Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 4 oktober 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Verslechtering van de mediavrijheid in Belarus
 De Verenigde Arabische Emiraten, met name de situatie van mensenrechtenactivist Ahmed Mansoor
 Massale willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang
 Pakket strategie inzake overheidsopdrachten
 EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) ***I
 Wederzijdse erkenning van bevelen tot bevriezing en confiscatie ***I
 Vrij verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie ***I
 De bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven met betrekking tot de mensenrechten
 De situatie in Jemen
 Bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de EU

Verslechtering van de mediavrijheid in Belarus
PDF 128kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over de achteruitgang van de mediavrijheid in Belarus, met name het geval van Charter '97 (2018/2861(RSP))
P8_TA(2018)0375RC-B8-0451/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Belarus,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en alle mensenrechtenverdragen waarbij Belarus partij is,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU de meeste van haar beperkende maatregelen tegen Belarussische ambtenaren en rechtspersonen in februari 2016 heeft opgeheven, als gebaar van goede wil, bedoeld om een beleid van contact en overleg op te starten om Belarus ertoe aan te sporen de beginselen van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat te eerbiedigen;

B.  overwegende dat de EU er herhaaldelijk op heeft gewezen dat de betrekkingen tussen de EU en Belarus pas een nieuwe fase kunnen ingaan als ze plaatsvinden op basis van vertrouwen en de waarden van democratie, de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden;

C.  overwegende dat het beleid dat momenteel wordt gevoerd in Belarus deze waarden ondermijnt en de EU ervan weerhoudt Belarus de kans te bieden zijn deelname aan het Oostelijk Partnerschap te verruimen en de banden aan te halen, en er tevens voor zorgt dat de EU geen handtekening zet onder de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Belarus;

D.  overwegende dat de situatie op het gebied van mediavrijheid en de vrijheid van meningsuiting steeds meer achteruitgaat in Belarus, en dat zware intimidatie van onafhankelijke nieuwssites en journalisten, zoals in de "zaak BelTA", hiervan het bewijs vormt;

E.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten onlangs een golf van intimidaties door de politie en pesterijen ten aanzien van journalisten hebben ontketend;

F.  overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen concludeert dat er in 2017 meer dan 100 journalisten werden gearresteerd, meestal terwijl ze verslag uitbrachten over protestacties van de oppositie; overwegende dat de pesterijen jegens freelancejournalisten die voor in het buitenland gevestigde onafhankelijke media werken nog nooit zo hevig zijn geweest, en dat deze journalisten geen accreditatie kunnen krijgen;

G.  overwegende dat de toonaangevende onafhankelijke nieuwssite charter97.org, die zich toespitst op mensenrechten en de belangen van de oppositie en haar naam ontleent aan "Charter '97", een verklaring uit 1997 waarin wordt opgeroepen tot democratie in Belarus en die werd ondertekend door journalisten, politici uit de oppositie en mensenrechtenactivisten, gedwongen naar Warschau in Polen moest verhuizen, waar het bedrijf sinds 2011 actief is nadat de site in datzelfde jaar verscheidene malen werd geblokkeerd door de Belarussische autoriteiten en het bedrijf tweemaal een politie-inval en een inbeslagneming van het materieel had ondergaan;

H.  overwegende dat de toegang tot de website Charter '97 sinds 24 januari 2018 voor onbepaalde duur wordt geblokkeerd op het grondgebied van Belarus, zonder proces en op grond van vage aantijgingen in verband met de "bedreiging van de nationale belangen"; overwegende dat het aantal personen dat de website Charter '97 bezocht vanuit Belarus volgens de hoofdredactrice van Charter '97, Natalja Radina, in de maand na de blokkering met 70 % daalde;

I.  overwegende dat mevrouw Radina doodsbedreigingen heeft ontvangen;

J.  overwegende dat de website Charter '97 op 16 april 2018 ook door de Russische autoriteiten werd geblokkeerd op het grondgebied van de Russische Federatie;

K.  overwegende dat de initiatiefnemer van Charter '97, Aleh Bjabenin, in september 2010 opgehangen werd teruggevonden in zijn huis in de buurt van Minsk; overwegende dat Pavel Sjeremet, een van de woordvoerders van de organisatie achter Charter '97, in juli 2016 werd gedood door een autobom in de Oekraïense hoofdstad Kiev;

L.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten begin augustus 2018 zijn binnengevallen op de redactie van verschillende onafhankelijke Belarussische mediabedrijven, eerst bij Tut.by, gevolgd door huiszoekingen bij BelaPAN, realty.by, Belaruskaja Navuka en Kultura; overwegende dat deze invallen hebben geleid tot arrestaties en de gevangenneming van journalisten, waaronder de hoofdredacteur van Tut.by, op grond van aantijgingen over het illegaal inkijken en gebruiken van online-informatie die werd verstrekt door het persagentschap van de staat BelTA;

M.  overwegende dat de Onderzoekscommissie van Belarus op 7 augustus 2018 een strafzaak heeft geopend op grond van artikel 349, paragraaf 2 van het Strafwetboek waarvoor een maximale straf van twee jaar gevangenis geldt (illegale toegang tot computergegevens uit eigenbelang, met aanzienlijke schade tot gevolg) tegen journalisten en redacteurs van een aantal internetbronnen, en 18 journalisten heeft gearresteerd, waarvan er zeven gedurende drie dagen als verdachten werden vastgehouden; overwegende dat er gevallen bekend zijn van journalisten en hun familieleden die onder druk werden gezet en werden gedwongen samen te werken met de inlichtingendienst en de politie;

N.  overwegende dat de meest recente wijzigingen van de wet betreffende de massamedia, die in juni 2018 zijn aangenomen, een uitbreiding inhouden van de regeringscontrole over onlinemedia; overwegende dat de wijzigingen, die op 1 december 2018 van kracht worden, nog meer bureaucratische horden zullen opwerpen voor websites die zich wensen te registreren als officiële online mediabedrijven;

O.  overwegende dat websites die er ondanks de nieuwe wetgeving voor kiezen zich niet te registreren of die niet voldoen aan de nieuwe criteria, geen accreditatie krijgen bij regeringsinstellingen, waardoor de pers verder wordt gecensureerd; overwegende dat zowel geregistreerde als niet-geregistreerde online mediabedrijven ook verplicht zullen worden de namen van mensen die een commentaar posten te registreren; overwegende dat de eigenaars van geregistreerde online mediabedrijven ook juridisch aansprakelijk zullen zijn voor de inhoud van deze commentaren;

P.  overwegende dat de auteurs van alle posts en commentaren op onlinefora op grond van de nieuwe wetgeving moeten worden geïdentificeerd en dat eigenaars van websites verplicht worden de commentaren te modereren;

Q.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus, Miklós Haraszti, en de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid, Harlem Désir, te kennen hebben gegeven dat de gewijzigde wetgeving een onaanvaardbare inperking van de vrijheid van meningsuiting en de toegang tot informatie inhoudt;

R.  overwegende dat Belarus in de wereldindex voor persvrijheid van Verslaggevers zonder Grenzen, waarin jaarlijks wordt beoordeeld hoe het gesteld is met de persvrijheid in 180 landen, in 2017 de 155e plaats innam;

S.  overwegende dat Belarussische journalisten weliswaar krachtens de grondwet beschikken over het recht om informatie te verzamelen, op te slaan en te verspreiden, maar sinds begin 2018 al meer dan 70 keer zijn beboet wegens samenwerking met buitenlandse massamedia zonder accreditatie, voor een totaalbedrag van meer dan 60 000 BYN; overwegende dat artikel 22.9 van de wet op administratieve inbreuken is uitgegroeid tot een doeltreffend instrument om onafhankelijke journalisten en mediabedrijven als Belsat TV, dat sinds 2011 vanuit Polen werkt, te intimideren;

T.  overwegende dat Belarus het enige land in Europa blijft dat de doodstraf nog steeds toepast;

U.  overwegende dat bepaalde categorieën van mensen in Belarus onrechtmatig gevangen worden genomen en willekeurig worden opgesloten, dat hen tijdens hun gevangenschap behoorlijke zorg en contact met hun familie wordt ontzegd, dat zij door de overheid georganiseerd fysiek en psychisch geweld, vervolging en veroordeling ondergaan op grond van vervalste en gefabriceerde aantijgingen, dat hen onevenredige financiële boetes, administratieve sancties en andere vormen van repressie wordt opgelegd door de autoriteiten van Belarus; overwegende dat deze categorieën van mensen onder meer bestaan uit politieke gevangenen (meer bepaald Michail Zjamtsjoezjny en Dzmitry Palijenka), bekende politieke opponenten, mensenrechtenactivisten, actoren uit het maatschappelijk middenveld, milieuactivisten en activisten van ngo's en maatschappelijke organisaties, onafhankelijke bloggers, journalisten en redacteurs, vreedzame demonstranten uit alle lagen van de bevolking, en met name activisten van onafhankelijke vakbonden (meer bepaald Henadz Fjadynitsj en Ihar Komlik);

1.  veroordeelt de herhaaldelijke intimidatie en gevangenneming van journalisten en onafhankelijke media in Belarus met klem; dringt er bij de autoriteiten op aan een einde te maken aan alle gerechtelijke pesterijen, intimidatie en bedreigingen jegens journalisten en onafhankelijke media en alle nieuwssites toe te staan in alle vrijheid te werken;

2.  beschouwt de blokkering door de Belarussische autoriteiten van de nieuwswebsite Charter '97, sinds januari 2018, als onaanvaardbaar; herhaalt zijn oproep aan de Belarussische autoriteiten om de blokkering waardoor de nieuwswebsite binnen Belarus niet meer toegankelijk is op het internet onmiddellijk en onvoorwaardelijk op te heffen;

3.  veroordeelt met klem de goedgekeurde wijzigingen van de mediawet, die worden gebruikt om het internet strenger te kunnen controleren; herhaalt zijn diepe bezorgdheid over het verslechterende klimaat voor onafhankelijke en oppositiegezinde websites en mediabedrijven en journalisten in Belarus;

4.  is van mening dat onafhankelijke media geen bedreiging vormen voor de autoriteiten, maar juist een belangrijk aspect zijn van het systeem van checks-and-balances en bijgevolg door de regering moeten worden beschouwd als een potentiële kritische partner en niet als een vijand;

5.  betreurt dat Belarus halsstarrig vasthoudt aan een repressief en ondemocratisch beleid ten aanzien van journalisten, advocaten, politieke activisten, mensenrechtenverdedigers, actoren uit het maatschappelijk middenveld, vakbondslui en anderen die als een bedreiging voor de gevestigde politieke orde worden gezien; onderstreept dat dergelijke repressie elke mogelijkheid tot het aanhalen van de banden met de EU en een ruimere deelname aan het Oostelijk Partnerschap in de weg staat;

6.  herhaalt zijn oproepen aan de Belarussische autoriteiten om de eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te versterken, met inbegrip van de eerbiediging van waarheidsgetrouwe en onpartijdige journalistiek, in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de door Belarus geratificeerde internationale en regionale mensenrechteninstrumenten;

7.  dringt er bij de EU-instellingen op aan om in de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Belarus uitdrukkelijk te verwijzen naar de onafhankelijkheid van de media, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten om ervoor te zorgen dat EU-steunprogramma's en andere vormen van bilaterale samenwerking, met inbegrip van financiële bijstand, verplicht worden gekoppeld aan duidelijke en tastbare vooruitgang op het vlak van democratisering en openheid, hetgeen onder meer een omvattende hervorming van de kieswet en de volledige eerbiediging van de vrijheid van de media inhoudt;

8.  verzoekt de EDEO en de Commissie hun steun aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld in Belarus en daarbuiten voort te zetten; benadrukt in dit verband dat alle onafhankelijke informatiebronnen in de Belarussische samenleving steun moeten krijgen, met inbegrip van media die in het Belarussisch uitzenden en media die zich in het buitenland bevinden, zoals Charter '97 en Belsat TV;

9.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de situatie op het gebied van mediavrijheid in Belarus nauwlettend te volgen, in samenwerking met de vaste rapporteur van de Verenigde Naties voor Belarus;

10.  dringt er bij de Belarussische autoriteiten op aan het volledig en ongehinderd functioneren van politieke en openbare organisaties mogelijk te maken en artikel 193/1 van het Strafwetboek tot inperking van de vrijheden van vreedzame vergadering en vereniging in te trekken;

11.  dringt sterk aan op de onvoorwaardelijke en onmiddellijke vrijlating van de politieke gevangenen Michail Zjamtsjoezjny en Dzmitry Palijenka, en op de volledige rehabilitatie van alle voormalige politieke gevangenen; verzoekt de autoriteiten alle onafhankelijke vakbonden in staat te stellen hun legitieme en centrale rol in het maatschappelijke leven ongehinderd te vervullen; betreurt de veroordeling op 24 augustus 2018 van Henadz Fjadynitsj en Ihar Komlik, activisten van de onafhankelijke vakbond REP, tot vier jaar beperkte vrijheid;

12.  heeft woorden van lof voor het werk dat is verricht door de speciale VN‑rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus, Miklós Haraszti, en wijst zijn opvolger, Anaïs Marin, op de veelvuldige gevallen van machtsmisbruik, beknotting van individuele en collectieve vrijheden en onderdrukking van het maatschappelijk middenveld, onafhankelijke vakbonden en de media, zoals duidelijk wordt aangekaart in de verslagen van de heer Haraszti;

13.  dringt er in dit verband bij de Belarussische autoriteiten op aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus onverwijld te erkennen, en vraagt de Commissie, de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling met klem om het aanbieden van elke vorm van financiële of technische bijstand aan Belarus in de toekomst te laten afhangen van bovengenoemde omstandigheden, waarbij de EU de mogelijkheid behoudt om het Belarussisch maatschappelijk middenveld rechtstreeks van middelen te voorzien;

14.  blijft bezorgd over de bouw van een kerncentrale in Ostrovets; wijst op het verslag over stresstests en aanbevelingen dat op 3 juli 2018 is gepubliceerd en eist dat de aanbevelingen van de stresstests worden uitgevoerd als voorwaarde voor elke verdere vooruitgang in de samenwerking tussen de EU en Belarus, met name voor de ondertekening van de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Belarus;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de president en de regering van Belarus.


De Verenigde Arabische Emiraten, met name de situatie van mensenrechtenactivist Ahmed Mansoor
PDF 127kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over de VAE, met name de situatie van verdediger van de mensenrechten Ahmed Mansoor (2018/2862(RSP))
P8_TA(2018)0376RC-B8-0456/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met onder andere die van 26 oktober 2012 over de situatie van de mensenrechten in de Verenigde Arabische Emiraten(1),

–  gezien de verklaring van 4 juni 2018 van de voorzitter van de Subcommissie mensenrechten met een veroordeling van de gevangenisstraf van 10 jaar die tegen Ahmed Mansoor is uitgesproken,

–  gezien artikel 30 van de grondwet van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE),

–  gezien het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, waarbij de VAE partij zijn,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie 2018‑2019,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 oktober 2017 over de tussentijdse evaluatie van het actieplan inzake mensenrechten en democratie,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenactivisten van 2004, die in 2008 zijn geactualiseerd,

–  gezien de verklaring van de mensenrechtendeskundigen van de VN van 12 juni 2018, waarin wordt opgeroepen tot onmiddellijke vrijlating van de opgesloten mensenrechtenverdediger Ahmed Mansoor,

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van 18 juli 2016 tijdens de 25e Gezamenlijke raad en ministeriële bijeenkomst van de Europese Unie en de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten in Brussel,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij de VAE partij zijn,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Ahmed Mansoor in maart 2017 gearresteerd is door veiligheidsbeambten van de VAE; overwegende dat Ahmed Mansoor een prominent mensenrechtenactivist is en laureaat van 2015 van de Martin Ennals-prijs voor verdedigers van de mensenrechten; overwegende dat de heer Mansoor wellicht de laatste overblijvende mensenrechtenverdediger in de VAE was die publiek kritiek kon uitoefenen op de autoriteiten;

B.  overwegende dat het ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking van de VAE in een verklaring van 29 maart 2017 heeft uitgelegd dat de dienst van de openbaar aanklager voor elektronische misdrijven had bevolen tot de detentie van de heer Ahmed Mansoor op basis van de aanklacht dat hij via internet valse en misleidende informatie verspreidde, door middel van agenda's die gericht waren op de verspreiding van afkeer en sektarisme; overwegende dat deze en andere officiële verklaringen van de autoriteiten van de VAE duidelijk maken dat de enige reden voor zijn detentie, berechting en veroordeling de inhoud was van zijn op het internet geuite mening en dat de aanklacht tegen hem gebaseerd is op overtredingen die hij zou hebben begaan van de repressieve wet van 2012 van het VAE op cyberdelicten, op grond waarvan de autoriteiten van de VAE mensenrechtenverdedigers het zwijgen kunnen opleggen en strenge gevangenisstraffen en ernstige geldboetes kunnen opleggen aan personen die de machthebbers in het land bekritiseren;

C.  overwegende dat volgens de beoordeling van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de arrestatie en geheime detentie van Ahmed Mansoor een vergeldingsmaatregel kunnen zijn voor zijn betrokkenheid bij de mensenrechtenmechanismen van de VN, de standpunten die hij heeft ingenomen op sociale media, o.a. Twitter, en het feit dat hij een actief lid is van organisaties als het Gulf Centre for Human Rights;

D.  overwegende dat een groep mensenrechtendeskundigen van de VN de regering van de VAE ertoe heeft opgeroepen de heer Mansoor vrij te laten, waarbij zij zijn arrestatie omschrijven als een directe aanval op het legitieme werk van mensenrechtenverdedigers in de VAE;

E.  overwegende dat Ahmed Mansoor op 29 mei 2018 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor het uitoefenen van zijn recht op vrije meningsuiting in Twitter-posts, na een volstrekt oneerlijk proces in Abu Dhabi; overwegende dat hem ook een boete is opgelegd van één miljoen dirham (232.475 EUR) en dat hij bij zijn vrijlating voor drie jaar onder toezicht moest worden geplaatst; overwegende dat de heer Mansoor tegen zijn veroordeling beroep heeft aangetekend, maar dat de timing van het proces in beroep onduidelijk blijft;

F.  overwegende dat het de heer Mansoor na zijn arrestatie in maart 2017 naar verluidt verboden is geworden om contact op te nemen met zijn familie, in welke vorm ook, en dat hem na die dag slechts vier keer een bezoek is toegestaan van zijn echtgenote; overwegende dat hij naar verluidt sinds zijn aanhouding in eenzame opsluiting zit en dat hij zou zijn onderworpen aan foltering; overwegende dat hij volgens de autoriteiten van de VAE wordt vastgehouden in de gevangenis van Al Sadr in Abu Dhabi;

G.  overwegende dat het er alle schijn van heeft dat de heer Mansoor geen onafhankelijke advocaat van zijn eigen keuze heeft kunnen aanstellen, ondanks beweringen van de regering dat hij dit recht heeft; overwegende dat het recht om een advocaat te raadplegen een grondrecht is van eenieder die in bewaring wordt gehouden, overeenkomstig artikel 16 van het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, dat door de VAE is geratificeerd;

H.  overwegende dat Ahmed Mansoor al meer dan zes jaar door de autoriteiten van de VAE wordt geïntimideerd en vervolgd en dat hij herhaaldelijk te maken heeft gekregen met fysieke aanvallen, doodsbedreigingen en fysiek en elektronisch toezicht; overwegende dat hij, na zeven maanden voorlopige hechtenis, in 2011 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van drie jaar voor "het beledigen van ambtenaren", in een proces dat wordt beschouwd als oneerlijk; overwegende dat hij na acht maanden is vrijgelaten doordat hem gratie is verleend door de president, maar dat de autoriteiten nooit zijn paspoort hebben teruggegeven, zodat hij de facto is onderworpen aan een reisverbod;

I.  overwegende dat Mansoor vóór zijn arrestatie een van 133 ondertekenaars was van een verzoekschrift inzake universele en rechtstreekse verkiezingen in de VAE en de verlening van wetgevingsbevoegdheden aan de federale nationale raad, een adviesraad van de regering; overwegende dat Mansoor ook een onlineforum beheerde met de naam Al‑Hiwar al‑Emarati, waar kritiek werd uitgeoefend op het overheidsbeleid en de leiders van de VAE; overwegende dat hij lid is van het raadgevend comité voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika van Human Rights Watch en als actief speler betrokken is bij de mensenrechtenmechanismen van de VN;

J.  overwegende dat inwoners van de VAE die zich uitspreken over mensenrechtenkwesties, een ernstig risico lopen van willekeurige detentie, opsluiting en foltering; overwegende dat het hardhandig optreden tegen vreedzaam activisme waarbij wordt opgeroepen tot constitutionele hervormingen en hervormingen op het gebied van de mensenrechten, nog steeds aan de gang is; overwegende dat de afgelopen jaren steeds vaker aanvallen worden gepleegd op leden van het maatschappelijk middenveld, inclusief acties om verdedigers van de mensenrechten, journalisten, advocaten en anderen het zwijgen op te leggen, gevangen te nemen of te intimideren;

K.  overwegende dat de speciaal rapporteur van de VN voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten na haar bezoek aan de VAE in 2014 heeft verklaard dat advocaten die zaken aanhangig maken in verband met de veiligheid van de staat, "worden lastiggevallen, bedreigd en onder druk gezet"; overwegende dat zij het feit aan de kaak heeft gesteld dat "het rechtsstelsel onder de feitelijke controle blijft van de uitvoerende macht";

L.  overwegende dat bewijs is opgedoken dat EU-lidstaten de uitvoer hebben goedgekeurd van diverse technologieën voor cybertoezicht naar landen met een ontstellende staat van dienst op het gebied van de mensenrechten, inclusief de VAE;

M.  overwegende dat de doodstraf in de VAE nog steeds wordt toegepast; overwegende dat minstens 19 personen zich momenteel in de dodencel bevinden en dat één persoon in 2017 is geëxecuteerd;

1.  veroordeelt krachtig de intimidatie, vervolging en detentie van Ahmed Mansoor, alsmede alle andere verdedigers van de mensenrechten, uitsluitend voor hun werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten en hun gebruik van recht op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline; dringt er bij de autoriteiten van de VAE op aan grondige en onpartijdige onderzoeken uit te voeren van de aanvallen op actoren uit het maatschappelijk middenveld, om de daders voor het gerecht te brengen;

2.  verzoekt de autoriteiten de heer Mansoor onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en alle aanklachten tegen hem te laten vallen, aangezien hij een politiek gevangene is, die uitsluitend wordt vastgehouden voor de vreedzame uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting, onder meer door zijn werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten; eist ook de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle politiek gevangenen in de VAE, alsmede de intrekking van alle aanklachten tegen hen;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de berichten dat Ahmed Mansoor tijdens zijn detentie onderworpen is aan vormen van foltering of mishandeling en dat hij wordt vastgehouden in eenzame opsluiting; dringt er bij de autoriteiten op aan deze beweringen te onderzoeken en hem onmiddellijk regelmatige toegang te verlenen tot een advocaat, zijn gezin en alle medische zorg die hij eventueel nodig heeft; herinnert de autoriteiten van de VAE eraan dat langdurige en onbeperkte eenzame opsluiting kan neerkomen op foltering of een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling in het kader van het internationaal recht inzake de mensenrechten en aan het feit dat het ontbreken van een aanhoudingsbevel of enig rechterlijk toezicht met betrekking tot zijn arrestatie en detentie schending inhoudt van de fundamentele beginselen van een eerlijke rechtsgang in het kader van het internationaal recht inzake de mensenrechten;

4.  verzoekt de autoriteiten van de VAE erop toe te zien dat gedetineerden die de wet zouden hebben overtreden, een eerlijke rechtsgang genieten en een vrij en eerlijk proces krijgen dat voldoet aan de internationale normen;

5.  verzoekt de VAE om een herziening van de federale wet op de bestrijding van cyberdelicten, teneinde deze aan te passen aan de internationale normen inzake het recht van iedereen om informatie en denkbeelden op te sporen, te ontvangen, te verspreiden en door te geven aan anderen, het recht op vrijheid van mening, meningsuiting en informatie, het recht op toegang tot internet en het recht op privacy; dringt bij de autoriteiten van de VAE aan op een wijziging van de wet op terrorismebestrijding, de wet van 2012 op cyberdelicten en federale wet nr. 2/2008, die herhaaldelijk worden gebruikt om verdedigers van de mensenrechten te vervolgen;

6.  verzoekt de autoriteiten van de VAE elke vorm van intimidatie jegens personen stop te zetten en het reisverbod voor verdedigers van de mensenrechten onmiddellijk op te heffen en dringt erop aan dat zij in alle omstandigheden garanderen dat verdedigers van de mensenrechten in de VAE hun legitieme werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten kunnen verrichten, zowel in het land als in het buitenland, zonder angst voor represailles;

7.  vraagt een verbod in de hele EU op de uitvoer, de verkoop, de modernisering en het onderhoud van om het even welke vorm van veiligheidsuitrusting voor de VAE die gebruikt wordt of kan worden voor binnenlandse repressie, met inbegrip van technologie voor cybertoezicht; spreekt zijn bezorgdheid uit over het steeds verdergaande gebruik van bepaalde technologieën voor cybertoezicht voor tweeërlei gebruik tegen activisten en journalisten; is in dit opzicht verheugd over de huidige inspanningen van de EU‑instellingen om de verordening inzake de controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren;

8.  maakt zich zorgen over het toenemend aantal personen dat gestraft wordt voor zijn samenwerking met de VN en de diverse VN-organen; dringt er bij de autoriteiten van de VAE op aan een einde te maken aan de obstructie en intimidatie van personen die betrokken zijn bij de diverse mensenrechtenmechanismen van de VN; dringt er voorts bij de autoriteiten op aan deskundigen van de VN, internationale ngo's of EU‑ambtenaren toegang te verlenen om de heer Mansoor te bezoeken;

9.  roept op tot meer vrijheden in de VAE; onderstreept het feit dat het belangrijk is dat de VAE hun internationale verplichtingen op grond van het recht inzake de mensenrechten nakomen en dringt er bij de autoriteiten op aan te zorgen voor de bescherming van de vrijheid van gedachte en meningsuiting, zowel online als offline, voor alle burgers, en alle bepalingen na te leven van de verklaring van de Verenigde Naties over mensenrechtenverdedigers, met name artikel 1, artikel 6, onder a), en artikel 12, lid 2; benadrukt het feit dat deze vrijheden niet alleen gegarandeerd worden door universele instrumenten op het gebied van de mensenrechten, maar ook door het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, waarbij de VAE partij is;

10.  verzoekt de VAE te bevestigen dat zij voornemens zijn "de strengste normen te handhaven bij de bevordering en de bescherming van de mensenrechten" door het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de facultatieve protocols hiervan te ratificeren en door een permanente uitnodiging af te geven voor een bezoek aan alle mandaathouders van de VN voor speciale procedures;

11.  verzoekt de VV/HV, de EU en de lidstaten deze flagrante schending van de mensenrechten publiekelijk krachtig te veroordelen, onder meer door de vrijlating van de heer Mansoor te eisen in alle contacten die zij met de autoriteiten van de VAE hebben; dringt er bij de EU-delegatie in Abu Dhabi op aan Ahmed Mansoor alle passende steun te verlenen, met inbegrip van gevangenisbezoeken, toezicht op het proces en het verstrekken van juridische of andere vormen van bijstand die hij eventueel nodig heeft; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) verslag uit te brengen bij het Europees Parlement over de acties die de EU-delegatie al ter ondersteuning van de heer Mansoor heeft ondernomen;

12.  verzoekt de EDEO gerichte EU-maatregelen voor ernstige schendingen van de mensenrechten voor te stellen en verzoekt de lidstaten deze goed te keuren;

13.  herhaalt gekant te zijn tegen de doodstraf in alle omstandigheden en vraagt dat een moratorium wordt ingesteld met het oog op de afschaffing ervan;

14.  moedigt permanente dialoog aan tussen de EU, haar lidstaten en de VAE; is van mening dat regelmatige interparlementaire bijeenkomsten tussen het Europees Parlement en zijn partners in de regio van de Golf een belangrijk forum zijn voor de ontwikkeling van een constructieve en oprechte dialoog over kwesties die een gemeenschappelijke zorg zijn; benadrukt het feit dat bij interparlementaire besprekingen niet alleen mag worden gefocust op veiligheids- en handelskwesties, maar dat ook de eerbiediging van de mensenrechten aan bod moet komen als cruciaal thema in de besprekingen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van de Verenigde Arabische Emiraten, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de parlementen en de regeringen van de lidstaten, de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, en de regeringen van de lidstaten van de Samenwerkingsraad van de Golf; vraagt de vertaling van deze resolutie in het Arabisch.

(1) PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 40.


Massale willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang
PDF 128kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over massale willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in de Oeigoerse autonome regio Xinjiang (2018/2863(RSP))
P8_TA(2018)0377RC-B8-0460/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in China, met name die van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(1), van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer)(2), van 6 juli 2017 over de gevallen van Nobelprijswinnaar Lia Xiaobo en Lee Ming-che(3), en van 15 december 2016 over de zaak van de Tibetaanse boeddhistische academie Larung Gar en Ilham Tohti(4), alsook het verslag van 12 september 2018 over de stand van zaken van de betrekkingen tussen de EU en China(5),

–  gezien artikel 36 van de grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4 van diezelfde grondwet, waarin de rechten van "minderheidsnationaliteiten" worden bevestigd,

–  gezien het in 2003 opgezette strategische partnerschap tussen de EU en China en de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de EDEO aan het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 2016 getiteld "Elementen voor een nieuwe strategie van de EU voor China" (JOIN(2016)0030),

–  gezien de 36e ronde van de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten op 9 en 10 juli 2018 in Peking,

–  gezien de opmerkingen van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, in haar toespraak tijdens de 39e zitting van de VN‑Mensenrechtenraad op 10 september 2018, waarin zij uiting gaf aan haar diepe bezorgdheid over "heropvoedingskampen" en de Chinese regering verzocht onafhankelijke onderzoekers toe te laten,

–  gezien de recente brief van mei 2018 van de VN-werkgroep over gedwongen en onvrijwillige verdwijningen (WGEID) aan de Chinese regering, waarin de groep haar bezorgdheid uit over de aanhoudende verslechtering van de situatie en het toenemende aantal Oeigoeren dat willekeurig wordt vastgehouden,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevordering en eerbiediging van de universele mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat de kern moeten blijven uitmaken van de langlopende relatie tussen de EU en China, in overeenstemming met het engagement van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen en het feit dat China de intentie uitgesproken heeft zich bij zijn eigen ontwikkeling en in het kader van internationale samenwerking aan deze waarden te zullen houden;

B.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in China sinds het aantreden van president Xi Jinping verder is verslechterd, in die zin dat de regering harder optreedt tegen vreedzaam protest en minder ruimte laat voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, en de rechtsstaat;

C.  overwegende dat de situatie in Xinjiang, waar ongeveer 11 miljoen Oeigoeren en etnische kazakken wonen, tijdens de laatste jaren snel verslechterd is, daar het verkrijgen van absolute controle over Xinjiang werd uitgeroepen tot topprioriteit, terwijl er verder problemen zijn met periodieke terreuraanslagen die Oeigoeren in Xinjiang of zogenaamd in verband met Xinjiang zouden plegen;

D.  overwegende dat de VN‑Commissie inzake de uitbanning van rassendiscriminatie melding maakt van ramingen volgens dewelke van tienduizenden tot een miljoen Oeigoeren mogelijk in de Oeigoerse autonome regio Xinjiang (XUAR) worden vastgehouden zonder aanklacht of proces, onder het voorwendsel van de strijd tegen terrorisme en religieus extremisme; overwegende dat dit momenteel de grootste massale detentie van een etnische minderheid ter wereld zou zijn;

E.  overwegende dat de China-commissie van het Amerikaans Congres eveneens melding maakt van betrouwbare informatie dat Oeigoeren, Kazakken en andere in hoofdzaak islamitische etnische minderheden in de XUAR het slachtoffer zijn van willekeurige detentie, foltering, ernstige beperking van de religieuze praktijk en cultuur en een geautomatiseerd bewakingssysteem dat zo ingrijpend is dat elk aspect van hun dagelijks leven wordt gecontroleerd, via gezichtsherkenningscamera's, mobiele telefoonscans, inzameling van DNA en een uitgebreide en opdringerige politieaanwezigheid;

F.  overwegende dat gedetineerden naar verluidt in slechte omstandigheden worden vastgehouden en worden onderworpen aan politieke indoctrinatie, inclusief verplichte cursussen in patriottisme, en worden gedwongen hun etnische en religieuze identiteit af te zweren; overwegende dat recente berichten melding maken van overlijdens in detentie, waaronder zelfmoorden;

G.  overwegende dat naar verluidt duizenden kinderen zijn gescheiden van hun ouders, die willekeurig worden vastgehouden in de kampen, en dat deze kinderen worden ondergebracht in overbevolkte weeshuizen, ook als slechts een van hun ouders in een kamp wordt vastgehouden;

H.  overwegende dat de Chinese delegatie tijdens de VN-hoorzitting in Genève op 13 augustus 2018 de beschuldigingen van VN-deskundigen inzake de gevangenhouding van etnische Oeigoerse moslims in "heropvoedingskampen" in het westelijke deel van Xinjiang heeft ontkend; overwegende dat er uitvoerig bewijsmateriaal bestaat over de aanleg en opwaardering van deze faciliteiten;

I.  overwegende dat sommige buitenlandse journalisten onder druk zijn gezet om niet te berichten over gevoelige kwesties zoals de mensenrechten van de Oeigoeren en het gebruik van interneringskampen, soms met de bedreiging dat hun persaccreditatie niet zou worden verlengd;

J.  overwegende dat de bevolking nergens ter wereld zo strikt wordt gecontroleerd als in de XUAR; overwegende dat de provinciale regering tienduizenden nieuwe aanwervingen voor beveiligingspersoneel heeft gedaan;

K.  overwegende dat gegevens worden ingewonnen via een "geïntegreerd platform voor gezamenlijke operaties", waar nadere gegevens over de bevolking worden opgeslagen, inclusief de consumentengewoonten, de bankverrichtingen, de gezondheidstoestand en het DNA-profiel van elke individuele bewoner van de XUAR; overwegende dat moslims in de regio verplicht zijn een spyware-app op hun mobiele telefoon te installeren, en dat het niet-installeren van deze app strafbaar is;

L.  overwegende dat uit persoonlijke getuigenissen en geloofwaardig academisch onderzoek is gebleken dat Oeigoeren die banden onderhouden met mensen in het buitenland of hun godsdienstige overtuiging uiten met opzet worden geviseerd;

M.  overwegende dat Oeigoeren die in het buitenland verblijven vaak onder druk werden gezet om naar China terug te keren, vaak met steun van de gastlanden; overwegende dat Chinese ambassades in het buitenland in vele gevallen hebben geweigerd paspoorten van Oeigoeren te verlengen, hetgeen leidt tot onzekerheid inzake werk en studies;

N.  overwegende dat verzoeken van de WGEID, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en andere speciale VN-procedures om onafhankelijke onderzoekers naar Xinjiang te sturen, door de Chinese regering systematisch zijn afgewezen;

O.  overwegende dat de Oeigoerse professor economie Ilham Tohti op 23 september 2014 tot levenslang werd veroordeeld voor vermeend separatisme, nadat hij in januari van hetzelfde jaar was gearresteerd; overwegende dat zeven van zijn voormalige studenten ook werden aangehouden en werden veroordeeld tot gevangenisstraffen gaande van drie tot acht jaar voor vermeende collaboratie met de heer Tohti; overwegende dat Ilham Tohti separatisme en geweld altijd heeft verworpen en heeft gestreefd naar verzoening op basis van respect voor de Oeigoerse cultuur;

1.  is ernstig bezorgd over de toenemende onderdrukking van verschillende minderheden, met name de Oeigoeren en de Kazakken, die geconfronteerd worden met bijkomende beperkingen van hun grondwettelijk gegarandeerde recht op vrijheid van culturele uiting en religie en geloof, hun vrijheid van mening en meningsuiting en van vreedzame vergadering en vereniging; eist dat de autoriteiten deze fundamentele vrijheden eerbiedigen;

2.  verzoekt de Chinese regering om onmiddellijk een einde te maken aan de massale willekeurige detentie van leden van de Oeigoerse en Kazakse minderheid, alle kampen en detentiecentra te sluiten en de gedetineerde personen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; is ernstig bezorgd over de talrijke meldingen van slechte omstandigheden, folteringen en sterfgevallen in de kampen; herinnert de Chinese autoriteiten eraan dat heropvoedingsfaciliteiten geen wettelijke grondslag hebben;

3.  is ten zeerste verontrust over de berichten dat Muhammad Salih Hajim, Abdulnehed Mehsum, Ayhan Memet en andere Oeigoerse ouderen, academici en gemeenschapsleiders in interneringskampen om het leven zijn gekomen;

4.  is diep bezorgd over de maatregelen die de staat neemt om een "alomvattend toezicht" op de regio te verzekeren, zoals de installatie van het Chinese elektronisch toezichtsysteem "Skynet" in grote stedelijke gebieden, de installatie van GPS-trackers in alle motorvoertuigen, het gebruik van gezichtsherkenningsscanners op controlepunten, op treinstations en bij tankstations, en het inzamelen van bloed door de politie in Xinjiang om de DNA-database van China verder uit te breiden;

5.  wijst erop dat de regeringscontrole en de verplichte massale inzameling van de gegevens van burgers in hoofdzaak Oeigoeren, Kazakken en andere etnische minderheden viseert en treft, hetgeen een schending is van het internationale recht, dat discriminatie verbiedt;

6.  dringt erop aan dat de Chinese regering de betrokken families alle bijzonderheden geeft over degenen die gedwongen verdwenen zijn in Xinjiang, met inbegrip van hun naam, verblijfplaats en huidige situatie;

7.  is ernstig bezorgd over de Chinese wet inzake terrorismebestrijding (2015) en de regeling inzake deradicalisering, die een te brede definitie bevatten van wat een terroristische daad vormt; vraagt China een duidelijk onderscheid te maken tussen vreedzaam protest en gewelddadig extremisme;

8.  herhaalt zijn oproep aan de Chinese regering voor de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de Oeigoerse academicus Ilham Tohti en alle anderen die alleen wegens de vreedzame uitoefening van hun recht op vrije meningsuiting worden vastgehouden en vraagt China om er in afwachting van hun vrijlating voor te zorgen dat zij regelmatig en onbeperkt contact kunnen onderhouden met hun familie en met een advocaat van hun keuze; dringt voorts aan op de vrijlating van Eli Mamut, Hailaite Niyazi, Memetjan Abdulla, Abduhelil Zunun en Abdukerim Abduweli, waarom de EU tijdens de 36e ronde van de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten op 9 en 10 juli 2018 in Peking had verzocht;

9.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten om nauwlettend toe te zien op de veranderende mensenrechtensituatie in Xinjiang, inclusief de toenemende onderdrukking door de regering van Oeigoeren, Kazakken en andere etnische minderheden, en een krachtig signaal te geven aan het hoogste niveau van de Chinese regering om een einde te maken aan deze buitensporige schendingen van de mensenrechten;

10.  roept de Chinese autoriteiten op om journalisten en internationale waarnemers vrij en ongehinderd toegang te geven tot de provincie Xinjiang;

11.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat de EU en de lidstaten het vraagstuk van de mensenrechtenschendingen in Xinjiang in de dialoog met de Chinese autoriteiten tot op het hoogste niveau aan de orde stellen, overeenkomstig de verbintenis van de EU om in haar benadering ten aanzien van dit land met één, krachtige en heldere stem te spreken, ook tijdens de jaarlijkse dialoog over de mensenrechten en de komende Europees-Aziatische top;

12.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de berichten dat Oeigoeren in het buitenland door de Chinese autoriteiten worden geïntimideerd om hen ertoe aan te zetten om als informant op te treden tegen andere Oeigoeren, om naar Xinjiang terug te keren of te zwijgen over de situatie daar, waarbij soms familieleden gevangen worden gehouden;

13.  is ingenomen met het besluit van Duitsland en Zweden om de terugkeer van alle etnische Oeigoeren, Kazakken en andere etnisch-Turkse moslims naar China op te schorten, gezien het risico op willekeurige detentie, foltering en andere vormen van slechte behandeling dat zij bij terugkeer in het land zouden lopen, en verzoekt alle lidstaten dit voorbeeld te volgen en asielverzoeken van etnisch-Turkse moslims die dreigen naar China te worden teruggestuurd met spoed te behandelen; verzoekt de EU‑lidstaten indien nodig de nationale wetgeving in te roepen om een onderzoek in te stellen naar intimidatie door de Chinese regering van diasporagemeenschappen van etnisch-Turkse moslims in Europa;

14.  wijst China op de mensenrechtenverplichtingen die voortvloeien uit de verschillende internationale mensenrechtenverdragen die het land heeft ondertekend en herinnert eraan dat China wordt geacht deze verplichtingen na te komen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

(1) PB C 285E van 21.10.2010, blz. 80.
(2) PB C 199E van 7.7.2012, blz. 185.
(3) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 137.
(4) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 108.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0343.


Pakket strategie inzake overheidsopdrachten
PDF 158kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over het pakket strategie inzake overheidsopdrachten (2017/2278(INI))
P8_TA(2018)0378A8-0229/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2017 met als titel "Succesvolle overheidsopdrachten in en voor Europa" (COM(2017)0572),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2017 met als titel "Investeringen ondersteunen via een vrijwillige voorafgaande beoordeling van de aanbestedingsaspecten van grote infrastructuurprojecten" (COM(2017)0573),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2017/1805 van de Commissie van 3 oktober 2017 betreffende de professionalisering van overheidsopdrachten met als titel "Ontwikkeling van een architectuur voor de professionalisering van overheidsopdrachten" (C(2017)6654)(1),

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(2),

–  gezien Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en tot intrekking van Richtlijn 2004/17/EG(3),

–  gezien Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten(4),

–  gezien het verslag van de Commissie van 17 mei 2017 over de herziening van de praktische toepassing van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) (COM(2017)0242),

–  gezien Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten(5),

–  gezien het verslag van de Commissie van 11 oktober 2017 over de beoordeling van de Europese norm voor elektronische facturering, overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU (COM(2017)0590),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2018,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, het advies van de Commissie internationale handel en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0229/2018),

A.  overwegende dat het potentieel van overheidsopdrachten nog niet volledig wordt benut om te helpen een concurrerende sociale markteconomie op te bouwen, en overwegende dat meer dan 250 000 overheden in de Unie jaarlijks circa 14 % van het bbp, of bijna 2 000 miljard euro, besteden aan de aankoop van diensten, werkzaamheden en leveringen;

B.  overwegende dat overheidsopdrachten de besteding van een grote hoeveelheid geld van de belastingbetaler met zich meebrengt, hetgeen inhoudt dat deze opdrachten op een ethische manier, transparant, integer en zo doeltreffend mogelijk moeten worden uitgevoerd, zowel wat kosten als behaalde kwaliteit betreft, teneinde burgers kwalitatief hoogwaardige goederen en diensten te leveren;

C.  overwegende dat de juiste handhaving van de regels inzake overheidsopdrachten een essentieel instrument is ten behoeve van een sterkere interne markt en de groei van EU‑bedrijven en banen in de Unie, en overwegende dat een slim gebruik van overheidsopdrachten een strategisch instrument kan zijn om de doelstellingen van de EU inzake slimme, duurzame en inclusieve groei te verwezenlijken, zodat de overgang naar duurzamere toeleveringsketens en bedrijfsmodellen wordt bespoedigd;

D.  overwegende dat het wat de omzetting van EU-regels inzake overheidsopdrachten en concessies betreft van essentieel belang is dat het EU-recht volledig wordt omgezet en uitgevoerd, zodat het voor kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker en goedkoper wordt om in te schrijven op overheidsopdrachten, met volledige inachtneming van de EU-beginselen inzake transparantie en mededinging;

E.  overwegende dat de Commissie op 3 oktober 2017 een gerichte raadpleging heeft gehouden over ontwerprichtsnoeren betreffende overheidsopdrachten voor innovatie, op 7 december 2017 gevolgd door een gerichte raadpleging over de reikwijdte en opzet van een gids van de Commissie over maatschappelijk verantwoorde overheidsopdrachten;

F.  overwegende dat volgens een onderzoek uit 2016, aangehaald in de mededeling van de Commissie COM(2017)0572, slechts vier lidstaten een beroep deden op digitale technologieën bij alle belangrijkste fasen van de procedures inzake overheidsopdrachten, zoals e-kennisgeving, e-toegang tot aanbestedingsdocumenten, e‑indiening, e‑evaluatie, e‑gunning, e‑bestelling, e‑facturering en e‑betaling;

G.  overwegende dat volgens het thematisch overzicht inzake overheidsopdrachten van november 2017 in het kader van het Europees Semester het aantal aanbestedingsprocedures met slechts één inschrijving in de periode 2006‑2016 is gestegen van 14 % naar 29 %, en dat kmo's volgens de mededeling van de Commissie COM(2017)0572 "slechts 45 % van de waarde van overheidsopdrachten boven de drempels van de EU winnen, wat duidelijk te laag is in verhouding tot hun economisch gewicht";

H.  overwegende dat de nieuwe regels die voortvloeien uit de richtlijnen van 2014 het plaatsen van overheidsopdrachten vergemakkelijken en meer controle opleggen en aldus moeten bijdragen tot de uitvoering van de Europa 2020-strategie inzake een duurzame, socialere, innovatievere en inclusievere Europese economie;

I.  overwegende dat volgens de mededeling van de Commissie COM(2017)0572 bij 55 % van alle overheidsopdrachten nog altijd de laagste prijs als het enige gunningscriterium wordt gebruikt, in plaats van – bijvoorbeeld – strategische sociale en milieucriteria;

J.  overwegende dat de Europese Unie zich gecommitteerd heeft aan de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de VN;

K.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat leveranciers het vertrouwen hebben dat het stelsel van de Unie inzake overheidsopdrachten voorziet in eenvoudige en toegankelijke digitale procedures, volledige transparantie, integriteit en gegevensbeveiliging;

Wettelijk kader en toepassing

1.  is, bijna vier jaar na afronding van de uitgebreide herziening van het wettelijk kader voor overheidsopdrachten, verheugd over de door de Commissie voorgestelde reeks niet-wetgevende maatregelen en verwacht dat dit een nieuwe impuls zal geven aan een betere tenuitvoerlegging;

2.  is zeer teleurgesteld over het tempo waarin veel lidstaten de richtlijnen van 2014 inzake overheidsopdrachten hebben omgezet, alsook over de vele vertragingen, en betreurt het feit dat de Commissie tegen enkele lidstaten inbreukprocedures heeft moeten inleiden; dringt aan op een snelle, volledige omzetting in alle lidstaten, zonder enige verdere vertraging;

3.  maakt zich zorgen over de in de richtlijnen vastgelegde volgende reeks termijnen met betrekking tot elektronische aanbesteding, alsook over de overstap van de lidstaten naar volledige e-aanbesteding, met inbegrip van e‑facturering; benadrukt dat de bevordering van volledig elektronische aanbestedingen deel moet uitmaken van de digitale agenda's van de lidstaten;

4.  verzoekt de Commissie de richtsnoeren betreffende overheidsopdrachten voor innovatie en de gids over maatschappelijk verantwoorde overheidsopdrachten zo spoedig mogelijk af te ronden teneinde de toepassing van de betreffende wettelijke bepalingen in de lidstaten te vergemakkelijken;

5.  verzoekt de Commissie de gidsen en andere instrumenten die zijn ontwikkeld om de lidstaten te helpen bij de toepassing van het kader voor overheidsopdrachten, beter, duidelijker, toegankelijker en op een gebruiksvriendelijkere manier te organiseren, en wel zodanig dat professionals op het gebied van overheidsopdrachten een goed overzicht krijgen en er rekening wordt gehouden met de beschikbare talen;

6.  is verheugd over de nieuwe Leidraad Overheidsopdrachten voor professionals van februari 2018 die tot doel heeft nationale, regionale en lokale overheidsambtenaren te helpen doeltreffende en transparante procedures voor overheidsopdrachten te waarborgen voor met EU‑middelen gefinancierde projecten;

Strategische en gecoördineerde aanbestedingen

7.  wijst erop dat de huidige wetgeving van de Unie meer dan ooit mogelijk maakt dat overheidsopdrachten worden ingezet als strategisch instrument voor het verwezenlijken van beleidsdoelstellingen van de EU, en spoort de lidstaten aan hier optimaal gebruik van te maken; herinnert eraan dat overheidsopdrachten op regionaal en lokaal niveau eveneens een belangrijk instrument vormen om lokale en regionale strategieën te voltooien, en moedigt de organisatie van hoorzittingen en raadplegingen met de eindgebruikers van producten en diensten aan;

8.   doet een oproep om op grote schaal gebruik te maken van innovatieve aanbestedingen om slimme, groene en inclusieve groei te realiseren en de circulaire economie te versterken; onderstreept het belang van de circulaire economie en, in dit verband, de nieuwe mogelijkheden die de nieuwe richtlijnen betreffende overheidsopdrachten hebben geboden wat betreft goederen en diensten, hergebruikte, gerepareerde, gereviseerde, gerenoveerde en andere duurzame en hulpbronnenefficiënte producten en oplossingen;

9.  roept de lidstaten op strategisch gebruik te maken van overheidsopdrachten ter bevordering van een slimme, duurzame en inclusieve groei, onder meer voor kmo's en sociale ondernemingen; benadrukt dat de lidstaten hiertoe dergelijk beleid op het hoogste niveau stelselmatig moeten identificeren en inkopers en professionals in de overheidsdiensten moeten ondersteunen;

10.  wijst erop dat het belangrijk is dat aanbestedingsprocedures niet te ingewikkeld zijn, teneinde te waarborgen dat alle ondernemingen, inclusief kmo's, toegang tot overheidsopdrachten behouden;

11.  is ingenomen met het gegeven dat er een aantal nationale strategieën inzake overheidsopdrachten is vastgesteld, en spoort de lidstaten aan dit voorbeeld te volgen met het oog op het moderniseren en stroomlijnen van hun eigen systemen voor overheidsopdrachten om aldus de efficiëntie ervan te vergroten; benadrukt dat alle overheidssectoren te maken hebben met overheidsopdrachten en dat het dus essentieel is om niet alleen te zorgen voor coördinatie, maar ook voor een bestuursstructuur waarbij de belangrijkste spelers betrokken zijn, zodat fundamentele besluiten in betere samenwerking kunnen worden genomen en door alle betrokken partijen worden aanvaard;

12.  is verheugd over het feit dat een groot aantal lidstaten voorzieningen heeft getroffen voor het gebruik van kwaliteitscriteria (inclusief de beste prijs-kwaliteitsverhouding), en dringt aan op de structurele toepassing ervan; dringt erop aan dat aanbestedende diensten andere criteria dan uitsluitend hetzij de prijs, hetzij de kostenefficiëntie toepassen, en dat zij daarbij rekening houden met kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten;

13.  erkent dat in sommige gevallen de laagste prijs een teken is van innovatieve oplossingen en doeltreffend beheer, maar maakt zich zorgen over het feit dat in een aantal lidstaten de laagste prijs te vaak als belangrijkste gunningscriterium wordt gehanteerd, waarbij niet wordt gekeken naar kwaliteit, duurzaamheid en sociale inclusie; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan de redenen hiervoor te onderzoeken en indien nodig passende oplossingen voor te stellen;

14.  dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat hun praktijken op het gebied van overheidsopdrachten stroken met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; roept de lidstaten in dit verband op raadpleging van personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen, te bevorderen;

15.  dringt aan op een Europese ethische code op het gebied van overheidsopdrachten voor de diverse actoren in het aanbestedingsproces;

16.  benadrukt dat het van belang is dat aanbestedende diensten, in voorkomend geval, bij het nemen van aankoopbeslissingen de gehele levenscyclus van producten in aanmerking nemen, inclusief hun invloed op het milieu, en verzoekt de Commissie ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling van methoden ten behoeve van de toepassing van "de levenscycluskostenberekening";

17.  wijst erop dat innovatieve, sociale en milieuoverwegingen in het kader van overheidsopdrachten legitieme en essentiële gunningscriteria zijn, en dat aanbestedende diensten ook groene, innovatieve of maatschappelijke doelstellingen kunnen nastreven door middel van goed doordachte specificaties en door op niet-discriminerende wijze andere aanbiedingen toe te staan, mits deze kenmerken verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht en de doelstellingen ervan;

18.  herinnert eraan dat de lidstaten uit hoofde van het wetgevingskader van de Unie voor overheidsopdrachten verplicht zijn te waarborgen dat aannemers en onderaannemers zich volledig houden aan de milieu-, de sociale en de arbeidsrechtregels die gelden op de plaats waar werken worden uitgevoerd, diensten worden geleverd of goederen worden geproduceerd of geleverd, zoals bedoeld in de toepasselijke internationale verdragen, de wetgeving van de Unie en van de lidstaten, alsook in overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken gesloten collectieve overeenkomsten; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de lidstaten zich bij de omzetting en toepassing van de richtlijnen van 2014 aan deze verplichting houden, én de uitwisseling van goede praktijken op dit vlak te faciliteren;

19.  erkent dat voor een kwalitatieve beoordeling van inschrijvingen deskundige inkopers nodig zijn en verzoekt de Commissie de lidstaten bij te staan bij de verbreiding van evaluatiemethoden en -praktijken, in het bijzonder middels de organisatie van workshops en opleidingen; beklemtoont dat de bedoelde bijstand beschikbaar moet zijn op alle bij overheidsopdrachten betrokken administratieve niveaus;

20.  benadrukt dat bij maatschappelijk verantwoorde overheidsopdrachten rekening moet worden gehouden met de toeleveringsketens en met de risico's die verbonden zijn aan verschijnselen als moderne slavernij, sociale dumping en mensenrechtenschendingen; is van mening dat er maatregelen moeten worden genomen om te waarborgen dat goederen en diensten die via overheidsopdrachten worden verworven niet het resultaat zijn van enige vorm van mensenrechtenschending; verzoekt de Commissie in haar nieuwe gids inzake sociale aspecten van overheidsopdrachten aparte bepalingen op te nemen inzake ethiek in de toeleveringsketens;

21.  is verheugd over de inspanningen van verschillende lidstaten gericht op het inrichten van autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten, en erkent dat dit het uitvoeren van strategische en efficiënte aanbestedingstechnieken bevordert;

22.  dringt erop aan dat meer lidstaten gebruikmaken van gecentraliseerde aankopen en de samenvoeging van overheidsaankopen, en wijst erop dat gecentraliseerde aankoopcentrales de verspreiding van vakkennis, beste praktijken en innovatie zouden kunnen en moeten versnellen;

23.  benadrukt dat het, met name met het oog op het stimuleren van innovatie, van belang is dat aanbestedende diensten nauw contact met de markt onderhouden en in voldoende mate de aan de aanbesteding voorafgaande fase benutten ter voorbereiding op de volgende stappen; is van oordeel dat de aan de aanbesteding voorafgaande fase ook voor de participatie van kmo's essentieel is;

24.  is van mening dat de nieuwe partnerschapsprocedure zal bijdragen tot het stimuleren van innovatie, en spoort de aanbestedende diensten aan met de markt samen te werken bij het ontwikkelen van nog niet bestaande innovatieve methoden, producten, werken of diensten; verwelkomt in dit verband dat tot nu toe 17 miljoen innovatiepartnerschappen zijn geïnitieerd;

25.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde vrijwillige voorafgaande beoordeling van de aanbestedingsaspecten van grote infrastructuurprojecten, en verzoekt de Commissie de helpdesk, het kennisgevingsmechanisme en het mechanisme voor de uitwisseling van informatie snel te implementeren, met volledige inachtneming van de vertrouwelijkheid;

Digitalisering en een goed beheer van de aanbestedingsprocedures

26.  betreurt het feit dat de toepassing van digitale technologieën in het kader van overheidsopdrachten in de Unie maar traag op gang komt, en roept de lidstaten op te streven naar een snelle omvorming van de procedures en de invoering van e‑processen tijdens alle belangrijke fasen, te weten vanaf de kennisgeving, de toegang tot aanbestedingen en het indienen van inschrijvingen, tot de evaluatie, het gunnen van de opdracht, het bestellen en factureren, en de betaling;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de e-formulieren uiterlijk eind 2018 te hebben ingevoerd;

28.  herinnert eraan dat e-aanbestedingen een reeks belangrijke voordelen hebben, zoals significante besparingen voor alle betrokken partijen, vereenvoudigde en kortere procedures, minder bureaucratie en administratieve rompslomp, grotere transparantie en meer innovatie, alsook eenvoudiger toegang voor kmo's tot markten voor overheidsopdrachten;

29.  is het eens met de Commissie dat aanbestedingsregisters als kostenefficiënte tool kunnen dienen voor het beheer van de contracten, het verhogen van de mate van transparantie en integriteit en de kwaliteit van de gegevens, alsook voor een beter bestuur inzake overheidsopdrachten;

30.  verzoekt de Commissie na te gaan of de registers van nationale contracten kunnen worden aangesloten op de TED-databank (Tenders Electronic Daily) voor aanbestedingen, zodat voorkomen wordt dat aanbestedende instanties dezelfde informatie via twee systemen bekend moeten maken;

31.  wijst op de problemen waar inschrijvers, en vooral kmo's, mogelijk mee te maken krijgen met betrekking tot de vereisten ten aanzien van certificaten en handtekeningen, en dringt aan op de toepassing van een vereenvoudigde reeks vereisten in dit opzicht, alsook op de volledige toepassing van het eenmaligheidsbeginsel teneinde de lasten voor inschrijvers tot een minimum te beperken;

32.  benadrukt dat alle lidstaten in staat moeten zijn om alle noodzakelijke gegevens te verstrekken met betrekking tot de uitvoering van overheidsopdrachten, met inbegrip van gegevens over inschrijvingen, procedures en contracten, alsook statistische gegevens, onder meer om de Commissie in de gelegenheid te stellen de werking van de aanbestedingspraktijk binnen de interne markt te evalueren;

33.  dringt er bij de lidstaten op aan het innovatieve gebruik van gegevens in open format te bevorderen, aangezien dergelijke gegevens voor elke overheid essentieel zijn om het openbaar bestuur te beheren en tegelijkertijd het bedrijfsleven de mogelijkheid bieden het economisch potentieel ervan te benutten, en aangezien tevens in de hand wordt gewerkt dat instellingen en organen die zich bezighouden met overheidsopdrachten transparant en verantwoord handelen; benadrukt dat bij de openbaarmaking van die gegevens steeds rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en met het acquis van de Unie op het gebied van gegevensbescherming en bedrijfsgeheim;

De interne markt en betere toegang tot aanbestedingen

34.  herinnert eraan dat oproepen tot mededinging essentieel zijn bij overheidsopdrachten en betreurt de in de afgelopen jaren vastgestelde afname van de intensiteit van de concurrentie met betrekking tot overheidsopdrachten in de Unie; spoort de lidstaten met een hoog percentage van aanbestedingen met maar één inschrijver aan dit probleem aan te pakken;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan het aantal gezamenlijke aanbestedingsprocedures te verhogen, met inbegrip van grensoverschrijdende overheidsopdrachten, waarvan de uitvoering gemakkelijker is geworden sinds de herziening van de EU-regels, en doet een oproep aan de Commissie om op dit gebied diepgaande ondersteuning te bieden; is overigens van oordeel dat dergelijke procedures niet moeten resulteren in contracten met een zodanige omvang dat kmo's in feite niet in aanmerking komen in het vroegste stadium van het proces;

36.  betreurt het feit dat kmo's en ondernemingen van de sociale economie nog steeds problemen ondervinden bij de toegang tot overheidsopdrachten, en verzoekt de Commissie de doeltreffendheid te beoordelen van maatregelen uit hoofde van de richtlijnen van 2014 en zo nodig nieuwe oplossingen voor te stellen;

37.  verzoekt de Commissie verslag aan het Parlement uit te brengen over de toepassing van het "pas toe of leg uit"-beginsel zoals bedoeld in artikel 46 van Richtlijn 2014/24/EU, op grond waarvan aanbestedende diensten de voornaamste redenen moeten vermelden voor hun besluit de opdracht niet in percelen op te delen, die stelselmatig moeten worden toegelicht in de aanbestedingsstukken of het proces-verbaal;

38.  verzoekt de lidstaten kmo's te ondersteunen bij de deelname aan aanbestedingen, bijvoorbeeld indien mogelijk door de verplichte verdeling van opdrachten in percelen of een beperking van de omzet die vereist wordt om deel te mogen nemen aan een aanbestedingsprocedure; beklemtoont dat de verdeling van opdrachten in percelen de concurrentie op de markt bevordert en het risico van afhankelijkheid van één enkele leverancier beperkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om te voorzien in advies en opleiding voor kmo's zodat deze hun deelname aan aanbestedingsprocedures kunnen verbeteren;

39.  verzoekt de Commissie met name de belemmeringen ten aanzien van grensoverschrijdende aanbestedingen als gevolg van taal-, administratieve, juridische of andere barrières te onderzoeken, en oplossingen voor te stellen of op te treden om functionele grensoverschrijdende aanbestedingen te garanderen;

40.  benadrukt dat het van belang is de interoperabiliteit van gekochte goederen en diensten te waarborgen en de afhankelijkheid van één leverancier te voorkomen, en vraagt de Commissie maatregelen op dit gebied voor te stellen;

41.  betreurt dat er geen duidelijke en geconsolideerde gegevens beschikbaar zijn over overheidsopdrachten in de EU en constateert dat voor efficiënt toezicht op de verantwoordingsplicht van de overheidsdiensten betrouwbare gegevens over de toegang tot overheidsopdrachten nodig zijn, en dat deze kunnen worden ingezet ter bestrijding van fraude en corruptie;

42.  aanvaardt de resultaten van de evaluatie van de rechtsmiddelenrichtlijn en de beslissing van de Commissie om geen herziening van de wetgeving voor te stellen, maar roept op tot de voortzetting van de samenwerking tussen de nationale beroepsinstanties, en tot aanvullende richtsnoeren van de Commissie inzake de richtlijnen;

43.  betreurt dat de richtlijn betreffende overheidsopdrachten op defensiegebied nog niet de gewenste resultaten heeft opgeleverd, met name wat betreft transnationale infrastructuurprojecten, en spoort de Commissie en de lidstaten aan hun inspanningen op te voeren ten behoeve van een betere toepassing van de momenteel geldende regels;

44.  wijst op het belang van transparantie en de niet-discriminerende aard van openbare aanbestedingsprocedures; herinnert eraan hoe belangrijk het is behoorlijke beroepsprocedures voorhanden te hebben en toegang te hebben tot bijstand in verband met mogelijkheden voor het aantekenen van beroep;

Internationale aanbestedingen

45.  roept gezien het feit dat de markt voor overheidsopdrachten van de Unie de meest open markt ter wereld is, de Unie op maatregelen te nemen ter bevordering van de toegang van EU‑leveranciers tot de markten voor overheidsopdrachten van derde landen;

46.   uit zijn bezorgdheid over oneerlijke concurrentie in openbare aanbestedingsprocedures als gevolg van staatsinmenging met betrekking tot concurrenten uit derde landen, vooral – maar niet uitsluitend – met betrekking tot de markt voor elektrische voertuigen en accu's; is van mening dat er een koppeling nodig is tussen handelsbeschermingsinstrumenten en praktijken betreffende overheidsopdrachten;

47.  benadrukt dat de markten voor overheidsopdrachten van groot economisch belang zijn, aangezien de uitgaven voor overheidsopdrachten worden geschat op 20 % van het mondiale bbp, en benadrukt dat het verbeteren van de toegang tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen evenals het zorgen voor een gelijk speelveld voor Europese bedrijven daardoor grote drijvende krachten achter de groei van de handel in goederen en diensten kunnen vormen en er eveneens toe kunnen leiden dat belastingbetalers in de EU en derde landen meer keuze hebben en meer waar voor hun geld krijgen;

48.  wijst erop dat de markten voor overheidsopdrachten in derde landen vaak rechtens en/of feitelijk zijn gesloten voor inschrijvers uit de EU; spoort de Commissie aan betere gegevens over procedures voor internationale overheidsopdrachten te verzamelen en te verstrekken; brengt in herinnering dat meer dan de helft van de mondiale markt voor overheidsopdrachten volgens schattingen van de Commissie op dit moment niet openstaat voor vrije internationale concurrentie wegens protectionistische maatregelen, die wereldwijd in opmars zijn, terwijl overheidsopdrachten in de EU met een waarde van ongeveer 352 miljard EUR openstaan voor inschrijvers uit landen die lid zijn van de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten; benadrukt dat de EU deze onevenwichtige situatie moet aanpakken zonder gebruik te maken van protectionistische maatregelen; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat Europese bedrijven marktoegang krijgen die vergelijkbaar is met de toegang tot de EU-markt die onze buitenlandse concurrenten genieten en merkt op dat het voorgestelde instrument voor internationale overheidsopdrachten (IIO) onder bepaalde voorwaarden een hefboom kan vormen voor een betere markttoegang;

49.  is ingenomen met het feit dat een van de zes prioritaire gebieden voor het optreden van de Commissie inzake overheidsopdrachten het verbeteren van de toegang tot de markten voor overheidsopdrachten is; benadrukt dat het verbeteren van de toegang tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen, met inbegrip van die op subnationaal niveau, voor de EU van groot offensief belang is bij handelsbesprekingen, omdat vele EU-bedrijven in diverse sectoren een groot concurrentievermogen hebben; benadrukt dat overheidsopdrachten deel moeten uitmaken van elke toekomstige handelsovereenkomst, zodat er zoveel mogelijk Europese bedrijven deelnemen aan buitenlandse aanbestedingen; verzoekt de Commissie te waken over de eerbiediging en de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot de markten voor overheidsopdrachten in de vrijhandelsovereenkomsten van de EU; herinnert eraan dat handelsovereenkomsten moeten worden gebruikt om de toegang tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen te verbeteren en stelt nogmaals dat verbeterde toegang tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen samen met verbeterde regels voor moderne, efficiënte en transparante aanbestedingsprocedures, die cruciaal zijn om overheidsgeld beter te doen renderen, belangrijke elementen zouden moeten zijn in elke handelsovereenkomst die door de EU wordt gesloten, met volledige inachtneming van de legitieme overheidsbeleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in de richtlijnen van de Unie inzake overheidsopdrachten; benadrukt dat ondernemers uit derde landen moeten voldoen aan de Europese sociale en milieucriteria om in aanmerking te komen voor overheidsopdrachten, zoals vastgelegd in Richtlijn 2014/23/EU, Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU, en moedigt in overeenstemming hiermee aan dat voor de gunning van deze contracten criteria van de economisch voordeligste inschrijving worden gehanteerd; stelt vast dat bilaterale en subregionale vrijhandelsovereenkomsten niet altijd volledige toegang tot de markt voor overheidsopdrachten waarborgen; verzoekt de Commissie om in onderhandelingen te streven naar de best mogelijke toegang tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen;

50.  benadrukt dat in elke strategie om de markten voor overheidsopdrachten in derde landen te openen de barrières voor en specifieke behoeften van kmo's concreet aan de orde moeten worden gesteld om hun toegang tot de markten te vergemakkelijken, omdat vooral zij zich in een nadelige positie bevinden om door te dringen tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met het effect van de blootstelling aan nieuwe concurrenten uit derde landen; verzoekt de Commissie te stimuleren om in handelsovereenkomsten kmo-vriendelijke aanbestedingsprocedures op te nemen (met inbegrip van grensoverschrijdende initiatieven en de verdeling van overheidsopdrachten in percelen); benadrukt de te behalen voordelen, met name voor kmo's, van digitalisering door middel van e‑aanbestedingen bij alle aanbestedingsprocedures met derde landen;

51.  wijst erop dat grote opkomende economieën zoals Brazilië, China, India en Rusland nog geen partij zijn bij de GPA, maar dat China en Rusland officieel aan de toetredingsprocedure zijn begonnen, en vraagt de Commissie de inspanningen van derde landen om tot de GPA toe te treden toe te juichen en te bevorderen, omdat multilaterale en plurilaterale overeenkomsten de beste manier zijn om op de lange termijn een gelijk speelveld te creëren; benadrukt dat een bilaterale handelsovereenkomst met ambitieuze bepalingen inzake overheidsopdrachten, waarin de onderliggende beginselen van de GPA worden geëerbiedigd, een opstap kan vormen naar versterkte multilaterale samenwerking;

52.  beklemtoont hoe belangrijk de GPA is, niet alleen om rechtens toegang te verschaffen tot de aanbestedingsmarkten in derde landen, maar ook om de transparantie en voorspelbaarheid van de aanbestedingsprocedures te vergroten; spoort de Commissie aan om de ontwikkeling van mondiale en convergerende normen inzake transparante overheidsopdrachten te bevorderen als belangrijk instrument voor het bestrijden van corruptie; vraagt de Commissie meer bepaald ernaar te streven dat in handelsovereenkomsten bepalingen worden opgenomen over gezamenlijke regels inzake overheidsopdrachten die het melden van corruptie en het vereenvoudigen van de procedures mogelijk maken en de integriteit en transparantie voor inschrijvers vergroten;

Professionalisering

53.  is ingenomen met de aanbevelingen van de Commissie inzake professionalisering, en verzoekt de lidstaten met voorrang nationale programma's te ontwikkelen; is van oordeel dat elk plan onderscheid moet aanbrengen tussen soorten overheidsopdrachten, met name omdat de toegang van kmo's tot aanbestedingen voor diensten en digitale infrastructuur op een andere manier kan worden bevorderd dan de toegang tot overheidsopdrachten voor grote infrastructuurprojecten;

54.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen ten aanzien van financiële steun vanuit de fondsen van de Unie ter ondersteuning van de betreffende maatregelen ten aanzien van professionalisering in de lidstaten;

55.  betreurt het lage niveau van professionaliteit bij overheidsafnemers en verzoekt de lidstaten de vaardigheden van alle deelnemers aan alle fasen van het aanbestedingsproces te verbeteren;

56.  onderstreept dat zowel inkopers als leveranciers naar behoren moeten zijn opgeleid om in alle fasen van de aanbestedingsprocedure doeltreffend te kunnen functioneren, en dat op alle overheidsniveaus aandacht aan professionalisering en aan kwaliteitscriteria, inclusief maatschappelijke en milieucriteria, moet worden besteed; is van oordeel dat betere resultaten kunnen worden behaald indien overheden beter leren in kaart te brengen waar ze behoefte aan hebben en hoe ze opdrachten moeten aanpakken; betreurt het, onverminderd de procedure waarover onderhandeld is, dat overheidsopdrachten vaak door meer ervaren bedrijven kunnen worden gekaapt die helpen bij het opstellen van een overheidsaanbesteding en dientengevolg een grotere kans maken de opdracht binnen te halen;

57.  verzoekt de lidstaten universiteiten aan te moedigen om universitaire vakken in Europese aanbestedingswetgeving nader te ontwikkelen en te zorgen voor een betere opleiding en loopbaanplanning van professionals op het gebied van overheidsopdrachten, onder meer voor degenen die bij kmo's werkzaam zijn en ook wat betreft de ontwikkeling en het gebruik van toegankelijke IT-instrumenten; steunt de totstandbrenging van een gemeenschappelijk Europees kader van relevante technische en computervaardigheden;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 259 van 7.10.2017, blz. 28.
(2) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(3) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.
(4) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1.
(5) PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1.


EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) ***I
PDF 126kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) (COM(2013)0535 – C7-0240/2013 – 2013/0256(COD))
P8_TA(2018)0379A8-0320/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0535),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 85 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0240/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Tsjechische Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole en van de Commissie juridische zaken (A8‑0320/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1727.)


Wederzijdse erkenning van bevelen tot bevriezing en confiscatie ***I
PDF 124kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de wederzijdse erkenning van bevelen tot bevriezing en confiscatie (COM(2016)0819 – C8-0002/2017 – 2016/0412(COD))
P8_TA(2018)0380A8-0001/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0819),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 82, lid 1, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0002/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Tsjechische Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en van de Commissie juridische zaken (A8-0001/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1805.)


Vrij verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie ***I
PDF 125kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie (COM(2017)0495 – C8-0312/2017 – 2017/0228(COD))
P8_TA(2018)0381A8-0201/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0495),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0312/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0201/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1807.)

(1) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 78.


De bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven met betrekking tot de mensenrechten
PDF 155kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten (2018/2763(RSP))
P8_TA(2018)0382B8-0443/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(1),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid(2),

–  gezien de artikelen 207 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, dat op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken is goedgekeurd, en het actieplan voor mensenrechten en democratie 2015-2019, dat op 20 juli 2015 door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNPG's), die door de VN-Mensenrechtenraad zijn goedgekeurd in resolutie 17/4 van 16 juni 2011,

–  gezien de strategie "Handel voor iedereen" van de Commissie,

–  gezien de "Sector Guides on Implementing the UNGP's" van de Commissie(3),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien het advies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), getiteld "Verbetering van de toegang tot rechtsmiddelen op het gebied van het bedrijfsleven en de mensenrechten op EU-niveau"(4),

–  gezien resolutie 26/9 van 26 juni 2014 van de VN-Mensenrechtenraad tot instelling van een intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, met als mandaat het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument, aan de hand waarvan de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten worden gereguleerd,

–  gezien algemene opmerking nr. 24 (2017) van het VN-Comité inzake economische, sociale en culturele rechten (CESCR) over verplichtingen van staten krachtens het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten met betrekking tot bedrijfsactiviteiten (E/C.12/GC/24),

–  gezien de beginselen van Maastricht inzake extraterritoriale verplichtingen van lidstaten op het gebied van economische, sociale en culturele rechten(5),

–  gezien het "Global Compact"-initiatief van de Verenigde Naties(6),

–  gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–  gezien de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de Internationale Arbeidsorganisatie, die herzien is in 2017,

–  gezien de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor de kleding- en schoensector,

–  gezien de door UNICEF ontwikkelde beginselen inzake het bedrijfsleven en kinderrechten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten,

–  gezien de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid,

–  gezien de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor verantwoord zakelijk gedrag,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(7),

–  gezien Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen(8),

–  gezien Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(9),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa aan de lidstaten over mensenrechten en het bedrijfsleven die op 2 maart 2016 is aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake(11),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling(12),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling(14),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(15),

–  gezien Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen(16),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(17),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(18),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(19),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(20),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van donderdag 14 april 2016 over de particuliere sector en ontwikkeling(22),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het beleid van de Europese Unie ter zake(23),

–  gezien het onderzoek dat de Subcommissie mensenrechten liet uitvoeren naar de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten(24),

–  gezien de vragen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie en de Raad over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten (O‑000074/2018 – B8‑0402/2018, O-000075/2018 – B8‑0403/2018 en O‑000078/2018 – B8‑0404/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU gegrondvest is op de volgende waarden: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat haar acties op het internationale toneel (waaronder haar ontwikkelings- en haar handelsbeleid) moeten berusten op deze beginselen en in overeenstemming moeten zijn met het principe van een samenhangend ontwikkelingsbeleid, zoals verankerd in artikel 208 van het Verdrag van Lissabon; overwegende dat het principe van een samenhangend ontwikkelingsbeleid op grond van artikel 208 VWEU moet worden geëerbiedigd in alle externe acties van de EU;

B.  overwegende dat de Europese Unie een belangrijke normbepalende rol speelt en tegelijk een economische grootmacht is; overwegende dat zij zich daarom moet opstellen als leider bij de verspreiding van goede praktijken en de ontwikkeling van mondiale normen;

C.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 inhoudt dat economische ontwikkeling hand in hand moet gaan met sociale rechtvaardigheid, governance, eerbiediging van de mensenrechten, inclusief sociale rechten en het recht op menselijke waardigheid en vrijheid voor iedereen, en strenge arbeids- en milieunormen; overwegende dat duurzame ontwikkeling, handel en mensenrechten elkaar kunnen beïnvloeden en elkaar kunnen versterken;

D.  overwegende dat mensenrechtenverplichtingen in eerste instantie rusten op staten; overwegende dat staten op zich niet verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten door privéactoren, maar dat zij hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht inzake de mensenrechten kunnen schenden wanneer deze schendingen aan hen kunnen worden toegeschreven of wanneer zij nalaten passende zorgvuldigheidsmaatregelen te nemen om misbruik door privéactoren te voorkomen, te onderzoeken, te bestraffen en te herstellen; overwegende dat staten over het algemeen zelf kunnen beslissen welke maatregelen zij nemen, waarbij zij gebruik kunnen maken van beleid, wetgeving, voorschriften en arbitrage;

E.  overwegende dat het concept van zorgvuldigheid ("due diligence") is opgenomen in de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen(25);

F.  overwegende dat staten hun mensenrechtenverplichtingen binnen hun grondgebied en/of jurisdictie moeten nakomen; overwegende dat staten duidelijk de verwachting moeten aangeven dat de verplichting tot bescherming inhoudt dat regelgeving wordt vastgesteld om te garanderen dat alle ondernemingen die op hun grondgebied zijn gevestigd en/of onder hun jurisdictie vallen, de mensenrechten eerbiedigen binnen hun gehele bedrijfsvoering, dus ook in hun dochterondernemingen, door hen gecontroleerde ondernemingen en entiteiten binnen hun toeleveringsketen wereldwijd;

G.  overwegende dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNPG's), die bij consensus door de VN-Mensenrechtenraad zijn goedgekeurd, het gezaghebbende kader blijven voor het voorkomen en bestrijden van het risico van nadelige effecten op de mensenrechten in verband met bedrijfsactiviteiten, en overwegende dat het onderzoek van 2017 naar de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten dat is uitgevoerd in opdracht van de Subcommissie mensenrechten, duidelijk aantoont dat de EU-lidstaten in de mondiale context het meest geavanceerd zijn wat de tenuitvoerlegging van de UNGP's betreft, met het hoogste aantal goedgekeurde of in de ontwerpfase verkerende nationale actieplannen;

H.  overwegende dat de UNGP's van toepassing zijn op alle staten en op alle ondernemingen, zowel transnationale als andere, ongeacht hun omvang, sector, locatie, eigendom en structuur, en gebaseerd zijn op de drie pijlers van het VN-kader "beschermen, naleven, aanpakken", te weten: 1) de verplichting van de staat om bescherming te bieden tegen mensenrechtenschendingen door derden, met inbegrip van ondernemingen, 2) de maatschappelijke verantwoordelijkheid om de mensenrechten te eerbiedigen, en 3) een betere toegang voor slachtoffers tot doeltreffende rechtsmiddelen, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk; benadrukt het feit dat de UNGP's weliswaar niet wettelijk bindend zijn, maar brede erkenning en ondersteuning genieten en internationaal als model dienen voor beleidsmaatregelen ten aanzien van bedrijfsleven en mensenrechten en als erkenning van de verplichtingen die voor staten gelden om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, te beschermen en na te leven, van de rol van ondernemingen als gespecialiseerde maatschappelijke organen die gespecialiseerde functies vervullen waarbij alle toepasselijke wetten moeten worden nageleefd en de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd en van het feit dat de rechten en plichten gekoppeld moeten zijn aan passende en doeltreffende rechtsmiddelen, wanneer er sprake is van schending; overwegende dat er bewijs is dat wanneer de UNGP's worden toegepast, er minder mensenrechtenschendingen in verband met zakelijke activiteiten voorkomen;

I.  overwegende dat bedrijven in het Global Compact van de VN wordt gevraagd om binnen hun invloedssfeer een reeks kernwaarden op het gebied van mensenrechten, arbeidsnormen, milieu en corruptiebestrijding te integreren, te ondersteunen en na te leven, en zich er zo toe te verplichten deze waarden na te leven en vrijwillig in hun bedrijfsvoering op te nemen;

J.  overwegende dat bedrijven tot de belangrijkste spelers in de economische globalisering, financiële diensten en de internationale handel behoren en verplicht zijn alle toepasselijke wetten en geldende internationale verdragen na te leven en de mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat deze bedrijven en ook nationale ondernemingen soms schendingen van de mensenrechten kunnen veroorzaken of ertoe kunnen bijdragen, en de rechten van kwetsbare groepen, zoals minderheden, inheemse bevolkingsgroepen, vrouwen en kinderen, kunnen aantasten of milieuproblemen kunnen verergeren; overwegende dat zij ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het bieden van positieve stimulansen wat de bevordering betreft van mensenrechten, democratie, milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen;

K.  overwegende dat er asymmetrie is tussen de rechten en plichten van transnationale ondernemingen, met name in verdragen inzake investeringsbescherming, waarin aan investeerders uitgebreide rechten worden toegekend, zoals "eerlijke en billijke behandeling", waar niet altijd bindende en afdwingbare verplichtingen inzake naleving van het mensenrechten-, arbeids- en milieurecht in de hele toeleveringsketen tegenover staan;

L.  overwegende dat het een erkend feit is dat Europese ondernemingen die op mondiaal niveau actief zijn en het goede voorbeeld geven met een niet-discriminerende bedrijfscultuur, op lange termijn een positief effect weten uit te oefenen op de mensenrechten;

M.  overwegende dat de EU, wat de coherentie tussen haar intern en haar extern beleid betreft, een leidende rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van een aantal initiatieven voor wereldwijd verantwoord ondernemen die gepaard gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen met betrekking tot het bedrijfsleven en mensenrechten; overwegende dat de EU en haar lidstaten zich ook hebben verplicht tot een aantal instrumenten, met name de UNGP's van 2011 en de aanbeveling van de Raad van Europa van 2016 inzake de mensenrechten en het bedrijfsleven;

N.  overwegende dat de EU en haar lidstaten de laatste jaren begonnen zijn met het vaststellen van wetgeving om ervoor te zorgen dat bedrijven meer verantwoording afleggen en om elementen in verband met zorgvuldigheidsvereisten op het gebied van de mensenrechten op te nemen in de wetgeving; overwegende dat deze maatregelen nu helpen bij de vaststelling van mondiale normen, maar dat zij nog verder kunnen worden ontwikkeld, met als voorbeeld de EU-verordening betreffende conflictmineralen, de EU-richtlijn bekendmaking van niet-financiële informatie en de EU-houtverordening; overwegende dat de Commissie evenwel weinig bereidheid toont om verdere wetgeving voor te stellen voor andere sectoren zoals kleding, ondanks herhaalde verzoeken van het Europees Parlement; overwegende dat de grote hoeveelheid aan nationale wetgevingsinitiatieven tot ondoeltreffende en oneerlijke voorwaarden binnen de EU kan leiden; overwegende dat een bindend VN-verdrag op dit gebied een zinvolle stap vooruit kan zijn;

O.  overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waar ondernemingen uit de EU bij betrokken zijn, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1215/2012 schadevergoeding kunnen eisen bij binnenlandse rechtbanken in de EU; overwegende dat de in deze verordening vastgestelde bepalingen een sterker internationaal kader vereisen om ze doeltreffender te maken ten aanzien van de betrokken partijen, waarbij gelijke voorwaarden moeten worden gecreëerd voor bedrijven die gevestigd zijn in de EU en buiten de EU;

P.  overwegende dat een mondiale holistische aanpak van de aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten nog steeds ontbreekt; overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waarbij transnationale ondernemingen betrokken zijn, te maken hebben met tal van belemmeringen voor de toegang tot rechtsmiddelen, met inbegrip van gerechtelijke middelen en garanties van niet-herhaling; overwegende dat deze belemmeringen voor de toegang tot rechtsmiddelen een bijkomende ernstige schending van de mensenrechten vormen; overwegende dat een holistische aanpak zowel bedrijven als personen rechtszekerheid zou bieden, in het kader van de verbreiding van nationale initiatieven op het gebied van zorgvuldigheidsvereisten;

Q.  overwegende dat vrouwen als gevolg van genderongelijkheid vaak bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenrechtenschendingen en met bijzondere hindernissen worden geconfronteerd wanneer zij proberen zich toegang tot rechtsmiddelen te verschaffen;

R.  overwegende dat volgens het advies van het Bureau voor de grondrechten (FRA) van 2017 meer kan worden gedaan om te zorgen voor effectieve toegang tot gerechtelijke en buitengerechtelijke rechtsmiddelen voor bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen binnen of buiten de EU, onder meer door slachtoffers meer bijstand te verlenen bij de toegang tot de rechter, door de mogelijkheid te bieden om collectieve rechtszaken aan te spannen en zodoende de bewijslast eenvoudiger te maken en door zorgvuldigheidsverplichtingen voor bedrijven te bevorderen, inclusief voor moederbedrijven ten aanzien van prestaties op het gebied van mensenrechten in dochterbedrijven of toeleveringsketens;

S.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de EU staten zowel binnenlandse als extraterritoriale verplichtingen oplegt betreffende hun plicht om slachtoffers van mensenrechtenschendingen toegang tot rechtsmiddelen te verschaffen;

T.  overwegende dat momenteel in de VN wordt onderhandeld over een systeem van bedrijfsaansprakelijkheid voor schendingen van de mensenrechten, binnen het kader van de in 2014 door de Algemene Vergadering opgerichte open intergouvernementele werkgroep inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens (OEIGWG) van de VN-Mensenrechtenraad; overwegende dat zowel de EU als haar lidstaten een rol in de OEIGWG spelen, maar dat de Commissie geen mandaat van de Raad heeft om namens de EU onderhandelingen over haar deelname aan de OEIGWG te voeren;

1.  merkt op dat de mondialisering en de toenemende internationalisering van bedrijfsactiviteiten en toeleveringsketens de rol van ondernemingen bij het waarborgen van de mensenrechten belangrijker maken en reeds een situatie hebben gecreëerd waarbij internationale normen, regels en samenwerking van cruciaal belang zijn om schendingen van de mensenrechten in derde landen te voorkomen;

2.  is van mening dat transnationale bedrijven geen activiteiten, al dan niet van commerciële aard, mogen financieren of verrichten die radicalisme of extremisme kunnen aanwakkeren, met name wanneer deze gepaard gaan met manipulatie van een godsdienst, en geen directe of indirecte steun mogen verlenen aan groepen die geweld bevorderen, voorstaan of rechtvaardigen;

3.  is er vast van overtuigd dat de particuliere sector een belangrijke partner is bij de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) en bij het mobiliseren van extra middelen voor ontwikkeling; onderstreept dat, gezien de toenemende rol van de particuliere sector in ontwikkelingssamenwerking, particuliere actoren zich moeten houden aan de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp en gedurende de hele levenscyclus van projecten de beginselen van maatschappelijke verantwoord ondernemen in acht moeten nemen;

4.  herinnert eraan dat zorgvuldigheid (due diligence) een kernonderdeel vormt van de tweede pijler van de UNGP's betreffende verantwoord ondernemen en eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat doeltreffende zorgvuldigheidspraktijken ook kunnen bijdragen aan betere toegang tot rechtsmiddelen; moedigt de EU en haar lidstaten ertoe aan de goedkeuring na te streven van een samenhangend kader voor de vaststelling van verplichte zorgvuldigheidsvereisten inzake de mensenrechten voor bedrijven;

5.  herinnert eraan dat het proces voor de ontwikkeling van nationale actieplannen, mits het goed is ontworpen en op de plaatselijke omstandigheden is afgestemd, kan bijdragen aan een doeltreffende tenuitvoerlegging van de UNGP's, maar ook aan de versterking van nationale mechanismen voor de bescherming van de mensenrechten;

6.  pleit er eens te meer voor dat de UNGP's en andere internationale normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen consequent door EU‑vertegenwoordigers worden aangekaart in mensenrechtendialogen met derde landen;

7.  steunt krachtig de volledige tenuitvoerlegging binnen en buiten de EU van de UNGP's, die in juni 2011 unaniem door de Raad zijn bekrachtigd, en roept de EU en de lidstaten ertoe op om zowel op EU- als op nationaal niveau ambitieuze en concrete actieplannen op te stellen en goed te keuren waarin duidelijke verwachtingen voor overheden en alle soorten ondernemingen worden vastgelegd voor de snelle, effectieve en alomvattende tenuitvoerlegging van genoemde beginselen; is van mening dat de nationale actieplannen indicatoren moeten bevatten om de voortgang te meten; benadrukt bovendien dat de EU moet zorgen voor onafhankelijke en regelmatige wederzijdse beoordeling van de nationale actieplannen van de lidstaten en van de geboekte vooruitgang, met name wat bevordering van de toegang tot rechtsmiddelen betreft; herinnert eraan dat de UNGP's kunnen worden aangevuld met parallelle bindende initiatieven om de gebreken ervan te compenseren;

8.  betreurt het feit dat er nog steeds geen mondiale aanpak is voor de manier waarop transnationale ondernemingen zich aan de mensenrechtenwetgeving moeten houden en andere oplossingsmechanismen moeten garanderen, hetgeen ertoe kan bijdragen dat transnationale ondernemingen niet worden gestraft voor mensenrechtenschendingen en dus funest kan zijn voor de rechten en de waardigheid van mensen; betreurt het feit dat de UNGP's niet tot uitdrukking komen in afdwingbare instrumenten; herinnert eraan dat de gebrekkige tenuitvoerlegging van de UNGP's, zoals in het geval van andere internationaal erkende normen, grotendeels wordt toegeschreven aan het feit dat zij niet bindend zijn;

9.  merkt met bezorgdheid op dat nog steeds vele belemmeringen bestaan wat de toegang tot de rechter betreft, met name in het geval van transnationale ondernemingen, bijvoorbeeld als gevolg van de moeilijkheden die slachtoffers ondervinden om de bevoegde rechter te vinden, het ontbreken van codificatie in strafwetboeken van bepaalde mensenrechtenschendingen, of corruptie, waardoor juridische procedures in ontwikkelingslanden kunnen worden ondermijnd; herinnert eraan dat passende buitengerechtelijke oplossingen ook van zeer groot belang zijn, maar vaak ontbreken; verzoekt nationale regeringen hun inspanningen op te voeren om via gerechtelijke, bestuurlijke, wetgevende of andere geschikte middelen ervoor te zorgen dat wanneer op hun grondgebied en/of binnen hun jurisdictie mensenrechtenschendingen plaatsvinden, de slachtoffers toegang hebben tot doeltreffende rechtsmiddelen;

10.  wijst nogmaals op de dringende noodzaak op alle niveaus op een effectieve en coherente wijze op te treden, waaronder nationaal, Europees en internationaal, teneinde mensenrechtenschendingen door transnationale ondernemingen doeltreffend aan te pakken, in de toegang tot de rechter te voorzien, en juridische problemen als gevolg van het transnationale karakter van de activiteiten van bedrijven en transnationale ondernemingen, de groeiende complexiteit van mondiale waardeketens, de extraterritoriale dimensie van transnationale ondernemingen, alsook de daarmee verband houdende onzekerheid over wie aansprakelijk is voor mensenrechtenschendingen, aan te pakken; wijst eens te meer op de noodzaak om de extraterritoriale verplichtingen van staten zoals vastgesteld in de beginselen van Maastricht volledig na te komen en om voort te bouwen op de verschillende instrumenten van de Raad van Europa, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM); roept meer in het algemeen de EU op initiatieven te nemen om de toegang tot de rechter in extraterritoriale zaken te verbeteren in overeenstemming met de aanbevelingen in het advies van het FRA van 2017;

11.  bevestigt nogmaals het primaat van mensenrechten in het internationale recht, overeenkomstig artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties, en de noodzaak om die te consolideren in een helder systeem waarin verplichtingen inzake mensenrechten daadwerkelijk voorrang hebben op andere soorten tegenstrijdige verplichtingen en geschikte mechanismen in het leven worden geroepen voor de handhaving van het recht inzake de mensenrechten, voor het toezicht en de rechtsmiddelen, in combinatie met passende straffen en compensatie in het geval van schending; benadrukt dat dit van essentieel belang is om onevenwichtigheden in de globalisering weg te nemen en de rechten van mensen en de planeet boven alles te stellen; benadrukt dat coördinatie en uitwisseling van informatie en goede praktijken op positieve wijze bijdragen aan initiatieven van bedrijven die hebben besloten de mensenrechten en sociale en milieunormen te eerbiedigen;

12.  benadrukt dat zolang maatschappelijk verantwoord ondernemen een vrijwillige keuze is, het risico bestaat dat omstandigheden van oneerlijke concurrentie ontstaan ten opzichte van bedrijven die ervoor kiezen de internationale normen na te leven; benadrukt dat dit vrijwillige karakter ontoereikend is om in het kader van de zorgvuldigheidsplicht volledige naleving van de internationale normen en verplichtingen te waarborgen;

13.  is in dit verband zeer ingenomen met de in de Verenigde Naties door middel van de OEIGWG geïnitieerde werkzaamheden om een bindend VN‑instrument te creëren voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, en beschouwt dit als een noodzakelijke stap voorwaarts in de bevordering en bescherming van de mensenrechten;

14.  benadrukt het feit dat met het bindende verdrag moet worden voortgebouwd op het kader van de UNGP's en dat dit verdrag het volgende moet omvatten: de definitie van verplichte zorgvuldigheidsverplichtingen voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen, met inbegrip van hun dochterondernemingen, de erkenning van extraterritoriale verplichtingen op het gebied van mensenrechten voor staten, de erkenning van strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingen, mechanismen voor coördinatie en samenwerking tussen staten wat onderzoek, vervolging en handhaving betreft van grensoverschrijdende zaken, en de instelling van internationale justitiële en niet-justitiële mechanismen voor toezicht en handhaving; is van mening dat het nieuwe instrument staten moet verplichten regelgevende maatregelen vast te stellen die ondernemingen verplichten een beleid en procedures voor zorgvuldigheid op mensenrechtengebied toe te passen, en stelt voor deze verplichting af te dwingen door bedrijven verantwoordelijk te stellen in het rechtsgebied waar de schade werd veroorzaakt of in het rechtsgebied waar het moederbedrijf is gevestigd dan wel waar het een aanzienlijke aanwezigheid heeft;

15.  verzoekt de VN-lidstaten de onderhandelingen te beschermen tegen zakelijke en andere gevestigde belangen naar het voorbeeld van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en artikel 5, lid 3, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, onder meer met strikte ethische regels om belangenverstrengeling en onethisch lobbywerk te voorkomen en door volledige transparantie te eisen ten aanzien van contacten tussen het bedrijfsleven en partijen bij de onderhandelingen;

16.  herinnert eraan dat in het hele proces een genderbewuste aanpak moet worden gehanteerd en bijzondere aandacht aan kwetsbare groepen zoals inheemse mensen en kinderen moet worden besteed;

17.  herinnert eraan dat het Parlement in acht verschillende resoluties zijn ondubbelzinnige steun heeft uitgesproken voor dit multilaterale OEIGWG-proces;

18.  benadrukt het belang dat de EU en haar lidstaten actief betrokken zijn in dit intergouvernementele proces door de oprichting van een werkgroep met alle relevante diensten van de Commissie, de EDEO, de werkgroep mensenrechten van de Raad (COHOM), en de relevante commissies van het Parlement, op basis van het beginsel van beleidscoherentie;

19.  verzoekt nogmaals de EU en de lidstaten om oprecht en constructief aan deze onderhandelingen deel te nemen en het intergouvernementele proces dat gericht is op de voltooiing van het mandaat van de OEIGWG; beklemtoont dat het van levensbelang is dat de EU constructief bijdraagt aan de totstandkoming van een bindend verdrag dat feitelijk werk zal maken van aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten en daarmee verband houdende uitdagingen;

20.  roept de VN-lidstaten op ervoor te zorgen dat de onderhandelingen die tot het verdrag leiden, worden gevoerd op transparante wijze, met raadpleging van een breed scala van rechthebbenden die mogelijk gevolgen van het verdrag zullen ondervinden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en platformen voor slachtoffers; verzoekt de EU en de lidstaten in hun onderhandelingsstandpunt een zinvolle genderbewuste benadering te integreren;

21.  dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat herziening van of een toekomstig strategiedocument in verband met het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, duidelijke doelstellingen en meetbare criteria omvat voor de deelname van de EU aan de onderhandelingen over een VN-verdrag;

22.  besluit het OEIGWG-onderhandelingsproces op de voet te blijven volgen;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 19.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0230.
(3) https://ec.europa.eu/anti-trafficking/publications/european-commission-sector-guides-implementing-un-guiding-principles-business-and-hum-0_en
(4) http://fra.europa.eu/sites/default/files/fra_uploads/fra-2017-opinion-01-2017-business-human-rights_en.pdf
(5) http://www.etoconsortium.org/nc/en/main-navigation/library/maastricht-principles/?tx_drblob_pi1%5BdownloadUid%5D=23
(6) https://www.unglobalcompact.org/
(7) PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.
(8) PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1.
(9) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0066.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0494.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0448.
(13) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 100.
(14) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 62.
(15) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 33.
(16) PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23.
(17) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(18) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 57.
(19) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 36.
(20) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 125.
(21) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 47.
(22) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 209.
(23) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 151.
(24) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/578031/EXPO_STU(2017)578031_EN.pdf
(25) http://www.oecd.org/corporate/mne/48004323.pdf


De situatie in Jemen
PDF 133kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over de situatie in Jemen (2018/2853(RSP))
P8_TA(2018)0383RC-B8-0444/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Jemen, in het bijzonder die van 25 februari 2016(1) en 15 juni 2017(2) over de humanitaire situatie in Jemen, en van 9 juli 2015(3) en 30 november 2017(4) over de situatie in Jemen,

–  gezien het op 28 augustus 2018 gepubliceerde verslag van de Groep van vooraanstaande internationale en regionale deskundigen inzake Jemen van de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in Jemen, met inbegrip van schendingen en inbreuken sinds september 2014,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en commissaris Christos Stylianides van 13 juni 2018 over de jongste ontwikkelingen in Hodeida, Jemen, en van 4 augustus 2018 over de luchtaanvallen in Hodeida,

–  gezien het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 24 september 2018 over de situatie in Jemen,

–  gezien de conclusies van de Raad over Jemen van 25 juni 2018,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN‑Veiligheidsraad van 15 maart 2018,

–  gezien de verklaring van de speciaal gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Jemen van 6 september 2018,

–  gezien de verklaring van de uitvoerend directeur van het Wereldvoedselprogramma van 19 september 2018,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Jemen, meer bepaald resoluties 2216 (2015), 2201 (2015) en 2140 (2014),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het aanhoudende conflict in Jemen al meer dan vier jaar aansleept en dat meer dan 22 miljoen mensen humanitaire bijstand nodig hebben; overwegende dat meer dan 17 miljoen mensen kampen met voedselonzekerheid, waarvan er meer dan 8 miljoen in extreme voedselonzekerheid leven en dreigen te verhongeren; overwegende dat de huidige versplintering van het conflict een duidelijk bewijs van de verzwakte eenheid van het land is; overwegende dat de situatie in Jemen ook een groot gevaar voor de stabiliteit van de regio met zich meebrengt;

B.  overwegende dat het conflict is begonnen in 2015, toen door Iran gesteunde Houthi-rebellen de internationaal erkende president van het land verdreven, die vervolgens een door Saudi-Arabië geleide multinationale coalitie vormde om de rebellen en de aan hen gelieerde troepen te bestrijden;

C.  overwegende dat sinds november 2017 de door Saudi-Arabië geleide coalitie alle invoer naar het door de Houthi's gecontroleerde deel blokkeert, met uitzondering van urgente humanitaire en hulpgoederen; overwegende dat Jemen volgens het OCHA sinds het begin van de blokkade aan slechts 21 % van zijn brandstofbehoeften en aan 68 % van zijn behoefte aan ingevoerd voedsel heeft kunnen voldoen; overwegende dat in bepaalde gevallen Houthi-strijders de aankomst van essentiële medische goederen, voedsel en humanitaire hulp in door de regering gecontroleerde steden hebben geblokkeerd;

D.  overwegende dat de door Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) geleide coalitie in juni 2018 een offensief is begonnen om de stad Hodeida in te nemen; overwegende dat deze operatie volgens berichten van Save the Children honderden burgers het leven heeft gekost; overwegende dat Hodeida de belangrijkste haven van Jemen is, en het doorvoerpunt voor maar liefst 70 % van de kritieke voedsel- en humanitaire hulp van het land; overwegende dat volgens de VN bijna 470 000 mensen de provincie Hodeida zijn ontvlucht sinds begin juni 2018; overwegende dat een nieuwe aanval op Hodeida verwoestende gevolgen zou hebben voor de burgers; overwegende dat de partijen bij het conflict verplicht zijn de snelle en ongehinderde doorgang van humanitaire hulp, waaronder medicijnen, voedsel en andere levensnoodzakelijke goederen, toe te staan en te faciliteren;

E.  overwegende dat de onderhandelingen over een staakt-het-vuren onder leiding van de speciale gezant van de VN voor Jemen, Martin Griffiths, hebben geleid tot een tijdelijke stopzetting van het offensief; overwegende dat de mislukking van de recentste poging tot vredesoverleg in Genève heeft geleid tot een hervatting van de vijandelijkheden op 7 september 2018; overwegende dat het aantal burgerdoden sinds het begin van het offensief met 164 % is toegenomen; overwegende dat de partijen in het conflict en hun regionale en internationale bondgenoten, waaronder Saudi-Arabië en Iran, er ondanks de internationale druk om een stabiele en inclusieve politieke oplossing voor de crisis te vinden niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over een staakt-het-vuren of een andere regeling, en dat het geweld en de willekeurige bombardementen onverminderd doorgaan;

F.  overwegende dat de door Saudi-Arabië geleide coalitie bij een luchtaanval op 9 augustus 2018 een schoolbus heeft getroffen op een markt in de noordelijke provincie Saada en dat tientallen mensen daarbij om het leven zijn gekomen, onder wie minstens 40 kinderen, van wie de meesten nog geen tien jaar waren; overwegende dat de door Saudi-Arabië geleide coalitie twee weken later, op 24 augustus, een nieuwe aanval heeft uitgevoerd en dat daarbij 27 burgers, voornamelijk kinderen, zijn omgekomen, die op de vlucht waren voor het geweld in de belegerde zuidelijke stad Hodeida;

G.  overwegende dat de campagne onder leiding van Saudi-Arabië en de intense luchtbombardementen, waaronder willekeurige aanvallen in dichtbevolkte gebieden, de humanitaire gevolgen van de ramp verergeren; overwegende dat de oorlogswetten opzettelijke en willekeurige aanvallen op burgers en burgerdoelwitten, zoals scholen en ziekenhuizen, verbieden; overwegende dat dergelijke aanvallen, volgens de bevindingen van de VN-groep van onafhankelijke vooraanstaande internationale en regionale deskundigen (GEE), als oorlogsmisdaden beschouwd kunnen worden, en de daders ervan vervolgd kunnen worden; overwegende dat het onderzoek van de door Saudi-Arabië geleide coalitie naar vermeende oorlogsmisdaden in Jemen niet geloofwaardig is, noch verhaalmogelijkheden aan burgerslachtoffers biedt;

H.  overwegende dat sinds maart 2015 meer dan 2 500 kinderen zijn gedood, meer dan 3 500 kinderen zijn verminkt of gewond zijn geraakt en een toenemend aantal kinderen ter plaatse door gewapende troepen is ingelijfd; overwegende dat vrouwen en kinderen in het bijzonder getroffen worden door de aanhoudende vijandelijkheden; overwegende dat volgens UNICEF bijna 2 miljoen kinderen niet naar school gaan, wat de toekomst van een volledige generatie kinderen in Jemen in het gedrang brengt, doordat er slechts beperkt of geen toegang tot onderwijs is, waardoor deze kinderen kwetsbaar zijn voor militaire rekrutering en seksueel en gendergebaseerd geweld;

I.  overwegende dat in augustus 2018 in een verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten werd geconcludeerd dat er "redelijke gronden" zijn om aan te nemen dat alle bij het conflict in Jemen betrokken partijen zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden; overwegende dat beide partijen bij het conflict ervan zijn beschuldigd met zwaar geschut beschietingen uit te voeren op bebouwde en dichtbevolkte gebieden, waaronder ziekenhuizen en andere niet-militaire voorzieningen;

J.  overwegende dat de oorlog ertoe heeft geleid dat de infrastructuur is verwoest en de Jemenitische economie is ingestort, en de levering van basisvoorzieningen, met inbegrip van gas, water en stroom, riolering en schoon drinkwater, is ontwricht; overwegende dat de lonen van 1,4 miljoen niet-militaire Jemenitische ambtenaren sinds eind 2016 niet meer regelmatig worden uitbetaald;

K.  overwegende dat het verbieden dat VN-vluchten worden gebruikt door internationale media- en mensenrechtenorganisaties ertoe leidt dat er geen onafhankelijke berichtgeving over de situatie in Jemen is en dat het conflict wereldwijd onvoldoende aandacht krijgt;

L.  overwegende dat gendergerelateerd seksueel geweld sinds het begin van het conflict exponentieel is toegenomen; overwegende dat het strafrechtsysteem de capaciteit om seksueel en gendergerelateerd geweld aan te pakken, die al beperkt was, nu volledig kwijt is, en dat er geen onderzoeken zijn verricht naar praktijken zoals de ontvoering en verkrachting van vrouwen, of dreigementen in die zin, om geld af te persen van hun familie en gemeenschap;

M.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers te maken hebben gehad met niet aflatende intimidatie, bedreigingen en lastercampagnes vanwege alle partijen bij het conflict; overwegende dat vrouwelijke mensenrechtenverdedigers, journalisten en activisten te maken hebben gehad met specifieke repressie op grond van hun geslacht;

N.  overwegende dat de de facto Houthi-autoriteiten een systematische intimidatiecampagne met willekeurige opsluitingen, mishandeling, gedwongen verdwijningen en foltering hebben gevoerd tegen mensenrechtenactivisten, journalisten en religieuze minderheden; overwegende dat tegen 24 Jemenieten van de bahai-minderheid, waaronder een kind, aanklachten zijn ingediend die tot de doodstraf zouden kunnen leiden, enkel vanwege hun geloof en vreedzame acties;

O.  overwegende dat Houthi-rebellen zijn beschuldigd van het maken van een groot aantal burgerslachtoffers tijdens hun bezetting van Taiz, de op twee na grootste stad van Jemen; overwegende dat zij een uitputtingsoorlog tegen de burgerbevolking voeren in door de regering gecontroleerde gebieden; overwegende dat zij ook verboden antipersoonsmijnen hebben gebruikt en kinderen hebben ingelijfd;

P.  overwegende dat Kamel Jendoubi, voorzitter van de GEE, die op 28 augustus 2018 een verslag publiceerde voor de Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in Jemen, het slachtoffers is van een lastercampagne gericht op het intimideren van deze groep en het in twijfel trekken van hun bevindingen;

Q.  overwegende dat Jemen het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof heeft ondertekend, maar nog niet geratificeerd; overwegende dat verscheidene bepalingen van het Statuut van Rome, waaronder die betreffende oorlogsmisdaden, overeenkomen met het internationaal gewoonterecht;

R.  overwegende dat Rusland in februari 2018 zijn veto heeft uitgesproken tegen een resolutie van de VN-veiligheidsraad waarin de aandacht wordt gevestigd op de betrokkenheid van Iran bij het conflict;

S.  overwegende dat er een internationaal wapenembargo ingevoerd is tegen de door Iran gesteunde Houthi-strijders en dat er in het 18e EU-jaarverslag over wapenuitvoer te lezen staat dat lidstaten sinds de escalatie van het conflict vergunningen zijn blijven afgeven voor de levering van wapens aan Saudi-Arabië, hetgeen strijdig is met het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 over controle op de uitvoer van goederen en militaire technologie(5); overwegende dat sommige EU-lidstaten de levering van wapens aan Saudi-Arabië en de VAE gedeeltelijk of volledig hebben stopgezet; overwegende dat het Parlement de VV/HV herhaaldelijk heeft verzocht het initiatief te nemen om een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië in te stellen, overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB;

T.  overwegende dat de meeste aanvallen van de Amerikaanse troepen in Jemen dodelijke aanvallen met drones zijn; overwegende dat de beslissing om bepaalde personen op de lijst van doelwitten van drone-aanvallen te plaatsen vaak genomen wordt zonder rechterlijk bevel of rechterlijke beschikking; overwegende dat het tot doelwit maken en vervolgens doden van bepaalde personen in bepaalde omstandigheden beschouwd kan worden als een buitengerechtelijke executie;

U.  overwegende dat de oorlog in Jemen ruimte heeft gecreëerd voor extremistische groeperingen, waaronder Al Qaida op het Arabisch schiereiland (AQAP), om hun invloed uit te breiden en zo een bedreiging te worden voor de hele regio; overwegende dat een stabiel en veilig Jemen met een goed functionerende regering van cruciaal belang is voor de internationale inspanningen ter bestrijding van extremisme en geweld in de wijdere regio en daarbuiten, alsook voor vrede en stabiliteit binnen Jemen zelf;

V.  overwegende dat stabiliteit in de wijdere regio van cruciaal belang is voor de EU; overwegende dat de EU zich inzet voor een alomvattende en strategische aanpak die alle relevante regionale actoren omvat; overwegende dat het vinden van een politieke oplossing voor het conflict onder auspiciën van het vredesinitiatief van de VN voor Jemen zowel voor de EU als voor de volledige internationale gemeenschap de eerste prioriteit moet zijn;

W.  overwegende dat de EU aan alle mensen in Jemen die in nood verkeren, levensreddende hulp zal blijven verlenen; overwegende dat de EU tegelijkertijd de bezorgdheid van de VN en andere donoren over het steeds verdere inkrimpen van de humanitaire ruimte deelt; overwegende dat de EU sinds 2015 meer dan 233 miljoen EUR aan humanitaire hulp voor Jemen heeft bijgedragen;

1.  veroordeelt in de scherpste bewoordingen het aanhoudende geweld in Jemen, alsook alle aanvallen op burgers en civiele infrastructuur; beklemtoont dat het zich zorgen maakt over het conflict, dat zich onverminderd ontwikkelt tot een van de ernstigste humanitaire, politieke en economische crises van dit moment; herinnert alle betrokken partijen en hun regionale en internationale medestanders eraan dat het opzettelijk aanvallen van burgers en civiele infrastructuur, met inbegrip van ziekenhuizen en medisch personeel, watersystemen, havens, luchthavens en markten, beschouwd kan worden als een ernstige schending van het internationaal recht;

2.  betreurt ten zeerste dat het conflict levens heeft geëist en leed berokkent aan al wie bij de gevechten betrokken is geraakt, en betuigt zijn medeleven aan de families van de slachtoffers; bevestigt opnieuw dat het Jemen en de Jemenitische bevolking zal blijven steunen;

3.  verzoekt de partijen bij het conflict onmiddellijk de vijandelijkheden te staken; dringt er bij Saudi-Arabië en andere betrokken actoren op aan de huidige blokkade tegen Jemen verder op te heffen; roept alle direct of indirect betrokken staten en relevante betrokken partijen, met inbegrip van Iran, op om maximaal druk uit te oefenen op alle partijen om tot een de-escalatie te komen, en om onmiddellijk te stoppen met het verstrekken van politieke, militaire en financiële steun aan de militaire actoren ter plaatse, zowel rechtstreeks als via tussenpersonen;

4.  benadrukt dat enkel een politieke, ruime en via onderhandelingen bereikte oplossing voor het conflict de vrede kan herstellen en de eenheid, de soevereiniteit, de onafhankelijkheid en de territoriale integriteit van Jemen kan handhaven; verzoekt alle internationale en regionale actoren zich constructief op te stellen ten aanzien van de partijen in Jemen om een de-escalatie van het conflict en een via onderhandelingen bereikte oplossing mogelijk te maken;

5.  steunt de inspanningen van de speciaal gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Jemen, Martin Griffiths, om het politieke proces weer op gang te brengen; neemt kennis van zijn verklaring in de VN-Veiligheidsraad van 11 september 2018 dat ondanks de afwezigheid van een van de partijen bij het overleg in Genève de voorbije week en ondanks het feit dat de gesprekken zeker niet volgens plan verliepen, het politieke proces toch weer op gang kon worden gebracht, met de uitgesproken steun van de Jemenitische bevolking en de internationale gemeenschap; is ingenomen met het bezoek van de heer Griffiths aan Sanaa op 16 september 2018; dringt erop aan dat de speciaal gezant volledige en ongehinderde toegang krijgt tot alle delen van het grondgebied van Jemen; verzoekt de VV/HV en alle EU-lidstaten de heer Griffiths politiek te ondersteunen om tot een inclusief en via onderhandelingen tot stand gekomen akkoord te komen;

6.  veroordeelt alle terroristische aanslagen in de krachtigste bewoordingen; is ernstig bezorgd over de toenemende aanwezigheid in Jemen van criminele en terroristische groepen, waaronder AQAP en ISIS/Da'esh; roept alle partijen bij het conflict op om resoluut op te treden tegen dergelijke groepen; veroordeelt de aanwezigheid van buitenlandse strijders en roept op tot de verwijdering van deze strijders uit Jemen;

7.  verzoekt alle partijen bij het conflict onmiddellijke en volledige humanitaire toegang tot de conflictgebieden te verlenen om de bevolking in nood te kunnen bereiken; verzoekt de Raad en de VN‑Veiligheidsraad om, in uitvoering van resolutie 2216 van de VN‑veiligheidsraad, de personen te identificeren die de verstrekking van humanitaire hulp in Jemen tegenhouden en tegen die personen gerichte sancties te treffen;

8.  benadrukt dat de VN-Veiligheidsraad zijn steun heeft uitgesproken voor het verificatie- en inspectiemechanisme van de VN (UNVIM) en dat de EU volledig achter de voortzetting van UNVIM en de volledige en onbelemmerde uitvoering van het mandaat ervan staat;

9.  roept alle partijen op om onmiddellijk te stoppen met alle aanvallen op de vrijheid van meningsuiting, en alle journalisten en mensenrechtenactivisten die worden vastgehouden louter omdat zij hun mensenrechten hebben uitgeoefend, vrij te laten; verzoekt alle partijen het werk van de internationale media en humanitaire hulpverleners in verband met het conflict niet langer te belemmeren;

10.  roept alle partijen bij het conflict op om de nodige maatregelen te nemen teneinde doeltreffend, onpartijdig en onafhankelijk onderzoek te voeren naar alle mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht die zouden hebben plaatsgevonden, overeenkomstig internationale normen; is uiterst bezorgd over de meldingen van het niet respecteren van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, inclusief discriminatie, wederrechtelijke vrijheidsberoving, het gebruik van geweld, en schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van seksueel en ander geweld tegen vrouwen, mannen, meisjes en jongens, in strijd met internationale normen;

11.  roept alle partijen bij het conflict op om te stoppen met het rekruteren of gebruiken van kinderen als soldaten en een einde te maken aan andere grove schendingen ten aanzien van kinderen die in strijd zijn met de toepasselijke internationale wetgeving en normen; roept alle partijen op om reeds gerekruteerde kinderen vrij te laten en met de VN samen te werken met het oog op hun rehabilitatie en re‑integratie in hun gemeenschappen; steunt het cruciale werk van Unicef in Jemen;

12.  roept het gespecialiseerde strafhof in Sanaa, op het door de Houthi's gecontroleerde grondgebied, op om Asmaa al-Omeissy, Saeed al-Ruwaished en Ahmed Bawazeer, die gedwongen zijn verdwenen, gefolterd en ter dood zijn veroordeeld na een bijzonder oneerlijk proces wegens vermeende steun aan een vijandelijk land, vrij te spreken en in vrijheid te stellen;

13.  roept het gespecialiseerde strafhof in Sanaa op om de 25 aanhangers van het bahaïsme die momenteel worden vastgehouden omdat zij op vreedzame wijze hun godsdienst belijden en die de doodstraf riskeren, onmiddellijk vrij te laten;

14.  herinnert alle partijen bij het conflict eraan dat zij uit hoofde van het internationaal recht aansprakelijk zijn voor begane misdaden; vraagt de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om vermeende daders ter verantwoording te roepen, met name door nationale of internationale vervolging van personen, groepen en organisaties die van dergelijke inbreuken verdacht worden, door het beginsel van universele jurisdictie toe te passen en door onderzoeken en vervolging in te stellen tegen de vermeende daders van wreedheden in Jemen;

15.  looft het werk dat de GEE van de VN inzake Jemen heeft verricht en betuigt zijn volledige solidariteit met haar voorzitter, Kamel Jendoubi; is verheugd over het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 24 september 2018 over de situatie in Jemen, waarin het besluit van de VN‑Mensenrechtenraad is opgenomen om het mandaat van de GEE met een periode van een jaar te verlengen en om een vernieuwing van deze periode toe te staan als de Mensenrechtenraad daar toestemming voor geeft, teneinde het verzamelen van bewijzen van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die in Jemen begaan werden te omvatten, zodat de personen die schuldig zijn aan deze schendingen vervolgd en bestraft kunnen worden; vraagt dat de situatie in Jemen wordt doorverwezen naar het Internationaal Strafhof (ICC); dringt er bij Jemen op aan tot het ICC toe te treden, waardoor de verantwoordelijken voor de tijdens het conflict begane misdaden vervolgd kunnen worden, bij afwezigheid van een verwijzing naar de VN‑Veiligheidsraad;

16.  verzoekt de Europese Unie en alle lidstaten de GEE coherent, snel en doeltreffend te ondersteunen in alle relevante VN-organen, en in het bijzonder in de Mensenrechtenraad;

17.  spoort de Raad, de VV/HV en de lidstaten aan om zich tegen buitengerechtelijke executies, met inbegrip van het gebruik van drones, uit te spreken, het standpunt van de EU uit hoofde van het internationaal recht nogmaals te bevestigen, en te verzekeren dat de lidstaten geen illegale dodelijke operaties uitvoeren, mogelijk maken of er op enigerlei wijze deel van uitmaken; dringt bij de Raad aan op vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake gewapende drones;

18.  vraagt de EU tijdens de volgende vergadering van de Mensenrechtenraad het initiatief te nemen om de kwestie van het lidmaatschap van staten met een zeer twijfelachtige staat van dienst op het gebied van de mensenrechten aan de orde te stellen;

19.  roept de VV/HV, de EDEO en de lidstaten op om een dialoog te blijven voeren met de landen in de regio over mensenrechten en fundamentele vrijheden; geeft uitdrukking aan zijn bereidheid om een constructieve en open dialoog te voeren met de autoriteiten van de landen in de regio over de vervulling van hun internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten; dringt aan op een uitwisseling van expertise over juridische en wettelijke kwesties, gericht op het versterken van de bescherming van de rechten van het individu in de landen van de regio;

20.  verzoekt de Raad op doeltreffende wijze te ijveren voor naleving van het internationaal humanitair recht, zoals bepaald in de desbetreffende EU-richtsnoeren; herhaalt met name dat alle EU-lidstaten de regels die zijn neergelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB strikt moeten toepassen; wijst in dit verband op zijn resoluties van 25 februari 2016 en 30 november 2017 over de situatie in Jemen; vraagt alle EU-lidstaten in dit verband om zich te onthouden van het verkopen van wapens en militaire uitrusting aan Saudi-Arabië, de VAE en andere leden van de internationale coalitie, evenals de Jemenitische regering, en andere partijen bij het conflict;

21.  veroordeelt de vernieling van Jemenitisch cultureel erfgoed, zoals de oude binnenstad van Sanaa en de historische stad Zabid, door de luchtaanvallen van de door Saudi-Arabië geleide coalitie; betreurt deze vernieling, herinnert eraan dat de coalitie daarvoor verantwoordelijk is en benadrukt dat zij ook voor dergelijke daden ter verantwoording zal worden geroepen; vraagt de secretaris-generaal van de VN de kwestie van de bescherming van alle culturele sites die worden bedreigd door terroristische groeperingen, waaronder IS/Daesh, aan de Veiligheidsraad voor te leggen met het oog op de aanneming van een resolutie over dit onderwerp;

22.  is ingenomen met het plan 2018 van de VN voor humanitaire hulp aan Jemen en het donorevenement op hoog niveau voor de humanitaire crisis in Jemen 2018, waarbij internationale donoren meer dan twee miljard USD hebben geschonken; betreurt echter dat er nog steeds een financieringskloof bestaat voor Jemen; is tevreden dat de EU inspanningen levert om degenen die getroffen worden door het conflict in Jemen te ondersteunen, en beloofd heeft 107,5 miljoen EUR te doneren; roept alle donoren op om hun beloftes onverwijld na te komen; verneemt met instemming dat de EU ontwikkelingshulp aan Jemen zal blijven bieden, waarbij prioriteit gegeven wordt aan interventies die tot doel hebben het land te stabiliseren, en dat de EU in stabiele regio's zal samenwerken met de lokale overheden om de weerbaarheid te bevorderen, te helpen om de levering van basisdiensten voort te zetten, en duurzame bestaansmiddelen voor gemeenschappen te bevorderen;

23.  behoudt zich het recht voor de kwestie opnieuw in overweging te nemen tot er een via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing is bereikt; beveelt aan dat zijn Subcommissie mensenrechten toezicht houdt op de ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten in Jemen en een verslag opstelt over de schendingen van de mensen- en burgerrechten in het land;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten en de regering van Jemen.

(1) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.
(2) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 146.
(3) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 93.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0473.
(5) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.


Bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de EU
PDF 121kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 over bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de EU (2018/2747(RSP))
P8_TA(2018)0384B8-0400/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het zeventiende verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding over het jaar 2016,

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(1),

–  gezien van Verordening (EU) nr. 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM")(2), Besluit (EU) 2018/1094 van de Commissie van 1 augustus 2018 ter bevestiging van de deelname van Nederland aan de nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie(3) en Besluit (EU) 2018/1103 van 7 augustus 2018 ter bevestiging van de deelname van Malta aan de nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie(5), en de desbetreffende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw (COM(2016)0148),

–  gezien speciaal verslag nr. 24/2015 van de Europese Rekenkamer van 3 maart 2016 getiteld "De aanpak van intracommunautaire btw-fraude: er zijn meer maatregelen nodig",

–  gezien douaneregeling 42, die voorziet in een btw-vrijstelling voor goederen die in een lidstaat worden ingevoerd wanneer deze vervolgens worden doorgevoerd naar een andere lidstaat,

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(6),

–  gezien Speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer van 5 december 2017, getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU",

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de traditionele eigen middelen, voornamelijk douanerechten op invoer van buiten de EU en suikerheffingen, goed zijn voor ongeveer 12,8 % van de eigen middelen van de EU;

B.  overwegende dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) begin 2017 een onderzoek heeft afgesloten naar een zaak van douanefraude in het VK, waarvan de belangrijkste conclusies zijn opgenomen in het activiteitenverslag 2017 van OLAF;

C.  overwegende dat OLAF een verlies voor de eigen middelen van de EU-begroting berekende van 1 987 miljard EUR aan gederfde douanerechten voor textiel en schoenen die in de periode 2013-2016 via het VK waren ingevoerd uit China;

D.  overwegende, ter vergelijking, dat OLAF in 2016 de terugvordering heeft aanbevolen van een totaal bedrag van 631,1 miljoen EUR naar aanleiding van 272 onderzoeken die het had uitgevoerd;

E.  overwegende dat de fraudezaak in kwestie onder meer onderwaarderingsfraude betreft, waarbij importeurs winst genereren door douanerechten en aanverwante belastingen te omzeilen, en bijgevolg veel minder afdragen dan zij wettelijk verschuldigd zijn;

F.  overwegende dat het onderzoek eveneens aanzienlijke btw-ontduiking aan het licht bracht in verband met invoer via het VK waarbij misbruik is gemaakt van de opschortingsregeling voor de betaling van btw, de zogeheten douaneregeling 42; overwegende dat deze verliezen naar schatting in totaal ongeveer 3,2 miljard EUR voor de periode 2013‑2016 bedragen en eveneens een verlies voor de EU-begroting inhouden;

G.  overwegende dat OLAF een financiële aanbeveling aan het directoraat-generaal Begroting van de Commissie en een administratieve aanbeveling aan het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie van de Commissie heeft gericht, evenals een juridische aanbeveling aan het Britse Openbaar Ministerie (Crown Prosecution Service) om een gerechtelijke procedure in te leiden tegen degenen die betrokken zijn geweest bij de frauduleuze ontduiking van douanerechten en degenen die de opbrengsten van dit misdrijf willens en wetens hebben helpen witwassen;

H.  overwegende dat OLAF momenteel een nieuwe zaak van onderwaarderingsfraude via de Griekse haven Piraeus onderzoekt, waarbij sprake is van grote verliezen aan EU‑middelen en Italië naar schatting tientallen miljoenen euro's aan btw is misgelopen; overwegende dat het totale bedrag nog veel hoger kan liggen, aangezien het onderzoek nog loopt;

I.  overwegende dat de Britse en Griekse zaken zeker niet op zichzelf staan en een aanleiding moeten vormen om actie te ondernemen;

J.  overwegende dat de Europese Rekenkamer erop heeft gewezen dat er geen sprake is van een geharmoniseerde en gestandaardiseerde toepassing van douanecontroles door de lidstaten en dit de fraudeurs ertoe kan aanzetten de zwakste schakel uit te kiezen voor hun frauduleuze invoerpraktijken;

1.  is ingenomen met de inbreukprocedure die de Commissie op 8 maart 2018 heeft ingeleid naar aanleiding van de Britse douanefraudezaak;

2.  dringt er bij de Commissie op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om niet‑geïnde eigen middelen van de EU terug te vorderen, teneinde inkomsten voor de EU‑begroting te genereren;

3.  dringt er bij het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie op aan actie te ondernemen om misbruik van douaneregeling 42 in de toekomst te voorkomen;

4.  verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de aanbevelingen van OLAF en hierover verslag uit te brengen, en betreurt dat de terugvordering van middelen tot wel tien jaar kan duren;

5.  dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de lidstaten volledig voldoen aan de bepalingen van het douanewetboek van de Unie, dat op 1 mei 2016 in werking trad, en bepalingen die tot verwarring kunnen leiden te verduidelijken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de toepassing van de gemeenschappelijke regels door de douaneautoriteiten op zodanige wijze wordt georganiseerd dat fraude, inclusief carouselfraude, doeltreffend wordt voorkomen en dat de controles bij havens, luchthavens en landgrenzen alsook op internet worden aangescherpt;

6.  roept de Commissie op een bijdrage te leveren aan de voltooiing en financiële duurzaamheid van de douane-informatiesystemen van de EU;

7.  dringt er bij de Commissie op aan een passende methodologie te ontwikkelen en vanaf 2019 periodieke ramingen te maken van de douanekloof, en hierover iedere zes maanden verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

8.  dringt er bij de Raad op aan snel met het Parlement tot overeenstemming te komen over een rechtskader van de Unie voor douaneovertredingen en -sancties, teneinde geharmoniseerde sancties te kunnen opleggen en dezelfde criteria ten aanzien van schendingen te kunnen toepassen; herinnert eraan dat het Parlement reeds in oktober 2016 zijn standpunt heeft vastgesteld; verzoekt de Commissie te helpen overeenstemming te bereiken;

9.  betreurt dat niet alle EU-lidstaten ermee hebben ingestemd deel uit te maken van het Europees Openbaar Ministerie;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zo spoedig mogelijk hun overleg af te ronden over stappen in de richting van de tenuitvoerlegging van een definitief btw‑stelsel, dat ten doel heeft de manier waarop btw in de EU wordt geïnd en betaald te harmoniseren, onder meer om fraude te voorkomen;

11.  roept de Commissie op een actieplan te ontwikkelen om de volledige en tijdige tenuitvoerlegging van de btw-voorschriften in alle lidstaten te garanderen, om aldus deze bron van eigen middelen van de Unie veilig te stellen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan te overwegen om de bevoegdheden van douaneautoriteiten van nationaal naar EU‑niveau over te hevelen wat betreft het waarborgen van een geharmoniseerde behandeling bij alle punten van binnenkomst van de EU, het monitoren van de prestaties en activiteiten van douanediensten en het verzamelen en verwerken van douanegegevens;

13.  ondersteunt de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1294/2013 betreffende Douane 2020(7) om douaneautoriteiten steun te bieden bij de bescherming van de financiële en economische belangen van de Unie en de lidstaten, onder meer bij de bestrijding van fraude; benadrukt dat de Commissie passende maatregelen moet nemen om te waarborgen dat de financiële belangen van de Unie worden beschermd door preventieve fraudebestrijdingsmaatregelen toe te passen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.
(2) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
(3) PB L 196 van 2.8.2018, blz. 1.
(4) PB L 201 van 8.8.2018, blz. 2.
(5) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(6) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 209.

Juridische mededeling