Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 13 september 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Uganda, arrestatie van parlementsleden van de oppositie
 Myanmar, in het bijzonder de zaak van de journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo
 Cambodja, in het bijzonder de zaak van Kem Sokha
 Overeenkomst betreffende samenwerking tussen Eurojust en Albanië *
 De bescherming van personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsmede het vrije verkeer van die gegevens ***I
 Eén digitale toegangspoort ***I
 De branden in Mati in de regio Attica, Griekenland, in juli 2018 en de reactie van de EU daarop
 Khan al-Ahmar en andere bedoeïenendorpen die met sloop bedreigd worden
 Een Europese strategie voor kunststoffen in de circulaire economie
 Opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving
 Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie
 Europa in beweging: agenda voor de toekomst van de mobiliteit in de EU
 Tenuitvoerlegging van de verordening gewasbeschermingsmiddelen
 Uiteenlopende kwaliteit van producten op de interne markt

Uganda, arrestatie van parlementsleden van de oppositie
PDF 122kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over Oeganda, de arrestatie van oppositieparlementariërs (2018/2840(RSP))
P8_TA(2018)0344RC-B8-0364/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Oeganda,

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring van 17 augustus 2018 van de delegatie van de Europese Unie, de missiehoofden van Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk en de missiehoofden van Noorwegen en IJsland over de tussentijdse verkiezingen in de gemeente Arua,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, die Oeganda heeft ondertekend,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, dat op 21 juni 1995 door Oeganda is geratificeerd,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur (ACDEG),

–  gezien de verklaring van de Oegandese mensenrechtencommissie over mensenrechtenkwesties die zich in het land voordoen sinds de tussentijdse verkiezingen van 15 augustus 2018 in de gemeente Arua,

–  gezien het verslag over Oeganda van de werkgroep universele periodieke doorlichting van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst ("de Overeenkomst van Cotonou"), met name artikel 8, lid 4, over non-discriminatie,

–  gezien de grondwet van de Republiek Oeganda van 1995, zoals gewijzigd in 2005,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de tussentijdse verkiezingen van 15 augustus 2018 in Arua in Noordwest-Oeganda, die resulteerden in de verkiezing van de onafhankelijke oppositiekandidaat Kassiano Wadri, in het teken stonden van geweld;

B.  overwegende dat de president van Oeganda, Yoweri Museveni, en de onafhankelijke premier Robert Kyagulanyi Ssentamu, ook bekend als Bobi Wine, samen met verschillende andere politici, op 13 augustus 2018 in Arua campagne voerden in het kader van zeer beladen tussentijdse verkiezingen, nadat in juni een parlementslid was vermoord;

C.  overwegende dat Bobi Wine, een bekende muzikant, een invloedrijke tegenstander van president Museveni is geworden sinds hij in 2017 een zetel heeft bemachtigd in het Oegandese parlement;

D.  overwegende dat de chauffeur van Bobi Wine, Yasin Kawuma, op 13 augustus 2018 aan het einde van de dag onder onduidelijke omstandigheden werd neergeschoten, en dat aanhangers van Kassiano Wadri de auto van president Museveni met stenen zouden hebben bekogeld toen hij wegreed uit Arua;

E.  overwegende dat de politie twee journalisten van het tv-kanaal NTV Uganda, Herbert Zziwa en Ronald Muwanga, heeft gearresteerd toen zij live verslag uitbrachten vanuit de plaats waar de heer Kawuma werd vermoord;

F.  overwegende dat zowel de heer Wine als de heer Wadri, samen met verschillende anderen, kort hierna werden gearresteerd; overwegende dat de heer Wine werd beschuldigd van het bezit van vuurwapens;

G.  overwegende dat 33 mensen, waaronder de heer Wadri en vier parlementsleden (Robert Kyagulanyi, Francis Zaake, Gerald Karuhanga en Paul Mwiru), de dag na de verkiezingen werden beschuldigd van verraad, en de heer Wine door een militaire rechtbank werd beschuldigd van het bezit van illegale vuurwapens;

H.  overwegende dat de protesten die deze arrestaties veroorzaakten in Arua, Kampala en Mityana met geweld door de Oegandese veiligheidsdiensten de kop in werden gedrukt; overwegende dat naar verluidt gebruik is gemaakt van traangas en scherpe munitie;

I.  overwegende dat James Akena, een fotograaf die voor Reuters de politieke protesten #freeBobiWine in Kampala in beeld bracht, op 20 augustus 2018 door soldaten in elkaar werd geslagen en enkele uren werd opgesloten;

J.  overwegende dat de heer Wine en anderen naar verluidt in hechtenis zijn gefolterd; overwegende dat de autoriteiten deze berichten in eerste instantie ontkenden maar vervolgens beloofden er onderzoek naar te doen;

K.  overwegende dat de heer Wine later door een civiele rechtbank werd beschuldigd van verraad, nadat de militaire rechtbank had besloten de aanklacht van illegaal vuurwapenbezit te laten vallen;

L.  overwegende dat de heer Wine vervolgens op borgtocht werd vrijgelaten, en Oeganda heeft verlaten om zich in de VS te laten behandelen;

M.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten, Zeid Ra'ad al-Hussein, de Oegandese regering heeft aangespoord tot een grondig, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de ernstige beschuldigingen van mensenrechtenschendingen, met inbegrip van buitengerechtelijke executies, buitensporig gebruik van geweld en foltering en andere vormen van mishandeling, en tot een berechting van de verantwoordelijken;

N.  overwegende dat Kizza Besigye, leider van het Forum for Democratic Change (FDC) en viervoudig presidentskandidaat, tussen 2001 en 2017 meerdere malen (voor het laatst op 25 september 2017) door de politie of militairen is opgesloten;

O.  overwegende dat leden van de politieke oppositie in Oeganda regelmatig worden gearresteerd en geïntimideerd;

1.  maakt zich grote zorgen over de arrestatie van oppositieparlementariërs in verband met de tussentijdse verkiezingen in Arua;

2.  benadrukt dat het voor de Oegandese democratie van cruciaal belang is dat de president en regering van Oeganda de onafhankelijkheid van het Oegandese parlement als instelling eerbiedigen, evenals de onafhankelijkheid van het mandaat van de parlementsleden, en dat zij erop toezien dat alle parlementsleden hun gekozen functie vrij kunnen uitoefenen;

3.  verzoekt de Oegandese autoriteiten de ogenschijnlijk valse aanklachten tegen Bobi Wine te laten vallen en te stoppen met de onderdrukking van leden van de politieke oppositie en hun aanhangers;

4.  verzoekt de Oegandese autoriteiten met klem onmiddellijk een doeltreffend, onpartijdig en onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de moord op Yasin Kawuma en de meldingen van sterfgevallen en buitensporig gebruik van geweld tijdens de protesten; verwacht dat er spoedig een onafhankelijk onderzoek komt naar de meldingen van foltering en mishandeling van degenen die in Arua werden gearresteerd; onderstreept dat de verantwoordelijken voor de rechter moeten worden gebracht;

5.  herhaalt dat het toegewijd is aan vrijheid van meningsuiting, en wijst andermaal op de belangrijke rol van de media in een democratische samenleving; merkt met bezorgdheid op dat journalisten die verslag uitbrachten over de demonstraties en opstanden samen met de deelnemers in elkaar zijn geslagen, en dat er twee journalisten zijn gearresteerd; verzoekt de Oegandese autoriteiten een klimaat te scheppen waarin journalisten hun werk, namelijk het informeren over politieke ontwikkelingen in het land, zonder belemmering kunnen uitvoeren;

6.  herinnert de Oegandese autoriteiten eraan dat zij verplicht zijn de grondrechten – met inbegrip van de civiele en politieke rechten van burgers, zoals de vrijheid van meningsuiting en vereniging – te waarborgen, beschermen en bevorderen;

7.  herinnert de regering van Oeganda aan haar internationale verplichtingen, met name wat betreft de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat en de afhandeling van rechtszaken, vooral met betrekking tot het recht op een eerlijk en onpartijdig proces;

8.  spoort wetshandhavingsinstanties ertoe aan de fundamentele vrijheden zonder enige vorm van intimidatie te beschermen en daarbij te voldoen aan artikel 24 van de Oegandese grondwet, waarin wordt bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan enige vorm van foltering of wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

9.  verzoekt de Oegandese veiligheidsdiensten met terughoudendheid op te treden tijdens demonstraties, niet met scherp te schieten, rechtmatig te handelen, de mensenrechtenwetgeving volledig in acht te nemen en journalisten toe te staan hun werkzaamheden op het gebied van informatievoorziening vrijelijk uit te oefenen;

10.  roept demonstranten er tegelijkertijd toe op zich aan de wet te houden en hun rechten en vrijheden op een gezagsgetrouwe manier uit te oefenen;

11.  dringt er bij de EU op aan gebruik te maken van de politieke hefboom die geboden wordt door de ontwikkelingshulpprogramma's, en dan met name de programma's voor begrotingsondersteuning, om de mensenrechten in Oeganda te verdedigen en te bevorderen;

12.  looft het werk van de Oegandese mensenrechtencommissie na de arrestaties, moorden en gevallen van foltering die volgden op de tussentijdse verkiezingen in Arua, waarbij zij niet alleen zorgde voor verslaglegging, maar ook bezoeken bracht aan detentiecentra, onderzoek deed naar de verblijfplaats van vermiste personen en tussenbeide kwam om de rechten van gevangenen, onder meer op medische zorg en familiebezoeken, te waarborgen;

13.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de situatie in Oeganda nauwlettend te volgen; benadrukt dat het Europees Parlement op de hoogte moet worden gesteld van verdere aanwijzingen dat de oppositieleden van het Oegandese parlement worden belemmerd in het uitoefenen van hun werk als wetgevers;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van de Republiek van Oeganda, de voorzitter van het Oegandese parlement en de Afrikaanse Unie en haar instellingen.


Myanmar, in het bijzonder de zaak van de journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo
PDF 129kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over Myanmar, met name de zaak van de journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo (2018/2841(RSP))
P8_TA(2018)0345RC-B8-0371/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en over de situatie van de Rohingya, met name de resoluties die zijn aangenomen op 14 juni 2018(1), 14 december 2017(2), 14 september 2017(3), 7 juli 2016(4) en 15 december 2016(5),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 3 september 2018 over de veroordeling van Wa Lone en Kyaw Soe Oo in Myanmar en die van 9 juli 2018 over de vervolging van twee journalisten van Reuters in Myanmar,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 oktober 2017 en 26 februari 2018 over Myanmar,

–  gezien de Besluiten (GBVB) van de Raad 2018/655 van 26 april 2018(6) en 2018/900 van 25 juni 2018(7), waarbij verdere beperkende maatregelen zijn opgelegd aan Myanmar, met een verscherpt EU-wapenembargo en maatregelen gericht tegen specifieke functionarissen van het leger- en de grenswachtpolitie van Myanmar,

–  gezien het verslag van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie in Myanmar van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 24 augustus 2018, dat zal worden voorgesteld tijdens de 39e zitting van de VN-Mensenrechtenraad van 10 tot en met 28 september 2018,

–  gezien de verklaring van 3 september 2018 van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet,

–  gezien het eindrapport en de aanbevelingen van de door Kofi Annan geleide Adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het internationaal humanitair recht, de Verdragen van Genève en de protocollen daarbij en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) van 1948,

–  gezien het Handvest van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan de VN-Veiligheidsraad over conflictgerelateerd seksueel geweld van 23 maart 2018,

–  gezien de beslissing van de Eerste Kamer van vooronderzoek van het ICC van 6 september 2018,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat twee journalisten, Wa Lone en Kyaw Soe Oo, op 12 december 2017 willekeurig zijn gearresteerd en gevangen worden gehouden op beschuldiging van het bekendmaken van ernstige mensenrechtenschendingen door de Tatmadaw (het leger van Myanmar) in de deelstaat Rakhine;

B.  overwegende dat de journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo vervolgens in staat van beschuldiging werden gesteld op grond van de Wet inzake staatsgeheimen van 1923; overwegende dat zij op 3 september 2018 door een rechtbank in Myanmar tot zeven jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld; overwegende dat deze richtinggevende zaak de vrijheid van meningsuiting, de democratie en de rechtsstaat in Myanmar verder ondermijnt;

C.  overwegende dat diplomaten van de Europese Unie en de EU-lidstaten tot de vele internationale waarnemers behoorden die bij elke rechtszitting sinds de arrestatie van de journalisten op 12 december 2017 aanwezig waren en deze kwestie voortdurend bij de regering van Myanmar hebben aangekaart;

D.  overwegende dat actoren uit het maatschappelijk middenveld naar verluidt willekeurig worden gearresteerd, vastgehouden of geïntimideerd, waarbij het onder meer gaat om journalisten, advocaten en mensenrechtenactivisten die kritische standpunten innemen met betrekking tot de autoriteiten van Myanmar, met name de Tatmadaw en andere veiligheidstroepen van Myanmar, en de door hen in de deelstaat Rakhine gepleegde feiten; overwegende dat de media-aandacht voor het geweld in de deelstaat Rakhine strikt wordt gecontroleerd door het leger en de overheid;

E.  overwegende dat de Rohingya-mensenrechtenactiviste Wai Nu, die vanaf haar achttiende tot haar vijfentwintigste in de gevangenis zat, nog steeds een van de vele voorbeelden is van activisten die door de autoriteiten van Myanmar worden geviseerd;

F.  overwegende dat voormalig kindsoldaat Aung Ko Htwe een gevangenisstraf uitzit van twee jaar en zes maanden in verband met een media-interview dat hij gaf over zijn ervaringen in het leger van Myanmar; overwegende dat hij in staat van beschuldiging is gesteld op grond van artikel 505, onder b), van het wetboek van strafrecht van Myanmar, een vaag geformuleerde bepaling die vaak is gebruikt om de vrijheid van meningsuiting in te perken;

G.  overwegende dat naar verluidt tientallen journalisten zijn gearresteerd en vastgehouden sinds 2016; overwegende dat de autoriteiten van Myanmar gebruikmaken van een aantal repressieve wetten, waaronder de Wet inzake staatsgeheimen, om actoren uit het maatschappelijk middenveld, journalisten, advocaten en mensenrechtenactivisten die kritische standpunten innemen met betrekking tot de regering of de veiligheidstroepen van Myanmar, te arresteren, vast te houden, te doen zwijgen of te intimideren; overwegende dat Myanmar in het klassement van Freedom House voor de persvrijheid van 2017 van 198 landen de 159e plaats bekleedt;

H.  overwegende dat in het verslag van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie van de VN in Myanmar van 24 augustus 2018 wordt geconcludeerd dat de meest ernstige schendingen van de mensenrechten en de ernstigste misdrijven naar internationaal recht, waaronder genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, zijn begaan in de deelstaten Kachin, Rakhine en Shan door de Tatmadaw, de politiediensten van Myanmar, Nasaka (vroeger het hoofdkwartier voor immigratiecontrole in het grensgebied), de grenswachtpolitie van Myanmar en niet-statelijke gewapende groeperingen; overwegende dat in het verslag voorts wordt vermeld dat het Arakan Rohingya Salvation Army gecoördineerde aanvallen op een militaire basis heeft uitgevoerd en in het Noorden van de deelstaat Rakhine verscheidene buitenposten van de veiligheidstroepen heeft opgezet om de druk op de Rohingya-gemeenschappen op te voeren; overwegende dat er in het verslag voorts toe wordt opgeroepen onderzoek te verrichten naar hooggeplaatste militaire bevelhebbers in Myanmar en de personen die verantwoordelijk zijn voor de gruweldaden tegen de Rohingya en hen internationaal te vervolgen; overwegende dat Myanmar deze bevindingen heeft verworpen;

I.  overwegende dat in het verslag van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie in Myanmar wordt opgemerkt dat de staatsadviseur van Myanmar, winnares van de Nobelprijs voor de Vrede en van de Sacharovprijs, Aung San Suu Kyi, geen gebruik heeft gemaakt van haar feitelijke positie als regeringsleider of van haar moreel gezag om de ontwikkelingen in de deelstaat Rakhine te voorkomen of te doen stoppen; overwegende dat de civiele autoriteiten door hun handelingen en nalatigheden ook hebben bijgedragen tot het begaan van gruweldaden, in het bijzonder door valse berichtgeving te verspreiden, het wangedrag van de Tatmadaw te ontkennen, onafhankelijk onderzoek te belemmeren en de vernietiging van bewijsmateriaal niet te voorkomen;

J.  overwegende dat het ICC op 8 september 2018 heeft bevestigd dat het zich kan uitspreken over de vermeende deportatie van Rohingya uit Myanmar naar Bangladesh;

K.  overwegende dat in Myanmar socialemediaplatforms zijn gebruikt om lastercampagnes en samenzweringstheorieën tegen de Rohingya en moslims in het land te verspreiden;

L.  overwegende dat de Rohingya het grootste deel van de moslims in Myanmar uitmaken en dat de meerderheid van hen in de deelstaat Rakhine woont; overwegende dat het dodental volgens voorzichtige schattingen 10 000 mensen bedraagt; overwegende dat sinds augustus 2017 meer dan 700 000 Rohingya naar Bangladesh zijn gevlucht om zichzelf in veiligheid te brengen, onder wie ongeveer 500 000 kinderen, die vaak alleen moesten reizen omdat hun ouders waren gedood of omdat zij van hun familie waren gescheiden;

1.  veroordeelt met klem dat de journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo willekeurig zijn gearresteerd en veroordeeld voor het berichten over de situatie in de deelstaat Rakhine; roept de autoriteiten van Myanmar op tot hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en tot de intrekking van alle aanklachten tegen hen en alle politiek gevangenen, mensenrechtenactivisten, journalisten, mensen die bij de media werken en andere personen die louter op grond van de uitoefening van hun rechten en vrijheden willekeurig worden vastgehouden;

2.  veroordeelt elke intimidatie, alle pesterijen en elke beperking van de vrijheid van meningsuiting, met name door het leger en de veiligheidstroepen van Myanmar; benadrukt dat mediavrijheid en kritische journalistiek essentiële pijlers zijn van de democratie en dat deze goed bestuur, transparantie en verantwoordingsplicht bevorderen, en roept de autoriteiten van Myanmar op ervoor te zorgen dat journalisten en mensen die bij de media werken zonder angst voor intimidatie of pesterijen, onrechtmatige aanhouding of vervolging hun werk onder gepaste omstandigheden kunnen doen;

3.  herhaalt zijn oproep aan de regering van Myanmar om terug te komen op haar besluit om de samenwerking met de Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar te staken, om binnenlandse en internationale mediaorganisaties, mensenrechtenactivisten, onafhankelijke waarnemers en humanitaire organisaties, en met name de Speciaal Rapporteur van de VN, volledige en ongehinderde toegang tot de deelstaat Rakhine te verlenen en om de veiligheid en beveiliging te waarborgen van mensen die bij de media werken;

4.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het misbruik van repressieve wettelijke bepalingen die de vrijheid van meningsuiting beperken; roept de autoriteiten van Myanmar op tot intrekking, herziening of wijziging van alle wetten, met inbegrip van de Wet inzake staatsgeheimen van 1923, die niet in overeenstemming zijn met de internationale normen en die het recht op vrijheid van meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging strafbaar stellen en schenden; roept de regering van Myanmar op ervoor te zorgen dat alle wetgeving in overeenstemming is met de internationale normen en verplichtingen;

5.  veroordeelt met klem de wijdverspreide en systematische aanvallen op Rohingya in de deelstaat Rakhine door de Tatmadaw en andere veiligheidstroepen van Myanmar, die volgens de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie in Myanmar neerkomen op genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden – de meest ernstige inbreuken op en schendingen van de mensenrechten; maakt zich ernstig zorgen over de toenemende ernst en omvang van de mensenrechtenschendingen die de regering van Myanmar laat plaatsvinden;

6.  benadrukt nogmaals zijn onverminderde steun voor de Rohingya; roept de regering en de veiligheidstroepen van Myanmar nogmaals op onmiddellijk een einde te maken aan de aanhoudende schendingen, moorden, vernieling van eigendommen en seksueel geweld tegen Rohingya en etnische minderheden in Noord-Myanmar en zorg te dragen voor veiligheid en de eerbiediging van de rechtsstaat in Myanmar, met name in de deelstaten Rakhine, Kachin en Shan; herinnert de autoriteiten van Myanmar aan hun internationale verplichtingen om een onderzoek in te stellen naar de verantwoordelijken en hen te vervolgen; verzoekt de regering van Myanmar en staatsadviseur Aung San Suu Kyi om elke aansporing tot haat ondubbelzinnig te veroordelen en maatschappelijke discriminatie en vijandelijkheden tegen de Rohingya en andere minderheidsgroepen te bestrijden;

7.  neemt kennis van de bevindingen van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie in Myanmar en steunt haar aanbevelingen; is ingenomen met de recente uitspraak dat het ICC bevoegd is ter zake van de vermeende deportatie van Rohingya uit Myanmar naar Bangladesh; onderkent evenwel dat een verwijzing van de VN-Veiligheidsraad naar het ICC voor een onderzoek naar de volledige omvang van de mensenrechtenschendingen nog steeds nodig is; verzoekt de hoofdaanklager van het ICC in dit verband een vooronderzoek te openen; verzoekt de VN-Veiligheidsraad de situatie in Myanmar onverwijld naar het ICC te verwijzen; steunt de oproepen van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie in Myanmar en van de ASEAN-parlementsleden voor mensenrechten (APHR) om een onderzoek in te stellen naar de verantwoordelijke generaals en hen te vervolgen;

8.  verzoekt de EDEO en de lidstaten ervoor te zorgen dat de daders van misdaden in Myanmar hiervoor verantwoordelijk worden gesteld in multilaterale fora; roept de EU en de lidstaten op in de VN-Veiligheidsraad het voortouw te nemen wat de vereiste verwijzing van de situatie naar het ICC betreft en ook in de Algemene Vergadering van de VN en tijdens de komende 39e zitting van de VN-Mensenrechtenraad het voortouw te nemen, en hun inspanningen op te voeren om onverwijld te zorgen voor de oprichting van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk verantwoordingsmechanisme ter ondersteuning van onderzoeken naar vermeende gruweldaden en de vervolging van de verantwoordelijken;

9.  herhaalt zijn oproep aan de VN-Veiligheidsraad om een mondiaal, alomvattend wapenembargo tegen Myanmar, waarmee elke directe en indirecte levering, verkoop of overdracht, met inbegrip van doorvoer en overlading van alle wapens, munitie en andere militaire en veiligheidsuitrusting, alsmede de verstrekking van opleidingen of andere vormen van bijstand op militair of veiligheidsgebied, wordt opgeschort; dringt er bij de VN-Veiligheidsraad op aan gerichte individuele sancties vast te stellen, waaronder reisverboden en bevriezing van tegoeden, tegen degenen die verantwoordelijk blijken voor ernstige misdrijven naar internationaal recht;

10.  verzoekt de Commissie te overwegen een onderzoek in te stellen met behulp van de mechanismen die zijn voorzien in de "Alles behalve wapens"-overeenkomst, met het oog op een herziening van de handelspreferenties waarvan Myanmar gebruik kan maken;

11.  is ingenomen met de vaststelling door de Raad op 26 april 2018 van een rechtskader voor gerichte beperkende maatregelen tegen functionarissen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten en de verscherping van het EU-wapenembargo en met de vaststelling van een eerste lijst van aangewezen functionarissen op 25 juni 2018; dringt er bij de Raad op aan om reisverboden, gerichte financiële sancties en bevriezing van tegoeden op te leggen aan de functionarissen van Myanmar die door de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie in Myanmar verantwoordelijk worden geacht voor gruweldaden;

12.  herinnert eraan dat duizenden Rohingya, onder wie veel kinderen, intern ontheemd zijn en dringend humanitaire bijstand en bescherming nodig hebben; roept op tot onmiddellijke, ongehinderde en vrije toegang in het hele land voor de verstrekking van humanitaire hulp; benadrukt dat de regering van Myanmar de veilige, vrijwillige en waardige terugkeer, onder volledig VN-toezicht, moet waarborgen van diegenen die naar hun land willen terugkeren;

13.  roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap op om tegemoet te komen aan de behoefte aan meer en langdurige humanitaire bijstand van de Rohingya in Bangladesh en hun gastgemeenschappen;

14.  herinnert eraan dat de burgerbevolking in de deelstaten Kachin, Rakhine en Shan herhaaldelijk het doelwit van verkrachting en seksueel geweld is geweest; roept de EU, en met name het DG Civiele bescherming en humanitaire hulp van de Commissie (ECHO), en de EU-lidstaten op om te zorgen voor een betere bescherming tegen gendergerelateerd geweld van Rohingya-meisjes en -vrouwen;

15.  herinnert eraan dat medische en psychologische ondersteuning moet worden verstrekt in de vluchtelingenkampen, met name gericht op kwetsbare groepen waaronder vrouwen en kinderen; roept op tot betere hulpdiensten voor slachtoffers van verkrachting en aanranding;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Myanmar, de staatsadviseur Aung San Suu Kyi, de regering en het parlement van Bangladesh, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de ASEAN, de Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0261.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0500.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0351.
(4) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 134.
(5) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 112.
(6) PB L 108 van 27.4.2018, blz. 29.
(7) PB L 160 I van 25.6.2018, blz. 9.


Cambodja, in het bijzonder de zaak van Kem Sokha
PDF 131kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over Cambodja, en met name de zaak van Kem Sokha (2018/2842(RSP))
P8_TA(2018)0346RC-B8-0366/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Cambodja, met name die van 14 september 2017(1) en van 14 december 2017(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 februari 2018 over Cambodja,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 30 juli 2018 over de algemene verkiezingen in Cambodja,

–  gezien de evaluatiemissie naar Cambodja van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 5 tot 11 juli 2018,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van 2008,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 16 november 2017 over de ontbinding van de Nationale Reddingspartij van Cambodja,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Cambodja van 1997,

–  gezien de plaatselijke EU-verklaring van 22 februari 2017 over de politieke situatie in Cambodja, en de verklaringen van de woordvoerder van de EU-delegatie van 25 augustus 2017 en van 3 september 2017 over de inperking van de politieke ruimte in Cambodja,

–  gezien resolutie 36/32 van de VN-Mensenrechtenraad van 29 september 2017 en het verslag van de secretaris-generaal van 2 februari 2018,

–  gezien het verslag van het Comité over de mensenrechten van parlementsleden en de besluiten van de Bestuursraad van de Interparlementaire Unie van maart 2018,

–  gezien resolutie A/RES/53/144 van de VN-Veiligheidsraad van 8 maart 1999 betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden,

–  gezien de vredesakkoorden van Parijs van 1991, waar de toezegging tot eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Cambodja, ook door de internationale ondertekenaars, is verankerd in artikel 15,

–  gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,

–  gezien de grondwet van Cambodja, met name artikel 41 waarin de rechten en vrijheden van meningsuiting en vergadering zijn verankerd, artikel 35 over het recht van politieke participatie en artikel 80 over parlementaire onschendbaarheid,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Kem Sokha, voorzitter van de Nationale Reddingspartij van Cambodja (CNRP), op 3 september 2017 is gearresteerd; overwegende dat het Hooggerechtshof aan het eind van een ééndaagse hoorzitting op 16 november 2017 de ontbinding van de CNRP heeft aangekondigd; overwegende dat het Hooggerechtshof ook 118 leden van de CNRP heeft verboden om in de komende vijf jaar politiek actief te worden;

B.  overwegende dat de regerende Cambodjaanse Volkspartij (CPP) 100 % van de zetels heeft behaald bij de verkiezingen voor de Nationale Vergadering op 29 juli 2018 alsook bij de verkiezingen voor de Senaat op 25 februari 2018;

C.  overwegende dat het recht op politieke participatie is verankerd in artikel 35 van de Cambodjaanse grondwet; overwegende dat de in 2017 gewijzigde Wet op de politieke partijen diverse beperkingen op de deelname van oppositiepartijen bevat, waaronder de ontbinding van partijen indien de partijleiders een strafblad hebben;

D.  overwegende dat de Cambodjaanse verkiezingen van 2018 in feite zonder verkiezingsstrijd zijn verlopen; overwegende dat deze verkiezingen niet hebben voldaan aan de minimale internationale criteria voor democratische verkiezingen; overwegende dat de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika hun financiële steun aan het Cambodjaans Nationaal Verkiezingscomité hebben opgeschort en hebben geweigerd als waarnemer bij de verkiezingen op te treden;

E.  overwegende dat het besluit tot ontbinding van de CNRP een belangrijke stap in de richting van een autoritaire staat is geweest; overwegende dat de politieke structuur van Cambodja niet langer als democratisch beschouwd kan worden;

F.  overwegende dat de Cambodjaanse regering verregaande maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de regerende CPP vrijwel zonder oppositie aan de verkiezingen voor zowel de Nationale Vergadering als de Senaat zou kunnen deelnemen;

G.  overwegende dat Kem Sokha na zijn arrestatie op 3 september 2017 is beschuldigd van verraad in de zin van artikel 443 van het Cambodjaanse Wetboek van Strafrecht, ook al geniet hij parlementaire onschendbaarheid; overwegende dat verklaringen van de Cambodjaanse regering Kem Sokha's recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld in gevaar hebben gebracht; overwegende dat hij tot 30 jaar gevangenisstraf kan worden veroordeeld wanneer hij schuldig wordt bevonden; overwegende dat Dith Munty, president van het Hof, lid is van het permanent comité van de regeringspartij;

H.  overwegende dat de Cambodjaanse autoriteiten op 28 augustus 2018 14 leden van de CNRP in vrijheid hebben gesteld nadat zij koninklijke gratie hadden ontvangen; overwegende dat deze gratie gerelateerd is aan de invrijheidstelling van een zestal activisten en journalisten;

I.  overwegende dat Kem Sokha meer dan een jaar zonder proces gevangengehouden is; overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie de gevangenhouding van de heer Sokha in afwachting van het proces als "willekeurig" en "politiek gemotiveerd" heeft bestempeld; overwegende dat Kem Sokha op 10 september 2018 op borgtocht vrijgelaten is; overwegende dat hij de directe omgeving van zijn huis niet mag verlaten en niet mag communiceren met andere leden van de oppositie, noch met de media;

J.  overwegende dat de arrestatie en gevangenhouding van Kem Sokha plaatsvond binnen een kader van wijdverbreide en systematische onderdrukking van politieke rechten en het kiesrecht in Cambodja; overwegende dat het aantal zaken waarin sprake is van arrestatie en gevangenhouding van oppositieleden en politieke commentatoren gestaag toeneemt; overwegende dat Sam Rainsy, voormalig voorzitter van de CNRP, veroordeeld is wegens smaad en thans in ballingschap leeft;

K.  overwegende dat de Cambodjaanse autoriteiten tevens hard optreden tegen journalisten en verslaggevers die de aanvallen op de oppositiepartijen verslaan; overwegende dat de 69-jarige bekroonde regisseur James Ricketson een van de slachtoffers van deze aanvallen op de media is; overwegende dat Ricketson is gearresteerd nadat hij in juni 2017 een drone had laten vliegen over een partijbijeenkomst van de oppositie; overwegende dat Ricketson in de hoofdstad Phnom Penh is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens spionage;

L.  overwegende dat zeer hard is opgetreden tegen onafhankelijke media; overwegende dat sociale netwerken tevens onder vuur liggen; overwegende dat de regering in mei 2018, een verordening heeft uitgevaardigd die de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid inperkt en de regering de bevoegdheid geeft toezicht te houden op sociale netwerken, zodat zij afwijkende meningen op internet kan opsporen en het zwijgen kan opleggen;

M.  overwegende dat vakbondsleden, mensenrechtenactivisten en organisaties van het maatschappelijk middenveld in Cambodja in een steeds beperktere ruimte opereren en te maken krijgen met pesterijen, intimidatie en willekeurig arrestaties; overwegende dat de in 2015 gewijzigde Wet op vereniging en niet-gouvernementele organisaties de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting ernstig inperkt, onder meer door de activiteiten van ngo's onder controle en censuur van de regering te plaatsen; overwegende dat de Wet op de vakbonden de vrijheid van vereniging inperkt en onnodige obstakels creëert voor registratieprocedures en activiteiten en deze onder druk zet;

N.  overwegende dat vijf mensenrechtenactivisten die verbonden zijn aan de Cambodjaanse Vereniging voor mensenrechten en ontwikkeling (ADHOC) – Nay Vanda, Ny Sokha, Yi Soksan, Lim Mony en Ny Chakrya – beschuldigd worden van omkoping van een getuige en van medeplichtigheid aan omkoping van een getuige; overwegende dat deze vijf mensenrechtenactivisten 14 maanden in voorarrest hebben doorgebracht alvorens zij op borgtocht werden vrijgelaten;

O.  overwegende dat Cambodja profiteert van het gunstigste stelsel dat beschikbaar is binnen het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP), namelijk het Everything But Arms-stelsel (EBA); overwegende dat de EU in de financiële periode 2014‑2020 410 miljoen EUR aan Cambodja heeft toegewezen met het oog op ontwikkelingssamenwerking, waarvan de 10 miljoen EUR ter ondersteuning van de hervorming van het verkiezingsproces in Cambodja thans wordt opgeschort;

P.  overwegende dat de secretaris-generaal van de VN er in zijn verklaring van juli nogmaals op gewezen heeft dat een inclusief en pluralistisch politiek proces essentieel blijft om de door Cambodja geboekte voortgang bij bestendiging van de vrede te kunnen waarborgen;

Q.  overwegende dat de conflicten over suikerplantages nog niet zijn opgelost; overwegende dat er voortdurende bezorgdheid bestaat over verdrijvingen en de daarmee gepaard gaande aanhoudende straffeloosheid, en over de uitzichtloze situatie van de getroffen gemeenschappen; overwegende dat de regering van Cambodja het EU-mandaat voor de suikerriet-auditprocedure niet heeft onderschreven;

1.  wijst erop dat Kem Sokha onder strikte voorwaarden op borgtocht vrijgelaten is; veroordeelt het feit dat Kem Sokha onder huisarrest is geplaatst; verlangt dat alle aanklachten tegen Kem Sokha worden ingetrokken en dat hij onmiddellijk en volledig in vrijheid wordt gesteld; verlangt voorts dat andere politiek gemotiveerde aanklachten en vonnissen tegen politici uit de oppositie, waaronder Sam Rainsy, onmiddellijk worden ingetrokken;

2.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de gezondheid van Kem Sokha en roept de Cambodjaanse autoriteiten op hem in staat te stellen een passende medische behandeling te ondergaan; verzoekt de regering Kem Sokha in staat te stellen buitenlandse diplomaten, VN-ambtenaren en mensenrechtenwaarnemers te ontmoeten;

3.  geeft uitdrukking aan zijn overtuiging dat de verkiezingen in Cambodja niet als vrij en eerlijk beschouwd kunnen worden; toont zich ernstig bezorgd over de wijze waarop de verkiezingen van 2018 in Cambodja zijn verlopen alsook over de uitkomst ervan; is van mening dat de geloofwaardigheid van de verkiezingen niet kan worden aangetoond en wijst erop dat zij op grote schaal veroordeeld zijn door de internationale gemeenschap;

4.  verzoekt de Cambodjaanse regering te werken aan de versterking van de democratie en de rechtsstaat, en de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, wat ook inhoudt dat de grondwettelijke bepalingen die pluralisme en vrijheid van vereniging en meningsuiting garanderen, ten volle moeten worden nageleefd; roept voorts de Cambodjaanse regering op tot herroeping van alle recente wijzigingen van de Grondwet, het Wetboek van strafrecht, de Wet op de politieke partijen, de Wet op de vakbonden, de Wet op de niet-gouvernementele organisaties en van alle andere wetgeving die de vrijheid van meningsuiting en de politieke vrijheden inperkt en die niet volledig strookt met de verplichtingen van Cambodja en met de internationale normen;

5.  benadrukt dat voor een geloofwaardig democratisch proces een omgeving vereist is waarin politieke partijen, het maatschappelijk middenveld en de media zonder angst, bedreigingen en willekeurige beperkingen hun legitieme rol kunnen spelen; verzoekt de regering de noodzakelijke maatregelen te nemen zodat de ontbinding van de CNRP zo spoedig mogelijk ongedaan gemaakt kan worden;

6.  herhaalt zijn oproep aan de Cambodjaanse regering om een halt toe te roepen aan alle vormen van pesterijen en misbruik van en politiek gemotiveerde strafrechtelijke aanklachten tegen leden van de politieke oppositie, mensenrechtenactivisten, vakbondsleden en pleitbezorgers van het arbeidsrecht, activisten op het gebied van het landrecht en andere activisten van het maatschappelijk middenveld, alsook journalisten; verzoekt de Cambodjaanse regering om alle burgers die gevangengenomen zijn wegens het uitoefenen van hun mensenrechten, met inbegrip van James Ricketson, onverwijld in vrijheid te stellen en alle aanklachten tegen hen in te trekken;

7.  ondersteunt het besluit om de EU-steun voor de hervorming van het verkiezingsproces in Cambodja op te schorten; herinnert aan de nationale en internationale verplichtingen in verband met democratische beginselen en fundamentele mensenrechten, die Cambodja zelf is aangegaan; roept de Cambodjaanse regering op hervormingen door te voeren teneinde de democratie te bevorderen en bij toekomstige verkiezingsprocessen internationaal erkende minimumnormen toe te passen, waaronder de organisatie van vrije en eerlijke verkiezingen waaraan meerdere partijen deelnemen, de instelling van een werkelijk onafhankelijk nationaal verkiezingscomité en de betrokkenheid van ngo's en onafhankelijke media bij het toezicht op en de verslaggeving van verkiezingen;

8.  herinnert de Cambodjaanse regering eraan dat zij haar verplichtingen en toezeggingen in verband met de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten dient na te komen, die een essentieel onderdeel vormen van de samenwerkingovereenkomst tussen de EU en Cambodja en de voorwaarden van het EBA;

9.  is ingenomen met de recente EU-EBA-onderzoeksmissie naar Cambodja en verzoekt de Commissie het Parlement zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van de conclusies; verzoekt de Commissie mogelijke consequenties voor Cambodja te overwegen in verband met de handelspreferenties die het land geniet, onder meer het instellen van een onderzoek volgens de procedure waarin wordt voorzien in het kader van het EBA;

10.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan een lijst op te stellen van individuen die verantwoordelijk zijn voor de ontbinding van de oppositie en andere ernstige mensenrechtenschendingen in Cambodja om mogelijke visumbeperkingen op te leggen en banktegoeden te bevriezen;

11.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de situatie in Cambodja nauwlettend te volgen; verzoekt de EDEO en de lidstaten actie te ondernemen en het voortouw te nemen bij de komende 39e zitting van de VN-Mensenrechtenraad en te streven naar het aannemen van een duidelijke resolutie waarin de mensenrechtensituatie in Cambodja aan de orde wordt gesteld;

12.  verzoekt de Cambodjaanse regering het memorandum van overeenstemming met het VN-Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) in Cambodja te vernieuwen wanneer dit op 31 december 2018 afloopt;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de secretaris-generaal van de ASEAN, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de Nationale Vergadering van Cambodja.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0348.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0497.


Overeenkomst betreffende samenwerking tussen Eurojust en Albanië *
PDF 110kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de sluiting door Eurojust van de Overeenkomst betreffende samenwerking tussen Eurojust en Albanië (08688/2018 – C8-0251/2018 – 2018/0807(CNS))
P8_TA(2018)0347A8-0275/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad (08688/2018),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol Nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0251/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0275/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


De bescherming van personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsmede het vrije verkeer van die gegevens ***I
PDF 130kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008 – C8-0008/2017 – 2017/0002(COD))
P8_TA(2018)0348A8-0313/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0008),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 16, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0008/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de bijdragen die de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, het Spaanse parlement en het Portugese parlement hebben ingediend over het ontwerp van wetgevingshandeling,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0313/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 september 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG

(Voor de EER relevante tekst)(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1725.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE

De Commissie betreurt de uitsluiting van de in artikel 42, lid 1, artikel 43 en artikel 44 VEU bedoelde missies van het toepassingsgebied van de verordening en merkt op dat deze uitsluiting als gevolg heeft dat er voor dergelijke missies geen regels inzake gegevensbescherming zijn. De Commissie wijst erop dat bij een op artikel 39 VEU gebaseerd besluit van de Raad alleen regels inzake gegevensbescherming kunnen worden vastgelegd voor de verwerking van persoonsgegevens door lidstaten bij het uitvoeren van activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen. Een dergelijk besluit van de Raad kan geen regels omvatten die van toepassing zijn op activiteiten die door de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie worden uitgevoerd. Om deze juridische lacune op te vullen, zou een mogelijk besluit van de Raad vergezeld moeten gaan van een aanvullend en complementair instrument dat gebaseerd is op artikel 16 VWEU.

De Commissie merkt op dat lid 3 van artikel 9 (het vroegere artikel 70 bis van de algemene oriëntatie van de Raad) de instellingen en organen van de Unie geen nieuwe verplichting oplegt wat het vereiste evenwicht tussen bescherming van persoonsgegevens en toegang van het publiek tot documenten betreft.


Eén digitale toegangspoort ***I
PDF 125kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (COM(2017)0256 – C8-0141/2017 – 2017/0086(COD))
P8_TA(2018)0349A8-0054/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0256),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 21, lid 2, artikel 48 en artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0141/2017),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0054/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 september 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1724.)

(1) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 88.


De branden in Mati in de regio Attica, Griekenland, in juli 2018 en de reactie van de EU daarop
PDF 119kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over de branden in Mati in de regio Attica, Griekenland, in juli 2018 en de reactie van de EU daarop (2018/2847(RSP))
P8_TA(2018)0350RC-B8-0388/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (COM(2017)0772),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien het VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de Overeenkomst van Parijs, goedgekeurd bij besluit 1/CP.21 tijdens de 21e conferentie van de partijen bij het UNFCCC (COP21) en de 11e sessie van de conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bij de branden in Mati in de Griekse regio Attica in juli 2018 99 mensen om het leven zijn gekomen en honderden anderen gewond zijn geraakt;

B.  overwegende dat de branden huizen in de as hebben gelegd, waarbij meerdere honderden mensen moesten worden geëvacueerd, ernstige schade hebben toegebracht aan de plaatselijke en regionale infrastructuur en het milieu, met gevolgen voor de landbouw, en de economie, waaronder het toerisme en de horeca, hebben getroffen;

C.  overwegende dat extreme droogte en bosbranden vaker voorkomen en ernstiger en complexer zijn, en in heel Europa gevolgen hebben, en worden verergerd door klimaatverandering;

D.  overwegende dat investeringen in de bestrijding van klimaatverandering dringend noodzakelijk zijn, teneinde rampen zoals droogte en bosbranden te voorkomen;

E.  overwegende dat zowel Griekenland, als Zweden en Letland in de zomer van 2018 steun van het Uniemechanisme voor civiele bescherming hebben gevraagd vanwege bosbranden;

1.  betuigt zijn oprechte deelneming aan de nabestaanden van de mensen die bij de branden in de regio Attica om het leven zijn gekomen;

2.  betuigt zijn medeleven met alle bewoners die door deze bosbranden in de regio Attica zijn getroffen;

3.  roemt de inzet van de brandweerlieden, de kustwacht, de vrijwilligers en alle anderen die hun leven in de waagschaal hebben gesteld om de bosbranden te blussen en medeburgers te redden;

4.  onderstreept de rol van het Uniemechanisme voor civiele bescherming bij het mobiliseren van vliegtuigen, voertuigen, medisch personeel en brandweerlieden uit de hele Europese Unie;

5.  herinnert eraan dat na een natuurramp een beroep kan worden gedaan op diverse EU-fondsen, zoals het Solidariteitsfonds van de EU, om essentiële infrastructuur te herstellen en opruimwerkzaamheden te verrichten;

6.  wijst nog maar eens op het belang van steun met middelen van de EU-cohesiefondsen voor brandpreventie en noodhulp, en verzoekt de lidstaten optimaal gebruik te maken van deze financiering en het publiek over het risico van bosbranden te informeren;

7.  beklemtoont dat bij risicobeoordelingsmechanismen, systemen voor preventie en vroegtijdige detectie, en andere middelen voor het bestrijden van dit soort verschijnselen nog meer dan nu het geval is rekening moet worden gehouden met wetenschappelijk onderzoek, en dat het belangrijk is de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen de regio's en de lidstaten te verbeteren;

8.  wijst erop dat een document van de Mondiale Meteorologische Organisatie van 1 augustus 2018(2) aantoont dat de hittegolf in Europa in 2018 verband houdt met klimaatverandering; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan doelen te stellen en klimaatbeleid door te voeren die hen in staat stellen hun toezeggingen in het kader van de COP21-overeenkomst van Parijs na te komen;

9.  onderstreept het belang van overstromingspreventie in de door bosbranden getroffen gebieden, teneinde nieuwe rampen te vermijden;

10.  verzoekt de Commissie bij de evaluatie van bestaande EU-maatregelen zoals de EU-bosbouwstrategie en de EU-strategie voor aanpassing aan klimaatverandering rekening te houden met het risico van bosbranden en met op ecosystemen gebaseerd bos- en landschapsbeheer, en deze strategieën aan te passen indien tekortkomingen worden vastgesteld;

11.  verzoekt de Raad en de Commissie de interinstitutionele onderhandelingen met het Parlement over het nieuwe Uniemechanisme voor civiele bescherming en de oprichting van rescEU voor eind 2018 af te ronden;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, het Comité van de Regio's, de regeringen van de lidstaten en de regionale autoriteiten van de gebieden die door branden zijn getroffen.

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) https://public.wmo.int/en/media/news/july-sees-extreme-weather-high-impacts


Khan al-Ahmar en andere bedoeïenendorpen die met sloop bedreigd worden
PDF 121kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over de dreigende sloop van Khan al-Ahmar en andere bedoeïenendorpen (2018/2849(RSP))
P8_TA(2018)0351RC-B8-0384/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het Israëlisch-Palestijnse conflict,

–  gezien de verklaring die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, op 7 september 2018 heeft afgelegd over de jongste ontwikkelingen inzake de geplande sloop van Khan al-Ahmar,

–  gezien de EU-richtsnoeren aangaande het internationale humanitaire recht,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk op 10 september 2018 hebben afgelegd over Khan al-Ahmar,

–  gezien het Vierde Verdrag van Genève van 1949, en met name de artikelen 49, 50, 51 en 53,

–  gezien het op 24 augustus 2018 door de EDEO gepubliceerde halfjaarlijkse verslag over de afbraak en inbeslagname van door de EU gefinancierde bouwwerken op de westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, januari 2018 - juni 2018 ("Six-Month Report on Demolitions and Confiscations of EU-funded structures in the West Bank including East Jerusalem, January 2018-June 2018"),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Israëlische hooggerechtshof op 5 september 2018 de verzoeken van de bewoners van Khan al-Ahmar heeft afgewezen; overwegende dat het hooggerechtshof heeft bepaald dat de bevoegde autoriteiten het recht hebben om het hervestigingsplan van de bewoners naar West Jahlin uit te voeren; overwegende dat het hooggerechtshof de Israëlische autoriteiten toestemming heeft gegeven om de plannen tot sloop van Khan al-Ahmar uit te voeren;

B.  overwegende dat Khan al-Ahmar één van de 46 bedoeïenengemeenschappen op de centrale westelijke Jordaanoever is die volgens de VN gevaar lopen om te worden ontruimd; overwegende dat deze gemeenschap bestaat uit 32 families en in totaal 173 personen telt, waaronder 92 minderjarigen; overwegende dat het Israëlische leger opdracht heeft gegeven tot de sloop van alle bouwwerken in het dorp;

C.  overwegende dat het hooggerechtshof van Israël in 2010 oordeelde dat de hele nederzetting Khan al-Ahmar illegaal gebouwd was, hetgeen indruist tegen de wetgeving inzake ruimtelijke ordening, en dat het dorp dan ook afgebroken moest worden; overwegende dat het hooggerechtshof tevens benadrukte dat de Israëlische autoriteiten een passend alternatief moesten vinden voor de school en voor de inwoners van de gemeenschap; overwegende dat de staat Israël schriftelijk heeft verklaard dat de gezinnen die naar West-Jahalin (Abu Dis) verhuizen uitzicht krijgen op de ontwikkeling van een tweede hervestigingslocatie ten oosten van Jericho; overwegende dat de gemeenschap van Khan al-Ahmar weigert te verhuizen;

D.  overwegende dat gedwongen verhuizingen van de ingezetenen van een bezet gebied volgens de vierde Conventie van Genève verboden zijn en een ernstige schending van het internationale humanitaire recht en een oorlogsmisdrijf vormen, tenzij de veiligheid van de bevolking of dwingende militaire redenen dergelijke verhuizingen vereisen;

E.  overwegende dat de Israëlische autoriteiten een extreem restrictief bouwbeleid voeren ten opzichte van de Palestijnse bewoners van zone C op de westelijke Jordaanoever; overwegende dat dit beleid het voor de Palestijnen bijna onmogelijk maakt om in dit gebied iets met een vergunning te bouwen, en gebruikt wordt als middel om Palestijnen uit te zetten en meer nederzettingen te bouwen; overwegende dat de Israëlische nederzettingen in strijd zijn met het internationaal recht en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen; overwegende dat derde partijen, waaronder de EU-lidstaten, krachtens het internationale recht deze nederzettingen in bezet gebied niet mogen erkennen, helpen of bijstaan, en verplicht zijn zich ertegen te verzetten;

F.  overwegende dat Khan al-Ahmar zich in de E1-corridor op de bezette westelijke Jordaanoever bevindt; overwegende dat het handhaven van de status quo in dit gebied van fundamenteel belang is voor de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing en voor de totstandbrenging van een aaneengesloten en levensvatbare Palestijnse staat in de toekomst; overwegende dat het Parlement zich meermaals heeft gekant tegen alle acties die de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing ondermijnen, en beide partijen heeft opgeroepen om aan de hand van hun beleid en acties blijk te geven van een waarachtig streven naar een tweestatenoplossing, teneinde het vertrouwen opnieuw op te bouwen;

G.  overwegende dat 10 lidstaten van de EU steun verlenen aan humanitaire programma's in Khan al-Ahmar, waaronder de bouw van een basisschool, en dat een bedrag van naar schatting 315 000 EUR aan humanitaire EU-steun gevaar loopt verloren te gaan;

H.  overwegende dat volgens het bureau van de EU-vertegenwoordiger in Palestina de sloop en inbeslagname van Palestijns eigendom op de bezette westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, is voortgezet in de eerste helft van 2018; overwegende dat de sloop van Khan al-Ahmar een negatief precedent dreigt te worden voor tientallen andere bedoeïnengemeenschappen op de westelijke Jordaanoever;

1.  sluit zich aan bij de oproep van de VV/HV, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk aan het adres van de Israëlische regering om af te zien van het hervestigingsplan, dat zal leiden tot de sloop van Khan al-Ahmar en de gedwongen verplaatsing van de bevolking ervan naar een andere locatie; acht het uiterst belangrijk dat de EU hierover met één stem blijft spreken;

2.  waarschuwt de Israëlische autoriteiten dat de sloop van Khan al-Ahmar en de gedwongen verplaatsing van de inwoners een ernstige inbreuk zou vormen op het internationale humanitaire recht;

3.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de gevolgen van de sloop van Khan al-Ahmar, die de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing ernstig zou bedreigen en de vredesvooruitzichten zou ondermijnen; herhaalt dat de bescherming en het behoud van de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing de onmiddellijke prioriteit is van het beleid en het optreden van de EU inzake het Israëlisch-Palestijnse conflict en het vredesproces in het Midden-Oosten;

4.  dringt erop aan dat, indien de sloop en het uitzetten van de bevolking van Khan al-Ahmar toch plaatsvinden, de reactie van de EU in verhouding moet staan tot de ernst van deze ontwikkeling en in overeenstemming moet zijn met de reeds gedurende lange tijd verleende steun aan de gemeenschap van Khan al-Ahmar; roept de VV/HV op om ervoor te zorgen dat de EU bij de Israëlische autoriteiten sterker aandringt op de volledige eerbiediging van de rechten van de Palestijnse bevolking in zone C, en om van Israël compensatie te eisen voor de vernietiging van door de EU gefinancierde infrastructuur;

5.  verzoekt de Israëlische regering onmiddellijk een einde te maken aan haar beleid om de bedoeïenengemeenschappen die in de Negev en in zone C van de bezette westelijke Jordaanoever wonen, met sloop en verdrijving te bedreigen; benadrukt dat het slopen van huizen, scholen en andere belangrijke infrastructuur in bezet Palestijns gebied strijdig is met het internationaal humanitair recht;

6.  herinnert eraan dat Israël de volledige verantwoordelijkheid draagt voor het bieden van de noodzakelijke diensten, onderwijs en gezondheidszorg en voor het welzijn van de mensen die in de bezette gebieden leven, overeenkomstig het Vierde Verdrag van Genève;

7.  blijft er ten stelligste van overtuigd dat de enige duurzame oplossing voor het conflict in het Midden-Oosten een oplossing is die voorziet in twee democratische staten, Israël en Palestina, die vreedzaam naast elkaar bestaan binnen veilige en erkende grenzen, op basis van de grens van 1967 en met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten; veroordeelt elke unilaterale beslissing of elk eenzijdig optreden dat het toekomstperspectief van deze oplossing in gevaar kan brengen;

8.  verzoekt de Israëlische autoriteiten hun nederzettingenbeleid onmiddellijk stop te zetten en terug te draaien; roept de EU op om met betrekking tot dit onderwerp standvastig te blijven;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale coördinator van de Verenigde Naties voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.


Een Europese strategie voor kunststoffen in de circulaire economie
PDF 173kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie (2018/2035(INI))
P8_TA(2018)0352A8-0262/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 getiteld "Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" (COM(2018)0028),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 januari 2018 betreffende de impact van het gebruik van onder invloed van zuurstof afbreekbare kunststof, inclusief onder invloed van zuurstof afbreekbare plastic draagtassen, op het milieu (COM(2018)0035),

–  gezien de mededeling van de Commissie en het werkdocument van de diensten van de Commissie van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032),

–  gezien het werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 van de Commissie (COM(2016)0773), met name de doelstelling om productspecifiekere en horizontalere eisen vast te stellen op terreinen zoals duurzaamheid, herstelbaarheid, opwaardeerbaarheid, ontwerp met het oog op demontage, gemakkelijke herbruikbaarheid en recycleerbaarheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/849 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/850 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/852 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen(5),

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(6) (hierna de "richtlijn inzake ecologisch ontwerp") en de uitvoeringsverordeningen en vrijwillige overeenkomsten die krachtens die richtlijn zijn aangenomen,

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 december 2017 over eco-innovatie: de overgang naar een circulaire economie bewerkstelligen,

–  gezien de Speciale Eurobarometer nr. 468 van oktober 2017 over de houding van de Europese burger ten opzichte van het milieu,

–  gezien het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) van het UNFCCC,

–  gezien de resolutie van de Verenigde Naties getiteld "Onze wereld transformeren: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", die op 25 september 2015 op de VN-top inzake duurzame ontwikkeling is goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(8),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(9),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen in de context van de SDG's voor 2030(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie visserij (A8-0262/2018),

A.  overwegende dat kunststof een waardevol materiaal is, waarvan in alle waardeketens veel gebruik wordt gemaakt en dat nuttig is voor onze samenleving en economie, mits het op verantwoorde wijze wordt gebruikt en beheerd;

B.  overwegende dat de manier waarop kunststoffen momenteel worden geproduceerd, gebruikt en afgedankt verwoestende effecten heeft op milieu, klimaat en economie en mogelijke negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid van mens en dier; overwegende dat de grootste uitdaging er derhalve in bestaat kunststof op een verantwoorde en duurzame manier te produceren en te gebruiken, om het ontstaan van kunststofafval te beperken en het gebruik van gevaarlijke stoffen in kunststoffen waar mogelijk te vermijden; overwegende dat onderzoek en innovatie met het oog op nieuwe technologieën en alternatieve oplossingen hierbij een belangrijke rol spelen;

C.  overwegende dat deze nadelen tot grote bezorgdheid bij het publiek leiden: 74 % van de EU-burgers geeft aan ongerust te zijn over de gevolgen van kunststof voor de gezondheid, terwijl 87 % zich zorgen maakt over de gevolgen voor het milieu;

D.  overwegende dat van het huidige politieke momentum gebruik moet worden gemaakt om over te schakelen naar een circulaire kunststofeconomie waarin, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, prioriteit wordt gegeven aan het voorkomen van de productie van kunststofafval;

E.  overwegende dat verschillende lidstaten reeds nationale wetgeving hebben vastgesteld die het opzettelijk toevoegen van microplastics aan cosmetica verbiedt;

F.  overwegende dat Europese landen al decennialang kunststofafval exporteren, onder meer naar landen waar inadequate systemen voor het beheer en de recycling van afval leiden tot milieuschade en een risico vormen voor de gezondheid van lokale gemeenschappen, in het bijzonder die van afvalverwerkers;

G.  overwegende dat kunststofafval een mondiaal probleem is en er dus internationale samenwerking nodig is om deze uitdaging het hoofd te bieden; overwegende dat de EU zich inzet om de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te realiseren, waarvan er meerdere relevant zijn voor een duurzame consumptie en productie van kunststoffen, aangezien ze streven naar het terugdringen van de impact van kunststoffen in zee en op land;

H.  overwegende dat de wereldwijde jaarlijkse productie van kunststof is gestegen tot 322 miljoen ton in 2015, en tijdens de komende 20 jaar naar verwachting zal verdubbelen;

I.  overwegende dat de EU per jaar 25,8 miljoen ton kunststofafval produceert;

J.  overwegende dat slechts 30 % van het kunststofafval in de EU wordt ingezameld voor recycling; overwegende dat slechts 6 % van de kunststoffen die op de markt worden gebracht afkomstig zijn van gerecyclede kunststof;

K.  overwegende dat nog steeds een groot percentage van het kunststofafval wordt gestort (31 %) en verbrand (39 %);

L.  overwegende dat ca. 95 % van de waarde van kunststof verpakkingsmateriaal uit de economie weglekt, wat leidt tot een jaarlijks verlies van tussen 70 en 105 miljard EUR;

M.  overwegende dat de EU zich tot doel heeft gesteld om in 2030 55 % van alle kunststofverpakkingen te recyclen;

N.  overwegende dat recycling van kunststoffen aanzienlijke klimaatvoordelen heeft, met name wat betreft de reductie van CO2-emissies;

O.  overwegende dat er elk jaar wereldwijd tussen 5 en 13 miljoen ton kunststoffen in de oceanen terechtkomen en dat er volgens ramingen tegenwoordig 150 miljoen ton kunststoffen in de oceanen aanwezig zijn;

P.  overwegende dat in de EU jaarlijks 150 000 à 500 000 ton kunststofafval in de oceanen terechtkomt;

Q.  overwegende dat als er geen maatregelen worden genomen, de oceanen volgens door de VN geciteerde studies tegen 2050 meer kunststoffen dan vissen zullen bevatten;

R.  overwegende dat kunststoffen 85 % van het zwerfvuil op stranden en meer dan 80 % van het vuil in zee uitmaken;

S.  overwegende dat praktisch elk soort kunststof kan worden gevonden in de oceaan, van de plasticsoep in de Stille Oceaan, waarin ten minste 79 000 ton kunststof drijft in een gebied van 1,6 miljoen vierkante kilometer, tot de meest afgelegen gebieden op aarde, zoals de bodem van de diepe oceaan en het Noordpoolgebied;

T.  overwegende dat het zwerfvuil op zee ook negatieve gevolgen heeft voor de economische activiteiten en de menselijke voedselketen;

U.  overwegende dat 90 % van alle zeevogels kunststofdeeltjes inslikt;

V.  overwegende dat de volledige effecten van kunststofafval op de flora, fauna en volksgezondheid nog onbekend zijn; overwegende dat de catastrofale consequenties voor het leven in zee zijn gedocumenteerd: er sterven elk jaar meer dan 100 miljoen zeedieren als gevolg van kunststofafval in de oceaan;

W.  overwegende dat oplossingen voor het probleem van plastic in zee niet los kunnen worden gezien van een algemene strategie voor kunststoffen; overwegende dat artikel 48 van de verordening inzake visserijcontrole(11), dat maatregelen omvat voor het bergen van verloren vistuig, een stap in de goede richting is maar dat het toepassingsgebied ervan te beperkt is, aangezien de lidstaten het merendeel van de vissersvaartuigen kunnen vrijstellen van deze verplichting en de naleving van de verslagleggingsverplichting te wensen overlaat;

X.  overwegende dat er in de Adriatische Zee, in het kader van projecten die worden medegefinancierd door fondsen van de Europese Territoriale Samenwerking (ETS), nieuwe governance-instrumenten en goede praktijken worden onderzocht om het verschijnsel van achtergelaten vistuig in te perken en, indien mogelijk, uit te roeien, onder andere door aan de visserijvloten een nieuwe rol van Sea Sentinels toe te kennen;

Y.  overwegende dat de lidstaten het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) hebben ondertekend en moeten streven naar de volledige tenuitvoerlegging van de bepalingen ervan;

Z.  overwegende dat er sprake is van spookvisserij als zeedieren gevangen of verstrikt raken in verloren of afgedankte, niet biologisch afbreekbare visnetten, vallen en vislijnen en deze dieren daardoor gewond raken, verhongeren en sterven; overwegende dat het verschijnsel spookvisserij veroorzaakt wordt door verloren en afgedankt vistuig; overwegende dat de verordening inzake visserijcontrole het verplicht stelt om vistuig te markeren en melding te maken van verloren vistuig en dit te bergen; overwegende dat sommige vissers daarom uit eigen beweging uit zee opgeviste verloren visnetten meebrengen naar de haven;

AA.  overwegende dat het weliswaar moeilijk is om de exacte bijdrage van de aquacultuur aan zwerfvuil op zee nauwkeurig te beoordelen, maar dat naar schatting 80 % van het afval in zee uit plastic en microplastics bestaat, dat 20 tot 40 % van dat plastic zwerfvuil in zee gedeeltelijk met menselijke activiteiten op zee te maken heeft, waaronder de commerciële scheepvaart en cruiseschepen, terwijl de rest afkomstig is van het vasteland, en overwegende dat volgens een recente FAO-studie(12) ongeveer 10 % uit verloren en afgedankt vistuig bestaat; overwegende dat een deel van het plastic zwerfvuil in zee uit verloren en afgedankt vistuig bestaat en naar schatting 94 % van het plastic dat in de oceaan terechtkomt, op de zeebodem belandt, en dat het daarom nodig is het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) te gebruiken om vissers ertoe aan te zetten rechtstreeks deel te nemen aan regelingen voor het bergen van afval in zee, door hen te betalen of andere financiële en materiële stimulansen te bieden;

AB.  overwegende dat in de EU jaarlijks 75 000 tot 300 000 ton microplastics in het milieu vrijkomen, inclusief microplastics die opzettelijk worden toegevoegd aan producten uit kunststof en microplastics die ontstaan tijdens het gebruik of de afbraak van kunststofproducten;

AC.  overwegende dat microplastics en deeltjes van nanoformaat bijzondere beleidsuitdagingen vormen;

AD.  overwegende dat in 90 % van het gebottelde water microplastics werden gevonden;

AE.  overwegende dat het verzoek van de Commissie aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) om onderzoek te doen naar de wetenschappelijke basis voor een beperking van het gebruik van microplastics die opzettelijk worden toegevoegd aan consumentenproducten of producten voor professioneel gebruik, een goed initiatief is;

AF.  overwegende dat het verzoek van de Commissie aan het ECHA om een voorstel voor een mogelijke beperking op te stellen, positief is;

AG.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 311 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), de invoering van nieuwe eigen middelen moet worden vastgesteld volgens een bijzondere wetgevingsprocedure met eenparigheid van stemmen in de Raad en na raadpleging van het Parlement;

Algemene opmerkingen

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie getiteld "Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" (COM(2018)0028), omdat dit een stap voorwaarts is in de overgang van de EU van een lineaire naar een circulaire economie; erkent dat kunststof nuttig is voor onze economie en in ons dagelijks leven, maar tegelijkertijd grote nadelen met zich brengt; meent dat de grootste uitdaging er derhalve in bestaat kunststof op duurzame wijze te beheren doorheen de volledige waardeketen, hetgeen inhoudt dat we verandering moeten brengen in de manier waarop we kunststof produceren en gebruiken, zodat de waarde ervan in onze economie behouden blijft, zonder schade toe te brengen aan het milieu, het klimaat of de volksgezondheid;

2.  benadrukt dat het voorkomen van de productie van kunststofafval, zoals bedoeld in de kaderrichtlijn afvalstoffen, de absolute prioriteit moet zijn, in overeenstemming met de afval hiërarchie; meent voorts dat een aanzienlijke verbetering van onze prestaties op het gebied van recycling van kunststof van essentieel belang is om een duurzame economische groei te ondersteunen en om het milieu en de volksgezondheid te beschermen; verzoekt alle belanghebbenden het recente Chinese verbod op de import van kunststofafval te zien als een kans om te investeren in het voorkomen van kunststofafval, onder meer door het stimuleren van hergebruik en circulair ontwerp, en om te investeren in geavanceerde faciliteiten voor het inzamelen, sorteren en recyclen in de EU; meent dat de uitwisseling van goede praktijken op dit gebied belangrijk is, met name voor kmo's;

3.  is ervan overtuigd dat de kunststoffenstrategie ook moet dienen als een stimulans voor nieuwe, slimme, duurzame en circulaire bedrijfs-, productie- en gebruiksmodellen in de gehele waardeketen, in overeenstemming met de VN-doelstelling 12 inzake duurzame ontwikkeling met betrekking tot duurzame consumptie en productie, mede door de internalisering van de externe kosten; verzoekt de Commissie met het oog hierop duidelijke koppelingen tussen het afval-, chemicaliën- en productbeleid van de Unie te bevorderen, onder meer door de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli, zoals is vastgelegd in het zevende milieuactieprogramma;

4.  roept de Commissie op een beleid voor de circulaire en bio-economie voor na 2020 vast te stellen op grond van een sterke onderzoeks- en innovatiepijler, en ervoor te zorgen dat in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) de nodige toezeggingen worden opgenomen; onderstreept met name het belang van onderzoek om innovatieve oplossingen te ontwikkelen en om inzicht te krijgen in de effecten van macro-, micro- en nanokunststoffen op de ecosystemen en op de menselijke gezondheid;

5.  benadrukt dat er een grote verscheidenheid aan kunststoffen en toepassingen daarvan bestaat en dat er dus voor de verschillende waardeketens een aanpak op maat, vaak gericht op een specifiek product, vereist is, met een diverse mix van oplossingen, waarbij rekening wordt gehouden met de impact op het milieu, de bestaande alternatieven en de lokale en regionale vraag, en wordt gewaarborgd dat aan de functionele behoeften wordt voldaan;

6.  wijst erop dat voor het behalen van succes en een resultaat dat zowel voor de economie als voor het milieu, het klimaat en de volksgezondheid gunstig is, gemeenschappelijke en gecoördineerde acties van alle belanghebbenden doorheen de gehele waardeketen, inclusief de consumenten, vereist zijn;

7.  benadrukt dat de vermindering van de afvalproductie een gedeelde verantwoordelijkheid is en dat het een belangrijke uitdaging blijft om de algemene bezorgdheid over kunststofafval om te zetten in publieke verantwoordelijkheid; wijst erop dat de ontwikkeling van nieuwe consumptiepatronen, door gedragsverandering bij de consumenten te stimuleren, in dit verband van essentieel belang is; dringt erop aan de consument meer bewust te maken van de impact van de vervuiling door kunststofafval, het belang van preventie en verantwoord afvalbeheer en de bestaande alternatieven;

Van ontwerp voor recycling naar ontwerp voor circulariteit

8.  verzoekt de bevoegde autoriteiten in de lidstaten ervoor te zorgen dat het totale product- en afvalacquis volledig en spoedig ten uitvoer wordt gelegd en wordt gehandhaafd; wijst erop dat slechts 30 % van het kunststofafval in de EU wordt ingezameld voor recycling, wat gelijkstaat met een enorme verspilling van grondstoffen; wijst erop dat kunststofafval op stortplaatsen na 2030 niet meer zal worden toegestaan en dat de lidstaten hun kunststofafval moeten beheren overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2008/98/EG; herinnert eraan dat lidstaten gebruik moeten maken van economische instrumenten en andere maatregelen om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalhiërarchie; wijst op het belang van gescheiden inzameling en faciliteiten voor het sorteren van afval om hoogwaardige recycling mogelijk te maken en het gebruik van secundaire grondstoffen van goede kwaliteit te stimuleren;

9.  verzoekt alle belanghebbenden in het bedrijfsleven om onverwijld werk te maken van concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen 2030 alle verpakkingskunststoffen op kosteneffectieve wijze herbruikbaar of recycleerbaar zijn, om hun merkidentiteit te koppelen aan duurzame en circulaire bedrijfsmodellen en hun marketingpower in te zetten voor de bevordering en sturing van duurzame en circulaire consumptiepatronen; verzoekt de Commissie ontwikkelingen nauwgezet te volgen en te evalueren, goede praktijken te bevorderen en milieuclaims te controleren, teneinde "greenwashing" te voorkomen;

10.  meent dat het maatschappelijk middenveld naar behoren moet worden betrokken en geïnformeerd zodat zij de bedrijven aan hun toezeggingen en verplichtingen kunnen houden;

11.  dringt erop aan dat de Commissie voldoet aan haar verplichting om tegen 2020 de essentiële vereisten in de richtlijn verpakkingen en verpakkingsafval te herzien en aan te scherpen, rekening houdend met de relatieve eigenschappen van verschillende verpakkingsmaterialen op basis van beoordelingen van hun levenscyclus, en daarbij vooral aandacht te besteden aan preventie en ontwerp voor circulariteit; verzoekt de Commissie duidelijke, uitvoerbare en doeltreffende vereisten voor te stellen, onder meer met betrekking tot op kosteneffectieve wijze herbruikbare of recycleerbare kunststofverpakkingen en buitensporige verpakking;

12.  verzoekt de Commissie van hulpbronnenefficiëntie en circulariteit, met inbegrip van de belangrijke rol die circulaire materialen, producten en systemen kunnen spelen, overkoepelende beginselen te maken, ook voor kunststofvoorwerpen die niet als verpakking worden gebruikt; meent dat dit onder meer kan worden gerealiseerd via uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, de ontwikkeling van productstandaarden, het uitvoeren van levenscyclusbeoordelingen, de uitbreiding van het rechtskader voor ecologisch ontwerp tot alle belangrijke groepen kunststofproducten, de vaststelling van bepalingen inzake ecolabels en de toepassing van methoden om de ecologische voetafdruk van een product te bepalen;

Creëren van een echte eengemaakte markt voor gerecyclede kunststoffen

13.  meent dat er verschillende redenen zijn voor het geringe gebruik van gerecyclede kunststoffen in de EU, onder meer de lage prijzen van fossiele brandstoffen, deels ingevolge subsidies, een gebrek aan vertrouwen en het ontbreken van een kwalitatief hoogwaardig aanbod; benadrukt dat er een stabiele interne markt voor secundaire grondstoffen nodig is om de transitie naar een circulaire economie te waarborgen; verzoekt de Commissie de hinderpalen voor een dergelijke markt uit de weg te ruimen en een gelijk speelveld te creëren;

Kwaliteitsnormen en -controle

14.  verzoekt de Commissie om spoedig kwaliteitsnormen voor te stellen om vertrouwen te creëren en de markt voor secundaire kunststoffen te stimuleren; vraagt de Commissie om bij de ontwikkeling van deze kwaliteitsnormen rekening te houden met de verschillende recyclingklassen in overeenstemming met de toepassingsmogelijkheden van verschillende producten en daarbij de volksgezondheid, voedselveiligheid en het milieu veilig te stellen; dringt erop aan dat de Commissie het veilige gebruik van gerecyclede stoffen die in contact komen met levensmiddelen waarborgt en innovatie aanmoedigt;

15.  vraagt de Commissie rekening te houden met beste praktijken voor certificatie door onafhankelijke derden en de certificatie van gerecycled materiaal aan te moedigen, omdat controle onontbeerlijk is om het vertrouwen van de industrie en de consumenten in gerecyclede stoffen te bevorderen;

Gerecyclede inhoud

16.  roept alle betrokken bedrijven op hun openbare toezeggingen om meer gebruik te maken van gerecyclede kunststoffen om te zetten in formele beloften en om concrete maatregelen te nemen;

17.  is van mening dat er bindende voorschriften voor gerecyclede inhoud nodig zijn om het gebruik van secundaire grondstoffen te stimuleren, aangezien de markten voor gerecyclede stoffen nog niet naar behoren functioneren; verzoekt de Commissie de invoering te overwegen van vereisten inzake een minimumgehalte aan gerecycled materiaal voor bepaalde kunststofproducten die op de EU-markt worden gebracht, zonder afbreuk te doen aan de voorschriften inzake voedselveiligheid;

18.  verzoekt de lidstaten een verlaging van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) te overwegen voor producten met een gerecyclede inhoud;

Circulair inkopen

19.  benadrukt dat inkopen een essentieel instrument is in de overgang naar een circulaire economie, daar het innovatie in bedrijfsmodellen kan stimuleren en grondstoffenefficiënte producten en diensten kan bevorderen; onderstreept de cruciale rol van lokale en regionale autoriteiten hierbij; verzoekt de Commissie een EU-leernetwerk op te richten met betrekking tot circulair inkopen om de lessen die uit proefprojecten zijn getrokken, te verzamelen; is van mening dat deze vrijwillige acties, op basis van een gedegen effectbeoordeling, de weg kunnen effenen voor bindende EU-voorschriften en ­criteria voor circulair inkopen door de overheid;

20.  verzoekt de lidstaten om alle perverse prikkels die het bereiken van de hoogst mogelijke niveaus van recycling van kunststoffen in de weg staan, geleidelijk af te schaffen;

Raakvlak tussen afval en chemische stoffen

21.  verzoekt de bevoegde autoriteiten in de lidstaten de controle op geïmporteerde materialen en producten te optimaliseren om naleving van de EU-wetgeving op het gebied van chemische stoffen en producten te waarborgen en te handhaven;

22.  wijst op de resolutie van het Europees Parlement over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving;

De productie van kunststofafval voorkomen

Kunststoffen voor eenmalig gebruik

23.  merkt op dat er geen panacee is voor de aanpak van de nadelige milieueffecten van kunststoffen voor eenmalig gebruik en is van mening dat de oplossing van dit ingewikkelde probleem daarom een combinatie van vrijwillige en regelgevingsmaatregelen vereist, alsook een verandering in het consumentenbewustzijn en het gedrag en de participatie van consumenten;

24.  neemt nota van de reeds door sommige lidstaten genomen maatregelen en steunt daarom het voorstel van de Commissie voor een specifiek wetgevingskader om de milieueffecten van bepaalde producten, met name kunststoffen voor eenmalig gebruik, te beperken; is van mening dat dit voorstel kan bijdragen tot een aanzienlijke vermindering van het zwerfvuil op zee, waarvan 80 % bestaat uit kunststoffen, en daarmee een bijdrage zou leveren aan de doelstelling van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling om alle soorten van zeevervuiling te voorkomen en aanzienlijk te verminderen;

25.  is van mening dat dit kader de bevoegde autoriteiten in de lidstaten een reeks ambitieuze maatregelen moet bieden, die verenigbaar zijn met de integriteit van de eengemaakte markt, een duidelijk en positief sociaaleconomisch en milieueffect hebben en de consument de nodige toepassingsmogelijkheden bieden;

26.  erkent dat het terugdringen en aan banden leggen van kunststoffen voor eenmalig gebruik kansen zal scheppen voor duurzame bedrijfsmodellen;

27.  wijst op de werkzaamheden die momenteel in het kader van de gewone wetgevingsprocedure in verband met dit voorstel worden verricht;

28.  benadrukt dat hoge percentages voor gescheiden inzameling en recycling en een vermindering van kunststofafval op verschillende manieren kunnen worden bereikt, onder meer door regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met gedifferentieerde vergoedingen, statiegeldregelingen en bewustmaking van het publiek; erkent de verdiensten van de bestaande systemen in verschillende lidstaten en de mogelijkheden voor het uitwisselen van goede praktijken tussen de lidstaten; onderstreept dat de keuze voor een bepaalde regeling blijft vallen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit in de lidstaat;

29.  is ingenomen met het feit dat in Richtlijn 94/62/EG is bepaald dat de lidstaten verplicht zijn om voor eind 2024 regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in te voeren voor alle verpakkingen, en verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om deze verplichting uit te breiden naar andere kunststofproducten overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG;

30.  neemt nota van het voorstel van de Commissie inzake het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0325), dat een bijdrage op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval invoert; benadrukt dat het sturende effect van een mogelijke bijdrage in overeenstemming moet zijn met de afvalhiërarchie; dringt er daarom op aan dat prioriteit wordt gegeven aan het voorkomen van afvalproductie;

31.  roept de Commissie en de lidstaten op om zich aan te sluiten bij en steun te geven aan de internationale coalitie voor het verminderen van de vervuiling door plastic draagtassen, die in november 2016 tijdens COP 22 in Marrakech is gevormd;

32.  is van mening dat supermarkten een cruciale rol spelen bij het verminderen van het gebruik van kunststoffen voor eenmalig gebruik in de EU; verwelkomt initiatieven als kunststofvrije gangpaden in supermarkten, waar supermarkten composteerbare biomaterialen kunnen uittesten als alternatief voor kunststof verpakkingen;

33.  verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake havenontvangstvoorzieningen (COM(2018)0033), waarmee wordt beoogd de lasten en kosten voor vissers van het mee terug naar de haven nemen van vistuig en kunststofafval te verlagen; onderstreept de belangrijke rol die vissers kunnen spelen bij het inzamelen van afval op zee tijdens hun visserijactiviteiten, door dit afval mee terug naar de haven te nemen, waar het naar behoren kan worden behandeld; benadrukt dat de Commissie en de lidstaten deze activiteit moeten stimuleren, zodat vissers geen heffing wordt opgelegd voor de behandeling van door hen ingezameld afval;

34.  betreurt dat de tenuitvoerlegging van artikel 48, lid 3, van de verordening inzake visserijcontrole met betrekking tot de opsporings- en meldingsverplichtingen voor verloren vistuig, niet wordt besproken in het evaluatie- en uitvoeringsverslag van de Commissie uit 2017; benadrukt dat er een gedetailleerde beoordeling nodig is van de toepassing van de vereisten met betrekking tot vistuig uit hoofde van de verordening inzake visserijcontrole;

35.  roept de Commissie, de lidstaten en de regio's op om plannen voor afvalinzameling op zee waarbij waar mogelijk vissersvaartuigen worden betrokken, te steunen en havenontvangst- en verwijderingsvoorzieningen voor afval uit zee in te voeren, evenals een regeling voor het recyclen van niet langer bruikbare netten; spoort de Commissie en de lidstaten aan om de FAO-aanbevelingen in de vrijwillige richtsnoeren over het markeren van vistuig op te volgen, in nauw overleg met de visserijsector, teneinde spookvisserij te bestrijden;

36.  roept de Commissie, de lidstaten en de regio's op om het verzamelen van gegevens over plastic in zee te verbeteren door een EU-breed verplicht systeem voor het digitaal melden van door individuele vissersvaartuigen verloren vistuig op te zetten en in te voeren ter ondersteuning van bergingsacties, waarbij gebruik wordt gemaakt van regionale gegevensbanken om informatie te delen via een Europese databank die beheerd wordt door het Bureau voor visserijcontrole, of door SafeSeaNet uit te breiden tot een gebruiksvriendelijk EU-breed systeem waarmee vissers verloren vistuig kunnen melden;

37.  beklemtoont dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om strategieën en plannen uit te werken om de verspreiding van vistuig in zee in te perken, ook door middel van subsidies van het EFMZV, boven op de bestaande ondersteuning vanuit de structuurfondsen en de ETS en met de nodige actieve inzet van de regio's;

Biogebaseerde kunststoffen, biologische afbreekbaarheid en composteerbaarheid

38.  is er een groot voorstander van dat de Commissie duidelijke bijkomende normen, geharmoniseerde regels en definities vaststelt voor biogebaseerde inhoud, biologische afbreekbaarheid (als onafhankelijke grondstofeigenschap) en composteerbaarheid om de bestaande misvattingen en misverstanden tegen te gaan en de consumenten duidelijke informatie te verstrekken;

39.  benadrukt dat het stimuleren van een duurzame bio-economie ertoe kan bijdragen dat Europa minder afhankelijk wordt van ingevoerde grondstoffen; wijst op de mogelijke rol die biogebaseerde en biologisch afbreekbare kunststoffen hierbij kunnen spelen, wanneer dit vanuit een levenscyclusperspectief voordelig blijkt; meent dat de biologische afbreekbaarheid moet worden beoordeeld onder toepasselijke, reële omstandigheden;

40.  benadrukt dat biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen een bijdrage kunnen leveren aan de omschakeling naar een circulaire economie, maar dat ze geen universeel middel tegen zwerfvuil op zee zijn en geen legitimatie vormen voor onnodige eenmalige gebruikstoepassingen; verzoekt de Commissie daarom duidelijke criteria vast te stellen voor nuttige producten en toepassingen op basis van biologisch afbreekbare kunststoffen, met inbegrip van verpakking en landbouwtoepassingen; dringt aan op meer O&O-investeringen op dit gebied; wijst erop dat met het oog op een doeltreffend afvalbeheer een onderscheid moet worden gemaakt tussen biologisch afbreekbare en niet biologisch afbreekbare kunststoffen;

41.  benadrukt dat biogebaseerde kunststoffen mogelijkheden bieden voor partiële differentiatie van grondstoffen en verzoekt om meer O&O-investeringen op dit gebied; onderkent dat er reeds innovatieve biogebaseerde materialen op de markt zijn; benadrukt de noodzaak van een neutrale en gelijke behandeling van vervangende materialen;

42.  dringt erop aan om onder invloed van zuurstof afbreekbare kunststoffen na 2020 in de EU volledig te verbieden, aangezien dit soort kunststoffen niet volledig biologisch wordt afgebroken, niet composteerbaar is, de recycling van conventionele kunststoffen negatief beïnvloedt en geen aantoonbaar milieuvoordeel oplevert;

Microplastics

43.  verzoekt de Commissie om uiterlijk in 2020 een verbod in te voeren op microplastics in cosmetica, persoonlijke verzorgingsproducten, reinigingsmiddelen en schoonmaakproducten; verzoekt voorts het ECHA om een evaluatie te verrichten en indien nodig voorbereidingen te treffen voor een verbod op microplastics die opzettelijk worden toegevoegd aan andere producten, rekening houdend met de beschikbaarheid van goede alternatieven;

44.  verzoekt de Commissie minimumeisen vast te stellen in productwetgeving om het vrijkomen van microplastics bij de bron aanzienlijk te verminderen, in het bijzonder voor textiel, banden, verf en sigarettenpeuken;

45.  neemt nota van het goede voorbeeld van "Operation Clean Sweep" en verschillende "zero pellet loss"-initiatieven; meent dat deze initiatieven kunnen worden uitgebreid naar EU- en mondiaal niveau;

46.  verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de bronnen, distributie, bestemming en effecten van macro- en microplastics in de context van afvalwaterbehandeling en regenwaterbeheer in de lopende fitness check van de kaderrichtlijn water en de hoogwaterrichtlijn; verzoekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie voorts om te zorgen voor volledige tenuitvoerlegging en naleving van de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater en de kaderrichtlijn mariene strategie; verzoekt de Commissie daarnaast ondersteuning te verlenen aan onderzoek naar technologieën voor waterzuivering en voor de behandeling van zuiveringsslib;

Onderzoek en innovatie

47.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie dat in het kader van Horizon 2020 nog eens 100 miljoen EUR zal worden geïnvesteerd in grondstofefficiënte en circulaire oplossingen, zoals preventie en ontwerpopties, diversificatie van grondstoffen en innovatieve recyclingtechnologieën zoals moleculaire en chemische recycling, alsook het verbeteren van mechanische recycling; wijst op het innovatiepotentieel van start-ups in dit verband; steunt de vaststelling van een strategische agenda voor onderzoek en innovatie op het gebied van materiaalcirculariteit, met een specifieke focus op kunststoffen en kunststofhoudende materialen, niet alleen in verpakkingen, als leidraad voor toekomstige financieringsbesluiten in het kader van Horizon Europa; merkt op dat passende financiering nodig zal zijn om private investeringen aan te trekken; benadrukt dat publiek-private partnerschappen de omschakeling naar een circulaire economie kunnen helpen versnellen;

48.  benadrukt het grote potentieel van het met elkaar verbinden van de digitale agenda en de agenda inzake de circulaire economie; onderstreept de noodzaak om regelgevingsbelemmeringen voor innovatie weg te nemen en verzoekt de Commissie zich te buigen over mogelijke EU-innovatieregelingen die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de kunststoffenstrategie en de bredere agenda inzake de circulaire economie;

49.  roept de Commissie, de lidstaten en de regio's op om het gebruik van innovatief vistuig te ondersteunen door vissers aan te moedigen oude netten in te ruilen en bestaande netten te voorzien van nettrackers en sensoren die met apps voor smartphones zijn verbonden, of van identificatiechips met een radiofrequentie dan wel scheepsvolgsystemen, zodat schippers de locatie van hun netten beter kunnen volgen en deze netten zo nodig kunnen terugvinden; erkent de rol die technologie kan spelen als het erom gaat te voorkomen dat plastic in zee terechtkomt;

50.  dringt erop aan in Horizon Europa een "missie voor plasticvrije oceanen" op te nemen en gebruik te maken van innovatie om de hoeveelheid kunststoffen die in het mariene milieu terechtkomen te verminderen en de zeeën vrij te maken van zwerfvuil; herhaalt zijn oproep voor het bestrijden van zwerfvuil op zee (inclusief preventie, betere oceaangeletterdheid, groter bewustzijn van de milieu-uitdaging van vervuiling door plastics en andere vormen van zwerfvuil op zee, en schoonmaakcampagnes zoals "vissen naar zwerfvuil" en acties om stranden schoon te maken), zoals bedoeld in de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken van 10 november 2016 getiteld "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" (JOIN(2016)0049); dringt aan op een EU-beleidsdialoog over zwerfvuil op zee tussen beleidsmakers, belanghebbenden en deskundigen;

Wereldwijde acties

51.  roept de EU op om een proactieve rol te spelen in de ontwikkeling van een wereldwijd protocol voor kunststoffen en ervoor te zorgen dat de verschillende toezeggingen die op EU-niveau en wereldwijd zijn gedaan op een geïntegreerde en transparante manier kunnen worden getraceerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten actief leiderschap te tonen in de werkgroep die in december 2017 door de Milieuvergadering van de Verenigde Naties is opgericht om kunststofzwerfvuil op zee en microplastics internationaal te bestrijden; is van mening dat aangezien een groot deel van het kunststofafval in de oceaan afkomstig is uit landen in Azië en Afrika, de bestrijding van vervuiling door kunststoffen en afvalbeheer deel moeten uitmaken van het externebeleidskader van de EU;

52.  verzoekt alle EU-instellingen met behulp van het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) van de EU zich te richten op preventie, hun intern inkoopbeleid en kunststofafvalbeheer nauwkeurig te onderzoeken en hun productie van kunststofafval aanzienlijk te verminderen, met name door kunststoffen voor eenmalig gebruik te vervangen en het gebruik ervan te verminderen en aan banden te leggen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 93.
(2) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 100.
(3) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 109.
(4) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 141.
(5) PB L 115 van 6.5.2015, blz. 11.
(6) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(7) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(8) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0287.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0004.
(11) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(12) Achtergelaten, verloren of op andere wijze afgedankt vistuig


Opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving
PDF 154kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (2018/2589(RSP))
P8_TA(2018)0353B8-0363/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 191 en 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over de bescherming van de gezondheid van de mens en het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu,

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/849 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/850 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/852 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG(7),

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(8),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (SWD(2018)0020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een Europese strategie voor kunststoffen in de circulaire economie (COM(2018)0028),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2018 getiteld "Algemeen verslag van de Commissie over de werking van REACH en evaluatie van bepaalde elementen – Conclusies en maatregelen" (COM(2018)0116),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 getiteld "Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019" (COM(2016)0773),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit XXX van de Commissie voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2‑ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(12),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over de uitvoering van het zevende milieuactieprogramma(13),

–  gezien het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan,

–  gezien het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel,

–  gezien het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (O-000063/2018 – B8-0036/2018 en O-000064/2018 – B8‑0037/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het zevende milieuactieprogramma (MAP) voorziet in de ontwikkeling van een EU-strategie voor een niet-toxisch milieu met als doel de blootstelling aan chemicaliën in producten – ook geïmporteerde producten – te minimaliseren en niet-toxische materiaalcycli te bevorderen, zodat gerecycleerd afval kan worden ingezet als een belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen voor de Unie;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/851 staat dat de maatregelen die de lidstaten nemen om de afvalproductie te verminderen, met name tot een afname moeten leiden van afvalstoffen die niet kunnen worden bewerkt met het oog op hergebruik of recycling;

C.  overwegende dat in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/851 voorts staat dat deze maatregelen tot de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten moeten leiden en ervoor moeten zorgen dat elke leverancier van een voorwerp als gedefinieerd in artikel 3, punt 33, van de REACH-verordening de informatie krachtens artikel 33, lid 1, van die verordening doet toekomen aan het ECHA, en dat het ECHA een databank moet opzetten en bijhouden voor de gegevens die het in deze context ontvangt en toegang moet verlenen tot die databank aan afvalverwerkers en, indien zij hierom vragen, consumenten;

D.  overwegende dat in artikel 10, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/851 staat dat de lidstaten, wanneer dit nodig is voor de naleving van de verplichting tot voorbereiding voor hergebruik, recycling en andere handelingen voor nuttige toepassing of voor het bevorderen of verbeteren van terugwinning, de nodige maatregelen moeten nemen om gevaarlijke stoffen en mengsels en bestanddelen van gevaarlijke stoffen vóór of tijdens de nuttige toepassing te verwijderen met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 2008/98/EG(14) betreffende afvalstoffen;

E.  overwegende dat in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 850/2004 staat dat verwijderings- of terugwinningsoperaties die tot terugwinning, recycling, regeneratie of hergebruik van de in bijlage IV genoemde persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) kunnen leiden, verboden zijn;

Algemene overwegingen

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie en het werkdocument van de diensten van de Commissie van 16 januari 2018 en met de raadplegingsprocedure, maar rekent op snelle actie om de 'snijvlakproblemen' op te lossen; steunt de overkoepelende visie van de Commissie, die in overeenstemming is met de doelstellingen van het 7e MAP;

2.  is van mening dat de Commissie in de eerste plaats moet verhinderen dat gevaarlijke chemische stoffen de materiaalcyclus binnenkomen, volledige consistentie moet bereiken tussen de wetten ter uitvoering van het beleid inzake afvalstoffen en chemische stoffen, en moet zorgen voor een betere tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, door de leemtes in de regelgeving aan te pakken, met name met betrekking tot ingevoerde artikelen, die een duurzame circulaire EU-economie zouden kunnen verhinderen;

3.  benadrukt dat producten in een echte circulaire economie moeten worden ontworpen om te kunnen worden geüpgraded, om duurzaam, herstelbaar, herbruikbaar en recycleerbaar te zijn en dat bij de productie ervan zo min mogelijk zorgwekkende stoffen moeten worden gebruikt;

4.  herhaalt dat de overgang naar een circulaire economie een strikte toepassing van de afvalhiërarchie vereist en waar mogelijk de eliminatie van zorgwekkende stoffen, in het bijzonder wanneer veiliger alternatieven voorhanden zijn of zullen worden ontwikkeld, zodat er niet-toxische materiaalcycli ontstaan, wat recycling zal faciliteren en van essentieel belang is voor de gezonde ontwikkeling van een goed werkende markt voor secundaire grondstoffen;

5.  dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een Uniestrategie te ontwikkelen voor een niet-toxisch milieu, als vastgelegd in het 7e MAP;

6.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten hun regelgevingswerkzaamheden in het kader van de REACH-verordening en specifieke sector- of productgebonden wetgeving in nauw overleg met het ECHA opvoeren om de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen te aan te moedigen en het gebruik te beperken van stoffen die onaanvaardbare risico's inhouden voor de menselijke gezondheid of het milieu, zodat gerecycleerd afval binnen de Unie kan worden ingezet als een belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen;

7.  benadrukt dat er lokale, nationale, regionale en Europese oplossingen moeten worden gevonden door alle belanghebbenden erbij te betrekken om zorgwekkende chemische stoffen op te sporen in de recyclingstromen en ze eruit te verwijderen;

8.  vraagt bedrijven om zonder voorbehoud te kiezen voor een holistische, toekomstgerichte benadering van een geleidelijk beheer van chemische stoffen en de gelegenheid te benutten om toxische stoffen in producten en toeleveringsketens te vervangen en aldus de vernieuwing van de markt te bespoedigen en te sturen;

9.  onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake chemische stoffen en producten en chemisch afval moeilijk kan zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); benadrukt dat er bij het nemen van maatregelen rekening moet worden gehouden met het specifieke geval van kmo's, evenwel zonder dat het niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu in het gedrang komt; wijst op de noodzaak van duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie om ervoor te zorgen dat kmo's aan de uitgangsvoorwaarden voldoen die nodig zijn voor een volledige naleving van alle wetgeving op dit gebied;

10.  oordeelt dat het cruciaal is, indien er een overlapping van wetgeving dreigt, de onderlinge verbanden te verduidelijken, zodat er voor coherentie wordt gezorgd en eventuele synergieën kunnen worden benut;

11.  benadrukt dat het uiterst belangrijk is dat de transparantie met betrekking tot de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in consumptiegoederen wordt verbeterd om ervoor te zorgen dat het publiek vertrouwen heeft in de veiligheid van secundaire grondstoffen; wijst erop dat een verhoogd vertrouwen een extra prikkel zou zijn om zorgwekkende stoffen geleidelijk af te schaffen;

Onvoldoende informatie over zorgwekkende stoffen in producten en afval

12.  beschouwt als zorgwekkend die stoffen die aan de criteria van artikel 57 van de REACH-verordening voor zeer zorgwekkende stoffen voldoen, stoffen die verboden zijn uit hoofde van het Verdrag van Stockholm (POP's), specifieke stoffen waarvan het voorkomen in artikelen die zijn opgenomen in bijlage XVII bij de REACH-verordening, is beperkt, en specifieke stoffen waarvoor reglementering bestaat uit hoofde van specifieke sector- en/of productgebonden wetgeving;

13.  dringt er nogmaals bij de Commissie op aan haar verplichtingen om de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen hormoonontregelaars na te komen; verwacht dat de Commissie onmiddellijk haar strategie ten aanzien van hormoonontregelaars ten uitvoer legt om de blootstelling van EU-burgers aan hormoonontregelaars tot een minimum te beperken, afgezien van pesticiden en biociden;

14.  benadrukt dat alle zorgwekkende stoffen zo spoedig mogelijk moeten worden getraceerd en dat informatie over deze stoffen, inclusief de samenstelling en concentratie, vrij toegankelijk moet zijn voor allen die betrokken zijn bij de toeleveringsketen, recyclingbedrijven en voor de bevolking, rekening houdend met bestaande systemen en dat de mogelijkheid van sectorspecifieke traceringsoplossingen moet worden overwogen; is ingenomen, als eerste stap, met de nieuwe bepalingen in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/851 inzake afval;

15.  dringt er in dit verband bij de lidstaten en de Commissie, in samenhang met ECHA, op aan hun inspanningen te verhogen om ervoor te zorgen dat tegen 2020 alle relevante zeer zorgwekkende stoffen, inclusief de stoffen die voldoen aan het criterium van gelijkwaardige zorgwekkendheid, zoals hormoonontregelaars en allergenen, op de REACH-kandidatenlijst worden geplaatst, als vastgelegd in het 7e MAP;

16.  is van mening dat het traceersysteem in overeenstemming met de bestaande in de REACH-verordening vastgelegde vereisten voor importproducten ook betrekking moet hebben op alle in de Unie geïmporteerde producten die zorgwekkende stoffen kunnen bevatten; preciseert voorts dat er iets moet worden gedaan aan het probleem van niet‑geregistreerde stoffen in geïmporteerde artikelen; benadrukt dat nauwere samenwerking met betrekking tot ingevoerde artikelen op internationaal niveau nodig is, met actoren als het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, UNEP, de derde landen die geconfronteerd worden met vergelijkbare problemen met ingevoerde artikelen, en uitvoerende landen;

17.  merkt op dat, overeenkomstig de conclusies van de tweede evaluatie van REACH van de Commissie, de kwaliteit van de gegevens over de gevaren en het gebruik van alsook de blootstelling aan chemische stoffen in de REACH-registratiedossiers moet worden verbeterd;

18.  is van mening dat het ECHA conform artikel 20, lid 2, van de REACH-verordening (volledigheidscontrole van registraties) geen markttoegang mag verlenen voor chemische stoffen met onvolledige of ontoereikende registratiedossiers en ervoor moet zorgen dat de nodige informatie zo spoedig mogelijk wordt gegenereerd; herhaalt dat het van cruciaal belang is dat de met het oog op deze registratiedossiers verstrekte informatie correct, toereikend, betrouwbaar en relevant is; dringt er bij het ECHA op aan zijn inspanningen in het kader van artikel 41 van de REACH-verordening (nalevingscontrole van registraties) op te voeren om een einde te maken aan non-conforme registratiedossiers en ervoor te zorgen dat geen markttoegang wordt verleend voor chemische stoffen met non‑conforme registratiedossiers; dringt er bij de registranten en de lidstaten op aan hun bijdrage te leveren aan de conformiteit en aanpassing van de REACH-registratiedossiers;

Aanpak van de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in gerecycleerd materiaal

19.  benadrukt dat de Unie een identiek niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu moet waarborgen voor producten die uit primair en producten die uit gerecycleerd materiaal zijn vervaardigd;

20.  herhaalt dat preventie, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, prioriteit krijgt boven recycling en dat recycling bijgevolg niet mag dienen als rechtvaardiging voor het voortgezette gebruik van uitgefaseerde gevaarlijke stoffen;

21.  is van mening dat alle primaire en secundaire grondstoffen in beginsel aan dezelfde voorschriften moeten worden onderworpen; wijst er echter op dat niet altijd gewaarborgd kan worden dat materiaal uit gerecyclede producten identiek is aan primaire grondstoffen;

22.  wijst erop dat de EU-voorschriften moeten garanderen dat het recyclen van materialen niet tot een voortgezet gebruik van gevaarlijke stoffen leidt; wijst er met bezorgdheid op dat de wetgeving ter voorkoming van de aanwezigheid van chemische stoffen in producten, inclusief ingevoerde goederen, versnipperd is, stelselmatig noch consistent is, en alleen geldt voor enkele stoffen, producten en toepassingen, vaak met vele uitzonderingen; betreurt het dat te weinig vooruitgang is geboekt inzake de ontwikkeling van een strategie van de Unie voor een niet-toxisch milieu, met als doel, onder meer, de blootstelling aan zorgwekkende stoffen in producten te verminderen;

23.  benadrukt dat de mogelijkheid om materialen die zorgwekkende stoffen bevatten, te recyclen, alleen mag worden overwogen als er geen alternatieve materialen zonder zorgwekkende stoffen bestaan; is van mening dat het recyclen van dergelijke materialen moet plaatsvinden in gesloten of gecontroleerde circuits zonder de menselijke gezondheid, met inbegrip van de gezondheid van werknemers, of het milieu in gevaar te brengen;

24.  hoopt dat innovatieve recyclingpraktijken zullen bijdragen tot het saneren van afval dat zorgwekkende stoffen bevat;

25.  is van mening dat het probleem van producten die uitgefaseerde stoffen bevatten, moet worden aangepakt aan de hand van een efficiënt systeem voor registratie, tracering en verwijdering;

26.  is van mening dat, aangezien meer dan 80 % van de milieu-impact van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en andere productspecifieke wetgeving, in aanvulling op de REACH‑verordening, moeten worden gebruikt voor de invoering van vereisten ter vervanging van zorgwekkende stoffen; benadrukt dat het gebruik van stoffen van toxische aard of zorgwekkende stoffen, zoals POP’s en hormoonontregelaars, specifiek moet worden beschouwd in het kader van de verbrede ecodesigncriteria, onverminderd andere geharmoniseerde wettelijke voorschriften betreffende die stoffen die op Unieniveau zijn vastgelegd;

27.  onderstreept dat het van cruciaal belang is gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen voor in de EU vervaardigde en geïmporteerde artikelen; is van mening dat in de EU vervaardigde artikelen onder geen beding mogen worden benadeeld; verzoekt de Commissie derhalve ervoor te zorgen dat er in de REACH‑verordening en andere productgebonden wetgeving tijdig beperkingen worden opgelegd zodat dezelfde regels gelden voor in de EU geproduceerde en ingevoerde producten; benadrukt met name dat de geleidelijke afschaffing of vervanging van zeer zorgwekkende stoffen ten gevolge van het vergunningenstelsel van REACH moet worden aangevuld met beperkingen die tegelijkertijd gelden; roept de bevoegde instanties in de lidstaten ertoe op geïmporteerde materialen meer te controleren met als doel de naleving van de REACH-verordening en productwetgeving veilig te stellen;

28.  beklemtoont dat de handhaving van de wetgeving inzake chemische stoffen en producten aan de grenzen van de EU moet worden verbeterd;

29.  is van mening dat het om het probleem van de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in gerecycleerde materialen aan te pakken, raadzaam zou zijn een productpaspoort in te voeren om duidelijk te maken welke materialen en stoffen in producten zijn gebruikt;

Onzekerheid over de wijze waarop materialen kunnen ophouden afval te zijn

30.  benadrukt dat duidelijke EU‑voorschriften nodig zijn waarin wordt gepreciseerd aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat iets niet langer als afval wordt beschouwd, evenals geharmoniseerde einde-afvalcriteria; is van mening dat deze duidelijke EU-voorschriften zo moeten worden opgesteld dat ze ook door kmo's kunnen worden nageleefd;

31.  is van mening dat er op EU-niveau maatregelen moeten worden genomen om voor meer harmonisering te zorgen bij de interpretatie en tenuitvoerlegging door de lidstaten van de in de kaderrichtlijn afvalstoffen opgenomen einde-afvalbepalingen, ten einde het gebruik van gerecycleerd materiaal in de EU te faciliteren;

32.  vraagt de lidstaten en de Commissie om volledige samenwerking voor wat de einde-afvalcriteria betreft;

Problemen bij de toepassing van methoden voor de indeling van afvalstoffen van de EU en gevolgen voor de recycleerbaarheid van materialen (secundaire grondstoffen)

33.  is van mening dat de voorschriften voor het classificeren van afval als gevaarlijk of ongevaarlijk consistent moeten zijn met de voorschriften voor de indeling van stoffen en mengsels volgens de verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening), rekening houdend met de specifieke kenmerken van afval en de wijze waarop het wordt behandeld, en is daarnaast verheugd over de nieuwe technische richtsnoeren voor afvalclassificatie; benadrukt dat het classificatiekader voor afval en chemische stoffen verder moet worden ontwikkeld zodat ook zeer zorgwekkende gevaarseindpunten, zoals hoge persistentie, hormoonontregelaars, bioaccumulatie of neurotoxiciteit, eronder vallen;

34.  vraagt de Commissie om verduidelijking inzake de correcte interpretatie van de CLP-verordening met betrekking tot de classificatie van afvalstromen, zodat afval dat zorgwekkende stoffen bevat, niet verkeerd wordt geclassificeerd;

35.  onderstreept dat de ontoereikende handhaving van de EU-afvalwetgeving onaanvaardbaar is en dat deze kwestie prioritair moet worden aangepakt, onder meer door middel van landverslagen in de context van de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid, aangezien er nood is aan meer coherentie tussen de voorschriften voor de indeling van chemische stoffen en van afval;

36.  dringt er bij de Commissie op aan de Europese afvalstoffenlijst onverwijld te herzien;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 109.
(2) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 93.
(3) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 100.
(4) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 141.
(5) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(6) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(7) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.
(8) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(9) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0287.
(11) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 96.
(12) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0100.
(14) PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.


Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie
PDF 219kWORD 80k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (2017/2254(INI))
P8_TA(2018)0354A8-0257/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 2017 over het gebruik van medisch belangrijke antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren,

–  gezien het verslag van de Federatie van Europese Dierenartsen van 29 februari 2016 met antwoorden op de vragen van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over het gebruik van antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2016 over de volgende stappen in het kader van de "één gezondheid"-benadering ter bestrijding van antimicrobiële resistentie ("One Health"),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2016 over het versterken van het evenwicht in de farmaceutische systemen in de EU en haar lidstaten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 juni 2011 getiteld "Kinderimmunisatie: successen en problemen van de Europese kinderimmunisatie en de weg voorwaarts", die zijn goedgekeurd door de ministers van Volksgezondheid van de EU-lidstaten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2014 over vaccinaties als doeltreffend instrument voor de volksgezondheid,

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over veiligere gezondheidszorg in Europa: verbetering van de patiëntveiligheid en bestrijding van antimicrobiële resistentie(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over de microbiële uitdaging – het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie(3),

–  gezien Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (COM(2017)0339),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over een nieuwe strategie voor het welzijn van dieren voor de periode 2016-2020(5),

–  gezien het wereldwijde vaccinatieplan (GVAP) van de WHO, dat in mei 2012 werd bekrachtigd door de 194 lidstaten van de Wereldgezondheidsvergadering,

–  gezien het Europees vaccinatieplan (EVAP) 2015-2020 van de WHO,

–  gezien het artikel van algemeen belang getiteld "The Role of the European Food Safety Authority (EFSA) in the Fight against Antimicrobial Resistance (AMR)", gepubliceerd in het tijdschrift Food Protection Trends in 2018,

–  gezien de routekaart van de Commissie voor een strategische benadering ten aanzien van farmaceutische producten in het milieu en het huidige ontwerp van strategische benadering(6),

–  gezien de politieke verklaring van de VN naar aanleiding van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van 21 september 2016 over antimicrobiële resistentie,

–  gezien het rapport van de Wereldbank van maart 2017, getiteld "Drug-Resistant Infections: A Threat to Our Economic Future",

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (COM(2014)0558),

–  gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van september 2015, getiteld "Antimicrobial Resistance in G7 Countries and Beyond: Economic Issues, Policies and Options for Action",

–  gezien het gezamenlijk wetenschappelijk advies van EMA/EFSA over de maatregelen ter vermindering van de noodzaak om antimicrobiële stoffen te gebruiken bij voedselproducerende dieren in de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de voedselveiligheid ("Ronafa"-advies),

–  gezien de resolutie van de zeventigste Wereldgezondheidsvergadering van 29 mei 2017 over verbetering van de preventie, diagnose en klinische behandeling van sepsis,

–  gezien het eerste gezamenlijke verslag van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), de EFSA en het EMA (JIACRA I), gepubliceerd in 2015, en het tweede gezamenlijke verslag (JIACRA II), gepubliceerd in 2017, over de geïntegreerde analyse van de consumptie van antimicrobiële stoffen en het voorkomen van antimicrobiële resistentie bij mensen en voedselproducerende dieren,

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over EU-opties voor een betere toegang tot geneesmiddelen(7),

–  gezien het rapport van het ECDC uit 2016 over het toezicht op antimicrobiële resistentie in Europa,

–  gezien het samenvattend verslag van de Europese Unie over antimicrobiële resistentie bij zoönotische en indicatorbacteriën van mensen, dieren en levensmiddelen in 2016, opgesteld door het ECDC en de EFSA(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0257/2018),

A.  overwegende dat antimicrobiële resistentie (AMR) door het bovenmatige en onjuiste gebruik van antibiotica, in het bijzonder in de veeteelt (waar antibiotica worden gebruikt voor profylactische doeleinden en als groeibevorderaars), en slechte praktijken op het gebied van infectiebestrijding in zowel de menselijke als de diergeneeskunde geleidelijk aan een enorme bedreiging voor de gezondheid van mensen en dieren is gaan vormen;

B.  overwegende dat naar schatting 20 % of meer van de zorginfecties kan worden voorkomen door langdurige en veelzijdige programma's voor infectiepreventie en -bestrijding(9);

C.  overwegende dat verstandig gebruik van antibiotica en infectiepreventie en -bestrijding in alle sectoren van de gezondheidszorg, met inbegrip van diergezondheid, cruciaal zijn om de ontwikkeling en de overdracht van antibioticaresistente bacteriën doeltreffend te voorkomen;

D.  overwegende dat aan mensen voorgeschreven antibiotica in de helft van de gevallen niet doeltreffend zijn en dat een kwart van de antibiotica niet correct wordt toegediend aan mensen; overwegende dat drie op de tien patiënten die in een ziekenhuis worden opgenomen antibiotica toegediend krijgen, en dat vooral multiresistente bacteriën een groot risico vormen in ziekenhuizen en verpleeghuizen, en voor patiënten die hulpmiddelen als ventilatoren en bloedkatheters nodig hebben;

E.  overwegende dat antibiotica in de veeteelt nog steeds veeleer als ziektepreventie en compensatie voor slechte hygiëne worden gebruikt dan te worden voorgeschreven in noodgevallen, wat bijdraagt tot de opkomst van op de mens overdraagbare bacteriën met antimicrobiële resistentie bij dieren;

F.  overwegende dat ook de agentschappen van de EU bevestigen dat er een verband bestaat tussen antibioticaresistentie bij voedselproducerende dieren (bijv. vleeskippen) en het feit dat een groot deel van de bacteriële infecties bij de mens het gevolg zijn van de behandeling, de bereiding en de consumptie van het vlees van deze dieren(10);

G.  overwegende dat het misbruik van antibiotica de werkzaamheid ervan vermindert en leidt tot de verspreiding van microben die uiterst resistent zijn, met name tegen laatstelijnsantibiotica; overwegende dat volgens gegevens van de OESO naar schatting wereldwijd jaarlijks 700 000 sterfgevallen te wijten kunnen zijn aan AMR; overwegende dat 25 000 van deze sterfgevallen plaatsvinden in de EU en de overige buiten de EU, wat betekent dat samenwerking op het vlak van ontwikkelingsbeleid en coördinatie van en toezicht op AMR op internationaal niveau van essentieel belang zijn;

H.  overwegende dat AMR in 2050 tot wel 10 miljoen sterfgevallen per jaar kan leiden als er niets wordt ondernomen; overwegende dat naar schatting 9 miljoen van deze sterfgevallen buiten de EU zullen plaatsvinden, in ontwikkelingslanden, vooral in Azië en Afrika; overwegende dat infecties en resistente bacteriën zich gemakkelijk verspreiden, en er dus dringend behoefte is aan actie op mondiaal niveau;

I.  overwegende dat vaccinaties en snelle diagnostische hulpmiddelen (RDT’s) de potentie hebben om antibioticamisbruik te beperken; overwegende dat RDT’s gezondheidswerkers in staat stellen snel een bacteriële of virale infectie als diagnose te stellen en zodoende het misbruik van antibiotica en het risico op de ontwikkeling van resistentie te beperken(11);

J.  overwegende dat het vanwege de aanhoudende verspreiding van uiterst resistente bacteriën in de toekomst onmogelijk kan blijken om goede gezondheidszorg te bieden bij invasieve operaties of gevestigde behandelingsmethoden voor bepaalde groepen patiënten die radiotherapie, chemotherapie of transplantaties nodig hebben;

K.  overwegende dat bacteriën zich voortdurend ontwikkelen, het klimaat voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) en de regelgevingskaders complex zijn, bepaalde specifieke infecties zeldzaam zijn, en het verwachte rendement van nieuwe antimicrobiële stoffen nog altijd gering is;

L.  overwegende dat zorginfecties te wijten zijn aan het gebrek aan preventieve maatregelen, met antibioticaresistente bacteriën en slechte hygiënische praktijken tot gevolg, in het bijzonder in ziekenhuizen; overwegende dat volgens schattingen van het ECDC jaarlijks ongeveer vier miljoen patiënten in de EU een zorginfectie oplopen en dat zo'n 37 000 sterfgevallen per jaar een rechtstreeks gevolg zijn van deze infecties; overwegende dat het aantal sterfgevallen zelfs nog wel hoger kan liggen; overwegende dat de eerdere overlijdensstatistiek van 25 000 sterfgevallen per jaar in de Unie een ernstige onderschatting bleek te zijn;

M.  overwegende dat het gebrek aan toegang tot doeltreffende antibiotica in ontwikkelingslanden nog steeds tot meer sterfgevallen leidt dan AMR; overwegende dat maatregelen om AMR aan te pakken waarin de nadruk te zeer ligt op de beperking van de toegang tot antibiotica, de nu al ernstige crisis vanwege de gebrekkige toegang tot geneesmiddelen, die momenteel leidt tot meer dan een miljoen sterfgevallen bij kinderen jonger dan vijf jaar, nog kunnen verergeren; overwegende dat maatregelen tegen AMR erop gericht moeten zijn dat iedereen constant toegang heeft tot geneesmiddelen, maar niet meer dan de benodigde hoeveelheid;

N.  overwegende dat verschillende lidstaten te kampen hebben met een snelle toename van multiresistente schimmels die tot veel langere ziekenhuisopnames en hogere sterftecijfers leiden voor de besmette patiënten; overwegende dat het American Center for Disease Control and Prevention het bewustzijn hieromtrent heeft vergroot; overwegende dat dit specifieke probleem opvallend genoeg niet in het Europese "één gezondheid"-actieplan tegen AMR voorkomt;

O.  overwegende dat is gebleken dat actieve screeningprogramma's met RDT’s aanzienlijk bijdragen tot de beheersing van zorginfecties en tot de beperking van de verspreiding daarvan in ziekenhuizen en onder patiënten(12);

P.  overwegende dat is aangetoond dat vanwege het gebruik van antibioticaverbindingen in niet-klinische consumentenproducten het risico op de ontwikkeling van geneesmiddelenresistente bacteriestammen toeneemt(13);

Q.  overwegende dat een goede handhygiëne, d.w.z. het grondig wassen en drogen van de handen, kan bijdragen aan de preventie van AMR en van de overdracht van infectieziekten;

R.  overwegende dat het gebruik van medische hulpmiddelen postoperatieve wondinfecties kan voorkomen en zodoende ook de ontwikkeling van AMR kan voorkomen en beheersen(14);

S.  overwegende dat er voorbeelden bestaan van succesvolle programma's waarmee de wereldwijde toegang tot geneesmiddelen voor hiv, tuberculose (tbc) en malaria is verbeterd;

T.  overwegende dat ziekenhuisinfecties wereldwijd een van de voornaamste bedreigingen vormen voor het handhaven en waarborgen van basisgezondheidszorg;

U.  overwegende dat, indien de huidige trend zich doorzet, AMR in 2050 een belangrijkere doodsoorzaak zou kunnen zijn dan kanker(15);

V.  overwegende dat het ECDC en de EFSA hebben herhaald dat AMR een van de grootste bedreigingen voor de volksgezondheid vormt(16);

W.  overwegende dat geneesmiddelenresistente tbc de voornaamste oorzaak is van overlijden door AMR;

X.  overwegende dat de Wereldbank er in zijn rapport van maart 2017 voor waarschuwde dat resistente infecties in 2050 wereldwijde economische schade kunnen veroorzaken op een niveau dat vergelijkbaar is met de financiële crisis van 2008;

Y.  overwegende dat AMR moet worden gezien en onderkend als een bedreiging voor de gezondheid van mensen, dieren en van de planeet, en als rechtstreekse bedreiging voor de verwezenlijking van verschillende doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) die zijn vastgelegd in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van, maar niet alleen SDG1, SDG2, SDG3 en SDG6;

Z.  overwegende dat de doelstellingen van de "één gezondheid"-benadering moeten garanderen dat de behandelingen van menselijke en dierlijke infecties doeltreffend blijven, het hoofd bieden aan de opkomst en verspreiding van AMR en de ontwikkeling en beschikbaarheid van nieuwe doeltreffende antimicrobiële stoffen in de Unie en de rest van de wereld versterken;

AA.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten in de conclusies van de Raad over de volgende stappen in het kader van de "één gezondheid"-benadering ter bestrijding van antimicrobiële resistentie ("One Health")(17) verzocht wordt de strategische onderzoeksagenda's van bestaande O&O-initiatieven van de EU in verband met nieuwe antibiotica, alternatieven en diagnostiek in het kader van een "één gezondheid"-netwerk inzake AMR op één lijn te brengen;

AB.  overwegende dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het fundamentele recht van iedere burger op gezondheidszorg en op medische verzorging wordt erkend; overwegende dat het recht op gezondheid een economisch, sociaal en cultureel recht op een universele minimumstandaard van gezondheidszorg is waarop alle natuurlijke personen recht hebben;

AC.  overwegende dat een centrale pijler van alle EU-strategieën tegen AMR erin moet bestaan dat de permanente opleiding van mensen die werkzaam in de gezondheidszorg wordt gewaarborgd met betrekking tot de laatste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek en optimale werkmethoden in verband met de preventie en verspreiding van AMR;

AD.  overwegende dat sepsis – een syndroom als reactie op infectieziekten – volgens de Wereldgezondheidsvergadering wereldwijd leidt tot ongeveer zes miljoen sterfgevallen per jaar, waarvan de meeste voorkomen kunnen worden;

AE.  overwegende dat het ECDC, de EFSA en het EMA momenteel met een gezamenlijk mandaat werken aan resultaatindicatoren voor AMR en de toediening van antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren en bij mensen;

AF.  overwegende dat de natuur voor ons een weldadige bron is van krachtige antibiotica die veel vaker kunnen worden benut dan nu het geval is;

AG.  overwegende dat uit de meest recente gegevens van het EMA blijkt dat niet in alle EU-landen in dezelfde mate actie is ondernomen om het diergeneeskundig gebruik van antimicrobiële stoffen te beperken(18); overwegende dat in sommige lidstaten het diergeneeskundig gebruik van antimicrobiële stoffen in korte tijd aanzienlijk is beperkt dankzij ambitieus nationaal beleid, zoals blijkt uit een reeks onderzoeksmissies van het directoraat Audits en analyse inzake gezondheid en voedsel van de Commissie(19);

AH.  overwegende dat AMR een grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid vormt, maar dat de situatie per lidstaat sterk verschilt; overwegende dat de Commissie daarom gebieden met een hoge Europese meerwaarde in kaart moet brengen en daar moet handelen, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, die verantwoordelijk zijn voor het bepalen van hun eigen gezondheidsbeleid;

AI.  overwegende dat doeltreffend optreden tegen AMR moet worden ingepast in een breder internationaal initiatief waaraan zo veel mogelijk internationale instellingen, agentschappen en deskundigen deelnemen, evenals de particuliere sector;

AJ.  overwegende dat onder meer het ongepaste gebruik en misbruik van antimicrobiële stoffen, de zwakte van de systemen die de kwaliteit van geneesmiddelen moeten waarborgen, het gebruik van antimicrobiële stoffen bij vee om de groei te bevorderen of ziekten te voorkomen, tekortkomingen bij de preventie en bestrijding van infecties en zwaktes van de systemen voor toezicht de hoofdoorzaken van AMR zijn;

AK.  overwegende dat patiënten toegang moeten hebben tot gezondheidszorg en behandelingsopties, met inbegrip van aanvullende en alternatieve therapieën en geneesmiddelen, aan de hand van hun eigen keuzes en voorkeuren;

AL.  overwegende dat de kosten van de wereldwijde aanpak van AMR op tot wel 40 miljard USD worden geschat over een periode van tien jaar;

AM.  overwegende dat de problemen in verband met AMR de komende jaren zullen toenemen en dat doeltreffende actie afhankelijk is van doorlopende, sectoroverschrijdende overheids- en particuliere investeringen in onderzoek en innovatie, zodat betere instrumenten, producten en hulpmiddelen, nieuwe behandelingen en alternatieve benaderingen kunnen worden ontwikkeld vanuit een "één gezondheid"-benadering;

AN.  overwegende dat ruim één miljard EUR is geïnvesteerd in onderzoek op het gebied van AMR uit hoofde van het vijfde tot en met het zevende kaderprogramma (KP5-KP7) en dat tot dusver reeds een cumulatief budget van meer dan 650 miljoen EUR beschikbaar is gesteld in het kader van Horizon 2020; overwegende dat de Commissie toegezegd heeft meer dan 200 miljoen EUR in AMR te investeren gedurende de laatste drie jaar van Horizon 2020;

AO.  overwegende dat verschillende financieringsinstrumenten in het kader van Horizon 2020 onderzoeksresultaten op het gebied van AMR zullen opleveren, met name:

   het initiatief innovatieve geneesmiddelen (IMI), waarin de nadruk ligt op alle aspecten van antibioticaontwikkeling, waaronder onderzoek naar AMR-mechanismen, ontdekking en ontwikkeling van geneesmiddelen, en economie en beheer, met zeven projecten die onder het overkoepelende programma ND4BB lopen, met een totaal budget van meer dan 600 miljoen EUR aan financiering van de Commissie en bijdragen in natura van ondernemingen;
   het partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), waarin de nadruk ligt op de ontwikkeling van nieuwe en verbeterde geneesmiddelen, vaccins, microbiciden en diagnosetechnieken ter bestrijding van hiv/aids, tbc en malaria, met 32 projecten ter waarde van ruim 79 miljoen EUR;
   het gezamenlijk programmeringsinitiatief inzake AMR (JPIAMR), waarin de nadruk ligt op het consolideren van nationale onderzoeksactiviteiten die anders versnipperd zouden zijn, met lopende projecten ter waarde van 55 miljoen EUR;
   de Europese Onderzoeksraad (ERC), met door onderzoekers of van onderaf aangestuurde onderzoeksprojecten;
   de financieringsfaciliteit besmettelijke ziekten (IDFF) in het kader van InnovFin, voor marktgerichte projecten, met zeven tot dusver verstrekte leningen voor in totaal 125 miljoen EUR;
   het kmo-instrument en het Sneltraject voor innovatie (FTI), waarmee kmo's worden ondersteund bij de ontwikkeling van nieuwe oplossingen en instrumenten om besmettelijke ziekten te voorkomen, te diagnosticeren en te behandelen en de infectiebestrijding te verbeteren, met 36 projecten in verband met AMR en een begroting van 33 miljoen EUR;

AP.  overwegende dat er tot de jaren zestig meer dan twintig nieuwe categorieën antibiotica werden ontwikkeld, maar er sindsdien slechts één nieuwe antibioticacategorie is ontwikkeld, ondanks de verspreiding en de toename van nieuwe resistente bacteriën; overwegende dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bestaande groepen antibiotica resistent zijn tegen nieuwe agentia;

AQ.  overwegende dat nieuwe antimicrobiële stoffen positieve neveneffecten hebben op de volksgezondheid en de wetenschap;

AR.  overwegende dat het gebruik van antibiotica voor zoötechnische doeleinden, bijvoorbeeld als groeibevorderaar, geldt als misbruik van deze gezondheidsproducten en wordt verworpen door alle internationale gezondheidsorganisaties die aanbevelen dit gebruik te verbieden met het oog op de strijd tegen AMR; overwegende dat de toediening van antibiotica als groeibevorderaars aan voedselproducerende dieren sinds 2006 verboden is in de EU;

AS.  overwegende dat talrijke ziekten die door microben worden veroorzaakt, doeltreffend kunnen worden bestreden: niet met antibiotica, die tot resistentie leiden, maar met een vroegtijdige diagnose in combinatie met nieuwe en bestaande geneesmiddelen en andere in de EU toegestane behandelingsmethoden en -praktijken, waardoor het leven van miljoenen mensen en dieren in de EU kan worden gered;

AT.  overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen steeds meer achterblijft bij de toenemende AMR; overwegende dat geneesmiddelenresistente ziekten in 2050 wereldwijd wel tot tien miljoen sterfgevallen per jaar kunnen leiden; overwegende dat naar schatting jaarlijks ten minste 25 000 mensen in de EU sterven aan door resistente bacteriën veroorzaakte infecties, met een jaarlijks kostenplaatje van 1,5 miljard EUR, terwijl er de afgelopen veertig jaar slechts één nieuwe antibioticacategorie is ontwikkeld;

AU.  overwegende dat het gebruik van bepaalde antibiotica in de diergeneeskunde moet worden verboden teneinde uitsluitend voor menselijk gebruik voorbehouden antibiotica doeltreffend te houden en de risico's op AMR tegen deze cruciale antibiotica tot een minimum te beperken; overwegende dat de Commissie moet specificeren welke antibiotica of groepen antibiotica moeten worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens;

AV.  overwegende dat de politieke verklaring waarachter staatshoofden zich schaarden tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van september 2016 in New York en het Mondiaal actieplan van mei 2015 blijk geven van de mondiale toezegging om de achterliggende oorzaken van antimicrobiële resistentie middels een brede, gecoördineerde en sectoroverschrijdende benadering te zullen aanpakken;

AW.  overwegende dat het vaak geciteerde getal van 25 000 sterfgevallen in de EU per jaar als gevolg van AMR en de bijbehorende kosten van ruim 1,5 miljard EUR uit 2007 stamt en dat voortdurend bijgewerkte informatie over de werkelijke last van AMR vereist is; benadrukt dat de omvang van het probleem bewijst dat er duidelijk behoefte is aan een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen AMR;

De EU als regio met optimale werkmethoden

1.  is van oordeel dat een centrale rol moet worden toebedeeld aan het "één gezondheid"-beginsel om voldoende stappen te zetten om AMR aan te pakken, vanuit de gedachte dat de gezondheid van mensen en dieren en het milieu met elkaar verbonden zijn, en dat ziekten worden overgedragen van mensen op dieren en omgekeerd; benadrukt dan ook dat ziekten moeten worden aangepakt bij zowel mensen als dieren, en dat er tegelijk ook speciale aandacht moet worden besteed aan de voedselketen en het milieu, die ook een bron van resistente micro-organismen kunnen zijn; onderstreept de belangrijke rol van de Commissie bij de coördinatie en de monitoring van de nationale actieplannen die door de lidstaten worden uitgevoerd en het belang van horizontale samenwerking tussen instanties;

2.  benadrukt dat er een tijdskader voor het Europese "één gezondheid"-actieplan moet worden vastgesteld; verzoekt de Commissie en de lidstaten meetbare en bindende AMR-doelstellingen met ambitieuze streefdoelen in het Europese "één gezondheid"-actieplan en in de nationale actieplannen op te nemen met het oog op benchmarking;

3.  benadrukt dat het correcte en verstandige gebruik van antimicrobiële stoffen van essentieel belang is om de opkomst van AMR in de menselijke gezondheidszorg, de veeteelt en de aquacultuur te beperken; benadrukt dat er aanzienlijke verschillen bestaan in de manier waarop de lidstaten met AMR omgaan en het probleem aanpakken, waardoor de coördinatie van de nationale plannen waarin specifieke doelstellingen zijn aangegeven cruciaal wordt; benadrukt dat de Commissie een sleutelrol speelt bij de coördinatie en de monitoring van de nationale strategieën; benadrukt dat het concept "één-gezondheid" in verschillende sectoren (met name in het volgende EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, KP9) en in verschillende media moet worden ingevoerd, wat met het actieplan van de Commissie onvoldoende is gelukt; hamert erop dat het gebruik van antibiotica voor preventieve doeleinden in de diergeneeskunde strikt moet worden gereguleerd in overeenstemming met de bepalingen van de op stapel staande verordening betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

4.  beveelt aan dat bij het pas opgerichte "één gezondheid"-netwerk en bij de gezamenlijke EU-actie tegen antimicrobiële resistentie en zorginfecties (EU-JAMRAI) behalve de lidstaten ook andere belangrijke belanghebbenden worden betrokken;

5.  verzoekt de Commissie zowel tussentijds als achteraf een evaluatie van het "één gezondheid"-actieplan te verrichten en te publiceren, en alle relevante belanghebbenden bij de evaluatieprocedure te betrekken;

6.  benadrukt dat gezamenlijk EU-optreden voor de aanpak van de toenemende bedreiging van de gezondheid van mens en dier en van het milieu door antibioticaresistente bacteriën alleen kans van slagen heeft als deze aanpak gebaseerd is op gegevens die op gestandaardiseerde wijze zijn verzameld; verzoekt de Commissie dan ook geschikte procedures en indicatoren te ontwikkelen en voor te stellen om de voortgang van de strijd tegen AMR te meten en te vergelijken en erop toe te zien dat er gestandaardiseerde gegevens worden aangeleverd en geëvalueerd;

7.  merkt op dat de onlangs vastgestelde EU-indicatoren die de lidstaten helpen met de monitoring van hun voortgang in de strijd tegen AMR slechts het antibioticaverbruik weergeven, maar niet of er sprake is van passend gebruik; verzoekt het ECDC de EU-indicatoren dienovereenkomstig te wijzigen;

8.  verzoekt de Commissie gegevens te verzamelen over de door de fabrikanten geproduceerde hoeveelheid antibiotica en hier verslag over uit te brengen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het toezicht, de monitoring en de verslaglegging in verband met AMR-patronen en -ziekteverwekkers op elkaar af te stemmen en deze gegevens in te voeren in het systeem voor wereldwijd toezicht op antimicrobiële resistentie (GLASS); onderstreept daarnaast dat het uitermate belangrijk is systematisch alle relevante en vergelijkbare gegevens over de verkochte hoeveelheden te verzamelen; verzoekt de Commissie in overleg met het EMA, de EFSA en het ECDC een prioriteitenlijst van ziekteverwekkers voor zowel mensen als dieren op te stellen, daarbij rekening houdend met de prioriteitenlijst van ziekteverwekkers van de WHO, en duidelijke prioriteiten voor O&O in de toekomst vast te stellen; verzoekt de Commissie daarnaast de lidstaten aan te sporen tot en te ondersteunen bij de uitvoering en de monitoring van nationale streefdoelen voor het toezicht op en de beperking van AMR/zorginfecties;

10.  verzoekt de Commissie gestandaardiseerde enquêtes te ontwikkelen om gegevens te verzamelen over zorginfecties en de risico's voor grote aantallen mensen en dieren tijdens epidemieën en pandemieën te onderzoeken;

11.  benadrukt dat een betere uitwisseling van lokale, regionale en nationale informatie en gegevens over kwesties die zich voordoen op het gebied van de gezondheid van mens en dier, en het gebruik van systemen voor vroegtijdige waarschuwing de lidstaten kunnen helpen om passende inperkingsmaatregelen te nemen en zo de verspreiding van resistente organismen te beperken;

12.  pleit voor een grotere rol en meer personeel en financiële middelen voor alle relevante agentschappen van de EU in de strijd tegen AMR en zorginfecties; is van mening dat hechte samenwerking tussen EU-agentschappen en door de EU gefinancierde projecten van het allergrootste belang is;

13.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan regelmatig accurate rapportages in te dienen over het aantal bevestigde gevallen van AMR bij mensen, alsook van correcte en geactualiseerde AMR-overlijdensstatistieken;

14.  benadrukt dat de monitoring van de veehouderij ten gunste van de landbouw en de levensmiddelenindustrie, infectiepreventie, gezondheidsvoorlichting, bioveiligheidsmaatregelen, actieve screeningprogramma's en bestrijdingspraktijken van kritiek belang zijn voor het bestrijden van alle besmettelijke micro-organismen, aangezien deze de behoefte aan antimicrobiële stoffen verlagen en micro-organismen vervolgens minder kans krijgen om resistentie te ontwikkelen en te verspreiden; benadrukt dat het verplicht moet zijn alle gevallen van patiënten die besmet blijken te zijn met, of drager blijken te zijn van uiterst resistente bacteriën, aan de volksgezondheidsautoriteiten te melden; benadrukt de behoefte aan richtsnoeren over het isoleren van dragers in ziekenhuizen, en onderstreept dat er een multidisciplinaire professionele taskforce moet worden opgericht die rechtstreeks verslag uitbrengt aan de nationale ministeries van Volksgezondheid;

15.  benadrukt dat er behoefte is aan een EU-systeem voor de verzameling van gegevens over het correcte gebruik van alle antibiotica; pleit voor Europese protocollen om antibiotica voor te schrijven en toe te dienen waarin wordt gewezen op de verantwoordelijkheid in dezen van onder meer dierenartsen en eerstelijnsartsen; pleit verder voor het verplicht verzamelen op nationaal niveau van gegevens over alle gevallen waarin antibiotica worden voorgeschreven, en op de invoering daarvan in een door infectiedeskundigen gecontroleerde en gecoördineerde gegevensbank, om kennis te verspreiden over hoe antibiotica het best kunnen worden gebruikt;

16.  betreurt het in dit kader dat de Commissie niet eerder een strategische aanpak voor waterverontreiniging door farmaceutische stoffen heeft voorgesteld, zoals vereist is door de kaderrichtlijn water(20); roept derhalve de Commissie en lidstaten met klem op vaart te zetten achter de opstelling van een EU-strategie voor de aanpak van medicijnresten in water en het milieu, met voldoende aandacht voor monitoring, gegevensverzameling en een betere analyse van de gevolgen van AMR voor waterbronnen en het aquatisch ecosysteem; wijst op het nut van een integrale ketenaanpak van medicijnresten en AMR in het milieu(21);

17.  benadrukt dat de vervuiling van water en bodem door antibioticaresiduen afkomstig van de menselijke of diergeneeskunde een toenemend probleem vormt en dat het milieu nu zelf een mogelijke bron van nieuwe resistente micro-organismen is; roept de Commissie dan ook op om in het kader van het "één gezondheid"-actieplan veel meer aandacht te besteden aan het milieuaspect;

18.  wijst erop dat het vaak geciteerde getal van 25 000 sterfgevallen in de EU per jaar als gevolg van AMR en de bijbehorende kosten van ruim 1,5 miljard EUR uit 2007 stamt en dat voortdurend bijgewerkte informatie over de werkelijke last van AMR vereist is;

19.  herinnert eraan dat gezondheid een belangrijk onderdeel van de productiviteit en het concurrentievermogen vormt, en een van de onderwerpen waar burgers het meest bezorgd over zijn;

20.  verzoekt de Commissie aanvullende financiering toe te kennen aan Eucast, dat zich bezighoudt met de technische aspecten van fenotypische in-vitrotests op antimicrobiële gevoeligheid en dat fungeert als het comité voor breekpunten van het EMA en het ECDC;

21.  verzoekt de Commissie specifieke aanvullende financiering toe te wijzen voor onderzoek naar niet-therapeutische alternatieven voor diervoer in de veeteelt in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027;

22.  steunt als eerste aanzet het antwoord van de Raad op het ontwerp van de Codex Alimentarius om antimicrobiële resistentie tot een minimum te beperken en onder controle te houden en de beginselen 18 en 19 daarvan over de verantwoorde en verstandige toediening van antimicrobiële stoffen;

23.  vindt dat de nadruk moet komen te liggen op de naleving van richtsnoeren voor infectiebestrijding, waarin streefcijfers voor beperking van het besmettingspercentage worden opgenomen en goede werkmethoden om bij te dragen tot een grotere patiëntveiligheid in ziekenhuizen worden ondersteund;

24.  verzoekt de Commissie, het ECDC en de lidstaten het gebruik van handdoeken voor eenmalig gebruik op hygiënegevoelige locaties zoals instellingen voor gezondheidszorg, faciliteiten voor voedselverwerking en kinderdagverblijven te bevorderen;

25.  herinnert eraan dat voeding een van de manieren is om resistente bacteriën over te dragen van dieren op mensen, en dat resistente bacteriën bovendien kunnen circuleren in groepen mensen en dieren via water en het milieu; neemt kennis van de risico's op infecties met resistente organismen via besmette gewassen die zijn behandeld met antimicrobiële stoffen, of via mest of weggesijpelde stoffen in het grondwater op boerderijen; wijst er in dit verband op dat de verspreiding van dergelijke bacteriën wordt beïnvloed door handel, reizen en migratie van mensen en dieren;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van de volksgezondheid boodschappen te verspreiden om het bewustzijn onder de bevolking te vergroten en op die manier een verandering in het gedrag te bewerkstelligen met betrekking tot het verantwoordelijke gebruik en beheer van antibiotica, met name het profylactische gebruik; benadrukt hoe belangrijk het is mensen wegwijs te maken in het gezondheidsjargon, aangezien het cruciaal is dat patiënten gezondheidsinformatie begrijpen en in staat zijn behandelingsinstructies nauwgezet op te volgen; benadrukt dat preventieve maatregelen, met inbegrip van goede hygiëne, moeten worden opgevoerd om de vraag naar antibiotica bij mensen te verlagen; benadrukt dat het bewustzijn van de gevaren van zelfmedicatie en te snel voorschrijven van antibiotica een kernelement van een preventieve strategie moet zijn;

27.  verzoekt de lidstaten om in het kader van de volksgezondheid boodschappen te verkondigen om het bewustzijn onder de bevolking te vergroten over het verband tussen infecties en persoonlijke hygiëne; benadrukt dat het om het gebruik van antimicrobiële stoffen doeltreffend te beperken eerst en vooral nodig is te verhinderen dat infecties zich verspreiden; moedigt in dit verband de bevordering van initiatieven voor zelfzorg aan;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen waardoor patiënten instemmen met en zich houden aan antibiotica- of andere passende behandelingen zoals die door medisch personeel zijn voorgeschreven;

29.  dringt er bij de Commissie op aan in overeenstemming met de "één gezondheid"-aanpak richtsnoeren voor te stellen waarin optimale werkmethoden uiteengezet zijn voor de uitwerking van geharmoniseerde kwaliteitsnormen die ten uitvoer moeten worden gelegd in curricula in de hele EU om interdisciplinair onderwijs, infectiepreventie en opleidingsprogramma's voor mensen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg te bevorderen, het juiste gedrag van gezondheidsmedewerkers en dierenartsen te waarborgen met betrekking tot het voorschrijven, doseren, toedienen en verwijderen van antimicrobiële stoffen en met AMR besmette stoffen(22), en om ervoor te zorgen dat er multidisciplinaire teams voor antibioticabeheer worden opgericht en ingezet in ziekenhuizen;

30.  benadrukt dat een derde van de antibiotica wordt voorgeschreven in de eerstelijnszorg zodat de gebruiksprotocollen prioritair op deze sector gericht moeten zijn; benadrukt dat specialisten op het gebied van besmettelijke ziekten nodig zijn om deze protocollen uit te werken, te controleren en op te volgen; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen over het gebruik van deze protocollen in de gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten alle bestaande protocollen te herzien, in het bijzonder met betrekking tot profylactisch gebruik bij operaties; is ingenomen met op nationaal niveau lopende projecten zoals het Pirasoa-programma, als voorbeelden van goede werkmethoden voor rationeel gebruik in de eerstelijnszorg en in ziekenhuizen; steunt de ontwikkeling van mechanismen waarmee optimale werkmethoden en protocollen kunnen worden uitgewisseld;

31.  is zich ervan bewust dat zorgverleners vaak snel moeten beslissen of er sprake is van een therapeutische indicatie voor een behandeling met antibiotica; merkt op dat snelle diagnostische tests (RDT's) kunnen bijdragen aan het nemen van doeltreffende en precieze beslissingen;

32.  spoort de lidstaten aan de verspreiding van infecties door resistente bacteriën te voorkomen door actieve screeningprogramma's uit te voeren met behulp van snelle diagnostische technologieën om snel in kaart te brengen welke patiënten met multiresistente bacteriën besmet zijn en passende infectiebestrijdingsmaatregelen te treffen (zoals het isoleren van patiënten, behandeling van specifieke cohorten en verscherpte hygiënemaatregelen);

33.  is zich ervan bewust dat de kosten van RDT's hoger kunnen uitvallen dan de prijs van antibiotica; verzoekt de Commissie en de lidstaten stimulansen voor de industrie voor te stellen om doeltreffende, goedkope en efficiënte testmethodes te ontwikkelen en gebruik te maken van RTD's; benadrukt dat RTD's in slechts 40 % van de OESO-landen verkrijgbaar zijn in het gehele land; verzoekt zorgverzekeraars de extra kosten die het gebruik van RDT's met zich meebrengt te vergoeden, gezien de langetermijnvoordelen van het voorkomen van het onnodige gebruik van antibiotica;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de verkoop van antibiotica door personen die werkzaam zijn in de menselijke of dierengezondheidszorg en deze antibiotica voorschrijven te beperken, en elke financiële of andere prikkel voor het voorschrijven van antibiotica weg te nemen, maar wel te blijven garanderen dat urgente diergeneesmiddelen snel genoeg beschikbaar zijn; benadrukt dat veel antimicrobiële stoffen voor zowel mensen als dieren worden gebruikt, dat sommige van deze antimicrobiële stoffen cruciaal zijn voor het voorkomen of behandelen van levensbedreigende infecties bij mensen, en dat het gebruik daarvan bij dieren dan ook moet worden verboden; benadrukt dat deze antimicrobiële stoffen voorbehouden moeten worden voor de behandeling van mensen om de doeltreffende werking bij de handeling van infecties bij mensen zo lang mogelijk te rekken; is van mening dat het de lidstaten moet worden toegestaan striktere maatregelen te nemen of te handhaven om de verkoop van antibiotica in te perken;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ferme maatregelen te treffen tegen de illegale verkoop van antimicrobiële producten of de verkoop ervan zonder voorschrift van een arts of dierenarts in de EU;

36.  benadrukt de waarde van vaccinaties en diagnostische hulpmiddelen in de strijd tegen AMR en zorginfecties; pleit voor het opnemen van streefdoelen voor de levenslange vaccinatie en infectiebestrijding van de bevolking, vooral van risicogroepen, als belangrijk element van nationale actieplannen inzake AMR; benadrukt daarnaast het belang van toegankelijke informatie en bewustmaking van de bevolking om de vaccinatiegraad in de menselijke en dierengezondheidszorg te verhogen en zodoende ziekten en AMR kosteneffectief aan te pakken;

37.  benadrukt dat in het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen AMR wordt vastgesteld dat immunisatie door vaccinatie een kosteneffectieve gezondheidsinterventie in de strijd tegen AMR is(23), dat de Commissie in het actieplan stimulansen aankondigt om het gebruik van diagnostiek, antimicrobiële alternatieven en vaccins te bevorderen(24), maar dat relatief hogere kosten van diagnostiek, antimicrobiële alternatieven en vaccinatie vergeleken bij gangbare antibiotica een belemmering vormen voor de verhoging van de vaccinatiegraad zoals in het actieplan wordt beoogd(25); benadrukt dat tal van lidstaten vaccinatie nu al als belangrijke beleidsmaatregel beschouwen, zowel om uitbraken van grensoverschrijdende dierziekten te voorkomen als verdere besmettingsrisico's voor de landbouwmarkt van de EU te beperken, en daarom een vaccinatieverplichting ingevoerd hebben;

38.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om infecties die tot sepsis kunnen leiden te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de lidstaten om in hun nationale actieplannen inzake AMR gerichte maatregelen op te nemen om de preventie, vroegtijdige detectie en diagnose en klinische beheersing van sepsis te verbeteren;

39.  verzoekt de Commissie te verkennen hoe het potentieel van de Europese referentienetwerken op het gebied van zeldzame ziekten het best kan worden benut, en de mogelijke rol van deze netwerken bij het onderzoek naar AMR te beoordelen;

40.  benadrukt dat de vervuiling van het milieu door residuen van voor mensen of dieren gebruikte antibiotica, met name in de veeteelt, in ziekenhuizen en huishoudens, een oprukkend probleem is dat samenhangende beleidsmaatregelen vereist om de verspreiding van AMR in ecosystemen en bij dieren en mensen te voorkomen; pleit ervoor nader onderzoek te verrichten naar de dynamiek van de overbrenging en de relatieve gevolgen van deze vervuiling voor AMR; ziet dan ook graag dat er synergieën tot stand worden gebracht tussen de "één gezondheid"-benadering en de bestaande monitoringgegevens over het milieu, met name in de vorm van het bijhouden van aandachtstoffenlijsten uit hoofde van de kaderrichtlijn water, om de kennis over de aanwezigheid en de verspreiding van antimicrobiële stoffen in het milieu te verbeteren;

41.  merkt op dat bacteriën die zijn blootgesteld aan herbiciden anders reageren op klinisch relevante antibiotica; wijst op de frequente veranderingen in antibioticaresistentie als gevolg van het gebruik van goedgekeurde herbiciden en antibiotica, en stelt vast dat de gevolgen van deze veranderingen aan het toezicht op de regelgeving ontsnappen;

42.  verzoekt de Commissie passende stappen te ondernemen om het vrijkomen van farmaceutische stoffen, waaronder antimicrobiële stoffen, in het milieu via afvalwater en installaties voor de behandeling van afvalwater aan te pakken als een belangrijke factor bij het ontstaan van AMR;

43.  pleit voor een evaluatie van de milieurisicobeoordelingen als onderdeel van de vergunningsprocedure voor het in de handel brengen van antimicrobiële stoffen en voor oudere producten die reeds op de markt zijn; pleit voor de strikte naleving van de goede productiepraktijken van de EU en groene aanbestedingsvoorschriften met betrekking tot de productie en de verspreiding van farmaceutische producten en het vrijkomen van antibiotica in het milieu;

44.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de snelle toename van multiresistente schimmels aan te pakken door het gebruik van fungiciden in de landbouw en industrie te evalueren;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten geleidelijk een einde te maken aan het gebruik van antimicrobiële verbindingen of chemische stoffen in niet-klinisch verband, zoals alledaagse schoonmaakproducten en andere consumentenproducten;

46.  onderstreept dat er dringend behoefte is aan gedegen onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen in voedingsgewassen en diervoeders voor het ontstaan van AMR, en naar microbiële stoffen in de bodem;

47.  wijst er in dit kader op dat er een zorgvuldige beoordeling vooraf van de maatschappelijke kosten van een "end of pipe"-aanpak noodzakelijk is;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun codes van goede landbouwpraktijken en de relevante beste beschikbare technieken in het kader van de richtlijn industriële emissies(26) te herzien en daar bepalingen in op te nemen voor de verwerking van mest die antibiotica/micro-organismen bevat die resistent zijn tegen antimicrobiële stoffen;

49.  roept de Commissie en lidstaten op de ontwikkeling van duurzame geneesmiddelen met een lage milieu- en waterimpact en verdere innovatie in de farmaceutische sector op dit gebied te stimuleren;

50.  benadrukt dat niet alle lidstaten over voldoende middelen beschikken om brede nationale strategieën inzake AMR te ontwikkelen en toe te passen; dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten duidelijke informatie te verstrekken over de EU-middelen die beschikbaar zijn voor de aanpak van AMR en om voor dit doel specifiekere financiering beschikbaar te stellen;

51.  verzoekt de Commissie om de referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken (BREF) in het kader van de richtlijn industriële emissies die verband houden met de emissies van fabrieken die antibiotica produceren, te evalueren en te herzien;

52.  dringt er bij de Commissie op aan om de beschikbare wetgeving op alle gebieden die met AMR verband houden doeltreffend in te zetten zodat de bedreiging op alle beleidsterreinen wordt aangepakt;

53.  benadrukt het belang van een benadering op basis van een levenscyclusanalyse: van de productie en het voorschrijven van antibiotica tot het beheer van farmaceutisch afval; verzoekt de Commissie het probleem van de verwijdering van antibiotica aan te pakken, waarbij alternatieven voor verbranding moeten worden onderzocht, zoals vergassing;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat milieukwesties worden opgenomen in het geneesmiddelenbewakingssysteem voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik en worden versterkt voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, met name met betrekking tot AMR;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten kwaliteitsnormen (grenswaarden) of risicobeoordelingsvereisten vast te stellen om ervoor te zorgen dat mest, zuiveringsslib en irrigatiewater veilige concentraties bevatten van relevante antibiotica en micro-organismen die resistent zijn tegen antimicrobiële stoffen voordat deze kunnen worden verspreid over akkers;

56.  verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten een informatiecampagne in de hele EU te starten voor consumenten en bedrijven over aquacultuur in het algemeen en in het bijzonder over de verschillen tussen de strenge, alomvattende normen op de EU-markt en de normen die gelden voor uit derde landen ingevoerde producten, met bijzondere aandacht voor de problemen die de invoer naar de Unie van bijzonder resistente micro-organismen en AMR kunnen veroorzaken voor de voedselveiligheid en volksgezondheid;

57.  pleit voor de geleidelijke afschaffing van routinematige profylactische toediening van antimicrobiële stoffen en van de metafylactische toediening van antimicrobiële stoffen bij groepen dieren, en wil dat het gebruik van antibiotica als laatste redmiddel bij voedselproducerende dieren volledig wordt verboden; benadrukt dat goede veeteeltpraktijken, een goede hygiëne, boerderijbeheer en investeringen op deze terreinen bijdragen aan de preventie van infecties en zodoende tot een beperkter gebruik van antibiotica; dringt er bij de Commissie op aan een nieuwe EU-strategie voor dierenwelzijn voor te stellen, zoals bepleit door het Europees Parlement, om op lange termijn een wet inzake dierenwelzijn te ontwerpen; verzoekt de Commissie met klem om de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de nog openstaande punten van de EU-strategie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015;

58.  onderstreept dat goed landbouwbeheer, goede bioveiligheid en goede veeteeltsystemen de basis vormen van de gezondheid en het welzijn van voedselproducerende dieren en dat deze elementen, wanneer ze correct worden toegepast, de vatbaarheid voor bacterieziekten en de noodzaak voor de toediening van antibiotica aan dieren tot een minimum beperken;

59.  is van mening dat toereikende financiering voor investeringen binnen landbouwbedrijven, zoals voor hoogwaardige huisvesting, ventilatie, schoonmaak, desinfectie, vaccinatie en bioveiligheid moeten worden gestimuleerd en niet mogen worden afgezwakt in het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB); beseft in dat opzicht hoe belangrijk het is dat leden van de landbouwgemeenschap zich bewust zijn van dierenwelzijn, dierengezondheid en voedselveiligheid; merkt op hoe belangrijk het is om optimale werkmethoden te bevorderen en te hanteren in alle stadia van de productie en de verwerking van levensmiddelen en hoe belangrijk veilig en uitgebalanceerd voer, specifieke voederstrategieën, de samenstelling van voer, voederbereidingen en voerverwerking zijn;

60.  roept de Commissie en lidstaten op om – ook in het kader van de herziening van het GLB – meer beleidssynergie en in overeenstemming met de constateringen in haar "één gezondheid"-actieplan tegen AMR doeltreffende financiële stimulansen en ondersteuning te voorzien voor dierhouders die een significante reductie van het antibioticagebruik en een hoge vaccinatiegraad van hun dieren resp. veestapel kunnen aantonen;

61.  benadrukt dat goede sanitaire voorzieningen en hygiëne in landbouwbedrijven van fundamenteel belang zijn; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor het gebruik van antibiotica bij dieren en voor de hygiënische omstandigheden in landbouwbedrijven; verzoekt de lidstaten specifieke plannen op te stellen en het toezicht op de sanitaire omstandigheden aan te scherpen;

62.  wijst op de preventieve maatregelen die moeten worden genomen voordat er wordt gekozen voor de antimicrobiële behandeling van hele groepen (metafylaxe) voedselproducerende dieren:

   het gebruik van goede, gezonde fokdieren die op natuurlijke wijze groeien, met de juiste genetische verscheidenheid;
   omstandigheden die zijn afgestemd op de ethologische behoeften van de diersoort, inclusief sociale interacties en hiërarchieën;
   bezettingsdichtheden die het risico op ziekteoverdracht niet vergroten;
   isoleren van zieke dieren van de rest van de groep;
   (voor kippen en kleinere dieren) onderverdeling in kleinere, fysiek gescheiden groepen;
   tenuitvoerlegging van bestaande regels inzake dierenwelzijn die al voldoen aan de randvoorwaarden die zijn vastgelegd in uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RME's) 11, 12, 13 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013(27);

63.  is van mening dat voorschriften om op etiketten te verwijzen naar het gebruik van antibiotica kunnen leiden tot meer kennis bij de consumenten waardoor ze een beter onderbouwde keuze kunnen maken; verzoekt de Commissie een geharmoniseerd systeem voor etikettering te ontwikkelen op basis van dierenwelzijnsnormen en goede veeteeltpraktijken, zoals reeds voorzien in 2009(28);

64.  wijst tevens op recente wetenschappelijke bevindingen (februari 2018) die aantonen dat mensen slechts in beperkte mate Extended Spectrum Bèta-Lactamases (ESBL’s) krijgen via de veehouderij en het eten van vlees en dat de overdracht van ESBL's voornamelijk tussen mensen onderling geschiedt(29);

65.  wijst erop dat antibiotica in de intensieve veeteelt soms op oneigenlijke wijze en routinematig worden toegevoegd aan het voer voor (pluim)vee op boerderijen om een snellere groei te bevorderen, en dat ze ook op grote schaal voor profylactische doeleinden worden gebruikt om de verspreiding van ziekten te voorkomen die optreden als gevolg van ruimtegebrek, opsluiting en de stressvolle omstandigheden waarin de dieren worden gehouden en die hun immuunsysteem onderdrukken, alsmede om de onhygiënische omstandigheden waarin zij worden gefokt te compenseren;

66.  is van mening dat ons begrip over de overdracht van AMR van boerderijdieren naar mensen al vrij solide is en dat dit niet voldoende naar voren komt in het actieplan; merkt op dat in het actieplan uitsluitend wordt opgeroepen tot nader onderzoek en het dichten van kennisgaten op dit gebied, waardoor broodnodig optreden mogelijk wordt uitgesteld;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een onderscheid aan te brengen tussen vee en huisdieren, vooral bij de ontwikkeling van mechanismen om het gebruik van antimicrobiële stoffen in de diergeneeskunde te controleren en te beoordelen en bij het opstellen van maatregelen om het gebruik ervan aan te pakken;

68.  benadrukt dat er in de landbouw in samenwerking met dierenartsen een alomvattende methode voor de monitoring van antibiotica is ontwikkeld waarmee het gebruik van antibiotica uitgebreid in kaart wordt gebracht en de toediening ervan verder wordt verbeterd; betreurt het dat er tot nu toe voor de menselijke geneeskunde geen vergelijkbaar systeem bestaat;

69.  merkt op dat ook de agentschappen van de EU bevestigen dat er een verband bestaat tussen antibioticaresistentie bij voedselproducerende dieren (bijv. vleeskippen) en een groot deel van de bacteriële infecties bij de mens als gevolg van de behandeling, de bereiding en de consumptie van het vlees van deze dieren(30);

70.  benadrukt dat onderzoek uitwijst dat ingrepen waarmee de toediening van antibiotica aan voedselproducerende dieren aan banden wordt gelegd, in verband worden gebracht met een afname van de aanwezigheid van antibioticaresistente bacteriën bij deze dieren(31);

71.  roept de Commissie en de lidstaten vanwege dit recente onderzoek(32) op tot zorgvuldigheid en proportionaliteit bij het nemen van maatregelen, en tot een zorgvuldige beoordeling en classificering van antibiotica en antimicrobiële resistentie in alle relevante wetgeving, teneinde de beschikbaarheid van middelen ter bestrijding van bepaalde protozoa, zoals coccidia, in de Europese veeteelt niet onnodig te beperken en daardoor onbedoeld een verhoging van de risico's van besmetting van de mens met gevaarlijke bacteriën, zoals salmonella en microben uit voedsel te veroorzaken;

72.  betreurt het dat het Europese "één gezondheid"-actieplan tegen AMR geen toewijzing van middelen omvat, noch een ambitieuzer gebruik van wetgevingsinstrumenten; verzoekt de Commissie bij de ontwikkeling van actieplannen in de toekomst ambitieuzer te zijn en vastberadener inspanningen te leveren voor de volledige uitvoering van dergelijke plannen;

73.  betreurt het dat de in principe juiste strategische benadering van de Commissie te vaak beperkt blijft tot intentieverklaringen, en roept de Commissie op haar benadering nader te verklaren;

74.  verzoekt de Commissie de nationale strategieën te coördineren en te monitoren met het oog op de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten;

75.  verzoekt de lidstaten ambitieuze nationale strategieën te ontwikkelen voor de strijd tegen AMR in de veeteeltsector, en daarin kwantitatieve reductiedoelstellingen voor het diergeneeskundig gebruik van antimicrobiële stoffen op te nemen waarbij rekening wordt gehouden met lokale omstandigheden; benadrukt dat alle sectoren die te maken hebben met een onderdeel van de voedselketen bij de tenuitvoerlegging van deze strategieën betrokken moeten worden;

76.  merkt op dat sommige lidstaten beschikken over wettelijk gedefinieerde, professioneel gekwalificeerde adviseurs inzake diergeneesmiddelen die door de bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd om bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor te schrijven; benadrukt dat het deze personen in de nationale actieplannen inzake AMR niet mag worden verboden om in voorkomend geval bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor te schrijven en te verstrekken, gezien de essentiële rol die deze personen kunnen spelen in geïsoleerde plattelandsgemeenschappen;

77.  wijst op het belang van uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten en de coördinatie van deze uitwisseling door de Commissie; verwelkomt in dit kader de afname van het antibioticagebruik in de veeteelt in Nederland met 64,4 % in de periode 2009-2016 en de uitgesproken nationale ambitie om dit percentage tot 2020 nog verder terug te dringen; roept de Commissie en de lidstaten op dit voorbeeld van publiek-private samenwerking tussen de overheid, verschillende sectoren, wetenschappers en dierenartsen ook in andere delen van de Unie te volgen;

78.  dringt er bij de lidstaten op aan de invoering te overwegen van positieve fiscale stimulansen (belastingvrijstellingen voor landbouwers) en negatieve fiscale stimulansen (belastingen op de verkoop van antibiotica zoals de met succes ingevoerde belastingen in België en Denemarken) voor het gebruik voor niet-therapeutische doeleinden van antibiotica in de veeteelt;

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie met betrekking tot AMR stimuleren

79.  wijst erop dat de EU met een investering van 1,3 miljard EUR in AMR-onderzoek leider is op dit gebied, en dat de lancering van het "New Drugs for Bad Bugs"-programma (ND4BB)(33) en het gezamenlijk programmeringsinitiatief inzake AMR (JPIAMR)(34) voorbeelden zijn van wat de EU op dit gebied heeft verwezenlijkt; beklemtoont de noodzaak van de efficiëntie en de coördinatie van onderzoeksacties; verwelkomt dan ook initiatieven zoals het ERA-NET voor het tot stand brengen van synergieën tussen het JPIAMR en Horizon 2020; benadrukt dat tot de jaren zestig meer dan twintig nieuwe antibioticacategorieën werden ontwikkeld, en stelt met bezorgdheid vast dat er de afgelopen jaren geen werkelijk nieuwe categorieën antimicrobiële stoffen zijn geïntroduceerd;

80.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij nadenkt over een nieuw wetgevingskader om de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen voor mensen te stimuleren, waarom al op 10 maart 2016 werd verzocht door het Parlement in zijn amendementen op het voorstel voor een verordening betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en in zijn resolutie van 19 mei 2015; merkt op dat de Commissie in het Europese "één gezondheid"-actieplan tegen AMR tevens toezegt "de regelgevende instrumenten en prikkels van de EU [te] analyseren – met name wetgeving rond weesgeneesmiddelen en geneesmiddelen voor kinderen – om deze te gebruiken voor vernieuwende antimicrobiële stoffen";

81.  stelt met tevredenheid vast dat de EFSA en het EMA onlangs een aantal alternatieven voor het gebruik van antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren hebben geëvalueerd en besproken, waarvan sommige tijdens experimentele studies veelbelovende resultaten hebben laten zien voor het verbeteren van de gezondheidsparameters van dieren; beveelt derhalve aan een nieuwe impuls te geven aan wetenschappelijk onderzoek naar alternatieven, en een EU-wetgevingskader te ontwerpen waardoor de ontwikkeling daarvan gestimuleerd wordt en het traject voor de goedkeuring ervan duidelijk wordt gemaakt;

82.  herinnert eraan dat de traditionele manier van het ontwikkelen van antibiotica, die stoelt op een aantal technieken voor het modificeren van uit de natuur verkregen antibiotica, uitgeput is en dat investeringen in O&O voor de ontwikkeling van een nieuwe generatie antibiotica nodig zijn om van het oude op het nieuwe model te kunnen overstappen; is ingenomen met de reeds ontwikkelde nieuwe technieken, zoals monoklonale antilichamen, die bacteriën niet doden maar de virulentie ervan reduceren, waardoor ze nutteloos worden;

83.  wijst erop dat wetenschap en onderzoek een essentiële rol spelen bij de ontwikkeling van normen in de strijd tegen AMR;

84.  is ingenomen met de recente onderzoeksprojecten naar alternatieve antibioticatherapieën zoals bacteriofaagtherapie, bijvoorbeeld het door de EU gefinancierde Phagoburn-project; merkt op dat tot dusver geen enkele vorm van bacteriofaagtherapie op EU-niveau is goedgekeurd; verzoekt de Commissie een kader voor bacteriofaagtherapie voor te stellen aan de hand van het meest recente wetenschappelijke onderzoek;

85.  wijst op recent onderzoek naar de ontwikkeling van probiotica van de volgende generatie voor gelijktijdig gebruik met een antibioticabehandeling in klinisch verband, waarvan is aangetoond dat het zorginfecties vermindert die worden veroorzaakt door zeer antibioticaresistente bacteriën(35);

86.  merkt op dat O&O op het vlak van nieuwe benaderingen van de behandeling en preventie van infecties even belangrijk zijn en dat deze benaderingen het gebruik kunnen omvatten van stoffen om de immuunreactie op een bacteriële infectie te versterken, zoals pre- en probiotica;

87.  spoort het EMA in samenwerking met de EFSA en het ECDC aan alle beschikbare informatie over de voordelen en risico's van oudere antimicrobiële agentia, waaronder een combinatie van verschillende antibiotica, te evalueren en na te gaan of er wijzigingen nodig zijn ten aanzien van de goedgekeurde gebruiksvormen ervan; benadrukt dat een vroegtijdige dialoog tussen innovatoren en regulerende instanties moet worden aangemoedigd teneinde in voorkomend geval het regelgevingskader aan te passen om prioriteit te geven aan de ontwikkeling van antimicrobiële geneesmiddelen en deze ontwikkeling te versnellen, en om snellere toegang mogelijk te maken;

88.  spoort de Commissie aan een versnelde procedure in te voeren, waarbij het gebruik van antimicrobiële stoffen die zijn goedgekeurd voor industriële of landbouwdoeleinden maar waarvan wordt gedacht dat ze ernstige negatieve gevolgen voor AMR hebben, tijdelijk kan worden verboden totdat verdere studies naar de gevolgen van de antimicrobiële stof in kwestie zijn uitgevoerd;

89.  wijst erop dat de inferieure kwaliteit van medische en diergeneeskundige producten met een lage concentratie aan werkzame stoffen en/of het langdurig gebruik ervan het ontstaan van resistente microben in de hand werkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook wetten te verbeteren en op te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat geneesmiddelen van hoogwaardige kwaliteit, veilig en doeltreffend zijn en dat de toediening ervan geschiedt volgens strikte beginselen;

90.  verzoekt de Commissie meer middelen uit te trekken voor vroegtijdige sectoroverschrijdende en interdisciplinaire O&I (onderzoek en innovatie) op het vlak van epidemiologie en immunologie van AMR-ziekteverwekkers en het screenen van zorginfecties, met name onderzoek naar de overbrengingsroutes tussen dieren en mensen en het milieu; verzoekt de Commissie onderzoek naar handhygiëne en de impact van verschillende methoden voor het wassen en drogen van de handen op de overbrenging van mogelijke ziekteverwekkers te ondersteunen;

91.  verzoekt de Commissie in dezelfde mate te investeren in de ontwikkeling van niet-antibiotische alternatieven voor de gezondheid van dieren waaronder groeibevorderaars als in de ontwikkeling van nieuwe moleculen voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica; benadrukt dat nieuwe antibiotica niet mogen worden gebruikt voor het bevorderen van de gezondheid of de groei van dieren en dat de bedrijfstakken die overheidsmiddelen ontvangen voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica moeten stoppen met het verstrekken en/of toedienen van antibiotica voor de bevordering van de gezondheid en groei van dieren;

92.  is verheugd over de recente grensoverschrijdende onderzoeksprojecten naar antimicrobieel beheer en de voorkoming van infecties, zoals het door de EU gefinancierde project i-4-1-Health Interreg; verzoekt de Commissie de onderzoeksfinanciering voor maatregelen ter preventie van zorginfecties te verhogen;

93.  verzoekt de Commissie inspanningen voor O&O op het gebied van AMR verder te ondersteunen, met inbegrip van wereldwijde gezondheidsinfecties zoals vastgelegd in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, vooral resistente tbc en malaria, hiv en verwaarloosde tropische ziekten, als onderdeel van het volgende EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, onder meer door een specifieke doelstelling in het programma te wijden aan de wereldwijde strijd tegen AMR;

94.  verzoekt de Commissie het vervoer van levende dieren aan banden te leggen uit gebieden waarin door het huidige monitoringsysteem antimicrobieel resistente bacteriestammen zijn ontdekt;

95.  stelt vast dat bepaalde gewasbeschermingsproducten mogelijk ook antimicrobiële eigenschappen hebben die de verspreiding van AMR kunnen beïnvloeden; pleit voor verder onderzoek naar het mogelijke verband tussen de blootstelling aan commerciële toepassingen van pesticiden en herbiciden en de ontwikkeling van AMR; onderschrijft dat herbiciden routinematig getest worden op toxiciteit maar niet op subletale effecten op microben, en benadrukt om bovengenoemde redenen hoe belangrijk het is om te overwegen deze testen routinematig uit te voeren;

96.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een vroegtijdige en ononderbroken dialoog met alle belanghebbenden te bevorderen om passende stimulansen voor O&O op het gebied van AMR uit te werken; erkent dat er geen standaardaanpak bestaat; dringt er bij de Commissie op aan het maatschappelijk middenveld formeel bij de besprekingen over "één gezondheid" te betrekken, bijvoorbeeld door een specifiek netwerk van belanghebbenden op te zetten en te financieren;

97.  benadrukt het belang van verschillende samenwerkingsmodellen waarbij de publieke sector het voortouw neemt en waarbij ook het bedrijfsleven betrokken wordt; realiseert zich dat de capaciteiten van de industrie een sleutelrol vervullen bij O&O op het vlak van AMR; beklemtoont dat verdere prioritering en coördinatie van O&O-inspanningen door overheden ten aanzien van deze dringende kwestie desalniettemin nodig zijn; verzoekt de Commissie dan ook een openbaar platform te lanceren voor met overheidsmiddelen gefinancierde O&O-projecten inzake AMR en voor de coördinatie van alle O&O-acties;

98.  onderstreept in dit verband dat het met het huidige innovatiekader niet mogelijk is O&O op het gebied van AMR doeltreffend te stimuleren, en verzoekt om de aanpassing en harmonisering van de regeling inzake intellectuele eigendom op Europees niveau, met name om met betrekking tot het innovatieve geneesmiddel in kwestie de duur van de bescherming beter te laten samenvallen met de aangevraagde periode;

99.  is van mening dat al in veel verschillende delen van de Unie onderzoek plaatsvindt naar de bestrijding van AMR, zonder dat er tot nu toe een adequaat overzicht bestaat van de stand van het onderzoek in de EU als geheel; stelt in dit verband voor hiertoe een specifiek platform op EU-niveau op te richten, zodat de onderzoeksmiddelen in de toekomst efficiënter kunnen worden ingezet;

100.  wijst erop hoe waardevol het is coalities te smeden tussen de academische wereld en biofarmaceutische bedrijven voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica, snelle diagnosetechnieken en nieuwe therapieën;

101.  is verheugd over de conclusies van het gezamenlijke technische symposium van de WHO, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO), getiteld "Antimicrobial Resistance: how to foster innovation, access and appropriate use of antibiotics"(36), waar werd gesproken over nieuwe modellen voor het stimuleren van O&O waarbij de winstgevendheid van antibiotica wordt losgekoppeld van verkoopvolumes;

102.  brengt in herinnering dat de verordening betreffende klinische proeven(37) zal bijdragen aan het stimuleren van onderzoek naar nieuwe antimicrobiële stoffen in de EU; verzoekt de Commissie en het EMA onverwijld uitvoering te geven aan de verordening betreffende klinische proeven;

103.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te verlenen aan de ontwikkeling en invoering van nieuwe economische modellen, proefprojecten en push- en pullstimulansen om de ontwikkeling van nieuwe therapieën, diagnostische middelen, antibiotica, medische instrumenten, vaccins en alternatieven voor het gebruik van antimicrobiële stoffen aan te jagen; is van mening dat bovengenoemde elementen zinvol zijn wanneer ze op de lange termijn houdbaar zijn, uitgaan van bestaande behoeften en gestoeld zijn op bewijs, gericht zijn op de belangrijkste overheidsprioriteiten, en passend medisch gebruik ondersteunen;

104.  verzoekt de Commissie de efficiëntie van de huidige hygiënepraktijken en sanitaire methoden in ziekenhuizen en zorginstellingen te beoordelen; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar het gebruik van probiotica en andere duurzame hygiënetechnologieën als efficiënte sanitaire benaderingen voor het voorkomen en terugdringen van het aantal zorginfecties die aan AMR kunnen worden toegeschreven;

105.  spoort aan tot de invoering van kosteneffectiviteitstechnologieën waardoor de gevolgen van zorginfecties in ziekenhuizen worden beperkt en er wordt bijgedragen aan de preventie van de verspreiding van multiresistente micro-organismen;

106.  spoort de lidstaten aan alternatieve vergoedingssystemen te bevorderen om de invoering van innovatieve technologieën in de nationale gezondheidszorgstelsels mogelijk te maken;

107.  wijst erop dat het gebruikelijke bedrijfsmodel voor het ontwikkelen van geneesmiddelen niet geschikt is voor de ontwikkeling van antibiotica, aangezien resistentie geleidelijk kan ontstaan en omdat ze bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik en als uiterste redmiddel; herinnert de industrie aan haar bedrijfs- en maatschappelijke verantwoordelijkheid om samen te werken bij de aanpak van AMR door nieuwe manieren te zoeken om de levensduur van antibiotica te verlengen, en zodoende te zorgen voor een duurzaam aanbod van doeltreffende antibiotica, en pleit voor stimulansen voor dergelijk onderzoek en voor het bepalen van het regelgevingstraject;

108.  herinnert eraan dat zowel het Parlement als de Raad erop hebben aangedrongen de bestaande stimulansen (d.w.z. de stimulansen die zijn vastgelegd in de weesgeneesmiddelenverordening(38)) tegen het licht te houden, gezien het daarmee gepaard gaande wangebruik en de hoge eindprijzen; verzoekt daarom de Commissie de huidige stimuleringsmodellen voor O&O te analyseren, met inbegrip van het model voor overdraagbare marktexclusiviteiten, teneinde nieuwe modellen te ontwerpen en het regelgevingstraject vast te stellen;

109.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenwerking met onderzoekers en de industrie nieuwe stimulerende modellen te ontwikkelen waarmee de betaling wordt losgekoppeld van het voorgeschreven volume, en investeringen te bevorderen in de gehele ontwikkelings- en levenscyclus van producten; beklemtoont dat het uiteindelijke doel van O&O-stimulansen het waarborgen van de betaalbaarheid van en de toegankelijkheid tot kwalitatief hoogwaardige antibiotica moet zijn;

110.  onderkent de belangrijke rol van apothekers bij de bewustmaking omtrent het gepaste gebruik van antimicrobiële stoffen en bij de preventie van AMR; spoort de lidstaten aan hun verantwoordelijkheden uit te breiden door de verstrekking van de exacte hoeveelheid toe te staan en het toedienen van bepaalde vaccins en snelle diagnostische tests in apotheken toe te staan;

111.  pleit ervoor overdraagbare marktexclusiviteiten en beloningen voor het op de markt brengen te overwegen als mogelijkheden voor duurzame stimulansen;

112.  verzoekt de Commissie mondiaal het voortouw te nemen bij het bepleiten van op bewijs gestoelde modellen voor optimale werkmethoden voor vroegtijdige diagnoses teneinde AMR aan te pakken;

De wereldwijde agenda vormgeven

113.  onderstreept dat de wereld zonder geharmoniseerd en acuut optreden op mondiale schaal afstevent op een post-antibioticatijdperk waarin veel voorkomende infecties weer dodelijk kunnen worden;

114.  brengt in herinnering dat AMR door de complexiteit van het probleem, de grensoverschrijdende dimensie ervan, de ernstige gevolgen voor het milieu, de gezondheid van mens en dier, en de hoge economische kosten dringende en gecoördineerde maatregelen vergt in de EU, wereldwijd en over de sectoren heen; verzoekt de EU en de lidstaten dan ook zich kordaat in te zetten om Europese en internationale partnerschappen op te zetten en een sectoroverschrijdende strategie te lanceren voor de bestrijding van AMR die beleidsterreinen omvat zoals internationale handel, ontwikkeling en landbouw;

115.  is ingenomen met de WHO-lijst met de twintig gevaarlijkste resistente ziekteverwekkers(39); dringt er met klem op aan O&O-projecten voor deze prioritaire resistente bacteriën op te zetten, teneinde geneesmiddelen te ontwikkelen voor het bestrijden ervan; beklemtoont evenwel dat onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen niet de enige vereiste maatregel is, en dat ook het misbruik en het bovenmatige gebruik bij zowel mensen als dieren moet worden aangepakt;

116.  beseft dat AMR een grensoverschrijdend probleem is en dat producten vanuit de hele wereld Europa binnenkomen; verzoekt de Commissie met klem samen te werken met derden om het gebruik van antibiotica in de veeteelt en de daarmee gepaard gaande verontreiniging van het milieu te verminderen; verzoekt de Commissie bovendien gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's met derde landen op te zetten om het overmatige gebruik van antibiotica terug te dringen; verzoekt de Commissie in het kader van vrijhandelsovereenkomsten de invoer van dierlijke levensmiddelen te verbieden wanneer de dieren niet overeenkomstig de EU-normen zijn gefokt, en met name een verbod in te stellen op het gebruik van antibiotische groeibevorderaars;

117.  neemt kennis van het rapport "Tackling drug-resistant infections globally: final report and recommendations"(40), waarin de kosten van de wereldwijde aanpak van AMR geschat worden op 40 miljard dollar over een periode van tien jaar, hetgeen in het niet valt bij de kosten van "nietsdoen" en een fractie is van het bedrag dat de landen van de G20 op dit moment uitgeven aan gezondheidszorg (ongeveer 0,05 %); verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is de industrie een volksgezondheidsbelasting op te leggen in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

118.  stelt dat AMR in elke toekomstige handelsovereenkomst met het VK na de brexit aan de orde moet worden gesteld en dat er als voorwaarde moet worden gesteld dat het VK gelijke tred houdt met de vooruitgang die wordt geboekt dankzij de EU-maatregelen voor de aanpak van AMR, en zo de consumenten en werknemers in zowel de EU als het VK te beschermen;

119.  is ingenomen met het Mondiaal actieplan van de WHO inzake AMR, dat in mei 2015 unaniem is goedgekeurd tijdens de 68e Wereldgezondheidsvergadering; benadrukt dat de mondiale, EU- en nationale actieplannen in overeenstemming moeten zijn met het GLB;

120.  is ingenomen met de nieuwe richtsnoeren van de WHO over het gebruik van medisch belangrijke antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren(41); onderstreept dat in sommige landen naar schatting 50 tot 70 % van de medisch belangrijke antibiotica aan dieren wordt toegediend, met name vanwege hun groeibevorderende werking bij gezonde dieren; dringt er in het kader van de "één gezondheid"-benadering op aan dit onderwerp op te nemen in het handelsbeleid van de EU en mee te nemen in de onderhandelingen met internationale organisaties, zoals de WTO en geassocieerde en derde landen, om tot een wereldwijd verbod te komen op het gebruik van antibiotica voor het vetmesten van gezonde dieren;

121.  merkt op dat AMR uiterst zorgwekkend is bij veel armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten, waaronder hiv/aids, malaria, tbc en aan epidemieën en pandemieën gerelateerde ziekten; benadrukt dat ongeveer 29 % van de door AMR veroorzaakte sterfgevallen te wijten is aan resistente tbc; verzoekt de Commissie en de lidstaten met spoed meer steun te verlenen aan onderzoek naar en toepassing van gezondheidsinstrumenten voor armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten waarbij sprake is van AMR; verzoekt de Commissie en de lidstaten partnerschappen aan te gaan, naar het voorbeeld van het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) en het partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), voor internationale O&O-projecten op het vlak van gezondheid, met partijen uit verschillende geografische regio's en voor de meest prangende gezondheidsonderwerpen, zoals AMR, vaccins, kanker en toegang tot geneesmiddelen;

122.  benadrukt het belang van EU-initiatieven zoals de ECDC-programma's voor infectieziekten, waaronder aids, tbc en malaria; stelt vast dat deze initiatieven getuigen van goede werkmethoden, waaruit blijkt dat de EU adequaat reageert op en handelt naar aanleiding van de behoefte aan nieuwe antibiotica, en is van oordeel dat het ECDC een centrale rol toekomt bij het prioriteren van hetgeen op O&O-gebied nodig is, alsook bij de coördinatie van de acties en de betrokkenheid van alle partijen bij het bevorderen van sectoroverschrijdende werkzaamheden en het opbouwen van capaciteit via O&O-netwerken;

123.  benadrukt dat het probleem de kop opsteekt van multiresistente bacteriën die tegelijkertijd tegen meerdere antibiotica resistent zijn en die uiteindelijk superbacteriën kunnen worden die resistent zijn tegen alle beschikbare antibiotica, met inbegrip van laatstelijnsantibiotica; benadrukt dat er een gevensbank nodig is van deze multiresistente bacteriën, waaronder aids, tbc, malaria, gonorroe, Escherichia coli en andere resistente bacteriën;

124.  merkt op dat voedselproducerend vee in de VS vijf keer zo veel antibiotica krijgt toegediend als boerderijdieren in het VK; onderstreept dan ook het belang van controles op vlees dat in de EU wordt ingevoerd;

125.  verzoekt de Commissie te pleiten voor EU-normen en -maatregelen voor de bestrijding van AMR en voor de passende vermelding van antibiotica in handelsovereenkomsten, en zich in het kader van de WTO in te spannen om AMR aan de orde te stellen; benadrukt dat de toediening van antibiotica als groeibevorderaars aan voedselproducerende dieren sinds 2006 verboden is in de EU, maar dat antibiotica in landen buiten de EU nog steeds in diervoeder kunnen worden verwerkt als groeibevorderaars; verzoekt de Commissie in alle vrijhandelsovereenkomsten een clausule op te nemen waarin wordt bepaald dat alle levensmiddelen die uit derde landen worden ingevoerd niet geproduceerd mogen zijn met antibiotica als groeibevorderaars, teneinde een gelijk speelveld voor de veeteelt en de aquacultuur in de EU te garanderen en AMR te beperken; verzoekt de Commissie een verbod in te stellen op de invoer uit derde landen van levensmiddelen die afkomstig zijn van dieren die zijn behandeld met antibiotica of groepen antibiotica die in de EU voorbehouden zijn voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens;

126.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de maatregelen ter bestrijding van illegale praktijken op het gebied van de productie van, de handel in, de toediening en de verwijdering van antimicrobiële stoffen aan te scherpen; benadrukt dat de partijen die betrokken zijn bij de levenscyclusketen van antimicrobiële stoffen verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun acties;

127.  wijst op de gevolgen van de universaliteit, de betaalbaarheid en de goede toegankelijkheid van bestaande antibiotica; is van mening dat de gerichte behandeling met specifieke antibiotica beschikbaar moet zijn voor iedereen om het misbruik van ongeschikte antibiotica en het overmatig gebruik van breedspectrumantibiotica te voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten harder op te treden tegen de verkoop van grote partijen antimicrobiële stoffen tegen dumpprijzen, in het bijzonder kritieke antibiotica voor gebruik bij mensen;

128.  wenst dat antibioticafabrikanten grondig gecontroleerd worden zodat de afbraaktermijnen zijn afgestemd op de werkelijkheid, waarmee wordt gewaarborgd dat levensmiddelen geen antibiotica bevatten;

129.  verzoekt de Commissie te streven naar voortdurende politieke aandacht en toezeggingen op hoog niveau om maatregelen tegen AMR te nemen, waaronder op de fora van de VN, de G7 en de G20; vestigt de aandacht op de mogelijkheid voor wetenschappelijke organen van de EU, zoals het ECDC, om wereldwijd een leidende rol op zich te nemen; verzoekt de Commissie samenwerking tussen de EU en internationale organisaties, waaronder de WHO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) en de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) te bepleiten; is ingenomen met de Verklaring van Davos over het bestrijden van antimicrobiële resistentie, die is opgesteld tijdens het World Economic Forum in Davos in januari 2016, waarin de farmaceutische, de biotechnologische en de diagnostica-industrie aandringen op collectieve actie voor de totstandbrenging van een duurzame en voorspelbare markt voor antibiotica, vaccins en diagnostiek, met het oog op een betere instandhouding van nieuwe en bestaande behandelingen;

130.  pleit voor de bevordering en versterking van en de overgang naar een op agro-ecologische leest geschoeide productiewijze;

o
o   o

131.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, het Europees Geneesmiddelenbureau, het Europees Agentschap voor chemische stoffen, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, het Europees Milieuagentschap, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldorganisatie voor diergezondheid.

(1) Federatie van Europese Dierenartsen, "Antimicrobial use in food-producing animals: Replies to EFSA/EMA questions on the use of antimicrobials in food-producing animals in EU and possible measures to reduce antimicrobial use", 2016.
(2) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 12.
(3) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 49.
(4) PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.
(5) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 149.
(6) https://ec.europa.eu/info/consultations/public-consultation-pharmaceuticals-environment_nl#add-info
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0061.
(8) http://www.efsa.europa.eu/en/press/news/180227
(9) https://ecdc.europa.eu/sites/portal/files/media/en/publications/Publications/healthcare-associated-infections-antimicrobial-use-PPS.pdf
(10) EFSA, ECDC, "The European Union Summary report on antimicrobial resistance in zoonotic and indicator bacteria from human, animal and food in 2014", 2016.
(11) Wereldgezondheidsorganisatie, "Global guidelines on the prevention of surgical site infection", 2016. Zie: http://www.who.int/gpsc/ssi-guidelines/en/
(12) Celsus Academie voor Betaalbare Zorg, "Cost-effectiveness of policies to limit antimicrobial resistance in Dutch healthcare organisations", januari 2016. Zie: https://goo.gl/wAeN3L
(13) http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_o_021.pdf
(14) Wereldgezondheidsorganisatie, "Global guidelines on the prevention of surgical site infection", 2016. Zie: http://www.who.int/gpsc/ssi-guidelines/en/
(15) https://amr-review.org/sites/default/files/160525_Final%20paper_with%20cover.pdf
(16) http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2018.5182/epdf
(17) http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/06/17/epsco-conclusions-antimicrobial-resistance/
(18) http://www.ema.europa.eu/ema/index.jsp?curl=pages/news_and_events/news/2017/10/news_detail_002827.jsp&mid=WC0b01ac058004d5c1
(19) http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/audit_reports/index.cfm
(20) Artikel 8, onder c), van Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid (PB L 226 van 24.8.2013, blz. 1).
(21) Zoals ontwikkeld in Nederland door het ministerie voor I&W, het RIVM, de watersector en waterschappen.
(22) Artikel 78 van de op stapel staande verordening betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.
(23) Europese Commissie, "Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)", juni 2017, blz. 10.
(24) Ibid., blz. 12.
(25) Ibid., blz. 15.
(26) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(27) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549), tot toepassing van de voorschriften als vastgelegd in Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23); Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 33); Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 28).
(28) https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/animals/docs/aw_other_aspects_labelling_ip-09-1610_en.pdf
(29) Mevius, D. et al., "ESBL-Attributieanalyse (ESBLAT). Op zoek naar de bronnen van antibioticaresistentie bij de mens", 2018. Zie: http://www.1health4food.nl/esblat
(30) Het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: https://ecdc.europa.eu/sites/portal/files/media/en/publications/Publications/antimicrobial-resistance-zoonotic-bacteria-humans-animals-food-EU-summary-report-2014.pdf
(31) http://www.thelancet.com/pdfs/journals/lanplh/PIIS2542-5196(17)30141-9.pdf
(32) Mevius, D. et al., "ESBL-Attributieanalyse (ESBLAT). Op zoek naar de bronnen van antibioticaresistentie bij de mens", 2018. Zie: http://www.1health4food.nl/esblat
(33) http://www.imi.europa.eu/content/nd4bb
(34) http://www.jpiamr.eu
(35) Pamer, E. G., "Resurrecting the intestinal microbiota to combat antibiotic-resistant pathogens", Science, Vol. 352(6285), 2016, blz. 535-538.
(36) http://www.wipo.int/publications/en/details.jsp?id=4197
(37) Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).
(38) Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1).
(39) http://www.who.int/mediacentre/news/releases/2017/bacteria-antibiotics-needed/en/
(40) https://amr-review.org/sites/default/files/160518_Final%20paper_with%20cover.pdf
(41) http://www.who.int/foodsafety/areas_work/antimicrobial-resistance/cia_guidelines/en/


Europa in beweging: agenda voor de toekomst van de mobiliteit in de EU
PDF 176kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over Europa in beweging: agenda voor de toekomst van de mobiliteit in de EU (2017/2257(INI))
P8_TA(2018)0355A8-0241/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen" (COM(2017)0283),

–  gezien de op 4 oktober 2016 door het Europees Parlement en de Raad geratificeerde Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017 over schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen(3),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 juli 2017 over de gevolgen van de digitalisering en robotisering van het vervoer voor de EU-besluitvorming(4),

–  gezien zijn resolutie van 23 april 2009 over het actieplan intelligente vervoerssystemen(5),

–   gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over CARS 2020: naar een sterke, concurrerende en duurzame Europese automobielindustrie(6),

–   gezien zijn resolutie van 7 juli 2015 over totstandbrenging van multimodale geïntegreerde ticketing in Europa(7),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011: inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit(8),

–   gezien de verklaring van Valletta van 29 maart 2017 over verkeersveiligheid,

–  gezien het Witboek van de Europese Commissie getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien zijn studie van 2016 getiteld "Self-piloted cars: the future of road transport?" (Zelfrijdende voertuigen. De toekomst van het wegvervoer?),

–  gezien zijn studie van 2017 getiteld "Infrastructure funding challenges in the sharing economy" (Uitdagingen in verband met de financiering van infrastructuur in de deeleconomie),

–  gezien de studie van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 2017 getiteld "Impact of digitalisation and the on-demand economy on labour markets and the consequences for employment and industrial relations" (De impact van de digitalisering en de "on demand"-economie op arbeidsmarkten en de gevolgen voor de werkgelegenheid en de betrekkingen tussen werkgevers en werknemers),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0241/2018),

A.  overwegende dat de vervoerssector structureel aan het veranderen is en dat de toekomst van het vervoer in de EU zich op het snijvlak bevindt van de overkoepelende prioriteiten van het klimaat- en energiekader 2030, het programma Schone lucht voor Europa en de EU-richtsnoeren voor verkeersveiligheid 2011-2020;

B.  overwegende dat door het koolstofvrij maken van het vervoer en het gebruik van emissiearme technologieën mogelijkheden ontstaan voor de toekomst van de mobiliteit en een duurzame economische groei;

C.  overwegende dat de deeleconomie wereldwijd voor een transformatie van de vervoerssector zorgt; overwegende dat in de Europese vervoerssector de transacties in de deeleconomie voor 2015 geraamd worden op 5,1 miljard EUR, een stijging met 77 % ten opzichte van het voorgaande jaar, en dat de niet-monetaire interacties binnen de deeleconomie dit scenario ruim overschrijden, wat het belang van dit fenomeen laat zien;

D.  overwegende dat geschat wordt dat het passagiersvervoer met ongeveer 42 % zal toenemen tussen 2010 en 2050, en het goederenvervoer in diezelfde periode met 60 %;

E.  overwegende dat in het Witboek vervoer van 2011 werd opgeroepen tot een verschuiving van 30 % tegen 2030 en een verschuiving van 50 % tegen 2050 van het goederenvervoer over de weg naar meer duurzame vervoerswijzen zoals spoorvervoer, dankzij grote corridors, waarvoor aangepaste groene infrastructuur moet worden uitgebouwd;

F.  overwegende dat de toepassing van het beginsel dat de gebruiker en de vervuiler betalen in alle vervoerswijzen, met inbegrip van de weg, het spoor, de scheepvaart en de luchtvaart, zal helpen om een gelijk speelveld tussen alle vervoerswijzen te creëren;

G.  overwegende dat nieuwe mobiliteitsdiensten erop gericht zijn voor een aanzienlijke verbetering van het stedelijk vervoer te zorgen en daar ook voor kunnen zorgen door de congestie en de uitstoot terug te dringen en door een alternatief te bieden voor particulier autobezit, aangezien de personenwagen nog steeds het belangrijkste vervoermiddel is qua aantal verplaatsingen; overwegende dat zij de overschakeling mogelijk maken naar multimodaal, gedeeld en bijgevolg ook duurzamer vervoer, en openbare en actieve vormen van vervoer kunnen aanvullen;

H.  overwegende dat de vervoerssector essentieel is voor een goed functionerende economie in de EU, en ongeveer 4 % van het bbp van de EU en meer dan 5 % van de totale werkgelegenheid in de EU vertegenwoordigt(9); overwegende dat slechts 22 % van de werknemers in deze sector vrouw is, en dat een derde van alle werknemers in de sector ouder is dan 50 jaar;

I.  overwegende dat geconnecteerde en autonome voertuigen het wegvervoer naar verwachting efficiënter en veiliger zullen maken, aangezien menselijke fouten de belangrijkste oorzaak vormen van alle verkeersongevallen op de Europese wegen;

J.  overwegende dat er de jongste decennia aanzienlijke vooruitgang is geboekt en de EU tegenwoordig wereldleider is op het gebied van verkeersveiligheid; overwegende dat het grote aantal slachtoffers van ongevallen, aangezien vorig jaar op de Europese wegen 25 500 personen zijn omgekomen en 135 000 personen zwaargewond zijn geraakt, nog steeds veel menselijk leed en onaanvaardbare economische kosten veroorzaakt, die worden geraamd op 100 miljard EUR per jaar, en overwegende dat de doelstelling voor 2020 om het aantal verkeersslachtoffers te halveren ten opzichte van 2010 niet wordt gehaald en dat het aantal zwaargewonden en dodelijke slachtoffers bij zwakke weggebruikers zoals voetgangers, fietsers en bestuurders van kleine gemotoriseerde tweewielers sterk aan het stijgen is;

K.  overwegende dat het vervoer de belangrijkste oorzaak is van luchtverontreiniging in stedelijke gebieden en verantwoordelijk is voor meer dan 25 % van de broeikasgasemissies in de EU, waarvan het wegvervoer meer dan 70 % voor zijn rekening neemt, een aandeel dat nog blijft stijgen;

L.  overwegende dat uit recent onderzoek en schattingen blijkt dat er een sterk verband is tussen blootstelling aan luchtvervuiling en risico's voor de volksgezondheid, met inbegrip van hart- en vaatziekten zoals beroertes en ischemische hartziekten, en kanker, en overwegende dat in de EU volgens ramingen jaarlijks 399 000 mensen vroegtijdig overlijden door fijnstof, 75 000 door stikstofoxiden en 13 600 door ozon; overwegende dat mensen die in een stedelijke omgeving wonen in het bijzonder blootgesteld worden aan dit gevaar;

M.  overwegende dat momenteel wereldwijd grote inspanningen worden geleverd voor een meer inclusieve, veilige en eerlijke vervoerssector, met inbegrip van de invoering van ambitieuze doelstellingen en bindende normen; overwegende dat de EU de kans om het voortouw te nemen bij deze maatschappelijke innovaties niet mag laten liggen;

De gevolgen van de vervoerstransitie voor vaardigheden en werkmethoden

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen", waarin wordt onderkend dat de mobiliteitssector drastisch aan het veranderen is en wordt benadrukt dat de digitale mobiliteitsrevolutie moet leiden tot een veiligere, meer innovatieve, meer geïntegreerde en duurzame, rechtvaardigere, meer concurrerende en schonere sector van het wegvervoer, die onderling verbonden is met andere meer duurzame vervoerswijzen; is verheugd dat in de mededeling is voorzien in een strategische benadering om een coherent regelgevingskader te realiseren voor de steeds complexere sector van het wegvervoer;

2.  wijst erop dat de EU-mobiliteitssector moet profiteren van de mogelijkheden die dankzij digitale technologieën ontstaan; is van oordeel dat nieuwe zakelijke modellen ontwikkeld en gestimuleerd moeten worden om innovatieve gedeelde mobiliteitsdiensten mogelijk te maken, onder meer nieuwe onlineplatforms voor goederenvervoer, carpooling, deelauto's of deelfietsen, of smartphoneapplicaties die realtimeanalyses en -gegevens over de verkeersomstandigheden bieden;

3.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om C-ITS-maatregelen voor te stellen en toe te passen, in overeenstemming met de doelstellingen en initiatieven die in het Witboek vervoer van 2011 en in de Klimaatovereenkomst van Parijs van december 2015 opgenomen werden;

4.  benadrukt dat de EU-automobielsector acht miljoen werknemers telt en goed is voor 4 % van de bruto toegevoegde waarde van de EU, met een handelsoverschot van 120 miljard EUR;

5.  onderstreept dat de veranderingen in de automobielsector in verband met digitalisering, automatisering of schonere auto's nieuwe deskundigheid en werkwijzen zullen vereisen; onderstreept dat deze veranderingen moeten leiden tot nieuwe kansen om de vervoerssector aantrekkelijker te maken en een einde te maken aan de schaarste aan werknemers die deze sector kenmerkt; beklemtoont dat de productie van schonere, beter geconnecteerde en meer geautomatiseerde voertuigen een impact zal hebben op de productie, op de ontwikkeling, op herstellingen en onderhoud, en nieuwe vaardigheden zal vergen, bijvoorbeeld voor de assemblage van elektrische motoren of de productie van batterijen van de tweede generatie, brandstofcellen, computers of sensoren; benadrukt dat de sector ook nu al grote moeilijkheden ondervindt om personeel met de juiste vaardigheden aan te werven en dat bedrijven ook op zoek moeten naar softwarevaardigheden als nieuwe vereiste, terwijl de toename van banen voor ingenieurs naar verwachting zal blijven aanhouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de opleiding op de werkplek en de ontwikkeling van vaardigheden van vervoerswerknemers in de EU op deze nieuwe doelstellingen af te stemmen;

6.  benadrukt dat gelijke kansen voor vrouwen en mannen een prioriteit moeten zijn op de agenda voor de toekomst van de vervoerssector; onderstreept dat de vervoerssector wordt gedomineerd door mannen, die driekwart van de werknemers uitmaken, en dat een genderevenwicht gestimuleerd moet worden; verneemt met instemming dat het EU-platform voor verandering "Vrouwen in het vervoer" werd opgericht, met het oog op de bevordering van werkgelegenheid voor vrouwen en gelijke kansen in de vervoerssector; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken met dit platform om het stimuleren van de werkgelegenheid voor vrouwen en de digitalisering van de sector hand in hand te laten gaan;

7.  wijst erop dat de digitale revolutie een impact zal hebben op de waardeketen van de automobielsector, de onderzoeks- en investeringsprioriteiten en de technologische mogelijkheden, die transparant, coherent en in overeenstemming met de wettelijke normen moeten zijn, en uiteindelijk gevolgen zal hebben voor de mondiale concurrentiepositie van de sector;

8.  herinnert eraan dat geautomatiseerd rijden aanzienlijke gevolgen heeft voor de beroepsbevolking in de vervoerssector en nieuwe kwalificaties zal vergen in het geval van de getroffen beroepsgroepen; verzoekt de lidstaten passende maatregelen te nemen om op deze verschuiving op de arbeidsmarkt te anticiperen en in te spelen door sterker sociaal overleg; verzoekt de Commissie om een strategie op EU-niveau te ontwikkelen die de nieuwe mogelijkheden op de arbeidsmarkt dankzij de digitalisering van de vervoerssector omvat en de goede praktijken van de lidstaten bundelt met het oog op meer banen in de sector, en om daar prioritair eerlijke transitieregelingen in op te nemen voor werknemers van wie de banen overbodig worden door de digitalisering van de sector;

9.  benadrukt dat geautomatiseerd rijden uiteindelijk vragen oproept over de interpretatie van de bestaande EU-wetgeving inzake rij- en rusttijden; verzoekt de Commissie voortdurend te monitoren of wetgevende maatregelen nodig zijn;

10.  wijst op de positieve effecten van de digitalisering in het vervoer, omdat zij bijdraagt tot lagere administratieve lasten en eenvoudigere procedures voor overheden en bedrijven en zij door de invoering van een digitale tachograaf de controle op de naleving van de wetgeving inzake rij- en rusttijden en van de cabotageregelingen eenvoudiger maakt, zodat zij de omstandigheden voor beroepschauffeurs verbetert en bijdraagt tot een gelijk speelveld voor alle vervoersondernemingen;

11.  is ingenomen met de nieuwe vaardighedenagenda voor Europa van de Commissie en met initiatieven zoals de blauwdruk voor sectorale samenwerking op het gebied van vaardigheden en de coalitie voor digitale vaardigheden en banen, waarin samenwerking tussen vakbonden, opleidingsinstellingen en actoren uit de privésector wordt bevorderd om te anticiperen op de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en deze vast te stellen en aan te pakken;

12.  verneemt met instemming dat de automobielsector behoort tot de zes sectoren waarin de "blauwdruk" wordt getest en waarvoor financiering beschikbaar werd gemaakt via de alliantie voor sectorspecifieke vaardigheden in het kader van Erasmus+;

13.  verzoekt de Commissie een tussentijdse evaluatie in te dienen van de gelanceerde projecten in verband met vaardigheden in de automobielsector, waaronder het drie jaar lopende onderzoeksproject SKILLFUL en de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau GEAR 2030; is van oordeel dat de resultaten van het SKILLFUL-project het mogelijk zullen maken om te beoordelen in welke mate de geldende opleidings- en kwalificatievereisten voor bestuurders in het wegvervoer toereikend zijn, met name in het licht van nieuwe beroepen/vaardigheden;

14.  verzoekt de lidstaten om proactief in te spelen op de digitalisering eerder dan te reageren op specifieke problemen, om alomvattende en strategische besluiten op basis van technologieneutraliteit te nemen waarmee de mogelijke voordelen worden gemaximaliseerd, en om overeenstemming over een EU-benadering inzake de belangrijkste kwesties na te streven;

15.  benadrukt de fundamentele rol die gebruikers en consumenten kunnen spelen bij de bevordering van de vervoerstransitie, en roept de Commissie en de lidstaten op om de transparantie en de openbare beschikbaarheid van relevante gegevens te verbeteren, om het maatschappelijke bewustzijn te stimuleren en de consument in staat te stellen geïnformeerde keuzes te maken;

Transitie door vooruitgang op het gebied van onderzoek en innovatie

16.  beklemtoont dat Europa wereldleider is op het gebied van fabricageprocedés en vervoeroperaties en benadrukt dat het van essentieel belang is dat de Europese vervoerssector blijft ontwikkelen, investeren, innoveren en zichzelf blijft vernieuwen op een duurzame manier om zijn technologische leiderschapspositie en zijn concurrentiepositie te behouden;

17.  herinnert aan het essentiële doel om een interne Europese vervoersruimte tot stand te brengen zonder hindernissen, waar elke vervoerswijze in het kader van een efficiënte comodaliteit haar eigen plaats heeft en een beter samenspel gerealiseerd wordt tussen de vervoerswijzen, en verzoekt de lidstaten daarom passende kadervoorwaarden te scheppen, aan de hand van stimuli, om ervoor te zorgen dat de vervoerswijzen efficiënter kunnen worden gemaakt en bestaande hindernissen als overbodige administratieve lasten te verwijderen;

18.  herinnert eraan dat duurzame en innovatieve vervoerstechnologieën en mobiliteitsoplossingen nodig zullen zijn om de verkeersveiligheid te verbeteren, de klimaatverandering te beperken en de CO2-emissies, de luchtverontreiniging en de congestie terug te dringen, en dat er behoefte is aan een Europees regelgevingskader dat innovatie stimuleert; dringt in dit verband aan op meer financiering voor onderling gekoppelde, sectoroverschrijdende O&O op het gebied van geconnecteerde en zelfrijdende wagens, elektrificatie van spoor- en wegeninfrastructuur, alternatieve brandstoffen, ontwerp en fabricage van voertuigen, netwerkbeheer en verkeersleiding, evenals slimme mobiliteitsdiensten en ‑infrastructuur, zonder bestaande systemen in andere sectoren uit het oog te verliezen; merkt op dat deze essentiële innovaties brede industriële knowhow zullen vereisen voor een doeltreffende ontwikkeling; stelt vast dat coöperatieve, geautomatiseerde en geconnecteerde voertuigen in dit verband de concurrentiepositie van de Europese sector kunnen versterken en het energieverbruik en de emissies van het vervoer kunnen terugdringen en kunnen bijdragen aan een vermindering van het aantal doden door verkeersongevallen; merkt op dat bijgevolg vereisten voor infrastructuur moeten worden vastgesteld om te waarborgen dat deze systemen veilig kunnen functioneren;

19.  wijst erop dat Europa een beter kader nodig heeft voor gezamenlijke maatregelen inzake vervoersonderzoek en -innovatie om de technologische ontwikkelingen bij te houden en de Europese burgers de best mogelijke vervoers- en mobiliteitsoplossingen te bieden en tegelijkertijd te verzekeren dat Europese bedrijven hun concurrentievoordeel kunnen behouden en vergroten; is van oordeel dat ambitieuze doelstellingen voor ons toekomstig vervoerssysteem slechts gehaald kunnen worden als nieuwe ideeën en concepten ontwikkeld, getest en toegepast worden in nauwe coördinatie met beleids- en regelgevingsagenda's;

20.  dringt aan op verdere transparante financiële ondersteuning van onderzoek, innovatie en opleiding, zoals in het kader van de strategieën voor slimme specialisatie, waarbij op het gebied van onder meer aandrijfsystemen of slimme vervoerssystemen medefinanciering uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling werd verstrekt;

21.  herinnert eraan dat Europese financiering tijdens het volgende meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027 essentieel zal zijn om de grensoverschrijdende infrastructuur te voltooien en knelpunten op de kerncorridors van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) weg te werken, en merkt op dat de financiering van infrastructuur particuliere en overheidsinvesteringen in duurzame vervoersdiensten en ‑technologieën van hoge kwaliteit bevordert; vraagt daarom in het volgende MFK financiering beschikbaar te stellen om de snelle ontwikkeling en het gebruik van digitale oplossingen, systemen en diensten voor het vervoer in de toekomst te bevorderen;

22.  benadrukt dat financiële belemmeringen beperkt moeten worden en dat toegang tot financiering eenvoudiger moet, aangezien de bureaucratische en administratieve kosten kmo's verhoudingsgewijs zwaarder treffen door hun gebrek aan relevante vaardigheden en capaciteiten; verzoekt de Commissie erover te waken dat de openbare aanbestedingen van de lidstaten in verband met slimme infrastructuur voor vervoer voldoen aan de bepalingen over het vergemakkelijken van de toegang voor kmo's van Richtlijn 2014/24/EU betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten;

23.  wijst erop dat Europa het innovatie-ecosysteem moet verbeteren, gaande van technologisch basisonderzoek tot onderzoek naar nieuwe diensten en zakelijke modellen met het oog op sociale innovatie (zodra deze breed ingezet zijn op de markt); benadrukt dat overheidssteun voor het innovatie-ecosysteem toegespitst moet zijn op marktfalen met betrekking tot onderzoek en innovatie en op innovatiebevorderende beleidsmaatregelen, om Europese normalisering en regulering mogelijk te maken en te zorgen voor financieringsinstrumenten om investeringen van de privésector in innovatie te stimuleren;

24.  stelt vast dat onderzoek op het niveau van de EU, met name in het kader van Horizon 2020, cruciaal zal zijn om resultaten te bereiken, zoals blijkt uit publiek-private partnerschappen zoals de Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof en het Europees initiatief voor groene voertuigen, en dringt aan op een specifiek publiek-privaat partnerschap voor geconnecteerd en geautomatiseerd rijden; ondersteunt het werk van de Commissie voor het oprichten van een Europese alliantie voor batterijen en dringt aan op verdere financiële ondersteuning van de ontwikkeling van duurzame batterijen en de productie en recycling van batterijcellen in de EU voor toekomstige lage-emissievoertuigen en emissieloze voertuigen, evenals op mondiale eerlijke handel bij de invoer van materialen zoals lithium en kobalt, aangezien de ontwikkeling van deze technologieën een belangrijke rol zal spelen voor de toekomst van schone en duurzame mobiliteit;

25.  benadrukt hoe belangrijk het is te komen met consistente strategieën voor economische en industriële ontwikkeling, waarin voor het behalen van de doelstellingen zoals het verder bevorderen van de productie en het gebruik van lage-emissievoertuigen, voldoende middelen worden ingezet met betrekking tot zowel infrastructuur als onderdelen voor het gebruik zoals batterijen, en benadrukt dat de Commissie en de lidstaten ook aandacht moeten besteden aan dit aspect om een Europese productiestrategie voor batterijen te ontwerpen; onderstreept hoe belangrijk het is fabrikanten en marktintroductie te stimuleren om kosten te besparen;

26.  is verheugd dat de Commissie ook een koppeling maakt naar de circulaire economie, vooral wat schaarse materialen en batterijen betreft; moedigt de Commissie in verband hiermee aan nader onderzoek te verrichten naar de ecologische voetafdruk van de productie en recycling van batterijen om een volledig beeld te krijgen van de milieueffecten van elektrische, door batterijen aangedreven voertuigen, teneinde gemakkelijker een vergelijking te kunnen maken van de duurzaamheid van verschillende aandrijfsystemen over hun volledige levenscyclus;

27.  benadrukt de mogelijke voordelen van toepassingen inzake een tweede gebruik van voertuigbatterijen, bijvoorbeeld in opslagoplossingen voor slimme netten en slimme woningen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoeks- en proefprojecten op dit gebied te ondersteunen door middel van financieringsregelingen;

28.  pleit ervoor dat meer gebruik wordt gemaakt van digitale technologieën bij de toepassing van het "de vervuiler betaalt"-beginsel, zoals elektronische tolheffing en elektronische vervoerbewijzen op basis van de milieuprestaties van voertuigen; is ingenomen met de door de Commissie opgestelde richtsnoeren voor steden inzake de reglementering van de toegang van voertuigen tot de stad; benadrukt echter dat meer moet worden gedaan op Europees niveau om de versnippering van de interne vervoersruimte te voorkomen; wijst er in dit verband op dat het belangrijk is vervoersinfrastructuurprojecten te financieren en aanzienlijke investeringen te doen in de meest ecologisch verantwoorde koolstofarme brandstoffen, teneinde de transformatie van het vervoerssysteem te bevorderen en te zorgen voor de integratie van energie- en vervoermiddelen om de overgang naar een duurzamere brandstofmix te versnellen; is van mening dat doelmatigheid ten aanzien van de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen een van de criteria moet zijn die bij de toewijzing van EU-middelen aan projecten in verband met vervoer worden gehanteerd;

29.  herhaalt de verbintenissen die de EU met betrekking tot de bestrijding van de klimaatverandering in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de Agenda 2030 van de VN en het klimaat- en energiekader 2030 is aangegaan; is ingenomen met de maatregelen die al genomen zijn, zoals de wereldwijd geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen (WLTP) en de pakketten inzake emissietests in reële rijomstandigheden (RDE) die tot doel hebben de kloof tussen de verklaarde decarbonisatiedoelstellingen en de emissies onder reële rijomstandigheden te verkleinen; verzoekt de Commissie toe te zien op de doeltreffendheid van deze maatregelen en, indien nodig, verdere verbeteringen voor te stellen; beschouwt de WLTP als een stap in de goede richting voor wat de meting van het brandstofverbruik en de CO2-emissies van personenwagens betreft;

30.  merkt op dat de verstrekking van informatie aan de consumenten over personenwagens noodzakelijk is om het koolstofarm maken van het vervoer te versnellen en verzoekt daarom om betere, betrouwbare en beter toegankelijke informatie over de emissies en het brandstofverbruik van voertuigen, onder meer in de vorm van gestandaardiseerde, zichtbare en duidelijke voertuigetikettering, teneinde de consument in staat te stellen geïnformeerde keuzes te maken, een gedragsverandering teweeg te brengen bij bedrijven en particulieren en schonere mobiliteit te bevorderen; benadrukt dat nauwkeuriger informatie ook "groene" overheidsopdrachten zal faciliteren en overheidsinstanties in de lidstaten, regio's en steden in staat zal stellen daar gebruik van te maken; is ingenomen met Aanbeveling (EU) 2017/948 van de Commissie(10) en verzoekt de Commissie eveneens een herziening te overwegen van de richtlijn etikettering personenauto's (Richtlijn 1999/94/EG)(11);

31.  merkt op dat de consumenten die een emissiearm voertuig willen kopen momenteel op zowel financiële als niet-financiële belemmeringen stuiten; herinnert eraan dat de aanvaarding van lage-emissievoertuigen door de eindgebruiker sterk afhankelijk is van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van uitgebreide en grensoverschrijdende infrastructuur; is in dit verband verheugd over de bestaande particuliere en publieke initiatieven om roaming tussen exploitanten van laadinfrastructuur mogelijk te maken; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om roaming te faciliteren en de toegankelijkheid van laadinfrastructuur binnen Europa te vergroten; verzoekt de Commissie de lidstaten meer te ondersteunen bij hun inspanningen om de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen uit te breiden, teneinde zo snel mogelijk overal in de EU dekking van het kernnetwerk te bereiken;

32.  is van mening dat om de marktpenetratie van emissiearme brandstoffen te versnellen en de klimaatvoordelen hiervan ten volle te benutten, het gebruik ervan en de ontwikkeling van hiervoor uitgeruste voertuigen moeten worden gestimuleerd; wijst er echter nogmaals op dat de broeikasgasemissies van het vervoer tegen 2050 duidelijk in de richting van het nulpunt moeten gaan om de Overeenkomst van Parijs na te leven; onderstreept dat de Europese wegvervoersector niet kan worden omgevormd in de richting van ecologische en economische duurzaamheid als wordt vastgehouden aan één technologische benadering voor alles en dat daarom een overgang naar een werkelijk technologisch neutrale beoordeling van aandrijfsystemen nodig is met het oog op de ontwikkeling van toekomstige voertuigen die afgestemd zijn op diverse mobiliteitsbehoeften; benadrukt dat een sectoroverschrijdende aanpak nodig is om de investeringen in de infrastructuur voor emissiearme brandstoffen te versnellen, wat een noodzakelijke voorwaarde is voor een bredere ingebruikname van voertuigen die rijden op alternatieve brandstoffen;

33.  benadrukt dat in de richtlijn schone wegvoertuigen(12) rekening moet worden gehouden met de behoeften en de beschikbare middelen van de gemeenten en de regionale overheden om het volledige potentieel ervan te ontplooien, met name met betrekking tot de kwesties als complexiteit en de administratieve lasten;

34.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om uiterlijk op 2 mei 2018 een wetgevingsvoorstel in te dienen voor normen inzake CO2-emissies en brandstofverbruik voor zware bedrijfsvoertuigen, normen die ambitieus en realistisch moeten zijn en gebaseerd moeten zijn op de gegevens die door middel van de Vecto-software (calculator voor de berekening van het energieverbruik van voertuigen) worden verzameld, teneinde coherente wetgeving inzake zware bedrijfsvoertuigen te waarborgen; benadrukt dat de Vecto-software snel en regelmatig moet worden bijgewerkt, om ervoor te zorgen dat nieuwe technologieën ter verbetering van de efficiëntie van voertuigen snel op accurate wijze kunnen worden verrekend;

35.  benadrukt dat het ambitieniveau inzake CO2-doelstellingen voor zware bedrijfsvoertuigen moet stroken met de toekomstige ambities inzake verlaging van de emissies van verontreinigende stoffen, bijvoorbeeld in het kader van EURO VII, alsmede met de vereisten van Richtlijn (EU) 2015/719 inzake gewichten en afmetingen(13);

36.  herinnert aan de verschrikkelijke experimenten met blootstelling aan rook die zijn uitgevoerd op mensen en apen door de Europese onderzoeksgroep voor milieu en gezondheid in de vervoerssector (European Research Group on Environment and Health in the Transport Sector, EUGT), een orgaan dat wordt gefinancierd door grote autobedrijven; herinnert eraan dat dit niet het eerste schandaal van deze soort is in de automobielsector; dringt erop aan dat alle onderzoek waarmee informatie wordt aangeleverd voor het EU-beleid, op generlei wijze afhankelijk is van de automobielsector, ook niet door middel van financiering en onderaanbesteding;

Geslaagde vervoerstransitie voor alle gebruikers

37.  onderstreept dat connectiviteit tussen autonome voertuigen, tussen voertuigen en infrastructuur, tussen voertuigen, fietsers en voetgangers en in het netwerk zelf een essentiële doelstelling op lange termijn moet zijn om te zorgen voor verkeersstromen zonder vertragingen; verzoekt de Commissie daarom om kwesties inzake gegevensgebruik en -beheer aan te pakken, met nadruk op gegevensbescherming, om alle geplande technologische toepassingen van computerondersteund ontwerp (CAD) te beoordelen die geavanceerde autonomieniveaus en een aanbod van diensten met toegevoegde waarde omvatten; benadrukt de noodzaak om telecommunicatie- en satellietinfrastructuur te ontwikkelen met het oog op betere plaatsbepalings- en communicatiediensten tussen voertuigen en infrastructuur en verzoekt de Commissie om in ruimte en tijd meetbare doelstellingen vast te stellen in verband met de aanpassing van de bestaande vervoersinfrastructuur aan de normen van slimme infrastructuur voor vervoer;

38.  wijst erop dat de invoering van autonoom rijden en schone voertuigen geïntegreerde planning en investeringen in infrastructuur vergt om onze wegen uit te rusten met de nodige communicatie- en laadinfrastructuur, bijvoorbeeld voor elektrische auto's, om hoogwaardige verkeersgegevens te verstrekken, bijvoorbeeld voor digitale kaarten in hd, en om de volledige interoperabiliteit van boordapparatuur te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten investeringen te bevorderen om de vervoersinfrastructuur op een innovatieve en duurzame manier te verbeteren;

39.  herinnert de Commissie eraan dat volledige 5G-dekking van de corridors van het TEN-T-netwerk voor de weg, het spoor en de binnenwateren zo snel mogelijk verzekerd moet worden om een toereikende vervoersconnectiviteit en een goed beheer van de veiligheid, signalisatie, automatisering, digitale toepassingen voor consumenten en een veilig gegevensbeheer tot stand te brengen; roept op tot de ontwikkeling van slimme snelwegen en de vaststelling van intelligente vervoerscorridors; is van oordeel dat op grote wegen in glasvezel- en wifi-installaties en in 5G-basisinstallaties voorzien moet zijn;

40.  herinnert eraan dat nul verkeersslachtoffers op de Europese wegen het overkoepelende doel moet zijn en beklemtoont dat de veilige co-existentie van oude en nieuwe vervoerswijzen moet worden gegarandeerd, waarbij het verplicht inbouwen van bepaalde rijhulpsystemen en het waarborgen van aangepaste infrastructuur deze overgang zal vergemakkelijken; verzoekt de Commissie de gevolgen voor de veiligheid van het gebruik van geautomatiseerde systemen grondig en technologisch neutraal te beoordelen met een globale focus op de analyse van de gevolgen voor de veiligheid van alle intermodale vervoerssystemen;

41.  beklemtoont dat de doelstellingen inzake het verminderen van het aantal doden en zwaargewonden in het verkeer nog steeds niet zijn gerealiseerd, zodat het Europese vervoersbeleid ook in de toekomst gericht moet zijn op de verwezenlijking daarvan; onderstreept het belang van toereikende veiligheidswetgeving om de sector wegvervoer veiliger te maken; herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat behoorlijke parkeer- en rustvoorwaarden in de hele EU gewaarborgd moeten zijn om het aantal ongevallen en slachtoffers op de wegen in Europa te beperken;

42.  wijst erop dat de ontwikkeling van geconnecteerde en geautomatiseerde wagens in grote mate het gevolg is van technologie; pleit er daarom voor de maatschappelijke gevolgen van deze ontwikkeling te onderzoeken en te onderkennen en is van mening dat moet worden gewaarborgd dat de invoering van geconnecteerde en geautomatiseerde wagens volledig in overeenstemming is met de maatschappelijke, menselijke en ecologische waarden en doelstellingen; benadrukt dat het in het geval van ongevallen met een of meerdere geautomatiseerde voertuigen duidelijk moet zijn wie aansprakelijk is, namelijk het softwarebedrijf/de softwarebedrijven, de fabrikant(en) van het voertuig, de bestuurder(s), of de verzekeringsmaatschappij(en);

43.  onderstreept dat deze op handen zijnde wijzigingen niet ten koste mogen gaan van sociale inclusie en connectiviteit in de lidstaten en gebieden waar sprake is van een mobiliteitskloof; stelt vast dat de netwerkcapaciteit verbeterd moet worden, door gebruik te maken van de bestaande netwerkinfrastructuur en belangrijke toekomstige innovaties, om de verdere integratie van digitale technologieën mogelijk te maken en om de grootste ongelijkheden aan te pakken op het gebied van connectiviteit tussen lidstaten, tussen steden en plattelandsgebieden en tussen centrale en afgelegen gebieden, en dat bijgevolg een reeks oplossingen op maat ontwikkeld moet worden met steun van en in samenspraak met de overheid en de privésector; onderstreept dat conventionele vervoerswijzen zoals autobussen nog steeds een belangrijke rol vervullen in afgelegen en bergachtige gebieden en in dit verband niet vergeten mogen worden; herhaalt dat uit ervaringen in verscheidene EU-lidstaten blijkt dat het structureren van het collectieve en openbare wegvervoer via overeenkomsten voor openbaredienstverplichtingen waarin rendabele en onrendabele trajecten worden gecombineerd, voor optimale resultaten voor burgers, overheidsfinanciën en concurrentie op de markt kan zorgen;

44.  herinnert aan de behoefte om collectieve en veiligere vervoermiddelen voor goederen en passagiers via grote grensoverschrijdende corridors en in grootstedelijke gebieden te stimuleren, teneinde vervuiling, files en ongevallen te beperken en de gezondheid van burgers en weggebruikers te beschermen;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit en duurzame plattelandsmobiliteit die worden gerechtvaardigd door het algemeen belang te bevorderen en alle nieuwe vervoerswijzen te integreren, en daarbij de invoering van een multimodaal vervoerssysteem voor passagiers te ondersteunen, de mobiliteit en de kwaliteit van de dienstverlening voor de burgers, met inbegrip van ouderen en gehandicapten, te verbeteren, hun alternatieve dienstverlening te bieden, de gezondheids- en externe milieukosten voor steden te internaliseren of te beperken en het toerisme te stimuleren; merkt op dat die plannen de inclusie, participatie en deelname aan het arbeidsproces moeten bevorderen van burgers die in meer afgelegen gebieden wonen, om het gevaar tegen te gaan van ontvolking van plattelandsgebieden en om de toegankelijkheid en communicatie met perifere gebieden en grensoverschrijdende regio's te stimuleren; benadrukt dat mobiliteit op het platteland wezenlijk verschilt van mobiliteit in de stad wat afstanden en beschikbaarheid van openbaar vervoer betreft, maar ook met betrekking tot de economische en milieufactoren, zoals minder milieudruk door emissies van verontreinigende stoffen, een lager gemiddeld inkomen en hogere belemmeringen voor investeringen in infrastructuur;

46.  merkt op dat de lessen die worden getrokken uit eerdere en lopende projecten, zoals het werkprogramma vervoer, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en de duurzame gedeelde mobiliteit in connectie met het openbaar vervoer in Europese plattelandsgebieden (Smarta), elementen opleveren voor slimme dorpen, met inbegrip van efficiëntere en intelligentere deur-tot-deurlogistiek, innoverende concepten van mobiliteit als dienst (MaaS), slimme vervoersinfrastructuur van de volgende generatie, geconnecteerd en geautomatiseerd vervoer en slimme stedelijke mobiliteit (vervoer van en naar steden);

47.  benadrukt dat mobiliteit steeds meer als dienst wordt beschouwd, zodat doorgedreven en soepel multimodaal vervoer van deur tot deur over de grenzen heen mogelijk moet worden gemaakt, verzoekt de lidstaten daarom multimodale reisinformatie- en reisboekingsdiensten met realtime-informatie ter beschikking te stellen en verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2018 een wetgevingsvoorstel in te dienen inzake rechten van passagiers die met meerdere vervoermiddelen reizen; stelt dat deze nieuwe vervoersdiensten, bijvoorbeeld in het kader van tolheffingen, moeten worden behandeld als vervoerswijzen die minstens even goed zijn als of zelfs te verkiezen zijn boven particulier gemotoriseerd vervoer, en dat de ingebruikname ervan niet mag worden vertraagd door belemmeringen op het gebied van wetgeving;

48.  verzoekt de Commissie de bestaande goede praktijken op het gebied van nationale en lokale regelgeving te bevorderen waarbij nieuwe en traditionele vormen van mobiliteit geïntegreerd worden, keuzemogelijkheden voor de consument worden ondersteund, multimodale informatie en ticketdiensten ter beschikking van de consument worden gesteld, het gebruik van het openbaar vervoer in plaats van privévervoer wordt aangemoedigd of de mogelijkheden worden ondersteund van vervoersinitiatieven in het kader van de deeleconomie die de bevordering van duurzaam toerisme en ecologisch en cultureel erfgoed stimuleren en er de nodige ondersteuning aan geven, en waarbij met name kmo's worden begunstigd en bijzondere aandacht uitgaat naar lidstaten en gebieden waar sprake is van een mobiliteitskloof;

49.  herhaalt dat de reissector tot de sectoren behoort die het meest getroffen worden door de digitalisering en dat deze nieuwe en zeer invloedrijke digitale omgeving consumenten in staat stelt een actievere rol te spelen bij het zoeken, winkelen, boeken en betalen in verband met hun reizen; benadrukt dat het noodzakelijk is de bestaande regels, die transparantie en neutraliteit beschermen, te handhaven, zodat consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken op basis van betrouwbare informatie;

50.  herinnert eraan dat mobiliteitsmanagement belangrijk is; acht het belangrijk dat mensen worden aangemoedigd tot duurzame mobiliteitsgewoonten door middel van economische prikkels, door bewustmaking van de milieueffecten van de verschillende vervoerswijzen en door de coördinatie en ontwikkeling van koolstofarme vervoersdiensten zoals het openbaar vervoer en de totstandbrenging of verbetering van infrastructuur voor zachte vormen van mobiliteit (lopen, fietsen enz.) om mensen een alternatief te bieden voor wegvervoer; beklemtoont dat projecten om lokale en regionale koolstofarme mobiliteit te faciliteren, zoals stadsfietssystemen, moeten worden gefinancierd;

51.  verzoekt de Commissie efficiënte en groene logistiek te bevorderen om beter om te kunnen gaan met de verwachte toename van de vraag naar goederen door middel van een betere benutting van de laadcapaciteit van vrachtwagens, en om het aantal lege of slechts gedeeltelijk geladen vrachtwagens te beperken; verzoekt de Commissie voorts de inspanningen voor de overgang naar multimodaliteit op te voeren en multimodale platforms voor het coördineren van vragen over vervoer te bevorderen, en verzoekt de lidstaten om in heel Europa in de regel gebruik te maken van elektronische boorddocumenten, om de bureaucratie en administratieve lasten te verminderen en de efficiëntie te vergroten;

52.  benadrukt dat platooning en de inzet van supertrucks een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de efficiëntie en brandstofbesparing in het goederenvervoer over de weg en verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de doelstellingen van de verklaring van Amsterdam ten uitvoer te leggen en maatregelen te nemen om de inzet van supertrucks te stimuleren;

53.  moedigt de Commissie aan initiatieven te ondersteunen om filevorming te beperken en te vermijden zonder transportvolumes naar andere wegen te verplaatsen, overeenkomstig voorbeelden van beste praktijken inzake "congestieheffingen" en succesvolle maatregelen voor een verschuiving tussen vervoerswijzen;

54.  verzoekt de Commissie een grondige beoordeling uit te voeren van kwesties inzake gegevensbescherming en aansprakelijkheid die uit de ontwikkeling van geautomatiseerde wagens zouden kunnen voortvloeien;

55.  wijst erop dat de deeleconomie het potentieel heeft om de efficiëntie van het vervoerssysteem te verbeteren en ongewenste externe effecten zoals files en emissies terug te dringen; verzoekt de autoriteiten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel om te overwegen de echte deeldiensten voor vervoer volledig te integreren in het conventionele vervoerssysteem, om de totstandbrenging van vlot werkende volledige reisketens en het aanbod van nieuwe vormen van duurzame mobiliteit te bevorderen;

56.  onderstreept dat in het kader van de deeleconomie aangelegenheden in verband met consumentenbescherming, aansprakelijkheid, belastingheffing, verzekeringen, sociale bescherming van zowel werknemers als zelfstandigen en gegevensbescherming van prioritair belang zijn en verwacht regelgevend optreden ter zake; vraagt de Commissie en de lidstaten erover te waken dat de deeleconomie geen oneerlijke concurrentie vormt, niet tot sociale en fiscale dumping leidt en het door de overheid gereguleerde vervoer niet verdringt;

57.  is van oordeel dat, rekening houdend met arrest C-434/15 van het HvJ-EU van 20 december 2017(14), de grens die de pure bemiddeling via onlineplatforms scheidt van het leveren van een vervoersdienst duidelijk afgebakend moet worden; is van oordeel dat een dienst geen dienst van de informatiemaatschappij is als de activiteit meestal professionele dienstverlening inhoudt, en in elk geval als het technologische platform direct of indirect de prijzen, kwantiteit of kwaliteit van de geleverde dienst bepaalt;

58.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om het gevaar en de waarschijnlijkheid dat ondernemingen aan belastingontduiking doen in verband met diensten van de deeleconomie te beperken, en te eisen dat belastingen worden betaald wanneer winst wordt gegenereerd en diensten worden geleverd;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 195.
(4) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 52.
(5) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 50.
(6) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 57.
(7) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 2.
(8) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 155.
(9) EU Transport in Figures: Statistical Pocketbook 2015 (EU-vervoer in cijfers: statistisch zakboekje 2015), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2015.
(10) PB L 142 van 2.6.2017, blz. 100.
(11) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.
(12) PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5.
(13) PB L 115 van 6.5.2015, blz. 1.
(14) Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi tegen Uber Systems Spain SL, C-434/15, ECLI:EU:C:2017:981.


Tenuitvoerlegging van de verordening gewasbeschermingsmiddelen
PDF 163kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen (2017/2128(INI))
P8_TA(2018)0356A8-0268/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(3),

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(5),

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 18 februari 2016 in Zaak 12/2013/MDC betreffende het handelen van de Commissie ten aanzien van de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (pesticiden)(6),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling inzake Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en de relevante bijlagen, die in april 2018 is gepubliceerd door de Parlementaire Onderzoeksdienst (DG EPRS)(7),

–  gezien de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 november 2016 in de zaken C‑673/13 P (Commissie v. Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe) en C‑442/14 (Bayer CropScience v. College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden),

–  gezien het Commissievoorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2018 betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen](8),

–  gezien het mandaat en de werkzaamheden van de Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (PEST) van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0268/2018),

A.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (hierna de "verordening") heeft aangetoond dat de doelstellingen betreffende de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu niet volledig worden verwezenlijkt en dat er verbeteringen kunnen worden aangebracht om alle doelstellingen van de verordening te behalen;

B.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de verordening moet worden bekeken in combinatie met het overkoepelende bestrijdingsmiddelenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van Richtlijn 2009/128/EG [inzake duurzaam gebruik], Verordening (EU) nr. 528/2012 [betreffende biociden], Verordening (EG) nr. 396/2005 [tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen] en Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving];

C.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de verordening geen voldoening schenkt en afgestemd moet zijn op gerelateerd EU-beleid, met inbegrip van het beleid op het gebied van bestrijdingsmiddelen;

D.  overwegende dat gebleken is dat de praktische tenuitvoerlegging van de drie belangrijkste instrumenten van de verordening – goedkeuringen, toelatingen en handhaving van regelgevingsbesluiten – ruimte voor verbetering laat zien en niet zorgt voor de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening;

E.  overwegende dat sommige bepalingen van de verordening helemaal niet door de Commissie zijn toegepast, met name artikel 25 betreffende de goedkeuring van beschermstoffen en synergisten en artikel 27 betreffende een negatieve lijst van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen;

F.  overwegende dat andere belangrijke bepalingen zoals de toepassing van de uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die hormoonontregelend zijn aanmerkelijke vertraging hebben opgelopen ingevolge onrechtmatig gedrag van de Commissie;

G.  overwegende dat belanghebbenden uiting hebben gegeven aan hun bezorgdheid over de benadering die bij de evaluatie wordt gevolgd, als vastgesteld bij wet, met name met betrekking tot de vraag wie het wetenschappelijk onderzoek moet uitvoeren en het bewijs moet leveren voor de evaluatie van de werkzame stof en het gebruik van de gevarenbeoordeling tijdens deze evaluatie;

H.  overwegende dat de bewijslast bij de aanvrager moet blijven, zodat wordt gegarandeerd dat overheidsgeld niet wordt besteed aan onderzoeken die uiteindelijk privébelangen dienen; overwegende dat de transparantie bij elke stap van de toelatingsprocedure gegarandeerd moet zijn en intellectuele-eigendomsrechten volledig moeten worden geëerbiedigd, en dat tegelijk moet worden gewaarborgd dat in de gehele Unie consistent goede laboratoriumbeginselen worden gehanteerd;

I.  overwegende dat er bezorgdheid bestaat over de praktische tenuitvoerlegging van de vastgestelde evaluatiebenadering; overwegende dat er grote bezorgdheid bestaat over de onvolledige harmonisering van de gegevensvereisten en de gehanteerde methodologieën die het evaluatieproces kunnen belemmeren;

J.  overwegende dat er geconstateerd is dat het optreden van de nationale bevoegde autoriteiten een belangrijke factor is die van invloed is op de evaluatie van werkzame stoffen; overwegende dat er substantiële verschillen zijn tussen de lidstaten met betrekking tot aanwezige expertise en personeel; overwegende dat de verordening en de relevante ondersteunende wettelijke vereisten niet op uniforme wijze in alle lidstaten worden uitgevoerd en dat dit aanzienlijke gevolgen heeft voor de gezondheid en het milieu;

K.  overwegende dat de transparantie in alle stadia van het goedkeuringsproces moet worden verbeterd, en dat grotere transparantie het vertrouwen van het publiek in het systeem dat de bestrijdingsmiddelen reguleert zou kunnen vergroten; overwegende dat de transparantie van de aan de toelating gerelateerde activiteiten van de bevoegde autoriteiten in veel gevallen evenmin toereikend is; overwegende dat de Commissie wijzigingen aan de algemene levensmiddelenwetgeving heeft voorgesteld teneinde de bezorgdheid in verband met de tijdens het evaluatieproces verstrekte gegevens en bewijzen aan te pakken en de transparantie te vergroten;

L.  overwegende dat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen, die uitsluitend op nationaal niveau worden verleend, vaak kampen met trage besluitvorming over het risicobeheer; overwegende dat dit in sommige gevallen leidt tot een toename van toelatingen waarbij uit hoofde van artikel 53 van de verordening een afwijking wordt toegestaan; overwegende dat er gevallen zijn waarin dergelijke afwijkingen worden gebruikt tegen de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever;

M.  overwegende dat in de verordening werd bepaald dat geïntegreerde gewasbescherming deel moet uitmaken van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen volgens de cross-complianceregels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; overwegende dat dit nog moet worden gerealiseerd;

N.  overwegende dat gebleken is dat dit onderdeel van de regelgeving op EU-niveau zorgt voor een meerwaarde van de nationale inspanningen en optredens;

O.  overwegende dat alternatieven pas serieus worden overwogen nadat de wettelijke voorschriften gewijzigd zijn; overwegende dat in het geval van het uitgebreide verbod op neonicotinoïden, bijvoorbeeld, in de meest recente evaluatie (30/5/2018)(9) werd vastgesteld dat er vlot beschikbare niet-scheikundige alternatieven bestaan voor 78 % van de toepassingen van neonicotinoïden;

P.  overwegende dat er sinds 31 mei 2016 geen aanvragen voor de goedkeuring van nieuwe werkzame stoffen zijn ingediend; overwegende dat innovatie en de ontwikkeling van nieuwe producten, met name producten met een laag risico, belangrijk zijn;

Q.   overwegende dat de beschikbaarheid van namaakpesticiden op de markt een bron van reële zorg is; overwegende dat namaakpesticiden schadelijk kunnen zijn voor het milieu en ook schade toebrengen aan de doeltreffendheid van de verordening;

Belangrijkste conclusies

1.  is van mening dat de EU het passende niveau is waarop regelgevende maatregelen op het gebied van bestrijdingsmiddelen nog steeds getroffen moeten worden;

2.  wijst erop dat bij alle huidige en toekomstige acties de nadruk moet liggen op milieumaatregelen om de verspreiding van ziekteverwekkers en plagen te voorkomen, te beperken en te bestrijden;

3.  is van mening dat de vaststelling en tenuitvoerlegging van de verordening in vergelijking met vroeger een belangrijke stap voorwaarts is voor de behandeling van gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie;

4.  benadrukt dat bij de ontwikkeling van nieuwe producten bijzondere aandacht moet worden besteed aan de rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), aangezien kmo's vaak niet beschikken over de omvangrijke middelen die nodig zijn voor de ontwikkeling en goedkeuring van nieuwe stoffen;

5.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de verordening niet doeltreffend wordt uitgevoerd en dat de doelstellingen met betrekking tot de landbouwproductie en innovatie daardoor in de praktijk niet worden verwezenlijkt; wijst uitdrukkelijk op het feit dat het aantal werkzame stoffen van pesticiden daalt, hetgeen deels toe te schrijven is aan een lage mate van innovatie;

6.  herinnert eraan dat er een aanzienlijke behoefte bestaat aan een integrale aanpak en dat Verordening (EG) nr. 1185/2009 betreffende statistieken over pesticiden(10) deel moet uitmaken van de beoordeling, waarbij de resultaten ervan worden gebruikt om de hoeveelheid pesticiden terug te dringen en zo hun risico's en negatieve gevolgen voor de gezondheid en het milieu tot een minimum te beperken;

7.  merkt op dat de doelstellingen en instrumenten van de verordening niet altijd voldoende in overeenstemming zijn met het EU-beleid op het gebied van landbouw, gezondheid, dierenwelzijn, voedselzekerheid, waterkwaliteit, klimaatverandering en duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders;

8.  maakt zich zorgen over het feit dat de tenuitvoerlegging van de verordening, wat het gebruik van dieren bij tests voor gevarenidentificatie en risicobeoordeling betreft, niet in overeenstemming is met de vereiste van de 3 V's (vervanging, vermindering en verfijning) van Richtlijn 2010/63/EU inzake dierproeven en dat de biotest van twee jaar voor kankerverwekkendheid controversiële resultaten kan opleveren(11).

9.  herinnert eraan dat het voorzorgsbeginsel een algemeen beginsel van de Unie is dat is opgenomen in artikel 191 van het EU-Verdrag en dat het bedoeld is om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen dankzij preventieve besluiten;

10.  vindt het onaanvaardbaar dat de goedkeuringsvereisten voor beschermstoffen en synergisten nog niet zijn toegepast, hetgeen strijdig is met artikel 25 van de verordening;

11.  vindt het onaanvaardbaar dat de negatieve lijst met formuleringshulpstoffen nog niet is vastgesteld, vooral na het verbod op POE-tallowamines in combinatie met glyfosaat, waardoor het schadelijke effect van bepaalde formuleringshulpstoffen duidelijk aan het licht is gekomen;

12.  neemt nota van de lopende Refit-evaluatie door de Commissie van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en de geplande voltooiing ervan in november 2018; vertrouwt erop dat deze bevindingen een adequate basis zullen vormen voor de medewetgevers om de toekomstige ontwikkeling van de verordening te bespreken;

13.  uit zijn bezorgdheid over de gestage toename van het gebruik en het geconstateerde misbruik van afwijkingen uit hoofde van artikel 53 in sommige lidstaten; merkt op dat sommige lidstaten aanmerkelijk meer gebruik maken van artikel 53 dan andere; wijst erop dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), in overeenstemming met artikel 53, lid 2, van de verordening, technische bijstand verleent bij het onderzoek naar het gebruik van noodtoelatingen; neemt kennis van de resultaten van het EFSA-onderzoek naar de noodtoelatingen voor drie neonicotinoïden in 2017, waaruit is gebleken dat sommige noodtoelatingen weliswaar nodig waren en voldeden aan de wettelijke vereisten, maar dat andere niet gerechtvaardigd waren; meent dat het van essentieel belang is dat de lidstaten de nodige gegevens verstrekken zodat de EFSA haar taken naar behoren kan vervullen;

14.  beklemtoont het belang van beleidsvorming die zich baseert op wetenschap, waarbij verifieerbare en herhaalbare bewijzen worden geleverd aan de hand van internationaal overeengekomen wetenschappelijke beginselen, onder meer met betrekking tot richtsnoeren, goede laboratoriumpraktijken en collegiaal getoetst onderzoek;

15.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de onvolledige harmonisering van gegevens- en testvereisten op sommige wetenschappelijke terreinen, met ondoeltreffende werkmethoden, gebrek aan vertrouwen tussen de nationale autoriteiten en onnodige vertragingen van toelatingen als gevolg, negatieve consequenties kan hebben voor de gezondheid van mens en dier, voor het milieu en voor de landbouwproductie;

16.  betreurt dat er zo weinig publieke informatie beschikbaar is over de evaluatie- en toelatingsprocedure, en betreurt de beperkte toegang ertoe; betreurt dat het transparantieniveau in de lidstaten-rapporteur (die optreden in het kader van de goedkeuringsprocedure) laag is, meent dat de toegankelijkheid en de gebruikersvriendelijkheid van de informatie in het stadium van de EFSA kan worden verbeterd, dat er onvoldoende transparantie in het stadium van het risicobeheer lijkt te zijn en dat de transparantie ook door de belanghebbenden als problematisch wordt beschouwd; is ingenomen met de inspanningen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) om de transparantie en gebruikersvriendelijkheid te vergroten via zijn website en is van mening dat dit model in de toekomst kan worden gebruikt om de transparantie te verbeteren;

17.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van het systeem voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen sterk afhangt van het publieke vertrouwen in de Europese agentschappen die de wetenschappelijke adviezen verstrekken welke de basis vormen voor goedkeuringen en risicobeheer; onderstreept dat transparantie in het proces van wetenschappelijke beoordelingen belangrijk is om het publieke vertrouwen te handhaven; roept daarom op tot adequate financiering van en voldoende personeel voor de relevante agentschappen om te garanderen dat het toelatingsproces onafhankelijk en transparant is en vlot verloopt; is daarnaast ingenomen met de aanhoudende inspanningen die EFSA heeft geleverd om haar systeem te verbeteren en de onafhankelijkheid en het beheer van potentiële belangenconflicten te garanderen – het systeem van EFSA werd door de Rekenkamer geroemd als het meest geavanceerde systeem van de agentschappen die in 2012 aan een audit werden onderworpen en is onlangs, in juni 2017, geactualiseerd; roept de Commissie op verbeteringen voor te stellen om de transparantie van het regelgevingsproces verder te vergroten, onder meer betreffende de toegang tot gegevens van veiligheidsonderzoeken die door producenten worden ingediend als onderdeel van hun aanvragen voor vergunningen om gewasbeschermingsmiddelen in de EU in de handel te brengen; erkent dat de huidige procedure moet worden herzien om de evaluaties te verbeteren, de onafhankelijkheid van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van studies te vergroten, belangenconflicten te vermijden en de procedure transparanter te maken;

18.  verzoekt de Commissie op Europees niveau een lijst van toepassingen vast te stellen teneinde de harmonisering van de verordening te verbeteren;

19.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat, in sommige gevallen, de gewasbeschermingsmiddelen die op de markt zijn en de manier waarop ze door de gebruikers worden gebruikt niet altijd voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden bij de toelating ten aanzien van hun samenstelling en gebruik; beklemtoont dat niet-professioneel gebruik zo mogelijk moet worden beperkt om misbruik terug te dringen;

20.  onderstreept het belang van scholing voor professionele gebruikers om het correcte en passende gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te garanderen; is van mening dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen professionele en niet-professionele gebruikers; merkt op dat gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in privétuinen, langs spoorwegen en in openbare parken;

21.  geeft aan dat het recht van lidstaten om toegelaten gewasbeschermingsmiddelen te weigeren onverlet blijft;

22.  benadrukt dat de verordening meer moet weerspiegelen dat landbouwpraktijken die gebaseerd zijn op geïntegreerde plaagbestrijding, inclusief het stimuleren van de ontwikkeling van stoffen met een laag risico, moeten worden bevorderd; wijst erop dat het gebrek aan beschikbare gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico een belemmering vormt voor de ontwikkeling van geïntegreerde plaagbestrijding; merkt met bezorgdheid op dat op een totaal van nagenoeg 500 op de EU-markt beschikbare stoffen slechts tien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico;

23.  beklemtoont dat de toelating en bevordering van niet-chemische pesticiden met een laag risico belangrijke maatregelen zijn voor de ondersteuning van plaagbestrijding met lage pesticideninzet; erkent dat er meer onderzoek nodig is naar deze producten aangezien de samenstelling en werking ervan grondig verschillen van die van conventionele producten; onderstreept dat dit ook betekent dat bij de EFSA en de nationale bevoegde autoriteiten meer expertise nodig is om deze biologisch werkzame stoffen te evalueren; merkt op dat biologische gewasbeschermingsmiddelen even streng moeten worden geëvalueerd als andere stoffen; vraagt de Commissie, in overeenstemming met zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico, om voor eind 2018 een specifiek wetsvoorstel voor te leggen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, los van de algemene herziening in het kader van het REFIT-initiatief, met het oog op de invoering van een versnelde procedure voor de beoordeling, toelating en registratie van biologische pesticiden met een laag risico;

24.   meent dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 eveneens moet worden aangepast om beter rekening te houden met stoffen die niet als gewasbeschermingsmiddelen worden beschouwd en die, wanneer ze worden gebruikt voor de bescherming van planten, door diezelfde verordening worden geregeld; merkt op dat die stoffen interessante alternatieven vormen als het gaat om geïntegreerde productiemethodes en bepaalde biocontroleproducten;

25.  beklemtoont dat bijzondere aandacht en ondersteuning moeten worden gegeven aan gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, aangezien bedrijven momenteel weinig economische prikkels krijgen om dergelijke middelen te ontwikkelen; is verheugd over de oprichting van de Coördinerende instantie voor kleine toepassingen, als forum om de coördinatie tussen lidstaten, organisaties van telers en de industrie te verbeteren ten gunste van de ontwikkeling van oplossingen voor kleine toepassingen;

26.  benadrukt dat veel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen al meer dan 15 jaar niet geëvalueerd zijn aan de hand van de EU-normen door vertragingen in de toelatingsprocedures;

27.  benadrukt hoe belangrijk het is een innovatievriendelijk regelgevingskader te creëren waarin oudere chemicaliën kunnen worden vervangen door nieuwe en betere gewasbeschermingsmiddelen; onderstreept het belang van de beschikbaarheid van een breed scala van gewasbeschermingsmiddelen met verschillende werkingsmechanismen om de ontwikkeling van resistentie te voorkomen en de effectiviteit van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te kunnen handhaven;

28.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de harmonisering van de richtsnoeren nog niet geconsolideerd is;

29.  benadrukt dat ontbrekende of onvolledige richtsnoeren ernstige tekortkomingen zijn die negatieve gevolgen hebben voor de tenuitvoerlegging van de verordening en daarmee voor de verwezenlijking van de doelstellingen;

30.  benadrukt dat de beschikbare richtsnoeren niet wettelijk bindend zijn, wat zorgt voor rechtsonzekerheid voor de aanvragers en de in het kader van de goedkeuringsprocedures uitgevoerde evaluaties ter discussie stelt;

31.  is ingenomen met het idee van het systeem voor toelating per zone dat ertoe moet leiden dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen doeltreffender verloopt; is van mening dat de procedure voor wederzijdse erkenning van cruciaal belang is om de werklast te delen en de naleving van de uiterste termijnen te bevorderen; betreurt de problemen in verband met de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; verzoekt de Commissie zich samen met de lidstaten in te zetten om de werking van het systeem voor toelating per zone te verbeteren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving als doel moet hebben dubbel werk te voorkomen en nieuwe stoffen zonder onnodige vertragingen beschikbaar te maken voor landbouwers;

32.  onderstreept dat het noodzakelijk is kennis te delen en nieuwe vaardigheden op te doen met betrekking tot alternatieven voor chemische pesticiden en geïntegreerde plantenbescherming, onder meer om een systeem van vruchtwisseling te vinden dat optimaal aansluit op de markt- en klimaatomstandigheden voor landbouwers; merkt verder op dat hierin reeds wordt voorzien in de horizontale GLB-verordening, met name ook in de vorm van bedrijfsadviesdiensten die worden gefinancierd in het kader van de plattelandsontwikkeling;

33.  toont zich bezorgd over het kleine aantal nieuwe stoffen dat is goedgekeurd; benadrukt hoe belangrijk een geschikte toolkit met gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwers is om de voedselvoorziening in de EU veilig te stellen;

34.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het huidige, op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde evaluatiesysteem voor gewasbeschermingsmiddelen van de EU in recente debatten steeds vaker ter discussie wordt gesteld; benadrukt het belang van handhaving en versterking van een systeem dat wetenschappelijk onderbouwd en objectief is en berust op collegiaal getoetst bewijsmateriaal, en het product is van een open, onafhankelijke en multidisciplinaire wetenschappelijke benadering bij het toelaten van een werkzame stof, overeenkomstig de door de EU gehanteerde beginselen inzake risicoanalyse en het voorzorgsbeginsel zoals neergelegd in de algemene levensmiddelenwetgeving; dringt erop aan dat in de procedure voor de hernieuwde goedkeuring van werkzame stoffen rekening moet worden gehouden met het concrete gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en met de wetenschappelijke en technologische vorderingen op dit terrein; wijst erop dat de complexiteit van het huidige systeem van evaluatie en toelating tot gevolg heeft dat termijnen niet worden gehaald en dat het systeem in het algemeen mogelijk niet naar behoren werkt; wijst dan ook op de noodzaak om het systeem te evalueren en vereenvoudigen;

35.  benadrukt de grote verschillen in het aantal aanvragen tussen lidstaten in dezelfde zone en met een vergelijkbare omvang en vergelijkbare agrarische omstandigheden;

36.  is van mening dat producten die uit landen buiten de EU worden ingevoerd en zijn geteeld met gebruikmaking van PPP's, moeten worden onderworpen aan dezelfde strikte criteria als producten die in de EU worden geproduceerd; is bezorgd dat PPP's die niet in de EU zijn geregistreerd, mogelijk wel worden gebruikt in de productie van geïmporteerde producten;

Aanbevelingen

37.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt uitgevoerd met betrekking tot hun specifieke rol in de goedkeurings- en toelatingsprocedures;

38.  dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan de ernstige en chronische onderbezetting bij de nationale bevoegde autoriteiten die leidt tot vertragingen bij de risico-identificatie en de eerste risicobeoordelingen van de lidstaten;

39.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de procedurele verlenging van de goedkeuringsperiode voor de duur van de procedure, overeenkomstig artikel 17 van de verordening, niet zal worden gebruikt voor werkzame stoffen die kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting zijn en dus zijn opgenomen in categorie 1A of 1B, of werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier, zoals momenteel het geval is voor stoffen als flumioxazine, thiacloprid, chlorotoluron en dimoxystrobin(12);

40.  Het gebruik van werkzame stoffen die kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting zijn en dus zijn opgenomen in categorie 1A of 1B of werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier die al een of meer procedurele verlengingen van de goedkeuringsperiode overeenkomstig artikel 17 van de verordening hebben genoten, moet onmiddellijk verboden worden;

41.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te erkennen dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu de belangrijkste doelstellingen van de wetgeving zijn, en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren en het concurrentievermogen van de landbouwsector te handhaven;

42.  dringt er bij de sector op aan alle gegevens en wetenschappelijk onderzoek in een eenvormig elektronisch en machineleesbaar formaat te verstrekken aan de lidstaten-rapporteur en de EU-agentschappen; dringt er bij de Commissie op aan een geharmoniseerd model voor gegevensinvoer te ontwikkelen teneinde de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten in alle stadia van het proces te vergemakkelijken; erkent dat deze gegevens moeten worden behandeld volgens de voorschriften van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en met inachtneming van intellectuele-eigendomsrechten;

43.  dringt er bij de lidstaten op aan artikel 9 van de verordening over de ontvankelijkheid van aanvragen strikt toe te passen en uitsluitend volledige aanvragen voor de beoordeling van werkzame stoffen te aanvaarden;

44.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de uitsluitingscriteria volledig en uniform worden toegepast, volgens de bestaande geharmoniseerde richtsnoeren, en ervoor te zorgen dat stoffen alleen worden beoordeeld op hun risico wanneer gebleken is dat zij geen risicovolle (uitsluitende) eigenschappen hebben, zoals wordt voorgeschreven door de verordening;

45.  dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen over formuleringshulpstoffen, beschermstoffen en synergisten eindelijk ten uitvoer te leggen, een lijst op te stellen van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen en voorschriften vast te stellen opdat beschermstoffen en synergisten op EU-niveau worden getest, en ervoor te zorgen dat uitsluitend chemicaliën die voldoen aan de goedkeuringscriteria van de EU in de handel kunnen worden gebracht;

46.  is ingenomen met de interpretatie die de Commissie in de Refit-evaluatie van de algemene levensmiddelenwetgeving(13) geeft aan het voorzorgsbeginsel, namelijk dat dit beginsel geen alternatief vormt voor een benadering op basis van risicobeheersing, maar juist een specifieke vorm van risicobeheersing is; herinnert eraan dat dit standpunt ook wordt onderschreven in uitspraken van het Hof van Justitie van de EU(14);

47.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, als risicobeheerders in de goedkeurings- en toelatingsprocedures, het voorzorgsbeginsel naar behoren toe te passen en bijzondere aandacht te schenken aan de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen als bedoeld in artikel 3, lid 14, van de verordening;

48.  dringt er bij de Commissie, de agentschappen en de bevoegde autoriteiten op aan hun communicatie over risicobeoordelingsprocedures en besluitvorming over het risicobeheer te herzien en te verbeteren om het vertrouwen van het publiek in het toelatingssysteem te versterken;

49.  dringt er bij de lidstaten op aan de toelatingsprocedures op nationaal niveau beter ten uitvoer te leggen teneinde de afwijkingen en verlengingen die worden toegestaan uit hoofde van artikel 53 van de verordening te beperken tot echte noodsituaties; dringt er bij de Commissie op aan haar controlerechten uit hoofde van artikel 53, leden 2 en 3, ten volle te benutten; dringt er voorts bij de lidstaten op aan volledig te voldoen aan de informatieplicht ten aanzien van de andere lidstaten en de Commissie zoals vastgesteld in artikel 53, lid 1, met name betreffende maatregelen die zijn genomen om de veiligheid van gebruikers, kwetsbare groepen en consumenten te garanderen;

50.  dringt er bij de Commissie op aan methoden te ontwikkelen om te bepalen wanneer bepaalde afwijkingen moeten worden toegestaan, met name met betrekking tot "verwaarloosbare blootstelling" of "ernstig fytosanitair gevaar", zonder dat daarbij wordt geraakt aan de letter of de geest van de wet; waarschuwt de Commissie dat elke nieuwe interpretatie van de uitdrukking "verwaarloosbare blootstelling" als "verwaarloosbaar risico" tegen de letter en de geest van de wet zou indruisen;

51.  dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op meer investeringen om stimulansen te geven aan onderzoeksinitiatieven betreffende werkzame stoffen, met inbegrip van biologische stoffen met een laag risico, en gewasbeschermingsmiddelen binnen Horizon Europa en het meerjarig financieel kader 2021-2027; onderstreept het belang van een regelgevingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op EU-niveau dat het milieu en de volksgezondheid beschermt en daarnaast onderzoek en innovatie stimuleert met het oog op de ontwikkeling van doeltreffende en veilige gewasbeschermingsmiddelen, en tegelijkertijd duurzame landbouwpraktijken en geïntegreerde plantenbescherming garandeert; wijst erop dat er een grote variëteit aan veilige en doeltreffende instrumenten nodig is om de gezondheid van planten te beschermen; wijst op het potentieel van precisielandbouwtechnieken en technologische innovatie om Europese landbouwers te helpen plagen op een meer gerichte en duurzame wijze optimaal te bestrijden;

52.  dringt er bij de Commissie op aan het gebruik van de procedure voor aanvullende gegevens strikt te beperken tot het doel dat daarvoor is vastgesteld in artikel 6, onder f), van de verordening, namelijk wanneer tijdens de beoordelingsprocedure of naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis nieuwe eisen worden vastgesteld; onderstreept dat volledige dossiers belangrijk zijn voor de goedkeuring van werkzame stoffen; betreurt dat de afwijking met gebruik van de procedure waarbij er nog bevestigende gegevens moeten worden verstrekt, ertoe heeft geleid dat bepaalde gewasbestrijdingsmiddelen die anders verboden zouden zijn, voor langere tijd op de markt zijn gehouden;

53.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de transparantie van de procedures te verhogen, onder meer door uitvoerige notulen te verstrekken over de comitologiebesprekingen en de respectieve standpunten, met name door toelichting te geven bij en verantwoording af te leggen over de besluiten van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders;

54.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor een betere samenhang tussen de verordening en haar tenuitvoerlegging en de gerelateerde EU-wetgeving en het gerelateerde EU-beleid, met name de richtlijn betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden, en te voorzien in prikkels, onder meer het ter beschikking stellen van toereikende middelen die op korte termijn de ontwikkeling en het gebruik van veilige en niet-giftige alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen bevorderen en stimuleren; wijst erop dat in het regelgevingskader geen rekening wordt gehouden met de onvermijdelijke effecten op niet-doelsoorten, met name bijen en andere bestuivers en andere insecten die gunstig zijn voor de landbouw zoals predatoren van schadelijke organismen; wijst op het recente wetenschappelijke onderzoek waarin wordt gewezen op de "insectenapocalyps": het regionaal uitsterven van 75 % van de gevleugelde insecten in Duitsland, zelfs in natuurreservaten waar geen pesticiden werden gebruikt voor de landbouw; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de samenhang tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen te verzekeren, met name door de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en Richtlijn 2009/128/EG te behouden op de lijst met uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE's 12 en 13), zoals door de Commissie voorgesteld in het voorstel voor een verordening inzake de strategische GLB-plannen(15);

55.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt gehandhaafd, met name met betrekking tot de controle van gewasbeschermingsmiddelen die in de EU op de markt worden gebracht, ongeacht of zij geproduceerd zijn in de EU of worden ingevoerd uit derde landen;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) PB L 70 van 16.03.2005, blz. 1.
(3) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(4) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0042.
(6) https://www.ombudsman.europa.eu/en/decision/en/64069
(7) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/615668/EPRS_STU(2018)615668_EN.pdf
(8) COM(2018)0179.
(9) ANSES – Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail (Frankrijk) - Conclusies, 2018.
(10) PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1.
(11) Bron: informatie en vaststellingen in het kader van de Europese uitvoeringsbeoordeling, EPRS-studie april 2018, blz. 36 & II-33.
(12) https://www.foodwatch.org/fileadmin/foodwatch.nl/Onze_campagnes/Schadelijke_stoffen/Documents/Rapport_foodwatch_Ten_minste_onhoudbaar_tot.pdf
(13) SWD(2018)0038.
(14) Bv. Arrest van het Gerecht van 9 september 2011, Frankrijk v. Commissie, T-257/07, ECLI:EU:T:2011:444.
(15) Voorstel voor een verordening inzake strategische GLB-plannen – COM(2018)0392.


Uiteenlopende kwaliteit van producten op de interne markt
PDF 173kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 over tweevoudige kwaliteit van producten op de interne markt (2018/2008(INI))
P8_TA(2018)0357A8-0267/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie(3),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 26 september 2017 getiteld "De toepassing van de EU-wetgeving inzake levensmiddelen- en consumentenbescherming op kwesties in verband met tweevoudige kwaliteit van producten – Het specifieke geval van levensmiddelen",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 25 mei 2016 getiteld "Richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging/toepassing van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken" (SWD(2016)0163),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 25 mei 2016 getiteld "Een brede aanpak voor het stimuleren van de grensoverschrijdende elektronische handel voor Europese burgers en bedrijven" (COM(2016)0320),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 getiteld "Werkprogramma van de Commissie voor 2018 – Een agenda voor een meer verenigd, sterker en meer democratisch Europa" (COM(2017)0650),

–  gezien de toespraak over de Staat van de Unie van voorzitter Jean-Claude Juncker van 13 september 2017,

–  gezien de conclusies van de voorzitter van de Europese Raad van 9 maart 2017, met name punt 3,

–  gezien de conclusies van de 3 524e zitting van de Raad Landbouw en Visserij van 6 maart 2017,

–  gezien de notulen van de 2 203e vergadering van de Commissie van 8 maart 2017,

–  gezien de door zijn beleidsondersteunende afdeling A in januari 2012 uitgebrachte achtergrondnota inzake misleidende beweringen op verpakkingen,

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over een nieuwe agenda voor het Europese consumentenbeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over een strategie ter versterking van de rechten van kwetsbare consumenten(5), en met name paragraaf 6,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over de toepassing van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken(6),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over het jaarverslag betreffende het mededingingsbeleid van de EU(8), en met name paragraaf 14,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 betreffende het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU(9), en met name paragraaf 178,

–  gezien zijn uitgebreide interpellatie van 15 maart 2017 inzake de verschillen in verklaringen, samenstelling en smaak van bepaalde producten op de centrale/oostelijke en westelijke markten van de EU(10),

–  gezien de achtergrondnota van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van juni 2017 getiteld "Dual quality of branded food products: Addressing a possible east-west divide’,

–  gezien het door de Tsjechische landbouw- en levensmiddeleninspectie uitgevoerde onderzoek inzake levensmiddelen en Tsjechische consumenten van februari 2016,

–  gezien de in 2017 door de faculteit der rechtsgeleerdheid van de universiteit Palacký in Olomouc uitgevoerde speciale studie over de kwestie van tweevoudige kwaliteit en de samenstelling van op de interne markt van de EU verhandelde producten vanuit het oogpunt van de wetgeving inzake consumentenbescherming (met name oneerlijke handelspraktijken), mededingingsrecht (meer in het bijzonder oneerlijke concurrentie) en industriële-eigendomsrechten,

–  gezien de diverse onderzoeken, studies en tests die de afgelopen jaren zijn verricht door de levensmiddeleninspectie-autoriteiten in veel lidstaten in Midden- en Oost-Europa,

–  gezien het rapport van onderzoeksbureau Nielsen van november 2014 over de positie van huismerken wereldwijd,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 11 april 2018 getiteld "Een "new deal" voor consumenten" (COM(2018)0183),

–  gezien het Commissievoorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2018 wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU (COM(2018)0185),

–  gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(11),

–  gelet op de artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, over de bescherming van het intellectuele eigendom,

–  gezien de gezamenlijke brief van de Republiek Kroatië, de Tsjechische Republiek, Hongarije, Litouwen, de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek van 23 maart 2018 aan de Commissie met betrekking tot het probleem van tweevoudige kwaliteit in de context van een "new deal" voor consumenten,

–  gezien de resultaten van de vergelijkende studies die door autoriteiten en organisaties voor consumentenbescherming zijn verricht in verschillende EU-lidstaten,

–  gezien het voorstel van de Commissie om Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken bij te werken teneinde uitdrukkelijk te vermelden dat nationale autoriteiten misleidende handelspraktijken waarbij producten in meerdere EU-lidstaten als identieke producten worden verhandeld, kunnen beoordelen en aanpakken als het om producten gaat waarvan de samenstelling of kenmerken significant anders zijn,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0267/2018),

A.  overwegende dat bedrijven bij het promoten, verkopen of leveren van producten consumenten van nauwkeurige en gemakkelijk te begrijpen informatie moeten voorzien over de exacte productsamenstelling, ook van lokale producten en recepten, zodat zij in staat zijn met kennis van zaken een aankoopbeslissing te nemen;

B.  overwegende dat het vertrouwen van de consument in de samenstelling, waarde en kwaliteit van een product een essentieel beginsel moet zijn voor merken; overwegende dat het derhalve de plicht is van fabrikanten ervoor te zorgen dat aan deze verwachtingen wordt voldaan;

C.  overwegende dat consumenten zich er niet van bewust zijn dat producten van hetzelfde merk en met dezelfde verpakking worden afgestemd op de lokale voorkeur en smaak, en dat de uiteenlopende kwaliteit van producten doet vrezen dat niet alle lidstaten gelijk worden behandeld; overwegende dat de Europese Unie al verschillende keurmerken heeft ontwikkeld om tegemoet te komen aan specifieke verwachtingen van consumenten en rekening te houden met de specifieke productkenmerken die herkenbaar zijn dankzij het gebruik van kwaliteitsaanduidingen;

D.  overwegende dat Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken het voornaamste wetgevend instrument van de Unie is waarmee kan worden gewaarborgd dat consumenten niet worden blootgesteld aan misleidende reclame en andere oneerlijke praktijken van ondernemingen jegens consumenten, met inbegrip van identiek gepresenteerde merkgoederen die zo op de markt worden gebracht dat de consument daardoor misleid kan worden;

E.  overwegende dat oneerlijke handelspraktijken in de desbetreffende richtlijn zo kunnen worden geformuleerd dat zij verboden zijn in alle omstandigheden of in bepaalde omstandigheden; overwegende dat volgens de bevindingen van de Commissie de opname van een praktijk in bijlage I, in voorkomend geval, leidt tot grotere rechtszekerheid en daardoor tot eerlijke mededinging onder producenten op de markt;

F.  overwegende dat de consumenten een associatief verband leggen tussen merk, product en kwaliteit en dientengevolge verwachten dat producten van hetzelfde merk en/of die er hetzelfde uitzien van gelijke kwaliteit zijn, ongeacht of ze worden verkocht in hun eigen land of in een andere lidstaat;

G.  overwegende dat de consumenten ook een associatief verband leggen tussen merk en het etiket of verpakking van een landbouwproduct of levensmiddel en de kwaliteit ervan, en dientengevolge verwachten dat producten van hetzelfde merk die in de handel worden gebracht met hetzelfde of een gelijkend etiket, ook dezelfde kwaliteit en samenstelling hebben, ongeacht of ze worden verkocht in hun eigen land of in een andere lidstaat; overwegende dat alle landbouwers in de Europese Unie producten produceren volgens dezelfde hoge normen en dat de klanten verwachten dat deze uniforme kwaliteit ook geldt voor andere producten binnen de voedselketen, ongeacht het rechtsgebied waar zij verblijven;

H.  overwegende dat alle EU-burgers gelijke behandeling verdienen wat betreft levensmiddelen en non-foodproducten die op de interne markt worden verkocht;

I.  overwegende dat oneerlijke praktijken op dit gebied moeten worden uitgebannen om te voorkomen dat consumenten worden misleid, en dat dit grensoverschrijdende probleem alleen kan worden opgelost door middel van een sterke synergie op EU-niveau;

J.  overwegende dat de beoordeling of een handelspraktijk als oneerlijk moet worden beschouwd uit hoofde van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken van geval tot geval door de lidstaten moet worden onderzocht, tenzij het in bijlage I genoemde praktijken betreft;

K.  overwegende dat voorzitter Juncker in zijn toespraak over de Staat van de Unie van 2017 benadrukte dat het onacceptabel is dat er in sommige delen van Europa levensmiddelen van slechtere kwaliteit worden verkocht dan in andere, hoewel de verpakking en het merk identiek zijn;

L.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken van lidstaat tot lidstaat sterk verschilt, waarbij de methoden van aanpak en de doeltreffendheid van de toepassing en handhaving van de richtlijn in de lidstaten erg uiteenlopen;

M.  overwegende dat het merk vaak de voornaamste rol speelt bij besluiten over de waarde van een product;

N.  overwegende dat een krachtiger en efficiënter samenwerkingskader op het gebied van de handhaving bevorderlijk zou zijn voor het vertrouwen van de consument en om te zorgen dat de consument minder schade wordt berokkend;

O.  overwegende dat alle consumenten in de EU dezelfde rechten hebben, maar dat uit de analyses blijkt dat bepaalde producenten en fabrikanten onder dezelfde merknaam producten hebben verkocht van verschillende kwaliteit, maar met een bedrieglijk identiek uiterlijk, en dat bepaalde producten in sommige landen minder van het hoofdingrediënt of ingrediënten van lagere kwaliteit bevatten dan in andere; overwegende dat dit probleem zich vaker voordoet in de lidstaten die sinds 2004 tot de EU zijn toegetreden; overwegende dat de analyses gevallen aan het licht hebben gebracht waarin dezelfde producten of producten met een bedrieglijk identiek uiterlijk maar van lagere kwaliteit of met een andere smaak, consistentie of andere sensorische kenmerken, werden verkocht tegen prijzen die sterk verschillen tussen het ene land en het andere; overwegende dat dit weliswaar niet in strijd is met de beginselen van de vrijemarkteconomie of met de huidige etiketteringsvoorschriften of andere levensmiddelenwetgeving, maar wel een vorm van misbruik van de merkidentiteit is en dus indruist tegen het beginsel dat alle consumenten gelijk worden behandeld;

P.  overwegende dat er ook gevallen zijn geweest van aanzienlijke verschillen in producten zoals babyvoeding, waardoor vraagtekens kunnen worden gezet bij de beginselen en claims van fabrikanten die beweren dat zij hun producten aanpassen aan lokale voorkeuren; overwegende dat sommige laboratoriumtests de bevinding opleveren dat producten van lagere kwaliteit minder gezonde combinaties van ingrediënten kunnen bevatten, wat indruist tegen het beginsel van gelijke behandeling van alle consumenten; overwegende dat sommige vertegenwoordigers van producenten en fabrikanten zijn overeengekomen hun recepten in bepaalde landen zo te wijzigen dat op de hele interne markt identieke producten worden aangeboden;

Q.  overwegende dat er bij deze onaanvaardbare praktijken bekende multinationale ondernemingen in de agrovoedingssector betrokken zijn, die ernaar streven hun winsten te maximaliseren door gebruik te maken van de verschillen in koopkracht tussen lidstaten;

R.  overwegende dat de Commissie in het voorstel voor een "new deal" voor de consument, een gerichte herziening van de consumentenrichtlijnen van de EU naar aanleiding van de geschiktheidscontrole van de EU-wetgeving inzake consumenten en marketing, heeft voorgesteld de richtlijn oneerlijke handelspraktijken te actualiseren om daarin expliciet te bepalen dat nationale autoriteiten een onderzoek kunnen instellen naar en maatregelen kunnen nemen tegen misleidende handelspraktijken waarbij producten op de markt worden gebracht alsof zij in diverse EU-landen identiek zouden zijn, terwijl de samenstelling of kernmerken ervan aanzienlijk verschillen;

S.  overwegende dat productdifferentiatie en innovatie als zodanig niet beperkt moeten worden, maar dat de consument niet mag worden misleid;

T.  overwegende dat de interne markt grote voordelen heeft opgeleverd voor wie betrokken is bij de voedselvoorzieningsketen en dat de handel in levensmiddelen steeds vaker een uitgesproken grensoverschrijdende dimensie heeft en van bijzonder groot belang is voor het functioneren van de interne markt;

U.  overwegende dat het voor een volledige benutting van de voordelen van de interne markt cruciaal is dat de bestaande levensmiddelen- en consumentenwetgeving van de EU waarmee ongerechtvaardigde dubbele standaards kunnen worden opgespoord en aangepakt, beter wordt toegepast, zodat de consument beschermd wordt tegen misleidende informatie en oneerlijke handelspraktijken;

V.  overwegende dat er een blijvende behoefte is aan versterking van de rol van consumentenverenigingen op dit gebied; overwegende dat consumentenverenigingen een unieke rol spelen bij het waarborgen van het vertrouwen van de consument en dat zij meer steun moeten krijgen in de vorm van extra wettelijke en economische maatregelen en capaciteitsopbouw;

W.  overwegende dat bewezen verschillen in ingrediënten in vergelijkbare producten op de lange termijn slecht kunnen zijn voor de gezondheid van de consument, met name in het geval van kwetsbare consumenten, zoals kinderen en mensen met voedings- en/of gezondheidsproblemen waardoor het welzijn van de burgers wordt aangetast; overwegende dat dit bijvoorbeeld het geval is wanneer het vet- en/of suikergehalte hoger is dan verwacht, wanneer vetten van dierlijke oorsprong worden vervangen door vetten van plantaardige oorsprong of omgekeerd, wanneer suiker wordt vervangen door kunstmatige zoetstoffen of wanneer het zoutgehalte wordt verhoogd; overwegende dat etikettering die geen juist beeld geeft van de gebruikte additieven of het aantal vervangers voor basisingrediënten, de consumenten kan misleiden en risico's kan inhouden voor hun gezondheid;

X.  overwegende dat op EU-niveau geen wetgevingsregels inzake tweevoudige kwaliteit voorhanden zijn waardoor het onmogelijk is kwaliteit te vergelijken of gevallen van tweevoudige kwaliteit vast te stellen en er geen instrumenten zijn die zouden kunnen worden gebruikt om de situatie te verhelpen; overwegende dat de diensten van de Commissie voor gezondheid- en levensmiddelenaudits en -analyses regelmatig tekortkomingen hebben gemeld bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving van de EU, bijvoorbeeld bij de etikettering van separatorvlees(12) of het gebruik van levensmiddelenadditieven(13);

Y.  overwegende dat verschillen in de samenstelling die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de consumenten, mogelijk niet alleen terug te vinden zijn in levensmiddelen, maar ook in cosmetica, verzorgingsproducten en reinigingsmiddelen;

Z.  overwegende dat herformuleringsmaatregelen om het vet-, suiker- en zoutgehalte in levensmiddelen te verlagen in veel Centraal-, Oost- en Zuidoost-Europese landen achterblijven;

1.  onderstreept dat uit talrijke in de verschillende lidstaten uitgevoerde tests en onderzoeken, voornamelijk in Centraal- en Oost-Europa, met verschillende methodes voor laboratoriumtesten, is gebleken dat er verschillen van diverse omvang bestaan, onder meer qua samenstelling en gebruikte ingrediënten, tussen in de interne markt verhandelde en via reclame aangeprezen producten die onder dezelfde merknaam en met een identieke verpakking worden verkocht, ten nadele van de consument; wijst erop dat uit een studie die in opdracht van een nationale bevoegde autoriteit is verricht blijkt dat de consument zich stoort aan die verschillen; concludeert derhalve dat consumenten, op grond van de bevindingen van die testen en onderzoeken, vrezen dat er sprake is van discriminatie tussen de verschillende markten in de lidstaten; benadrukt dat een dergelijk soort discriminatie niet aanvaardbaar is en dat alle consumenten in de EU toegang moeten hebben tot producten van dezelfde kwaliteit;

2.  benadrukt dat de gevallen van dergelijke significante verschillen niet alleen levensmiddelen betreffen, maar vaak ook non-foodproducten, met inbegrip van reinigingsmiddelen, cosmetica, toiletartikelen en babyverzorgingsproducten;

3.  brengt in herinnering dat het Parlement de Commissie in 2013 heeft verzocht een grondig onderzoek in te stellen teneinde vast te stellen of de bestaande wetgeving van de Unie gewijzigd dient te worden, en het Europees Parlement en de consumenten in kennis te stellen van de resultaten;

4.  is ingenomen met de onlangs door de Commissie aangekondigde initiatieven met betrekking tot deze kwestie, en met name met de toezegging een gemeenschappelijke testmethode te ontwikkelen, financiële middelen te reserveren voor de ontwikkeling en toepassing van deze methode en voor het verzamelen van nader betrouwbaar en vergelijkbaar bewijs, de richtlijn oneerlijke handelspraktijken te actualiseren en het kenniscentrum voor levensmiddelenfraude en -kwaliteit op te richten;

5.  neemt nota van het mandaat dat door de Europese Raad aan het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen is toegekend om het probleem van tweevoudige kwaliteit aan te pakken; spoort de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten aan actief deel te nemen aan lopende initiatieven, met inbegrip van het ontwikkelen en in hun werkpraktijken integreren van een gemeenschappelijke testmethode en het verzamelen van aanvullend bewijs; benadrukt dat de partijen die de belangen van de consumenten vertegenwoordigen, actief betrokken moeten zijn en namens de consumenten moeten kunnen spreken, met inbegrip van de vertegenwoordigers van consumentenorganisaties, fabrikanten en onderzoeksorganisaties die in de lidstaten producttests hebben uitgevoerd; is van mening dat het Parlement moet worden betrokken bij alle lopende initiatieven die van invloed kunnen zijn op pogingen om het probleem van de tweevoudige kwaliteit aan te pakken;

6.  beveelt de getroffen lidstaten aan een eigen beoordeling uit te voeren van de methode en effectiviteit van de handhaving van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken en andere wetgeving die betrekking heeft op de kwestie van de tweevoudige kwaliteit van levensmiddelen en andere producten, en deze voor te leggen aan de Commissie voor de uitvoering van een objectieve beoordeling van de ernst van dit probleem;

7.  is verheugd over de goedkeuring door het Parlement van een proefproject voor 2018 dat bestaat uit een reeks marktonderzoeken met betrekking tot verschillende categorieën consumentenproducten teneinde de verschillende aspecten ten aanzien van tweevoudige kwaliteit te analyseren; verwacht dat het project tijdig en volgens de oorspronkelijke planning uitgevoerd en bekendgemaakt wordt; is van mening dat het project ook in 2019 moet worden voortgezet om de kennis te verbreden en dat het ook de non-foodsector moet bestrijken; vraagt om de mogelijkheid voor leden van het Parlement om meer bij het toezicht op het project te worden betrokken; moedigt het Parlement, de Commissie en de lidstaten aan alle beschikbare middelen te gebruiken, met inbegrip van proefprojecten en nationale projecten, om de diverse aspecten van tweevoudige kwaliteit van producten nader te onderzoeken;

8.  benadrukt het feit dat volledige informatie over de publieke instantie die bevoegd is voor het ondernemen van actie en het opstarten van passende administratieve of gerechtelijke procedures, inclusief de mogelijkheid voor burgers om online klachten in te dienen, onontbeerlijk is voor een effectieve handhaving van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken; beoordeelt daarom negatief de tekortkomingen op informatiegebied van de betrokken lidstaten, waarvan sommige ondanks de verklaringen dat de kwestie van tweevoudige kwaliteit van producten moet worden opgelost, deze informatie niet verstrekken op de websites van de bevoegde instanties;

9.  benadrukt dat de Commissie reeds een aanmelding heeft ontvangen van een nieuwe nationale etiketteringsmaatregel die tot doel heeft uiteenlopende samenstellingen van levensmiddelen bij consumenten onder de aandacht te brengen;

10.  is tevreden met het feit dat de Commissie, voor een verdere verbetering van de consumentenbescherming in de EU en ter ondersteuning van de bedrijven, een online-opleidingsprogramma heeft gestart, dat ondernemingen helpt de rechten van consumenten in de EU beter te begrijpen en toe te passen;

Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de EU-wetgeving inzake consumentenbescherming op kwesties in verband met tweevoudige kwaliteit van producten

11.  neemt nota van de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de EU-wetgeving inzake levensmiddelen- en consumentenbescherming op kwesties in verband met tweevoudige kwaliteit van producten; wijst erop dat die Mededeling bedoeld is om de nationale autoriteiten te helpen vaststellen of een bedrijf de EU-wetgeving inzake levensmiddelen en consumentenbescherming schendt wanneer het producten van tweevoudige kwaliteit verkoopt in verschillende landen, en die autoriteiten te adviseren over de wijze van onderlinge samenwerking; spreekt zijn bezorgdheid uit dat de in de Mededeling genoemde stapsgewijze benadering op basis waarvan nationale autoriteiten kunnen vaststellen of producenten in strijd handelen met de EU-wetgeving, momenteel niet wordt toegepast door de autoriteiten, wat zou kunnen betekenen dat de consumentenrechten worden geschonden;

12.  is het eens met de Commissie dat consumenten op de interne markt ervan uitgaan dat deze markt is gebaseerd op de beginselen van vrij verkeer van goederen en gelijke toegang tot goederen, en dat zij a priori niet verwachten dat merkproducten die in verschillende landen worden verkocht, van elkaar verschillen; wijst erop dat volgens de Commissie uit studies over merkentrouw blijkt dat de consument een merk beschouwt als waarborg voor gecontroleerde en constante kwaliteit; is het voorts met de Commissie eens dat dit verklaart waarom sommige consumenten verwachten dat merkproducten, waar en wanneer ze ook worden aangekocht, zo niet identiek dan toch minstens van dezelfde kwaliteit zijn, en dat merkeigenaars de consumenten inlichten wanneer zij beslissen de samenstelling van hun producten te wijzigen;

13.  is daarom van mening dat het verstrekken van aanvullende informatie, zelfs op het meest in het oog springende deel van de verpakking, niet voldoende is als de consument niet duidelijk begrijpt dat het product in kwestie verschilt van producten van hetzelfde merk die in andere lidstaten worden verkocht;

14.  is het voorts eens met de Commissie dat, in dit verband, de producenten niet noodzakelijk identieke producten in verschillende geografische gebieden hoeven aan te bieden en dat het vrij verkeer van goederen niet betekent dat elk product overal op de eengemaakte markt identiek moet zijn; benadrukt dat exploitanten goederen met een verschillende samenstelling en verschillende eigenschappen op de markt mogen brengen en mogen verkopen op basis van relevante factoren, mits zij zich volledig aan de EU-wetgeving houden; benadrukt echter dat die producten niet in kwaliteit mogen verschillen wanneer zij worden aangeboden aan consumenten op verschillende markten;

15.  is van mening dat het verstrekken van precieze en gemakkelijk te begrijpen informatie aan consumenten van essentieel belang is om de problematiek rond de tweevoudige kwaliteit van producten aan te pakken; is ervan overtuigd dat in het geval dat een onderneming in verschillende lidstaten producten met verschillende eigenschappen op de markt wil brengen, die producten geen etiketten of merknamen mogen hebben die hetzelfde lijken;

16.  merkt op dat er aanvaardbare verschillen kunnen zijn in de samenstelling van een merkproduct en dat producten kunnen verschillen in verband met regionale voorkeuren van de consument, de bevoorrading van lokale ingrediënten, voorschriften van nationaal recht of herformuleringsdoeleinden; benadrukt dat het niet de bedoeling is om kwaliteitsvereisten voor levensmiddelen vast te stellen of te harmoniseren en dat het niet wenselijk is om fabrikanten de exacte samenstelling van de verschillende producten voor te schrijven; is echter van mening dat de consumentenvoorkeur niet als excuus mag dienen voor het verlagen van kwaliteit of het aanbieden van verschillende kwaliteitsniveaus op verschillende markten; benadrukt dat de consument voor elk afzonderlijk product op duidelijke wijze geïnformeerd moet worden en bewust moet zijn van deze aanpassing en dat hem niet alleen in algemene termen moet worden meegedeeld dat deze gevestigde praktijk bestaat;

17.  merkt op dat er een algemeen beeld heerst dat de Mededeling voornamelijk betrekking heeft op levensmiddelen; is van mening dat bepalingen met betrekking tot de toepassing van de wetgeving inzake consumentenbescherming op alle levensmiddelen en non-foodproducten van toepassing moeten zijn, en dat het etiket leesbaar moet zijn en volledige informatie over het product moet bevatten;

18.  vestigt de aandacht op de richtsnoeren van de Commissie uit 2016 over de toepassing van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, waarin is bepaald dat goederen van dezelfde kwaliteit of met dezelfde of gelijkende verpakking in samenstelling mogen verschillen naargelang de plaats van vervaardiging en de bestemmingsmarkt, wat betekent dat zij per lidstaat verschillend mogen zijn en dat volgens die richtlijn handelspraktijken die erin bestaan om producten van verschillende samenstelling op de markt te brengen op zich niet oneerlijk zijn; benadrukt het belang van de door de Commissie uitgebrachte richtsnoeren voor de juiste en samenhangende toepassing van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken; verzoekt de Commissie derhalve het verband tussen de Mededeling, de richtsnoeren en het document van de subgroep interne markt van het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen, te verduidelijken;

19.  merkt op dat er mogelijk verschillende eisen gelden voor de door de nationale bevoegde autoriteiten gehanteerde controlemethoden; onderstreept dat er al diverse analyses zijn uitgevoerd die als basis kunnen dienen voor het ontwerpen en ten uitvoer leggen van de gemeenschappelijke testmethode, zelfs als hun methodes verschilden en de resultaten ervan niet op dezelfde manier werden beoordeeld; is van mening dat het doel van de werkzaamheden om een door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) van de Commissie geleide methodologie te ontwikkelen, duidelijk moet worden vermeld om een uniforme interpretatie van de resulterende methode te garanderen, met inbegrip van een definitie van "significant verschil", en om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen deze methode te gebruiken; wijst erop dat de vaststelling welke van de verschillende producten het meest standaard en dus het "referentieproduct" is, in de praktijk de algemene beoordeling zou kunnen belemmeren, aangezien het te moeilijk kan zijn om dat te bepalen;

20.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om nationale handhavingsautoriteiten te helpen bij het opsporen van oneerlijke handelspraktijken bij het op de markt brengen van producten; verzoekt de Commissie te zorgen voor coördinatie van de nationale bevoegde autoriteiten op dit gebied; benadrukt dat die methode bedoeld is om ervoor te zorgen dat er door de lidstaten op een gemeenschappelijke basis betrouwbaar en vergelijkbaar bewijs wordt verzameld om bij te dragen aan een algemene beoordeling van de omvang en de ernst van het verschijnsel van tweevoudige kwaliteit in de EU; herinnert eraan dat de feitelijke aard van oneerlijke handelspraktijken waarschijnlijk steeds alleen per geval zal worden beoordeeld omdat de omvang van de misleiding van de consument altijd een kwestie is van subjectieve beoordeling door de bevoegde autoriteit of rechter;

21.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om de bevoegde autoriteiten uit te nodigen meer markttests te verrichten binnen de lidstaten, in het kader waarvan producten in verschillende regio's en landen met elkaar worden vergeleken; wijst er echter op dat die tests volgens de Commissie moeten worden uitgevoerd op basis van een gemeenschappelijk testmethode die nog niet volledig is ontwikkeld; benadrukt dat het van belang is het tijdschema aan te houden zodat de resultaten van de in het kader van de gemeenschappelijke testmethode uitgevoerde tests aan het eind van het jaar zijn afgerond, in alle officiële EU-talen in een openbaar toegankelijke databank worden bekendgemaakt en uiterlijk tegen eind 2018 worden geanalyseerd; benadrukt bovendien de noodzaak om deze resultaten snel bekend te maken ten behoeve van de voorlichting van consumenten en producenten om hen te informeren en zo de gevallen van tweevoudige kwaliteit van producten te helpen verminderen;

Andere aspecten van tweevoudige kwaliteit

22.  benadrukt dat huismerken in de afgelopen tien jaar tot essentieel onderdeel van de dagelijkse boodschappen van de consument zijn uitgegroeid, en dat hun marktaandeel in de meeste lidstaten en de meeste productcategorieën is toegenomen; is van mening dat teneinde verwarring te voorkomen, de consument nooit de indruk mag hebben dat een merkproduct in werkelijkheid een huismerk betreft; stelt nogmaals dat de kwestie met betrekking tot huismerken de speciale aandacht van de Commissie verdient om een einde te maken aan de verwarring tussen huismerken en merkproducten; merkt op dat de interne markt toegankelijk is voor producenten en fabrikanten, maar dat de concurrentie hevig is, aangezien een aantal merken overal in de hele Unie bekend is en een goede reputatie geniet;

23.  herinnert eraan dat het Parlement de Commissie meermaals verzocht heeft vast te stellen of tweevoudige kwaliteit negatieve gevolgen heeft voor de lokale en regionale productie, en met name voor kleine en middelgrote ondernemingen; betreurt dat de Commissie nog steeds geen gegevens heeft verstrekt;

24.  benadrukt dat nagemaakte merkproducten de consument blootstellen aan gezondheids- en veiligheidsrisico's, het vertrouwen van de consument in de merken ondermijnen en tot inkomstenverlies voor producenten leiden; merkt op dat er in de EU nog steeds een brede waaier aan nagemaakte producten in beslag wordt genomen en dat het daarbij om vrijwel alle soorten goederen gaat;

25.  maakt zich zorgen over de aan handelaren opgelegde beperkingen ten aanzien van de aankoop van goederen, welke mogelijk een negatief effect op de keuze van de consument hebben; spoort de Commissie aan de factoren in kaart te brengen die bijdragen tot de versplintering van de interne markt voor goederen en de mogelijkheid voor de consument om ten volle te profiteren van de interne markt onrechtmatig beperken, met name territoriale beperkingen met betrekking tot leveringen en de gevolgen hiervan; verzoekt de Commissie om in voorkomend geval gebruik te maken van het mededingingsrecht om dergelijke praktijken aan te pakken;

26.  wijst erop dat de nationale bevoegde autoriteiten uitsluitend monsters kunnen selecteren en tests kunnen uitvoeren op het grondgebied van hun eigen lidstaat; benadrukt de noodzaak van een versterkte, doeltreffende, transparante en snelle grensoverschrijdende samenwerking en uitwisseling van gegevens, met inbegrip van de uitwisseling van mogelijk niet-conforme producten en informatie over mogelijke oneerlijke praktijken, tussen nationale consumentenbeschermingsorganisaties en voedselautoriteiten, consumentenverenigingen en de Commissie om de tweevoudige kwaliteit aan te pakken en de handhaving van de wetgeving te verbeteren en onderling aan te passen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dergelijke samenwerking te intensiveren; is verheugd over de vaststelling van de herziene verordening betreffende samenwerking inzake consumentenbescherming (SCB) die de opsporings- en handhavingsbevoegdheden versterkt, de uitwisseling van informatie en gegevens en de toegang tot alle relevante informatie bevordert en geharmoniseerde regels vaststelt met procedures voor de coördinatie van onderzoeks- en handhavingsmaatregelen op dit gebied;

27.  erkent het nut van "sweeps" als belangrijk middel om de handhaving in het kader van de SCB-verordening te coördineren en verzoekt de Commissie en de lidstaten die bezemacties verder te versterken en het toepassingsgebied ervan uit te breiden;

Aanbevelingen en vervolgstappen

28.  benadrukt de waarde van een breed en tijdig publiek debat dat leidt tot een verhoogd consumentenbewustzijn over producten en hun kenmerken; wijst erop dat sommige fabrikanten en eigenaren van huismerken al hebben aangekondigd dat zij hun recepten zullen veranderen of in de hele EU dezelfde productiestandaard zullen gebruiken; onderstreept het belang van de rol die de sector speelt bij het verhogen van de transparantie ten aanzien van de samenstelling en kwaliteit van producten en de veranderingen daarin; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om op dit gebied een gedragscode uit te werken; verzoekt om, met het oog op hun eigen belangen, een nog grotere betrokkenheid van zowel de producenten als de detailhandelaars, om zo snel mogelijk een doeltreffende oplossing voor de huidige situatie te vinden zonder terug te grijpen op handhavingsprocedures, en om de Europese consumenten in staat te stellen op de hele interne markt toegang te krijgen tot producten van dezelfde kwaliteit; verzoekt de fabrikanten te overwegen een logo op de verpakking aan te brengen om aan te geven dat de inhoud en de kwaliteit van een product van een bepaald merk in alle lidstaten gelijk zijn;

29.  nodigt consumentenorganisaties, maatschappelijke organisaties en de aangemelde nationale instanties die bevoegd zijn voor de handhaving van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken en hiermee verband houdende wetgeving uit een actieve rol in het publieke debat op zich te nemen, alsook bij het informeren van consumenten; is ervan overtuigd dat consumentenorganisaties aanzienlijk kunnen bijdragen aan de oplossing van het probleem van de tweevoudige kwaliteit van producten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om meer ondersteuning van nationale consumentenorganisaties door middel van financiële en juridische mechanismen, opdat zij capaciteit kunnen opbouwen, hun testwerkzaamheden kunnen ontwikkelen en samen met de bevoegde autoriteiten kunnen helpen om gevallen van oneerlijke productdifferentiatie op te sporen en aan het licht te brengen; is bovendien van mening dat versterkte grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tussen consumentenverenigingen moet worden bevorderd;

30.  is op basis van eerdere ervaringen van oordeel dat de bevoegde autoriteiten tot nu toe niet in staat zijn geweest om ieder voor zich op nationaal niveau specifieke gevallen van tweevoudige kwaliteit aan te pakken of bestaande wetgeving te handhaven, dan wel hiertoe slechts in zeer beperkte mate een poging ondernomen hebben, deels ook omdat er geen expliciete wetsvoorschriften op EU-niveau zijn; herinnert eraan dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en dat zij deze verantwoordelijkheid ook moeten nemen om te voorkomen dat de consumenten worden misleid door oneerlijke verkooppraktijken; benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten beschikken over passende technische, financiële en personele capaciteiten om daadwerkelijke handhaving te garanderen; verzoekt de lidstaten de consumenten de mogelijkheid te geven ergens klachten in te dienen en die nader te laten onderzoeken, en de consumenten zo veel mogelijk te informeren over hun rechten en mogelijkheden in het kader van de handhaving van de bestaande wetgeving en over de plichten van verkopers met betrekking tot informatieverstrekking over de samenstelling en, in voorkomend geval, de herkomst van producten;

31.  vestigt de aandacht op het feit dat het probleem van tweevoudige kwaliteit rechtstreeks verband houdt met de essentie van de werking van de interne markt en het consumentenvertrouwen, die beide op het spel staan, en derhalve, onder meer, een oplossing op het niveau van de Unie vergt, door middel van onmiddellijk afdwingbare maatregelen; is ervan overtuigd dat gezien het feit dat actie op nationaal niveau mogelijk is, actie op het niveau van de Unie de integriteit van de interne markt zou kunnen waarborgen; verzoekt de Commissie de bestaande nationale normen voor levensmiddelen en non-foodproducten in de EU in kaart te brengen en te beoordelen in hoeverre deze van toepassing zijn in gevallen van tweevoudige kwaliteit in de interne markt;

32.  dringt erop aan dat er met spoed capaciteit en mechanismen op EU-niveau worden ontwikkeld in een gespecialiseerde controle- en toezichtunit binnen een bestaand EU-orgaan (bijv. het GCO of de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)), waarbij de bureaucratie tot een minimum wordt beperkt, om erop toe te zien dat de samenstelling en het proportioneel gebruik van ingrediënten gelijk zijn in levensmiddelen van hetzelfde merk en met dezelfde verpakking en om vergelijkende laboratoriumanalyses te beoordelen om dergelijke oneerlijke commerciële handelspraktijken bij het op de markt brengen van levensmiddelen op te sporen;

33.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een "new deal" voor consumenten, dat beoogt tweevoudige kwaliteit van producten aan te pakken door artikel 6 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken zo te wijzigen dat wanneer een product in de handel wordt gebracht als zijnde identiek aan hetzelfde product dat in een aantal andere lidstaten in de handel is, terwijl deze producten in feite een aanzienlijk andere samenstelling of aanzienlijk andere kenmerken hebben, zulks wordt beschouwd als een misleidende handelspraktijk; merkt echter op dat het voorstel ook een aantal onduidelijke bepalingen bevat die verduidelijking behoeven met het oog op een juiste interpretatie en toepassing;

34.  is er evenwel stellig van overtuigd dat een wijziging van bijlage I bij de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, door een aanvullende categorie van misleidende handelspraktijken aan de "zwarte lijst" toe te voegen en tweevoudige kwaliteit van producten met dezelfde merknaam, wanneer die discriminerend is en geen rekening houdt met de verwachtingen van de consument, expliciet te vermelden, de meest doeltreffende manier is om ongeoorloofde gevallen van tweevoudige kwaliteit te voorkomen;

35.  benadrukt dat het wetgevingsproces een duidelijke definitie moet opleveren van wat als tweevoudige kwaliteit kan worden beschouwd en hoe elk geval door de bevoegde autoriteiten moet worden beoordeeld en aangepakt; benadrukt in dit verband dat een open lijst van zogenaamde "legitieme factoren" een belemmering zou kunnen vormen voor het vermogen van de bevoegde autoriteiten om een onderzoek in te stellen en de wet toe te passen; vreest dat de toepassing van het concept "bepaalde consumentenvoorkeuren" voor de beoordeling van de vraag of verschillen in de productsamenstelling al dan niet gerechtvaardigd zijn kan leiden tot verschillende interpretaties door de bevoegde autoriteiten;

36.  verzoekt de Commissie het aan het GCO verleende mandaat uit te breiden zodat het binnen een jaar een op Europees niveau geharmoniseerde testmethode voor de vergelijking van de kenmerken van non-foodproducten kan ontwikkelen, alsook richtsnoeren voor de verbetering van producttransparantie, en de resultaten van tests kan evalueren; wijst erop dat het GCO, met het oog op de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied, ook moet streven naar samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten die reeds hun eigen producttests hebben uitgevoerd maar de resultaten nog niet aan de nationale autoriteiten van andere lidstaten hebben meegedeeld;

37.  wijst erop dat de veiligheid en kwaliteit van levensmiddelen, en de bescherming van de consument tegen misleiding, de hoogste prioriteit hebben; herinnert de Commissie aan haar belofte om het toezicht en de correcte toepassing van EU-wetgeving te verbeteren; is van mening dat de bevoegde autoriteiten op nationaal niveau daadwerkelijk moeten toezien op de naleving van de betreffende wetgeving op deze gebieden;

38.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de transparantie van wetenschappelijke studies op het gebied van voedselveiligheid te vergroten als reactie op de uitingen van publieke bezorgdheid, teneinde de informatie die nodig is om aankoopbeslissingen te nemen op basis van een betrouwbare, op wetenschappelijke feiten gebaseerde risicobeoordeling toegankelijker te maken;

39.  roept de nationale levensmiddelenautoriteiten op per geval te bepalen of vermeende discriminerende praktijken inderdaad illegaal zijn, op grond van de bepalingen van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken en hun wisselwerking met de eisen inzake eerlijke informatie, zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten;

40.  merkt op dat alle EU-burgers het slachtoffer zijn van praktijken inzake tweevoudige kwaliteit, onder meer wanneer zij naar een andere lidstaat reizen;

41.  onderstreept echter dat aanzienlijke verschillen in producten voor baby's, zoals voeding voor zuigelingen en peuters, niet louter en alleen kunnen worden gerechtvaardigd door regionale smaakvoorkeuren;

42.  verwerpt ten stelligste de bewering van sommige producenten dat veranderingen in de samenstelling en/of de kwaliteit worden aangebracht, opdat de prijzen beantwoorden aan de verwachtingen van de consumenten; benadrukt dat uit verschillende studies is gebleken dat producten van lagere kwaliteit vaak duurder zijn dan hun tegenhangers van hogere kwaliteit elders in de EU;

43.  moedigt het gebruik van het beginsel van de circulaire economie voor productverpakkingen sterk aan en benadrukt dat als de productverpakking in een lidstaat aan dit beginsel voldoet, de producent inspanningen moet leveren om ervoor te zorgen dat dit het geval is voor al zijn producten die onder hetzelfde merk in dezelfde soort verpakking op de markt worden gebracht in de EU en daarbuiten;

44.  benadrukt dat sommige gevallen van producten van tweevoudige kwaliteit het gevolg zijn van een gebrek aan handhaving van het EU-recht; verzoekt de autoriteiten van de lidstaten dringend om de bestaande EU-voorschriften inzake levensmiddelenetikettering te handhaven, ook met betrekking tot bijvoorbeeld separatorvlees;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.
(2) PB L 345 van 27.12.2017, blz. 1.
(3) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.
(4) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 2.
(5) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 11.
(6) PB C 93 van 24.3.2017, blz. 27.
(7) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 40.
(8) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 2.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0027.
(10) O-000019/2017.
(11) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(12) http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/overview_reports/details.cfm?rep_id=76
(13) http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/overview_reports/details.cfm?rep_id=115

Juridische mededeling