Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 2 oktober 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos
 Derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld ***I
 Overeenkomst EU-Marokko inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking: voorwaarden voor de deelname van Marokko aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) ***
 Luchtvervoersovereenkomst EU-Canada ***
 Opname van de Italiaanse gemeente Campione d'Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano in het douanegebied van de Unie *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering – EGF/2018/001 NL/Financiële dienstverlening
 Het aanbieden van audiovisuele mediadiensten ***I
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018: Annulering van de reserve in verband met de steun voor Turkije uit het instrument voor pretoetredingssteun en versterking van het Europees nabuurschapsinstrument en van de humanitaire hulp voor dringende andere maatregelen, en wijziging van de lijst van het aantal ambten van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) in het kader van het WiFi4EU-initiatief

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos
PDF 161kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos (2018/2069(IMM))
P8_TA(2018)0358A8-0291/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het op 28 maart 2018 door de plaatsvervangend procureur-generaal bij het Hooggerechtshof van Griekenland ingediende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos, teneinde hem strafrechtelijk te kunnen vervolgen voor het strafbare feit van niet-betaling van aan de staat verschuldigde bedragen (strafdossier ABM: IG 2017/11402 en EG 10‑17/337, dat is ingediend samen met document 1160350 van 28 maart 2018) en welk verzoek ter plenaire vergadering van 2 mei 2018 is meegedeeld,

–  na Georgios Kyrtsos te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0291/2018),

A.  overwegende dat het bureau van de openbare aanklager bij het Hooggerechtshof van Griekenland heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafprocedure wegens het niet betalen van aan de staat verschuldigde bedragen (meer dan 200 000 EUR), op grond van artikel 25, leden 1 en 6 van Wet 1882/1990, zoals vervangen door artikel 23, lid 1, van Wet 2523/1997 en artikel 25, lid 1, van Wet 1882/90, zoals vervangen door artikel 34, lid 1, van Wet 3220/2004, artikel 3, lid 1, van Wet 3943/2011, artikel 20 van Wet 4321/2015 en, ten slotte, artikel 8 van Wet 4337/2015;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek bepaald is dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangengenomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat Georgios Kyrtsos vanaf 29 juni 2009 heeft opgetreden als wettelijk vertegenwoordiger (CEO) van de vennootschap Free Sunday Publishing House Ltd.;

E.  overwegende dat Georgios Kyrtsos, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van Free Sunday Publishing House Ltd. wordt beschuldigd van het niet betalen van een bedrag van zeshonderdzevenentwintigduizend zevenhonderdtweeënvijftig euro en vijfenzestig cent (627 752,65 EUR) dat verschuldigd is aan de staat;

F.  overwegende dat het vermeende strafbare feit geen rechtstreeks verband houdt met het door Georgios Kyrtsos beklede ambt van lid van het Europees Parlement, maar daarentegen betrekking heeft op zijn vroegere positie als manager van zijn nieuwsbladonderneming;

G.  overwegende dat, voor de toepassing van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de vervolging geen betrekking heeft op meningen of de stem die het betrokken lid van het Europees Parlement in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht;

H.  overwegende dat er geen redenen zijn om te vermoeden dat de onderliggende strafrechtelijke procedure gericht is op het toebrengen van schade aan de politieke activiteiten van een lid (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Georgios Kyrtsos op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten en aan Georgios Kyrtsos.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld ***I
PDF 245kWORD 48k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (codificatie) (COM(2018)0139 – C8-0116/2018 – 2018/0066(COD))
P8_TA(2018)0359A8-0290/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0139),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0116/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0290/2018),

A.  overwegende dat het voorstel in kwestie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1806.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Overeenkomst EU-Marokko inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking: voorwaarden voor de deelname van Marokko aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) ***
PDF 244kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, waarin de voorwaarden voor de deelname van het Koninkrijk Marokko aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) worden vastgesteld (06534/2018 – C8-0150/2018 – 2018/0036(NLE))
P8_TA(2018)0360A8-0281/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06534/2018),

–  gezien het ontwerp van de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, waarin de voorwaarden voor de deelname van het Koninkrijk Marokko aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) worden vastgesteld (06533/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 186 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0150/2018),

–  gezien Besluit (EU) 2017/1324 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0281/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Marokko.


Luchtvervoersovereenkomst EU-Canada ***
PDF 241kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Canada anderzijds (06730/2018 – C8-0160/2018 – 2009/0018(NLE))
P8_TA(2018)0361A8-0254/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06730/2018),

–  gezien de Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0160/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0254/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Canada.

(1) PB L 207 van 6.8.2010, blz. 32.


Opname van de Italiaanse gemeente Campione d'Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano in het douanegebied van de Unie *
PDF 241kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijnen 2006/112/EG en 2008/118/EG wat betreft de opname van de Italiaanse gemeente Campione d'Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano in het douanegebied van de Unie en in het territoriale toepassingsgebied van Richtlijn 2008/118/EG (COM(2018)0261 – C8-0226/2018 – 2018/0124(CNS))
P8_TA(2018)0362A8-0284/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0261),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0226/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0284/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering – EGF/2018/001 NL/Financiële dienstverlening
PDF 261kWORD 52k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Nederland – EGF/2018/001 NL/Financiële dienstverlening) (COM(2018)0548 – C8-0392/2018 – 2018/2220(BUD))
P8_TA(2018)0363A8-0294/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0548 – C8-0392/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG‑verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0294/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat de financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Nederland aanvraag EGF/2018/001 NL/Financiële dienstverlening heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 1 324 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 64 (Financiële dienstverlening, exclusief verzekeringen en pensioenfondsen) in de regio's van NUTS-niveau 2 Friesland (NL12), Drenthe (NL13) en Overijssel (NL21) in Nederland, de eerste aanvraag in deze economische sector sinds de oprichting van het EFG;

D.  overwegende dat de aanvraag is gebaseerd op de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, waarin wordt bepaald dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gevestigd zijn in één regio of in twee aan elkaar grenzende regio's van NUTS-niveau 2 in een lidstaat;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening en dat Nederland recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 1 192 500 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 1 987 500 EUR;

2.  wijst erop dat de Nederlandse autoriteiten de aanvraag op 23 februari 2018 hebben ingediend en dat, nadat er aanvullende gegevens zijn verstrekt door Nederland, de Commissie haar beoordeling op 20 juli 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan op 20 augustus 2018 in kennis heeft gesteld;

3.  wijst erop dat Nederland aanvoert dat de ontslagen verband houden met de wereldwijde financiële en economische crisis en de gevolgen daarvan voor de dienstverlening en de werking van de Nederlandse banken; wijst erop dat het klimaat van lage rente, die werd ingevoerd als reactie op de financiële crisis, de strengere regelgevingsvoorwaarden, en de aanzienlijke daling op de hypotheekmarkt en op het vlak van kredietverlening voor het klein- en middenbedrijf (mkb) een daling van de winstgevendheid heeft teweeggebracht en een dringende behoefte heeft gecreëerd om de kosten terug te dringen; betreurt dat als gevolg daarvan de banken hun personeelsbestand hebben ingekrompen, voornamelijk door regionale bijkantoren te sluiten en zich meer te richten op onlinebankieren;

4.  erkent dat, hoewel er zich de laatste jaren een zeker herstel heeft voorgedaan, de kredietverlening op de hypotheekmarkt nog steeds lager ligt dan vóór de financiële crisis;

5.  betreurt het dat de financiële sectoren in andere lidstaten onder soortgelijke druk staan; erkent dat de ontslagen, in sommige gevallen, over een te lange periode kunnen zijn gespreid om aan de EFG-criteria te voldoen; nodigt de regeringen van de lidstaten niettemin uit zich ervan te vergewissen of het EFG een nuttige rol kan spelen bij het in staat stellen van werknemers zich aan deze veranderingen aan te passen;

6.  wijst erop dat de ontslagen die bij 20 ondernemingen in de Nederlandse banksector zijn gevallen naar verwachting een aanzienlijk negatief effect zullen hebben op de plaatselijke economie, dat de werkloosheid in de drie provincies waarop de aanvraag betrekking heeft (Friesland, Drenthe en Overijssel) hoger is dan het nationale gemiddelde, en dat de impact van de ontslagen samenhangt met de moeilijkheden om de betrokkenen aan een nieuwe baan te helpen vanwege de schaarste aan banen, de lage scholing van de ontslagen werknemers en het hoge aantal werkzoekenden;

7.  wijst erop dat de aanvraag betrekking heeft op 1 324 ontslagen werknemers; vraagt zich echter af waarom de maatregelen slechts voor 450 van hen bedoeld zijn; wijst erop dat de meerderheid van de ontslagen werknemers vrouwen zijn (59 %), vooral administratief personeel en receptionisten; wijst er verder op dat 27 % van de ontslagen werknemers 55 jaar of ouder zijn; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen om de kans te vergroten dat deze kwetsbare groepen opnieuw een baan vinden;

8.  is ingenomen met het besluit van Nederland om de bijstand te richten op kwetsbare groepen en mensen te helpen om van beroep, sector of regio te veranderen, onder meer met opleidingen voor de detailhandel en voor nieuwe beroepsprofielen, zoals vervoer, IT-diensten en technische beroepen, die meer kansen op werk bieden;

9.  wijst erop dat Nederland zeven soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) intake, ii) hulp bij het zoeken naar werk, iii) mobiliteitspool, iv) promotie, cursussen en begeleiding ondernemerschap, v) opleiding en herscholing, vi) outplacementbegeleiding, vii) toelage ondernemerschap;

10.  merkt op dat de mobiliteitspool goed is voor bijna 30 % van het totale pakket aan individuele dienstverlening; begrijpt dat het gaat om coaching van mensen die anders moeilijk werk zouden vinden;

11.  stelt vast dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in nauw overleg met belanghebbenden en sociale partners zoals de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) en het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV);

12.  benadrukt dat de Nederlandse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen;

13.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

14.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

15.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet passen in de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

16.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

17.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

18.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Nederland – EGF/2018/001 NL/Financiële dienstverlening)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/1675.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Het aanbieden van audiovisuele mediadiensten ***I
PDF 245kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie (COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD))
P8_TA(2018)0364A8-0192/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0287),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53, lid 1, en 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0193/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 december 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0192/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/1808.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 157.
(2) PB C 185 van 9.6.2017, blz. 41.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018: Annulering van de reserve in verband met de steun voor Turkije uit het instrument voor pretoetredingssteun en versterking van het Europees nabuurschapsinstrument en van de humanitaire hulp voor dringende andere maatregelen, en wijziging van de lijst van het aantal ambten van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) in het kader van het WiFi4EU-initiatief
PDF 261kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie: Annulering van de in de reserve opgenomen kredieten voor de steun aan Turkije uit het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), verhoging van de kredieten voor het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en voor humanitaire hulp voor andere dringende maatregelen en wijziging van de personeelsformatie van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) in de context van het WiFi4EU-initiatief (11843/2018 – C8-0415/2018 – 2018/2165(BUD))
P8_TA(2018)0365A8-0292/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), en met name artikel 41,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(2), en met name artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, definitief vastgesteld op 30 november 2017(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(5),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(6),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018, goedgekeurd door de Commissie op 10 juli 2018 (COM(2018)0537),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018, vastgesteld door de Raad op 18 september 2018 en toegezonden aan het Europees Parlement op 20 september 2018 (11843/2018 – C8-0415/2018),

–  gezien de brief van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0292/2018),

A.  overwegende dat de begrotingsautoriteit, op aandringen van het Parlement, in de context van de begrotingsprocedure 2018 heeft besloten 70 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 35 miljoen EUR aan Uniesteun voor Turkije van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) van begrotingspost 22 02 03 01 (Steun voor politieke hervormingen en een daarmee verband houdende geleidelijke afstemming op het acquis van de Unie) in de reserve op te nemen;

B.  overwegende dat het Parlement en de Raad hebben besloten dat de in de reserve opgenomen bedragen kunnen worden vrijgegeven "wanneer Turkije volgens het jaarverslag van de Commissie meetbare toereikende vorderingen boekt op het gebied van de rechtsstaat, de democratie, de mensenrechten en de persvrijheid"; overwegende dat in het jaarverslag van de Commissie over Turkije van 17 april 2018(7) ondubbelzinnig wordt geconcludeerd dat de rechtsstaat, de democratie en de mensenrechten achteruitgaan in Turkije; overwegende dat er dus niet is voldaan aan de door de begrotingsautoriteit gestelde voorwaarde;

C.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld om de in de reserve opgenomen bedragen aan vastleggings- en betalingskredieten en de bijbehorende toelichting volledig te annuleren;

D.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld de vastleggingskredieten voor het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) met 70 miljoen EUR te verhogen om acties in verband met de migratieroute door het centrale Middellandse Zeegebied te financieren via het onderdeel Noord-Afrika van het EU‑trustfonds voor Afrika (28 miljoen EUR) en om gedeeltelijk te voldoen aan de toezegging die de Unie heeft gedaan tijdens de tweede conferentie in Brussel op 24‑25 april 2018 over de ondersteuning van de toekomst van Syrië en de regio (42 miljoen EUR, die moet worden overgeschreven naar het "EU‑trustfonds in respons op de Syrische crisis – het "Madad-fonds");

E.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld de betalingskredieten voor humanitaire hulp met 35 miljoen EUR te verhogen ter dekking van de behoeften als gevolg van de verhoging van de kredieten met 124,8 miljoen EUR waartoe eind 2017 werd besloten en die niet de betalingskredieten omvatte;

F.  overwegende dat de Commissie ook heeft voorgesteld de personeelsformatie van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) te versterken in het kader van het WiFi4EU-initiatief, door een extra post van een tijdelijk functionaris in rang AD7 toe te voegen; overwegende dat deze wijziging binnen de begroting van het agentschap voor dit jaar kan worden gefinancierd;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018, zoals ingediend door de Commissie, dat tot doel heeft de in de reserve opgenomen vastleggings- en betalingskredieten voor de steun aan Turkije uit het IPA II te annuleren, de vastleggingskredieten voor het ENI en de betalingskredieten voor humanitaire hulp te verhogen, en de personeelsformatie van het INEA te versterken in het kader van het WiFi4EU-initiatief;

2.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de fundamentele rechten en vrijheden en de rechtsstaat in Turkije achteruit blijven gaan en dat Turkije steeds verder afdwaalt van de Europese waarden;

3.  herhaalt zijn standpunt dat geen enkel besluit met betrekking tot de middelen voor Turkije via het IPA II ten koste mag gaan van de Uniesteun aan het maatschappelijk middenveld in Turkije, die verder verhoogd moet worden;

4.  dringt erop aan dat haalbare oplossingen moeten worden toegepast langs de migratieroute door het centrale Middellandse Zeegebied, in samenwerking met de betrokken internationale, nationale of regionale autoriteiten en met volledige inachtneming van de internationale mensenrechtennormen met betrekking tot de behandeling van migranten;

5.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2018 goed;

6.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 5/2018 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(3) PB L 57 van 28.2.2018.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(7) COM(2018)0450, SWD(2018)0153.

Juridische mededeling