Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 12 september 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
In de Unie in de handel te brengen nominale hoeveelheden van éénmaal gedistilleerde shochu ***I
 Amendement op het Memorandum van samenwerking tussen de VS en de EU (inzet van luchtverkeersbeveiligingssystemen) ***
 Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de EU (toetreding van Kroatië) ***
 Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I
 Controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten ***I
 Strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld ***I
 De situatie in Hongarije
 Autonome wapensystemen
 Stand van de betrekkingen tussen de EU en de VS
 Stand van de betrekkingen tussen de EU en China

In de Unie in de handel te brengen nominale hoeveelheden van éénmaal gedistilleerde shochu ***I
PDF 125kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 110/2008 wat betreft de in de Unie in de handel te brengen nominale hoeveelheden van éénmaal gedistilleerde shochu die in een alambiek is gestookt en is gebotteld in Japan (COM(2018)0199 – C8-0156/2018 – 2018/0097(COD))
P8_TA(2018)0334A8-0255/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0199),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0156/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 10 juli 2018 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0255/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 110/2008 wat betreft de in de Unie in de handel te brengen nominale hoeveelheden van éénmaal gedistilleerde shochu die in een alambiek is gestookt en is gebotteld in Japan

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1670.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad verschenen.


Amendement op het Memorandum van samenwerking tussen de VS en de EU (inzet van luchtverkeersbeveiligingssystemen) ***
PDF 113kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van Amendement 1 op het Memorandum van samenwerking NAT-I-9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie (05800/2018 – C8-0122/2018 – 2018/0009(NLE))
P8_TA(2018)0335A8-0214/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05800/2018),

–  gezien Amendement 1 op het Memorandum van samenwerking NAT-I-9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie (14031/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0122/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0214/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.


Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de EU (toetreding van Kroatië) ***
PDF 112kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie en haar lidstaten, van een protocol tot wijziging van de Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (12256/2014 – C8-0080/2017 – 2014/0023(NLE))
P8_TA(2018)0336A8-0256/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12256/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol tot wijziging van de Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (12255/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0080/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0256/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Canada.


Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I
PDF 297kWORD 100k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 september 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt (COM(2016)0593 – C8-0383/2016 – 2016/0280(COD))(1)
P8_TA(2018)0337A8-0245/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De richtlijnen die op het gebied van auteursrechten en naburige rechten zijn vastgesteld, voorzien in een hoge mate van bescherming voor rechthebbenden en creëren daarmee een kader waarbinnen de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal kan plaatsvinden. Dit geharmoniseerde rechtskader draagt bij tot de goede werking van de interne markt; het stimuleert innovatie, creativiteit, investeringen en aanmaak van nieuwe inhoud, ook in de digitale omgeving. De bescherming die dit rechtskader verleent, draagt ook bij tot de doelstelling van de Unie om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen en brengt tegelijkertijd het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa voor het voetlicht. Artikel 167, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie schrijft voor dat de Unie bij haar optreden rekening houdt met de culturele aspecten.
(2)  De richtlijnen die op het gebied van auteursrechten en naburige rechten zijn vastgesteld, dragen bij tot de werking van de interne markt, voorzien in een hoge mate van bescherming voor rechthebbenden, vergemakkelijken de vereffening van rechten en creëren daarmee een kader waarbinnen de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal kan plaatsvinden. Dit geharmoniseerde rechtskader draagt bij tot de goede werking van een werkelijk geïntegreerde interne markt; het stimuleert innovatie, creativiteit, investeringen en aanmaak van nieuwe inhoud, ook in de digitale omgeving, om de fragmentering van de interne markt te voorkomen. De bescherming die dit rechtskader verleent, draagt ook bij tot de doelstelling van de Unie om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen en brengt tegelijkertijd het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa voor het voetlicht. Artikel 167, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie schrijft voor dat de Unie bij haar optreden rekening houdt met de culturele aspecten.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Door snelle digitale ontwikkelingen blijven zich veranderingen doorzetten in de manier waarop werken en ander beschermd materiaal tot stand komen, geproduceerd, verspreid en geëxploiteerd worden. Steeds nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe actoren dienen zich aan. De doelstellingen en de beginselen van het door de Unie vastgestelde kader voor auteursrechten blijven gezond. Toch blijft er zowel voor rechthebbenden als voor gebruikers juridische onzekerheid bestaan met betrekking tot bepaalde toepassingen, waaronder grensoverschrijdende toepassingen, van werken en ander beschermd materiaal in de digitale omgeving. Zoals beschreven in de mededeling van de Commissie "Naar een modern, meer Europees kader voor auteursrechten"26, moeten op sommige gebieden aanpassingen en aanvullingen worden aangebracht in het huidige kader voor auteursrechten van de Unie. Deze richtlijn voorziet in regels voor de aanpassing van een aantal uitzonderingen en beperkingen in de digitale en grensoverschrijdende omgeving, alsook maatregelen om bepaalde licentiepraktijken te bevorderen wat betreft de verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, en de onlinebeschikbaarheid van audiovisuele werken op video-on-demandplatforms om een ruimere toegang tot inhoud te garanderen. Met het oog op een goede werking van de markt voor auteursrechten moeten er ook voorschriften komen over rechten in publicaties, over het gebruik van werken en ander beschermd materiaal door aanbieders van onlinediensten die door gebruikers geüploade inhoud opslaan en toegang daartoe verlenen, en over transparantie in contracten van auteurs en uitvoerende kunstenaars.
(3)  Door snelle digitale ontwikkelingen blijven zich veranderingen doorzetten in de manier waarop werken en ander beschermd materiaal tot stand komen, geproduceerd, verspreid en geëxploiteerd worden, en de desbetreffende wetgeving moet toekomstbestendig zijn om de technische ontwikkeling niet te belemmeren. Steeds nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe actoren dienen zich aan. De doelstellingen en de beginselen van het door de Unie vastgestelde kader voor auteursrechten blijven gezond. Toch blijft er zowel voor rechthebbenden als voor gebruikers juridische onzekerheid bestaan met betrekking tot bepaalde toepassingen, waaronder grensoverschrijdende toepassingen, van werken en ander beschermd materiaal in de digitale omgeving. Zoals beschreven in de mededeling van de Commissie "Naar een modern, meer Europees kader voor auteursrechten"26, moeten op sommige gebieden aanpassingen en aanvullingen worden aangebracht in het huidige kader voor auteursrechten van de Unie. Deze richtlijn voorziet in regels voor de aanpassing van een aantal uitzonderingen en beperkingen in de digitale en grensoverschrijdende omgeving, alsook maatregelen om bepaalde licentiepraktijken te bevorderen wat betreft de verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, en de onlinebeschikbaarheid van audiovisuele werken op video-on-demandplatforms om een ruimere toegang tot inhoud te garanderen. Met het oog op een goede en eerlijke werking van de markt voor auteursrechten moeten er ook voorschriften komen over de uitoefening en handhaving van het gebruik van werken en ander beschermd materiaal op platforms van aanbieders van onlinediensten, over transparantie in contracten van auteurs en uitvoerende kunstenaars, en over de boekhouding die voortvloeit uit de exploitatie van beschermde werken uit hoofde van deze contracten.
__________________
__________________
26 COM(2015)0626.
26 COM(2015)0626.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Deze richtlijn is gebaseerd op en vormt een aanvulling op de regels van de thans van kracht zijnde richtlijnen op dit gebied, met name Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad27, Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad28, Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad29, Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad30, Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad31 en Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad32.
(4)  Deze richtlijn is gebaseerd op en vormt een aanvulling op de regels van de thans van kracht zijnde richtlijnen op dit gebied, met name Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad27, Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad27 bis, Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad28, Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad29, Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad30, Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad31 en Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad32.
_________________
_________________
27 Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).
27 Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).
27 bis Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel") (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).
28 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).
28 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).
29 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28).
29 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28).
30 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (PB L 111 van 5.5.2009, blz. 16).
30 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (PB L 111 van 5.5.2009, blz. 16).
31 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken (PB L 299 van 27.10.2012, blz. 5).
31 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken (PB L 299 van 27.10.2012, blz. 5).
32 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 72).
32 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 72).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Op het gebied van onderzoek, opleiding en behoud van cultureel erfgoed maken digitale technologieën nieuwe soorten toepassingen mogelijk die niet duidelijk onder de huidige EU-regels inzake uitzonderingen en beperkingen vallen. Het facultatieve karakter van uitzonderingen en beperkingen waarin de Richtlijnen 2001/29/EG, 96/9/EG en 2009/24/EG op deze gebieden voorzien, kan bovendien een negatief effect hebben op de werking van de interne markt. Dit geldt in het bijzonder voor grensoverschrijdende toepassingen, die steeds belangrijker worden in de digitale omgeving. Daarom moeten de bestaande uitzonderingen en beperkingen in het recht van de Unie die van belang zijn voor wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en behoud van het cultureel erfgoed, aan een nieuwe beoordeling worden onderworpen in het licht van deze nieuwe toepassingen. Er moeten verplichte uitzonderingen of beperkingen worden ingevoerd voor het gebruik van tekst- en dataminingtechnologieën op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, illustratie bij onderwijs in de digitale omgeving en voor het behoud van cultureel erfgoed. Voor toepassingen die niet onder de uitzonderingen of beperkingen van deze richtlijn vallen, moeten de uitzonderingen en beperkingen die in het recht van de Unie bestaan, blijven gelden. De Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG moeten worden aangepast.
(5)  Op het gebied van onderzoek, innovatie, opleiding en behoud van cultureel erfgoed maken digitale technologieën nieuwe soorten toepassingen mogelijk die niet duidelijk onder de huidige EU-regels inzake uitzonderingen en beperkingen vallen. Het facultatieve karakter van uitzonderingen en beperkingen waarin de Richtlijnen 2001/29/EG, 96/9/EG en 2009/24/EG op deze gebieden voorzien, kan bovendien een negatief effect hebben op de werking van de interne markt. Dit geldt in het bijzonder voor grensoverschrijdende toepassingen, die steeds belangrijker worden in de digitale omgeving. Daarom moeten de bestaande uitzonderingen en beperkingen in het recht van de Unie die van belang zijn voor innovatie, wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en behoud van het cultureel erfgoed, aan een nieuwe beoordeling worden onderworpen in het licht van deze nieuwe toepassingen. Er moeten verplichte uitzonderingen of beperkingen worden ingevoerd voor het gebruik van tekst- en dataminingtechnologieën op het gebied van innovatie en wetenschappelijk onderzoek, illustratie bij onderwijs in de digitale omgeving en voor het behoud van cultureel erfgoed. Voor toepassingen die niet onder de uitzonderingen of beperkingen van deze richtlijn vallen, moeten de uitzonderingen en beperkingen die in het recht van de Unie bestaan, blijven gelden. Derhalve moeten bestaande goedwerkende uitzonderingen op deze vlakken toegestaan blijven in de lidstaten zolang zij de reikwijdte van de uitzonderingen of beperkingen in deze richtlijn niet beperken. De Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG moeten worden aangepast.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  De bij deze verordening ingestelde uitzonderingen en beperkingen beogen een billijk evenwicht te bewerkstelligen tussen de rechten en belangen van auteurs en andere rechthebbenden enerzijds, en die van gebruikers anderzijds. Zij kunnen alleen in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast, mits daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van de werken of andere beschermde materialen en de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk worden geschaad.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Nieuwe technologieën maken geautomatiseerde computeranalyse van informatie in digitale vorm, zoals tekst, geluid, beeld en gegevens, die algemeen bekend is als tekst- en datamining, mogelijk. Dankzij deze technologieën kunnen onderzoekers grote hoeveelheden informatie verwerken en zodoende nieuwe kennis verwerven en nieuwe tendensen ontdekken. Hoewel technologieën voor tekst- en datamining een grote rol spelen in de digitale economie, wordt in brede kring erkend dat tekst- en datamining in het bijzonder gunstig kan zijn voor de onderzoeksgemeenschap en op die wijze innovatie kan aanmoedigen. Onderzoekorganisaties zoals universiteiten en onderzoeksinstituten worden in de Unie echter geconfronteerd met rechtsonzekerheid over de mate waarin zij tekst- en datamining van inhoud kunnen verrichten. In bepaalde gevallen kan tekst- en datamining handelingen inhouden die onder het auteursrecht en/of het sui generis databankenrecht vallen, met name wanneer sprake is van reproductie van werken of andere beschermde materialen en/of opvraging van inhoud uit een databank. Indien er geen uitzondering of beperking van toepassing is, zou een toestemming van de rechthebbenden vereist zijn om dergelijke handelingen te verrichten. Tekst- en datamining kan ook verricht worden met betrekking tot zuivere feiten of gegevens die niet auteursrechtelijk zijn beschermd en in dergelijke gevallen zou geen toestemming vereist zijn.
(8)  Nieuwe technologieën maken geautomatiseerde computeranalyse van informatie in digitale vorm, zoals tekst, geluid, beeld en gegevens, die algemeen bekend is als tekst- en datamining, mogelijk. Dankzij tekst- en datamining kunnen grote hoeveelheden digitaal opgeslagen informatie worden gelezen en geanalyseerd en zodoende nieuwe kennis worden verworven en nieuwe tendensen ontdekt. Hoewel technologieën voor tekst- en datamining een grote rol spelen in de digitale economie, wordt in brede kring erkend dat tekst- en datamining in het bijzonder gunstig kan zijn voor de onderzoeksgemeenschap en op die wijze innovatie kan aanmoedigen. Onderzoekorganisaties zoals universiteiten en onderzoeksinstituten worden in de Unie echter geconfronteerd met rechtsonzekerheid over de mate waarin zij tekst- en datamining van inhoud kunnen verrichten. In bepaalde gevallen kan tekst- en datamining handelingen inhouden die onder het auteursrecht en/of het sui generis databankenrecht vallen, met name wanneer sprake is van reproductie van werken of andere beschermde materialen en/of opvraging van inhoud uit een databank. Indien er geen uitzondering of beperking van toepassing is, zou een toestemming van de rechthebbenden vereist zijn om dergelijke handelingen te verrichten. Tekst- en datamining kan ook verricht worden met betrekking tot zuivere feiten of gegevens die niet auteursrechtelijk zijn beschermd en in dergelijke gevallen zou geen toestemming vereist zijn.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Voor tekst- en datamining moet de informatie in de meeste gevallen eerst worden geopend en dan gereproduceerd. Pas als de informatie is genormaliseerd, kan deze worden verwerkt door middel van tekst- en datamining. Bij legale toegang tot informatie is pas van auteursrechtelijk beschermd gebruik sprake bij normalisering van de informatie, want dat brengt reproductie met zich door wijziging van het format, of door opvragen uit een database in een format dat zich leent voor tekst- en datamining. Het auteursrechtelijk relevante gebruik bij tekst- en dataminingtechnologie is daarom niet de tekst- en datamining zelf, dus het lezen en analyseren van digitaal opgeslagen en genormaliseerde informatie, maar de opening en de manier waarop de informatie wordt genormaliseerd waardoor geautomatiseerde digitale analyse mogelijk wordt, in zoverre dit proces ophalen uit een database of reproducties omvat. De uitzonderingen voor tekst- en datamining waarin in deze richtlijn wordt voorzien, moeten begrepen worden als een verwijzing naar dergelijke auteursrechtelijk relevante processen die noodzakelijk zijn voor tekst- en datamining. Wanneer het bestaande auteursrecht niet toepasbaar is geweest voor het gebruik van tekst- en datamining, moeten deze gebruiken onverlet blijven door deze richtlijn.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Dit gebrek aan rechtszekerheid moet worden aangepakt door te voorzien in een verplichte uitzondering op het reproductierecht alsmede in het recht om opvraging uit een databank te verhinderen. De nieuwe uitzondering mag geen afbreuk doen aan de bestaande dwingende uitzondering voor tijdelijke reproductiehandelingen als vastgesteld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/29, die van toepassing moet blijven voor tekst- en dataminingtechnieken waarin geen kopieën worden gemaakt die verder gaan dan de toepassingssfeer van deze uitzondering. Onderzoeksorganisaties moeten ook van de uitzondering kunnen gebruikmaken in het geval van publiek-private partnerschappen.
(10)  Dit gebrek aan rechtszekerheid moet worden aangepakt door te voorzien in een verplichte uitzondering voor onderzoeksorganisaties op het reproductierecht en op het recht om opvraging uit een databank te verhinderen. De nieuwe uitzondering mag geen afbreuk doen aan de bestaande dwingende uitzondering voor tijdelijke reproductiehandelingen als vastgesteld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/29/EG, die van toepassing moet blijven voor tekst- en dataminingtechnieken waarin geen kopieën worden gemaakt die verder gaan dan de toepassingssfeer van deze uitzondering. Onderwijsinstellingen en instellingen voor cultureel erfgoed die wetenschappelijk onderzoek uitvoeren, moeten ook worden gedekt door de uitzondering voor tekst- en datamining op voorwaarde dat de resultaten van het onderzoek niet ten voordele zijn van een onderneming die een beslissende invloed uitoefent op deze organisaties in het bijzonder. Indien het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een publiek-privaat partnerschap, moet de onderneming die deelneemt aan het publiek-private partnerschap ook wettelijke toegang hebben tot de werken en andere materialen. De reproducties en opvragingen die voor tekst- en datamining worden gemaakt, moeten veilig worden bewaard en op een wijze die garandeert dat de kopieën enkel worden gebruikt met het oog op wetenschappelijk onderzoek.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Om ook in de particuliere sector innovatie aan te moedigen, moeten de lidstaten een uitzondering kunnen invoeren die verder reikt dan de verplichte uitzondering, op voorwaarde dat het gebruik van daarin vermelde werken of andere materialen niet uitdrukkelijk werd voorbehouden door hun rechthebbenden, waaronder op machineleesbare wijze.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Hoewel de ontwikkeling van afstandsonderwijs en grensoverschrijdende onderwijsprogramma’s hoofdzakelijk op het niveau van hoger onderwijs plaatsvindt, worden digitale instrumenten en middelen in toenemende mate gebruikt op alle onderwijsniveaus, met name om de leerervaring te verbeteren en te verrijken. De uitzondering of beperking als bedoeld in deze richtlijn moet bijgevolg ten goede komen aan alle onderwijsinstellingen in het lager, middelbaar, beroeps- en hoger onderwijs voor zover zij hun onderwijsactiviteiten met niet-commerciële doeleinden verrichten. De organisatiestructuur en de financiering van een onderwijsinstelling zijn niet van doorslaggevend belang om de niet-commerciële aard van de activiteit te bepalen.
(15)  Hoewel de ontwikkeling van afstandsonderwijs en grensoverschrijdende onderwijsprogramma’s hoofdzakelijk op het niveau van hoger onderwijs plaatsvindt, worden digitale instrumenten en middelen in toenemende mate gebruikt op alle onderwijsniveaus, met name om de leerervaring te verbeteren en te verrijken. De uitzondering of beperking als bedoeld in deze richtlijn moet bijgevolg ten goede komen aan alle onderwijsinstellingen in het lager, middelbaar, beroeps- en hoger onderwijs voor zover zij hun onderwijsactiviteiten met niet-commerciële doeleinden verrichten. De organisatiestructuur en de financiering van een onderwijsinstelling zijn niet van doorslaggevend belang om de niet-commerciële aard van de activiteit te bepalen. Indien instellingen voor cultureel erfgoed een educatieve doelstelling nastreven en bij onderwijsactiviteiten betrokken zijn, moeten de lidstaten deze instellingen onder deze uitzondering als onderwijsinstelling beschouwen wat hun onderwijsactiviteiten betreft.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De uitzondering of beperking moet betrekking hebben op digitaal gebruik van werken en andere materialen, zoals het gebruik van delen of uittreksels om de onderwijs- en de daaraan verbonden leeractiviteiten te ondersteunen, te verrijken of aan te vullen. Het gebruik van de werken of andere materialen overeenkomstig de uitzondering of beperking mag alleen plaatsvinden in het kader van onderwijs- en leeractiviteiten die onder de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen vallen, ook tijdens examens, en dient beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor het doel van deze activiteiten. De uitzondering of beperking dient te gelden zowel voor toepassing in digitale leermiddelen in de klas als onlinegebruik via het beveiligde elektronische netwerk van onderwijsinstelling, en de toegang daartoe dient te worden beschermd, met name door authenticatieprocedures. De uitzondering of beperking wordt wat illustratie bij het onderwijs betreft ook geacht te gelden voor de speciale toegankelijkheidsbehoeften van personen met een beperking.
(16)  De uitzondering of beperking moet betrekking hebben op digitaal gebruik van werken en andere materialen om de onderwijs- en de daaraan verbonden leeractiviteiten te ondersteunen, te verrijken of aan te vullen. De uitzondering of beperking van het gebruik moet worden verleend zolang het werk of ander materiaal de bron vermeldt, met inbegrip van de naam van de auteur, tenzij dit wegens praktische redenen onmogelijk blijkt. Het gebruik van de werken of andere materialen overeenkomstig de uitzondering of beperking mag alleen plaatsvinden in het kader van onderwijs- en leeractiviteiten die onder de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen vallen, ook tijdens examens, en dient beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor het doel van deze activiteiten. De uitzondering of beperking dient te gelden zowel voor toepassing in digitale leermiddelen waarbij fysiek onderwijs wordt verstrekt, ook wanneer dat buiten de gebouwen van de onderwijsinstelling gebeurt, bijvoorbeeld in een bibliotheek of een instelling voor cultureel erfgoed, zolang het gebruik onder de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling plaatsvindt, als onlinegebruik via de beveiligde elektronische omgeving van onderwijsinstelling, en de toegang daartoe dient te worden beschermd, met name door authenticatieprocedures. De uitzondering of beperking wordt wat illustratie bij het onderwijs betreft ook geacht te gelden voor de speciale toegankelijkheidsbehoeften van personen met een beperking.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Een veilige elektronische omgeving moet worden begrepen als een digitale onderwijs- en leeromgeving waartoe de toegang door een passende authenticatieprocedure wordt beperkt tot het onderwijzend personeel van de onderwijsinstelling en de in een studieprogramma ingeschreven leerlingen of studenten.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  In een aantal lidstaten bestaan, op basis van de toepassing van de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde uitzondering of van licentieovereenkomsten voor verder gebruik, verschillende regelingen om het educatief gebruik van werken en andere materialen te vergemakkelijken. Deze regelingen zijn doorgaans ontwikkeld rekening houdend met de behoeften van onderwijsinstellingen en verschillende onderwijsniveaus. Hoewel het van essentieel belang is het toepassingsgebied van de nieuwe dwingende uitzondering of beperking met betrekking tot digitale toepassingen en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten te harmoniseren, kunnen de toepassingsvoorwaarden verschillen naargelang van de lidstaat, voor zover deze geen belemmering vormen voor de effectieve toepassing van de uitzondering of beperking op grensoverschrijdende gevallen. Dit moet de lidstaten de mogelijkheid bieden om voort te bouwen op de bestaande regelingen op nationaal niveau. Met name kunnen de lidstaten besluiten de toepassing van de uitzondering of beperking geheel of gedeeltelijk afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van passende licenties, die voor ten minste dezelfde toepassingen gelden als die welke volgens de uitzondering zijn toegestaan. Met dit mechanisme zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn voorrang te geven aan licenties voor materialen die in de eerste plaats bedoeld zijn voor de onderwijsmarkt. Om te voorkomen dat een dergelijk mechanisme leidt tot rechtsonzekerheid of administratieve lasten voor onderwijsinstellingen, moeten de lidstaten die voor deze aanpak kiezen, concrete maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat licentieregelingen voor digitale toepassingen van werken of andere materialen die bedoeld zijn voor illustratie bij onderwijs, vlot beschikbaar zijn en dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van het bestaan van dergelijke licentieregelingen.
(17)  In een aantal lidstaten bestaan, op basis van de toepassing van de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde uitzondering of van licentieovereenkomsten voor verder gebruik, verschillende regelingen om het educatief gebruik van werken en andere materialen te vergemakkelijken. Deze regelingen zijn doorgaans ontwikkeld rekening houdend met de behoeften van onderwijsinstellingen en verschillende onderwijsniveaus. Hoewel het van essentieel belang is het toepassingsgebied van de nieuwe dwingende uitzondering of beperking met betrekking tot digitale toepassingen en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten te harmoniseren, kunnen de toepassingsvoorwaarden verschillen naargelang van de lidstaat, voor zover deze geen belemmering vormen voor de effectieve toepassing van de uitzondering of beperking op grensoverschrijdende gevallen. Dit moet de lidstaten de mogelijkheid bieden om voort te bouwen op de bestaande regelingen op nationaal niveau. Met name kunnen de lidstaten besluiten de toepassing van de uitzondering of beperking geheel of gedeeltelijk afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van passende licenties. Deze licenties kunnen de vorm aannemen van collectieve licentieovereenkomsten, verruimde collectieve licentieovereenkomsten en licenties waarover collectief wordt onderhandeld, zoals mantellicenties, om te vermijden dat onderwijsinstellingen afzonderlijk met de rechthebbenden moeten onderhandelen. Deze licenties moeten betaalbaar zijn en voor ten minste dezelfde toepassingen gelden als die welke volgens de uitzondering zijn toegestaan. Met dit mechanisme zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn voorrang te geven aan licenties voor materialen die in de eerste plaats bedoeld zijn voor de onderwijsmarkt of voor onderwijs in onderwijsinstellingen of bladmuziek. Om te voorkomen dat een dergelijk mechanisme leidt tot rechtsonzekerheid of administratieve lasten voor onderwijsinstellingen, moeten de lidstaten die voor deze aanpak kiezen, concrete maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze licentieregelingen voor digitale toepassingen van werken of andere materialen die bedoeld zijn voor illustratie bij onderwijs, vlot beschikbaar zijn en dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van het bestaan van dergelijke licentieregelingen. De lidstaten moeten kunnen voorzien in systemen die zorgen voor billijke vergoeding voor rechthebbenden voor gebruik in het kader van die uitzonderingen of beperkingen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om systemen te gebruiken die geen administratieve last veroorzaken, zoals systemen die voorzien in eenmalige betalingen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   Om rechtszekerheid te bieden wanneer lidstaten besluiten om de toepassing van de uitzondering afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van passende licenties, moet worden verduidelijkt onder welke voorwaarden onderwijsinstellingen beschermde werken of andere materialen binnen die uitzondering mogen gebruiken en wanneer zij wel met een licentieregeling dienen te werken.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Een handeling die voor bewaringsdoeleinden wordt gesteld, kan de reproductie van werken of andere materialen in de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed vereisen, en bijgevolg kan de toestemming van de betrokken rechthebbenden daarvoor nodig kan zijn. Instellingen voor cultureel erfgoed zijn bezig met het bewaren van hun collecties voor toekomstige generaties. Digitale technologieën bieden nieuwe mogelijkheden om het erfgoed te bewaren dat in deze collecties vervat ligt, maar brengen ook nieuwe uitdagingen mee. Om in te gaan op deze nieuwe uitdagingen moet het huidige rechtskader worden aangepast en moet worden voorzien in een dwingende uitzondering op het reproductierecht, zodat deze handelingen met bewaringsdoeleinden mogelijk worden.
(18)  Een handeling die voor bewaringsdoeleinden van een werk of ander materiaal in de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed wordt gesteld, kan een reproductie vereisen, en bijgevolg kan de toestemming van de betrokken rechthebbenden daarvoor nodig zijn. Instellingen voor cultureel erfgoed zijn bezig met het bewaren van hun collecties voor toekomstige generaties. Digitale technologieën bieden nieuwe mogelijkheden om het erfgoed te bewaren dat in deze collecties vervat ligt, maar brengen ook nieuwe uitdagingen mee. Om in te gaan op deze nieuwe uitdagingen moet het huidige rechtskader worden aangepast en moet worden voorzien in een dwingende uitzondering op het reproductierecht, zodat deze handelingen met bewaringsdoeleinden door dergelijke instellingen mogelijk worden.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  De uiteenlopende aanpak die in de lidstaten wordt gekozen voor bewaringsactiviteiten van instellingen voor cultureel erfgoed, vormt voor deze instellingen een hinderpaal om over de grenzen heen samen te werken en middelen voor bewaring te delen in de interne markt, hetgeen leidt tot een inefficiënt gebruik van middelen.
(19)  De uiteenlopende aanpak die in de lidstaten wordt gekozen voor reproductieactiviteiten voor bewaring, vormt een hinderpaal om over de grenzen heen samen te werken, middelen voor bewaring te delen en grensoverschrijdende netwerken op te richten voor bewaring in de interne markt van organisaties die met bewaring bezig zijn, hetgeen leidt tot een inefficiënt gebruik van middelen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de bewaring van cultureel erfgoed.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  Het is derhalve noodzakelijk dat de lidstaten voorzien in een uitzondering zodat instellingen voor cultureel erfgoed in hun collecties werken en andere beschermde materialen die permanent deel uitmaken van hun collecties, voor bewaringsdoeleinden kunnen reproduceren, bijvoorbeeld om rekening te houden met technologische veroudering of aantasting van de oorspronkelijke dragers. Op basis van een dergelijke uitzondering wordt het mogelijk kopieën te maken door middel van de geschikte bewaringsinstrumenten, -middelen of -technologieën, in het vereiste aantal en op elk moment in de levenscyclus van een werk of ander materiaal, voor zover dit noodzakelijk is om een kopie te produceren die alleen bestemd is voor bewaringsdoeleinden.
(20)  Het is derhalve noodzakelijk dat de lidstaten voorzien in een uitzondering zodat instellingen voor cultureel erfgoed in hun collecties werken en andere beschermde materialen die permanent deel uitmaken van hun collecties, voor bewaringsdoeleinden kunnen reproduceren, om rekening te houden met technologische veroudering of aantasting van de oorspronkelijke dragers of werken te verzekeren. Op basis van een dergelijke uitzondering wordt het mogelijk kopieën te maken door middel van de geschikte bewaringsinstrumenten, -middelen of -technologieën, in welke vorm of welk medium dan ook, in het vereiste aantal, op elk moment in de levenscyclus van een werk of ander materiaal en voor zover dit noodzakelijk is om een kopie te produceren die alleen bestemd is voor bewaringsdoeleinden. De archieven van onderzoeksorganisaties of publieke omroeporganisaties moeten als instellingen voor cultureel erfgoed en dus als begunstigden van deze uitzondering worden beschouwd. De lidstaten moeten voor de toepassing van deze uitzondering bepalingen kunnen handhaven om publiek toegankelijke galerijen als musea te beschouwen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  Voor de toepassing van deze richtlijn worden werken en andere materialen geacht permanent deel uit te maken van de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed wanneer kopieën eigendom zijn of permanent in het bezit zijn van de instelling voor cultureel erfgoed, bijvoorbeeld ten gevolge van een overdracht van eigendom of licentieovereenkomsten.
(21)  Voor de toepassing van deze richtlijn worden werken en andere materialen geacht permanent deel uit te maken van de collectie van een instelling voor cultureel erfgoed wanneer kopieën van deze werken of ander materiaal eigendom zijn of permanent in het bezit zijn van deze organisaties, bijvoorbeeld ten gevolge van een overdracht van eigendom, een wettig depot of een langlopende lening. Werken of ander materiaal waartoe instellingen voor cultureel erfgoed tijdelijk toegang hebben via een derde aanbieder van de dienst, worden niet beschouwd als permanent deel van hun collectie.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot diensten van de informatiemaatschappij waarmee gebruikers inhoud kunnen uploaden en beschikbaar stellen in verschillende vormen en voor verschillende doeleinden, waaronder een idee, kritiek, parodie of pastiche illustreren. Dergelijke inhoud kan korte fragmenten bevatten van reeds bestaande beschermde werken of ander materiaal, die deze gebruikers gewijzigd, gecombineerd of op een andere wijze omgevormd kunnen hebben.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 ter (nieuw)
(21 ter)  Ondanks enige overlapping met bestaande uitzonderingen of beperkingen, zoals die in verband met citeren en parodiëren, valt niet alle inhoud die door een gebruiker wordt geüpload of beschikbaar wordt gesteld en die redelijkerwijze fragmenten van beschermde werken of ander beschermd materiaal bevat, onder artikel 5 van Richtlijn 2001/29/EG. Dit soort situatie schept rechtsonzekerheid voor zowel gebruikers als rechthebbenden. Er moet daarom een nieuwe specifieke uitzondering worden ingesteld om het legitieme gebruik van fragmenten van beschermde werken of ander beschermd materiaal in inhoud die door een gebruiker wordt geüpload of beschikbaar wordt gesteld, toe te staan. Wanneer door een gebruiker gegenereerde of beschikbaar gestelde inhoud betrekking heeft op het korte en evenredige gebruik voor legitieme doeleinden van een korte passage of een kort citaat uit een werk of ander materiaal, moet dit gebruik beschermd worden door de uitzondering uit hoofde van deze richtlijn. Deze uitzondering mag slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast, mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het normale gebruik van het werk of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad. Om de geleden schade te beoordelen, moeten waar nodig de graad van originaliteit van het betreffende werk, de lengte en de omvang van de gebruikte passage of het gebruikte citaat, de professionele aard van de betreffende inhoud en de graad van economische schade worden onderzocht, waarbij het rechtmatige genot van de uitzondering niet worden uitgesloten. Deze uitzondering moet de morele rechten van de auteurs van het betreffende werk of ander materiaal onverlet laten.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 quater (nieuw)
(21 quater)  Het mag niet toegestaan worden dat de aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die in het toepassingsgebied van artikel 13 van deze richtlijn vallen, de uitzondering uit hoofde van deze richtlijn voor het gebruik van korte passages of korte citaten uit door gebruikers op deze informatiemaatschappijdiensten geüploade of beschikbaar gestelde beschermde werken of ander materiaal, in hun eigen voordeel kunnen aanwenden, om hun aansprakelijkheid of de omvang van de verplichtingen waaraan zij moeten voldoen uit hoofde van artikel 13 van deze richtlijn te beperken.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22
(22)  Instellingen voor cultureel erfgoed moeten profiteren van een duidelijk kader voor de digitalisering en verspreiding, ook over de grenzen heen, van werken of andere beschermde materialen die niet meer in de handel zijn. Wegens de specifieke kenmerken van de collecties van werken die niet meer in de handel zijn, kan het echter zeer moeilijk worden de voorafgaande toestemming van de individuele rechthebbenden te verkrijgen. Dit kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan de ouderdom van de werken en andere materialen, hun geringe commerciële waarde of het feit dat zij nooit voor commerciële doeleinden bestemd waren. Er moeten dan ook maatregelen worden genomen om de licentieverlening van rechten op werken die niet meer in de handel zijn en die zich in collecties van instellingen voor cultureel erfgoed bevinden, te vereenvoudigen en derhalve het sluiten van overeenkomsten met grensoverschrijdend effect in de interne markt mogelijk te maken.
(22)  Instellingen voor cultureel erfgoed moeten profiteren van een duidelijk kader voor de digitalisering en verspreiding, ook over de grenzen heen, van werken of andere beschermde materialen die niet meer in de handel zijn. Wegens de specifieke kenmerken van de collecties van werken die niet meer in de handel zijn, kan het echter zeer moeilijk worden de voorafgaande toestemming van de individuele rechthebbenden te verkrijgen. Dit kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan de ouderdom van de werken en andere materialen, hun geringe commerciële waarde of het feit dat zij nooit voor commerciële doeleinden bestemd waren of nooit in de handel zijn gebracht. Er moeten dan ook maatregelen worden genomen om het gebruik van werken die niet meer in de handel zijn en die zich in collecties van instellingen voor cultureel erfgoed bevinden, te vereenvoudigen en derhalve het sluiten van overeenkomsten met grensoverschrijdend effect in de interne markt mogelijk te maken.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Verschillende lidstaten hebben reeds verruimde collectieve licentieregelingen, wettelijke mandaten of wettelijke vermoedens die de licentieverlening van werken die niet meer in de handel zijn, vergemakkelijken. Gelet op de diversiteit van de werken en andere materialen in de collecties van instellingen voor cultureel erfgoed en de uiteenlopende vormen van collectief beheer in de lidstaten en de culturele sectoren, kunnen dergelijke maatregelen niet in alle gevallen een oplossing bieden, bijvoorbeeld omdat collectieve licentieverlening niet gebruikelijk is voor een bepaald soort werk of ander materiaal. In dergelijke specifieke omstandigheden moet er derhalve een uitzondering worden toegestaan waardoor erfgoedinstellingen werken in hun permanente collectie die niet meer in de handel zijn, online beschikbaar kunnen stellen onder de uitzondering op het auteursrecht en de naburige rechten. Hoewel het toepassingsgebied van de nieuwe verplichte uitzondering geharmoniseerd moet worden zodat grensoverschrijdend gebruik van werken die niet meer in de handel zijn, mogelijk is, moet het de lidstaten niettemin toegestaan zijn verruimde collectieve licentieverlening te (blijven) gebruiken die op nationaal niveau werden gesloten met instellingen voor cultureel erfgoed voor categorieën van werken die permanent in de collecties van de instellingen voor cultureel erfgoed zijn. Het gebrek aan overeenstemming over de voorwaarden van de licentie mag niet worden beschouwd als een gebrek aan beschikbaarheid van licentiegebaseerde oplossingen. Gebruik onder deze uitzondering moet worden onderworpen aan dezelfde opt-outvereisten en publiciteitsvoorschriften als gebruik toegestaan door een mechanisme voor licentieverlening. Om ervoor te zorgen dat de uitzondering slechts geldt wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan en om rechtszekerheid te bieden moeten de lidstaten in overleg met rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en organisaties voor cultureel erfgoed en op gepaste tijdsintervallen, bepalen voor welke sectoren en welke soorten werk gepaste licentiegebaseerde oplossingen niet beschikbaar zijn, waardoor de uitzondering moet worden toegepast.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  De lidstaten moeten binnen het bij deze richtlijn gestelde kader flexibiliteit krijgen om het specifieke soort mechanisme te kiezen waarmee licenties voor werken die niet meer in de handel zijn, in overeenstemming met hun juridische tradities, praktijken of omstandigheden, kunnen worden uitgebreid tot de rechten van niet door de organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigde rechthebbenden. Voor dergelijke mechanismen kan ook worden gedacht aan verruimde collectieve licentieverlening en vermoedens van vertegenwoordiging.
(23)  De lidstaten moeten binnen het bij deze richtlijn gestelde kader flexibiliteit krijgen om het specifieke soort mechanisme te kiezen waarmee licenties voor werken die niet meer in de handel zijn, in overeenstemming met hun juridische tradities, praktijken of omstandigheden, kunnen worden uitgebreid tot de rechten van niet door de relevante organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigde rechthebbenden. Voor dergelijke mechanismen kan ook worden gedacht aan verruimde collectieve licentieverlening en vermoedens van vertegenwoordiging.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24
(24)  Voor de toepassing van deze licentiemechanismen is een strikt en goed functionerend systeem voor collectief rechtenbeheer belangrijk. Dat systeem omvat met name regels inzake goed bestuur, transparantie en verslaglegging, alsook regelmatige, zorgvuldige en nauwkeurige verdeling en uitbetaling van de bedragen die aan individuele rechthebbenden verschuldigd zijn, zoals bepaald in Richtlijn 2014/26/EU. Er moeten passende aanvullende waarborgen beschikbaar zijn voor alle rechthebbenden, die de mogelijkheid moeten krijgen om de toepassing van dergelijke mechanismen op hun werken of andere materialen uit te sluiten. De voorwaarden die aan deze mechanismen verbonden worden, mogen de praktische relevantie daarvan voor instellingen voor cultureel erfgoed niet aantasten.
(24)  Voor de toepassing van deze licentiemechanismen is een strikt en goed functionerend systeem voor collectief rechtenbeheer belangrijk en dient een dergelijk systeem door de lidstaten te worden aangemoedigd. Dat systeem omvat met name regels inzake goed bestuur, transparantie en verslaglegging, alsook regelmatige, zorgvuldige en nauwkeurige verdeling en uitbetaling van de bedragen die aan individuele rechthebbenden verschuldigd zijn, zoals bepaald in Richtlijn 2014/26/EU. Er moeten passende aanvullende waarborgen beschikbaar zijn voor alle rechthebbenden, die de mogelijkheid moeten krijgen om de toepassing van dergelijke licentiemechanismen of van dergelijke uitzonderingen op hun werken of andere materialen uit te sluiten. De voorwaarden die aan deze mechanismen verbonden worden, mogen de praktische relevantie daarvan voor instellingen voor cultureel erfgoed niet aantasten.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Gelet op de diversiteit van de werken en andere materialen in de collecties van instellingen voor cultureel erfgoed is het van belang dat de bij deze richtlijn ingevoerde mechanismen voor licentieverlening beschikbaar zijn en in de praktijk kunnen worden ingezet voor verschillende soorten werken en andere materialen, waaronder foto’s, geluidsopnamen en audiovisuele werken. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van verschillende categorieën werken en andere materialen wat de wijze van publicatie en distributie betreft, en om de bruikbaarheid van deze mechanismen te bevorderen, kan het zijn dat lidstaten specifieke voorschriften en procedures moeten instellen voor de praktische toepassing van die licentieregelingen. Het is aangewezen dat de lidstaten rechthebbenden, gebruikers en organisaties voor collectief beheer raadplegen wanneer zij dat doen.
(25)  Gelet op de diversiteit van de werken en andere materialen in de collecties van instellingen voor cultureel erfgoed is het van belang dat de bij deze richtlijn ingevoerde mechanismen voor licentieverlening beschikbaar zijn en in de praktijk kunnen worden ingezet voor verschillende soorten werken en andere materialen, waaronder foto’s, geluidsopnamen en audiovisuele werken. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van verschillende categorieën werken en andere materialen wat de wijze van publicatie en distributie betreft, en om de bruikbaarheid van de door deze richtlijn ingevoerde oplossingen voor het gebruik van werken die niet in de handel zijn, te bevorderen, kan het zijn dat lidstaten specifieke voorschriften en procedures moeten instellen voor de praktische toepassing van die licentieregelingen. Het is aangewezen dat de lidstaten rechthebbenden, instellingen voor cultureel erfgoed en organisaties voor collectief beheer raadplegen wanneer zij dat doen.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26
(26)  Volgens de internationale geplogenheden mogen de bij deze richtlijn ingestelde licentieverleningsmechanismen voor digitalisering en verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, niet gelden voor werken of andere materialen die voor de eerste maal gepubliceerd zijn, of indien er geen sprake is van publicatie, voor de eerste maal uitgezonden zijn in een derde land, of in het geval van cinematografische of audiovisuele werken voor werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een derde land heeft. Deze mechanismen mogen evenmin worden toegepast op werken of andere materialen van onderdanen van derde landen, behalve wanneer deze voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen sprake is van publicatie, voor het eerst zijn uitgezonden op het grondgebied van een lidstaat of, in het geval van cinematografische of audiovisuele werken, op werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft.
(26)  Volgens de internationale geplogenheden mogen de bij deze richtlijn ingestelde licentieverleningsmechanismen en de uitzondering voor digitalisering en verspreiding van werken die niet meer in de handel zijn, niet gelden voor werken of andere materialen die voor de eerste maal gepubliceerd zijn, of indien er geen sprake is van publicatie, voor de eerste maal uitgezonden zijn in een derde land, of in het geval van cinematografische of audiovisuele werken voor werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een derde land heeft. Deze mechanismen mogen evenmin worden toegepast op werken of andere materialen van onderdanen van derde landen, behalve wanneer deze voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen sprake is van publicatie, voor het eerst zijn uitgezonden op het grondgebied van een lidstaat of, in het geval van cinematografische of audiovisuele werken, op werken waarvan de producent zijn zetel of gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27
(27)  Aangezien grootschalige digitaliseringsprojecten aanzienlijke investeringen door instellingen voor cultureel erfgoed kunnen inhouden, mogen de volgens de mechanismen van deze richtlijn verleende licenties voor deze instellingen geen hinderpaal vormen om redelijke inkomsten te genereren voor de dekking van de kosten voor de licentie en de digitalisering en verspreiding van de onder de licentie vallende werken en andere beschermde materialen.
(27)  Aangezien grootschalige digitaliseringsprojecten aanzienlijke investeringen door instellingen voor cultureel erfgoed kunnen inhouden, mogen de volgens de mechanismen van deze richtlijn verleende licenties voor deze instellingen geen hinderpaal vormen om de kosten te dekken voor de licentie en de digitalisering en verspreiding van de onder de licentie vallende werken en andere beschermde materialen.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Er moet op passende wijze informatie worden bekendgemaakt over het huidige en toekomstige gebruik van werken en andere materialen die niet meer in de handel zijn, dat instellingen voor cultureel erfgoed maken op basis van de bij deze richtlijn ingestelde mechanismen voor licentieverlening, en over de bestaande regelingen voor alle rechthebbenden om de toepassing van licenties op hun werken of andere materialen uit te sluiten. Dit is vooral belangrijk voor grensoverschrijdend gebruik binnen de interne markt. Daarom moet worden voorzien in de oprichting van één enkel publiek toegankelijk onlineportaal voor de Unie waar deze informatie gedurende een redelijke termijn voor het publiek beschikbaar wordt gesteld voordat het grensoverschrijdende gebruik plaatsvindt. Krachtens Verordening (EU) nr. 386/2012 van het Europees Parlement en de Raad33 wordt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie belast met bepaalde taken en activiteiten, die het met behulp van de eigen begrotingsmiddelen financiert, met als doel de activiteiten van nationale autoriteiten, de particuliere sector en de instellingen van de Unie te faciliteren en te ondersteunen bij het bestrijden maar ook bij het voorkomen van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten. Daarom is het aangewezen een beroep te doen op dat Bureau voor de oprichting en het beheer van een Europees portaal ten aanzien waar deze informatie toegankelijk wordt gesteld.
(28)  Er moet op passende wijze informatie worden bekendgemaakt over het huidige en toekomstige gebruik van werken en andere materialen die niet meer in de handel zijn, dat instellingen voor cultureel erfgoed maken op basis van de bij deze richtlijn ingestelde mechanismen voor licentieverlening of de uitzondering, en over de bestaande regelingen voor alle rechthebbenden om de toepassing van licenties of de uitzondering op hun werken of andere materialen uit te sluiten. Dit is vooral belangrijk voor grensoverschrijdend gebruik binnen de interne markt. Daarom moet worden voorzien in de oprichting van één enkel publiek toegankelijk onlineportaal voor de Unie waar deze informatie gedurende een redelijke termijn voor het publiek beschikbaar wordt gesteld voordat het grensoverschrijdende gebruik plaatsvindt. Krachtens Verordening (EU) nr. 386/2012 van het Europees Parlement en de Raad wordt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie belast met bepaalde taken en activiteiten, die het met behulp van de eigen begrotingsmiddelen financiert, met als doel de activiteiten van nationale autoriteiten, de particuliere sector en de instellingen van de Unie te faciliteren en te ondersteunen bij het bestrijden maar ook bij het voorkomen van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten. Daarom is het aangewezen een beroep te doen op dat Bureau voor de oprichting en het beheer van een Europees portaal ten aanzien waar deze informatie toegankelijk wordt gesteld.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Om ervoor te zorgen dat de licentieverleningsmechanismen voor werken die niet meer in de handel zijn relevant zijn, correct werken en rechthebbenden voldoende bescherming bieden, dat licenties voldoende bekendheid krijgen en dat de rechtszekerheid ten aanzien van de representativiteit van organisaties voor collectief beheer en de indeling van werken wordt gewaarborgd, dienen de lidstaten sectorspecifiek overleg met belanghebbenden te stimuleren.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30
(30)  Om de licentieverlening voor rechten op audiovisuele werken op video-on-demandplatforms te bevorderen, verplicht deze richtlijn de lidstaten ertoe een onderhandelingsmechanisme op te zetten waarin partijen die bereid zijn om een overeenkomst te sluiten, een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie. Deze instantie moet de partijen bijeenbrengen en hen met professionele en externe adviesverlening ondersteunen bij de onderhandelingen. In dat verband moeten de lidstaten bepalen onder welke voorwaarden het onderhandelingsmechanisme moet verlopen, met inbegrip van de timing en duur van de bijstand bij de onderhandelingen en de toewijzing van de kosten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de administratieve en financiële lasten evenredig blijven om de efficiëntie van het onderhandelingsforum te garanderen.
(30)  Om de licentieverlening voor rechten op audiovisuele werken op video-on-demandplatforms te bevorderen, moeten de lidstaten een onderhandelingsmechanisme opzetten, beheerd door een daartoe aangewezen bestaande of nieuw opgerichte nationale instantie, waarin partijen die bereid zijn om een overeenkomst te sluiten, een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie. De deelname aan dit onderhandelingsmechanisme en de daarop volgende sluiting van overeenkomsten moet vrijwillig zijn. Wanneer bij de onderhandelingen partijen uit verschillende lidstaten betrokken zijn, dienen zij het van tevoren eens te worden over de lidstaat die bevoegd is indien zij besluiten een beroep te doen op het onderhandelingsmechanisme. Deze instantie moet de partijen bijeenbrengen en hen met professionele, onpartijdige en externe adviesverlening ondersteunen bij de onderhandelingen. In dat verband moeten de lidstaten bepalen onder welke voorwaarden het onderhandelingsmechanisme moet verlopen, met inbegrip van de timing en duur van de bijstand bij de onderhandelingen en de verdeling van eventuele kosten, en de samenstelling van deze instanties. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de administratieve en financiële lasten evenredig blijven om de efficiëntie van het onderhandelingsforum te garanderen.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  Behoud van het erfgoed van de Unie is van uiterst belang en moet worden versterkt in het belang van komende generaties. Dit moet worden gerealiseerd door bescherming van onder meer uitgegeven erfgoed. Hiertoe moet een wettig depot worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat publicaties over de Unie, Unierecht, Uniegeschiedenis en -integratie, Uniebeleid en Unie-democratie, institutionele en parlementaire zaken en beleid, en daarmee de intellectuele gedachtegoed in de Unie en toekomstig uitgegeven erfgoed systematisch worden verzameld. Dit erfgoed moet niet alleen worden bewaard in een Unie-archief voor publicaties over Unie-onderwerpen maar ook ter beschikking komen van Unie-burgers en komende generaties. De bibliotheek van het Europees Parlement, de enige instelling die de burgers direct vertegenwoordigt, moet fungeren als depothouder van de Unie. Om uitgevers, drukkers en importeurs niet teveel te belasten worden alleen elektronische publicaties, e-boeken, e-kranten en e-tijdschriften in de bibliotheek van het Europees Parlement gedeponeerd, zodat de gedeponeerde publicaties ter inzage liggen voor research of studie onder toezicht van de EP-bibliotheek. Deze publicaties mogen niet online voor de buitenwereld beschikbaar worden gesteld.
Amendementen 33 en 137
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31
(31)  Een vrije en pluralistische pers is van essentieel belang voor de kwaliteit van de journalistiek en de toegang van burgers tot informatie. Zij levert een fundamentele bijdrage tot het publieke debat en de goede werking van een democratische samenleving. Bij de overgang van de drukpers naar de digitale media worden persuitgevers geconfronteerd met problemen om licenties te verlenen voor onlinegebruik van hun publicaties en daarbij hun investeringen terug te verdienen. Aangezien uitgevers van perspublicaties niet als rechthebbenden worden erkend, is het verlenen en het handhaven van licenties in de digitale omgeving vaak complex en inefficiënt.
(31)  Een vrije en pluralistische pers is van essentieel belang voor de kwaliteit van de journalistiek en de toegang van burgers tot informatie. Zij levert een fundamentele bijdrage tot het publieke debat en de goede werking van een democratische samenleving. Het groeiende onevenwicht tussen machtige platforms en persuitgeverijen, die ook persagentschappen kunnen zijn, heeft reeds tot een aanzienlijke achteruitgang van het medialandschap op regionaal niveau geleid. Bij de overgang van de drukpers naar de digitale media worden persuitgevers en persagentschappen geconfronteerd met problemen om licenties te verlenen voor onlinegebruik van hun publicaties en daarbij hun investeringen terug te verdienen. Aangezien uitgevers van perspublicaties niet als rechthebbenden worden erkend, is het verlenen en het handhaven van licenties in de digitale omgeving vaak complex en inefficiënt.
Amendementen 34 en 138
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32
(32)  De organisatorische en financiële bijdrage die uitgevers leveren in de aanmaak van publicaties van de pers, dient te worden erkend en verder aangemoedigd om de duurzaamheid van het uitgeversbedrijf te garanderen. Daarom moet op het niveau van de Unie een geharmoniseerde rechtsbescherming worden ingesteld met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties. Deze bescherming dient daadwerkelijk te worden gewaarborgd door de invoering in het Unierecht van naburige auteursrechten voor de reproductie en de beschikbaarstelling aan het publiek met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties.
(32)  De organisatorische en financiële bijdrage die uitgevers leveren in de aanmaak van publicaties van de pers, dient te worden erkend en verder aangemoedigd om de duurzaamheid van het uitgeversbedrijf en daardoor de beschikbaarheid van betrouwbare informatie te garanderen. Daarom moet door de lidstaten op het niveau van de Unie een geharmoniseerde rechtsbescherming worden ingesteld met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties in de Unie. Deze bescherming dient daadwerkelijk te worden gewaarborgd door de invoering in het Unierecht van naburige auteursrechten voor de reproductie en de beschikbaarstelling aan het publiek met betrekking tot digitale toepassingen voor perspublicaties om een eerlijke en evenredige vergoeding voor dergelijk gebruik te verkrijgen. Particulier gebruik moet van deze verwijzing worden uitgesloten. Bovendien mag de opname in een zoekmachine niet als een eerlijke en evenredige vergoeding worden beschouwd.
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  Voor de toepassing van deze richtlijn dient een definitie te worden vastgesteld van het begrip perspublicatie in die zin dat het alleen betrekking heeft op journalistieke publicaties, uitgegeven door een dienstenaanbieder, die in welke media dan ook periodiek of regelmatig worden bijgewerkt, met de bedoeling te informeren of te vermaken. Dergelijke publicaties omvatten bijvoorbeeld dag-, week- of maandbladen met een algemene of specifieke inhoud en websites voor nieuws. Periodieke publicaties die voor wetenschappelijk of academische doeleinden worden uitgegeven, zoals wetenschappelijke bladen, mogen niet vallen onder de bescherming die krachtens deze richtlijn aan perspublicaties wordt verleend. Deze bescherming strekt zich niet uit tot handelingen van hyperlinking die geen mededeling aan het publiek vormen.
(33)  Voor de toepassing van deze richtlijn dient een definitie te worden vastgesteld van het begrip perspublicatie in die zin dat het alleen betrekking heeft op journalistieke publicaties, uitgegeven door een dienstenaanbieder, die in welke media dan ook periodiek of regelmatig worden bijgewerkt, met de bedoeling te informeren of te vermaken. Dergelijke publicaties omvatten bijvoorbeeld dag-, week- of maandbladen met een algemene of specifieke inhoud en websites voor nieuws. Periodieke publicaties die voor wetenschappelijk of academische doeleinden worden uitgegeven, zoals wetenschappelijke bladen, mogen niet vallen onder de bescherming die krachtens deze richtlijn aan perspublicaties wordt verleend. Deze bescherming strekt zich niet uit tot handelingen van hyperlinking. De bescherming strekt zich evenmin uit tot feitelijke informatie waarover in journalistieke artikelen van een perspublicatie wordt bericht en belet bijgevolg niemand over dergelijke feitelijke informatie te berichten.
Amendementen 36 en 140
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 34
(34)  De krachtens deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties verleende rechten dienen dezelfde strekking te hebben als de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten van reproductie en beschikbaarstelling aan het publiek, voor zover het om digitale toepassingen gaat. Zij moeten ook worden onderworpen aan dezelfde bepalingen inzake uitzonderingen en beperkingen als die welke gelden voor de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten, waaronder de uitzondering voor citaten ten behoeve van kritieken of recensies, als vastgesteld in artikel 5, lid 3, onder d), van die richtlijn.
(34)  De krachtens deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties verleende rechten dienen dezelfde strekking te hebben als de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten van reproductie en beschikbaarstelling aan het publiek, voor zover het om digitale toepassingen gaat. De lidstaten moeten deze rechten ook kunnen onderwerpen aan dezelfde bepalingen inzake uitzonderingen en beperkingen als die welke gelden voor de in Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten, waaronder de uitzondering voor citaten ten behoeve van kritieken of recensies, als vastgesteld in artikel 5, lid 3, onder d), van die richtlijn.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35
(35)  De bescherming die uit hoofde van deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties wordt verleend, mag geen afbreuk doen aan de rechten van auteurs en andere rechthebbenden op de daarin opgenomen werken en andere materialen, ook wat betreft de reikwijdte waarin auteurs en andere rechthebbenden hun werken of andere beschermde materialen onafhankelijk van de perspublicatie waarvan deze deel uitmaken, kunnen exploiteren. Daarom mogen uitgevers van perspublicaties zich niet beroepen op de hun verleende bescherming ten aanzien van auteurs en andere rechthebbenden. Dit geldt onverminderd contractuele regelingen tussen uitgevers van perspublicaties enerzijds en auteurs en andere rechthebbenden anderzijds.
(35)  De bescherming die uit hoofde van deze richtlijn aan uitgevers van perspublicaties wordt verleend, mag geen afbreuk doen aan de rechten van auteurs en andere rechthebbenden op de daarin opgenomen werken en andere materialen, ook wat betreft de reikwijdte waarin auteurs en andere rechthebbenden hun werken of andere beschermde materialen onafhankelijk van de perspublicatie waarvan deze deel uitmaken, kunnen exploiteren. Daarom mogen uitgevers van perspublicaties zich niet beroepen op de hun verleende bescherming ten aanzien van auteurs en andere rechthebbenden. Dit geldt onverminderd contractuele regelingen tussen uitgevers van perspublicaties enerzijds en auteurs en andere rechthebbenden anderzijds. Ondanks het feit dat de auteurs wier werk is opgenomen in een perspublicatie een gepaste vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun werk op basis van de voorwaarden voor de licentieverlening van hun werk aan de persuitgever, moeten auteurs wier werk is opgenomen in een perspublicatie, recht hebben op een gepast aandeel van de nieuwe bijkomende inkomsten die persuitgevers ontvangen voor bepaalde soorten van voortgezet gebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij met betrekking tot de rechten bedoeld in artikel 11, lid 1, van deze richtlijn. Het bedrag van de aan de auteurs toegewezen vergoeding moet rekening houden met de specifieke industriële licentienormen met betrekking tot werk dat wordt opgenomen in een perspublicatie, die in de respectieve lidstaat als gepast worden aanvaard; en de aan de auteurs toegewezen vergoeding mag geen afbreuk do en aan de licentievoorwaarden die tussen de auteur en de persuitgever werden overeengekomen voor het gebruik van het artikel van de auteur door de persuitgever.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Uitgevers, waaronder uitgevers van perspublicaties, boeken of wetenschappelijke werken, ontplooien hun activiteiten vaak op basis van de overdracht van de rechten van auteurs krachtens contractuele overeenkomsten of wettelijke regelingen. In dit verband verrichten uitgevers een investering met het oog op de exploitatie van de in hun publicaties vervatte werken en kunnen zij in sommige gevallen van inkomsten verstoken blijven wanneer het gebruik van deze werken onder een uitzondering of beperking valt zoals in het geval van kopiëren voor privégebruik en reprografie. In een aantal lidstaten wordt de compensatie voor onder deze uitzonderingen vallende toepassingen gedeeld tussen auteurs en uitgevers. Om rekening te houden met deze situatie en om de rechtszekerheid voor alle betrokken partijen te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat, wanneer een auteur zijn rechten heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven aan een uitgever of met zijn werken op een andere wijze bijdraagt aan een publicatie, en wanneer er systemen bestaan om een compensatie te verlenen voor het door de uitzondering of beperking veroorzaakte nadeel, uitgevers aanspraak kunnen maken op een deel van deze compensatie, terwijl de lasten voor de uitgever om zijn aanspraak te staven niet verder mogen gaan dan hetgeen nodig is in het kader van het bestaande systeem.
(36)  Uitgevers, waaronder uitgevers van perspublicaties, boeken of wetenschappelijke werken en muziekpublicaties, ontplooien hun activiteiten op basis van contractuele overeenkomsten met auteurs. In dit verband verrichten uitgevers een investering en verwerven rechten, op sommige gebieden, waaronder rechten om een deel van de vergoeding binnen organisaties voor collectief beheer van auteurs en uitgevers te eisen, met het oog op de exploitatie van de in hun publicaties vervatte werken en kunnen zij van inkomsten verstoken blijven wanneer het gebruik van deze werken onder een uitzondering of beperking valt zoals in het geval van kopiëren voor privégebruik en reprografie. In een groot aantal lidstaten wordt de compensatie voor onder deze uitzonderingen vallende toepassingen gedeeld tussen auteurs en uitgevers. Om rekening te houden met deze situatie en om de rechtszekerheid voor alle betrokken partijen te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen voorzien in een gelijkwaardig systeem voor de verdeling van de compensatie, indien dergelijk systeem voor 12 november 2015 bestond in die lidstaat. De verdeling van deze vergoeding tussen auteurs en uitgevers kan worden vastgesteld in de interne regels van de organisatie voor collectief beheer die gezamenlijk namens auteurs en uitgevers handelen, of door de lidstaten in een wet of regelgeving, in overeenstemming met het gelijkwaardige systeem dat voor 12 november 2015 in die lidstaat bestond. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regelingen in de lidstaten inzake openbare uitleningsrechten, het beheer van rechten die niet zijn gebaseerd op uitzonderingen of beperkingen van het auteursrecht, zoals verruimde collectieve licentieregelingen, of inzake vergoedingsrechten op basis van het nationale recht.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)   De culturele en creatieve sector speelt een belangrijke rol bij de herindustrialisering van Europa, stimuleert groei en is strategisch goed geplaatst om voor "spill-over" van innovaties naar andere industriesectoren te zorgen. Daarnaast is de culturele en creatieve sector een drijvende kracht achter innovatie en ontwikkeling van ICT in Europa. De culturele en creatieve sector in Europa is goed voor meer dan 12 miljoen voltijdse banen, hetgeen 7,5 % van de beroepsbevolking in de Unie is, en creëert ongeveer 509 miljard EUR toegevoegde waarde voor het bbp (5,3 % van de totale bruto toegevoegde waarde in de EU). De bescherming van auteursrechten en gerelateerde rechten genereert een belangrijk deel van de inkomsten van de culturele en creatieve sector.
Amendementen 40 en 215 rev
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37
(37)  De afgelopen jaren is de werking van de markt voor online-inhoud complexer geworden. Onlinediensten met toegang tot auteursrechtelijk beschermde inhoud die door gebruikers ervan is geüpload zonder dat de rechthebbenden hierbij betrokken zijn, floreren welig en vormen nu een belangrijke bron van toegang tot online-inhoud. Dit heeft invloed op de mogelijkheden voor rechthebbenden om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, hun werken en andere materialen worden gebruikt, alsmede op hun kansen om hiervoor een passende vergoeding te verkrijgen.
(37)  De afgelopen jaren is de werking van de markt voor online-inhoud complexer geworden. Onlinediensten met toegang tot auteursrechtelijk beschermde inhoud die door gebruikers ervan is geüpload zonder dat de rechthebbenden hierbij betrokken zijn, floreren welig en vormen nu een belangrijke bron van toegang tot auteursrechtelijk beschermde online-inhoud. Onlinediensten zijn een middel om de toegang tot cultureel en creatief werk te vergroten, en bieden tal van mogelijkheden voor de culturele en creatieve sector om nieuwe zakelijke modellen te ontwikkelen. Hoewel zij gevarieerde en eenvoudig toegankelijke inhoud voortbrengen, ontstaan ook uitdagingen wanneer auteursrechtelijk beschermde inhoud zonder voorafgaande toestemming van rechthebbenden wordt geüpload. Dit heeft invloed op de mogelijkheden voor rechthebbenden om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, hun werken en andere materialen worden gebruikt, alsmede op hun kansen om hiervoor een passende vergoeding te verkrijgen, aangezien sommige diensten voor door gebruikers geüploade inhoud geen licentieovereenkomsten sluiten omdat zij beweren onder de "veilige haven"-aansprakelijkheidsvrijstelling op grond van Richtlijn 2000/31/EG te vallen.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)   Bepaalde diensten van de informatiemaatschappij zijn, als onderdeel van hun normale gebruik, ontworpen om het publiek toegang te verlenen tot door gebruikers geüploade auteursrechtelijk beschermde inhoud of ander materiaal. De definitie in het kader van deze richtlijn van een aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen omvat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij waarvan een van de belangrijkste doelstellingen is aanzienlijke hoeveelheden door de gebruikers beschikbaar gestelde of geüploade auteursrechtelijk beschermde inhoud op te slaan, het publiek ertoe toegang te verschaffen of te vertonen en die inhoud te optimaliseren, en te promoten om winst te maken, onder meer door het weergeven, taggen, beheer, rangschikken van de geüploade werken of ander materiaal, ongeacht de daarvoor gebruikte middelen, en daarom actief op te treden. Zij kunnen bijgevolg niet profiteren van de vrijstelling van aansprakelijkheid waarin artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG voorziet. De definitie in het kader van deze richtlijn van een aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen omvat niet micro-ondernemingen en kleine ondernemingen in de zin van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie, noch dienstverleners die in een niet-commerciële hoedanigheid optreden, zoals online-encyclopedieën, en verleners van onlinediensten waarbij de inhoud wordt geüpload met toestemming van alle betrokken rechthebbenden, zoals onderwijs- of wetenschappelijke gegevensbanken. Verleners van clouddiensten voor individueel gebruik die geen rechtstreekse toegang tot het publiek verstrekken, open source software-ontwikkelingsplatforms en onlinemarktplaatsen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit de onlinedetailverkoop van fysieke goederen, mogen niet als aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen in het kader van deze richtlijn worden beschouwd.
Amendementen 144, 145 en 146
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 38
(38)  Wanneer aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij voorzien in de opslag van en de toegang tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere materialen die door de gebruikers ervan zijn geüpload, en zodoende verder gaan dan de loutere beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten en een handeling van mededeling aan het publiek verrichten, zijn zij verplicht licentieovereenkomsten met rechthebbenden te sluiten, tenzij zij in aanmerking komen voor de vrijstelling van aansprakelijkheid waarin artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad34 voorziet.
(38)  Aanbieders van onlinediensten om inhoud te delen verrichten een handeling van mededeling aan het publiek en zijn daarom verantwoordelijk voor hun inhoud en moeten daarom billijke en passende licentieovereenkomsten met rechthebbenden sluiten. Wanneer licentieovereenkomsten worden gesloten, moeten zij eveneens, in dezelfde omvang en reikwijdte, betrekking hebben op de aansprakelijkheid van gebruikers wanneer zij optreden in een niet-commerciële hoedanigheid. Overeenkomstig artikel 11, lid 2 bis, strekt de verantwoordelijkheid van aanbieders van online diensten om inhoud te delen als bedoeld in artikel 13 zich niet uit tot handelingen van hyperlinking in het geval van perspublicaties. De dialoog tussen belanghebbenden is essentieel in de digitale wereld. Zij moeten beste paktijken bepalen om de werking van licentieovereenkomsten en de samenwerking tussen aanbieders van onlinediensten om inhoud te delen en rechthebbenden te waarborgen. Bij deze beste praktijken moet rekening worden gehouden met de omvang van de door de dienst aangeboden inhoud die inbreuk maakt op de auteursrechten.
Met betrekking tot artikel 14 moet worden nagegaan of de dienstverlener een actieve rol speelt, onder meer door de presentatie van de geüploade werken of andere materialen te optimaliseren of door deze te promoten, ongeacht de aard van de daarvoor gebruikte middelen.
Om de werking van een licentieovereenkomst te verzekeren moeten aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die zich bezighouden met het opslaan van en het verlenen van publieke toegang tot grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere materialen, passende en evenredige maatregelen nemen, zoals de toepassing van doeltreffende technologieën, om de bescherming van werken of andere materialen te garanderen. Deze verplichting moet ook van toepassing zijn wanneer de aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij in aanmerking komen voor de in artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG omschreven vrijstelling van aansprakelijkheid.
_________________
34 Richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39
(39)  Voor de werking van technologieën, zoals technologieën voor herkenning van inhoud, is het van uiterst belang dat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die zich bezighouden met het opslaan van en het verlenen van publieke toegang tot grote hoeveelheden door de gebruikers ervan geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere materialen, samenwerking aangaan met rechthebbenden. In dergelijke gevallen moeten de rechthebbenden de nodige gegevens verstrekken om de diensten in staat te stellen hun inhoud te onderzoeken, en moeten de diensten met betrekking tot de gebruikte technologieën transparant zijn ten aanzien van de rechthebbenden, die de geschiktheid ervan moeten kunnen beoordelen. De diensten moeten rechthebbenden met name voorzien van informatie over de aard van de gebruikte technologieën, de manier waarop deze worden toegepast en de mate waarin hiermee resultaten worden geboekt bij de herkenning van inhoud van rechthebbenden. Deze technologieën moeten rechthebbenden ook in staat stellen om van aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij informatie te verkrijgen over het gebruik van hun inhoud waarop een overeenkomst van toepassing is.
(39)  De lidstaten dienen te bepalen dat indien rechthebbenden geen licentieovereenkomsten wensen te sluiten, aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en rechthebbenden te goeder trouw moeten samenwerken om te waarborgen dat er op hun diensten geen niet-toegestane beschermde werken en andere materialen beschikbaar zijn. De samenwerking tussen aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en rechthebbenden mag niet leiden tot een verhindering van de beschikbaarheid van werken of ander beschermd materiaal die geen inbreuk vormen, met inbegrip van werken en ander beschermd materiaal waarvoor een uitzondering op of een beperking van het auteursrecht geldt.
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)   De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud doeltreffende en snelle klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen die beschikbaar zijn voor gebruikers indien de in lid 2 bis bedoelde samenwerking tot onterechte verwijdering van hun inhoud leidt. Alle klachten die in het kader van deze mechanismen worden ingediend, dienen onverwijld te worden behandeld. De rechthebbenden dienen hun besluiten te motiveren om willekeurige afwijzing van klachten te voorkomen. Bovendien mag de samenwerking overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 2002/58/EG en de algemene verordening gegevensbescherming niet leiden tot enige identificatie van individuele gebruikers noch de verwerking van hun persoonsgegevens. De lidstaten dienen er tevens voor te zorgen dat de gebruikers toegang hebben tot een onafhankelijk orgaan voor geschillenbeslechting en tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht te laten gelden.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 ter (nieuw)
(39 ter)   Zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze richtlijn dienen de Commissie en de lidstaten dialogen tussen belanghebbenden te organiseren om de beste praktijken te harmoniseren en te definiëren. Zij moeten richtsnoeren uitvaardigen om de werking van licentieovereenkomsten te waarborgen, alsmede richtsnoeren betreffende de samenwerking tussen aanbieders van diensten voor het delen van online-inhoud en houders van rechten voor het gebruik van hun werken of ander materiaal in de zin van deze richtlijn. Bij de vaststelling van beste praktijken moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de grondrechten en de toepassing van uitzonderingen en beperkingen. Ook moet bijzondere aandacht worden besteed aan het waarborgen dat de last voor het MKB passend blijft en dat geautomatiseerde blokkering van inhoud wordt vermeden.
Amendementen 44 en 219
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 quater (nieuw)
(39 quater)   De lidstaten moeten zorgen voor een intermediair mechanisme waardoor aanbieders en rechthebbenden een minnelijke oplossing vinden voor geschillen die voortvloeien uit hun samenwerkingsovereenkomsten. Hiertoe moeten de lidstaten een onpartijdige instantie aanwijzen die over de nodige ervaring en bekwaamheid beschikt om de partijen bij de beslechting van hun geschil bij te staan.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 quinquies (nieuw)
(39 quinquies)   In beginsel moeten rechthebbenden altijd een billijke en passende vergoeding krijgen. Auteurs en uitvoerende kunstenaars die met tussenpersonen, zoals platenmaatschappijen en producenten, overeenkomsten hebben gesloten, moeten van hen een billijke en passende vergoeding krijgen, hetzij via individuele overeenkomsten en/of collectieve arbeidsovereenkomsten, collectieve beheerovereenkomsten of regels die een soortgelijk effect hebben, bijvoorbeeld gezamenlijke verloningsregels. Deze vergoeding moet expliciet in de overeenkomsten worden vermeld volgens de vorm van exploitatie, waaronder online-exploitatie. De lidstaten moeten ook de specifieke kenmerken van elke sector nagaan en moeten kunnen bepalen dat vergoeding wordt geacht billijk en passend te zijn, indien ze wordt bepaald in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomsten of gezamenlijke beloningsovereenkomsten.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40
(40)  Bepaalde rechthebbenden, zoals auteurs en uitvoerende kunstenaars, hebben informatie nodig om de economische waarde te kunnen schatten van hun rechten die op grond van het Unierecht zijn geharmoniseerd. Dit is met name het geval wanneer deze rechthebbenden een licentie verlenen of hun rechten overdragen tegen een vergoeding. Auteurs en uitvoerende kunstenaars bevinden zich gewoonlijk in een zwakkere contractuele positie wanneer zij licenties verlenen of hun rechten overdragen: zij hebben dan ook informatie nodig om de voortdurende economische waarde van hun rechten in te schatten tegenover de vergoeding die zij ontvangen voor hun licentie of overdracht, maar hebben vaak af te rekenen met een gebrek aan transparantie. Voor de transparantie en het evenwicht binnen het stelsel dat de vergoeding voor auteurs en uitvoerende kunstenaars regelt, is het derhalve belangrijk dat hun contractpartners of hun rechtsopvolgers passende informatie verstrekken.
(40)  Bepaalde rechthebbenden, zoals auteurs en uitvoerende kunstenaars, hebben informatie nodig om de economische waarde te kunnen schatten van hun rechten die op grond van het Unierecht zijn geharmoniseerd. Dit is met name het geval wanneer deze rechthebbenden een licentie verlenen of hun rechten overdragen tegen een vergoeding. Auteurs en uitvoerende kunstenaars bevinden zich gewoonlijk in een zwakkere contractuele positie wanneer zij licenties verlenen of hun rechten overdragen: zij hebben dan ook informatie nodig om de voortdurende economische waarde van hun rechten in te schatten tegenover de vergoeding die zij ontvangen voor hun licentie of overdracht, maar hebben vaak af te rekenen met een gebrek aan transparantie. Voor de transparantie en het evenwicht binnen het stelsel dat de vergoeding voor auteurs en uitvoerende kunstenaars regelt, is het derhalve belangrijk dat hun contractpartners of hun rechtsopvolgers alomvattende en relevante informatie verstrekken. De informatie die auteurs en uitvoerende kunstenaars mogen verwachten, moet evenredig zijn en betrekking hebben op alle vormen van exploitatie, directe en indirecte voortgebrachte inkomsten, waaronder inkomsten uit merchandising, en de verschuldigde vergoeding. De informatie over de exploitatie moet ook informatie over de identiteit van elke sublicentienemer of subverkrijger bevatten. De transparantieverplichting moet evenwel alleen van toepassing zijn wanneer relevante auteursrechten betrokken zijn.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 42
(42)  In bepaalde gevallen gelden voor de exploitatie van op het niveau van de Unie geharmoniseerde rechten langlopende contracten die auteurs en uitvoerende kunstenaars weinig mogelijkheden bieden om hierover nieuwe onderhandelingen aan te gaan met hun contractpartners of hun rechtsopvolgers. Onverminderd het recht dat van toepassing is op contracten in de lidstaten, dient daarom een mechanisme te worden ingevoerd, ook in het licht van de transparantie die deze richtlijn verzekert, om de vergoeding aan te passen in gevallen waarin de oorspronkelijke volgens de licentie of de overdracht van rechten overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de betrokken inkomsten en voordelen ten gevolge van de exploitatie van het werk of de vastlegging van de uitvoering. Bij de beoordeling van de situatie moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van elk geval, alsmede met de specifieke kenmerken en praktijken van de verschillende inhoudsindustrieën. Indien de partijen het niet eens worden over de aanpassing van de vergoeding, moet de auteur of de uitvoerende kunstenaar het recht hebben om een vordering in te stellen bij een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit.
(42)  In bepaalde gevallen gelden voor de exploitatie van op het niveau van de Unie geharmoniseerde rechten langlopende contracten die auteurs en uitvoerende kunstenaars weinig mogelijkheden bieden om hierover nieuwe onderhandelingen aan te gaan met hun contractpartners of hun rechtsopvolgers. Onverminderd het recht dat van toepassing is op contracten in de lidstaten, dient daarom een mechanisme te worden ingevoerd, ook in het licht van de transparantie die deze richtlijn verzekert, om de vergoeding aan te passen in gevallen waarin de oorspronkelijke volgens de licentie of de overdracht van rechten overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de betrokken directe en indirecte inkomsten en voordelen ten gevolge van de exploitatie van het werk of de vastlegging van de uitvoering. Bij de beoordeling van de situatie moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van elk geval, met de specifieke kenmerken en praktijken van de verschillende inhoudsindustrieën alsmede met de aard en de bijdrage van het werk van de auteur of de uitvoerend kunstenaar. De organisatie die de auteur of de uitvoerende kunstenaar vertegenwoordigt, kan ook namens hem dergelijk verzoek tot aanpassing van de overeenkomst doen, tenzij het verzoek schadelijk zou zijn voor de belangen van de auteur of de uitvoerende kunstenaar. Indien de partijen het niet eens worden over de aanpassing van de vergoeding, moet de auteur of de uitvoerende kunstenaar of een door hem aangewezen representatieve organisatie het recht hebben om op verzoek van de auteur of de uitvoerend kunstenaar een vordering in te stellen bij een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43
(43)  Auteurs en uitvoerende kunstenaars aarzelen vaak om hun rechten ten aanzien van hun contractpartners af te dwingen voor een rechterlijke instantie. De lidstaten moeten dan ook voorzien in een procedure voor alternatieve geschillenbeslechting om vorderingen in verband met transparantieverplichtingen en het contractaanpassingsmechanisme te behandelen.
(43)  Auteurs en uitvoerende kunstenaars aarzelen vaak om hun rechten ten aanzien van hun contractpartners af te dwingen voor een rechterlijke instantie. De lidstaten moeten dan ook voorzien in een procedure voor alternatieve geschillenbeslechting om vorderingen in verband met transparantieverplichtingen en het contractaanpassingsmechanisme te behandelen. Representatieve organisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars, waaronder organisaties voor collectief beheer en vakbonden, moeten op verzoek van auteurs en uitvoerende kunstenaars dergelijke procedures kunnen inleiden. Details over wie de procedure heeft ingeleid, moeten geheim blijven.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43 bis (nieuw)
(43 bis)  Wanneer auteurs en uitvoerende kunstenaars hun rechten in licentie geven of overdragen, verwachten zij dat hun werk of uitvoering geëxploiteerd wordt. Het gebeurt echter dat werken of uitvoeringen die in licentie zijn gegeven of overgedragen werden, helemaal niet worden geëxploiteerd. Wanneer deze rechten op basis van exclusiviteit werden overgedragen, kunnen auteurs en uitvoerende kunstenaars zich niet tot een andere partner wenden om hun werk te exploiteren. In dergelijk geval en na verloop van een redelijke termijn moeten auteurs en uitvoerende kunstenaars een intrekkingsrecht hebben waardoor zij hun rechten aan een andere persoon kunnen overdragen of bij een andere persoon in licentie kunnen geven. Intrekking moet ook mogelijk zijn wanneer de verkrijger of licentienemer niet aan zijn of haar rapportage-/transparantieverplichting als bedoeld in artikel 14 van deze richtlijn heeft voldaan. Intrekking mag slechts overwogen worden nadat alle stappen van de alternatieve geschillenbeslechting zijn voltooid, in het bijzonder met betrekking tot het rapporteren. Aangezien de exploitatie van werken kan verschillen van sector tot sector, kunnen op nationaal niveau specifieke bepalingen worden genomen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sectoren, zoals de audiovisuele sector, of van de werken en de verwachte exploitatieperioden, waardoor wordt voorzien in termijnen voor het intrekkingsrecht. Om misbruik te voorkomen en rekening te houden met het feit dat het een zekere tijd duurt alvorens een werk daadwerkelijk wordt geëxploiteerd, moeten auteurs en uitvoerende kunstenaars hun intrekkingsrecht slechts kunnen uitoefenen na een bepaalde periode na de conclusie van de licentie- of overdrachtsovereenkomst. Nationale wetgeving moet voorzien in een regeling voor de uitoefening van het intrekkingsrecht in het geval van werken waaraan meerdere auteurs of uitvoerende kunstenaars hebben meegewerkt, rekening houdend met het relatieve belang van de afzonderlijke bijdragen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43 ter (nieuw)
(43 ter)  Ter ondersteuning van de doeltreffende toepassing van de relevante bepalingen van deze richtlijn in de lidstaten, moet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, de uitwisseling van beste praktijken aanmoedigen en een dialoog op Unieniveau bevorderen.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 46
(46)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient te geschieden in overeenstemming met de grondrechten, met inbegrip van het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en daarbij moeten Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad35 en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad36 worden nageleefd.
(46)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient te geschieden in overeenstemming met de grondrechten, met inbegrip van het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en daarbij moeten Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad worden nageleefd. De bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming, met inbegrip van het "recht om te worden vergeten", moeten in acht worden genomen.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 46 bis (nieuw)
(46 bis)   Het is belangrijk te wijzen op het belang van anonimiteit bij het omgaan met persoonsgegevens voor commerciële doeleinden. Daarnaast dient de optie waarbij de standaardsetting inhoudt dat persoonsgegevens bij het gebruik van onlineplatforms niet worden gedeeld, te worden bevorderd.
Amendementen 54 en 238
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Onderwerp en toepassingsgebied
1.  Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld die gericht zijn op verdere harmonisatie van de wetgeving van de Unie met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten in het kader van de interne markt, rekening houdend met name met digitaal en grensoverschrijdend gebruik van beschermde inhoud. Zij bevat ook regels inzake uitzonderingen en beperkingen en inzake de bevordering van de licentieverlening, alsmede regels om te zorgen voor een goed werkende markt voor exploitatie van werken en andere beschermde materialen.
1.  Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld die gericht zijn op verdere harmonisatie van de wetgeving van de Unie met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten in het kader van de interne markt, rekening houdend met name met digitaal en grensoverschrijdend gebruik van beschermde inhoud. Zij bevat ook regels inzake uitzonderingen en beperkingen en inzake de bevordering van de licentieverlening, alsmede regels om te zorgen voor een goed werkende markt voor exploitatie van werken en andere beschermde materialen.
2.  Behalve in de in artikel 6 bedoelde gevallen doet deze richtlijn geen afbreuk aan en is zij op generlei wijze van invloed op de bestaande regels die zijn vastgelegd in de op dit gebied geldende richtlijnen, met name de Richtlijnen 96/9/EG, 2001/29/EG, 2006/115/EG, 2009/24/EG, 2012/28/EU en 2014/26/EU.
2.  Behalve in de in artikel 6 bedoelde gevallen doet deze richtlijn geen afbreuk aan en is zij op generlei wijze van invloed op de bestaande regels die zijn vastgelegd in de op dit gebied geldende richtlijnen, met name de Richtlijnen 96/9/EG, 2000/31/EG, 2001/29/EG, 2006/115/EG, 2009/24/EG, 2012/28/EU en 2014/26/EU.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 – inleidende formule
(1)  „onderzoeksorganisatie”: een universiteit, een onderzoekinstelling of een andere organisatie die hoofdzakelijk tot doel heeft wetenschappelijk onderzoek te verrichten of wetenschappelijk onderzoek te verrichten en onderwijsdiensten te verstrekken:
(1)  „onderzoeksorganisatie”: een universiteit, met inbegrip van de universiteitsbibliotheek, een onderzoekinstelling of een andere organisatie die hoofdzakelijk tot doel heeft wetenschappelijk onderzoek te verrichten of wetenschappelijk onderzoek te verrichten en onderwijsdiensten te verstrekken:
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 – alinea 2
op zodanige wijze dat de toegang tot de door het wetenschappelijk onderzoek voortgebrachte resultaten niet op preferentiële basis kan worden aangewend door een onderneming die een beslissende invloed heeft op dit soort organisatie;
op zodanige wijze dat de toegang tot de door het wetenschappelijk onderzoek voortgebrachte resultaten niet op preferentiële basis kan worden aangewend door een onderneming die een significante invloed heeft op dit soort organisatie;
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
(2)  „tekst- en datamining”: een geautomatiseerde analysetechniek voor ontleding van tekst en gegevens in digitale vorm om informatie te genereren zoals patronen, trends en onderlinge verbanden;
(2)  "tekst- en datamining": een geautomatiseerde analysetechniek waarmee werken en ander materiaal in digitale vorm worden geanalyseerd om informatie te genereren zoals, maar niet beperkt tot, patronen, trends en onderlinge verbanden;
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
(4)  "perspublicatie”: een vastlegging van een verzameling literaire werken van journalistieke aard, die ook andere werken of materialen kan omvatten en die een afzonderlijk element onder één titel vormt in een periodiek uitgegeven of regelmatig bijgewerkte publicatie, zoals een krant of een tijdschrift met een algemene of specifieke inhoud, met als doel informatie te verstrekken over nieuws of andere onderwerpen en die via een of ander medium wordt gepubliceerd op initiatief van of onder redactionele verantwoordelijkheid en controle van een dienstverlener.
(4)  "perspublicatie”: een vastlegging door persuitgevers of persagentschappen van een verzameling literaire werken van journalistieke aard, die ook andere werken of materialen kan omvatten en die een afzonderlijk element onder één titel vormt in een periodiek uitgegeven of regelmatig bijgewerkte publicatie, zoals een krant of een tijdschrift met een algemene of specifieke inhoud, met als doel informatie te verstrekken over nieuws of andere onderwerpen en die via een of ander medium wordt gepubliceerd op initiatief van of onder redactionele verantwoordelijkheid en controle van een dienstverlener. Periodieke publicaties die voor wetenschappelijk of academische doeleinden worden uitgegeven, zoals wetenschappelijke bladen, vallen niet onder deze definitie.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  "werken die niet meer in de handel zijn":
(a)  het gehele werk of ander materiaal, dat in alle bijbehorende versies en uitingen, niet meer beschikbaar is voor het publiek via de gebruikelijke kanalen van de handel;
(b)  een werk of ander materiaal dat nooit in een lidstaat in de handel is geweest, tenzij uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de auteur bezwaar maakte tegen de terbeschikkingstelling aan het publiek;
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)
(4 ter)   "aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen": een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij met als een van de belangrijkste doelstellingen om een aanzienlijke hoeveelheid door de gebruikers geüploade auteursrechtelijk beschermde inhoud of ander beschermd materiaal op te slaan en het publiek ertoe toegang te verschaffen, hetgeen door de dienst wordt geoptimaliseerd en geëxploiteerd met winstoogmerk. Micro-ondernemingen en kleine ondernemingen in de zin van Titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie en dienstverleners die in een niet-commerciële hoedanigheid optreden, zoals online-encyclopedieën, en verleners van onlinediensten waarbij de inhoud wordt geüpload met toestemming van alle betrokken rechthebbenden, zoals onderwijs- of wetenschappelijke gegevensbanken, worden niet beschouwd als aanbieders van diensten voor het delen van online-inhoud in de zin van deze richtlijn. Aanbieders van clouddiensten voor individueel gebruik die geen rechtstreekse toegang tot het publiek verstrekken, open source software-ontwikkelingsplatforms en onlinemarktplaatsen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit de onlinedetailverkoop van fysieke goederen, mogen niet als aanbieder van onlinediensten om inhoud te delen in de zin van deze richtlijn worden beschouwd;
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 quater (nieuw)
(4 quater)  "dienst van de informatiemaatschappij": een dienst als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, onder b), van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad1 bis;
___________
1 bis Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)  "diensten met geautomatiseerde beeldverwijzing": een onlinedienst die via een onlinedienst van een derde automatisch verzamelde grafische werken of kunstwerken of fotografie reproduceert of ter beschikking stelt van het publiek met het oog op indexering en verwijzing.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Tekst- en datamining
Tekst- en datamining
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn voor reproducties en opvragingen door onderzoekorganisaties om tekst- en datamining te verrichten op werken of andere materialen waartoe zij legale toegang hebben met het oog op wetenschappelijk onderzoek.
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn voor reproducties en opvragingen om tekst- en datamining te verrichten op werken of andere materialen waartoe zij legale toegang hebben en verricht om tekst- en datamining te verrichten met het oog op wetenschappelijk onderzoek door deze organisaties.
De lidstaten voorzien erin dat onderwijsinstellingen en instellingen voor cultureel erfgoed die wetenschappelijk onderzoek verrichten in de zin van artikel 2, lid 1, onder a)of b), zodat de toegang tot de door het wetenschappelijk onderzoek voortgebrachte resultaten niet op preferentiële basis kan worden aangewend door een onderneming die een beslissende invloed heeft op dit soort organisatie, eveneens profiteert van de uitzondering waarin dit artikel voorziet.
1 bis.  De reproducties en opvragingen die voor tekst- en datamining worden gemaakt, moeten veilig worden bewaard, bijvoorbeeld door betrouwbare organisaties die voor dit doel werden aangewezen.
2.  Elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering, is niet afdwingbaar.
2.  Elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering, is niet afdwingbaar.
3.  Rechthebbenden kunnen maatregelen nemen met het oog op de veiligheid en de integriteit van de netwerken en gegevensbanken waar de werken of andere materialen worden gehost. Deze maatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.
3.  Rechthebbenden kunnen maatregelen nemen met het oog op de veiligheid en de integriteit van de netwerken en gegevensbanken waar de werken of andere materialen worden gehost. Deze maatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.
4.  De lidstaten moedigen rechthebbenden en onderzoeksorganisaties aan om algemeen aanvaarde beste praktijken vast te stellen met betrekking tot de toepassing van de in lid 3 bedoelde maatregelen.
4.  De lidstaten kunnen blijven voorzien in uitzonderingen voor tekst- en datamining in overeenstemming met artikel 5, lid 3, onder a), van Richtlijn 2001/29/EG.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Optionele uitzondering of beperking voor tekst- en datamining
1.  Onverminderd artikel 3 van deze richtlijn kunnen de lidstaten voorzien in een uitzondering op of een beperking van de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn voor reproducties en opvragingen van legaal toegankelijke werken en ander materiaal die deel uitmaken van het proces van tekst- en datamining, op voorwaarde dat het gebruik van daarin vermelde werken of andere materialen niet uitdrukkelijk werd voorbehouden door hun rechthebbenden, waaronder op machineleesbare wijze.
2.  Reproducties en opvragingen die overeenkomstig lid 1 worden gemaakt, worden uitsluitend voor tekst- en datamining gebruikt.
3.  De lidstaten kunnen blijven voorzien in uitzonderingen voor tekst- en datamining in overeenstemming met artikel 5, lid 3, onder a), van Richtlijn 2001/29/EG.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Gebruik van werken en andere beschermde materialen in digitale en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten
Gebruik van werken en andere beschermde materialen in digitale en grensoverschrijdende onderwijsactiviteiten
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering of beperking op de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn om digitaal gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs, mogelijk te maken voor zover dit wordt gerechtvaardigd door het te bereiken niet-commerciële doel, op voorwaarde dat het gebruik:
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering of beperking op de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn om digitaal gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs, mogelijk te maken voor zover dit wordt gerechtvaardigd door het te bereiken niet-commerciële doel, op voorwaarde dat het gebruik:
(a)  plaatsvindt in de gebouwen van een onderwijsinstelling of door middel van een beveiligd elektronisch netwerk dat alleen toegankelijk is voor de leerlingen of studenten en het onderwijzend personeel van de onderwijsinstelling;
(a)  plaatsvindt in de gebouwen van een onderwijsinstelling of in een andere ruimte waarin de onderwijsactiviteit plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling, of door middel van een beveiligde elektronische omgeving die alleen toegankelijk is voor de leerlingen of studenten en het onderwijzend personeel van de onderwijsinstelling;
(b)  vergezeld gaat van de vermelding van de bron, waaronder de naam van de auteur, tenzij dit niet mogelijk blijkt.
(b)  vergezeld gaat van de vermelding van de bron, waaronder de naam van de auteur, tenzij dit wegens praktische redenen niet mogelijk blijkt.
2.  De lidstaten kunnen bepalen dat de krachtens lid 1 vastgestelde uitzondering niet van toepassing is in het algemeen of met betrekking tot specifieke soorten werken of andere materialen, voor zover passende licenties om de in lid 1 beschreven handelingen toe te staan, vlot beschikbaar zijn op de markt.
2.  De lidstaten kunnen bepalen dat de krachtens lid 1 vastgestelde uitzondering niet van toepassing is in het algemeen of met betrekking tot specifieke soorten werken of andere materialen, zoals materialen die in de eerste plaats bedoeld zijn voor de onderwijsmarkt of bladmuziek, voor zover passende licentieovereenkomsten om ten minste de in lid 1 beschreven handelingen toe te staan, afgestemd zijn op de behoeften en speciale kenmerken van onderwijsinstellingen, vlot beschikbaar zijn op de markt.
De lidstaten die gebruik maken van de in de eerste alinea bedoelde bepaling, nemen de nodige maatregelen om voor onderwijsinstellingen een passende beschikbaarheid en zichtbaarheid van de licenties voor de in lid 1 beschreven handelingen te waarborgen.
De lidstaten die gebruik maken van de in de eerste alinea bedoelde bepaling, nemen de nodige maatregelen om voor onderwijsinstellingen een passende beschikbaarheid en zichtbaarheid van de licenties voor de in lid 1 beschreven handelingen te waarborgen.
3.  Het gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs via beveiligde elektronische netwerken overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering van dit artikel, wordt geacht uitsluitend plaats te vinden in de lidstaat waar de onderwijsinstelling is gevestigd.
3.  Het gebruik van werken en andere materialen dat uitsluitend dient voor illustratie bij het onderwijs via beveiligde elektronische omgevingen overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering van dit artikel, wordt geacht uitsluitend plaats te vinden in de lidstaat waar de onderwijsinstelling is gevestigd.
4.  De lidstaten kunnen voorzien in een billijke vergoeding voor het nadeel dat rechthebbenden hebben geleden ten gevolg van het gebruik van hun werken of andere materialen uit hoofde van lid 1.
4.  De lidstaten kunnen voorzien in een billijke vergoeding voor het nadeel dat rechthebbenden hebben geleden ten gevolg van het gebruik van hun werken of andere materialen uit hoofde van lid 1.
4 bis.   Onverminderd lid 2, is elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering of beperking niet afdwingbaar. De lidstaten waarborgen dat de rechthebbenden het recht hebben royaltyvrije licenties te verlenen om de in lid 1 beschreven handelingen toe te staan, in het algemeen of met betrekking tot specifieke soorten werken of andere materialen naar keuze.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Behoud van het cultureel erfgoed
Behoud van het cultureel erfgoed
De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan instellingen voor cultureel erfgoed kopieën van werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, in welke vorm of welk medium ook kunnen maken, met als enig doel het behoud van dergelijke werken of andere materialen en voor zover dit noodzakelijk voor het behoud daarvan.
1.  De lidstaten voorzien in een uitzondering op de rechten bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan instellingen voor cultureel erfgoed kopieën van werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, in welke vorm of welk medium ook kunnen maken, met als doel het behoud van dergelijke werken of andere materialen en voor zover dit noodzakelijk voor het behoud daarvan.
1 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat materiaal dat voortvloeit uit een handeling van reproductie van materiaal in het publieke domein, niet wordt onderworpen aan auteursrecht of naburige rechten, op voorwaarde dat deze reproductie een getrouwe reproductie is voor het behoud van het oorspronkelijke materiaal.
1 ter.  Elke contractuele bepaling die in strijd is met de in lid 1 bedoelde uitzondering, is niet afdwingbaar.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Gemeenschappelijke bepalingen
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 4, eerste, derde en vijfde alinea, van Richtlijn 2001/29/EG zijn van toepassing op de uitzonderingen en beperkingen waarin deze titel voorziet.
1.  Toegang tot inhoud waarop uit hoofde van deze richtlijn een andere uitzondering valt, geeft gebruikers niet het recht deze te gebruiken uit hoofde van een andere uitzondering.
2.   Artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 4, eerste, derde, vierde en vijfde alinea, van Richtlijn 2001/29/EG zijn van toepassing op de uitzonderingen en beperkingen waarin deze titel voorziet.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Gebruik van werken die niet meer in de handel zijn door instelling voor cultureel erfgoed
Gebruik van werken die niet meer in de handel zijn door instelling voor cultureel erfgoed
1.  De lidstaten bepalen dat wanneer een organisatie voor collectief beheer namens haar leden met een instelling voor cultureel erfgoed een niet-exclusieve licentie voor niet-commerciële doeleinden sluit voor de digitalisering, de distributie, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling van niet meer in de handel zijnde werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, deze niet-exclusieve licentie kan worden uitgebreid tot of kan worden geacht te gelden voor rechthebbenden van dezelfde categorie als die waarvoor de licentie geldt, die niet door de organisatie voor collectief beheer worden vertegenwoordigd, op voorwaarde dat:
1.  De lidstaten bepalen dat wanneer een organisatie voor collectief beheer namens haar leden met een instelling voor cultureel erfgoed een niet-exclusieve licentie voor niet-commerciële doeleinden sluit voor de digitalisering, de distributie, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling van niet meer in de handel zijnde werken of andere materialen die permanent deel uitmaken van hun collectie, deze niet-exclusieve licentie kan worden uitgebreid tot of kan worden geacht te gelden voor rechthebbenden van dezelfde categorie als die waarvoor de licentie geldt, die niet door de organisatie voor collectief beheer worden vertegenwoordigd, op voorwaarde dat:
(a)  de organisatie voor collectief beheer op basis van mandaten van rechthebbenden in ruime mate representatief is voor de rechthebbenden in de categorie werken of andere materialen en voor de rechten die het voorwerp uitmaken van de licentie;
(a)  de organisatie voor collectief beheer op basis van mandaten van rechthebbenden in ruime mate representatief is voor de rechthebbenden in de categorie werken of andere materialen en voor de rechten die het voorwerp uitmaken van de licentie;
(b)  gelijke behandeling wordt gewaarborgd voor alle rechthebbenden met betrekking tot de voorwaarden van de licentie;
(b)  gelijke behandeling wordt gewaarborgd voor alle rechthebbenden met betrekking tot de voorwaarden van de licentie;
(c)  alle rechthebbenden te allen tijde bezwaar kunnen maken tegen het feit dat hun werken of andere materialen worden geacht niet meer in de handel te zijn, en de toepassing van de licentie op hun werken of andere materialen kunnen uitsluiten.
(c)  alle rechthebbenden te allen tijde bezwaar kunnen maken tegen het feit dat hun werken of andere materialen worden geacht niet meer in de handel te zijn, en de toepassing van de licentie op hun werken of andere materialen kunnen uitsluiten.
1 bis.  De lidstaten voorzien in een uitzondering of beperking op de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2001/29/EG, artikel 5, onder a), en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/9/EG, artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/24/EG en artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan instellingen voor cultureel erfgoed kopieën van werken die niet meer in de handel zijn en die permanent deel uitmaken van hun collectie, online kunnen plaatsen voor niet-commerciële doeleinden, op voorwaarde dat:
(a)  de naam van de auteur of een andere rechthebbende wordt vermeld tenzij dat niet mogelijk blijkt te zijn;
(b)  alle rechthebbenden te allen tijde bezwaar kunnen maken tegen het feit dat hun werken of andere materialen worden geacht niet meer in de handel te zijn, en de toepassing van de uitzondering op hun werken of andere materialen kunnen uitsluiten.
1 ter.  De lidstaten kunnen bepalen dat de krachtens lid 1 bis vastgestelde uitzondering niet van toepassing is op sectoren of soorten werken waarvoor gepaste licentiegebaseerde oplossingen, zoals maar niet beperkt tot regelingen als bedoeld in lid 1, beschikbaar zijn. De lidstaten bepalen in overleg met auteurs, andere rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en instellingen voor cultureel erfgoed de beschikbaarheid van verruimde collectieve licentieregelingen voor specifieke sectoren of soorten werken.
2.  Een werk of ander materiaal wordt geacht niet meer in de handel te zijn wanneer het gehele werk of ander materiaal, in alle bijbehorende vertalingen, versies en uitingen, niet beschikbaar is voor het publiek via de gebruikelijke kanalen van de handel en redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het in de handel zal worden gebracht.
2.  De lidstaten kunnen voorzien in een einddatum om te bepalen of een werk dat eerder in de handel was, kan worden beschouwd als een werk dat niet meer in de handel is.
De lidstaten zorgen ervoor, in overleg met rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en instellingen voor cultureel erfgoed, dat de voorschriften om te bepalen of werken en andere materialen overeenkomstig lid 1 in licentie kunnen worden gegeven, niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk en redelijk is en niet de mogelijkheid uitsluiten om te bepalen dat een collectie in haar geheel de status van niet in de handel zijnd werk of materiaal krijgt wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat alle werken of andere materialen in de collectie niet meer in de handel zijn.
De lidstaten zorgen ervoor, in overleg met rechthebbenden, organisaties voor collectief beheer en instellingen voor cultureel erfgoed, dat de voorschriften om te bepalen of werken en andere materialen overeenkomstig lid 1 in licentie kunnen worden gegeven of overeenkomstig lid 1 bis kunnen worden gebruikt, niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk en redelijk is en niet de mogelijkheid uitsluiten om te bepalen dat een collectie in haar geheel de status van niet in de handel zijnd werk of materiaal krijgt wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat alle werken of andere materialen in de collectie niet meer in de handel zijn.
3.  De lidstaten bepalen dat de nodige publiciteitsmaatregelen worden genomen met betrekking tot:
3.  De lidstaten bepalen dat de nodige publiciteitsmaatregelen worden genomen met betrekking tot:
(a)  de aanname dat werken of andere beschermde materialen niet meer in de handel zijn;
(a)  de aanname dat werken of andere beschermde materialen niet meer in de handel zijn;
(b)  de licentie, en met name de toepassing ervan op niet-vertegenwoordigde rechthebbenden;
(b)  elke licentie, en met name de toepassing ervan op niet-vertegenwoordigde rechthebbenden;
(c)  de mogelijkheid voor rechthebbenden om bezwaar te maken, als bedoeld in punt c) van lid 1;
(c)  de mogelijkheid voor rechthebbenden om bezwaar te maken, als bedoeld in punt c) van lid 1 en in punt b) van lid 1 bis;
gedurende een redelijke termijn voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld.
gedurende een termijn van minstens zes maanden voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld.
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde licenties worden aangevraagd bij een organisatie voor collectief beheer die representatief is voor de lidstaat waar:
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde licenties worden aangevraagd bij een organisatie voor collectief beheer die representatief is voor de lidstaat waar:
(a)  de werken of fonogrammen voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen publicatie heeft plaatsgevonden, waar zij voor het eerst zijn uitgezonden, uitgezonderd voor cinematografische en audiovisuele werken;
(a)  de werken of fonogrammen voor het eerst zijn gepubliceerd of, indien er geen publicatie heeft plaatsgevonden, waar zij voor het eerst zijn uitgezonden, uitgezonderd voor cinematografische en audiovisuele werken;
(b)  de producenten van de werken hun zetel of gewone verblijfplaats hebben, voor cinematografische en audiovisuele werken; of
(b)  de producenten van de werken hun zetel of gewone verblijfplaats hebben, voor cinematografische en audiovisuele werken; of
(c)  de instelling voor cultureel erfgoed is gevestigd, wanneer het na redelijke inspanningen niet mogelijk was overeenkomstig de punten a) en b) een lidstaat of een derde land te bepalen.
(c)  de instelling voor cultureel erfgoed is gevestigd, wanneer het na redelijke inspanningen niet mogelijk was overeenkomstig de punten a) en b) een lidstaat of een derde land te bepalen.
5.  De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op werken of andere materialen van ingezetenen van derde landen uitgezonderd wanneer de punten a) en b) van lid 4 van toepassing zijn.
5.  De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op werken of andere materialen van ingezetenen van derde landen uitgezonderd wanneer de punten a) en b) van lid 4 van toepassing zijn.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8
Artikel 8
Artikel 8
Grensoverschrijdende toepassingen
Grensoverschrijdende toepassingen
1.  Werken of andere materialen die onder een krachtens artikel 7 verleende licentie vallen, kunnen in overeenstemming met de voorwaarden van de licentie door de instelling voor cultureel erfgoed worden gebruikt in alle lidstaten.
1.  Werken of andere materialen die niet meer in de handel zijn en die onder artikel 7 vallen, kunnen in overeenstemming met dat artikel door de instelling voor cultureel erfgoed worden gebruikt in alle lidstaten.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie om de identificatie van onder een licentie uit hoofde van artikel 7 vallende werken of andere materialen mogelijk te maken en informatie over de mogelijkheden van rechthebbenden om bezwaar te maken als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), gedurende ten minste zes maanden voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld in andere lidstaten dan die waarin de licentie wordt verleend, en voor de hele geldigheidsduur van de licentie, voor het publiek toegankelijk wordt gesteld via één portaalsite.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie om de identificatie van onder artikel 7 vallende werken of andere materialen mogelijk te maken en informatie over de mogelijkheden van rechthebbenden om bezwaar te maken als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1 bis, onder b), gedurende ten minste zes maanden voordat de werken of andere materialen worden gedigitaliseerd, gedistribueerd, permanent, gemakkelijk en effectief aan het publiek meegedeeld of beschikbaar worden gesteld in andere lidstaten dan die waarin de licentie wordt verleend, en voor de hele geldigheidsduur van de licentie, of in de gevallen van artikel 7, lid 1 bis, waar de instelling voor cultureel erfgoed is gevestigd, voor het publiek toegankelijk wordt gesteld via één portaalsite.
3.  De in lid 2 bedoelde portaalsite wordt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 386/2012 opgericht en beheerd door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.
3.  De in lid 2 bedoelde portaalsite wordt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 386/2012 opgericht en beheerd door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1
De lidstaten verzekeren een regelmatige dialoog met representatieve organisaties van gebruikers en rechthebbenden en met andere relevante belangenorganisaties om per sector de relevantie en de bruikbaarheid van de in artikel 7, lid 1, bedoelde mechanismen voor licentieverlening te bevorderen, om de efficiëntie van de in dit hoofdstuk omschreven waarborgen voor rechthebbenden, met name wat publiciteitsmaatregelen betreft, te verzekeren en indien nodig bijstand te verlenen bij het opstellen van de in artikel 7, lid 2, tweede alinea, bedoelde voorschriften.
De lidstaten verzekeren een regelmatige dialoog met representatieve organisaties van gebruikers en rechthebbenden en met andere relevante belangenorganisaties om per sector de relevantie en de bruikbaarheid van de in artikel 7, lid 1, bedoelde mechanismen voor licentieverlening te bevorderen alsook de in artikel 7, lid 1 bis, bedoelde uitzondering, om de efficiëntie van de in dit hoofdstuk omschreven waarborgen voor rechthebbenden, met name wat publiciteitsmaatregelen betreft, te verzekeren en indien nodig bijstand te verlenen bij het opstellen van de in artikel 7, lid 2, tweede alinea, bedoelde voorschriften.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 10
Onderhandelingsmechanisme
Onderhandelingsmechanisme
De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer partijen die een overeenkomst wensen te sluiten voor de beschikbaarstelling van audiovisuele op video-on-demandplatforms, moeilijkheden ondervinden met betrekking tot de licentieverlening voor de rechten, zij een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie met relevante ervaring. Deze instantie verleent bijstand bij de onderhandelingen en de sluiting van overeenkomsten.
De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer partijen die een overeenkomst wensen te sluiten voor de beschikbaarstelling van audiovisuele op video-on-demandplatforms, moeilijkheden ondervinden met betrekking tot de licentieverlening voor de audiovisuele rechten, zij een beroep kunnen doen op de bijstand van een onpartijdige instantie met relevante ervaring. De onpartijdige instantie die door de lidstaat is opgericht of aangewezen voor de doeleinden van dit artikel verleent aan de partijen bijstand bij de onderhandelingen en de sluiting van overeenkomsten.
Uiterlijk op [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van het in de eerste alinea bedoelde orgaan.
Uiterlijk op [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de instantie die zij overeenkomstig lid 1 oprichten of aanwijzen.
Om de beschikbaarheid van audiovisuele werken op video-on-demandplatforms aan te moedigen, moeten de lidstaten de dialoog tussen de representatieve organisaties van auteurs, producenten, video-on-demandplatforms en andere relevante betrokken partijen stimuleren.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Titel III – hoofdstuk 2 bis (nieuw) – artikel 10 bis (nieuw)
HOOFDSTUK 2 bis
Toegang tot EU- publicaties
Artikel 10 bis
Wettig depot in de Unie
1.  Elke elektronische publicatie over Uniegerelateerde zaken als Unierecht, Uniegeschiedenis en -integratie, Uniebeleid en Unie-democratie, institutionele en parlementaire zaken en beleid, die in de Unie wordt gepubliceerd, moet wettig in de Unie worden gedeponeerd.
2.  De bibliotheek van het Europees Parlement krijgt kosteloos een exemplaar toegestuurd van elke publicatie als bedoeld in lid 1.
3.  Deze verplichting geldt voor uitgevers, drukkers en importeurs van publicaties voor de werken die zij in de Unie uitgeven, drukken of importeren.
4.  Deze publicaties worden na ontvangst opgenomen in de permanente collectie van de EP-bibliotheek. Zij zijn in de EP-bibliotheek uitsluitend voor research- of studiedoeleinden door geaccrediteerde onderzoekers te raadplegen, onder toezicht van de EP-bibliotheek.
5.  De Commissie vaardigt nadere regels uit voor de wijze van aflevering aan de bibliotheek van bedoelde publicaties.
Amendementen 151, 152, 153, 154 en 155
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 11
Bescherming van perspublicaties met betrekking tot digitale toepassingen
Bescherming van perspublicaties met betrekking tot digitale toepassingen
1.  De lidstaten verlenen uitgevers van perspublicaties de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten voor het digitale gebruik van hun perspublicaties.
1.  De lidstaten verlenen uitgevers van perspublicaties de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten zodat zij billijke en evenredige vergoeding krijgen voor het digitale gebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij.
1 bis.   De in lid 1 bedoelde rechten verhinderen niet het legale particuliere en niet-commerciële gebruik van perspublicaties door individuele gebruikers.
2.  De in lid 1 bedoelde rechten doen niet af en zijn op generlei wijze van invloed op rechten waarin de wetgeving van de Unie voorziet voor auteurs en andere rechthebbenden ten aanzien van werken en andere materialen die in een perspublicaties zijn opgenomen. Deze rechten kunnen niet worden tegengeworpen aan deze auteurs en andere rechthebbenden en kunnen hen in het bijzonder niet het recht ontnemen om hun werken en andere materialen te exploiteren onafhankelijk van de perspublicatie waarin zij zijn opgenomen.
2.  De in lid 1 bedoelde rechten doen niet af en zijn op generlei wijze van invloed op rechten waarin de wetgeving van de Unie voorziet voor auteurs en andere rechthebbenden ten aanzien van werken en andere materialen die in een perspublicaties zijn opgenomen. Deze rechten kunnen niet worden tegengeworpen aan deze auteurs en andere rechthebbenden en kunnen hen in het bijzonder niet het recht ontnemen om hun werken en andere materialen te exploiteren onafhankelijk van de perspublicatie waarin zij zijn opgenomen.
2 bis.   De in lid 1 bedoelde rechten strekken zich niet uit tot loutere hyperlinks die vergezeld gaan van losse woorden.
3.  De artikelen 5 tot en met 8 van Richtlijn 2001/29/EG en Richtlijn 2012/28/EU zijn van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde rechten.
3.  De artikelen 5 tot en met 8 van Richtlijn 2001/29/EG en Richtlijn 2012/28/EU zijn van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde rechten.
4.  De in lid 1 bedoelde rechten vervallen 20 jaar na het verschijnen van de perspublicatie. Deze termijn wordt berekend vanaf de eerste dag van januari van het jaar volgend op de datum van publicatie.
4.  De in lid 1 bedoelde rechten vervallen 5 jaar na het verschijnen van de perspublicatie. Deze termijn wordt berekend vanaf de eerste dag van januari van het jaar volgend op de datum van publicatie. De in lid 1 bedoelde rechten zijn niet met terugwerkende kracht van toepassing.
4 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat de auteurs een gepast aandeel krijgen van de bijkomende inkomsten die persuitgevers ontvangen voor het gebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 12
Recht op billijke vergoeding
Recht op billijke vergoeding
De lidstaten kunnen bepalen dat, wanneer een auteur een recht aan een uitgever heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven, deze overdracht of licentie voor de uitgever een afdoende rechtsgrondslag vormt om aanspraak te maken op een deel van de vergoeding voor het gebruik van het werk in het kader van een uitzondering of beperking op het overgedragen of in licentie gegeven recht.
De lidstaten met een systeem voor de verdeling van de vergoeding tussen auteurs en uitgevers voor uitzonderingen en beperkingen kunnen bepalen dat, wanneer een auteur een recht aan een uitgever heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven, deze overdracht of licentie voor de uitgever een afdoende rechtsgrondslag vormt om aanspraak te maken op een deel van de vergoeding voor het gebruik van het werk in het kader van een uitzondering of beperking op het overgedragen of in licentie gegeven recht, op voorwaarde dat een gelijkwaardig systeem voor de verdeling van de vergoeding voor 12 november 2015 bestond in die lidstaat.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de regelingen in de lidstaten inzake openbare uitleningsrechten, het beheer van rechten die niet zijn gebaseerd op uitzonderingen of beperkingen van het auteursrecht, zoals verruimde collectieve licentieregelingen, of inzake vergoedingsrechten op basis van het nationale recht.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Titel IV – Hoofdstuk 1 bis (nieuw) – Artikel 12 bis (nieuw)
HOOFDSTUK 1 bis
Bescherming van organisatoren van sportevenementen
Artikel 12 bis
Bescherming van organisatoren van sportevenementen
De lidstaten verlenen organisatoren van sportevenementen de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG en artikel 7 van Richtlijn 2006/115/EG bedoelde rechten.
Amendementen 156, 157, 158, 159, 160 en 161
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13
Artikel 13
Artikel 13
Gebruik van beschermde inhoud door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaan en toegang daartoe verlenen
Gebruik van beschermde inhoud door aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud die grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaan en toegang daartoe verlenen
1.  Aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die grote hoeveelheden door hun gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaan en publieke toegang daartoe verlenen, nemen in samenwerking met rechthebbenden maatregelen om de werking van overeenkomsten met rechthebbenden voor het gebruik van hun werken of andere materialen te verzekeren en om via samenwerking met de dienstenaanbieders te voorkomen dat op hun diensten door rechthebbenden aangewezen werken of andere materialen beschikbaar worden gesteld. Deze maatregelen, zoals het gebruik van effectieve technologieën voor herkenning van inhoud, zijn passend en evenredig. Dienstenaanbieders verstrekken rechthebbenden passende informatie over de invoering en de werking van de maatregelen, alsmede, indien van toepassing, passende verslagen over de herkenning en het gebruik van de werken en andere materialen.
1.  Onverminderd artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn 2001/29/EG verrichten aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud een handeling van mededeling aan het publiek. Zij moeten derhalve billijke en passende licentieovereenkomsten met de rechthebbenden sluiten.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde dienstverleners klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen die beschikbaar zijn voor gebruikers in geval van geschillen over de toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen.
2.  De door aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud met de rechthebbenden gesloten licentieovereenkomsten voor de in lid 1 bedoelde mededelingshandelingen hebben betrekking op de aansprakelijkheid voor de werken die door de gebruikers van dergelijke onlinediensten voor het delen van inhoud in overeenstemming met de voorwaarden van de licentieovereenkomst worden geüpload, op voorwaarde dat deze gebruikers niet voor commerciële doeleinden handelen.
2 bis.   De lidstaten bepalen dat indien de rechthebbenden geen licentieovereenkomsten wensen te sluiten, de aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en de rechthebbenden te goeder trouw samenwerken om te waarborgen dat er op hun diensten geen niet-toegestane beschermde werken en andere materialen beschikbaar zijn. De samenwerking tussen de aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en de rechthebbenden mag niet leiden tot een verhindering van de beschikbaarheid van werken of ander beschermd materiaal die geen inbreuk vormen, met inbegrip van werken en ander beschermd materiaal waarvoor een uitzondering op of een beperking van het auteursrecht geldt.
2 ter.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud doeltreffende en snelle klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen die beschikbaar zijn voor gebruikers indien de in lid 2 bis bedoelde samenwerking tot onterechte verwijdering van hun inhoud leidt. Alle klachten die in het kader van deze mechanismen worden ingediend, worden onverwijld behandeld en door mensen beoordeeld. De rechthebbenden motiveren hun besluiten om willekeurige afwijzing van klachten te voorkomen. Bovendien mag de samenwerking overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 2002/58/EG en de algemene verordening gegevensbescherming niet leiden tot enige identificatie van individuele gebruikers noch de verwerking van hun persoonsgegevens. De lidstaten zorgen er tevens voor dat de gebruikers toegang hebben tot een onafhankelijk orgaan voor geschillenbeslechting en tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht te laten gelden.
3.  De lidstaten bevorderen indien nodig de samenwerking tussen aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij en rechthebbenden door middel van dialogen met belanghebbenden om beste praktijken, zoals passende en evenredige technologieën voor herkenning van inhoud, te bepalen rekening houdend onder meer met de aard van de diensten, de beschikbaarheid van technologieën en de doeltreffendheid ervan in het licht van de technologische ontwikkelingen.
3.  Vanaf ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] organiseren de Commissie en de lidstaten dialogen tussen belanghebbenden om goede praktijken te bepalen en te harmoniseren en richtsnoeren op te stellen ter waarborging van de werking van licentieovereenkomsten en met het oog op de samenwerking tussen de aanbieders van onlinediensten voor het delen van inhoud en de rechthebbenden voor het gebruik van hun werken en ander beschermd materiaal in de zin van deze richtlijn. Bij de vaststelling van goede praktijken wordt in het bijzonder rekening gehouden met de grondrechten en het gebruik van uitzonderingen en beperkingen en wordt ervoor gezorgd dat kmo's niet onevenredig belast worden en dat inhoud niet automatisch geblokkeerd wordt.
Amendementen 78 en 252
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 bis (nieuw)
Artikel 13 bis
De lidstaten zorgen ervoor dat geschillen tussen rechtsopvolgers en de aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij over de toepassing van artikel 13, lid 1, kunnen worden beslecht door middel van een mechanisme voor alternatieve geschillenbeslechting.
De lidstaten zorgen ervoor dat er een onpartijdige instantie met relevante deskundigheid wordt opgezet of aangewezen om de partijen bij te staan bij de beslechting van hun geschil in het kader van dit mechanisme.
Uiterlijk op [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de oprichting van dit orgaan.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 ter (nieuw)
Artikel 13 ter
Het gebruik van beschermde inhoud door diensten van de informatiemaatschappij met geautomatiseerde beeldverwijzing
De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van diensten van de informatie die aanzienlijke delen van auteursrechtelijk beschermde visuele werken automatisch reproduceren of er automatisch naar verwijzen en die deze werken beschikbaar stellen aan het publiek met het oog op indexering en verwijzing, eerlijke en evenwichtige licentieovereenkomsten sluiten met daartoe verzoekende rechthebbenden teneinde voor hen een eerlijke vergoeding te verzekeren. Deze vergoeding kan beheerd worden door de collectieve beheersorganisatie van de betreffende rechthebbenden.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Hoofdstuk 3 – Artikel -14 (nieuw)
Artikel -14
Beginsel van billijke en evenredige vergoeding
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de auteurs en uitvoerende kunstenaars een billijke en evenredige vergoeding ontvangen voor de exploitatie van hun werken en andere materialen, inclusief online-exploitatie. Dit kan in elke sector worden bereikt door een combinatie van overeenkomsten, waaronder collectieve arbeidsovereenkomsten, en statutaire vergoedingsmechanismen.
2.  Lid 1 is niet van toepassing wanneer een auteur of uitvoerend kunstenaar gratis een niet-exclusief gebruiksrecht toekent aan alle gebruikers.
3.  De lidstaten houden rekening met de specifieke kenmerken van elke sector bij het aanmoedigen van evenredige vergoeding voor door auteurs en uitvoerende kunstenaars verleende rechten.
4.  In overeenkomsten wordt de vergoeding voor elke vorm van exploitatie gespecificeerd.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Transparantieverplichting
Transparantieverplichting
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars op regelmatige basis en rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke sector tijdige, passende en toereikende informatie betreffende de exploitatie van hun werken en uitvoeringen ontvangen van de personen aan wie zij hun rechten hebben overgedragen of in licentie gegeven, met name wat betreft de wijze van exploitatie, de voortgebrachte inkomsten en de verschuldigde vergoeding.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars op regelmatige basis – minstens een keer per jaar – en rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke sector en het relatieve belang van elke afzonderlijke bijdrage, tijdige, passende, nauwkeurige en toereikende informatie betreffende de exploitatie van hun werken en uitvoeringen ontvangen van de personen aan wie zij hun rechten in licentie hebben gegeven of hebben overgedragen, met name wat betreft de wijze van exploitatie, de voortgebrachte directe en indirecte inkomsten en de verschuldigde vergoeding.
1 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de licentienemer of de verkrijger van rechten van auteurs en uitvoerende kunstenaars deze rechten vervolgens in licentie geeft aan een andere partij, deze partij alle in lid 1 bedoelde informatie met de licentienemer of de verkrijger deelt.
De voornaamste licentienemer of verkrijger geeft alle in de eerste alinea bedoelde informatie aan de auteur of de uitvoerend kunstenaar. Die informatie is ongewijzigd, behalve in het geval van commercieel gevoelige informatie zoals gedefinieerd door het Unierecht of het nationale recht, die, onverminderd artikel 15 en artikel 16 bis, onderworpen kan worden aan een geheimhoudingsovereenkomst met het oog op het behoud van een eerlijke concurrentie. Wanneer de voornaamste licentienemer of verkrijger de in deze alinea bedoelde informatie niet tijdig verstrekt, heeft de auteur of de uitvoerende kunstenaar het recht deze informatie rechtstreeks aan de sublicentienemer te vragen.
2.  De in lid 1 bedoelde verplichting is evenredig en doeltreffend en waarborgt een passend niveau van transparantie in elke sector. In gevallen waarin de uit de verplichting voortvloeiende administratieve lasten onevenredig zouden zijn rekening houdend met de bij de exploitatie of de uitvoering van het werk voortgebrachte inkomsten, kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde verplichting echter aanpassen, op voorwaarde dat de verplichting doeltreffend blijft en een passend niveau van transparantie waarborgt.
2.  De in lid 1 bedoelde verplichting is evenredig en doeltreffend en waarborgt een hoog niveau van transparantie in elke sector. In gevallen waarin de uit de verplichting voortvloeiende administratieve lasten onevenredig zouden zijn rekening houdend met de bij de exploitatie of de uitvoering van het werk voortgebrachte inkomsten, kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde verplichting echter aanpassen, op voorwaarde dat de verplichting doeltreffend blijft en een hoog niveau van transparantie waarborgt.
3.  De lidstaten kunnen bepalen dat de in lid 1 bedoelde verplichting niet van toepassing is wanneer de bijdrage van de auteur of de uitvoerende kunstenaar niet significant is gelet op het geheel van het werk of de uitvoering.
4.  Lid 1 is niet van toepassing op de entiteiten die onderworpen zijn aan de transparantieverplichtingen als vastgesteld in Richtlijn 2014/26/EU.
4.  Lid 1 is niet van toepassing op de entiteiten die onderworpen zijn aan de transparantieverplichtingen als vastgesteld in Richtlijn 2014/26/EU noch op de collectieve arbeidsovereenkomsten, wanneer deze verplichtingen of overeenkomsten voorzien in transparantievereisten zoals die in lid 2.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars het recht hebben van de partij met wie zij een contract voor de exploitatie van de rechten hebben gesloten, een aanvullende, passende vergoeding te vragen wanneer de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de desbetreffende inkomsten en voordelen die voortvloeien uit de exploitatie van de werken of uitvoeringen.
De lidstaten zorgen er, bij gebrek aan collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een vergelijkbaar mechanisme, voor dat auteurs en uitvoerende kunstenaars, of een belangenorganisatie die hen vertegenwoordigt, het recht hebben van de partij met wie zij een contract voor de exploitatie van de rechten hebben gesloten, een aanvullende, passende en billijke vergoeding te eisen wanneer de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding onevenredig laag is ten opzichte van de desbetreffende directe en indirecte inkomsten en voordelen die voortvloeien uit de exploitatie van de werken of uitvoeringen.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – alinea 1
De lidstaten bepalen dat geschillen betreffende de transparantieverplichting uit hoofde van artikel 14 en het contractaanpassingsmechanisme uit hoofde van artikel 15 kunnen worden onderworpen aan een vrijwillige procedure voor alternatieve geschillenbeslechting.
De lidstaten bepalen dat geschillen betreffende de transparantieverplichting uit hoofde van artikel 14 en het contractaanpassingsmechanisme uit hoofde van artikel 15 kunnen worden onderworpen aan een vrijwillige procedure voor alternatieve geschillenbeslechting. De lidstaten zorgen ervoor dat representatieve organisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars dergelijke procedures kunnen inleiden op verzoek van een of meer auteurs en uitvoerende kunstenaars.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 bis (nieuw)
Artikel 16 bis
Intrekkingsrecht
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een auteur of een uitvoerend kunstenaar zijn of haar rechten op een werk of ander beschermd materiaal op basis van exclusiviteit in licentie heeft gegeven of heeft overgedragen, de auteur of de uitvoerende kunstenaar een intrekkingsrecht heeft als het werk of ander beschermd materiaal niet wordt geëxploiteerd of als er een continu gebrek is aan regelmatige rapportage overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen voorzien in specifieke bepalingen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sectoren of van de werken en de verwachte exploitatieperioden, waardoor wordt voorzien in termijnen voor het intrekkingsrecht.
2.  Het in lid 1 bedoelde intrekkingsrecht kan slechts worden uitgeoefend na een redelijke termijn na de conclusie van de licentie- of overdrachtsovereenkomst en slechts na schriftelijke kennisgeving waarin een passende termijn wordt gesteld tegen wanneer de exploitatie van de in licentie gegeven of overgedragen rechten moet plaatsvinden. Na het verstrijken van deze termijn kan de auteur of de uitvoerende kunstenaar ervoor kiezen de exclusiviteit van de overeenkomst te beëindigen in plaats van de rechten in te trekken. Wanneer een werk of ander materiaal bijdragen van meerdere auteurs of uitvoerende kunstenaars bevat, wordt de uitoefening van het individuele intrekkingsrecht van deze auteurs of uitvoerende kunstenaars geregeld door het nationale recht, waarin de regels over het intrekkingsrecht voor collectieve werken worden vastgesteld rekening houdend met het relatieve belang van de afzonderlijke bijdragen.
3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de niet-uitoefening van de rechten voornamelijk te wijten is aan omstandigheden die de auteur of de uitvoerend kunstenaar redelijkerwijs kunnen oplossen.
4.  Contractuele of andere regelingen die afwijken van het intrekkingsrecht zijn slechts rechtmatig indien zij worden gesloten door middel van een overeenkomst die gebaseerd is op een collectieve arbeidsovereenkomst.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 bis (nieuw)
Artikel 17 bis
De lidstaten kunnen bredere bepalingen aannemen of van kracht houden die verenigbaar zijn met de uitzonderingen en beperkingen in de bestaande Uniewetgeving voor gebruik dat onder de uitzonderingen of beperkingen van deze richtlijn valt.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2
2.   De bepalingen van artikel 11 gelden eveneens voor perspublicaties die vóór [de in artikel 21, lid 1, genoemde datum] zijn gepubliceerd.
Schrappen

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0245/2018).


Controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten ***I
PDF 127kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005 (COM(2016)0825 – C8-0001/2017 – 2016/0413(COD))
P8_TA(2018)0338A8-0394/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0825),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 33 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0001/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de bijdrage van de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden en het Spaanse parlement aan het ontwerp van wetgevingshandeling,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0394/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1672.)

(1) PB C 246 van 28.7.2017, blz. 22.


Strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld ***I
PDF 125kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (COM(2016)0826 – C8-0534/2016 – 2016/0414(COD))
P8_TA(2018)0339A8-0405/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0826),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0534/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de bijdragen die de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, de Tsjechische Senaat en het Spaanse parlement hebben ingediend over het ontwerp van wetgevingshandeling,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie juridische zaken (A8‑0405/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/1673.)


De situatie in Hongarije
PDF 229kWORD 79k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust (2017/2131(INL))
P8_TA(2018)0340A8-0250/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 2 en artikel 7, lid 1,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de protocollen bij dit verdrag,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa, zoals het Europees Sociaal Handvest en het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien zijn resolutie van 17 mei 2017 over de situatie in Hongarije(1),

–  gezien zijn resoluties van 16 december 2015(2) en 10 juni 2015(3) over de situatie in Hongarije,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012)(4),

–  gezien zijn resoluties van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(5) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtstaat en grondrechten(7),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2004 over de mededeling van de Commissie over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 15 oktober 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(9),

–  gezien de jaarverslagen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien de artikelen 45, 52 en 83 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0250/2018),

A.  overwegende dat in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is bepaald dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust en dat dit in het Handvest van grondrechten van de Europese Unie wordt weerspiegeld en dat deze rechten en waarden ook zijn neergelegd in internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat deze waarden, die de lidstaten gemeen hebben en die zij vrijelijk hebben onderschreven, het fundament vormen van de rechten die allen die in de Unie wonen genieten;

B.  overwegende dat het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden door een lidstaat niet alleen gevolgen heeft voor de lidstaat waar dit gevaar zich voordoet, maar ook gevolgen heeft voor de andere lidstaten, voor het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, voor de Unie in haar geheel en voor de rechten van haar burgers krachtens het Unierecht;

C.  overwegende dat, zoals vermeld in de mededeling van de Commissie van 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het toepassingsgebied van artikel 7 VEU zich, anders dan dat van artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, niet beperkt tot verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, en overwegende dat de Unie zich een oordeel mag vormen over het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden op gebieden die tot de bevoegdheden van de lidstaten behoren;

D.  overwegende dat artikel 7, lid 1, VEU voorziet in een preventieve fase, waarin de Unie de mogelijkheid heeft om in te grijpen in het geval van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden; overwegende dat er in deze preventieve fase een dialoog met de betrokken lidstaat moet worden aangegaan, om het opleggen van sancties te voorkomen;

E.  overwegende dat de Hongaarse autoriteiten weliswaar te allen tijde bereid zijn gebleken om van gedachten te wisselen over de rechtmatigheid van maatregelen, maar dat de situatie niet is aangepakt en er nog altijd reden is tot bezorgdheid, en dat een en ander een negatief effect heeft op het imago van de Unie en op haar doeltreffendheid en geloofwaardigheid op het gebied van de verdediging van de grondrechten, mensenrechten en democratie in de wereld, waaruit blijkt dat gecoördineerde maatregelen van de Unie noodzakelijk zijn;

1.  deelt mee dat de punten van zorg van het Parlement betrekking hebben op:

   de werking van het constitutionele bestel en het kiesstelsel;
   de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen en de rechten van rechters;
   corruptie en belangenconflicten;
   bescherming van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming;
   vrijheid van meningsuiting,
   academische vrijheid;
   vrijheid van godsdienst;
   vrijheid van vereniging;
   het recht op gelijke behandeling;
   de rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden, en de bescherming van dergelijke minderheden tegen haatdragende uitlatingen;
   de fundamentele rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen;
   economische en sociale rechten.

2.  is van oordeel dat de feiten en ontwikkelingen die in de bijlage bij deze resolutie worden genoemd, samen een systemische bedreiging vormen voor de in artikel 2 bedoelde waarden en dat er sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van deze waarden;

3.  neemt kennis van de uitslag van de parlementsverkiezingen in Hongarije, die op 8 april 2018 plaatsvonden; wijst erop dat de Hongaarse regering ertoe gehouden is het gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 bedoelde waarden weg te nemen, ook als dit gevaar een blijvend gevolg is van beleidsbeslissingen die zijn voorgesteld of genomen door eerdere regeringen;

4.  dient om die reden, overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU, het bijgevoegde met redenen omkleed voorstel in bij de Raad, en verzoekt de Raad om te bepalen of er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de in artikel 2 bedoelde waarden, en in dit kader aan Hongarije passende aanbevelingen te doen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het daaraan gehechte met redenen omkleed voorstel voor een besluit van de Raad te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

Voorstel voor een Besluit van de Raadhoudende de constatering, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 7, lid 1,

Gezien het met redenen omkleed voorstel van het Europees Parlement,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Unie is gegrondvest op de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde waarden die de lidstaten gemeen hebben, waaronder eerbied voor de democratie en de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. In artikel 49 VEU is bepaald dat de eerbiediging en de bevordering van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden als voorwaarden gelden voor toetreding van een staat tot de EU.

(2)  De toetreding door Hongarije tot de EU was een vrijwillige handeling op basis van een soeverein besluit waarover brede consensus bestond in het hele Hongaarse politieke spectrum.

(3)  In zijn met redenen omkleed voorstel geeft het Europees Parlement uiting aan zijn bezorgdheid over de situatie in Hongarije. Het Parlement geeft aan met name bezorgd te zijn over de werking van het constitutionele bestel, het kiesstelsel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen, de rechten van rechters, corruptie en belangenconflicten, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, de vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging, het recht op gelijke behandeling, de rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden, de bescherming van deze minderheden tegen haatdragende uitlatingen, de fundamentele rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen, en economische en sociale rechten.

(4)  Daarbij wees het Europees Parlement erop dat de Hongaarse autoriteiten weliswaar te allen tijde bereid zijn gebleken om van gedachten te wisselen over de rechtmatigheid van maatregelen, maar hebben nagelaten de in eerdere resoluties van het Parlement aanbevolen maatregelen te treffen.

(5)  In zijn resolutie van 17 mei 2017 over de situatie in Hongarije stelde het Europees Parlement dat de huidige situatie in Hongarije wijst op een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden en dat inleiding van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU gerechtvaardigd is.

(6)  In haar mededeling van 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vermeldt de Commissie diverse informatiebronnen die in aanmerking moeten worden genomen bij het volgen van de eerbiediging en bevordering van gemeenschappelijke waarden, zoals verslagen van internationale organisaties en ngo's en uitspraken van regionale en internationale rechtbanken. Veel actoren op nationaal, Europees en internationaal niveau, zoals de instellingen en organen van de Unie, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Verenigde Naties (VN) en talloze maatschappelijke organisaties, hebben hun diepe bezorgdheid geuit over de situatie op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije, maar deze uitlatingen moeten als juridisch niet bindend worden beschouwd, aangezien alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om de bepalingen van de Verdragen uit te leggen.

De werking van het constitutionele bestel en het kiesstelsel

(7)  De Commissie van Venetië heeft diverse malen haar zorgen geuit over het grondwetgevend proces in Hongarije, zowel wat betreft de grondwet zelf als wat betreft de diverse herzieningen daarvan. Zij heeft verklaard ingenomen te zijn met het feit dat de grondwet een constitutionele orde in het leven roept die democratie, de rechtstaat en bescherming van de fundamentele rechten als onderliggende beginselen heeft, en heeft haar waardering uitgesproken voor de inspanningen van Hongarije om een constitutionele orde tot stand te brengen die overeenstemt met de gemeenschappelijke Europese democratische normen en waarden, en de grondrechten en de fundamentele vrijheden te regelen overeenkomstig bindende internationale instrumenten. Kritiek richtte zich vooral op het gebrek aan transparantie tijdens het proces, het gebrek aan betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, het ontbreken van echte raadpleging, het onder druk staan van de scheiding der machten en de verzwakking van het systeem van "checks and balances" in het land.

(8)  De grondwetswijzigingen hebben tot gevolg dat de bevoegdheden van het Hongaarse Constitutioneel Hof zijn ingeperkt, onder meer op het gebied van de begroting, dat de actio popularis is afgeschaft, dat het Constitutioneel Hof niet langer kan verwijzen naar zijn rechtspraak die dateert van vóór 1 januari 2012 en dat de mogelijkheden van het Hof om de grondwettelijkheid van herzieningen van de grondwet te toetsen zijn ingeperkt (behalve als het gaat om kwesties van procedurele aard). De Commissie van Venetië heeft haar ernstige bezorgdheid geuit over deze beperkingen en over de procedure voor de benoeming van rechters, en heeft in haar advies inzake wet CLI van 2011 betreffende het Constitutioneel Hof van Hongarije d.d. 19 juni 2012 en haar advies over de vierde herziening van de grondwet van Hongarije d.d. 17 juni 2013 aanbevelingen aan de Hongaarse autoriteiten gedaan om te zorgen voor de nodige "checks and balances". In haar adviezen stelde de Commissie van Venetië met betrekking tot de hervormingen tevens een aantal positieve elementen vast, zoals de bepalingen over begrotingsgaranties, het verbod op herverkiezing van rechters en invoering van het recht om een ex-post toetsingsprocedure te starten voor de Hongaarse commissaris voor de grondrechten.

(9)  Het VN-Mensenrechtencomité heeft in zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over het feit dat de huidige procedure voor grondwettelijke klachten leidt tot een beperkter toegang tot het Constitutioneel Hof, niet voorziet in een termijn voor het verrichten van een grondwettelijke toetsing en bovendien geen schorsende werking heeft, zodat de betwiste wetgeving tijdens de procedure van kracht blijft. Daarnaast gaf het VN-Mensenrechtencomité aan dat de bepalingen van de nieuwe wet betreffende het Constitutioneel Hof de ambtszekerheid van rechters aantasten en de invloed van de regering op de samenstelling en de werking van het Constitutioneel Hof vergroten, door de procedures voor de benoeming van rechters, het aantal rechters aan het Hof en de pensioengerechtigde leeftijd van rechters te wijzigen. Voorts sprak het comité zijn zorg uit over de inperking van de bevoegdheden van het Constitutioneel Hof als het gaat om toetsing van wetgeving inzake begrotingsaangelegenheden.

(10)  In haar verslag van 27 juni 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten dat de technische administratie van de verkiezingen professioneel en transparant was en dat de grondrechten en fundamentele vrijheden in het algemeen werden geëerbiedigd, evenwel in een ongunstig klimaat. De verkiezingsadministratie heeft zich professioneel en op transparante wijze van haar opdracht gekweten, genoot het algemene vertrouwen van partijen en werd algemeen als onpartijdig beschouwd. Er werd actief campagne gevoerd, maar de vijandige en intimiderende campagneretoriek waarvan sprake was liet weinig ruimte voor een daadwerkelijk inhoudelijk debat en zorgde ervoor dat het voor de kiezers moeilijk was om weloverwogen hun stem te bepalen. De financiering door de overheid van verkiezingscampagnes en de vastgestelde uitgavenmaxima waren bedoeld om gelijke kansen voor alle kandidaten te waarborgen. Het vermogen van kandidaten om op gelijke voet aan de verkiezingen deel te nemen werd echter aanzienlijk aangetast doordat de regering zeer veel geld uitgaf aan informatiecampagnes die de campagneboodschap van de regeringscoalitie ondersteunden. Aangezien er pas na de verkiezingen rapportagevereisten werden vastgesteld, werd kiezers in wezen informatie over de campagnefinanciering onthouden, terwijl die informatie van cruciaal belang is om een weloverwogen keuze te maken. Ook werden zorgen geuit over de indeling van kiesdistricten met één vertegenwoordiger. Dezelfde zorgen werden geuit in het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië en de OVSE/ODIHR van 18 juni 2012 inzake de wet betreffende de verkiezing van de leden van het parlement van Hongarije, waarin stond dat de indeling van kiesdistricten op transparante en professionele manier moet plaatsvinden, via een eerlijk en onpartijdig proces, waarbij niet tegemoet wordt gekomen aan politieke kortetermijndoelstellingen en waarbij gerrymandering, oftewel kiesrechtgeografie, wordt vermeden.

(11)  De afgelopen jaren heeft de Hongaarse regering regelmatig nationale raadplegingen georganiseerd en daarmee de directe democratie op nationaal niveau uitgebreid. Op 27 april 2017 wees de Commissie erop dat er in het kader van de nationale raadpleging "Stop Brussel" diverse beweringen zijn gedaan en beschuldigingen zijn geuit die feitelijk onjuist en zeer misleidend waren. Daarnaast heeft de Hongaarse regering in mei 2015 een raadpleging gehouden over "immigratie en terrorisme" en in oktober 2017 een raadpleging over het zogeheten "plan-Soros". Bij die raadplegingen werden verbanden gelegd tussen terrorisme en migratie, waarmee de haat tegen migranten werd aangewakkerd, en kwamen met name George Soros en de Europese Unie onder vuur te liggen.

Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen

(12)  In 2011 werden ingrijpende wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot het rechtskader. Daarbij kreeg de president van de nieuw opgerichte Nationale Gerechtelijke Autoriteit verregaande bevoegdheden. De Commissie van Venetië uitte in haar advies inzake wet CLXII van 2011 betreffende de wettelijke status en de bezoldiging van rechters en wet CLXI van 2011 betreffende de organisatie en het bestuur van rechtbanken in Hongarije, aangenomen op 19 maart 2012, en in haar advies inzake de kardinale wetten betreffende de rechterlijke macht, aangenomen op 15 oktober 2012, kritiek op deze verregaande bevoegdheden. Soortgelijke zorgen werden geuit door de speciaal rapporteur van de VN voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten (op 29 februari 2012 en 3 juli 2013), alsmede door de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco), in haar rapport van 27 maart 2015. Al deze actoren hebben gewezen op de noodzaak om de rol van de Nationale Raad voor de Rechtspraak als collectief orgaan en toezichtsinstantie te versterken, omdat de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit, die verkozen wordt door het Hongaarse parlement, niet beschouwd kan worden als orgaan van rechterlijk zelfbestuur. Na internationale aanbevelingen in die zin, werd de status van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit gewijzigd en werden de bevoegdheden van de voorzitter ingeperkt om te zorgen voor een beter evenwicht tussen de voorzitter en de Nationale Raad voor de Rechtspraak.

(13)  Hongarije heeft sinds 2012 goede stappen genomen om bepaalde functies van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit over te hevelen naar de Nationale Raad voor de Rechtspraak, om een beter evenwicht te creëren tussen deze twee organen. Er moeten echter nog meer stappen worden gezet. Greco riep in haar rapport van 27 maart 2015 op tot minimalisatie van de potentiële gevaren van discretionaire besluiten van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit. De voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit heeft onder meer de bevoegdheid om rechters over te plaatsen en te benoemen en speelt tevens een rol op het gebied van het tuchtrecht voor de magistratuur. De voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit doet tevens aanbevelingen aan de president van Hongarije betreffende de benoeming en het ontslag van presidenten van rechtbanken, waaronder de presidenten en vicepresidenten van de hoven van beroep. Greco gaf aan ingenomen te zijn met de onlangs vastgestelde gedragscode voor rechters, maar was van oordeel dat deze nog veel explicieter had kunnen zijn en dat rechters over de code bijgeschoold zouden moeten worden. In haar rapport spreekt Greco waardering uit voor de wijzigingen in de regels voor de procedures inzake de aanwerving en selectie van rechters tussen 2012 en 2014 in Hongarije, waardoor de toezichthoudende rol van de Nationale Raad voor de Rechtspraak met betrekking tot het selectieproces werd versterkt. Op 2 mei 2018 kwam de Nationale Raad voor de Rechtspraak bijeen. Tijdens die zitting werd met eenparigheid van stemmen een aantal besluiten goedgekeurd met betrekking tot de handelwijze van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit om sollicitatieoproepen voor rechterlijke posten en hoge ambten af te keuren, welke handelwijze van de voorzitter onwettig werd verklaard.

(14)  Op 29 mei 2018 presenteerde de Hongaarse regering een ontwerp zevende herziening van de grondwet (T/332). Bij deze herziening, die op 20 juni 2018 werd aangenomen, werd een nieuw systeem van administratieve rechtbanken ingevoerd.

(15)  Na de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ("het Hof van Justitie") van 6 november 2012 in Zaak C-286/12, Commissie/Hongarije(10), waarin het Hof van Justitie oordeelde dat Hongarije, door een nationale regeling vast te stellen die rechters, officieren van justitie en notarissen die de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, verplicht hun ambt neer te leggen, niet had voldaan aan de krachtens het recht van de Unie op hem rustende verplichtingen, heeft het Hongaarse parlement wet XX van 2013 vastgesteld, waarin wordt bepaald dat de pensioenleeftijd over een periode van tien jaar geleidelijk wordt verlaagd en waarin de criteria zijn vastgelegd voor herstel of compensatie. Op grond van deze wet hebben gepensioneerde rechters het recht om onder dezelfde voorwaarden als die van vóór de pensioenregeling naar hun oude post terug te keren, ofwel – als ze niet willen terugkeren – recht op een forfaitaire compensatie van twaalf maanden voor gederfde bezoldiging, waarbij ze bij de rechtbank een eis voor verdere compensatie kunnen indienen. Terugkeer op belangrijke administratieve posities wordt echter niet gegarandeerd. Desondanks heeft de Commissie de maatregelen van Hongarije om zijn pensioenwetgeving in overeenstemming te brengen met het EU-recht erkend. Het mensenrechteninstituut van de International Bar Association stelde in zijn rapport van oktober 2015 dat de meerderheid van de rechters waarvan de arbeidsbetrekking was beëindigd, niet in hun ambt zijn hersteld, onder meer omdat hun post inmiddels door een ander werd bekleed. Verder staat in dit rapport dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hongaarse gerechtelijke apparaat niet kan worden gegarandeerd en dat de waarborgen voor de rechtsstaat zijn verzwakt.

(16)  In zijn arrest van 16 juli 2015 in de zaak Gazsó/Hongarije constateerde het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) schending van het recht op een eerlijk proces en van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Het EHRM oordeelde dat het feit dat Hongarije er bij herhaling niet voor zorgt dat procedures tot vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen binnen een redelijke tijd worden afgerond en nalaat om maatregelen vast te stellen krachtens welke genoegdoening kan worden verkregen voor buitensporig lange procedures op nationaal niveau, een dergelijke schending vormt. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven. Het nieuwe wetboek van burgerlijke rechtsvordering van Hongarije, dat in 2016 werd vastgesteld, voorziet in een snellere afwikkeling van civiele procedures door middel van opdeling van procedures in twee fasen. Hongarije heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa laten weten dat de nieuwe wet die op doeltreffende wijze een einde moet gaan maken aan langdurige procedures, in oktober 2018 zal worden aangenomen.

(17)  In zijn arrest van 23 juni 2016, Baka/Hongarije, oordeelde het EHRM dat er sprake was van schending van het recht op toegang tot de rechter en het recht op vrijheid van meningsuiting van András Baka, die in juni 2009 voor een termijn van zes jaar was verkozen tot president van het hooggerechtshof, maar wiens mandaat op grond van de overgangsbepalingen in de grondwet (op grond waarvan de Curia de rechtsopvolger werd van het hooggerechtshof) werd beëindigd. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven. Op 10 maart 2017 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa aangedrongen op maatregelen ter voorkoming van verdere voortijdige beëindiging van het mandaat van rechters om dezelfde redenen, om misbruik ter zake te voorkomen. De Hongaarse regering is van oordeel dat dergelijke maatregelen geen verband houden met de tenuitvoerlegging van het arrest.

(18)  Op 29 september 2008 werd András Jóri voor een termijn van zes jaar benoemd tot commissaris voor gegevensbescherming. Het Hongaarse parlement besloot echter om het gegevensbeschermingssysteem per 1 januari 2012 te hervormen en de commissaris te vervangen door een nationale autoriteit voor gegevensbescherming en vrijheid van informatie. Om die reden moest dhr. Jóri voor het einde van zijn mandaat zijn functie neerleggen. Op 8 april 2014 stelde het Hof van Justitie dat de onafhankelijkheid van toezichthoudende autoriteiten noodzakelijkerwijs inhoudt dat lidstaten verplicht zijn om de duur van het mandaat van dergelijke autoriteiten te eerbiedigen en dat Hongarije in casu de krachtens Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(11) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Hongarije heeft hierop de regels inzake de benoeming van de commissaris gewijzigd, zijn excuses aangeboden en de overeengekomen compensatie betaald.

(19)  De Commissie van Venetië heeft in haar advies inzake wet CLXIII van 2011 betreffende het openbaar ministerie en wet CLXIV van 2011 betreffende de status van de procureur-generaal, openbare aanklagers en andere met vervolging belaste personen en de loopbaan bij het openbaar ministerie van Hongarije, vastgesteld op 19 juni 2012, diverse tekortkomingen geconstateerd. Greco heeft er in haar rapport van 27 maart 2015 bij de Hongaarse autoriteiten op aangedrongen meer stappen te nemen om misbruik te voorkomen en de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie te verbeteren, onder meer door herverkiezing van de procureur-generaal onmogelijk te maken. Daarnaast heeft Greco erop aangedrongen de transparantie van tuchtrechtelijke procedures tegen aanklagers te vergroten en ervoor te zorgen dat de overdracht van zaken van de ene aanklager naar de andere aan strikte criteria en maatstaven onderworpen is. Volgens de Hongaarse regering wordt in het nalevingsrapport 2017 van Greco (dat ondanks aandringen van Greco tijdens plenaire vergaderingen nog niet door Hongarije is bekrachtigd) de vooruitgang die door Hongarije met betrekking tot openbare aanklagers is geboekt, erkend. Aan een tweede nalevingsrapport wordt momenteel gewerkt.

Corruptie en belangenconflicten

(20)  In haar rapport van 27 maart 2015 pleitte Greco voor de vaststelling van gedragscodes voor leden van het Hongaarse parlement met richtsnoeren voor de omgang met belangenconflicten. Daarnaast zouden Hongaarse parlementsleden verplicht moeten worden belangenconflicten ad hoc te melden en zouden voor hen strengere regels moeten gelden voor het indienen van vermogensaangiften. Tevens zouden regels moeten worden ingevoerd op grond waarvan sancties kunnen worden opgelegd voor het indienen van onjuiste vermogensaangiften. Bovendien moeten de vermogensaangiften online worden bekendgemaakt zodat de bevolking daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen. Daarnaast moet er een elektronische databank worden opgericht zodat alle aangiften en wijzigingen daarvan op een transparante manier toegankelijk zijn.

(21)  In haar verslag van 27 juni 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten dat het beperkte toezicht op de financiering van campagnes en het feit dat de herkomst van campagnefondsen niet degelijk wordt onderzocht de transparantie van campagnefinanciering ondermijnen, waardoor kiezers geen weloverwogen keuze kunnen maken, een en ander in strijd met internationale verplichtingen en goede praktijken. De Hongaarse rekenkamer heeft de bevoegdheid de naleving van de wettelijke vereisten te monitoren en te controleren. Het verslag heeft echter geen betrekking op het officiële controleverslag van de Hongaarse Rekenkamer over de parlementsverkiezingen van 2018, aangezien dat verslag nog niet was afgerond.

(22)  Op 7 december 2016 ontving het stuurcomité van het Open Government Partnership (OGP), waarin 75 landen en honderden maatschappelijke organisaties op vrijwillige basis samenwerken, een brief van de Hongaarse regering met daarin de mededeling dat Hongarije zich per direct uit dit partnerschap wenste terug te trekken. De regering van Hongarije had sinds juli 2015 de aandacht van het OGP omdat maatschappelijke organisaties hun zorgen hadden geuit, met name over de inperking van hun bewegingsvrijheid. Niet alle EU-lidstaten hebben zich aangesloten bij het OGP.

(23)  Hongarije ontvangt financiële middelen van Europa ten belope van 4,4 % van zijn bbp. Deze middelen zijn goed voor meer dan de helft van de overheidsinvesteringen. Het aandeel opdrachten dat werd gegund na aanbestedingsprocedures met slechts één enkele inschrijving blijft hoog: 36 % in 2016. Hongarije is het land in de Unie met het hoogste percentage financiële aanbevelingen van OLAF met betrekking tot de structuurfondsen en landbouw voor de periode 2013-2017. In 2016 rondde OLAF een onderzoek af naar een transportproject in Hongarije waarmee 1,7 miljard euro gemoeid was en waaraan diverse internationale specialistische bouwbedrijven deelnamen. Bij dit onderzoek kwamen enkel zeer ernstige onregelmatigheden aan het licht en bij de uitvoering van het project was mogelijk sprake van fraude en corruptie. In 2017 constateerde OLAF tijdens een onderzoek naar 35 contracten voor straatverlichting die gegund waren aan een onderneming die in de betreffende periode geleid werd door de schoonzoon van de Hongaarse premier "ernstige onregelmatigheden" en "belangenverstrengeling". Het rapport ter zake werd door OLAF aan het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling van de Commissie gestuurd, met de aanbeveling om 43,7 miljoen euro terug te vorderen en met justitiële aanbevelingen aan de procureur-generaal van Hongarije. Grensoverschrijdend onderzoek, door OLAF in 2017 uitgevoerd, leidde tot beschuldigingen van potentieel misbruik van middelen van de Unie in het kader van 31 onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. Bij dit onderzoek, dat in Hongarije, Letland en Servië werd uitgevoerd, kwam een systeem van onderaanbesteding aan het licht dat opgezet was om de kosten van projecten kunstmatig te verhogen en te verhullen dat de uiteindelijke leveranciers gelieerde bedrijven waren. OLAF sloot het onderzoek derhalve af met de aanbeveling aan de Commissie om 28,3 miljoen euro terug te vorderen en een justitiële aanbeveling aan de Hongaarse rechterlijke instanties. Hongarije heeft besloten niet deel te nemen aan de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie dat verantwoordelijk is voor het opsporen, vervolgen en voor de rechter brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden.

(24)  Uit het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie blijkt dat de doeltreffendheid van de overheid in Hongarije sinds 1996 achteruit is gegaan en dat Hongarije behoort tot de lidstaten met de minst effectieve overheden. Alle Hongaarse regio's liggen wat betreft de kwaliteit van de overheid ver onder het EU-gemiddelde. Volgens het corruptiebestrijdingsverslag van de EU dat in 2014 door de Commissie werd gepubliceerd wordt corruptie in Hongarije gezien als wijdverbreid (89 %). Volgens het Global Competitiveness Report 2017-2018, gepubliceerd door het Economisch Wereldforum, was de hoge graad van corruptie een van de meest problematische factoren voor het bedrijfsleven in Hongarije.

Privacy- en gegevensbescherming

(25)  In zijn arrest van 12 januari 2016, Szabó en Vissy/Hongarije, oordeelde het EHRM dat er sprake was van schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, omdat er onvoldoende juridische waarborgen waren tegen onrechtmatige geheime surveillance om redenen van nationale veiligheid, onder meer in verband met het gebruik van telecommunicatiediensten. De klagende partij stelde niet dat zij onderworpen was geweest aan geheime surveillancemaatregelen en daarom leek het nemen van individuele maatregelen niet noodzakelijk. Als algemene maatregel is wijziging van de betreffende wetgeving wel noodzakelijk. Momenteel worden voorstellen tot wijziging van de wet op de nationale veiligheidsdiensten besproken door deskundigen van de bevoegde Hongaarse ministeries. Aan dit arrest is dus nog niet volledig uitvoering gegeven.

(26)  Het VN-Mensenrechtencomité heeft in zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over het feit dat het Hongaarse rechtskader inzake heimelijk toezicht om redenen van nationale veiligheid voorziet in de mogelijkheid om communicatie massaal te onderscheppen en onvoldoende waarborgen biedt tegen willekeurige inbreuken op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het comité uitte tevens zorgen over het ontbreken van bepalingen die voorzien in doeltreffende rechtsmiddelen in gevallen van misbruik en in een zo spoedig mogelijke kennisgeving aan de betrokkene, zonder het doel van de beperking in gevaar te brengen, na de beëindiging van de toezichtmaatregel.

Vrijheid van meningsuiting

(27)  Op 22 juni 2015 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake de mediawetgeving (wet CLXXXV betreffende mediadiensten en massamedia, wet CIV betreffende persvrijheid, en de wetgeving inzake belastingheffing op advertentie-inkomsten van de massamedia) van Hongarije, waarin zij aandrong op wijziging van de perswet en de mediawet, met name wat betreft de definitie van illegale media-inhoud, onthulling van journalistieke bronnen en het opleggen van sancties aan mediakanalen. Soortgelijke zorgen werden geuit in de analyse van februari 2011, uitgevoerd in opdracht van het Bureau van de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid, in het advies van de vorige commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de Hongaarse mediawetgeving in het licht van de normen voor de mediavrijheid van de Raad van Europa van 25 februari 2011, alsook in het advies van de deskundigen van de Raad van Europa van 11 mei 2012 over de Hongaarse mediawetgeving. In zijn verklaring van 29 januari 2013 gaf de secretaris-generaal van de Raad van Europa aan ingenomen te zijn met het feit dat besprekingen op het gebied van de media een aantal belangrijke veranderingen hebben teweeggebracht. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa wees in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, echter nogmaals op de overige punten van zorg. Daarnaast vestigde hij de aandacht op de concentratie van media-eigendom en het verschijnsel zelfcensuur en gaf hij aan dat de wettelijke bepalingen waarbij smaad strafbaar wordt gesteld ingetrokken moeten worden.

(28)  In haar advies van 22 juni 2015 inzake de mediawetgeving erkende de Commissie van Venetië ook dat de Hongaarse regering door de jaren heen inspanningen heeft geleverd om de oorspronkelijke tekst van de mediawetten te verbeteren, in overeenstemming met de opmerkingen van verschillende waarnemers, waaronder de Raad van Europa, en verklaarde zij positief gestemd te zijn over de bereidheid van de Hongaarse autoriteiten om de dialoog voort te zetten. Toch wees de Commissie van Venetië op de noodzaak om de regels inzake de verkiezing van de leden van de mediaraad aldus te wijzigen dat alle belangrijke politieke groeperingen en andere maatschappelijk van belang zijnde organisaties eerlijk vertegenwoordigd worden. Voorts gaf zij aan dat de methode voor de benoeming en de positie van de voorzitter van de mediaraad of de voorzitter van de autoriteit voor de media herzien moeten worden, teneinde de concentratie van bevoegdheden te verkleinen en politieke neutraliteit te waarborgen. Op dezelfde wijze moet de raad van bestuur hervormd worden. Daarnaast deed de Commissie van Venetië de aanbeveling om het beheer van publieke omroeporganisaties te decentraliseren en ervoor te zorgen dat het nationale persagentschap niet langer de enige nieuwsleverancier is van de publieke omroeporganisaties. Soortgelijke zorgen werden geuit in de analyse van februari 2011, uitgevoerd in opdracht van het Bureau van de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid, in het advies van de vorige commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de Hongaarse mediawetgeving in het licht van de normen voor de mediavrijheid van de Raad van Europa van 25 februari 2011, alsook in het advies van de deskundigen van de Raad van Europa van 11 mei 2012 over de Hongaarse mediawetgeving. In zijn verklaring van 29 januari 2013 gaf de secretaris-generaal van de Raad van Europa aan ingenomen te zijn met het feit dat besprekingen op het gebied van de media een aantal belangrijke veranderingen hebben teweeggebracht. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa wees in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, echter nogmaals op de overige punten van zorg.

(29)  Op 18 oktober 2012 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake wet CXII van 2011 betreffende informationele privacy en vrijheid van informatie in Hongarije. Het algemene oordeel van de Commissie van Venetië was positief. Desondanks was zij van oordeel dat er nog enkele verbeteringen noodzakelijk waren. Enkele latere wijzigingen van deze wetgeving leidden er echter toe dat het recht op toegang tot regeringsinformatie aanzienlijk werd beperkt. In de analyse van maart 2016, uitgevoerd in opdracht van het Bureau van de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid, werd kritiek geuit op deze wetswijzigingen. Gesteld werd dat de bedragen die in rekening worden gebracht voor directe kosten redelijk lijken, maar dat het in rekening brengen van de tijd die ambtenaren spenderen aan het beantwoorden van verzoeken onredelijk is. Zoals werd opgemerkt in het landverslag 2018 van de Europese Commissie hebben de commissaris voor gegevensbescherming en de rechtbanken, waaronder het Constitutioneel Hof, met betrekking tot transparantie een progressief standpunt ingenomen.

(30)  In haar verslag van 27 juni 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten met betrekking tot de parlementaire verkiezingen van 2018 dat er, onder meer ten gevolge van de recente wetswijzigingen, sprake was van beperking van de toegang tot informatie, de vrijheid van de media en de vrijheid van vereniging, en dat de verslaggeving in de media over de campagne zeer uitvoerig was, maar in hoge mate gepolariseerd, en dat het ontbrak aan kritische analyses als gevolg van de politisering van media-eigendom en de overvloed van publiciteitscampagnes van de regering in de media. De publieke omroep heeft zijn opdracht vervuld en de verschillende partijen gratis zendtijd geboden, maar de nieuwsuitzendingen en politieke commentaren waren duidelijk vóór de bestaande coalitie, hetgeen in strijd is met de internationale normen. De meeste commerciële omroepen waren partijdig, hetzij voor regerings-, hetzij voor oppositiepartijen. Alleen de onlinemedia vormden een platform voor een pluralistisch thematisch politiek debat. Voorts blijkt uit de bevindingen en conclusies dat de politisering van media-eigendom, in combinatie met het restrictieve rechtskader en het ontbreken van een onafhankelijke regelgevingsinstantie voor de media, een negatieve invloed had op de redactionele vrijheid, waardoor de toegang van kiezers tot pluralistische informatie werd belemmerd. Daarnaast werd erop gewezen dat de wetswijzigingen hebben geleid tot onredelijke belemmeringen voor de toegang tot informatie, doordat de definitie van informatie die niet kan worden vrijgegeven werd verruimd en de kosten voor de behandeling van verzoeken om informatie werden verhoogd.

(31)  Het VN-Mensenrechtencomité heeft in zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over de mediawetten en praktijken die de vrijheid van mening en meningsuiting beperken. Het comité maakte zich zorgen over het feit dat het huidige wetgevingskader, na een aantal opeenvolgende wetswijzigingen, geen volledige waarborgen biedt voor een ongecensureerde en ongehinderde pers. Het comité stelde met bezorgdheid vast dat de mediaraad en de autoriteit voor de media te weinig onafhankelijk zijn om hun taken naar behoren te kunnen uitoefenen, en over te ruime regelgevings- en sanctiebevoegdheden beschikken.

(32)  Op 13 april 2018 veroordeelde de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid met klem de bekendmaking door een Hongaars mediakanaal van een lijst met meer dan 200 namen van mensen die volgens het kanaal zouden behoren tot een groep van 2 000 mensen die actief waren om de regering ten val te brengen. De lijst werd op 11 april gepubliceerd door het Hongaarse tijdschrift Figyelő en bevatte de namen van een groot aantal journalisten en diverse andere burgers. Op 7 mei 2018 uitte de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid zijn ernstige bezorgdheid over de weigering van persaccreditatie aan verschillende onafhankelijke journalisten die daardoor geen verslag konden uitbrengen over de constituerende vergadering van het nieuwe Hongaarse parlement. Gesteld werd dat een dergelijke gebeurtenis niet mag worden gebruikt als instrument om de inhoud van kritische verslaggeving te beknotten en dat een dergelijke praktijk een negatief precedent schept voor de nieuwe zittingsperiode van het Hongaarse parlement.

Academische vrijheid

(33)  Op 6 oktober 2017 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake wet XXV van 4 april 2017 tot wijziging van wet CCIV van 2011 betreffende nationaal tertiair onderwijs. De commissie concludeerde dat de invoering van strengere regels zonder zeer gegronde redenen, gekoppeld aan strikte termijnen en ernstige juridische gevolgen, voor buitenlandse universiteiten die reeds in Hongarije zijn gevestigd en daar al vele jaren rechtmatig werkzaam zijn, vanuit het oogpunt van de rechtsstaat en de beginselen en waarborgen van de grondrechten zeer problematisch lijkt. Deze universiteiten en hun studenten worden beschermd door nationale en internationale regels inzake academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en vergadering en het recht op en de vrijheid van onderwijs. De Commissie van Venetië heeft de Hongaarse autoriteiten met name aanbevolen erop toe te zien dat de nieuwe regels inzake de verplichting om over een werkvergunning te beschikken de academische vrijheid niet onevenredig beperken en op niet-discriminerende en flexibele wijze worden toegepast, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit en het internationale karakter van het onderwijs dat reeds door bestaande universiteiten wordt aangeboden. De bezorgdheid over de wijziging van Wet CCIV van 2011 betreffende nationaal tertiair onderwijs wordt ook gedeeld door de speciaal rapporteurs van de VN voor de vrijheid van mening en meningsuiting, voor het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging en voor culturele rechten, wat zij hebben aangegeven in hun verklaring van 11 april 2017. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 wees het VN-Mensenrechtencomité erop dat het opleggen van dergelijke beperkingen van de vrijheid van gedachte, meningsuiting en vereniging, alsook van de academische vrijheid, onvoldoende gerechtvaardigd is.

(34)  Op 17 oktober 2017 verlengde het Hongaarse parlement de termijn waarbinnen buitenlandse universiteiten die in Hongarije actief zijn aan de nieuwe criteria moeten voldoen tot 1 januari 2019, dit op verzoek van de betrokken instellingen en na de aanbeveling van het voorzitterschap van de Hongaarse conferentie van rectoren. De Commissie van Venetië was ingenomen met deze verlenging. Momenteel zijn nog onderhandelingen gaande tussen de Hongaarse regering en de betreffende instellingen voor hoger onderwijs, met name de Central European University, terwijl de juridisch onduidelijke situatie voor buitenlandse universiteiten voortduurt. De Central European University voldoet inmiddels aan de nieuwe vereisten.

(35)  Op 7 december 2017 besloot de Europese Commissie Hongarije naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen omdat de wijziging van wet CCIV van 2011 betreffende het nationale tertiaire onderwijs de activiteiten van universiteiten van binnen en buiten de EU onevenredig beperkt. Tevens stelde de Commissie dat de wet opnieuw in overeenstemming moet worden gebracht met het recht van de Unie. De Commissie concludeerde dat de nieuwe wetgeving een beperking inhoudt van het recht op academische vrijheid, het recht op onderwijs en de vrijheid van ondernemerschap, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het "Handvest") en zoals voortvloeiend uit de wettelijke verplichtingen van de Unie uit hoofde van het internationaal handelsrecht.

(36)  Op 9 augustus 2018 werd bekend dat de Hongaarse regering van plan is om de masteropleiding genderstudies aan de openbare Eötvös Loránd Universiteit (ELTE) op te heffen en dat zij weigert het masterdiploma in genderstudies van de particuliere Centraal-Europese Universiteit te erkennen. Het Europees Parlement wijst erop dat een verkeerde interpretatie van het concept "gender" het maatschappelijk debat in Hongarije heeft bepaald en betreurt de opzettelijke misinterpretatie van de begrippen "gender" en "gendergelijkheid". Het Europees Parlement veroordeelt de aanvallen op vrij onderwijs en onderzoek, vooral op het vlak van genderstudies, waarvan het doel is machtsverhoudingen, discriminatie en de verhoudingen tussen de geslachten in de samenleving te analyseren en oplossingen voor ongelijkheid aan te dragen, en die het doelwit zijn geworden van lastercampagnes. Het Europees Parlement dringt erop aan het fundamentele democratische beginsel van onderwijsvrijheid volledig te herstellen en te beschermen.

Vrijheid van godsdienst

(37)  Op 30 december 2011 nam het Hongaarse parlement wet CCVI van 2011 betreffende de vrijheid van geweten en godsdienst en de juridische status van kerken, gezindten en religieuze gemeenschappen in Hongarije aan. Deze wet trad op 1 januari 2012 in werking. De wet bracht voor een groot aantal religieuze organisaties met zich mee dat hun rechtspersoonlijkheid wijzigde en bracht het aantal wettelijk erkende kerken in Hongarije terug tot 14. In zijn brief van 16 december 2011 aan de Hongaarse autoriteiten uitte de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa zijn zorgen over deze wet. In februari 2012 verhoogde het Hongaarse parlement onder internationale druk het aantal erkende kerken naar 31. Op 19 maart 2012 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake wet CCVI van 2011 betreffende de vrijheid van geweten en godsdienst en de juridische status van kerken, gezindten en religieuze gemeenschappen in Hongarije, waarin zij aangaf dat de wet een aantal vereisten bevat die buitensporig zijn en gebaseerd zijn op willekeurige criteria voor de erkenning van een kerk. Voorts gaf zij aan dat de wet ertoe heeft geleid dat de registratie van honderden voorheen wettelijk erkende kerken ongedaan is gemaakt en dat de wet tot op zekere hoogte leidt tot een ongelijke en zelfs discriminerende behandeling van godsdienstige overtuigingen en gemeenschappen, afhankelijk van het feit of zij al dan niet erkend zijn.

(38)  In februari 2013 oordeelde het Constitutioneel Hof van Hongarije dat het ongedaan maken van de registratie van erkende kerken ongrondwettelijk was. Als reactie op de uitspraak van het Constitutioneel Hof wijzigde het Hongaarse parlement in maart 2013 de grondwet. In juni en september 2013 wijzigde het Hongaarse parlement wet CCVI van 2011 waarmee een tweeledige classificatie werd ingevoerd bestaande uit "religieuze gemeenschappen" en "erkende kerken". In september 2013 voerde het Hongaarse parlement tevens een wijziging van de grondwet door en gaf zichzelf daarmee de bevoegdheid om religieuze gemeenschappen aan te wijzen voor "samenwerking" met de overheid met het oog op "activiteiten van openbaar belang". Daarmee gaf het zichzelf de discretionaire bevoegdheid om met tweederdemeerderheid een religieuze organisatie te erkennen.

(39)  In zijn uitspraak van 8 april 2014 in zaak Magyar Keresztény Mennonita Egyház e.a./Hongarije oordeelde het EHRM dat Hongarije de vrijheid van vereniging had geschonden, voor zover deze verband houdt met de vrijheid van geweten en godsdienst. Het Constitutioneel Hof van Hongarije constateerde dat bepaalde regels inzake de criteria voor de erkenning van kerken ongrondwettelijk waren en beval de wetgevende macht de betreffende regels in overeenstemming te brengen met de eisen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De betrokken wet werd in december 2015 voorgelegd aan het parlement maar kreeg niet de nodige meerderheid. Aan dit arrest is dus nog geen uitvoering gegeven.

Vrijheid van vereniging

(40)  In zijn brief van 9 juli 2014 aan de Hongaarse autoriteiten uitte de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa zijn bezorgdheid over de stigmatiserende uitspraken van politici die vraagtekens plaatsen bij de legitimiteit van de activiteiten van bepaalde ngo's. Aanleiding voor deze uitspraken waren de door het controlebureau van de Hongaarse overheid uitgevoerde controles van ngo's die exploitanten waren en middelen ontvingen van het ngo-fonds van de EER/Norway Grants. De Hongaarse regering heeft een overeenkomst gesloten met het fonds en ten gevolge daarvan worden nog altijd middelen uitgekeerd. De speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten bracht van 8 t/m 16 februari 2016 een bezoek aan Hongarije en gaf in zijn verslag hierover aan dat er sprake is van aanzienlijke problemen, voortvloeiend uit het bestaande juridisch kader voor de uitoefening van de fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van gedachte en meningsuiting, van vreedzame vergadering en van vereniging. Daarnaast gaf hij aan dat ook wetgeving betreffende de nationale veiligheid en migratie kan leiden tot beperkingen voor maatschappelijke organisaties.

(41)  In april 2017 werd een wetsontwerp betreffende transparantie van organisaties die steun uit het buitenland ontvangen aan het Hongaarse parlement voorgelegd, volgens de regering om eisen vast te stellen met het oog op de voorkoming van witwaspraktijken en terrorisme. De commissie van Venetië erkende in 2013 dat er uiteenlopende redenen kunnen bestaan waarom een staat buitenlandse financiering aan banden wil leggen, zoals het streven om witwaspraktijken en financiering van terroristische activiteiten te voorkomen, maar stelde daarbij dat dergelijke legitieme doelstellingen niet als voorwendsel gebruikt mogen worden om controle uit te oefenen op ngo's of om het vermogen van ngo's om hun legitieme werkzaamheden, met name de verdediging van de mensenrechten, uit te oefenen te beperken. Op 26 april 2017 stuurde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa een brief aan de voorzitter van de Hongaarse nationale vergadering, waarin hij wees op het feit dat het wetsontwerp was ingediend tegen de achtergrond van voortdurende opruiende uitspraken van bepaalde leden van de regeringscoalitie, die sommige ngo's vanwege hun inkomstenbronnen openbaar bestempelden als "buitenlandse agenten" en hun legitimiteit betwistten. De term "buitenlandse agenten" komt in het ontwerp evenwel niet voor. Soortgelijke zorgen werden geuit in de verklaring van 7 maart 2017 van de voorzitter van de conferentie van internationale ngo's van de Raad van Europa en de voorzitter van de raad van deskundigen inzake ngo-recht, alsmede in het advies van 24 april 2017 van de raad van deskundigen inzake ngo-recht, en in de verklaring van 15 mei 2017 van de speciale VN-rapporteurs voor de situatie van mensenrechtenactivisten en voor de bevordering en bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting.

(42)  Op 13 juni 2017 keurde het Hongaarse parlement het wetsontwerp met een aantal wijzigingen goed. In haar advies van 20 juni 2017 erkende de Commissie van Venetië dat de term "organisatie die steun uit het buitenland ontvangt" neutraal en beschrijvend is en dat sommige van die wijzigingen een aanzienlijke verbetering inhielden. Tegelijkertijd wees de Commissie van Venetië er echter op dat enkele andere problemen niet waren verholpen, en dat de wijzigingen onvoldoende waren om de bezorgdheid te verminderen dat de wet zou kunnen leiden tot een onevenredige en onnodige inmenging in de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting, het recht op privacy en het verbod op discriminatie. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 wees het VN-Mensenrechtencomité erop dat ontoereikende redenen waren aangevoerd voor het opleggen van dergelijke beperkingen, die onderdeel leken te zijn van een strategie om bepaalde ngo's in diskrediet te brengen, waaronder ngo's die zich bezighielden met de bescherming van de mensenrechten in Hongarije.

(43)  Op 7 december 2017 besloot de Commissie een procedure tegen Hongarije aanhangig te maken, omdat zij van oordeel was dat Hongarije niet voldeed aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van kapitaal. De Commissie was van oordeel dat de ngo-wet bepalingen bevat die een indirecte discriminatie inhouden en donaties vanuit het buitenland aan maatschappelijke organisaties op buitensporige wijze beperken. Bovendien beweerde de Commissie dat Hongarije de vrijheid van vereniging en het recht op bescherming van privéleven en persoonsgegevens, zoals vastgelegd in het Handvest, had geschonden, een en ander bezien in samenhang met de verdragsbepalingen inzake vrij verkeer van kapitaal, zoals vastgelegd in artikel 26, lid 2, en de artikelen 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(44)  In februari 2018 presenteerde de Hongaarse regering een wetgevingspakket bestaande uit drie wetsontwerpen (T/19776, T/19775 en T/19774). Op 14 februari 2018 legden de voorzitter van de conferentie van internationale ngo's van de Raad van Europa en de voorzitter van de raad van deskundigen inzake ngo-recht een verklaring af waarin zij stelden dat het pakket in strijd is met de vrijheid van vereniging, in het bijzonder van ngo's die zich bezighouden met migranten. Soortgelijke zorgen werden op 15 februari 2018 geuit door de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa. Op 8 maart 2018 waarschuwden de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting, de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, de onafhankelijke deskundige inzake mensenrechten en internationale solidariteit, de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten, en de speciale VN-rapporteur voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid dat de wet zou leiden tot onnodige beperkingen op de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting in Hongarije. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uitte het VN-Mensenrechtencomité zijn bezorgdheid dat door te verwijzen naar het "overleven van de natie" en de bescherming van burgers en cultuur, en door de werkzaamheden van ngo's in verband te brengen met een beweerde internationale samenzwering, het gevaar bestaat dat het pakket wetgeving zal leiden tot stigmatisering van ngo's en het beperken van hun mogelijkheden om hun belangrijke werk voor de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van vluchtelingen, asielzoekers en migranten, uit te voeren. Daarnaast was het comité bezorgd dat het opleggen van beperkingen op buitenlandse steun aan ngo's misbruikt zou kunnen worden om onwettige druk uit te oefenen op ngo's en om hun activiteiten op ongerechtvaardigde wijze te ondermijnen. Een van de wetsontwerpen beoogt elke financiering van ngo's vanuit andere landen dan Hongarije, met inbegrip van Europese financiering, te belasten met een tarief van 25%. Daarnaast ontneemt het wetgevingspakket ngo's mogelijkheden om beroep aan te tekenen tegen willekeurige besluiten. Op 22 maart 2018 verzocht de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa de Commissie van Venetië om een advies over het ontwerpwetgevingspakket.

(45)  Op 29 mei 2018 presenteerde de Hongaarse regering een wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten inzake maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie (T/333). Dit ontwerp is een herziene versie van het eerdere wetgevingspakket en voorziet in strafrechtelijke sancties voor het mogelijk maken van illegale immigratie. Dezelfde dag drong het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen aan op intrekking van het voorstel. Daarbij gaf hij uiting aan zijn bezorgdheid dat deze voorstellen, als ze zouden worden aangenomen, ertoe zouden leiden dat personen die gedwongen zijn om te vluchten geen beroep meer kunnen doen op belangrijke hulp en diensten, en dat het toch al zo verhitte maatschappelijk debat verder zou oplaaien en dat de xenofobie in het land verder zou toenemen. Soortgelijke zorgen werden op 1 juni 2018 geuit door de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa. Op 31 mei 2018 verzocht de voorzitter van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa de Commissie van Venetië nogmaals om een advies over het nieuwe voorstel. Het wetsvoorstel werd op 20 juni 2018 aangenomen, voordat de Commissie van Venetië een advies had uitgebracht. Op 21 juni 2018 veroordeelde de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens het besluit van het Hongaarse parlement. Op 22 juni 2018 gaven de Commissie van Venetië en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE aan dat de bepaling inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid een negatieve invloed kan hebben op de activiteiten van organisaties en de vrijheid van meningsuiting, en inbreuk maakt op het recht op vrijheid van vereniging en meningsuiting en om die reden ingetrokken moet worden. Op 19 juli 2018 heeft de Commissie een ingebrekestelling aan Hongarije gestuurd aangaande nieuwe wetgeving die activiteiten ter ondersteuning van asiel- en verblijfsaanvragen strafbaar maakt en die het recht om asiel aan te vragen verder beperkt.

Recht op gelijke behandeling

(46)  Van 17 t/m 27 mei 2016 bracht de VN-Werkgroep inzake discriminatie van vrouwen in de wet en in de praktijk een bezoek aan Hongarije. In haar verslag over dit bezoek gaf de werkgroep aan dat ijveren voor een conservatieve gezinsvorm, die bescherming geniet als essentiële voorwaarde voor het overleven van de natie, niet ten koste mag gaan van de bevordering van de politieke, economische en sociale rechten van de vrouw en de verbetering van hun positie. Tevens wees de werkgroep erop dat het recht op gelijkheid van vrouwen niet uitsluitend gezien moet worden in het licht van de bescherming van kwetsbare groepen, zoals kinderen, ouderen en gehandicapten, omdat vrouwen deel uitmaken van al die groepen. In nieuwe schoolboeken komen nog altijd genderstereotypen voor, waarbij vrouwen de rol van moeder en echtgenote vervullen en moeders soms als minder intelligent worden afgeschilderd dan vaders. Anderzijds erkende de werkgroep de inspanningen van de Hongaarse regering om het evenwicht tussen werk en gezinsleven te bevorderen door middel van de invoering van ruimhartige bepalingen inzake steunverlening aan gezinnen en inzake opvang en onderwijs voor jonge kinderen. In haar verslag van 27 juni 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten met betrekking tot de parlementaire verkiezingen van 2018 in Hongarije dat vrouwen in de politiek ondervertegenwoordigd zijn en dat er geen wettelijke bepalingen zijn ter bevordering van gendergelijkheid bij de verkiezingen. Eén grote partij had op haar nationale kieslijst een vrouwelijke lijsttrekker en enkele partijen besteedden in hun verkiezingsprogramma aandacht aan gendergerelateerde onderwerpen, maar verder was de verbetering van de positie van vrouwen nauwelijks een onderwerp binnen de verkiezingscampagnes. Ook in de media kwam dit onderwerp nauwelijks ter sprake.

(47)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 gaf het VN-Mensenrechtencomité aan verheugd te zijn over de ondertekening van het Verdrag van Istanbul door Hongarije, maar het te betreuren dat, wat betreft de positie van vrouwen in de samenleving, patriarchale stereotypen in Hongarije nog altijd de boventoon voeren, en wees het met bezorgdheid op discriminerende opmerkingen van politici jegens vrouwen. Tevens wees het comité erop dat het Hongaarse wetboek van strafrecht geen volledige bescherming biedt voor vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld. Voorts uitte het comité zijn bezorgdheid over het feit dat vrouwen in leidinggevende functies binnen de overheid, en met name binnen ministeries en het Hongaarse parlement, ondervertegenwoordigd zijn. Het Verdrag van Istanbul is nog niet geratificeerd.

(48)  De Hongaarse grondwet bevat bindende bepalingen inzake de bescherming van de banen van ouders en inzake de naleving van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Als gevolg daarvan bevat het arbeidsrecht bijzondere regels voor vrouwen en voor moeders en vaders die kinderen opvoeden. Op 27 april 2017 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij Hongarije verzoekt Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) correct uit te voeren, dit naar aanleiding van het feit dat de Hongaarse wetgeving voorziet in een uitzondering op het verbod op discriminatie op grond van geslacht die veel breder is dan de uitzondering die genoemde richtlijn toestaat. Op dezelfde datum heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht wegens de niet-nakoming door Hongarije van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad(13), waarin wordt bepaald dat werkgevers verplicht zijn de arbeidsomstandigheden van werknemers die zwanger zijn of borstvoeding geven aan te passen om gevaren voor hun gezondheid of veiligheid te voorkomen. De Hongaarse regering heeft toegezegd de nodige bepalingen van wet CXXV van 2003 betreffende gelijke behandeling en de bevordering van gelijke kansen en wet I van 2012 inzake het arbeidsrecht te wijzigen. Op 7 juni 2018 werd deze zaak gesloten.

(49)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uitte het VN-Mensenrechtencomité zijn bezorgdheid over het feit dat het grondwettelijk verbod op discriminatie niet uitdrukkelijk betrekking heeft op seksuele geaardheid en genderidentiteit en dat de restrictieve definitie van het begrip gezin tot discriminatie kan leiden, omdat bepaalde samenlevingsvormen, bijvoorbeeld paren van hetzelfde geslacht, niet onder die definitie vallen. Daarnaast sprak het comité zijn zorg uit het feit dat lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, met name op het werk en binnen het onderwijs, te maken hebben met geweld, negatieve stereotyperingen en vooroordelen.

(50)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 maakte het VN-Mensenrechtencomité eveneens melding van gedwongen opnames in medische instellingen, het isoleren en gedwongen behandelen van grote groepen mensen met geestelijke, verstandelijke of psychosociale handicaps, gevallen van geweld en wrede, onmenselijke of onterende behandeling en berichten over grote aantallen niet-onderzochte overlijdensgevallen in gesloten inrichtingen.

Rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden, en de bescherming van dergelijke minderheden tegen haatdragende uitlatingen

(51)  De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa gaf in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, aan bezorgd te zijn over de toename van racisme en intolerantie in Hongarije, waarbij zigeunerhaat de meest flagrante vorm van intolerantie is, tot uiting komend in onder meer bijzonder hard optreden en geweld tegen Roma en paramilitaire marsen en patrouilles in dorpen waar Roma wonen. Voorts wees hij erop dat antisemitisme, ondanks het feit dat de Hongaarse autoriteiten antisemitische uitingen hebben veroordeeld, een terugkerend probleem is dat tot uiting komt in haatzaaiende taal en gevallen van geweld tegen joden of joodse eigendommen. Bovendien wees de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa op een heropleving van xenofobie gericht tegen migranten, waaronder asielzoekers en vluchtelingen, en intolerantie jegens andere sociale groepen, zoals LGBTI's en armen en daklozen. De Commissie tegen racisme en vreemdelingenhaat (ECRI) uitte in haar rapport over Hongarije van 9 juni 2015 soortgelijke zorgen.

(52)  Het Raadgevend Comité voor het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden stelde in zijn vierde advies inzake Hongarije, vastgesteld op 25 februari 2016, dat de Roma nog altijd systematisch gediscrimineerd worden en te maken hebben met ongelijkheden op alle gebieden van het leven, zoals huisvesting, werkgelegenheid, gezondheidszorg en maatschappelijke en politieke participatie. In zijn resolutie van 5 juli 2017 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Hongaarse autoriteiten aanbevolen duurzame en doeltreffende inspanningen te verrichten ter voorkoming, bestrijding en bestraffing van ongelijkheid en discriminatie van Roma, in nauw overleg met vertegenwoordigers van de Roma de levensomstandigheden, toegang tot gezondheidszorg en de werkgelegenheid van Roma te verbeteren, doeltreffende maatregelen te nemen om een einde te maken aan de praktijken die ten grondslag liggen aan de aanhoudende segregatie van Roma-kinderen in scholen, en de inspanningen om een einde te maken aan de problemen waar Roma-kinderen op school mee te maken hebben te verdubbelen, te waarborgen dat Roma-kinderen dezelfde kansen hebben op toegang tot goede scholing op alle onderwijsniveaus, en maatregelen te blijven nemen om te voorkomen dat kinderen ten onrechte op speciale scholen of in speciale klassen worden geplaatst. De Hongaarse regering heeft inmiddels een aantal belangrijke maatregelen getroffen om de inclusie van Roma te bevorderen. Op 4 juli 2012 werd een actieplan ter bescherming van de werkgelegenheid vastgesteld om de werkgelegenheid en banen van kansarme werknemers te beschermen en de herintreding van langdurig werklozen te bevorderen. Daarnaast werd de sectorale strategie voor gezondheidszorg "Gezond Hongarije 2014-2020" vastgesteld om de ongelijkheid in de gezondheidszorg te verminderen. In 2014 werd een strategie voor de periode 2014-2020 vastgesteld, gericht op de renovatie van krotwoningen in gesegregeerde nederzettingen. Ondanks al deze maatregelen is volgens het verslag over de grondrechten (2018) van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten het percentage jonge Roma dat geen werk heeft en geen onderwijs of een opleiding volgt in de periode 2011 tot 2016 gestegen van 38% naar 51%.

(53)  In zijn arrest van 29 januari 2013, Horváth en Kiss/Hongarije, kwam het EHRM tot het oordeel dat de geldende Hongaarse wetgeving, zoals die in de praktijk wordt toegepast, in onvoldoende waarborgen voorziet en leidt tot oververtegenwoordiging in speciale scholen en tot segregatie van Roma-kinderen, omdat deze kinderen op grote schaal de diagnose krijgen dat zij een geestelijke achterstand hebben, hetgeen een schending inhoudt van hun recht op onderwijs zonder discriminatie. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven.

(54)  Op 26 mei 2016 stuurde de Commissie de Hongaarse overheid een ingebrekestelling met betrekking tot de Hongaarse wetgeving en de administratieve praktijk die ertoe leidt dat Roma-kinderen binnen het bijzonder onderwijs voor kinderen met een geestelijke beperking sterk oververtegenwoordigd zijn en binnen normale scholen zeer vaak gescheiden onderwijs krijgen. De Hongaarse regering is inmiddels actief in gesprek met de Commissie. De Hongaarse inclusiestrategie richt zich op de bevordering van geïntegreerd onderwijs, vermindering van segregatie, beperking van de overdracht van achterstand van de ene generatie op de andere, en de totstandbrenging van een inclusieve schoolomgeving. Daarnaast biedt de wet op het nationaal openbaar onderwijs vanaf januari 2017 aanvullende waarborgen en voerde de Hongaarse regering in 2011-2015 officiële controles in, gevolgd door maatregelen van overheidsdiensten.

(55)  In zijn arrest van 20 oktober 2015, Balázs/Hongarije, oordeelde het EHRM dat er in deze zaak, die draaide om de vraag of al dan niet rekening was gehouden met de aan een aanval ten grondslag liggende anti-Roma-motieven, sprake was van een schending van het verbod op discriminatie. In zijn arrest van 12 april 2016, R.B./Hongarije, en in zijn arrest van 17 januari 2017, Király en Dömötör/Hongarije, stelde het EHRM een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven vast, omdat er niet naar behoren onderzoek was gedaan naar beschuldigingen van door rassenhaat ingegeven misbruik. In zijn arrest van of 31 oktober 2017, M.F./Hongarije, stelde het EHRM een schending van het verbod op discriminatie en het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling vast, omdat de autoriteiten hadden nagelaten om in een bepaalde kwestie onderzoek te doen naar eventuele achterliggende racistische motieven. Aan deze twee arresten is nog geen uitvoering gegeven. Na de arresten Balázs/Hongarije en R.B./Hongarije zijn evenwel de bestanddelen van het strafbare feit "aanzetten tot geweld of haat tegen de gemeenschap", zoals dat in het wetboek van strafrecht is opgenomen, gewijzigd. Deze wijziging is op 28 oktober 2016 in werking getreden en diende ter uitvoering van Kaderbesluit 2008/913/JBZ(14). In 2011 werd het wetboek van strafrecht gewijzigd om campagnes van extreemrechtse paramilitaire groepen te voorkomen. Daartoe werd het concept van "misdaad in uniform" in de wet opgenomen en werd elke vorm van provocatie en asociaal gedrag die angst teweegbrengt bij leden van een nationale, etnische of religieuze groep strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van maximaal drie jaar.

(56)  Van 29 juni t/m 1 juli 2015 bracht het OVSE-Bureau voor Democratische instellingen en Mensenrechten naar aanleiding van berichten over gedwongen uitzettingen van Roma door het plaatselijk bestuur van de stad Miskolc een bezoek aan Hongarije met het oog op het uitvoeren van een evaluatie ter plaatse. De lokale overheid aldaar had, al voor de wijziging van een plaatselijk besluit van 2014, een reeks maatregelen tegen Roma goedgekeurd en gezaghebbende personen uit de stad deden regelmatig Roma-vijandige uitspraken. Zo bleek uit berichten dat de burgemeester van Miskolc, Ákos Kriza, in februari 2013 had verklaard dat hij de stad wilde zuiveren van "antisociale, geperverteerde Roma", die, aldus de burgemeester, ten onrechte profiteerden van het Nest-programma (Fészekrakó-programma) dat voorziet in huisvestingstoelagen en huur- en onderhoudsvergoedingen voor personen die in sociale appartementen wonen. Deze woorden vormden het startschot voor een reeks uitzettingen en in de loop van die maand werden vijftig van de 273 appartementen uit de betreffende categorie afgebroken, onder meer om grond vrij te maken voor de renovatie van een stadion. Naar aanleiding van een verzoek van de verantwoordelijke overheidsdienst vernietigde het Hooggerechtshof bij besluit van 28 april 2015 de betreffende bepalingen. De commissaris voor de grondrechten en de adjunct-commissaris voor de rechten van nationale minderheden brachten op 5 juni 2015 een gezamenlijk advies uit over de schendingen van de grondrechten van de Roma in Miskolc. Aan de aanbevelingen in dat advies werd door de lokale overheid echter geen gevolg gegeven. Ook de Hongaarse autoriteit voor gelijke behandeling verrichte een onderzoek en zij nam in juli 2015 een besluit waarin zij de plaatselijke overheid verzocht te stoppen met het uitzetten van Roma en een actieplan op te stellen om Roma huisvesting te bieden in overeenstemming met de menselijke waardigheid. Op 26 januari 2016 stuurde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa brieven aan de regeringen van Albanië, Bulgarije, Frankrijk, Hongarije, Italië, Servië en Zweden over gedwongen uitzettingen van Roma. In de brief aan de Hongaarse autoriteiten werden zorgen geuit over de behandeling van Roma in Miskolc. Op 21 april 2016 werd er een actieplan goedgekeurd en in de tussentijd werd er ook een bureau voor sociale huisvesting opgericht. In haar besluit van 14 oktober 2016 stelde de autoriteit voor gelijke behandeling vast dat het gemeentebestuur aan zijn verplichtingen had voldaan. Desondanks stelde ECRI in haar conclusies inzake de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen aan Hongarije, gepubliceerd op 15 mei 2018, dat haar aanbevelingen, ondanks enkele positieve ontwikkelingen op het gebied van de verbetering van de woonsituatie van Roma, niet waren opgevolgd.

(57)  In zijn resolutie van 5 juli 2017 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Hongaarse autoriteiten aanbevolen de dialoog met de joodse gemeenschap te intensiveren en te verduurzamen en de allerhoogste prioriteit te geven aan de bestrijding van antisemitisme in het openbare leven, duurzame inspanningen te verrichten om daden van antisemitisme, waaronder vandalisme en het uiten van haatzaaiende taal, om redenen van ras of etniciteit te voorkomen, vast te stellen, te onderzoeken, te vervolgen en te bestraffen, en om na te denken over een wetswijziging, teneinde een zo goed mogelijke wettelijke bescherming tegen racisme te waarborgen.

(58)  De Hongaarse regering heeft in 2012 bevolen dat de lijfrente van mensen die de holocaust hebben overleefd met 50 % werd opgetrokken, heeft in 2013 het Hongaarse holocaustherdenkingscomité voor 2014 opgericht, heeft het jaar 2014 uitgeroepen tot holocaustherdenkingsjaar, heeft renovatie- en restauratieprogramma's opgestart voor verschillende Hongaarse synagogen en joodse begraafplaatsen, en is zich momenteel aan het voorbereiden op de European Maccabi Games die in 2019 in Boedapest worden gehouden. Bij wet zijn bepaalde handelingen die verband houden met haat of het aanzetten tot haat strafbaar gesteld, zoals antisemitisme, ontkenning van de holocaust of andere denigrerende handelingen. In de periode 2015-2016 was Hongarije voorzitter van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Ondanks dit alles hield de premier van Hongarije op 15 maart 2018 een polemische toespraak waarin hij met betrekking tot George Soros appelleerde aan antisemitische stereotypen en die als strafbare handeling aangemerkt zou kunnen worden.

(59)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 gaf het VN-Mensenrechtencomité uiting aan zijn bezorgdheid over berichten dat Roma nog altijd op grote schaal gediscrimineerd worden en het slachtoffer zijn van uitsluiting, werkloosheid en segregatie op het gebied van huisvesting en onderwijs. Het comité is met name bezorgd over het feit dat er, ondanks de wet op het openbaar onderwijs, nog altijd sprake is van segregatie op scholen, met name kerkelijke en particuliere scholen, en over het feit dat een relatief groot aantal Roma-kinderen naar scholen gaat voor kinderen met een lichte achterstand. Daarnaast uitte het comité zijn bezorgdheid over haatmisdrijven en haatzaaiende taal in de politiek, door de media en op internet, gericht tegen minderheden en dan met name Roma, moslims, migranten en vluchtelingen, onder meer in het kader van door de regering gesponsorde campagnes. Voorts gaf het comité uiting aan zijn bezorgdheid over het bestaan van antisemitische stereotypen. Het comité nam tevens met bezorgdheid nota van beweringen dat het aantal geregistreerde haatmisdrijven zeer laag is omdat de politie beschuldigingen van haatmisdrijven en strafbare uitingen van haatzaaiende taal niet onderzoekt of vervolgt. Ten slotte gaf het comité aan bezorgd te zijn over de berichten over aanhoudende raciale profilering van Roma door de politie.

(60)  In een rechtszaak met betrekking tot het dorp Gyöngyöspata, waar de plaatselijke politie uitsluitend aan Roma boetes oplegde vanwege lichte verkeersovertredingen, oordeelde de rechter in eerste aanleg dat deze handelwijze van de politie aangemerkt kon worden als intimidatie en rechtstreekse discriminatie van Roma, ook al waren de maatregelen op zich niet onrechtmatig. De rechter in tweede aanleg en het Hooggerechtshof oordeelden dat het Hongaars verbond voor burgerlijke vrijheden (Társaság a Szabadságjogokért), dat de zaak aanhangig had gemaakt, niet hard kon maken dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. De zaak ligt nu bij het EHRM.

(61)  Volgens de vierde herziening van de grondwet mag de vrijheid van meningsuiting niet worden uitgeoefend met de bedoeling de waardigheid van de Hongaarse natie of van een nationale, etnische, raciale of religieuze gemeenschap aan te tasten. Het aanzetten tot haat of geweld tegen een lid van de gemeenschap is in het Hongaarse wetboek van strafrecht strafbaar gesteld. De regering heeft een werkgroep tegen haatmisdrijven opgericht die scholing voor politieagenten verzorgt en slachtoffers bijstaat bij hun samenwerking met de politie en bij het melden van incidenten.

Fundamentele rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen

(62)  Op 3 juli 2015 uitte Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen zijn bezorgdheid over de versnelde procedure voor de wijziging van de asielwetgeving. Op 17 september 2015 gaf de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens aan van oordeel te zijn dat Hongarije, door de wijze waarop vluchtelingen en migranten behandeld werden, zich schuldig maakte aan schending van het internationaal recht. Op 27 november 2015 verklaarde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa dat de respons van Hongarije op de problemen in verband met de vluchtelingencrisis in strijd was met de mensenrechten. Op 21 december 2015 drongen de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen, de Raad van Europa en het OVSE-Bureau voor Democratische instellingen en Mensenrechten er bij Hongarije op aan om geen beleid te voeren en zich te onthouden van praktijken die intolerantie en vrees bevorderen en tegen vluchtelingen en migranten gerichte xenofobie aanwakkeren. Op 6 juni 2016 uitte de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen zijn zorg over de toename van het aantal meldingen van mishandeling van asielzoekers en migranten door grensautoriteiten en de toename van het aantal restrictieve maatregelen aan de grens en andere voorschriften, onder meer met betrekking tot de toegang tot asielprocedures. Op 10 april 2017 riep het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen op tot onmiddellijke opschorting van de Dublinoverdrachten naar Hongarije. In 2017 werden van de 3 397 in Hongarije ingediende verzoeken om internationale bescherming 2 880 verzoeken afgewezen wat neerkomt op een zeer hoog afwijzingspercentage van 69,1 %. In 2015 waren van de 480 gerechtelijke beroepen met betrekking tot verzoeken om toekenning van internationale bescherming veertig uitspraken positief, ofwel 9 %. In 2016 waren van de 775 beroepsprocedures vijf uitspraken positief, ofwel 1 %. In 2017 waren er geen beroepsprocedures.

(63)  De grondrechtenfunctionaris van het Europees Grens- en kustwachtagentschap bracht in oktober 2016 en in maart 2017 een bezoek aan Hongarije, omdat zij bezorgd was dat het agentschap diende te werken onder omstandigheden die niet bijdragen tot de eerbiediging, bescherming en toepassing van de rechten van personen die de Hongaars-Servische grens oversteken, waardoor het agentschap in situaties moet werken die de facto schendingen vormen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De grondrechtenfunctionaris kwam in maart 2017 tot de vaststelling dat het risico van gedeelde verantwoordelijkheid van het agentschap voor schending van de grondrechten ingevolge artikel 34 van de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht zeer hoog blijft.

(64)  Op 3 juli 2014 gaf de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie aan dat de situatie van asielzoekers en migranten zonder documenten grondig verbeterd en in het oog gehouden moest worden, om arbitraire vrijheidsberoving van deze groepen te voorkomen. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa deelt in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, deze zorgen over detentie, met name van niet-begeleide minderjarigen. Van 21 t/m 27 oktober 2015 bracht het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen een bezoek aan Hongarije. In het verslag hierover gaf dit comité aan dat een flink aantal personen van buitenlandse afkomst (waaronder niet-begeleide minderjarigen) stelde het slachtoffer te zijn geweest van fysieke mishandeling door politieagenten en gewapende bewakers die werkten in opvangcentra en detentiecentra voor immigranten of asielzoekers. Op 7 maart 2017 uitte de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen zijn zorg over een nieuwe wet waarover in het Hongaarse parlement was gestemd, waarin werd voorzien in verplichte detentie van alle asielzoekers, ook kinderen, tijdens de hele asielprocedure. Op 8 maart 2017 legde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa een verklaring af waarin ook hij zijn zorgen over deze wet uitte. Op 31 maart 2017 drong het VN-Subcomité ter preventie van foltering er bij Hongarije op aan om per direct een einde te maken aan het buitensporige gebruik van detentie en alternatieven te onderzoeken.

(65)  In zijn arrest van 5 juli 2016, O.M./Hongarije, stelde het EHRM een schending van het recht op eerbiediging van het recht op vrijheid en veiligheid vast, omdat er sprake was van willekeurige detentie. Meer precies hadden de autoriteiten in die zaak niet voldaan aan hun zorgplicht, omdat zij de gevangenschap van de betrokken persoon hadden gelast, zonder na te gaan in hoeverre kwetsbare personen (bijvoorbeeld LGBT-personen, zoals de persoon in kwestie) te midden van andere gedetineerden, waarvan velen afkomstig waren uit landen waar sprake is van vooroordelen jegens deze personen, veilig waren. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven.

(66)  Van 12 t/m 16 juni 2017 bracht de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Raad van Europa voor migratie en vluchtelingen een bezoek aan Servië en twee transitzones in Hongarije. In zijn rapport verklaarde de speciale vertegenwoordiger dat de met geweld gepaard gaande uitzettingen van migranten en vluchtelingen uit Hongarije naar Servië niet in overeenstemming lijken te zijn met de artikelen 2 (het recht op leven) en 3 (het verbod op foltering) van het EVRM. De speciale vertegenwoordiger merkte ook op dat de belemmeringen voor asielzoekers om toegang te krijgen tot de transitzones van Röszke en Tompa ervoor zorgen dat asielzoekers vaak illegale manieren zoeken om de grens over te steken, waarbij ze een beroep moeten doen op smokkelaars en mensenhandelaars met alle risico's van dien. Hij gaf voorts aan dat de asielprocedures, zoals die worden toegepast in de transitzones, onvoldoende waarborgen bieden tegen refoulement, het terugzenden van asielzoekers naar landen waar zij het gevaar lopen behandeld te worden in strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM. De speciale vertegenwoordiger was van oordeel dat de Hongaarse wetgeving en praktijken in die zin moeten worden aangepast dat zij overeenstemmen met de vereisten van het EVRM. Daarbij deed hij een aantal aanbevelingen en riep hij de Hongaarse autoriteiten op om de nodige maatregelen te nemen, waaronder het herzien van het wetgevingskader ter zake en het wijzigen van de praktijken op dit gebied, om te waarborgen dat onderdanen van derde landen die bij de grens aankomen of die op Hongaars grondgebied verblijven er niet van worden weerhouden om een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Van 5 t/m 7 juli 2017 bracht een delegatie van het Lanzarote-Comité van de Raad van Europa (het comité van de partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) ook een bezoek aan twee transitzones. Dit comité deed ook een aantal aanbevelingen en drong er onder meer bij Hongarije op aan om alle personen jonger dan 18 jaar als kind te behandelen en niet op grond van leeftijd te discrimineren, om te waarborgen dat alle onder de jurisdictie van Hongarije vallende kinderen beschermd worden tegen seksuele uitbuiting en misbruik, en kinderen systematisch in gewone kinderbeschermingsinstellingen te plaatsen, om seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van deze kinderen door volwassenen en jongeren in de transitzones te voorkomen. Van 18 t/m 20 december 2017 bracht een delegatie van de Groep van deskundigen inzake actie tegen mensenhandel (GRETA) van de Raad van Europa een bezoek aan Hongarije, onder meer aan twee transitzones, en kwam tot de vaststelling dat een transitzone, die feitelijk een plaats is waar mensen van hun vrijheid worden beroofd, niet mag worden beschouwd als een passende en veilige opvangvoorziening voor slachtoffers van mensenhandel. Zij verzocht de Hongaarse autoriteiten om een rechtskader vast te stellen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke niet-legaal in het land verblijvende onderdanen van derde landen het slachtoffer van mensenhandel zijn, en hun procedures voor het identificeren van slachtoffers van mensenhandel in groepen van asielzoekers en irreguliere migranten te verbeteren. Per 1 januari 2018 werden er aanvullende regelingen ingevoerd ten behoeve van minderjarigen in het algemeen en niet-begeleide minderjarigen in het bijzonder. Zo werd onder meer een specifiek leerplan ontwikkeld voor minderjarige asielzoekers. ECRI stelde in haar conclusies inzake de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen aan Hongarije, gepubliceerd op 15 mei 2018, weliswaar in te zien dat Hongarije voor enorme uitdagingen heeft gestaan vanwege de massale instroom van migranten en vluchtelingen, maar ontzet te zijn over de maatregelen die sindsdien zijn genomen en over de enorme verslechtering van de situatie sinds haar vijfde rapport. De autoriteiten moeten per direct een einde maken aan de detentie van mensen, met name families met kinderen en niet-begeleide jongeren, in de transitzones.

(67)  Half augustus 2018 zijn de immigratieautoriteiten gestopt met het verstrekken van voedsel aan volwassen asielzoekers die bij de rechter tegen afwijzingsbesluiten in beroep gingen. Diverse asielzoekers moesten zich tot het EHRM wenden met een verzoek om tijdelijke maatregelen, teneinde weer maaltijden te ontvangen. Het EHRM oordeelde in twee zaken op 10 augustus 2018 en in een derde zaak op 16 augustus 2018 dat tijdelijke maatregelen moesten worden getroffen en dat voedsel aan de aanvragers moest worden verstrekt. De Hongaarse autoriteiten hebben aan de uitspraken voldaan.

(68)  In zijn arrest van 14 maart 2017, Ilias en Ahmed/ Hongarije, stelde het EHRM schending van het recht van verzoekers op vrijheid en veiligheid vast. Het EHRM oordeelde ook dat er bij de uitzetting van verzoekers naar Servië sprake was geweest van een schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling en dat er sprake was geweest van een schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte met betrekking tot de omstandigheden van de detentie in de transitzone van Röszke. De zaak wordt momenteel nog behandeld door de grote kamer van het EHRM.

(69)  Op 14 maart 2018 werd Ahmed H., een in Cyprus wonende Syriër die in september 2015 zijn familie had proberen te helpen om uit Syrië te vluchten en de Servisch-Hongaarse grens over te steken, door een Hongaarse rechtbank veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en tien jaar ontzegging van de toegang tot het land vanwege "terroristische activiteiten", hetgeen vragen deed rijzen over de toepassing van de antiterrorismewetgeving en het recht op een eerlijk proces in Hongarije.

(70)  In zijn arrest van 6 september 2017 in gevoegde zaken C-643/15 en C-647/15 verwierp het Hof van Justitie van de Europese Unie het beroep dat door Slowakije en Hongarije was ingesteld tegen het voorlopige mechanisme voor de verplichte herplaatsing van asielzoekers overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1601 volledig. Hongarije handelt echter, ook na dit arrest, niet in overeenstemming met dit besluit. Op 7 december 2017 besloot de Commissie Tsjechië, Hongarije en Polen voor het Europees Hof van Justitie te brengen wegens niet-naleving van de op hen rustende herplaatsingsverplichtingen.

(71)  Op 7 december 2017 besloot de Commissie om de inbreukprocedure tegen Hongarije wegens de asielwetgeving van het land door te zetten door een met redenen omkleed advies in te dienen. De Commissie stelde zich op het standpunt dat de Hongaarse wetgeving niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, meer specifiek met de Richtlijnen 2013/32/EU(15), 2008/115/EG(16) en 2013/33/EU(17) van het Europees Parlement en de Raad, en niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van het Handvest. Op 19 juli 2018 heeft de Commissie besloten om Hongarije voor het Europees Hof van Justitie te brengen wegens de onverenigbaarheid van zijn asiel- en terugkeerwetgeving met het Unierecht.

(72)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 gaf het VN-Mensenrechtencomité aan bezorgd te zijn dat de in maart 2017 aangenomen wet op grond waarvan alle asielzoekers (met uitzondering van niet-begeleide minderjarigen waarvan is vastgesteld dat zij jonger zijn dan 14 jaar) tijdens hun asielprocedure in een transitzone moeten verblijven, niet in overeenstemming is met de juridische normen vanwege de lange duur van de opsluiting, het feit dat de exacte duur van de opsluiting niet vaststaat, omdat niet bij wet is bepaald dat de specifieke omstandigheden van elke betrokkene moeten worden beoordeeld en omdat er geen procedurele waarborgen zijn om de overplaatsing naar de transitzones daadwerkelijk aan te vechten. Het comité was met name bezorgd over berichten dat immigranten op grote schaal en automatisch in Hongaarse detentiecentra gevangen worden gezet en maakte zich zorgen dat deze vrijheidsbeperkingen gebruikt worden als middel om illegale binnenkomst in het land te ontmoedigen in plaats van als respons na een individuele risicobeoordeling. Daarnaast uitte het comité zijn zorg over berichten over slechte omstandigheden in bepaalde opvangcentra. Het comité wees met bezorgdheid op de "terugdrijvingswet" van juni 2016 op grond waarvan eenieder die illegaal de grens is overgestoken en in Hongarije binnen 8 kilometer van de grens (later uitgebreid tot het hele grondgebied van Hongarije) gevangen is gezet door de politie het land kan worden uitgezet, alsmede op besluit 191/2015 dat Servië aanmerkt als "veilig derde land", op grond waarvan personen uitgezet kunnen worden naar Servië. Het comité stelde met bezorgdheid vast dat deze uitzettingen zonder onderscheid des persoons plaatsvinden en dat personen die door deze maatregel getroffen worden een zeer geringe kans hebben om alsnog een asielaanvraag in te dienen of tegen de uitzetting in beroep te gaan. Het comité heeft met bezorgdheid kennisgenomen van berichten over collectieve en gewelddadige uitzettingen, waarbij onder meer hard geslagen zou zijn, waarbij personen door politiehonden gebeten zouden zijn en waarbij geschoten zou zijn met rubberen kogels, waardoor diverse asielzoekers ernstig gewond zouden zijn geraakt en ten minste één asielzoeker zou zijn overleden. Het comité was tevens bezorgd over berichten dat de leeftijdsbepaling van minderjarige asielzoekers en niet-begeleide minderjarigen in de transitzones niet goed verloopt, grotendeels gebaseerd wordt op visuele inspectie door een deskundige en onnauwkeurig is, en over berichten dat deze asielzoekers onvoldoende toegang hebben tot onderwijs, sociale en psychologische ondersteuning en rechtshulp. Overeenkomstig het nieuwe voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU mag leeftijdsbepaling op basis van een medisch onderzoek slechts toegepast worden als laatste redmiddel.

Economische en sociale rechten

(73)  Op 15 februari 2012 en op 11 december 2012 riepen de speciale rapporteur van de VN inzake extreme armoede en mensenrechten en de speciale rapporteur van de VN inzake het recht op passende huisvesting Hongarije ertoe op om de wetgeving die lokale overheden de mogelijkheid biedt om dakloosheid te bestraffen, te heroverwegen en het besluit van het Constitutioneel Hof om de strafbaarheid van dakloosheid af te schaffen, te respecteren. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa gaf in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, aan bezorgd te zijn over maatregelen die genomen zijn om het op straat overnachten van mensen en het bouwen van hutjes of andere tijdelijke onderkomens te verbieden, omdat daardoor in de praktijk dakloosheid strafbaar wordt gesteld. De commissaris voor de rechten van de mens drong er bij de Hongaarse autoriteiten op aan om onderzoek te doen naar gemelde gevallen van gedwongen verdrijving, waarbij er voor de getroffen personen geen alternatieve oplossingen waren en naar gevallen waarin kinderen van hun familieleden werden gescheiden vanwege slechte sociaaleconomische omstandigheden. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uitte het VN-Mensenrechtencomité zijn bezorgdheid over nationale en lokale wetgeving, gebaseerd op de vierde herziening van de grondwet, op grond waarvan op veel openbare plaatsen niet meer mag worden overnacht, waardoor dakloosheid wordt bestraft. Op 20 juni 2018 nam het Hongaarse parlement de zevende herziening van de grondwet aan, op grond waarvan het hebben van een vaste verblijfplaats in de openbare ruimte verboden is. Dezelfde dag nog verklaarde de speciale rapporteur van de VN inzake het recht op passende huisvesting van oordeel te zijn dat het besluit van Hongarije om dakloosheid strafbaar te stellen een wreed besluit is, dat niet in overeenstemming is met het internationale recht inzake de mensenrechten.

(74)  In de conclusies van het Europees Comité voor sociale rechten van 2017 wordt vermeld dat Hongarije in strijd handelt met het Europees Sociaal Handvest, omdat zelfstandigen, huishoudelijk personeel en andere categorieën werknemers geen bescherming genieten op grond van wetgeving inzake de gezondheid en veiligheid op het werk, dat de maatregelen om moedersterfte te voorkomen ontoereikend zijn, dat het minimumbedrag van ouderdomspensioenen te laag ligt, dat het bedrag van de uitkering voor werkzoekenden te laag is, dat de maximale duur van de uitkering voor werkzoekenden te kort is en dat de minimumbedragen voor revalidatie- en invaliditeitsuitkeringen in bepaalde gevallen ontoereikend zijn. Het comité was voorts van oordeel dat Hongarije in strijd handelt met het Europees Sociaal Handvest omdat het niveau van de bijstand voor alleenstaanden zonder middelen, waaronder ouderen, onvoldoende is, omdat geen gelijke toegang tot sociale dienstverlening wordt gewaarborgd voor rechtmatig verblijvende onderdanen van landen die partij zijn bij het Handvest en omdat niet is vastgelegd dat er voldoende huisvestingsmogelijkheden moeten zijn voor kwetsbare gezinnen. Ten aanzien van vakbondsrechten verklaarde het comité dat het recht van werknemers op betaald verlof niet voldoende wordt gewaarborgd, dat geen enkele maatregel is genomen om het sluiten van collectieve overeenkomsten aan te moedigen – terwijl de bescherming van werknemers door dergelijke overeenkomsten zeer gering is in Hongarije – en dat in overheidsfuncties het recht om een staking op gang te brengen voorbehouden is aan de vakbonden die partij zijn bij een met de regering gesloten overeenkomst. De criteria die gelden voor het bepalen welke ambtenaren niet mogen staken, gaan volgens het comité verder dan de werkingssfeer van het Handvest. De vakbonden voor ambtenaren kunnen alleen oproepen tot staking met de goedkeuring van de meerderheid van het betrokken personeel.

(75)  Sinds december 2010, toen de regering van Victor Orban een wijziging van de stakingswet goedkeurde, zijn stakingen in Hongarije in beginsel verboden. De wetswijzigingen hielden in dat stakingen in principe slechts zijn toegestaan binnen bedrijven die via overheidsopdrachten voor diensten met de overheidsadministratie verbonden zijn. De wijziging is niet van toepassing op beroepsgroepen die eenvoudigweg geen stakingsrecht hebben, zoals treinbestuurders, politieagenten, medisch personeel en luchtverkeersleiders. Het probleem ligt ergens anders, meer bepaald in het percentage werknemers dat moet deelnemen aan het stakingsreferendum om gewicht in de schaal te leggen, namelijk 70 %. Het besluit of een staking al dan niet rechtmatig is, wordt vervolgens vastgesteld door een arbeidsrechtbank die volledig ondergeschikt is aan de staat. In 2011 werden negen stakingsaanvragen ingediend. Zeven daarvan werden zonder opgave van redenen verworpen. Twee aanvragen werden weliswaar in behandeling genomen, maar leidden niet tot een besluit.

(76)  Het VN-Comité voor de rechten van het kind uitte in zijn verslag met slotopmerkingen over het derde, vierde en vijfde periodieke verslag van Hongarije, gepubliceerd op 14 oktober 2014, zijn bezorgdheid over een toenemend aantal gevallen waarin kinderen van hun familieleden werden gescheiden vanwege slechte sociaaleconomische omstandigheden binnen het gezin. Ouders kunnen hun kind kwijtraken vanwege werkloosheid, een gebrek aan sociale huisvesting of plaatsgebrek in tijdelijke huisvestingsvoorzieningen. Uit onderzoek van het Europees Centrum voor de rechten van Roma treft dit onevenredig vaak Roma-gezinnen en -kinderen.

(77)  In haar aanbeveling van 23 mei 2018 voor een aanbeveling van de Raad over het nationale hervormingsprogramma 2018 van Hongarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2018 van Hongarije gaf de Commissie aan dat het percentage mensen dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2016 was gedaald tot 26,3 %, maar nog altijd boven het EU-gemiddelde lag. Kinderen waren over het algemeen meer blootgesteld aan armoede dan andere leeftijdsgroepen. Het niveau van de uitkering voor het minimuminkomen lag in 2016 lager dan 50 % van de armoededrempel voor één enkel huishouden, en behoorde daarmee tot de laagste in de EU. De toereikendheid van de werkloosheidsuitkeringen was zeer laag: de maximale duur van drie maanden was de kortste in de EU en kwam overeen met ongeveer een kwart van de tijd die werkzoekenden gemiddeld nodig hebben om een baan te vinden. Bovendien behoorden de betalingen tot de laagste in de EU. De Commissie deed de aanbeveling aan Hongarije om de efficiëntie en de dekking van de sociale bijstand en de werkloosheidsuitkeringen te verbeteren.

(78)  Op [...] 2018 heeft de Raad Hongarije overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU gehoord.

(79)  Om deze redenen moet overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU worden geconstateerd dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending, door Hongarije, van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er bestaat een duidelijk gevaar voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust.

Artikel 2

De Raad beveelt aan dat Hongarije binnen drie maanden na de kennisgeving van dit besluit de volgende maatregelen neemt: [...]

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de [...] dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot Hongarije.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0216.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 127.
(3) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46.
(4) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 52.
(5) PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 27.
(6) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.
(7) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(8) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 408.
(9) COM(2003)0606.
(10) Arrest van het Hof van Justitie van 6 november 2012, Commissie/Raad, C-286/12, ECLI:EU:C:2012:687.
(11) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(12) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
(13) Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1).
(14) Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55).
(15) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
(16) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).
(17) Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).


Autonome wapensystemen
PDF 121kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over autonome wapensystemen (2018/2752(RSP))
P8_TA(2018)0341RC-B8-0308/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 21 en artikel 21, lid 2, onder c), van Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de Martens-clausule, opgenomen in het eerste aanvullend protocol van 1977 bij de Verdragen van Genève,

–  gezien deel IV van de ontwapeningsagenda van de VN van 2018 over het veiligstellen van onze gezamenlijke toekomst,

–  gezien zijn studie van 3 mei 2013 over de gevolgen voor de mensenrechten van de inzet van drones en onbemande robots bij oorlogvoering,

–  gezien zijn diverse standpunten, aanbevelingen en resoluties waarin wordt aangedrongen op een internationaal verbod op dodelijke autonome wapensystemen (LAWS), zoals zijn aanbeveling aan de Raad van 5 juli 2018 over de 73e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(1), het mandaat voor het starten van onderhandelingen dat tijdens de plenaire vergadering van 13 maart 2018 werd aangenomen met het oog op de goedkeuring van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie, zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake(2), zijn aanbeveling aan de Raad van 7 juli 2016 over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(3) en zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(4),

–  gezien het jaarverslag d.d. 9 april 2013 van Christof Heyns, speciaal rapporteur van de VN inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies (UN A/HRC/23/47),

–  gezien de verklaringen van de EU over dodelijke autonome wapensystemen in de Groep regeringsdeskundigen van de partijen bij het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens in Genève tijdens de bijeenkomsten van 13 t/m 17 november 2017, 9 t/m 13 april 2018 en 27 t/m 31 augustus 2018,

–  gezien de bijdragen van de verschillende staten, waaronder de lidstaten van de EU, voorafgaande aan de bijeenkomsten van de Groep van regeringsdeskundigen in 2017 en 2018,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 waarin wordt aangedrongen op een human in command-benadering van kunstmatige intelligentie en een verbod op dodelijke autonome wapensystemen,

–  gezien de oproep van de Heilige Stoel voor een verbod op dodelijke autonome wapens,

–  gezien de open brief van juli 2015, ondertekend door meer dan 3 000 onderzoekers op het gebied van kunstmatige intelligentie en robotica, de open brief van 21 augustus 2017, ondertekend door 116 oprichters van toonaangevende ondernemingen op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie, waarin wordt gewaarschuwd voor dodelijke autonome wapensystemen, en de brief van 240 technologieorganisaties en 3 089 personen, met daarin de toezegging om nooit dodelijke autonome wapensystemen te ontwikkelen, te produceren of in te zetten,

–  gezien de verklaringen van het Internationale Comité van het Rode Kruis en de initiatieven van maatschappelijke organisaties, zoals de campagne tegen killerrobots, die gesteund wordt door 70 organisaties in 30 verschillende landen, waaronder Human Rights Watch, Article 36, PAX en Amnesty International,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het beleid en het optreden van de EU gebaseerd zijn op de eerbiediging van de mensenrechten, eerbied voor de menselijke waardigheid en de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht; overwegende dat deze beginselen geëerbiedigd moeten worden om de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken;

B.  overwegende dat met de term "dodelijke autonome wapensystemen" wapensystemen worden bedoeld die zonder beduidende menselijke controle de kritische taken van het kiezen en aanvallen van afzonderlijke doelwitten verrichten;

C.  overwegende dat een onbekend aantal landen, door de overheid gefinancierde ondernemingen en private ondernemingen naar verluidt onderzoek doen naar dodelijke autonome wapensystemen en deze ontwikkelen, waarbij deze wapensystemen variëren van raketten die in staat zijn hun doelwit te kiezen tot leermachines met cognitieve vaardigheden die bepalen wanneer en waar zij vechten en tegen wie;

D.  overwegende dat niet-autonome systemen zoals automatische, op afstand bediende systemen niet als dodelijke autonome wapensystemen zouden moeten worden beschouwd;

E.  overwegende dat dodelijke autonome wapensystemen het potentieel hebben de oorlogvoering fundamenteel te veranderen door een ongekende en ongecontroleerde wapenwedloop in gang te zetten;

F.  overwegende dat de inzet van dodelijke autonome wapensystemen fundamentele ethische en juridische vragen over menselijke tussenkomst opwerpen, met name ten aanzien van kritische taken, zoals het kiezen van doelwitten en het inzetten van een aanval; overwegende dat machines en robots niet in staat zijn om menselijke beslissingen te nemen en dus geen rekening kunnen houden met het onderscheid tussen militaire en burgerdoelwitten, het evenredigheidsbeginsel of het voorzorgsbeginsel;

G.  overwegende dat betrokkenheid van en toezicht door mensen van essentieel belang zijn voor het tot dodelijk geweld leidende besluitvormingsproces, aangezien het deze mensen zijn die verantwoording verschuldigd blijven voor de beslissing over leven of dood;

H.  overwegende dat het internationaal recht, waaronder het humanitair en het mensenrechtenrecht vallen, volledig van toepassing is op alle wapensystemen en degenen die deze systemen bedienen, en overwegende dat naleving van het internationaal recht een cruciaal vereiste is waaraan staten moeten voldoen, met name wanneer het gaat om het eerbiedigen van beginselen als bescherming van de burgerbevolking of het nemen van voorzorgsmaatregelen bij een aanval;

I.  overwegende dat de inzet van dodelijke autonome wapensystemen essentiële vragen oproept over de tenuitvoerlegging van het internationaal recht inzake de mensenrechten, het internationaal humanitair recht en de Europese normen en waarden inzake toekomstige militaire acties;

J.  overwegende dat 116 oprichters van internationale toonaangevende ondernemingen op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie in augustus 2017 een open brief aan de VN hebben gestuurd waarin de regeringen ertoe werden opgeroepen een wedloop met deze wapens te voorkomen en de destabiliserende uitwerking van deze technologieën te verhinderen;

K.  overwegende dat de werking van dodelijke autonome wapensystemen verstoord kan raken door slecht geschreven codes of na een door een vijandelijke staat of niet-statelijke actor uitgevoerde cyberaanval;

L.  overwegende dat het Parlement bij herhaling heeft aangedrongen op de ontwikkeling en vaststelling, op korte termijn, van een gemeenschappelijk standpunt over dodelijke autonome wapensystemen, op een internationaal verbod op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van dodelijke autonome wapensystemen waarmee aanvallen kunnen worden uitgevoerd zonder beduidende menselijke controle, en op het openen van doeltreffende onderhandelingen over een verbod op dergelijke systemen;

1.  herinnert aan de ambitie van de EU om zich in te zetten voor de vrede in de wereld en dringt erop aan dat de EU haar rol op het gebied van ontwapening en inspanningen op het gebied van non-proliferatie versterkt en wenst dat de EU zich met haar optreden en beleid inzet voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten en de bescherming van de burgers en de civiele infrastructuur;

2.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de lidstaten en de Europese Raad om voorafgaand aan de bijeenkomst van de hoge verdragsluitende partijen bij het Conventionelewapensverdrag die in november 2018 zal plaatsvinden, dringend een gemeenschappelijk standpunt over dodelijke autonome wapensystemen vast te stellen, waarin beduidende menselijke controle over kritische functies van wapensystemen, ook tijdens de inzet ervan, gewaarborgd wordt, en op desbetreffende fora met één stem te spreken en hiernaar te handelen; roept in dit verband de VV/HV, de lidstaten en de Raad op om optimale praktijken uit te wisselen en advies in te winnen bij deskundigen, wetenschappers en het maatschappelijk middenveld;

3.  verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Raad zich sterk te maken voor internationale onderhandelingen over een juridisch instrument om dodelijke autonome wapensystemen te verbieden;

4.  onderstreept in dit verband het grote belang van het voorkomen van de ontwikkeling en productie van dodelijke autonome wapensystemen die zonder menselijke controle de kritische taken van het kiezen van doelwitten en het inzetten van een aanval verrichten;

5.  herinnert aan zijn standpunt van 13 maart 2018 over de verordening inzake een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie, met name artikel 6, lid 4, (subsidiabele acties), en onderstreept zijn bereidheid een soortgelijk standpunt in te nemen in het kader van het komende onderzoeksprogramma voor defensie, het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de defensie en andere relevante onderdelen van het Europees Defensiefonds in de periode na 2020;

6.  onderstreept dat geen van de wapens of wapensystemen die momenteel door EU-troepen gebruikt worden, dodelijke autonome wapensystemen zijn; herinnert eraan dat wapens en wapensystemen die specifiek zijn ontworpen om de eigen platforms, troepen en bevolking te beschermen tegen hoogdynamische bedreigingen zoals vijandelijke raketten, munitie en luchtvaartuigen, niet als dodelijke autonome wapensystemen worden beschouwd; benadrukt dat besluiten om luchtvaartuigen die mensen aan boord hebben aan te vallen, door menselijke operators zouden moeten worden genomen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de NAVO.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0312.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0494.
(3) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 166.
(4) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.


Stand van de betrekkingen tussen de EU en de VS
PDF 189kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en de VS (2017/2271(INI))
P8_TA(2018)0342A8-0251/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het document "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid", dat op 28 juni 2016 door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) werd gepresenteerd, en de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) van 7 juni 2017 getiteld "Een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU" (JOIN(2017)0021),

–  gezien de resultaten van de EU-VS-topconferenties die hebben plaatsgevonden op 28 november 2011 in Washington D.C. en op 26 maart 2014 in Brussel,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de 79e interparlementaire bijeenkomst van de trans-Atlantische wetgeversdialoog, die heeft plaatsgevonden op 28 en 29 november 2016 in Washington D.C., de 80e trans-Atlantische wetgeversdialoog, die heeft plaatsgevonden op 2 en 3 juni 2017 in Valletta, de 81e trans-Atlantische wetgeversdialoog, die heeft plaatsgevonden op 5 december 2017 in Washington D.C., en de 82e trans-Atlantische wetgeversdialoog die op 30 juni 2018 heeft plaatsgevonden in Sofia (Bulgarije),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 6 april 2016 van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad betreffende het gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen - een reactie van de Europese Unie (JOIN(2016)0018),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie, en van de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016 over de gemeenschappelijke reeks voorstellen als bekrachtigd door de NAVO-Raad en de EU-Raad op 5 en 6 december 2016, en de voortgangsverslagen van 14 juni en 5 december 2017 over de tenuitvoerlegging daarvan,

–  gezien de gezamenlijke verklaring EU-NAVO van 2016,

–  gezien de nationale veiligheidsstrategie van de VS van 18 december 2017 en de nationale defensiestrategie van de VS van 19 januari 2018,

–  gezien het European Reassurance Initiative,

–  gezien het door de Raad Buitenlandse Zaken in 2015 aangenomen EU-actieplan voor klimaatdiplomatie,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, Besluit 1/CP.21, de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs hebben plaatsgevonden,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land, en gezien de daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over de rol van de regio's en steden van de EU in de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over de klimaatverandering, met name paragraaf 13(2),

–  gezien zijn eerdere resoluties over trans-Atlantische betrekkingen, met name die van 1 juni 2006 over de verbetering van de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten in het kader van een trans-Atlantische partnerschapsovereenkomst(3), zijn resolutie van 26 maart 2009 over de stand van de trans-Atlantische betrekkingen in de nasleep van de VS-verkiezingen(4), zijn resolutie van 17 november 2011 over de EU-VS-top van 28 november 2011(5) en zijn resolutie van 13 juni 2013 over de rol van de EU bij de bevordering van een breder trans-Atlantisch partnerschap(6),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(7),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(9),

–  gezien zijn resolutie van 8 februari 2018 over de situatie van de UNRWA (Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten)(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0251/2018),

A.  overwegende dat het partnerschap tussen de EU en de VS is gebaseerd op sterke politieke, culturele, economische en historische banden, op gedeelde waarden zoals vrijheid, democratie, de bevordering van vrede en stabiliteit, mensenrechten en de rechtsstaat, en op gemeenschappelijke doelstellingen zoals welvaart, veiligheid, open en geïntegreerde economieën, sociale vooruitgang en inclusiviteit, duurzame ontwikkeling en de vreedzame oplossing van conflicten, en overwegende dat zowel de VS als de EU democratieën zijn met een rechtsstaat en goed functionerende controlemechanismen; overwegende dat dit partnerschap weliswaar te kampen heeft met een groot aantal uitdagingen en verdeeldheid voor de korte termijn, maar dat de grondslagen voor de lange termijn nog altijd solide zijn en dat de samenwerking tussen de EU en de VS als gelijkgestemde partners van cruciaal belang blijft;

B.  overwegende dat de EU en de VS, voortbouwend op een sterke basis van gemeenschappelijke waarden en gedeelde beginselen, alternatieve manieren moeten onderzoeken om de trans-Atlantische betrekkingen te versterken en op doeltreffende wijze in te kunnen spelen op de belangrijke uitdagingen waar wij mee te kampen hebben, daarbij gebruikmakend van alle beschikbare communicatiekanalen; overwegende dat het Amerikaans Congres en het Europees Parlement als wetgevers een belangrijke en invloedrijke rol spelen binnen onze democratieën, en zij de mogelijkheden van hun samenwerking ten volle moeten benutten teneinde de democratische, liberale en multilaterale orde in stand te houden en de stabiliteit en continuïteit op zowel ons continent als op wereldwijde schaal te bevorderen;

C.  overwegende dat in een geglobaliseerde, complexe en in toenemende mate multipolaire wereld de EU en de VS een leidende, essentiële en constructieve rol moeten blijven spelen door het internationaal recht te versterken en te handhaven, de fundamentele rechten en beginselen te bevorderen en te beschermen, en gezamenlijk regionale conflicten en wereldwijde uitdagingen aan te pakken;

D.  overwegende dat de EU en de VS aan het begin staan van een tijdperk van geopolitieke veranderingen en te kampen hebben met vergelijkbare complexe bedreigingen, zowel van conventionele als hybride aard, door overheden en niet-overheidsactoren uit het zuiden en het oosten; overwegende dat cyberaanvallen steeds vaker en in steeds geavanceerdere vorm voorkomen en dat de EU en de VS in het kader van het NAVO-bondgenootschap de inspanningen van beide partijen kunnen aanvullen en de bescherming van de kritieke defensie-infrastructuur van de overheid en de informatie-infrastructuur kunnen waarborgen; overwegende dat de aanpak van deze bedreigingen internationale samenwerking vereist;

E.  overwegende dat de EU de aanhoudende militaire steun van de VS ten behoeve van de veiligheid en defensie van de EU waardeert en alle Amerikanen erkentelijk is die hun leven hebben opgeofferd voor het waarborgen van de veiligheid van Europa in de conflicten in Kosovo en Bosnië; overwegende dat de EU er momenteel naar streeft haar eigen veiligheid te waarborgen door het vergroten van haar strategische autonomie;

F.  overwegende dat de VS heeft besloten zijn budget voor vredesoperaties in het kader van de VN met 600 miljoen USD te verlagen;

G.  overwegende dat een steeds minder voorspelbaar Amerikaans buitenlands beleid de mate van onzekerheid met betrekking tot internationale betrekkingen almaar doet toenemen en mogelijk ruimte biedt aan de opkomst van andere spelers op het wereldtoneel, met inbegrip van China, die wereldwijd steeds meer invloed beginnen te krijgen op politiek en economisch gebied; overwegende dat een groot aantal belangrijke landen in Azië zich steeds meer richting China en verder van de VS af beweegt;

H.  overwegende dat de EU zich blijft inzetten voor het multilateralisme en de bevordering van gedeelde waarden, met inbegrip van de democratie en de mensenrechten; overwegende dat de op regels gebaseerde internationale orde zowel de VS als de EU ten goede komt; overwegende dat het in dit opzicht van cruciaal belang is dat de EU en de VS gezamenlijk en op gecoördineerde wijze optreden ter ondersteuning van een op regels gebaseerde orde die wordt gewaarborgd door sterke, geloofwaardige en doeltreffende supranationale organisaties en internationale instellingen;

I.  overwegende dat het partnerschap tussen de VS en Europa al meer dan zeven decennia op economisch, politiek en veiligheidsgebied van essentieel belang is voor de wereldorde; overwegende dat de trans-Atlantische betrekkingen met een groot aantal uitdagingen te kampen hebben en sinds de verkiezing van president Trump steeds meer onder druk komen te staan;

J.  overwegende dat klimaatbeleid, als onderdeel van de integrale strategie van de EU, een vast onderdeel is geworden in het buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat de koppelingen tussen energie en klimaat, veiligheid, ontwikkelingsdoelstellingen, migratie en vrije en eerlijke handel zijn versterkt;

K.  overwegende dat de EU zich blijft inzetten voor een op regels gebaseerd, open en niet-discriminerend multilateraal handelssysteem; overwegende dat de WTO, als enige instelling die een daadwerkelijk gelijk speelveld kan waarborgen, een sleutelrol speelt binnen het mondiale handelssysteem;

L.  overwegende dat zowel de VS als de EU het streven van de landen van de westelijke Balkan om toe te treden tot de trans-Atlantische gemeenschap moet ondersteunen; overwegende dat naast een verhoogde betrokkenheid van de EU ook de blijvende inzet van de VS in dit opzicht van essentieel belang is;

M.  overwegende dat de EU een steeds grotere verantwoordelijkheid toekomt voor het verzekeren van haar veiligheid in een strategisch klimaat dat de afgelopen jaren aanzienlijk is verslechterd;

N.  overwegende dat de Europese veiligheid is gestoeld op het streven naar een gemeenschappelijke strategische autonomie, als zodanig erkend in juni 2016 door de 28 staatshoofden en regeringsleiders in het kader van de integrale strategie van de Europese Unie;

Een overkoepelend op gedeelde waarden gebaseerd kader

1.  herinnert eraan en benadrukt met klem dat het reeds lang bestaande partnerschap en bondgenootschap tussen de EU en de VS gebaseerd zijn en gebaseerd moeten zijn op het gezamenlijk delen en bevorderen van gemeenschappelijke waarden waaronder vrijheid, de rechtsstaat, vrede, democratie, gelijkheid, op regels gebaseerd multilateralisme, markteconomie, sociale rechtvaardigheid, duurzame ontwikkeling en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden, evenals collectieve veiligheid, met de vreedzame oplossing van conflicten als prioriteit; benadrukt het belang van het versterken van de betrekkingen tussen de EU en de VS, die in onze geglobaliseerde wereld een van de belangrijkste samenwerkingsverbanden vormen, teneinde deze doelstellingen te behalen;

2.  is verheugd over de ontmoeting tussen Commissievoorzitter Juncker en de Amerikaanse president Trump op 25 juli 2018, die een verbetering van de bilaterale betrekkingen markeert; neemt kennis van hun verklaring en van hun bereidheid om toe te werken naar een de-escalatie van de trans-Atlantische spanningen op het gebied van handel; herinnert in dit verband aan het destructieve effect van strafheffingen; herinnert tegelijkertijd aan zijn brede en alomvattende benadering van handelsovereenkomsten en multilateralisme;

3.  benadrukt dat de betrekkingen tussen de EU en de VS de fundamentele garantie vormen voor mondiale stabiliteit en de hoeksteen zijn voor onze inspanningen voor vrede, welvaart en stabiliteit voor onze samenlevingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, en voor de verdere ontwikkeling van een op regels en waarden gebaseerd multilateraal politiek en economisch samenwerkingsstelsel en handelssysteem; verklaart opnieuw dat de betrekkingen tussen de EU en de VS een strategische en oprechte samenwerking betreffen en dat een sterke trans-Atlantische band beide partijen en de hele wereld ten goede komt; is van mening dat het huidige eenzijdige "America first"-beleid de belangen van zowel de EU als de VS schaadt, het wederzijds vertrouwen ondermijnt en ook bredere gevolgen kan hebben voor de mondiale stabiliteit; brengt in herinnering dat de EU er belang bij heeft duurzame, voor beide partijen voordelige partnerschappen te onderhouden die zijn gebaseerd op gedeelde waarden en beginselen die prevaleren boven handelsomzet op de korte termijn;

4.  onderstreept dat het partnerschap veel verder gaat dan buitenlands beleid en handel in enge zin en ook andere onderwerpen omvat, zoals (cyber)veiligheid, economische, digitale en financiële zaken, klimaatverandering, energie, cultuur, evenals wetenschap en technologie; beklemtoont dat deze zaken nauw met elkaar zijn verbonden en binnen hetzelfde overkoepelend kader moeten worden beschouwd;

5.  is bezorgd over de benaderingen van mondiale problemen en regionale conflicten die de VS sinds de verkiezing van president Trump hanteert; benadrukt het belang voor de EU van trans-Atlantische betrekkingen en een voortdurende dialoog waarin de betekenis wordt benadrukt van de vraagstukken die de EU en de VS verenigen; verlangt duidelijkheid wat betreft de vraag of onze trans-Atlantische betrekkingen, die in de loop van decennia zijn gevormd, vandaag nog dezelfde betekenis hebben voor onze Amerikaanse partners; beklemtoont dat het op waarden gebaseerd overkoepelend kader van ons partnerschap essentieel is voor het in stand houden en verder versterken van de architectuur van de mondiale economie en veiligheid; benadrukt dat de vraagstukken die de VS en de EU verenigen, uiteindelijk een belangrijkere rol moeten spelen dan de vraagstukken die hen verdelen;

6.  benadrukt dat, nu de internationale situatie wordt gekenmerkt door voortdurende instabiliteit en onzekerheid, het aan Europa is om zijn strategische autonomie tot stand te brengen om de veelheid aan gemeenschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden; wijst er daarom op dat het van groot belang is dat de Europese landen zelf moeten kunnen blijven beslissen en handelen om hun belangen te verdedigen; herinnert eraan dat het streven naar strategische autonomie van Europa legitiem is en een prioritaire doelstelling vormt die gevolgen moet hebben op industrieel en operationeel gebied, en wat capaciteiten betreft;

Versterken van het partnerschap

7.  herinnert aan het grote potentieel en het strategische belang van dit partnerschap voor zowel de VS als de EU voor het streven naar wederzijdse welvaart en veiligheid en om een op regels en waarden gebaseerde orde te versterken ter ondersteuning van de internationale instellingen door hen te voorzien van middelen om het mondiaal bestuur te verbeteren; pleit voor het bevorderen van onze dialoog en betrokkenheid bij alle elementen van dit partnerschap en op alle samenwerkingsniveaus, met inbegrip van maatschappelijke organisaties; benadrukt dat onze beslissingen en handelingen een effect hebben op de mondiale economische en veiligheidsarchitectuur, en derhalve als voorbeeld moeten dienen en in het belang van beide partners moeten zijn;

8.  onderstreept de verantwoordelijkheden die de VS als wereldmacht heeft, en roept de Amerikaanse overheid op de gedeelde kernwaarden te ondersteunen die als basis voor de trans-Atlantische betrekkingen dienen, en onder alle omstandigheden de eerbiediging te waarborgen van het internationaal recht, de democratie, mensenrechten en fundamentele vrijheden overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en andere door de VS ondertekende of geratificeerde internationale overeenkomsten;

9.  onderstreept dat de EU en de VS in een multipolaire wereld elkaars belangrijkste partners zijn en dat unilaterale manoeuvres het trans-Atlantisch partnerschap, dat een partnerschap van gelijken moet zijn dat gebaseerd is op dialoog en erop gericht is het wederzijds vertrouwen te herstellen, slechts verzwakken;

10.  betreurt de langdurige vertraging die de benoeming van de nieuwe Amerikaanse ambassadeur bij de Europese Unie heeft ondervonden, maar is verheugd over het feit dat er inmiddels een nieuwe ambassadeur is voorgedragen en dat deze benoeming vervolgens op 29 juni 2018 door de Amerikaanse Senaat is bevestigd;

11.  veroordeelt ten stelligste de uitspraken van de nieuwe Amerikaanse ambassadeur in Duitsland, Richard Grenell, die heeft verklaard dat hij de ambitie koestert om de positie van nationalistische populisten in heel Europa te versterken, en herinnert eraan dat diplomaten geen individuele politieke groeperingen horen te ondersteunen, maar wederzijds begrip en samenwerking moeten bevorderen; beschouwt de uitlatingen van functionarissen van de regering-Trump waarin zij hun minachting voor de EU tentoonspreiden en hun steun uitspreken voor xenofobe en populistische krachten die ernaar streven het Europese project te vernietigen, bovendien als vijandig en in strijd met de geest van het trans-Atlantische partnerschap;

12.  verzoekt de VV/HV, de Raad, de Commissie en de lidstaten om de samenwerking bij en coördinatie, samenhang en doeltreffendheid van het EU-beleid ten aanzien van de Amerikaanse regering te verbeteren, om te laten zien dat de EU een eensgezinde en effectieve internationale speler is met een samenhangende boodschap;

13.  herinnert eraan dat het partnerschap met de VS van fundamenteel belang is vanwege de overlappende defensie- en veiligheidsbelangen en de sterke bilaterale betrekkingen; dringt erop aan zo spoedig mogelijk een EU-VS-top te houden teneinde de huidige uitdagingen het hoofd te bieden en te blijven werken aan kwesties van wederzijds, mondiaal en regionaal belang;

14.  is van mening dat de aanwezigheid van Amerikaanse strijdkrachten in de Europese landen, waar nodig en in overeenstemming met de naleving van de overeengekomen afspraken, van belang is;

15.  benadrukt met klem dat een gestructureerde en strategische dialoog over buitenlands beleid op een trans-Atlantisch niveau waarbij ook het Europees Parlement en het Amerikaans Congres betrokken zijn, essentieel is voor het versterken van de trans-Atlantische architectuur, met inbegrip van de samenwerking op het gebied van veiligheid, en vraagt om een uitbreiding van de werkingssfeer buitenlands beleid van de dialoog tussen de EU en de VS;

16.  herinnert aan zijn suggestie om een Trans-Atlantische Politieke Raad op te richten voor systematisch overleg en coördinatie met betrekking tot buitenlands en veiligheidsbeleid, die onder leiding komt te staan van de VV/HV en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en geschraagd wordt door regelmatige contacten tussen politieke leiders;

17.  is verheugd over de lopende en ononderbroken werkzaamheden van de trans-Atlantische wetgeversdialoog voor het bevorderen van de betrekkingen tussen de EU en de VS door middel van een parlementaire dialoog en coördinatie op het vlak van aangelegenheden van gemeenschappelijk belang; herinnert aan het belang van zowel contacten van mens tot mens als van dialoog voor het versterken van de trans-Atlantische betrekkingen; pleit daarom voor de geïntensiveerde betrokkenheid van zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten en het Europees Parlement; is verheugd over de hervatting van de partijoverschrijdende EU-caucus van het 115e Amerikaans Congres, en verzoekt het liaisonbureau van het Europees Parlement (EPLO) en de delegatie van de Europese Unie in Washington nauwer met de caucus samen te werken;

18.  brengt in herinnering dat zowel in de EU als in de VS onze maatschappijen sterk zijn, in een liberale democratie en rechtsstaat verankerd zijn, en gebouwd zijn op een veelheid aan actoren, onder meer onze overheden, parlementen, gedecentraliseerde organen en actoren, verscheidene politieke instituties, ondernemingen en vakbonden, maatschappelijke organisaties, vrije en onafhankelijke media, religieuze groepen en academische en onderzoeksgemeenschappen; benadrukt dat we verbindingen tussen de weerszijden van de Atlantische Oceaan moeten bevorderen om bekendheid te geven aan de verdiensten en het belang van ons trans-Atlantisch partnerschap op verschillende niveaus en overal in zowel de EU als de VS, waarbij we ons niet uitsluitend moeten concentreren op de Oost- en Westkust; dringt aan op sterkere, hieraan gewijde programma's waarvoor voldoende financiering ter beschikking moet worden gesteld;

19.  is verheugd over de stimulerende effecten die de betrekkingen tussen de Europese instellingen, de federale staten van de VS en de grootstedelijke gebieden hebben op de algehele trans-Atlantische betrekkingen, met name in het geval van jumelages; benadrukt in dit opzicht de samenwerking die bestaat op basis van het memorandum van overeenstemming inzake het beperken van de opwarming van de aarde tot minder dan twee graden Celsius; nodigt de federale staten van de VS uit hun contacten met de EU-instellingen te intensiveren;

20.  benadrukt dat culturele uitwisselingen in het kader van onderwijsprogramma's van fundamenteel belang zijn voor de bevordering en ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden en voor het bouwen van bruggen tussen de trans-Atlantische partners; pleit daarom voor de versterking, uitbreiding en vereenvoudiging van de toegang tot mobiliteitsprogramma's voor studenten tussen de VS en de EU in het kader van Erasmus+;

21.  is bijzonder onder de indruk van de inzet van de Amerikaanse scholieren die zich in antwoord op de talrijke tragische schietpartijen op scholen sterk maken voor strengere wapenwetgeving en in verzet komen tegen de invloed die de National Rifle Association uitoefent op het wetgevingsproces;

Mondiale uitdagingen samen aangaan

22.  hamert erop dat de EU en de VS een belangrijke constructieve rol moeten blijven spelen door gezamenlijk regionale conflicten en mondiale uitdagingen aan te pakken op basis van de beginselen van het internationaal recht; benadrukt dat het multilateralisme waarvoor Europa zich met hart en ziel inzet, steeds verder afkalft vanwege de opstelling van de VS en andere grote mogendheden; herinnert aan het belang van multilateralisme voor het handhaven van de vrede en stabiliteit, evenals als middel voor het bevorderen van de waarden van de rechtsstaat en het aanpakken van mondiale problemen en benadrukt met klem dat deze aan de orde moeten worden gesteld binnen het kader van de relevante internationale fora; is derhalve bezorgd dat de recente unilaterale beslissingen van de VS – terugtrekking uit belangrijke internationale overeenkomsten, het intrekken van bepaalde toezeggingen, het ondermijnen van internationale regels, terugtrekking uit internationale fora en het aanstoken van spanningen op diplomatiek en handelsgebied – kunnen afwijken van deze gemeenschappelijke waarden en de betrekkingen onder druk kunnen zetten en kunnen ondermijnen; verzoekt de EU om eenheid, vastberadenheid en evenredigheid te betrachten bij haar antwoord op deze beslissingen; verzoekt de EU-lidstaten daarom om af te zien van handelingen of inspanningen die zijn gericht op het behalen van bilaterale voordelen en ten nadele zijn van een coherente gezamenlijke Europese aanpak;

23.  wijst erop dat andere grote wereldmachten, zoals Rusland en China, robuuste politieke en economische strategieën hebben, waarvan er veel mogelijk tegen onze waarden ingaan en onze gemeenschappelijke waarden, internationale verplichtingen en het trans-Atlantisch partnerschap als zodanig in gevaar brengen; herinnert eraan dat dergelijke ontwikkelingen de samenwerking tussen de EU en de VS des te belangrijker maken om ons in staat te stellen open samenlevingen in stand houden en onze gemeenschappelijke rechten, beginselen en waarden, waaronder naleving van het internationaal recht, te blijven bevorderen en beschermen; roept in dit verband op tot meer coördinatie tussen de EU en de VS wat betreft het op één lijn brengen en instellen van een gezamenlijk sanctiebeleid om de doeltreffendheid van dit beleid te verhogen;

24.  is van mening dat de pogingen van Rusland om de westerse samenlevingen onder druk te zetten, te beïnvloeden, te destabiliseren en in te spelen op de zwakke punten en democratische keuzen van deze samenlevingen, een gezamenlijke trans-Atlantische aanpak vereisen; is derhalve van mening dat de VS en de EU ten aanzien van Rusland voorrang moeten geven aan gecoördineerde maatregelen, in voorkomend geval in NAVO-verband; wijst in dit verband bezorgd op de verklaringen van de Amerikaanse en Russische president in het kader van hun ontmoeting op 16 juli 2018 in Helsinki; herinnert aan het duidelijke gevaar waaraan onze democratieën worden blootgesteld als gevolg van nepnieuws, desinformatie, en met name de inmenging door kwaadwillige bronnen; roept op tot het voeren van een politieke en maatschappelijke dialoog over het evenwicht tussen anonimiteit en verantwoordelijkheid op sociale media;

25.  onderstreept dat veiligheid veelzijdig en verweven is en dat de definitie ervan niet alleen militaire aspecten omvat, maar ook milieu-, energie-, handels-, cyber- en communicatie-, gezondheids-, ontwikkelings-, verantwoordings-, humanitaire enz. aspecten; hamert erop dat veiligheidskwesties via een brede benadering moeten worden aangepakt; betreurt en maakt zich in dit verband zorgen over de voorgestelde substantiële bezuinigingen door de VS, bijvoorbeeld de bezuinigingen op staatsopbouw in Afghanistan, op ontwikkelingshulp in Afrika, op humanitaire hulp en op de bijdragen aan de programma's, operaties en organisaties van de VN;

26.  onderstreept dat een evenwichtige en voor beide partijen voordelige trans-Atlantische handelsovereenkomst een effect zou hebben dat handels- en economische aspecten ver zou overstijgen;

27.  verklaart dat de NAVO nog steeds de belangrijkste garantie vormt voor de collectieve defensie van Europa; is verheugd over het feit dat de VS opnieuw zijn steun aan de NAVO en de Europese veiligheid heeft uitgesproken, en onderstreept dat het intensiveren van de samenwerking tussen de EU en de NAVO ook het trans-Atlantische partnerschap sterker maakt;

28.  benadrukt hoe belangrijk samenwerking, coördinatie en synergie-effecten zijn op het gebied van veiligheid en defensie; onderstreept dat het van belang is de defensie-uitgaven beter af te stemmen, en benadrukt in dit verband met klem dat de verdeling van lasten niet uitsluitend moet zijn gericht op de inputs (de doelstelling om 2 % van het bbp aan defensie te besteden), maar ook op de outputs (de capaciteiten gemeten naar inzetbare, parate en permanente strijdkrachten); brengt in herinnering dat door deze gekwantificeerde streefinput echter tot uitdrukking komt dat Europeanen zich steeds meer bewust zijn van hun verantwoordelijkheid voor hun eigen veiligheid, wat gezien het verslechterde strategische klimaat onvermijdelijk is geworden; is verheugd over het feit dat defensie in de EU en haar lidstaten een steeds grotere prioriteit wordt, met verhoogde militaire efficiëntie tot gevolg die zowel de EU als de NAVO ten goede komt, en is in dit verband verheugd over de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op het grondgebied van de EU; verklaart dat de NAVO nog steeds cruciaal is voor de collectieve defensie van Europa en zijn bondgenoten (artikel 5 van het verdrag van Washington); benadrukt dat het vermogen van de NAVO om haar taken uit te voeren in belangrijke mate afhankelijk is van de sterkte van de trans-Atlantische betrekkingen;

29.  verzoekt de EU de Europese defensie-unie te versterken teneinde capaciteit op te bouwen die de strategische relevantie van de EU op het gebied van defensie en veiligheid garandeert, bijvoorbeeld door meer synergieën tussen de lidstaten en meer efficiëntie te creëren in de uitgaven voor defensie, onderzoek, overheidsopdrachten voor ontwikkeling, onderhoud en opleiding; benadrukt met klem dat meer defensiesamenwerking op EU-niveau de Europese bijdrage aan vrede, veiligheid en stabiliteit op regionaal en internationaal niveau versterkt en zodoende ook bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het NAVO-bondgenootschap en onze trans-Atlantische band versterkt; is daarom voorstander van de recente inspanningen om de Europese defensie-architectuur uit te breiden, waaronder het Europees Defensiefonds en de onlangs opgerichte permanente gestructureerde samenwerking (PESCO);

30.  is ingenomen met de start van PESCO en steunt de eerste projecten ervan, zoals militaire mobiliteit; onderstreept dat PESCO van gemeenschappelijk belang is voor zowel de EU als de NAVO en een stimulans voor verdere samenwerking tussen beide organisaties moet zijn op het gebied van capaciteitsontwikkeling en de consolidatie van een EU-pijler binnen de NAVO, binnen de context van elke nationale grondwet;

31.  wijst er opnieuw op dat het voor de EU en de VS noodzakelijk is hun samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging en cyberdefensie te versterken, en wel via gespecialiseerde agentschappen en taakgroepen zoals Enisa, Europol, Interpol, toekomstige structuren van PESCO en het Europees Defensiefonds, en daarbij met name cyberaanvallen te weren en zich gezamenlijk in te zetten om een omvattend en transparant internationaal kader met minimumnormen voor het cyberveiligheidsbeleid te ontwikkelen, en tegelijkertijd de fundamentele vrijheden te eerbiedigen; acht het van essentieel belang dat de EU en de NAVO hun inlichtingenuitwisseling opschroeven om officieel de verantwoordelijken van cyberaanvallen te kunnen aanwijzen en hun vervolgens restrictieve sancties te kunnen opleggen; onderstreept het belang en de positieve bijdrage van het Amerikaanse European Reassurance Initiative voor de veiligheid van de EU-lidstaten;

32.  benadrukt dat het toenemende belang van kunstmatige intelligentie en machinaal leren sterkere samenwerking tussen de EU en de VS vereist en dat maatregelen moeten worden genomen om de samenwerking tussen Amerikaanse en Europese technologiebedrijven vooruit te helpen om ervoor te zorgen dat partnerschappen voor ontwikkeling en toepassing zo goed mogelijk worden benut;

33.  verzoekt het Amerikaans Congres het Europees Parlement op te nemen in zijn programma voor de uitwisseling van informatie over cyberaanvallen met de parlementen van Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en het Verenigd Koninkrijk;

34.  onderstreept de noodzaak voor een gemeenschappelijke benadering voor het reguleren van digitale platforms en het vergroten van hun verantwoordingsplicht teneinde de kwesties internetcensuur, auteursrecht en de rechten van rechthebbenden, persoonsgegevens en de notie van netneutraliteit te bespreken; wijst eens te meer op de noodzaak om samen te werken om een open, interoperabel en veilig internet op basis van een multistakeholdermodel te bevorderen dat de mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting bevordert en economische voorspoed en innovatie stimuleert, en daarbij de persoonlijke levenssfeer te respecteren en bedrog, fraude en diefstal te bestrijden; roept op tot gezamenlijke inspanningen om normen en regelgeving te ontwikkelen en de toepasbaarheid van het internationaal recht in de cyberruimte te bevorderen;

35.  herhaalt dat netneutraliteit in het EU-recht is verankerd; betreurt het besluit van de Federal Communications Commission om de regels voor netneutraliteit terug te draaien; is verheugd dat de Amerikaanse Senaat onlangs heeft besloten dit besluit terug te draaien; verzoekt het Amerikaans Congres zich bij dit besluit van de Senaat aan te sluiten teneinde een open, veilig en goed beschermd internet te handhaven dat discriminerende behandeling van inhoud onmogelijk maakt;

36.  onderstreept de noodzaak van degelijke onderhandelingen over normalisatie, met name in het licht van de steeds snellere ontwikkeling van technologie, vooral op het gebied van IT;

37.  benadrukt dat een belangrijk deel van het versterken van de inspanningen van de EU en de VS op het gebied van terrorismebestrijding de bescherming van kritieke infrastructuur, met inbegrip van het bevorderen van gemeenschappelijke normen en het stimuleren van uitwisselbaarheid en interoperabiliteit omvat, evenals een omvattende aanpak van de bestrijding van terrorisme, onder meer door middel van coördinatie binnen regionale, multilaterale en mondiale fora en samenwerking op het gebied van gegevensuitwisseling met betrekking tot terroristische activiteiten; wijst eens te meer op de noodzaak om steun te verlenen aan mechanismen zoals het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias) en aan andere gezamenlijke inspanningen die aanzienlijk kunnen bijdragen aan de bestrijding van terrorisme en extremisme en hierbij het verschil kunnen maken; herinnert beide partijen eraan dat bij de strijd tegen terrorisme het internationaal recht en de democratische waarden in acht moeten worden genomen, met volledige eerbiediging van de burgerlijke vrijheden en fundamentele mensenrechten;

38.  uit zijn bezorgdheid over de recente benoeming van Gina Haspel als directeur van de Centrale Inlichtingendienst (CIA), gezien haar slechte reputatie met betrekking tot de mensenrechten, alsook haar betrokkenheid bij het programma voor uitlevering en geheime detentie van de CIA;

39.  is uiterst bezorgd over de berichten dat de Amerikaanse regering bezig is de beperkte restricties in het droneprogramma weg te nemen, waardoor het risico op burgerslachtoffers en onrechtmatige executies toeneemt, evenals over het gebrek aan transparantie van het Amerikaanse droneprogramma en de steun die bepaalde EU-lidstaten daaraan verlenen; verzoekt de VS en de EU-lidstaten ervoor te zorgen dat zij bij de inzet van gewapende drones hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal mensenrechtenrecht en het internationaal humanitair recht, nakomen, en dat solide bindende normen worden vastgesteld waaraan alle vormen van steun aan dodelijke droneaanvallen moeten voldoen;

40.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat de EU en de VS belastingontduiking en andere financiële misdrijven bestrijden en de transparantie waarborgen;

41.  spoort aan tot verdere verbeterde samenwerking bij de bestrijding van belastingontduiking, belastingontwijking, het witwassen van geld en terrorismefinanciering, voornamelijk in het kader van de EU-VS TFTP-overeenkomst (programma voor het traceren van terrorismefinanciering), die moet worden uitgebreid met gegevens over geldstromen in verband met buitenlandse inmenging of illegale inlichtingenactiviteiten; verzoekt de EU en de VS voorts binnen de OESO samen te werken bij de bestrijding van belastingontduiking en agressieve belastingplanning door internationale voorschriften en normen vast te stellen om dit mondiale probleem aan te pakken; benadrukt dat het cruciaal is voortdurend samen te werken bij rechtshandhaving om onze gemeenschappelijke veiligheid te vergroten, en roept de VS op tot bilaterale en multilaterale samenwerking op dit gebied; betreurt dat de Dodd Frank Act gedeeltelijk werd ingetrokken, waardoor het toezicht op de Amerikaanse banken sterk is verminderd;

42.  benadrukt dat het privacyschild zwakheden blijft vertonen met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkenen; waardeert en steunt de herhaalde oproep van de Amerikaanse wetgever om toe te werken naar een omnibuswet inzake privacy en gegevensbescherming; wijst erop dat de bescherming van persoonsgegevens in Europa een grondrecht is en dat er in de VS geen regelgeving bestaat die vergelijkbaar is met de nieuwe algemene verordening gegevensbescherming (AVG);

43.  herinnert aan de wijdverbreide trans-Atlantische solidariteit na de vergiftiging van de Skripals in Salisbury, die leidde tot de uitzetting van Russische diplomaten door 20 EU-lidstaten, Canada, de VS, Noorwegen en vijf aspirant-lidstaten van de EU;

44.  uit nogmaals zijn bezorgdheid over de verwerping door het Congres in maart 2017 van de door de Federal Communications Commission ingediende regel met betrekking tot de bescherming van de privacy van klanten van breedband- en andere telecommunicatiediensten, waardoor in de praktijk een eind werd gemaakt aan de privacyregels voor breedband die aanbieders van internetdiensten ertoe verplicht zouden hebben alleen met de expliciete toestemming van consumenten gegevens over bezochte websites of andere privé-informatie te mogen verkopen aan of delen met adverteerders en andere bedrijven; beschouwt dit als de zoveelste bedreiging voor de privacywaarborgen in de VS;

45.  herinnert eraan dat de VS het enige niet-EU-land is dat visumvrijstelling voor de EU geniet maar zelf niet alle EU-lidstaten visumvrije toegang biedt; verzoekt de VS de vijf EU-lidstaten in kwestie (Bulgarije, Kroatië, Cyprus, Polen en Roemenië) zo spoedig mogelijk op te nemen in het Amerikaanse visumvrijstellingsprogramma; herinnert eraan dat de Commissie wettelijk verplicht is een gedelegeerde handeling vast te stellen – waarbij de visumvrijstelling tijdelijk wordt opgeschort voor de onderdanen van derde landen die de visumplicht niet hebben opgeheven voor burgers van bepaalde lidstaten – binnen een periode van 24 maanden na de datum van bekendmaking van de kennisgeving hiervan, die op 12 april 2016 is verstreken; verzoekt de Commissie op grond van artikel 265 VWEU de vereiste gedelegeerde handeling vast te stellen;

46.  benadrukt dat de EU vastbesloten is rechtstreeks de democratie, mensenrechten, rechtsstaat, welvaart, stabiliteit, veerkracht en veiligheid van haar buurlanden met niet-militaire middelen te verbeteren, met name door middel van de uitvoering van associatieovereenkomsten; verzoekt de EU en de VS nauwer samen te werken en hun acties, projecten en posities in zowel het Oostelijk als het Zuidelijk Nabuurschap van de Europese Unie onderling beter af te stemmen; brengt in herinnering dat het ontwikkelings- en humanitair beleid van de EU in de wereld ook aan de mondiale veiligheid bijdragen;

47.  prijst de strategische focus en openheid van de VS naar de regio, en herinnert eraan dat de Balkan een uitdaging vormt voor Europa en voor de veiligheid van het gehele continent; nodigt de VS daarom uit deel te nemen aan verdere gezamenlijke inspanningen op de Westelijke Balkan, met name voor de versterking van de rechtsstaat, democratie, vrijheid van meningsuiting en veiligheidssamenwerking; beveelt aan meer gemeenschappelijke acties uit te voeren, zoals corruptiebestrijdingsmechanismen en institutionele opbouw om meer veiligheid, stabiliteit, veerkracht en economische welvaart tot stand te brengen in de landen van de regio en een rol te ontwikkelen bij het oplossen van slepende kwesties; is van mening dat de EU en de VS een nieuwe dialoog op hoog niveau over de Westelijke Balkan moeten beginnen om ervoor te zorgen dat beleidsdoelstellingen en hulpprogramma's op elkaar zijn afgestemd, en voorts de relevante maatregelen moeten nemen;

48.  verzoekt de EU en de VS een actievere en effectievere rol te spelen bij het oplossen van het conflict op het grondgebied van Oekraïne en alle inspanningen te steunen ten behoeve van een duurzame vreedzame oplossing waarbij de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne worden gerespecteerd en de Krim aan Oekraïne wordt teruggegeven, en aan te dringen op en steun te verlenen aan de hervormingsprocessen en de economische ontwikkeling in Oekraïne, die volledig in overeenstemming moeten zijn met de verbintenissen van Oekraïne en de aanbevelingen van internationale organisaties; uit zijn diepe teleurstelling over het verdere gebrek aan vooruitgang bij de uitvoering van de akkoorden van Minsk en de verslechtering van de veiligheids- en humanitaire situatie in Oost-Oekraïne; verklaart derhalve dat de sancties tegen Rusland nog steeds nodig zijn en dat de VS zijn inspanningen met de EU moet afstemmen; pleit voor nauwere samenwerking op dit gebied tussen de VV/HV en de bijzondere vertegenwoordiger van de VS voor Oekraïne;

49.  brengt tevens in herinnering hoe belangrijk het voor de EU en de VS is om een oplossing te vinden voor de "bevroren" conflicten in Georgië en Moldavië;

50.  herinnert eraan dat de internationale orde is gebaseerd op de naleving van internationale overeenkomsten; betreurt in dit licht het besluit van de VS om de conclusies van de G7-top in Canada niet te bekrachtigen; benadrukt nogmaals zijn toegewijdheid aan het internationale recht en de universele waarden en met name de verantwoordingsplicht, nucleaire non-proliferatie en de vreedzame beslechting van geschillen; onderstreept dat de consistentie van onze strategie voor nucleaire non-proliferatie van essentieel belang is voor onze geloofwaardigheid als belangrijke mondiale speler en onderhandelaar; verzoekt de EU en de VS om samen te werken voor nucleaire ontwapening en doeltreffende maatregelen voor de vermindering van nucleaire risico's;

51.  benadrukt dat het gezamenlijk alomvattend actieplan (Joint Comprehensive Plan of Action - JCPOA) met Iran een belangrijke multilaterale overeenkomst en een aanzienlijke diplomatieke verworvenheid is voor de multilaterale diplomatie en EU-diplomatie voor het bevorderen van stabiliteit in de regio; herinnert eraan dat de EU vastbesloten is er alles aan te doen om het JCPOA met Iran te handhaven als belangrijke pijler van de internationale architectuur voor non-proliferatie, die ook van belang is voor de kwestie Noord-Korea, en als cruciaal element voor de veiligheid en stabiliteit van de regio; wijst nogmaals op de noodzaak de Iraanse activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en de regionale stabiliteit, en met name de betrokkenheid van Iran bij diverse conflicten in de regio, en de situatie omtrent de mensenrechten en de rechten van minderheden in Iran, die geen onderdeel uitmaken van het JCPOA, kritischer aan de orde te stellen in de desbetreffende formats en fora; benadrukt dat trans-Atlantische samenwerking voor de aanpak van deze kwesties onmisbaar is; benadrukt dat Iran volgens de talrijke verslagen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) zijn verplichtingen uit hoofde van het JCPOA nakomt; is zeer kritisch over het besluit van president Trump om zich unilateraal terug te trekken uit het JCPOA en extraterritoriale maatregelen in te stellen tegen bedrijven uit de EU die actief zijn in Iran; benadrukt dat de EU vastbesloten is haar belangen en de belangen van bedrijven en investeerders uit de EU te beschermen tegen de extraterritoriale werking van de Amerikaanse sancties; is in dit verband ingenomen met het besluit om de "blokkeringsverordening" te activeren, die tot doel heeft de handelsbelangen van de EU in Iran te beschermen tegen de effecten van extraterritoriale sancties van de VS, en roept de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op de verdere maatregelen te nemen die zij nodig achten om het JCPOA te handhaven;

52.  is bezorgd over het veiligheids- en handelsbeleid van de VS in Oost- en Zuidoost-Azië, waaronder het politieke vacuüm ten gevolge van de terugtrekking van de VS uit het Trans-Pacifisch Partnerschap (TPP); wijst eens te meer op het belang van een constructieve betrokkenheid van de EU bij Oost- en Zuidoost-Azië en de regio van de Stille Oceaan, en is in dit verband ingenomen met het actieve handelsbeleid van de EU in dit deel van de wereld en met de EU-initiatieven op veiligheidsgebied zoals met name geformuleerd in de conclusies van de Raad over versterkte samenwerking op veiligheidsgebied van de EU in en met Azië, ook omwille van het politieke en economische evenwicht;

53.  is verheugd over de nieuwe dialoog op hoog niveau die is aangegaan met Noord-Korea (DVK) en de recente top van 12 juni 2018 in Singapore, en herinnert eraan dat deze besprekingen, waarvan het tastbare en verifieerbare resultaat nog moet blijken, zijn gericht op een vreedzame oplossing van de spanningen en dientengevolge op het bevorderen van regionale en mondiale vrede, veiligheid en stabiliteit; benadrukt dat de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU en de VS, tegelijkertijd druk op de DVK moet blijven uitoefenen totdat dit land zich op geloofwaardige wijze ontdoet van zijn kernwapens door het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT) te ratificeren en de Voorbereidende Commissie van de Verdragsorganisatie voor een alomvattend verbod op kernproeven (CTBTO) en de IAEA toe te staan zijn denuclearisatie te documenteren; spreekt zijn bezorgdheid uit over de ontoereikende voortgang die de DVK heeft geboekt ten aanzien van de denuclearisatie, hetgeen president Trump er op 24 augustus 2018 toe bracht de geplande besprekingen tussen de DVK en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo te annuleren;

54.  herinnert de VS eraan dat dit land het CTBT nog steeds niet heeft geratificeerd, terwijl het een bijlage II-land is waarvan de handtekening noodzakelijk is voor de inwerkingtreding van het verdrag; herhaalt de oproep van de VV/HV aan de wereldleiders om dit verdrag te ratificeren; spoort de VS aan het CTBT zo snel mogelijk te ratificeren en verdere steun te verlenen aan de CTBTO door de overige bijlage II-landen ertoe te bewegen het verdrag te ratificeren;

55.  dringt aan op het in achtnemen van het internationale zeerecht, ook in de Zuid-Chinese Zee; verzoekt de VS in dit verband het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (Unclos) te ratificeren;

56.  roept op tot nauwere samenwerking tussen de EU en de VS voor de vreedzame oplossing van regionale conflicten en de oorlog bij volmacht in Syrië, aangezien het ontbreken van een gemeenschappelijke strategie de vreedzame oplossing van conflicten ondermijnt, en verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen en regionale actoren zich te onthouden van geweld en andere handelingen die de situatie zouden kunnen verergeren; herbevestigt het primaat van het door de VN geleide proces van Genève bij de oplossing van het Syrische conflict, overeenkomstig Resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad, overeengekomen door de partijen bij het conflict en met steun van belangrijke internationale en regionale actoren; roept op tot de volledige uitvoering en eerbiediging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad die worden geschonden door de landen die partij zijn bij de onderhandelingen van Astana; roept op tot gezamenlijke inspanningen om te zorgen voor volledige toegang tot humanitaire hulp voor mensen in nood en tot onafhankelijk, onpartijdig, grondig en geloofwaardig onderzoek en de vervolging van de verantwoordelijken; roept ook op tot ondersteuning van de werkzaamheden van het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme (IIIM) met betrekking tot de internationale misdrijven die sinds maart 2012 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd;

57.  brengt in herinnering dat de EU voorstander is van de hervatting van een betekenisvol vredesproces in het Midden-Oosten om tot een tweestatenoplossing te komen, op basis van de grenzen van 1967, waarbij een onafhankelijke, democratische, levensvatbare, en aangrenzende Palestijnse staat zij aan zij en in vrede en veiligheid bestaat naast een veilige staat Israël en zijn andere buurlanden, en benadrukt met klem dat elke handeling waardoor deze inspanningen zouden worden ondermijnd, moet worden vermeden; betreurt in dit verband het eenzijdige besluit van de Amerikaanse regering om haar ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem te verplaatsen en Jeruzalem officieel als hoofdstad van Israël te erkennen ten zeerste; benadrukt dat de kwestie Jeruzalem deel moet uitmaken van een definitieve vredesovereenkomst tussen de Israëli's en de Palestijnen; benadrukt dat de gezamenlijke routekaart moet worden versterkt, en beklemtoont dat het noodzakelijk is dat de VS zijn inspanningen voor vrede in het Midden-Oosten met zijn Europese partners afstemt;

58.  looft de UNRWA en haar toegewijde medewerkers voor hun buitengewone en onmisbare humanitaire en ontwikkelingswerkzaamheden voor Palestijnse vluchtelingen (op de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem, de Gazastrook, Jordanië, Libanon en Syrië), werkzaamheden die van essentieel belang zijn voor de veiligheid en stabiliteit van de regio; betreurt het besluit van de Amerikaanse regering om haar financiering van de UNRWA stop te zetten ten zeerste en dringt er bij de VS op aan dit besluit te herzien; wijst met klem op de consistente steun van het Europees Parlement en de Europese Unie aan de organisatie en spoort de EU-lidstaten aan om aanvullende financiering te verstrekken teneinde de voortzetting van de activiteiten van UNRWA op de lange termijn te garanderen;

59.  spoort aan tot verdere samenwerking tussen programma's van de EU en de VS in de hele wereld ter bevordering van democratie, mediavrijheid, vrije en eerlijke verkiezingen en de eerbiediging van mensenrechten, met inbegrip van de rechten van vluchtelingen en migranten, vrouwen en etnische en religieuze minderheden; onderstreept het belang van de waarden van goed bestuur, verantwoordingsplicht, transparantie en de rechtsstaat, die de basis vormen voor de bescherming van de mensenrechten; herhaalt het krachtige en principiële standpunt van de EU tegen de doodstraf en voor een wereldwijd moratorium op de doodstraf in de aanloop naar de wereldwijde afschaffing ervan; onderstreept de noodzaak van samenwerking bij crisispreventie en vredesopbouw, alsook bij het reageren op humanitaire noodsituaties;

60.  wijst er nogmaals op dat de EU en de VS gemeenschappelijke belangen hebben in Afrika, waar beide op lokaal, regionaal en multinationaal niveau hun steun voor goed bestuur, democratie, mensenrechten, duurzame sociale ontwikkeling, milieubescherming, migratiebeheer, economisch bestuur en veiligheidskwesties moeten intensiveren, evenals hun steun voor de vreedzame oplossing van regionale conflicten en het bestrijden van corruptie, illegale financiële transacties, geweld en terrorisme; is van mening dat betere samenwerking tussen de EU en de VS, onder andere door een intensievere politieke dialoog en het opzetten van gezamenlijke strategieën voor Afrika waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de oordelen van regionale organisaties en subregionale groeperingen, tot doeltreffendere actie en een doeltreffendere inzet van middelen zal leiden;

61.  onderstreept het belang van de gemeenschappelijke politieke, economische en veiligheidsbelangen van de EU en de VS met betrekking tot het economisch beleid van landen als China en Rusland, en wijst er opnieuw op dat gezamenlijke inspanningen, waaronder die op het niveau van de WTO, nuttig kunnen zijn voor het aanpakken van kwesties zoals de huidige onevenwichtigheden in de mondiale handel en de situatie in Oekraïne; roept de Amerikaanse regering op de benoeming van de rechters in de Beroepsinstantie van de WTO niet langer te blokkeren; onderstreept de noodzaak om nauwer samen te werken ten aanzien van de strategie van China omtrent het "One Belt One Road"-initiatief (OBOR), onder andere door in dit verband samenwerking tot stand te brengen tussen de EU en de quadrilaterale veiligheidsdialoog (QUAD) tussen de VS, India, Japan en Australië;

62.  wijst op de noodzaak van betere samenwerking binnen het Arctisch beleid, met name in het kader van de Arctische Raad, vooral aangezien door klimaatverandering nieuwe scheepvaartroutes kunnen ontstaan en natuurlijke hulpbronnen beschikbaar kunnen worden;

63.  benadrukt met klem dat migratie een wereldwijd verschijnsel is en dus moet worden aangepakt door middel van samenwerking, partnerschap en de bescherming van mensenrechten en veiligheid, maar ook door middel van het beheersen van migratieroutes en het nastreven van een mondiale benadering op VN-niveau op basis van de eerbiediging van het internationaal recht, met name het Verdrag van Genève van 1951 en het Protocol van 1967; is ingenomen met de tot dusver binnen de VN geleverde inspanningen om een mondiaal pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie en een mondiaal pact inzake vluchtelingen te verwezenlijken, en betreurt het besluit van de VS van december 2017 om zich uit de besprekingen terug te trekken; pleit voor een gezamenlijk beleid om de onderliggende oorzaken van migratie te bestrijden;

64.  pleit voor nauwere samenwerking tussen de EU en de VS op het gebied van energie, met inbegrip van hernieuwbare energie, waarbij wordt voortgebouwd op het kader van de Energieraad EU-VS; herhaalt derhalve zijn oproep tot voortzetting van de bijeenkomsten; pleit bovendien voor meer samenwerking voor onderzoek op het vlak van energie en nieuwe technologieën, evenals nauwere samenwerking bij de bescherming van energie-infrastructuur tegen cyberaanvallen; benadrukt met klem dat het noodzakelijk is om samen te werken inzake de energievoorzieningszekerheid, en benadrukt dat er meer duidelijkheid nodig is over de vraag hoe de rol van Oekraïne als doorvoerland er in de toekomst zal uitzien;

65.  uit zijn bezorgdheid over Nord Stream 2-pijpleiding en de mogelijk verdelende werking ervan met betrekking tot de energiezekerheid en solidariteit van de lidstaten, en is ingenomen met de steun van de VS voor de waarborging van de energiezekerheid in Europa;

66.  betreurt de terugtrekking van de VS uit de Overeenkomst van Parijs, maar prijst de aanhoudende inspanningen van individuen, ondernemingen, steden en staten binnen de VS die de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs blijven nastreven en zich inzetten voor de strijd tegen klimaatverandering, en wijst erop dat meer betrokkenheid van de EU bij deze actoren noodzakelijk is; stelt vast dat klimaatverandering niet langer deel uitmaakt van de Amerikaanse strategie inzake de nationale veiligheid; bevestigt eens te meer dat de EU zich tot de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 van de VN verbindt, en onderstreept de noodzaak om deze uit te voeren om de mondiale veiligheid te garanderen en een duurzamere economie en maatschappij te ontwikkelen, herinnert eraan dat een verschuiving naar een groene economie veel kansen voor werkgelegenheid en groei oplevert;

67.  spreekt zijn steun uit voor verdere samenwerking op het gebied van innovatie, wetenschap en technologie, en pleit voor de vernieuwing van de Overeenkomst inzake wetenschap en technologie tussen de VS en de EU;

Het verdedigen van een op regels gebaseerde handelsorde in zware tijden

68.  wijst erop dat de VS in 2017 de grootste markt voor uitvoer uit de EU was en de op een na grootste bron van invoer naar de EU; wijst erop dat er verschillen zijn in de handelstekorten en handelsoverschotten tussen de EU en de VS wat betreft de handel in goederen, de handel in diensten, de digitale handel en de buitenlandse directe investeringen; benadrukt dat de EU en de VS de meest omvangrijke handels- en investeringsbetrekkingen ter wereld onderhouden, die altijd al op gemeenschappelijke waarden zijn gebaseerd en een van de belangrijkste motoren van wereldwijde economische groei, handel en welvaart vormen; merkt voorts op dat de EU op de goederenhandelsbalans met de VS een overschot van 147 miljard USD heeft; wijst erop dat Europese ondernemingen werk bieden aan 4,3 miljoen mensen in de VS;

69.  beklemtoont het feit dat de EU en de VS twee hoofdrolspelers zijn in een geglobaliseerde wereld die een ongekend snel en intensief ontwikkelingsproces doormaakt en dat de EU en de VS gezien de gezamenlijke uitdagingen een gemeenschappelijk belang hebben bij samenwerking en coördinatie op het gebied van het handelsbeleid teneinde gestalte te kunnen geven aan het toekomstige multilaterale handelssysteem en aan de mondiale normen;

70.  wijst op de sleutelrol van de WTO in het multilaterale systeem, aangezien zij de beste optie blijft om een open, eerlijk en op regels gebaseerd systeem te garanderen waarin de vele uiteenlopende belangen van haar leden in aanmerking worden genomen en met elkaar in evenwicht worden gebracht; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de verdere versterking van het multilaterale handelssysteem; steunt de werkzaamheden die de Commissie heeft verricht voor de verdere samenwerking met de VS aan een positieve gezamenlijke reactie op de huidige institutionele en systemische uitdagingen;

71.  onderstreept de rol van de WTO bij het beslechten van handelsgerelateerde geschillen; vraagt alle WTO-leden ervoor te zorgen dat het stelsel voor geschillenbeslechting van de WTO goed werkt; betreurt in dit verband het feit dat nieuwe benoemingen voor de vacante functies bij de Beroepsinstantie door de Verenigde Staten worden tegengehouden, waardoor de hele werking van het stelsel voor geschillenbeslechting van de WTO in gevaar komt; doet een beroep op de Commissie en alle WTO-leden om manieren te zoeken om de huidige impasse in verband met de benoeming van nieuwe rechters bij de Beroepsinstantie van de WTO te doorbreken, indien nodig door het stelsel voor geschillenbeslechting te hervormen; is van mening dat dergelijke hervormingen erop gericht kunnen zijn te waarborgen dat het stelsel zo efficiënt en onafhankelijk mogelijk is en tegelijkertijd in overeenstemming blijft met de waarden en de algemene benadering die de EU sinds de oprichting van de WTO ononderbroken heeft voorgestaan, in het bijzonder de bevordering van wereldwijde vrije en eerlijke op de rechtsstaat gebaseerde handel, en de noodzaak dat alle WTO-leden aan de WTO-verplichtingen voldoen;

72.  betreurt het gebrek aan resultaten van de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO, maar is ingenomen met het feit dat de VS, de EU en Japan gezamenlijk de verklaring over de uitbanning van oneerlijke, marktverstorende en protectionistische praktijken hebben ondertekend, hetgeen ook benadrukt werd in de verklaring van de G-20 van juli 2017; dringt aan op verdere samenwerking met de VS en Japan in dit verband om oneerlijke handelspraktijken zoals discriminatie, beperking van de markttoegang, dumping en subsidies te bestrijden;

73.  vraagt de Commissie met de VS en andere WTO-leden een plan van aanpak op te stellen over de uitbanning van verstorende subsidies in de katoensector en de visserij (in het bijzonder met betrekking tot illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO-) visserij); pleit voor samenwerking om nieuwe kwesties, zoals elektronische handel, digitale handel, met inbegrip van digitale ontwikkeling, bevordering van investeringen, handel en het milieu, en handel en gender, hoger op de multilaterale agenda te plaatsen en speciaal beleid te stimuleren ter vergemakkelijking van de deelname van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo's) aan de wereldwijde economie;

74.  roept de EU en de VS op de samenwerking op internationaal niveau te bevorderen teneinde de internationale overeenkomsten op het gebied van overheidsaanbestedingen, met name de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, te versterken;

75.  verzoekt de Commissie een dialoog aan te gaan met de Verenigde Staten met het oog op de hervatting van de onderhandelingen over de plurilaterale Overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA);

76.  vraagt de EU en de VS hun middelen te bundelen om oneerlijke handelsbeleidsmaatregelen en ‑praktijken te bestrijden en tegelijkertijd de multilaterale regels en het proces voor geschillenbeslechting in de WTO te eerbiedigen en unilaterale acties te vermijden, aangezien deze schadelijk zijn voor alle mondiale waardeketens waarbinnen Europese en Amerikaanse bedrijven actief zijn; betreurt ten zeerste de onzekerheid in het internationale handelsstelsel die wordt veroorzaakt door het feit dat de VS gebruik maakt van middelen en beleidsinstrumenten die vóór de oprichting van de WTO en het stelsel voor geschillenbeslechting werden gecreëerd (bv. artikel 232 van 1962 en artikel 301 van 1974); merkt in dit verband op dat het besluit van de VS om krachtens artikel 232 invoerrechten op staal en aluminium te heffen niet kan worden gerechtvaardigd door redenen van nationale veiligheid, en doet een beroep op de VS om aan de EU en andere bondgenoten een volledige en permanente vrijstelling van de maatregelen te verlenen; verzoekt de Commissie om een krachtige reactie indien deze invoerrechten worden gebruikt om de uitvoer vanuit de EU aan banden te leggen; onderstreept tevens dat eventuele sancties in de vorm van tegenmaatregelen betreffende Europese goederen die de VS zouden kunnen nemen naar aanleiding van de publicatie van het nalevingsrapport van de Beroepsinstantie in het kader van de klacht van de VS tegen de EU over maatregelen inzake de handel in grote burgerluchtvaartuigen, niet gerechtvaardigd zouden zijn, aangezien 204 van de 218 vorderingen die door de VS zijn ingesteld door de WTO zijn afgewezen en een verder rapport over de daarmee verband houdende zaak wegens onrechtmatige VS-subsidies nog op zich laat wachten;

77.  neemt kennis van de voortdurende de bilaterale samenwerking tussen de EU en de VS inzake een breed scala aan regelgevingskwesties, zoals blijkt uit de onlangs gesloten bilaterale overeenkomst inzake prudentiële maatregelen betreffende verzekering en herverzekering of de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van inspecties bij geneesmiddelenfabrikanten; verzoekt de Commissie en de Raad om in dit proces ten volle recht te doen aan de rol van het Europees Parlement;

78.  benadrukt dat intellectuele eigendom van cruciaal belang is voor de economie van de EU en de VS; roept beide partijen op om aan beide zijden van de Atlantische Oceaan onderzoek en innovatie te ondersteunen, een hoog niveau van bescherming van intellectuele eigendom te waarborgen en ervoor te zorgen dat degenen die innovatieve producten van hoge kwaliteit scheppen dit kunnen blijven doen;

79.  roept de EU en de VS ertoe op de markttoegang voor naar de VS en de EU uitvoerende kmo's te verbeteren door voor meer transparantie te zorgen inzake de bestaande voorschriften en marktkansen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan, bijvoorbeeld door middel van een kmo-portaal;

80.  benadrukt het belang van de Amerikaanse markt voor Europese kmo's; verzoekt de EU en de VS om iets te doen aan het onevenredige effect dat invoerrechten en niet-tarifaire en technische handelsbelemmeringen hebben op kmo's aan weerszijden van de Atlantische Oceaan, niet alleen door een verlaging van tarieven, maar ook door een vereenvoudiging van de douaneprocedures en mogelijk nieuwe mechanismen om kmo's te helpen ervaringen en optimale praktijken uit te wisselen wat betreft de inkoop en verkoop op de markten van de EU en de VS;

81.  roept de EU en de VS op om zich in het kader van hun bilaterale samenwerking te onthouden van onderlinge belastingconcurrentie, aangezien deze alleen tot een afname van de investeringen in beide economieën zal leiden;

82.  vraagt de EU en de VS overeenstemming te bereiken over een kader voor digitale handel waarin zij elkaars bestaande wettelijke kaders en overeenkomsten alsook hun gegevensbeschermingswetgeving en privacyregelgeving, die van bijzonder belang is voor de dienstensector, eerbiedigen; benadrukt in dit verband dat de EU en de VS moeten samenwerken om derde landen aan te moedigen hoge gegevensbeschermingsnormen in te voeren;

83.  doet een beroep op de EU en de VS om hun samenwerking op het gebied van klimaatverandering te intensiveren; verzoekt de EU en de VS de huidige en toekomstige handelsonderhandelingen op alle niveaus aan te grijpen als gelegenheid om de toepassing van internationaal overeengekomen normen, zoals de Overeenkomst van Parijs, te waarborgen, de handel in milieuvriendelijke goederen, met inbegrip van technologieën, te bevorderen, en een wereldwijde energietransitie tot stand te brengen met een duidelijke en gecoördineerde internationale handelsagenda, teneinde het milieu te beschermen en werkgelegenheid en mogelijkheden voor groei te creëren;

84.  is ervan overtuigd dat niet onder druk kan worden onderhandeld over een potentiële nieuwe overeenkomst over de handels- en investeringsbetrekkingen tussen de EU en de VS en dat het belang van de EU alleen gediend zou zijn met een brede, ambitieuze, evenwichtige en alomvattende overeenkomst die alle handelsgebieden omvat; merkt in dit verband op dat de instelling van een eventueel specifiek en permanent mechanisme voor samenwerking inzake regelgeving en raadpleging van voordeel zou kunnen zijn; verzoekt de Commissie de onderhandelingen met de VS onder de juiste omstandigheden te hervatten;

85.  onderstreept dat handelsstromen in toenemende mate nieuwe, snellere en veiligere methoden voor het grensoverschrijdend verkeer van goederen en diensten vergen; roept de EU en de VS, die voor elkaar belangrijke handelspartners zijn, op om samen te werken op het gebied van handelsgerelateerde digitale technologische oplossingen ter vergemakkelijking van de handel;

86.  herinnert aan het belang van de bestaande dialoog en samenwerking tussen de EU en de VS op het gebied van wetenschap en technologie; erkent dat de inspanningen van de EU en de VS op het gebied van onderzoek en innovatie belangrijke motoren zijn van kennis en economische groei, en spreekt zich uit voor de voortzetting en uitbreiding van de tussen de EU en de VS gesloten Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking na 2018, met het oog op de bevordering van onderzoek, innovatie, nieuwe technologieën en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, teneinde meer en betere banen te scheppen, duurzame handel tot stand te brengen en inclusieve groei te creëren;

87.  deelt de bezorgdheid van de VS over de mondiale overcapaciteit van de staalproductie; betreurt tegelijkertijd dat unilaterale maatregelen die strijdig zijn met de WTO de integriteit van een op regels gebaseerde handelsorde alleen maar zullen ondermijnen; benadrukt dat zelfs een permanente vrijstelling van de EU van de Amerikaanse invoertarieven deze aanpak niet kan rechtvaardigen; vraagt de Commissie samen te werken met de VS voor de versterking van de inspanningen ter bestrijding van de overcapaciteit van de staalproductie in het kader van het mondiaal forum van de G20, teneinde het enorme potentieel van multilaterale acties te benutten; herhaalt zijn overtuiging dat gezamenlijke en gecoördineerde maatregelen in het kader van de op regels gebaseerde handelsstelsels de beste manier zijn om dergelijke wereldwijde problemen op te lossen;

88.  wijst er opnieuw op dat het belangrijk is dat de EU en de VS de nodige modernisering van de WTO op gecoördineerde en constructieve wijze aanpakken om deze effectiever en transparanter te maken en de verantwoordingsplicht ervan te versterken, en er tevens voor te zorgen dat bij de uitwerking van internationale voorschriften en beleidsmaatregelen op handelsgebied naar behoren rekening wordt gehouden met de gender-, sociale, milieu- en mensenrechtendimensie;

89.  wijst erop dat de EU een onvervalste markteconomie en een open, op waarden en regels gebaseerde eerlijke handel voorstaat; herhaalt zijn steun voor de strategie die door de Commissie wordt gevolgd in reactie op het huidige handelsbeleid van de VS, die in overeenstemming is met de regels van het multilaterale handelssysteem; dringt aan op eendracht tussen alle lidstaten van de EU en verzoekt de Commissie een gemeenschappelijke aanpak van de situatie uit te werken; benadrukt dat het belangrijk is in dit opzicht de eensgezindheid onder de lidstaten van de EU te bewaren, aangezien gezamenlijke acties van de EU in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid en de douane-unie van de EU op internationaal niveau alsook bilaterale acties van de EU en de VS veel doeltreffender zijn gebleken dan initiatieven van afzonderlijke lidstaten; herhaalt dat de EU bereid is om met de VS in het kader van de regels van het multilaterale handelssysteem samen te werken met betrekking tot handelskwesties van wederzijds belang;

90.  betreurt het besluit van president Trump om de VS terug te trekken uit het JCPOA en de gevolgen die dit besluit zal hebben voor bedrijven uit de EU die zaken doen in Iran; steunt alle inspanningen van de EU ter behartiging van de belangen van Europese ondernemingen die in Iran investeren, met name het besluit van de Commissie om het blokkadestatuut te activeren, hetgeen getuigt van het engagement van de EU voor het JCPOA; meent dat ditzelfde statuut overal waar het van pas komt zou kunnen worden toegepast;

91.  verzoekt de EU en de VS hun samenwerking en hun inspanningen voor de tenuitvoerlegging en verspreiding van regelingen voor passende zorgvuldigheid voor ondernemingen te intensiveren, teneinde de bescherming van de mensenrechten wereldwijd te versterken, onder meer wat betreft de handel in mineralen en metalen uit conflictgebieden;

92.  betreurt het feit dat de VS zich terugtrekken uit het milieubeschermingsbeleid; betreurt in dit verband het feit dat president Trump heeft besloten het verbod op de invoer van jachttrofeeën van olifanten uit bepaalde Afrikaanse landen waaronder Zimbabwe en Zambia naar de VS, de grootste importeur van dergelijke jachttrofeeën, op te heffen;

93.  roept de EU en de VS op de trans-Atlantische parlementaire samenwerking voor te zetten en te versterken om zo een beter en breder politiek kader te scheppen voor de verbetering van de handels- en investeringsbetrekkingen tussen de EU en de VS;

94.  uit zijn bezorgdheid over een eventuele overeenkomst tussen de VS en China die niet volledig in overeenstemming is met de WTO-regels, die ook onze belangen zou kunnen schaden en negatieve gevolgen kan hebben voor de trans-Atlantische handelsbetrekkingen; benadrukt daarom de noodzaak van een ruimere overeenkomst met onze belangrijkste handelspartners, gezien onze wereldwijde gedeelde belangen;

o
o   o

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de EDEO, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredingslanden en kandidaat-lidstaten, de president van de Verenigde Staten, de Senaat en het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten.

(1) PB L 309 van 29.11.1996, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0068.
(3) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 226.
(4) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 198.
(5) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 124.
(6) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 120.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0435.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0492.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0042.


Stand van de betrekkingen tussen de EU en China
PDF 203kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2018 over de stand van zaken van de betrekkingen tussen de EU en China (2017/2274(INI))
P8_TA(2018)0343A8-0252/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China die op 6 mei 1975 zijn aangeknoopt,

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategische partnerschap EU-China,

–  gezien het voornaamste rechtskader voor de betrekkingen met China, namelijk de in mei 1985 ondertekende handels- en economische samenwerkingsovereenkomst(1) tussen de EEG en China, die betrekking heeft op de economische en handelsrelaties en het samenwerkingsprogramma EU-China,

–  gezien de strategische agenda 2020 voor samenwerking tussen de EU en China, die op 21 november 2013 is aangenomen,

–  gezien de gestructureerde politieke dialoog tussen de EU en China, die officieel is gestart in 1994, en de strategische dialoog op hoog niveau over kwesties inzake strategie en buitenlands beleid, die is gestart in 2010, met name de 5e en 7e strategische dialogen op hoog niveau tussen de EU en China die respectievelijk plaatshadden op 6 mei 2015 en 19 april 2017 in Beijing,

–  gezien de onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst die in 2007 van start zijn gegaan,

–  gezien de onderhandelingen over een bilaterale investeringsovereenkomst die in januari 2014 van start zijn gegaan,

–  gezien de 19e top EU-China, die op 1 en 2 juni 2017 in Brussel heeft plaatsgevonden,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 juni 2016 over elementen voor een nieuwe EU-strategie ten aanzien van China (JOIN(2016)0030),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juli 2016 over een EU-strategie voor China,

–  gezien het gezamenlijke verslag van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 24 april 2018 getiteld "Hong Kong Special Administrative Region: Annual Report 2017’ (JOIN(2018)0007),

–  gezien de richtsnoeren van de Raad van 15 juni 2012 inzake het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU in Oost-Azië,

–  gezien de goedkeuring van een nieuwe wet op de nationale veiligheid door het permanente comité van het Nationaal Volkscongres op 1 juli 2015,

–  gezien het witboek over China’s militaire strategie van 26 mei 2015,

–  gezien de in 1995 gestarte dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, en de 35e ronde van deze dialoog op 22 en 23 juni 2017 in Brussel,

–  gezien de meer dan 60 sectorale dialogen tussen de EU en China,

–  gezien de instelling in februari 2012 van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China, die als kader dient voor alle gezamenlijke initiatieven van de EU en China op dit gebied,

–  gezien de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en China, die in werking is getreden in 2000(2), en de partnerschapsovereenkomst inzake wetenschap en technologie, die is ondertekend op 20 mei 2009,

–  gezien het VN-Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Klimaatakkoord van Parijs, dat op 4 november 2016 in werking is getreden,

–  gezien de Energiedialoog tussen de Europese Gemeenschap en China,

–  gezien de rondetafelconferenties van de EU en China,

–  gezien het 19e Nationale Congres van de Communistische Partij van China dat van 18 tot en met 24 november 2017 heeft plaatsgevonden,

–  gezien de "Belastingwet ter bescherming van het milieu", die in december 2016 door het Nationaal Volkscongres werd afgekondigd en op 1 januari 2018 in werking trad,

–  gezien het feit dat de Internationale Organisatie voor Migratie heeft vastgesteld dat milieufactoren van invloed zijn op (inter)nationale migratiestromen, aangezien mensen die op plaatsen wonen waar versnelde klimaatverandering tot barre of verslechterende omstandigheden leidt, hun omgeving verlaten(3),

–  gezien het Toerismejaar EU-China 2018 waarvoor op 19 januari 2018 in Venetië de aftrap werd gegeven,

–  gezien het op 30 januari 2018 gepubliceerde rapport van de Foreign Correspondents' Club of China (FCCC) over de werkomstandigheden getiteld "Access Denied – Surveillance, harassment and intimidation as reporting conditions in China deteriorate",

–  gezien EU-Verklaring - punt 4, afgegeven op de 37e bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad op 13 maart 2018, getiteld "Human rights situation that requires the Council’s attention",

–  gezien de 41e interparlementaire bijeenkomst EP - China, die in mei 2018 in Beijing plaatsvond,

–  gezien zijn resoluties over China, met name die van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën(4), van 23 mei 2012 over de EU en China: handelsonevenwicht?(5), van 14 maart 2013 over nucleaire dreigingen en mensenrechten in de Democratische Volksrepubliek Korea(6), van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(7), van 17 april 2014 over de situatie in Noord-Korea(8), van 21 januari 2016 over Noord-Korea(9), en van 13 december 2017 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(10),

–  gezien zijn resoluties van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(11), van 5 februari 2009 over de handels- en economische betrekkingen met China(12), van 14 maart 2013 over de betrekkingen EU-China(13), van 9 oktober 2013 over de onderhandelingen tussen de EU en China over een bilaterale investeringsovereenkomst(14) en over de handelsbetrekkingen EU-Taiwan(15) en van 16 december 2015 over de betrekkingen EU-China(16), en zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid over Hongkong, 20 jaar na de machtsoverdracht(17),

–  gezien zijn mensenrechtenresoluties van 27 oktober 2011 over Tibet, in het bijzonder de zelfverbranding van nonnen en monniken(18), van 14 juni 2012 over de mensenrechtensituatie in Tibet(19), van 12 december 2013 over orgaanhandel in China(20), van 15 december 2016 over de zaak rond het boeddhistische opleidingsinstituut Larung Gar in Tibet en rond Ilham Tohti(21), van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017(22), van 6 juli 2017 over de specifieke gevallen van Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo en Lee Ming-che(23) en van 18 januari 2018 over de zaak van de mensenrechtenactivisten Wu Gan, Xie Yang, Lee Ming-che en Tashi Wangchuk, en de Tibetaanse monnik Choekyi(24),

–  gezien het na het gewelddadige optreden op het Tiananmen-plein van juni 1989 ingestelde wapenembargo van de EU, dat door het Parlement is gesteund in zijn resolutie van 2 februari 2006 over het jaarlijks verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB(25),

–  gezien de negen ronden van onderhandelingen van 2002 tot en met 2010 tussen hoge vertegenwoordigers van de Chinese regering en de Dalai Lama, het witboek van China over Tibet getiteld "Tibet’s Path of Development Is Driven by an Irresistible Historical Tide", dat op 15 april 2015 werd gepubliceerd door het Chinese Voorlichtingsbureau van de Staatsraad, alsmede het memorandum van 2008 en de nota van 2009 over daadwerkelijke autonomie, die beide door de vertegenwoordigers van de 14e Dalai Lama werden gepresenteerd,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0252/2018),

A.  overwegende dat de 19e top EU-China in 2017 een bilateraal strategisch partnerschap heeft begunstigd, dat een wereldwijde weerslag heeft, en de nadruk heeft gelegd op gezamenlijke verbintenissen om wereldwijde uitdagingen en gemeenschappelijke bedreigingen voor de veiligheid aan te pakken en het multilateralisme te bevorderen; overwegende dat er talrijke terreinen zijn waarop een constructieve samenwerking, ook in internationale fora als de VN en de G20, wederzijdse voordelen zou kunnen opleveren; overwegende dat de EU en China hebben bevestigd van plan te zijn intensiever samen te werken bij de tenuitvoerlegging van het akkoord van Parijs van 2015 door klimaatverandering te bestrijden, het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen, schone energie te bevorderen en vervuiling terug te dringen; overwegende dat beide zijden hun samenwerking en coördinatie op dit terrein, maar ook op dat van onderzoek en uitwisseling van goede praktijken, moeten versterken; overwegende dat China een op het EU-ETS gebaseerde regeling voor de handel in emissierechten heeft vastgesteld; overwegende dat de visie van de EU ten aanzien van multilaterale governance in het teken staat van een op regels gebaseerde orde en berust op universele waarden als democratie, mensenrechten, rechtsstaat, transparantie en verantwoording; overwegende dat het in de huidige geopolitieke context belangrijker is dan ooit om multilateralisme en een op regels gebaseerd systeem te bevorderen; overwegende dat de EU verwacht dat haar betrekkingen met China zowel in politiek als economisch opzicht van wederzijds belang zullen zijn; overwegende dat zij ook verwacht dat China verantwoordelijkheden op zich zal nemen die overeenstemmen met de mondiale impact die het land heeft, en de op regels gebaseerde internationale orde zal steunen waarvan het zelf ook profijt trekt;

B.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en China op het gebied van buitenlands beleid, veiligheid en defensie en bij de bestrijding van terrorisme uiterst belangrijk is; overwegende dat de samenwerking tussen beide zijden van doorslaggevend belang was voor het tot stand brengen van het nucleaire akkoord met Iran; overwegende dat het standpunt van China een rol van doorslaggevend belang heeft gespeeld bij het creëren van onderhandelingsruimte in de Noord-Koreaanse crisis;

C.  overwegende dat het Chinese leiderschap – hetgeen in Europa grotendeels wordt genegeerd – geleidelijk en systematisch zijn inspanningen heeft opgevoerd om zijn economisch gewicht om te zetten in politieke invloed middels strategische infrastructuurinvesteringen en nieuwe transportverbindingen en strategische communicatie gericht op de beïnvloeding van Europese politieke en economische beleidsmakers, media, universiteiten en academische uitgevers en het grotere publiek, teneinde de opvattingen over China vorm te geven en een positief imago van het land uit te dragen door het opzetten van "netwerken" van positief gezinde Europese organisaties en individuen in de gehele maatschappij; overwegende dat de controle van China op het groot aantal studenten afkomstig van het Chinese vasteland dat momenteel in Europa studeert en zijn pogingen om uit China weggevluchte mensen in Europa te controleren, redenen zijn tot bezorgdheid;

D.  overwegende dat het 16+1-formaat tussen China enerzijds en elf Midden- en Oost-Europese landen en vijf Balkanlanden anderzijds in 2012 werd ingevoerd na de financiële crisis en als onderdeel van de Chinese subregionale diplomatie om grootschalige infrastructuurprojecten te ontwikkelen en de economische en commerciële samenwerking te versterken; overwegende dat de geplande Chinese investeringen en financiering in deze landen van substantiële omvang zijn, maar dat deze investeringen niet zo belangrijk zijn als de investeringen en het engagement van de EU; overwegende dat de Europese landen die deel uitmaken van dit formaat zouden moeten overwegen om het vermogen van de EU om met één stem te spreken in haar betrekkingen met China meer gewicht toe te kennen;

E.  overwegende dat China de snelst groeiende markt is voor EU-levensmiddelen;

F.  overwegende dat het Chinese "Gordel- en Weginitiatief" (Belt and Road Initiative - BRI)", met inbegrip van het Chinese beleid voor de Noordpool, het meest ambitieuze initiatief van het buitenlands beleid is dat het land ooit heeft goedgekeurd en dat geopolitieke en veiligheidsgerelateerde dimensies heeft en daarmee verder gaat dan het aangegeven doel van economisch en handelsbeleid; overwegende dat het BRI verder werd versterkt met de oprichting van de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur (AIIB) in 2015; overwegende dat de EU aandringt op een multilaterale governancestructuur alsmede op een niet-discriminerende tenuitvoerlegging van het BRI; overwegende dat van Europese zijde de garantie wordt verlangd dat elk connectiviteitsproject in het kader van het BRI de verplichtingen die voortvloeien uit het akkoord van Parijs nakomt en ook andere internationale milieu-, arbeids- en sociale normen alsmede de rechten van de inheemse volken eerbiedigt; overwegende dat de Chinese infrastructuurprojecten kunnen leiden tot grote schulden van Europese regeringen aan Chinese staatsbanken die tegen ondoorzichtige voorwaarden leningen aanbieden, en tot weinig banen in Europa; overwegende dat sommige van de met het BRI verband houdende infrastructuurprojecten er reeds toe hebben geleid dat een aantal regeringen van derde landen met hoge schulden werden opgezadeld; overwegende dat het leeuwendeel van de met het BRI verband houdende contracten is gegund aan Chinese bedrijven; overwegende dat China sommige van zijn industriële normen in BRI-gerelateerde projecten op discriminerende wijze gebruikt; overwegende dat de met het BRI verband houdende projecten niet op ondoorzichtige wijze mogen worden gegund; overwegende dat China in het BRI een veelheid aan kanalen gebruikt; overwegende dat de 27 nationale ambassadeurs van de EU in Beijing onlangs een rapport hebben samengesteld waarin scherpe kritiek wordt geuit op het BRI-project en dit aan de kaak wordt gesteld als een project dat is opgezet om de vrije handel te belemmeren en Chinese bedrijven te bevoordelen; overwegende dat het BRI helaas geen enkele waarborg voor de mensenrechten bevat;

G.  overwegende dat de Chinese diplomatie als een sterkere speler uit het 19e Partijcongres en het Nationale Volkscongres van dit jaar tevoorschijn is gekomen met ten minste vijf hooggeplaatste ambtenaren die zich gaan bezighouden met het buitenlands beleid en een veel ruimer budget voor het ministerie van Buitenlandse Zaken; overwegende dat het nieuw opgerichte staatsagentschap voor internationale ontwikkelingssamenwerking zal worden belast met de coördinatie van China's stijgende budget voor buitenlandse hulp;

H.  overwegende dat China in de jaren tachtig een beperking van de ambtstermijn had ingevoerd als reactie op de excessen van de Culturele Revolutie; overwegende dat het Nationale Volkscongres op 11 maart 2018 vrijwel unaniem heeft ingestemd met de afschaffing van het maximum van twee opeenvolgende termijnen voor de ambten van president en vicepresident van de Volksrepubliek China;

I.  overwegende dat het leiderschap van China weliswaar aandringt op niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen maar in zijn officiële mededelingen regelmatig het politiek bestel van de westerse landen in twijfel trekt;

J.  overwegende dat het Nationale Volkscongres op 11 maart 2018 de oprichting heeft gesteund van een Nationale Commissie van toezicht, een nieuw regeringsorgaan dat is bedoeld om de controle op alle ambtenaren in China te institutionaliseren en uit te breiden, en dat het een overheidsorgaan wordt dat in de Chinese grondwet verankerd is;

K.  overwegende dat de Staatsraad van China in 2014 gedetailleerde plannen heeft aangekondigd voor de instelling van een sociaal kredietsysteem met als doel gedrag te belonen dat de partij financieel, economisch en sociaal-politiek verantwoord acht, terwijl niet-naleving van haar beleid gestraft wordt; overwegende dat het plan voor sociale kredietpunten waarschijnlijk ook gevolgen zal hebben voor buitenlanders die in China wonen en werken, ook voor EU-burgers, en consequenties met zich mee zal brengen voor EU-bedrijven en andere buitenlandse bedrijven die in het land actief zijn;

L.  overwegende dat het bestaan van de plattelandsbevolking in sommige regio's in China duidelijk in gevaar zal komen als gevolg van schommelingen in temperatuur en neerslag en vanwege andere klimaatuitersten; overwegende dat hervestigingsplanning een doeltreffende beleidsoptie is geworden voor het beperken van aan het klimaat te wijten kwetsbaarheid en armoede(26);

M.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in China steeds verder achteruitgaat, in die zin dat de regering harder optreedt tegen vreedzaam protest en minder ruimte laat voor de vrijheid van meningsuiting en van godsdienst, en de rechtsstaat; overwegende dat activisten uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers worden vastgehouden, vervolgd en veroordeeld op grond van vage aanklachten zoals "ondermijning van het staatsgezag", "ruzie zoeken en onrust zaaien", en dat zij vaak in eenzame opsluiting op een geheime locatie worden vastgehouden zonder toegang tot medische zorg of juridische bijstand; overwegende dat mensenrechtenverdedigers soms "op een onbekende locatie onder huisarrest" worden geplaatst, een methode die wordt toegepast om gedetineerden elk contact met de buitenwereld te ontnemen en die volgens verslagen vaak gepaard gaat met foltering en mishandeling; overwegende dat China het recht op vrije meningsuiting en de vrijheid om informatie te geven blijft ontzeggen en dat een groot aantal journalisten, bloggers en onafhankelijke stemmen gevangen gezet zijn; overwegende dat de EU in haar strategisch kader voor mensenrechten en democratie heeft toegezegd dat zij de democratie, de rechtsstaat en de "mensenrechten op alle deelterreinen van haar externe optreden, zonder uitzondering", zal bevorderen en "mensenrechten in het centrum zal plaatsen van haar betrekkingen met alle derde landen, inclusief haar strategische partners"; overwegende dat de topontmoetingen tussen de EU en China aangegrepen moeten worden om concrete resultaten te bereiken op het gebied van de mensenrechten, met name de vrijlating van gevangengezette mensenrechtenverdedigers, advocaten en activisten;

N.  overwegende dat EU-diplomaten soms door de Chinese autoriteiten zijn tegengehouden als zij als waarnemer processen wilden bijwonen of mensenrechtenverdedigers wilden bezoeken, ofschoon dergelijke werkzaamheden stroken met de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers;

O.  overwegende dat China een enorm staatssysteem voor digitale bewaking heeft opgezet, gaande van preventief toezicht tot de willekeurige verzameling van biometrische gegevens in een omgeving zonder privacyrechten;

P.  overwegende dat de Chinese regering een veelheid aan nieuwe wetten heeft aangenomen, in het bijzonder de wet op de staatsveiligheid van 1 juli 2015, de wet terrorismebestrijding, de wet op de cyberveiligheid en de wet op het beheer van overzeese ngo's (ONGO-wet), waarin publiek actievoeren en het uitoefenen van vreedzame kritiek op de regering als bedreiging voor de staatsveiligheid worden gekwalificeerd, de censuurregels worden aangescherpt, de monitoring van en de controle op individuen en maatschappelijke groeperingen wordt opgevoerd, en maatregelen vastgesteld zijn om individuen ervan te weerhouden campagne te voeren voor mensenrechten;

Q.  overwegende dat de ONGO-wet die op 1 januari 2017 van kracht werd, een van de grootste uitdagingen is voor internationale ngo's (INGO's) omdat deze wet alle door INGO's gefinancierde activiteiten in China reguleert en de hoofdverantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de ONGO-wet neerlegt bij provinciale veiligheidsambtenaren;

R.  overwegende dat de nieuwe regelingen inzake religieuze zaken die op 1 februari 2018 van kracht zijn geworden, restrictiever zijn ten opzichte van groepen en activiteiten en hen dwingen dichter bij de partijlijnen te blijven; overwegende dat de nieuwe regels een bedreiging vormen voor mensen die lid zijn van geloofsgemeenschappen zonder wettelijke status in het land, aan wie boetes worden opgelegd als zij naar het buitenland reizen voor godsdienstonderwijs in ruime zin, en specifiek als zij op bedevaart gaan, waarbij de boetes oplopen tot een veelvoud van het laagste loon; overwegende dat de vrijheid van godsdienst en van geweten een nieuw dieptepunt hebben bereikt sinds de aanvang van de economische hervormingen en de opening van China aan het einde van de jaren zeventig; overwegende dat geloofsgemeenschappen in China steeds sterker worden onderdrukt en dat christenen, zowel in ondergrondse als door de staat erkende kerken, het doelwit zijn geworden, waarbij gelovigen worden geïntimideerd en vastgehouden, kerken worden afgebroken en bijeenkomsten van christenen hardhandig worden onderdrukt;

S.  overwegende dat de situatie in Xinjiang, waar tien miljoen Oeigoerse moslims en etnische Kazakken wonen, snel verslechterd is, met name sinds president Xi aan de macht is gekomen, daar het verkrijgen van absolute controle over Xinjiang werd uitgeroepen tot topprioriteit, niet alleen vanwege de periodieke terreuraanslagen die Oeigoeren in Xinjiang plegen of zogenaamd in verband met Xinjiang zouden plegen, maar ook vanwege de strategische positie die de Oeigoerse autonome regio Xinjiang inneemt in het BRI; overwegende dat er een buitengerechtelijk detentieprogramma is ingevoerd op grond waarvan tienduizenden mensen gedwongen zijn een politieke "heropvoeding" te ondergaan, en dat er een geavanceerd netwerk van indringende digitale bewaking is ontwikkeld met onder meer technologie voor gezichtsherkenning en verzameling van gegevens, massale inzet van politie en de invoering van strikte beperkingen op religieuze praktijken en op de Oeigoerse taal en gebruiken;

T.  overwegende dat de situatie in Tibet ondanks de economische groei en de ontwikkeling van de infrastructuur in de afgelopen jaren is verslechterd doordat de Chinese regering een breed scala van mensenrechten beperkt onder het mom van veiligheid en stabiliteit, en doordat zij de Tibetaanse identiteit en cultuur blijft aanvallen; overwegende dat de bewakings- en controlemaatregelen de afgelopen jaren zijn verscherpt en het aantal gevallen van willekeurige detentie, foltering en mishandeling is toegenomen; overwegende dat de Chinese regering in Tibet een sfeer van onbegrensd staatsgezag heeft gecreëerd, waar overal angst voelbaar is en elk aspect van het openbaar en privéleven aan verstikkende controle en regels onderhevig is; overwegende dat in Tibet elke niet-gewelddadige uiting van protest tegen of kritiek op het overheidsbeleid met betrekking tot etnische of religieuze minderheden kan worden beschouwd als een streven naar afscheiding en daarom strafbaar is; overwegende dat de toegang van buitenlanders tot de Tibetaanse Autonome Regio thans meer dan ooit wordt ingeperkt, ook van EU-burgers en met name van journalisten, diplomaten en andere onafhankelijke waarnemers, en dat de toegang van EU-burgers met een Tibetaanse achtergrond nog moeilijker is; overwegende dat er de afgelopen jaren geen vooruitgang is geboekt bij het oplossen van de Tibetaanse crisis, aangezien de laatste ronde in het vredesoverleg plaatsvond in 2010; overwegende dat door de verslechtering van de humanitaire situatie in Tibet het aantal gevallen van zelfverbranding sinds 2009 is opgelopen tot in totaal 156;

U.  overwegende dat de staatsraad van de Volksrepubliek China op 10 juni 2014 een witboek heeft uitgebracht over de praktijk van het Eén Land, Twee Systemen-beleid in Hongkong, waarin wordt benadrukt dat de autonomie van de bijzondere administratieve regio (SAR) Hongkong uiteindelijk afhankelijk is van de toestemming van de centrale regering van de Volksrepubliek China; overwegende dat de bevolking van Hongkong de afgelopen jaren getuige is geweest van massale manifestaties voor democratie, mediavrijheid en de volledige tenuitvoerlegging van de Basiswet; overwegende dat de traditioneel open samenleving van Hongkong het pad heeft geëffend voor de ontwikkeling van een echt en onafhankelijk maatschappelijk middenveld dat actief en constructief deelneemt aan het openbare leven in de SAR;

V.  overwegende dat de tegengestelde politieke ontwikkelingen in de Volksrepubliek China en Taiwan, met een steeds autoritairder en nationalistischer eenpartijstelsel aan de ene zijde en een meerpartijendemocratie aan de andere zijde, het gevaar van een escalatie van de betrekkingen tussen beide landen doet toenemen; overwegende dat de EU vasthoudt aan haar "één-China-beleid" wat betreft Taiwan en steun geeft aan het "één land, twee systemen"-beginsel voor Hongkong;

W.  overwegende dat China en de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN) na drie jaar van discussie in augustus 2017 overeenstemming hebben bereikt over een kader van één pagina dat als grondslag moet dienen voor de toekomstige besprekingen over een gedragscode voor alle partijen in de Zuid-Chinese Zee; overwegende dat de betwiste landwinning door China op de Spratly-eilanden grotendeels is voltooid maar het afgelopen jaar op de noordelijker gelegen Paracel-eilanden werd voortgezet;

X.  overwegende dat ook China een steeds actievere en belangrijkere externe speler wordt in het Midden-Oosten, vanwege zijn economische, veiligheids- en geopolitieke belangen;

Y.  overwegende dat China steeds meer officiële ontwikkelingshulp (ODA) verstrekt en zich opwerpt als een belangrijke speler in het ontwikkelingsbeleid, waaraan het hoogst noodzakelijke stimulansen biedt, maar tegelijkertijd aanleiding geeft tot bezorgdheid over het lokaal eigenaarschap van projecten;

Z.  overwegende dat de aanwezigheid van China en zijn investeringen in Afrika sterk zijn toegenomen, hetgeen heeft geleid tot de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, vaak zonder raadpleging van de lokale bevolking;

1.  verklaart andermaal dat het brede strategische partnerschap EU-China één van de belangrijkste partnerschappen voor de EU is en dat er nog veel meer potentieel is om dit partnerschap verder uit te diepen en om op het internationale toneel meer samen te werken; onderstreept het belang van versterkte samenwerking en coördinatie bij de mondiale governance en binnen de internationale instellingen, met name op het niveau van de VN en de G20; benadrukt dat de EU in de context van een complexe, gemondialiseerde en multipolaire wereld, waarin China een significante economische en politieke speler is geworden, kansen moet blijven vinden voor een constructieve dialoog en samenwerking en alle noodzakelijke hervormingen op gebieden van gemeenschappelijk belang moet bevorderen; herinnert China aan zijn internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden om bij te dragen tot de vrede en de mondiale veiligheid, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad;

2.  herinnert eraan dat het brede strategische partnerschap tussen de EU en China gegrondvest is op een gedeelde verbintenis tot openheid en samenwerking als onderdeel van een op regels gebaseerd internationaal bestel; benadrukt dat beide zijden zich hebben verbonden tot de totstandbrenging van een transparant, rechtvaardig en billijk systeem van mondiale governance, met gedeelde verantwoordelijkheid voor de bevordering van vrede, welvaart en duurzame ontwikkeling; herinnert eraan dat de EU in haar betrekkingen met China principieel, praktisch en pragmatisch moet zijn en haar belangen en waarden trouw moet blijven; merkt met bezorgdheid op dat door het toegenomen economische en politieke gewicht van China in de wereld gedurende de afgelopen tien jaar de gedeelde verbintenissen die de kern uitmaken van de betrekkingen tussen de EU en China, op de proef worden gesteld; onderstreept de verantwoordelijkheid van China als mondiale mogendheid, en vraagt de autoriteiten te waarborgen dat het internationale recht, de democratie, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden onder alle omstandigheden in acht worden genomen, in overeenstemming met het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechteninstrumenten die China ondertekend of geratificeerd heeft; doet een beroep op de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie om ervoor te zorgen dat de samenwerking tussen de EU en China stoelt op de rechtsstaat, het universele karakter van de mensenrechten, op de door beide zijden aangegane internationale verbintenissen op het gebied van de mensenrechten en op de toezegging te zullen streven naar de hoogste norm voor bescherming van de mensenrechten; benadrukt dat wederkerigheid, een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie op alle gebieden van samenwerking moeten worden versterkt;

3.  benadrukt dat de aanpak van mondiale en regionale uitdagingen zoals veiligheid, ontwapening, non-proliferatie, terrorismebestrijding en cyberspace, samenwerking voor vrede, klimaatverandering, energie, oceanen, hulpbronnenefficiëntie, ontbossing, handel in wilde dieren, migratie, wereldwijde gezondheid, ontwikkeling alsmede de strijd tegen de vernietiging van cultureel erfgoed en het roven en verhandelen van illegale antieke voorwerpen, een echt partnerschap tussen de EU en China vereist; verzoekt de EU met klem in te spelen op de toezegging van China om mondiale problemen zoals de klimaatverandering te zullen aanpakken en ervoor te zorgen dat de succesvolle samenwerking met China – dat een van de grootste bijdragers aan de VN-begroting is en ook in steeds sterkere mate bijdraagt aan de troepenmacht voor vredeshandhavingsoperaties van de VN – bij vredeshandhaving wordt uitgebreid tot andere gebieden van gezamenlijk belang en dat daarbij tegelijkertijd multilateralisme wordt bevorderd evenals een mondiale governance gebaseerd op eerbiediging van het internationaal recht, waaronder het internationaal humanitair recht en de mensenrechtenwetgeving; is in dit opzicht verheugd over de succesvolle samenwerking bij piraterijbestrijding in de Golf van Aden sinds 2011; roept de EU en de lidstaten op de economische en politieke belangen van de EU op proactieve wijze te bevorderen en de Europese waarden en beginselen te verdedigen; benadrukt dat multilateralisme een van de kernwaarden van de EU is als het gaat om mondiale governance en dat dit actief moet worden beschermd in de betrekkingen met China;

4.  merkt op dat de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger en de Commissie getiteld "Elementen voor een nieuwe EU-strategie ten aanzien van China", samen met de conclusies van de Raad van 18 juli 2016 het beleidskader vormt voor de EU-benadering ten aanzien van China in de komende jaren;

5.  onderstreept dat de Raad heeft geconcludeerd dat de lidstaten, de hoge vertegenwoordiger en de Commissie bij het onderhouden van hun betrekkingen met China zullen samenwerken om te zorgen voor samenhang met de EU-wet- en regelgeving en met het EU-beleid, en dat de uiteindelijke resultaten ervan de hele EU ten goede zullen komen;

6.  herinnert eraan dat nu China blijft groeien en steeds sterker integreert in de mondiale economie overeenkomstig zijn in 2001 aangekondigd "go out"-beleid, het zal proberen de meer toegang tot de Europese markt voor Chinese goederen en diensten en tot technologie en knowhow te krijgen teneinde steun te kunnen te geven aan plannen als "Made in China 2025" en zijn politieke en diplomatiek invloed in Europa te vergroten; benadrukt dat deze ambitie met name in de nasleep van de mondiale financiële crisis van 2008 nog sterker is geworden en een nieuwe dynamiek in de betrekkingen tussen de EU en China tot stand heeft gebracht;

7.  spoort de lidstaten die aan het 16 +1-formaat deelnemen aan te waarborgen dat hun deelname aan dit formaat de EU in staat stelt met één stem te spreken in haar betrekkingen met China; doet een beroep op deze lidstaten om een gedegen analyse en toetsing van de voorgestelde infrastructuurprojecten te verrichten en alle belanghebbenden daarbij te betrekken, en ervoor te zorgen dat de nationale en Europese belangen niet in gevaar worden gebracht in ruil voor financiële steun op korte termijn en langetermijntoezeggingen inzake Chinese betrokkenheid bij strategische infrastructuurprojecten en mogelijk grotere politieke invloed, waardoor de gemeenschappelijke standpunten van de EU over China zouden worden ondermijnd; is zich bewust van de toenemende invloed die China op de infrastructuur en markten van de kandidaatlanden voor toetreding uitoefent; onderstreept dat het formaat blijk moet geven van transparantie door de EU-instellingen uit te nodigen voor zijn vergaderingen en hen volledig op de hoogte te houden van zijn activiteiten om ervoor te zorgen dat de relevante aspecten aansluiten bij het EU-beleid en de EU-wetgeving en alle partijen wederzijdse mogelijkheden en voordelen bieden;

8.  neemt nota van het feit dat China geïnteresseerd is in investeringen in strategische infrastructuur in Europa; komt tot de conclusie dat de Chinese regering het BRI gebruikt als een zeer efficiënt discours voor onderdelen van zijn buitenlands beleid en dat de publieksdiplomatieke inspanningen van de EU in het licht van deze ontwikkeling moeten worden geïntensiveerd; ondersteunt de oproep aan het adres van China om zich te houden aan de beginselen van transparantie bij overheidsopdrachten en aan de sociale en milieunormen; roept alle EU-lidstaten op om steun te geven aan de publieksdiplomatieke respons van de EU; stelt voor de gegevens over alle Chinese infrastructuurinvesteringen in EU-lidstaten en in landen die onderhandelen over toetreding tot de EU, met de EU-instellingen en andere lidstaten te delen; wijst erop dat dergelijke investeringen deel uitmaken van een algehele strategie om ervoor te zorgen dat door de Chinese staat gecontroleerde of gefinancierde bedrijven de controle over banken en de energiesector alsmede over toeleveringsketens krijgen; onderstreept de zes voornaamste uitdagingen van het BRI: een multilaterale benadering van de BRI-governance; inzet van heel weinig lokale arbeidskrachten, zeer beperkte betrokkenheid van aannemers in het ontvangende land en het derde land (bij ongeveer 86 % van de BRI-projecten is sprake van Chinese aannemers), uit China ingevoerde bouwmaterialen en apparatuur, gebrek aan transparantie bij de aanbesteding en mogelijk toepassing van Chinese normen in plaats van internationale normen; dringt erop aan dat in het BRI waarborgen voor de mensenrechten worden opgenomen en acht het van het allergrootste belang dat er synergieën en projecten worden ontwikkeld op basis van volledige transparantie en met betrokkenheid van alle belanghebbenden en overeenkomstig de EU-wetgeving, en dat het BRI tegelijkertijd EU-beleidsmaatregelen en -projecten aanvult, zodat er voordelen voor alle landen langs de geplande routes worden gegenereerd; is ingenomen met de invoering van het connectiviteitsplatform EU-China, waarmee samenwerking bij de vervoersinfrastructuur op heel het Euraziatisch vasteland wordt bevorderd; merkt met voldoening op dat er meerdere infrastructuurprojecten zijn vastgesteld en onderstreept dat projecten moeten worden uitgevoerd op basis van fundamentele beginselen zoals de bevordering van in economisch, sociaal en ecologisch opzicht duurzame projecten, geografisch evenwicht en een gelijk speelveld voor investeerders en projectontwikkelaars, evenals transparantie;

9.  acht het positief dat het EU-beleid ten aanzien van China deel uitmaakt van een volwaardige beleidsaanpak ten aanzien van de regio Azië/Stille Oceaan, waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van en rekening wordt gehouden met de nauwe betrekkingen tussen de EU en partners als de Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, de ASEAN-landen, Australië en Nieuw-Zeeland;

10.  benadrukt dat samenwerking tussen de EU en China de mens sterker in het middelpunt moet plaatsen en de burgers meer reële voordelen moet bieden om wederzijds vertrouwen en begrip te kunnen opbouwen; roept de EU en China op om de beloften die zij ter gelegenheid van de vierde intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China in 2017 hebben gedaan, gestand te doen en meer intermenselijke interactie te bevorderen door bijvoorbeeld de culturele samenwerking op het gebied van onderwijs, opleiding, jongeren en gendergelijkheid te intensiveren en te zorgen voor meer gezamenlijke initiatieven ten behoeve van rechtstreekse menselijke contacten;

11.  vestigt de aandacht op de noodzaak meer steun te geven aan in Europa verblijvende Chinese studenten en academici, zodat deze minder gevoelig zijn voor druk van de kant van de Chinese autoriteiten die hen ertoe aan willen zetten elkaar te controleren en instrumenten te worden in handen van de Chinese staat, en op het feit dat de substantiële financiële middelen die China aan academische instellingen in heel Europa geeft, nauwlettend in het oog moeten worden gehouden;

12.  verwelkomt de resultaten van de vierde intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China die op 13 en 14 november 2017 in Shanghai plaatsvond; benadrukt dat de intermenselijke dialoog op hoog niveau een bijdrage moet leveren aan het opbouwen van wederzijds vertrouwen en het consolideren van intercultureel begrip tussen de EU en China;

13.  is ingenomen met het Toerismejaar EU-China 2018; onderstreept dat dit, afgezien van zijn economische betekenis, een mooi voorbeeld is van culturele diplomatie van de EU in het kader van het strategisch partnerschap van de EU met China, en dat dit tevens een middel is om een beter begrip te ontwikkelen tussen de Europese en de Chinese bevolking; onderstreept dat het Toerismejaar EU-China 2018 samenvalt met het Europees Jaar van het culturele erfgoed en dat een steeds groter aantal Chinese toeristen hoge waarde toekent aan de culturele rijkdom van Europa;

14.  doet een beroep op de EU-lidstaten om hun samenwerking en eenheid inzake hun beleid jegens China snel en vastberaden te vergroten, waaronder in VN-fora, gezien het feit dat de EU er in de VN-Mensenrechtenraad van juni 2017 in Genève voor de eerste keer niet in slaagde om een gemeenschappelijke verklaring af te leggen over de staat van dienst van China op het gebied van de mensenrechten; dringt er ten stelligste op aan te profiteren van de sterkere collectieve onderhandelingspositie van Europa ten opzichte van China en dat Europa zijn democratieën beschermt om beter weerstand te kunnen bieden aan de systematische pogingen van China om invloed uit te oefenen op politici en het maatschappelijk middenveld teneinde een publieke opinie te creëren die gunstiger is voor de strategische belangen van China; doet in dat verband een beroep op de grotere lidstaten om in de betrekkingen met China heel hun politiek en economisch gewicht in de schaal te leggen om de belangen van de EU te behartigen; is bezorgd dat China tevens tracht de academische en onderwijsinstellingen en hun lesprogramma's te beïnvloeden; stelt voor dat de EU en de lidstaten hooggekwalificeerde Europese denktanks over China steunen om de beschikbaarheid van onafhankelijk deskundig advies voor strategische richtsnoeren en besluitvorming te waarborgen;

15.  onderstreept dat de bevordering van de mensenrechten en de rechtsstaat een essentieel onderdeel moet blijven van de betrekkingen van de EU met China; veroordeelt onomwonden de huidige intimidatie, willekeurige arrestatie en vervolging waarmee mensenrechtenverdedigers, advocaten, journalisten, bloggers, academici en arbeidsrechtenverdedigers en hun families, onder wie ook buitenlanders, zowel op het Chinese vasteland als in het buitenland worden geconfronteerd zonder dat zij een behoorlijk proces krijgen; onderstreept dat een levendig maatschappelijk middenveld en het werk van mensenrechtenverdedigers cruciaal zijn voor een open en welvarende maatschappij; benadrukt dat de EU krachtig moet optreden om in de context van haar betrekkingen met China volledige eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen, en dat daarbij de klemtoon zowel moet worden gelegd op onmiddellijke resultaten, zoals beëindiging van de onderdrukking door de regering van mensenrechtenverdedigers, spelers uit het maatschappelijk middenveld en dissidenten en beëindiging van alle gerechtelijke pesterijen en intimidatie waarvan zij het slachtoffer zijn, alsmede onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen, onder wie EU-burgers, als op doelstellingen voor de middellange en lange termijn, zoals juridische en beleidshervormingen overeenkomstig de internationale mensenrechtenwetgeving, en dat de EU een strategie moet ontwikkelen, uitvoeren en voortdurend aanpassen om de zichtbaarheid van het EU-optreden ten behoeve van de mensenrechten in China te handhaven, waaronder een strategie voor openbare communicatie; onderstreept dat diplomaten van de EU en de lidstaten niet tegengehouden of gehinderd mogen worden wanneer zij de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers ten uitvoer leggen; benadrukt dat de EU prioriteit moet geven aan de bescherming en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen;

16.  doet een beroep op de EU en de lidstaten om een door meer ambitie, eenheid en transparantie gekenmerkt beleid met betrekking tot de mensenrechten in China te voeren en te zorgen voor een substantiële raadpleging en participatie van het maatschappelijk middenveld, met name in de aanloop naar bijeenkomsten op hoog niveau en mensenrechtendialogen; onderstreept dat de EU tijdens de 35e besprekingsronde in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China met klem heeft gewezen op de verslechterende situatie van de politieke en burgerrechten in China zoals beperkingen op de vrijheid van meningsuiting; roept China op werk te maken van de in de mensenrechtendialoog aan de orde gestelde vraagstukken, zijn internationale verplichtingen na te komen en zijn eigen grondwettelijke waarborgen inzake de naleving van de rechtsstaat te eerbiedigen; dringt aan op het handhaven van een regelmatige en resultaatgerichte mensenrechtendialoog op hoog niveau; is bezorgd over het feit dat de evaluaties van de mensenrechtendialogen met China nooit openbaar zijn gemaakt en nooit zijn opengesteld voor onafhankelijke groepen uit China; verzoekt de EU om duidelijke benchmarks voor vooruitgang vast te stellen, meer transparantie te verzekeren en onafhankelijke Chinese stemmen bij de discussie te betrekken; spoort de EU en de lidstaten aan een openbare inventarisatie te maken van alle vormen van intimidatie met betrekking tot visa (vertraagde of geweigerde visumafgifte/toegang zonder opgave van redenen en door de Chinese autoriteiten uitgeoefende druk tijdens de aanvraagprocedure in de vorm van "interviews" met anoniem blijvende Chinese gesprekspartners) voor academici, journalisten of leden van middenveldorganisaties, en hiertegen op te treden;

17.  is ernstig verontrust over de bevindingen van het rapport van de FCCC uit 2017 dat de Chinese regering haar pogingen heeft opgevoerd om de toegang van buitenlandse journalisten tot grote delen van het land te verbieden of te beperken waarbij steeds meer gebruik wordt gemaakt van de procedure voor visumverlenging om ongewenste correspondenten en nieuwsorganisaties onder druk te zetten; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan van de Chinese autoriteiten wederkerigheid bij de persvrijheid te verlangen en waarschuwt voor de druk die buitenlandse journalisten in eigen land ervaren omdat Chinese diplomaten zich tot de hoofdkantoren van mediaconcerns wenden om het werk van journalisten in het veld te bekritiseren;

18.  merkt op dat de VRC de op één na grootste handelspartner van de EU is en de EU de grootste handelspartner van de VRC; benadrukt de constante groei van de handel tussen de twee partners, maar is van mening dat de handelsbalans voor goederen onevenwichtig en in het voordeel van de VRC is; roept op tot een coöperatieve aanpak en een constructieve houding om pijnpunten effectief aan te pakken en het grote EU‑VRC-handelspotentieel te benutten; verzoekt de Commissie de samenwerking en de dialoog met de VRC te intensiveren;

19.  merkt op dat uit recent onderzoek is gebleken dat China sinds 2008 activa in Europa heeft verworven ter waarde van 318 miljard USD; merkt op dat dit cijfer geen rekening houdt met een reeks fusies, investeringen en joint ventures;

20.  merkt op dat de VRC een belangrijke speler in de wereldhandel is en dat de grote markt van het land in principe, in het bijzonder in de huidige mondiale handelssituatie, een uitgelezen kans kan zijn voor de EU en voor Europese bedrijven; brengt in herinnering dat Chinese bedrijven, waaronder staatsbedrijven, profiteren van zeer open markten in de EU; erkent de uitstekende resultaten die de VRC de afgelopen veertig jaar heeft geboekt door honderden miljoenen burgers uit de armoede te verheffen;

21.  wijst erop dat uitgaande buitenlandse directe investeringen (BDI) van de EU in de VRC sinds 2012 gestaag zijn gedaald, met name in de traditionele productiesector, met een parallelle toename van investeringen in hightechdiensten, openbare diensten, landbouwdiensten en bouwdiensten, terwijl de investeringen van de VRC in de EU de afgelopen jaren exponentieel zijn toegenomen; erkent dat de VRC sinds 2016 een netto investeerder in de EU is geworden; neemt er nota van dat in 2017 68 % van de Chinese investeringen in Europa afkomstig was van staatsbedrijven; is bezorgd over door de staat opgezette acquisities die Europese strategische belangen, doelstellingen van openbare veiligheid, concurrentievermogen en werkgelegenheid kunnen belemmeren;

22.  is verheugd over het voorstel van de Commissie over een screeningmechanisme voor BDI op het gebied van veiligheid en openbare orde, als een van de manieren van de EU om zich aan te passen aan de veranderende mondiale omgeving, zonder zich specifiek te richten op een van de internationale handelspartners van de EU; waarschuwt dat het mechanisme niet tot vermomd protectionisme mag leiden; roept evenwel op tot de snelle aanneming ervan;

23.  is ingenomen met de toezeggingen van president Xi Jinping om de Chinese markt verder open te stellen voor buitenlandse investeerders en de investeringsomgeving te verbeteren, de herziening van de negatieve lijst betreffende buitenlandse investeringen te voltooien en de beperkingen voor Europese bedrijven weg te nemen, en om de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten te versterken en een gelijk speelveld te creëren door de markt van de VRC transparanter en beter gereglementeerd te maken; roept op tot de naleving van deze toezeggingen;

24.  herhaalt dat alle discriminerende praktijken tegen buitenlandse investeerders moeten worden gestaakt; brengt in dit verband in herinnering dat deze hervormingen zowel Chinese als Europese bedrijven tot voordeel strekken, met name micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

25.  dringt er bij de Commissie op aan de nieuwe algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van de Unie te promoten als gouden standaard in haar handelsbetrekkingen met China; wijst op de noodzaak van een systematische dialoog met China en andere partners in de WTO over regelgevingsvereisten in verband met de digitalisering van onze economieën en de vele en diverse gevolgen daarvan voor: de handel, productieketens, grensoverschrijdende digitale diensten, 3D-printen, consumptiepatronen, betalingen, belastingen, de bescherming van persoonsgegevens, kwesties inzake eigendomsrecht, de levering en bescherming van audiovisuele diensten, de media en contacten tussen mensen onderling;

26.  roept de VRC ertoe op het proces van aansluiting bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de WTO te versnellen en een voorstel tot toetreding in te dienen, zodat Europese ondernemingen een toegang tot haar markt krijgen die gelijkwaardig is aan de toegang die Chinese ondernemingen al hebben in de EU; betreurt dat de Chinese markt voor overheidsopdrachten grotendeels gesloten blijft voor buitenlandse leveranciers en dat Europese bedrijven last hebben van discriminatie en gebrek aan toegang tot de Chinese markt; roept de VRC op om Europese bedrijven en werknemers op niet-discriminerende wijze toegang tot overheidsopdrachten te verlenen; dringt er bij de Raad op aan het instrument voor internationale aanbestedingen onverwijld goed te keuren; roept de Commissie op waakzaam te zijn en indien nodig actie te ondernemen tegen opdrachten die worden gegund aan buitenlandse bedrijven die worden verdacht van dumpingpraktijken;

27.  vraagt om gecoördineerde samenwerking met de VRC inzake het "Gordel- en Weginitiatief" op basis van wederkerigheid, duurzame ontwikkeling, goed bestuur en open en transparante regels, in het bijzonder met betrekking tot openbare aanbestedingen; betreurt in dit verband dat het memorandum van overeenstemming dat is ondertekend door het Europees Investeringsfonds en het Zijderoutefonds van de VRC, en het memorandum dat is ondertekend door de Europese Investeringsbank (EIB), de Aziatische Ontwikkelingsbank, de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, en de Wereldbank, de bedrijfsomgeving voor Europese bedrijven en werknemers nog niet hebben verbeterd; betreurt de afwezigheid van professionele duurzame effectbeoordelingen bij veel projecten die verband houden met het "Gordel- en Weginitiatief" en benadrukt het belang van de kwaliteit van investeringen, met name wat betreft een positief werkgelegenheidseffect, arbeidsrechten, milieubewuste productie en beteugeling van de klimaatverandering, overeenkomstig de normen voor multilateraal beheer en de internationale normen;

28.  steunt de lopende onderhandelingen over een brede investeringsovereenkomst tussen de EU en de VRC die in 2013 zijn begonnen, en nodigt de VRC uit om actiever aan dat proces deel te nemen; roept beide partijen op hun inspanningen te vernieuwen om vooruitgang te boeken in de onderhandelingen, die als doel hebben om een daadwerkelijk gelijk speelveld voor Europese bedrijven en werknemers tot stand te brengen en om wederkerigheid op het vlak van toegang tot de markt te waarborgen, waarbij gestreefd wordt naar specifieke bepalingen over kmo's en openbare aanbestedingen; roept beide partijen er bovendien toe op de gelegenheid die de investeringsovereenkomst biedt, te benutten om hun samenwerking op het gebied van milieu- en arbeidsrechten te verhogen en een hoofdstuk betreffende duurzame ontwikkeling in de tekst op te nemen;

29.  brengt in herinnering dat EU-bedrijven te maken hebben met een toenemend aantal beperkende maatregelen op het gebied van toegang tot de markt in de VRC, als gevolg van joint-ventureverplichtingen in verschillende industriesectoren en verdere discriminerende technische vereisten, waaronder gedwongen gegevenslokalisatie en openbaarmaking van broncodes, en regels voor bedrijven die in buitenlandse handen zijn; is in dit verband verheugd over de Mededeling betreffende maatregelen voor de promotie van verdere openheid en actief gebruik van buitenlandse investeringen, die in 2017 door de Staatsraad van de VRC is afgegeven, maar betreurt het ontbreken van een tijdlijn om deze doelen te bereiken; dringt er daarom bij de Chinese autoriteiten op aan om deze toezeggingen snel inhoud te geven;

30.  dringt er bij de EU en de lidstaten alsmede China op aan de samenwerking te intensiveren om circulaire economieën op te bouwen, aangezien deze urgente noodzaak nog zichtbaarder is geworden na het legitieme besluit van China om de invoer van plastic afval uit Europa te verbieden; dringt er bij beide partners op aan de economische en technologische samenwerking te versterken om te voorkomen dat wereldwijde productieketens, handel en vervoer, en toerismediensten leiden tot een onaanvaardbare toename van plasticvervuiling in onze oceanen;

31.  vraagt de VRC te streven naar een verantwoordelijke rol op het wereldtoneel, met volledig besef van de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit zijn economische aanwezigheid en zijn activiteiten in derde landen en op de wereldmarkt, onder andere door het verlenen van actieve steun aan het multilaterale op regels gebaseerde handelssysteem en de WTO; is van mening dat, in de huidige context van wereldwijde waardeketens, toenemende spanningen op het gebied van de internationale handel moeten worden opgelost door middel van onderhandelingen, en herhaalt dat naar multilaterale oplossingen moet worden gestreefd; roept in dit verband op tot de naleving van de in het protocol betreffende de toetreding van de VRC tot de WTO opgenomen verplichtingen en de bescherming van de operationele mechanismen ervan; benadrukt de uit WTO-overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen op het gebied van kennisgeving en transparantie met betrekking tot subsidies en uit zijn bezorgdheid over de huidige praktijk van directe of indirecte subsidiëring van Chinese bedrijven; roept op tot coördinatie met belangrijke handelspartners van de EU met het oog op gezamenlijke inspanningen en acties om door de staat veroorzaakte marktverstoringen die van invloed zijn op de wereldhandel, aan te pakken en weg te nemen;

32.  betreurt dat de VRC, ondanks de voltooiing van de procedure voor de hervorming van de Europese rekenmethode voor antidumpingheffingen, zijn zaak tegen de EU bij de WTO-beroepsinstantie nog niet heeft ingetrokken;

33.  is bezorgd over de escalerende tariefmaatregelen die worden genomen door China en de Verenigde Staten;

34.  uit zijn bezorgdheid over het aantal beperkingen dat Europese ondernemingen, in het bijzonder mkmo's, nog steeds ondervinden in de VRC, waaronder de buitenlandse investeringscatalogus 2017 en de negatieve lijst van de vrijhandelszone 2017, evenals in sectoren die onder het "Made in China 2025"-plan vallen; roept op tot een snelle vermindering van deze beperkingen om volledig te kunnen profiteren van het potentieel van samenwerking en synergie tussen industrie 4.0-regelingen in Europa en de "Made in China 2025"-strategie, gezien de noodzaak om onze productiesectoren te herstructureren in de richting van slimme productie, waaronder samenwerking bij de ontwikkeling en definitie van respectieve industrienormen in multilaterale fora; herinnert aan het belang om overheidssubsidies in de VRC te verminderen;

35.  dringt er bij de VRC op aan te stoppen met de praktijk om markttoegang steeds meer af te laten hangen van verplichte technologieoverdracht, zoals wordt gesteld in de standpuntnota inzake China van 2017 van de Kamer van Koophandel van de Europese Unie in China;

36.  dringt aan op de hervatting van onderhandelingen over de Overeenkomst inzake milieugoederen, voortbouwend op de vruchtbare samenwerking tussen de EU en de VRC bij de bestrijding van klimaatverandering en de sterke gezamenlijke inzet voor de tenuitvoerlegging van het Akkoord van Parijs; benadrukt het handelspotentieel van technologische samenwerking op het gebied van schone technologieën;

37.  neemt met bezorgdheid kennis van de conclusies van het verslag van de Commissie over de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen, waaruit blijkt dat de VRC het grootste punt van zorg is; herhaalt de noodzaak om bescherming van de Europese kenniseconomie te waarborgen; dringt er bij China op aan om het ongeoorloofde gebruik van Europese licenties door Chinese ondernemingen te bestrijden;

38.  roept de Commissie op toe te zien op de aanwezigheid van de Europese Unie bij de Chinese internationale invoerbeurs die in november 2018 wordt gehouden in Shanghai, en om in het bijzonder kmo's de kans te bieden zich te presenteren; dringt er bij de Commissie op aan in contact te treden met kamers van koophandel, met name in lidstaten die momenteel minder betrokken zijn bij de handel met China, om deze kans te promoten;

39.  maakt zich zorgen over de overheidsmaatregelen van de VRC die hebben geleid tot verstoring van de handel, waaronder de industriële overcapaciteit in grondstoffensectoren, met inbegrip van onder andere de Chinese staal- en aluminiumindustrie; herhaalt de toezeggingen die zijn gedaan tijdens de eerste bijeenkomst op ministerieel niveau van het Mondiaal forum over de overcapaciteit van staal in 2017 om af te zien van marktwerkingverstorende subsidies, maar betreurt het dat de Chinese delegatie er niet in is geslaagd om gegevens met betrekking tot capaciteit te verstrekken; roept de VRC op haar toezegging na te komen om gegevens te identificeren en openbaar te maken over zijn subsidies en steunmaatregelen aan de staal- en aluminiumindustrie; erkent het verband tussen wereldwijde industriële overcapaciteit en de toename van protectionistische handelsmaatregelen en blijft oproepen tot multilaterale samenwerking om de structurele bezorgdheid over overcapaciteit weg te nemen; is verheugd over de voorgestelde tripartiete actie van de VS, Japan en de EU op WTO-niveau;

40.  benadrukt het belang van een ambitieuze overeenkomst tussen de EU en de VRC inzake geografische aanduidingen uitgaande van de hoogste internationale normen, en is verheugd over de gezamenlijke aankondiging die de EU en de VRC in 2017 hebben gedaan betreffende de lijst met 200 Chinese en Europese geografische aanduidingen, over de bescherming waarvan zal worden onderhandeld; is echter van mening dat, gelet op het feit dat de onderhandelingen in 2010 gestart zijn, de lijst een zeer bescheiden resultaat vormt, en betreurt het gebrek aan vooruitgang in dit opzicht; roep op tot een snelle afsluiting van de onderhandelingen en spoort beide partijen aan om de komende top van de EU en de VRC als een goede gelegenheid te beschouwen om daadwerkelijk vooruitgang op dit gebied te boeken; herinnert aan de noodzaak om verder samen te werken op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen om de lasten voor exporteurs uit de EU te verminderen;

41.  is verheugd over het besluit van China om de invoering van nieuwe certificeringen voor ingevoerde levensmiddelen en dranken, waardoor de invoer van levensmiddelen vanuit de EU aanzienlijk zou zijn verminderd, met een jaar uit te stellen; is tevens verheugd over het uitstel van de invoering van de nieuwe normen voor elektrische voertuigen, en roept op tot een daadwerkelijke dialoog en meer coördinatie met betrekking tot dergelijke initiatieven;

42.  pleit voor een gezamenlijk initiatief van de EU en de Chinese regering in het kader van de G20 voor de oprichting van een mondiaal forum over de overcapaciteit van aluminium, met een mandaat om de gehele waardeketen van de bauxiet-, aluminiumoxide- en aluminiumindustrie, met inbegrip van grondstofprijzen en milieuaspecten, te bespreken;

43.  dringt er bij de Commissie op aan Chinese handelsverstorende maatregelen die van invloed zijn op de positie van Europese bedrijven op de wereldmarkten, actief te volgen en passende actie te ondernemen in de WTO en in andere fora, waaronder door middel van geschillenbeslechting;

44.  wijst erop dat er een nieuwe Chinese wet betreffende buitenlandse investeringen wordt opgesteld; dringt er bij de betrokken Chinese partijen met klem op aan om te streven naar transparantie, verantwoordelijkheid, voorspelbaarheid en rechtszekerheid, en rekening te houden met de voorstellen en verwachtingen van de huidige dialoog tussen de EU en China over handels- en investeringsbetrekkingen;

45.  uit zijn bezorgdheid over de nieuwe wet betreffende cyberveiligheid, die onder andere nieuwe regelgevende belemmeringen bevat voor buitenlandse bedrijven die telecommunicatie en IT‑apparatuur en ‑diensten verkopen; betreurt dat dergelijke kort geleden aangenomen maatregelen, naast de oprichting van groepen van de Chinese communistische partij binnen particuliere ondernemingen, waaronder buitenlandse firma's, en maatregelen zoals de wet inzake non‑gouvernementele organisaties, de algemene bedrijfsomgeving in de VRC vijandiger maken voor buitenlandse en private marktdeelnemers;

46.  merkt op dat in 2016 het bankenstelsel van de VRC dat van de eurozone voorbijstreefde als het grootste bankenstelsel ter wereld; dringt er bij de VRC op aan om buitenlandse bankbedrijven toe te staan op gelijke voet te concurreren met binnenlandse instellingen, en om met de EU samen te werken op het gebied van financiële regulering; is verheugd over het besluit van de VRC om de tarieven op 187 consumentengoederen te schrappen en het plafond op buitenlandse eigendom voor banken te verwijderen;

47.  herinnert aan zijn verslag uit 2015 betreffende de betrekkingen tussen de EU en de VRC, waarin werd opgeroepen tot het starten van onderhandelingen over een bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomst met Taiwan; wijst erop dat de Commissie meer dan eens de start van onderhandelingen over investeringen met Hongkong en Taiwan heeft aangekondigd, maar betreurt dat tot dusver geen onderhandelingen zijn gestart; spreekt opnieuw zijn steun uit voor een bilaterale investeringsovereenkomst met Taiwan en Hongkong; erkent dat beide partners ook kunnen dienen als toegangspoort tot het Chinese vasteland voor bedrijven uit de EU;

48.  dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de lidstaten en onder raadpleging van het Parlement een verenigd Europees standpunt en gemeenschappelijke economische strategie ten aanzien van de VRC te formuleren; dringt er bij alle lidstaten op aan zich consequent aan deze strategie te houden;

49.  benadrukt de mogelijke gevolgen van het voorgestelde sociale kredietsysteem voor het bedrijfsklimaat, en dringt aan op de tenuitvoerlegging ervan op een transparante, billijke en onpartijdige wijze;

50.  is verheugd over de vooruitgang die in de EU geboekt is betreffende Verordening (EU) 2017/821 betreffende verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden, en vergelijkbare wetgeving inzake conflictmineralen in China waarmee moet worden gewaarborgd dat de handel in deze mineralen niet ter financiering van gewapende conflicten dient; benadrukt dat moet worden voorkomen dat conflictmaterialen in onze mobiele telefoons, auto's en juwelen worden verwerkt; roept zowel de Commissie als de Chinese regering ertoe op gestructureerde samenwerking op te zetten om de tenuitvoerlegging van de nieuwe wetgeving te ondersteunen en om op doeltreffende wijze te voorkomen dat wereldwijde, Chinese en Europese smelterijen en raffinaderijen conflictmineralen gebruiken, om mijnwerkers, waaronder kinderen, te beschermen tegen uitbuiting en om Europese en Chinese bedrijven te verplichten ervoor te zorgen dat zij deze mineralen en metalen uitsluitend vanuit verantwoorde bronnen invoeren;

51.  constateert dat president en secretaris-generaal Xi Jinping op het 19e partijcongres in oktober 2017 en tijdens de laatste zitting van het Nationale Volkscongres zijn machtspositie binnen de partij heeft versterkt door het pad te effenen voor een onbeperkte verlenging van zijn ambtstermijn, en de controle van de partijorganen over het staatsapparaat en de economie heeft versterkt door onder meer partijcellen op te richten in buitenlandse ondernemingen; neemt er nota van dat de hervorming van het politieke bestel van de VRC vergezeld gaat van een verdere verlegging van de politieke focus naar een beleid dat gebaseerd is op nauwlettende controle op alle terreinen;

52.  onderstreept dat de oprichting van de Nationale Commissie van toezicht, wier wettelijke status dezelfde is als die van de rechterlijke macht en de openbaar aanklager, de meest drastische stap is in de richting van een samensmelting van partij- en staatstaken, aangezien hierdoor een toezichthoudend staatsorgaan in het leven is geroepen dat bevelen ontvangt van en kantoren en personeelsleden deelt met het interne centrale disciplinaire comité van de Communistische Partij van China; is verontrust over de verregaande persoonlijke gevolgen van de uitbreiding van het partijtoezicht tot een groot aantal mensen, aangezien dit betekent dat de anticorruptiecampagne kan worden verruimd tot het vervolgen van niet alleen partijleden maar ook overheidsambtenaren, van managers van staatsbedrijven tot hoogleraren aan universiteiten en directeurs van dorpsscholen;

53.  wijst erop dat, hoewel het sociaal kredietsysteem nog in opbouw is, zwarte lijsten van personen en rechtspersonen in overtreding, alsmede "rode lijsten" van uitmuntende personen en bedrijven de kern vormen van het huidige uitvoeringsstadium, waarbij het accent ligt op het straffen van overtreders op de zwarte lijsten en het belonen van degenen die op de rode lijsten staan; merkt op dat het Chinese Opperste Volksgerechtshof begin 2017 heeft verklaard dat meer dan zes miljoen Chinese onderdanen niet meer mogen vliegen wegens sociale wandaden; verwerpt ten stelligste het publiekelijk aan de schandpaal nagelen van personen op zwarte lijsten als een integraal deel van het sociale kredietsysteem; onderstreept het belang en de noodzaak van een dialoog tussen de EU-instellingen en hun Chinese tegenhangers over alle ernstige maatschappelijke gevolgen van de huidige centrale planning en plaatselijke experimenten met het sociale kredietsysteem;

54.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de uitgebreide Chinese systemen voor toezicht op het internet en dringt aan op de aanneming van een verordening inzake afdwingbare privacyrechten; veroordeelt de voortdurende beknotting door de Chinese autoriteiten van de internetvrijheid en met name de vrijheid van toegang tot buitenlandse websites, en betreurt het beleid van zelfcensuur dat wordt toegepast door sommige in China werkzame westerse bedrijven; herinnert eraan dat acht van 's werelds 25 populairste websites in China worden geblokkeerd, met inbegrip van websites van grote IT-bedrijven;

55.  merkt op dat de verklaring van Xi over het essentieel belang van "langetermijnstabiliteit" in Xinjiang voor het welslagen van het "Gordel- en Weginitiatief" ertoe heeft geleid dat reeds lang bestaande controlestrategieën werden geïntensiveerd onder toepassing van diverse technologische innovaties en een snelle verhoging van de uitgaven voor binnenlandse veiligheid, en dat antiterreurmaatregelen worden aangewend om protest en dissidenten te criminaliseren via de toepassing van een ruime definitie van terrorisme; is bezorgd over de maatregelen die de staat neemt om een "alomvattend toezicht" op de regio te verzekeren, zoals de installatie van het elektronisch toezichtsysteem "Skynet" in grote stedelijke gebieden, de installatie van GPS-trackers in alle motorvoertuigen, het gebruik van gezichtsherkenningsscanners op controlepunten, op treinstations en bij tankstations, en het inzamelen van bloed door de politie in Xinjiang om de DNA-database van China verder uit te breiden; geeft uiting aan zijn diepste bezorgdheid over het feit dat duizenden Oeigoeren en etnische Kazakken naar politieke "heropvoedingskampen" worden gestuurd op basis van de analyse van gegevens die worden verzameld via een systeem van "preventief politietoezicht", onder meer wegens reizen naar het buitenland of veronderstelde te grote religieuze devotie; is van oordeel dat de verklaring van Xi dat het "Gordel- en Weginitiatief " ten goede zal komen aan mensen overal ter wereld, daar dit zal zijn gebaseerd op "de zijderoute-geest" van "vrede en samenwerking, openheid en inclusie", helemaal niets heeft uit te staan met de realiteit waarin de Oeigoeren en etnische Kazakken in Xinjiang verkeren; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan degenen die naar verluidt worden vastgehouden wegens hun geloofsovertuiging of culturele praktijken en identiteiten, vrij te laten;

56.  onderstreept dat uit de institutionele en financiële versterking van de Chinese diplomatie blijkt welk een hoge prioriteit Xi Jinping toekent aan het buitenlands beleid als onderdeel van zijn visie om China tegen 2049 te veranderen in een wereldmacht; stelt vast dat uit de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor buitenlandse zaken die tijdens de laatste zitting van het Nationale Volkscongres plaatsvond, blijkt dat het buitenlands beleid een steeds belangrijkere rol speelt in het besluitvormingsproces van de partij; onderstreept het feit dat uit de oprichting van het staatsagentschap voor internationale ontwikkelingssamenwerking blijkt hoeveel belang president Xi hecht aan het met economische middelen schragen van China's veiligheidsbelangen in de wereld, bijvoorbeeld door "meer te doen in het belang van het Gordel- en Weginitiatief"; concludeert derhalve dat China de komende vijf jaar op het internationale toneel steeds meer aanwezig en betrokken zal zijn, met diplomatieke en economische initiatieven met betrekking waartoe de EU en de lidstaten gemeenschappelijke antwoorden en strategieën moeten vinden;

57.  benadrukt dat in de Zuid- en Oost-Chinese Zee vrede en veiligheid moeten worden gewaarborgd ten behoeve van stabiliteit in de regio; onderstreept dat in deze regio vrije en veilige scheepvaart moet worden gewaarborgd voor talloze Aziatische en Europese staten; merkt op dat de structuren die gedurende het afgelopen jaar op landelementen op zowel de Spratly- als de Paracel-eilanden in de Zuid-Chinese Zee zijn opgetrokken, bestaan uit grote hangars langs een drie kilometer lange landingsbaan, bunkers voor raketlanceringsplatformen, grote ondergrondse opslagruimten, veel administratieve gebouwen, militaire storingsapparatuur en omvangrijke netwerken met hoge-frequentie- en over-the-horizon radar- en sensorsystemen, en dat dit duidt op een fase van consolidatie en verdere uitbouw van verreikende observatie- en militaire capaciteiten, terwijl de verdere militarisering van de eilanden door het plaatsen van nog modernere militaire platformen achter de hand zou kunnen worden gehouden als een mogelijke vergelding voor nieuwe gerechtelijke acties of een grotere aanwezigheid van een internationale zeemacht; vraagt China en de ASEAN om meer vaart te zetten achter het overleg over een gedragscode voor de vreedzame oplossing van geschillen en controversen in dit gebied; blijft erbij dat dit vraagstuk moet worden opgelost overeenkomstig het internationaal recht uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS); onderstreept dat de EU en de lidstaten als partijen bij UNCLOS de uitspraak van het arbitragetribunaal moeten aanvaarden; herhaalt zijn oproep aan China om de uitspraak van het arbitragetribunaal te aanvaarden; onderstreept dat de EU de op de rechtsstaat gebaseerde internationale orde wenst te handhaven;

58.  is zeer bezorgd over het feit dat vanaf het moment waarop Xi Jinping in 2012 aan de macht kwam, de ruimte voor het maatschappelijk middenveld aanzienlijk is gekrompen, met name in het licht van de op 1 januari 2017 in werking getreden wet inzake het beheer van buitenlandse ngo's, met inbegrip van denktanks en academische instellingen, die deze organisaties opzadelt met enorme administratieve lasten, blootstelt aan economische druk en onder de strikte controle plaatst van een met het Ministerie van Openbare Veiligheid verbonden toezichtseenheid, met alle zeer negatieve gevolgen van dien voor de werking en financiering van deze organisaties; verwacht dat Europese ngo's in China dezelfde vrijheden genieten als Chinese ngo's in de EU; vraagt de Chinese autoriteiten restrictieve wetgeving in te trekken, zoals de wet op buitenlandse ngo's, die niet strookt met het recht op vrijheid van vereniging, mening en meningsuiting;

59.  dringt erop aan dat de Chinese autoriteiten garanderen dat alle gevangenen worden behandeld overeenkomstig de internationale normen en toegang krijgen tot rechtsbijstand en medische hulp overeenkomstig het Geheel van beginselen van de VN voor de bescherming van alle personen onder enige vorm van detentie of gevangenschap;

60.  moedigt China ertoe aan om, nu de ondertekening van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten haar twintigste verjaardag nadert, dit verdrag te ratificeren en de volledige tenuitvoerlegging ervan te verzekeren, hetgeen onder meer betekent dat het land een einde moet maken aan elk misbruik en zo nodig zijn wetgeving moet aanpassen;

61.  veroordeelt het gebruik van de doodstraf en herinnert eraan dat China meer mensen heeft terechtgesteld dan alle andere landen bij elkaar en dat er in 2016 in het land ongeveer tweeduizend doodvonnissen werden voltrokken; dringt er bij China op aan duidelijkheid te geven over de omvang van de terechtstellingen in het land en te zorgen voor transparante rechtspraak; doet een beroep op de EU om haar diplomatieke inspanningen op te voeren en eerbiediging van de mensenrechten en afschaffing van de doodstraf te eisen;

62.  is ernstig bezorgd dat de hoofdmoot van de nieuwe regelingen inzake religie ertoe zal leiden dat de Chinese regering alle al dan niet toegestane religies en niet-religieuze levensbeschouwelijke verenigingen van bepaalde etiketten voorziet; onderstreept het feit dat er in China veel congregaties van huiskerken zijn die om theologische redenen weigeren toe te treden tot het door de staat toegestane Comité van de Patriottische Drie-Zelfbeweging en de Christelijke Raad; verzoekt de Chinese regering de vele huiskerken die zich willen laten registreren, toe te staan dit rechtstreeks te doen bij het regeringsdepartement voor burgerzaken, opdat hun rechten en belangen als sociale organisatie worden beschermd;

63.  dringt er bij China op aan zijn beleid in Tibet te herzien; doet een beroep op China om te zorgen voor herziening en wijziging van de in de afgelopen jaren vastgestelde wetten, regels en maatregelen waarmee zware beperkingen werden opgelegd aan Tibetanen bij de uitoefening van hun burgerrechten en politieke rechten, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting en hun godsdienstvrijheid; verzoekt het Chinees leiderschap dringend om te streven naar een ontwikkelings- en milieubeleid dat de economische, sociale en culturele rechten van Tibetanen respecteert en ook van toepassing is op de lokale bevolking, overeenkomstig de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; verzoekt de Chinese regering een onderzoek in te stellen naar de herhaaldelijke gevallen van gedwongen verdwijningen, foltering en mishandeling van Tibetanen en hun recht op vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering en vrijheid van religie en geloof te eerbiedigen overeenkomstig de internationale mensenrechtennormen; benadrukt dat de verslechtering van de mensenrechten in Tibet systematisch op elke top EU-China aan de orde moet worden gesteld; dringt aan op de hervatting van een constructieve en vreedzame dialoog tussen de Chinese autoriteiten en vertegenwoordigers van het Tibetaanse volk; dringt er bij China op aan diplomaten, journalisten en burgers uit de EU ongehinderd toegang tot Tibet te verlenen als tegenprestatie voor de vrije en open toegang die Chinese reizigers tot het gehele grondgebied van de EU-lidstaten genieten; roept de Chinese autoriteiten op om Tibetanen in Tibet toe te staan vrij te reizen en om hun recht op bewegingsvrijheid te eerbiedigen; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan onafhankelijke waarnemers, zoals de hoge commissaris voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties, toegang te verlenen tot Tibet; dringt er bij de EU-instellingen op aan tijdens de discussies over de visumversoepelingsovereenkomst tussen de EU en China ernstig rekening te houden met de kwestie van de toegang tot Tibet;

64.  constateert dat de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie in het jaarverslag 2017 over de Speciale Administratieve Regio (SAR) Hongkong tot de conclusie komen dat het "één land, twee systemen"-beginsel ondanks een aantal uitdagingen goed heeft gewerkt, dat de rechtsstaat prevaleerde en dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van informatie over het geheel genomen werden geëerbiedigd, maar dat in het rapport tevens bezorgdheid wordt uitgesproken over de geleidelijke uitholling van het "één land, twee systemen"-beginsel, waardoor legitieme vragen rijzen over de tenuitvoerlegging ervan en over de mogelijkheid de hoge mate van autonomie van Hongkong op de lange termijn te handhaven; onderstreept dat in het jaarverslag wordt opgemerkt dat zich steeds duidelijker twee negatieve tendensen met betrekking tot vrije meningsuiting en vrijheid van informatie aftekenen, namelijk zelfcensuur bij rapportages over ontwikkelingen in het Chinese binnen- en buitenlands beleid en druk op journalisten; staat volledig achter de pogingen van de EU om de SAR Hongkong en de centrale regeringsautoriteiten ertoe aan te sporen de hervormingen van de kieswet te hervatten overeenkomstig de Basiswet en een akkoord te bereiken over een kiesstelsel dat democratisch, eerlijk, open en transparant is; onderstreept dat de inwoners van Hongkong een legitiem recht hebben op betrouwbare rechtbanken, eerbiediging van de rechtsstaat, geringe corruptie, op transparantie, mensenrechten, vrijheid van mening en hoge volksgezondheids- en veiligheidsnormen; onderstreept dat volledige eerbiediging van de autonomie van Hongkong als model zou kunnen dienen voor een proces van ingrijpende democratische politieke hervormingen in China en geleidelijke liberalisering en openstelling van de Chinese samenleving;

65.  doet een beroep op de EU en haar lidstaten alles te doen wat in hun macht ligt om de Volksrepubliek China ertoe te bewegen zich te onthouden van verdere militaire provocaties jegens Taiwan en van het in gevaar brengen van de vrede en stabiliteit in de Straat van Taiwan; onderstreept dat alle geschillen tussen China en Taiwan op vreedzame wijze en op basis van het internationaal recht moeten worden opgelost; uit zijn bezorgdheid over het unilaterale besluit van China om nieuwe vliegroutes te gebruiken boven de Straat van Taiwan; dringt aan op de hervatting van de officiële dialogen tussen Beijing en Taipei; betuigt andermaal zijn niet-aflatende steun voor de betekenisvolle participatie van Taiwan in internationale organisaties, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), waarbij de aanhoudende uitsluiting van Taiwan niet strookt met de belangen van de EU;

66.  herinnert eraan dat China, als grootste handelspartner van Noord-Korea en zijn belangrijkste voedsel- en energiebron, samen met de internationale gemeenschap een fundamentele rol blijft spelen bij de aanpak van de provocaties van Noord-Korea die een dreiging voor heel de wereld vormen; is derhalve verheugd over de recente bereidheid van China om zich te scharen achter een aantal internationale sancties tegen Pyongyang, zoals de opschorting van de steenkoolinvoer uit Noord-Korea en de beperking van financiële activiteiten van Noord-Koreaanse burgers en bedrijven of het opleggen van handelsbeperkingen voor textiel en schaal- en schelpdieren; is tevens ingenomen met de inspanningen van Beijing om een dialoog met Pyongyang tot stand te brengen; dringt er bij de EU op aan om ten aanzien van China met één stem te spreken teneinde een constructieve rol te spelen en steun te geven aan de aanstaande inter-Koreaanse top alsmede aan de top Noord-Korea - VS, met het doel een actieve bijdrage te leveren aan een toetsbare denuclearisatie van Noord-Korea en de totstandbrenging van permanente vrede op het Koreaans Schiereiland;

67.  prijst China om zijn steun aan de sancties tegen Noord-Korea; roept China op een constructieve bijdrage te leveren aan de oplossing van de situatie op het Koreaans Schiereiland en de sancties tegen Noord-Korea zolang te blijven toepassen totdat dit land aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt bij de ontmanteling van zijn kernwapens, een andere retoriek gebruikt jegens Zuid-Korea en Japan en de mensenrechten begint te eerbiedigen;

68.  onderstreept het belang van de inspanningen die China levert om op het Koreaans Schiereiland vrede, veiligheid en stabiliteit te bereiken;

69.  verwelkomt de bijdragen van China aan de vredeshandhaving door de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie; merkt op dat de EU sterker wil samenwerken met China op het gebied van het buitenlands beleid en de veiligheid en China ertoe wil aansporen al zijn diplomatieke en andere middelen in te zetten om de internationale veiligheid te steunen en bij te dragen aan vrede en veiligheid in de nabuurschap van de EU op basis van het internationaal recht; merkt op dat de samenwerking met China op het gebied van exportcontrole, ontwapening, non-proliferatie en denuclearisatie van het Koreaans Schiereiland essentieel is om de stabiliteit van de Oost-Aziatische regio te verzekeren;

70.  is verheugd over het streven van China om zich te ontwikkelen tot een duurzame economie; benadrukt dat de EU met haar knowhow steun kan geven aan het economisch hervormingsprogramma van China; onderstreept dat China voor de EU een belangrijke partner is bij de aanpak van klimaatverandering en mondiale milieu-uitdagingen; wil met China samenwerken aan een snellere tenuitvoerlegging van het Klimaatakkoord van Parijs;

71.  is ingenomen met de door China doorgevoerde hervormingen sinds de invoering van de strategie voor "milieubeschaving"; beschouwt de rechterlijke toekenning van een speciale status aan milieu-ngo's, controles ten aanzien van de milieueffecten van de werkzaamheden van ambtenaren en de grote investeringen in elektromobiliteit en schone energie als stappen in de juiste richting;

72.  is ingenomen met het actieplan van China van 2016 ter bestrijding van antimicrobiële resistentie; benadrukt het belang van samenwerking tussen China, goed voor 50 % van de jaarlijkse mondiale consumptie van antimicrobiële geneesmiddelen, en de EU teneinde deze wereldwijde dreiging aan te pakken; pleit voor de opname van bepalingen met betrekking tot dierenwelzijn in de bilaterale handelsovereenkomsten tussen de EU en China;

73.  neemt kennis van het besluit van China om de invoer van vast afval te verbieden, wat het belang van het ontwerp-, productie-, reparatie-, hergebruiks- en recyclingproces van producten onderstreept, met bijzondere nadruk op de productie en het gebruik van plastic; herinnert aan de recente poging van China om de uitvoer van zeldzame aardmetalen te verbieden en verzoekt de Commissie bij de prioritering van EU-beleid rekening te houden met de onderlinge verwevenheid van de wereldeconomieën;

74.  is van mening dat er in dit geval ruimte en belang is voor en behoefte aan samenwerking tussen de EU en de ASEAN, teneinde een gemeenschappelijke strategie te ontwikkelen ter verwezenlijking van een circulaire economie; is van oordeel dat China binnen de ASEAN een drijvende kracht kan zijn achter dit initiatief;

75.  stelt dat China en de Europese Unie zullen profiteren van de bevordering van duurzaamheid binnen hun economieën en van de ontwikkeling van een sectoroverschrijdende, duurzame en circulaire bio-economie;

76.  is ingenomen met het akkoord tot intensivering van de samenwerking in onderzoek en innovatie met betrekking tot vlaggenschipinitiatieven op het gebied van onder meer levensmiddelen, landbouw en biotechnologieën, milieu en duurzame verstedelijking, vervoer op de grond, veiliger en groener luchtvervoer, en biotechnologieën ten behoeve van het milieu en de volksgezondheid, waarover in juni 2017 tijdens de derde dialoog tussen de EU en China over samenwerking op het gebied van innovatie, alsmede in het stappenplan van oktober 2017 voor samenwerking tussen de EU en China op het gebied van wetenschap en technologie, een akkoord werd bereikt; verzoekt de EU en China deze inspanningen voort te zetten en de resultaten van de onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in praktijk te brengen;

77.  wijst erop dat de EU en China beide sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en samen goed zijn voor ongeveer een derde van het totale mondiale verbruik, wat betekent dat China bovenaan de lijst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van landen met een dodelijke buitenluchtvervuiling staat; benadrukt dat toenemende handel in uit hernieuwbare materialen vervaardigde bio-economische producten ertoe kan bijdragen dat de economie van China en de economie van de Europese Unie minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen; pleit voor de intensivering van de betrekkingen tussen de EU en China op andere vlakken van de beperking van broeikasgasemissies, zoals elektrische mobiliteit, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie, om door te gaan met het stappenplan voor samenwerking tussen de EU en China na 2020 op het gebied van energie en dit verder uit te breiden, en om de gezamenlijke inspanningen voor de ontwikkeling van instrumenten voor groene financiering, en met name voor klimaatfinanciering, op te voeren; verzoekt China en de EU om de planning en ontwikkeling van grensoverschrijdende elektriciteitsleidingen op basis van hoogspanningsgelijkstroom te onderzoeken en te bespoedigen teneinde hernieuwbare energiebronnen toegankelijker te maken;

78.  spoort de EU en China aan hun partnerschap op het gebied van duurzame verstedelijking, onder meer met betrekking tot schoon vervoer, de verbetering van de luchtkwaliteit, de verwezenlijking van een circulaire economie en milieuvriendelijk ontwerpen, voort te zetten; benadrukt dat er nog meer milieubeschermingsmaatregelen nodig zijn, gezien het feit dat meer dan 90 % van de steden de nationale norm van 2,5 PM voor luchtvervuilingsconcentratie niet naleeft, en dat in China jaarlijks meer dan een miljoen mensen sterven ten gevolge van aandoeningen die verband houden met luchtvervuiling;

79.  benadrukt dat beide partijen belang hebben bij het stimuleren van koolstofarme ontwikkeling en het terugdringen van de broeikasgasemissies in transparante, openbare en goed gereguleerde energiemarkten; is van oordeel dat strategische partnerschappen tussen de EU en China een waardevolle en onmisbare rol spelen bij de tenuitvoerlegging van het akkoord van Parijs en bij de doeltreffende bestrijding van klimaatverandering; verzoekt de EU en China hun politieke gewicht in de schaal te leggen om werk te maken van de tenuitvoerlegging van het akkoord van Parijs, alsmede van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), en pleit met kracht voor een coöperatieve benadering tijdens de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC en het politiek forum op hoog niveau van de VN; verzoekt beide partijen een gezamenlijke verklaring over klimaatactie aan te nemen om er blijk van te geven dat zij hechten aan de krachtige tenuitvoerlegging van het akkoord van Parijs en aan een actieve deelname aan de faciliterende dialoog van 2018, alsmede aan de COP24; spoort beide partijen aan een verantwoordelijke rol op zich te nemen in de internationale onderhandelingen door bij te dragen aan de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken door middel van hun respectieve interne klimaatbeleid, alsmede door financiële bijdragen te leveren ter verwezenlijking van de doelstelling om tegen 2020 jaarlijks 100 miljard USD beschikbaar te stellen voor beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering;

80.  is ingenomen met de invoering van een nationale regeling voor de emissiehandel in China in december 2017; neemt kennis van de vruchtbare samenwerking tussen China en de EU tijdens de voorbereidingsfase, die ervoor gezorgd heeft dat de regeling kon worden ingevoerd; bevestigt dat het Chinese leiderschap bereid is om de broeikasgasemissies terug te dringen en kijkt uit naar de resultaten van de huidige inspanningen op het gebied van monitoring, verslaglegging en verificatie, die van wezenlijk belang zijn voor de goede werking van de regeling; benadrukt dat er binnen de gehele economie klimaatactie moet worden ondernomen, en is ingenomen met het voornemen om maatregelen in dit kader uit te breiden naar de industriële sector en om de handelsafspraken met betrekking tot de regeling te verbeteren; verzoekt de EU en China om hun partnerschap in het kader van het samenwerkingsproject voor de ontwikkeling van de Chinese koolstofmarkt voort te zetten, zodat dit een doeltreffend instrument wordt met belangrijke stimulansen voor emissieverlaging en verdere harmonisering met de EU-regeling voor de emissiehandel; verzoekt beide partijen om koolstofbeprijzingsregelingen in andere landen en regio's te stimuleren door gebruik te maken van de eigen ervaring en expertise, en door beste praktijken uit te wisselen en zich in te zetten voor samenwerking tussen de bestaande koolstofmarkten ter verwezenlijking van gelijke concurrentievoorwaarden in de hele wereld;

81.  hoopt dat China in staat zal zijn economische groei los te koppelen van milieuschade, door bescherming van de biodiversiteit op te nemen in zijn bestaande mondiale strategieën, de verwezenlijking van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de SDG's van de VN te bevorderen, en het verbod op de handel in ivoor daadwerkelijk ten uitvoer te leggen; neemt kennis van de inspanningen van het Bilaterale Coördinatiemechanisme (BCM) EU-China op het gebied van wetshandhaving en governance in de bosbouw (FLEG) om illegale houtkap wereldwijd aan te pakken; verzoekt China echter met klem onderzoek te doen naar beduidende, ongedocumenteerde houthandel tussen de ondertekenaars van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) en China;

82.  pleit voor de vaststelling van bindende Chinese beleidsrichtsnoeren voor verantwoorde overzeese investeringen in de bosbouw die in samenwerking met de toeleveringslanden ten uitvoer moeten worden gelegd om Chinese bedrijven te betrekken bij de bestrijding van illegale houtkap;

83.  is ingenomen met het feit dat China en de EU, om de dialoog over de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving ter bescherming van de waterreserves te versterken, een memorandum van overeenstemming (MoU) over waterbeleid hebben ondertekend; steunt ten zeerste de Turku-verklaring van september 2017, die is ondertekend door de EU en China en waarin wordt benadrukt dat goed waterbeheer moet behelzen dat voorrang wordt gegeven aan ecologie en groene ontwikkeling, dat waterbehoud een prominente plek moet krijgen en dat het waterecosysteem moet worden hersteld; onderstreept dat het MoU over de totstandbrenging van een dialoog tussen de EU en China over het waterbeleid niet alleen de inhoud van het strategisch partnerschap tussen China en de EU verrijkt, maar ook de richting, reikwijdte, methodologie en financiële regelingen voor de samenwerking nader bepaalt;

84.  erkent de essentiële rol van het door de Commissie gefinancierde samenwerkingsproject tussen Europese en Chinese organisaties, dat in 2014-2017 ten uitvoer is gelegd onder auspiciën van het Instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC), voor de beoordeling van de normen en regelingen voor radiologische en nucleaire crisisbeheersing in China en voor de versterking van de capaciteit van het Chinese technologisch onderzoekscentrum voor kernenergie op het gebied van richtsnoeren voor beheersmaatregelen bij ernstige ongevallen;

85.  spoort Chinese en Europese investeerders aan betere mondiale normen voor sociale en milieuverantwoordelijkheid aan te nemen en de veiligheidsnormen van hun ontginningsindustrieën wereldwijd te verbeteren; herhaalt dat de Europese Unie met betrekking tot de onderhandelingen over een algemene overeenkomst inzake investeringen (AOI) met China steun moet verlenen aan initiatieven voor duurzame ontwikkeling door verantwoorde investeringen aan te moedigen en arbeids- en milieuminimumnormen te bevorderen; verzoekt de Chinese en Europese autoriteiten stimulansen te geven om Chinese en Europese mijnbouwbedrijven aan te moedigen hun activiteiten in ontwikkelingslanden uit te oefenen in overeenstemming met internationale mensenrechtennormen en om investeringen in capaciteitsopbouw aan te sporen op het gebied van kennis- en technologieoverdracht en plaatselijke aanwerving;

86.  is ingenomen met de aankondiging van China in het kader van de One Planet-top in december 2017 om de milieu-impact van bedrijven in China en van Chinese investeringen in het buitenland transparanter te maken; is bezorgd dat infrastructuurprojecten zoals het "Gordel- en Weginitiatief" van China een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het milieu en het klimaat en zouden kunnen leiden tot een verhoogd gebruik van fossiele brandstoffen in andere landen die betrokken zijn bij of de gevolgen ondervinden van de ontwikkeling van de infrastructuur; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten milieu-effectbeoordelingen uit te voeren en duurzaamheidsbepalingen op te nemen in alle samenwerkingsprojecten in het kader van het "Gordel- en Weginitiatief"; pleit voor de oprichting van een gezamenlijke commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken landen en derde partijen, om toe te zien op de gevolgen voor het milieu en het klimaat; is ingenomen met het initiatief van de Commissie en de EDEO om in het eerste halfjaar van 2018 een EU-Azië-connectiviteitsstrategie op te stellen; pleit voor de opname van harde toezeggingen met betrekking tot duurzaamheid, milieubescherming en klimaatactie in deze strategie;

87.  is ingenomen met de vooruitgang van China op het gebied van de verhoging van de voedselveiligheidsnormen, die van belang zijn voor het beschermen van Chinese consumenten en het voorkomen van voedselfraude; benadrukt dat de positie van de consument moet worden versterkt om een consumentencultuur in China te bevorderen;

88.  moedigt Chinese en Europese politie- en wetshandhavingsdiensten aan gezamenlijk maatregelen te nemen om controle uit te oefenen op de uitvoer van illegale drugs en inlichtingen over drugssmokkel te delen door informatie uit te wisselen om criminelen en criminele netwerken op te sporen; merkt op dat veel van de nieuwe psychoactieve stoffen in Europa volgens de studie getiteld "Europees drugsrapport 2017 – Trends en ontwikkelingen" van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) afkomstig zijn uit China, waar nieuwe stoffen in bulkhoeveelheden geproduceerd worden door chemische en farmaceutische bedrijven en vervolgens vervoerd worden naar Europa, waar ze worden verwerkt tot producten, verpakt en verkocht;

89.  is ervan op de hoogte dat gezinnen en individuele personen ten gevolge van droogte en andere natuurrampen zijn gemigreerd en dat de Chinese autoriteiten in reactie hierop verschillende grootschalige hervestigingsprojecten hebben gepland; uit zijn bezorgdheid over berichten uit de Ningxia-regio die wijzen op tal van problemen met betrekking tot de nieuwe steden en represailles tegen mensen die weigeren te vertrekken; uit zijn bezorgdheid over het feit dat milieubeschermers worden gevangengezet, vervolgd en veroordeeld en dat geregistreerde binnenlandse milieu-ngo's steeds strenger worden gecontroleerd door de Chinese toezichthoudende autoriteiten;

90.  verzoekt China zijn wetshandhavingsinspanningen verder uit te breiden om illegale visserij tegen te gaan, omdat Chinese vissersboten illegaal blijven vissen in vreemde wateren, waaronder in de Westelijke Zee van Korea, de Oost-Chinese Zee, de Zuid-Chinese Zee, de Indische Oceaan en zelfs in Zuid-Amerikaanse wateren;

91.  verzoekt Chinese exporteurs en Europese importeurs erop toe te zien dat in China gemaakte kleding geen giftige stoffen bevat door goede beheersmaatregelen vast te stellen en door het gebruik van lood, nonylfenolethoxylaten (NPE's), ftalaten, perfluorkoolstofverbindingen (PFK's), formaldehyde en andere giftige stoffen die in textiel worden aangetroffen, geleidelijk af te bouwen;

92.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredende landen en kandidaat-lidstaten, de regering van de Volksrepubliek China, het Chinese Nationale Volkscongres, de regering van Taiwan en de Taiwanese wetgevende Yuan.

(1) PB L 250 van 19.9.1985, blz. 2.
(2) PB L 6 van 11.1.2000, blz. 40.
(3) https://www.iom.int/migration-and-climate-change
(4) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 1.
(5) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 33.
(6) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 123.
(7) PB C 93 van 24.3.2017, blz. 93.
(8) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 83.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0024.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(11) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 219.
(12) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 132.
(13) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 126.
(14) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 45.
(15) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 52.
(16) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 92.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0495.
(18) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 121.
(19) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 69.
(20) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 208.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0505.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0308.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0014.
(25) PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 59.
(26) Y. Zhen, J. Pan, X. Zhang, "Relocation as a policy response to climate change vulnerability in Northern China", ISSC en UNESCO 2013, World Social Science Report 2013, Changing Global Environments, blz. 234-241.

Juridische mededeling