etias-eenheid of een nationale Etias-eenheid, verricht het centrale Etias-systeem de in artikel 20 bedoelde geautomatiseerde verwerking teneinde vast te stellen of het gewijzigde aanvraagdossier een hit oplevert op grond van artikel 20, leden 2 tot en met 5. Indien de geautomatiseerde verwerking geen hit oplevert, geeft het centrale Etias-systeem een gewijzigde reisautorisatie af met dezelfde geldigheidsduur als het origineel en stelt het de aanvrager daarvan in kennis. Indien de geautomatiseerde verwerking een of meer hits oplevert, beoordeelt de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat ▌het ▌veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico overeenkomstig artikel 26. Zij beslist dan om een gewijzigde reisautorisatie af te geven dan wel, indien deze eenheid besluit dat niet meer aan de voorwaarden voor afgifte voor de reisautorisatie wordt voldaan, om de reisautorisatie in te trekken.

3.  Indien de centrale Etias-eenheid of de nationale Etias-eenheid van de voor de aanvraag verantwoordelijke lidstaat niet akkoord gaat met de bewering dat in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens feitelijk onnauwkeurig zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, neemt de centrale Etias-eenheid of de nationale Etias-eenheid van de ▌verantwoordelijke lidstaat onverwijld een administratieve beslissing waarbij de betrokkene schriftelijk wordt uitgelegd waarom de eenheid niet bereid is de gegevens die op de betrokkene betrekking hebben, te corrigeren of te wissen.

4.  Die beslissing informeert de betrokkene tevens over de mogelijkheid om de beslissing inzake het in lid 2 bedoelde verzoek aan te vechten en, indien relevant, over de wijze waarop hij een rechtsvordering kan instellen of een klacht kan indienen bij de bevoegde autoriteiten of rechterlijke instanties, alsmede over voor de betrokkene beschikbare bijstand, onder meer van de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten.

5.  Elk verzoek krachtens lid 2 bevat de informatie die nodig is om de betrokkene te identificeren. Deze informatie wordt uitsluitend gebruikt om de uitoefening van de in lid 2 bedoelde rechten mogelijk te maken en wordt onmiddellijk daarna gewist.

6.  De centrale Etias-eenheid of de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat ▌ legt in een schriftelijk document vast dat een in lid 2 bedoeld verzoek is ingediend en op welke wijze dit is behandeld. Zij stelt dit document onverwijld en uiterlijk zeven dagen na het nemen van het in de tweede alinea van lid 2 genoemde beslissing om gegevens te rectificeren of te wissen, respectievelijk de in lid 3 genoemde beslissing, ter beschikking van de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming.

Artikel 65

Mededeling van persoonsgegevens aan derde landen, internationale organisaties en particuliere partijen

1.  Persoonsgegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem, worden niet doorgegeven aan of ter beschikking gesteld van derde landen, internationale organisaties of particuliere partijen, met uitzondering van de doorgifte aan Interpol met het oog op de in artikel 20, lid 2, onder b) en l), van deze verordening bedoelde geautomatiseerde verwerking. De doorgifte van persoonsgegevens aan Interpol is onderworpen aan artikel 9 van Verordening nr. 45/2001.

2.  De persoonsgegevens uit het centrale Etias-systeem waartoe een lidstaat of Europol voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde doeleinden toegang heeft verkregen, worden niet aan derde landen, internationale organisaties of particuliere partijen doorgegeven of ter beschikking gesteld. Het verbod geldt ook indien deze gegevens op nationaal niveau of tussen de lidstaten verder worden verwerkt.

3.  In afwijking van artikel 49 van deze verordening kunnen de immigratie-autoriteiten, indien zulks nodig is met het oog op terugkeer, toegang krijgen tot het centrale Etias-systeem om in individuele gevallen gegevens op te vragen om aan een derde land door te geven , maar uitsluitend indien aan elk van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)  in het EES is overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2017/2226 een voorafgaande zoekopdracht uitgevoerd; en

b)  het resultaat van de zoekopdracht wijst uit dat het EES geen gegevens bevat over de terug te zenden onderdaan van een derde land.

Indien nodig wordt de naleving van die voorwaarden gecontroleerd door raadpleging van de logbestanden in het EES, die betrekking hebben tot de in punt a) van de eerste alinea van dit artikel bedoelde zoekopdracht en tot de in punt b) van die alinea bedoelde respons, overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) 2017/2226.

Indien aan die voorwaarden is voldaan, krijgen de immigratieautoriteiten toegang tot het centrale Etias-systeem voor het verrichten van zoekopdrachten aan de hand van alle of een deel van de in artikel 17, lid 2, onder a) tot en met e), van deze verordening genoemde gegevens. Indien een Etias-aanvraagformulier met die gegevens overeenstemt, krijgen de immigratie-autoriteiten toegang tot in artikel 17, lid 2, onder a) tot en met g), van deze verordening en, in het geval van minderjarigen, in artikel 17, lid 2, onder k), genoemde gegevens.

In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen gegevens waartoe de immigratie-autoriteiten toegang hebben gekregen, in individuele gevallen aan een derde land worden doorgegeven, voor zover dat noodzakelijk is om met het loutere oog op terugkeer de identiteit van de onderdaan van een derde land te bewijzen, en dit enkel op voorwaarde dat aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de Commissie heeft een besluit genomen over de passend niveau van bescherming van persoonsgegevens in dat derde land overeenkomstig artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679;

b)  er is voorzien in passende waarborgen als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EU) 2016/679, bijvoorbeeld door middel van een van kracht zijnde overnameovereenkomst tussen de Unie of een lidstaat en het betrokken derde land; of

c)  artikel 49, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing.

De in artikel 17, lid 2, onder a), b), d), e) en f) van deze verordening bedoelde gegevens mogen alleen worden doorgegeven indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de gegevens worden doorgegeven overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Unierecht, met name de bepalingen inzake gegevensbescherming, waaronder hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679, overname­overeenkomsten en het nationale recht van de lidstaat die de gegevens heeft doorgegeven;

b)  het derde land stemt ermee in de gegevens uitsluitend voor de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt, te verwerken; en

c)  er is ten aanzien van de betrokken onderdaan van een derde land een uit hoofde van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad(41) vastgesteld terugkeerbesluit uitgevaardigd, en de tenuitvoerlegging van dit terugkeerbesluit is niet geschorst en er is geen hoger beroep ingesteld dat tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan leiden.

4.  De doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen overeenkomstig lid 3 doet geen afbreuk aan de rechten van personen die internationale bescherming hebben aangevraagd of genieten, met name ten aanzien van non-refoulement.

5.  In afwijking van lid 2 van dit artikel kunnen de in artikel 52, lid 4, bedoelde gegevens die aangewezen autoriteiten voor de in artikel 1, lid 2, genoemde doeleinden uit het centrale Etias-systeem hebben gehaald, door de aangewezen autoriteit in individuele gevallen worden doorgegeven of beschikbaar gesteld aan een derde land, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  er is sprake van een uitzonderlijk dringend geval met:

i)  een dreigend gevaar in verband met een terroristisch misdrijf, of

ii)  een dreigend gevaar voor het leven van een persoon in verband met een ernstig strafbaar feit;

b)  de doorgifte van de gegevens is noodzakelijk voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken, op het grondgebied van de lidstaten of in het betrokken derde land, van een dergelijk terroristisch misdrijf of ernstig strafbaar feit;

c)  de aangewezen autoriteit heeft toegang tot deze gegevens volgens de in de artikelen 51 en 52 bedoelde procedure en voorwaarden;

d)  de doorgifte geschiedt overeenkomstig de toepasselijke voorwaarden van Richtlijn (EU) 2016/680, met name hoofdstuk V ervan;

e)  het derde land heeft een naar behoren gemotiveerd schriftelijk of elektronisch verzoek ingediend;

f)  er wordt gewaarborgd dat het verzoekende derde land op basis van wederkerigheid alle in zijn bezit zijnde informatie in systemen voor reisautorisatie zal verstrekken aan de lidstaten die Etias gebruiken.

Indien een doorgifte is geschied op grond van de eerste alinea van dit lid, wordt deze gedocumenteerd en wordt de documentatie desgevraagd ter beschikking gesteld van de overeenkomstig artikel 41, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/680 ingestelde toezichthoudende autoriteit, met inbegrip van de datum en het tijdstip van doorgifte, informatie over de ontvangende bevoegde autoriteit, de reden voor de doorgifte en de doorgegeven persoonsgegevens zelf.

Artikel 66

Toezicht door de ▌ toezichthoudende autoriteit

1.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat de overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 ingestelde toezichthoudende autoriteit onafhankelijk toezicht houdt op de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening door de betrokken lidstaat, met inbegrip van de doorgifte van die gegevens naar en vanuit Etias.

2.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680 in het nationale recht zijn vastgesteld, ook gelden voor de toegang tot Etias door zijn nationale autoriteiten in overeenstemming met hoofdstuk X van deze verordening, mede met betrekking tot de rechten van de personen tot wier gegevens aldus toegang wordt verkregen.

3.  De overeenkomstig artikel 41, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/680 ingestelde toezichthoudende autoriteit oefent toezicht uit op de rechtmatigheid van de toegang tot persoonsgegevens door de lidstaten overeenkomstig hoofdstuk X van deze verordening, met inbegrip van de doorgifte van gegevens naar en vanuit Etias. Artikel 66, leden 5 en 6, van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.

4.  De overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 ingestelde toezicht­houdende autoriteit of autoriteiten zorgt of zorgen ervoor dat er vanaf de ingebruikneming van Etias ten minste om de drie jaar een audit van de gegevensverwerking door de nationale Etias-eenheden wordt verricht overeenkomstig de desbetreffende internationale auditnormen. De resultaten van de audit kunnen worden meegenomen in de evaluaties in het kader van het mechanisme dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad(42). Jaarlijks worden het aantal verzoeken om rectificatie, aanvulling, wissing of beperking van verwerking van gegevens, het daaraan gegeven gevolg en het aantal rectificaties, aanvullingen, wissingen en beperkingen van verwerking dat op verzoek van de betrokken personen is aangebracht, door de overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 ingestelde toezichthoudende autoriteit bekendgemaakt.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 ingestelde toezichthoudende autoriteit over voldoende middelen en deskundigheid beschikt om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen.

6.  ▌De lidstaten verstrekken de door de overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 ingestelde toezichthoudende autoriteit gevraagde informatie. Zij verstrekken die autoriteit in het bijzonder informatie over de activiteiten die zijn verricht overeenkomstig hun verantwoordelijkheden als bepaald in deze verordening. ▌De lidstaten bieden de overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 ingestelde toezichthoudende autoriteit inzage in hun logbestanden en verlenen haar te allen tijde toegang tot al hun gebouwen en terreinen die voor Etias worden gebruikt.

Artikel 67

Toezicht door de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming

1.  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is verantwoordelijk voor het toezicht op de activiteiten inzake persoonsgegevensverwerking van eu-LISA, Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap die verband houden met Etias en dient ervoor te zorgen dat die activiteiten worden verricht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 en deze verordening.

2.  De Europese toezichthouder voor gegevensbescherming zorgt ervoor dat ten minste om de drie jaar een audit van de activiteiten van eu-LISA en de centrale Etias-eenheid op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens wordt verricht overeenkomstig de toepasselijke internationale auditnormen. Een rapport van die audit wordt toegezonden aan het Europees Parlement, aan de Raad, ▌aan de Commissie, aan eu-LISA en aan de toezichthoudende autoriteit. eu-LISA en het Europees Grens- en kustwachtagentschap worden in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen voordat het rapport wordt aangenomen.

3.  eu-LISA en de centrale Etias-eenheid verstrekken de door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming gevraagde informatie en verlenen hem of haar te allen tijde toegang tot alle documenten en tot hun logbestanden, alsmede tot al hun gebouwen en terreinen.

Artikel 68

Samenwerking tussen ▌ de toezichthoudende autoriteiten en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming

1.  De toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevens­bescherming ▌werken, elk binnen hun respectieve bevoegdheidsgebieden en in het kader van hun respectieve verantwoordelijkheden, actief met elkaar samen. Zij zorgen voor een gecoördineerd toezicht op Etias en op de nationale grensinfrastructuren.

2.  De toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wisselen relevante informatie uit, verlenen elkaar bijstand bij de uitvoering van audits en inspecties, behandelen problemen bij de uitlegging of toepassing van deze verordening, beoordelen problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van de personen wier gegevens worden verwerkt, formuleren geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen, en vestigen zo nodig de aandacht op gegevensbeschermingsrechten.

3.   Voor de toepassing van lid 2 komen de toezichthoudende autoriteiten en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming ▌elk jaar ten minste tweemaal bijeen in het kader van het bij Verordening (EU) 2016/679 ingestelde Europees Comité voor gegevensbescherming. Deze bijeenkomsten worden door dat comité georganiseerd en de kosten komen voor zijn rekening. Tijdens de eerste vergadering wordt een reglement van orde vastgesteld. Indien nodig worden in onderling overleg verdere werkmethoden vastgesteld.

4.  Om de twee jaar zendt het Europees Comité voor gegevensbescherming een gezamenlijk activiteitenverslag toe aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de Commissie, aan het Europees Grens- en kustwachtagentschap en aan eu-LISA. Het verslag bevat voor elke lidstaat een hoofdstuk dat door de toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat wordt opgesteld.

Artikel 69

Bijhouden van logbestanden

1.  eu-LISA houdt logbestanden bij van alle gegevensverwerkingsverrichtingen ▌in het Etias-informatiesysteem. Deze logbestanden bevatten het volgende:

a)  het doel van de toegang;

b)  de datum en het tijdstip van elke verrichting;

c)  de gegevens die voor de geautomatiseerde verwerking van de aanvragen worden gebruikt;

d)  de hits die tijdens de geautomatiseerde verwerking als bedoeld in artikel 20 zijn gegenereerd;

e)  de in het centrale Etias-systeem of andere informatiesystemen en databanken opgeslagen gegevens die zijn gebruikt voor de verificatie van de identiteit ;

f)  de resultaten van de verificatieprocedure als bedoeld in artikel 22; en

g)  de naam van de medewerker die deze procedure uitvoert.

2.  De centrale Etias-eenheid houdt een register bij van de personeelsleden die naar behoren zijn gemachtigd om identiteitsverificaties te verrichten.

De nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat houdt een register bij ▌van de personeelsleden die naar behoren zijn gemachtigd om de gegevens in te voeren of op te vragen.

3.  eu-LISA houdt logbestanden bij van alle gegevensverwerkingsverrichtingen in het Etias-informatiesysteem in verband met de toegang van grensautoriteiten als bedoeld in artikel 47 en de toegang van immigratie-autoriteiten als bedoeld in artikel 49. Die logbestanden bevatten de datum en het tijdstip van elke verrichting, de gegevens die zijn gebruikt om de zoekopdracht te starten, de gegevens die zijn doorgegeven door het centrale Etias-systeem en de naam van de grensautoriteiten en van de immigratie-autoriteiten die de gegevens invoeren en opvragen.

Voorts ▌houden de bevoegde autoriteiten een register bij van de personeelsleden die naar behoren zijn gemachtigd om de gegevens in te voeren of op te vragen.

4.  Deze logbestanden mogen uitsluitend worden gebruikt voor het monitoren van de toelaatbaarheid van de gegevensverwerking en voor het verzekeren van de gegevensbeveiliging en -integriteit. De logbestanden worden met passende maatregelen tegen onrechtmatige toegang beschermd. Zij worden één jaar na het verstrijken van de in artikel 54 bedoelde bewaringstermijn gewist indien zij niet nodig zijn voor reeds aangevangen monitoringprocedures.

eu-LISA en de nationale Etias-eenheden stellen de logbestanden op verzoek beschikbaar aan de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten.

Artikel 70

Bijhouden van ▌logbestanden ▌voor verzoeken om raadpleging van gegevens met het oog op voorkoming, opsporing en onderzoek van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten.

1.  eu-LISA houdt logbestanden bij van alle in het centrale Etias-systeem verrichte gegevensverwerkingen betreffende de toegang van de in artikel 50, lid 2, bedoelde centrale toegangspunten voor de doeleinden van artikel 1, lid 2. Deze logbestanden bevatten de datum en het tijdstip van elke verrichting, de gegevens die zijn gebruikt om de zoekopdracht te starten, de gegevens die zijn doorgegeven door het centrale Etias-systeem en de naam van de gemachtigde personeelsleden van de centrale toegangspunten die de gegevens invoeren en opvragen.

2.  Voorts houden alle lidstaten en Europol logbestanden bij van alle gegevensverwerkings­verrichtingen in het centrale Etias-systeem die voortvloeien uit verzoeken om raadpleging van gegevens ▌of uit toegang tot in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens voor de doeleinden van artikel 1, lid 2. ▌

3.  In de in lid 2 bedoelde logbestanden wordt het volgende vermeld:

a)  het exacte doel van het verzoek om raadpleging van en toegang tot in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens, met inbegrip van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten, en, wat Europol betreft, het exacte doel van het verzoek om raadpleging;

b)  de beslissing die is genomen over de ontvankelijkheid van het verzoek;

c)  het nummer van het nationale dossier;

d)  de datum en het precieze tijdstip van het verzoek om toegang van het centrale toegangspunt aan het centrale Etias-systeem;

e)  in voorkomend geval, het gebruik van de in artikel 51, lid 4, bedoelde procedure voor dringende gevallen en het resultaat van de verificatie achteraf;

f)  welke van de in artikel 52, leden 2 en 3, bedoelde gegevens of reeksen gegevens zijn gebruikt voor raadpleging; en

g)  overeenkomstig nationale regelgeving of Verordening (EU) 2016/794, het kenmerk van de functionaris die de zoekopdracht heeft uitgevoerd en van de functionaris die tot de zoekopdracht of doorgifte opdracht heeft gegeven.

4.  De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde logbestanden worden uitsluitend gebruikt om de ontvankelijkheid van het verzoek te controleren, de rechtmatigheid van de gegevens­verwerking te monitoren en de gegevensintegriteit en -beveiliging te waarborgen. ▌De logbestanden worden met passende maatregelen tegen onrechtmatige toegang beschermd. De logbestanden worden één jaar na het verstrijken van de in artikel 54 bedoelde bewaringstermijn gewist indien zij niet nodig zijn voor reeds aangevangen monitoringprocedures. De Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het monitoren van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking en de gegevensintegriteit en -beveiliging, krijgen op hun verzoek toegang tot de logbestanden om hun taken te kunnen vervullen. De autoriteit die verantwoordelijk is voor het controleren van de ontvankelijkheid van het verzoek, heeft voor dat doel ook toegang tot de logbestanden. Behalve voor die doeleinden worden de persoonsgegevens ▌ na één maand uit alle nationale en Europol-bestanden gewist indien deze gegevens ▌niet vereist zijn voor het specifieke lopende strafrechtelijke onderzoek in het kader waarvan die lidstaat of Europol om de gegevens heeft verzocht. Alleen logbestanden die geen persoonsgegevens bevatten, mogen worden gebruikt voor monitoring en evaluatie in de zin van artikel 92.

HOOFDSTUK XIII

Publieksvoorlichting

Artikel 71

Voorlichting van het algemene publiek

Na raadpleging van de Commissie en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming voorziet de centrale Etias-eenheid het algemene publiek van alle relevante informatie inzake het aanvragen van een reisautorisatie. Die informatie wordt beschikbaar gesteld op de openbare website, en omvat:

a)  de criteria, voorwaarden en procedures voor het aanvragen van een reisautorisatie;

b)  informatie over de website en de app voor mobiele apparaten waar de aanvraag kan worden ingediend;

c)  informatie over de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen via een andere persoon of via een commerciëel tussenpersoon;

d)  informatie over de mogelijkheid om met het in artikel 15, lid 5, bedoelde formulier misbruiken door commerciële tussenpersonen te melden;

e)  de uiterste termijnen voor het nemen van een beslissing over een aanvraag in de zin van artikel 32;

f)  het gegeven dat een reisautorisatie gekoppeld is aan het reisdocument dat op het aanvraagformulier is vermeld en dat het verlopen van of eventuele wijzigingen in het reisdocument ertoe zullen leiden dat de reisautorisatie ongeldig verklaard zal worden of ertoe zullen leiden dat de reisautorisatie niet langer wordt erkend bij het overschrijden van de grens;

g)  het gegeven dat aanvragers verantwoordelijk zijn voor de authenticiteit, volledigheid, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de door hen verstrekte gegevens en van de waarachtigheid en betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen;

h)  het gegeven dat beslissingen over aanvragen moeten worden meegedeeld aan de aanvrager, dat dergelijke beslissingen bij weigering van een reis­autorisatie de weigeringsgronden ▌moeten vermelden en dat aanvragers wier aanvraag is afgewezen het recht hebben beroep in te stellen, alsmede informatie over de beroepsprocedure met inbegrip van nadere gegevens over de bevoegde autoriteit, alsook de uiterste termijn voor het instellen van beroep;

i)  het gegeven dat aanvragers de mogelijkheid hebben om aan de centrale Etias-eenheid te melden dat het doel van hun reis gebaseerd is op humanitaire gronden of verband houdt met internationale verplichtingen, en de voorwaarden en procedures daarvoor;

j)  de toegangsvoorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 en het gegeven dat een kort verblijf slechts mogelijk is voor een periode van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, uitgezonderd voor onderdanen van derde landen voor wie gunstigere bepalingen van een bilaterale overeenkomst gelden die van kracht was voor de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen;

k)  het gegeven dat aan het loutere bezit van een geldige reisautorisatie geen automatisch recht op binnenkomst kan worden ontleend;

l)  het gegeven dat de grensautoriteiten van de betrokken onderdaan van een derde land bewijsstukken kunnen verlangen om na te gaan of aan de toegangsvoorwaarden is voldaan;

m)  het gegeven dat het bezit van een geldige reisautorisatie een voorwaarde voor verblijf is waaraan moet worden voldaan gedurende de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten;

n)  een link naar de webdienst als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) 2017/2226, waarmee onderdanen van derde landen op ieder moment hun resterende toegestane verblijfsduur kunnen nagaan;

o)  het gegeven dat de gegevens in het Etias-informatiesysteem worden gebruikt ten behoeve van het grensbeheer, onder meer voor controles in gegevensbanken, en dat de lidstaten en Europol toegang mogen hebben tot die gegevens met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, volgens de in hoofdstuk X bedoelde procedures en voorwaarden;

p)  informatie over de periode gedurende welke de gegevens worden opgeslagen;

q)  de rechten van betrokken personen krachtens Verordeningen (EG) nr. 45/2001, (EU) 2016/679 en (EU) 2016/794, en Richtlijn (EU) 2016/680;

r)  de mogelijkheid voor reizigers om bijstand te ontvangen als voorzien in artikel 7, lid 2, onder m).

Artikel 72

Voorlichtingscampagne

De Commissie organiseert, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden, de centrale Etias-eenheid en de lidstaten, met inbegrip van hun consulaten in de betrokken derde landen, bij de ingebruikneming van Etias een voorlichtingscampagne om onderdanen van derde landen die onder deze verordening vallen, erop te wijzen dat zij zowel voor het overschrijden van de buitengrenzen als voor de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een geldige reisautorisatie.

De voorlichtingscampagne wordt regelmatig gevoerd en in ten minste een van de officiële talen van de landen waarvan de onderdanen onder deze verordening vallen.

HOOFDSTUK XIV

Verantwoordelijkheden

Artikel 73

Verantwoordelijkheden van eu-LISA gedurende de ontwerp- en ontwikkelingsfase

1.  Het centrale Etias-systeem wordt gehost door eu-LISA op zijn technische locaties en voorziet in de in deze verordening beschreven functionaliteiten overeenkomstig de voorwaarden inzake beveiliging, beschikbaarheid, kwaliteit en snelheid overeenkomstig lid 3 van dit artikel en artikel 74, lid 1.

2.  De infrastructuur ter ondersteuning van de openbare website, de app voor mobiele apparaten, de e-maildienst, de beveiligde-accountdienst, het verificatie-instrument voor aanvragers, het instemmingsinstrument voor aanvragers, het beoordelingsinstrument voor de Etias-observatielijst, het toegangsportaal voor vervoerders, de webdienst, de software om de aanvragen te verwerken, de centrale gegevensopslagplaats en de technische oplossingen bedoeld in artikel 92, lid 8, worden gehost op locaties van eu-LISA of op locaties van de Commissie. Deze infrastructuur wordt geografisch gespreid teneinde te voorzien in de in deze verordening vastgestelde functionaliteiten overeenkomstig de voorwaarden inzake beveiliging, gegevensbescherming en gegevensbeveiliging, beschikbaarheid, kwaliteit en snelheid ingevolge lid 3 van dit artikel en artikel 74, lid 1. De Etias-observatielijst wordt gehost op een locatie van eu-LISA.

3.  eu-LISA is verantwoordelijk voor de technische ontwikkeling van het Etias-informatie­systeem, voor elke technische ontwikkeling die nodig is om interoperabiliteit tot stand te brengen tussen het centrale Etias-systeem en de in artikel 11 bedoelde EU-informatie­systemen, en om ervoor te zorgen dat de Interpol-databanken kunnen worden geraadpleegd als bedoeld in artikel 12.

eu-LISA bepaalt het ontwerp van de fysieke architectuur van het systeem, met inbegrip van de communicatie-infrastructuur alsmede de technische specificaties ervan en de evolutie daarvan en de NUI’s. Die technische specificaties worden vastgesteld door de raad van bestuur van eu-LISA, na een gunstig advies van de Commissie. eu‑LISA verricht ook de nodige aanpassingen van het EES, SIS, Eurodac ▌of VIS die voortvloeien uit de totstandbrenging van de interoperabiliteit met Etias.

eu-LISA ontwikkelt en implementeert het centrale Etias-systeem, met inbegrip van de Etias-observatielijst, de NUI’s en de communicatie-infrastructuur, zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de verordening en de vaststelling door de Commissie van:

a)  de maatregelen in artikel 6, lid 4, artikel 16, lid 10, artikel 17, lid 9, artikel 31, artikel 35, lid 7, artikel 45, lid 2, artikel 54, lid 2, artikel 74, lid 5, artikel 84, lid 2, artikel 92, lid 8; en

b)  overeenkomstige de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure genomen maatregelen die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling en de technische implementatie van het centrale Etias-systeem, de NUI's, de communicatie-infrastructuur en het toegangsportaal voor vervoerders, met name uitvoeringshandelingen betreffende:

i)  de gegevenstoegang overeenkomstig de artikelen 22 tot en met 29, en de artikelen 33 tot en met 53;

ii)  de wijziging, wissing en vervroegde wissing van gegevens overeenkomstig artikel 55;

iii)  het bijhouden van en de toegang tot de logbestanden overeenkomstig artikel 45 en artikel 69;

iv)  prestatievoorschriften,

v)  specificaties voor technische oplossingen om centrale toegangspunten te verbinden overeenkomstig de artikelen 51 tot en met 53.

De ontwikkeling omvat de uitwerking en tenuitvoerlegging van de technische specificaties, het testen en de algehele projectcoördinatie. In dat verband bestaan de taken van eu-LISA ook in:

a)  het verrichten van een beveiligingsrisicobeoordeling;

b)  het naleven van de beginselen van privacy door ontwerp en door standaard­instellingen in alle fasen van de ontwikkeling van Etias; en

c)  het verrichten van een beveiligingsrisicobeoordeling inzake de interoperabiliteit van Etias met de in artikel 11 bedoelde EU-informatiesystemen en Europol-gegevens.

4.  In de ontwerp- en ontwikkelingsfase wordt een programmabestuursraad met ten hoogste tien leden ingesteld. Deze raad bestaat uit zes door de raad van bestuur van eu-LISA uit zijn eigen leden of plaatsvervangers aangewezen leden, de voorzitter van de in artikel 91 genoemde EES/Etias-adviesgroep, een door de uitvoerend directeur benoemd lid dat eu‑LISA vertegenwoordigt, een door de uitvoerend directeur benoemd lid dat het Europees Grens- en kustwachtagentschap vertegenwoordigt en één door de Commissie benoemd lid. De door de raad van bestuur van eu-LISA aangewezen leden worden alleen gekozen uit de lidstaten die geheel aan de Uniewetgeving inzake ontwikkeling, oprichting, exploitatie en gebruik van de door eu-LISA beheerde grootschalige IT-systemen gebonden zijn en die aan Etias zullen deelnemen. De programmabestuursraad komt op gezette tijden, en ten minste driemaal per kwartaal, bijeen. De raad zorgt voor een adequaat beheer van de ontwerp- en ontwikkelingsfase van Etias. De programmabestuursraad brengt de raad van bestuur van eu-LISA maandelijks schriftelijk verslag uit over de voortgang van het project. De raad heeft geen beslissingsbevoegdheid of mandaat om de leden van de raad van bestuur van eu-LISA te vertegenwoordigen.

5.  De raad van bestuur van eu-LISA stelt het reglement van orde van de programmabestuursraad vast, met daarin met name regels inzake:

a)  het voorzitterschap;

b)  de plaats van vergadering;

c)  de voorbereiding van vergaderingen;

d)  de toelating van deskundigen tot de vergaderingen;

e)  communicatieplannen om ervoor te zorgen dat de niet-deelnemende leden van de raad van bestuur van eu-LISA volledig worden geïnformeerd.

Het voorzitterschap wordt bekleed door een lidstaat die geheel aan de Uniewetgeving inzake ontwikkeling, oprichting, exploitatie en gebruik van de door eu-LISA ▌beheerde grootschalige IT-systemen is gebonden.

Alle door de leden van de programmabestuursraad gemaakte reis- en verblijfkosten worden betaald door eu-LISA. Artikel 10 van het reglement van orde van eu-LISA is van overeenkomstige toepassing. Het secretariaat van de programmabestuursraad wordt verzorgd door eu-LISA.

De EES/Etias-adviesgroep komt tot de ingebruikneming van Etias regelmatig bijeen. De adviesgroep brengt na elke bijeenkomst verslag uit aan de programmabestuursraad. De groep voorziet in de technische deskundigheid ter ondersteuning van de taken van de programmabestuursraad en houdt de voorbereidingen van de lidstaten bij.

Artikel 74

Verantwoordelijkheden van eu-LISA na de ingebruikneming van Etias

1.  Na de ingebruikneming van Etias is eu-LISA verantwoordelijk voor het technisch beheer van het centrale Etias-systeem en de NUI’s. Eu-LISA is ook verantwoordelijk voor de technische testen die nodig zijn voor de totstandkoming en actualisering van de Etias-screeningsregels. eu-LISA zorgt er in samenwerking met de lidstaten voor dat te allen tijde de meest geavanceerde technologie wordt gebruikt, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse. eu-LISA is ook belast met het technisch beheer van de communicatie-infrastructuur tussen het centrale Etias-systeem en de NUI’s, en verzorgt de openbare website, de app voor mobiele apparaten, de e‑maildienst, de beveiligde-accountdienst, het verificatie-instrument voor aanvragers, het instemmingsinstrument voor aanvragers, het beoordelingsinstrument voor de Etias-observatielijst, het toegangsportaal voor vervoerders, de webdienst ▌, de software voor de verwerking van de aanvragen en de centrale gegevensopslagplaats, als bedoeld in artikel 6.

Het technisch beheer van Etias omvat alle taken die nodig zijn om het Etias-informatiesysteem zeven dagen per week, 24 uur per dag overeenkomstig deze verordening te laten functioneren, met name de onderhoudswerkzaamheden en technische ontwikkelingen die nodig zijn voor een bevredigende technische kwaliteit van het systeem, in het bijzonder wat betreft de responstijd bij raadpleging van het centrale Etias-systeem overeenkomstig de technische specificaties.

2.  Onverminderd artikel 17 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, zoals vastgesteld in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68(43), past eu‑LISA passende voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht toe op elk personeelslid dat moet werken met gegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem. Die geheimhoudingsplicht blijft ook gelden nadat een dergelijk personeelslid zijn functie of dienstverband heeft beëindigd of zijn werkzaamheden heeft stopgezet.

3.  Indien eu-LISA samenwerkt met externe contractanten voor Etias-gerelateerde taken volgt het nauwlettend de activiteiten van contractanten om zeker te zijn dat wordt voldaan aan alle bepalingen van deze verordening, met name inzake beveiliging, vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

4.  eu-LISA verricht ook taken met betrekking tot het aanbieden van opleiding in het technische gebruik van het Etias-informatiesysteem.

5.  eu-LISA ontwikkelt en onderhoudt een mechanisme en procedures ter controle van de kwaliteit van de gegevens in het centrale Etias-systeem en brengt regelmatig verslag uit aan de lidstaten en de centrale Etias-eenheid. eu-LISA brengt aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie regelmatig verslag uit over problemen die zich hebben voorgedaan. De Commissie gaat, door middel van uitvoeringshandelingen, over tot het vastleggen en ontwikkelen van dat mechanisme, de procedures en de passende vereisten voor de gegevenskwaliteitsnaleving. Die uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 75

Verantwoordelijkheden van het Europees Grens- en kustwachtagentschap

1.  Het Europees Grens- en kustwachtagentschap is verantwoordelijk voor:

a)  de oprichting en werking van de centrale Etias-eenheid en het zorgen voor de omstandigheden voor een veilig beheer van in Etias opgeslagen gegevens;

b)  de geautomatiseerde verwerking van aanvragen; en

c)  de Etias-screeningsregels.

2.  Alvorens te worden gemachtigd om in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens te verwerken, krijgen de personeelsleden van de centrale Etias-eenheid die recht op toegang tot het centrale Etias-systeem hebben, een passende opleiding inzake gegevensbeveiliging en over grondrechten, met name gegevensbescherming. Zij volgen ook door eu-LISA aangeboden opleidingen over het technische gebruik van het Etias-informatiesysteem en over gegevenskwaliteit.

Artikel 76

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.  Elke lidstaat is verantwoordelijk voor:

a)  de verbinding met de NUI;

b)  de organisatie, het beheer, de werking en het onderhoud van de nationale Etias-eenheden voor de handmatige verwerking van ▌reisautorisatieaanvragen wanneer de geautomatiseerde verwerking een hit heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 26;

c)  de organisatie van de centrale toegangspunten en de verbinding daarvan met de NUI voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten;

d)  het beheer en de regelingen op grond waarvan naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig deze verordening toegang hebben tot het Etias-informatiesysteem, en de opstelling en regelmatige actualisering van de lijst van de betrokken personeelsleden en hun profiel;

e)  de oprichting en werking van de nationale Etias-eenheden;

f)  het opnemen van gegevens in de Etias-observatielijst over terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten overeenkomstig artikel 34, leden 2) en 3); en

g)  het verzekeren dat elk van zijn autoriteiten met recht van toegang tot het Etias-informatiesysteem de nodige maatregelen treft met het oog op de naleving van deze verordening, met inbegrip van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de inachtneming van de grondrechten en gegevensbeveiliging te waarborgen.

2.  Elke lidstaat gebruikt geautomatiseerde processen om het centrale Etias-systeem aan de buitengrenzen te doorzoeken.

3.  Alvorens te worden gemachtigd om in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens te verwerken, krijgen de personeelsleden van de nationale Etias-eenheden die recht op toegang tot het Etias-informatiesysteem hebben, een passende opleiding over gegevensbeveiliging en over grondrechten, met name gegevensbescherming.

Zij volgen ook door eu-LISA aangeboden opleidingen over het technische gebruik van het Etias-informatiesysteem en over gegevenskwaliteit.

Artikel 77

Verantwoordelijkheden van Europol

1.  Europol zorgt voor de verwerking van de in artikel 20, lid 2, onder j), en in artikel 20, lid 4, bedoelde zoekopdrachten. Europol past zijn informatiesysteem dienovereenkomstig aan.

2.  Europol heeft de verantwoordelijkheden en taken met betrekking tot de Etias-observatielijst die zijn bepaald in artikel 35, leden 1en 3 tot en met 6.

3.  Europol is verantwoordelijk voor het verstrekken van een gemotiveerd advies na ontvangst van een raadplegingsverzoek overeenkomstig artikel 29.

4.  Overeenkomstig artikel 34, lid 2, is Europol verantwoordelijk voor het opnemen van gegevens over terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten in de Etias-observatielijst.

5.  Alvorens te worden gemachtigd om de in de artikelen 34 35 vermelde taken uit te voeren, krijgen de personeelsleden van Europol een passende opleiding over gegevensbeveiliging en over grondrechten, met name gegevensbescherming. Zij volgen ook een door eu-LISA aangeboden opleiding over het technische gebruik van het Etias‑informatiesysteem en over gegevenskwaliteit.

Hoofdstuk XV

Wijzigingen van andere Unie-instrumenten

Artikel 78

Wijziging in Verordening (EU) nr. 1077/2011

Het volgende artikel wordt in Verordening (EU) nr. 1077/2011 ingevoegd:"

"Artikel 5 ter

Taken in verband met Etias

Het Agentschap verricht met betrekking tot Etias de taken die het Agentschap zijn toegekend bij artikel 73 van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad.* (44)

________________________

* Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L …, blz. …).".

"

Artikel 79

Wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014

In artikel 6 van Verordening (EU) nr. 515/2014 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"3bis. Gedurende de ontwikkelingsfase van het Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) ontvangen de lidstaten boven op hun basistoewijzing een aanvullende toewijzing van EUR 96,5 miljoen en besteden zij deze middelen volledig aan Etias, om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling ervan snel en doeltreffend verloopt conform de implementatie van het centrale Etias-systeem, zoals opgericht bij Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad*(45).

________________________

* Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L …, blz. …).".

"

Artikel 80

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/399

Verordening (EU) nr. 2016/399 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 6 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)  punt b) wordt vervangen door:"

"b) in het bezit zijn van een geldig visum, indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad*, of van een geldige reisautorisatie, indien vereist op grond van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad**(46), behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum voor verblijf van langere duur;

______________________

­­­­­­­­­­­­­­­­­­

* Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

** Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie- en autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L …, blz. …).";

"

b)  de volgende alinea's worden toegevoegd:"

"Gedurende een overgangsperiode als bepaald in artikel 83, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/… (47) is het gebruik van het Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) facultatief en geldt de verplichting om in het bezit te zijn van een geldige reisautorisatie als bedoeld in punt b) van de eerste alinea van dit lid niet. De lidstaten delen de aan de reisautorisatieplicht onderworpen onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden mee dat zij na het verstrijken van de overgangsperiode in het bezit moeten zijn van een geldige reisautorisatie. Hiertoe delen de lidstaten aan deze categorie reizigers een gemeenschappelijke brochure uit als bedoeld in artikel 83, lid 2, van Verordening (EU) 2018/…..

Gedurende een respijtperiode als bepaald in artikel 83, lid 3, van Verordening (EU) 2018/…(48)+ verlenen de grensautoriteiten de aan de reisautorisatie­plicht onderworpen onderdanen van derde landen die niet in het bezit zijn van een reisautorisatie, bij uitzondering toestemming om de buitengrenzen te overschrijden indien zij aan alle overige voorwaarden van dit artikel voldoen, en op voorwaarde dat het de eerste keer is dat zij de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden sinds het einde van de in artikel 83, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/…++ bedoelde overgangsperiode. De grensautoriteiten informeren die onderdanen van derde landen dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige reisautorisatie overeenkomstig dit artikel. Hiertoe delen de grensautoriteiten aan die reizigers een gemeenschappelijke brochure uit als bedoeld in artikel 83, lid 3, van Verordening (EU) 2018/…++, waarin hen wordt meegedeeld dat zij bij wijze van uitzondering de buitengrenzen mogen overschrijden zonder te voldoen aan de verplichting over een geldige reisautorisatie te beschikken, en waarin die verplichting wordt toegelicht.";

"

2)  in artikel 8 wordt lid 3 als volgt gewijzigd:

a)  in punt a) wordt punt i) vervangen door:"

"i) of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum, de vereiste reisautorisatie of de vereiste verblijfsvergunning;"

"

b)  het volgende punt wordt ingevoegd:"

"b bis) indien de onderdaan van het derde land beschikt over een reisautorisatie als bedoeld in artikel 6, lid 1, punt b), van deze verordening omvatten de grondige controles bij inreis ook de verificatie van de authenticiteit, geldigheid en status van de reisautorisatie, en, in voorkomend geval, van de identiteit van de houder van de reisautorisatie door raadpleging van Etias overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) 2018/… (49). Indien het technisch onmogelijk is de raadpleging te verrichten of de zoekopdracht uit te voeren als bedoeld in artikel 47, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/…++, is artikel 48, lid 3, van die verordening van toepassing.";

"

3)  in bijlage V, deel B, wordt in het standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens punt (C) in de lijst van redenen tot weigering vervangen door:"

"(C) niet in het bezit van een geldig visum, een geldige reisautorisatie of een geldige verblijfsvergunning.".

"

Artikel 81

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1624

Verordening (EU) nr. 2016/1624 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 8, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:"

"q bis) het vervult de in de Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad*(50) bedoelde taken en verplichtingen waarmee het Europees Grens- en kustwachtagentschap is belast en zorgt ervoor dat de centrale Etias-eenheid wordt opgezet en geëxploiteerd overeenkomstig artikel 7 van die verordening.

_______________

* Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie- en autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L …, blz. …).";

"

2)  aan hoofdstuk II wordt de volgende afdeling toegevoegd:"

"Afdeling 5

Etias

Artikel 33 bis

Oprichting van de centrale Etias-eenheid

1.  Hierbij wordt een centrale Etias-eenheid opgericht.

2.  Het Europees Grens- en kustwachtagentschap zorgt ervoor dat er een centrale Etias-eenheid wordt opgericht en werkt overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad*(51) .

______________________

* Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L …, blz. …).".

"

Artikel 82

Wijziging van Verordening (EU) 2017/2226

Aan artikel 64 van Verordening (EU) nr. 2017/2226 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"5. financiering die moet komen uit de middelen als bedoeld in artikel 5, lid 5, onder b), van Verordening (EU) nr. 515/2014 voor de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde kosten, wordt uitgevoerd onder indirect beheer wat betreft de kosten van eu-LISA en onder gedeeld beheer wat betreft de kosten van de lidstaten.".

"

HOOFDSTUK XVI

Slotbepalingen

Artikel 83

Overgangsperiode en overgangsmaatregelen

1.  Gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum waarop Etias in gebruik wordt genomen, is het gebruik van Etias facultatief en is het bezit van een geldige reisautorisatie niet verplicht. De Commissie kan een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vaststellen om die periode te verlengen met ten hoogste zes maanden, waarbij die verlenging eenmaal mag worden herhaald.

2.  Gedurende de in lid 1 bedoelde periode informeren de lidstaten de reisautorisatieplichtige onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden dat zij na het verstrijken van de periode van zes maanden in het bezit moeten zijn van een geldige reisautorisatie. Hiertoe delen de lidstaten een gemeenschappelijke brochure uit aan deze categorie reizigers. ▌ De brochure moet tevens beschikbaar worden gesteld aan de consulaten van de lidstaten in de landen waarvan de onderdanen binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

3.  Na de in lid 1 van dit artikel bedoelde periode geldt een respijtperiode van zes maanden. Gedurende de respijtperiode geldt de verplichting om in het bezit te zijn van een geldige reisautorisatie. Tijdens de respijtperiode verlenen de ▌ grens­autoriteiten reisautorisatieplichtige onderdanen van derde landen die niet in het bezit zijn van een reisautorisatie, bij wijze van uitzondering toestemming om de buitengrenzen te overschrijden indien zij aan alle overige voorwaarden van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2016/399 voldoen en het de eerste keer is sinds het einde van de in lid 1 van dit artikel bedoelde periode dat zij de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden▌ . De grens­autoriteiten informeren die onderdanen van derde landen dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige reisautorisatie overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2016/399. Daartoe delen de grensautoriteiten een gemeenschappelijke brochure aan die reizigers uit waarin hen wordt meegedeeld dat zij bij wijze van uitzondering de buitengrenzen mogen overschrijden zonder te voldoen aan de verplichting over een geldige reisautorisatie te beschikken, en die verplichting wordt toegelicht. De Commissie kan een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vaststellen om deze periode met ten hoogste zes maanden te verlengen.

Gedurende de respijtperiode worden binnenkomsten op het grondgebied van de lidstaten die het EES niet gebruiken, niet in aanmerking genomen.

4.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde twee gemeenschappelijke brochures op, die ten minste de in artikel 71 bedoelde informatie bevatten. De brochures moeten duidelijk en eenvoudig , en beschikbaar zijn in ten minste een van de officiële talen van elk land waarvan de onderdanen binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 90, lid 2.

5.  Gedurende de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde overgangsperiode beantwoordt het Etias-informatiesysteem de zoekopdracht van de vervoerders als bedoeld in artikel 45, lid 2, door de vervoerders met een "OK"-respons. Gedurende de in lid ▌ 3 van dit artikel bedoelde respijt­periode wordt in het antwoord van het Etias-informatiesysteem op de zoekopdracht van de vervoerder in aanmerking genomen of het de eerste keer is dat de onderdaan van het derde land de buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt sinds het einde van de in lid 1 van dit artikel bedoelde periode.

Artikel 84

Gebruik van gegevens voor verslagen en statistieken

1.  De naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de Commissie, eu-LISA en de centrale Etias-eenheid hebben, uitsluitend met het oog op het opstellen van verslagen en statistieken, zonder dat daarbij personen kunnen worden geïdentificeerd en overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde waarborgen in verband met non-discriminatie, toegang om de volgende gegevens te raadplegen:

a)  informatie over de aanvraagstatus;

b)  nationaliteit, geslacht en geboortejaar van de aanvrager;

c)  land van verblijf;

d)  opleiding (basisonderwijs, middelbaar onderwijs, hoger onderwijs of geen opleiding);

e)  huidig beroep (▌ beroepsgroep);

f)  het soort reisdocument en de drielettercode van het land van afgifte;

g)  het soort reisautorisatie en, voor een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid als bedoeld in artikel 44, een vermelding van de lidstaat of lidstaten waardoor de reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven;

h)  de geldigheidsduur van de reisautorisatie; en

i)  de gronden voor weigering, intrekking of nietigverklaring van een reisautorisatie.

2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt door eu-LISA op zijn technische locaties een centrale opslagplaats opgezet, geïmplementeerd en gehost, met daarin de in lid 1 bedoelde gegevens op grond waarvan geen personen kunnen worden geïdentificeerd, maar waar de in lid 1 bedoelde autoriteiten aanpasbare verslagen en statistieken kunnen verkrijgen, teneinde ▌ veiligheidsrisico's, risico's op het gebied van illegale immigratie en hoge epidemiologische risico's beter te beoordelen, grenscontroles doeltreffender te maken, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden te helpen bij de verwerking van reisautorisatieaanvragen en een op feiten gebaseerde beleidsvorming van de Unie op het gebied van migratie te ondersteunen. De opslagplaats bevat ook dagelijkse statistieken over de in lid 4 bedoelde gegevens. Toegang tot de centrale opslagplaats wordt uitsluitend met het oog op het opstellen van verslagen en statistieken verleend, door middel van beveiligde toegang via ▌ Testa, toegangscontrole en specifieke gebruikersprofielen.

De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, nadere bepalingen vast voor de exploitatie van de centrale opslagplaats, alsook voorschriften voor gegevensbescherming en -beveiliging die voor de opslagplaats gelden. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.  De door eu-LISA ingevoerde procedures voor monitoring van de ontwikkeling en de werking van het Etias-informatiesysteem als bedoeld in artikel 92, lid 1, omvatten de mogelijkheid om regelmatig statistieken op te stellen voor het waarborgen van die monitoring.

4.  Elk kwartaal maakt eu-LISA statistieken over het Etias-informatiesysteem bekend waarin met name melding wordt gemaakt van het aantal en de nationaliteit van de aanvragers aan wie een reisautorisatie is afgegeven of aan wie die is geweigerd, met inbegrip van de weigeringsgronden, en van het aantal en de nationaliteit van de onderdanen van derde landen wier reisautorisatie nietig is verklaard of is ingetrokken.

5.  Aan het eind van ieder jaar worden de statistische gegevens samengevat in een jaarverslag voor dat jaar. Het verslag wordt bekendgemaakt en toegezonden aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de Commissie, aan de Europese Toezichthouder voor gegevens­bescherming, aan het Europees Grens- en kustwachtagentschap en aan de nationale toezichthoudende autoriteiten.

6.  Op verzoek van de Commissie verstrekt eu-LISA de Commissie statistieken over specifieke aspecten van de uitvoering van deze verordening, alsmede de statistieken uit hoofde van lid 3.

Artikel 85

Kosten

1.   De kosten van de ontwikkeling van het Etias-informatiesysteem, van de integratie van de bestaande nationale grensinfrastructuur en van de verbinding met de NUI, van het hosten van de NUI en van de oprichting van de centrale Etias-eenheid en van de nationale Etias-eenheden ▌ komen ten laste van de algemene begroting van de Unie.

eu-LISA besteedt bijzondere aandacht aan het risico van kostenstijgingen en zorgt voor voldoende toezicht op contractanten.

2.  De exploitatiekosten van Etias komen ten laste van de algemene begroting van de Unie. Dit betreft mede de exploitatie- en onderhoudskosten van het Etias-informatiesysteem, met inbegrip van de NUI’s; de exploitatiekosten van de centrale Etias-eenheid en de kosten voor personeel en technische uitrusting (hardware en software) die noodzakelijk zijn voor het vervullen van de taken van de nationale Etias-eenheden, en de op grond van artikel 27, leden 2 en 8, gemaakte vertalingskosten.

De volgende kosten komen niet in aanmerking:

a)  projectbeheer van de lidstaten (vergaderingen, missies, kantoren);

b)  hosten van nationale IT-systemen (ruimte, implementatie, elektriciteit, koeling);

c)  exploitatie van nationale IT-systemen (exploitanten en contracten voor ondersteuning); ▌

d)  ontwerp, ontwikkeling, implementatie, exploitatie en onderhoud van nationale communicatienetwerken.

3.  De exploitatiekosten van Etias omvatten ook financiële steun aan lidstaten voor de kosten van aanpassing en automatisering van grenscontroles om Etias te implementeren. Het totale bedrag van deze financiële steun is beperkt tot maximaal 15 miljoen EUR voor het eerste werkingsjaar, tot maximaal 25 miljoen EUR voor het tweede werkingsjaar en tot maximaal 50 miljoen EUR per jaar voor de daaropvolgende werkingsjaren. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast om die financiële steun nader te omschrijven.

4.  Het Europees Grens- en kustwachtagentschap, eu-LISA en Europol ontvangen passende aanvullende financiering en het nodige personeel voor de vervulling van de hun krachtens deze verordening opgedragen taken.

5.  Financiering die moet komen uit de middelen als bedoeld in artikel 5, lid 5, onder b), van Verordening (EU) nr. 515/2014 voor de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bedoelde kosten voor de uitvoering van deze verordening, wordt uitgevoerd onder indirect beheer wat betreft de kosten van eu-LISA en het Europees Grens- en kustwachtagentschap en onder gedeeld beheer wat betreft de kosten van de lidstaten.

Artikel 86

Ontvangsten

De ontvangsten uit Etias vormen interne bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(52). Zij zijn bestemd ter dekking van de exploitatie- en onderhoudskosten van Etias. Resterende inkomsten na aftrek van deze kosten worden opgenomen in de begroting van de Unie.

Artikel 87

Kennisgevingen

1.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de autoriteit die moet worden beschouwd als de in artikel 57 bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking.

2.  De centrale Etias-eenheid en de lidstaten stellen de Commissie en eu-LISA in kennis van de in artikel 13 bedoelde bevoegde autoriteiten die toegang hebben tot het Etias-informatiesysteem.

Drie maanden nadat Etias overeenkomstig artikel 88 in gebruik is genomen, maakt eu-LISA een geconsolideerde lijst van die autoriteiten ▌ bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie▌ . De lidstaten geven de Commissie en eu-LISA tevens onverwijld kennis van wijzigingen van die autoriteiten. Bij eventuele wijzigingen maakt eu-LISA die informatie eenmaal per jaar in de vorm van een bijgewerkte geconsolideerde versie bekend. eu-LISA houdt een voortdurend bijgewerkte openbare website bij waarop die informatie beschikbaar is.

3.  De lidstaten stellen de Commissie en eu-LISA in kennis van hun aangewezen autoriteiten en van hun in artikel 50 bedoelde centrale toegangspunten, en stellen hen onverwijld in kennis van wijzigingen daaromtrent.

4.  eu-LISA stelt de Commissie in kennis van de succesvolle afsluiting van de in artikel 88, lid 1, onder e), bedoelde test.

De Commissie maakt de in de leden 1 en 3 bedoelde informatie bekend in het Publicatie­blad van de Europese Unie. Eventuele wijzigingen van die informatie worden door de Commissie eenmaal per jaar in de vorm van een bijgewerkte geconsolideerde versie daarvan bekendgemaakt. De Commissie houdt een voortdurend bijgewerkte openbare website bij waarop de informatie beschikbaar is.

Artikel 88

Ingebruikneming

1.  De Commissie stelt de datum vast waarop Etias in gebruik wordt genomen, nadat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de nodige wijzigingen van de rechtshandelingen tot instelling van de in artikel 11, lid 2, bedoelde EU-informatiesystemen waarmee wordt gezorgd voor interoperabiliteit met het Etias-informatiesysteem, zijn in werking getreden;

b)  de verordening waarbij eu-LISA wordt belast met het operationeel beheer van Etias is in werking getreden;

c)  de nodige wijzigingen van de rechtshandelingen tot instelling van de in artikel 20, lid 2, bedoelde EU-informatiesystemen waardoor aan de centrale Etias-eenheid toegang wordt verleend tot deze databanken, zijn in werking getreden;

d)  de maatregelen bedoeld in artikel 15, lid 5, artikel 17, leden 3, 5 en 6, artikel 18, lid 4, artikel 27, leden 3 en 5, artikel 33, leden 2 en 3, artikel 36, lid 3, artikel 38, lid 3, artikel 39, lid 2, artikel 45, lid 3, artikel 46, lid 4, artikel 48, lid 4, artikel 59, lid 4, artikel 73, lid 3, onder b), artikel 83, leden 1, 3 en 4, en artikel 85, lid 3, zijn vastgesteld.

e)  eu-LISA heeft verklaard dat een uitgebreide test van Etias met succes is afgesloten;

f)  eu-LISA en de centrale Etias-eenheid hebben de technische en wettelijke regelingen om de in de artikel 17 bedoelde gegevens te verzamelen en aan de centrale Etias-eenheid door te geven, gevalideerd en aan de Commissie meegedeeld;

g)  de lidstaten en de centrale Etias-eenheid hebben de Commissie de gegevens over de diverse in artikel 87, leden 1 en 3, bedoelde autoriteiten meegedeeld.

2.  De in lid 1, onder e), bedoelde test van Etias wordt verricht door eu-LISA in samenwerking met de lidstaten en de centrale Etias-eenheid.

3.  De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder e), uitgevoerde test.

4.  Het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.  De lidstaten en de centrale Etias-eenheid nemen Etias in gebruik op de overeenkomstig lid 1 door de Commissie bepaalde datum.

Artikel 89

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 6, lid 4, artikel 17, leden 3, 5 en 6, artikel 18, lid 4, artikel 27, lid 3, artikel 31, artikel 33, lid 2, artikel 36, lid 4, artikel 39, lid 2, artikel 54, lid 2, artikel 83, leden 1 en 3, en artikel 85 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor ▌ een termijn van vijf jaar vanaf ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  De bevoegdheidsdelegatie als bedoeld in artikel 6, lid 4, artikel 17, leden 3, 5 en 6, artikel 18, lid 4, artikel 27, lid 3, artikel 31, artikel 33, lid 2, artikel 36, lid 4, artikel 39, lid 2, artikel 54, lid 2, artikel 83, leden 1 en 3, en artikel 85, kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, geeft zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 4, artikel 17, leden 3, 5 en 6, artikel 18, lid 4, artikel 27, lid 3, artikel 31, artikel 33, lid 2, artikel 36, lid 4, artikel 39, lid 2, artikel 54, lid 2, artikel 83, leden 1 en 3, of artikel 85 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en aan de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 90

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 91

Adviesgroep

De verantwoordelijkheden van de EES-adviesgroep van eu-LISA worden uitgebreid met de verantwoordelijkheid voor Etias. Die EES/Etias-adviesgroep levert eu-LISA expertise met betrekking tot Etias, in het bijzonder bij de opstelling van het jaarlijkse werkprogramma en het jaarlijkse activiteitenverslag.

Artikel 92

Monitoring en evaluatie

1.  EU-LISA zorgt ervoor dat er procedures voorhanden zijn om de ontwikkeling van het Etias-informatiesysteem te monitoren in het licht van de doelstellingen op het gebied van planning en kosten, en om het functioneren van Etias te monitoren in het licht van de doelstellingen inzake technische resultaten, kosteneffectiviteit, beveiliging en kwaliteit van de dienstverlening.

2.  Uiterlijk ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de zes maanden tijdens de ontwikkelingsfase van het Etias-informatiesysteem legt eu-LISA het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de stand van zaken van de ontwikkeling van het centrale Etias-systeem, de NUI’s en de infrastructuur voor communicatie tussen het centrale Etias-systeem en de NUI’s. Dat verslag bevat gedetailleerde informatie over de gemaakte kosten en informatie over eventuele risico's die van invloed kunnen zijn op de algemene kosten van het systeem die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie in overeenstemming met artikel 85.

Uiterlijk ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de zes maanden tijdens de ontwikkelingsfase van het Etias-informatiesysteem leggen Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor over de stand van zaken bij de voorbereiding van de uitvoering van deze verordening, met inbegrip van gedetailleerde informatie over de gemaakte kosten en informatie over mogelijke risico's die van invloed kunnen zijn op de algemene kosten van het systeem die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie in overeenstemming met artikel 85.

Wanneer de ontwikkeling is afgerond, dient eu-LISA bij het Europees Parlement en aan de Raad een verslag in waarin uitvoerig wordt uiteengezet hoe de doelstellingen, met name die welke betrekking hebben op planning en kosten, zijn bereikt en waarin eventuele afwijkingen worden gerechtvaardigd.

3.  Met het oog op het technisch onderhoud heeft eu-LISA toegang tot de vereiste informatie over de in het Etias-informatiesysteem uitgevoerde gegevensverwerkingsverrichtingen.

4.  Twee jaar na de ingebruikneming van Etias en vervolgens om de twee jaar legt eu-LISA aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie een verslag over het technisch functioneren van het Etias-informatiesysteem, onder meer over de beveiliging ervan voor, alsook statistische gegevens over de Etias-observatielijst overeenkomstig de evaluatieprocedure als bedoeld in artikel 35, leden 5 en 6.

5.  Drie jaar na de ingebruikneming van Etias en vervolgens om de vier jaar zal de Commissie Etias evalueren en de noodzakelijke aanbevelingen doen aan het Europees Parlement en aan de Raad. Deze evaluatie heeft betrekking op:

a)  het via Etias raadplegen van de Interpol-databanken SLTD en TDAWN, onder meer wat betreft informatie over het aantal hits met die Interpol-databanken, het aantal op basis van die hits geweigerde reisautorisaties en informatie over alle eventuele problemen, alsook, in voorkomend geval, een beoordeling van de noodzaak van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening;

b)  de door Etias bereikte resultaten in het licht van zijn doelstellingen, mandaat en taken;

c)  het effect, de doeltreffendheid en de efficiëntie van de activiteiten en werkmethoden van Etias in het licht van zijn doelstellingen, mandaat en taken;

d)  een beoordeling van de beveiliging van Etias;

e)  de voor de risicobeoordeling gebruikte Etias-screeningsregels ▌;

f)  de gevolgen van de Etias-observatielijst, met inbegrip van het aantal reisautorisatieaanvragen dat werd geweigerd op grond van een hit met de Etias-observatielijst;

g)  de eventuele noodzaak mandaat van de centrale Etias-eenheid te wijzigen en de financiële gevolgen van een dergelijke wijziging;

h)  de gevolgen voor de grondrechten;

i)  de gevolgen voor de diplomatieke betrekkingen tussen de Unie en de betrokken derde landen;

j)  de inkomsten uit de reisautorisatievergoedingen, de kosten die zijn gemaakt met betrekking tot de ontwikkeling van het Etias, de kosten voor de exploitatie van Etias, de door eu-LISA, Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap gemaakte kosten met betrekking tot hun taken overeenkomstig deze verordening, evenals alle overeenkomstig artikel 86 toegewezen inkomsten;

k)  het gebruik van Etias voor rechtshandhavingsdoeleinden op grond van de informatie bedoeld in lid 8 van dit artikel;

l)  het aantal aanvragers dat voor een gesprek wordt uitgenodigd en het percentage dat dit aantal van het totale aantal aanvragers vertegenwoordigt, de redenen dat om een gesprek werd verzocht, het aantal gesprekken op afstand, het aantal beslissingen waarbij de reisautorisatie is verleend, is verleend met een markering of is geweigerd, het aantal aanvragers dat voor een gesprek werd uitgenodigd maar niet is verschenen en, indien van toepassing, een beoordeling van de noodzaak van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening.

De Commissie zendt het evaluatieverslag toe aan het Europees Parlement▌ , de Raad, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.

6.  De lidstaten en Europol verstrekken eu-LISA, de centrale Etias-eenheid en de Commissie de informatie die noodzakelijk is om de in de leden 4 en 5 bedoelde verslagen op te stellen. Deze informatie brengt de werkmethoden niet in gevaar en bevat geen informatie waardoor bronnen, namen van personeelsleden of onderzoeken van de aangewezen autoriteiten worden onthuld.

7.  eu-LISA en de centrale Etias-eenheid verstrekken de Commissie de informatie die noodzakelijk is om de in lid 5 bedoelde evaluaties op te stellen.

8.  Elke lidstaat en Europol stellen met inachtneming van de bepalingen van nationaal rechtinzake de bekendmaking van gevoelige informatie jaarlijkse verslagen op over de doeltreffendheid van de toegang tot gegevens in het centrale Etias-systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden, waarin informatie en statistieken zijn opgenomen over:

a)  het exacte doel van de raadpleging, met inbegrip van het soort terroristisch misdrijf of ander ernstig strafbaar feit;

b)  redelijke gronden voor het onderbouwde vermoeden dat de verdachte, de overtreder of het slachtoffer onder deze verordening valt;

c)  het aantal verzoeken om toegang tot het centrale Etias-systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden;

d)  het aantal en het soort gevallen die tot hits hebben geleid;

e)  het aantal en het soort gevallen waarin de ▌ spoedprocedure bedoeld in artikel 51, lid 4, is gebruikt, met inbegrip van de gevallen waarin dat dringend karakter door het centrale toegangspunt niet werd aanvaard bij de verificatie achteraf.

Een technische oplossing wordt aan de lidstaten beschikbaar gesteld om het hen gemakkelijker te maken ingevolge hoofdstuk X die gegevens te verzamelen met het oog op het genereren van de in dit lid bedoelde statistieken. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, specificaties vast betreffende de technische oplossing. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 93

Praktisch handboek

De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met de lidstaten en de desbetreffende agentschappen van de Unie een praktisch handboek, met richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken voor de uitvoering van deze verordening beschikbaar. Het praktisch handboek houdt mede rekening met de relevante bestaande handboeken. Het praktisch handboek wordt door de Commissie in de vorm van een aanbeveling goedgekeurd.

Artikel 94

Ceuta en Melilla

Deze verordening laat de specifieke regeling die van toepassing is op de steden Ceuta en Melilla, zoals beschreven in de Verklaring van het Koninkrijk Spanje betreffende de steden Ceuta en Melilla in de Slotakte van de Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen van 14 juni 1985, onverlet.

Artikel 95

Financiële bijdrage van de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis

In het kader van de toepasselijke bepalingen van hun associatieovereenkomsten worden regelingen getroffen voor de financiële bijdragen van de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.

Artikel 96

Inwerkingtreding en toepasselijkheid

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 88 vastgestelde datum, met uitzondering van de artikelen 6, 11, 12, 33, 34, 35, 59, 71, 72, 73, de artikelen 75 tot en met 79, de artikelen 82, 85, 87, 89, 90, 91, artikel 92, leden 1 en 2, en de artikelen 93 95, en van de bepalingen in verband met de in artikel 88, lid 1, onder d), bedoelde maatregelen, die van toepassing zijn vanaf ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening].

De bepalingen in verband met het raadplegen van Eurodac zijn van toepassing vanaf de datum waarop de herschikking van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad(53) is van toepassing wordt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te ...,,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage

Lijst van strafbare feiten als bedoeld in artikel 17, lid 4, onder a)

1.  terroristische misdrijven,

2.  deelneming aan een criminele organisatie,

3.  mensenhandel,

4.  seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

5.  illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

6.  illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

7.  corruptie,

8.  fraude, met inbegrip van fraude ten nadele van de financiële belangen van de Unie,

9.  witwassen van opbrengsten van criminaliteit en valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro,

10.  computercriminaliteit/cybercriminaliteit,

11.  milieucriminaliteit, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten,

12.  hulp bij irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf,

13.  moord, zware mishandeling,

14.  illegale handel in menselijke organen en weefsels,

15.  ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,

16.  georganiseerde en gewapende diefstal,

17.  illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

18.  namaak van producten en productpiraterij,

19.  vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

20.  illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

21.  illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen,

22.  verkrachting,

23.  misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

24.  kaping van vliegtuigen of schepen,

25.  sabotage,

26.  handel in gestolen voertuigen,

27.  industriële spionage,

28.  brandstichting,

29.  racisme en vreemdelingenhaat.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad

De exploitatie- en onderhoudskosten van het Etias-informatiesysteem, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden worden volledig gedekt door de ontvangsten uit de leges. De leges dienen derhalve waar nodig te worden aangepast aan de kosten. Dit omvat zowel de kosten die de EU-lidstaten maken als de kosten die de met Schengen geassocieerde landen in dit verband maken, in overeenstemming met de bepalingen van de Etias-verordening. De kosten in verband met de ontwikkeling van het Etias-informatiesysteem, de integratie van de bestaande nationale grensinfrastructuur en de koppeling met de nationale uniforme interface alsook in verband met het hosten van de nationale uniforme interface, en het opzetten van de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden, met inbegrip van de kosten die de EU-lidstaten en de met Schengen geassocieerde landen maken, worden respectievelijk gedragen door het Fonds voor interne veiligheid (Grenzen en Visa) en zijn opvolger(s).

Deze kosten mogen daarom niet worden meegewogen bij de berekening van de bijdrage van de met Schengen geassocieerde landen aan Etias uit hoofde van de desbetreffende associatieovereenkomst en de bijbehorende specifieke regelingen voor de deelname van de met Schengen geassocieerde landen aan de agentschappen. Dit moet met name in aanmerking worden genomen in het kader van de onderhandelingen over de opvolger(s) van het Fonds voor interne veiligheid (Grenzen en Visa) en de specifieke regelingen voor de deelname hieraan van de met Schengen geassocieerde landen.

Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de Commissie onverwijld na de vaststelling van deze verordening een voorstel in te dienen over de in artikel 95 van deze verordening bedoelde specifieke regelingen.

(1) PB C 246 van 28.7.2017, blz. 28.
(2)PB C 246 van 28.7.2017, blz. 28.
(3) Standpunt van het Parlement van 5 juli 2018.
(4)Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).
(5) Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1).
(6)Arrest van het Hof van Justitie van 31 januari 2006, Commissie/Spanje, C-503/03, ECLI:EU:C:2006:74.
(7) Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63)
(8) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).
(9)PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.
(10) Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 077 van 23.3.2016, blz. 1).
(11)Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).
(12)Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1).
(13)Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 8 april 2014, Digital Rights Ireland Ltd, in de gevoegde zaken C-293/12 en C‑594/12, ECLI:EU:C:2014:238.
(14) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad n 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(15)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(16) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(17) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(18)Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).
(19)Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).
(20)PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
(21)Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).
(22)PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
(23)Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).
(24)Besluit 2008/149/JBZ van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 50).
(25)PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.
(26)Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).
(27)Besluit 2011/349/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, met name betreffende de justitiële samenwerking in strafzaken en de politiële samenwerking (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 1).
(28) Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 286 van 1.11.2011, blz. 1).
(29) Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1).
(30) Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz.1).
(31) Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (PB L 327 van 9.12.2017, blz.20).
(32) PB C 162 van 23.5.2017, blz. 9.
(33)Verordening (EG) Nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).
(34) Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van regels inzake klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten en tot wijziging van de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (PB L 405 van 30.12.2006, blz. 1).
(35) Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming (PB L 157 van 27.5.2014, blz. 1).
(36) Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).
(37)Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
(38)Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1).
(39) Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28 december 2006, blz. 4).
(40) Richtlijn 2001/51/EG van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10 juli 2001, blz. 45).
(41) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24 december 2008, blz. 98).
(42)Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad van 7 oktober 2013 betreffende de instelling van een evaluatiemechanisme voor de controle van en het toezicht op de toepassing van het Schengenacquis en houdende intrekking van het Besluit van 16 september 1998 tot oprichting van de Permanente Schengenbeoordelings- en toepassingscommissie (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 27).
(43) PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
(44)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening in te vullen en de voetnoot te vervolledigen.
(45)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening (PE-CONS 21/18) in te vullen en de voetnoot te vervolledigen.
(46)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening (PE-CONS 21/18) in te vullen en de voetnoot te vervolledigen.
(47)++ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening (PE-CONS 21/18) in te vullen en de voetnoot te vervolledigen.
(48)++PB: gelieve het nummer van deze verordening (PE-CONS 21/18) in te vullen.
(49)++ PB: gelieve het nummer van deze verordening (PE CONS 21/18) in te vullen.
(50)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening (PE-CONS 21/18) in te vullen en de voetnoot te vervolledigen.
(51)+PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening (PE-CONS 21/18) in te vullen en de voetnoot te vervolledigen.
(52) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
(53) Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).


Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie: taken van Europol ***I
PDF 124kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/794 tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) (COM(2016)0731 – C8-0466/2016 – 2016/0357B(COD))
P8_TA(2018)0308A8-0323/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0731),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 88, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0466/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 14 september 2017 om de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 25 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0323/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/794 met het oog op de oprichting van een Europees reisinformatie- en autorisatiesysteem (Etias)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1241.)


Financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie ***I
PDF 1300kWORD 468k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2012/2002, (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605 – C8-0372/2016 – 2016/0282A(COD))
P8_TA(2018)0309A8-0211/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 42, artikel 43, lid 2, artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), artikel 164, artikel 168, lid 4, onder b), artikelen 172, 175, 177 en 178, artikel 189, lid 2, artikel 212, lid 2, artikel 322, lid 1, en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0372/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Rekenkamer nr. 1/2017 van 26 januari 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie visserij en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0211/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, ▌(EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 ▌ en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

P8_TC1-COD(2016)0282A


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), de artikelen 164, 172, 175, 177 en 178, artikel 189, lid 2, ▌artikel 212, lid 2, artikel 322, lid 1, en artikel 349, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer(2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

(1)  Na drie jaar te zijn toegepast dienen de financiële regels die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie (de "begroting") verder te worden gewijzigd om de knelpunten bij de toepassing weg te werken met behulp van meer flexibiliteit, om de uitvoering voor de belanghebbenden en de diensten te vereenvoudigen ▌, om de nadruk meer op resultaten te leggen, en om de toegankelijkheid, transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6) derhalve worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(2)  Om de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting minder complex te maken en de toepasselijke regels in één enkele verordening te integreren ▌, dient de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012(7) in te trekken. Omwille van de duidelijkheid moeten de voornaamste regels van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 in onderhavige verordening worden opgenomen; andere voorschriften moeten worden opgenomen in richtsnoeren voor diensten.

(3)  De budgettaire grondbeginselen moeten worden gehandhaafd. Bestaande afwijkingen van de beginselen voor specifieke terreinen als onderzoek, extern optreden en structuur­fondsen moeten worden herzien en zo veel mogelijk worden vereenvoudigd, rekening houdend met de vraag of de afwijkingen nog steeds relevant zijn, of zij een meerwaarde voor de begroting bieden en welke lasten zij voor de betrokkenen meebrengen.

(4)  De regels inzake de overdracht van kredieten moeten duidelijker worden gepresenteerd, met een onderscheid tussen automatisch en niet-automatische overdrachten. De betrokken instellingen van de Unie moeten aan het Europees Parlement en aan de Raad toelichting geven bij zowel automatische als niet-automatische overdrachten.

(5)  Het overdragen en gebruiken van externe bestemmingsontvangsten voor het vervolgprogramma of de vervolgactie moet worden toegestaan met het oog op het efficiënt gebruik van die middelen. Interne bestemmingsontvangsten moeten alleen naar het volgende begrotingsjaar kunnen worden overgedragen, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

(6)  Wat betreft interne bestemmingsontvangsten moet worden toegestaan dat nieuwe onroerendgoed­projecten worden gefinancierd met de ontvangsten uit de verhuur en de verkoop van onroerend goed. Daartoe moeten die ontvangsten worden aangemerkt als interne bestemmingsontvangsten die kunnen worden overgedragen totdat ze volledig zijn gebruikt.

(7)  De instellingen van de Unie moeten alle schenkingen ten gunste van de Unie kunnen aanvaarden.

(8)  Er moet een bepaling worden ingevoerd waardoor sponsoring in natura door een rechtspersoon van evenementen of activiteiten voor promotiedoeleinden of in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen mogelijk wordt.

(9)  Het begrip "prestaties" met betrekking tot de begroting moet worden verduidelijkt. Prestaties moeten worden verbonden aan de rechtstreekse toepassing van het beginsel van goed financieel beheer. Het beginsel goed financieel beheer moet ook worden gedefinieerd en bij het gebruik van kredieten moet er een verband worden vastgesteld tussen vastgelegde doelstellingen en prestaties-indicatoren, resultaten en zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid. Met het oog op de rechtszekerheid, ▌moet inzake prestaties terminologie worden vastgelegd, met name wat betreft output en resultaten, waarbij tegenstrijdigheden met de bestaande prestatiekaders van de verschillende programma's moeten worden vermeden.

(10)  In overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(8), moet Uniewetgeving van hoge kwaliteit zijn, moet gericht zijn op de gebieden waar zij voor de burgers de grootste meerwaarde oplevert, en moet zo efficiënt en doeltreffend mogelijk de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de Unie verwezenlijken. De evaluatie van bestaande en nieuwe uitgavenprogramma’s en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich meebrengen, kan helpen bij het verwezenlijken van die doelstellingen.

(11)  Overeenkomstig het transparantiebeginsel verankerd in artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dienen instellingen van de Unie in een zo groot mogelijke openheid te werken. De toepassing van dit beginsel betekent dat burgers inzake de uitvoering van de begroting moeten kunnen weten waar en voor welk doel de Unie middelen uitvoert. Die informatie bevordert het democratisch debat, draagt bij tot de deelname van burgers aan het besluitvormingsproces van de Unie ▌, verscherpt de institutionele controle en het institutioneel toezicht op de uitgaven van de Unie en werkt haar geloofwaardigheid in de hand. De communicatie moet gerichter zijn en ten doel hebben de zichtbaarheid van de bijdrage van de Unie voor burgers te vergroten. Deze doelstellingen moeten worden verwezenlijkt door relevante informatie over alle ontvangers van uit de begroting gefinancierde middelen bekend te maken, bij voorkeur met behulp van moderne communicatiemiddelen, rekening houdend met de legitieme belangen van die ontvangers op het gebied van vertrouwelijkheid en veiligheid en, wanneer het natuurlijke personen betreft, hun recht op persoonlijke levenssfeer en de bescherming van hun persoonsgegevens. Daarom moeten instellingen van de Unie wat betreft de bekendmaking van informatie een selectieve aanpak hanteren die in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Besluiten tot bekendmaking moeten gebaseerd zijn op relevante criteria teneinde betekenisvolle informatie te verstrekken.

(12)  Zonder afbreuk te doen aan de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens moet worden gestreefd naar zo veel mogelijk transparantie ten aanzien van de informatie met betrekking tot de ontvangers. De informatie over ontvangers van middelen van de Unie die in direct beheer worden uitgevoerd, moet op een speciale website van de instellingen van de Unie, zoals in het systeem voor financiële transparantie, worden bekendgemaakt en ten minste de naam en de locatie van de ontvanger, het bedrag waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan en het doel van de maatregel, omvatten. Deze informatie moet rekening houden met relevante criteria zoals de periodiciteit, het type en de omvang van de maatregel.

(13)   De Commissie moet de begroting indirect via lidstaatsorganisaties kunnen uitvoeren. Ter wille van de rechtszekerheid is het derhalve dienstig een lidstaatsorganisatie te definiëren als een in een lidstaat als publiekrechtelijke instantie opgerichte entiteit of als een privaatrechtelijke instantie waaraan een openbaredienstverleningstaak is toevertrouwd en passende financiële garanties door die lidstaat zijn gegeven. Als passende financiële garanties aan dergelijke privaatrechtelijke instanties door een lidstaat geldt financiële steun die een lidstaat overeenkomstig bestaande in het Unierecht bepaalde voorschriften aan die privaat­rechtelijke instanties heeft verstrekt in een vorm die door die lidstaat is bepaald en niet noodzakelijk een bankgarantie vergt.

(14)  Opdat prijzen, subsidies en overeenkomsten die worden toegekend nadat een procedure is opengesteld voor mededinging, en in het bijzonder bij wedstrijden, oproepen tot het indienen van voorstellen en aanbestedingen, de beginselen van het VWEU en met name de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en niet-discriminatie in acht nemen, dienen de naam en locatie van de ontvangers van de middelen van de Unie te worden bekendgemaakt. Die bekendmaking moet bijdragen tot de controle op de toekenningsprocedures door de niet-geselecteerde mededingers.

(15)  Persoonsgegevens betreffende natuurlijke personen mogen niet langer openbaar zijn dan de duur van het gebruik van de middelen door de ontvanger en dienen bijgevolg na twee jaar te worden verwijderd. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens betreffende rechtspersonen waarvan de officiële benaming naar één of meer natuurlijke personen verwijst.

(16)  In de meeste gevallen waarop deze verordening betrekking heeft, betreft de bekendmaking rechtspersonen.

Wanneer het om natuurlijke personen gaat, moet de bekendmaking van persoonsgegevens het beginsel in acht nemen van evenredigheid tussen enerzijds de omvang van het toegekende bedrag en anderzijds de behoefte aan controle op de besteding van de middelen. In dergelijke gevallen is de bekendmaking van de regio op niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS 2) in overeenstemming met de doelstelling van bekendmaking van informatie over de ontvangers van middelen en een waarborg voor gelijke behandeling van lidstaten die niet dezelfde omvang hebben en verenigbaar met het recht op persoonlijke levenssfeer van de ontvangers en in het bijzonder de bescherming van hun persoonsgegevens.

(17)   Ter wille van de rechtszekerheid en overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten de situaties waarin er niet tot bekendmaking mag worden overgegaan worden bepaald. Bijvoorbeeld mag geen informatie worden bekend gemaakt met betrekking tot studiebeurzen of andere vormen van rechtstreekse steun die wordt betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen, voor specifieke overeenkomsten van zeer geringe waarde, of voor financiële ondersteuning onder een bepaalde drempel verstrekt door financieringsinstrumenten, of in gevallen waarin de bekendmaking afbreuk dreigt te doen aan de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten en vrijheden van personen of de commerciële belangen van ontvangers dreigt te schaden. Voor subsidies dient er voor de verplichting tot bekendmaking van informatie echter geen speciale uitzondering op basis van een bepaalde drempel te bestaan, zodat de huidige praktijk wordt gehandhaafd en transparantie mogelijk is.

(18)   Indien persoonsgegevens van ontvangers worden bekendgemaakt ten behoeve van transparantie met betrekking tot het gebruik van middelen van de Unie en de controle van de toekenningsprocedures, dienen deze ontvangers overeenkomstig Verordeningen (EG) nr. 45/2001(9) en (EU) 2016/679(10) van het Europees Parlement en de Raad in kennis te worden gesteld van die bekendmaking, alsmede van hun rechten en de toepasselijke procedures voor het uitoefenen van die rechten.

(19)  Om te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling van alle ontvangers in acht wordt genomen, moet informatie betreffende natuurlijke personen ook worden bekendgemaakt ter nakoming van de verplichting die op de lidstaten rust om een grote mate van openheid te betrachten inzake overeenkomsten boven de waarde die is vastgesteld in Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(11).

(20)  In geval van indirect en gedeeld beheer moeten de personen, entiteiten of aangewezen organen die middelen van de Unie besteden, informatie over ontvangers en eindontvangers beschikbaar stellen. In geval van gedeeld beheer moet deinformatie overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bekendgemaakt worden. De Commissie moet een verwijzing naar de informatie over een enkele website, met verwijzing naar het adres ervan, beschikbaar stellen waarop informatie over de ontvangers en eindontvangers kan worden gevonden.

(21)  Om de gegevens over financieringsinstrumenten in direct en indirect beheer leesbaarder en transparanter te maken, is het passend alle verslagleggingsvereisten samen te voegen in één bij de ontwerpbegroting gevoegd werkdocument.

(22)   Ter bevordering van beste praktijken bij de uitvoering van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), alsmede het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), dient de Commissie de voor het beheer en controleactiviteiten verantwoordelijke organen voor informatiedoeleinden een niet-bindende methodologische handleiding ter beschikking te stellen met haar eigen controlestrategie en -aanpak, met inbegrip van controlelijsten en voorbeelden van beste praktijken. Deze handleiding moet telkens wanneer zulks nodig is, worden geactualiseerd.

(23)  Het is passend om de instellingen van de Unie de mogelijkheid te bieden met elkaar ▌ overeenkomsten op dienstverleningsniveau te sluiten, teneinde de besteding van hun kredieten te vergemakkelijken, en te voorzien in de uitdrukkelijke mogelijkheid om voor de verlening van diensten, de levering van producten of de uitvoering van werken of onroerendgoedovereenkomsten dergelijke overeenkomsten te sluiten tussen afdelingen van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus, organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) op grond van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en het bureau van de secretaris-generaal van de raad van bestuur van de Europese scholen.

(24)  Het is passend de procedure voor het oprichten van nieuwe Europese bureaus vast te leggen en een onderscheid te maken tussen de verplichte en de niet-verplichte taken van deze bureaus. Voor instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus moet er een mogelijkheid worden ingevoerd om de bevoegdheden van de ordonnateur te delegeren aan de directeur van een Europees bureau. Europese bureaus moeten ook de mogelijkheid hebben om overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau te sluiten voor de verlening van diensten, de levering van producten of de uitvoering van werken of onroerendgoedovereenkomsten. Het is passend om te voorzien in specifieke regels voor het verstrekken van boekhoudbescheiden, in bepalingen op grond waarvan de rekenplichtige van de Commissie sommige van zijn taken aan personeel van de Europese bureaus kan delegeren, en in operationele procedures voor bankrekeningen die de Commissie in naam van een Europese bureau moet kunnen openen.

(25)  Om de kosteneffectiviteit van de uitvoerende agentschappen ▌ op te voeren en gezien de met andere organen van de Unie opgedane praktijkervaring, moeten de taken van de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap geheel of gedeeltelijk aan de rekenplichtige van de Commissie kunnen worden toevertrouwd.

(26)  Ter wille van de rechtszekerheid is het nodig te verduidelijken dat directeuren van uitvoerende agentschappen als gedelegeerd ordonnateur optreden bij het beheer van de beleidskredieten van de aan hun agentschappen gedelegeerde programma’s. Om de efficiëntie­verbeteringen die uit een algemene centralisatie van bepaalde ondersteunende diensten voortvloeien, volledig te benutten, moet uitdrukkelijk worden bepaald dat uitvoerende agentschappen de mogelijkheid hebben om administratieve uitgaven uit te voeren.

(27)  Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de financiële actoren, met name de ordonnateurs en de rekenplichtigen.

(28)  Het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de rekenplichtige van de Commissie moeten binnen twee weken in kennis worden gesteld van de aanstelling of functiebeëindiging van gedelegeerde ordonnateurs, intern controleurs en rekenplichtigen.

(29)  De ordonnateurs moeten volledig verantwoordelijk zijn voor alle ontvangsten- en uitgaven­verrichtingen die onder hun gezag worden uitgevoerd, en voor internecontrole­systemen, en rekenschap afleggen van hun handelingen, indien nodig ook in het kader van tuchtrechtelijke procedures.

(30)  De taken, verantwoordelijkheden en procedurele beginselen die door de ordonnateurs in acht moeten worden genomen, moeten ook worden vastgelegd. De gedelegeerde ordonnateurs moeten ervoor zorgen dat de gesubdelegeerde ordonnateurs en hun medewerkers informatie en opleiding over de controlenormen en respectieve methoden en technieken ontvangen en dat maatregelen worden getroffen om het functioneren van het controlesysteem te waarborgen. De gedelegeerde ordonnateur brengt verslag uit aan zijn of haar instelling van de Unie over de uitvoering van de taken in de vorm van een jaarlijks verslag. Dat verslag moet de nodige financiële en beheersinformatie tot staving van de verklaring van die ordonnateur betreffende de uitoefening van zijn taken, waaronder de informatie over de algehele prestaties van de uitgevoerde verrichtingen bevatten. De bewijsstukken betreffende de uitgevoerde verrichtingen moeten ten minste vijf jaar worden bewaard. Over de verschillende soorten onderhandelingsprocedures voor het gunnen van overeenkomsten tot uitvoering van overheidsopdrachten moet een bijzonder verslag door de gedelegeerde ordonnateur aan de betrokken instelling van de Unie en een verslag van die instelling van de Unie aan het Europees Parlement en de Raad worden uitgebracht aangezien dergelijke procedures van de gewone toekenningsprocedures betreffen.

(31)  De dubbele rol van de hoofden van de delegaties van de Unie, en van hun adjuncten in hun afwezigheid, als gesubdelegeerde ordonnateurs voor zowel de Europese Dienst voor extern optreden ("EDEO") als, wat de beleidskredieten betreft, voor de Commissie, moet in aanmerking worden genomen.

(32)  De situaties waarin de Commissie bevoegdheden tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de beleidskredieten van haar eigen afdeling van de begroting kan delegeren aan de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie, dient zich te beperken tot die situaties waarin de uitoefening van die taken door de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie strikt noodzakelijk is om de continuïteit van de werkzaamheden in afwezigheid van de hoofden van de delegaties te waarborgen. De adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie zouden die bevoegdheden niet op systematische basis of vanwege de interne werkverdeling mogen uitoefenen.

(33)  De rekenplichtige moet belast blijven met de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de schuldvorderingen. De rekenplichtige dient de kasmiddelen, bankrekeningen en dossiers van derden te beheren, de boekhouding te voeren en belast te zijn met het opstellen van de financiële staten van de instellingen van Unie. Alleen de rekenplichtige van de Commissie dient bevoegd te zijn om de boekhoudregels en het geharmoniseerde rekeningstelsel vast te stellen, terwijl de rekenplichtigen van alle andere instellingen van de Unie de in hun instelling te volgen boekhoudprocedures moet bepalen.

(34)  Ook moet worden voorzien in de regelingen voor de aanstelling of functiebeëindiging van de rekenplichtige.

(35)  De rekenplichtige moet procedures invoeren opdat de rekeningen die zijn geopend met het oog op het beheer van de kasmiddelen en gelden ter goede rekening, geen negatief saldo vertonen.

(36)  De voorwaarden voor het gebruik van gelden ter goede rekening, een beheersysteem dat afwijkt van de normale procedures en uitsluitend beperkte bedragen betreft, moeten worden vastgelegd, en de taken en verantwoordelijkheden van de beheerders van gelden ter goede rekening, evenals die van de ordonnateur en de rekenplichtige op het gebied van de controle van het beheer van gelden ter goede rekening, dienen te worden beschreven. De Rekenkamer moet in kennis worden gesteld van benoemingen van een beheerder van gelden ter goede rekening. Ter wille van de efficiëntie moeten bij de delegaties van de Unie gelden ter goede rekening worden ingesteld voor kredieten van zowel de begrotingsafdelingen van de Commissie als die van de EDEO. Het is ook wenselijk om onder specifieke voorwaarden toe te staan dat in de delegaties van de Unie gelden ter goede rekening worden aangewend voor het betalen van beperkte bedragen volgens begrotings­procedures. Wat de aanstelling van beheerders van gelden ter goede rekening betreft, dient het mogelijk te zijn hiervoor een selectie te maken uit de personeelsleden van de Commissie die werken op het gebied van hulp bij crisisbeheersing en humanitaire hulp wanneer er geen personeel beschikbaar is van de Commissie, dat is gedekt door het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, vervat in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad(12) ("Statuut").

(37)  Teneinde rekening te houden met de situatie op het gebied van hulp bij crisisbeheersing en humanitaire hulp wanneer er geen personeel van de Commissie gedekt door het Statuut beschikbaar is, en met de technische moeilijkheden om alle juridische verbintenissen door de bevoegde ordonnateur te doen aangaan, moet worden toegestaan dat de op dit gebied werkzame personeelsleden van de Commissie juridische verbintenissen met een zeer geringe waarde van ten hoogste 2 500 EUR aangaan die verband houden met de betalingen uit gelden ter goede rekening, en dat de hoofden van de delegaties van de Unie of hun adjuncten juridische verbintenissen aangaan in opdracht van de bevoegde ordonnateur van de Commissie.

(38)  Zodra de taken en verantwoordelijkheden van financiële actoren zijn vastgesteld, kunnen zij slechts aansprakelijk worden gesteld onder de voorwaarden van het Statuut. In de instellingen van de Unie zijn in financiële onregelmatigheden gespecialiseerde instanties krachtens Verordening (EU) Euratom) nr. 966/2012 opgericht. Gezien het beperkte aantal dossiers dat hun wordt voorgelegd, en ter wille van de efficiëntie, verdient het aanbeveling hun taken over te hevelen naar de krachtens deze verordening ("de instantie") opgerichte interinstitutionele instantie. De instantie dient met betrekking tot zaken die haar door de Commissie of andere instellingen en ▌ organen van de Unie, onverminderd hun administratieve autonomie ten aanzien van hun personeelsleden, worden voorgelegd, verzoeken te beoordelen en aanbevelingen te doen over de noodzaak besluiten te nemen inzake uitsluiting en oplegging van financiële sancties. Met die overheveling wordt ook dubbel werk vermeden en wordt het risico op tegenstrijdige aanbevelingen of adviezen beperkt in zaken waarbij zowel een ondernemer als een personeelslid van een instelling of orgaan van de Unie betrokken zijn. Het is noodzakelijk de procedure te handhaven die een ordonnateur, wanneer hij een instructie onrechtmatig of in strijd met het beginsel van goed financieel beheer acht, in staat stelt daarvan bevestiging te verzoeken zodat hij van zijn aansprakelijkheid kan worden ontheven. De samenstelling van de instantie moet worden aangepast indien zij deze rol vervult. De instantie behoort geen onderzoeksbevoegdheid te hebben.

(39)  Wat de ontvangsten betreft, is het noodzakelijk om de negatieve correcties van de eigen middelen waarop de verordening (EU) Euratom) nr. 609/2014 van de Raad(13) betrekking heeft, aan te pakken. Behalve in geval van eigen middelen, is het noodzakelijk om de bestaande taken en controlewerkzaamheden die in de verschillende stadia van de procedure onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs vallen, te handhaven: opstelling van de raming van de schuldvordering, verstrekking van invorderingsopdrachten, toezending van de debetnota waarmee de debiteur in kennis wordt gesteld van de vaststelling van schuldvorderingen, ▌ en het besluit om eventueel van de invordering van de schuldvordering af te zien, met inachtneming van criteria die goed financieel beheer garanderen, om een efficiënte inning van de ontvangsten te waarborgen.

(40)  De ordonnateur moet geheel of gedeeltelijk kunnen afzien van de invordering van een vastgestelde schuldvordering wanneer de debiteur zich in een insolventieprocedure bevindt zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad(14), met name in het geval van gerechtelijke of faillissementsakkoorden en andere soortgelijke procedures.

(41)  Specifieke bepalingen betreffende procedures voor de aanpassing of vermindering naar nul van ramingen van het te vorderen bedrag moeten worden vastgesteld.

(42)   Het tijdschema van de opname in de begroting van bedragen uit boeten, andere dwangsommen en sancties, alsmede de rente hierover en andere hieruit voortvloeiende inkomsten, moet worden verduidelijkt.

(43)  Gezien de recente ontwikkelingen op de financiële markten en de door de Europese Centrale Bank (ECB) op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet, moeten de bepalingen betreffende de rentevoet voor boeten of andere sancties worden herzien en moeten regels worden vastgesteld voor in het geval van een negatieve rentevoet.

(44)  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van schuldvorderingen die bestaan uit door de instellingen van de Unie krachtens het VWEU of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het Euratom-Verdrag) opgelegde boeten of andere sancties, moet worden voorzien in specifieke bepalingen inzake de rentevoeten die van toepassing zijn op verschuldigde, maar nog niet betaalde, bedragen, indien deze door het Hof van Justitie van de Europese Unie worden verhoogd.

(45)  De invorderingsregels moeten niet alleen worden verduidelijkt, maar ook worden aangescherpt. In het bijzonder moet worden verduidelijkt dat wanneer de rekenplichtige bedragen invordert, hij deze ook moet verrekenen met vorderingen van de debiteur aan een uitvoerend agentschap dat de begroting uitvoert.

(46)  Om rechtszekerheid en transparantie te waarborgen moeten regels met betrekking tot de termijnen voor de verzending van debetnota's worden vastgesteld.

(47)  Om het beheer van activa veilig te stellen en tegelijk te streven naar financieel rendement, is het noodzakelijk om bedragen in verband met boeten, andere dwangsommen of door het VWEU of het Euratom-Verdrag opgelegde sancties, zoals in mededingingszaken opgelegde boeten waartegen beroep is aangetekend, voorlopig in te innen en te beleggen in financiële activa en de bestemming van hun rendement te bepalen. Aangezien de Commissie niet de enige instelling van de Unie is die boeten, andere dwangsommen of sancties mag opleggen, moeten bepalingen met betrekking tot dergelijke door andere instellingen van de Unie opgelegde boeten, andere dwangsommen of sancties, alsmede regels voor hun invordering worden vastgesteld, die gelijkwaardig moeten zijn aan die welke van toepassing zijn op de Commissie.

(48)  Opdat de Commissie financieringsbesluiten kan nemen op basis van alle vereiste informatie, moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van financieringsbesluiten betreffende subsidies, aanbestedingen, trustfondsen van de Unie voor extern optreden ("trustfondsen van de Unie"), prijzen, financierings­instrumenten, blendingfaciliteiten of -platforms en begrotingsgaranties. Om potentiële ontvangers een perspectief voor de langere termijn te bieden, moet tegelijkertijd worden toegestaan dat financieringsbesluiten voor meer dan één begrotingsjaar worden genomen, met dien verstande dat de uitvoering afhankelijk is van de beschikbaarheid van begrotingskredieten voor de desbetreffende begrotingsjaren. Voorts moet het aantal voor het financieringsbesluit vereiste elementen worden teruggeschroefd. Met het oog op vereenvoudiging moet het financieringsbesluit tegelijkertijd een jaarlijks of een meerjarig werkprogramma zijn. Aangezien de bijdragen aan de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie reeds in de begroting zijn vastgesteld, dient in dat verband geen specifiek financieringsbesluit te hoeven worden genomen.

(49)  Wat de uitgaven betreft, moeten het verband tussen financieringsbesluiten, globale begrotingsvastleggingen en afzonderlijke begrotingsvastleggingen, evenals de concepten van begrotingsvastlegging en juridische verbintenissen worden verduidelijkt zodat een duidelijk kader wordt geschapen voor de verschillende stadia van begrotingsuitvoering.

(50)  Teneinde rekening te houden met in het bijzonder het aantal juridische verbintenissen dat door de delegaties en vertegenwoordigingen van de Unie wordt aangegaan en met de wisselkoers­schommelingen waaraan die onderhevig zijn, moeten voorlopige begrotingsvastleggingen ook mogelijk zijn in gevallen waarin de eindbegunstigde en het bedrag bekend zijn.

(51)  De verschillende soorten betalingen die door ordonnateurs kunnen worden uitgevoerd, moeten worden verduidelijkt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer. De regels voor de vereffening van de voorfinancieringen moeten verder worden verduidelijkt, met name met betrekking tot situaties waarin geen tussentijdse vereffening mogelijk is. Daartoe moeten de nodige bepalingen worden opgenomen in juridische verbintenissen die zijn aangegaan.

(52)  In deze verordening moet worden bepaald dat betalingen binnen bepaalde termijnen moeten worden gedaan en dat, in geval van overschrijding van dergelijke termijnen, schuldeisers recht hebben op achterstandsrente ten laste van de begroting, behalve in het geval van de lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF).

(53)  Het is dienstig om de bepalingen betreffende de betaalbaarstelling en de betalingsopdracht onder één artikel samen te brengen en een definitie van "vrijmakingen" in te voeren. Aangezien de transacties worden uitgevoerd via computersystemen, moet de ondertekening van een "betaalbaarverklaring" waarmee het besluit tot betaalbaarstelling tot uiting wordt gebracht, vervangen worden door een "elektronisch beveiligde handtekening", behalve in een beperkt aantal gevallen. Ook moet worden verduidelijkt dat de betaalbaarstelling van toepassing is op alle subsidiabele kosten, met inbegrip van de kosten die geen verband houden met een betalingsverzoek, zoals het geval is voor de vereffening van voorfinanciering.

(54)  Om de complexiteit te reduceren, de bestaande regels te stroomlijnen en deze verordening leesbaarder te maken, moeten gemeenschappelijke bepalingen worden vastgesteld voor meer dan één instrument ter uitvoering van de begroting. Daarom moet een aantal bepalingen worden gehergroepeerd, moeten de formulering en het toepassingsgebied van andere bepalingen op elkaar worden afgestemd en moeten onnodige herhalingen en kruisverwijzingen worden verwijderd.

(55)   Elke instelling van de Unie moet een comité follow-up interne audit instellen dat tot taak heeft de onafhankelijkheid van de intern controleur te waarborgen, de kwaliteit van de interne-auditwerkzaamheden te bewaken en ervoor te zorgen dat interne en externe auditaanbevelingen naar behoren in aanmerking worden genomen en dat haar diensten er gevolg aan geven. Elke instelling van de Unie moet een besluit nemen over de samenstelling van dat comité follow-up interne audit, rekening houdend met haar organisatorische autonomie en het belang van advies van onafhankelijke deskundigen.

(56)  Meer nadruk moet worden gelegd op de prestaties en resultaten van uit de begroting gefinancierde projecten. Het is derhalve passend om, naast de reeds goed functionerende vormen van bijdragen van de Unie (vergoeding van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, eenheidskosten, vaste bedragen en financiering volgens een vast percentage), een extra vorm van financiering te definiëren die geen verband houdt met de kosten van de betrokken verrichtingen. De bijkomende vorm van financiering moet afhangen van de vervulling van bepaalde voorwaarden vooraf, of van het bereiken van resultaten gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde mijlpalen of door middel van prestatie-indicatoren.

(57)  Wanneer de Commissie de operationele capaciteit en de financiële draagkracht van ontvangers van middelen van de Unie of hun systemen en procedures beoordeelt, moet zij kunnen vertrouwen op de reeds door haarzelf, andere entiteiten of donoren, zoals nationale agentschappen en internationale organisaties, uitgevoerde beoordelingen om te vermijden dat eenzelfde ontvanger tweemaal wordt beoordeeld. De mogelijkheid om op beoordelingen van andere entiteiten te vertrouwen, moet worden benut mits dergelijke beoordelingen zijn verricht met inachtneming van voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voor de toepasselijke wijze van uitvoering. Om te bevorderen dat donoren vertrouwen stellen in elkaars beoordelingen, moet de Commissie daarom de erkenning van internationaal aanvaarde normen of internationale beste praktijken aanmoedigen.

(58)  Ook is het belangrijk te voorkomen dat ontvangers van middelen van de Unie meerdere malen door verschillende entiteiten worden gecontroleerd op het gebruik van die middelen. Het moet daarom mogelijk zijn om op reeds door onafhankelijke auditoren uitgevoerde audits te vertrouwen, mits hun bekwaamheid en onafhankelijkheid voldoende zijn aangetoond, mits de auditwerkzaamheden volgens internationaal aanvaarde auditnormen zijn verricht en zodoende redelijke zekerheid bieden, en mits zij betrekking hebben op de financiële staten en verslagen inzake het gebruik van de bijdrage van de Unie. Op die audits moet dan de algemene zekerheid over het gebruik van middelen van de Unie worden gebaseerd. Daartoe is het belangrijk ervoor te zorgen dat het verslag van de onafhankelijke auditor en de bijbehorende auditdocumentatie beschikbaar worden gesteld op verzoek van het Europees Parlement, de Commissie, de Rekenkamer en de auditautoriteiten van de lidstaten.

(59)   Om te kunnen vertrouwen op beoordelingen en audits en om de administratieve lasten voor personen en entiteiten, die middelen van de Unie ontvangen, te verminderen, moet ervoor worden gezorgd dat informatie die reeds beschikbaar is bij instellingen van de Unie, beheerautoriteiten of andere organen en entiteiten die middelen van de Unie besteden, opnieuw wordt gebruikt, teneinde te voorkomen dat ontvangers of begunstigden meermaals om informatie wordt verzocht.

(60)  Om te voorzien in een mechanisme voor langetermijnsamenwerking met ontvangers, moet worden voorzien in de mogelijkheid om overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap te sluiten. Financiële kaderpartnerschappen moeten ten uitvoer worden gelegd door middel van subsidies of via bijdrageovereenkomsten met personen en entiteiten die middelen van de Unie besteden. De minimale inhoud van die bijdrage­overeenkomsten moet daartoe nader worden bepaald. Financiële kaderpartnerschappen mogen de toegang tot financiering van de Unie niet nodeloos beperken.

(61)  De voorwaarden en procedures voor het opschorten, beëindigen of verlagen van een bijdrage van de Unie met betrekking tot de verschillende instrumenten tot uitvoering van de begroting zoals subsidies, aanbestedingen, indirect beheer, prijzen, enz. moeten worden geharmoniseerd. De redenen voor opschorting, beëindiging of verlaging moeten worden omschreven.

(62)  In deze verordening moeten standaardtermijnen worden vastgelegd gedurende welke ontvangers documenten moeten bewaren die betrekking hebben op bijdragen van de Unie, zodat uiteenlopende of disproportionele contractuele vereisten worden vermeden, maar de Commissie, de Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) niettemin voldoende tijd hebben om die gegevens en documenten in te zien en toetsen en audits achteraf uit te voeren. Daarnaast moet elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, verplicht zijn mee te werken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie.

(63)  Om deelnemers en ontvangers gepaste informatie te verschaffen en ervoor te zorgen dat zij hun recht op verdediging kunnen uitoefenen, moeten deelnemers en ontvangers toegestaan worden hun opmerkingen kenbaar te maken vooraleer maatregelen met negatieve gevolgen voor hun rechten worden vastgesteld, en dat zij moeten worden geïnformeerd over de te hunner beschikking staande rechtsmiddelen om een dergelijke maatregel aan te vechten.

(64)  Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie moet de Commissie één enkel systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting opzetten.

(65)  Het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting moet van toepassing zijn op deelnemers, ontvangers, entiteiten waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen of subcontractanten van een contractant, elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt bij de uitvoering van de begroting in indirect beheer, elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt uit hoofde van financieringsinstrumenten die in direct beheer worden uitgevoerd, ▌ deelnemers of ontvangers waarover entiteiten die de begroting uitvoeren in gedeeld beheer informatie hebben verstrekt, en sponsors.

(66)  Er moet worden verduidelijkt dat indien een besluit tot registratie van een persoon of entiteit in de databank van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting wordt genomen op basis van een uitsluitingssituatie met betrekking tot een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van die persoon of entiteit of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft ten aanzien van die persoon of entiteit, of met betrekking tot een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van die persoon of entiteit, of met betrekking tot een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of de uitvoering van de juridische verbintenis, de in de databank opgenomen informatie ook de informatie betreffende die personen dient te omvatten.

(67)  Het besluit inzake de uitsluiting van een persoon of entiteit van deelname aan toekenningsprocedures of inzake de oplegging van een financiële sanctie aan een persoon of entiteit, en het besluit inzake de bekendmaking van de desbetreffende informatie, moeten door de bevoegde ordonnateurs worden genomen, gezien diens autonomie in administratieve aangelegenheden. Bij ontstentenis van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit en bij een ernstige schending van een overeenkomst moeten de bevoegde ordonnateurs hun besluit nemen op basis van een voorlopige juridische kwalificatie, met inachtneming van de aanbeveling van de instantie. De instantie moet voorts een beoordeling van de duur van een uitsluiting verrichten ingeval de duur niet bij de definitieve rechterlijke beslissing of het definitieve administratief besluit is vastgesteld.

(68)  De rol van de instantie moet erin bestaan voor een samenhangende werking van het uitsluitingssysteem te zorgen. De instantie moet zijn samengesteld uit een vaste voorzitter, twee vertegenwoordigers van de Commissie en een vertegenwoordiger van de verzoekende bevoegde ordonnateur.

(69)  De voorlopige juridische kwalificatie loopt niet vooruit op de definitieve beoordeling van het gedrag van de betrokken persoon of entiteit door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht. De aanbeveling van de instantie en het besluit van de bevoegde ordonnateur moeten derhalve na de kennisgeving van een dergelijke definitieve beoordeling worden geëvalueerd.

(70)  Een persoon of entiteit moet door de bevoegde ordonnateur worden uitgesloten wanneer door een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een ernstige beroepsfout heeft gemaakt, al dan niet opzettelijk de verplichtingen tot betaling van socialezekerheidsbijdragen of van belastingen niet is nagekomen, een entiteit in een andere jurisdictie heeft opgericht met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen te omzeilen, fraude heeft gepleegd met een weerslag op de begroting, corrupt is, betrokken is bijeen criminele organisatie, bertokken is bij het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, betrokken is bij terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terrorisme, betrokken is bij kinderarbeid of andere misdrijven van mensenhandel of betrokken is bij onregelmatigheden. Een persoon of entiteit moet tevens worden uitgesloten in geval van een ernstige schending van een juridische verbintenis of in geval van faillissement.

(71)  Bij het nemen van een besluit inzake uitsluiting van een persoon of entiteit of oplegging van een financiële sanctie aan een persoon of entiteit en tot bekendmaking van de desbetreffende informatie ▌, moet de bevoegde ordonnateur ervoor zorgen dat het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen, met name door rekening te houden met de ernst van de situatie, de budgettaire gevolgen ervan, de tijd die is verstreken sinds het betrokken gedrag, de duur van het gedrag en de herhaling ervan, of het gedrag opzettelijk was of de getoonde mate van nalatigheid, de mate van medewerking met de betrokken bevoegde instantie door de persoon of entiteit en de bijdrage van die persoon of entiteit aan het onderzoek.

(72)  De bevoegde ordonnateur moet een persoon of entiteit tevens kunnen uitsluiten indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de ondernemer, failliet is of in een gelijkaardige situatie van insolventie verkeert, of indien die natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn verplichtingen in verband met het betalen van socialezekerheidsbijdragen of van belastingen niet nakomt, indien die situaties gevolgen hebben voor de financiële situatie van die ondernemer.

(73)  Een persoon of entiteit mag niet worden uitgesloten wanneer hij corrigerende maatregelen heeft genomen en zodoende zijn betrouwbaarheid aantoont. Van die mogelijkheid mag geen gebruik worden gemaakt bij de meest ernstige vormen van criminaliteit.

(74)  In het licht van het evenredigheidsbeginsel moet er een onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin er een financiële sanctie kan worden opgelegd als alternatief voor uitsluiting enerzijds, en gevallen waarin de ernst van het gedrag van de betrokken ontvanger, bestaande uit het pogen om op onrechtmatige wijze middelen van de Unie te verkrijgen, rechtvaardigt dat er naast de uitsluiting een financiële sanctie wordt opgelegd teneinde voor een afschrikkende werking te zorgen anderzijds. Van de financiële sanctie die door de aanbestedende dienst kan worden opgelegd, moet bovendien het maximumbedrag worden vastgesteld.

(75)  Een financiële sanctie mag uitsluitend worden opgelegd aan een ontvanger en niet aan een deelnemer, daar het bedrag van de op te leggen financiële sanctie wordt berekend op basis van de waarde van de betrokken juridische verbintenis.

(76)  De mogelijkheid om besluiten inzake uitsluitingen te nemen of financiële sancties op te leggen staat los van de mogelijkheid om contractuele sancties, zoals vooraf gefixeerde schadevergoedingen, toe te passen ▌.

(77)  De uitsluiting moet van beperkte duur zijn, zoals bij Richtlijn 2014/24/EU het geval is, en moet stroken met het evenredigheidsbeginsel.

(78)  Het is noodzakelijk om de aanvangsdatum en de verjaringstermijn voor besluiten inzake uitsluitingen of het opleggen van financiële sancties vast te stellen.

(79)  Het is belangrijk dat de afschrikkende werking die met de uitsluiting en de financiële sanctie wordt bereikt, kan worden versterkt. In dat opzicht moet de afschrikkende werking worden versterkt door te voorzien in de mogelijkheid tot bekendmaking van de informatie betreffende de uitsluiting en/of de financiële sanctie, op een wijze die voldoet aan de gegevensbeschermingsvereisten van Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/679. Dergelijke bekendmaking moet er mede voor zorgen dat hetzelfde gedrag niet wordt herhaald. Ter wille van de rechtszekerheid en conform het evenredigheidsbeginsel moet nader worden bepaald in welke situaties er niet tot bekendmaking mag worden overgegaan. In zijn beoordeling moet de bevoegde ordonnateur rekening houden met eventuele aanbevelingen van de instantie. Van natuurlijke personen mogen de persoonsgegevens uitsluitend worden bekendgemaakt in uitzonderlijke omstandigheden, gerechtvaardigd door de ernst van het gedrag of de gevolgen ervan voor de financiële belangen van de Unie.

(80)  Informatie betreffende een uitsluiting of een financiële sanctie mag uitsluitend worden bekendgemaakt in bepaalde gevallen, zoals een ernstige beroepsfout, fraude, een aanzienlijke tekortkoming in de nakoming van de belangrijkste verplichtingen van een uit de begroting gefinancierde juridische verbintenis, of bij een onregelmatigheid of wanneer een entiteit is opgericht in een andere jurisdictie met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen te omzeilen.

(81)  De uitsluitingscriteria moeten duidelijk worden onderscheiden van de criteria die kunnen leiden tot afwijzing in een gunningsprocedure.

(82)  De informatie over de vroegtijdige opsporing van risico's en besluiten inzake uitsluitingen en het opleggen van financiële sancties aan een persoon of entiteit moet centraal worden beheerd. Daartoe moet deze informatie worden opgeslagen in een databank die door de eigenaar van het gecentraliseerde systeem, de Commissie, is opgezet en wordt beheerd. Dit systeem moet functioneren in volledige overeenstemming met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het recht op bescherming van persoonsgegevens.

(83)  Het opzetten en beheren van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting moet weliswaar onder de verantwoordelijkheid van de Commissie vallen, maar ook andere instellingen en organen van de Unie, alsmede alle personen en entiteiten die middelen van de Unie besteden in direct, gedeeld en indirect beheer, moeten aan dat systeem deelnemen door relevante informatie aan de Commissie door te geven. De bevoegde ordonnateur en de instantie moeten het recht op verdediging van de betrokken persoon of entiteit waarborgen. Hetzelfde recht moet, in de context van een vroegtijdige opsporing, aan een persoon of entiteit worden toegekend indien een door de ordonnateur voorgenomen besluit afbreuk zou kunnen doen aan de rechten van de betrokken persoon of entiteit. In geval van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en waarover nog geen definitieve rechterlijke beslissing is genomen, moet het voorde bevoegde ordonnateur mogelijk zijn om de kennisgeving aan de persoon of entiteit uit te stellen en voor de instantie om het recht uit te stellen van de persoon of entiteit om opmerkingen in te dienen. Een dergelijk uitstel kan alleen gerechtvaardigd zijn indien er zwaarwegende legitieme redenen zijn om het vertrouwelijke karakter van het onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te vrijwaren.

(84)  Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet volledige rechtsmacht worden verleend ten aanzien van uit hoofde van deze verordening besluiten inzake uitsluiting en opgelegde financiële sancties, in overeenstemming met artikel 261 VWEU.

(85)  Ter bevordering van de bescherming van de financiële belangen van de Unie in alle wijzen van uitvoering van de begroting moeten de personen en entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de begroting in gedeeld en indirect beheer, naargelang het geval rekening kunnen houden met uitsluitingen waartoe door de ordonnateurs op Unieniveau is besloten.

(86)  Deze verordening moet bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van e-bestuur, in het bijzonder het gebruik van elektronische gegevens bij de uitwisseling van informatie tussen instellingen van de Unie en derde partijen.

(87)  De vooruitgang in de richting van uitwisseling van informatie en de indiening van documenten langs elektronische weg, met inbegrip van, in voorkomend geval, elektronische aanbesteding, vormen een belangrijke vereenvoudigingsmaatregel en moeten gepaard gaan met duidelijke voorwaarden voor de erkenning van de te gebruiken systemen, zodat een juridisch solide omgeving tot stand wordt gebracht, maar de deelnemers, ontvangers en ordonnateurs toch de nodige flexibiliteit behouden bij het beheer van middelen van de Unie, zoals bepaald in deze verordening.

(88)  Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de samenstelling en de taken van het comité dat belast is met de beoordeling van de aanvraagdocumenten in aanbestedings­procedures, procedures voor toekenning van subsidies en wedstrijden voor prijzen. Het comité moet tevens externe deskundigen kunnen omvatten indien de basishandeling in die mogelijkheid voorziet.

(89)  In overeenstemming met het beginsel van goed bestuur moet de ordonnateur om opheldering vragen of ontbrekende stukken opvragen met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling en zonder substantiële wijziging van de aanvraagdocumenten. Alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen moet de ordonnateur hier anders over kunnen beslissen. Daarnaast moet het de ordonnateur zijn toegestaan een duidelijke administratieve fout te corrigeren of de deelnemer te verzoeken dit te doen.

(90)  Met het oog op goed financieel beheer moet de Commissie zichzelf beschermen door bij de betaling van voorfinancieringen om garanties te verzoeken. De verplichting voor contractanten en begunstigden om garanties te verstrekken mag niet automatisch gelden, maar moet gebaseerd zijn op een risicoanalyse. Indien de ordonnateur tijdens de uitvoering ontdekt dat een borg niet of niet langer gemachtigd is tot het verstrekken van garanties overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, moet de ordonnateur kunnen eisen dat de garantie wordt vervangen.

(91)  De verschillende regels voor direct en indirect beheer, en met name het concept van "begrotingsuitvoeringstaken", zorgen voor verwarring en leiden zowel voor de Commissie als voor haar partners tot risico's op kwalificatiefouten; daarom moeten ze worden vereenvoudigd en geharmoniseerd.

(92)  De bepalingen inzake de voorafgaande pijlerbeoordelingen van personen en entiteiten die middelen van de Unie in indirect beheer besteden, moeten worden herzien opdat de Commissie zo veel mogelijk kan vertrouwen op de systemen, regels en procedures van die personen en entiteiten die als gelijkwaardig worden beschouwd aan die welke door de Commissie worden gebruikt. Daarnaast is het dienstig te verduidelijken dat indien uit de beoordeling blijkt dat er gebieden zijn waarop de bestaande procedures de financiële belangen van de Unie onvoldoende beschermen, de Commissie bijdrageovereenkomsten kan sluiten en tegelijk gepaste toezichtsmaatregelen kan nemen. Ook is het belangrijk te verduidelijken in welke gevallen de Commissie kan besluiten geen pijlerbeoordeling vooraf te eisen om bijdrageovereenkomsten te sluiten.

(93)  Remuneratie van personen en entiteiten die de begroting uitvoeren, moet, indien dit relevant en mogelijk is, gebaseerd zijn op hun prestaties.

(94)  De Commissie sluit partnerschappen met derde landen door middel van financierings­overeenkomsten. Het is van belang dat de inhoud van dergelijke financieringsovereenkomsten wordt verduidelijkt, met name voor de delen van een actie die in indirect beheer door het derde land worden uitgevoerd.

(95)  Het is belangrijk de specifieke aard van blendingfaciliteiten of platforms, waarbij de Commissie haar bijdrage combineert met die van financiële instellingen, te erkennen en de toepassing van de bepalingen inzake financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties te verduidelijken.

(96)  De regels en beginselen inzake aanbestedingen die van toepassing zijn op door instellingen van de Unie voor eigen rekening gegunde overeenkomsten tot uitvoering van overheidsopdrachten, moeten gebaseerd zijn op de voorschriften van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad(15) en Richtlijn 2014/24/EU.

(97)  De door de aanbestedende diensten gebruikte methode om de toepasselijke regels in het geval van gemengde overeenkomsten te bepalen, moet worden verduidelijkt.

(98)  De vóór en na de aanvang van een aanbestedingsprocedure te nemen publiciteitsmaatregelen moeten worden verduidelijkt voor overeenkomsten met een waarde gelijk aan of hoger dan de in Richtlijn 2014/24/EU vastgestelde drempelwaarden, voor overeenkomsten onder die drempelwaarden en voor overeenkomsten die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.

(99)  Deze verordening moet een volledige lijst bevatten van alle aanbestedingsprocedures die, ongeacht de drempelwaarden, ter beschikking van de instellingen van de Unie staan.

(100)  Met het oog op administratieve vereenvoudiging en om de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) te bevorderen, moet worden voorzien in onderhandelings­procedures voor overeenkomsten met een gemiddelde waarde.

(101)  Zoals bij Richtlijn 2014/24/EU het geval is, moet deze verordening het mogelijk maken om vóór aanvang van een aanbestedingsprocedure een marktconsultatie te houden. Opdat een innovatiepartnerschap uitsluitend wordt gebruikt wanneer de gewenste werken, leveringen en diensten niet beschikbaar zijn in de handel of als een ontwikkeling die dicht bij de markt staat., moet deze verordening voorzien in verplichte consultatie van de markt voordat van een innovatiepartnerschap wordt gebruikgemaakt.

(102)  Er moet worden verduidelijkt hoe de aanbestedende diensten aan de bescherming van het milieu en het bevorderen van duurzame ontwikkeling kunnen bijdragen, terwijl tegelijkertijd wordt gegarandeerd dat zij voor hun overeenkomsten de beste prijs-kwaliteitverhouding verkrijgen, met name door specifieke keurmerken voor te schrijven of van passende gunnings­methoden gebruik te maken.

(103)  Opdat ondernemers bij de uitvoering van overeenkomsten voldoen aan de geldende verplichtingen op het gebied van milieu-, sociaal en arbeidsrecht uit hoofde van het Unierecht, het nationale recht, collectieve overeenkomsten of de in bijlage X bij Richtlijn 2014/24/EU vermelde internationale sociale en milieu­overeenkomsten, moeten deze verplichtingen deel uitmaken van de door de aanbestedende dienst omschreven minimumvereisten, en dienen zij in de door de aanbestedende dienst ondertekende overeenkomsten te worden opgenomen.

(104)  De verschillende situaties die doorgaans als "belangenconflict" worden aangeduid, moeten in kaart worden gebracht en verschillend worden behandeld. Het begrip "belangenconflict" mag uitsluitend worden gebruikt indien een persoon of entiteit met bevoegdheden voor de uitvoering van de begroting, of van audit- of controlewerkzaamheden, of een ambtenaar of een personeelslid van een instelling van de Unie of van nationale autoriteiten van ongeacht welk niveau, zich in die situatie bevindt. Pogingen om een gunningsprocedure onrechtmatig te beïnvloeden of vertrouwelijke informatie te verkrijgen ▌ moeten worden behandeld als ernstige beroepsfouten die kunnen leiden tot afwijzing in een gunningsprocedure en/of uitsluiting van de toegang tot middelen van de Unie. Daarnaast kunnen ondernemers zich in een situatie bevinden waarin zij wegens een conflicterend belang op beroepsvlak niet voor de uitvoering van een overeenkomst gekozen mogen worden. Zo mag een bedrijf geen project evalueren waaraan het zelf heeft deelgenomen en mag een controleur niet in de positie verkeren dat hij rekeningen controleert die hij eerder zelf heeft gecertificeerd.

(105)  In overeenstemming met Richtlijn 2014/24/EU moet het mogelijk zijn om in willekeurige volgorde te controleren of een ondernemer is uitgesloten, om de selectie- en gunningscriteria toe te passen, en om na te gaan of de voorschriften inzake de aanbestedingsstukken in acht zijn genomen. Bijgevolg moet het mogelijk zijn inschrijvingen af te wijzen op grond van de gunningscriteria, zonder voorafgaande controle van de betrokken inschrijver met betrekking tot de criteria inzake uitsluiting of selectie.

(106)  Overeenkomsten moeten, conform artikel 67 van Richtlijn 2014/24/EU, worden gegund op basis van de economisch meest voordelige inschrijving. ▌

(107)   Ter wille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat de selectiecriteria strikt verband houden met de evaluatie van gegadigden of inschrijvers en dat de gunningscriteria strikt verband houden met de evaluatie van de inschrijvingen. De kwalificaties en ervaring van het personeel dat met de uitvoering van de overeenkomst is belast, mogen uitsluitend worden gehanteerd als een selectiecriterium, en niet als een gunningscriterium, omdat dit anders zou kunnen leiden tot overlapping en een dubbele evaluatie van hetzelfde element. Voorts zou, indien dergelijke titels en beroepservaring gebruikt zouden worden als gunningscriterium, elke wijziging van het met de uitvoering van de overeenkomst belaste personeel, zelfs indien die vanwege ziekte of een functiewijziging te verantwoorden is, de voorwaarden waaronder de overeenkomst werd gegund, in vraag stellen en zodoende rechtsonzekerheid creëren.

(108)  Bij aanbestedingen van de Unie moet ervoor worden gezorgd dat de middelen van de Unie op een doeltreffende, transparante en passende manier worden gebruikt en dat tegelijkertijd de administratieve lasten voor de ontvangers van middelen van de Unie worden verlicht. In dat verband moeten elektronische aanbestedingen ertoe bijdragen dat de middelen van de Unie beter worden uitgevoerd, en dat overeenkomsten toegankelijker worden voor alle ondernemers. Alle instellingen van de Unie die aanbestedingen organiseren, moeten op hun website duidelijke voorschriften publiceren met betrekking tot aankopen, uitgaven en monitoring, alsmede alle gegunde overeenkomsten, inclusief de waarde ervan.

(109)  Er moet worden verduidelijkt dat voor iedere procedure een openingsfase en een evaluatie bestaat. Een gunningsbesluit moet altijd het resultaat zijn van een evaluatie.

(110)  Bij de kennisgeving van het resultaat van een procedure moeten de gegadigden en inschrijvers in kennis worden gesteld van de gronden waarop het besluit werd genomen en een gedetailleerde motivering ontvangen die gebaseerd is op de inhoud van het evaluatieverslag.

(111)  Aangezien de criteria in willekeurige volgorde worden toegepast, moet aan afgewezen inschrijvers die conforme inschrijvingen hebben ingediend, op hun verzoek informatie worden gegeven over de kenmerken en de relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving.

(112)  In het kader van raamovereenkomsten met een hernieuwde oproep tot mededinging moet er geen verplichting zijn om een niet-geselecteerde contractant informatie over de kenmerken en de relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving te verstrekken, aangezien de ontvangst van dergelijke informatie door partijen bij dezelfde raamovereenkomst iedere keer na een hernieuwde oproep tot mededinging de eerlijke concurrentie tussen hen kan schaden.

(113)  Een aanbestedende dienst moet een aanbestedingsprocedure vóór de ondertekening van de overeenkomst kunnen annuleren zonder dat de gegadigden of inschrijvers aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Dit moet gelden onverminderd situaties waarin de aanbestedende dienst op zodanige wijze heeft gehandeld dat hij aansprakelijk kan worden gesteld voor schade overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht.

(114)  Zoals het geval is bij Richtlijn 2014/24/EU moet duidelijk worden gemaakt onder welke voorwaarden een overeenkomst tijdens de uitvoering ervan gewijzigd kan worden zonder een nieuwe aanbestedingsprocedure. Met name dient een nieuwe aanbestedingsprocedure niet te zijn vereist in geval van administratieve veranderingen, rechtsopvolging onder algemene titel en toepassing van duidelijke en ondubbelzinnige herzieningsbepalingen of -opties die de de minimum­vereisten van de oorspronkelijke procedure niet wijzigen. Een nieuwe aanbestedingsprocedure moet verplicht zijn in geval van materiële wijzigingen van de aanvankelijke overeenkomst, in het bijzonder van de reikwijdte en de inhoud van de wederzijdse rechten en verplichtingen, waaronder wat betreft de verdeling van intellectuele-eigendomsrechten. Die wijzigingen tonen aan dat de partijen de intentie hebben opnieuw te onderhandelen over de wezenlijke voorwaarden van die overeenkomst, met name indien de wijzigingen, hadden de gewijzigde voorwaarden deel uitgemaakt van de aanvankelijke procedure, invloed zouden hebben gehad op het resultaat van de procedure.

(115)  Er moet worden voorzien in de mogelijkheid een uitvoeringsgarantie voor werken, leveringen en complexe diensten te vereisen om gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst de nakoming van essentiële contractuele verplichtingen en een goede uitvoering te waarborgen. Tevens dient te worden voorzien in het kunnen vereisen van een waarborgsom voor de duur van de termijn van contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig hetgeen in de betrokken sectoren gebruikelijk is.

(116)  Teneinde de toepasselijke drempelwaarden en procedures te bepalen, moet worden verduidelijkt of instellingen van de Unie, uitvoerende agentschappen en organen van de Unie geacht worden aanbestedende diensten te zijn. Zij mogen niet worden geacht aanbestedende diensten te zijn in gevallen waarin zij aankopen doen van een aankoopcentrale. Daarnaast vormen de instellingen van de Unie één enkele juridische entiteit en hun diensten mogen behalve overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau geen overeenkomsten onderlingsluiten.

(117)  Het is passend in deze verordening te verwijzen naar de twee drempelwaarden die in Richtlijn 2014/24/EU zijn vastgesteld respectievelijk voor werken en voor leveringen en diensten. Met het oog op vereenvoudiging en ter wille van goed financieel beheer moeten deze drempelwaarden ook gelden voor concessieovereenkomsten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de behoeften van de instellingen van de Unie op dat gebied. De herziening van die drempelwaarden, zoals vastgesteld in Richtlijn 2014/24/EU, moet bijgevolg rechtstreeks van toepassing zijn op aanbestedingen krachtens deze verordening.

(118)  Met het oog op harmonisatie en vereenvoudiging moeten de standaardprocedures voor aanbestedingen ook kunnen worden toegepast op aankopen die onder de lichte regeling van de in artikel 74 van Richtlijn 2014/24/EU bedoelde overeenkomsten voor sociale en andere specifieke diensten vallen. Daarom moet de drempelwaarde voor aankopen onder de lichte regeling worden afgestemd op de drempelwaarde voor overeenkomsten voor diensten.

(119)  Het is nodig de voorwaarden voor de toepassing van de wachttermijn te verduidelijken vóór de ondertekening van een overeenkomst of een raamovereenkomst.

(120)  De regels die van toepassing zijn op aanbestedingen op het gebied van extern optreden moeten in overeenstemming zijn met de beginselen in Richtlijnen 2014/23/EU en 2014/24/EU.

(121)  Om de complexiteit te beperken, de bestaande regels te stroomlijnen en de regels inzake aanbestedingen leesbaarder te maken, is het noodzakelijk de algemene bepalingen inzake aanbestedingen en de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op aanbestedingen op het gebied van extern optreden, te hergroeperen en onnodige herhalingen en kruisverwijzingen te verwijderen.

(122)  Er moet worden verduidelijkt welke ondernemers, afhankelijk van hun vestigingsplaats, toegang hebben tot aanbestedingen krachtens deze verordening, en er moet uitdrukkelijk worden bepaald dat ook internationale organisaties dergelijke toegang kunnen hebben.

(123)  Om een evenwicht te bereiken tussen de behoefte aan transparantie en samenhangendere regels inzake aanbestedingen enerzijds en de behoefte aan flexibiliteit met betrekking tot bepaalde technische aspecten van die regels anderzijds, moeten de technische regels inzake aanbestedingen worden vastgelegd in een bijlage bij deze verordening en moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen inzake wijzigingen in die bijlage.

(124)  Het toepassingsgebied van de titel betreffende subsidies moet worden gepreciseerd, met name wat betreft het type actie of orgaan dat voor subsidie in aanmerking komt en de juridische verbintenissen die voor subsidies kunnen worden aangegaan. Met name subsidiebesluiten moeten, gezien de beperkte mate waarin ze worden gebruikt, en gezien de geleidelijke invoering van elektronische subsidies, worden afgeschaft. De structuur moet worden vereenvoudigd door de bepalingen met betrekking tot andere instrumenten dan subsidies te verplaatsen naar andere delen van deze verordening. De aard van de organen die exploitatiesubsidies kunnen ontvangen, moet worden verduidelijkt, door niet meer te verwijzen naar het "orgaan dat een doelstelling van algemeen Uniebelang nastreeft" aangezien die organen vallen onder het begrip van "orgaan dat een in het kader en ter ondersteuning van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreeft". ▌

(125)  Om de procedures te vereenvoudigen en deze verordening leesbaarder te maken, moeten de bepalingen met betrekking tot de inhoud van de subsidieaanvraag, van de oproep tot het indienen van voorstellen en van de subsidieovereenkomst worden vereenvoudigd en gestroomlijnd.

(126)  Om de uitvoering van door meerdere donoren gefinancierde acties te vergemakkelijken in gevallen waarin de totale financiering van de actie niet bekend is bij de vastlegging van de bijdrage van de Unie, is het nodig om de manier waarop de bijdrage van de Unie wordt bepaald en de methode voor de controle op het gebruik ervan, te verduidelijken.

(127)  De ervaring die is opgedaan met het gebruik van financiering door vaste bedragen, eenheids­kosten of financiering volgens een vast percentage, heeft aangetoond dat dergelijke vormen van financiering geleid hebben tot een aanzienlijke vereenvoudiging van de administratieve procedures en tot een substantiële vermindering van het risico op fouten. Ongeacht het gebied waarop de Unie optreedt zijn vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages geschikte vormen van financiering, met name voor gestandaardiseerde en terugkerende acties, zoals mobiliteit of ▌ opleidingsactiviteiten. Aangezien instellingen van de lidstaten een institutionele samenwerking tussen overheden van lidstaten en begunstigde landen (institutionele jumelage) toepassen, is het gebruik van vereenvoudigde kosten­opties voorts verantwoord en zal dat hun betrokkenheid stimuleren. Met het oog op meer efficiëntie, moeten de lidstaten en andere ontvangers van middelen van de Unie frequenter gebruik kunnen maken van vereenvoudigde kostenopties. In dit verband moeten de voorwaarden voor het gebruik van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages flexibeler worden. Er moet uitdrukkelijk worden voorzien in de vaststelling van eenmalige vaste bedragen die het geheel aan subsidiabele kosten van de actie of het werkprogramma dekken. Ter bevordering van de resultaatgerichtheid moet daarnaast prioriteit worden gegeven aan op output gebaseerde financiering. Op input gebaseerde vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages moeten een optie blijven wanneer op output gebaseerde vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages niet mogelijk of passend zijn.

(128)  De administratieve procedures voor het toestaan van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages moeten worden vereenvoudigd door de bevoegd ordonnateur daartoe te machtigen. In voorkomend geval kan de Commissie dergelijke toestemming verlenen, rekening houdend met de aard van de activiteiten of de uitgaven of met het aantal betrokken ordonnateurs.

(129)  Om de leemten op te vullen in de gegevens die worden gebruikt voor het bepalen van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, moet het worden toegestaan om een beroep te doen op een deskundig oordeel.

(130)   Hoewel het potentieel van een frequenter gebruik van vereenvoudigde vormen van financiering moet worden verwezenlijkt, moet erop worden toegezien dat het beginsel van goed financieel beheer, en met name de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en het verbod op dubbele financiering, wordt nageleefd. Daarom moeten vereenvoudigde vormen van financiering ervoor zorgen dat de ingezette middelen in verhouding staan tot de te verwezenlijken doelstellingen, dat dezelfde kosten niet meer dan een keer uit de begroting worden gefinancierd, dat het medefinancieringsbeginsel in acht wordt genomen en dat in het algemeen overcompensatie van ontvangers wordt voorkomen. Daarom moeten vereenvoudigde vormen van financiering stoelen op statistische of boekhoudkundige gegevens, soortgelijke objectieve hulpmiddelen of oordelen van deskundigen. Voorts moeten passende toetsen, controles en periodieke beoordelingen van toepassing blijven.

(131)  Het toepassingsgebied van toetsen en controles, in tegenstelling tot de periodieke beoordelingen van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages, moet worden verduidelijkt. Deze toetsen en controles moeten zijn gericht op de naleving van de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, inclusief, waar vereist, het bereiken van outputs en/of resultaten. Deze voorwaarden mogen geen verslaglegging over de door de begunstigde werkelijk gemaakte kosten vereisen. Indien de bevoegde ordonnateur of de Commissie vooraf de grootte van de vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage heeft bepaald, mogen deze niet meer aan controles achteraf worden onderworpen. Dit dient niets af te doen aan de mogelijkheid een subsidie te verlagen in geval van ondermaatse, gedeeltelijke of laattijdige uitvoering, of onregelmatigheden, fraude, of niet-nakoming van andere verplichtingen. Met name moet een subsidie worden verlaagd als de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages niet zijn vervuld. De frequentie en de reikwijdte van de periodieke beoordeling moeten afhangen van de ontwikkeling en de aard van de kosten, met name rekening houdend met belangrijke wijzigingen in de marktprijzen en andere relevante omstandigheden. De periodieke beoordeling kan leiden tot aanpassingen van de vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages die van toepassing zijn op toekomstige overeenkomsten, maar mogen niet worden gebruikt om de reeds overeengekomen waarde van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages ter discussie te stellen. Toegang tot de boekhouding van de begunstigde kan om statistische en methodologische redenen noodzakelijk zijn voor de periodieke beoordeling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages, en ook om fraude te voorkomen en op te sporen is toegang noodzakelijk.

(132)  Om de deelname van kleine organisaties aan de uitvoering van het Uniebeleid te bevorderen in een context waarbinnen slechts beperkte middelen beschikbaar zijn, is het nodig de waarde van vrijwilligerswerk te erkennen als subsidiabele kosten. Bijgevolg mogen deze organisaties zich in sterkere mate op vrijwilligers kunnen verlaten om de actie of het werkprogramma mede te financieren. Onverminderd het in de basishandeling vastgestelde maximale medefinancieringspercentage moet de subsidie van de Unie in dergelijke gevallen worden beperkt tot de andere geraamde subsidiabele kosten dan die voor vrijwilligerswerk. Aangezien vrijwilligerswerk werk is dat derden leveren zonder door de begunstigde te worden vergoed, voorkomt deze beperking dat kosten worden vergoed die de begunstigde niet heeft gemaakt. Daarnaast mag de waarde van vrijwilligerswerk niet meer bedragen dan 50% van de bijdragen in natura en eventuele andere medefinanciering.

(133)   Om een van de fundamentele beginselen van openbare financiën te beschermen, moet het winstverbod in deze verordening worden gehandhaafd.

(134)   In principe moeten subsidies worden toegekend na een oproep tot het indienen van voorstellen. Wanneer uitzonderingen worden toegestaan, moeten deze restrictief worden geïnterpreteerd en toegepast wat betreft de reikwijdte en de duur ervan. Van de uitzonderlijke mogelijkheid om subsidies toe te kennen zonder oproep tot het indienen van voorstellen aan organen met een monopolie in feite of in rechte mag alleen gebruik worden gemaakt als de betrokken organen de enige zijn die de betreffende soorten activiteiten kunnen uitoefenen of bij wet of door een overheidsinstantie met een dergelijk monopolie zijn belast.

(135)   In het kader van de overgang naar elektronische subsidies en elektronische aanbestedingen moet ervoor worden gezorgd dat aanvragers en inschrijvers slechts één maal binnen een specifieke periode een bewijs dienen te leveren van hun juridische status en financiële levensvatbaarheid en mag hun niet worden gevraagd de bewijsstukken in elke toekenningsprocedure opnieuw in te dienen. Daarom moeten de vereisten inzake het aantal jaren waarvoor documenten worden verlangd in het kader van procedures voor het toekennen van subsidies en aanbestedingsprocedures op elkaar worden afgestemd.

(136)  Het gebruik van prijzen, die een waardevol type van financiële steun zonder verband met voorzienbare kosten zijn, moet worden vergemakkelijkt en de toepasselijke regels moeten worden verduidelijkt. Prijzen moeten worden beschouwd als aanvulling op, niet als vervanging van, andere financieringsinstrumenten zoals subsidies.

(137)  Om een flexibelere tenuitvoerlegging van prijzen mogelijk te maken, moet de verplichting op grond van Verordening (EU, Euratom) Nr. 966/2012 om prijzen met een waarde van 1 000 000 EUR of meer bekend te maken in de begeleidende verklaringen bij de ontwerpbegroting, worden vervangen door een verplichting tot voorafgaande kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad en tot een uitdrukkelijke vermelding van die prijzen in het financieringsbesluit.

(138)  Prijzen dienen uitgereikt te worden overeenkomstig de beginselen van transparantie en gelijke behandeling. In dat verband moeten de minimumvereisten voor wedstrijden worden vastgesteld, met name de regelingen voor het betalen van de prijs aan de winnaars na hun toekenning, alsook de passende wijze van bekendmaking. Er moet ook worden voorzien in een duidelijk omschreven toekenningsprocedure naar het model van de toekenningsprocedure voor subsidies, gaande van de indiening van de aanvragen tot informatieverstrekking tot de aanvragers en de kennisgeving van de winnende aanvrager.

(139)  In deze verordening moeten de beginselen en voorwaarden die van toepassing zijn op financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand worden vastgelegd, alsmede de regels voor de beperking van de financiële aansprakelijkheid van de Unie, de bestrijding van fraude en het witwassen van geld, het liquideren van financieringsinstrumenten en verslaglegging.

(140)  De Unie heeft de voorbije jaren steeds meer gebruikgemaakt van financieringsinstrumenten waarmee een groter hefboomeffect van de begroting kan worden bereikt, maar die tezelfdertijd een financieel risico voor de begroting meebrengen. Die financierings­instrumenten omvatten niet alleen de onder Verordening (EU, Euratom) Nr. 966/2012 vallende financierings­instrumenten, maar ook andere instrumenten, zoals begrotingsgaranties en financiële bijstand, die voorheen alleen onder de regels van de respectieve desbetreffende basishandelingen vielen. Het is belangrijk om naast de bestaande regels op het gebied van financieringsinstrumenten een gemeenschappelijk kader vast te stellen ter waarborging van de homogeniteit van de beginselen die van toepassing zijn op die reeks instrumenten, en deze te hergroeperen onder een nieuwe titel in deze verordening met afdelingen over begrotingsgaranties en financiële bijstand aan lidstaten of derde landen.

(141)  Financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties kunnen in toenemende mate van belang zijn om de impact van middelen van de Unie te versterken wanneer die middelen met andere middelen worden gepoold en een hefboomeffect hebben. Financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties mogen alleen worden uitgevoerd indien er geen risico op verstoring van de mededinging binnen de interne markt bestaat en deze niet strijdig zijn met de staatssteunregels.

(142)  Binnen het kader van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane jaarlijkse kredieten voor een bepaald programma moeten financieringsinstrumenten en begrotings­garanties worden gebruikt op basis van een evaluatie vooraf die aantoont dat ze doeltreffend zijn voor het bereiken van de beleidsdoelstellingen van de Unie.

(143)  Financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand moeten worden goedgekeurd door middel van een basishandeling. Indien financieringsinstrumenten in terdege gemotiveerde gevallen zonder basishandeling worden vastgesteld, moeten deze door het Europees Parlement en de Raad in de begroting worden goedgekeurd.

(144)  De instrumenten die mogelijks vallen onder titel X, zoals leningen, garanties, investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen en risicodelingsinstrumenten, moeten gedefinieerd worden. De definitie van risicodelingsinstrumenten moet kredietverbeteringen voor projectobligaties kunnen omvatten, ter dekking van het schuldendienstrisico van een project en ter beperking van het kredietrisico van obligatiehouders door middel van kredietverbeteringen in de vorm van een lening of garantie.

(145)  Alle terugbetalingen uit een financieringsinstrument of begrotingsgarantie moeten worden gebruikt voor het instrument of garantie waardoor de terugbetaling is gegenereerd, om dat instrument of die garantie efficiënter te maken ▌, tenzij anders is bepaald in de basishandeling, en moeten in aanmerking worden genomen wanneer toekomstige kredieten voor date instrument of die garantie worden voorgesteld.

(146)  Het is passend om te erkennen dat bij het nastreven van de beleidsdoelstellingen van de Unie de belangen onderling op elkaar worden afgestemd en er met name op te wijzen dat de EIB en het EIF over specifieke deskundigheid voor de uitvoering van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties beschikken.

(147)  De EIB en het EIF, die als groep optreden, moeten de mogelijkheid hebben om een deel van de uitvoering aan elkaar over te dragen, indien die overdracht de uitvoering van een bepaalde actie ten goede komt en zoals nader is omschreven in de desbetreffende overeenkomst met de Commissie.

(148)  Er moet worden verduidelijkt dat wanneer financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties worden gecombineerd met aanvullende vormen van steun uit de begroting, de regels met betrekking tot financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties van toepassing zijn op de volledige maatregel. Dergelijke regels moeten in voorkomend geval worden aangevuld met specifieke vereisten die zijn bepaald in de sectorspecifieke regelgeving.

(149)   De uitvoering van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die uit de begroting worden gefinancierd, moet sporen met het beleid van de Unie inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, en actualiseringen daarvan, als vervat in de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie en in conclusies van de Raad, met name de conclusies van de Raad van 8 november 2016 over de criteria en het proces voor de opstelling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden ten behoeve van belastingdoeleinden(16) en de bijlage daarbij, evenals de conclusies van de Raad van 5 december 2017 over de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden(17) en de bijlagen daarbij.

(150)  Begrotingsgaranties en financiële bijstand aan lidstaten of derde landen zijn doorgaans niet-budgettaire verrichtingen met aanzienlijke gevolgen voor de balans van de Unie. Hoewel het doorgaans niet-budgettaire verrichtingen blijven, is het dienstig in deze verordening regels op te nemen die de financiële belangen van de Unie beschermen en een duidelijker kader scheppen voor het gebruik, het beheer en de boekhouding ervan.

(151)  De Unie heeft onlangs belangrijke initiatieven op basis van begrotingsgaranties genomen, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) of het Europees fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO). Die instrumenten brengen voor de Unie een voorwaardelijke verplichting mee, waardoor in middelen moet worden voorzien waarmee een liquiditeitsbuffer beschikbaar wordt gesteld, opdat met de begroting naar behoren kan worden gereageerd op betalingsverplichtingen die kunnen voortvloeien uit die voorwaardelijke verplichtingen. Met het oog op het behoud van de kredietbeoordeling van de Unie en dus haar vermogen om effectieve financiering te verstrekken, is het van essentieel belang dat het toestaan van, de voorziening in en het toezicht op voorwaardelijke verplichtingen gebeurt volgens een gedegen geheel aan regels die op alle begrotings­garanties moeten worden toegepast.

(152)  De voorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit de begrotingsgaranties kunnen betrekking hebben op uiteenlopende financierings- en investeringsverrichtingen. De mogelijkheid dat een beroep wordt gedaan op een begrotingsgarantie, kan niet met volledige zekerheid op jaarbasis worden gepland, zoals in het geval van leningen met een bepaald aflossingsschema. Daarom moet een kader voor het toestaan van en het toezicht op voorwaardelijke verplichtingen worden opgezet, opdat het maximum aan jaarlijkse betalingskredieten, dat in Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad(18) ▌ is vastgesteld, op ieder moment volledig in acht wordt genomen.

(153)  Dit kader moet ook voorzien in beheer en controle, inclusief regelmatige verslaglegging over het financiële risico waaraan de Unie wordt blootgesteld. Het voorzieningspercentage van financiële verplichtingen moet worden bepaald aan de hand van een degelijke beoordeling van de financiële risico’s die voortvloeien uit het desbetreffende instrument. De houdbaarheid van de voorwaardelijke verplichtingen moet jaarlijks worden beoordeeld in het kader van de begrotingsprocedure. Er moet een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing worden vastgesteld om een tekort aan voorzieningen ter dekking van de financiële verplichtingen te voorkomen.

(154)  Door het toenemende gebruik van financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand moet een aanzienlijk volume aan betalingskredieten worden vrijgemaakt en moeten daarvoor voorzieningen worden aangelegd. Om voor een hefboomeffect te zorgen en tegelijk een adequaat niveau van bescherming tegen financiële verplichtingen te waarborgen, is het belangrijk de vereiste hoeveelheid voorzieningen te optimaliseren en efficiëntiewinsten te realiseren door deze voorzieningen te bundelen in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds. Bovendien maakt het flexibelere gebruik van de gebundelde voorzieningen een doeltreffend globaal voorzieningspercentage mogelijk dat met een optimale hoeveelheid middelen de gevraagde bescherming biedt.

(155)   Met het oog op het goed functioneren van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds voor de programmeringsperiode na 2020 moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2019 een onafhankelijke externe evaluatie indienen over de voor- en nadelen van het toevertrouwen van het financieel beheer van de activa van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan de Commissie, de EIB, of een combinatie van beide, rekening houdend met de relevante technische en institutionele criteria die worden gehanteerd bij het vergelijken van vermogensbeheersdiensten, met inbegrip van de technische infrastructuur, de vergelijking van de kosten voor de verleende diensten, de institutionele structuur, verslaglegging, prestaties, verantwoordingsplicht en deskundigheid van elke instelling en de overige mandaten voor het beheren van activa voor de begroting. Zo nodig moet de evaluatie vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel.

(156)  De regels die van toepassing zijn op voorzieningen en op het gemeenschappelijk voorzieningsfonds moeten een solide kader voor interne controle scheppen. De richtsnoeren die van toepassing zijn op het beheer van de middelen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds moeten door de Commissie worden vastgesteld na raadpleging van de rekenplichtige van de Commissie. De ordonnateurs van de financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand moeten nauwlettend toezien op de financiële verplichtingen die onder hun bevoegdheid vallen en de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds moet de geldmiddelen en de activa van het fonds beheren met inachtneming van de regels en procedures die zijn vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie.

(157)  Begrotingsgaranties en financiële bijstand moeten worden verstrekt volgens de voor financieringsinstrumenten vastgestelde beginselen. Met name begrotingsgaranties moeten onherroepelijk, onvoorwaardelijk en op verzoek zijn. Zij moeten worden uitgevoerd in indirect beheer of alleen in uitzonderlijke gevallen in direct beheer. Zij dienen enkel financierings- en investeringsverrichtingen te dekken en hun tegenpartijen moeten hun eigen middelen bijdragen aan de gedekte verrichtingen.

(158)  Financiële bijstand aan lidstaten of derde landen moet de vorm aannemen van een lening of een kredietlijn of een ander instrument dat passend worden geacht om de doeltreffendheid van de steun te garanderen. Met het oog daarop dient de Commissie in de betrokken basishandeling te worden gemachtigd om de nodige middelen op de kapitaalmarkten of bij financiële instellingen te lenen en daarbij te vermijden dat de Unie bij een looptijdtransformatie wordt betrokken waardoor zij aan renterisico's of andere commerciële risico's zou worden blootgesteld.

(159)  De bepalingen met betrekking tot financieringsinstrumenten moeten zo spoedig mogelijk ▌ van toepassing zijn, zodat de gewenste vereenvoudiging en doeltreffendheid worden verwezenlijkt. De bepalingen met betrekking tot de begrotingsgaranties en de financiële bijstand, alsmede tot het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, moeten van toepassing zijn vanaf het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020. Door dat tijdschema kunnen de nieuwe instrumenten voor het beheer van voorwaardelijke verplichtingen grondig worden voorbereid. Hierdoor zullen de in titel X vastgestelde beginselen ook kunnen worden afgestemd op het voorstel voor het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 enerzijds, en de specifieke programma’s in verband met dat kader anderzijds.

(160)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad(19) legt de regels vast voor onder meer de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau, in het bijzonder wat betreft de voorwaarden voor financiering, de toekenning en de verdeling van de financiering, donaties en bijdragen, de financiering van campagnes voor verkiezingen voor het Europees Parlement, vergoedbare uitgaven, een verbod op bepaalde financiering, rekeningen, verslaglegging en audit, uitvoering en controle, sancties, samenwerking tussen de Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten, en transparantie. ▌

(161)  Er moeten regels worden vastgesteld in deze Verordening betreffende de bijdragen uit de begroting aan Europese politieke partijen, zoals voorzien in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. ▌

(162)  De financiële steun aan Europese politieke partijen moet worden toegekend in de vorm van een specifieke bijdrage, zodat deze aan de specifieke behoeften van die partijen voldoet.

(163)  Hoewel financiële steun wordt toegekend zonder dat een jaarlijks werkprogramma is vereist, moeten Europese politieke partijen achteraf aantonen dat de financiering van de Unie goed is gebruikt. De bevoegde ordonnateur moet met name controleren of de financiering is gebruikt om binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen vergoedbare uitgaven te betalen zoals vastgelegd in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen. Bijdragen voor Europese politieke partijen moeten worden gebruikt uiterlijk op het einde van het begrotingsjaar dat volgt op het begrotingsjaar van de toekenning ervan, waarna alle ongebruikte financiering door de bevoegde ordonnateur moet worden teruggevorderd.

(164)  Financiering van de Unie die is toegekend voor het financieren van de werkingskosten van de Europese politieke partijen mag niet voor andere dan de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalde doeleinden worden gebruikt, en met name niet voor het rechtstreeks of onrechtstreeks financieren van derden, zoals nationale politieke partijen. Europese politieke partijen moeten de bijdragen gebruiken voor het betalen van een percentage van huidige en toekomstige uitgaven, en niet voor uitgaven of schulden die vóór het indienen van hun verzoek om een bijdrage zijn gemaakt.

(165)  Ook de toekenning van bijdragen moet worden vereenvoudigd en aangepast aan de specifieke kenmerken van Europese politieke partijen, in het bijzonder door geen selectiecriteria toe te passen, door in de regel de bijdragen door middel van één enkele voorfinanciering volledig te betalen, en door de mogelijkheid tot het gebruik van vaste bedragen, financiering volgens een vast percentage en eenheidskosten ▌.

(166)  De bijdragen uit de begroting van de Unie moeten worden opgeschort, verlaagd of ingetrokken indien Europese politieke partijen Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 niet naleven.

(167)  Sancties die worden opgelegd op basis van zowel deze Verordening als Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, moeten op coherente wijze worden toegepast met inachtneming van het "ne bis in idem"-beginsel. Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 mogen in deze verordening bepaalde administratieve en/of financiële sancties niet worden opgelegd wanneer reeds sancties zijn opgelegd op basis van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

(168)  Deze verordening moet voorzien in een algemeen kader voor het gebruik van begrotingssteun als instrument op het gebied van extern optreden, met inbegrip van de verplichting voor het derde land om de Commissie tijdig passende informatie te verstrekken zodat zij de naleving van de overeengekomen voorwaarden en bepalingen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie kan evalueren.

(169)  Om de rol van het Europees Parlement en van de Raad te versterken, moet de procedure voor het instellen van trustfondsen van de Unie worden verduidelijkt. Het is ook nodig de beginselen vast te stellen die van toepassing zijn op de bijdragen aan trustfondsen van de Unie, met name het belang van het verzekeren van bijdragen van andere donoren die het instellen ervan rechtvaardigen vanuit het oogpunt van meerwaarde. Tevens moeten de verantwoordelijkheden van de financiële actoren en van de raad van bestuur van het trustfonds van de Unie worden verduidelijkt en moeten regels worden vastgesteld om te garanderen dat de deelnemende donoren naar behoren vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur van het trustfonds van de Unie en dat over het gebruik van de middelen van het fonds de goedkeurende stem van de Commissie vereist is. Het is ook belangrijk de verslagleggingvereisten die voor trustfondsen van de Unie van toepassing zijn, nader te omschrijven.

(170)  Om de bestaande regels te stroomlijnen en onnodige herhaling te vermijden, moeten de in Deel Twee van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 vastgestelde bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het ELGF, op onderzoek, op extern optreden en op specifieke middelen van de Unie. enkel worden opgenomen in de betrokken delen van deze verordening, zolang de bepalingen nog worden gebruikt en relevant zijn.

(171)  De bepalingen met betrekking tot de presentatie van de rekeningen en de boekhouding moeten worden vereenvoudigd en verduidelijkt. Daarom is het aangewezen dat alle bepalingen betreffende de jaarrekening en andere financiële verslaglegging worden gebundeld.

(172)  De wijze waarop instellingen van de Unie momenteel aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uitbrengen over onroerendgoedprojecten, moet worden verbeterd. De instellingen van de Unie moet worden toegestaan nieuwe onroerendgoedprojecten te financieren met uit reeds verkochte gebouwen verkregen ontvangsten. Bijgevolg moet een verwijzing naar bepalingen inzake interne bestemmingsontvangsten in de bepalingen inzake onroerendgoedprojecten worden toegevoegd. Zo zou tegemoet kunnen worden gekomen aan de veranderende behoeften in het onroerendgoed­beleid van instellingen van de Unie en zou tezelfdertijd op de kosten worden bespaard en voor meer flexibiliteit worden gezorgd.

(173)  Ter aanpassing van de op bepaalde organen van de Unie van toepassing zijnde regels, van de gedetailleerde bepalingen inzake aanbestedingen en van de gedetailleerde voorwaarden en de minimale verhouding van het effectief voorzieningspercentage moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen en de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen, wijzigingen in bijlage I bij deze verordening, de gedetailleerde voorwaarden en de methode voor de berekening van het effectief voorzieningspercentage en van de wijziging van de vastgelegde minimale verhouding van het effectief voorzieningspercentage, die evenwel niet onder 85 % mag worden vastgesteld. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(174)  Opdat het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr.1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad(20), snel in adequate middelen voorziet ter ondersteuning van veranderende politieke prioriteiten, moeten de indicatieve aandelen voor elk van de drie assen alsmede de minimumpercentages voor elk van de thematische prioriteiten binnen elke as een grotere flexibiliteit mogelijk maken, waarbij de ambities op het gebied van de ontwikkeling van grensoverschrijdende EURES-partnerschappen hoog blijven. Dit moet het EaSI-beheer verbeteren en ervoor zorgen dat de begrotingsmiddelen kunnen worden toegespitst op acties die op sociaal vlak en op het vlak van werkgelegenheid tot betere resultaten leiden.

(175)  Om investeringen in culturele en duurzame toerisme-infrastructuur te bevorderen, en dit onverminderd de toepassing van rechtshandelingen van de Unie op milieugebied en met name, indien van toepassing, de Richtlijnen 2001/42/EG(21) en 2011/92/EU(22) van het Europees Parlement en de Raad, moeten bepaalde beperkingen met betrekking tot het toepassingsgebied van de ondersteuning uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad(23) van deze investeringen worden verduidelijkt. Derhalve moet worden voorzien in duidelijke beperkingen wat betreft het limiteren van de omvang van de bijdrage uit het EFRO aan dergelijke investeringen vanaf … [ datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].

(176)  Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen als gevolg van de groeiende instroom van migranten en vluchtelingen, moeten de doelstellingen waaraan het EFRO door middel van ondersteuning van migranten en vluchtelingen kan bijdragen, worden gepreciseerd, opdat de lidstaten investeringen kunnen doen die gericht zijn op legaal verblijvende onderdanen van derde landen, met inbegrip van asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten.

(177)  Om de uitvoering van concrete acties in het kader van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad(24) te vergemakkelijken, moet het aantal potentiële begunstigden worden uitgebreid. Daarom moet het managementautoriteiten worden toegestaan natuurlijke personen als begunstigde in aanmerking te nemen en dient in het kader van staatssteun een flexibelere definitie van begunstigde te worden bepaald.

(178)   In de praktijk worden macroregionale strategieën overeengekomen op het moment van aanneming van conclusies van de Raad. Zoals het geval is sinds de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1303/2013, kan de Europese Raad zo nodig dergelijke conclusies bekrachtigen, met inachtneming van de bevoegdheden die die instelling toekomen krachtens artikel 15 VEU. De definitie van "macroregionale strategieën" vermeld in die verordening moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd

(179)  Ter waarborging van een gezond financieel beheer van het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het EFMZV ("de Europese structuur- en investeringsfondsen" - "ESI-fondsen") en ter verduidelijking van de verplichtingen van de lidstaten, moeten de algemene beginselen bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 verwijzen naar de in deze verordening vastgestelde beginselen met betrekking tot interne controle op de begrotingsuitvoering en van vermijding van belangenconflicten.

(180)  Om zo veel mogelijk synergieën te creëren tussen alle fondsen van de Unie zodat de uitdagingen op het gebied van migratie en asiel op een doeltreffende manier kunnen worden aangepakt, moet ervoor worden gezorgd dat wanneer de thematische doelstellingen worden omgezet in prioriteiten in de fondsspecifieke voorschriften, deze prioriteiten het passend gebruik van elk ESI-fonds op die gebieden omvatten. In voorkomend geval moet worden gezorgd voor coördinatie met het Fonds voor asiel, migratie en integratie.

(181)  Opdat de programmeringsregelingen samenhangend zijn, moeten de partnerschaps­overeenkomsten eenmaal per jaar worden afgestemd op de in het voorgaande kalenderjaar door de Commissie goedgekeurde wijzigingen in de programma's.

(182)  Om de opstelling en uitvoering van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling te vergemakkelijken, moet worden toegestaan dat de voorbereidende, gebruiks- en dynamiseringskosten worden gedekt door het hoofdfonds.

(183)  Om de uitvoering van vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investeringen te vergemakkelijken, moeten de taken en verantwoordelijkheden van lokale actiegroepen (in het geval van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling) en plaatselijke autoriteiten, organen voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties wat betreft geïntegreerde territoriale investeringen in verhouding tot andere programma-instanties worden verduidelijkt. De aanwijzing als een intermediaire instantie conform de fonds-specifieke voorschriften mag alleen verlangd worden indien de betrokken instanties aanvullende taken uitvoeren die onder de verantwoordelijkheid van de management- of certificeringsautoriteit of het betaalorgaan vallen.

(184)  De managementautoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om financieringsinstrumenten uit te voeren via onderhandse gunning van een overeenkomst ▌ aan de EIB en aan internationale financiële instellingen.

(185)  Veel lidstaten hebben banken of ▌ instellingen in overheidshanden opgericht die op grond van een overheidsmandaat economische ontwikkelingsactiviteiten bevorderen. Dergelijke banken of ▌ instellingen in overheidshanden onderscheiden zich van particuliere commerciële banken door hun specifieke kenmerken met betrekking tot hun eigenaarschap, hun ontwikkelingsmandaat en het feit dat zij niet in de eerste plaats handelen met het oogmerk van winstmaximalisatie. Het is in de eerste plaats de rol van dergelijke banken of instellingen in overheidshanden om marktfalen tegen te gaan wanneer commerciële banken in bepaalde regio’s of in sommige beleidsgebieden of sectoren onvoldoende financiële diensten verlenen. Die banken of ▌ instellingen in overheidshanden zijn geschikt om de toegang tot de ESI-fondsen te bevorderen en tegelijkertijd de mededingingsneutraliteit te bewaren. Dankzij hun specifieke rol en kenmerken kunnen ze door de lidstaten worden gebruikt om het gebruik van financierings­instrumenten te vergroten, zodat de impact van de ESI-fondsen op de reële economie wordt gemaximaliseerd. Een dergelijke uitkomst zou in overeenstemming zijn met het beleid van de Commissie waarbij de rol van deze banken of instellingen in overheidshanden als fondsbeheerders wordt bevorderd, zowel bij de uitvoering van de ESI-fondsen als wanneer de ESI-fondsen worden gecombineerd met EFSI-financiering, zoals met name is vastgesteld in het investeringsplan voor Europa. Onverminderd reeds gegunde overeenkomsten voor de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, is het gerechtvaardigd te verduidelijken dat de managementautoriteiten overeenkomsten onderhands aan dergelijke banken of ▌ instellingen in overheidshanden kunnen gunnen. Opdat de mogelijkheid van onderhandse gunning niettemin strookt met de beginselen van de interne markt, moeten strikte, door de banken of instellingen in overheidshanden na te leven voorwaarden worden gesteld. Dergelijke voorwaarden houden in dat er geen directe participatie van privékapitaal mag zijn, met uitzondering van geen controle of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2014/24/EU. Voorts moet het een bank of instelling in overheidshanden binnen het strikte kader van het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr.1303/2013 tevens worden toegestaan om financierings­instrumenten uit te voeren indien de participatie van privékapitaal geen invloed heeft op besluiten inzake het dagelijks beheer van het door de ESI-fondsen ondersteund financieringsinstrument.

(186)  Ter handhaving van de mogelijkheid voor het EFRO en het ELFPO om bij te dragen aan gezamenlijke financieringsinstrumenten voor onbeperkte garanties en securitisatie ten behoeve van kmo’s, moet worden bepaald dat lidstaten het EFRO en het ELFPO kunnen gebruiken om gedurende de hele programmeringsperiode aan dergelijke instrumenten bij te dragen en moeten relevante bepalingen met betrekking tot deze optie, zoals die inzake beoordelingen en evaluaties vooraf, worden geactualiseerd en moet er met betrekking tot het EFRO worden voorzien in de mogelijkheid van programmering op het niveau van de prioriteitsas.

(187)  De vaststelling van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad(25) beoogde de lidstaten in staat te stellen door middel van de ESI-fondsen bij te dragen aan de financiering van subsidiabele projecten die ▌ uit hoofde van het EFSI worden ondersteund. Er moet een specifieke bepaling in Verordening (EU) nr.1303/2013 worden opgenomen waarin de voorwaarden ter verbetering van de interactie en complementariteit worden vastgesteld die de mogelijkheid om de ESI-fondsen te combineren met financiële producten van de EIB in het kader van de EU-garantie van het EFSI zullen bevorderen.

(188)   Bij hun concrete acties moeten de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren sporen met het beleid van de Unie inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, en actualiseringen daarvan, als vervat in de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie en in de conclusies van de Raad, met name de conclusies van de Raad van 8 november 2016 en de bijlage daarbij, alsmede de conclusies van de Raad van 5 december 2017 en de bijlagen daarbij.

(189)  Om de controle- en auditvoorschriften te vereenvoudigen en te harmoniseren en de verantwoordingsplicht van de door de EIB en andere internationale financiële instellingen uitgevoerde financieringsinstrumenten te verbeteren, is het noodzakelijk de bepalingen inzake beheer en controle voor financieringsinstrumenten te wijzigen om het proces voor het verkrijgen van zekerheid te vergemakkelijken. Die wijziging dient niet te gelden voor financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder a), en artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 die zijn ingesteld krachtens een financieringsovereenkomst die is ondertekend vóór … [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening]. Voor dergelijke financieringsinstrumenten moet artikel 40 van die verordening, die op het moment van ondertekening van die financieringsovereenkomst van kracht is, blijven gelden.

(190)  Opdat de voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) nr. 1303/2013 met betrekking tot de modellen voor de controleverslagen en de jaarlijkse auditverslagen als bedoeld in artikel 40, lid 1 van die verordening eenvormig zijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(26).

(191)  Om te zorgen voor consistentie met de behandeling van financiële correcties tijdens de programmeringsperiode 2007-2013, moet worden verduidelijkt dat in het geval van financieringsinstrumenten het mogelijk moet zijn om toe te staan dat een bijdrage die als gevolg van een individuele onregelmatigheid is geannuleerd wordt hergebruikt voor regelmatige uitgaven binnen dezelfde concrete actie, zodat de desbetreffende financiële correctie geen nettoverlies tot gevolg heeft voor de concrete actie van het financieringsinstrument.

(192)  Teneinde meer tijd te verschaffen voor de ondertekening van financieringsovereenkomsten op grond waarvan escrowrekeningen mogen worden gebruikt voor betalingen na het einde van de subsidiabiliteitsperiode voor betalingen voor investeringen in eindontvangers, moet de uiterste termijn voor de ondertekening van zulke financieringsovereenkomsten worden verlengd tot en met 31 december 2018.

(193)  Om ▌ investeerders die werken vanuit het markteconomiebeginsel te stimuleren om mee te investeren in openbarebeleidsprojecten, moet het concept van gedifferentieerde behandeling van investeerders worden geïntroduceerd, waarbij de ESI-fondsen onder specifieke voorwaarden een ondergeschikte rol kunnen vervullen ten opzichte van investeerders die werken vanuit het markteconomiebeginsel en financiële producten van de EIB in het kader van de EU-garantie van het EFSI. Tegelijkertijd moeten de voorwaarden voor de toepassing van een dergelijke gedifferentieerde behandeling bij de uitvoering van de ESI-fondsen worden vastgesteld.

(194)  Gezien de aanhoudend lage rentevoeten en om de met de uitvoering van de financierings­instrumenten belaste instanties niet onnodig te benadelen, moet worden toegestaan, op voorwaarde dat de kasmiddelen actief worden beheerd, dat de negatieve rente als gevolg van investeringen van de ESI-fondsen uit hoofde van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1303/2013wordt gefinancierd met middelen die aan het financierings­instrument worden teruggestort.

(195)  Om de verslagleggingsvoorschriften af te stemmen op nieuwe bepalingen betreffende de gedifferentieerde behandeling van investeerders en om overlapping van bepaalde vereisten te voorkomen, moet artikel 46, lid 2 van Verordening (EU) nr. 1303/2013worden gewijzigd.

(196)  Om de uitvoering van de ESI-fondsen te vergemakkelijken, is het nodig de lidstaten de mogelijkheid te bieden technische bijstandsacties uit te voeren door middel van onderhandse gunning aan de EIB, andere internationale financiële instellingen en banken of instellingen in overheidshanden.

(197)   Met het oog op de verdere harmonisering van de voorwaarden voor concrete acties die na hun voltooiing netto-inkomsten genereren, moeten de desbetreffende bepalingen van deze verordening van toepassing zijn op reeds geselecteerde maar nog lopende concrete acties en op concrete acties die nog in het kader van die programmeringsperiode moeten worden geselecteerd.

(198)   Om de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen te stimuleren, mogen kosten­besparingen die voortkomen uit de verbeterde energie-efficiëntie van een concrete actie niet met netto-inkomsten worden gelijkgesteld.

(199)  Om de uitvoering van inkomstengenererende concrete acties te vergemakkelijken, moet worden toegestaan dat het medefinancieringspercentage op welk tijdstip dan ook tijdens de uitvoering van het programma kan worden verlaagd, en moet er in mogelijkheden worden voorzien voor de vaststelling van vaste netto-inkomstenpercentages op nationaal niveau.

(200)  Als gevolg van de late vaststelling van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad(27) en het feit dat bij die verordening de niveaus van steunintensiteit zijn vastgesteld, moet worden voorzien in een aantal vrijstellingen in Verordening (EU) nr 1303/2013 voor het EFMZV met betrekking tot inkomstengenererende concrete acties. Aangezien die vrijstellingen van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad gunstigere voorwaarden scheppen voor bepaalde inkomstengenererende acties waarvoor steunbedragen of steunpercentages zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 508/2014, moet voor die vrijstellingen een andere toepassingsdatum worden vastgesteld, om de gelijke behandeling te waarborgen van concrete acties waarvoor steun wordt verleend op grond van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

(201)  Teneinde de administratieve lasten voor de begunstigden te verminderen, moet de drempel worden verhoogd waaronder bepaalde concrete acties zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de uitvoering gegenereerde inkomsten te berekenen en in acht te nemen.

(202)  Om synergieën tussen de ESI-fondsen en andere instrumenten van de Unie te bevorderen, moeten gedane uitgaven op basis van een vooraf overeengekomen percentage kunnen worden vergoed uit verschillende ESI-fondsen en instrumenten van de Unie.

(203)  Ter bevordering van het gebruik van vaste bedragen en gezien het feit dat vaste bedragen moeten worden gebaseerd op een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode ter waarborging van gezond financieel beheer, moet de toepasselijke bovengrens voor het gebruik van vaste bedragen worden geschrapt.

(204)  Om de administratieve lasten bij de uitvoering van projecten door begunstigden te verminderen, moeten nieuwe vereenvoudigde kostenopties worden geïntroduceerd voor financiering op basis van andere voorwaarden dan de kosten van de concrete acties.

(205)   Teneinde de regels voor het gebruik van fondsen te vereenvoudigen en de administratieve lasten te verminderen, moeten de lidstaten in toenemende mate gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties.

(206)  Rekening houdend met het feit dat, in overeenstemming met artikel 71 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, de verplichting om de duurzaamheid van concrete investeringsacties te garanderen van toepassing is vanaf de laatste betaling aan de begunstigde, en dat, wanneer de investering bestaat uit de huurkoop van nieuwe machines en uitrusting, de laatste betaling aan het einde van de contractperiode gebeurt, moet die verplichting niet voor dat soort investeringen gelden.

(207)  Opdat vereenvoudigde kostenopties in ruime mate worden toegepast, moet voor het EFRO en het ESF het gebruik van standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages worden verplicht voor concrete acties of projecten die deel uitmaken van een concrete actie die steun ontvangt van het EFRO en het ESF onder een bepaalde drempel, onverminderd de relevante overgangsbepalingen. De managementautoriteit of het toezichtscomité voor de programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" moeten de mogelijkheid krijgen om deze overgangsperiode te verlengen met een duur die zij passend achten, indien zij van oordeel zijn dat dergelijke verplichting een onevenredig grote administratieve last meebrengt. Dergelijke verplichting moet niet gelden voor concrete acties die steun ontvangen in het kader van staatssteun die geen de-minimissteun vormt. Voor dergelijke concrete acties moeten alle vormen van subsidie en terugvorderbare bijstand optioneel blijven. Tezelfdertijd moet voor alle ESI-fondsen het gebruik van ontwerpbegrotingen worden ingevoerd als aanvullende methode voor het vaststellen van vereenvoudigde kosten.

(208)  Teneinde te bevorderen dat vereenvoudigde kostenopties vroeger en gerichter worden toegepast, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEUhandelingen vast te stellen voor wat betreft het aanvullen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 met bijkomende specifieke voorschriften inzake de rol, de aansprakelijkheid en de verantwoordelijkheid van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, de bijbehorende selectiecriteria en de producten die via financieringsinstrumenten kunnen worden geleverd, het aanvullen van de bepalingen van Verordening (EU) nr.1303/2013 inzake de standaardschalen van eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage, de eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode waarmee deze kunnen worden vastgesteld, en het vaststellen van specifieke bijzonderheden voor de financiering op basis van de naleving van voorwaarden die in verband staan met de geboekte vooruitgang bij de uitvoering en de verwezenlijking van de doelstellingen van de programma’s, in plaats van op basis van de kosten en de toepassing daarvan. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(209)  Om de administratieve lasten te beperken, moet er meer gebruik worden gemaakt van vaste percentages die geen door de lidstaten vast te stellen methodologie vereisen. Bijgevolg moeten twee extra vaste percentages worden ingevoerd: één voor de berekening van directe personeelskosten en één voor de berekening van de resterende subsidiabele kosten op basis van personeelskosten. Daarnaast moeten de methoden voor de berekening van de personeelskosten verder worden verduidelijkt.

(210)  Om de doeltreffendheid en de impact van concrete acties te verhogen, moet het uitvoeren van acties die betrekking hebben op het hele grondgebied van een lidstaat of acties met betrekking tot verschillende programma’s worden vergemakkelijkt en moeten voor bepaalde investeringen meer mogelijkheden voor uitgaven buiten de Unie worden gecreëerd.

(211)  Om de lidstaten aan te moedigen om bij grote projecten gebruik te maken van beoordelings­verslagen door onafhankelijke deskundigen, moet worden toegestaan dat de uitgaven­declaratie met betrekking tot het grote project voorafgaand aan de positieve beoordeling door de onafhankelijke deskundige bij de Commissie mag worden ingediend, nadat de Commissie ervan in kennis is gesteld dat de relevante informatie aan de onafhankelijke deskundige is bezorgd.

(212)  Ter bevordering van het gebruik van gemeenschappelijke actieplannen die de administratieve lasten voor de begunstigden verminderen, moeten de wettelijke vereisten voor het opzetten van een gezamenlijk actieplan worden beperkt, met voortdurende aandacht voor horizontale beginselen zoals gendergelijkheid en duurzame ontwikkeling, die in belangrijke mate hebben bijgedragen tot de doeltreffende uitvoering van de ESI-fondsen.

(213)  Om onnodige administratieve lasten voor begunstigden te vermijden, moeten de regels inzake informatie, communicatie en zichtbaarheid in overeenstemming zijn met het evenredigheids­beginsel. Bijgevolg is het belangrijk duidelijkheid te verschaffen over het toepassingsgebied van die regels.

(214)  Om de administratieve lasten te beperken en te zorgen dat effectief wordt gebruikgemaakt van technische bijstand in het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds en in verschillende regiocategorieën, moet er meer flexibiliteit komen met betrekking tot de berekening en controle van de respectieve maxima voor de technische bijstand die de lidstaten ontvangen.

(215)  Om de uitvoeringsstructuren te stroomlijnen, moet worden verduidelijkt dat het ook voor programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" mogelijk is dat de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit deel uitmaken van dezelfde overheidsinstantie.

(216)  De verantwoordelijkheden van de managementautoriteiten met betrekking tot de verificatie van de uitgaven ingeval vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt, moeten nader worden gespecificeerd.

(217)  Opdat de begunstigden ten volle kunnen profiteren van de potentiële vereenvoudiging dankzij e‑governanceoplossingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), en met name om volledig elektronisch documentenbeheer te vergemakkelijken, moet worden verduidelijkt dat een papieren spoor niet noodzakelijk is indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

(218)   Om controles evenrediger te maken en de administratieve lasten als gevolg van dubbele controles te verminderen, met name voor kleine begunstigden, moet, zonder het beginsel van goed financieel beheer te ondermijnen, voor het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en het EFMZV het beginsel van één enkele audit overheersen en moeten de drempels waaronder concrete acties aan slechts één audit worden onderworpen, worden verdubbeld.

(219)   Het is belangrijk de zichtbaarheid van de ESI-fondsen te verhogen en de resultaten en prestaties ervan meer onder de aandacht van het publiek te brengen. Informatie- en communicatie-activiteiten en maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid voor het publiek blijven essentieel om bekendheid te geven aan de verwezenlijkingen van de ESI-fondsen en aan te tonen hoe de financiële middelen van de Unie worden geïnvesteerd.

(220)   Om de toegang tot het ESF voor bepaalde doelgroepen te vergemakkelijken, hoeven voor bepaalde indicatoren zoals bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad(28) geen gegevens te worden verzameld.

(221)  Met het oog op de gelijke behandeling van de concrete acties die op grond van deze verordening worden ondersteund, moet de datum van toepassing van bepaalde wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 worden vastgesteld.

(222)   Om ervoor te zorgen dat een samenhangend geheel van regels van toepassing is op de volledige programmeringsperiode van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013 en Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad(29) moeten sommige wijzigingen van die verordeningen vanaf 1 januari 2014 gelden. Door ervoor te zorgen dat die wijzigingen terugwerkende kracht hebben, wordt rekening gehouden met gewettigde verwachtingen.

(223)   Om vaart te zetten achter de uitvoering van financieringsinstrumenten die steun uit de ESI-fondsen combineren met financiële producten van de EIB uit hoofde van de EU-garantie voor het EFSI, en te voorzien in een permanente rechtsgrondslag voor de ondertekening van financierings­overeenkomsten op grond waarvan escrowrekeningen voor op eigen vermogen gebaseerde instrumenten mogen worden gebruikt, moeten sommige wijzigingen van deze verordening vanaf 1 januari 2018 van toepassing zijn. Door ervoor te zorgen dat die wijzigingen terugwerkende kracht hebben, wordt de financiering van projecten door middel van gecombineerde steun uit de ESI-fondsen en het EFSI verder gefaciliteerd en wordt een rechtsvacuüm tussen de einddatum van sommige bepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en de datum van inwerking­treding van de verlenging ervan op grond van de onderhavige verordening voorkomen.

(224)   De vereenvoudigingen en veranderingen van sectorspecifieke regelgeving moeten zo spoedig mogelijk ingaan om tijdens de huidige programmeringsperiode een versnelde invoering mogelijk te maken, en moeten derhalve gelden met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening).

(225)  Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) moet na 31 december 2017 tijdelijk steun blijven verlenen aan jongeren die geen werk hebben en ook geen onderwijs of opleiding volgen (not in employment, education or training - NEET's) en die wonen in regio's ▌ die relatief zwaar worden getroffen door massale gedwongen ontslagen. Om bijstand aan NEET's verder mogelijk te maken, moet de wijziging in Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad(30) die het voortzetten van die bijstand waarborgt, ingaan vanaf 1 januari 2018.

(226)  Het moet mogelijk zijn in het kader van Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad(31) blendingfaciliteiten voor één of meer sectoren van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) in te stellen. Via dergelijke blendingfaciliteiten kunnen middelen worden uitgetrokken voor blendingverrichtingen; dit zijn acties die niet-terugvorderbare vormen van steun, zoals middelen uit de begroting van de lidstaten, subsidies van de CEF, de ESI-fondsen, en financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie, zoals combinaties van de financieringsinstrumenten van de CEF (het eigenvermogensinstrument en het schuldinstrument, ▌ en combineren met financiering door de EIB-groep van nationale stimuleringsbanken, van ontwikkelings- of andere financiële instellingen, door investeerders en particuliere financiële steun. Financiering door de EIB-groep moet EIB-financiering in het kader van het EFSI omvatten en particuliere financiële steun dient zowel directe als indirecte financiële bijdragen alsmede via publiek-private partnerschappen ontvangen steun te omvatten.

(227)   Het concept en de invoering van blendingfaciliteiten moeten gebaseerd zijn op een beoordeling vooraf overeenkomstig deze verordening en moeten de resultaten weerspiegelen van de lessen die zijn getrokken uit de uitvoering van de "blendingoproep" van de CEF in het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 20 januari 2017 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit C(2014) 1921 van de Commissie tot vaststelling van meerjarenwerkprogramma 2014-2020 voor financiële bijstand op het gebied van de Connecting Europe Facility (CEF) — Sector vervoer. CEF-blendingfaciliteiten moeten worden vastgesteld in de meerjaren- en/of jaarlijkse werkprogramma's, en moeten worden aangenomen overeenkomstig de artikelen 17 en 25 van Verordening (EU) nr. 1316/2013. De Commissie moet zorgen voor transparante en tijdige verslaglegging bij het Europees Parlement en bij de Raad over de uitvoering van elke CEF-blendingfaciliteit.

(228)   Met de CEF-blendingfaciliteiten dient te worden beoogd één aanvraag te faciliteren en te stroomlijnen voor alle vormen van steun, inclusief subsidies van de Unie uit de CEF en financiering door de particuliere sector. Dergelijke blendingfaciliteiten moeten erop gericht zijn het aanvraagproces voor projectontwikkelaars te optimaliseren, door te zorgen voor één evaluatieproces uit technisch en uit financieel oogpunt.

(229)   De CEF-blendingfaciliteiten moeten zorgen voor meer flexibiliteit bij het indienen van projecten, en het proces van projectidentificatie en -financiering vereenvoudigen en stroomlijnen. Zij moeten tevens de betrokkenheid en het engagement van de deelnemende financiële instellingen vergroten en daardoor de aan de projecten verbonden risico's beperken.

(230)   De CEF-blendingfaciliteiten moeten leiden tot een betere coördinatie, uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten, de Commissie, de EIB, de nationale stimuleringsbanken en particuliere investeerders, teneinde een gezonde stroom aan projecten ter verwezenlijking van de CEF-beleidsdoelstellingen te genereren en te ondersteunen.

(231)  CEF-blendingfaciliteiten moeten erop gericht zijn het multiplicatoreffect van de uitgaven van de Unie te versterken door bijkomende middelen van particuliere investeerders aan te trekken en zo te zorgen voor een maximale betrokkenheid van particuliere investeerders. Daarnaast moeten zij ervoor zorgen dat de ondersteunde acties economisch en financieel levensvatbaar worden en een gebrek aan hefboomwerking van de investeringen helpen voorkomen. Zij moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie wat betreft het halen van de tijdens de klimaatconferentie van Parijs (CoP 21) bepaalde streefcijfers, het scheppen van werkgelegenheid en grensoverschrijdende connectiviteit. Het is belangrijk dat wanneer de CEF en het EFSI beide voor de financiering van acties worden gebruikt, de Rekenkamer nagaat of een goed financieel beheer is gevoerd overeenkomstig artikel 287 VWEU en artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

(232)   Naar verwachting zullen in de sector vervoer subsidies in de meeste gevallen het voornaamste middel blijven voor het ondersteunen van de beleidsdoelstellingen van de Unie. Het gebruik van CEF-blendingfaciliteiten zou daarom niet tot beperktere beschikbaarheid van dergelijke subsidies moeten leiden.

(233)   De deelname van particuliere mede-investeerders in vervoersprojecten kan worden gefaciliteerd door het financiële risico te beperken. Garanties voor eerste verliezen die door de EIB worden verstrekt in het kader van de door de begroting ondersteunde gezamenlijke financiële mechanismen, zoals blendingfaciliteiten, kunnen daartoe dienstig zijn.

(234)   Financiering uit de CEF moet, ongeacht de vorm van financiering, worden toegekend op basis van de selectie- en gunningscriteria die overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1316/2013 in de meerjarige en de jaarlijkse werkprogramma's zijn vastgesteld, of op basis van een combinatie daarvan.

(235)   Bij de beoordelingen van Verordening (EU) nr. 1316/2013 moet rekening worden gehouden met de ervaring die is opgedaan met blendingfaciliteiten.

(236)   Het moet duidelijk zijn dat met de invoering van CEF-blendingfaciliteiten door deze verordening op geen enkele manier vooruit wordt gelopen op de uitkomst van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020.

(237)  Rekening houdend met het zeer hoge uitvoeringspercentage van de CEF in de vervoerssector en ter ondersteuning van de uitvoering van projecten met de grootste meerwaarde voor het trans-Europese vervoersnetwerk in verband met de kernnetwerk­corridors, grensoverschrijdende projecten, ▌ projecten in verband met de andere delen van het kernnetwerk en projecten die voor steun in aanmerking komen in het kader van de horizontale prioriteiten als vervat in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013, moet bij het gebruik van het meerjarenwerkprogramma bij wijze van uitzondering extra flexibiliteit worden toegestaan zodat het bedrag van de financiële middelen tot 95 % van de in Verordening (EU) nr. 1316/2013 bedoelde begrotingsmiddelen kan worden bereikt. Het is echter van belang dat tijdens de resterende periode van uitvoering van de CEF verdere steun wordt verleend aan de prioriteiten waarin de jaarlijkse werkprogramma's voorzien.

(238)   Als gevolg van de afwijkende aard van de CEF-telecommunicatiesector in vergelijking met de CEF-sectoren vervoer en energie, namelijk de geringere gemiddelde hoogte van de subsidies en verschillen in het soort kosten en soort projecten moet een onnodige belasting voor de begunstigden en de lidstaten die aan acties op deze gebieden deelnemen, worden vermeden door een minder omslachtige certificeringsplicht, zonder afbreuk te doen aan het beginsel van goed financieel beheer.

(239)  Op grond van Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad(32) mogen acties op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren momenteel, in, alleen gebruik maken van subsidies en aanbestedingen Opdat de digitale-diensteninfrastructuren zo efficiënt mogelijk functioneren, moeten dergelijke acties ook kunnen worden ondersteund met andere financieringsinstrumenten die momenteel worden gebruikt in het kader van de CEF, met inbegrip van innovatieve financieringsinstrumenten.

(240)  Om beheerautoriteiten niet onnodig administratief te belasten en te vermijden dat de efficiënte uitvoering van het FEAD in het gedrang zou komen, moet de procedure om niet-essentiële elementen van operationele programma's te wijzigen, worden vereenvoudigd en vergemakkelijkt.

(241)  Om het gebruik van het FEAD verder te vereenvoudigen, is het passend dat aanvullende bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven, met name inzake het gebruik van standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages.

(242)  Om te voorkomen dat partnerorganisaties onbillijk worden behandeld, mogen onregelmatigheden die alleen kunnen worden toegerekend aan het orgaan dat belast is met het verwerven van de bijstand, geen invloed hebben op de subsidiabiliteit van de uitgaven van de partnerorganisaties.

(243)  Teneinde de uitvoering van de ESI-fondsen en het FEAD te vereenvoudigen en rechts­onzekerheid te voorkomen, moeten bepaalde verantwoordelijkheden van de lidstaten inzake beheer en controle worden verduidelijkt.

(244)   Aangezien de toepasselijke financiële regels binnen één begrotingsjaar op samenhangende wijze moeten worden toegepast, is het in beginsel wenselijk dat Deel Een van deze verordening (het Financieel Reglement) ingaan aan het begin van een begrotingsjaar. Opdat evenwel de ontvangers van middelen van de Unie zo spoedig mogelijk profiteren van de belangrijke vereenvoudiging waarin deze verordening voorziet, wat betreft zowel het Financieel Reglement als de wijzigingen aan sectorspecifieke regelgeving, is het passend bij uitzondering te bepalen dat deze verordening vanaf de inwerkingtreding ervan van toepassing wordt. Tegelijkertijd is het, teneinde meer tijd te bieden voor de aanpassing aan de nieuwe regels, dienen de instellingen van de Unie Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 te blijven toepassen tot het einde van begrotingsjaar 2018 wat betreft de besteding van hun respectieve administratieve kredieten.

(245)   Bepaalde wijzigingen in verband met financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand dienen pas in te gaan vanaf de datum van toepassing van het meerjarig financieel kader na 2020, zodat voldoende tijd overblijft om de toepasselijke rechtsgronden en programma's af te stemmen op de nieuwe regels.

(246)   De informatie over het jaarlijkse gemiddelde van het aantal voltijdsequivalenten en over het geraamde bedrag van bestemmingsontvangsten die worden overgedragen van voorgaande jaren, moet voor het eerst worden verstrekt bij de in 2021 in te dienen ontwerpbegroting, zodat de Commissie over voldoende tijd beschikt om zich aan de nieuwe verplichting aan te passen;

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL ÉÉN

FINANCIEEL REGLEMENT

TITEL I

ONDERWERP, ▌DEFINITIES EN ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening regelt de opstelling en uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ("de begroting") en de indiening en controle van hun rekeningen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "aanvrager": een natuurlijke persoon of een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid die een aanvraag heeft ingediend in een procedure voor toekenning van subsidies of in een wedstrijd voor prijzen;

2)  "aanvraagdocument": een inschrijving, een verzoek tot deelname, een subsidieaanvraag of een aanvraag in een wedstrijd voor prijzen;

3)  "toekenningsprocedure": een aanbestedingsprocedure, een procedure voor toekenning van subsidies, een wedstrijd voor prijzen, of een procedure voor het selecteren van deskundigen of personen of entiteiten die de begroting uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

4)  "basishandeling": een rechtshandeling, met uitzondering van een aanbeveling of een advies, die een rechtsgrondslag geeft voor een actie en voor de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave of van de door de begroting gedekte begrotingsgarantie of financiële bijstand, en die een van de volgende vormen kan aannemen:

a)  ter uitvoering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het Euratomverdrag) een verordening, een richtlijn of een besluit in de zin van artikel 288 VWEU; of

b)  ter uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) een van de in artikel 28, lid 1, artikel 31, lid 2, artikel 33, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2, VEU genoemde vormen;

5)  "begunstigde": een natuurlijke persoon met wie of een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid waarmee een subsidieovereenkomst is getekend;

6)  "blendingfaciliteit of -platform": een kader voor samenwerking dat tussen de Commissie en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen is opgezet met de bedoeling niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de begroting en niet-terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelings­financiering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders te combineren;

7)  "uitvoering van de begroting": de uitoefening van activiteiten inzake beheer, monitoring, controles en audits van begrotingskredieten volgens de in artikel 62 bepaalde methoden;

8)  "vastlegging in de begroting": de verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur in de begroting de begrotingskredieten vastlegt die nodig zijn voor de latere betalingen ter uitvoering van juridische verbintenissen;

9)  "begrotingsgarantie": een juridische verbintenis van de Unie om een actieprogramma te ondersteunen door in de begroting een financiële verplichting op te nemen waarop een beroep kan worden gedaan ingeval zich tijdens de uitvoering van het programma een specifieke gebeurtenis voordoet, en die geldig blijft tot wanneer de toezeggingen in het kader van het ondersteunde programma komen te vervallen;

10)  "onroerendgoedovereenkomst": een overeenkomst met betrekking tot aankoop, ruil, erfpacht, vruchtgebruik, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van grond, gebouwen of ander onroerend goed. Dit heeft betrekking op zowel bestaande gebouwen als nog niet afgewerkte gebouwen op voorwaarde dat de gegadigde een geldige bouwvergunning heeft. Dit heeft geen betrekking op overeenkomstig de specificaties van de aanbestedende dienst ontworpen gebouwen waarvoor overeenkomsten voor werken gelden;

11)  "gegadigde": een ondernemer die heeft verzocht om een uitnodiging, of is uitgenodigd, om deel te nemen aan een niet-openbare procedure, een mededingingsprocedure met onderhandeling, een concurrentiegerichte dialoog, een innovatiepartnerschap, een prijsvraag of een onderhandelingsprocedure;

12)  "aankoopcentrale": een aanbestedende dienst die gecentraliseerde aankoopactiviteiten en, waar van toepassing, aanvullende aankoopactiviteiten verricht;

13)  "toets": de verificatie van een specifiek aspect van een uitgaven- of ontvangstenverrichting;

14)  "concessieovereenkomst": een overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 174 en 178 wordt gesloten om de uitvoering van werken of de verrichting en het beheer van diensten toe te vertrouwen aan een ondernemer (de "concessie"), en waarbij.

a)  de vergoeding bestaat hetzij uitsluitend in het recht om de werken of diensten te exploiteren, hetzij in dit recht en een betaling.

b)  de gunning van de concessieovereenkomst voor werken of diensten inhoudt dat aan de concessiehouder het operationeel risico wordt overgedragen dat inherent is aan de exploitatie van deze werken of diensten en dat het vraagrisico, het aanbodrisico of beide omvat. De concessiehouder wordt geacht het operationeel risico op zich te nemen indien er in normale exploitatieomstandigheden geen garantie voorhanden is dat de investeringen die gedaan zijn of de kosten die gemaakt zijn bij het exploiteren van de betrokken werken of diensten, kunnen worden terugverdiend;

15)  "voorwaardelijke verplichting": een mogelijke financiële verplichting die afhangt van de uitkomst van een toekomstige gebeurtenis;

16)  "overeenkomst": een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst;

17)  "contractant": een ondernemer met wie een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht is ondertekend;

18)  "bijdrageovereenkomst": een overeenkomst die gesloten is met personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten ii) tot en met viii);

19)  "controle": alle maatregelen ter verkrijging van redelijke zekerheid inzake de doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van verrichtingen, de betrouwbaarheid van de verslaglegging, de bescherming van activa en informatie, de voorkoming en opsporing en de correctie van fraude en onregelmatigheden en de follow-up daarvan, en de adequate beheersing van de risico's in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma's en met de aard van de betrokken betalingen. De controle hiervan kan diverse toetsen inhouden, alsmede de uitvoering van beleid en procedures om de in de eerste zin bedoelde doelstellingen te verwezenlijken;

20)  "tegenpartij": de ▌ partij die een begrotingsgarantie heeft gekregen;

21)  "crisis":

a)  een situatie van onmiddellijk of imminent gevaar die dreigt in een gewapend conflict te ontaarden of een land of zijn buurlanden te destabiliseren;

b)  ▌een situatie die het gevolg is van natuurrampen, door de mens veroorzaakte crisissen zoals oorlogen en andere conflicten, of uitzonderlijke omstandigheden met vergelijkbare gevolgen die verband houden met, onder andere, de klimaat­verandering, de verslechtering van het leefmilieu, energie- en grondstoffenschaarste of extreme armoede;

22)  "vrijmaking": een verrichting waarbij de bevoegde ordonnateur de reservering van eerder in de begroting vastgelegde kredieten geheel of gedeeltelijk annuleert;

23)  "dynamisch aankoopsysteem": een geheel elektronisch proces voor aankopen voor courant gebruik van algemeen op de markt beschikbare goederen;

24)  "ondernemer": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van een publieke entiteit, of een groep van dergelijke personen, die de levering van producten, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten, dan wel de levering van onroerend goed aanbiedt;

25)  "investering in eigen vermogen": de verschaffing van kapitaal aan een vennootschap, via directe of indirecte investeringen, in ruil voor geheel of gedeeltelijk eigenaarschap van die vennootschap, waarbij de investeerder in zekere mate zeggenschap krijgt over het beheer van de vennootschap en deelt in de eventuele toekomstige winst;

26)  "Europees bureau": een administratieve structuur die door de Commissie of door de Commissie en één of meer andere instellingen van de Unie is opgezet om specifieke horizontale taken uit te voeren;

27)  "definitief administratief besluit": een besluit van een administratieve autoriteit dat onherroepelijk en bindend is overeenkomstig het toepasselijke recht;

28)  "financieel actief": elk actief in de vorm van geldmiddelen, een eigenvermogensinstrument van een andere publieke of private entiteit of een contractueel recht om geldmiddelen of een ander financieel actief van een dergelijkeentiteit te ontvangen;

29)  "financieringsinstrument": een met begrotingsmiddelen bekostigde en voor een of meerdere specifieke beleidsdoelen van de Unie bestemde financiële steunmaatregel van de Uniedie de vorm kunnen aannemen van investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen, leningen, garanties, of andere risicodelings­instrumenten, en mogen, in voorkomend geval, worden gecombineerd met andere vormen van financiële steun of met middelen in gedeeld beheer of ▌ middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

30)  "financiële verplichting": een contractuele verplichting om geldmiddelen of een ander financieel actief aan een andere entiteit te leveren;

31)  "raamovereenkomst": een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten met het doel de voorwaarden van de specifieke, daaruit voortvloeiende overeenkomsten die gedurende een bepaalde periode kunnen worden gegund, vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid;

32)  "totale voorziening": het totaalbedrag aan middelen dat nodig wordt geacht voor de volledige looptijd van een begrotingsgarantie als gevolg van de toepassing van het voorzieningspercentage als bedoeld in artikel 211, lid 1, op het bedrag van de begrotingsgarantie dat in de basishandeling is toegestaan als bedoeld in artikel 210, lid 1, onder b);

33)  "subsidie": een financiële bijdrage bij wijze van schenking. Indien die bijdrage in direct beheer wordt verleend, valt zij onder titel VIII;

34)  "garantie": een schriftelijke aansprakelijkheidsverklaring voor het geheel of een deel van een schuld of een verplichting van een derde of voor de succesvolle nakoming door die derde van zijn verplichtingen indien deze garantie naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis in werking treedt, bijvoorbeeld in geval van wanbetaling;

35)  "afroepgarantie": een garantie die door de borg op verzoek van de tegenpartij moet worden gehonoreerd, ondanks tekortkomingen in de uitvoerbaarheid van de onderliggende verplichting;

36)  "bijdrage in natura": middelen, niet in geld, die door derden kosteloos ter beschikking van de begunstigde worden gesteld;

37)  "juridische verbintenis": een verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur een verplichting aangaat of doet ontstaan die leidt tot een betaling of betalingen en de erkenning van uitgaven ten laste van de begroting, en met inbegrip van specifieke overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap en raamovereenkomsten ▌;

38)  "hefboomeffect": het voor in aanmerking komende eindontvangers ter beschikking gestelde vergoedbare bedrag aan financiering te delen door de bijdrage van de Unie;

39)  "liquiditeitsrisico": het risico dat een in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aangehouden financieel actief niet kan worden verkocht gedurende een bepaalde termijn zonder aanzienlijk verlies;

40)  "lening": een overeenkomst die de kredietverschaffer verplicht een overeengekomen hoeveelheid geld voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan de kredietnemer en waarbij de kredietnemer verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen;

41)  "subsidie van een klein bedrag": een subsidie van ten hoogste 60 000 EUR;

42)  "lidstaatsorganisatie": een in een lidstaat als publiekrechtelijke instantie of privaatrechtelijke instantie opgerichte entiteit waaraan een openbaredienstverlenings­taak is toevertrouwd en passende door de lidstaat verstrekte financiële garanties zijn gegeven;

43)  "wijze van uitvoering": de wijzen voor de uitvoering van de begroting als bedoeld in artikel 62, ▌ te weten direct beheer, indirect beheer en gedeeld beheer;

44)  "multidonoractie": een actie waarbij middelen van de Unie met die van minstens één andere donor worden samengevoegd;

45)  "multiplicatoreffect": de investering door in aanmerking komende eindontvangers gedeeld door het bedrag van de bijdrage van de Unie;

46)  "output": de overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bepaalde deliverables van de actie;

47)  "deelnemer": een gegadigde of inschrijver in een aanbestedingsprocedure, een aanvrager in een procedure voor toekenning van subsidies, een deskundige in een procedure voor de selectie van deskundigen, een aanvrager in een wedstrijd voor prijzen of een persoon of een entiteit die deelneemt aan een procedure voor de uitvoering van middelen van de Unie overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

48)  "prijs": een financiële bijdrage die wordt geschonken als een beloning die wordt toegekend naar aanleiding van een wedstrijd. Indien die bijdrage in direct beheer wordt verleend, valt zij onder titel IX;

49)  "aanbesteding": de verwerving door middel van een overeenkomst voor werken, voor leveringen of voor diensten, en de verwerving of huur van grond, gebouwen of ander onroerend goed, door een of meer aanbestedende diensten van door deze aanbestedende diensten gekozen ondernemers;

50)  "aanbestedingsstukken": alle stukken die door de aanbestedende dienst worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbestedingsprocedure, met inbegrip van:

a)  de in artikel 163 bedoelde publiciteitsmaatregelen;

b)  de uitnodiging tot inschrijving;

c)  het bestek, dat de technische specificaties en de relevante criteria bevat, of de beschrijvende stukken in het geval van een concurrentiegerichte dialoog;

d)  de ontwerpovereenkomst;

51)  " overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht": een overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 174 en 178 worden gesloten om tegen een geheel of gedeeltelijk ten laste van de begroting komende prijs de levering van roerende of onroerende zaken, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten te verkrijgen, bestaande uit:

a)  onroerendgoedovereenkomsten;

b)  overeenkomsten voor leveringen;

c)  overeenkomsten voor werken;

d)  overeenkomsten voor diensten;

52)  "investering in quasi-eigenvermogen": de financieringswijze die zich bevindt tussen eigen vermogen en vreemd vermogen, met een hoger risico dan een senior schuld en een lager risico dan kernkapitaal, en die kan worden gestructureerd als vreemd vermogen, kenmerkend ongedekt en achtergesteld en in sommige gevallen converteerbaar in eigen vermogen, of in preferent eigen vermogen;

53)  "ontvanger": een begunstigde, een contractant, een bezoldigd extern deskundige of een persoon of entiteit die prijzen of middelen ontvangt uit hoofde van een financierings­instrument of die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

54)  "retrocessieovereenkomst": de verkoop van effecten voor geldmiddelen waarbij is overeengekomen deze op een vastgesteld tijdstip in de toekomst of op verzoek terug te kopen;

55)  "krediet voor onderzoek en technologische ontwikkeling": een krediet dat, hetzij in een van de begrotingstitels voor het beleidsterrein "onderzoek onder contract" of "eigen onderzoek", hetzij in een hoofdstuk voor onderzoeksactiviteiten dat deel uitmaakt van een andere titel zijn opgenomen;

56)  "resultaat": de overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bepaalde gevolgen van de uitvoering van een actie;

57)  "risicodelingsinstrument": een financieringsinstrument dat de deling van een bepaald risico tussen twee of meer entiteiten mogelijk maakt, in voorkomend geval in ruil voor een overeengekomen vergoeding;

58)  "overeenkomst voor diensten": een overeenkomst die betrekking heeft op alle andere intellectuele en niet-intellectuele diensten dan die waarop overeenkomsten voor leveringen, overeenkomsten voor werken en onroerendgoedovereenkomsten betrekking hebben;

59)  "goed financieel beheer": de uitvoering van de begroting met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

60)  "Statuut van de ambtenaren": het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, die zijn vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68;

61)  "subcontractant": een ondernemer die door een gegadigde, inschrijver of contractant is voorgesteld als uitvoerder van een deel van een overeenkomst of door een begunstigde om een deel van de door een subsidie medegefinancierde taken uit te voeren;

62)  "deelnamevergoeding": de bedragen die aan organen waarvan de Unie lid is, worden overgemaakt overeenkomstig de begrotingsbesluiten en de betalingsvoorwaarden die door het betrokken orgaan zijn vastgesteld;

63)  "overeenkomst voor leveringen": een overeenkomst die betrekking heeft op de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van producten, en die als bijkomstig element plaatsing- en installatiewerkzaamheden kan omvatten;

64)  "technische bijstand": ondersteunende en capaciteitsopbouwende werkzaamheden die, onverminderd sectorspecifieke regelgeving, nodig zijn met het oog op de uitvoering van een programma of een actie, en in het bijzonder werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, beheer, monitoring, evaluatie, audit en controle;

65)  "inschrijver": een ondernemer die een inschrijving heeft ingediend;

66)  "Unie": de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, of beide samen, al naargelang de context;

67)  "instelling van de Unie": het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of de Europese dienst voor extern optreden ("EDEO"); de Europese Centrale Bank wordt niet beschouwd als een instelling van de Unie;

68)  "verkoper": een ondernemer die staat vermeld op een lijst van verkopers die zullen worden uitgenodigd om verzoeken tot deelname of inschrijvingen in te dienen;

69)  "vrijwilliger": persoon die op niet-verplichte basis onbezoldigd voor een organisatie werkt;

70)  "werk": het product van bouw- of wegen- en waterbouwkundige werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen;

71)  "overeenkomst voor werken": een overeenkomst die betrekking heeft op:

a)  de uitvoering, of zowel de uitvoering of het ontwerp, van een werk;

b)  de uitvoering, of zowel de uitvoering of het ontwerp, van een werk dat verband houdt met een van de in bijlage II bij Richtlijn 2014/24/EU genoemde werkzaamheden; of

c)  het laten uitvoeren, met welke middelen dan ook, van een werk dat voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld door de aanbestedende dienst die een beslissende invloed uitoefent op het soort werk of op het ontwerp van het werk.

Artikel 3

Overeenstemming van afgeleid recht met deze verordening

1.  Bepalingen betreffende de uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- of uitgavenzijde en vervat in een basishandeling zijn in overeenstemming met de in titel II vermelde begrotingsbeginselen.

2.  Onverminderd lid 1 worden in bij de wetgevende autoriteit ingediende voorstellen of wijzigingen van voorstellen die afwijkingen bevatten van de bepalingen van deze verordening met uitzondering van de bepalingen in titel II, of van gedelegeerde handelingen die overeenkomstig deze verordening zijn vastgesteld, die afwijkingen duidelijk vermeld en worden in de overwegingen en de toelichting bij die voorstellen of wijzigingen de specifieke redenen genoemd die deze afwijkingen rechtvaardigen.

Artikel 4

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

Tenzij anders bepaald in deze verordening is Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad(33) van toepassing op de termijnen die in deze verordening zijn vastgelegd.

Artikel 5

Bescherming van persoonsgegevens

Deze verordening laat Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/670 ▌onverlet.

TITEL II

BEGROTING EN BEGROTINGSBEGINSELEN

Artikel 6

Eerbiediging van begrotingsbeginselen

Bij de opstelling en de uitvoering van de begroting worden het eenheids-, het begrotings­waarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer ▌ en het transparantiebeginsel, zoals vastgelegd in deze verordening, in acht genomen ▌.

HOOFDSTUK 1

Eenheidsbeginsel en begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 7

Toepassingsgebied van de begroting

1.  Voor elk begrotingsjaar worden alle noodzakelijk geachte ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting geraamd en goedgekeurd. Hierin worden opgenomen:

a)  de uitgaven en de ontvangsten van de Unie, met inbegrip van de administratieve uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de bepalingen van het VEU op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), alsmede ▌ beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen;

b)  de ontvangsten en de uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

2.  De begroting bevat gesplitste kredieten, die aanleiding geven tot vastleggingskredieten en betalingskredieten, en niet-gesplitste kredieten.

De kredieten die voor het begrotingsjaar zijn toegestaan, bestaan uit:

a)  de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten;

b)  de overgedragen kredieten uit voorgaande begrotingsjaren;

c)  de kredieten die overeenkomstig artikel 15 worden wederopgevoerd;

d)  de kredieten die afkomstig zijn van terugbetalingen van voorfinancieringen overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b);

e)  de kredieten die worden opgenomen na de inning van de bestemmingsontvangsten tijdens het begrotingsjaar of van bestemmingsontvangsten die zijn overgedragen ▌ uit voorgaande begrotingsjaren.

3.  Vastleggingskredieten dekken de totale kosten van de juridische verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar worden aangegaan, behoudens het bepaalde in artikel 114, lid 2.

4.  Betalingskredieten dekken de betalingen die voortvloeien uit de uitvoering van de juridische verbintenissen die in het begrotingsjaar of voorgaande begrotingsjaren zijn aangegaan.

5.  De leden 2 en 3 van dit artikel doen niets af aan de mogelijkheid kredieten globaal vast te leggen of vastleggingen in de begroting in jaartranches te verdelen, zoals bepaald in artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder b), respectievelijk artikel 112, lid 2.

Artikel 8

Specifieke regels betreffende het eenheidsbeginsel en het begrotingswaarachtigheidsbeginsel

1.  Alle ontvangsten en uitgaven worden in een begrotingsonderdeel opgenomen.

2.  Onverminderd toegestane uitgaven uit hoofde van voorwaardelijke verplichtingen waarin bij artikel 210, lid 2, is voorzien kan voor geen enkele uitgave een verplichting worden aangegaan of een betalingsopdracht gegeven boven het bedrag van de toegestane kredieten.

3.  Een krediet wordt slechts in de begroting opgenomen wanneer er een noodzakelijk geachte uitgave tegenover staat.

4.  De rente op uit de begroting betaalde voorfinancieringen is niet verschuldigd aan de Unie tenzij anders is bepaald in de betreffende bijdrage- of financieringsovereenkomsten.

HOOFDSTUK 2

Jaarperiodiciteitsbeginsel

Artikel 9

Definitie

De in de begroting opgenomen kredieten worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, dat begint op 1 januari en sluit op 31 december.

Artikel 10

De begrotingsboekhouding voor ontvangsten en kredieten

1.  De ontvangsten van een begrotingsjaar worden in de rekening van dat jaar geboekt op basis van de in dat jaar geïnde bedragen. De eigen middelen voor de maand januari van het volgende begrotingsjaar kunnen evenwel op voorhand worden verstrekt overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

2.  De boekingen met betrekking tot de eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en het bruto nationaal inkomen kunnen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad worden aangepast.

3.  De vastleggingen voor een begrotingsjaar worden geboekt op basis van de juridische verbintenissen die tot en met 31 december van dat jaar zijn aangegaan. De in artikel 112, lid 4, bedoelde globale vastleggingen worden echter in de begroting voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de tot 31 december van dat jaar in de begroting verrichte vastleggingen.

4.  De betalingen worden voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de uiterlijk op 31 december van dat begrotingsjaar door de rekenplichtige verrichte betalingen.

5.  In afwijking van de leden 3 en 4:

a)  worden de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot en met 31 december van dat jaar, voor zover de rekenplichtige uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar de betalingsopdracht heeft ontvangen;

b)  worden in gedeeld beheer uitgevoerde uitgaven, het ELGF uitgezonderd, in de rekening van een begrotingsjaar geboekt op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot en met 31 december van dat jaar, met inbegrip van de uitgaven die uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar worden gedaan, zoals bepaald in de artikelen 30 en 31.

Artikel 11

Vastlegging van kredieten

1.  De kredieten die in de begroting zijn opgenomen, kunnen met ingang van 1 januari worden vastgelegd zodra de begroting definitief is vastgesteld.

2.  Voor de volgende uitgaven ▌ mogen vanaf 15 oktober van het begrotingsjaar vervroegde vastleggingen worden verricht ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar:

a)  lopende uitgaven van administratieve aard, op voorwaarde dat zulke uitgaven in de laatste op regelmatige wijze vastgestelde begroting zijn goedgekeurd, en maximaal een kwart bedragen van de totale overeenkomstige kredieten die door het Europees Parlement en door de Raad zijn goedgekeurd voor het lopende begrotingsjaar ▌;

b)  lopende uitgaven van administratieve aard van het ELGF, op voorwaarde dat de basis voor zulke uitgaven in een bestaande basishandeling is vastgesteld, en ze maximaal drie kwart bedragen van de totale overeenkomstige kredieten die door het Europees Parlement en de Raad zijn goedgekeurd voor het lopende begrotingsjaar ▌.

Artikel 12

Annulering en overdracht van kredieten

1.  Kredieten die aan het einde van het begrotingsjaar waarvoor ze waren uitgetrokken niet zijn gebruikt, worden geannuleerd, tenzij ze overeenkomstig de leden 2 tot en met 8 worden overgedragen.

2.  De volgende kredieten kunnen bij een besluit overeenkomstig lid 3 worden overgedragen, zulks bij uitsluiting naar het volgende begrotingsjaar ▌:

a)  de vastleggingskredieten en de niet-gesplitste kredieten, waarvoor de meeste voorbereidende stadia van de vastleggingsprocedure op 31 december van het begrotingsjaar zijn voltooid. Zulke kredieten kunnen tot en met 31 maart van het volgende begrotingsjaar worden vastgelegd, met uitzondering van niet-gesplitste kredieten met betrekking tot onroerendgoedprojecten, die tot en met 31 december van het volgende begrotingsjaar kunnen worden vastgelegd;

b)  kredieten die nodig blijken wanneer de wetgevende autoriteit een basishandeling in het laatste kwartaal van het begrotingsjaar heeft vastgesteld, zonder dat de Commissie per 31 december van dat jaar de daartoe in de begroting uitgetrokken kredieten heeft kunnen vastleggen. Deze kredieten kunnen tot en met 31 december van het volgende begrotingsjaar worden vastgelegd;

c)  betalingskredieten die nodig zijn ter dekking van vastleggingen van voorgaande begrotingsjaren of die betrekking hebben op overgedragen vastleggingskredieten, wanneer de betalingskredieten van de betrokken begrotingsonderdelen in de begroting van het volgende begrotingsjaar ontoereikend zijn;

d)  niet-vastgelegde kredieten voor de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad(34) ▌ bedoelde acties.

Wat de eerst alinea onder c) betreft, gebruikt de betrokken instelling van de Unie bij voorrang de voor het lopende begrotingsjaar toegestane kredieten en pas na de besteding daarvan de overgedragen kredieten.

Overdrachten van niet-vastgelegde kredieten als bedoeld in punt d) van de eerste alinea van dit lid mogen, binnen het maximum van 2 % van de oorspronkelijke door het Europees Parlement en door de Raad goedgekeurde kredieten, niet hoger zijn dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verrichte aanpassing van de rechtstreekse betalingen die in het vorige begrotingsjaar is toegepast. Overgedragen kredieten worden opgevoerd op de begrotingsonderdelen die betrekking hebben op de in artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde acties.

3.  De betrokken instelling van de Unie neemt het in lid 2 bedoelde overdrachtsbesluit uiterlijk op 15 februari van het volgende begrotingsjaar. De instelling stelt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 15 maart van dat jaar van haar overdrachtbesluit in kennis. Ook wordt daarin, voor ieder begrotings­onderdeel, aangegeven hoe de criteria onder a), b) en c) voor elke overdracht zijn toegepast.

4.  Kredieten worden automatisch overgedragen in het geval van:

a)  ▌ vastleggingskredieten ▌ voor de reserve voor noodhulp en voor het Solidariteits­fonds van de Europese Unie. Die kredieten mogen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen en mogen tot en met 31 december van dat jaar worden vastgelegd;

b)  kredieten die overeenkomen met interne bestemmingsontvangsten. Die kredieten mogen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen en mogen tot en met 31 december van dat jaar worden vastgelegd, met uitzondering van de interne bestemmingsontvangsten uit verhuur en de verkoop van gebouwen en grond, die mogen worden overgedragen totdat ze volledig zijn gebruikt. De in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en in Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad(35) bedoelde en op 31 december beschikbare vastleggingskredieten die afkomstig zijn van de terugbetaling van voorfinancieringen, mogen worden overgedragen totdat het programma wordt afgesloten en worden gebruikt wanneer daaraan behoefte is, op voorwaarde dat er geen andere vastleggingskredieten meer beschikbaar zijn;

c)  kredieten die overeenkomen met externe bestemmingsontvangsten. Die kredieten worden volledig gebruikt totdat alle verrichtingen betreffende het programma of de actie waarvoor zij bestemd zijn, zijn uitgevoerd of kunnen worden overgedragen en voor het vervolgprogramma of de vervolgactie worden gebruikt. Dit geldt niet voor de in artikel 21, lid 2, onder g), iii), bedoelde ontvangsten, waarvoor niet binnen vijf jaar vastgelegde kredieten worden geannuleerd;

d)  betalingskredieten in verband met het ELGF die voortvloeien uit schorsingen overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

5.  De behandeling van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 4, onder c), van dit artikel die voortvloeien uit de deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) aan bepaalde programma's van de Unie overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder e), geschiedt in overeenstemming met Protocol nr. 32 bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst).

6.  De betrokken instelling van de Unie verstrekt het Europees Parlement en de Raad naast de in lid 3 bedoelde informatie, informatie over de automatisch overgedragen kredieten, met inbegrip van de betrokken bedragen en de bepaling van dit artikel uit hoofde waarvan de kredieten zijn overgedragen.

7.  Niet-gesplitste kredieten waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan aan het einde van het begrotingsjaar worden tot het einde van het volgende begrotingsjaar uitbetaald.

8.  Onverminderd lid 4 worden in een reserve opgenomen kredieten en de kredieten voor personeelsuitgaven niet overgedragen. Voor de toepassing van dit artikel omvatten personeelsuitgaven bezoldigingen en vergoedingen van de leden en van het personeel van de instellingen van de Unie waarop het Statuut van de ambtenaren van toepassing is.

Artikel 13

Gedetailleerde voorschriften inzake de annulering en overdracht van kredieten

1.   De in artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde vastleggingskredieten en niet-gesplitste kredieten kunnen slechts worden overgedragen indien de vastleggingen niet vóór 31 december van het begrotingsjaar konden worden verricht om redenen die de ordonnateur niet kunnen worden aangerekend, en indien de voorbereidingen zo ver gevorderd zijn dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de vastlegging uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar kan worden verricht, of op 31 december van het volgende begrotingsjaar wanneer het onroerendgoedprojecten betreft.

2.   De in artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde voorbereidende stadia, die op 31 december van het begrotingsjaar moeten zijn voltooid met het oog op een overdracht naar het volgende begrotingsjaar, zijn met name:

a)  voor de individuele vastleggingen in de zin van artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder a), de voltooiing van de selectie van potentiële contractanten, begunstigden, prijswinnaars of delegatiehouders;

b)  voor de globale vastleggingen in de begroting in de zin van artikel 112, eerste alinea, lid 1, onder b), de vaststelling van een financieringsbesluit of de afsluiting van het overleg tussen de betrokken diensten binnen elke instelling van de Unie met het oog op de vaststelling van een dergelijk begrotingsbesluit.

3.  De overeenkomstig artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), overgedragen kredieten die op 31 maart van het volgende begrotingsjaar, of op 31 december van het volgende begrotingsjaar voor bedragen in verband met onroerendgoedprojecten, niet zijn vastgelegd, worden automatisch geannuleerd.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen één maand na de in de voorgaande alinea bedoelde annulering in kennis van de aldus geannuleerde kredieten.

Artikel 14

Vrijmakingen

1.  Vrijmakingen van vastleggingen in latere begrotingsjaren dan het jaar waarin de die werd gedaan wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de acties waarvoor ze bestemd waren, leiden tot annulering van de met die vrijmakingen overeenstemmende kredieten, tenzij anders is bepaald in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 514/2014, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 15 van deze verordening.

2.  De in Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 514/2014 bedoelde vastleggingskredieten worden automatisch vrijgemaakt overeenkomstig die verordeningen.

3.  Dit artikel is niet van toepassing op externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2.

Artikel 15

Wederopvoering ▌ van met vrijmakingen overeenstemmende kredieten

1.  De in Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 223/2014 en (EU) nr. 514/2014 bedoelde met vrijmakingen overeenstemmende ▌ kredieten kunnen worden wederopgevoerd in geval van een uitsluitend aan de Commissie toe te rekenen kennelijke fout.

De Commissie onderzoekt daartoe de vrijmakingen van het voorgaande begrotingsjaar en neemt, naargelang de behoeften, uiterlijk op 15 februari van het lopende begrotingsjaar een besluit over de noodzaak tot wederopvoering van de betrokken kredieten.

2.  In aanvulling op het in lid 1 van dit artikel bedoelde geval worden de met vrijmakingen overeenstemmende kredieten wederopgevoerd in geval van:

a)  de vrijmaking uit een programma dat valt onder de regelingen voor de uitvoering van de prestatiereserve die is ingesteld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b)  de vrijmaking uit een programma dat bestemd is voor een specifiek financierings­instrument ten behoeve van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) als gevolg van de beëindiging van de deelname van een lidstaat aan het financieringsinstrument, zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

3.  Vastleggingskredieten die overeenkomen met het bedrag aan vrijmakingen die het gevolg zijn van gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van ▌ onderzoeksprojecten waarvoor zij bestemd waren, kunnen ook in het kader van de begrotingsprocedure worden wederopgevoerd ten gunste van het onderzoeksprogramma waartoe de projecten behoren of de opvolger ervan.

Artikel 16

Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging

1.  Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, is de in de eerste alinea van artikel 315 VWEU bedoelde procedure (het systeem van voorlopige twaalfden) van toepassing. Vastleggingen en betalingen kunnen worden verricht binnen de in lid 2 van dit artikel bepaalde grenzen.

2.  Vastleggingen kunnen per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een kwart van het totaal van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan, vermeerderd met een twaalfde voor elke verstreken maand.

Het maximum van de kredieten die zijn voorzien in de ontwerpbegroting, wordt niet overschreden.

Betalingen kunnen maandelijks per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een twaalfde van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan. Die betalingen mogen evenwel niet meer dan een twaalfde bedragen van de in hetzelfde hoofdstuk van de ontwerpbegroting voorziene kredieten.

3.  Onder de in de leden 1 en 2 bedoelde kredieten die voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaanwordt verstaan de kredieten die na stemming in de begroting zijn opgenomen, ook door middel van gewijzigde begrotingen, na aanpassing voor overschrijvingen tijdens dat begrotings­jaar.

4.  Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en het beheer zulks vereisen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, uitgaven ter hoogte van meer dan één voorlopige twaalfde, maar niet meer dan ▌ een totaal van vier voorlopige twaalfden toestaan, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge de leden 1 en 2. De Raad zendt zijn desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.

Het in de eerste alinea genoemde besluit treedt in werking 30 dagen na de vaststelling ervan, tenzij het Europees Parlement:

a)  bij meerderheid van zijn leden besluit de betrokken uitgaven vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen te verminderen, in welk geval de Commissie een nieuw voorstel indient;

b)  de Raad en de Commissie meedeelt dat het de uitgaven niet wenst te verminderen, in welk geval het besluit vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen in werking treedt.

De bijkomende twaalfden worden als een geheel toegestaan en kunnen niet worden opgedeeld.

5.  Indien voor een bepaald hoofdstuk vier voorlopige twaalfden die in overeenstemming met lid 4 zijn toegestaan, niet toereikend zijn ter dekking van de uitgaven die nodig zijn om een breuk in de continuïteit van het optreden van de Unie op het door het betrokken hoofdstuk bestreken gebied te voorkomen, kan bij wijze van uitzondering een overschrijding van het aan kredieten geboekte bedrag in het overeenkomstige hoofdstuk van de begroting voor het voorgaande begrotingsjaar worden toegestaan. Het Europees Parlement en de Raad besluiten overeenkomstig de procedure van lid 4. Het totale bedrag van de in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar of in de voorgestelde ontwerpbegroting opgenomen kredieten mag evenwel in geen geval worden overschreden.

HOOFDSTUK 3

Evenwichtsbeginsel

Artikel 17

Definitie en toepassingsgebied

1.  De begroting is wat ontvangsten en betalingskredieten betreft in evenwicht.

2.  De Unie en de organen van de Unie bedoeld in de artikelen 70 en 71 mogen binnen het kader van de begroting geen leningen aangaan.

Artikel 18

Saldo van het begrotingsjaar

1.  Het saldo van elk begrotingsjaar wordt, naargelang het een overschot of een tekort betreft, in de begroting van het volgende begrotingsjaar als ontvangst of als betalingskrediet opgenomen.

2.  De ramingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ontvangsten of betalingskredieten worden tijdens de begrotings­procedure in de begroting opgenomen en door middel van de procedure van de nota van wijzigingen die wordt ingediend overeenkomstig artikel 42 van deze verordening. De ramingen worden opgesteld overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad(36).

3.  Na de indiening van de voorlopige rekeningen van het begrotingsjaar wordt het eventuele verschil tussen deze rekeningen en de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar opgenomen door middel van een gewijzigde begroting, die uitsluitend voor dat doel wordt opgesteld en wordt aangewend. In dat geval dient de Commissie het ontwerp van gewijzigde begroting binnen 15 dagen na de indiening van de voorlopige rekeningen tegelijkertijd in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

HOOFDSTUK 4

Rekeneenheidsbeginsel

Artikel 19

Gebruik van de euro

1.  Het meerjarig financieel kader en de begroting worden in euro opgesteld, uitgevoerd en onderworpen aan rekening en verantwoording. De rekenplichtige en, in het geval van beheer van gelden ter goede rekening, de beheerders van gelden ter goede rekening en, ten behoeve van het administratieve beheer van de Commissie en de ▌ EDEO ▌, de bevoegde ordonnateur zijn evenwel gemachtigd voor de in artikel 77 bedoelde kasbehoeften transacties in andere valuta's te verrichten.

2.  Onverminderd de specifieke bepalingen uit sectorspecifieke regelgeving, of uit specifieke overeenkomsten, subsidieovereenkomsten, bijdrageovereenkomsten en financieringsovereenkomsten, geschiedt de omrekening door de bevoegde ordonnateur tegen de in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, gepubliceerde dagkoers van de euro, op de dag waarop de opdrachtgevende dienst de betalings- of invorderingsopdracht opstelt.

Indien geen dagkoers is gepubliceerd, gebruikt de bevoegde ordonnateur de in lid 3 bedoelde dagkoers.

3.  Voor de in de artikelen 82, 83 en 84 bedoelde boekhouding geschiedt de omrekening tussen de euro en een andere valuta tegen de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers van de euro. Deze boekhoudkundige koers wordt door de rekenplichtige van de Commissie met gebruikmaking van alle betrouwbaar geachte informatiebronnen vastgesteld op basis van de koers van de voorlaatste werkdag van de maand die voorafgaat aan de maand waarvoor de koers wordt bepaald.

4.  Valutaomrekeningen worden op zodanige wijze uitgevoerd dat ze geen significante invloed op de hoogte van de medefinanciering door de Unie of een nadelig effect op de begroting hebben. Waar passend kan de gemiddelde dagkoers binnen een bepaalde periode voor de omrekening tussen de euro en andere valuta's worden gebruikt.

HOOFDSTUK 5

Universaliteitsbeginsel

Artikel 20

Toepassingsgebied

Onverminderd artikel 21 dienen de gezamenlijke ontvangsten ter dekking van de gezamenlijke betalingskredieten. Onverminderd artikel 27 mogen de ontvangsten en de uitgaven in de begroting niet met elkaar worden gecompenseerd.

Artikel 21

Bestemmingsontvangsten

1.  Externe bestemmingsontvangsten en interne bestemmingsontvangsten ▌ worden gebruikt voor de financiering van bepaalde specifieke uitgaven.

2.  Externe bestemmingsontvangsten zijn:

a)  specifieke aanvullende financiële bijdragen van lidstaten ▌ aan de onderstaande soorten acties en programma's:

i)  bepaalde aanvullende programma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling,

ii)  bepaalde projecten of programma's voor externe steun die door de Unie worden gefinancierd en door de Commissie worden beheerd ▌;

b)  kredieten met betrekking tot de ontvangsten uit het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat is ingesteld bij het aan het VEU en aan het VWEU gehechte Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het ▌EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal;

c)  de rente op deposito's en boeten waarin Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad(37) voorziet;

d)  ontvangsten die voor een bepaald doel ter beschikking zijn gesteld, zoals inkomsten van stichtingsvermogens, subsidies, giften en legaten, daaronder begrepen de specifiek aan elke instelling van de Unie vooraf toegewezen ontvangsten;

e)  financiële bijdragen van derde landen en ▌ andere dan bij het VWEU of het Euratom-Verdrag opgerichte organen aan activiteiten van de Unie;

f)  interne bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 3, voor zover deze een aanvulling vormen op in dit lid bedoelde externe bestemmingsontvangsten;

g)  ontvangsten uit activiteiten in mededinging van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (Joint Research Centre-JRC), bestaande uit:

i)  procedures voor het toekennen van subsidies of aanbestedingsprocedures waaraan het JRC deelneemt,

ii)  activiteiten van het JRC voor rekening van derden,

iii)  activiteiten uit hoofde van een administratieve overeenkomst met andere instellingen van de Unie of andere diensten van de Commissie, overeenkomstig artikel 59, voor de verstrekking van technische en wetenschappelijke diensten.

3.  Interne bestemmingsontvangsten zijn:

a)  ontvangsten afkomstig van derden wegens op hun verzoek verrichte leveringen, diensten en werken;

b)  ontvangsten afkomstig van terugbetalingen overeenkomstig artikel 101 van onverschuldigd betaalde bedragen;

c)  opbrengsten van leveringen van goederen, diensten en werken ten behoeve van andere diensten in een instelling van de Unie, of van andere instellingen of organen van de Unie, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen betaald voor rekening van en terugbetaald door andere instellingen of organen van de Unie;

d)  ontvangen verzekeringsuitkeringen;

e)  ontvangsten uit verhuur en de verkoop van gebouwen en grond;

f)  terugbetalingen aan financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties op grond van artikel 209, tweede alinea, lid 3;

g)  ontvangsten van achteraf terugbetaalde belastingen ingevolge artikel 27, lid 3, eerste alinea, onder b).

4.  Bestemmingsontvangsten worden overgedragen en overgeschreven overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b) en c), en artikel 32.

5.  Een basishandeling kan de ontvangsten waarin zij voorziet, voor specifieke uitgavenposten bestemmen. Tenzij in de basishandeling anders is bepaald, vormen die ontvangsten interne bestemmingsontvangsten.

6.  De begroting voorziet in een structuur voor de opname van externe en interne bestemmingsontvangsten, alsmede, voor zover mogelijk, in een raming.

Artikel 22

Structuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten en opvoering van de betrokken kredieten

1.  Onverminderd lid 2, eerste alinea, onder c), van dit artikel en artikel 24 omvat de structuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten in de begroting:

a)  in de staat van ontvangsten van de afdeling van elke instelling van de Unie, een begrotingsonderdeel waarin het bedrag van deze ontvangsten kan worden opgenomen;

b)  in de staat van uitgaven, de toelichting, die ook algemene opmerkingen bevat, met vermelding van de begrotingsonderdelen waarin de kredieten kunnen worden opgenomen die met de ter beschikking gestelde bestemmingsontvangsten overeenkomen.

In het in de eerste alinea, onder a), bedoelde geval wordt het begrotingsonderdeel voorzien van de vermelding "pro memorie" en worden de geraamde ontvangsten ter informatie in de toelichting vermeld.

2.  De kredieten die met bestemmingsontvangsten overeenkomen, worden automatisch als vastleggingskredieten en als betalingskredieten opgevoerd wanneer de ontvangsten door de instelling van de Unie zijn geïnd, behalve:

a)  in het in artikel 21, lid 2, onder a), bedoelde geval voor financiële bijdragen van lidstaten waarvan de bijdrageovereenkomst in euro luidt, kunnen de vastleggings­kredieten worden opgevoerd bij de ondertekening van de bijdrageovereenkomst door de lidstaat;

b)  in de in artikel 21, lid 2, ▌ onder b), en het in artikel 21, lid 2, onder g), punten i) en iii), bedoelde gevallen worden de vastleggingskredieten opgevoerd zodra de schuld­vordering is geraamd;

c)  in het in artikel 21, lid 2, onder c), bedoelde geval geeft de opneming van de bedragen in de staat van ontvangsten aanleiding tot de opneming van vastleggings- en betalingskredieten in de staat van uitgaven.

De in de eerste alinea, onder c), van dit lid bedoelde kredieten worden besteed overeenkomstig artikel 20.

3.  De in artikel 21, lid 2, onder b), en ▌ g), bedoelde ramingen van schuldvorderingen worden voor registratie aan de rekenplichtige toegezonden.

Artikel 23

Bijdragen van de lidstaten voor onderzoeksprogramma's

1.  De bijdragen van de lidstaten voor de financiering van bepaalde aanvullende onderzoeksprogramma's zoals bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, worden betaald als volgt:

a)  zeven twaalfden van het in de begroting opgenomen bedrag uiterlijk op 31 januari van het lopende begrotingsjaar;

b)  de resterende vijf twaalfden uiterlijk op 15 juli van het lopende begrotingsjaar.

2.  Wanneer de begroting aan het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, worden de in lid 1 bedoelde bijdragen betaald op basis van het in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar opgenomen bedrag.

3.  Elke bijdrage of aanvullende betaling die de lidstaten uit hoofde van de begroting verschuldigd zijn, wordt binnen dertig kalenderdagen na afroeping op de rekening of rekeningen van de Commissie geboekt.

4.  De gedane betalingen worden op de in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 bedoelde rekening geboekt en zijn onderworpen aan de voorwaarden van die verordening.

Artikel 24

Bestemmingsontvangsten die voortvloeien uit de deelname van de EVA-staten aan bepaalde programma's van de Unie

1.  De structuur voor de opneming in de begroting van ontvangsten die voortvloeien uit de deelname van de EVA-staten aan bepaalde programma's van de Unie is als volgt:

a)  in de staat van ontvangsten wordt een "pro memorie"-begrotingsonderdeel gecreëerd voor het totale bedrag van de bijdragen van elke EVA-staat voor het begrotingsjaar;

b)  de staat van uitgaven krijgt een bijlage die integraal deel van de begroting uitmaakt en alle begrotingsonderdelen vermeldt die betrekking hebben op activiteiten van de Unie waaraan EVA-staten deelnemen, en omvat informatie over het geraamde bedrag van de bijdrage van elke EVA-staat.

2.  Krachtens artikel 82 van de EER-Overeenkomst leiden de bedragen met betrekking tot de jaarlijkse deelname van EVA-staten, zoals overeenkomstig artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 32 bij deze overeenkomst aan de Commissie bevestigd door het Gemengd Comité van de Europese Economische Ruimte, ertoe dat de desbetreffende vastleggingskredieten en betalingskredieten aan het begin van het begrotingsjaar integraal in de begroting worden opgenomen.

3.  Het gebruik van de ontvangsten die uit de financiële bijdrage van EVA-staten voortvloeien, wordt apart gemonitord.

Artikel 25

Schenkingen

1.  De instellingen van de Unie kunnen alle schenkingen ten gunste van de Unie, zoals inkomsten uit stichtingen, subsidies, giften en legaten, aanvaarden.

2.  Voor het aanvaarden van een schenking ter waarde van 50 000 EUR of meer die financiële lasten, inclusief follow-upkosten, kan meebrengen welke hoger zijn dan 10 % van de waarde van de gedane schenking, is de goedkeuring vereist van het Europees Parlement en de Raad. Het Europees Parlement en de Raad spreken zich binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek om zulke goedkeuring van de betrokken instellingen van de Unie uit. Indien binnen deze termijn geen bezwaar kenbaar wordt gemaakt, nemen de betrokken instellingen van de Unie een definitieve beslissing over de aanvaarding van de schenking. De betrokken instellingen van de Unie geven in hun verzoek aan het Europees Parlement en de Raad een toelichting op de financiële lasten als gevolg van de aanvaarding van schenkingen aan de Unie.

Artikel 26

Sponsoring door bedrijven

1.  Sponsoring door bedrijven behelst een overeenkomst waarbij een rechtspersoon voor promotiedoeleinden of in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen steun in natura verleent aan een evenement of activiteit.

2.  Instellingen en organen van de Unie kunnen, op basis van specifieke interne regels, die op hun eigen website worden bekendgemaakt, bij wijze van uitzondering bedrijfssponsoring ontvangen, mits:

a)  de beginselen van non-discriminatie, evenredigheid, gelijke behandeling en transparantie in alle stadia van de procedure voor de aanvaarding van bedrijfssponsoring in acht worden genomen;

b)  de sponsoring bijdraagt tot het positieve imago van de Unie en rechtstreeks verband houdt met de ▌ kerndoelstelling van een evenement of activiteit;

c)  de sponsoring geen belangenconflict creëert en niet uitsluitend sociale evenementen betreft;

d)  het evenement of de activiteit niet uitsluitend via bedrijfssponsoring wordt gefinancierd;

e)  de tegenprestatie voor de bedrijfssponsoring beperkt blijft tot zichtbaarheid voor het publiek van het handelsmerk of de naam van de sponsor;

f)  de sponsor ten tijde van de sponsoringprocedure niet in een van de in artikel 136, lid 1, en artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeert en evenmin opgenomen is in de in artikel 142, lid 1, bedoelde databank.

3.  Wanneer de bedrijfssponsoring meer dan 5 000 EUR bedraagt, worden de naam van de sponsor en de aard van het gesponsorde evenement of de gesponsorde activiteit opgenomen in een openbaar register.

Artikel 27

Regels betreffende inhoudingen en verrekening van koersverschillen

1.  Op het bedrag van betalingsverzoeken kunnen de volgende bedragen in mindering worden gebracht, waarvoor in dat geval een betalingsopdracht voor het nettobedrag wordt gegeven:

a)  de aan partijen bij overeenkomsten of begunstigden opgelegde boeten;

b)  de op facturen en kostendeclaraties in mindering gebrachte kortingen, terug­betalingen en rabatten;

c)  rente op betaalde voorfinancieringen;

d)  verrekeningen voor onverschuldigd betaalde bedragen.

De in de eerste alinea, onder d), bedoelde verrekeningen kunnen plaatsvinden door rechtstreekse inhouding op een nieuwe tussentijdse betaling of saldobetaling aan dezelfde begunstigde ten laste van het hoofdstuk, het artikel en het begrotingsjaar waarop het teveel betaalde is geboekt.

Op de in de eerste alinea, onder c) en d), genoemde inhoudingen zijn de boekhoudregels van de Unie van toepassing.

2.  De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van het ▌ Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het VEU en aan het VWEU is gehecht, worden terugbetaald door lidstaten, worden exclusief belastingen ten laste van de begroting gebracht.

3.  De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van overeenkomsten ter zake door derde landen worden terugbetaald, kunnen ten laste van de begroting worden gebracht voor de volgende bedragen:

a)  het bedrag exclusief belastingen;

b)  het bedrag inclusief belastingen.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval worden de achteraf terugbetaalde belastingen als interne bestemmingsontvangsten behandeld.

4.  De tijdens de uitvoering van de begroting geregistreerde koersverschillen mogen worden verrekend. Het positieve of negatieve resultaat wordt opgenomen in het saldo van het begrotingsjaar.

HOOFDSTUK 6

Specialiteitsbeginsel

Artikel 28

Algemene bepalingen

1.  De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk. De hoofdstukken worden onderverdeeld in artikelen en posten.

2.  Onder de in de artikelen 29 tot en met 32 vastgelegde specifieke voorwaarden kunnen de Commissie en de andere instellingen van de Unie binnen de begroting kredieten overschrijven.

Slechts begrotingsonderdelen waarvoor in de begroting een krediet is toegestaan of die de vermelding "pro memorie" (p.m.) dragen, kunnen door middel van overschrijvingen van kredieten worden voorzien.

De in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde limieten worden berekend op het tijdstip van het verzoek om overschrijving en op de grondslag van de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten.

Het in aanmerking te nemen bedrag voor de berekening van de in de artikelen 29, 30  en  31 bedoelde limieten is de som van de overschrijvingen van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, na correctie voor eerder verrichte overschrijvingen. Het bedrag van de overschrijvingen die autonoom, zonder besluit van het Europees Parlement en de Raad, door de Commissie of een andere betrokken instelling van de Unie worden verricht, wordt niet in aanmerking genomen.

Voorstellen voor kredietoverschrijvingen en alle voor het Europees Parlement en de Raad bestemde informatie met betrekking tot de overeenkomstig de artikelen 29, 30 en 31 uitgevoerde overschrijvingen gaan vergezeld van passende en gedetailleerde bewijsstukken met de meest recente informatie waaruit de besteding van de kredieten en de verwachte behoeften tot het einde van het begrotingsjaar blijken, zowel voor de begrotingsonderdelen waarnaar de kredieten worden overgeschreven als die waarvan deze worden overgeschreven.

Artikel 29

Overschrijvingen door andere instellingen van de Unie dan de Commissie

1.  Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting kredietoverschrijvingen verrichten:

a)  van de ene titel naar de andere, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat vermeld staat op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

b)  van het ene hoofdstuk naar het andere, zonder beperking.

2.  Onverminderd lid 4 van dit artikel, stelt de instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad drie weken van tevoren in kennis van haar voornemen een overschrijving als bedoeld in lid 1 te verrichten. Indien het Europees Parlement of de Raad in die periode naar behoren gemotiveerde bezwaren aanvoert, treedt de procedure van artikel 31 in werking.

3.  Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan aan het Europees Parlement en de Raad binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen voorstellen van de ene titel naar de andere boven de grens, als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel. Deze overschrijvingen geschieden volgens de procedure van artikel 31.

4.  Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen binnen artikelen ▌ verrichten zonder het Europees Parlement en de Raad hiervan van tevoren in kennis te stellen. ▌

Artikel 30

Overschrijvingen door de Commissie

1.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting autonoom:

a)  in ieder hoofdstuk kredieten overschrijven;

b)  wat de personeelskosten en de huishoudelijke uitgaven betreft die gemeenschappelijk zijn voor verschillende titels, kredieten overschrijven van de ene naar de andere titel, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotings­onderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, en tot maximaal 30 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarnaar de kredieten worden overgeschreven;

c)  wat de beleidsuitgaven betreft, kredieten overschrijven tussen hoofdstukken binnen eenzelfde titel ▌ tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

d)  wat de door het JRC ▌ bestede kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling betreft, binnen de begrotingstitel voor het beleidsterrein "eigen onderzoek" kredieten overschrijven tussen hoofdstukken, tot maximaal 15 % van de kredieten in het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

e)  wat onderzoek en technologische ontwikkeling betreft, beleidskredieten overschrijven van de ene titel naar de andere titel, voor zover het gaat om kredieten met hetzelfde doel;

f)  met betrekking tot beleidsuitgaven van de middelen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd, met uitzondering van het ELGF, kredieten overschrijven van de ene naar de andere titel, voor zover het gaat om kredieten voor hetzelfde doel in de zin van de verordening waarbij het betrokken fonds wordt opgericht of om uitgaven voor technische ondersteuning;

g)  kredieten overschrijven van de begrotingspost van een begrotingsgarantie naar de begrotingspost van een andere begrotingsgarantie, in de uitzonderlijke gevallen dat de voorzieningen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds van de begrotingspost van laatstgenoemde begrotingsgarantie niet toereikend zijn om een beroep op de garantie te dekken,, en zulks onder voorwaarde dat het overgeschreven bedrag nadien wordt teruggestort overeenkomstig de procedure van artikel 212, lid 4.

Onder de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde uitgaven vallen voor elk beleidsterrein de in artikel 47, lid 4, bedoelde rubrieken.

Wanneer de Commissie na 31 december ELGF-kredieten overschrijft overeenkomstig ▌ de eerste alinea, neemt zij haar besluit daartoe uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit van deze overschrijvingen in kennis.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad drie weken van tevoren in kennis van haar voornemen de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde overschrijvingen te verrichten. Indien het Europees Parlement of de Raad in die periode naar behoren gemotiveerde bezwaren aanvoert, treedt de procedure van artikel 31 in werking.

Bij wijze van afwijking van de vierde alinea mag de Commissie tijdens de laatste twee maanden van het begrotingsjaar autonoom kredieten met betrekking tot uitgaven voor personeel, extern personeel en andere personeelsleden van de ene titel naar de andere overschrijven, tot in totaal 5 % van de kredieten voor dat jaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit van deze overschrijvingen in kennis.

2.  De Commissie kan, mits zij het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk in kennis stelt van haar besluit, binnen haar afdeling van de begroting de volgende overschrijvingen van kredieten van de ene naar de andere titel verrichten:

a)  overschrijvingen van kredieten van de in artikel 49 van deze verordening genoemde titel "Voorzieningen", wanneer de vaststelling van een basishandeling overeenkomstig artikel 294 VWEU de enige voorwaarde is om de reserve op te heffen;

b)  in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen zoals internationale humanitaire rampen en crises die zich na 1 december van het begrotingsjaar voordoen, overschrijvingen van ongebruikte kredieten die voor dat jaar nog beschikbaar zijn in titels die onder de voor extern optreden van de Unie aangewezen rubriek van het meerjarig financieel kader vallen, naar de titels die voor crisisbeheersingssteun en humanitaire hulpoperaties zijn bedoeld.

Artikel 31

Aan het Europees Parlement en aan de Raad door instellingen van de Unie voorgelegde voorstellen voor overschrijvingen

1.  Elke instelling van de Unie dient haar voorstellen voor overschrijvingen tegelijkertijd bij het Europees Parlement en bij de Raad in.

2.  De Commissie kan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar voorstellen doen voor overschrijvingen van betalingskredieten naar de middelen die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd, met uitzondering van het ELGF. De overschrijving van betalingskredieten kan van elke begrotingspost geschieden. In dergelijke gevallen wordt de in lid 4 vermelde periode van zes weken ingekort tot drie weken.

Indien de overschrijving niet of slechts gedeeltelijk door het Europees Parlement en de Raad wordt goedgekeurd, wordt het desbetreffende deel van de uitgaven als bedoeld in artikel 10, lid 5, onder b), ten laste gelegd van de betalingskredieten van het volgende begrotingsjaar.

3.  Het Europees Parlement en de Raad nemen besluiten over kredietoverschrijvingen overeenkomstig de leden 4 tot en met 8.

4.  Behoudens in dringende omstandigheden wordt door het Europees Parlement en de Raad, die handelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, een besluit over elk voorstel tot overschrijving genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel hebben ontvangen. In dringende omstandigheden nemen het Europees Parlement en de Raad binnen drie weken na ontvangst van het voorstel een besluit.

5.  Indien de Commissie overweegt ELGF-kredieten over te schrijven overeenkomstig dit artikel, stelt zij de overschrijvingen uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar aan het Europees Parlement en de Raad voor. In deze gevallen wordt de in lid 4 vermelde periode van zes weken ingekort tot drie weken.

6.  Een voorstel tot overschrijving wordt goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd indien binnen de termijn van zes weken:

a)  het Europees Parlement en de Raad ermee instemmen;

b)  het Europees Parlement of de Raad ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt;

c)  het Europees Parlement noch de Raad ▌ een besluit neemt dat het voorstel tot overschrijving wijzigt of weigert.

7.  Tenzij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt, bedraagt de termijn niet zes weken zoals bedoeld in lid 4, maar slechts drie weken indien:

a)  de overschrijving minder dan 10 % vertegenwoordigt van de kredieten van het begrotingsonderdeel van waaruit de overschrijving plaatsvindt, en niet meer dan 5 000 000 EUR bedraagt;

b)  de overschrijving alleen betrekking heeft op betalingskredieten en het totaalbedrag van de overschrijving niet meer dan 100 000 000 EUR bedraagt.

8.  Indien het Europees Parlement of de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere instelling ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd, wordt het laagste bedrag geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de instelling van de Unie in kwestie haar voorstel voor overschrijving intrekt.

Artikel 32

Overschrijvingen onderworpen aan bijzondere bepalingen

1.  De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten kunnen slechts worden overgeschreven voor zover die ontvangsten voor hun bestemming worden gebruikt.

2.  Besluiten betreffende overschrijvingen die het gebruik van de reserve voor noodhulp ▌ mogelijk moeten maken, worden genomen door het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie.

Voor de toepassing van dit lid is de in artikel 31, leden 3 en 4, bepaalde procedure van toepassing. Indien het Europees Parlement en de Raad het Commissievoorstel niet goedkeuren en zij niet tot een gemeenschappelijk standpunt inzake het gebruik van de reserve voor noodhulp komen, onthouden zij zich van een besluit inzake dat voorstel.

Voorstellen voor overschrijvingen uit de reserve voor noodhulp ▌ gaan vergezeld van passende en gedetailleerde bewijsstukken, met:

a)  de meest recente informatie over de besteding van de kredieten en verwachte behoeften tot het einde van het begrotingsjaar voor het begrotingsonderdeel waarnaar wordt overgeschreven;

b)  een analyse van de mogelijkheden om de kredieten een andere bestemming te geven.

HOOFDSTUK 7

Beginsel van goed financieel beheer en prestaties

Artikel 33

Prestaties en beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid

1.  Kredieten worden gebruikt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en worden bijgevolg besteed met inachtneming van de volgende beginselen:

a)  zuinigheid: de door de betrokken instelling van de Unie voor haar activiteiten ingezette middelen worden tijdig, in passende hoeveelheid en kwaliteit en tegen de best mogelijke prijs beschikbaar gesteld;

b)  efficiëntie: de beste verhouding tussen de ingezette middelen, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten;

c)  doeltreffendheid: de mate waarin de nagestreefde doelstellingen door de activiteiten worden verwezenlijkt.

2.  In overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer staan bij de besteding van kredieten prestaties centraal en daartoe:

a)  worden doelstellingen van programma's en activiteiten vooraf vastgesteld;

b)  wordt de voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen gemonitord aan de hand van prestatie-indicatoren;

c)  worden de voortgang bij en problemen met de verwezenlijking van doelstellingen gerapporteerd aan het Europees Parlement en aan de Raad overeenkomstig artikel 41, lid 3, eerste alinea, onder h), en artikel 247, lid 1, onder e).

3.  In voorkomend geval worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden doelstellingen als bedoeld in de leden 1 en 2 en relevante, aanvaarde, geloofwaardige, eenvoudige en robuuste indicatoren bepaald.

Artikel 34

Evaluaties

1.  Programma's en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich brengen, worden aan een evaluatie vooraf en achteraf onderworpen, die in verhouding staat tot de doelstellingen en de uitgaven.

2.  Evaluaties vooraf ter ondersteuning van de voorbereiding van programma's en activiteiten zijn gebaseerd op gegevens betreffende de prestaties van verwante programma's of activiteiten en bieden een overzicht en een analyse van de problemen die moeten worden aangepakt, de meerwaarde van de rol van de Unie, de doelstellingen, de verwachte effecten van verschillende opties en monitoring- en evaluatieregelingen.

Voor grootschalige programma's of activiteiten die naar verwachting aanzienlijke economische, milieu- of sociale effecten zullen sorteren, kan de evaluatie vooraf, met inachtneming van de hierboven beschreven voorschriften, de vorm van een effectbeoordeling aannemen die de diverse opties betreffende de uitvoerings­methoden analyseert.

3.  Evaluaties achteraf betreffen de prestaties van het programma of de activiteit, met inbegrip van aspecten als doeltreffendheid, efficiëntie, samenhang, relevantie en EU-meerwaarde. Evaluaties achteraf zijn gebaseerd op de informatie die voortkomt uit de monitoring­regelingen en de voor de betreffende actie gecreëerde indicatoren. Deze evaluaties worden ten minste eenmaal gedurende de periode van elk meerjarig financieel kader en waar mogelijk tijdig genoeg uitgevoerd om de bevindingen te kunnen meenemen in evaluaties vooraf of effectbeoordelingen ter voorbereiding van verwante programma's en activiteiten.

Artikel 35

Verplicht financieel memorandum

1.  Bij ieder voorstel of initiatief dat door de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ("de hoge vertegenwoordiger") of een lidstaat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteit en dat gevolgen kan hebben voor de begroting, daaronder begrepen wijzigingen in het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat schattingen bevat van de betalings- en vastleggingskredieten vermeldt, door middel van een beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties en de evaluatie vooraf of effectbeoordeling waarin artikel 34 voorziet.

Bij iedere wijziging van een voorstel of initiatief dat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteiten dat een aanzienlijk gevolg kan hebben voor de begroting, met inbegrip van het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat is opgesteld door de instelling van de Unie die de wijziging voorstelt.

Het financieel memorandum bevat de nodige financiële en economische gegevens op grond waarvan de wetgevende autoriteit kan beoordelen of een optreden van de Unie noodzakelijk is. Voorts bevat het nuttige informatie over de samenhang met andere activiteiten van de Unie en eventuele synergie.

Voor meerjarenacties omvat het financieel memorandum een tijdschema met een raming van de jaarlijks benodigde vastleggings- en betalingskredieten en ambten, met inbegrip van extern personeel, alsmede een evaluatie van de financiële gevolgen op middellange en, indien mogelijk, lange termijn.

2.  Tijdens de begrotingsprocedure verstrekt de Commissie de nodige informatie voor een vergelijking tussen de ontwikkeling van de kredietbehoeften en de oorspronkelijke ramingen in het financieel memorandum, op basis van de stand van de beraadslagingen over het voorstel of initiatief dat is ingediend bij de wetgevende autoriteit.

3.  Om het gevaar van fraude, onregelmatigheden en het niet-behalen van de doelstellingen te verkleinen, worden in het ▌ financieel memorandum informatie betreffende het ingestelde internecontrolesysteem, een raming van de kosten en baten van door een dergelijk systeem uitgevoerde controles en een evaluatie van het verwachte foutenrisico verstrekt, en wordt informatie inzake bestaande en geplande maatregelen inzake fraudepreventie en bescherming tegen fraude opgegeven.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de verwachte omvang en soort fouten, de specifieke omstandigheden van het beleidsterrein in kwestie en met de daarop toepasselijke regels.

4.  Wanneer de Commissie herziene of nieuwe voorstellen voor uitgaven indient, raamt zij de kosten en baten van de controlesystemen en het verwachte foutenrisico als bedoeld in lid 3.

Artikel 36

Interne controle op de begrotingsuitvoering

1.  Op grond van het beginsel van goed financieel beheer wordt de begroting uitgevoerd met de doeltreffende en efficiënte interne controle naargelang elke wijze van uitvoering, en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.

2.  Voor de uitvoering van de begroting is interne controle van toepassing op alle niveaus van het beheer en dient het redelijke zekerheid te verschaffen over de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

a)  doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van de operaties;

b)  betrouwbaarheid van de verslaglegging;

c)  bescherming van activa en informatie;

d)  preventie, opsporing, correctie en follow-up van fraude en onregelmatigheden;

e)  adequate beheersing van de risico's in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma's en met de aard van de betrokken betalingen.

3.  Een doeltreffende interne controle is gebaseerd op beproefde internationale methoden en omvat in het bijzonder de volgende elementen:

a)  een scheiding van taken;

b)  een adequate risicobeheersings- en controlestrategie, inclusief controles op het niveau van de ontvangers;

c)  de vermijding van belangenconflicten;

d)  adequate auditsporen en de integriteit van de gegevens in gegevenssystemen;

e)  procedures voor het monitoren van de doeltreffendheid en de efficiëntie;

f)  procedures voor de follow-up van vastgestelde zwakheden van de interne controle, en uitzonderingen;

g)  een periodieke evaluatie van de goede werking van het interne controlesysteem.

4.  Een efficiënte interne controle is gebaseerd op de volgende elementen:

a)  de uitvoering van een adequate, door de relevante bij de controleketen betrokken actoren onderling gecoördineerde risicobeheersings- en controlestrategie;

b)  de toegankelijkheid van de controleresultaten voor alle relevante, bij de controleketen betrokken actoren;

c)  vertrouwen, waar passend, op beheersverklaringen van uitvoeringspartners en op onafhankelijke auditadviezen, mits de kwaliteit van de onderliggende werkzaamheden adequaat en aanvaardbaar is en dat het werd verricht overeenkomstig gevestigde normen;

d)  de tijdige toepassing van corrigerende maatregelen, waaronder passende en afschrikkende sancties;

e)  duidelijke en ondubbelzinnige wetgeving als grondslag voor het betreffende beleid, met inbegrip van basishandelingen betreffende de elementen van de interne controle;

f)  het wegnemen van dubbele controles;

g)  de verbetering van de kosten-batenverhouding van controles.

5.  Indien het foutenpercentage bij de uitvoering aanhoudend hoog is, brengt de Commissie de zwakke punten in de controlesystemen in kaart, onderzoekt zij de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen en neemt zij passende maatregelen of stelt deze voor, bijvoorbeeld een vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, verbetering van de controlesystemen en bijsturing van het programma of uitvoeringssystemen.

HOOFDSTUK 8

Transparantiebeginsel

Artikel 37

Bekendmaking van de rekeningen en begrotingen

1.  De begroting wordt opgesteld, uitgevoerd en aan rekening en verantwoording onderworpen in overeenstemming met het transparantiebeginsel.

2.  De begroting en de gewijzigde begrotingen worden in hun definitief vastgestelde vorm op initiatief van de voorzitter van het Europees Parlement bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze bekendmaking geschiedt binnen drie maanden na de datum waarop de definitieve vaststelling van de begroting wordt geconstateerd.

Zo spoedig mogelijk en uiterlijk vier weken na de definitieve vaststelling van de begroting worden de definitieve gedetailleerde begrotingscijfers op initiatief van de Commissie in alle talen bekendgemaakt op de website van de instellingen van de Unie, in afwachting van de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De geconsolideerde jaarrekening wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de instellingen van de Unie.

Artikel 38

Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie

1.  De Commissie stelt op passende en tijdige wijze haar informatie over ontvangers van middelen uit de begroting ter beschikking indien de begroting door haar overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), worden uitgevoerd.

De eerste alinea van dit lid geldt ook voor andere instellingen van de Unie wanneer zij krachtens artikel 59, lid 1, de begroting uitvoeren.

2.  Behoudens de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen wordt de volgende informatie bekendgemaakt met inachtneming van de vereisten inzake geheimhouding en beveiliging, met name inzake de bescherming van persoonsgegevens ▌:

a)  de naam van de ontvanger;

b)  de locatie van de ontvanger, te weten:

i)  het adres van de ontvanger, wanneer deze een rechtspersoon is;

ii)  de regio op NUTS 2-niveau, wanneer de ontvanger een natuurlijke persoon is;

c)  het bedrag waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan;

d)  de aard en het doel van de maatregel.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie wordt alleen openbaar gemaakt voor prijzen, subsidies en overeenkomsten die zijn toegekend dan wel gegund als gevolg van wedstrijden, procedures voor toekenning van subsidies of aanbestedingsprocedures, en voor deskundigen die zijn geselecteerd overeenkomstig artikel 237, lid 2.

3.  De in lid 2, eerste alinea, bedoelde informatie wordt niet bekendgemaakt wanneer het gaat om:

a)  onderwijssteun uitbetaald aan natuurlijke personen en andere rechtstreekse steunbetalingen die worden betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen als bedoeld in artikel 191, lid 4, onder b);

b)  overeenkomsten van zeer geringe waarde toegekend aan overeenkomstig artikel 237, lid 2, geselecteerde deskundigen, alsmede overeenkomsten van zeer geringe waarde onder het in punt 14.4 van ▌bijlage I bedoelde bedrag;

c)  financiële steun verleend door middel van financierings­instrumenten voor een bedrag van minder dan 500 000 EUR;

d)  wanneer bekendmaking afbreuk dreigt te doen aan de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten en vrijheden van betrokken personen of entiteiten of de commerciële belangen van ontvangers dreigt te schaden.

In de in de eerste alinea, onder c), bedoelde gevallen wordt de ter beschikking gestelde informatie beperkt tot op basis van relevante criteria geaggregeerde statistische gegevens, zoals geografische ligging, economische typologie van ontvangers, het type steun en het beleidsterrein van de Unie waarop deze steun werd verleend.

▌Wanneer het gaat om natuurlijke personen geschiedt de bekendmaking van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde informatie op basis van relevante criteria, zoals de frequentie of het soort maatregel en de bedragen in kwestie.

4.  Personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), maken de informatie over ontvangers bekend volgens de op hen toepasselijke regelgeving en procedures, voor zover die regelgeving geacht wordt gelijkwaardig te zijn op grond van een beoordeling door de Commissie overeenkomstig artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder e), en op voorwaarde dat er voor de bekendmaking van persoonsgegevens waarborgen gelden die gelijkwaardig zijn aan de in dit artikel uiteengezette waarborgen.

De overeenkomstig artikel 63, lid 3, aangewezen organen maken informatie bekend overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. Die sectorspecifieke regelgeving mag, waar de relevante rechtsgrondslag hierin voorziet, afwijken van de leden 2 en 3 van dit artikel, met name voor wat de bekendmaking van persoonsgegevens betreft, wanneer dit op grond van de in lid 3, derde alinea, van dit artikel vermelde criteria gerechtvaardigd is, rekening houdend met de specifieke kenmerken van die sector.

5.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt uiterlijk op 30 juni van het jaar na het begrotingsjaar waarin voor de middelen een juridische verbintenis is aangegaan, op een websites van de instellingen van de Unie bekendgemaakt.

Op de websites van de instellingen van de Unie wordt het adres van de website vermeld waar de in lid 1 bedoelde informatie te vinden is, behalve wanneer die rechtstreeks op een specifiek daartoe bestemde website van de instellingen van de Unie wordt bekendgemaakt.

De Commissie stelt op passende en tijdige wijze informatie ter beschikking over een enkele website, met verwijzing naar het adres ervan, waarop de informatie die door de in lid 4 bedoelde personen, entiteiten of organen is verstrekt, te vinden is.

6.  Bekendgemaakte persoonsgegevens worden gewist twee jaar na het einde van het begrotingsjaar waarin voor de middelen een juridische verbintenis werd aangegaan. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens betreffende rechtspersonen waarvan de officiële benaming één of meer natuurlijke personen identificeert.

TITEL III

OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING

HOOFDSTUK 1

Opstelling van de begroting

Artikel 39

Raming van uitgaven en ontvangsten

1.  Elke andere instelling van de Unie dan de Commissie stelt een raming op van haar ontvangsten en uitgaven, die zij vóór 1 juli van elk jaar aan de Commissie en tegelijkertijd ter informatie aan het Europees Parlement en aan de Raad toezendt.

2.  De hoge vertegenwoordiger pleegt overleg, betreffende hun respectieve bevoegdheids­gebieden, met de leden van de Commissie die bevoegd zijn voor ontwikkeling, nabuurschapsbeleid, internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisrespons.

3.  De Commissie stelt haar eigen raming op en zendt deze onverwijld na goedkeuring ervan aan het Europees Parlement en aan de Raad toe. Bij de opstelling van haar eigen raming maakt de Commissie gebruik van de in artikel 40 bedoelde informatie.

Artikel 40

Geraamde begroting van de in artikel 70 bedoelde organen van de Unie

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar zendt elk in artikel 70 bedoeld orgaan van de Unie de Commissie, het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig zijn oprichtingsbesluit het ontwerp van zijn enkelvoudig programmeringsdocument toe met daarin zijn jaarlijkse en meerjarige programmering en de desbetreffende planning van de personele en financiële middelen.

Artikel 41

Ontwerpbegroting

1.  De Commissie dient uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de begroting moet worden uitgevoerd, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in dat de ontwerpbegroting bevat. Zij zendt dit voorstel ▌ ter informatie aan de nationale parlementen toe.

De ontwerpbegroting bevat een algemene, samenvattende staat van de ontvangsten en uitgaven van de Unie en de in artikel 39 bedoelde ramingen. De ontwerpbegroting kan tevens ramingen bevatten die afwijken van de door de instellingen van de Unie opgestelde ramingen.

De ontwerpbegroting wordt gestructureerd en ingericht zoals in de artikelen 47 tot en met 52 is uiteengezet.

Elke afdeling van de ontwerpbegroting wordt voorafgegaan door een inleiding van de betrokken instelling van de Unie zelf.

De Commissie stelt de algemene inleiding tot de ontwerpbegroting op. De algemene inleiding bestaat uit tabellen met de belangrijkste financiële gegevens per titel en toelichtingen bij de variaties in de kredieten van het ene begrotingsjaar tot het andere, per uitgavencategorie van het meerjarig financieel kader.

2.  Teneinde nauwkeurigere en betrouwbaardere ramingen te kunnen verstrekken over de gevolgen voor de begroting van geldende wetgeving en wetgevingsvoorstellen die in behandeling zijn, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een indicatieve financiële programmering voor de volgende jaren, ingedeeld naar uitgavencategorie, beleidsterrein en begrotingsonderdeel. De volledige financiële programmering omvat de uitgaven­categorieën die vallen onder punt 30 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(38). Samenvattende gegevens worden verstrekt voor de uitgavencategorieën die niet onder punt 30 van dat Interinstitutioneel Akkoord vallen.

De indicatieve financiële programmering wordt na de vaststelling van de begroting op basis van de uitkomst van de begrotingsprocedure en eventuele andere relevante besluiten bijgewerkt.

3.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie:

a)  een vergelijkende tabel met de ontwerpbegroting voor de andere instellingen van de Unie en de oorspronkelijke aan de Commissie toegezonden ramingen van de andere instellingen van de Unie en, in voorkomend geval, met de redenen waarom de ontwerpbegroting ramingen bevat die afwijken ▌ van door andere instellingen van de Unie opgestelde ramingen;

b)  ieder nuttig geacht werkdocument over de personeelsformaties van de instellingen van de Unie ▌, dat de laatste goedgekeurde personeelsformatie bevat en een overzicht geeft van:

i)  al het personeel dat bij de Unie in dienst is, per soort arbeidsovereenkomst;

ii)  een toelichting op het beleid inzake vast en extern personeel en gender­evenwicht;

iii)  het aantal posten dat is vervuld op de laatste dag van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, en het jaarlijkse gemiddelde van voltijdsequivalenten dat daadwerkelijk in dienst is voor dat voorgaande jaar, waarbij de verdeling per rang, per geslacht en per administratieve eenheid wordt aangegeven;

iv)  een uitsplitsing van het personeel naar beleidsterrein;

v)  voor elke categorie van extern personeel, het oorspronkelijk geraamde aantal voltijdsequivalenten op basis van de toegestane kredieten, alsmede het aantal personen dat aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, daadwerkelijk in dienst is, waarbij de uitsplitsing per functiegroep wordt weergeven en waar passend per rang;

c)  voor de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie, een werkdocument met een overzicht van de ontvangsten en uitgaven, alsmede alle informatie over het in deze alinea, onder b), bedoelde personeel.

d)  een werkdocument over de geplande besteding van kredieten voor het begrotingsjaar en over nog betaalbaar te stellen vastleggingen;

e)  met betrekking tot kredieten voor administratie, een werkdocument met de administratieve uitgaven die door de Commissie moeten worden verricht in het kader van haar afdeling van de begroting;

f)  een werkdocument over proefprojecten en voorbereidende acties dat eveneens een beoordeling van de resultaten en de geplande follow-up bevat;

g)  met betrekking tot de financiering van internationale organisaties, een werkdocument met daarin:

i)  een overzicht van al deze bijdragen, gerangschikt per Unieprogramma of ‑fonds en per internationale organisatie;

ii)  een uiteenzetting van de reden waarom het voor de Unie efficiënter is deze internationale organisaties te financieren in plaats van rechtstreeks zelf op te treden;

h)  programmaverklaringen of andere toepasselijke documenten met de volgende toelichting:

i)  een vermelding van het beleid en de doelstellingen van de Unie waartoe het programma dient bij te dragen;

ii)  een duidelijke rechtvaardiging van maatregelen op het niveau van de Unie overeenkomstig, onder meer, het subsidiariteitsbeginsel;

iii)  voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, als bedoeld in artikel 33;

iv)  een volledige motivering, met inbegrip van een kosten-batenanalyse van voorgestelde wijzigingen in het niveau van de kredieten;

v)  informatie over de uitvoeringsgraad van het programma in het lopende en […] het voorgaande begrotingsjaar;

i)  een overzicht van de tijdschema's voor de betalingen met een samenvatting per programma en per rubriek van de in latere begrotingsjaren te verrichten betalingen uit hoofde van in de ontwerpbegroting voorgestelde vastleggingen voor voorgaande begrotingsjaren.

Indien publiek-private partnerschappen gebruikmaken van financieringsinstrumenten, wordt de informatie met betrekking tot deze instrumenten opgenomen in het in lid 4 bedoelde werkdocument.

4.  Indien de Commissie gebruikmaakt van financieringsinstrumenten, voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met voor elk financieringsinstrument een overzicht van het volgende:

a)  een verwijzing naar het financieringsinstrument en de basishandeling ervan, samen met een algemene beschrijving van het instrument, de gevolgen ervan voor de begroting, de looptijd ervan en de meerwaarde van de bijdrage van de Unie;

b)  de financiële instellingen die zijn betrokken bij de uitvoering, met inbegrip van eventuele kwesties in verband met de toepassing van artikel 155, lid 2;

c)  de bijdrage van het financieringsinstrument aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het desbetreffende programma zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie;

d)  de voorgenomen verrichtingen, met inbegrip van doelvolumes gebaseerd op het beoogde hefboomeffect en het privékapitaal dat naar verwachting zal worden aangetrokken, of indien niet beschikbaar, op het hefboomeffect dat voortvloeit uit de bestaande financieringsinstrumenten;

e)  de met de betrokken verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen en de samengevoegde vastleggingen in de begroting en betalingen uit de begroting;

f)  de gemiddelde periode tussen de vastlegging in de begroting voor de financierings­instrumenten en de juridische verbintenissen voor individuele projecten in de vorm van eigen vermogen of schuld, indien de duur daarvan langer is dan drie jaar ▌;

g)  ontvangsten en terugbetalingen overeenkomstig artikel 209, lid 3, apart vermeld, met inbegrip van een beoordeling van het gebruik ervan;

h)  de waarde van investeringen in eigen vermogen, met betrekking tot voorgaande jaren;

i)  het totaal aan voorzieningen voor risico's en aansprakelijkheden, alsmede enige informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico, met inbegrip van eventuele voorwaardelijke verplichtingen;

j)  de waardevermindering van activa en beroepen op garanties, zowel voor het voorgaande jaar als de respectievelijke geaccumuleerde cijfers;

k)  de prestaties van het financieringsinstrument, met inbegrip van de verwezenlijkte investeringen, de beoogde en verwezenlijkte hefboom- en multiplicatoreffecten, alsmede het volume aangetrokken privékapitaal;

l)  de in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds voorziene middelen en, in voorkomend geval, het saldo op de trustrekening.

Het in de eerste alinea bedoelde werkdocument bevat eveneens een overzicht van de administratieve uitgaven in verband met de beheerskosten en andere financiële en huishoudelijke lasten betaald voor het beheer van financieringsinstrumenten in totaal en per beherende partij en per beheerd financieringsinstrument.

De Commissie zet de redenen uiteen voor de in de eerste alinea, onder f), bedoelde periode en formuleert indien nodig een actieplan voor de verkorting van de periode in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure.

In het in de eerste alinea bedoelde werkdocument wordt de informatie per financieringsinstrument samengevat in een duidelijke en beknopte tabel.

5.  Indien de Unie een begrotingsgarantie heeft verstrekt, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een werkdocument met voor elke begrotingsgarantie en voor het gemeenschappelijk voorzieningsfonds:

a)  een verwijzing naar de begrotingsgarantie en de basishandeling ervan, samen met een algemene beschrijving van de begrotingsgarantie en de gevolgen ervan voor de financiële verplichtingen van de begroting, de looptijd ervan en de meerwaarde van de steun van de Unie;

b)  de tegenpartijen voor de begrotingsgarantie, met inbegrip van eventuele kwesties die verband houden met de toepassing van artikel 155, lid 2;

c)  de bijdrage van de begrotingsgarantie tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de begrotingsgarantie zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie en het aantrekken van middelen uit de particuliere sector;

d)  informatie over onder de begrotingsgarantie vallende verrichtingen op geaggregeerde basis naar sectoren, landen en instrumenten, in voorkomend geval met inbegrip van portefeuilles en steun in combinatie met andere acties van de Unie;

e)  het bedrag dat aan de ontvangers is overgemaakt en een beoordeling van het hefboomeffect van de uit hoofde van de begrotingsgarantie ondersteunde projecten;

f)  op dezelfde basis als onder d) geaggregeerde informatie over het beroep op de begrotingsgarantie, verliezen, rendement, invorderingen en andere ontvangen betalingen;

g)  informatie over het financieel beheer, de resultaten en het risico van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan het einde van het voorgaande kalenderjaar;

h)  het effectieve voorzieningspercentage van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds en, in voorkomend geval, de daaropvolgende verrichtingen overeenkomstig artikel 213, lid 4;

i)  de financiële stromen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds tijdens het voorgaande kalenderjaar alsmede de significante verrichtingen en relevante informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico;

j)  overeenkomstig artikel 210, lid 3, een beoordeling van de houdbaarheid van de voorwaardelijke verplichtingen ten laste van de begroting als gevolg van begrotingsgaranties of financiële bijstand.

6.  Indien de Commissie gebruikmaakt van trustfondsen van de Unie voor extern optreden, voegt zij bij de ontwerpbegroting een gedetailleerd werkdocument over de door die trustfondsen ondersteunde activiteiten, onder meer over:

a)  de uitvoering ervan, met onder meer informatie over de monitoringregelingen met de entiteiten die trustfondsen uitvoeren;

b)  de beheerskosten ervan;

c)  de bijdragen van andere donoren dan de Unie;

d)  een voorlopige beoordeling van de prestaties ervan op basis van de in artikel 234, lid 3, vastgelegde voorwaarden;

e)  een beschrijving van de wijze waarop hun activiteiten hebben bijgedragen tot de doelstellingen die zijn neergelegd in de basishandeling van het instrument waaruit de bijdrage van de Unie aan het trustfonds is verstrekt.

7.  De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een lijst van haar besluiten waarbij boeten op het gebied van het mededingingsrecht worden opgelegd, met vermelding van het bedrag van elke opgelegde boete, vergezeld van informatie over de vraag of die boeten definitief zijn geworden of dat ze het voorwerp zijn van beroep, of dat nog kunnen worden, bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede, waar mogelijk, informatie over wanneer elke boete naar verwachting definitief zal worden.

8.  De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een werkdocument met daarin vermeld, voor elk begrotingsonderdeel waarvoor interne of externe bestemmingsontvangsten worden ontvangen:

a)  het geraamde bedrag van die te ontvangen ontvangsten;

b)  het geraamde bedrag van die van voorgaande jaren overgedragen ontvangsten.

9.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie tevens alle andere werkdocumenten die zij dienstig acht voor het Europees Parlement en voor de Raad ter beoordeling van de begrotingsverzoeken.

10.  Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Besluit 2010/427/EU van de Raad(39) ▌, zendt de Commissie het Europees Parlement en de Raad samen met de ontwerpbegroting een werkdocument toe met een volledig overzicht van:

a)  alle uit de begroting gefinancierde administratieve en beleidsuitgaven in verband met het extern optreden van de Unie, met inbegrip van de taken op het gebied van het GBVB en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

b)  alle administratieve uitgaven van de EDEO in het voorgaande jaar, uitgesplitst in uitgaven per delegatie van de Unie en uitgaven van het hoofdkantoor van de EDEO; samen met beleidsuitgaven, uitgesplitst naar geografisch gebied (regio's, landen), thematisch gebied, delegaties van de Unie en missies.

11.  Het in lid 10 bedoelde werkdocument bevat tevens de volgende gegevens:

a)  het aantal ambten in elke categorie en rang, en het aantal vaste en tijdelijke ambten, met inbegrip van arbeidscontractanten en plaatselijke functionarissen waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten in elke delegatie van de Unie, alsmede in het hoofdkantoor van de EDEO;

b)  mutaties, vergeleken met het voorgaande begrotingsjaar, in het aantal ambten per categorie en rang, in het hoofdkantoor van de EDEO en in alle delegaties van de Unie ▌;

c)  het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten en, voor het voorgaande begrotingsjaar, alsmede het aantal ambten dat wordt bezet door gedetacheerde diplomaten uit de lidstaten en door ambtenaren van de Unie;

d)  al het personeel in de delegaties van de Unie op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, uitgesplitst naar geografisch gebied, geslacht, afzonderlijk land en missie, met opgave van het aantal ambten in de personeelsformatie, arbeids­contractanten, lokale functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de in de ontwerpbegroting gevraagde kredieten voor dergelijke soorten personeel met de bijbehorende ramingen van het aantal voltijdsequivalenten op basis van de gevraagde kredieten.

Artikel 42

Nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting

Op grond van nieuwe informatie die ten tijde van de opstelling van de ontwerpbegroting niet bekend was, kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van een andere instelling van de Unie met betrekking tot hun respectieve afdeling, gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad één of meer nota's van wijzigingen indienen waarmee de ontwerpbegroting wordt gewijzigd, voordat het in artikel 314 VWEU genoemde bemiddelingscomité is bijeengekomen. Dergelijke nota's kunnen onder meer een nota van wijzigingen omvatten tot actualisering van met name de geraamde landbouw­uitgaven.

Artikel 43

Verplichtingen van de lidstaten als gevolg van de vaststelling van de begroting

1.  De voorzitter van het Europees Parlement constateert volgens de procedure van artikel 314, lid 9, VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag dat de begroting definitief is vastgesteld.

2.  De constatering van de definitieve vaststelling van de begroting brengt, met ingang van 1 januari van het volgende begrotingsjaar of met ingang van de datum van de constatering van de definitieve vaststelling van de begroting als die na 1 januari valt, voor elke lidstaat de verplichting met zich mee de Unie de verschuldigde bedragen ter beschikking te stellen op de wijze bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

Artikel 44

Ontwerpen van gewijzigde begroting

1.  De Commissie kan in de volgende omstandigheden ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op ontvangsten zijn gericht:

a)  om in de begroting het saldo van het voorgaande begrotingsjaar op te nemen overeenkomstig de procedure van artikel 18;

b)  om de raming van de eigen middelen te herzien op basis van aangepaste economische prognoses;

c)  om de herziene raming van de eigen middelen en andere inkomsten te actualiseren alsmede om de beschikbaarheid van en de behoeften aan betalingskredieten te herzien.

De Commissie kan in geval van onvermijdbare, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, met name met het oog op de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op uitgaven zijn gericht.

2.  Verzoeken om gewijzigde begrotingen die in de in lid 1 genoemde omstandigheden door andere instellingen van de Unie dan de Commissie worden gedaan, worden doorgegeven aan de Commissie.

Alvorens een ontwerp van gewijzigde begroting in te dienen, onderzoeken de Commissie en de andere betrokken instellingen van de Unie de mogelijkheid om de desbetreffende kredieten te herschikken, met name met betrekking tot de verwachting dat bepaalde kredieten niet volledig zullen worden opgebruikt.

Artikel 43 is van toepassing op gewijzigde begrotingen. Gewijzigde begrotingen worden gemotiveerd onder verwijzing naar de begroting waarvan zij de ramingen wijzigen.

3.  De Commissie dient haar ontwerpen van gewijzigde begroting uiterlijk op 1 september van elk begrotingsjaar gelijktijdig bij het Europees Parlement en bij de Raad in, behoudens in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden of in geval van de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Solidariteitsfonds waarvoor op elk moment van het jaar een ontwerp van gewijzigde begroting kan worden ingediend. Zij kan bij de door andere instellingen van de Unie ingediende verzoeken om gewijzigde begrotingen een advies voegen.

4.  De ontwerpen van gewijzigde begroting gaan vergezeld van de ten tijde van de opstelling ervan beschikbare motiveringen en gegevens over de uitvoering van de begroting van het voorgaande en het lopende begrotingsjaar.

Artikel 45

Vervroegde indiening van de ramingen en ontwerpbegrotingen

De Commissie, het Europees Parlement en de Raad kunnen overeenkomen bepaalde data voor de indiening van de ramingen en voor de aanneming en de indiening van de ontwerpbegroting te vervroegen. Deze overeenkomst leidt er evenwel niet toe dat de termijnen voor de behandeling van die teksten, als voorgeschreven in artikel 314 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag, worden verkort of verlengd.

HOOFDSTUK 2

Structuur en inrichting van de begroting

Artikel 46

Structuur van de begroting

De begroting omvat:

a)  een algemene staat van uitgaven en ontvangsten;

b)  aparte afdelingen voor elke instelling van de Unie, behalve voor de Europese Raad en voor de Raad die onder dezelfde afdeling ressorteren, verdeeld in staten van uitgaven en ontvangsten.

Artikel 47

Begrotingsnomenclatuur

1.  De ontvangsten van de Commissie en de uitgaven en ontvangsten van de overige instellingen van de Unie worden door het Europees Parlement en door de Raad ingedeeld in titels, hoofdstukken, artikelen en posten al naar hun aard of bestemming.

2.  De staat van uitgaven van de begrotingsafdeling betreffende de Commissie wordt ingericht volgens de door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde nomenclatuur met een indeling naar de bestemming van de uitgave.

Elke titel komt overeen met een beleidsterrein en elk hoofdstuk als regel met een programma of een activiteit.

Elke titel kan beleidskredieten en administratieve kredieten bevatten. Binnen een zelfde titel worden de administratieve kredieten samengebracht in één hoofdstuk.

De begrotingsnomenclatuur voldoet aan de beginselen van specialiteit, ▌goed financieel beheer en transparantie. Zij zorgt voor de voor het begrotingsproces benodigde duidelijkheid en transparantie, helpt de hoofddoelstellingen die in de respectieve rechtsgrondslagen zijn vastgesteld, te bepalen, maakt het mogelijk politieke prioriteiten te stellen en deze op een efficiënte en doeltreffende wijze te implementeren.

3.  De Commissie kan om de opname van een vermelding "pro memorie" in een begrotingsonderdeel zonder toegestane kredieten verzoeken. Een dergelijk verzoek zal overeenkomstig de in artikel 31 vastgestelde procedure worden goedgekeurd.

4.  In geval van indiening per bestemming worden de administratieve kredieten voor afzonderlijke titels als volgt ingericht:

a)  uitgaven voor het door de personeelsformatie toegestane aantal personeelsleden, die de kredieten en het aantal ambten voor de personeelsformatie omvatten;

b)  uitgaven voor extern personeel en andere uitgaven als bedoeld in artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder b), en gefinancierd uit hoofde van de rubriek "Administratie" van het meerjarig financieel kader;

c)  uitgaven voor gebouwen en andere, hiermee verband houdende uitgaven, waaronder die voor schoonmaak en onderhoud, huur, telecommunicatie, water, gas en elektriciteit;

d)  uitgaven voor extern personeel en technische ondersteuning, direct verband houdend met de uitvoering van programma's.

Administratieve uitgaven van de Commissie die in verschillende titels voorkomen, worden opgenomen in een afzonderlijke samenvattende staat, ingedeeld naar aard.

Artikel 48

Negatieve ontvangsten

1.  De begroting bevat geen negatieve ontvangsten, behalve als gevolg van negatieve rente op deposito's in totaal.

2.  De op grond van ▌Besluit 2014/335/EU, Euratom geïnde eigen middelen zijn nettobedragen en worden in de samenvattende staat van ontvangsten van de begroting als zodanig vermeld.

Artikel 49

Voorzieningen

1.  Iedere afdeling van de begroting kan een titel "voorzieningen" bevatten. Kredieten worden in elk van de volgende gevallen in die titel opgenomen:

a)  ontbreken van een basishandeling voor de betrokken actie op het tijdstip van opstelling van de begroting;

b)  op ernstige gronden bestaande onzekerheid over de toereikendheid of de mogelijkheid tot besteding, onder voorwaarden overeenkomstig het beginsel goed financieel beheer, van de op de begrotingsonderdelen opgevoerde kredieten.

De kredieten van die titel kunnen alleen door middel van overschrijvingen volgens de procedure van artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening worden gebruikt in de gevallen waarin voor de vaststelling van de basishandeling de procedure van artikel 294 VWEU geldt, en volgens de procedure van artikel 31 van deze verordening in alle andere gevallen.

2.  In geval van ernstige uitvoeringsmoeilijkheden kan de Commissie tijdens het begrotings­jaar voorstellen kredieten over te schrijven naar de titel "voorzieningen". Het Europees Parlement en de Raad beslissen over deze overschrijvingen op de in artikel 31 beschreven wijze.

Artikel 50

Negatieve reserve

De afdeling van de begroting betreffende de Commissie mag een "negatieve reserve" bevatten van ten hoogste 200 000 000 EUR. Deze reserve wordt in een afzonderlijke titel opgenomen en bevat uitsluitend betalingskredieten.

Het gebruik van die negatieve reserve moet vóór het einde van het begrotingsjaar plaatsvinden door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 30 en 31.

Artikel 51

Reserve voor noodhulp ▌

1.  De afdeling van de begroting betreffende de Commissie bevat een reserve voor noodhulp aan derde landen ▌.

2.  De in lid 1 genoemde reserve wordt vóór het einde van het begrotingsjaar gebruikt door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 30 en 32.

Artikel 52

Inrichting van de begroting

1.  In de begroting worden opgenomen ▌:

a)  in de algemene staat van ontvangsten en uitgaven:

i)  de geraamde ontvangsten van de Unie voor het lopende begrotingsjaar ("jaar n");

ii)  de geraamde ontvangsten van het voorgaande begrotingsjaar en de ontvangsten van het jaar n‑2;

iii)  de vastleggings- en betalingskredieten voor jaar n;

iv)  de vastleggings- en betalingskredieten van het voorgaande begrotingsjaar;

v)  de in het jaar n-2 vastgelegde uitgaven en gedane betalingen, waarbij de betalingen tevens worden uitgedrukt als een percentage van de begroting van het jaar n;

vi)  een passende toelichting bij elk in artikel 47, lid 1, bedoeld onderdeel, met inbegrip van de eventuele basishandeling alsook een passende uitleg over de aard en de bestemming van de kredieten;

b)  in elke afdeling de ontvangsten en uitgaven volgens dezelfde structuur als beschreven onder a);

c)  met betrekking tot het personeelsbestand:

i)  een personeelsformatie waarin, voor elke afdeling, per rang in elke categorie en in elke groep, het aantal binnen de grenzen van de kredieten toegestane vaste en tijdelijke ambten is vastgesteld;

ii)  een personeelsformatie van de uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde personeelsleden voor eigen werkzaamheden, en een personeelsformatie van de uit dezelfde kredieten bezoldigde personeelsleden voor werkzaamheden onder contract; de personeelsformaties zijn onderverdeeld naar categorie en naar rang, met onderscheid tussen vaste en tijdelijke ambten, waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten;

iii)  een personeelsformatie waarin voor alle in artikel 70 bedoelde organen van de Unie die bijdragen ten laste van de begroting ontvangen, per rang voor elke categorie het aantal ambten wordt vastgesteld. In de personeelsformaties wordt naast het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten het aantal ambten vermeld dat voor het voorgaande begrotingsjaar was toegestaan. Het personeel van het Voorzieningsagentschap van Euratom wordt afzonderlijk in de personeels­formatie van de Commissie opgenomen;

d)  met betrekking tot financiële bijstand en begrotingsgaranties:

i)  in de algemene staat van ontvangsten, de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen die dienen voor het boeken van de eventuele aflossingen door ontvangers die aanvankelijk in gebreke waren gebleven. Die begrotingsonderdelen worden van de vermelding "pro memorie" (p.m.) en van de passende toelichtingen voorzien;

ii)  in de begrotingsafdeling betreffende de Commissie:

–  de begrotingsonderdelen met de begrotingsgaranties met betrekking tot de betrokken verrichtingen. Die onderdelen worden van de vermelding "pro memorie" (p.m.) voorzien zolang uit dien hoofde geen daadwerkelijke last is gebleken die uit de definitieve middelen moet worden gedekt;

–  toelichtingen met verwijzing naar de basishandeling en vermelding van het bedrag van de overwogen verrichtingen, de duur ervan en de financiële garantie die de Unie voor de afwikkeling van zulke verrichtingen verstrekt;

iii)  in een bijlage bij de begrotingsafdeling betreffende de Commissie, ter indicatie, ook van de betrokken risico's:

–  de lopende kapitaalverrichtingen en het lopende beheer van de schulden;

–  de kapitaalverrichtingen en het beheer van de schulden voor jaar n;

e)  met betrekking tot zonder een basishandeling in te stellen financieringsinstrumenten:

i)  de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen;

ii)  een algemene beschrijving van de financieringsinstrumenten, met inbegrip van de looptijd en de gevolgen ervan voor de begroting;

iii)  de beoogde verrichtingen, waaronder de beoogde volumes op basis van het verwachte multiplicator- en hefboomeffect;

f)  met betrekking tot de door personen of entiteiten krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), uitgevoerde middelen ▌:

i)  een verwijzing naar de basishandeling van het desbetreffende programma;

ii)  de overeenkomstige begrotingsonderdelen;

iii)  een algemene beschrijving van de actie, met inbegrip van de looptijd en de gevolgen voor de begroting;

g)  alle GBVB-uitgaven in een hoofdstuk, "GBVB" getiteld, met specifieke artikelen die betrekking hebben op GBVB-uitgaven en specifieke begrotingsonderdelen bevatten waarin in ieder geval de belangrijkste missies worden vermeld.

2.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen naast de in lid 1 genoemde documenten nog ieder ander ter zake dienend document bij de begroting voegen.

Artikel 53

Regels betreffende de personeelsformaties

1.  De in artikel 52, lid 1, onder c), bedoelde personeelsformaties vormen voor iedere instelling en elk orgaan van de Unie een strikt maximum. Boven dit maximum wordt geen enkele aanstelling verricht.

Iedere instelling en ieder orgaan van de Unie mag evenwel wijzigingen in zijn personeels­formaties aanbrengen voor 10 % van de toegestane ambten, behalve voor de rangen AD 14, AD 15 en AD 16, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de wijziging heeft geen gevolgen voor de omvang van de personeelskredieten overeenkomend met een volledig begrotingsjaar;

b)  het totale aantal toegestane ambten per personeelsformatie wordt niet overschreden;

c)  de instelling of het orgaan van de Unie heeft deelgenomen aan een benchmark-studie met andere instellingen en organen van de Unie, waarmee is begonnen met de personeelsscreening van de Commissie.

Drie weken voordat zij de in de tweede alinea bedoelde wijzigingen aanbrengt, brengt de instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van haar voornemen dit te doen. Worden binnen deze termijn door hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad naar behoren gemotiveerde bezwaren aangevoerd, dan ziet de instelling van de Unie af van het aanbrengen van deze wijzigingen en wordt de in artikel 44 vastgestelde procedure gevolgd.

2.  In afwijking van lid 1, eerste alinea, kunnen de gevallen van arbeid in deeltijd waarvoor het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig de bepalingen van het statuut toestemming heeft verleend, worden gecompenseerd met andere aanstellingen.

HOOFDSTUK 3

Begrotingsdiscipline

Artikel 54

Overeenstemming met het meerjarig financieel kader en met Besluit 2014/335/EU, Euratom

De begroting is in overeenstemming met het meerjarig financieel kader en met Besluit 2014/335/EU, Euratom.

Artikel 55

Overeenstemming van handelingen van de Unie met de begroting

Wanneer bij de uitvoering van een handeling van de Unie de in de begroting beschikbare kredieten worden overschreden, wordt die handeling in financieel opzicht niet uitgevoerd totdat de begroting dienovereenkomstig is gewijzigd.

TITEL IV

UITVOERING VAN DE BEGROTING

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 56

Begrotingsuitvoering volgens het beginsel van goed financieel beheer

1.  De Commissie voert de begroting aan de ontvangsten- en uitgavenzijde uit overeenkomstig deze verordening, onder haar eigen verantwoordelijkheid en binnen de grenzen van de toegestane kredieten.

2.  De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de kredieten worden besteed volgens het beginsel van goed financieel beheer.

Artikel 57

Kennisgeving van de doorgifte van persoonsgegevens voor auditdoeleinden

Bij elke oproep in het kader van subsidies, aanbestedingen of prijzen die in direct beheer worden uitgevoerd, worden potentiële begunstigden, gegadigden, inschrijvers en deelnemers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 ▌ervan in kennis gesteld dat, met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de persoonsgegevens aan interneaudit­diensten, de Rekenkamer of het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tussen ordonnateurs van de Commissie en de in artikel 69 van deze verordening genoemde uitvoerende agentschappen en de in artikelen 70 en 71 van deze verordening genoemde organen van de Unie kunnen worden doorgegeven.

Artikel 58

Basishandeling en uitzonderingen

1.  De in de begroting opgenomen kredieten kunnen alleen voor een optreden van de Unie worden besteed indien een basishandeling is aangenomen.

2.  In afwijking van lid 1 en onder de in de leden 3, 4 en 5 bepaalde voorwaarden, mogen de volgende kredieten zonder basishandeling worden besteed, voor zover de gefinancierde acties onder de bevoegdheid van de Unie vallen:

a)  kredieten voor proefprojecten van experimentele aard om de haalbaarheid en het nut van een actie te bepalen ▌;

b)  kredieten voor voorbereidende acties op gebieden die onder het toepassingsgebied van het VWEU en het Euratom-Verdrag vallen, om voorstellen voor te bereiden met het oog op de vaststelling van toekomstige acties ▌;

c)  kredieten voor voorbereidende maatregelen op het gebied van titel V van het VEU ▌;

d)  kredieten voor incidentele acties, of voor acties van onbepaalde duur, die de Commissie uitvoert op grond van de taken die voortvloeien uit haar andere prerogatieven op institutioneel vlak uit hoofde van het VWEU en het Euratom-Verdrag dan haar in punt b) van dit lid bedoelde recht om wetgevingsvoorstellen in te dienen, alsmede uit de bijzondere bevoegdheden die haar rechtstreeks door de artikelen 154, 156, 159 en 160, artikel 168, lid 2, artikel 171, lid 2, artikel 173, lid 2, artikel 175, tweede alinea, artikel 181, lid 2, artikel 190 en artikel 210, lid 2, en artikel 214, lid 6, VWEU en de artikelen 70 en 77 tot en met 85 van het Euratomverdrag zijn toegekend ▌;

e)  kredieten die bestemd zijn voor de werking van elke instelling van de Unie uit hoofde van haar administratieve autonomie.

3.  Met betrekking tot de in lid 2, onder a), bedoelde kredieten, mogen de desbetreffende vastleggingskredieten voor ten hoogste twee opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. Het totale bedrag van de kredieten voor proefprojecten is niet hoger dan 40 000 000 EUR per begrotingsjaar.

4.  Met betrekking tot de in lid 2, onder b), bedoelde kredieten, wordt bij voorbereidende acties, die uiteenlopende vormen kunnen hebben, een samenhangende aanpak gevolgd. De desbetreffende vastleggingskredieten mogen voor ten hoogste drie opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. De procedure voor de vaststelling van de relevante basishandeling wordt vóór het einde van het derde begrotingsjaar voltooid. In de loop van die procedure stemt de vastlegging van de kredieten overeen met de eigen kenmerken van de voorbereidende actie met betrekking tot de beoogde activiteiten en doelstellingen en de ontvangers. Bijgevolg stemt de omvang van de vastgestelde kredieten niet overeen met de voor de financiering van de definitieve actie zelf voorziene omvang.

Het totale bedrag van de kredieten voor de in lid 2, onder b), bedoelde nieuwe voorbereidende acties is niet hoger dan 50 000 000 EUR per begrotingsjaar en het totale bedrag van de daadwerkelijk vastgelegde kredieten voor voorbereidende acties is niet hoger dan 100 000 000 EUR.

5.  Met betrekking tot de in lid 2, onder c), bedoelde kredieten, worden voorbereidende maatregelen beperkt tot een korte periode en dienen zij om de voorwaarden vast te stellen voor het optreden van de Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en voor de vaststelling van de nodige juridische instrumenten.

Voorbereidende maatregelen voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie dienen onder meer om na te gaan wat de operationele behoeften zijn, te zorgen voor een snelle terbeschikkingstelling van de eerste middelen of ter plaatse de voorwaarden voor de start van de operatie te scheppen. Voorbereidende maatregelen worden overeengekomen door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger.

Met het oog op een snelle uitvoering van de voorlopige maatregelen worden het Europees Parlement en de Commissie zo spoedig mogelijk door de hoge vertegenwoordiger geïnformeerd over het voornemen van de Raad om tot een voorbereidende maatregel over te gaan en in het bijzonder over de hiervoor naar raming benodigde middelen. De Commissie neemt alle nodige maatregelen om een snelle terbeschikkingstelling van de middelen te waarborgen.

De financiering van door de Raad overeengekomen maatregelen ter voorbereiding van crisisbeheersingsoperaties van de Unie uit hoofde van titel V van het VEU dekt de bijkomende kosten die rechtstreeks het gevolg zijn van een specifieke inzet ter plaatse van een missie of team waarbij onder meer personeelsleden van instellingen van de Unie betrokken zijn, met inbegrip van een verzekering tegen grote risico's, reis- en verblijfkosten en dagvergoedingen.

Artikel 59

Uitvoering van de begroting door andere instellingen van de Unie dan de Commissie

1.  De Commissie kent de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toe die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting.

2.  Om de besteding van hun kredieten te bevorderen kunnen instellingen van de Unie overeenkomsten op dienstverleningsniveau met elkaar sluiten, met daarin de voorwaarden voor de verlening van diensten, de levering van producten, de uitvoering van werken of ▌van onroerendgoedovereenkomsten.

Deze overeenkomsten maken de overschrijving van kredieten of de invordering van kosten die voortvloeien uit de uitvoering ervan, mogelijk.

3.  Overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau als bedoeld in lid 2 kunnen ook worden gesloten tussen afdelingen van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus, organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het GBVB op grond van titel V van het VEU en het bureau van de secretaris-generaal van de raad van bestuur van de Europese scholen. De Commissie en de andere instellingen van de Unie brengen regelmatig bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit over de overeenkomsten op dienstverleningsniveau die zij met andere instellingen van de Unie sluiten.

Artikel 60

Delegatie van bevoegdheden tot uitvoering van de begroting

1.  De Commissie en elk van de overige instellingen van de Unie kunnen hun bevoegdheden tot uitvoering van de begroting binnen hun diensten delegeren onder de in deze verordening en hun interne voorschriften bepaalde voorwaarden en binnen de in de akte van delegatie vastgestelde grenzen. Deze delegatieverkrijgers handelen binnen de grenzen van de hun uitdrukkelijk verleende bevoegdheden.

2.  In aanvulling op lid 1 kan de Commissie haar bevoegdheden tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de beleidskredieten van haar eigen begrotingsafdeling delegeren aan de hoofden van de delegaties van de Unie en, om tijdens hun afwezigheid de continuïteit van de werkzaamheden te waarborgen, aan de adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie. Dergelijke bevoegdheidsdelegatie laat de verantwoordelijkheid van de hoofden van de delegaties van de Unie tot uitvoering van de begroting onverlet. Indien een hoofd van een delegatie van de Unie langer dan vier weken afwezig is, herziet de Commissie haar besluit om bevoegdheden tot uitvoering van de begroting te delegeren. Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie en, in hun afwezigheid, de adjunct-hoofden, als gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie ▌optreden, passen zij de voorschriften van de Commissie voor de uitvoering van de begroting toe en worden zij onderworpen aan dezelfde taken, verplichtingen en aansprakelijkheid als elke andere gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie.

De Commissie kan de in de eerste alinea bedoelde delegatie van bevoegdheden intrekken overeenkomstig haar eigen regels.

Voor de toepassing van de eerste alinea neemt de hoge vertegenwoordiger de nodige maatregelen om de samenwerking tussen de delegaties van de Unie en de diensten van de Commissie te bevorderen.

3.  De EDEO kan zijn bevoegdheid tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de administratieve kredieten van zijn eigen begrotingsafdeling bij wijze van uitzondering delegeren aan Commissiemedewerkers van de delegaties van de Unie indien dit nodig is om de continuïteit in het bestuur van die delegaties in afwezigheid van de bevoegde ordonnateur van de EDEO uit het land van de standplaats van zijn delegatie te verzekeren. In de uitzonderlijke gevallen waarin Commissiepersoneelsleden van delegaties van de Unie als gesubdelegeerd ordonnateur van de EDEO optreden, passen zij de interne EDEO-regels voor de uitvoering van de begroting toe en hebben zij dezelfde taken en verplichtingen, onder meer inzake verantwoording, als elke andere gesubdelegeerde ordonnateur van de EDEO.

De EDEO kan de in de eerste alinea bedoelde delegatie van bevoegdheden intrekken overeenkomstig zijn eigen regels.

Artikel 61

Belangenconflict

1.  Financiële actoren in de zin van hoofdstuk 4 van deze titel ▌en andere personen, daaronder begrepen nationale autoriteiten op alle niveaus, die bij de uitvoering van de begroting onder direct, indirect en gedeeld ▌beheer, met inbegrip van voorbereidende handelingen op dit gebied, de audit of de controle betrokken zijn, verrichten geen handelingen waarbij hun eigen belangen in conflict kunnen komen met die van de Unie. Zij nemen ook passende maatregelen om te voorkomen dat een belangenconflict ontstaat in de functies onder hun verantwoordelijkheid en om situaties te verhelpen die objectief als belangenconflict kunnen worden beschouwd.

2.  Indien er een risico bestaat op een belangenconflict waarbij een personeelslid van een nationale autoriteit betrokken is, brengt de betrokken persoon deze zaak ter kennis van zijn hiërarchieke meerdere. Indien een dergelijk risico bestaat voor aan het statuut onderworpen personeel brengt de betrokken persoon deze zaak ter kennis van de bevoegde gedelegeerde ordonnateur. De bevoegde hiërarchieke meerdere of de verantwoordelijk gedelegeerde ordonnateur bevestigt schriftelijk of er sprake is van een belangenconflict. Indien een belangenconflict wordt vastgesteld, zorgt het tot aanstelling bevoegde gezag of de bevoegde nationale autoriteit ervoor dat de betrokken persoon al zijn activiteiten in verband met de zaak beëindigt. De betrokken gedelegeerde ordonnateur of de betrokken nationale autoriteit zorgt ervoor dat de nodige verdere maatregelen worden genomen in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving.

3.  Voor de toepassing van lid 1 doet een belangenconflict zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van de in lid 1 bedoelde financiële actor of andere persoon in gevaar wordt gebracht als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang.

HOOFDSTUK 2

Wijzen van uitvoering

Artikel 62

Wijzen van uitvoering van de begroting

1.  De Commissie voert de begroting op een of meer van de volgende wijzen uit:

a)  op directe wijze ("direct beheer") zoals beschreven in de artikelen 125 tot en met 153, via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties van de Unie onder leiding van het respectievelijke delegatiehoofd, overeenkomstig artikel 60, lid 2, of via uitvoerende agentschappen als bedoeld in artikel 69;

b)  in gedeeld beheer met de lidstaten ("gedeeld beheer") zoals beschreven in de artikelen 63 en 125 tot en met 129;

c)  op indirecte wijze ("indirect beheer") zoals beschreven in de artikelen 125 tot en met 149 en de artikelen 154 tot en met 159, wanneer de basishandeling daarin voorziet of in de in artikel 58, lid 2, ▌onder a) tot en met d), genoemde gevallen, door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan:

i)  derde landen of de door hen aangewezen organen;

ii)  internationale organisaties of hun agentschappen, in de zin van artikel 156;

iii)  de Europese Investeringsbank (“EIB”) of het Europees Investeringsfonds (“EIF”) of beide optredend als groep ("de EIB-groep");

iv)  de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie;

v)  publiekrechtelijke organen, met inbegrip van lidstaatsorganisaties;

vi)  privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, met inbegrip van lidstaatsorganisaties, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

vii)  privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

viii)  organen of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Met betrekking tot eerste alinea, onder c), vi), kan het bedrag van de vereiste financiële garanties in de betrokken basishandeling zijn opgenomen en kan dit beperkt zijn tot het maximumbedrag van de bijdrage van de Unie aan het betrokken orgaan. In het geval van meervoudige borgen wordt de verdeling van het bedrag van de totale verplichting die door de garanties wordt gedekt, gespecificeerd in de bijdrage­overeenkomst, die kan bepalen dat de aansprakelijkheid voor elke borg evenredig moet zijn met het aandeel van de respectieve bijdrage ervan aan het orgaan.

2.  Voor direct beheer kan de Commissie de in de titels VII, VIII, IX, X en XII genoemde instrumenten gebruiken.

Voor gedeeld beheer worden de instrumenten voor de uitvoering van de begroting in sectorspecifieke regelgeving bepaald.

Voor indirect beheer past de Commissie titel VI en, in het geval van financierings­instrumenten en begrotingsgaranties, de titels VI en X toe. De uitvoerende entiteiten gebruiken de instrumenten voor de uitvoering van de begroting die in de betrokken bijdrage­overeenkomst staan.

3.  De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 317 VWEU en delegeert die taken niet aan derden indien deze taken een ruime beoordelingsmarge inhouden die door politieke keuzen kan worden bepaald.

De Commissie kan niet, door middel van overeenkomsten in overeenstemming met titel VII van deze verordening, taken uitbesteden die het uitoefenen van openbaar gezag en discretionaire beoordelingsbevoegdheden met zich brengen.

Artikel 63

Gedeeld beheer met de lidstaten

1.  Wanneer de Commissie de begroting in gedeeld ▌ beheer uitvoert, worden taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting aan de lidstaten gedelegeerd. De Commissie en de lidstaten nemen de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie in acht en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Daartoe komen de Commissie en de lidstaten hun respectieve controle- en audit­verplichtingen na en nemen zij de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich die in deze verordening zijn vastgesteld. Aanvullende voorschriften worden vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving.

2.  De lidstaten nemen, wanneer zij taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting uitoefenen, alle nodige maatregelen, met inbegrip van wetgevende, regelgevende, en administratieve maatregelen, ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name door:

a)  ervoor te zorgen dat uit de begroting gefinancierde acties naar behoren en effectief en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving worden uitgevoerd ▌;

b)  organen aan te wijzen voor het beheer en de controle van middelen van de Unie, overeenkomstig lid 3, en toezicht te houden op deze organen ▌;

c)  te voorzien in de preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en fraude;

d)  overeenkomstig deze verordening en sectorspecifieke regelgeving samen te werken met de Commissie, OLAF, de Rekenkamer) en, voor de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(40), met het Europees Openbaar Ministerie (EOM) zodra het is opgericht.

Teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen, verrichten de lidstaten, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en in toepassing van dit artikel en de desbetreffende sectorspecifieke regelgeving, vooraf en achteraf controles, met inbegrip van controles ter plaatse, waar zulks dienstig is, op representatieve en/of risicogerichte steekproeven van verrichtingen. Daarnaast gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in.

De lidstaten leggen de ontvangers doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties op indien hierin is voorzien bij sectorspecifieke regelgeving of bij specifieke bepalingen in het nationale recht.

In het kader van haar risicobeoordeling en overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving, houdt de Commissie toezicht op de door de lidstaten vastgestelde beheers- en controlesystemen. Bij haar auditwerkzaamheden eerbiedigt de Commissie het proportionaliteits­beginsel en houdt zij rekening met het overeenkomstig sector­specifieke regelgeving beoordeelde risiconiveau ▌.

3.  Overeenkomstig de criteria en procedures die zijn vastgelegd in sectorspecifieke regelgeving wijzen de lidstaten op het passende niveau organen aan die bevoegd zijn om de middelen van de Unie te beheren en te controleren. Deze organen kunnen naast het beheer van middelen van de Unie andere taken verrichten en kunnen sommige taken aan andere organen toevertrouwen ▌.

Bij het nemen van een besluit inzake de aanwijzing van organen kunnen de lidstaten zich laten leiden door de vraag of de beheers- en controlesystemen in wezen dezelfde zijn als die welke reeds golden voor de vorige periode en of deze afdoende gefunctioneerd hebben.

Indien uit de audit- en controleresultaten blijkt dat de aangewezen organen niet langer voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de taken van deze organen worden verholpen, onder meer door een eind te maken aan de aanwijzing in overeenstemming met sectorspecifieke regelgeving.

Sectorspecifieke regelgeving legt de rol van de Commissie in het in dit lid omschreven proces vast.

4.  De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen:

a)  stellen een doeltreffend en efficiënt interneauditsysteem in en zien toe op de werking ervan;

b)  gebruiken een boekhoudsysteem dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;

c)  verschaffen de uit hoofde van de leden 5, 6 en 7 verlangde informatie;

d)  zorgen voor een bekendmaking achteraf overeenkomstig artikel 38, leden 2 tot en met lid 6.

De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats met inachtneming van Verordening (EU) 2016/679.

5.  De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen verstrekken de Commissie vóór 15 februari van het volgende begrotingsjaar:

a)  hun rekeningen betreffende de uitgaven die zij tijdens de relevante referentieperiode, als bepaald in sectorspecifieke regelgeving, hebben gedaan bij de uitvoering van hun taken en met het oog op vergoeding bij de Commissie hebben ingediend ▌;

b)  een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van de vastgestelde fouten en tekortkomingen in de systemen en een overzicht van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen.

6.  In de in lid 5, onder a), genoemde rekeningen zijn de prefinanciering en de bedragen waarvoor terugvorderingsprocedures lopen of zijn afgerond, opgenomen. Zij gaan vergezeld van een beheersverklaring waarin wordt bevestigd dat naar de mening van degenen die met het beheer van de middelen belast zijn:

a)  de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd;

b)  de uitgaven voor het beoogde, in sectorspecifieke regelgeving omschreven doel zijn gebruikt;

c)  de ingevoerde controlesystemen de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgen.

7.  De in de lid 5, onder a), bedoelde rekeningen en de in dat lid, onder b), bedoelde samenvatting gaan vergezeld van een advies van een onafhankelijk auditorgaan dat overeenkomstig de internationaal aanvaarde auditnormen is opgesteld. In dat advies wordt vastgesteld of de rekeningen een juist en getrouw beeld geven, of de uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht, wettig en regelmatig zijn en of de ingevoerde controlesystemen naar behoren functioneren. In het advies wordt ook vastgesteld of de beweringen in de in lid 6 genoemde beheersverklaring in de audit­werkzaamheden in twijfel worden getrokken.

De in lid 5 bepaalde termijn van 15 februari kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de betrokken lidstaat.

De lidstaten kunnen de in de leden 5 en 6 en in onderhavig lid genoemde informatie op het daarvoor geëigende niveau publiceren.

Bovendien kunnen de lidstaten aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie op het daarvoor geëigende niveau ondertekende verklaringen afgeven gebaseerd op de leden 5 en 6 en in dit lid genoemde informatie.

8.  Om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie worden gebruikt in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften dient de Commissie:

a)  procedures toe te passen voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen van de aangewezen organen, om te waarborgen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn;

b)  betalingen die in strijd met het toepasselijk recht zijn verricht, uit te sluiten van financiering door de Unie;

c)  betalingstermijnen te onderbreken of betalingen te schorsen indien daarin is voorzien in sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie maakt de onderbreking van betalingstermijnen of schorsing van betalingen geheel of gedeeltelijk ongedaan nadat een lidstaat zijn opmerkingen heeft ingediend en zodra deze alle nodige maatregelen heeft genomen. In het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag komen alle verplichtingen uit hoofde van dit lid aan bod.

9.  In de sectorspecifieke regelgeving wordt rekening gehouden met de behoeften van programma's voor Europese territoriale samenwerking, met name wat betreft de inhoud van de beheersverklaring, het in lid 3 genoemde proces en de auditfunctie.

10.  De Commissie stelt een register samen van organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer, de certificering en de auditactiviteiten uit hoofde van sectorspecifieke regelgeving.

11.  ▌De lidstaten kunnen de hun in gedeeld beheer toegewezen middelen gebruiken in combinatie met verrichtingen en instrumenten die worden uitgevoerd krachtens Verordening (EU) 2015/1017, in overeenstemming met de voorwaarden in de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.

HOOFDSTUK 3

Europese bureaus en organen van de Unie

AFDELING 1

EUROPESE BUREAUS

Artikel 64

Bevoegdheden van Europese bureaus

1.  Voordat een nieuw Europees bureau wordt opgericht, maakt de Commissie een kasten-batenanalyse en een beoordeling van de eraan verbonden risico's, stelt zij het Europees Parlement en de Raad van de resultaten daarvan in kennis, en stelt zij voor de nodige kredieten op te voeren in een bijlage bij de afdeling van de begroting van de Commissie.

2.  Binnen de grenzen van hun bevoegdheden:

a)  verrichten Europese bureaus de in hun oprichtingsakte of in andere rechts­handelingen ▌van de Unie opgenomen verplichte taken;

b)  kunnen Europese bureaus overeenkomstig artikel 66, niet-verplichte taken verrichten die zijn toegestaan door hun directiecomités na afweging van de kosten-baten en de eraan verbonden risico's voor de betrokken partijen. ▌

3.  Deze afdeling is van toepassing op de werking van OLAF, met uitzondering van lid 4 van dit artikel, artikel 66 en artikel 67, leden 1, 2 en 3.

4.  De intern controleur van de Commissie kwijt zich van alle in hoofdstuk 8 van deze titel vastgestelde verantwoordelijkheden.

Artikel 65

Kredieten voor Europese bureaus

1.  De kredieten die zijn toegestaan ter uitvoering van de verplichte taken van elk Europees bureau, worden opgevoerd op een specifiek begrotingsonderdeel binnen de begrotings­afdeling van de Commissie en worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling.

De in de eerste alinea bedoelde bijlage heeft de vorm van een staat van uitgaven en ontvangsten die op dezelfde wijze is onderverdeeld als de begrotingsafdelingen.

De in die bijlage opgevoerde kredieten:

a)  dekken de totale financiële behoeften van elk Europees bureau in de uitoefening van zijn verplichte taken op grond van zijn oprichtingsakte of van andere rechts­handelingen van de Unie ▌;

b)  kunnen financiële behoeften van een Europees bureau dekken bij de uitoefening van taken waarom wordt verzocht door de instellingen van de Unie, organen van de Unie, andere Europese bureaus en agentschappen die bij of op grond van de Verdragen zijn ingesteld, en die zijn toegestaan overeenkomstig de oprichtingsakte van het bureau.

2.  De Commissie delegeert voor de in de bijlage voor elk Europees bureau opgevoerde kredieten de bevoegdheden van ordonnateur aan de directeur van het betrokken Europees bureau, overeenkomstig artikel 73.

3.  De personeelsformatie van elk Europees bureau wordt toegevoegd aan die van de Commissie.

4.  De directeur van elk Europees bureau beslist over de overschrijvingen binnen de in lid 1 bedoelde bijlage. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van deze overschrijvingen.

Artikel 66

Niet-verplichte taken

1.  Voor de in artikel 64, lid 2, onder b), bedoelde niet-verplichte taken kan een Europees bureau:

a)  via zijn directeur delegatie van bevoegdheid ontvangen van instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus, samen met een delegatie van de bevoegdheid van ordonnateur voor kredieten in de begrotingsafdeling van de instelling van de Unie, het orgaan van de Unie of ander Europees bureau ▌;

b)  op ad-hocbasis overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau sluiten met instellingen van de Unie, organen van de Unie, andere Europese bureaus of derden.

2.  In het in lid 1, onder a), bedoelde gevallen stellen de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus de grenzen en voorwaarden voor de delegatie van bevoegdheid vast. Een dergelijke delegatie wordt goedgekeurd overeenkomstig de oprichtingsakte van het Europees bureau, met name wat betreft de voorwaarden en modaliteiten van de delegatie.

3.  In de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen stelt de directeur van het Europees bureau overeenkomstig de oprichtingsakte de bijzondere bepalingen vast voor de uitvoering van de taken, de terugvordering van kosten en het bijhouden van de desbetreffende boekhoudbescheiden. Het Europees bureau brengt over de resultaten van deze boekhouding verslag uit aan de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie of andere Europese bureaus.

Artikel 67

Boekhoudbescheiden van de Europese bureaus

1.  Elk Europees bureau stelt boekhoudbescheiden van zijn uitgaven op waaruit het aandeel van de voor elk van de instellingen van de Unie, organen van de Unie of andere Europese bureaus verrichte diensten kan worden afgeleid. De directeur van het betrokken Europees bureau stelt ▌, na goedkeuring door het directiecomité, de criteria vast op basis waarvan deze boekhoudbescheiden worden opgesteld.

2.  De toelichting bij het specifieke begrotingsonderdeel waarop het totaal van de kredieten is opgevoerd van elk Europees bureau waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder a), de bevoegdheid van ordonnateur is gedelegeerd, bevat een raming van de kosten van de diensten die door dat bureau voor elk van de instellingen van de Unie, de organen van de Unie en andere betrokken Europese bureaus worden verricht. Die raming is gebaseerd op de boekhoudbescheiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

3.  Elk Europees bureau waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder a), de bevoegdheid van ordonnateur is gedelegeerd, stelt de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus in kennis van de resultaten van de boekhoud­bescheiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

4.  De boekhoudbescheiden van elk Europees bureau maken integrerend deel uit van de rekeningen van de Unie overeenkomstig artikel 241.

5.  De rekenplichtige van de Commissie kan op voorstel van het directiecomité van het betrokken Europees bureau sommige van de taken van rekenplichtige betreffende de inning van de ontvangsten en de betaling van de uitgaven die het betrokken Europees bureau rechtstreeks verricht, aan een personeelslid ▌van het Europees bureau delegeren.

6.  Voor de kasbehoeften van het Europees bureau kunnen op voorstel van zijn directiecomité door de Commissie bank- of postrekeningen op naam van het bureau worden geopend. Het jaarlijkse kassaldo wordt aan het einde van het begrotingsjaar afgestemd en vereffend tussen het betrokken Europees bureau en de Commissie.

AFDELING 2

AGENTSCHAPPEN EN ORGANEN VAN DE UNIE

Artikel 68

Toepassing op het Voorzieningsagentschap van Euratom

Deze ▌verordening is van toepassing op de uitvoering van de begroting voor het Voorzienings­agentschap van Euratom.

Artikel 69

Uitvoerende agentschappen

1.  De Commissie kan bevoegdheden delegeren aan ▌ uitvoerende agentschappen om overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(41), voor haar rekening en onder haar verantwoordelijkheid, programma's of projecten van de Unie geheel of gedeeltelijk uit te voeren, met inbegrip van proefprojecten, voorbereidende acties en de uitvoering van administratieve uitgaven. Uitvoerende agentschappen worden opgericht door middel van een besluit van de Commissie en hebben rechtspersoonlijkheid naar Unierecht. Zij ontvangen een jaarlijkse bijdrage.

2.  De directeuren van uitvoerende agentschappen treden op als gedelegeerd ordonnateur voor de besteding van de beleidskredieten van de programma's van de Unie die zij geheel of gedeeltelijk beheren.

3.  Het directiecomité van een uitvoerend agentschap kan met de Commissie overeenkomen dat de rekenplichtige van de Commissie eveneens optreedt als de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap. Het directiecomité kan de rekenplichtige van de Commissie ook een deel van de taken van de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap toevertrouwen, rekening houdend met kosten-batenoverwegingen. In beide gevallen worden de nodige maatregelen getroffen om belangenconflicten te voorkomen.

Artikel 70

Bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met een financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid die bijdragen uit de begroting ontvangen.

2.  De financiële kaderregeling is gebaseerd op de in deze verordening vervatte beginselen en regels, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de in lid 1 bedoelde organen.

3.  De financiële regels voor de in lid 1 bedoelde organen wijken slechts van de financiële kaderregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en onder voorbehoud van voorafgaande instemming van de Commissie.

4.  De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde organen wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad. De in lid 1 bedoelde organen werken volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtings­procedure betrokken zijn, en verstrekken, waar nodig, de vereiste aanvullende informatie, onder meer door deel te nemen aan de vergaderingen van de relevante organen.

5.  Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde organen oefent de intern controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hij uitoefent met betrekking tot de Commissie.

6.  Een onafhankelijke extern controleur verifieert dat de jaarrekeningen van elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde organen de inkomsten, uitgaven en financiële positie van het desbetreffende orgaan correct weergeven, voordat deze in de eindrekeningen van de Commissie worden geconsolideerd. Tenzij anders is bepaald in de betrokken basishandeling ▌, stelt de Rekenkamer een speciaal jaarverslag op over elk orgaan overeenkomstig de eisen van artikel 287, lid 1, VWEU. Bij het opstellen van dat verslag houdt de Rekenkamer rekening met de auditwerkzaamheden van de onafhankelijke extern controleur en de maatregelen die naar aanleiding van zijn bevindingen zijn genomen.

7.  Alle aspecten van de in lid 6 bedoelde onafhankelijke externe audits, met inbegrip van de gerapporteerde bevindingen, blijven geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer vallen.

Artikel 71

Publiek-private partnerschapsorganen

Bij een basishandeling opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd, stellen hun eigen financiële regels vast.

Deze regels omvatten een geheel van beginselen dat een goed financieel beheer van de middelen van de Unie waarborgt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met een financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen op basis van artikel 154, waarin de beginselen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om te komen tot een goed financieel beheer van de middelen van de Unie.

De financiële regels voor de publiek-private partnerschapsorganen wijken slechts van de financiële modelregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en zijn onderworpen aan vooraf­gaande instemming van de Commissie.

Artikel 70, leden 4 tot en met 7, zijn van toepassing op publiek-private partnerschaps­organen.

HOOFDSTUK 4

Financiële actoren

AFDELING 1

BEGINSEL VAN SCHEIDING VAN FUNCTIES

Artikel 72

Scheiding van functies

1.  De functies van ordonnateur en rekenplichtige zijn gescheiden en zijn onderling onverenigbaar.

2.  Elke instelling van de Unie stelt aan elke financiële actor het personeel en de middelen ter beschikking die voor de vervulling van diens taak nodig zijn, en geeft hem een dienstorder met een gedetailleerde omschrijving van zijn taken, rechten en verplichtingen.

AFDELING 2

DE ORDONNATEUR

Artikel 73

De ordonnateur

1.  Elke instelling van de Unie oefent de functies van ordonnateur uit.

2.  Voor de toepassing van deze titel wordt onder "personeelsleden" verstaan personen die zijn onderworpen aan het Statuut.

3.  Elke instelling van de Unie delegeert, ▌met inachtneming van de in haar reglement van orde bepaalde voorwaarden, de functies van ordonnateur aan personeelsleden op het gepaste niveau. Zij bepaalt in haar interne administratieve voorschriften aan welke personeelsleden zij deze functies delegeert, alsmede de omvang van de gedelegeerde bevoegdheden en de mogelijkheid voor de delegatieverkrijgers om hun bevoegdheden verder te subdelegeren.

4.  De bevoegdheid van ordonnateur wordt alleen aan personeelsleden gedelegeerd of gesubdelegeerd.

5.  De bevoegde ordonnateur handelt binnen de in het delegatie- of subdelegatie besluit gestelde grenzen. De bevoegde ordonnateur kan worden bijgestaan door één of meer personeelsleden die onder zijn verantwoordelijkheid belast zijn met bepaalde voor de uitvoering van de begroting en de verstrekking van informatie over financiën en beheer benodigde handelingen.

6.  Elke instelling van de Unie en elk in artikel 70 bedoeld orgaan van de Unie brengt de aanstelling en de functiebeëindiging van gedelegeerde ordonnateurs, interne controleurs en rekenplichtigen, alsmede alle interne voorschriften die zij op financieel gebied vaststelt, binnen twee weken ter kennis van het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de rekenplichtige van de Commissie.

7.  Elke instelling van de Unie brengt de delegatiebesluiten en de aanstelling van beheerders van gelden ter goede rekening krachtens de artikelen 79 en 88 ter kennis van de Rekenkamer.

Artikel 74

Bevoegdheden en taken van de ordonnateur

1.  De ordonnateur is bij de betrokken instelling van de Unie belast met het innen van de ontvangsten en het verrichten van de uitgaven overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, onder meer door te zorgen voor verslaglegging over de prestaties, en zorgt voor de wettigheid en regelmatigheid ervan en de gelijke behandeling van de ontvangers.

2.  Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel stelt de gedelegeerde ordonnateur, overeenkomstig artikel 36 en de door elke instelling van de Unie vastgestelde minimumnormen en rekening houdend met de aan de beheeromstandigheden en de aard van de gefinancierde acties verbonden risico's, de organisatorische structuur en de systemen voor interne controle in die passen bij de uitvoering van zijn taken. De inrichting van die structuur en die systemen geschiedt op basis van een uitvoerige risicoanalyse, waarin rekening wordt gehouden met kosteneffectiviteits- en prestatieoverwegingen.

3.  Voor het verrichten van de uitgaven gaat de bevoegde ordonnateur vastleggingen in de begroting en juridische verbintenissen aan, stelt hij de uitgaven betaalbaar, geeft hij betalingsopdrachten en verricht hij de voor de besteding van de kredieten vereiste voorafgaande handelingen.

4.  Met het oog op de inning van de ontvangsten stelt de bevoegde ordonnateur ramingen van schuldvorderingen op, stelt hij de te innen rechten vast en geeft hij invorderingsopdrachten af. In voorkomend geval ziet de bevoegde ordonnateur af van het innen van een vastgestelde schuldvordering ▌.

5.  Met het oog op het voorkomen van fouten en onregelmatigheden voordat verrichtingen worden toegestaan, en teneinde minder het risico te lopen dat doelstellingen niet worden verwezenlijkt, wordt elke verrichting ten minste onderworpen aan een controle vooraf met betrekking tot de operationele en de financiële aspecten ervan, op basis van een meerjarige controlestrategie die rekening houdt met het risico. ▌

De frequentie en de reikwijdte van de controles vooraf worden door de bevoegde ordonnateur bepaald op basis van zijn eigen risicoanalyse, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van voorafgaande controles en van risico- en kosten­effectiviteits­overwegingen. In geval van twijfel vraagt de voor de betaalbaarstelling van de verrichtingen bevoegde ordonnateur in het kader van de controle vooraf aanvullende informatie of voert hij een controle ter plaatse uit om redelijke zekerheid te verkrijgen ▌.

Voor een bepaalde verrichting wordt de verificatie gedaan door andere personeelsleden dan diegenen die de verrichting hebben ingeleid. De verificatie wordt niet gedaan door personeelsleden die de ondergeschikten zijn van degenen die de verrichting hebben ingeleid.

6.  De gedelegeerde ordonnateur kan voorzien in controles achteraf om fouten en onregelmatigheden bij verrichtingen na validering op te sporen en te corrigeren. Deze controles kunnen steekproefsgewijs volgens het risico worden ingericht en houden rekening met de resultaten van eerdere controles en met kosteneffectiviteits- en prestatieoverwegingen.

De controles achteraf en de controles vooraf worden niet door dezelfde personeelsleden uitgevoerd. De voor de controles achteraf verantwoordelijke personeelsleden zijn geen ondergeschikten van de voor de controles vooraf verantwoordelijke personeelsleden.

De regels en modaliteiten, met inbegrip van termijnen, voor het uitvoeren van audits van de begunstigden ▌, zijn duidelijk, samenhangend en transparant en worden bij de ondertekening van de subsidieovereenkomst ter beschikking van de begunstigden gesteld.

7.  Bevoegde ordonnateurs en voor de uitvoering van de begroting bevoegd personeel beschikken over de vereiste beroepsbekwaamheden.

Bij elke instelling van de Unie zorgt de gedelegeerde ordonnateur ervoor dat:

a)  de gesubdelegeerde ordonnateurs en hun personeel regelmatig geactualiseerde en passende informatie en opleiding krijgen over de controlenormen, alsmede over de daartoe beschikbare methoden en technieken;

b)  indien nodig maatregelen worden genomen om de doeltreffende en efficiënte werking van de controlesystemen te waarborgen overeenkomstig lid 2.

8.  Indien een bij het financieel beheer en de controle van de verrichtingen betrokken personeelslid van oordeel is dat een besluit dat zijn meerdere hem verplicht toe te passen of te accepteren onregelmatig is of strijdig met het beginsel van goed financieel beheer of de beroepscode die dat personeelslid gehouden is te respecteren, deelt hij dit aan zijn hiërarchieke meerdere mee. Indien het personeelslid dit schriftelijk doet, antwoordt de hiërarchieke meerdere schriftelijk. Indien de hiërarchieke meerdere niet optreedt of het aanvankelijke besluit of voorschrift bevestigt en het personeelslid van oordeel is dat een dergelijke bevestiging geen redelijk antwoord vormt op zijn bezorgdheid, stelt het personeelslid de gedelegeerde ordonnateur schriftelijk hiervan in kennis. Wanneer deze geen antwoord geeft binnen een redelijke termijn gelet op de omstandigheden van het betrokken geval, die in ieder geval niet langer is dan één maand, licht het personeelslid de in artikel 143 bedoelde instantie in.

Gevallen van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden door het personeelslid gemeld bij de autoriteiten en instanties die zijn aangewezen bij het Statuut en bij de besluiten van instellingen van de Unie betreffende de voorwaarden en modaliteiten voor interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten die de belangen van de Unie schaden. Overeenkomsten met externe controleurs die audits verrichten inzake het financieel beheer van de Unie bevatten een verplichting voor de externe controleur om de gedelegeerde ordonnateur in kennis te stellen van elk vermoeden van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden.

9.  De gedelegeerde ordonnateur legt aan zijn instelling van de Unie verantwoording over de uitoefening van zijn taken af in de vorm van een jaarlijks activiteitenverslag met informatie over de financiën en het beheer, inclusief de resultaten van controles, waarin hij verklaart, tenzij anders staat vermeld in voorbehouden betreffende bepaalde gebieden van uitgaven en ontvangsten, redelijke zekerheid te hebben dat:

a)  de in het verslag opgenomen informatie een juist en getrouw beeld geeft;

b)  de middelen die zijn bestemd voor de activiteiten waarover verslag wordt uitgebracht, zijn gebruikt voor het opgegeven doel en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer; en

c)  de ingevoerde controleprocedures de nodige garanties bieden in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Het jaarlijks activiteitenverslag bevat informatie over de gedane verrichtingen in het licht van de doelstellingen en prestatieoverwegingen in de strategische plannen, de met deze verrichtingen verbonden risico's, het gebruik van de ter beschikking gestelde middelen en de efficiëntie en de doeltreffendheid van interne controlesystemen. Het verslag omvat een globale beoordeling van de kosten en baten van controles en informatie over de mate waarin de goedgekeurde beleidsuitgaven bijdragen tot het verwezenlijken van de strategische doelstellingen van de Unie en meerwaarde van de EU opleveren. De Commissie stelt een samenvatting op van de jaarlijkse activiteitenverslagen voor het voorgaande jaar.

De jaarlijkse activiteitenverslagen van het begrotingsjaar van de ordonnateurs en, indien van toepassing, de gedelegeerde ordonnateurs van instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus en agentschappen van de Unie worden uiterlijk op 1 juli van het volgende begrotingsjaar op een vlot toegankelijke wijze bekendgemaakt op de website van de respectieve instelling van de Unie, orgaan van de Unie, Europees bureaus of agentschap van de Unie, onder voorbehoud van naar behoren gemotiveerde vertrouwelijkheids- en veiligheidsoverwegingen.

10.  De gedelegeerde ordonnateur houdt voor elk begrotingsjaar bij hoeveel overeenkomsten overeenkomstig punt 11.1, onder a) tot en met f), en punt 39 van ▌bijlage I worden gesloten door middel van onderhandelingsprocedures. Indien het aantal onderhandelingsprocedures in verhouding tot het aantal door dezelfde gedelegeerde ordonnateur gegunde overeenkomsten aanzienlijk stijgt ten opzichte van voorgaande begrotingsjaren of indien deze verhouding aanmerkelijk hoger is dan het gemiddelde van zijn instelling van de Unie, brengt de bevoegde ordonnateur verslag uit aan zijn instelling van de Unie, en vermeldt hij daarbij de maatregelen die, in voorkomend geval, zijn genomen om deze tendens om te buigen. Elke instelling van de Unie zendt het Europees Parlement en de Raad een verslag over de onderhandelingsprocedures toe. In het geval van de Commissie wordt dit verslag gevoegd bij de in lid 9 van dit artikel bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

Artikel 75

Bewaring van bewijsstukken door de ordonnateurs

De ordonnateur stelt op papier gebaseerde of elektronische systemen in voor de bewaring van originele bewijsstukken met betrekking tot de uitvoering van de begroting. Deze bewijsstukken worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop het Europees Parlement kwijting verleent voor het begrotingsjaar waarop de bewijsstukken betrekking hebben.

Onverminderd de eerste alinea worden bewijsstukken met betrekking tot verrichtingen bewaard tot het einde van het jaar dat volgt op de definitieve afsluiting van die verrichtingen.

Persoonsgegevens in de bewijsstukken worden, waar mogelijk, verwijderd, wanneer deze gegevens niet noodzakelijk zijn voor begrotingskwijting, controle en audit. Artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing wat de bewaring van verkeersgegevens betreft.

Artikel 76

Bevoegdheden en taken van de hoofden van de delegaties van de Unie

1.  Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, vallen zij onder de Commissie als de instelling van de Unie die verantwoordelijk is voor de omschrijving, uitvoering, monitoring en beoordeling van hun taken en verantwoordelijkheden als gesubdelegeerd ordonnateur en werken zij nauw samen met de Commissie voor de daadwerkelijke uitvoering van de middelen, om met name te zorgen voor de wettigheid en de regelmatigheid van de financiële verrichtingen, de naleving van het beginsel van goed financieel beheer bij het beheer van de middelen en de doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie. Zij handelen in overeenstemming met de interne regels van de Commissie en het charter van de Commissie voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken op het gebied van financieel beheer. Zij kunnen bij de uitoefening van hun taken worden bijgestaan door personeel van de Commissie in de delegaties van de Unie.

Hiertoe nemen de hoofden van de delegaties van de Unie de maatregelen die nodig zijn om elke situatie te voorkomen waarbij het vermogen van de Commissie om haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde begroting te vervullen in het gedrang kan komen, alsmede elk conflict van prioriteiten dat gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken op het gebied van financieel beheer.

Wanneer een in de tweede alinea bedoelde situatie of conflict zich voordoet, stellen de hoofden van de delegaties van de Unie de betrokken directeuren-generaal van de Commissie en van de EDEO hiervan onverwijld in kennis. De betrokken directeuren-generaal nemen passende maatregelen om de situatie op te lossen.

2.  Wanneer hoofden van de delegaties van de Unie zich in een in artikel 74, lid 8, bedoelde situatie bevinden, brengen zij dit ter kennis van de in artikel 143 genoemde instantie. In geval van onwettige activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwen zij de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties.

3.  Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, brengen verslag uit aan hun gedelegeerde ordonnateur, opdat deze laatste hun verslagen in zijn in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag kan opnemen. De verslagen van de hoofden van de delegaties van de Unie bevatten informatie over de efficiëntie en de doeltreffendheid van de in hun delegatie ingestelde internecontrolesystemen en over het beheer van de aan hen gesubdelegeerde verrichtingen, en verstrekken de in de derde alinea van artikel 92, lid 5, bedoelde zekerheid. Die verslagen worden bij het jaarlijkse activiteitenverslag van de gedelegeerde ordonnateur gevoegd en ter beschikking gesteld van het Europees Parlement en van de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan.

De hoofden van de delegaties van de Unie werken volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn en verstrekken waar nodig de vereiste aanvullende informatie. In deze context kan hun worden gevraagd vergaderingen van de betrokken organen bij te wonen en bijstand te verlenen aan de verantwoordelijke gedelegeerde ordonnateur.

Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, beantwoorden elk verzoek van de gedelegeerde ordonnateur van de Commissie, hetzij op verzoek van de Commissie zelf, hetzij, in het kader van de kwijtingsprocedure, op verzoek van het Europees Parlement.

De Commissie zorgt ervoor dat het subdelegeren van bevoegdheden aan de hoofden van de delegaties van de Unie de kwijtingsprocedure uit hoofde van artikel 319 VWEU niet belemmert.

4.  De leden 1, 2 en 3 gelden eveneens voor de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie die optreden als gesubdelegeerde ordonnateurs in afwezigheid van de hoofden van delegaties van de Unie.

AFDELING 3

DE REKENPLICHTIGE

Artikel 77

Bevoegdheden en taken van de rekenplichtige

1.  Elke instelling van de Unie stelt een rekenplichtige aan, die binnen die instelling wordt belast met:

a)  de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de vastgestelde schuldvorderingen;

b)  het opstellen en presenteren van de rekeningen overeenkomstig titel XIII;

c)  het voeren van de boekhouding overeenkomstig de artikelen 82 en 84;

d)  het vaststellen van de boekhoudregels, -procedures en het rekeningstelsel overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 84;

e)  het vaststellen en valideren van de boekhoudsystemen, alsmede, waar van toepassing, het valideren van de door de ordonnateur vastgelegde systemen die tot doel hebben boekhoudinformatie te verstrekken of te motiveren▌;

f)  het beheer van de kasmiddelen.

Wat betreft de in de eerste alinea, onder e), bedoelde taken is de rekenplichtige bevoegd om te allen tijde na te gaan of de valideringscriteria zijn nageleefd.

2.  De verantwoordelijkheden van de rekenplichtige van de EDEO hebben alleen betrekking op de door de EDEO uitgevoerde begrotingsafdeling betreffende de EDEO. De rekenplichtige van de Commissie blijft verantwoordelijk voor de volledige begrotingsafdeling betreffende de Commissie, met inbegrip van de boekhoudkundige verrichtingen die betrekking hebben op de aan de hoofden van de delegaties van de Unie gesubdelegeerde kredieten.

De rekenplichtige van de Commissie treedt voor de uitvoering van de begrotingsafdeling betreffende de EDEO ook op als rekenplichtige van de EDEO.

Artikel 78

Aanstelling en beëindiging van de functie van de rekenplichtige

1.  De rekenplichtige wordt door elke instelling van de Unie aangesteld uit de ambtenaren op wie het Statuut ▌van toepassing is.

De rekenplichtige wordt door de instelling van de Unie gekozen op grond van zijn of haar specifieke bekwaamheid, die door diploma's wordt aangetoond of uit een gelijkwaardige beroepservaring blijkt.

2.  Twee of meer instellingen of organen van de Unie kunnen dezelfde rekenplichtige aanstellen.

In dat geval nemen zij alle nodige maatregelen om belangenconflicten te voorkomen.

3.  Bij de beëindiging van de functie van rekenplichtige wordt onverwijld een staat van de rekeningen opgemaakt.

4.  De staat van de rekeningen, vergezeld van een overdrachtsrapport, wordt door de rekenplichtige die zijn of haar functie beëindigt, of, indien dit niet mogelijk is, door een ambtenaar van zijn of haar dienst aan de nieuwe rekenplichtige toegezonden.

De nieuwe rekenplichtige ondertekent de staat van de rekeningen binnen een maand na de datum van toezending voor aanvaarding, waarbij hij een voorbehoud kan maken.

Het overdrachtsrapport bevat het resultaat van elke opgemaakte staat van de rekeningen alsmede eventuele voorbehouden.

Artikel 79

Bevoegdheden die de rekenplichtige kan delegeren

De rekenplichtige kan voor de uitoefening van zijn functie een aantal van zijn taken delegeren aan ondergeschikte personeelsleden en aan overeenkomstig artikel 89, lid 1, aangestelde beheerders van gelden ter goede rekening.

In het delegatiebesluit worden die taken omschreven.

Artikel 80

Boekhoudregels

1.  De boekhoudregels die moeten worden toegepast door instellingen van de Unie, Europese bureaus en de agentschappen en organen van de Unie als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde standaarden voor overheidsboekhouding. Deze regels worden vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie na raadpleging van de rekenplichtigen van de andere instellingen van de Unie, de Europese bureaus en de organen van de Unie.

2.  De rekenplichtige kan van de in lid 1 bedoelde normen afwijken indien hij zulks nodig acht om een getrouwe weergave te kunnen geven van de activa en passiva, de lasten en baten en de kasstromen. Wanneer een boekhoudregel substantieel van die normen afwijkt, wordt dat in de toelichtingen bij de financiële staten gemeld en gemotiveerd.

3.  In de in lid 1 bedoelde boekhoudregels worden de structuur en inhoud van de financiële staten vastgesteld, alsmede de boekhoudkundige beginselen die aan de rekeningen ten grondslag liggen.

4.  De in artikel 241 bedoelde verslagen over de begrotingsuitvoering is in overeenstemming met de begrotingsbeginselen van deze verordening. Deze maakt het mogelijk de uitvoering van de begroting in detail te volgen. Ze registreert alle verrichtingen aan de ontvangsten- en de uitgavenzijde als bedoeld in deze titel en geeft een getrouwe weergave daarvan.

Artikel 81

Organisatie van de boekhouding

1.  De rekenplichtige van elke instelling of van elk orgaan van de Unie stelt documentatie­materiaal samen waarin de boekhoudkundige organisatie en procedures van zijn of haar instelling en orgaan van de Unie worden beschreven, en werkt dit materiaal regelmatig bij.

2.  De ontvangsten en -uitgaven worden volgens de economische aard van de verrichting in een computersysteem geregistreerd als lopende uitgaven of ontvangsten of als kapitaal.

Artikel 82

Het voeren van de boekhouding

1.  De rekenplichtige van de Commissie is bevoegd om het geharmoniseerde rekeningstelsel vast te stellen dat moet worden toegepast door instellingen van de Unie, door Europese bureaus en door de agentschappen en de organen van de Unie als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel.

2.  De rekenplichtigen ontvangen van de ordonnateurs alle gegevens die nodig zijn voor de opstelling van rekeningen die een getrouwe weergave zijn van de financiële situatie van de instellingen van de Unie en de uitvoering van de begroting. De ordonnateurs garanderen de betrouwbaarheid van deze gegevens.

3.  Voordat de rekeningen door de instelling van de Unie of het in artikel 70 bedoelde orgaan van de Unie worden goedgekeurd, tekent de rekenplichtige ze af, waarmee hij verklaart dat hij een redelijke zekerheid heeft dat de rekeningen een getrouwe weergave van de financiële situatie van de instelling van de Unie of het in artikel 70 bedoelde orgaan van de Unie bieden.

Daartoe vergewist de rekenplichtige zich ervan dat de rekeningen zijn opgesteld in overeenstemming met de in artikel 80 genoemde boekhoudregels en met de in artikel 77, lid 1, eerste alinea, onder d), bedoelde boekhoudprocedures en dat alle uitgaven en ontvangsten in de rekeningen zijn geboekt.

4.  De gedelegeerde ordonnateur zendt de rekenplichtige, met inachtneming van de door de rekenplichtige vastgestelde regels, alle informatie over financiën en beheer toe die nodig is voor de vervulling van diens taken.

De rekenplichtige ontvangt van de ordonnateur regelmatig, en minstens vóór het afsluiten van de rekeningen, de dienstige financiële gegevens betreffende de bancaire trust­rekeningen teneinde het gebruik van middelen van de Unie in de boekhouding van de Unie tot uiting te brengen.

De ordonnateurs blijven volledig verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de door hen beheerde middelen, de wettigheid en de regelmatigheid van de door hen beheerde uitgaven en de volledigheid en juistheid van de aan de rekenplichtige verzonden informatie.

5.  De bevoegde ordonnateur stelt de rekenplichtige in kennis van alle ontwikkelingen of significante wijzigingen van financiële beheerssystemen, inventarisatiesystemen of systemen voor de waardering van activa en passiva die gegevens leveren voor de boekhouding van de instelling van de Unie of worden gebruikt om boekhoudgegevens te onderbouwen, teneinde de rekenplichtige in staat te stellen de overeenstemming ervan met de valideringscriteria te verifiëren.

De rekenplichtige kan op ieder moment een reeds gevalideerd financieel beheerssysteem opnieuw onderzoeken en kan verlangen dat de bevoegde ordonnateur een actieplan opstelt om eventuele tekortkomingen tijdig te verhelpen.

De ▌ordonnateur is verantwoordelijk voor de volledigheid van de informatie die aan de rekenplichtige wordt verzonden.

6.  De rekenplichtige is bevoegd de ontvangen informatie te controleren en alle verdere toetsen uit te voeren die hij noodzakelijk acht om de rekeningen te kunnen aftekenen.

Zo nodig maakt de rekenplichtige voorbehouden, waarbij hij de aard en de draagwijdte van de voorbehouden precies omschrijft.

7.  De boekhouding van een instelling van de Unie is een systeem van ordening van budgettaire en financiële informatie om kwantitatieve gegevens te boeken, in te delen en te registreren.

8.  Het boekhoudsysteem bestaat uit een algemene boekhouding en een begrotings­boekhouding. De boekhoudingen worden per kalenderjaar en in euro gevoerd.

9.  De gedelegeerde ordonnateur kan tevens een gedetailleerde beheersboekhouding voeren.

10.  De bewijsstukken met betrekking tot de boekhouding en de opstelling van de in artikel 241 bedoelde rekeningen worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop het Europees Parlement kwijting verleent voor het begrotingsjaar waarop de bewijsstukken betrekking hebben.

De bewijsstukken met betrekking tot verrichtingen die niet definitief zijn afgesloten, worden bewaard tot het einde van het jaar dat volgt op de afsluiting van die verrichtingen. Artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing wat de bewaring van verkeersgegevens betreft.

Elke instelling van de Unie bepaalt bij welke dienst de bewijsstukken worden bewaard.

Artikel 83

Inhoud en bijhouden van de begrotingsboekhouding

1.  In de begrotingsboekhouding worden voor elk onderdeel van de begroting geregistreerd:

a)  wat betreft de uitgaven:

i)  de in de begroting uitgetrokken kredieten, met inbegrip van de kredieten van de gewijzigde begrotingen, de overgedragen kredieten, de kredieten die beschikbaar zijn als gevolg van de inning van bestemmingsontvangsten, de overgeschreven kredieten en het totale bedrag van de beschikbaar gestelde kredieten;

ii)  de vastleggingskredieten en de betalingskredieten van het begrotingsjaar;

b)  wat betreft de ontvangsten:

i)  de ramingen van de begroting, met inbegrip van de ramingen van de gewijzigde begrotingen, de bestemmingsontvangsten en het totale bedrag van de geraamde ontvangsten;

ii)  de vastgestelde rechten en de invorderingen van het begrotingsjaar;

c)  de nog te betalen vastleggingen en de nog te innen ontvangsten van de voorgaande begrotingsjaren.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde vastleggingskredieten en betalingskredieten worden afzonderlijk geregistreerd en gevolgd.

2.  De begrotingsboekhouding maakt afzonderlijk toezicht mogelijk op:

a)  het gebruik van de overgedragen kredieten en de kredieten van het begrotingsjaar;

b)  de betaalbaarstelling van nog te betalen vastleggingen.

Aan de ontvangstenzijde wordt op de nog te innen schuldvorderingen van voorgaande begrotingsjaren afzonderlijk toezicht gehouden.

Artikel 84

Algemene boekhouding

1.  De algemene boekhouding volgt op chronologische wijze, volgens de methode van dubbel boekhouden, alle gebeurtenissen en verrichtingen die van invloed zijn op de economische, financiële en vermogenssituatie van de instellingen van de Unie en van de in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen en organen van de Unie.

2.  De saldi en de mutaties op de rekeningen worden in de boekhouding geregistreerd.

3.  Iedere boeking, inclusief de boekhoudkundige correcties, wordt gestaafd met bewijsstukken waarnaar zij verwijst.

4.  Het boekhoudsysteem maakt het mogelijk van alle boekingen een duidelijk auditspoor terug te vinden.

Artikel 85

Bankrekeningen

1.  De rekenplichtige kan voor de behoeften in verband met het beheer van de kasmiddelen bij financiële instellingen of nationale centrale banken rekeningen op naam van zijn of haar instelling van de Unie openen of verzoeken om de opening van dergelijke rekeningen. De rekenplichtige is ook verantwoordelijk voor het sluiten of laten sluiten van deze rekeningen.

2.  In de voorwaarden voor het openen, de werking en het gebruik van bankrekeningen wordt bepaald dat, naargelang van de internecontrolebehoeften, voor cheques, overschrijvings­opdrachten en alle andere bankverrichtingen de handtekening van één of meer naar behoren gemachtigde personeelsleden vereist is. De manuele opdrachten worden ondertekend door ten minste twee naar behoren gemachtigde personeelsleden, of door de rekenplichtige.

3.  Namens de Commissie kunnen trustrekeningen worden geopend in het kader van de uitvoering van een programma of actie, om het beheer daarvan door een entiteit krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punt ii), iii), v) of vi), mogelijk te maken.

Zulke rekeningen worden geopend onder verantwoordelijkheid van de ordonnateur die bevoegd is voor de uitvoering van het programma of de actie en met het akkoord van de rekenplichtige van de Commissie.

Zulke rekeningen worden beheerd onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur.

4.  De rekenplichtige van de Commissie stelt regels vast voor het openen, het beheer en het sluiten van de trustrekeningen en voor het gebruik ervan.

Artikel 86

Beheer van de kasmiddelen

1.  Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de rekenplichtige als enige bevoegd het beheer te voeren over de geldmiddelen en de kasequivalenten. De rekenplichtige is verantwoordelijk voor de bewaring ervan.

2.  De rekenplichtige ziet erop toe dat zijn of haar instelling van de Unie voldoende middelen ter beschikking heeft om de kasbehoeften te dekken die voortvloeien uit de uitvoering van de begroting onder de toepasselijke regelgeving, en stelt procedures in om ervoor te zorgen dat geen van de op grond van artikel 85, lid 1, en artikel 89, lid 3, geopende rekeningen een negatief saldo vertoont.

3.  De betalingen geschieden door bankoverschrijving, door middel van een cheque, uit gelden ter goede rekening of – wanneer dit specifiek is toegestaan door de rekenplichtige – met debetkaarten, door middel van directe debitering of op andere wijze, overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de rekenplichtige.

Vóór het aangaan van een verbintenis jegens een derde bevestigt de ordonnateur de identiteit van de betalingsbegunstigden, stelt hij de juridische entiteit en de betalingsgegevens van de betalingsbegunstigde vast en neemt hij deze op in een gemeenschappelijk bestand van de instelling van de Unie waarvoor de rekenplichtige bevoegd is, om te zorgen voor transparantie, verantwoording en de goede uitvoering van betalingen.

De rekenplichtige kan alleen betalingen verrichten indien de juridische entiteit en de betalingsgegevens van de betalingsbegunstigde van tevoren zijn opgenomen in een gemeenschappelijk bestand per instelling van de Unie waarvoor de rekenplichtige bevoegd is.

De ordonnateurs delen de rekenplichtige alle wijzigingen mee in de door de betalings­begunstigde meegedeelde rechtspersoon en betalingsgegevens en onderzoeken of die gegevens geldig zijn voordat zij betalingen goedkeuren.

Artikel 87

Inventaris van activa

1.  Instellingen van de Unie en in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen of organen van de Unie houdt van alle materiële, immateriële en financiële activa die tot hun vermogen behoren, naar aantal en waarde gespecificeerde inventarislijsten bij volgens het door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde model.

Zij toetsen ook of de stand op hun respectieve inventarislijsten overeenkomt met de werkelijkheid.

Alle aankopen van goederen waarvan de gebruiksduur meer dan een jaar is, die niet het karakter van een verbruiksgoed hebben en waarvan de aankoopprijs of de kostprijs hoger is dan die welke in de overeenkomstig artikel 77 vastgestelde boekhoudprocedures is vermeld, worden in de inventaris en de rekeningen van de vaste activa opgenomen.

2.  Verkoop van materiële activa van de Unie wordt op een daartoe geëigende wijze bekendgemaakt.

3.  Instellingen van de Unie en in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen en organen van de Unie stelt bepalingen vast betreffende het behoud van de in hun respectieve inventarislijsten opgenomen activa en wijst de administratieve diensten aan die voor het inventarissysteem verantwoordelijk zijn.

AFDELING 4

DE BEHEERDER VAN GELDEN TER GOEDE REKENING

Artikel 88

Beheer van gelden ter goede rekening

1.  Voor ▌de betaling van uitgaven kunnen, wanneer het door de geringe omvang van de bedragen materieel onmogelijk of inefficiënt is betalingen volgens begrotingsprocedures te verrichten, gelden ter goede rekening worden ingesteld. Voor de inning van andere ontvangsten dan eigen middelen kan ook beheer van gelden ter goede rekening worden ingesteld.

Bij de delegaties van de Unie kan beheer van gelden ter goede rekening eveneens worden gebruikt voor betalingen van kleine bedragen volgens begrotingsprocedures, indien dat efficiënt en doeltreffend is op grond van lokale vereisten.

Het maximumbedrag dat door de beheerder van gelden ter goede rekening mag worden betaald wanneer betaling volgens begrotingsprocedures materieel onmogelijk of inefficiënt is, wordt door de rekenplichtige vastgesteld en mag in geen geval hoger zijn dan 60 000 EUR per uitgave.

Op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp mag evenwel beheer van gelden ter goede rekening worden gebruikt voor de betaling van grotere bedragen zonder beperking ten aanzien van het bedrag, mits het niveau van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane kredieten van het betrokken begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar in acht wordt genomen en overeenkomstig de interne regels van de Commissie.

2.  Bij de delegaties van de Unie wordt, met waarborging van de volledige traceerbaarheid van de uitgaven, beheer van gelden ter goede rekening ingesteld voor het betalen van uitgaven uit zowel de afdeling van de begroting betreffende de Commissie als die betreffende de EDEO.

Artikel 89

Instelling en beheer van gelden ter goede rekening

1.  De instelling van beheer van gelden ter goede rekening en de aanwijzing van een beheerder van gelden ter goede rekening geschieden bij besluit van de rekenplichtige van de instelling van de Unie op basis van een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur. In dit besluit worden de respectieve verantwoordelijkheden en verplichtingen van de beheerder van gelden ter goede rekening en de ordonnateur vastgesteld.

Beheerders van gelden ter goede rekening worden gekozen uit ambtenaren of, indien nodig en slechts in gerechtvaardigde gevallen, uit andere personeelsleden of overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de interne regels van de Commissie, uit personeels­leden van de Commissie die actief zijn op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp, op voorwaarde dat hun arbeidsovereenkomsten een gelijkwaardig niveau van bescherming op het gebied van aansprakelijkheid bieden als dat wat krachtens artikel 95 voor personeelsleden geldt. Beheerders van gelden ter goede rekening worden gekozen op grond van hun kennis, bekwaamheid en vaardigheden ter zake die zij blijkens diploma's of een passende beroepservaring of na een passend opleidingsprogramma bezitten.

2.  Bij de voorstellen voor besluiten tot het instellen van beheer van gelden ter goede rekening ziet de bevoegde ordonnateur erop toe dat:

a)  bij voorkeur de budgettaire weg wordt gebruikt wanneer de toegang tot het centrale geautomatiseerde boekhoudsysteem voorhanden is;

b)  slechts in naar behoren gerechtvaardigde gevallen gebruik wordt gemaakt van beheer van gelden ter goede rekening.

Bij het nemen van een besluit om gelden ter goede rekening in te stellen, bepaalt de rekenplichtige de voorwaarden voor het gebruik van de gelden ter goede rekening.

De wijziging van de voorwaarden voor het beheer van gelden ter goede rekening geschiedt eveneens bij besluit van de rekenplichtige op een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur.

3.  Bankrekeningen voor het beheer van de gelden ter goede rekening worden geopend en gemonitord door de rekenplichtige, die ook de handtekeningen bij volmacht goedkeurt op basis van een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur.

4.  Gelden ter goede rekening worden door de rekenplichtige van de instelling van de Unie ter beschikking gesteld en vallen onder de verantwoordelijkheid van de beheerders van gelden ter goede rekening.

5.  Verrichte betalingen worden gevolgd door formele besluiten tot definitieve betaalbaarstelling of regularisatiebetalingsopdrachten die door de bevoegde ordonnateur zijn ondertekend.

De verrichtingen in het kader van het beheer van gelden ter goede rekening worden uiterlijk aan het einde van de volgende maand door de ordonnateur geregulariseerd, om te zorgen voor afstemming van het boeksaldo en het banksaldo.

6.  De rekenplichtige verricht toetsen, of laat die verrichten door een speciaal daartoe gemachtigd personeelslid van zijn of haar dienst of de ordonnateursdienst. Die toetsen van de aanwezigheid van de aan beheerders van gelden ter goede rekening toevertrouwde middelen, de desbetreffende boekhouding en de regularisatie van de verrichtingen binnen de voorgeschreven termijnen worden in de regel ter plaatse en, waar nodig, zonder aankondiging, verricht. De rekenplichtige deelt de bevoegde ordonnateur de resultaten van die toetsen mede.

HOOFDSTUK 5

Verantwoordelijkheid van financiële actoren

AFDELING 1

ALGEMENE REGELS

Artikel 90

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie en ontheffing van functies van financiële actoren

1.  De bevoegde ordonnateurs kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief hun delegatie of subdelegatie worden ontnomen.

2.  Rekenplichtigen of beheerders van gelden ter goede rekening, of beiden, kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief van hun functies worden ontheven.

3.  De leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan eventuele tuchtmaatregelen die worden genomen ten aanzien van de in die leden bedoelde financiële actoren.

Artikel 91

Verantwoordelijkheid van de financiële actoren voor onwettige activiteiten, fraude of corruptie

1.  Dit hoofdstuk doet niet af aan de eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de in artikel 90 genoemde financiële actoren krachtens het toepasselijke nationale recht en de geldende bepalingen aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Unie of van de lidstaten betrokken zijn.

2.  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 92, 94 en 95 van deze verordening, is elke bevoegde ordonnateur, rekenplichtige of beheerder van gelden ter goede rekening tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of, voor de in artikel 89, lid 1, van deze verordening bedoelde personeels­leden van de Commissie die actief zijn op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp, in hun arbeids­overeenkomsten. Gevallen van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden voorgelegd aan de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties, met name aan OLAF.

AFDELING 2

REGELS BETREFFENDE DE BEVOEGDE ORDONNATEURS

Artikel 92

Regels betreffende de ordonnateurs

1.  De bevoegde ordonnateur is geldelijk aansprakelijk onder de in het statuut vastgestelde voorwaarden.

2.  De verplichting tot schadevergoeding bestaat in het bijzonder wanneer de bevoegde ordonnateur opzettelijk of met grove nalatigheid:

a)  de in te vorderen rechten vaststelt of invorderingsopdrachten afgeeft, een betalings­verplichting aangaat of een betalingsopdracht ondertekent in afwijking van deze verordening;

b)  verzuimt een document op te stellen waarbij een schuldvordering wordt vastgesteld, verzuimt een invorderingsopdracht af te geven of deze te laat afgeeft, of een betalingsopdracht te laat afgeeft, waardoor de instelling van de Unie civiel aansprakelijk wordt jegens derden.

3.  Wanneer een gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur oordeelt dat een aan hem of haar gegeven instructie onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, met name omdat de uitvoering ervan onverenigbaar is met de hoeveelheid aan hem verstrekte middelen, deelt hij of zij dat de autoriteit waarvan hij of zij de delegatie of subdelegatie heeft ontvangen, schriftelijk mede. Indien de instructie tijdig schriftelijk wordt bevestigd en nauwkeurig genoeg is, dat wil zeggen dat zij uitdrukkelijk naar de aspecten verwijst die door de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur betwistbaar worden geacht, is de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur van zijn of haar verantwoordelijkheid ontslagen. Hij of zij voert de instructie uit, tenzij deze kennelijk in strijd is met de wet of de geldende veiligheidsnormen.

Dezelfde procedure is van toepassing ingeval een ordonnateur oordeelt dat een door hem of haar te nemen besluit onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, of indien een ordonnateur tijdens de uitvoering van een bindende instructie verneemt dat de omstandigheden van het dossier tot een dergelijke situatie zou kunnen leiden.

De in de in dit lid bedoelde omstandigheden bevestigde instructies worden door de bevoegde gedelegeerde ordonnateur bijgehouden en in zijn of haar jaarlijks activiteitenverslag vermeld.

4.  In geval van subdelegatie binnen zijn of haar dienst blijft de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de efficiëntie en de doeltreffendheid van de ingestelde internebeheers- en controlesystemen en de keuze van de gesubdelegeerd ordonnateur.

5.  In geval van subdelegatie aan de hoofden en adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie is de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de afbakening van de opgerichte internebeheers- en controlesystemen alsmede de efficiëntie en de doeltreffendheid van die systemen. De hoofden van de delegaties van de Unie zijn verantwoordelijk voor het adequaat instellen en de goede werking van die systemen, overeenkomstig de richtlijnen van de gedelegeerde ordonnateur, alsmede voor het beheer van de middelen en de verrichtingen die zij binnen de delegatie van de Unie onder hun verantwoordelijkheid uitvoeren. Vóór hun ambtsaanvaarding volgen zij specifieke opleidingen inzake de taken en verantwoordelijkheden van ordonnateurs en de uitvoering van de begroting.

Hoofden van de delegaties van de Unie brengen overeenkomstig artikel 76, lid 3, verslag uit over hun in de eerste alinea van dit lid bedoelde verantwoordelijkheden.

De hoofden van de delegaties van de Unie verstrekken jaarlijks aan de gedelegeerde ordonnateur van de Commissie zekerheid over de in hun delegatie ingestelde internebeheers- en controlesystemen, alsmede over het beheer van de verrichtingen die aan hen zijn gesubdelegeerd en de resultaten daarvan, om de ordonnateur in staat te stellen de betrouwbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 74, lid 9, af te leggen.

Dit lid geldt eveneens voor de adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie die optreden als gesubdelegeerde ordonnateurs in afwezigheid van de hoofden van de delegaties van de Unie.

Artikel 93

Behandeling van door een personeelslid veroorzaakte financiële onregelmatigheden

1.  Onverminderd de bevoegdheden van OLAF en de administratieve autonomie van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus of organen of personen die krachtens Titel V van het VEU met de uitvoering van specifieke acties in het GBVB zijn belast, ten aanzien van hun personeel en met inachtneming van de bescherming van klokkenluiders wordt elke overtreding van deze verordening of van een bepaling inzake financieel beheer of toetsing van de verrichtingen die het gevolg is van een handeling of verzuim van een personeelslid voor een advies voorgelegd aan de in artikel 143 bedoelde instantie door:

a)  het tot aanstelling bevoegde gezag verantwoordelijk voor tuchtzaken;

b)   de bevoegde ordonnateur, met inbegrip van de hoofden van de delegaties van de Unie en de adjunct-hoofden die in hun afwezigheid als gesubdelegeerde ordonnateurs optreden overeenkomstig artikel 60, lid 2.

Wanneer de instantie rechtstreeks door een personeelslid wordt ingelicht, zendt zij het dossier aan het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon toe en stelt zij het personeelslid dat haar heeft ingelicht, hiervan in kennis. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de instantie om advies over de zaak vragen.

2.  Een verzoek om advies van de instantie op grond van lid 1, eerste alinea, gaat vergezeld van een beschrijving van de feiten en de handeling of het verzuim om de beoordeling waarvan de instantie wordt verzocht, en van de bijbehorende bewijsstukken, daaronder begrepen verslagen over eventueel verrichte onderzoeken. Waar mogelijk wordt de informatie in geanonimiseerde vorm verstrekt.

Alvorens een verzoek of aanvullende informatie bij de instantie in te dienen, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag of de ordonnateur, naargelang het geval, het betrokken personeelslid in de gelegenheid opmerkingen te maken, nadat het dit personeelslid kennis heeft gedaan van de in de eerste alinea bedoelde bewijsstukken, voor zover die kennisgeving het voeren van verder onderzoek niet ernstig ondermijnt.

3.  In de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen is de in artikel 143 bedoelde instantie bevoegd te beoordelen of zich, op basis van de op grond van lid 2 van dit artikel aan haar verstrekte informatie en eventuele door haar ontvangen aanvullende elementen, een financiële onregelmatigheid heeft voorgedaan. Op grond van het advies van de instantie neemt de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon een beslissing over een passende follow-up overeenkomstig het statuut. Indien de instantie systeemproblemen ontdekt, doet zij de ordonnateur en de gedelegeerde ordonnateur, tenzij deze laatste het betrokken personeelslid is, alsmede de intern controleur een aanbeveling.

4.  Wanneer de instantie het in lid 1 van dit artikel bedoelde advies geeft, is zij samengesteld uit de in artikel 143, lid 2, bedoelde leden en de volgende drie extra leden, die worden aangesteld met inachtneming van de noodzaak om belangenconflicten te voorkomen:

a)  een vertegenwoordiger van het tot aanstelling bevoegde gezag, bevoegd voor tuchtzaken, van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, ▌het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon,

b)  een lid dat is aangewezen door het personeelscomité van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, ▌het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon,

c)  een lid van de juridische dienst van de instelling van de Unie waarbij het betrokken personeelslid in dienst is.

▌Het in lid 1 bedoelde advies van de instantie wordt gericht tot het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, ▌het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon.

5.  De instantie heeft geen onderzoeksbevoegdheid. De instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon werken met de instantie samen om ervoor te zorgen dat deze over alle nodige informatie beschikt om haar advies te geven.

6.  Wanneer de instantie tijdens haar onderzoek tot de slotsom komt dat het geval onder de bevoegdheid van OLAF valt, zendt zij het dossier overeenkomstig lid 1 onverwijld naar het betrokken tot aanstelling bevoegde gezag en stelt zij OLAF onmiddellijk in kennis.

7.  De lidstaten ondersteunen de Unie volledig bij de tenuitvoerlegging van de aansprakelijkheid, overeenkomstig artikel 22 van het Statuut, van tijdelijke functionarissen op wie artikel 2, onder e), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, van toepassing is.

AFDELING 3

REGELS BETREFFENDE DE REKENPLICHTIGEN EN DE BEHEERDERS VAN GELDEN TER GOEDE REKENING

Artikel 94

Regels betreffende de rekenplichtigen

De rekenplichtige is, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld bij het statuut, tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk. Hij kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a)  middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b)  bankrekeningen of postrekeningen ten onrechte wijzigen;

c)  invorderingen of betalingen verrichten die niet in overeenstemming zijn met de invorderings- of betalingsopdrachten;

d)  nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

Artikel 95

Regels betreffende de beheerders van gelden ter goede rekening

Een beheerder van gelden ter goede rekening kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a)  middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b)  verrichte betalingen niet met deugdelijke bewijsstukken kunnen verantwoorden;

c)  aan een ander dan de daarop rechthebbende betalen;

d)  nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

HOOFDSTUK 6

Ontvangsten

AFDELING 1

TERBESCHIKKINGSTELLING VAN EIGEN MIDDELEN

Artikel 96

Eigen middelen

1.  De ontvangsten gevormd door de eigen middelen bedoeld in Besluit 2014/335/EU, Euratom worden als raming in euro in de begroting opgenomen. De overeenkomstige eigen middelen worden ter beschikking gesteld overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

2.  De ordonnateur stelt een tijdschema op voor de terbeschikkingstelling aan de Commissie van de eigen middelen bedoeld in ▌Besluit 2014/335/EU, Euratom.

De vaststelling en de inning van de eigen middelen geschieden volgens de voorschriften die ter uitvoering van dat besluit zijn vastgesteld.

Om boekhoudkundige redenen geeft de ordonnateur een invorderingsopdracht af voor inkomsten en uitgaven op de rekening voor de eigen middelen als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

AFDELING 2

RAMING VAN SCHULDVORDERINGEN

Artikel 97

Raming van schuldvorderingen

1.  Wanneer de bevoegde ordonnateur over voldoende en betrouwbare informatie beschikt met betrekking tot een maatregel of situatie waardoor een schuldvordering van de Unie ontstaat, maakt hij een raming van het verschuldigde bedrag.

2.  De raming van de schuldvordering wordt door de bevoegde ordonnateur aangepast zodra hij kennis krijgt van een feit dat de maatregel of de situatie die tot de raming heeft geleid, verandert.

Bij de opstelling van een invorderingsopdracht met betrekking tot een maatregel of situatie die eerder tot een raming van de schuldvordering heeft geleid, wordt die raming dienovereenkomstig aangepast door de bevoegde ordonnateur.

Wanneer de invorderingsopdracht wordt opgesteld voor hetzelfde bedrag als de oorspronkelijke raming van de schuldvordering, wordt die raming verlaagd tot nul.

3.  In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor de eigen middelen omschreven in ▌ Besluit 2014/335/EU, Euratom die door de lidstaten op vaste vervaldagen worden afgedragen, geen schuldvorderingsraming opgesteld vóór de terbeschikkingstelling van de bedragen door de lidstaten aan de Commissie. Voor deze middelen geeft de bevoegde ordonnateur een invorderingsopdracht af.

AFDELING 3

VASTSTELLING VAN SCHULDVORDERINGEN

Artikel 98

Vaststelling van schuldvorderingen

1.  Om een schuldvordering vast te stellen, doet ▌ de bevoegde ordonnateur het volgende:

a)  het bestaan van de schuld verifiëren;

b)  het bestaan en het bedrag van de schuld vaststellen of verifiëren; en

c)  de opeisbaarheid van de schuld verifiëren.

De vaststelling van een schuldvordering is de erkenning van het recht van de Unie jegens een debiteur en de opstelling van de titel waarmee van deze debiteur betaling van zijn schuld kan worden geëist.

2.  Elke als vaststaand, liquide en opeisbaar aangemerkte schuldvordering wordt vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdraagt de schuldvordering te innen. Deze wordt gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, behalve voor de gevallen waarin onmiddellijk een ontheffingsprocedure wordt toegepast overeenkomstig lid 4, tweede alinea. Zowel de invorderingsopdracht als de debetnota worden door de bevoegde ordonnateur opgesteld.

De ordonnateur verzendt de debetnota onmiddellijk na de vaststelling van de schuld­vordering en uiterlijk binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling van de Unie, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend had kunnen maken. Deze termijn geldt niet wanneer de bevoegde ordonnateur aantoont dat, ondanks de inspanningen die de instelling van de Unie heeft gedaan, het late optreden toe te schrijven is aan het gedrag van de debiteur.

3.  Om een schuldvordering vast te stellen, vergewist de bevoegde ordonnateur zich van het volgende:

a)  de schuldvordering staat vast, wat inhoudt dat zij niet aan voorwaarden onderworpen is;

b)  de hoogte van de schuldvordering staat vast, en wordt uitgedrukt in een nauwkeurig geldbedrag;

c)  de schuldvordering is opeisbaar en niet onderworpen aan een betalingstermijn;

d)  de gegevens van de debiteur zijn correct;

e)  het bedrag is in de juiste begrotingspost geboekt;

f)  de bewijsstukken zijn in orde; en

g)  het beginsel van goed financieel beheer wordt in acht genomen, met name wat betreft de in artikel 101, lid 2, eerste alinea, onder a) of b), bedoelde criteria.

4.  De debetnota is de mededeling aan de debiteur dat:

a)  de Unie de schuldvordering heeft vastgesteld;

b)  geen achterstandsrente verschuldigd is, indien de schuld binnen de in de debetnota vastgestelde termijn wordt betaald;

c)  bij gebreke van betaling van de schuld bij het verstrijken van de onder b) van deze alinea bedoelde termijn, over de schuld rente verschuldigd is tegen het in artikel 99 bedoelde percentage, onverminderd de geldende specifieke voorschriften;

d)  de instelling van de Unie bij gebreke van betaling van de schuld bij het verstrijken van de onder b) bedoelde termijn, tot inning overgaat door middel van verrekening of door een beroep te doen op van tevoren verstrekte garanties;

e)  de rekenplichtige, nadat de debiteur van de gronden en de datum van inning door middel van verrekening in kennis is gesteld, in uitzonderlijke omstandigheden vóór de onder b) bedoelde termijn tot inning door middel van verrekening kan overgaan, indien dit ter bescherming van de financiële belangen van de Unie nodig is, omdat hij of zij gerechtvaardigde redenen heeft om aan te nemen dat het aan de Unie verschuldigde bedrag anders verloren zou gaan;

f)  de instelling van de Unie, indien nog geen volledige inning heeft kunnen geschieden nadat alle onder a) tot en met e) van deze alinea beschreven stappen zijn ondernomen, tot inning overgaat door gedwongen tenuitvoerlegging van de titel die overeenkomstig artikel 100, lid 2, dan wel langs gerechtelijke weg is verkregen.

Wanneer het na verificatie van de gegevens van de debiteur of op grond van andere relevante informatie die op dat moment beschikbaar was, duidelijk is dat de schuld valt onder de in artikel 101, lid 2, eerste alinea, onder a) of b), bedoelde gevallen of dat de debetnota niet is verzonden overeenkomstig lid 2 van dit artikel, besluit de ordonnateur na vaststelling van de schuldvordering om onmiddellijk van invordering af te zien overeenkomstig artikel 101 zonder een debetnota te sturen, met het akkoord van de rekenplichtige.

In alle andere gevallen wordt de debetnota door de ordonnateur afgedrukt en aan de debiteur toegezonden. De rekenplichtige wordt van de verzending van de debetnota in kennis gesteld via het financiële-informatiesysteem.

5.  Ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd.

Artikel 99

Achterstandsrente

1.  Onverminderd de specifieke bepalingen die voortvloeien uit de toepassing van specifieke regelingen, is elke schuldvordering die bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn niet is voldaan, rentedragend overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel.

2.  Met uitzondering van het in lid 4 van dit artikel bedoelde geval, is de rentevoet voor schuldvorderingen die bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn niet zijn voldaan, het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin de genoemde termijn valt en dat is bekend­gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met:

a)  acht procentpunten wanneer de schuldvordering voortvloeit uit een overeenkomst voor leveringen of een overeenkomst voor diensten;

b)  drieënhalf procentpunten in alle andere gevallen.

3.  De rente wordt berekend vanaf de kalenderdag die volgt op de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn, tot en met de kalenderdag waarop de schuld volledig is betaald.

De invorderingsopdracht voor de achterstandsrente wordt gedateerd op de dag waarop die rente daadwerkelijk is ontvangen.

4.  In het geval van boetes of andere sancties is de rentevoet voor schuldvorderingen die bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn niet zijn voldaan, het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin het besluit tot het opleggen van een boete of andere sanctie is genomen, en dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met:

a)  anderhalf procentpunt indien de debiteur een financiële garantie verstrekt die door de rekenplichtige in plaats van betaling wordt aanvaard;

b)  drieënhalf procentpunten in alle andere gevallen.

Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens zijn op artikel 261 VWEU gebaseerde bevoegdheid het bedrag van een boete of andere sanctie verhoogt, wordt vanaf de datum van het arrest van het Hof rente berekend op de verhoging van het bedrag.

5.  In gevallen waarin de totale rente negatief zou zijn, wordt deze op nul procent vastgesteld.

AFDELING 4

INVORDERINGSOPDRACHTEN

Artikel 100

Invorderingsopdrachten

1.  De bevoegde ordonnateur draagt de rekenplichtige, door de afgifte van een invorderingsopdracht, op een door die bevoegde ordonnateur vastgestelde schuldvordering in te vorderen ("de invorderingsopdracht").

2.  Een instelling van de Unie kan de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan lidstaten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel in de zin van artikel 299 VWEU vormt.

Indien de doelmatige en tijdige bescherming van de financiële belangen van de Unie dit vereist, kunnen andere instellingen van de Unie de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden verzoeken een dergelijk uitvoerbaar besluit ten behoeve van hen ▌goed te keuren inzake vorderingen betreffende personeelsleden of betreffende leden of voormalige leden van een instelling van de Unie, mits die instellingen de praktische regels voor de toepassing van dit artikel met de Commissie zijn overeengekomen.

Er is sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden wanneer er geen uitzicht bestaat op invordering van de schuld door de betrokken instelling van de Unie door middel van vrijwillige betaling of door middel van verrekening overeenkomstig artikel 101, lid 1, van deze verordening en de voorwaarden om af te zien van invordering krachtens artikel 101, leden 2 en 3, niet zijn vervuld. Het besluit dat executoriale titel vormt, bevat in alle gevallen de bepaling dat de ingevorderde bedragen worden geboekt in de begrotingsafdeling van de betrokken instelling van de Unie, die als ordonnateur optreedt. De ontvangsten worden geboekt als algemene ontvangsten, tenzij zij bestemmingsontvangsten vormen in de zin van artikel 21, lid 3.

De verzoekende instelling van de Unie stelt de Commissie in kennis van iedere gebeurtenis die de invordering kan beïnvloeden en intervenieert ter ondersteuning van de Commissie wanneer tegen het besluit dat executoriale titel vormt beroep wordt aangetekend.

AFDELING 5

INVORDERING

Artikel 101

Regels betreffende de invordering

1.  De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. De rekenplichtige is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Unie en toe te zien op het behoud van de rechten van de Unie.

Gedeeltelijke betaling door een debiteur tegen wie verschillende invorderingsopdrachten zijn afgegeven, wordt eerst in mindering gebracht op de oudste schuldvordering, tenzij door de debiteur anders wordt aangegeven. Elke gedeeltelijke betaling dekt in de eerste plaats de verschuldigde rente.

De rekenplichtige gaat over tot invordering van aan de begroting verschuldigde bedragen door verrekening overeenkomstig artikel 102.

2.  De bevoegde ordonnateur kan slechts geheel of gedeeltelijk van de invordering van een vastgestelde schuldvordering afzien in de volgende gevallen:

a)  wanneer de verwachte kosten van de invordering hoger zijn dan het te innen bedrag en het afzien van invordering geen afbreuk zou doen aan de reputatie van de Unie;

b)  wanneer het niet mogelijk is de schuldvordering te innen wegens de leeftijd ervan, vertraging bij de verzending van de debetnota, zoals omschreven in artikel 98, lid 2, of de insolventie van de debiteur, of als gevolg van andere insolventieprocedures;

c)  wanneer de invordering afbreuk doet aan het evenredigheidsbeginsel.

Wanneer de bevoegde ordonnateur overweegt geheel of gedeeltelijk af te zien van het invorderen van een vastgestelde schuldvordering, verifieert hij of dit regelmatig is en strookt met het beginsel van goed financieel beheer en het evenredigheidsbeginsel. Het besluit van invordering af te zien wordt gemotiveerd. De ordonnateur kan de bevoegdheid tot het nemen van dat besluit delegeren.

3.  In het in lid 2, eerste alinea, onder c), bedoelde geval neemt de bevoegde ordonnateur de procedures die van tevoren bij zijn of haar instelling van de Unie zijn vastgesteld, in acht en past hij of zij de volgende verplichte criteria toe, die onder alle omstandigheden moeten worden toegepast:

a)  de aard van de feiten gelet op de ernst van de onregelmatigheid die aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling van de schuldvordering (fraude, recidive, opzet, medewerking, goede trouw, kennelijke dwaling);

b)  de gevolgen die het afzien van invordering van de schuldvordering voor het functioneren en de financiële belangen van de Unie zou hebben (betrokken bedrag, risico een precedent te scheppen, afbreuk aan het gezag van de norm).

4.  Afhankelijk van de omstandigheden van het geval neemt de bevoegde ordonnateur, waar passend, de volgende aanvullende criteria in aanmerking:

a)  de eventuele vervalsing van de mededinging die het afzien van invordering van de schuldvordering zou meebrengen;

b)  de economische en sociale schade die de volledige inning van de schuldvordering tot gevolg zou hebben.

5.  Elke instelling van de Unie zendt het Europees Parlement en de Raad elk jaar een verslag toe over de gevallen waarin door haar uit hoofde van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel is afgezien van de inning van schuldvorderingen. De informatie over het afzien van de inning van schuldvorderingen onder 60 000 EUR wordt verstrekt in de vorm van een totaalbedrag. In het geval van de Commissie wordt dit verslag gevoegd bij de in artikel 74, lid 9, bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

6.  De bevoegde ordonnateur kan een vastgestelde schuldvordering geheel of gedeeltelijk annuleren. De gedeeltelijke annulering van een vastgestelde schuldvordering leidt niet tot afstand van het resterend ten gunste van de Unie vastgesteld recht.

In geval van een dwaling annuleert de bevoegde ordonnateur geheel of gedeeltelijk de vastgestelde schuldvorderingen en omkleedt hij deze annulering naar behoren met redenen.

Elke instelling van de Unie bepaalt in haar interne regels de voorwaarden en de wijze waarop de bevoegdheid tot annulering van een vastgestelde schuldvordering kan worden gedelegeerd.

7.  De lidstaten zijn primair verantwoordelijk voor het verrichten van controles en audits en voor het invorderen van ten onrechte uitgegeven bedragen, als bepaald in sector­specifieke regelgeving. Voor zover lidstaten onregelmatigheden ontdekken en corrigeren voor eigen rekening, zijn zij vrijgesteld van financiële correcties door de Commissie in verband met deze onregelmatigheden.

8.  De Commissie maakt financiële correcties ten aanzien van lidstaten om uitgaven die in strijd zijn met het toepasselijk recht, van financiering door de Unie uit te sluiten. De Commissie baseert haar financiële correcties op de vaststelling van ten onrechte uitgegeven bedragen, en de financiële gevolgen voor de begroting. Wanneer zulke bedragen niet nauwkeurig kunnen worden vastgesteld kan de Commissie geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties toepassen overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie houdt bij het besluit over het bedrag van een financiële correctie rekening met de aard en de ernst van de inbreuk op het toepasselijk recht en de financiële gevolgen voor de begroting, met inbegrip van tekortkomingen in beheers- en controlesystemen.

De criteria voor de vaststelling van financiële correcties en de te volgen procedure kunnen in sectorspecifieke regelgeving worden vastgelegd.

9.  De methode voor de toepassing van geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties wordt vastgesteld overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving teneinde de Commissie in staat te stellen de financiële belangen van de Unie te beschermen.

Artikel 102

Invordering door verrekening

1.  Wanneer de debiteur een als in artikel 98, lid 3, onder a), bedoelde vaststaande, liquide en opeisbare vordering heeft op de Unie of op een uitvoerend agentschap dat de begroting uitvoert, die betrekking heeft op een door een betalingsopdracht vastgesteld bedrag, gaat de rekenplichtige na het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn over tot de inning van de vastgestelde schuldvorderingen door middel van verrekening.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de rekenplichtige echter vóór het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn overgaan tot inning door middel van verrekening, indien dit ter bescherming van de financiële belangen van de Unie nodig is en hij gerechtvaardigde redenen heeft om aan te nemen dat het aan de Unie verschuldigde bedrag anders verloren zou gaan.

De rekenplichtige kan ook overgaan tot inning door middel van verrekening vóór het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn wanneer de debiteur daarmee instemt.

2.  Voordat hij overeenkomstig lid 1 van dit artikel tot inning overgaat, raadpleegt de rekenplichtige de bevoegde ordonnateur en stelt hij de betrokken debiteuren hiervan in kennis, met inbegrip van de corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 133.

Wanneer de debiteur een nationale autoriteit of een van haar administratieve entiteiten is, stelt de rekenplichtige de betrokken lidstaat ten minste tien werkdagen van tevoren in kennis van zijn of haar voornemen door middel van verrekening tot inning over te gaan. In overleg met de betrokken lidstaat of administratieve entiteit mag de rekenplichtige echter vóór het verstrijken van die termijn door middel van verrekening tot inning overgaan.

3.  De in lid 1 bedoelde verrekening heeft dezelfde gevolgen als een betaling en geldt voor de Unie als kwijting voor het bedrag van de schuld en, in voorkomend geval, de verschuldigde rente.

Artikel 103

Inningsprocedure bij uitblijven van vrijwillige betaling

1.  Onverminderd artikel 102 stelt de rekenplichtige, indien bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn geen volledige inning is geschied, de bevoegde ordonnateur hiervan in kennis, en tracht hij onverwijld de inning alsnog te bewerkstelligen met aanwending van passende rechtsmiddelen, onder meer, in voorkomend geval, door een beroep te doen op van tevoren verstrekte garanties.

2.  Onverminderd artikel 102 gaat de rekenplichtige, indien de in lid 1 van dit artikel genoemde wijze van inning niet mogelijk is en de debiteur na een door de rekenplichtige verzonden aanmaning de betaling niet heeft verricht, over tot invordering door middel van tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 100, lid 2, dan wel langs gerechtelijke weg verkregen titel.

Artikel 104

Aanvullende betalingstermijnen

Aanvullende betalingstermijnen mag de rekenplichtige, in overleg met de bevoegde ordonnateur, slechts toestaan op schriftelijk, met redenen omkleed verzoek van de debiteur en op voorwaarde dat de debiteur:

a)  zich ertoe verbindt, voor de gehele toegekende aanvullende termijn, te rekenen vanaf de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn, rente te betalen tegen de in artikel 99 bedoelde rentevoet;

b)  ter bescherming van de rechten van de Unie een door de rekenplichtige van de instelling van de Unie aanvaarde financiële garantie stelt die de hoofdsom en de rente van de nog niet geïnde schuld dekt.

De in lid 1, onder b), bedoelde garantie kan worden vervangen door een gezamenlijke en hoofdelijke garantie door een door de rekenplichtige van de instelling van de Unie goedgekeurde derde.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de rekenplichtige op verzoek van de debiteur ervan afzien de in lid 1, onder b), bedoelde garantie te vragen wanneer hij oordeelt dat de debiteur bereid en in staat is om de schuld binnen de aanvullende betalingstermijn te voldoen, maar niet in staat is om dergelijke garantie te stellen en in een ▌ financieel moeilijke situatie verkeert.

Artikel 105

Verjaringstermijn

1.  Onverminderd de bijzondere verordeningen en de toepassing van Besluit 2014/335/EU, Euratom geldt voor vorderingen van de Unie op derden en vorderingen van derden op de Unie een verjaringstermijn van vijf jaar.

2.  De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van de Unie op derden begint te lopen bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn.

De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van derden op de Unie begint te lopen op de datum waarop de schuldvordering van de betrokken derde krachtens de onderliggende juridische verbintenis opeisbaar is.

3.  De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van de Unie op derden wordt geschorst door elke handeling van een instelling van de Unie of van een door een op verzoek van een instelling van de Unie handelende lidstaat, waarvan aan de derde kennis is gegeven en die strekt tot inning van de schuld.

De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van derden op de Unie wordt geschorst door elke handeling waarvan door haar crediteur of namens haar crediteuren aan de Unie kennis is gegeven en die strekt tot inning van de schuld.

4.  Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen op de dag volgend op die van de in lid 3 bedoelde schorsingen.

5.  Rechtsvorderingen betreffende de in lid 2 bedoelde schuldvorderingen, met inbegrip van rechtsvorderingen waarbij de rechter zich uiteindelijk onbevoegd verklaart, schorsen de verjaringstermijn. Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begint pas te lopen na een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing of na een buitengerechtelijke schikking tussen de partijen over dezelfde vordering.

6.  Wanneer de rekenplichtige de debiteur overeenkomstig artikel 104 een aanvullende betalingstermijn toestaat, wordt dit als een schorsing van de verjaringstermijn beschouwd. Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaat in op de dag volgende op die waarop de aanvullende betalingstermijn verstrijkt.

7.  Na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 6 bepaalde verjaringstermijn worden de schuldvorderingen van de Unie niet meer geïnd.

Artikel 106

Nationale behandeling voor vorderingen van de Unie

In het geval van een insolventieprocedure krijgen vorderingen van de Unie in de lidstaat waar de invorderingsprocedure plaatsvindt dezelfde voorrangsbehandeling als vorderingen van dezelfde aard van publiekrechtelijke organen van die lidstaat.

Artikel 107

Door instellingen van de Unie opgelegde boeten, andere dwangsommen, sancties en rente hierover

1.  De bedragen uit boeten, andere dwangsommen en sancties, alsmede de rente hierover en andere hieruit voortvloeiende inkomsten, worden niet in de begroting opgenomen zolang de desbetreffende besluiten het voorwerp van beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn of nog kunnen worden.

2.  De in lid 1 bedoelde bedragen worden zo spoedig mogelijk ▌ nadat alle juridische verweermiddelen zijn uitgeput, in de begroting opgenomen. In naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden of wanneer alle juridische verweer­middelen pas na 1 september van het lopende begrotingsjaar zijn uitgeput, mogen de bedragen in het volgende begrotingsjaar in de begroting worden opgenomen.

Bedragen die moeten worden terugbetaald aan de betalende entiteit als gevolg van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden niet in de begroting opgenomen.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op de besluiten inzake goedkeuring van de rekeningen of financiële correcties.

Artikel 108

Inning van boeten, andere dwangsommen of sancties opgelegd door instellingen van de Unie

1.  Wanneer bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep is ingesteld tegen een besluit van een instelling van de Unie waarbij krachtens het VWEU of het Euratom-Verdrag een boete ▌, andere dwangsom of sanctie is opgelegd, stort de debiteur, zolang niet alle rechtsmiddelen zijn uitgeput, de betrokken bedragen voorlopig op de door de rekenplichtige van de Commissie aangewezen bankrekening of stelt hij een financiële garantie die voor de rekenplichtige van de Commissie aanvaardbaar is. De garantie staat los van de verplichting tot betaling van de boete, andere dwangsom of sanctie en is op ▌ verzoek opeisbaar. Zij dekt de vordering voor de hoofdsom en de in artikel 99, lid 4, bedoelde verschuldigde rente.

2.  De Commissie waarborgt de veiligheid en de liquiditeit van de voorlopig geïnde bedragen, en streeft daarbij tegelijkertijd naar een positief rendement, door deze bedragen in financiële activa te beleggen.

3.  Nadat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput en de boete ▌, andere dwangsom of sanctie is bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, of wanneer het besluit waarbij een dergelijke boete, andere dwangsom of sanctie is opgelegd, niet meer het voorwerp van beroep kunnen worden bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt één van de volgende maatregelen genomen:

a)  de voorlopig geïnde bedragen en het rendement daarvan overeenkomstig artikel 107, lid 2, worden in de begroting opgenomen ▌;

b)  indien een financiële garantie is gesteld, wordt deze aangesproken en worden de overeenkomstige bedragen in de begroting opgenomen.

Wanneer het bedrag van de boete ▌, andere dwangsom of sanctie door het Hof van Justitie van de Europese Unie is verhoogd, zijn de punten a) en b) van de eerste alinea van dit lid van toepassing tot de bedragen in het oorspronkelijke besluit van de instelling van de Unie of, in voorkomend geval, tot het in een eerder arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in dezelfde zaak vastgesteld bedrag. De rekenplichtige van de Commissie int het bedrag van de verhoging en de in artikel 99, lid 4, bedoelde verschuldigde rente, die in de begroting worden opgenomen.

4.  Nadat alle juridische verweermiddelen zijn uitgeput en de boete ▌, andere dwangsom of sanctie nietig is verklaard of het bedrag is verlaagd, wordt één van de volgende maatregelen genomen:

a)  de voorlopig geïnde bedragen ▌, of in geval van een verlaging, het desbetreffende deel daarvan, worden met inbegrip van het eventuele rendement, terugbetaald aan de betrokken derde; of

b)  een eventuele financiële garantie wordt naar evenredigheid vrijgegeven.

In de in de eerste alinea, onder a), bedoelde gevallen, wanneer het totale rendement op het voorlopig geïnde bedrag negatief is, het geleden verlies afgetrokken van het terug te betalen bedrag.

Artikel 109

Compensatierente

Indien onverminderd het bepaalde in artikel 99, lid 2, en artikel 116, lid 5, en voor andere gevallen dan boeten, andere dwangsommen en sancties, als bedoeld in de artikelen 107 en 108, een bedrag moet worden terugbetaald na een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie of als gevolg van een minnelijke schikking, geldt als rentevoet de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. De rentevoet mag echter niet negatief zijn. De rente loopt vanaf de datum van betaling van het terug te betalen bedrag tot de datum waarop de terugbetaling verschuldigd is ▌.

In gevallen waarin de totale rente negatief zou zijn, wordt deze op nul procent vastgesteld.

HOOFDSTUK 7

Uitgaven

Artikel 110

Financieringsbesluiten

1.  Een vastlegging in de begroting wordt voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling van de Unie of van de autoriteit waaraan zij bevoegdheid heeft gedelegeerd. De financieringsbesluiten zijn jaarlijks of meerjarig.

De eerste alinea van dit lid geldt niet voor kredieten die bestemd zijn voor de werking van elke instelling van de Unie uit hoofde van haar administratieve autonomie en die zonder basishandeling kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 58, lid 2, onder e), voor uitgaven voor administratieve ondersteuning en bijdragen voor de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie. ▌

2.  Het financieringsbesluit ▌vormt tegelijkertijd het jaarlijks of meerjarig werkprogramma en wordt, in voorkomend geval, zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van de ontwerpbegroting vastgesteld en in beginsel niet later dan 31 maart van het jaar van uitvoering. Indien de desbetreffende basishandeling voorziet in specifieke voorwaarden voor de vaststelling van een financieringsbesluit of een werkprogramma of beide, gelden deze voorwaarden voor het deel van het financieringsbesluit dat het werkprogramma vormt (vormen), met inachtneming van de vereisten van die basishandeling. Het deel dat het werkprogramma vormt, wordt onmiddellijk na de vaststelling ervan en vóór de uitvoering ervan bekendgemaakt op de website van de betrokken instelling van de Unie. Het financieringsbesluit vermeldt het totale bedrag dat het betreft en bevat een beschrijving van de te financieren acties. Het besluit specificeert de volgende elementen:

a)  de basishandeling en het begrotingsonderdeel;

b)  de beoogde doelstellingen en verwachte resultaten;

c)  de wijzen van uitvoering;

d)  alle in de basishandeling vereiste aanvullende informatie voor het werkprogramma.

3.  Het financieringsbesluit bevat in aanvulling op de in lid 2 genoemde elementen de volgende informatie:

a)  voor subsidies: het type aanvragers voor wie de oproep tot het indienen van voorstellen of de toekenning zonder selectieprocedure is bedoeld en het begrote totaalbedrag voor de subsidies;

b)  voor aanbestedingen: het begrote totaalbedrag voor aanbestedingen;

c)  voor bijdragen aan de in artikel 234 bedoelde trustfondsen van de Unie: de voor het begrotingsjaar voor het trustfonds gereserveerde kredieten, en de voor de gehele duur geplande bedragen uit de begroting en van andere donoren;

d)  voor prijzen: het type deelnemers voor wie de wedstrijd is bedoeld, het begrote totaalbedrag voor de wedstrijd en een specifieke verwijzing naar prijzen met een eenheidswaarde van 1 000 000 EUR of meer;

e)  voor financieringsinstrumenten: het aan het financieringsinstrument toegewezen bedrag;

f)  in het geval van indirect beheer: de persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of de criteria voor de selectie van de persoon of entiteit;

g)  voor bijdragen aan blendingfaciliteiten of -platforms: het bedrag dat is toegewezen aan de blendingfaciliteit of -platform en de lijst van entiteiten die deelnemen aan de blendingfaciliteit of -platform;

h)  voor begrotingsgaranties: het jaarlijkse voorzieningsbedrag en, in voorkomend geval, het bedrag van de vrij te geven begrotingsgarantie.

4.  De gedelegeerde ordonnateur kan eventuele passend bevonden extra informatie toevoegen hetzij in het desbetreffende financieringsbesluit dat het werkprogramma vormt, hetzij in alle andere documenten die op de website van de instelling van de Unie worden bekendgemaakt.

Een meerjarig financieringsbesluit is in overeenstemming met de financiële programmering als bedoeld in artikel 41, lid 2, en vermeldt dat de tenuitvoerlegging van het besluit afhangt van de beschikbaarheid van kredieten voor de betrokken begrotingsjaren na de vaststelling van de begroting of als voorzien in het systeem van voorlopige twaalfden ▌.

5.  Onverminderd specifieke bepalingen van een basishandeling, wordt voor elke belangrijke wijziging van een reeds vastgesteld financieringsbesluit dezelfde procedure gevolgd als voor het besluit zelf.

Artikel 111

Uitgaven

1.  Elke uitgave is voorwerp van een vastlegging, een betaalbaarstelling, een betalingsopdracht en een betaling.

Aan het einde van de in artikel 114 bedoelde termijnen wordt het niet-gebruikte saldo van de vastleggingen in de begroting vrijgemaakt.

Bij het uitvoeren van verrichtingen vergewist de bevoegde ordonnateur zich ervan dat de uitgaven in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Verdragen, de begroting, deze verordening en andere handelingen ▌die zijn vastgesteld uit hoofde van de Verdragen, alsmede met het beginsel van goed financieel beheer.

2.  De vastleggingen in de begroting en de juridische verbintenissen worden door dezelfde ordonnateur gedaan respectievelijk aangegaan, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Met name op het gebied van crisisbeheersingssteun en humanitaire hulp kunnen juridische verbintenissen worden aangegaan door de hoofden van de delegaties van de Unie of, in hun afwezigheid, door de adjunct-hoofden, in opdracht van de bevoegde ordonnateur van de Commissie, die echter volledig verantwoordelijk blijft voor de onderliggende verrichting. Het personeel van de Commissie dat actief is op het gebied van crisisbeheersingssteun en humanitaire hulp kan juridische verbintenissen tekenen in verband met verrichte betalingen uit gelden ter goede rekening voor een bedrag van niet meer dan 2 500 EUR.

De bevoegde ordonnateur verricht een vastlegging in de begroting alvorens een juridische verbintenis met derden te sluiten of middelen over te schrijven naar een trustfonds van de Unie als bedoeld in artikel 234.

De tweede alinea van dit lid is niet van toepassing op:

a)  juridische verbintenissen die worden aangegaan nadat in het kader van een bedrijfscontinuïteitsplan een crisissituatie is uitgeroepen, overeenkomstig de procedures die door de Commissie of enige andere instelling van de Unie zijn vastgesteld uit hoofde van haar administratieve autonomie;

b)  operaties op het gebied van humanitaire hulp, civiele bescherming en crisisbeheersingssteun, wanneer het voor een efficiënte interventie van de Unie vereist is onmiddellijk een juridische verbintenis met derden te sluiten en wanneer het niet mogelijk is eerder de individuele vastlegging in de begroting te verrichten.

In de gevallen bedoeld in de derde alinea, onder b), wordt de begroting onverwijld na het aangaan van een juridische verbintenis met derden vastgelegd.

3.  De ▌bevoegde ordonnateur stelt een uitgave betaalbaar door te aanvaarden dat deze ten laste van de begroting wordt gebracht, na de bewijsstukken te hebben gecontroleerd waaruit de rechten van de crediteur blijken overeenkomstig de voorwaarden in de juridische verbintenis, wanneer deze bestaat. Daartoe doet de ordonnateur het volgende:

a)  het bestaan van de rechten van de crediteur verifiëren;

b)  het bestaan of het bedrag van de schuldvordering vaststellen of verifiëren door middel van de vermelding "voor conform";

c)  de opeisbaarheid van de schuldvordering verifiëren.

Niettegenstaande de eerste alinea is de betaalbaarstelling van uitgaven ▌ook van toepassing op tussentijdse en eindverslagen die geen verband houden met een betalingsverzoek in welk geval de gevolgen voor het boekhoudsysteem zijn beperkt tot de algemene boekhouding.

4.  Het besluit tot betaalbaarstelling wordt uitgedrukt door middel van een elektronisch beveiligde handtekening ▌ overeenkomstig artikel 146 door de bevoegde ordonnateur, of door een personeelslid dat technisch bevoegd en naar behoren gemachtigd is door een formeel besluit van de bevoegde ordonnateur, of, bij wijze van uitzondering, op papier in de vorm van een stempel met daarin die handtekening.

Met de vermelding "voor conform verklaard" door de bevoegde ordonnateur of een technisch bevoegd personeelslid dat door de bevoegde ordonnateur naar behoren is gemachtigd, verklaart de bevoegde ordonnateur:

a)  voor voorfinanciering: dat aan de in de juridische verbintenis gestelde voorwaarden voor de betaling van de voorfinanciering is voldaan;

b)  voor tussentijdse betalingen en saldobetalingen bij overeenkomsten: dat de diensten waarin de overeenkomst voorziet, naar behoren zijn verstrekt, de goederen naar behoren zijn geleverd of dat het werk naar behoren is uitgevoerd;

c)  voor tussentijdse en saldobetalingen bij subsidies: dat de actie of het door de begunstigde uitgevoerde werkprogramma op alle punten in overeenstemming is met de subsidieovereenkomst, en dat, in voorkomend geval, de door de begunstigde gedeclareerde kosten subsidiabel zijn.

In het geval bedoeld in de tweede alinea, onder c), worden kostenramingen niet geacht te voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden van artikel 186, lid 3. Hetzelfde beginsel is ook van toepassing op de tussentijdse en eindverslagen die geen verband houden met een verzoek om betaling.

5.  Om opdracht te geven tot de betalingdraagt de bevoegde ordonnateur, nadat hij heeft geverifieerd of de kredieten beschikbaar zijn, de rekenplichtige door middel van een betalingsopdracht op ▌ het bedrag van de betaalbaar gestelde uitgaven te betalen.

Wanneer periodieke betalingen worden gedaan met betrekking tot verleende diensten, inclusief verhuurdiensten, of geleverde goederen kan de ordonnateur, afhankelijk van de risicoanalyse die hij maakt, opdracht geven tot de uitvoering van automatische incasso's uit gelden ter goede rekening. De uitvoering van automatische incasso's kan ook opgedragen indien dat specifiek is toegestaan door de ordonnateur overeenkomstig artikel 86, lid 3.

Artikel 112

Soorten vastleggingen in de begroting

1.  Vastleggingen in de begroting vallen onder een van de volgende categorieën:

a)  individueel: wanneer de ontvanger en het bedrag van de uitgave bepaald zijn;

b)  globaal: wanneer ten minste een van de elementen die nodig zijn voor de identificatie van de individuele vastlegging, niet is bepaald;

c)  voorlopig: voor de uitgaven van dagelijks beheer van het ELGF als bedoeld in artikel 11, lid 2, en de lopende uitgaven van administratieve aard waarvan hetzij het bedrag, hetzij de eindbegunstigden niet definitief zijn bepaald.

Niettegenstaande de eerste alinea, onder c), kunnen lopende uitgaven van administratieve aard van delegaties van de Unie en vertegenwoordigingen van de Unie kunnen ook door voorlopige vastleggingen in de begroting worden gedekt wanneer het bedrag en de eindbegunstigde wel bepaald zijn.

2.  Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan een begrotingsjaar uitstrekt, mogen slechts in jaartranches worden verdeeld wanneer de basishandeling daarin voorziet, of wanneer zij betrekking hebben op administratieve uitgaven.

3.  De globale vastlegging in de begroting wordt verricht op grond van een financieringsbesluit.

Deze globale vastlegging in de begroting geschiedt uiterlijk vóór het besluit inzake de ontvangers en de bedragen en, wanneer de besteding van de betrokken kredieten een werkprogramma vereist, ten vroegste na de goedkeuring van dat programma.

4.  Een globale vastlegging in de begroting wordt uitgevoerd ofwel door het sluiten van een financieringsovereenkomst waarin is bepaald dat later een of verscheidene juridische verbintenissen worden aangegaan, ofwel door het aangaan van een of verscheidene juridische verbintenissen.

De financieringsovereenkomsten op het gebied van rechtstreekse financiële bijstand aan derde landen, met inbegrip van begrotingssteun, die juridische verbintenissen vormen, kunnen aanleiding geven tot betalingen zonder het aangaan van andere juridische verbintenissen.

Lid 3, tweede alinea, is niet van toepassing in het geval waarin de globale vastlegging in de begroting wordt uitgevoerd door de sluiting van een financieringsovereenkomst.

5.  Elke individuele juridische verbintenis die is aangegaan ingevolge een globale vastlegging in de begroting wordt, vóór ondertekening, door de bevoegde ordonnateur in de centrale begrotingsboekhouding ingeschreven ten laste van de globale vastlegging in de begroting.

6.  Voorlopige vastleggingen in de begroting worden uitgevoerd door het aangaan van een of meer juridische verbintenissen die recht geven op latere betalingen. In gevallen die verband houden met de uitgaven voor personeelsbeheer, uitgaven voor leden of voormalige leden van een instelling van de Unie of de uitgaven voor communicatie van de instellingen over evenementen van de Unie of in de in punt 14.5 van bijlage Ibedoelde gevallen, mogen deze vastleggingen rechtstreeks zonder aangaan van eerdere juridische verbintenissen door betalingen worden uitgevoerd.

Artikel 113

Vastleggingen voor ELGF-kredieten

1.  Voor elk begrotingsjaar omvatten de ELGF-kredieten niet-gesplitste kredieten voor uitgaven betreffende maatregelen bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. De uitgaven voor de in artikel 4, lid 2, en artikel 6 van die verordening bedoelde maatregelen, met uitzondering van uit niet-operationele technische bijstand gefinancierde maatregelen en bijdragen aan uitvoerende agentschappen, ▌worden door gesplitste kredieten gedekt.

2.  De besluiten van de Commissie houdende vaststelling van het bedrag van de terugbetaling van ▌door de lidstaten gedane uitgaven in verband met het ELGF vormen globale voorlopige vastleggingen in de begroting, waarbij het totaalbedrag van de ELGF-kredieten in de begroting niet wordt overschreden.

3.  De globale voorlopige vastleggingen in de begroting voor het ELGF uit hoofde van een begrotingsjaar die vóór 1 februari van het volgende begrotingsjaar niet hebben geleid tot een vastlegging in specifieke begrotingsonderdelen, worden uit hoofde van het betrokken begrotingsjaar vrijgemaakt.

4.  De uitgaven die door de in de regelgeving inzake het ELGF bedoelde diensten en organen worden verricht, worden binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de door de lidstaten toegezonden staten per hoofdstuk, artikel en post vastgelegd. Deze ▌vastleggingen mogen na het verstrijken van deze termijn van twee maanden worden verricht wanneer een procedure voor de overschrijving van kredieten met betrekking tot de betrokken begrotingsonderdelen nodig is. Behalve in gevallen waarin de betaling door de lidstaten nog niet is geschied of de subsidiabiliteit onzeker is, worden de betalingen binnen dezelfde termijn van twee maanden geboekt.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde vastleggingen worden in mindering gebracht op de in lid 1 bedoelde globale voorlopige vastlegging in de begroting.

5.   De leden 2 en 3 zijn van toepassing onder voorbehoud van het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen.

Artikel 114

Termijnen voor vastleggingen

1.  Onverminderd het bepaalde in artikel 111, lid 2, en artikel 264, lid 3, worden de juridische verbintenissen betreffende individuele of voorlopige vastleggingen in de begroting uiterlijk tot 31 december van het jaar n aangegaan, n zijnde het jaar waarin de vastlegging in de begroting werd gedaan.

2.  De globale vastleggingen in de begroting hebben betrekking op de totale kosten van de betrokken juridische verbintenissen aangegaan tot 31 december van het jaar n + 1.

Wanneer de globale vastlegging in de begroting leidt tot de toekenning van een prijs als bedoeld in titel IX, wordt de in artikel 207, lid 4, bedoelde juridische verbintenis uiterlijk op 31 december van het jaar n + 3 aangegaan.

Wanneer de globale vastlegging in de begroting op het gebied van extern optreden leidt tot een financieringsovereenkomst met een derde land, worden de financieringsovereenkomsten uiterlijk op 31 december van het jaar n + 1 gesloten ▌. In dat geval dekt de globale vastlegging in de begroting de totale kosten van juridische verbintenissen ter uitvoering van de financieringsovereenkomst aangegaan binnen een periode van drie jaar na de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

In de volgende gevallen dekt de globale vastlegging in de begroting evenwel de totale kosten van juridische verbintenissen aangegaan tot het einde van de periode van uitvoering van de financieringsovereenkomst:

a)  multidonoracties;

b)  blendingverrichtingen;

c)  juridische verbintenissen die betrekking hebben op audit en evaluatie;

d)  de volgende uitzonderlijke omstandigheden:

i)  wijzigingen aan reeds aangegane juridische verbintenissen;

ii)  juridische verbintenissen die moeten worden aangegaan na de vervroegde beëindiging van een bestaande juridische verbintenis;

iii)  wijzigingen in de uitvoerende entiteit.

3.  Lid 2, derde en vierde alinea, is niet van toepassing op de voor meerjarenprogramma's die uit gesplitste vastleggingskredieten worden uitgevoerd:

a)  het instrument voor pretoetredingssteun dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad(42);

b)  het Europees nabuurschapsinstrument dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad(43).

In de in de eerste alinea bedoelde gevallen worden de kredieten automatisch door de Commissie vrijgemaakt overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

4.  Voor individuele en voorlopige vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, behalve wanneer het personeelskosten betreft, geldt een uiterste uitvoeringsdatum overeenkomstig de voorwaarden in de juridische verbintenissen waarop ze betrekking hebben en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer.

5.  De delen van vastleggingen in de begroting die zes maanden na de uiterste uitvoeringsdatum niet door betalingen zijn uitgevoerd, worden ▌vrijgemaakt.

6.  Het bedrag van een vastlegging in de begroting waarvoor binnen twee jaar, te rekenen vanaf het aangaan van de juridische verbintenis, geen enkele betaling in de zin van artikel 115 is verricht, wordt vrijgemaakt tenzij dat bedrag een zaak betreft waarvoor een procedure loopt bij het gerecht of een arbitrage-instantie, indien de juridische verbintenis een financieringsovereenkomst met een derde land is of indien specifieke bepalingen zijn vastgelegd in de sectorspecifieke regelgeving.

Artikel 115

Soorten betalingen

1.  De betalingen worden door de rekenplichtige verricht binnen de grenzen van de beschikbare middelen.

2.  Een betaling wordt slechts uitgevoerd indien is aangetoond dat de actie in overeenstemming is met de overeenkomst of de basishandeling en betrekking heeft op een of meer van de volgende verrichtingen:

a)  betaling van het volledige verschuldigde bedrag;

b)  betaling van het verschuldigde bedrag op een van de volgende wijzen:

i)  voorfinanciering ter verstrekking van kasmiddelen die kunnen worden verdeeld in verschillende stortingen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer; dat voorfinancieringsbedrag wordt uitbetaald op grond van hetzij de overeenkomst of de basishandeling, hetzij op grond van bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden getoetst of aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomst is voldaan;

ii)  een of meer tussentijdse betalingen als tegenprestatie voor de gedeeltelijke uitvoering van de actie of de overeenkomst, die de voorfinanciering geheel of gedeeltelijk kan vereffenen, onverminderd de basishandeling;

iii)  een betaling van het saldo van de verschuldigde bedragen wanneer de actie of de overeenkomst volledig is uitgevoerd;

c)  betaling van een voorziening in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds dat is ingesteld op grond van artikel 212.

De betaling van het saldo vereffent alle voorgaande uitgaven. Er wordt een invorderingsopdracht afgegeven om ongebruikte bedragen terug te vorderen.

3.  In de begrotingsboekhouding wordt een onderscheid gemaakt tussen de in lid 2 genoemde soorten betalingen op het ogenblik waarop iedere betaling wordt verricht.

4.  De in artikel 80 bedoelde boekhoudregels omvatten regels voor de vereffening van voorfinanciering in de boekhouding en voor de erkenning van de subsidiabiliteit van kosten.

5.  De voorfinancieringsbetalingen worden door de bevoegde ordonnateur regelmatig vereffend, overeenkomstig de economische aard van het project en uiterlijk aan het einde van het project. De vereffening gebeurt op basis van informatie over de gemaakte kosten of de bevestiging dat aan de voorwaarden voor betaling is voldaan overeenkomstig artikel 125, als gevalideerd door de ordonnateur overeenkomstig artikel 111, lid 3.

Voor subsidieovereenkomsten, overeenkomsten of bijdrageovereenkomsten boven 5 000 000 EUR ontvangt de ordonnateur aan het einde van elk jaar ten minste de informatie die nodig is voor de berekening van een redelijke raming van deze kosten. Die informatie mag niet worden gebruikt voor de vereffening van de voorfinanciering, maar kan door de ordonnateur en de rekenplichtige worden gebruikt om te voldoen aan artikel 82, lid 2.

Voor de toepassing van de tweede alinea worden de nodige bepalingen opgenomen in de aangegane juridische verbintenissen.

Artikel 116

Betalingstermijnen

1.  Betalingen worden verricht binnen:

a)  90 kalenderdagen voor bijdrageovereenkomsten, overeenkomsten en subsidieovereenkomsten waarvan de geleverde technische prestaties of acties bijzonder moeilijk te evalueren zijn en waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;

b)  60 kalenderdagen voor alle andere bijdrageovereenkomsten, overeenkomsten en subsidieovereenkomsten waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;

c)  30 kalenderdagen voor alle andere bijdrageovereenkomsten, overeenkomsten en subsidieovereenkomsten.

2.  De betalingstermijn omvat de betaalbaarstelling, de betalingsopdracht en de betaling van de uitgaven.

De termijn gaat in op het tijdstip van ontvangst van het betalingsverzoek.

3.  Ontvangen verzoeken om betaling worden door de gemachtigde dienst van de bevoegde ordonnateur zo spoedig mogelijk ingeschreven en worden geacht te zijn ontvangen op de datum van inschrijving.

Onder datum van betaling wordt verstaan de datum waarop de rekening van de instelling van de Unie wordt gedebiteerd.

Verzoeken om betaling bevatten de volgende essentiële elementen:

a)  de identificatie van de crediteur;

b)  het bedrag;

c)  de valuta;

d)  de datum.

Wanneer één of meer van de essentiële elementen ontbreken, wordt het betalingsverzoek afgewezen.

De crediteur wordt zo spoedig mogelijk met opgave van redenen schriftelijk in kennis gesteld van een afwijzing, in elk geval binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om betaling.

4.  De bevoegde ordonnateur kan de betalingstermijn opschorten wanneer:

a)  het bedrag niet verschuldigd is; of

b)  de vereiste bewijsstukken niet zijn overgelegd.

Wanneer de bevoegde ordonnateur kennis neemt van informatie op grond waarvan de subsidiabiliteit van in een betalingsverzoek opgenomen uitgaven kan worden betwijfeld, kan hij de betalingstermijn opschorten, zodat geverifieerd kan worden, onder andere door middel van controles ter plaatse, dat de uitgaven subsidiabel zijn. De resterende betalingstermijn gaat in op de datum waarop de gevraagde inlichtingen of de herziene documenten zijn ontvangen, of waarop de vereiste aanvullende verificaties, waaronder controles ter plaatse, zijn verricht.

De betreffende crediteuren worden schriftelijk in kennis gesteld van de redenen voor een opschorting.

5.  Behalve in het geval van lidstaten, het EIB en het EIF heeft de crediteur bij het verstrijken van de in lid 1 vastgelegde termijnen onder de volgende voorwaarden recht op rente:

a)  als rentevoeten worden de in artikel 99, lid 2, bedoelde percentages gehanteerd;

b)  de rente is verschuldigd over de tijd die is verstreken vanaf de kalenderdag volgende op het verstrijken van de in lid 1 genoemde betalingstermijn tot de dag van betaling.

In het geval dat de overeenkomstig de eerste alinea berekende rente evenwel lager dan of gelijk is aan 200 EUR, wordt deze rente uitsluitend op een binnen twee maanden na de ontvangst van de te late betaling ingediend verzoek aan de crediteur betaald.

6.  Elke instelling van de Unie dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de naleving en de opschorting van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel vastgestelde termijnen. Het verslag van de Commissie wordt gevoegd bij de in artikel 74, lid 9, bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

HOOFDSTUK 8

Intern controleur

Artikel 117

Aanwijzing van een intern controleur

1.  Iedere instelling van de Unie stelt een interneauditfunctie in, die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de ter zake doende internationale normen. De door de betrokken instelling van de Unie aangewezen intern controleur is haar verantwoording schuldig voor de verificatie van de goede werking van de systemen en de procedures voor de uitvoering van de begroting. De intern controleur is noch ordonnateur noch rekenplichtige.

2.  Met het oog op de interne audit van de EDEO worden de hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, onderworpen aan de controlebevoegdheden van de intern controleur van de Commissie voor het aan hen gesubdelegeerde financieel beheer.

De intern controleur van de Commissie treedt voor de uitvoering van de begrotingsafdeling betreffende de EDEO ook op als intern controleur van de EDEO.

3.  Elke instelling van de Unie stelt haar intern controleur aan volgens bepalingen die op haar specifieke karakter en behoeften zijn afgestemd. Elke instelling van de Unie stelt het Europees Parlement en de Raad van de aanstelling van haar intern controleur in kennis.

4.  Elke instelling van de Unie omschrijft aan de hand van haar specifieke karakter en behoeften de taak van haar intern controleur en stelt in detail de doelstellingen en de procedures van de uitoefening van de interne-auditfunctie vast, met inachtneming van de geldende internationale normen op het gebied van interne audit.

5.  Elke instelling van de Unie kan een uit de onderdanen van de lidstaten geselecteerde ambtenaar of ander aan het Statuut onderworpen personeelslid op grond van zijn bijzondere bekwaamheden als intern controleur aanwijzen.

6.  Wanneer verscheidene instellingen van de Unie dezelfde intern controleur aanwijzen, nemen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de intern controleur aansprakelijk gesteld kan worden voor zijn of haar handelen als bepaald in artikel 121.

7.  Wanneer de functie van de intern controleur wordt beëindigd, stelt elke instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis.

Artikel 118

Bevoegdheden en taken van de intern controleur

1.  De intern controleur adviseert zijn instelling van de Unie bij het beheersen van de risico's door onafhankelijke adviezen uit te brengen over de kwaliteit van de beheer- en controlesystemen en aanbevelingen te formuleren ter verbetering van de uitvoeringsvoorwaarden van de verrichtingen en ter bevordering van een goed financieel beheer.

De intern controleur is met name belast met:

a)  het beoordelen van de toereikendheid en doeltreffendheid van de internebeheersystemen, alsmede de prestaties van de diensten bij de uitvoering van de beleidsmaatregelen, programma's en acties in relatie met de ermee verbonden risico's;

b)  het beoordelen van de efficiëntie en de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en audit die worden toegepast op elke verrichting tot uitvoering van de begroting.

2.  De werkzaamheden van de intern controleur strekken zich uit tot alle activiteiten en diensten van de betrokken instelling van de Unie. Hij heeft volledige en onbeperkte toegang tot alle informatie die hij voor de uitvoering van zijn taken nodig heeft, zo nodig ook toegang ter plaatse, ook in de lidstaten en in derde landen.

De intern controleur neemt kennis van het jaarlijks activiteitenverslag van de ordonnateurs en van de andere geïdentificeerde informatie.

3.  De intern controleur brengt aan de betrokken instelling van de Unie verslag uit over zijn bevindingen en aanbevelingen. De betrokken instelling van de Unie zorgt ervoor dat de uit de audits voortvloeiende aanbevelingen worden opgevolgd. ▌

Elke instelling van de Unie gaat na of de in de verslagen van haar intern controleur gedane aanbevelingen in aanmerking komen voor een uitwisseling van goede werkwijzen met de andere instellingen van de Unie.

4.  De intern controleur dient jaarlijks een interne-auditverslag in bij de betrokken instelling van de Unie waarin het aantal en de soorten uitgevoerde interne audits, de belangrijkste gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven, worden vermeld.

In dit jaarlijkse interneauditverslag wordt melding gemaakt van de systeemproblemen waarop de overeenkomstig artikel 143 opgerichte instantie heeft gewezen, wanneer deze het in artikel 93 bedoelde advies verstrekt.

5.  De intern controleur besteedt bij het opstellen van het verslag bijzondere aandacht aan de algemene naleving van de beginselen goed financieel beheer en prestaties, en zorgt ervoor dat passende maatregelen voorhanden zijn met het oog op een gestage verbetering en versterking van de toepassing van deze beginselen.

6.  Elk jaar legt de Commissie in het kader van de kwijtingsprocedure en overeenkomstig artikel 319 VWEU desgevraagd haar jaarlijks interne-auditverslag voor met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten.

7.  Elke instelling van de Unie stelt de contactgegevens van haar intern controleur beschikbaar aan elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij uitgavenverrichtingen, zodat er vertrouwelijk contact kan worden opgenomen met de intern controleur.

8.  Elke instelling van de Unie stelt ieder jaar een verslag op met een samenvatting van het aantal en de soorten uitgevoerde interne audits, een synthese van de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven, en zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement en de Raad als bepaald in artikel 247.

9.  De verslagen en de bevindingen van de intern controleur evenals het verslag van de betrokken instelling van de Unie zijn slechts voor het publiek toegankelijk nadat de intern controleur de maatregelen voor uitvoering ervan heeft gevalideerd.

10.  Elke instelling van de Unie stelt haar intern controleur de middelen ter beschikking die ter vervulling van de interneauditfunctie nodig zijn, en geeft hem een dienstorder met een nauwkeurige omschrijving van de taken, rechten en verplichtingen van haar intern controleur.

Artikel 119

Werkprogramma van de intern controleur

1.  De intern controleur stelt het werkprogramma op en legt dit aan de betrokken instelling van de Unie voor.

2.  Elke instelling van de Unie kan haar intern controleur verzoeken audits uit te voeren die niet in het in lid 1 bedoelde werkprogramma zijn opgenomen.

Artikel 120

Onafhankelijkheid van de intern controleur

1.  De intern controleur is bij het uitvoeren van de audits geheel onafhankelijk. Voor de intern controleur wordt door de betrokken instelling van de Unie een bijzondere regeling bepaald om de volledige onafhankelijkheid in de uitvoering van zijn taken te garanderen en zijn verantwoordelijkheid vast te stellen.

2.  De intern controleur ontvangt met betrekking tot de uitoefening van de hem of haar wegens zijn aanstelling op grond van deze verordening opgedragen taken geen enkele instructie, noch worden hem of haar in dat verband beperkingen opgelegd.

3.  Wanneer de intern controleur een personeelslid is, oefent hij zijn exclusieve auditfuncties in volledige onafhankelijkheid uit en is hij verantwoordelijk onder de in het Statuut vastgestelde voorwaarden.

Artikel 121

Aansprakelijkheid van de intern controleur

De aansprakelijkheid van haar intern controleur als personeelslid kan slechts door elke instelling van de Unie zelf in het geding worden gebracht, onder de in dit artikel genoemde voorwaarden.

Elke instelling van de Unie neemt een met redenen omkleed besluit tot instelling van een onderzoek. Dit besluit wordt aan de betrokkene betekend. De betrokken instelling van de Unie kan één of meer ambtenaren van dezelfde rang als of van een hogere rang dan de betrokkene onder haar rechtstreekse verantwoordelijkheid met het onderzoek belasten. Tijdens dit onderzoek wordt de betrokkene gehoord.

Het onderzoeksverslag wordt meegedeeld aan de betrokkene, die vervolgens door de betrokken instelling van de Unie over dit verslag wordt gehoord.

Op de grondslag van het verslag en het horen van de betrokkene neemt de betrokken instelling van de Unie hetzij een met redenen omkleed besluit tot beëindiging van de procedure, hetzij een met redenen omkleed besluit overeenkomstig de artikelen 22 en 86 van en bijlage IX bij het Statuut. De besluiten waarbij tuchtrechtelijke of geldelijke sancties worden opgelegd, worden de betrokkene ter kennis gebracht en de andere instellingen van de Unie en de Rekenkamer ter kennisneming meegedeeld.

De betrokkene kan volgens de bepalingen van het Statuut bij het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen deze besluiten beroep instellen.

Artikel 122

Beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie

Onverminderd de beroepsmogelijkheden waarin het Statuut voorziet, kan de intern controleur rechtstreeks bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep instellen tegen elke handeling die de uitoefening van zijn of haar controlefunctie betreft. Hij of zij stelt zulk beroep in binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop hij of zij van de betrokken handeling kennis kreeg.

Het beroep wordt overeenkomstig artikel 91, lid 5, van het Statuut behandeld.

Artikel 123

Comités follow-up interne audit

1.  Elke instelling van de Unie stelt een comité follow-up interne audit in dat tot taak heeft de onafhankelijkheid van de intern controleur te waarborgen, de kwaliteit van de interne-auditwerkzaamheden te bewaken en ervoor te zorgen dat interne en externe auditaanbevelingen naar behoren in aanmerking worden genomen en dat haar diensten er gevolg aan geven.

2.  Elke instelling van de Unie neemt een besluit over de samenstelling van het comité follow-up interne audit, rekening houdend met haar organisatorische autonomie en het belang van advies van onafhankelijke deskundigen.

TITEL V

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

HOOFDSTUK 1

Regels betreffende direct, indirect en gedeeld beheer

Artikel 124

Toepassingsgebied

Met uitzondering van artikel 138 gelden verwijzingen in deze titel naar juridische verbintenissen als verwijzingen naar juridische verbintenissen, raamovereenkomsten en overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap.

Artikel 125

Vormen van bijdragen van de Unie

1.  De bijdragen van de Unie in direct, gedeeld en indirect beheer helpen een beleidsdoelstelling van de Unie en gespecificeerde resultaten te verwezenlijken en kunnen elk van de volgende vormen aannemen:

a)  financiering die niet gekoppeld is aan de kosten van de desbetreffende verrichtingen op basis van:

i)  de vervulling van voorwaarden in sectorspecifieke regelgeving of besluiten van de Commissie, hetzij

ii)  het bereiken van resultaten gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde mijlpalen of door middel van prestatie-indicatoren;

b)  vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt;

c)  eenheidskosten die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken op basis van een vast bedrag per eenheid;

d)  vaste bedragen die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken;

e)  financiering volgens een vast percentage die, door toepassing van een percentage, van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekt;

f)  een combinatie van de onder a) tot en met e) genoemde vormen.

De in de eerste alinea van dit lid, onder a) bedoelde bijdragen van de Unie worden, in geval van direct en indirect beheer, vastgesteld overeenkomstig artikel 181, sectorspecifieke regelgeving of een besluit van de Commissie, en, in geval van gedeeld beheer, overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. De in de eerste alinea van dit lid, onder c), d) en e), bedoelde bijdragen van de Unie worden, in geval van direct en indirect beheer, vastgesteld overeenkomstig artikel 181 of sectorspecifieke regelgeving en, in geval van gedeeld beheer, overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

2.  Bij de vaststelling van de passende vorm van een bijdrage wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen en boekhoudmethoden van de potentiële ontvangers.

3.  De bevoegde ordonnateur brengt in het jaarlijks activiteitenverslag als bedoeld in artikel 74, lid 9, verslag uit over financiering die niet gekoppeld is aan kosten als vermeld in lid 1, eerste alinea, onder a) en f), van dit artikel.

Artikel 126

Wederzijds vertrouwen in beoordelingen

De Commissie mag volledig of gedeeltelijk vertrouwen op eigen beoordelingen of op beoordelingen van andere entiteiten, met inbegrip van donoren, voor zover dergelijke beoordelingen zijn verricht over de naleving van voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden in deze verordening voor de specifieke wijze van uitvoering. Daartoe bevordert de Commissie de erkenning van internationaal aanvaarde normen of internationale beste praktijken.

Artikel 127

Wederzijds vertrouwen in audits

Indien de financiële staten en verslagen over het gebruik van een bijdrage van de Unie ter verkrijging van redelijke zekerheid op basis van internationaal aanvaarde auditnormen door een onafhankelijk controleur aan een audit zijn onderworpen, vormt deze audit, onverminderd bestaande mogelijkheden voor het verrichten van verdere audits, de basis van de algemene zekerheid, zoals, in voorkomend geval, nader bepaald in sectorspecifieke voorschriften, op voorwaarde dat de onafhankelijkheid en de bekwaamheid van de controleur voldoende zijn aangetoond. Daartoe worden het verslag van de onafhankelijk controleur en de daarmee verband houdende auditdocumentatie op verzoek ter beschikking gesteld van het Europees Parlement, de Commissie, de Rekenkamer en de auditautoriteiten van de lidstaten.

Artikel 128

Gebruik van reeds beschikbare informatie

Om te voorkomen dat personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, meer dan eens om dezelfde informatie wordt gevraagd, gebruiken de instellingen van de Unie, de beheerautoriteiten of andere organen en entiteiten die middelen uitvoeren, voor zover mogelijk de informatie waarover zij reeds beschikken.

Artikel 129

Samenwerking ter bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.  Een persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, werkt ten volle mee aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie en verleent, als voorwaarde voor het ontvangen van deze middelen, de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, aan EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, aan OLAF, ▌ aan de Rekenkamer ▌ en, in voorkomend geval, aan de bevoegde nationale autoriteiten, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(44).

2.  Een persoon of entiteit die middelen van de Unie in direct en indirect beheer ontvangt, verbindt zich er schriftelijk toe de nodige in lid 1 bedoelde rechten te verlenen en zorgt ervoor dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

HOOFDSTUK 2

Regels betreffende direct en indirect beheer

AFDELING 1

REGELS BETREFFENDE PROCEDURES EN BEHEER

Artikel 130

Financiële kaderpartnerschappen

1.  De Commissie kan overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap sluiten voor een langdurige samenwerking met personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of met begunstigden. Onverminderd lid 4, onder c), van dit artikel worden overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap in de loop van elk meerjarig financieel kader ten minste één keer geëvalueerd. In het kader van dergelijke overeenkomsten kunnen bijdrage- of subsidieovereenkomsten worden ondertekend.

2.  Het doel van een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap is om bij te dragen tot het behalen van beleidsdoelstellingen van de Unie door de contractuele voorwaarden van de samenwerking vast te leggen. De overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap vermeldt de vormen van financiële samenwerking en bevat een verplichting om in de specifieke overeenkomsten die onder de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap worden gesloten, monitoringregelingen op te nemen met betrekking tot het behalen van specifieke doelstellingen. In die overeenkomsten wordt, op basis van de uitkomsten van een beoordeling vooraf, ook vermeld of de Commissie mag vertrouwen op de systemen en procedures van de personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of van begunstigden, met inbegrip van auditprocedures.

3.  Met het oog op het optimaliseren van de kosten en baten van audits en het faciliteren van de coördinatie kunnen audit- of verificatie-overeenkomsten worden gesloten met personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of met begunstigden. Dergelijke overeenkomsten laten het bepaalde in de artikelen 127 en 129 onverlet.

4.  In het geval van financiële kaderpartnerschappen die worden uitgevoerd door middel van specifieke subsidies, geldt het volgende:

a)  de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap specificeert, naast de in lid 2 genoemde informatie, de volgende elementen:

i)  de aard van de geplande acties of werkprogramma’s;

ii)  de procedure voor toekenning van specifieke subsidies, met inachtneming van de procedurele beginselen en voorschriften van titel VIII;

b)  de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap en de specifieke subsidieovereenkomst als geheel genomen voldoen ▌ aan de vereisten van artikel 201;

c)  de duur van het financieel kaderpartnerschap mag niet langer zijn dan vier jaar, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, die duidelijk vermeld worden in het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag;

d)  het financieel kaderpartnerschap wordt uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling van de aanvragers;

e)  het financieel kaderpartnerschap wordt gelijkgesteld met een subsidie wat betreft programmering, bekendmaking vooraf en toekenning;

f)  specifieke subsidies op basis van het financieel kaderpartnerschap zijn onderworpen aan de procedures inzake de bekendmaking achteraf als bepaald in ▌artikel 38.

5.  Een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die door middel van specifieke subsidies wordt uitgevoerd, kan erin voorzien dat mag worden vertrouwd op de systemen en procedures van de begunstigde overeenkomstig lid 2 van dit artikel, wanneer die systemen en procedures zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 154, leden 2, 3 en 4. In dat geval is artikel 196, lid 1, onder d), niet van toepassing. Wanneer de procedures van de begunstigde voor het verstrekken van financiering aan derden als bedoeld in artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder d), door de Commissie positief zijn beoordeeld, zijn de artikelen 204 en 205 niet van toepassing.

6.  In het geval van een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die door middel van specifieke subsidies wordt uitgevoerd, geschiedt de in artikel 198 bedoelde verificatie van de financiële en operationele capaciteiten vóór de ondertekening van de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap. De Commissie mag vertrouwen op een gelijkwaardige verificatie van de financiële en operationele capaciteiten door andere donoren.

7.  In het geval van financiële kaderpartnerschappen die worden uitgevoerd door middel van bijdrageovereenkomsten voldoen de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap en de bijdrageovereenkomst als geheel genomen ▌aan artikel 129 en artikel 155, lid 6.

Artikel 131

Schorsing, beëindiging en verlaging

1.  Wanneer een toekenningsprocedure met onregelmatigheden of fraude gepaard is gegaan, schorst de bevoegde ordonnateur de procedure en kan hij alle nodige maatregelen nemen, waaronder annulering van de procedure. De bevoegde ordonnateur stelt OLAF onmiddellijk in kennis van vermoedelijke fraudegevallen.

2.  Indien na de toekenning blijkt dat de toekenningsprocedure gepaard is gegaan met onregelmatigheden of fraude, kan de bevoegde ordonnateur:

a)  weigeren de juridische verbintenis aan te gaan of de toekenning van een prijs annuleren;

b)  betalingen schorsen;

c)  de uitvoering van de juridische verbintenis schorsen;

d)  in voorkomend geval, de juridische verbintenis geheel of ten aanzien van één of meer ontvangers beëindigen.

3.  De bevoegde ordonnateur kan betalingen of de uitvoering van de juridische verbintenis schorsen indien:

a)  de uitvoering van de juridische verbintenis gepaard is gegaan met onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen;

b)  het noodzakelijk is te verifiëren of vermeende onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden;

c)  onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen vragen doen rijzen over de betrouwbaarheid of doeltreffendheid van de internecontrolesystemen van een persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste lid, onder c), of over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Wanneer de vermeende onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen als bedoeld in de eerste alinea, onder b), niet worden bevestigd, worden de uitvoering of de betalingen zo snel mogelijk hervat.

In de in de eerste alinea, onder a) en c), bedoelde gevallen kan de bevoegde ordonnateur de juridische verbintenis geheel of ten aanzien van één of meerdere ontvangers beëindigen.

4.  Naast de in de leden 2 of 3 bedoelde maatregelen kan de bevoegde ordonnateur de subsidie, de prijs, de bijdrage in het kader van de bijdrageovereenkomst of de te betalen prijs in een overeenkomst verlagen in verhouding tot de ernst van de onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen, onder meer wanneer de betrokken activiteiten niet of slecht, gedeeltelijk of te laat zijn uitgevoerd.

In het geval van financiering als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste lid, eerste alinea, onder a), kan de bevoegde ordonnateur de bijdrage evenredig verlagen indien de resultaten slecht, gedeeltelijk of te laat zijn verwezenlijkt of indien niet aan de voorwaarden is voldaan.

5.  Lid 2, onder b), c) en d), en lid 3 zijn niet van toepassing op aanvragers in een wedstrijd voor prijzen.

Artikel 132

Bijhouden van gegevens

1.  Ontvangers houden gegevens en bewijsstukken, waaronder statistische gegevens en andere informatie bij met betrekking tot de financiering, alsmede gegevens en documenten in elektronische vorm, gedurende vijf jaar na de betaling van het saldo of, bij ontstentenis van een dergelijke betaling, verrichting. Deze termijn bedraagt drie jaar bij de financiering van een bedrag van ten hoogste ▌60 000 EUR.

2.  Gegevens en documenten met betrekking tot audits, beroepsprocedures, geschillen, claims met betrekking tot juridische verbintenissen of met betrekking tot onderzoeken van OLAF ▌ worden bijgehouden totdat deze audits, beroepsprocedures, geschillen, claims of onderzoeken zijn afgerond. Voor gegevens en documenten met betrekking tot onderzoeken door OLAF is de verplichting tot het bijhouden van toepassing zodra de ontvanger van die onderzoeken in kennis is gesteld.

3.  Gegevens en documenten worden bewaard in de vorm van originelen of gewaarmerkte kopieën van de originelen, dan wel op algemeen aanvaarde gegevensdragers, met inbegrip van elektronische versies van originele documenten of documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat. Wanneer elektronische versies voorhanden zijn, zijn er geen originelen vereist wanneer dergelijke documenten voldoen aan de toepasselijke wettelijke vereisten om als gelijkwaardig aan de originelen en als geschikt voor auditdoeleinden te kunnen worden beschouwd.

Artikel 133

Procedure op tegenspraak en beroepsmogelijkheden

1.  Vóór het vaststellen van een maatregel met negatieve gevolgen voor de rechten van een deelnemer of een ontvanger zorgt de bevoegde ordonnateur ervoor dat de deelnemer of de ontvanger in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen kenbaar te maken.

2.  Wanneer een maatregel van een ordonnateur negatieve gevolgen heeft voor de rechten van een deelnemer of een ontvanger, vermeldt de handeling waarbij deze maatregel wordt ingesteld, de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke beroepsmogelijkheden om deze maatregel aan te vechten.

Artikel 134

Rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen

1.  Rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen die in één maatregel worden gecombineerd met financieringsinstrumenten, worden verstrekt overeenkomstig titel X.

2.  Rentesubsidies of subsidies voor garantievergoedingen die niet in één maatregel worden gecombineerd met financieringsinstrumenten, kunnen worden verstrekt overeenkomstig titel VI of VIII.

AFDELING 2

SYSTEEM VOOR VROEGTIJDIGE OPSPORING EN UITSLUITING

Artikel 135

Bescherming van de financiële belangen van de Unie door opsporing van risico's, uitsluiting en oplegging van financiële sancties

1.  Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie zet de Commissie een systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting op, dat zij beheert ▌.

Dit systeem heeft ten doel het volgende te vergemakkelijken:

a)  de vroegtijdige opsporing van in lid 2 bedoelde personen of entiteiten die een risico vormen voor de financiële belangen van de Unie;

b)  de uitsluiting van in lid 2 bedoelde personen of entiteiten die in een van de in artikel 136, lid 1, genoemde uitsluitingssituaties verkeren;

c)  het opleggen van een financiële sanctie aan een ontvanger overeenkomstig artikel 138.

2.  Het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting is ▌ van toepassing op:

a)  deelnemers en ontvangers;

b)  entiteiten waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen, of subcontractanten van een contractant;

c)  elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt bij de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), en artikel 154, lid 4, aan de hand van informatie die is meegedeeld overeenkomstig artikel 155, lid 6▌;

d)  elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt uit hoofde van financieringsinstrumenten die bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a)▌;

e)  deelnemers of ontvangers over wie entiteiten die de begroting overeenkomstig artikel 63 uitvoeren, informatie hebben verstrekt, zoals die conform sectorspecifieke regelgeving door de lidstaten is doorgegeven, overeenkomstig artikel 142, lid 2, onder d);

f)  sponsors als bedoeld in artikel 26.

3.  Het besluit tot registratie van informatie over vroegtijdige opsporing met betrekking tot de in lid 1, tweede lid, onder a), van dit artikel bedoelde risico's, tot uitsluiting van in lid 2 bedoelde personen of entiteiten en/of tot oplegging van een financiële sanctie aan een ontvanger, wordt genomen door de bevoegde ordonnateur. Informatie met betrekking tot dergelijke besluiten wordt opgenomen in de in artikel 142, lid 1, bedoelde databank. Indien dergelijke besluiten op basis van artikel 136, lid 4, worden genomen, omvat de informatie in de databank ook de gegevens betreffende dat lid bedoelde personen.

4.  Het besluit tot uitsluiting van in lid 2 van dit artikel bedoelde personen of entiteiten of tot oplegging van financiële sancties aan een ontvanger wordt gebaseerd op een definitieve rechterlijke beslissing of ▌, in de in artikel 136, lid 1, bedoelde uitsluitingssituaties, op een definitief administratief besluit, of op een voorlopige juridische kwalificatie door de in artikel 143 bedoelde instantie in de in artikel 136, lid 2, bedoelde situaties met het oog op een gecentraliseerde beoordeling van die situaties. In de in artikel 141, lid 1, bedoelde gevallen wijst de bevoegde ordonnateur een deelnemer in een bepaalde toekenningsprocedure af.

Onverminderd artikel 136, lid 5, mag de bevoegde ordonnateur een besluit tot uitsluiting van een deelnemer of ontvanger en/of tot oplegging van een financiële sanctie aan een ontvanger, alsmede een besluit tot bekendmaking van de desbetreffende informatie, op basis van een in artikel 136, lid 2, bedoelde voorlopige kwalificatie alleen nemen nadat hij een aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie heeft ontvangen.

Artikel 136

Uitsluitingscriteria en besluiten inzake uitsluiting

1.  De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit van deelname aan onder deze verordening vallende toekenningsprocedures of van selectie voor de uitvoering van middelen van de Unie wanneer die persoon of entiteit zich in één of meer van de volgende uitsluitingssituaties bevindt:

a)  de persoon of entiteit is failliet, onderworpen aan insolventie- of liquidatie­procedures, zijn activa worden beheerd door een curator of een gerecht, hij een regeling met schuldeisers heeft getroffen, zijn bedrijfsactiviteiten zijn geschorst of hij in een andere vergelijkbare toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van Unierecht of nationaal recht;

b)  in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit zijn verplichtingen, overeenkomstig het toepasselijke recht, tot betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen niet nakomt;

c)  in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij/zij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij/zij behoort, heeft overtreden of doordat hij/zij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat zijn professionele geloofwaardigheid aantast wanneer dit gedrag blijk geeft van kwaad opzet of grove nalatigheid, waaronder met name:

i)  het op frauduleuze of nalatige wijze afleggen van valse verklaringen met betrekking tot de informatie die wordt verlangd voor de verificatie van de afwezigheid van gronden voor uitsluiting of de vervulling van subsidiabiliteits- of selectiecriteria of bij de uitvoering van de juridische verbintenis;

ii)  het sluiten van een overeenkomst met andere personen of entiteiten met als doel de mededinging te vervalsen;

iii)  het schenden van intellectuele-eigendomsrechten;

iv)  het pogen de besluitvorming van de bevoegde ordonnateur tijdens de toekenningsprocedure te beïnvloeden;

v)  het pogen vertrouwelijke informatie te verkrijgen die de persoon of entiteit onrechtmatige voordelen kan opleveren in de toekenningsprocedure;

d)  in een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de persoon of entiteit zich schuldig heeft gemaakt aan een van de volgende feiten:

i)  fraude in de zin van artikel 3 van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(45) en artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 juli 1995(46);

ii)  corruptie, als omschreven in artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371 of actieve corruptie in de zin van artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 mei 1997(47), of gedragingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad(48), of corruptie als omschreven in andere toepasselijke regelgeving;

iii)  gedragingen die verband houden met een criminele organisatie als bedoeld in artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad(49);

iv)  witwassen van geld of terrorismefinanciering in de zin van artikel 1, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad(50);

v)  terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten in de zin van respectievelijk de artikelen 1 en 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad(51), dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van zodanig misdrijf of strafbaar feit, als bedoeld in artikel 4 van genoemd besluit;

vi)  kinderarbeid of andere strafbare feiten op het gebied van mensenhandel als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(52);

e)  de persoon of entiteit aanzienlijk is tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een uit de begroting gefinancierde juridische verbintenis, hetgeen tot

i)  de vroegtijdige beëindiging van een juridische verbintenis heeft geleid;

ii)  oplegging van een schadevergoeding of andere contractuele sancties heeft geleid; of

iii)  na toetsen en audits of onderzoeken door een ordonnateur, OLAF of de Rekenkamer aan het licht is gekomen;

f)  in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(53) heeft begaan;

g)  in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit in een andere jurisdictie een entiteit heeft opgericht met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen te omzeilen die in de jurisdictie waar de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging is gevestigd.

h)  in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat er een entiteit is opgericht met de bedoeling als vermeld onder g).

2.  Indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of, indien van toepassing, geen definitief administratief besluit voorhanden is in de in lid 1, onder c), d), f), g) en h) van dit artikel bedoelde gevallen of in het in lid 1, onder e), van dit artikel bedoelde geval, sluit de bevoegde ordonnateur een in artikel 135, lid 2, genoemde persoon of entiteit uit op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een in die punten bedoeld gedrag, rekening houdend met vastgestelde feiten of andere bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde voorlopige kwalificatie laat de beoordeling van het gedrag van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht onverlet. De bevoegde ordonnateur herziet onmiddellijk na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit zijn of haar besluit om de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit te sluiten en/of de ontvanger een financiële sanctie op te leggen. Indien de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit, stelt de bevoegde ordonnateur die duur vast op basis van vastgestelde feiten en bevindingen, met inachtneming van de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie.

Indien in die definitieve rechterlijke beslissing of dat definitief administratief besluit wordt geoordeeld dat de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit zich niet schuldig heeft gemaakt aan het voorlopig juridisch gekwalificeerde gedrag op basis waarvan die persoon of entiteit is uitgesloten, maakt de bevoegde ordonnateur onverwijld een einde aan die uitsluiting en/of betaalt hij, in voorkomend geval, alle opgelegde financiële sancties terug.

Tot de in de eerste alinea bedoelde feiten en bevindingen behoren met name:

a)  feiten die zijn vastgesteld in het kader van audits of onderzoeken door het EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, de Rekenkamer, OLAF of de intern controleur, of enige andere toets, audit of controle uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de bevoegde ordonnateur;

b)  niet-definitieve administratieve besluiten die tuchtmaatregelen kunnen omvatten welke zijn genomen door het bevoegde toezichthoudende orgaan dat verantwoordelijk is voor de verificatie van de toepassing van normen inzake beroepsethiek;

c)  feiten die worden vermeld in besluiten van personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c) ▌;

d)  informatie die overeenkomstig artikel 142, lid 2, onder d), wordt doorgegeven door entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder b),;

e)  besluiten van de Commissie betreffende schending van het mededingingsrecht van de ▌Unie of van een nationale bevoegde instantie betreffende de schending van het mededingingsrecht van de Unie of van het nationale mededingingsrecht.

3.  Elk op grond van de artikelen 135 tot en met 142 genomen besluit van de bevoegde ordonnateur of, in voorkomend geval, elke aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie wordt genomen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, waarbij met name rekening wordt gehouden met:

a)  de ernst van de situatie, met inbegrip van de gevolgen voor de financiële belangen en het imago van de Unie;

b)  de tijd die is verstreken sinds het betrokken gedrag;

c)  de duur van het gedrag en de herhaling ervan;

d)  de vraag of het gedrag opzettelijk was of de mate van aangetoonde nalatigheid;

e)  in de gevallen bedoeld in lid 1, onder b), de vraag of het gaat om een beperkt bedrag;

f)  andere verzachtende omstandigheden zoals:

i)  de mate waarin de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit met de bevoegde instantie meewerkt en de bijdrage van die persoon of entiteit aan het onderzoek, zoals erkend door de bevoegde ordonnateur, of

ii)  de openbaarmaking van de uitsluitingssituatie door middel van een in artikel 137, lid 1, bedoelde verklaring.

4.  De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit indien:

a)  een nаtuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de in artikel 135, lid 2, bedoelde ▌persoon of entiteit of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft ten aanzien van die persoon of entiteit, zich in een of meer van de situaties bevindt als bedoeld in lid 1, onder c) tot en met h), van dit artikel;

b)  een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit, zich in een of meer van de situaties bevindt als bedoeld in lid 1, onder a) of b), van dit artikel;

c)  een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of voor de uitvoering van de juridische verbintenis zich in een of meer van de situaties bevindt als bedoeld in lid 1, onder c) tot en met h).

5.  In de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen kan de bevoegde ordonnateur een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit voorlopig uitsluiten zonder voorafgaande aanbeveling van de instantie als bedoeld in artikel 143, indien hun deelname aan een toekenningsprocedure of hun selectie voor het uitvoeren van middelen van de Unie een ernstige en imminente dreiging voor de financiële belangen van de Unie zou vormen. De bevoegde ordonnateur verwijst de zaak in dergelijke gevallen onmiddellijk naar de in artikel 143 bedoelde instantie en neemt uiterlijk 14 dagen na ontvangst van de aanbeveling van de instantie een definitief besluit.

6.  Rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, sluit de bevoegde ordonnateur een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit niet uit van deelname aan een toekenningsprocedure of van selectie voor uitvoering van middelen van de Unie, indien:

a)  de persoon of entiteit corrigerende maatregelen heeft genomen als vermeld in lid 7, van dit artikel en wel in voldoende mate om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Dit punt geldt niet in het in lid 1, onder d), van dit artikel bedoelde geval;

b)  het onontbeerlijk is om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen, voor een beperkte periode en in afwachting van de vaststelling van corrigerende maatregelen als vermeld in lid 7 van dit artikel;

c)  die uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de in lid 3 van dit artikel bedoelde criteria.

Bovendien is lid 1, onder a), van dit artikel niet van toepassing op de aankoop van leveringen tegen bijzonder gunstige voorwaarden, hetzij bij een leverancier die zijn handelsactiviteit definitief stopzet, hetzij bij vereffenaars in een insolventieprocedure, een regeling met schuldeisers, of een soortgelijke procedure volgens Unierecht- of nationaal recht.

In de gevallen van niet-uitsluiting als bedoeld in de eerste en tweede alinea van dit lid specificeert de bevoegde ordonnateur de redenen waarom de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit niet wordt uitgesloten en stelt hij de in artikel 143 bedoelde instantie in kennis van die redenen.

7.  Tot de in lid 6, eerste alinea, onder a), bedoelde corrigerende maatregelen behoren met name:

a)  maatregelen om de oorsprong van de situaties die aanleiding geven tot uitsluiting, in kaart te brengen en concrete technische, organisatorische en personeelsgebonden maatregelen binnen het betrokken werkterrein of de activiteit van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit waarmee het gedrag kan worden gecorrigeerd en herhaling daarvan kan worden voorkomen;

b)  het bewijs dat de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit corrigerende maatregelen heeft genomen om de schade te vergoeden of te herstellen die aan de financiële belangen van de Unie is toegebracht door de onderliggende feiten die aanleiding geven tot de uitsluitingssituatie;

c)  het bewijs dat de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit de door de bevoegde instantie opgelegde boete of de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde belastingen of socialezekerheidsbijdragen heeft betaald of de betaling daarvan heeft gewaarborgd.

8.  Rekening houdend, in voorkomend geval, met de herziene aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, herziet de bevoegde ordonnateur ambtshalve of op verzoek van de uitgesloten in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit onverwijld zijn besluit tot uitsluiting van die persoon of entiteit, indien deze corrigerende maatregelen heeft genomen die volstaan om zijn/haar betrouwbaarheid aan te tonen of nieuwe elementen heeft verstrekt waaruit blijkt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie niet langer bestaat.

9.  In de in artikel 135, lid 2, onder b), bedoelde gevallen verlangt de bevoegde ordonnateur dat de gegadigde of inschrijver een entiteit of subcontractant waarop hij voornemens is een beroep te doen en die zich in een in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie bevindt, vervangt.

Artikel 137

Verklaring en bewijs dat er geen sprake is van een uitsluitingssituatie

1.  Een deelnemer verklaart of hij al dan niet in een van de in artikel 136, lid 1, en in artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeert en, in voorkomend geval, of hij al dan niet de in artikel 136, lid 6, eerste alinea, onder a), bedoelde corrigerende maatregelen heeft getroffen.

Een deelnemer verklaart tevens of de volgende personen of entiteiten zich al dan niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met h) bedoelde uitsluitingssituaties bevinden:

a)  natuurlijke personen of rechtspersonen die lid zijn van het bestuurs-, leiding­gevend of toezichthoudend orgaan van de deelnemer of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid hebben ten aanzien van die deelnemer;

b)  uiteindelijk begunstigden van de deelnemer in de zin van artikel 3, punt 6, van Richtlijn (EU) 2015/849.

De deelnemer of ontvanger stelt de bevoegde ordonnateur onverwijld in kennis van veranderingen in de gemelde situaties.

In voorkomend geval verstrekt de gegadigde of inschrijver dezelfde verklaringen welke bedoeld zijn in de eerste en tweede alinea, ondertekend door een subcontractant of door enige andere entiteit waarop hij voornemens is een beroep te doen, naargelang het geval. ▌

De bevoegde ordonnateur verlangt de in de eerste en de tweede alinea bedoelde verklaringen niet wanneer dergelijke verklaringen reeds in het kader van een andere toekenningsprocedure zijn ingediend, op voorwaarde dat de situatie niet is veranderd en dat sinds de datum van afgifte van de verklaringen niet meer dan een jaar is verstreken.

De bevoegde ordonnateur mag voor overeenkomsten van zeer geringe waarde die het in punt 14.4 van bijlage I bedoelde bedragniet overschrijden, vrijstelling toekennen van de bepalingen van de eerste en tweede alinea.

2.  Wanneer de bevoegde ordonnateur erom verzoekt en dit noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure verstrekken de deelnemer, de subcontractant of de entiteit waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen:

a)  afdoend bewijs dat hij/zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, vermelde uitsluitingssituaties verkeert;

b)  informatie over natuurlijke personen of rechtspersonen die lid zijn van het bestuurs‑, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de deelnemer of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van die deelnemer hebben, met inbegrip van personen en entiteiten binnen de eigendoms- en controlestructuur en uiteindelijk begunstigden, en afdoend bewijs dat geen van deze personen in een van de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met f), vermelde uitsluitingssituaties verkeren;

c)  afdoend bewijs dat natuurlijke personen of rechtspersonen die onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van die deelnemer, niet in een in artikel 136, lid 1, onder a) of b), vermelde uitsluitingssituatie verkeren.

3.  In voorkomend geval en overeenkomstig het nationale recht mag de bevoegde ordonnateur als afdoende bewijs dat een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a), c), d), f) g) en h), bedoelde uitsluitingssituaties verkeert, een recent uittreksel uit het strafregister aanvaarden of, bij gebreke daarvan, een recent gelijkwaardig document van een gerechtelijke of administratieve autoriteit van het land van vestiging waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

De bevoegde ordonnateur mag als afdoende bewijs dat een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit niet in één van de in artikel 136, lid 1, onder a) en b), bedoelde uitsluitingssituatie verkeert, een recent door de bevoegde autoriteit van het land van vestiging afgegeven getuigschrift aanvaarden. Wanneer dergelijke getuigschriften niet in het land van vestiging worden afgegeven, mag de deelnemer een ten overstaan van een notaris of een gerechtelijke autoriteit onder ede afgelegde verklaring verstrekken of, bij gebreke daarvan, een ten overstaan van een administratieve autoriteit of een gekwalificeerde beroepsorganisatie in zijn land van vestiging afgelegde plechtige verklaring.

4.  De bevoegde ordonnateur stelt een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit vrij van de verplichting bewijsstukken in te dienen, als bedoeld in de leden 2 en 3:

a)  indien hij of zij toegang kan krijgen tot die bewijsstukken in een gratis toegankelijke nationale databank;

b)  indien deze bewijsstukken reeds in het kader van een andere procedure zijn ingediend en mits de documenten nog geldig zijn en er sinds de datum van afgifte van de documenten niet meer dan een jaar is verstreken;

c)  indien hij of zij erkent dat het materieel onmogelijk is dergelijk bewijs te verschaffen▌.

5.  De leden 1 tot en met 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of op organen van de Unie als bedoeld in de artikelen 70 en 71.

Voor financieringsinstrumenten, bij ontstentenis van regels en procedures die volledig gelijkwaardig zijn aan de in artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder d), bedoelde regels en procedures, verstrekken eindbegunstigden en intermediairs de persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) tot en met d), g) en h) of artikel 141, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde situaties verkeren noch in een situatie die na de overeenkomstig artikel 154, lid 4, uitgevoerde beoordeling daarmee gelijk wordt bevonden.

Indien financieringsinstrumenten bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd op grond van artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), verstrekken eindontvangers aan financieel intermediairs een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) tot en met d), g) en h) of artikel 141, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde situaties verkeren.

Artikel 138

Financiële sancties

1.  Met het oog op een afschrikkende werking kan de bevoegde ordonnateur, rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, een financiële sanctie opleggen aan een ontvanger ten aanzien van wie een juridische verbintenis is aangegaan en die in een uitsluitingssituatie verkeert als bedoeld in artikel 136, lid 1, onder c), d), e) of f).

Wat de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met f), bedoelde uitsluitingssituaties betreft, kan de financiële sanctie worden opgelegd als alternatief voor een besluit tot uitsluiting van een ontvanger, indien die uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de criteria in artikel 136, lid 3.

Wat de in artikel 136, lid 1, onder c), d) en e)▌, bedoelde uitsluitingssituaties betreft, kan de financiële sanctie worden opgelegd naast een uitsluiting, wanneer dit nodig is om de financiële belangen van de Unie te beschermen omdat de ▌ontvanger systematisch en herhaald gedrag heeft vertoond met het voornemen op onrechtmatige wijze middelen van de Unie te verkrijgen.

Niettegenstaande de eerste, de tweede en de derde alinea van dit lid wordt een financiële sanctie niet opgelegd aan een ontvanger die overeenkomstig artikel 137 heeft bekendgemaakt dat hij zich in een uitsluitingssituatie bevindt.

2.  Het bedrag van de financiële sanctie is niet hoger dan 10 % van de totale waarde van de juridische verbintenis. In het geval van een met meerdere begunstigden ondertekende subsidieovereenkomst is de financiële sanctie niet hoger dan 10 % van het bedrag van de subsidie waarop de betrokken begunstigde overeenkomstig de subsidieovereenkomst recht heeft.

Artikel 139

Duur van de uitsluiting en verjaringstermijn

1.  De duur van de uitsluiting bedraagt niet meer dan:

a)  de duur die eventueel is vastgesteld in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit van een lidstaat;

b)  bij ontstentenis van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit:

i)  vijf jaar voor de in ▌artikel 136, lid 1, onder d), bedoelde gevallen;

ii)  drie jaar voor de in artikel 136, lid 1, onder c) en e) tot en met h), bedoelde gevallen.

Een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit wordt uitgesloten zolang hij in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) en b), bedoelde uitsluitingssituaties verkeert.

2.  De verjaringstermijn voor uitsluiting en/of het opleggen van financiële sancties aan een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit bedraagt vijf jaar, gerekend vanaf een van de volgende data:

a)  de datum waarop het gedrag dat aanleiding geeft tot uitsluiting, is vertoond of, bij voortduring of herhaling, de datum waarop het gedrag ophoudt, in de in artikel 136, lid 1, onder b) tot en met e) en g) en h), vermelde gevallen;

b)  de datum van de definitieve rechterlijke beslissing van een nationale rechterlijke instantie of van het definitief administratief besluit in de in artikel 136, lid 1, onder b), c) en d), g) en h) vermelde gevallen.

De verjaringstermijn wordt gestuit door enige handeling van een nationale autoriteit, van de Commissie, van OLAF, van EOM ten aanzien van de lidstaten die uit hoofde van Verordening (EU) 2017/1939 deelnemen aan nauwere samenwerking, van de in artikel 143 van deze verordening bedoelde instantie of enige bij de uitvoering van de begroting betrokken entiteit, wanneer de in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde persoon of entiteit van deze handeling in kennis wordt gesteld en de handeling betrekking heeft op het onderzoek of de gerechtelijke procedure. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen op de dag volgend op de stuiting.

Voor de toepassing van artikel 136, lid 1, onder f), van deze verordening geldt de verjaringstermijn voor het uitsluiten van een in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde persoon of entiteit en/of het opleggen van financiële sancties aan een ontvanger die is vastgelegd in artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

Wanneer het gedrag van een in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde persoon of entiteit onder verschillende van de in artikel 136, lid 1, van deze verordening genoemde redenen valt, geldt de verjaringstermijn van toepassing op de meest zwaarwegende reden.

Artikel 140

Bekendmaking van uitsluiting en financiële sancties

1.  Om, indien nodig, het afschrikkend effect van de uitsluiting en/of de financiële sanctie te versterken, maakt de Commissie, onder voorbehoud van een besluit van de bevoegde ordonnateur, de volgende informatie betreffende de uitsluiting en, in voorkomend geval, betreffende de financiële sanctie voor de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met h) bedoelde gevallen bekend op haar website:

a)  de naam van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit;

b)  de uitsluitingssituatie;

c)  de duur van de uitsluiting en/of het bedrag van de financiële sanctie.

Indien het besluit over de uitsluiting en/of de financiële sanctie is genomen op basis van een voorlopige kwalificatie als bedoeld in artikel 136, lid 2, wordt bij de bekendmaking aangegeven dat er geen definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, geen definitief administratief besluit is. In dergelijk