Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 14 november 2018 - StraatsburgVoorlopige uitgave
Tussentijds verslag over het meerjarig financieel kader 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord
 Staatssteunregels: nieuwe soorten staatssteun *
 Wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB
 Toekenning van bevoegdheden aan mededingingsautoriteiten en waarborging van de goede werking van de interne markt ***I
 Europees wetboek voor elektronische communicatie ***I
 Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie ***I
 CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ***I
 Noodzaak van een allesomvattend mechanisme voor democratie, rechtsstaat en grondrechten
 Uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Georgië
 Uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Moldavië

Tussentijds verslag over het meerjarig financieel kader 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord
PDF 833kWORD 107k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord (COM(2018)0322 – C8-0000/2018 – 2018/0166R(APP))
P8_TA-PROV(2018)0449A8-0358/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2018 met als titel "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt – Het meerjarig financieel kader 2021-2027" (COM(2018)0321),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 (COM(2018)0322) en de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0325, COM(2018)0326, COM(2018)0327 en COM(2018)0328),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2018)0323),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over de voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020, en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(2),

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016(3) en door de Raad op 5 oktober 2016(4),

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015 getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", die op 1 januari 2016 in werking trad,

–  gezien de collectieve verbintenis van de EU om de doelstelling van 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) binnen het tijdschema van de agenda voor de periode na 2015,

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(5),

–  gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het tussentijds verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0358/2018),

A.  overwegende dat artikel 311 VWEU vereist dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren;

B.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020 voor de eerste keer minder ambitieus is dan zijn voorganger, zowel waar het vastleggings- als betalingskredieten betreft; overwegende dat de laattijdige vaststelling van het MFK en de sectorale wetgevingshandelingen een zeer negatief effect hebben gehad op de tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's;

C.  overwegende dat al snel is gebleken dat het MFK niet toereikend is om in te spelen op een aantal crises, nieuwe internationale toezeggingen en nieuwe politieke uitdagingen die ten tijde van de vaststelling ervan niet in het MFK waren opgenomen en/of niet waren voorzien; overwegende dat het MFK met het oog op het waarborgen van de vereiste financiering de grenzen van het haalbare heeft bereikt, waarbij de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten in ongekende mate zijn gemobiliseerd nadat de beschikbare marges waren benut; overwegende dat er bezuinigingen ten aanzien van prioritaire EU-programma's inzake onderzoek en infrastructuur zijn doorgevoerd, slechts twee jaar na de vaststelling ervan;

D.  overwegende dat de aan het eind van 2016 uitgevoerde tussentijdse herziening van het MFK van essentieel belang is gebleken voor het verruimen van het potentieel van de bestaande flexibiliteitsbepalingen, maar niet tot een herziening van de MFK-maxima heeft geleid; overwegende dat deze herziening door zowel het Parlement als de Raad positief is beoordeeld;

E.  overwegende dat de totstandbrenging van het nieuwe MFK van doorslaggevend belang zal zijn voor de Unie met 27 lidstaten, aangezien hiermee een gemeenschappelijk langetermijnstandpunt kan worden uitgedragen en het nieuwe MFK de besluitvorming over toekomstige politieke prioriteiten mogelijk maakt en de Unie in staat stelt deze te verwezenlijken; overwegende dat het MFK 2021‑2027 de Unie de nodige middelen moet verschaffen om duurzame economische groei, onderzoek en innovatie te stimuleren, jongeren mondiger te maken, de uitdagingen van migratie doeltreffend aan te pakken, werkloosheid, aanhoudende armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, de economische, sociale en territoriale cohesie verder te versterken, duurzaamheid, biodiversiteitsverlies en klimaatverandering aan te pakken, de veiligheid en defensie van de EU te versterken, haar buitengrenzen te beschermen en de buurlanden te ondersteunen;

F.  overwegende dat het, in het licht van de mondiale uitdagingen die de lidstaten niet alleen kunnen aanpakken, mogelijk moet zijn om Europese collectieve goederen te erkennen en gebieden te identificeren waar Europese uitgaven doeltreffender zouden zijn dan nationale uitgaven, teneinde de overeenkomstige financiële middelen naar het niveau van de Unie over te hevelen en aldus het strategische belang van de Unie te versterken zonder noodzakelijkerwijs de totale overheidsuitgaven te verhogen;

G.  overwegende dat de Commissie op 2 mei 2018 een reeks wetgevingsvoorstellen inzake het MFK 2021‑2027 en de eigen middelen van de EU heeft ingediend, gevolgd door wetgevingsvoorstellen gericht op het tot stand brengen van nieuwe EU‑programma's en ‑instrumenten;

1.  benadrukt dat het meerjarig financieel kader 2021‑2027 de verantwoordelijkheid en het vermogen van de Unie moet garanderen om in te spelen op nieuwe behoeften, bijkomende uitdagingen en nieuwe internationale verbintenissen, en om haar politieke prioriteiten en doelstellingen te verwezenlijken; wijst op de ernstige problemen die samengaan met de onderfinanciering van het MFK 2014‑2020 en herhaalt dat een herhaling van in het verleden gemaakte fouten moet worden voorkomen door ten behoeve van alle burgers voor de komende zeven jaar van meet af aan een sterke en geloofwaardige EU‑begroting te waarborgen;

2.  is van mening dat de voorstellen van de Commissie inzake het MFK 2021‑2027 en het stelsel van eigen middelen van de Unie het uitgangspunt moeten vormen voor de komende onderhandelingen; geeft uiting aan zijn standpunt ten aanzien van deze voorstellen in afwachting van het mandaat van de Raad voor de onderhandelingen, dat nog niet beschikbaar is;

3.  onderstreept dat het voorstel van de Commissie inzake het algemene niveau van het komende MFK, dat is vastgesteld op 1,08 % van het bni van de EU‑27 (ofwel 1,11 % na de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds), wat het percentage van het bni betreft, in reële termen lager is dan het niveau van het huidige MFK; is van oordeel dat het voorgestelde MFK-niveau de Unie niet in staat zal stellen aan haar politieke verbintenissen te voldoen en op belangrijke toekomstige uitdagingen in te spelen; is derhalve voornemens te onderhandelen over de noodzakelijke verhoging;

4.  verklaart bovendien gekant te zijn tegen elke vermindering van het niveau van het reeds lang bestaande EU‑beleid dat in de Verdragen is verankerd, zoals het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds of voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; verzet zich in dit kader tegen het voorstel het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) te verlagen ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van de vier bestaande sociale programma's, met name het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

5.  benadrukt voorts het belang van de horizontale beginselen die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de opname van de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in alle EU-beleidsmaatregelen en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat alle programma's in het kader van het volgende MFK moeten stroken met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, van de uitbanning van discriminatie, ook van LGBTI-personen, en van het creëren van een portefeuille voor minderheden, met inbegrip van de Roma, die alle van vitaal belang zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa; benadrukt dat de bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen in de periode 2021‑2027 ten minste 25 % van de uitgaven in het kader van het MFK 2021-2027 en uiterlijk in 2027 ten minste 30 % van de uitgaven moet bedragen om aan haar verplichtingen uit hoofde van het Akkoord van Parijs te voldoen;

6.  betreurt in dit verband dat er ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming in de bijlage bij de MFK-verordening 2014‑2020 geen significante vooruitgang op dit gebied is geboekt en dat de Commissie bij de tussentijdse herziening van het MFK geen rekening heeft gehouden met de uitvoering ervan; betreurt ten zeerste dat gendermainstreaming in het MFK-voorstel volledig buiten beschouwing is gelaten en betreurt het gebrek aan duidelijke doelstellingen, vereisten en indicatoren voor gendergelijkheid in de voorstellen voor het relevante EU‑beleid; dringt erop aan dat de jaarlijkse begrotingsprocedures de volledige impact van het EU-beleid op gendergelijkheid evalueren en integreren (genderbudgettering); verwacht dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er opnieuw toe verbinden om gendermainstreaming in het volgende MFK op te nemen, en dat er effectief toezicht op wordt uitgeoefend, ook tijdens de tussentijdse herziening van het MFK;

7.  onderstreept dat meer verantwoordingsplicht, vereenvoudiging, zichtbaarheid, transparantie en op prestaties gebaseerde budgettering de basis moeten vormen voor het volgende MFK; herinnert er in dit verband aan dat de toekomstige uitgaven meer gericht moeten zijn op prestaties en resultaten, op basis van ambitieuze en relevante prestatiedoelstellingen en een alomvattende en gedeelde definitie van Europese toegevoegde waarde; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de bovengenoemde horizontale beginselen, de verslaglegging over de prestaties te stroomlijnen, deze uit te breiden tot een kwalitatieve aanpak die ook milieu- en sociale indicatoren omvat, en duidelijk informatie te verstrekken over de belangrijkste uitdagingen die de EU nog moet aanpakken;

8.  is zich bewust van de grote uitdagingen waar de Unie voor staat en neemt ten volle zijn verantwoordelijkheid voor het tijdig vaststellen van een begroting die tegemoetkomt aan de behoeften, verwachtingen en zorgen van de EU‑burgers; is bereid om onmiddellijk onderhandelingen met de Raad aan te gaan teneinde de voorstellen van de Commissie te verbeteren en een realistisch MFK tot stand te brengen;

9.  brengt in herinnering dat het standpunt van het Parlement reeds duidelijk uiteen is gezet in zijn resoluties van 14 maart 2018 en 30 mei 2018, die tezamen zijn politiek standpunt voor het MFK 2021‑2027 en de eigen middelen vormen; herinnert eraan dat deze resoluties met een zeer grote meerderheid van stemmen zijn aangenomen, een gegeven dat duidelijk aangeeft dat er in het Parlement eenheid en bereidheid bestaat ten aanzien van de komende onderhandelingen;

10.  verwacht derhalve dat het MFK prioriteit op de politieke agenda van de Raad zal krijgen en betreurt het feit dat er nog geen merkelijke vooruitgang is geboekt; is van mening dat de periodieke bijeenkomsten tussen de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad en het onderhandelingsteam van het Parlement, dienen te worden opgeschaald en de weg vrij moeten maken voor officiële onderhandelingen; verwacht dat er vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2019 een solide overeenkomst zal zijn bereikt teneinde te voorkomen dat zich, zoals in het verleden, ernstige vertragingen voordoen met betrekking tot de start van nieuwe programma's als gevolg van de laattijdige vaststelling van het financieel kader; onderstreept dat dit tijdschema het nieuw verkozen Europees Parlement in staat zal stellen het MFK 2021‑2027 tijdens de verplichte tussentijdse herziening aan te passen;

11.  herinnert eraan dat ontvangsten en uitgaven bij de komende onderhandelingen als één pakket moeten worden behandeld; benadrukt derhalve dat er geen akkoord over het toekomstige MFK kan worden bereikt als er niet terzelfder tijd vooruitgang wordt geboekt inzake de nieuwe eigen middelen van de Unie;

12.  onderstreept dat alle elementen van het MFK/eigen middelen-pakket, met name de MFK-cijfers, op de onderhandelingstafel moeten blijven tot een definitieve overeenkomst is bereikt; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de huidige MFK-verordening en ten opzichte van de dominante rol die de Europese Raad in dit proces heeft gespeeld door een onherroepelijk besluit te nemen over een aantal punten, waaronder de MFK-plafonds en verscheidene bepalingen in verband met het sectoraal beleid, en die daardoor de geest en de letter van de Verdragen heeft geschonden; is met name bezorgd over het feit dat de eerste elementen van de door het voorzitterschap van de Raad opgestelde "onderhandelingskaders" voor het MFK dezelfde logica volgen en kwesties bevatten waarover de Raad en het Parlement gezamenlijk moeten beslissen bij de goedkeuring van wetgeving tot vaststelling van nieuwe EU-programma's; is derhalve voornemens zijn eigen strategie dienovereenkomstig aan te passen;

13.  is van mening dat het unanimiteitsvereiste voor de vaststelling en herziening van de MFK-verordening het proces daadwerkelijk hindert; verzoekt de Europese Raad de overbruggingsclausule van artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling door de Raad van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken;

14.  neemt deze resolutie aan teneinde zijn onderhandelingsmandaat toe te lichten met betrekking tot alle aspecten van de voorstellen van de Commissie, met inbegrip van concrete wijzigingen van zowel de voorgestelde MFK-verordening als van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA); presenteert voorts een tabel met cijfers voor ieder EU‑beleidsterrein en ‑programma, in overeenstemming met de eerder in de MFK-resoluties opgenomen standpunten van het Parlement; benadrukt dat deze cijfers ook deel zullen uitmaken van het mandaat van het Parlement voor de komende wetgevingsonderhandelingen met betrekking tot de vaststelling van de EU‑programma's voor de periode 2021‑2027;

A.MFK-GERELATEERDE VERZOEKEN

15.  verzoekt de Raad derhalve naar behoren rekening te houden met onderstaande standpunten van het Parlement met het oog op het behalen van een positief resultaat bij de onderhandelingen inzake het MFK 2021‑2027 en het verkrijgen van de goedkeuring van het Parlement overeenkomstig artikel 312 VWEU;

Cijfers

16.  bevestigt opnieuw zijn formele standpunt dat het niveau van het MFK 2021‑2027 dient te worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, ofwel 1,3 % van het bni van de EU‑27, teneinde een financieringsniveau voor essentiële EU‑beleidsmaatregelen te waarborgen op basis waarvan de EU‑27 haar missie en doelstellingen kan verwezenlijken;

17.  dringt er in dit verband op aan dat het volgende financieringsniveau voor EU‑programma's en -beleidsmaatregelen wordt gewaarborgd, in een volgorde die de structuur van het MFK weerspiegelt, zoals voorgesteld door de Commissie, en in de gedetailleerde tabel (bijlagen III en IV bij deze resolutie) wordt overgenomen; dringt er op aan dat de desbetreffende maxima voor vastleggings- en betalingskredieten dienovereenkomstig worden aangepast, zoals bepaald in bijlage I en II van de huidige resolutie:

   i. verhoging van de begroting voor Horizon Europa tot 120 miljard EUR in prijzen van 2018;
   ii. verhoging van de toewijzing voor het InvestEU-fonds zodat het niveau ervan overeenstemt met het niveau 2014‑2020 van alle financieringsinstrumenten die in het nieuwe programma zijn opgenomen;
   iii. verhoging van het financieringsniveau voor de vervoersinfrastructuur via de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF‑Vervoer);
   iv. verdubbeling van de specifieke financiering voor het MKB (in vergelijking met COSME) in het kader van het programma voor de interne markt, om de toegang van het MKB tot de markt te verbeteren, het ondernemingsklimaat en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven te verbeteren en het ondernemerschap te bevorderen;
   v. verdere verhoging van het programma voor de interne markt om een nieuwe doelstelling inzake markttoezicht te financieren;
   vi. verdubbeling van het voorgestelde financieringsniveau voor de EU-fraudebestrijdingsprogramma en verhoging van het financieringsniveau voor het FISCALIS-programma;
   vii. invoering van een specifieke toewijzing voor duurzaam toerisme;
   viii. verdere versterking van het Europese ruimtevaartprogramma, met name ter versterking van SSA/GOVSATCOM en Copernicus;
   ix. handhaving van de financiering van het cohesiebeleid voor de EU‑27 op het niveau van de begroting 2014‑2020 in reële termen;
   x. verdubbeling van de middelen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid in het ESF+ (ten opzichte van het huidige jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), waarbij de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de regeling worden gewaarborgd;
   xi. invoering van een specifieke toewijzing (5,9 miljard EUR) voor de kindergarantie om de armoede onder kinderen zowel binnen de EU als via haar externe acties aan te pakken;
   xii. verdrievoudiging van de huidige begroting voor het Erasmus+-programma;
   xiii. voorzien in een toereikend financieringsniveau voor het DiscoverEU-programma (Interrail);
   xiv. verhoging van de huidige financiering van het programma Creatief Europa;
   xv. verhoging van de huidige financiering voor het programma "Rechten en waarden" en invoering van een specifieke toewijzing voor een nieuw onderdeel "waarden van de Unie" (ten minste 500 miljoen euro) ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties die op lokaal en nationaal niveau fundamentele waarden en democratie in de EU bevorderen;
   xvi. handhaving van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor de EU‑27 op het niveau van de begroting 2014‑2020 in reële termen, en tegelijkertijd het oorspronkelijke bedrag van de landbouwreserve in de begroting opnemen;
   xvii. verhoging van 10 % voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, overeenkomstig de nieuwe missie van het fonds inzake de blauwe economie;
   xviii. verdubbeling van de huidige financiering voor het Life+-programma, met inbegrip van specifieke budgetten voor biodiversiteit en het beheer van het Natura 2000-netwerk;
   xix. invoering van een specifieke toewijzing (4,8 miljard EUR) voor een nieuw fonds voor een rechtvaardige energietransitie om de maatschappelijke, sociaaleconomische en milieueffecten op werknemers en gemeenschappen die worden getroffen door de overgang van steenkool en koolstofafhankelijkheid aan te pakken;
   xx. versterking van het instrument/de instrumenten ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid (3,5 miljard EUR) ter verdere bevordering van de financiering van een investeringsplan voor Afrika;
   xxi. herinvoering van ten minste het niveau van 2020 voor alle agentschappen, waarbij het door de Commissie voorgestelde hogere niveau wordt verdedigd, ook voor de agentschappen, waaraan nieuwe bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn toegekend, en wordt aangedrongen op een alomvattende aanpak van de financiering van vergoedingen;
   xxii. handhaving van het niveau van de financiering voor 2014‑2020 voor verschillende EU-programma's (bv. nucleaire ontmanteling, samenwerking met de landen en gebieden overzee (LGO)), met inbegrip van de programma's waarvoor wordt voorgesteld deze samen te voegen tot grotere programma's (bv. bijstand voor de meest behoeftigen, gezondheid, consumentenrechten) en waarvoor het voorstel van de Commissie dus in reële termen een verlaging inhoudt;
   xxiii. vaststelling, onder voorbehoud van bovengenoemde wijzigingen, van de financiële middelen voor alle andere programma's op het door de Commissie voorgestelde niveau, inclusief voor CEF-Energie, CEF-Digital, het programma "Digitaal Europa", het Europees Defensiefonds en humanitaire hulp;

18.  is voornemens een toereikend niveau van financiering te waarborgen op basis van het voorstel van de Commissie inzake "Migratie en grensbeheer" (rubriek 4) en "Veiligheid en defensie", met inbegrip van crisisrespons (rubriek 5); herhaalt het standpunt dat het sinds geruime tijd huldigt, namelijk dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen, teneinde de bestaande beleidsmaatregelen en programma's en de financiering ervan in het kader van het MFK niet te ondermijnen;

19.  is voornemens zijn steun te verlenen aan het voorstel van de Commissie inzake het waarborgen van een toereikend niveau van financiering voor een sterk, efficiënt en hoogwaardig Europees openbaar bestuur ten dienste van alle Europeanen; herinnert eraan dat de instellingen, organen en gedecentraliseerde agentschappen van de EU onder het huidige MFK een verlaging van het aantal personeelsleden met 5 % hebben doorgevoerd en is van mening dat een verdere verlaging onwenselijk is nu dit het verwezenlijken van het beleid van de Unie in gevaar zou brengen; herhaalt eens te meer sterk te zijn gekant tegen een herhaling van de zogenaamde herschikkingspool voor agentschappen;

20.  is vastberaden in de eerste jaren van het MFK 2021‑2027 een nieuwe betalingscrisis zoals die van de huidige periode te voorkomen; is van mening dat bij de vaststelling van het totale maximum voor betalingen rekening moet worden gehouden met het ongekende niveau van openstaande verplichtingen aan het eind van 2020, dat voortdurend toeneemt door grote vertragingen in de tenuitvoerlegging en dat in het kader van het volgende MFK moet worden weggewerkt; vraagt daarom het algemene betalingsniveau en de jaarlijkse betalingsplafonds, vooral aan het begin van de periode, op een passend niveau vast te stellen en daarbij ook rekening te houden met deze situatie; is voornemens om voor het komende MFK slechts een beperkt en degelijk beargumenteerd verschil tussen vastleggingen en betalingen te aanvaarden;

21.  presenteert in dit kader in de bijlagen III en IV van de huidige resolutie een tabel met de exacte voorgestelde cijfers voor ieder EU-beleidsterrein en -programma; verklaart dat het voor vergelijkingsdoeleinden voornemens is de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU‑programma's te handhaven, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's;

Tussentijdse herziening

22.  onderstreept dat het van belang is de tussentijdse herziening van het MFK te handhaven, waarbij wordt voortgebouwd op het positieve precedent dat in het huidige kader is gecreëerd, en dringt aan op het volgende:

   i. een verplichte en juridisch bindende tussentijdse herziening, na een evaluatie van de werking van het MFK en rekening houdend met een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling, de mainstreaming van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid, en het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de begunstigden;
   ii. het betreffende voorstel van de Commissie dient tijdig te worden gepresenteerd zodat het volgende Europees Parlement en de volgende Commissie in staat zijn een betekenisvolle aanpassing van het MFK 2021-2027 uit te voeren, in elk geval vóór 1 juli 2023;
   iii. deze herziening mag geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen;

Flexibiliteit

23.  verwelkomt de voorstellen van de Commissie inzake flexibiliteit als een goede basis voor de onderhandelingen; gaat akkoord met de globale structuur van de flexibiliteitsmechanismen in het MFK 2021‑2027; beklemtoont dat de speciale instrumenten verschillende doelstellingen hebben en tegemoetkomen aan verschillende behoeften en is gekant tegen elke poging om ze samen te voegen; is nadrukkelijk voorstander van de duidelijke bepaling dat zowel de vastleggings- als de betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten, in de begroting moeten worden meegeteld naast en bovenop de desbetreffende MFK-maxima, en dat alle beperkingen voor de overkoepelende marge voor betalingen verwijderd moeten worden; dringt aan op de invoering van een aantal aanvullende verbeteringen, met inbegrip van:

   i. de aanvulling van de reserve van de Unie met een bedrag gelijk aan de ontvangsten uit boetes en dwangsommen;
   ii. het onmiddellijk opnieuw inzetten van vrijmakingen van het jaar n‑2, met inbegrip van de vastleggingen in het kader van het huidige MFK;
   iii. het ter beschikking stellen van de vervallen bedragen van de speciale instrumenten ten behoeve van alle speciale instrumenten, en niet alleen het flexibiliteitsinstrument;
   iv. een hogere toewijzing van middelen aan het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de marge voor onvoorziene uitgaven, de laatste zonder verplichte compensatie;

Duur

24.  onderstreept dat de duur van het MFK geleidelijk moet evolueren in de richting van een periode van vijf plus vijf jaar in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening; aanvaardt dat het volgende MFK moet worden vastgesteld voor een periode van zeven jaar als overgangsoplossing die nog één keer toegepast moet worden; verwacht dat de gedetailleerde regelingen voor de uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar bij de tussentijdse herziening van het MFK 2021-2027 zullen worden goedgekeurd;

Structuur

25.  is het eens met de algemene structuur van de door de Commissie voorgestelde zeven MFK-rubrieken, die grotendeels overeenkomt met het voorstel van het Parlement zelf; is van mening dat deze structuur een verhoogde transparantie en beter inzicht in de uitgaven van de EU mogelijk maakt, en tegelijkertijd de vereiste mate van flexibiliteit waarborgt; is het voorts eens met de totstandbrenging van "programmaclusters" die naar verwachting tot aanzienlijke vereenvoudiging en rationalisering van de begrotingsstructuur van de EU zullen leiden alsook tot de duidelijke afstemming van deze structuur met de MFK-rubrieken;

26.  constateert dat de Commissie voorstelt het aantal EU‑programma's met meer dan een derde te verminderen; benadrukt dat het standpunt van het Parlement met betrekking tot de structuur en samenstelling van de 37 nieuwe programma's bepaald zal worden in de loop van de behandeling van de desbetreffende sectorale wetgevingshandelingen; verwacht in elk geval dat de voorgestelde begrotingsnomenclatuur alle verschillende bestanddelen van alle programma's zal weerspiegelen, en wel zodanig dat de vereiste transparantie is gewaarborgd, alsook de mate van informatie die de begrotingsautoriteit nodig heeft om de jaarlijkse begroting vast te stellen en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan;

Eenheid van de begroting

27.  is verheugd over de voorgestelde opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting van de Unie waarmee tegemoet wordt gekomen aan een reeds lang bestaande eis van het Parlement inzake niet-budgettaire instrumenten; herinnert eraan dat het beginsel van eenheid, dat bepaalt dat alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen, een in het Verdrag opgenomen eis is alsook een democratische basisvoorwaarde;

28.  plaatst derhalve vraagtekens bij de logica en rechtvaardiging die ten grondslag liggen aan de invoering van instrumenten buiten de Uniebegroting om die de parlementaire controle van overheidsfinanciën onmogelijk maakt en de transparantie van de besluitvormingsprocessen ondermijnt; is van mening dat als gevolg van het instellen van dergelijke instrumenten het Parlement in zijn drievoudige bevoegdheid als wetgevings-, begrotings- en controleautoriteit wordt gepasseerd; is voorts van mening dat wanneer uitzonderingen noodzakelijk worden geacht om specifieke doelstellingen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door middel van financieringsinstrumenten of trustfondsen, deze volledig transparant moeten zijn, ter dege gemotiveerd moeten worden met een aantoonbare additionaliteit en meerwaarde en moeten berusten op krachtige besluitvormingsprocedures en bepalingen inzake de verantwoordingsplicht;

29.  beklemtoont echter dat de opname van deze instrumenten in de begroting van de EU niet mag leiden tot een verlaging van de financiering voor andere beleidsmaatregelen en programma's van de EU; onderstreept daarom dat het algemene niveau van het komende MFK moet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de toewijzing van 0,03 % van het bni van het EU dat overeenstemt met het Europees Ontwikkelingsfonds, die moet worden toegevoegd bovenop de overeengekomen maxima;

30.  benadrukt dat de MFK-maxima geen belemmering mogen vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie; verwacht derhalve dat een opwaartse herziening van de MFK-plafonds zal zijn gewaarborgd wanneer dat dit nodig is voor de financiering van nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele financieringsmethoden;

B.WETGEVINGSKWESTIES

Rechtsstaat

31.  benadrukt het belang van het nieuwe mechanisme dat eerbiediging van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde waarden waarborgt, waarbij lidstaten die deze waarden niet eerbiedigen hiervan financiële gevolgen ondervinden; benadrukt echter dat de uiteindelijke begunstigden van de begroting van de Unie op geen enkele manier gestraft mogen worden voor door hun overheden begane schendingen van de rechtsstaat en grondrechten; onderstreept derhalve dat dergelijke maatregelen de verplichting van overheidsinstanties of van lidstaten tot het doen van betalingen aan uiteindelijke begunstigden of ontvangers, onverlet laten;

Gewone wetgevingsprocedure en gedelegeerde handelingen

32.  benadrukt dat de programmadoelstellingen en uitgavenprioriteiten, financiële toewijzingen, subsidiabiliteit, selectie- en gunningscriteria, voorwaarden, definities en berekeningsmethoden in de desbetreffende wetgeving moeten worden vastgesteld, met volledige inachtneming van de prerogatieven van het Parlement als medewetgever; benadrukt dat wanneer dergelijke maatregelen, die belangrijke beleidskeuzes kunnen inhouden, niet in de basishandeling zijn opgenomen, deze door middel van gedelegeerde handelingen moeten worden vastgesteld; is in dit opzicht van mening dat meerjarige en/of jaarlijkse werkprogramma's in het algemeen door middel van gedelegeerde handelingen dienen te worden vastgesteld;

33.  verklaart voornemens te zijn om, waar nodig, de bepalingen inzake bestuur, verantwoordingsplicht, transparantie en parlementair toezicht, inzake de versterking van de positie van de lokale en regionale autoriteiten en hun partners, alsook inzake de betrokkenheid van ngo's en het maatschappelijk middenveld bij de volgende generatie programma's, te versterken; is ook van plan om, waar nodig, de samenhang en synergieën tussen en binnen de verschillende fondsen en beleidslijnen te verbeteren en te verduidelijken; erkent de noodzaak van meer flexibiliteit bij de toewijzing van middelen binnen bepaalde programma's, maar benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de oorspronkelijke en langetermijnbeleidsdoelstellingen, van de voorspelbaarheid en van de rechten van het Parlement;

Herzieningsclausules

34.  wijst erop dat gedetailleerde en doeltreffende herzieningsclausules in de individuele MFK-programma's en -instrumenten dienen te worden opgenomen teneinde erop toe te zien dat hier betekenisvolle beoordelingen van worden uitgevoerd en dat het Parlement vervolgens volledig betrokken is bij alle beslissingen inzake de vereiste aanpassingen;

Wetgevingsvoorstellen

35.  roept de Commissie op de desbetreffende wetgevingsvoorstellen in te dienen naast de reeds ingediende voorstellen, en met name een voorstel voor een verordening tot instelling van een fonds voor een rechtvaardige energietransitie en een specifiek programma voor duurzaam toerisme; steunt voorts de invoering van de Europese kindergarantie in het ESF+, de integratie van een specifiek onderdeel "waarden van de Unie" in het programma "Rechten en waarden" en een herziening van de verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie; betreurt dat de desbetreffende voorstellen van de Commissie geen maatregelen bevatten die voldoen aan de vereisten van artikel 174 VWEU met betrekking tot de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid en insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; is van mening dat een voorstel tot herziening van het Financieel Reglement dient te volgen wanneer dit noodzakelijk blijkt als gevolg van de MFK-onderhandelingen;

C.EIGEN MIDDELEN

36.  benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen uiterst complex, onbillijk en ondoorzichtig en voor de burgers van de EU volledig onbegrijpelijk is; pleit derhalve nogmaals voor een vereenvoudigd stelsel dat voor de EU‑burgers beter te begrijpen is;

37.  is in dit opzicht verheugd over de op 2 mei 2018 goedgekeurde reeks voorstellen van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen en ziet dit als een belangrijke stap richting een ambitieuzere hervorming; verzoekt de Commissie rekening te houden met Advies nr. 5/2018 van de Europese Rekenkamer betreffende het voorstel van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, waarin wordt onderstreept dat de berekeningen moeten worden verbeterd en dat het stelsel verder moet worden vereenvoudigd;

38.  herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen een tweeledig doel moet dienen: ten eerste om het aandeel van de bni-bijdragen aanzienlijk te verminderen en ten tweede om een adequate financiering van de EU-uitgaven in het kader van het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 te waarborgen;

39.  is voorstander van de voorgestelde modernisering van de bestaande eigen middelen, onder meer door:

   de douanerechten als traditionele eigen middelen voor de EU ongewijzigd te laten, maar het percentage dat de lidstaten als "inningskosten" inhouden te verlagen en opnieuw het aanvankelijke percentage, namelijk 10 %, te hanteren;
   de op de belasting over de toegevoegde waarde gebaseerde eigen middelen te vereenvoudigen door de introductie van een uniform afroepingspercentage zonder uitzonderingen;
   handhaving van de op het bni gebaseerde eigen middelen teneinde het aandeel hiervan in de EU-financiering geleidelijk de 40 % te laten naderen met behoud van de balancerende werking ervan;

40.  vraagt in dit kader, overeenkomstig het voorstel van de Commissie, om de geprogrammeerde invoering van een pakket van nieuwe eigen middelen dat, zonder de fiscale lasten te verzwaren voor de Europese burgers, zou overeenstemmen met twee essentiële doelstellingen van de EU die een onmiskenbare en onvervangbare Europese meerwaarde bieden:

   de goede werking, consolidatie en versterking van de interne markt, met name door toepassing van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) als basis voor nieuwe eigen middelen door de vaststelling van een uniform heffingstarief op de ontvangsten uit de CCCTB, en de belasting van grote ondernemingen in de digitale sector die profiteren van de interne markt;
   de strijd tegen de klimaatverandering en de versnelling van de energietransitie door maatregelen die onder meer betrekking hebben op een aandeel van de inkomsten van het emissiehandelssysteem;
   de strijd voor de bescherming van het milieu via een bijdrage op basis van de hoeveelheid niet-gerecyclede plastic verpakkingen;

41.  dringt aan op uitbreiding van de lijst van mogelijke nieuwe eigen middelen in de komende jaren, met onder meer:

   eigen middelen op basis van een belasting op financiële transacties (FTT), waarbij alle lidstaten worden opgeroepen overeenstemming te bereiken over een efficiënte regeling;
   de invoering van een mechanisme voor een koolstofgrenscorrectie als nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU‑begroting, wat moet leiden tot een gelijk speelveld in de internationale handel en tot minder productieverplaatsingen doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van ingevoerde goederen;

42.  is groot voorstander van de afschaffing van alle kortingen en andere correctiemechanismen, in voorkomend geval door middel van een beperkte periode van uitfasering;

43.  dringt aan op de invoering van andere ontvangsten die extra inkomsten voor de EU‑begroting zouden vormen zonder dat dit een overeenkomstige verlaging van de bni-bijdragen met zich meebrengt:

   door ondernemingen te betalen boetes voor het schenden van de regelgeving van de Unie of voor te late betalingen van bijdragen;
   de opbrengsten van boetes die voortvloeien uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met inbegrip van forfaitaire bedragen of dwangsommen die aan de lidstaten zijn opgelegd als gevolg van inbreukprocedures;

44.  onderstreept bovendien het belang van de invoering van andere vormen van inkomsten, in overeenstemming met de voorstellen van de Commissie, in het geval van:

   vergoedingen die betaald moeten worden voor de toepassing van mechanismen die in rechtstreeks verband met de EU staan, zoals het Europees Systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias);
   seigniorage, in de vorm van bestemmingsontvangsten, voor het financieren van een nieuwe stabilisatiefunctie voor investeringen;

45.  benadrukt dat het van belang is de geloofwaardigheid van de EU-begroting ten opzichte van de financiële markten te waarborgen, hetgeen een verhoging van de maxima van de eigen middelen impliceert;

46.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om de paradoxale situatie op te lossen waarbij bijdragen van het Verenigd Koninkrijk aan de vóór 2021 nog te betalen vastleggingen in de begroting (RAL) zullen worden opgenomen als algemene inkomsten en dus worden meegeteld bij de vaststelling van het plafond voor de eigen middelen, maar dat hetzelfde plafond zal worden berekend op basis van het bni van de EU‑27, dus zonder het Verenigd Koninkrijk, zodra dat land uit de EU is getreden; is van mening dat de bijdragen van het Verenigd Koninkrijk daarentegen moeten worden berekend bovenop het plafond voor de eigen middelen;

47.  vestigt de aandacht op het feit dat de douane-unie een belangrijke bron van de financiële capaciteit van de Unie is; benadrukt in dit verband dat de douanecontrole en het douanemanagement in de hele Unie moeten worden geharmoniseerd om fraude en onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schaden, te voorkomen en te bestrijden;

48.  dringt aan op een werkelijk doeltreffende bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking, met de invoering van afschrikkende sancties, voor offshore-gebieden en voor degenen die dergelijke activiteiten mogelijk maken of bevorderen, met name en als eerste stap, voor degenen die actief zijn op het Europese vasteland; is van mening dat de lidstaten moeten samenwerken door een gecoördineerd systeem van toezicht op het kapitaalverkeer op te zetten om belastingontduiking, belastingontwijking en het witwassen van geld te bestrijden;

49.  is van oordeel dat een doeltreffende bestrijding van corruptie en belastingfraude door multinationals en de allerrijksten het mogelijk maakt om een door de Commissie geraamd bedrag van 1 biljoen EUR per jaar terug te doen vloeien naar de nationale begrotingen van de lidstaten en dat het optreden van de Europese Unie op dit gebied serieus is tekortgeschoten;

50.  is groot voorstander van de indiening door de Commissie van een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0327); herinnert eraan dat de goedkeuring van het Parlement voor deze verordening vereist is; herinnert eraan dat deze verordening integraal deel uitmaakt van het pakket eigen middelen dat door de Commissie is voorgesteld en verwacht dat de Raad de vier bijbehorende teksten over de eigen middelen behandelt als één pakket, samen met het MFK;

D.WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING BETREFFENDE HET MFK 2021-2027

51.  is van mening dat het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 als volgt moet worden gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst   Wijziging
Wijziging 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn, dient de looptijd van het meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021.
(1)  Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn en er behoefte is aan democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht, dient de looptijd van dit meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021, met op termijn een overgang naar een periode van vijf plus vijf jaar in overeenstemming met de politieke cyclus van het Europees Parlement en de Commissie.
Wijziging 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  De jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten die bij het MFK worden vastgesteld, moeten de toepasselijke maxima voor de vastleggingskredieten en de eigen middelen in acht nemen die worden vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.
(2)  In het MFK dienen jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en jaarlijkse maxima voor betalingskredieten te worden vastgesteld teneinde een geordende ontwikkeling van de uitgaven van de Europese Unie te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen, waarbij tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat de Unie in staat is in de middelen te voorzien die nodig zijn voor het verwezenlijken van haar doelstellingen en beleid overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en zij aan haar verplichtingen tegenover derden uit hoofde van artikel 323 VWEU kan voldoen.
Wijziging 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De hoogte van de maximumbedragen moet worden bepaald op basis van de bedragen die nodig zijn voor de financiering en uitvoering van de programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, alsook voor de vereiste marges die moeten worden aangehouden voor eventuele aanpassingen aan toekomstige behoeften. Bij vaststelling van de maxima voor de betalingskredieten moet bovendien rekening worden gehouden met de grote hoeveelheid openstaande verplichtingen die eind 2020 verwacht worden. De bedragen die in deze verordening alsook in de basishandelingen voor de programma's voor de periode 2021‑2027 worden vastgesteld, moeten worden uitgedrukt in prijzen van 2018 en omwille van de eenvoud en de voorspelbaarheid worden bijgesteld op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar.
Wijziging 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)   Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel [208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna "het Financieel Reglement" genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK met inachtneming van het maximum van de eigen middelen.
(3)   Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel [208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna "het Financieel Reglement" genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK en dient dit bedrag derhalve in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van het maximum van de eigen middelen.
Wijziging 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  In het MFK dient geen rekening te worden gehouden met de begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement.
(4)  Begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement moeten niet worden meegeteld bij de vaststelling van de MFK-maxima; het is echter wel zaak erop toe te zien dat tijdens de vaststelling en uitvoering van de jaarlijkse begrotingsprocedure alle beschikbare informatie in volledig transparante vorm bekend wordt gemaakt.
Wijziging 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)   Er dient specifiek de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht om de Unie in staat te stellen overeenkomstig artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aan haar verplichtingen te voldoen.
(6)   In het kader van het MFK dient de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht, met name om te waarborgen dat de Unie in staat is overeenkomstig de artikelen 311 en 323 van het VWEU aan haar verplichtingen te voldoen.
Wijziging 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)   De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. De reserve voor noodhulp is niet bedoeld voor het aanpakken van de gevolgen van marktgerelateerde crises die de landbouwproductie of -distributie treffen. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.
(7)  De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de jaarlijkse begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.
Wijziging 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Meer in het bijzonder moeten de Unie en haar lidstaten weliswaar al het mogelijke doen om te waarborgen dat de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde vastleggingen op effectieve wijze voor hun oorspronkelijke doel worden gebruikt, maar moet het ook mogelijk zijn niet-uitgevoerde of vrijgemaakte vastleggingskredieten via de reserve van de Unie voor vastleggingen te mobiliseren, mits dit begunstigden niet de gelegenheid geeft de desbetreffende doorhalingsregels te omzeilen.
Wijziging 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)   Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen goedgekeurde maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten.
(9)   Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met de schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen.
Wijziging 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)   Halverwege de uitvoering van het MFK moet de werking ervan worden geëvalueerd. De resultaten van deze evaluatie dienen in iedere herziening van deze verordening voor de resterende jaren van het MFK in aanmerking te worden genomen.
(10)   Teneinde nieuwe beleidsmaatregelen en prioriteiten in aanmerking te kunnen nemen, moeten de werking en uitvoering van het MFK halverwege de uitvoering ervan worden geëvalueerd, met inbegrip van een verslag waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.
Wijziging 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Om te voldoen aan de verbintenis van de Unie om voorop te lopen bij de uitvoering van de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van gendergelijkheid, wordt bij de herziening van het MFK rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering ervan in alle beleidsmaatregelen en initiatieven van de EU in het kader van het MFK 2021‑2027, gemeten aan de hand van door de Commissie opgestelde prestatie-indicatoren, alsook met de vooruitgang bij de integratie van gendermainstreaming in alle EU‑activiteiten. Bij de voorbereiding van de herziening van het MFK wordt ook rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de algemene doelstelling om in de periode 2021‑2027 van het MFK 25 % van de EU‑uitgaven aan het behalen van de klimaatdoelstellingen te besteden, en met de verwezenlijking van een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 % zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2027, gemeten op basis van hervormde prestatie-indicatoren die een onderscheid maken tussen mitigatie en aanpassing. Bij de herziening moet ook, in overleg met de nationale en lokale belanghebbenden, worden beoordeeld of de goedgekeurde vereenvoudigingsmaatregelen daadwerkelijk hebben geleid tot een vermindering van de bureaucratische rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de programma's.
Wijziging 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Alle uitgaven op het niveau van de Unie die zijn toegewezen aan de tenuitvoerlegging van het Uniebeleid op basis van de Verdragen worden als uitgaven van de Unie beschouwd in de zin van artikel 310, lid 1 VWEU, en dienen derhalve te worden opgenomen in de begroting van de Unie overeenkomstig de in artikel 314 VWEU vastgelegde begrotingsprocedure, waarmee wordt gewaarborgd dat de fundamentele beginselen van democratische vertegenwoordiging van de burgers bij de besluitvormingsprocessen, de parlementaire controle van overheidsfinanciën en de transparantie van de besluitvormingsprocessen worden geëerbiedigd. De MFK-maxima mogen geen belemmering vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie. Het is derhalve noodzakelijk te voorzien in een opwaartse herziening van het MFK op de momenten dat dit nodig is voor de financiering van Uniebeleid, met name voor nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden.
Wijziging 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. Er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor de bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan deze projecten om er aldus voor te zorgen dat zij geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd.
(13)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. De financiering van deze grootschalige projecten, die van strategisch belang zijn voor de Unie, moet worden gewaarborgd in de algemene begroting van de Unie, maar er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor bijdragen van de Unie aan deze projecten, zodat eventuele kostenoverschrijdingen geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd;
Wijziging 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)   In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd.
(14)  In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor transparantie en interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd, met inachtneming van de begrotingsbevoegdheden van de instellingen als vastgesteld in de Verdragen, teneinde erop toe te zien dat begrotingsbesluiten zo transparant mogelijk worden genomen met zo min mogelijk afstand tot de burgers, zoals bepaald in artikel 10, lid 3, VWEU, en dat de begrotingsprocedure vlot verloopt, zoals bepaald in artikel 312, lid 3, tweede alinea, VWEU.
Wijziging 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen opdat de instellingen dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK kunnen aannemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,
(15)  De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen. Dit tijdschema geeft de nieuwe Commissie voldoende tijd om haar voorstellen te formuleren en stelt het Europees Parlement dat in 2024 verkozen wordt in staat om zijn eigen standpunt te formuleren inzake het MFK na 2027. Dit stelt de instellingen bovendien in staat dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK aan te nemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,
Wijziging 16
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 1 – Artikel 3 – titel
Inachtneming van het maximum van de eigen middelen
Samenhang met de eigen middelen
Wijziging 17
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 1 – Artikel 3 – lid 4
4.  Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet tot een hoger afroepingspercentage van de eigen middelen leiden dan het maximum dat is vastgesteld overeenkomstig het geldende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (hierna "het eigenmiddelenbesluit" genoemd), dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.
4.  Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet zodanig zijn dat het afroepingspercentage van de eigen middelen de grenzen van de eigen middelen van de Unie overschrijdt, onverminderd de verplichting van de Unie zich te voorzien van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, VWEU, en de verplichting van de instellingen om te waarborgen dat de Unie de beschikking heeft over de financiële middelen die nodig zijn voor het voldoen aan haar juridische verplichtingen jegens derden in overeenstemming met artikel 323, VWEU.
Wijziging 18
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 1 – Artikel 3 – lid 5
5.  Indien nodig worden de in het MFK vastgestelde maxima verlaagd om ervoor te zorgen dat het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen in acht wordt genomen.
Schrappen
Wijziging 19
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 2 – Artikel 5 – lid 4
4.  Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8 worden er geen andere technische aanpassingen verricht ten aanzien van het betrokken jaar, noch in de loop van het begrotingsjaar, noch bij wijze van correctie achteraf in latere jaren.
Schrappen
Wijziging 20
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 2 – Artikel 7 – titel
Aanpassingen in verband met maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten
Aanpassingen in verband met de schorsing van begrotingsvastleggingen
Wijziging 21
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 2 – Artikel 7
Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen betreffende de fondsen van de Unie overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven in de context van maatregelen in verband met gezond economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, worden de bedragen van de geschorste vastleggingen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd.
Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven, worden de overeenkomstige bedragen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd. Vanaf jaar n+3 wordt een bedrag gelijk aan de geschorste vastleggingen opgevoerd in de in artikel 12 bedoelde reserve van de Unie voor vastleggingen.
Wijziging 22
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 10 – lid 1
1.  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad, mag het jaarlijkse maximumbedrag van 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.
1.  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie heeft tot doel financiële bijstand mogelijk te maken in het geval van grote rampen op het grondgebied van een van de lidstaten of kandidaat-lidstaten zoals vastgesteld in de desbetreffende basishandeling, en mag het jaarlijkse maximumbedrag van 1 miljard EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.
Wijziging 23
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De kredieten voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.
Wijziging 24
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 11 – lid 2
2.  Het jaarlijkse bedrag van de reserve wordt vastgesteld op 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het Financieel Reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.
2.  Het jaarlijkse bedrag van de reserve voor noodhulp wordt vastgesteld op 1 miljard EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het financieel reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste 150 miljoen EUR (prijzen van 2018) van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.
Wijziging 25
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – titel
Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie)
Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen)
Wijziging 26
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – lid 1
1.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2022 tot en met 2027, omvat:
(a)  de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van het jaar n-1;
(b)  vanaf 2023, naast de onder a) bedoelde marges, een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement.
1.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2027, omvat:
(a)  de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van voorgaande jaren;
(a bis)  niet-uitgevoerde vastleggingskredieten van het jaar n‑1;
(b)  een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement;
(b bis)  een bedrag gelijk aan het bedrag van de geschorste vastleggingen van het jaar n‑3 die niet meer in de begroting opgenomen mogen worden overeenkomstig artikel 7;
(b ter)  een bedrag gelijk aan het bedrag van de ontvangsten uit boetes en dwangsommen.
Wijziging 27
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – lid 2
2.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU.
2.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU. De marges van jaar n kunnen via de reserve van de Unie voor vastleggingen voor het jaar n en het jaar n+1 worden gebruikt op voorwaarde dat dit niet strijdig is met hangende of geplande gewijzigde begrotingen.
Wijziging 28
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Aan het eind van 2027 worden de bedragen die nog beschikbaar zijn uit hoofde van de reserve van de Unie voor vastleggingen, tot 2030 overgedragen naar het volgende MFK.
Wijziging 29
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 13 – alinea 1
Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 1 000 miljoen EUR (prijzen van 2018).
Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd, of in het kader van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de reserve voor noodhulp. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 2 miljard EUR (prijzen van 2018).
Wijziging 30
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 1
1.  Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,03 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken.
1.  Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,05 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken. Deze mag voor zowel vastleggings- als betalingskredieten worden gebruikt, dan wel alleen voor betalingskredieten.
Wijziging 31
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 2
2.  De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK, en blijft binnen het plafond van de eigen middelen.
2.  De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK.
Wijziging 32
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 3
3.  De uit de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar gestelde middelen worden volledig verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende begrotingjaar of voor toekomstige begrotingsjaren.
Schrappen
Wijziging 33
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 4
4.  De overeenkomstig lid 3 verrekende middelen mogen niet verder binnen het MFK worden aangewend. Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven mag niet leiden tot overschrijding van de totale maxima die in het MFK voor de vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en voor toekomstige begrotingsjaren zijn vastgesteld.
Schrappen
Wijziging 34
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – titel
Evaluatie en herziening van het MFK
Herzieningen
Wijziging 35
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 15 – lid 1
1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, kan het MFK in geval van onvoorziene omstandigheden worden herzien met inachtneming van het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen.
1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, worden de desbetreffende MFK-maxima opwaarts herzien in het geval dit nodig is om de financiering van het Uniebeleid te vergemakkelijken, met name waar het nieuwe beleidsdoelstellingen betreft, en in omstandigheden waarin anders aanvullende intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden zouden moeten worden ingericht die de in artikel 314 VWEU bedoelde begrotingsprocedure zouden omzeilen.
Wijziging 36
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 15 – lid 3
3.  Bij een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 worden de mogelijkheden onderzocht voor een herschikking van uitgaven tussen de programma's die onder de rubriek vallen waarop de herziening betrekking heeft, met name op basis van een verwachte onderbesteding van de kredieten.
Schrappen
Wijziging 37
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 16 – titel
Tussentijdse evaluatie van het MFK
Tussentijdse herziening van het MFK
Wijziging 38
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 16
Vóór 1 januari 2024 presenteert de Commissie een evaluatie van de werking van het MFK. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen.
Vóór 1 juli 2023 presenteert de Commissie een wetgevingsvoorstel inzake de herziening van deze verordening overeenkomstig de in het VWEU bedoelde procedures op basis van een evaluatie van de werking van het MFK. Onverminderd artikel 6 van deze verordening mag deze herziening geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen.
Bij de opstelling van het voorstel wordt rekening gehouden met een beoordeling van:
—  vooruitgang in de richting van de algemene doelstelling om in de periode 2021‑2027 van het meerjarig financieel kader 25 % van de EU-uitgaven aan klimaatdoelstellingen bij te dragen, en zo spoedig mogelijk naar een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 %;
—  de mainstreaming van de doelstellingen van de VN inzake duurzame ontwikkeling;
—  de mainstreaming van het genderperspectief in de begroting van de Unie (gender budgettering);
—  het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de vermindering van de administratieve rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de financiële programma's, uit te voeren in overleg met de belanghebbenden;
Wijziging 39
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 17
Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, dient zij waar nodig tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.
Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, of wanneer de betalingsplafonds de Unie mogelijk beletten aan haar juridische verbintenissen te voldoen, dient zij tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.
Wijziging 40
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 5 – Artikel 21 – lid 1
1.  Een maximumbedrag van 14 196 miljoen EUR (in prijzen van 2018) wordt voor de grootschalige projecten in het kader van [Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad - ruimtevaartprogramma] uit de algemene begroting van de Unie ter beschikking gesteld voor de periode 2021-2027.
1.  Voor de Europese satellietnavigatieprogramma's (EGNOS en Galileo) en Copernicus (het Europees programma voor aardobservatie) is voor de periode 2021‑2027 een maximumbedrag uit de algemene begroting van de Unie gezamenlijk beschikbaar. Dit maximumbedrag wordt vastgesteld op 15 % boven de indicatieve bedragen vastgesteld voor beide grootschalige projecten in het kader van [Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad - ruimtevaartprogramma]. Een verhoging binnen dit maximumbedrag wordt gefinancierd uit de marges of de speciale instrumenten en mag niet leiden tot bezuinigingen op andere programma's en projecten.
Wijziging 41
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 5 – Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien zich aanvullende financieringsbehoeften van de Uniebegroting voordoen voor bovenstaande grootschalige projecten, zal de Commissie een voorstel doen de MFK-maxima dienovereenkomstig te wijzigen.
Wijziging 42
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – titel
Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Wijziging 43
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 22
Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Wijziging 44
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 22 – alinea 4 bis (nieuw)
Zowel het Europees Parlement als de Raad worden door leden van de respectievelijke instellingen vertegenwoordigd bij bijeenkomsten op politiek niveau.
Wijziging 45
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 22 – lid 4 ter (nieuw)
Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.
Wijziging 46
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 23
De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel [7] van het Financieel Reglement, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.
De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel 310, lid 1, VWEU, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.
Wijziging 47
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 7 – Artikel 24
Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.
Vóór 1 juli 2023 dient de Commissie samen met haar voorstellen voor de tussentijdse herziening een verslag in waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.
Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.
Indien vóór 31 december 2027 geen verordening van de Raad tot bepaling van een nieuw MFK is vastgesteld, blijven de maxima voor het laatste door het bestaand MFK bestreken jaar en andere bepalingen van deze verordening van toepassing totdat een nieuwe verordening is vastgesteld. Indien na 2020 nieuwe lidstaten tot de Europese Unie toetreden, wordt het verlengd financieel kader zo nodig herzien om rekening te houden met de toetreding.

E.WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

52.Benadrukt dat het voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, naar aanleiding van de resultaten van de onderhandeling over en vaststelling van een nieuwe MFK-verordening als volgt moet worden gewijzigd:

Wijziging 48
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling A – punt 6 bis (nieuw)
6 bis.  In afzonderlijke tabellen worden indicatief gegevens verschaft over de operaties die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen en over de vermoedelijke ontwikkeling van de verschillende categorieën eigen middelen van de Unie. Deze gegevens worden jaarlijks bijgewerkt, samen met de documenten die bij de ontwerpbegroting worden gevoegd.
Wijziging 49
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling A – punt 7
7.  De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende marges beschikbaar blijven.
7.  De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende bedragen binnen de marges beschikbaar blijven of binnen de beschikbare speciale instrumenten.
Wijziging 50
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling A – punt 8
Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten na 2027
8.  De Commissie actualiseert de prognoses voor de betalingskredieten na 2027 in 2024.
Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.
Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten
8.  Ieder jaar actualiseert de Commissie de prognoses voor de betalingskredieten tot en na 2027.
Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.
Wijziging 51
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 9
9.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.
Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.
9.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, stelt de Commissie voor middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.
Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.
Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.
Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.
Wijziging 52
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 10
10.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel voor het passende begrotingsinstrument overeenkomstig het Financieel Reglement.
10.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het solidariteitsfonds beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.
Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.
Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.
Overschrijvingen voor het Solidariteitsfonds geschieden overeenkomstig het financieel reglement.
Wijziging 53
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 11
11.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.
11.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.
Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.
Wijziging 54
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 12
Flexibiliteitsinstrument
12.  De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij alle mogelijkheden heeft onderzocht om kredieten te herschikken binnen de rubriek die aanvullende uitgaven vergt.
In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
Flexibiliteitsinstrument
12.  De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij de marges binnen de desbetreffende rubrieken heeft benut.
In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
Wijziging 55
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 13
13.  De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
13.  De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
Wijziging 56
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel II
Afdeling A – punt 14 bis (nieuw)
14 bis.  Teneinde de vaststelling of herziening van een nieuw MFK te vergemakkelijken en uitvoering te geven aan artikel 312, lid 5, VWEU, komen de instellingen regelmatig bijeen, en wel in de vorm van:
—  bijeenkomsten van de voorzitters overeenkomstig artikel 324 van het Verdrag;
—  voor- en nabesprekingen tussen een delegatie van het Europees Parlement en het voorzitterschap van de Raad, voor en na relevante bijeenkomsten van de Raad;
—  informele trilaterale bijeenkomsten tijdens de besprekingen van de Raad die tot doel hebben de standpunten van het Parlement in de door het voorzitterschap van de Raad geproduceerde documenten op te nemen;
—  trialogen zodra zowel het Parlement als de Raad hun onderhandelingsmandaten hebben vastgesteld;
—  aanwezigheid van het voorzitterschap van de Raad bij bijeenkomsten van de betrokken commissie van het Parlement, en aanwezigheid van het onderhandelingsteam van het Parlement bij bijeenkomsten van de betreffende Raadsformatie.
Het Parlement en de Raad zenden elkaar alle documenten toe die formeel zijn aangenomen in hun respectieve voorbereidende instanties of die formeel namens hen zijn ingediend, zodra deze beschikbaar zijn.
Wijziging 57
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel II
Afdeling B – punt 15 – streepje 2
—  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen;
—  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen, die niet uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, maar in stand worden gehouden ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie uit hoofde van de Verdragen;
Wijziging 58
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel II
Afdeling B – punt 15 bis (nieuw)
15 bis.  Bij de uitvoering van autonome overschrijvingen overeenkomstig artikel 30, lid 1, van het Financieel Reglement, stelt de Commissie de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte van de gedetailleerde redenen voor dergelijke overschrijvingen. Indien het Parlement of de Raad bedenkingen ten aanzien van een autonome overschrijving uit, zal de Commissie hierop reageren en de overschrijving in voorkomend geval ongedaan maken.
Wijziging 59
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel III
Afdeling A – punt 24 bis (nieuw)
24 bis.  Indien de begrotingsautoriteit in het kader van de begrotingsprocedure besluit tot specifieke verhogingen over te gaan, verrekent de Commissie deze niet in de financiële programmering voor de daaropvolgende jaren, tenzij de begrotingsautoriteit hier uitdrukkelijk om verzoekt.
Wijziging 60
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel A – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.  De instellingen verbinden zich ertoe elkaar tijdens de recesperiodes geen niet-urgente begrotingsposities, overschrijvingen of andere kennisgevingen te doen toekomen die onderhevig zijn aan een uiterste termijn, teneinde te waarborgen dat de instellingen hun procedurele prerogatieven naar behoren kunnen uitoefenen.
De diensten van de instellingen geven elkaar tijdig de recesdata van hun respectieve instellingen door.
Wijziging 61
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel B – punt 2
2.  Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken.
2.  Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken, alsook eventuele vragen naar aanleiding van de uitvoering van de begroting voor het huidige financiële jaar.
Wijziging 62
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel C – punt 8
8.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen en gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.
8.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen, met name door elkaar alle procedurele documenten toe te zenden die hun respectieve voorbereidende instanties hebben aangenomen, zodra deze beschikbaar zijn. Zij verbinden zich er eveneens toe gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.
Wijziging 63
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel D – punt 12 bis (nieuw)
12 bis.   Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.
Wijziging 64
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel E – punt 15 – laatste zin
15.  Het Europees Parlement en de Raad worden op een passend niveau vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodanig dat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.
15.  Het Europees Parlement en de Raad worden elk door leden van beide instellingen vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.
Wijziging 65
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel E – punt 19
19.  De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen.
19.  De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen. Aanvullende bijeenkomsten, ook op technisch niveau, kunnen gedurende de bemiddelingsprocedure naar wens worden georganiseerd.
Wijziging 66
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel E – punt 21 bis (nieuw)
21 bis.   Teneinde de bemiddelingsperiode van 21 dagen voorzien in het Verdrag optimaal te benutten en de instellingen de mogelijkheid te bieden om hun respectieve onderhandelingsposities bij te stellen, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe de stand van zaken van de bemiddelingsprocedure te evalueren bij iedere vergadering van hun relevante voorbereidende instanties die in voornoemde periode plaatsvindt, en om hiermee niet te wachten tot de laatste fase daarvan.
Wijziging 67
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel G – titel
Deel G. Reste à liquider (RAL)
Deel G. Begrotingsuitvoering, betalingen en reste à liquider (RAL)
Wijziging 68
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel G – punt 36
36.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.
Om in alle hoofdstukken een houdbaar beheer en profiel van de betalingen te waarborgen, worden in alle rubrieken de doorhalingsregels, en met name de regels inzake automatische doorhalingen, strikt toegepast.
Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021-2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.
36.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op de betalingsprognoses en het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.
Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses voor de korte tot lange termijn. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021‑2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.

53.verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bijlage I – MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in prijzen van 2018)

(miljoen EUR – in prijzen van 2018)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

166 303

31 035

31 006

31 297

30 725

30 615

30 757

30 574

216 010

II.  Cohesie en waarden

391 974

60 026

62 887

64 979

65 785

66 686

69 204

67 974

457 540

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

330 642

52 143

52 707

53 346

53 988

54 632

55 286

55 994

378 097

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

336 623

57 780

57 781

57 789

57 806

57 826

57 854

57 881

404 718

IV.  Migratie en grensbeheer

30 829

3 227

4 389

4 605

4 844

4 926

5 066

5 138

32 194

V.  Veiligheid en defensie

24 323

3 202

3 275

3 223

3 324

3 561

3 789

4 265

24 639

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

108 929

15 368

15 436

15 616

15 915

16 356

16 966

17 729

113 386

VII.  Europees openbaar bestuur

75 602

10 388

10 518

10 705

10 864

10 910

11 052

11 165

75 602

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

58 547

8 128

8 201

8 330

8 432

8 412

8 493

8 551

58 547

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 134 583

181 025

185 293

188 215

189 262

190 880

194 688

194 727

1 324 089

als % van het bni

1,11 %

1,29 %

1,31 %

1,31 %

1,30 %

1,30 %

1,31 %

1,29 %

1,30 %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 104 805

174 088

176 309

186 391

187 490

188 675

189 961

191 398

1 294 311

als % van het bni

1,08 %

1,24 %

1,24 %

1,30 %

1,29 %

1,28 %

1,28 %

1,27 %

1,27 %

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 400

200

200

200

200

200

200

200

1 400

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Flexibiliteitsinstrument

7 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

14 000

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

9 223

753

970

1 177

1 376

1 567

1 707

1 673

9 223

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

26 023

4 953

5 170

5 377

5 576

5 767

5 907

5 873

38 623

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 160 606

185 978

190 463

193 592

194 838

196 647

200 595

200 600

1 362 712

als % van het bni

1,14 %

1,32 %

1,34 %

1,35 %

1,34 %

1,34 %

1,35 %

1,33 %

1,34 %

Bijlage II – MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in lopende prijzen)

(miljoen EUR – lopende prijzen)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

187 370

32 935

33 562

34 555

34 601

35 167

36 037

36 539

243 395

II.  Cohesie en waarden

442 412

63 700

68 071

71 742

74 084

76 601

81 084

81 235

516 517

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

373 000

55 335

57 052

58 899

60 799

62 756

64 776

66 918

426 534

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

378 920

61 316

62 544

63 804

65 099

66 424

67 785

69 174

456 146

IV.  Migratie en grensbeheer

34 902

3 425

4 751

5 084

5 455

5 658

5 936

6 140

36 448

V.  Veiligheid en defensie

27 515

3 397

3 545

3 559

3 743

4 091

4 439

5 098

27 872

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

123 002

16 308

16 709

17 242

17 923

18 788

19 878

21 188

128 036

VII.  Europees openbaar bestuur

85 287

11 024

11 385

11 819

12 235

12 532

12 949

13 343

85 287

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

66 028

8 625

8 877

9 197

9 496

9 663

9 951

10 219

66 028

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 279 408

192 105

200 567

207 804

213 140

219 261

228 107

232 717

1 493 701

als % van het bni

1,11 %

1,29 %

1,31 %

1,31 %

1,30 %

1,30 %

1,31 %

1,29 %

1,30 %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 246 263

184 743

190 843

205 790

211 144

216 728

222 569

228 739

1 460 556

als % van het bni

1,08 %

1,24 %

1,24 %

1,30 %

1,29 %

1,28 %

1,28 %

1,27 %

1,27 %

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 578

212

216

221

225

230

234

239

1 578

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Flexibiliteitsinstrument

7 889

2 122

2 165

2 208

2 252

2 297

2 343

2 390

15 779

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

10 500

800

1 050

1 300

1 550

1 800

2 000

2 000

10 500

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

29 434

5 256

5 596

5 937

6 279

6 624

6 921

7 019

43 633

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 308 843

197 361

206 163

213 741

219 419

225 885

235 028

239 736

1 537 334

als % van het bni

1,14 %

1,32 %

1,34 %

1,35 %

1,34 %

1,34 %

1,35 %

1,33 %

1,34 %

Bijlage III – MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in prijzen van 2018)

N.B.: voor vergelijkingsdoeleinden houdt de tabel de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU-programma's aan, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's.

(miljoen EUR – in prijzen van 2018)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

116 361

166 303

216 010

1.  Onderzoek en innovatie

69 787

91 028

127 537

Horizon Europa

64 674

83 491

120 000

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 119

2 129

2 129

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 992

5 406

5 406

Overige

2

2

2

2.  Europese strategische investeringen

31 886

44 375

51 798

InvestEU-fonds

3 968

13 065

14 065

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 579

21 721

28 083

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

12 393

11 384

17 746

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – energie

4 185

7 675

7 675

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – digitaal

1 001

2 662

2 662

Programma Digitaal Europa

172

8 192

8 192

Overige

9 097

177

177

Gedecentraliseerde agentschappen

1 069

1 220

1 281

3.  Eengemaakte markt

5 100

5 672

8 423

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 547

3 630

5 823

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

156

161

322

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

226

239

300

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

536

843

843

Duurzaam toerisme

 

 

300

Overige

61

87

87

Gedecentraliseerde agentschappen

575

714

748

4.  Ruimtevaart

11 502

14 404

15 225

Europees ruimtevaartprogramma

11 308

14 196

15 017

Gedecentraliseerde agentschappen

194

208

208

Marge

-1 913

10 824

13 026

II.  Cohesie en waarden

387 250

391 974

457 540

5.  Regionale ontwikkeling en cohesie

272 647

242 209

272 647

EFRO + Cohesiefonds

met inbegrip van:

272 411

241 996

272 411

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

196 564

200 622

 

Cohesiefonds

75 848

41 374

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

11 487

10 000

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

236

213

236

6.  Economische en monetaire unie

273

22 281

22 281

Steunprogramma voor hervormingen

185

22 181

22 181

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

7

7

Overige

81

93

93

7.  Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

115 729

123 466

157 612

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9 miljard EUR voor een kindergarantie)

96 216

89 688

106 781

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 075

1 042

1 095

Erasmus+

13 699

26 368

41 097

Europees Solidariteitskorps

373

1 113

1 113

Creatief Europa

1 403

1 642

2 806

Justitie

316

271

316

Rechten en waarden, met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR voor een onderdeel waarden van de Unie

594

570

1 627

Overige

1 158

1 185

1 185

Gedecentraliseerde agentschappen

1 971

2 629

2 687

Marge

-1 399

4 018

4 999

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

399 608

336 623

404 718

8.  Landbouw- en maritiem beleid

390 155

330 724

391 198

ELGF + Elfpo

met inbegrip van:

382 855

324 284

383 255

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

286 143

254 247

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

96 712

70 037

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 243

5 448

6 867

Overige

962

878

962

Gedecentraliseerde agentschappen

95

113

113

9.  Milieu en klimaatmaatregelen

3 492

5 085

11 520

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 221

4 828

6 442

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

4 800

Gedecentraliseerde agentschappen

272

257

278

Marge

5 960

814

1 999

IV.  Migratie en grensbeheer

10 051

30 829

32 194

10.  Migratie

7 180

9 972

10 314

Fonds voor asiel en migratie

6 745

9 205

9 205

Gedecentraliseerde agentschappen*

435

768

1 109

11.  Grensbeheer

5 492

18 824

19 848

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 773

8 237

8 237

Gedecentraliseerde agentschappen*

2 720

10 587

11 611

Marge

-2 621

2 033

2 033

V.  Veiligheid en defensie

1 964

24 323

24 639

12.  Veiligheid

3 455

4 255

4 571

Fonds voor interne veiligheid

1 200

2 210

2 210

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 359

1 045

1 359

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

459

490

692

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

900

555

667

Gedecentraliseerde agentschappen

896

1 001

1 002

13.  Defensie

575

17 220

17 220

Europees Defensiefonds

575

11 453

11 453

Militaire mobiliteit

0

5 767

5 767

14.  Crisisrespons

1 222

1 242

1 242

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

560

1 242

1 242

Overige

662

p.m.  

p.m.

Marge

-3 289

1 606

1 606

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

96 295

108 929

113 386

15.  Extern optreden

85 313

93 150

96 809

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

71 767

79 216

82 716

Humanitaire hulp

8 729

9 760

9 760

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 101

2 649

2 649

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

594

444

594

Overige

801

949

949

Gedecentraliseerde agentschappen

144

132

141

16.  Pretoetredingssteun

13 010

12 865

13 010

Pre-Accession Assistance

13 010

12 865

13 010

Marge

-2 027

2 913

3 567

VII.  Europees openbaar bestuur

70 791

75 602

75 602

Europese scholen en pensioenen

14 047

17 055

17 055

Administratieve uitgaven van de instellingen

56 744

58 547

58 547

TOTAAL

1 082 320

1 134 583

1 324 089

als % van het bni (EU-27)

1.16  %

1.11  %

1.30  %

* Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.

Bijlage IV – MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in lopende prijzen)

(miljoen EUR – lopende prijzen)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

114 538

187 370

243 395

1.  Onderzoek en innovatie

68 675

102 573

143 721

Horizon Europa

63 679

94 100

135 248

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 085

2 400

2 400

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 910

6 070

6 070

Overige

1

3

3

2.  Europese strategische investeringen

31 439

49 973

58 340

InvestEU-fonds

3 909

14 725

15 852

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 435

24 480

31 651

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

12 281

12 830

20 001

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – energie

4 163

8 650

8 650

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – digitaal

991

3 000

3 000

Programma Digitaal Europa

169

9 194

9 194

Overige

8 872

200

200

Gedecentraliseerde agentschappen

1 053

1 374

1 444

3.  Eengemaakte markt

5 017

6 391

9 494

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 485

4 089

6 563

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

153

181

363

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

222

270

339

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

526

950

950

Duurzaam toerisme

 

 

338

Overige

59

98

98

Gedecentraliseerde agentschappen

572

804

843

4.  Ruimtevaart

11 274

16 235

17 160

Europees ruimtevaartprogramma

11 084

16 000

16 925

Gedecentraliseerde agentschappen

190

235

235

Marge

-1 866

12 198

14 680

II.  Cohesie en waarden

380 738

442 412

516 517

5.  Regionale ontwikkeling en cohesie

268 218

273 240

307 578

EFRO + Cohesiefonds

met inbegrip van:

267 987

273 000

307 312

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

193 398

226 308

 

Cohesiefonds

74 589

46 692

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

11 306

11 285

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

231

240

266

6.  Economische en monetaire unie

275

25 113

25 113

Steunprogramma voor hervormingen

188

25 000

25 000

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

8

8

Overige

79

105

105

7.  Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

113 636

139 530

178 192

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9 miljard EUR in prijzen van 2018 voor een kindergarantie)

94 382

101 174

120 457

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 055

1 174

1 234

Erasmus+

13 536

30 000

46 758

Europees Solidariteitskorps

378

1 260

1 260

Creatief Europa

1 381

1 850

3 162

Justitie

 

305

356

Rechten en waarden, met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR in prijzen van 2018 voor een onderdeel waarden van de Unie

 

642

1 834

Overige

1 131

1 334

1 334

Gedecentraliseerde agentschappen

1 936

2 965

3 030

Marge

-1 391

4 528

5 634

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

391 849

378 920

456 146

8.  Landbouw- en maritiem beleid

382 608

372 264

440 898

ELGF + Elfpo

met inbegrip van:

375 429

365 006

431 946

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

280 351

286 195

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

95 078

78 811

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 139

6 140

7 739

Overige

946

990

1 085

Gedecentraliseerde agentschappen

94

128

128

9.  Milieu en klimaatmaatregelen

3 437

5 739

12 995

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 170

5 450

7 272

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

5 410

Gedecentraliseerde agentschappen

267

289

313

Marge

5 804

918

2 254

IV.  Migratie en grensbeheer

9 929

34 902

36 448

10.  Migratie

7 085

11 280

11 665

Fonds voor asiel en migratie

6 650

10 415

10 415

Gedecentraliseerde agentschappen*

435

865

1 250

11.  Grensbeheer

5 439

21 331

22 493

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 734

9 318

9 318

Gedecentraliseerde agentschappen*

2 704

12 013

13 175

Marge

-2 595

2 291

2 291

V.  Veiligheid en defensie

1 941

27 515

27 872

12.  Veiligheid

3 394

4 806

5 162

Fonds voor interne veiligheid

1 179

2 500

2 500

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 334

1 178

1 533

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

451

552

780

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

883

626

753

Gedecentraliseerde agentschappen

882

1 128

1 129

13.  Defensie

590

19 500

19 500

Europees Defensiefonds

590

13 000

13 000

Militaire mobiliteit

0

6 500

6 500

14.  Crisisrespons

1 209

1 400

1 400

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

561

1 400

1 400

Overige

648

p.m.

p.m

Marge

-3 253

1 809

1 809

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

93 381

123 002

128 036

15.  Extern optreden

82 569

105 219

109 352

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

70 428

89 500

93 454

Humanitaire hulp

8 561

11 000

11 000

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 066

3 000

3 000

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

582

500

669

Overige

790

1 070

1 070

Gedecentraliseerde agentschappen

141

149

159

16.  Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Marge

-1 987

3 283

4 020

VII.  Europees openbaar bestuur

69 584

85 287

85 287

Europese scholen en pensioenen

13 823

19 259

19 259

Administratieve uitgaven van de instellingen

55 761

66 028

66 028

TOTAAL

1 061 960

1 279 408

1 493 701

als % van het bni (EU-27)

1,16 %

1,11 %

1,30 %

* Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075 en P8_TA(2018)0076.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.
(3) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 249.
(4) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.
(5) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.


Staatssteunregels: nieuwe soorten staatssteun *
PDF 242kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (COM(2018)0398 – C8-0316/2018 – 2018/0222(NLE))
P8_TA-PROV(2018)0450A8-0315/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0398),

–  gezien artikel 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0316/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0315/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB
PDF 287kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over wapenuitvoer: uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (2018/2157(INI))
P8_TA-PROV(2018)0451A8-0335/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde beginselen, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, de handhaving van de vrede, de voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale veiligheid,

–  gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(1) ("het gemeenschappelijk standpunt"),

–  gezien het negentiende jaarverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt(2),

–  gezien Besluit nr. 101/2309/GBVB van de Raad van 22 januari 2018 betreffende het bevorderen van doeltreffende controle op de wapenuitvoer(3) en Besluit nr. 915/915/GBVB van de Raad van 29 mei 2017 over activiteiten van de Unie ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag(4),

–  gezien de bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen die op 26 februari 2018 door de Raad is goedgekeurd(5),

–  gezien de gids voor de gebruiker bij het Gemeenschappelijk Standpunt tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,

–  gezien het Wassenaar Arrangement van 12 mei 1996 betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede de in 2017 bijgewerkte lijsten van deze goederen en technologieën en munitie(6),

–  gezien het strategisch EU-kader en EU-actieplan voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012, en met name resultaat 11, onder e), van het actieplan, en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) van 20 juli 2015, en met name doelstelling 21, onder d),

–  gezien het Wapenhandelsverdrag (WHV), dat op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangenomen(7) en op 24 december 2014 in werking is getreden,

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(8),

–  gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(9), als gewijzigd in Verordening (EU) nr. 599/2014 van 16 april 2014, en de lijst van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik in bijlage I ("verordening tweeërlei gebruik"),

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, met name doelstelling 16 ter bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,

–  gezien de agenda voor ontwapening van de Verenigde Naties, getiteld "Securing our common future",

–  gezien Verordening (EU) 2016/2134 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(10),

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN aan de Mensenrechtenraad over het effect van wapenleveringen op het genot van mensenrechten(11),

–  gezien zijn eerdere resoluties over deze kwestie, met name die van 13 september 2017(12) en 17 december 2015(13) over de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijk standpunt,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de EU (EDIDP) (COM(2017)0294) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds (COM(2018)0476),

–  gezien zijn resoluties over de humanitaire situatie in Jemen van 25 februari 2016(14), 15 juni 2017(15) en 30 november 2017(16),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(17),

–  gezien het verslag van de Mensenrechtenraad van 17 augustus 2018 over de mensenrechtensituatie in Jemen, met inbegrip van schendingen en misbruiken sinds september 2014 (A/HRC/39/43),

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0335/2018),

A.  overwegende dat in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt voorzien in het natuurlijke recht op individuele of collectieve zelfverdediging;

B.  overwegende dat wapenuitvoer en -overdracht ontegenzeggelijk gevolgen hebben voor de mensenrechten, de veiligheid van mensen, de sociaal-economische ontwikkeling en de democratie; overwegende dat wapenuitvoer ook bijdraagt tot omstandigheden die mensen dwingen hun land te ontvluchten; overwegende dat dit redenen zijn om een streng, transparant, doeltreffend en algemeen aanvaard en gedefinieerd wapenbeheersingssysteem op te zetten;

C.  overwegende dat het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad een juridisch bindend kader is waarin acht criteria zijn vastgelegd; overwegende dat indien niet aan deze criteria wordt voldaan, de afgifte van een uitvoervergunning moet worden geweigerd (criteria 1 t/m 4) of op zijn minst moet worden overwogen een uitvoervergunning te weigeren (criteria 5 t/m 8); overwegende dat het besluit om militaire goederen of technologie over te dragen dan wel die overdracht te weigeren, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt tot de nationale bevoegdheid van de lidstaten behoort;

D.  overwegende dat uit de meest recente cijfers(18) blijkt dat de EU-28 in de periode 2013‑2017 verantwoordelijk was voor 27 % van de totale wereldwijde wapenuitvoer, wat betekent dat de EU-28 de op een na grootste wapenleverancier ter wereld is, na de Verenigde Staten (34 %) en met Rusland op de derde plaats (22 %); overwegende dat sinds de EU gegevens verzamelt, de meeste wapenuitvoervergunningen (cijfers in waarde) zijn verleend in 2015 en 2016, met een totale waarde van 195,95 miljard EUR in 2015 en, volgens het meest recente verslag van de Groep export van conventionele wapens (Coarm), 191,45 miljard EUR in 2016(19); overwegende dat de cijfers voor 2015 en 2016 helaas misleidend en onnauwkeurig zijn, aangezien het volume vergunningen deels eerder een uitdrukking van intenties is dan een nauwkeurig cijfer over de werkelijke uitvoer die in de nabije toekomst kan worden verwacht;

E.  overwegende dat de jaarverslagen van de Groep Coarm tot nog toe het enige instrument zijn dat tot doel heeft de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt te evalueren; overwegende dat deze verslagen tot grotere transparantie over de wapenuitvoer van de lidstaten hebben bijgedragen en dat het volume aan richtsnoeren en toelichtingen in de gids voor de gebruiker sterk is toegenomen; overwegende dat de hoeveelheid informatie over de afgifte van wapenuitvoervergunningen dankzij het gemeenschappelijk standpunt is toegenomen;

F.  overwegende dat zowel de mondiale als de regionale veiligheidssituatie ingrijpend is veranderd, met name wat de buurlanden ten zuiden en ten oosten van de Unie betreft, waaruit blijkt dat de methoden voor het produceren van informatie ten behoeve van risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen dringend moeten worden verbeterd en zekerder moeten worden gemaakt;

G.  overwegende dat overeenkomstig artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt in deze acht criteria slechts minimumnormen worden vastgesteld en dat de lidstaten restrictievere wapenbeheersingsmaatregelen mogen treffen; overwegende dat het besluitvormingsproces voor de afgifte of weigering van een wapenuitvoervergunning uitsluitend tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort;

H.  overwegende dat niet alle lidstaten volledige gegevens aan de Groep Coarm doorgeven; overwegende dat de afzonderlijke lidstaten uiteenlopende gegevensverzamelingsregelingen en indieningsprocedures hebben en de acht criteria op uiteenlopende wijze interpreteren, waardoor de gegevenssets onvolledig zijn en variëren, en dat de wapenuitvoerpraktijken sterk uiteenlopen; wijst erop dat bij de uitwisseling van informatie de nationale wetgeving en administratieve procedures van elk land moeten worden nageleefd;

I.  overwegende dat er momenteel geen mechanisme bestaat voor gestandaardiseerde, onafhankelijke verificatie en rapportage van de naleving van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt;

J.  overwegende dat er de laatste jaren maatregelen zijn genomen tegen de handel in handvuurwapens en lichte wapens, met een geactualiseerde lijst van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik in het kader van het Wassenaar Arrangement; overwegende dat kwesties zoals toezicht op de tussenhandel in wapens, productie onder licentie buiten de EU en eindgebruikerscontrole op de agenda zijn gezet en tot op zekere hoogte in het gemeenschappelijk standpunt zelf zijn opgenomen, maar dat veel producten, met name op het gebied van goederen voor tweeërlei gebruik, cybertechnologie en surveillance, nog steeds niet onder het controlesysteem vallen;

K.  overwegende dat uit het negentiende jaarverslag blijkt dat 40,5 % van de wapenuitvoervergunningen is verleend voor landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, voor een waarde van 77,5 miljard EUR, en dat Saudi-Arabië, Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) het grootste deel van deze uitvoer voor hun rekening nemen, voor een waarde van 57,9 miljard EUR;

L.  overwegende dat de wapens die naar bepaalde landen zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld naar Saudi-Arabië, de VAE en leden van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië, in sommige gevallen zijn gebruikt bij conflicten, zoals in Jemen; overwegende dat dergelijke uitvoer duidelijk in strijd is met het gemeenschappelijk standpunt;

M.  overwegende dat het Europees Parlement op 25 februari 2016 de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) in een resolutie over de humanitaire situatie in Jemen heeft verzocht het initiatief te nemen om een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië in te stellen;

N.  overwegende dat wapens met een vergunning voor overdracht door EU-lidstaten die daarna worden gebruikt in het huidige conflict in Jemen een rampzalige invloed hebben gehad op duurzame ontwikkeling in Jemen;

O.  overwegende dat de defensiesector een aandachtspunt van het EU-beleid is geworden, zoals blijkt uit de integrale EU-strategie, waarin staat dat een "duurzame, innovatieve en concurrerende Europese defensie-industrie [...] van wezenlijk belang [is] voor de strategische autonomie van Europa en voor een geloofwaardig GDVB"(20); overwegende dat wapenuitvoer van essentieel belang is voor de versterking van de Europese industriële en technologische defensiebasis en dat de defensiesector in de eerste plaats zorgt voor de verdediging en veiligheid van de EU-lidstaten en zo bijdraagt aan de tenuitvoerlegging van het GBVB; overwegende dat de hoofdtaak van het Europees Defensiefonds en, als voorloper, het onlangs opgezette EDIDP "het versterken van het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie"(21) is;

P.  overwegende dat mede dankzij de transparantiemaatregelen zoals de controle op wapenuitvoer, het onderling vertrouwen tussen de lidstaten toeneemt;

Q.  overwegende dat in artikel 10 van het gemeenschappelijk standpunt duidelijk staat dat de naleving van de acht criteria prevaleert boven eventuele economische, sociale, commerciële en industriële belangen van de lidstaten;

Het gemeenschappelijk standpunt schragen en beter ten uitvoer leggen

1.  onderstreept dat landen het legitieme recht hebben om ter zelfverdediging militaire technologie te verwerven; merkt op dat het behoud van de defensiesector bijdraagt tot de zelfverdediging van de lidstaten;

2.  stelt vast dat een Europese defensiemarkt dient als instrument om de veiligheid en defensie van de lidstaten en burgers van de Unie te waarborgen en bijdraagt aan de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en met name het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); verzoekt de lidstaten het huidige gebrek aan doeltreffendheid in de defensie-uitgaven ten gevolge van duplicatie, fragmentatie en een gebrek aan interoperabiliteit te verhelpen en er zorg voor te dragen dat de EU een verschaffer van veiligheid wordt door betere controle over wapenuitvoer uit te oefenen;

3.  erkent dat de EU de enige unie van staten is die beschikt over een juridisch bindend kader om de controle op wapenuitvoer te verbeteren, ook in crisisgebieden en landen met een twijfelachtige staat van dienst op het gebied van de mensenrechten; verheugt zich er in dit verband over dat Europese en niet-Europese derde landen zich hebben aangesloten bij het systeem voor de controle op wapenuitvoer op grond van het gemeenschappelijk standpunt; moedigt ook landen die de procedure doorlopen om de status van kandidaat-lidstaat te verwerven of op enige andere manier toetreding tot de EU nastreven, aan om de bepalingen van het gemeenschappelijk standpunt toe te passen;

4.  benadrukt dat de EU-delegaties dringend een grotere rol moeten gaan spelen door de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) bij te staan bij hun risicobeoordelingen van uitvoervergunningen, hun eindgebruikercontroles, controles na verzending en inspecties ter plaatse;

5.  stelt vast dat de acht criteria op uiteenlopende wijze worden toegepast door de lidstaten; vraagt dat de acht criteria op uniforme, consistente en gecoördineerde wijze worden toegepast en dat het gemeenschappelijk standpunt met al zijn verplichtingen volledig wordt uitgevoerd;

6.  is van mening dat de methoden voor risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen een voorzorgsbeginsel dienen te bevatten en dat lidstaten niet alleen moeten beoordelen of bepaalde militaire technologie wordt gebruikt voor binnenlandse onderdrukking of andere ongewenste doeleinden, maar ook risico's moeten beoordelen op basis van de algehele situatie in het land van bestemming, rekening houden met factoren zoals de staat van de democratie, de rechtsstaat en de sociaaleconomische ontwikkeling;

7.  vraagt de lidstaten en de EDEO, overeenkomstig zijn aanbevelingen van 13 september 2017, de huidige evaluatie aan te grijpen om mechanismen voor informatie-uitwisseling te versterken door kwalitatief en kwantitatief betere informatie uit te wisselen voor risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen, door:

   a) tijdig en systematisch meer informatie ter beschikking te stellen over uitvoervergunningen en daadwerkelijke uitvoer, onder andere over eindgebruikers die een potentieel risico vormen, gevallen van omleiding, vervalste of onbetrouwbare eindgebruikerscertificaten en verdachte makelaars of transportbedrijven, in overeenstemming met het nationaal recht;
   b) een lijst van entiteiten en individuen bij te houden die veroordeeld zijn wegens schending van de wetgeving inzake wapenuitvoer, van gevallen waarbij omleiding is vastgesteld en van personen van wie is vastgesteld of wordt vermoed dat ze betrokken zijn bij illegale wapenhandel of activiteiten die een bedreiging vormen voor de internationale en nationale veiligheid;
   c) de aangenomen best practices met betrekking tot de toepassing van de acht criteria te delen;
   d) de huidige gids voor de gebruiker online beschikbaar te stellen als interactieve gids;
   e) de EU-jaarverslagen vóór eind 2019 om te zetten in een open en openbare onlinedatabank (met daarin de gegevens vanaf 2017);
   f) duidelijke en goed vastgelegde procedures voor samenwerking tussen de rechtshandhavingsinstanties en de grensautoriteiten op basis van informatie-uitwisseling te bevorderen om de samenwerking op het gebied van veiligheid te versterken en illegale wapenhandel, die een bedreiging vormt voor de veiligheid van de EU en haar burgers, uit te bannen;

8.  verzoekt de lidstaten en de EDEO om zowel op nationaal als op EU-niveau het aantal personeelsleden dat zich bezighoudt met kwesties met betrekking tot uitvoer, te verhogen; moedigt het gebruik aan van EU-financiering voor capaciteitsopbouw bij ambtenaren in de lidstaten die instaan voor het uitreiken van vergunningen en voor de handhaving;

9.  herinnert eraan dat het gemeenschappelijk standpunt onder andere is vastgesteld om te voorkomen dat Europese wapens worden gebruikt tegen de strijdkrachten van de lidstaten, dat de mensenrechten worden geschonden en dat gewapende conflicten blijven aanslepen; herhaalt dat in het gemeenschappelijk standpunt minimumvoorschriften zijn vastgelegd die de lidstaten worden geacht toe te passen op het gebied van controle op de wapenuitvoer en dat het de verplichting omvat om een aanvraag voor een uitvoervergunning te toetsen aan alle acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt;

10.  hekelt het feit dat de lidstaten de acht criteria systematisch niet toepassen en dat militaire technologie soms op bestemmingen en bij eindgebruikers terechtkomt die niet aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt voldoen; vraagt nogmaals om een onafhankelijke beoordeling van de naleving van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt door de lidstaten; meent dat er moet worden gestreefd naar een grotere convergentie bij de toepassing van de acht criteria; betreurt dat het ontbreekt aan bepalingen betreffende sancties voor lidstaten die bij de verlening van vergunningen niet vooraf controleren of de acht criteria zijn nageleefd; verzoekt de lidstaten de samenhang van de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt te verbeteren en raadt hen aan te voorzien in regelingen om onafhankelijke controles te verrichten;

11.  is van mening dat uitvoer naar Saudi-Arabië, de VAE en andere leden van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen in strijd is met ten minste criterium 2, aangezien die landen betrokken zijn bij ernstige schendingen van het humanitair recht, zoals is vastgesteld door bevoegde VN-instanties; herhaalt zijn oproep van 13 september 2017 om dringend een wapenembargo tegen Saudi-Arabië in te stellen en vraagt de HV/VV en de Raad een dergelijk embargo ook uit te breiden tot alle andere leden van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen;

12.  is van mening dat er een proces moet worden opgestart om een mechanisme in te voeren dat lidstaten bestraft als ze in strijd met het gemeenschappelijk standpunt handelen;

13.  stelt vast dat een aantal lidstaten niet langer wapens aan Saudi-Arabië en andere leden van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen levert vanwege hun acties, terwijl andere lidstaten militaire technologie zijn blijven leveren; looft eerstgenoemde lidstaten, zoals Duitsland en Nederland, die hun handelwijze ten aanzien van het conflict in Jemen hebben gewijzigd; betreurt evenwel ten zeerste het feit dat andere lidstaten geen rekening lijken te houden met het gedrag van het land van bestemming en het eindgebruik van uitgevoerde wapens en munitie; benadrukt dat deze uiteenlopende handelswijzen het hele wapencontrolesysteem in Europa dreigen te ondergraven;

14.  is verontrust over het feit dat vrijwel alle vergunningsaanvragen voor uitvoer naar specifieke landen zoals Saudi-Arabië zijn ingewilligd, hoewel uitvoer naar die landen ten minste in strijd is met de criteria 1 t/m 6 van het gemeenschappelijk standpunt, en dat terwijl een vergunning moet worden geweigerd als niet aan de criteria 1 t/m 4 wordt voldaan; betreurt dat bijna alle vergunningsaanvragen (95 %) voor uitvoer naar Saudi-Arabië zijn ingewilligd wat betreft categorie ML9(22) (oorlogsschepen, die worden gebruikt om de zeeblokkade tegen Jemen te handhaven) en de categorieën ML10 (luchtvaartuigen) en ML4 (bommen enz.), die een cruciale rol hebben gespeeld tijdens de luchtcampagne en hebben bijgedragen aan de verslechtering van de humanitaire situatie, de ondermijning van de duurzame ontwikkeling van het hele land en het voortdurende lijden van de Jemenitische bevolking;

15.  is onthutst over het aantal in de EU vervaardigde wapens en munitie die in Syrië en Irak in de handen van Da'esh zijn aangetroffen; stelt vast dat Bulgarije en Roemenië tekortschieten bij de uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, in de zin dat zij heroverdrachten mogelijk maken waarbij de regels inzake eindgebruikerscertificaten niet in acht worden genomen; vraagt alle lidstaten soortgelijke overdrachten in de toekomst te weigeren, met name naar de VS en Saudi-Arabië, en vraagt de EDEO en de lidstaten, met name Bulgarije en Roemenië, in de context van de Groep Coarm maar ook openbaar voor de Subcommissie veiligheid en defensie (SEDE) van het Europees Parlement, uit te leggen welke maatregelen ze ter zake hebben genomen; vraagt de EDEO de vele gevallen aan te pakken die aan het licht zijn gekomen in het recente Conflict Armament Research-verslag, in de Groep Coarm en relevante fora meer doeltreffende methoden te onderzoeken om het risico op omleiding te beoordelen, en de lidstaten in de context van de evaluatie te verplichten een uitvoervergunning te weigeren als er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologieën zouden kunnen worden omgeleid; besluit een onderzoek naar deze kwestie in te stellen;

16.  is bezorgd over het feit dat de levering van wapensystemen in oorlogstijd en in situaties van aanzienlijke politieke spanning burgers onevenredig sterk kan treffen; benadrukt dat conflicten bij voorkeur op diplomatieke wijze moeten worden opgelost; vraagt de EU-lidstaten daarom werk te maken van een echt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;

17.  is van oordeel dat een beter toepassing van criterium 8 een doorslaggevende bijdrage zou leveren aan de EU-doelstellingen inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de VN, in het bijzonder SDG 16.4; vraagt de lidstaten en de EDEO in dit verband gebruik te maken van de lopende evaluatie van de gemeenschappelijk standpunt; beveelt aan om de gebruikersgids in dit verband bij te werken en niet alleen te focussen op het effect van de aankoop van wapens op de ontwikkeling van het ontvangende land, maar ook op de mogelijke schade die aan ontwikkeling wordt toegebracht door het gebruik van wapens, ook in andere landen dan het ontvangende land;

18.  stelt voor om na te gaan hoe de EU de lidstaten kan helpen om de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt na te leven, met name door informatie te verstrekken tijdens de risicobeoordelingen, de eindgebruikerscontroles en de verificaties vooraf van verzendingen, alsook door een geregeld bijgewerkte lijst van derde landen ter beschikking te stellen die de criteria van het gemeenschappelijk standpunt in acht nemen;

19.  neemt er nota van dat de Raad in 2018 een herevaluatie van de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt en de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan verricht; vraagt dat het gemeenschappelijk standpunt wordt geëvalueerd om na te gaan hoe het op nationaal niveau wordt uitgevoerd, en dat daarbij ook wordt gekeken naar de verschillende manieren waarop het in de wet- en regelgeving van de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd, de methoden die worden gehanteerd om vergunningsaanvragen te beoordelen en de betrokken overheidsinstanties en ministeries; benadrukt in dit verband dat projecten die in het kader van het onlangs opgezette EDIDP en het toekomstige Defensiefonds worden gefinancierd, onder nationale en EU-controle- en rapportagemechanismen of ‑regelingen moeten vallen en aan volledige parlementaire controle moeten worden onderworpen; is van mening dat ook de voorgestelde Europese Vredesfaciliteit aan volledige parlementaire controle moet worden onderworpen;

20.  vraagt de lidstaten het huidige gebrek aan doeltreffendheid in de defensie-uitgaven ten gevolge van duplicatie, fragmentatie en een gebrek aan interoperabiliteit te verhelpen en ervoor te zorgen dat de EU een verschaffer van veiligheid wordt door wapenuitvoer beter te controleren;

21.  meent dat productgerelateerde acties met betrekking tot kleine en lichte wapens en wanneer ze hoofdzakelijk voor uitvoerdoeleinden ontwikkeld werden, zouden moeten worden uitgesloten van financiering door de Unie in de context van de toekomstige verordening tot oprichting van het Europees Defensiefonds (EDF) (COM(2018)0476);

22.  meent dat het in het kader van de brexit van belang is dat het Verenigd Koninkrijk zich ertoe verbindt gebonden te blijven aan het gemeenschappelijk standpunt en, zoals andere Europese derde landen, de uitvoeringsbepalingen daarvan blijft toepassen;

23.  benadrukt dat de ambitie om het concurrentievermogen van de Europese defensiesector te vergroten, de toepassing van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt niet mag ondermijnen, aangezien zij voorrang hebben op economische, commerciële, sociale of industriële belangen van de lidstaten;

24.  meent dat de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/43/EG betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap in overeenstemming moet zijn met het gemeenschappelijk standpunt, ook waar het (reserve)onderdelen betreft; merkt op dat het gemeenschappelijk standpunt een onbeperkt toepassingsgebied heeft en dat de acht criteria dus ook gelden voor wapenoverdracht binnen de EU;

25.  wijst nogmaals op het nadelige effect dat onvoldoende gecontroleerde uitvoer van technologieën voor cybertoezicht door EU-ondernemingen kan hebben op de veiligheid van de digitale infrastructuur van de EU en de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt in dit verband het belang van een spoedige, effectieve en alomvattende actualisering van de verordening tweeërlei gebruik, herinnert aan het standpunt van het Parlement over het voorstel van de Commissie, dat in januari 2018 met een overweldigende meerderheid is aangenomen, en stelt voor dat de Raad een ambitieus standpunt vaststelt zodat de medewetgevers voor het einde van deze zittingsperiode overeenstemming kunnen bereiken; vraagt de lidstaten bij de controle op uitvoer en bij de toepassing van de acht criteria meer aandacht te besteden aan goederen die voor zowel civiele als militaire doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals surveillancetechnologie, en ook aan onderdelen die kunnen worden gebruikt voor cyberoorlogsvoering of om schendingen van de mensenrechten te begaan; vraagt de lidstaten en de Commissie voldoende financiële middelen te investeren in technologie en personeel om mensen op te leiden in specifieke cyberbeveiligingsprogramma's; verzoekt de lidstaten op internationaal niveau te ijveren voor de opname van die goederen in de controlelijsten (met name die van het Wassenaar Arrangement);

26.  moedigt de lidstaten aan om uitvoeriger onderzoek te doen naar productie onder licentie in derde landen en extra vrijwaringsmaatregelen te treffen tegen ongewenst gebruik; eist een strikte toepassing van het gemeenschappelijk standpunt wat betreft productie onder licentie in derde landen; vraagt dat productie onder licentie wordt beperkt tot landen die partij zijn bij of ondertekenaar zijn van het Wapenhandelsverdrag (WHV), en dat deze derde landen worden verplicht alleen uitrusting uit te voeren die onder licentie is geproduceerd en waarvoor uitdrukkelijk toestemming is verleend door de oorspronkelijke uitvoerende lidstaat;

27.  benadrukt dat er een aanpak moet worden uitgewerkt om situaties waarin lidstaten de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt op uiteenlopende wijze interpreteren hoewel ze producten die in wezen dezelfde zijn, naar vergelijkbare bestemmingen en eindgebruikers uitvoeren, te verhelpen, zodat er een gelijk speelveld blijft bestaan en de geloofwaardigheid van de EU in het buitenland niet in het gedrang komt;

28.  verzoekt de lidstaten en de EDEO een specifieke strategie te ontwikkelen om formele bescherming te bieden aan klokkenluiders die melding maken van praktijken van entiteiten en bedrijven in de wapenindustrie die indruisen tegen de criteria en beginselen van het gemeenschappelijk standpunt;

29.  eist bovendien dat de acht criteria ook worden uitgebreid tot en worden toegepast op de overdracht van militair, veiligheids- en politiepersoneel, op aan wapenuitvoer gerelateerde diensten, knowhow en opleiding, veiligheidstechnologie en particuliere militaire en veiligheidsdiensten;

30.  verzoekt de lidstaten en de EDEO nauw samen te werken om risico's die uit de onttrekking en opslag van wapens voortvloeien, zoals illegale wapenhandel en ‑smokkel, te voorkomen; wijst op het risico dat naar derde landen uitgevoerde wapens via illegale wapenhandel en ‑smokkel opnieuw in de EU worden binnengebracht;

31.  verzoekt de lidstaten en de EDEO een nieuw criterium aan het gemeenschappelijk standpunt toe te voegen om te waarborgen dat er bij het verlenen van uitvoervergunningen voldoende rekening wordt gehouden met het risico van corruptie in verband met wapenuitvoer;

Jaarverslag van de Groep Coarm

32.  waardeert de inspanningen van de Groep Coarm met betrekking tot samenwerking, coördinatie en convergentie (met name door gebruik te maken van de gids voor de gebruiker van het gemeenschappelijk standpunt) en de versterking en uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt, met name wat betreft bewustmakingscampagnes en onderlinge aanpassing en harmonisering in de EU en met derde landen;

33.  betreurt de zeer late publicatie van het achttiende jaarverslag over 2015 in maart 2017 en van het negentiende jaarverslag over 2016 in februari 2018; vraagt dat er voor een actuelere en meer gestandaardiseerde rapportageprocedure wordt gezorgd, waarin de maand januari volgend op het jaar waarin de uitvoer plaatsvond, wordt vastgesteld als strikte deadline voor het indienen van bijdragen en de maand maart volgend op het jaar waarin de uitvoer plaatsvond als vaste publicatiedeadline;

34.  herinnert eraan dat alle lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt verplicht zijn verslag uit te brengen over hun wapenuitvoer en dringt er bij alle lidstaten op aan volledig te voldoen aan hun verplichtingen zoals die in het gemeenschappelijk standpunt zijn vastgelegd; benadrukt dat kwalitatief hoogwaardige en uitgesplitste gegevens over de reële uitvoer cruciaal zijn om inzicht te krijgen in de toepassing van de acht criteria;

35.  hekelt het feit dat een aantal lidstaten geen volledige bijdrage aan het negentiende jaarverslag op basis van gedetailleerde, landspecifieke gegevens hebben ingediend; is bezorgd over het feit dat daardoor belangrijke informatie ontbreekt in het jaarverslag van Coarm, dat bijgevolg niet actueel is en geen volledig beeld kan geven van de uitvoeractiviteiten van de lidstaten; is van mening dat er een gestandaardiseerd verificatie- en rapportagesysteem moet worden opgezet om gedetailleerdere en volledigere informatie te verstrekken; vraagt nogmaals dat alle lidstaten die geen volledige gegevens hebben ingediend, met het oog op het volgende jaarverslag aanvullende informatie over hun uitvoer in het verleden verstrekken;

36.  merkt op dat de criteria voor weigering volgens het negentiende jaarverslag op uiteenlopende wijze zijn toegepast: criterium 1 is 82 keer aangevoerd, criterium 2 119 keer, criterium 3 103 keer, criterium 4 85 keer, criterium 5 8 keer, criterium 6 12 keer, criterium 7 139 keer en criterium 8 één keer; stelt met bezorgdheid vast dat het aantal geweigerde vergunningen zowel in totaal als relatief gezien is gedaald (in 2016 is slechts 0,76 % van de vergunningsaanvragen afgewezen, tegen bijna 1 % in 2015); is teleurgesteld dat in het verslag nog steeds geen cijfers staan over het resultaat van raadplegingen met betrekking tot kennisgevingen van weigeringen, en vraagt de lidstaten deze gegevens in toekomstige jaarverslagen op te nemen;

37.  stelt voor om aanvullende informatie bij de lidstaten in te winnen en zowel op nationaal niveau als in het Coram-jaarverslag te publiceren; stelt ook voor dat het Coarm-jaarverslag wordt aangevuld met een samenvatting waarin trends ten opzichte van de vorige jaren en geaggregeerde cijfers worden vermeld;

Het Parlement en het maatschappelijk middenveld

38.  stelt vast dat niet alle nationale parlementen in de EU regeringsbesluiten over vergunningen controleren; wijst op het Reglement van het Parlement, waarin de mogelijkheid van regelmatige reacties op de EU-jaarverslagen over wapenuitvoer wordt geboden en roept in dit verband op de huidige situatie te verbeteren en te garanderen dat het Parlement op het jaarverslag van de Groep Coarm zal reageren met zijn eigen jaarverslag, buiten het quotum om; verzoekt de nationale parlementen eventuele bestaande good practices inzake rapportering over en toezicht op wapenuitvoer uit te wisselen;

39.  benadrukt dat voor de nationale parlementen, het Europees Parlement, het maatschappelijk middenveld, de voor wapenuitvoer bevoegde controle-instanties en de sectorale organisaties een belangrijke rol is weggelegd bij het ondersteunen en aanmoedigen van de in het gemeenschappelijk standpunt overeengekomen normen op nationaal en op EU-niveau en bij het opzetten van een transparant controlesysteem waarbij verantwoording wordt afgelegd; dringt daarom aan op een transparant en robuust controlemechanisme dat de rol van de parlementen en het maatschappelijk middenveld versterkt; moedigt de nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld aan om onafhankelijke controle uit te oefenen op wapenhandel en vraagt de lidstaten en de EDEO dergelijke activiteiten, ook financieel, te ondersteunen;

40.  benadrukt het belang en de legitimiteit van parlementair toezicht op gegevens over de controle op wapenuitvoer en de wijze waarop die controle wordt uitgevoerd; vraagt in dit verband dat in de nodige maatregelen, ondersteuning en informatie wordt voorzien om ervoor te zorgen dat de functie van publiek toezicht ten volle kan worden uitgeoefend;

41.  stelt voor om de uitvoer van producten die in het kader van het EDIDP en/of het Europees Defensiefonds (EDF) zijn gefinancierd, afzonderlijk te vermelden in de gegevens die bij de Groep Coarm worden ingediend, om te zorgen voor een nauwlettende monitoring van de producten die met middelen uit de Europese begroting zijn gefinancierd; vraagt de Raad en het Parlement een gedetailleerd interpretatie- en uitvoeringsregime overeen te komen, met inbegrip van een toezichtsinstantie, een sanctie-instantie en een ethische commissie, opdat de criteria van het gemeenschappelijk standpunt ten minste worden toegepast op de producten die in het kader van het EDIDP en/of het EDF worden gefinancierd, teneinde gelijke uitvoerkaders voor de betrokken landen te waarborgen; is van mening dat de gezamenlijke interpretatie en uitvoering moeten van toepassing dienen te zijn op alle wapenuitvoer uit de lidstaten;

Internationale wapenbeheersing en ontwapening

42.  herinnert aan de ambitie van de EU om een wereldspeler ten dienste van de vrede te zijn; is van mening dat de EU recht moet doen aan haar toegenomen verantwoordelijkheid voor vrede en veiligheid in Europa en in de wereld door verdere initiatieven voor betere uitvoercontrolemechanismen en ontwapening te nemen en dat zij, als verantwoordelijke mondiale speler, het voortouw moet nemen, d.w.z. dat de EU een actieve rol moet spelen – en dat de lidstaten hun uiterste best moeten doen om een gemeenschappelijk standpunt in te nemen – op het gebied van non-proliferatie van wapens, wereldwijde ontwapening en controle op wapenoverdracht, alsook door meer onderzoek naar en ontwikkeling van technologieën en processen voor omschakeling van structuren voor militair gebruik naar structuren voor civiel gebruik, en door maatregelen zoals het toekennen van voordelen voor de uitvoer van de goederen in kwestie;

43.  herinnert eraan dat alle lidstaten het WHV hebben ondertekend; dringt aan op de universalisering van het WHV en een sterkere focus op de landen die het verdrag niet hebben ondertekend; prijst ook de bewustmakingsinspanningen met betrekking tot het WHV en steunt de effectieve tenuitvoerlegging ervan;

44.  moedigt de lidstaten aan om derde landen te helpen bij het opzetten, verbeteren en toepassen van systemen voor de controle op wapens die in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk standpunt;

45.  herhaalt nogmaals zijn standpunt over dodelijke autonome wapensystemen; roept op tot een verbod op de uitvoer van producten die worden gebruikt bij de ontwikkeling en productie van dergelijke wapensystemen;

46.  wijst erop dat een doeltreffende internationale overeenkomst inzake wapenbeheersing betrekking moet hebben op alle overdrachten, ook overdrachten tussen staten, overdrachten en leasing tussen staten en niet-statelijke eindgebruikers, alsook leningen, giften, hulp of enigerlei andere vorm van overdracht;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.
(2) PB L 56 van 14.2.2018, blz. 1.
(3) PB L 17 van 13.1.2018, blz. 40.
(4) PB L 139 van 30.5.2017, blz. 38.
(5) PB C 98 van 15.3.2018, blz. 1.
(6) http://www.wassenaar.org/control-lists/, "lijst van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik en munitie" – Wassenaar Arrangement betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, 25 maart 2015.
(7) Wapenhandelsverdrag, VN, 13-27217.
(8) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(9) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.
(10) PB L 338 van 13.12.2016, blz. 1.
(11) A/HRC/35/8.
(12) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 63.
(13) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 178.
(14) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.
(15) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 146.
(16) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 104.
(17) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.
(18) "Trends in international arms transfers, 2017", factsheet van het SIPRI, maart 2018.
(19) http://enaat.org/eu-export-browser/licence.en.html
(20) "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie", Brussel, juni 2016.
(21) Oprichting van het Europees Defensiefonds, COM(2017)0295, Brussel, 7 juni 2017.
(22) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52016XG0406(01)&from=NL


Toekenning van bevoegdheden aan mededingingsautoriteiten en waarborging van de goede werking van de interne markt ***I
PDF 607kWORD 105k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (COM(2017)0142 – C8-0119/2017 – 2017/0063(COD))
P8_TA-PROV(2018)0452A8-0057/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0142),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 103 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0119/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0057/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

P8_TC1-COD(2017)0063


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 103 en 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn voorschriften van openbare orde en moeten in de gehele Unie op doelmatige wijze worden toegepast om ervoor te zorgen dat de mededinging op de interne markt niet wordt vervalst. Doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU is noodzakelijk om in de Unie eerlijker en opener concurrerende markten te waarborgen, waar ondernemingen meer kunnen concurreren op basis van hun merites en zonder door ondernemingen gecreëerde belemmeringen voor markttoegang, zodat zij welvaart kunnen genereren en banen kunnen scheppen. Dit beschermt consumenten en op de interne markt actieve ondernemingen tegen bedrijfspraktijken waarmee de prijzen van goederen en diensten kunstmatig hoog worden gehouden en verruimt hun keuze aan innovatieve goederen en diensten.

(2)  De publieke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU is in handen van de nationale mededingingsautoriteiten (NMA's) van de lidstaten en de Commissie, die bevoegd is uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad(3). Samen vormen de NMA's en de Commissie een netwerk van overheidsinstanties die in nauwe samenwerking de mededingingsregels van de Unie toepassen (het "European Competition Network").

(3)  Artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 verplicht de NMA's en de nationale rechterlijke instanties om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen op overeenkomsten, op besluiten van ondernemersverenigingen, op onderling afgestemde feitelijke gedragingen of op misbruik van machtspositie, die de handel tussen de lidstaten kunnen beïnvloeden. In de praktijk passen de meeste NMA's ▌het nationale mededingingsrecht en de artikelen 101 en 102 VWEU parallel toe. Deze richtlijn, die tot doel heeft bepaalde regels vast te stellen om ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de NMA's gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden voor de handhaving en de oplegging van geldboeten die nodig zijn om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen, heeft onvermijdelijk gevolgen voor ▌nationaal mededingingsrecht wanneer dat ▌parallel door de NMA's ▌ wordt toegepast. Voorts mag de toepassing door de NMA's van het nationaal mededingingsrecht op overeenkomsten, op besluiten van ondernemersverenigingen of op onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, niet leiden tot een resultaat dat verschilt van het resultaat dat door de NMA krachtens het Unierecht wordt bereikt overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003. Derhalve is het in dergelijke gevallen waarin het nationaal mededingingsrecht en het Unierecht parallel worden toegepast, van essentieel belang dat de NMA's beschikken over dezelfde waarborgen voor onafhankelijkheid, middelen en bevoegdheden voor de handhaving en de oplegging van geldboeten die nodig zijn om ervoor te zorgen dat geen verschillend resultaat wordt bereikt.

(4)  De toekenning van de bevoegdheid aan NMA's om alle informatie in verband met de onderzochte onderneming onder meer in digitale vorm te verkrijgen, ongeacht het medium waarop die is opgeslagen, zou ook gevolgen hebben voor de reikwijdte van de bevoegdheden van de NMA's wanneer zij op grond van ▌nationaal mededingingsrecht ▌dat parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU ▌wordt toegepast, in de vroege fase van hun procedure de nodige onderzoeksmaatregelen treffen. Het toekennen aan NMA's van inspectiebevoegdheden met een andere reikwijdte naargelang zij uiteindelijk enkel ▌nationaal mededingingsrecht of ook parallel de artikelen 101 en 102 VWEU toepassen, zou de doeltreffendheid van de handhaving van het mededingingsrecht op de interne markt belemmeren. Daarom moet het toepassingsgebied van de richtlijn zowel de zelfstandige toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als de parallelle toepassing van het nationale mededingingsrecht op dezelfde zaak omvatten. Wat betreft de bescherming van clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, moet deze richtlijn tevens betrekking hebben op de zelfstandige toepassing van het nationale mededingingsrecht.

(5)  Onder het nationale recht ontbreekt het vele NMA's aan de noodzakelijke waarborgen voor hun onafhankelijkheid, middelen alsmede aan de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten om de mededingingsregels van de Unie doeltreffend te kunnen handhaven. Dit ondermijnt hun vermogen om de artikelen 101 en 102 VWEU, en ▌het nationale mededingingsrecht parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU, doeltreffend toe te passen. Zo beschikken vele NMA's naar nationaal recht niet over doeltreffende instrumenten om bewijsmateriaal te vergaren over inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU, of om ondernemingen die overtredingen begaan geldboeten op te leggen, of hebben zij niet de nodige personele en financiële middelen noch de operationele onafhankelijkheid om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen. Dit kan de NMA's beletten op te treden of hun handhavingsoptreden beperken. Het feit dat vele NMA's niet beschikken over de nodige waarborgen van onafhankelijkheid, middelen en bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen, betekent dat procedures tegen ondernemingen die gebruikmaken van concurrentieverstorende praktijken, tot zeer verschillende resultaten kunnen leiden naargelang van de lidstaten waar zij actief zijn. Het kan gebeuren dat ondernemingen niet geconfronteerd worden met handhaving op grond van de artikelen 101 of 102 VWEU, of alleen met handhaving die ondoeltreffend is. Zo kunnen ondernemingen in sommige lidstaten eenvoudig via een herstructurering aan hun aansprakelijkheid voor geldboeten ontsnappen.

(6)  Ongelijke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, of zij nu op zelfstandige basis of parallel met nationaal mededingingsrecht worden toegepast, leidt tot gemiste kansen om in de hele ▌Unie belemmeringen voor markttoegang weg te nemen en eerlijkere concurrerende markten te creëren, waar ondernemingen op basis van hun verdiensten concurreren. Ondernemingen en consumenten ondervinden met name nadeel in de lidstaten waar de NMA's minder goed voor doeltreffende handhaving zijn uitgerust. Ondernemingen kunnen niet concurreren op basis van verdiensten wanneer er vrijhavens voor concurrentieverstorende praktijken bestaan, bijvoorbeeld omdat er van de concurrentieverstorende praktijken geen bewijs kan worden vergaard of omdat de ondernemingen kunnen ontsnappen aan de aansprakelijkheid voor geldboeten. Daardoor worden de ondernemingen ontmoedigd om dergelijke markten te betreden en hun recht uit te oefenen zich daar zich te vestigen en goederen of diensten te leveren. Consumenten in lidstaten waar er minder handhaving is, missen de voordelen van doeltreffende handhaving van de mededingingsregels. Ongelijke handhaving binnen de Unie ▌van de artikelen 101 en 102 VWEU, of zij nu op zelfstandige basis of parallel met nationaal mededingingsrecht worden ▌toegepast, verstoort dus de mededinging op de interne markt en ondermijnt de goede werking ervan.

(7)  De lacunes en beperkingen bij de instrumenten en waarborgen van de NMA's ondermijnen tevens het systeem van parallelle bevoegdheden voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, dat ontworpen is om te functioneren als een coherent geheel dat gebaseerd is op nauwe samenwerking binnen het European Competition Network. Voor de werking van het systeem moeten autoriteiten op elkaar kunnen rekenen om voor elkaars rekening onderzoeksmaatregelen uit te voeren teneinde de samenwerking en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten te bevorderen. Dit functioneert echter niet goed wanneer er nog steeds NMA's zijn die geen passende onderzoeksinstrumenten hebben. Op andere cruciale vlakken zijn de NMA's evenmin in staat wederzijdse bijstand te verlenen. Zo kunnen ondernemingen met grensoverschrijdende activiteiten in de meeste lidstaten aan geldboeten ontsnappen doordat zij juridisch niet aanwezig zijn op het grondgebied van een aantal lidstaten waar zij actief zijn. Daardoor verminderen de stimulansen om de artikelen 101 en 102 VWEU na te leven. De ondoeltreffende handhaving die daarvan het gevolg is, verstoort de mededinging voor ondernemingen die de regels naleven en ondermijnt het vertrouwen van de consument in de interne markt, met name in de digitale omgeving.

(8)  Om te zorgen voor een echte gemeenschappelijke ruimte voor de handhaving van de mededinging in de Unie, die voor ondernemingen die op de interne markt actief zijn een gelijker speelveld creëert en voor consumenten de ongelijkheid vermindert, moet er worden voorzien in fundamentele waarborgen inzake onafhankelijkheid, de nodige financiële, personele, technische en technologische middelen, en in minimale bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten voor het toepassen van de artikelen 101 en 102 VWEU en voor het toepassen van ▌het nationale mededingingsrecht parallel met die artikelen, zodat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten zo doeltreffend mogelijk kunnen zijn.

(9)  Het is passend deze richtlijn te baseren op de dubbele rechtsgrondslag van de artikelen 103 en 114 VWEU. Deze richtlijn heeft immers niet enkel betrekking op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en de toepassing van ▌nationaal mededingingsrecht parallel met die artikelen, maar ook op de lacunes en beperkingen bij de instrumenten en waarborgen van de NMA's die nodig zijn voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, omdat deze lacunes en beperkingen zowel de mededinging als de goede werking van de interne markt ongunstig beïnvloeden.

(10)  Door te voorzien in fundamentele waarborgen om ervoor te zorgen dat de NMA's de artikelen 101 en 102 VWEU op uniforme wijze en doeltreffend toepassen, mag geen afbreuk worden gedaan aan de mogelijkheid voor de lidstaten om uitgebreidere waarborgen te behouden of in te voeren met betrekking tot de onafhankelijkheid en de middelen van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten, alsmede om in nadere bepalingen te voorzien inzake de bevoegdheden van die NMA's voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten. Meer bepaald moeten de lidstaten de NMA's doeltreffender kunnen maken door hen aanvullende bevoegdheden toe te kennen die verder gaan dan de kernbevoegdheden waarin deze richtlijn voorziet, zoals bevoegdheden om geldboeten op te leggen aan natuurlijke personen of, bij wijze van uitzondering, de bevoegdheid om inspecties uit te voeren met de instemming van degenen die onderwerp zijn van inspectie.

(11)  Omgekeerd zijn nadere bepalingen vereist wat betreft de voorwaarden voor de toekenning van clementie voor geheime kartels. Ondernemingen zullen geheime kartels waaraan zij hebben deelgenomen enkel melden wanneer zij voldoende rechtszekerheid hebben dat zij immuniteit tegen geldboeten zullen genieten. De opvallende verschillen tussen de clementieregelingen in de lidstaten leiden tot rechtsonzekerheid bij mogelijke clementieverzoekers. Daardoor worden zij mogelijk minder gestimuleerd om clementie aan te vragen. Indien lidstaten voor clementie in de zin van deze richtlijn regels zouden kunnen implementeren of toepassen die duidelijker en geharmoniseerd zijn, dan zou dat niet alleen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstelling om stimulansen voor verzoekers te behouden om geheime kartels te melden met het oog op een zo doeltreffende mogelijke handhaving van de mededinging in de Unie, maar zou dat tevens een gelijk speelveld waarborgen voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt. Dit mag lidstaten niet beletten om clementieregelingen toe te passen die niet alleen van toepassing zijn op geheime kartels, maar ook op andere inbreuken van artikel 101 ▌VWEU en gelijkwaardige ▌bepalingen uit het nationale mededingingsrecht, of om clementieverzoeken te aanvaarden van natuurlijke personen die in eigen naam handelen. Deze richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan clementieregelingen die uitsluitend in vrijstelling van sancties voorzien in het kader van strafrechtelijke procedures met het oog op de handhaving van artikel 101 VWEU.

(12)  Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op de nationale wetgeving voor zover die voorziet in de oplegging van strafrechtelijke sancties aan natuurlijke personen, met uitzondering van de regels voor de wisselwerking tussen clementieregelingen en de oplegging van sancties aan natuurlijke personen. De richtlijn mag evenmin van toepassing zijn op nationale wetgeving die voorziet in het opleggen van administratieve sancties aan natuurlijke personen die niet als zelfstandige economische actor op een markt opereren.

(13)  Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 kunnen de lidstaten de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU uitsluitend toevertrouwen aan een administratieve autoriteit, zoals in de meeste rechtsgebieden het geval is, of kunnen zij dit toevertrouwen aan zowel rechterlijke als administratieve autoriteiten. In het laatste geval is de administratieve autoriteit ten minste in eerste instantie verantwoordelijk voor het verrichten van het onderzoek, terwijl de gerechtelijke autoriteit doorgaans bevoegd is om besluiten te nemen waarbij geldboeten worden opgelegd en ook bevoegd kan zijn om andere besluiten te nemen, zoals de vaststelling van een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU.

(14)  Voor de uitoefening van de bevoegdheden die bij deze richtlijn aan de NMA's worden verleend, met inbegrip van de onderzoeksbevoegdheden, moeten passende waarborgen gelden, die ten minste stroken met de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, in het bijzonder in de context van procedures die tot oplegging van sancties zouden kunnen leiden. Deze waarborgen omvatten het recht op behoorlijk bestuur en de naleving van de rechten van de verdediging van de onderneming, waarvan het recht om te worden gehoord een wezenlijk onderdeel is. De NMA's moeten de onderzochte partijen met name door middel van een mededeling van punten van bezwaar of een soortgelijke maatregel in kennis stellen van de voorlopige bezwaren op grond van artikel 101 of artikel 102 VWEU die tegen hen zijn opgeworpen, voordat een besluit tot vaststelling van een inbreuk wordt genomen. Deze partijen moeten dan in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunten met betrekking tot deze bezwaren op een doeltreffende manier kenbaar te maken voordat een dergelijk besluit wordt genomen. Partijen aan wie voorlopige bezwaren betreffende een vermeende inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU zijn meegedeeld, dienen recht te hebben op toegang tot het relevante dossier van de NMA's om hun recht van verdediging op een doeltreffende manier te kunnen uitoefenen. Het recht op inzage van het dossier moet worden onderworpen aan het rechtmatige belang van ondernemingen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen en mag niet gelden voor vertrouwelijke informatie en interne documenten van en briefwisseling tussen de NMA's en de Commissie.

In het geval van besluiten van NMA's, met name besluiten waarbij een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU wordt vastgesteld en corrigerende maatregelen of geldboeten worden opgelegd, moeten de adressaten verder toegang hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte, in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dergelijke ▌besluiten moeten met redenen zijn omkleed zodat de adressaten de motivering kunnen nagaan en hun recht op een doeltreffend rechtsmiddel kunnen uitoefenen. Overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur moeten de lidstaten er verder voor zorgen dat procedures van NMA's met betrekking tot de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU binnen een redelijke termijn worden uitgevoerd, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke zaak. Deze waarborgen moeten zodanig zijn ontworpen dat een evenwicht wordt bereikt tussen de naleving van de grondrechten van ondernemingen en de plicht om te waarborgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend worden gehandhaafd.

(15)  De uitwisseling van informatie tussen NMA's en het gebruik van dergelijke informatie als bewijsmateriaal voor de toepassing van artikel 101 of artikel 102 VWEU moeten volgens artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003 geschieden.

(16)  Het toekennen van bevoegdheden aan nationale administratieve mededingingsautoriteiten om de artikelen 101 en 102 VWEU onpartijdig en in het gemeenschappelijk belang van de doeltreffende handhaving van de mededingingsregels van de Unie toe te passen, is een cruciale component van de doeltreffende en uniforme toepassing van deze regels.

(17)  De operationele onafhankelijkheid van nationale administratieve mededingingsautoriteiten moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend en uniform worden toegepast. Hiertoe moeten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten, bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, beschermd zijn tegen externe interventie of politieke druk die hun onafhankelijke oordeel over de hun voorgelegde vraagstukken in gevaar zouden kunnen brengen. Daarom moeten vooraf in nationaal recht de redenen worden vastgesteld op basis waarvan degenen die besluiten nemen op grond van de in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 16 van deze richtlijn bedoelde bevoegdheden, uit de nationale administratieve mededingingsautoriteit kunnen worden ontslagen, om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over hun onpartijdigheid en hun ongevoeligheid voor externe factoren ▌. Evenzo moeten vooraf in nationaal recht duidelijke en transparante regels en procedures voor de selectie, aanwerving of benoeming van deze personen worden vastgesteld. Bovendien mogen, om de onpartijdigheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten te verzekeren, de geldboeten die zij wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU opleggen, niet worden gebruikt voor de rechtstreekse financiering van deze autoriteiten.

(18)  Om de operationele onafhankelijkheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten te waarborgen, moeten de bestuurders, het personeel en de besluitvormers integer optreden en zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitoefening van hun taken. Om te voorkomen dat de onafhankelijke beoordeling door bestuurders, personeel of besluitvormers in het gedrang komt, moeten zij zich zowel tijdens hun dienst of ambtstermijn als gedurende een redelijke termijn daarna, onthouden van onverenigbare, al dan niet bezoldigde, activiteiten.

(19)  Dit betekent dat het personeel en de besluitvormers zich tijdens hun dienst of ambtstermijn niet mogen bezighouden met procedures voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU waarbij zij betrokken waren of die rechtstreeks betrekking hebben op ondernemingen of ondernemersverenigingen waarbij zij werkzaam waren of anderszins beroepshalve betrokken waren, indien dit hun onpartijdigheid in een specifieke zaak in het gedrang kan brengen. Het personeel en de besluitvormers, alsmede hun naaste verwanten, mogen evenmin belangen hebben in ondernemingen of organisaties die het voorwerp zijn van procedures voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU waaraan zij deelnemen, indien daardoor hun onpartijdigheid in een specifieke zaak in het gedrang kan komen. Bij de beoordeling van de vraag of hun onpartijdigheid in een specifiek geval in het gedrang kan komen, moet rekening worden gehouden met de aard en de omvang van het belang en met de mate van betrokkenheid van de betrokken persoon. Wanneer dit nodig is om de onpartijdigheid van het onderzoek en het besluitvormingsproces te waarborgen, moet van de betrokken persoon worden vereist dat hij zich uit de desbetreffende zaak terugtrekt.

(20)  Dit betekent ook dat voormalige personeelsleden of besluitvormers, wanneer zij een beroep gaan uitoefenen dat verband houdt met de procedures voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU waarmee zij tijdens hun dienst of ambtstermijn te maken hadden, gedurende een redelijke periode na hun vertrek uit de nationale administratieve mededingingsautoriteit niet vanuit hun nieuwe functie bij dezelfde zaak betrokken mogen zijn.

De duur van die periode kan worden vastgesteld met inachtneming van de aard van de nieuwe functie van de betrokken personen, alsmede van de mate waarin zij bij dezelfde procedure betrokken zijn en van hun verantwoordelijkheden bij de nationale administratieve mededingingsautoriteit tijdens hun dienst of ambtstermijn.

(21)  Elke nationale administratieve mededingingsautoriteit moet een gedragscode publiceren die, onverminderd de toepassing van strengere nationale regels, regels inzake belangenconflicten omvat.

(22)  De operationele onafhankelijkheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten moet de rechterlijke toetsing en het parlementair toezicht overeenkomstig het nationale recht onverlet laten. Verantwoordingsverplichtingen moeten bijdragen tot de geloofwaardigheid en de legitimiteit van het optreden van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten. Evenredige verantwoordingsverplichtingen houden in dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten hun periodieke activiteitenverslagen aan regeringsorganen of parlementaire organen bekendmaken. Tevens kunnen de financiële uitgaven van nationale administratieve mededingingsautoriteiten worden gecontroleerd of gemonitord, mits dit geen gevolgen heeft voor hun onafhankelijkheid.

(23)  Voor een doeltreffend gebruik van hun middelen en om zich te kunnen concentreren op het voorkomen en beëindigen van concurrentieverstorend gedrag dat de mededinging op de interne markt verstoort, dienen nationale administratieve mededingingsautoriteiten hun procedures voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU voorrang te kunnen geven. Hiertoe dienen zij klachten te kunnen afwijzen wanneer deze geen prioriteit vormen, met uitzondering van klachten van openbare instanties die in voorkomend geval met een nationale administratieve mededingingsautoriteit de bevoegdheid delen om de artikelen 101 en 102 VWEU en het nationale mededingingsrecht toe te passen. Dit mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten om klachten te verwerpen om andere redenen, zoals een gebrek aan bevoegdheid, of om te beslissen dat zij geen gronden hebben om op te treden. In het geval van formele klachten dient tegen dergelijke afwijzingen verder toegang tot een voorziening in rechte mogelijk te zijn in overeenstemming met het nationale recht. De bevoegdheid van nationale administratieve mededingingsautoriteiten om voorrang te verlenen aan hun handhavingsprocedures doet geen afbreuk aan het recht van de overheid van een lidstaat om algemene beleidsregels of prioritaire richtsnoeren voor nationale administratieve mededingingsautoriteiten uit te vaardigen die geen verband houden met sectorale onderzoeken of specifieke procedures voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU.

(24)  NMA's moeten over voldoende middelen kunnen beschikken, d.w.z. gekwalificeerd personeel dat deskundige juridische en economische beoordelingen kan verrichten, financiële middelen en technische en technologische expertise en uitrusting, waaronder de geschikte IT-instrumenten, om ervoor te zorgen dat zij bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU hun taken doeltreffend kunnen uitvoeren. Wanneer de taken en bevoegdheden van NMA's naar nationaal recht worden uitgebreid, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat NMA's toereikende middelen hebben om deze op doeltreffende wijze uit te voeren.

(25)  De onafhankelijkheid van nationale mededingingsautoriteiten moet worden vergroot door ze in staat te stellen zelfstandig te beslissen over de besteding van de hun toegewezen begrotingsmiddelen voor het uitvoeren van hun taken, onverminderd nationale begrotingsregels en -procedures.

(26)  Om te waarborgen dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten over de nodige middelen beschikken om hun taken uit te voeren, kunnen er verschillende financieringswijzen worden overwogen, zoals financiering uit andere bronnen dan de nationale begroting.

(27)  Teneinde doeltreffend toezicht op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te garanderen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten periodieke verslagen over hun activiteiten en middelen aan regeringsorganen of parlementaire organen voorleggen. Deze verslagen moeten informatie bevatten over de benoemingen en ontslagen van leden van het besluitvormingsorgaan, over het bedrag aan middelen dat in het desbetreffende jaar werd toegewezen en over eventuele veranderingen in dit bedrag in vergelijking met voorafgaande jaren. Dergelijke verslagen worden voor het publiek toegankelijk gemaakt.

(28)  NMA's moeten over een minimum aan gemeenschappelijke onderzoeks- en besluitvormingsbevoegdheden beschikken om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend te kunnen handhaven.

(29)  Nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten doeltreffende onderzoeksbevoegdheden hebben om, in elke fase van de procedures die bij hen worden ingeleid, bij artikel 101 VWEU verboden overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen of bij artikel 102 VWEU verboden misbruik van machtsposities op te sporen. De nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten deze bevoegdheden kunnen toepassen op ondernemingen en ondernemersverenigingen waartegen op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU procedures worden gevoerd, en op andere marktspelers die mogelijk informatie bezitten die voor dergelijke procedures van belang is. Het verlenen van deze doeltreffende onderzoeksbevoegdheden aan alle nationale administratieve mededingingsautoriteiten moet ervoor zorgen dat zij elkaar op doeltreffende wijze kunnen bijstaan wanneer ze verzocht worden om namens en voor rekening van een andere NMA uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1/2003 op hun eigen grondgebied een inspectie te verrichten of andere onderzoeksmaatregelen te nemen.

(30)  De onderzoeksbevoegdheden van nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten afdoende zijn om opgewassen te zijn tegen de uitdagingen op handhavingsgebied die de digitale omgeving meebrengt. Zij moeten de NMA's in staat stellen om alle, ook forensische, informatie die verband houdt met de onderzochte onderneming of ondernemersvereniging, in elektronische vorm te verkrijgen, ongeacht het medium waarop de informatie is opgeslagen, zoals laptops, mobiele telefoons, andere mobiele apparatuur of opslag in de cloud.

(31)  Nationale administratieve mededingingsautoriteiten dienen de bevoegdheid te hebben om alle nodige inspecties uit te voeren van de bedrijfsruimten van ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer ze, conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, kunnen aantonen dat er redelijke gronden zijn om een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU te vermoeden. Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten om voor dergelijke inspecties een voorafgaande machtiging van een nationale gerechtelijke autoriteit te vereisen.

(32)  Om doeltreffend te zijn, moet de bevoegdheid van nationale administratieve mededingingsautoriteiten om inspecties uit te voeren, hen in staat stellen inzage te krijgen in informatie die toegankelijk is voor de onderzochte onderneming, ondernemersvereniging of persoon die het voorwerp van de inspectie uitmaakt en die verband houdt met de onderzochte onderneming of ondernemersvereniging. Dit moet noodzakelijkerwijs de bevoegdheid omvatten om te zoeken naar documenten, bestanden of gegevens op dragers die vooraf niet nauwkeurig zijn omschreven. Zonder dergelijke bevoegdheid is het onmogelijk de nodige informatie voor het onderzoek te vergaren wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen het onderzoek belemmeren of weigeren mee te werken. De bevoegdheid om boeken en bescheiden te controleren moet alle vormen van correspondentie dekken, met inbegrip van elektronische berichten, ongeacht of ze ongelezen lijken te zijn of gewist.

(33)  Om het nodeloos rekken van inspecties zo veel mogelijk te beperken, dienen de nationale administratieve mededingingsautoriteiten de bevoegdheid te hebben om in de ruimten van de mededingingsautoriteit of in andere aangewezen ruimten hun onderzoek voort te zetten en kopieën of uittreksels te selecteren uit boeken en bescheiden die verband houden met het bedrijf van de geïnspecteerde onderneming of ondernemersvereniging. Dergelijke onderzoeken worden verricht met voortdurende inachtneming van de rechten van verdediging van de onderneming.

(34)  Uit de praktijk blijkt dat zakelijke bescheiden kunnen worden bewaard in de woning van directeuren, bestuurders en andere personeelsleden van ondernemingen of ondernemersverenigingen, met name omdat er steeds meer gebruik wordt gemaakt van flexibele werkregelingen. Om ervoor te zorgen dat inspecties doeltreffend zijn, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om alle gebouwen binnen te gaan, met inbegrip van particuliere woningen, als ze kunnen aantonen dat er een redelijk vermoeden bestaat dat in die gebouwenzakelijke bescheiden worden bewaard die relevant kunnen zijn om een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU te bewijzen. Deze bevoegdheid mag enkel worden uitgeoefend nadat de nationale administratieve mededingingsautoriteit hiervoor vooraf machtiging heeft gekregen van een nationale gerechtelijke autoriteit, waarbij het in bepaalde nationale rechtsstelsels ook om een openbaar aanklager kan gaan. Dit mag de lidstaten niet beletten in uiterst dringende gevallen de taken van een nationale gerechtelijke autoriteit toe te vertrouwen aan een nationale administratieve mededingingsautoriteit die optreedt als gerechtelijke autoriteit of bij wijze van uitzondering haar de bevoegdheid toe te vertrouwen om dergelijke inspecties uit te voeren met toestemming van de betrokkenen. De uitvoering van deze inspecties kan door een nationale administratieve mededingingsautoriteit aan de politie of een gelijkwaardige handhavingsautoriteit worden toevertrouwd, op voorwaarde dat de inspectie in aanwezigheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteit wordt uitgevoerd. Dit mag geen afbreuk doen aan het recht van de nationale administratieve mededingingsautoriteit de inspectie zelf uit te voeren en de nodige bijstand te krijgen van de politie of een gelijkwaardige handhavingsautoriteit, onder meer bijstand, bij wijze van voorzorgsmaatregel, om het mogelijke verzet van zij die aan de inspectie worden onderworpen, te ondervangen.

(35)  NMA's moeten doeltreffende bevoegdheden hebben om van ondernemingen of ondernemersverenigingen de informatie te verlangen die noodzakelijk is om inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU op te sporen. Daartoe moeten NMA's de openbaarmaking kunnen verlangen van informatie die hen in staat kunnen stellen het vermoeden van een inbreuk te onderzoeken. Dit dient het recht te omvatten om informatie te verlangen die opgeslagen is in om het even welke digitale vorm, met inbegrip van e-mails en berichten van berichtensystemen, ongeacht waar die is opgeslagen, inclusief in de cloud en op servers, mits die informatie toegankelijk is voor de onderneming of ondernemersvereniging die de adressaat is van het verzoek om informatie. Dit recht mag niet resulteren in een verplichte last voor de onderneming of de ondernemingsvereniging die onevenredig is aan wat voor het onderzoek noodzakelijk is. Het mag bijvoorbeeld geen aanleiding geven tot buitensporige kosten of inspanningen voor de onderneming of de ondernemingsvereniging. Hoewel het recht om informatie te verlangen van cruciaal belang is voor het opsporen van inbreuken, moeten dergelijke verzoeken evenredig zijn ten opzichte van de opgevraagde informatie. Dergelijke verzoeken mogen een onderneming of een ondernemingsvereniging niet dwingen te erkennen dat een inbreuk is gepleegd; het is aan de NMA's dit te bewijzen. Dit mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de ondernemingen of de ondernemingsverenigingen feitelijke vragen te beantwoorden en documenten te verstrekken. NMA's dienen ook over doeltreffende middelen te beschikken om van alle andere natuurlijke personen of rechtspersonen informatie te eisen die relevant kan zijn voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Het moet de lidstaten vrijstaan te voorzien in procedurevoorschriften voor dergelijke verzoeken om informatie, zoals de rechtsvorm ervan, op voorwaarde dat die voorschriften een doeltreffend gebruik van dit instrument mogelijk maken. Uit de ervaring is ook gebleken dat vrijwillig verstrekte informatie als antwoord op niet-verplichtende verzoeken om informatie een waardevolle bron van informatie kan zijn voor een geïnformeerd en doortastend handhavingsbeleid. Zo kan vrijwillig verstrekte informatie van derden, zoals concurrenten, klanten en consumenten op de markt, eveneens bijdragen tot een doeltreffende handhaving, en NMA's moeten dit aanmoedigen.

(36)  De ervaring leert dat de bevoegdheid tot het afnemen van verhoren een nuttig instrument is om bewijsmateriaal te vergaren en mededingingsautoriteiten te helpen de waarde van reeds vergaard bewijsmateriaal te bepalen. NMA's moeten over doeltreffende middelen beschikken om iedere vertegenwoordiger van een onderneming of ondernemersvereniging of iedere vertegenwoordiger van andere rechtspersonen en iedere natuurlijke persoon die in het bezit is van informatie die relevant is voor de toepassing van artikelen 101 en 102 VWEU, te verhoren. Het moet de lidstaten vrijstaan te voorzien in voorschriften voor het voeren van zulke verhoren, op voorwaarde dat die voorschriften een doeltreffend gebruik van dit instrument mogelijk maken.

(37)  Het is onontbeerlijk voor NMA's om van ondernemingen en ondernemersverenigingen te kunnen eisen een einde te maken aan inbreuken op artikel 101 of 102 VWEU, ook wanneer de inbreuk voortduurt nadat de NMA's de procedures formeel hebben ingeleid. Bovendien moeten NMA's kunnen beschikken over doeltreffende middelen om de mededinging op de markt te herstellen door het opleggen van corrigerende structurele en gedragsmaatregelen die evenredig zijn aan de gepleegde inbreuk en noodzakelijk zijn om een eind te maken aan de inbreuk. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat bij de keuze tussen twee even effectieve corrigerende maatregelen, de NMA's de corrigerende maatregel dienen te kiezen die het minst belastend is voor de onderneming. Corrigerende structurele maatregelen, zoals de verplichting om een deelneming in een concurrent te verkopen of om een bedrijfseenheid af te stoten, hebben een invloed op de activa van een onderneming en kunnen worden geacht meer belastend te zijn voor de onderneming dan gedragsmaatregelen. Dit dient echter niet uit te sluiten dat NMA's kunnen vaststellen dat de omstandigheden van een bepaalde inbreuk het opleggen van een corrigerende structurele maatregel rechtvaardigen omdat dit doeltreffender zou zijn om de inbreuk te beëindigen dan een corrigerende gedragsmaatregel.

(38)  Voorlopige maatregelen kunnen een belangrijk middel zijn om ervoor te zorgen dat de inbreuk waarnaar onderzoek wordt gedaan, tijdens het lopende onderzoek geen ernstige en onherroepelijk schade toebrengt aan de mededinging. Dit is een belangrijk middel om marktontwikkelingen te vermijden die aan het einde van de procedure zeer moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt door een besluit van een NMA. NMA's dienen daarom de bevoegdheid te hebben om bij besluit voorlopige maatregelen op te leggen. Deze bevoegdheid moet minstens gelden wanneer een NMA op basis van een eerste voorlopig oordeel vaststelt dat vermoedelijk sprake is van een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU en het risico bestaat dat de mededinging op ernstige en onherstelbare wijze wordt geschaad. Het staat de lidstaten vrij NMA's uitgebreidere bevoegdheden te geven om voorlopige maatregelen op te leggen. Een besluit om voorlopige maatregelen op te leggen, moet uitsluitend gelden voor een bepaalde tijdspanne, hetzij tot de afronding van de procedure door een NMA, hetzij voor een vaste termijn, die indien noodzakelijk en passend kan worden verlengd. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de wettigheid, alsmede de evenredigheid, van dergelijke maatregelen kan worden herzien in versnelde beroepsprocedures of andere procedures die ook voorzien in versnelde rechterlijke toetsing. Bovendien moeten de lidstaten de noodzakelijke voorwaarden creëren op grond waarvan NMA's in de praktijk gebruik kunnen maken van voorlopige maatregelen. Er is met name behoefte om alle mededingingsautoriteiten in staat te stellen te reageren op ontwikkelingen in snel veranderende markten en derhalve om binnen het European Competition Network na te denken over het gebruik van voorlopige maatregelen en om met deze ervaring rekening te houden in iedere relevante niet-dwingende maatregel of toekomstige herziening van deze richtlijn.

(39)  Wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen in de loop van een procedure die tot een verbod van een overeenkomst of van een praktijk zou kunnen leiden, aan de NMA's toezeggingen doen om aan hun bezwaren tegemoet te komen, moeten deze NMA's bij besluit die toezeggingen voor die ondernemingen of ondernemingsverenigingen een bindend en afdwingbaar karakter kunnen verlenen. In principe zijn dergelijke toezeggingsbesluiten niet geschikt voor geheime kartels, ten aanzien waarvan NMA's geldboeten zouden moeten opleggen. In toezeggingsbesluiten moet worden vastgesteld dat er niet langer gronden voor een optreden van de NMA's bestaan, zonder dat wordt geconcludeerd of er sprake was van een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU. De NMA's beslissen zelf of ze toezeggingen aanvaarden. Toezeggingsbesluiten doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties om een dergelijke inbreuk vast te stellen en een besluit over de zaak te nemen. Bovendien is gebleken dat effectieve middelen voor het uitoefenen van toezicht op de naleving van toezeggingen door ondernemingen of ondernemingsverenigingen, evenals verbintenissen en doeltreffende middelen voor het opleggen van sancties in het geval van niet-naleving, een doeltreffend instrumentarium voor de mededingingsautoriteiten vormen. NMA's moeten over effectieve middelen beschikken om procedures te heropenen als er materiële veranderingen hebben plaatsgevonden in enig feit waarop een toezeggingsbesluit gebaseerd is, als een onderneming of een ondernemingsvereniging in strijd met haar toezeggingen heeft gehandeld of als het toezeggingsbesluit op onvolledige, onjuiste of misleidende informatie van de partijen was gebaseerd.

(40)  Om de doeltreffende en uniforme handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU te waarborgen, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om ondernemingen en ondernemersverenigingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende geldboeten op te leggen wegens inbreuken op artikel 101 of 102 VWEU, hetzij door dit rechtstreeks in hun eigen procedures te doen, in het bijzonder in administratieve procedures, op voorwaarde dat dergelijke procedures de rechtstreekse oplegging van doeltreffende, evenredige en afschrikkende geldboeten toelaten, hetzij door de oplegging van geldboeten te vorderen in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures. Dit doet geen afbreuk aan het nationale recht dat voorziet in de oplegging van strafrechtelijke sancties aan ondernemingen en ondernemersverenigingen door rechterlijke instanties in strafrechtelijke procedures wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU, wanneer de inbreuk een strafbaar feit is krachtens de nationale wetgeving en op voorwaarde dat hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffende en uniforme handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU.

(41)  Om te waarborgen dat ondernemingen en ondernemersverenigingen worden gestimuleerd om zich naar de onderzoeksmaatregelen en besluiten van de NMA's te voegen, moeten nationale administratieve mededingingsautoriteiten hetzij doeltreffende geldboeten kunnen opleggen voor de niet-naleving van de maatregelen en besluiten bedoeld in de artikelen 6, 8, 9, 10, 11 en 12, rechtstreeks in hun eigen procedures, hetzij de oplegging van geldboeten te vorderen in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures. Dit doet geen afbreuk aan het nationale recht dat voorziet in de oplegging van dergelijke geldboeten aan ondernemingen en ondernemersverenigingen door rechterlijke instanties in strafrechtelijke procedures. ▌

(42)  In overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten in procedures van nationale administratieve mededingingsautoriteiten of, al naargelang het geval, in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures geldboeten worden opgelegd wanneer de inbreuk opzettelijk of uit nalatigheid werd gepleegd. De noties 'opzet' en 'nalatigheid' moeten worden geïnterpreteerd overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en niet overeenkomstig de noties 'opzet' en 'nalatigheid' in procedures betreffende strafzaken die door de strafrechtelijke autoriteiten worden behandeld. Dit doet geen afbreuk aan nationaal recht dat stelt dat de vaststelling van een inbreuk is gebaseerd op het criterium 'objectieve aansprakelijkheid', op voorwaarde dat dit verenigbaar is met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan nationale voorschriften inzake de bewijsstandaard of aan de plicht van de NMA's de feiten van de zaak vast te stellen, mits dergelijke voorschriften en verplichtingen verenigbaar zijn met algemene beginselen van het recht van de Unie. ▌

(43)  Geldboeten moeten worden bepaald in verhouding tot de totale wereldwijde omzet van de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen.

(44)  Dwangsommen zijn een belangrijk instrument om ervoor te zorgen dat de NMA's over doeltreffende middelen beschikken om de voortdurende en toekomstige niet-naleving door ondernemingen en ondernemersverenigingen van hun maatregelen en besluiten als bedoeld in de artikelen 6, 8, 9, 10, 11 en 12 aan te pakken. Zij mogen niet gelden voor de vaststelling van inbreuken die in het verleden zijn gepleegd. De bevoegdheid om dwangsommen op te leggen doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van NMA's om de niet‑naleving van maatregelen als bedoeld in artikel 13, lid 2, te straffen. Dergelijke dwangsommen moeten worden bepaald in verhouding tot de gemiddelde totale dagelijkse wereldwijde omzet van de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen.

(45)  Voor de oplegging van geldboeten en dwangsommen dient de term 'besluit' iedere maatregel te omvatten die bindende rechtsgevolgen sorteert waardoor de belangen van de adressaat kunnen worden aangetast doordat diens rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd.

(46)  Om ervoor te zorgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend en uniform worden toegepast, duidt het begrip 'onderneming', zoals bedoeld in de artikelen 101 en 102 VWEU, dat moet worden toegepast in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een economische eenheid aan, ook al bestaat die uit verschillende rechtspersonen of natuurlijke personen. Dienovereenkomstig moeten de NMA's het begrip 'onderneming' kunnen toepassen om een moederonderneming wegens het gedrag van een van haar dochterondernemingen aansprakelijk te kunnen stellen en haar geldboeten op te leggen wanneer de moederonderneming en haar dochteronderneming een economische eenheid vormen. Om te voorkomen dat ondernemingen ontsnappen aan hun aansprakelijkheid voor geldboeten wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU door juridische of organisatorische aanpassingen, moeten de NMA's de rechtsopvolgers of de economische opvolgers van de onderneming aansprakelijk kunnen houden en daaraan geldboeten kunnen opleggen wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(47)  Om te waarborgen dat de geldboeten die worden opgelegd wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU het economische belang van de inbreuk weerspiegelen, moeten de NMA's rekening houden met de ernst van de inbreuk. De NMA's moeten ook geldboeten kunnen vaststellen die evenredig zijn met de duur van de inbreuk. Deze factoren moeten worden beoordeeld in overeenstemming met de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en op een manier die een afschrikkend effect sorteert. De beoordeling van de ernst van de zaak moet voor alle soorten inbreuken geval per geval geschieden, waarbij er met alle omstandigheden van de zaak rekening wordt gehouden. Factoren die in aanmerking kunnen worden genomen zijn onder meer de aard van de inbreuk, het gecombineerde marktaandeel van alle betrokken ondernemingen, de geografische reikwijdte van de inbreuk, de vraag of de inbreuk ten uitvoer is gebracht, de waarde van de door de onderneming verkochte goederen en diensten die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk, en de omvang en marktmacht van de betrokken onderneming. Herhaalde inbreuken door dezelfde pleger wijzen op zijn neiging tot het begaan van dergelijke inbreuken en zijn daarom een zeer belangrijke indicatie van de noodzaak om het niveau van de geldboete te verhogen teneinde een afschrikkend effect te bereiken. Op dezelfde manier moeten de NMA's de geldboete kunnen verhogen voor een onderneming of een ondernemersvereniging wanneer de Commissie of een NMA in een eerder besluit heeft vastgesteld dat die onderneming of ondernemersvereniging artikel 101 of 102 VWEU heeft geschonden, en die onderneming of ondernemersvereniging doorgaat met dezelfde inbreuk of een soortgelijke inbreuk pleegt. NMA's moeten, overeenkomstig Richtlijn 2014/104/EU, rekening kunnen houden met elke eventuele schadevergoeding die ingevolge een minnelijke schikking is betaald. Bovendien moeten NMA's in uitzonderlijke omstandigheden rekening kunnen houden met de economische levensvatbaarheid van de betrokken onderneming.

(48)  Uit ervaring is gebleken dat ondernemersverenigingen regelmatig een rol spelen bij inbreuken op de mededinging en NMA’s moeten dergelijke verenigingen bijgevolg doeltreffend kunnen beboeten. Bij procedures tegen ondernemersverenigingen waarbij de inbreuk verband houdt met de activiteiten van de leden ervan, moet het bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk voor het bepalen van het bedrag van de geldboete mogelijk zijn rekening te houden met de totale verkoop van de goederen en diensten waarmee de inbreuk direct of indirect verband houdt door de ondernemingen die lid zijn van de vereniging. Wanneer een geldboete niet alleen aan de vereniging, maar ook aan de leden ervan wordt opgelegd, moet de omzet van de leden aan wie een geldboete wordt opgelegd niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de geldboete van de vereniging. Om te waarborgen dat de geldboeten die aan ondernemersverenigingen voor door hen begane inbreuken zijn opgelegd, daadwerkelijk worden geïnd, moeten de voorwaarden worden vastgelegd waaronder de NMA's mogen besluiten van de leden van de vereniging te verlangen dat zij de geldboete betalen indien de vereniging insolvent is. Daarbij dienen de NMA's rekening te houden met de relatieve grootte van de tot de vereniging behorende ondernemingen en vooral met de situatie van kleine en middelgrote ondernemingen. Betaling van de geldboete door een of meer leden van een vereniging doet geen afbreuk aan het nationale recht dat voorziet in invordering van het betaalde bedrag bij andere leden van de vereniging.

(49)  Het afschrikkende effect van geldboeten vertoont in de Unie grote verschillen en in sommige lidstaten is het mogelijke maximumbedrag voor de geldboete bijzonder laag. Om te waarborgen dat de NMA's afschrikkende geldboeten kunnen opleggen, moet het maximumbedrag van de geldboete die kan worden opgelegd voor iedere inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU worden vastgesteld op een niveau dat ten minste 10 % van de totale wereldwijde omzet van de betrokken onderneming bedraagt. Dit mag de lidstaten niet beletten hogere maximumbedragen voor de geldboete die kan worden opgelegd te handhaven of in te voeren.

(50)  Clementieregelingen zijn belangrijke instrumenten voor het opsporen van geheime kartels en dragen dus bij tot efficiënte vervolging en oplegging van sancties voor de ernstigste inbreuken op het mededingingsrecht. Op dit ogenblik zijn er echter opvallende verschillen tussen de clementieregelingen die in de lidstaten worden toegepast. Deze verschillen leiden bij de ondernemingen die inbreuken plegen tot rechtsonzekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor hun clementieverzoek en tot onzekerheid met betrekking tot hun immuniteitsstatuut volgens de respectievelijke clementieregelingen. Door de onzekerheid kunnen potentiële clementieverzoekers minder gestimuleerd worden om clementie aan te vragen. Dat kan op zijn beurt dan weer leiden tot minder doeltreffende handhaving van de mededingingsregels in de Unie, aangezien er minder geheime kartels worden ontdekt.

(51)  De verschillen tussen de clementieregelingen op het niveau van de lidstaten brengen voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt ook het gelijke speelveld in het gedrang. Het is daarom aangewezen meer rechtszekerheid te bereiken voor ondernemingen in de interne markt en de aantrekkelijkheid van de clementieregelingen binnen de Unie te vergroten en daartoe moeten deze verschillen worden verkleind door alle NMA's de mogelijkheid te geven om immuniteit voor en vermindering van geldboeten te verlenen en onder dezelfde voorwaarden beknopte verzoeken te aanvaarden. Verdere inspanningen van het European Competition Network voor de onderlinge afstemming van clementieregelingen zullen in de toekomst wellicht nodig zijn.

(52)  NMA's moeten ondernemingen immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboete kunnen verlenen indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Verenigingen van ondernemingen die voor eigen rekening een economische activiteit uitoefenen moeten in aanmerking komen voor immuniteit voor of vermindering van geldboeten indien zij voor eigen rekening deelnemen aan een vermeend kartel en niet voor rekening van hun leden.

(53)  Een kartel kan als een geheim kartel worden beschouwd zonder dat alle aspecten van het gedrag geheim zijn. Een kartel kan met name worden beschouwd als een geheim kartel wanneer elementen van het kartel die het lastiger maken de volledige omvang van het gedrag op te sporen, niet bekend zijn bij het publiek of de klanten of leveranciers.

(54)  Om in aanmerking te komen voor clementie moet de verzoeker een einde maken aan zijn betrokkenheid bij het vermeende geheime kartel, behalve wanneer een NMA van oordeel is dat de voortzetting van zijn betrokkenheid redelijkerwijs noodzakelijk is om de integriteit van het onderzoek te behouden, bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat andere vermeende deelnemers aan het kartel niet ontdekken dat de NMA op de hoogte is gesteld van het vermeende kartel voordat zij onderzoeksmaatregelen uitvoert, zoals onaangekondigde inspecties.

(55)  Om in aanmerking te komen voor clementie moet de verzoeker oprecht, volledig, onafgebroken en vlot meewerken met de NMA. Dit betekent onder meer dat de verzoeker, wanneer hij overweegt een verzoek aan de NMA te richten, geen bewijsmateriaal over het vermeende geheime kartel mag vernietigen, vervalsen of verbergen. Wanneer een onderneming overweegt een verzoek te doen, bestaat het risico dat haar directeuren, bestuurders en andere personeelsleden bewijsmateriaal vernietigen om hun deelname aan een kartel te verdoezelen, maar het vernietigen van bewijsmateriaal kan ook om andere redenen gebeuren. De NMA's moeten dan ook kijken naar de specifieke omstandigheden waarin het bewijsmateriaal werd vernietigd en naar het belang van die vernietiging wanneer zij nagaan of de vernietiging van bewijsmateriaal vragen oproept over de oprechtheid van de medewerking van de verzoeker.

(56)   Teneinde te voldoen aan de voorwaarde van oprechte, volledige, onafgebroken en vlotte medewerking mag de verzoeker, wanneer hij overweegt een verzoek aan de NMA te richten, het feit dat hij een verzoek overweegt, noch de inhoud ervan, hebben bekendgemaakt, behalve aan andere NMA's, de Commissie of mededingingsautoriteiten van derde landen. Dit sluit echter niet uit dat een verzoeker zijn gedrag kan melden aan andere overheidsinstanties, zoals voorgeschreven door de relevante wetten, maar belet alleen dat de verzoeker openbaar maakt dat hij overweegt om clementie te verzoeken en dat hij clementieverklaringen overdraagt aan die autoriteiten. Bij het vervullen van zijn verplichtingen uit hoofde van die wetten moet de verzoeker er tevens rekening mee houden dat het van belang is het mogelijke onderzoek van de NMA niet nadelig te beïnvloeden.

(57)  Verzoekers moeten de mogelijkheid hebben clementieverklaringen in verband met volledige of beknopte verzoeken schriftelijk in te dienen en de NMA's moeten ook over een systeem beschikken voor het aanvaarden van dergelijke verklaringen, hetzij mondeling, hetzij op een andere manier waardoor verzoekers dergelijke ingediende verklaringen niet in bezit, in bewaring of onder hun controle hoeven te nemen. NMA's moeten kunnen kiezen op welke manier zij de clementieverklaringen aanvaarden.

(58)  Ondernemingen die om immuniteit willen verzoeken moeten in eerste instantie NMA's om een marker kunnen verzoeken voor een plaats in de rij voor clementie voordat zij het verzoek om immuniteit formeel indienen, zodat de verzoeker de tijd krijgt om de noodzakelijke informatie en het noodzakelijke bewijsmateriaal te verzamelen om te voldoen aan de toepasselijke bewijsdrempel. Dit belet de lidstaten niet om ondernemingen die een verzoek om vermindering van geldboeten indienen, de mogelijkheid te bieden een marker aan te vragen.

(59)  Ter beperking van administratieve en andere tijdrovende lasten moet het voor verzoekers mogelijk zijn clementieverklaringen met betrekking tot volledige of beknopte verzoeken alsmede met betrekking tot verzoeken om markers in een officiële taal van de lidstaat van de betrokken NMA of, indien zulks bilateraal is overeengekomen door de NMA en de verzoeker, in een andere officiële taal van de Unie in te dienen. Zulke overeenkomst zou worden geacht te bestaan wanneer de NMA's in het algemeen in die taal ingediende verklaringen of verzoeken aanvaarden.

(60)  Met het oog op de gedeelde bevoegdheden van de Commissie en de NMA's op het gebied van de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, is het van essentieel belang dat er een soepel werkend systeem van beknopte verzoeken bestaat. Verzoekers die bij de Commissie om clementie hebben verzocht in verband met een vermeend geheim kartel moeten met betrekking tot hetzelfde kartel beknopte verzoeken kunnen indienen bij de NMA's, op voorwaarde dat het verzoek aan de Commissie betrekking heeft op het grondgebied van meer dan drie betrokken lidstaten. Dit doet geen afbreuk aan het feit dat de Commissie zaken kan behandelen wanneer zij nauw verband houden met andere bepalingen van de Unie die uitsluitend of doeltreffender door de Commissie kunnen worden toegepast, indien het in het belang van de Unie vereist is dat er voor het ontwikkelen van mededingingsbeleid van de Unie een besluit van de Commissie wordt vastgesteld als zich een nieuw mededingingsprobleem voordoet, of voor het waarborgen van effectieve handhaving.

(61)  Het systeem van het beknopt verzoek moet ondernemingen in staat stellen om bij NMA's een clementieverzoek dat beperkte informatie bevat in te dienen indien een volledig verzoek aan de Commissie is verstrekt in verband met een dergelijk vermeend kartel. Daarom moeten NMA's voor ieder in artikel 22, lid 2, beschreven punt beknopte verzoeken met een minimum aan informatie over het vermeende kartel aanvaarden. De verzoeker blijft de mogelijkheid behouden om op een later tijdstip nadere informatie te verstrekken. Als de verzoeker om clementie vraagt moeten de NMA's hem een ontvangstbevestiging sturen met vermelding van de datum en het tijdstip van ontvangst. Indien een NMA nog geen eerder dergelijk clementieverzoek heeft ontvangen van een andere verzoeker om clementie met betrekking tot hetzelfde vermeende geheime kartel en van oordeel is dat het beknopt verzoek aan de vereisten van artikel 22, lid 2, voldoet, moet de NMA de verzoeker daarvan dienovereenkomstig in kennis stellen.

(62)  Doel van het systeem van de beknopte verzoeken is het verminderen van de administratieve last voor verzoekers die een clementieverzoek richten tot de Commissie in verband met een vermeend geheim kartel dat betrekking heeft op het grondgebied van meer dan drie betrokken lidstaten. De Commissie ontvangt in dergelijke gevallen een volledig verzoek en moet daarom de voornaamste gesprekspartner zijn van degene die om clementie verzoekt tijdens de periode voordat het duidelijk is of de Commissie de zaak volledig dan wel gedeeltelijk in behandeling zal nemen, en meer bepaald moet zij instructies geven over het verloop van verdere interne onderzoeken door de verzoeker. De Commissie dient ernaar te streven hierover binnen een redelijke termijn een besluit te nemen en zij zal de NMA's daarvan op de hoogte stellen, onverminderd artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003. In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer dit absoluut noodzakelijk is voor de afbakening of toewijzing van zaken, moet een NMA van een verzoeker kunnen vereisen dat hij een volledig verzoek indient bij een NMA voordat dergelijke duidelijkheid is verkregen. Deze mogelijkheid moet zeer zelden worden gebruikt. In andere gevallen moet aan de verzoeker alleen worden gevraagd een volledig verzoek in te dienen bij een NMA die een beknopt verzoek heeft ontvangen, zodra duidelijk is dat de Commissie niet voornemens is de zaak geheel of gedeeltelijk in behandeling te nemen.

(63)  Verzoekers moeten in de gelegenheid worden gesteld een volledig clementieverzoek in te dienen bij de NMA waarbij zij een beknopt verzoek hebben ingediend. Indien de verzoekers dergelijke volledige verzoeken indienen binnen de door de NMA bepaalde termijn, moet de in deze verzoeken vervatte informatie geacht worden te zijn verstrekt op het tijdstip van indiening van het beknopte verzoek, op voorwaarde dat het beknopte verzoek dezelfde betrokken producten en geografische gebieden dekt en dezelfde duur van het vermeende kartel als in het clementieverzoek dat bij de Commissie werd ingediend en dat geactualiseerd kan zijn. Het moet echter aan de verzoekers zijn om de NMA's waarbij zij een beknopt verzoek hebben ingediend, ervan in kennis te stellen wanneer de reikwijdte van hun clementieverzoek bij de Commissie is veranderd, en aldus hun beknopte verzoeken dienovereenkomstig te actualiseren. De NMA's moeten kunnen nagaan of de reikwijdte van het beknopte verzoek overeenstemt met dat van het clementieverzoek dat bij de Commissie is ingediend via de samenwerking binnen het European Competition Network.

(64)  Rechtsonzekerheid aangaande de vraag of huidige en voormalige directeurs, bestuurders en andere personeelsleden van verzoekers om immuniteit beschermd zijn tegen individuele sancties, zoals geldboeten, ontzettingen of gevangenisstraffen, zou potentiële verzoekers kunnen beletten om clementie te verzoeken. Gezien hun bijdrage aan de opsporing van en het onderzoek naar geheime kartels dienen deze personen derhalve in beginsel te worden beschermd tegen ▌sancties die door overheidsinstanties in het kader van strafrechtelijke, administratieve en niet-strafrechtelijke procedures worden opgelegd in verband met hun betrokkenheid bij geheime kartels die onder het verzoek vallen, uit hoofde van nationaal recht dat overwegend dezelfde doelstellingen nastreeft als die welke door artikel 101 VWEU worden nagestreefd, zoals nationaal recht inzake vervalsing van aanbestedingen, indien aan de voorwaarden van deze richtlijn is voldaan. Een van deze voorwaarden is dat het immuniteitsverzoek moet zijn ingediend vóór het tijdstip waarop de bevoegde nationale autoriteiten deze personen in kennis hebben gesteld van de procedure die tot het opleggen van sancties zou kunnen leiden. Dergelijke procedures omvatten het tijdstip waarop deze personen ervan worden verdacht dergelijke nationale wetten te overtreden.

Het staat de lidstaten vrij om in nationaal recht modaliteiten vast te stellen voor de wijze waarop deze personen met de relevante autoriteiten moeten samenwerken om de doeltreffende werking van deze bescherming te waarborgen. De bescherming tegen strafrechtelijke sancties omvat gevallen waarin de bevoegde nationale autoriteiten onder bepaalde voorwaarden of afhankelijk van instructies met betrekking tot het toekomstige gedrag van de betrokkene afzien van vervolging.

(65)  In afwijking daarvan kunnen de lidstaten, om ervoor te zorgen dat de bescherming van personen tegen in strafrechtelijke procedures op te leggen sancties in overeenstemming is met de bestaande grondbeginselen van hun rechtsstelsel, bepalen dat de bevoegde instanties kunnen kiezen tussen bescherming van een persoon tegen sancties of alleen matiging van die sancties, afhankelijk van de uitkomst van de afweging van het belang van vervolging en/of bestraffing van de persoon tegen zijn bijdrage aan het opsporen en onderzoeken van het kartel. Bij de beoordeling van het belang van vervolging en/of bestraffing van deze personen, kan onder meer rekening worden gehouden met hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor of bijdrage aan de inbreuk.

(66)  Het staat de lidstaten vrij om ook de huidige of voormalige directeurs, bestuurders en andere personeelsleden van de verzoekers om boetevermindering bescherming tegen sancties of een matiging van de sancties te verschaffen.

(67)  Met het oog op de goede werking van de bescherming in situaties waarbij meer dan één rechtsgebied is betrokken, dienen de lidstaten te bepalen dat in gevallen waarin de voor bestraffing of vervolging bevoegde instantie niet in hetzelfde rechtsgebied is gevestigd als de mededingingsautoriteit die aan de zaak gevolg geeft, de nodige contacten tussen die autoriteiten gewaarborgd worden door de NMA van het rechtsgebied van de voor bestraffing of vervolging bevoegde instantie.

(68)  In een systeem waarin de Commissie en de NMA's parallelle bevoegdheden hebben voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU is nauwe samenwerking tussen de NMA's onderling en tussen de NMA's en de Commissie vereist. Met name wanneer een NMA overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 volgens nationaal recht een inspectie of verhoor verricht namens een andere NMA, moeten de aanwezigheid en de bijstand van de ambtenaren van de verzoekende autoriteit mogelijk gemaakt worden om dergelijke inspecties en verhoren doeltreffender te maken door aanvullende middelen, kennis en technische deskundigheid ter beschikking te stellen. De NMA's dienen tevens de bevoegdheid te hebben andere NMA's om bijstand te verzoeken bij het vaststellen of ondernemingen of ondernemersverenigingen hebben nagelaten zich aan onderzoeksmaatregelen en besluiten van de verzoekende NMA's te houden.

(69)  Er moeten regelingen worden getroffen waarmee NMA's om grensoverschrijdende wederzijdse bijstand kunnen verzoeken voor de kennisgeving van stukken betreffende de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU aan bij de procedure betrokken partijen of andere ondernemingen, ondernemersverenigingen of natuurlijke personen tot wie zulke kennisgevingen gericht kunnen zijn. Evenzo moeten de NMA's kunnen verzoeken om de tenuitvoerlegging van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen door autoriteiten in andere lidstaten, wanneer de verzoekende autoriteit redelijke inspanningen heeft geleverd om zich ervan te vergewissen dat de onderneming waartegen de geldboete of dwangsom dient te worden ingevorderd, in de lidstaat van de verzoekende autoriteit niet over voldoende activa beschikt. De lidstaten dienen tevens met name te bepalen dat, wanneer de onderneming waartegen de geldboete of de dwangsom kan worden ingevorderd niet in de lidstaat van de verzoekende autoriteit is gevestigd, de aangezochte autoriteit door de verzoekende autoriteit genomen besluiten op verzoek van de verzoekende autoriteit ten uitvoer kan leggen. Dit zou de doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU waarborgen en bijdragen tot de goede werking van de interne markt. Om te waarborgen dat NMA's voldoende middelen beschikbaar stellen voor de verzoeken om wederzijdse bijstand en om te bevorderen dat daadwerkelijk bijstand wordt verleend, moeten de aangezochte autoriteiten de gemaakte kosten bij het leveren van die bijstand kunnen verhalen. Deze wederzijdse bijstand laat de toepassing van Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad(4) onverlet.

(70)  Om de doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU door de NMA's te waarborgen, moeten er werkbare regels worden vastgesteld voor ▌ verjaringstermijnen. In een systeem van parallelle bevoegdheden moeten met name de nationale verjaringstermijnen worden opgeschort of onderbroken voor de duur van de procedure bij NMA's van een andere lidstaat of bij de Commissie. Een dergelijke opschorting of onderbreking mag de lidstaten niet beletten absolute verjaringstermijnen te handhaven of in te voeren, mits de duur daarvan de doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt.

(71)  In de lidstaten waar zowel een nationale administratieve mededingingsautoriteit als eennationale gerechtelijke mededingingsautoriteit als nationale mededingingsautoriteit zijn aangewezen voor de handhaving van artikelen 101 of 102 VWEU als bedoeld in de artikelen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 16 van deze richtlijn moet de nationale administratieve mededingingsautoriteit de zaak met het oog op een efficiënte en doeltreffende behandeling van de zaken in het European Competition Network rechtstreeks bij de nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit aanhangig kunnen maken. In de mate dat nationale rechterlijke instanties optreden ▌in procedures tegen ▌besluiten van NMA's op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bovendien zelf de volle bevoegdheid hebben om als aanklager of verweerder aan deze procedures deel te nemen en moeten zij dezelfde rechten van die openbare partij bij die procedure genieten.

(72)  Ten gevolge van het risico dat voor de clementieverzoeker zelf bezwarend materiaal wordt bekendgemaakt buiten de context van het onderzoek waarvoor het werd verstrekt, kunnen potentiële clementieverzoekers zich minder gestimuleerd voelen om met mededingingsautoriteiten samen te werken. Bijgevolg mag informatie uit clementieverklaringen, ongeacht de vorm waarin die werden ingediend, die via toegang tot het dossier is verkregen, enkel worden gebruikt in een zeer beperkt aantal gevallen die rechtstreeks verband houden met de zaak waarvoor toegang tot het dossier is verleend, indien dit noodzakelijk is om de rechten van verdediging uit te oefenen in de procedure voor de nationale rechterlijke instanties. Dit mag de mededingingsautoriteiten niet beletten hun besluiten overeenkomstig het toepasselijke Unierecht of nationale recht bekend te maken.

(73)  Bewijsmateriaal is een belangrijk element bij de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU. NMA's moeten relevant bewijsmateriaal in aanmerking kunnen nemen, of dit nu is geleverd in schriftelijke, mondelinge, elektronische of opgenomen vorm ▌. Hieronder moet ook de mogelijkheid vallen van het in aanmerking nemen van verborgen opnames die gemaakt zijn door natuurlijke personen of rechtspersonen die geen overheidsinstantie zijn, mits deze opnames niet de enige bron van bewijs zijn. Dit moet het recht om te worden gehoord en de eventuele toelaatbaarheid van alle door overheidsinstanties gemaakte of verkregen opnames onverlet laten. Evenzo moeten de NMA's elektronische berichten als relevant bewijsmateriaal in aanmerking kunnen nemen, ook als deze berichten ongelezen lijken of zijn gewist.

(74)  Door ervoor te zorgen dat de NMA's over de bevoegdheden beschikken die zij nodig hebben om de handhaving doeltreffender te maken, neemt de behoefte aan nauwe samenwerking en doeltreffende multilaterale en bilaterale communicatie in het European Competition Network toe. Dit moet de ontwikkeling van niet-dwingende maatregelen omvatten om de uitvoering van deze richtlijn te vergemakkelijken en te ondersteunen.

(75)  Ter ondersteuning van de nauwe samenwerking in het European Competition Network moet de Commissie zorgen voor het onderhoud, de ontwikkeling, de opslag, de exploitatie en de ondersteuning van een centraal informatiesysteem (European Competition Network System) overeenkomstig de relevante normen inzake vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en gegevensbeveiliging. Het European Competition Network steunt voor de doeltreffende en efficiënte werking ervan op interoperabiliteit. De algemene begroting van de Unie moet de kosten dragen voor het onderhoud, de ontwikkeling, de opslag, de ondersteuning van gebruikers en de exploitatie van het European Competition Network System en andere administratieve kosten in verband met de werking van het European Competition Network, en met name de kosten in verband met de organisatie van vergaderingen. Er is voorzien in financiering van de kosten voor het European Competition Network System tot 2020 uit het programma voor interoperabiliteitsoplossingen en gemeenschappelijke kaders voor Europese overheidsdiensten, bedrijven en burgers (ISA²-programma) dat is vastgesteld bij Besluit (EU) 2015/2240 van het Europees Parlement en de Raad(5), mits het programma over voldoende middelen beschikt en aan de subsidiabiliteits- en prioriteringscriteria wordt voldaan.

(76)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, te weten ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de NMA's gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten, zodat zij de artikelen 101 en 102 VWEU, en het nationale mededingingsrecht parallel met deze artikelen, doeltreffend kunnen toepassen en kunnen zorgen voor de doeltreffende werking van de interne markt en het European Competition Network, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege het vereiste van doelmatige en coherente toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, met name gezien de territoriale werkingssfeer van de richtlijn, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde proportionaliteitsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(77)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(6) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn wordt de toezending van die stukken gerechtvaardigd geacht,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast om ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten, met het oog op de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, zodat de mededinging op de interne markt niet verstoord wordt en consumenten en ondernemingen geen nadelen ondervinden van nationale wetgeving en maatregelen die de nationale mededingingsautoriteiten beletten de mededingingsregels doeltreffend te handhaven.

2.  Deze richtlijn heeft betrekking op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en de parallelle toepassing van nationaal mededingingsrecht op dezelfde zaak. Wat artikel 31, leden 3 en 4, van deze richtlijn betreft, heeft deze richtlijn ook betrekking op de toepassing van nationaal mededingingsrecht dat zelfstandig wordt toegepast.

3.  Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast voor wederzijdse bijstand om de goede werking van de interne markt en de goede werking van het systeem van nauwe samenwerking binnen het European Competition Network te waarborgen.

Artikel 2

Definities

1.  In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)  "nationale mededingingsautoriteit": een overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 door een lidstaat aangewezen autoriteit die bevoegd is de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen; de lidstaten kunnen een of meer administratieve mededingingsautoriteiten (nationale administratieve mededingingsautoriteiten) alsmede gerechtelijke autoriteiten (nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit) aanwijzen;

2)  "nationale administratieve mededingingsautoriteit": een administratieve autoriteit die door een lidstaat wordt aangewezen om alle of enkele van de functies van een nationale mededingingsautoriteit uit te oefenen;

3)  "nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit ": een gerechtelijke autoriteit die door een lidstaat wordt aangewezen om enkele van de functies van een nationale mededingingsautoriteit uit te oefenen;

4)  "mededingingsautoriteit": een nationale mededingingsautoriteit, de Commissie, of beide, indien de omstandigheden dit vereisen;

5)  "European Competition Network": het netwerk van publieke autoriteiten dat wordt gevormd door de nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie om een forum te bieden voor discussie en samenwerking met betrekking tot de toepassing en de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU;

6)  "nationaal mededingingsrecht": de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die in dezelfde zaak en parallel met het mededingingsrecht van de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003, alsmede de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die met betrekking tot artikel 31, leden 3 en 4, van deze richtlijn zelfstandig worden toegepast, met uitzondering van bepalingen van nationaal recht waarbij natuurlijke personen strafrechtelijke sancties worden opgelegd;

7)  "nationale rechterlijke instantie": een rechterlijke instantie van een lidstaat in de zin van artikel 267 VWEU;

8)  "beroepsinstantie": een nationale rechterlijke instantie die bevoegd is kennis te nemen van met gebruikmaking van de gangbare rechtsmiddelen ingestelde beroepen tegen besluiten van een nationale mededingingsautoriteit of tegen vonnissen op die besluiten, ongeacht de vraag of die rechterlijke instantie al dan niet zelf bevoegd is om een inbreuk op het mededingingsrecht vast te stellen;

9)  "handhavingsprocedure": de procedure bij een mededingingsautoriteit voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU, tot deze mededingingsautoriteit dergelijke procedure heeft afgesloten door een in artikel 10, artikel 12 of artikel 13 van deze richtlijn bedoeld besluit vast te stellen in het geval van een nationale mededingingsautoriteit, of door een in artikel 7, artikel 9 of artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1/2003 bedoeld besluit vast te stellen in het geval van de Commissie, of voor zolang als de mededingingsautoriteit niet tot de conclusie is gekomen dat er voor haar geen gronden zijn om verder op te treden;

10)  "onderneming" als bedoeld in de artikelen 101 en 102 VWEU: elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van de entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

11)  "kartel": een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen twee of meer concurrenten met als doel hun concurrentiegedrag op de markt te coördineren of de relevante parameters van mededinging te beïnvloeden via praktijken zoals onder meer, doch niet uitsluitend, het bepalen of coördineren van aan- of verkoopprijzen of andere handelsvoorwaarden, onder meer met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten, de toewijzing van productie- of verkoopquota, de verdeling van markten en klanten, met inbegrip van vervalsing van aanbestedingen, het beperken van importen of exporten of mededingingsverstorende maatregelen tegen andere concurrenten;

12)  "geheim kartel": kartel waarvan het bestaan gedeeltelijk of geheel verborgen wordt gehouden;

13)  "immuniteit tegen geldboeten": een vrijstelling van geldboeten die anders aan een onderneming zouden worden opgelegd voor haar deelname aan een geheim kartel, als beloning voor de samenwerking van die onderneming met een mededingingsautoriteit in het kader van een clementieregeling;

14)  "vermindering van geldboeten": een vermindering van het bedrag van de geldboete die anders aan een onderneming zou worden opgelegd voor haar deelname aan een geheim kartel, als tegenprestatie voor de samenwerking van die onderneming met een mededingingsautoriteit in het kader van een clementieregeling;

15)  "clementie": zowel immuniteit tegen geldboeten als vermindering van geldboeten;

16)  "clementieregeling": een regeling met betrekking tot de toepassing van artikel 101 VWEU of een corresponderende bepaling in het nationale mededingingsrecht op basis waarvan een deelnemer aan een geheim kartel onafhankelijk van de andere bij het kartel betrokken ondernemingen meewerkt aan een onderzoek van de mededingingsautoriteit door vrijwillig informatie te verschaffen over de kennis die deze deelnemer heeft van het kartel en de rol die hij daarin speelt, in ruil waarvoor de deelnemer, op grond van een besluit of door de procedure stop te zetten, immuniteit wordt verleend tegen geldboeten voor betrokkenheid bij het kartel of een vermindering van deze geldboeten;

17)  "clementieverklaring": een vrijwillig door of namens een onderneming of een natuurlijke persoon ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde mondelinge of schriftelijke verklaring of een opname daarvan, waarin de onderneming of een natuurlijke persoon mededeelt wat zij of hij weet over een ▌kartel en wat haar of zijn rol daarin was, en die speciaal ten behoeve van die autoriteit is opgesteld met het oog op het verkrijgen van immuniteit tegen of vermindering van de geldboeten in het kader van een clementieregeling, exclusief ▌bewijsmateriaal dat los van de handhavingsprocedure bestaat, ongeacht of deze informatie zich al dan niet in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt, namelijk reeds bestaande informatie;

18)  "verklaring met het oog op een schikking": een vrijwillige door of namens een onderneming ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde verklaring, waarin de onderneming haar deelname aan een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU of nationaal mededingingsrecht en haar aansprakelijkheid voor die inbreuk op het mededingingsrecht erkent of ervan afziet deze te betwisten, en die speciaal is opgesteld om de mededingingsautoriteit in staat te stellen een vereenvoudigde procedure of een versnelde procedure toe te passen;

19)  "verzoeker": een onderneming die verzoekt om immuniteit tegen of om vermindering van geldboeten in het kader van een clementieregeling;

20)  "verzoekende autoriteit": een nationale mededingingsautoriteit die verzoekt om wederzijdse bijstand als bedoeld in artikel 24, 25, 26, 27 of 28;

21)  "aangezochte autoriteit": een nationale mededingingsautoriteit die een verzoek om wederzijdse bijstand ontvangt en in het geval van een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 25, 26, 27 of 28, de bevoegde openbare instantie met de voornaamste verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van dergelijke besluiten volgens de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijk;

22)  "definitief besluit": een besluit waartegen op grond van gangbare rechtsmiddelen geen of niet langer beroep openstaat.

2.  Alle verwijzingen naar toepassing van of inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU in deze richtlijn hebben tevens betrekking op de parallelle toepassing van ▌nationaal mededingingsrecht op dezelfde zaak.

HOOFDSTUK II

GRONDRECHTEN

Artikel 3

Waarborgen

1.  Procedures in verband met inbreuken op artikel 101 of 102 VWEU, waaronder de uitoefening door nationale mededingingsautoriteiten van de bevoegdheden waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen, voldoen aan de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheden onderworpen is aan passende waarborgen met betrekking tot de rechten van verdediging van ondernemingen, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat handhavingsprocedures van nationale mededingingsautoriteiten binnen een redelijke termijn worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale mededingingsautoriteiten, alvorens een besluit te nemen als bedoeld in artikel 10 van deze richtlijn, een mededeling van punten van bezwaar vaststellen.

HOOFDSTUK IIII

ONAFHANKELIJKHEID EN MIDDELEN

Artikel 4

Onafhankelijkheid

1.  Om de onafhankelijkheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten te waarborgen bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, zien de lidstaten erop toe dat dergelijke autoriteiten hun taken en bevoegdheden onpartijdig en in het belang van de doeltreffende en uniforme toepassing van die bepalingen uitvoeren en uitoefenen, mits aan evenredige verantwoordingsverplichtingen is voldaan en onverminderd de nauwe samenwerking tussen de mededingingsautoriteiten in het European Competition Network.

2.  De lidstaten zien er met name ten minste op toe dat in hun nationale administratieve mededingingsautoriteiten het personeel en de personen die besluiten nemen bij de uitoefening van de bevoegdheden vervat in de artikelen 10 tot en met 13 en artikel 16 van deze richtlijn:

a)  voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU hun taken kunnen uitvoeren en hun bevoegdheden kunnen uitoefenen onafhankelijk van politieke of andere externe inmenging;

b)  bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen instructies van overheidsinstanties of enige andere publieke of private entiteiten vragen of aanvaarden, onverlet het recht van de overheid van een lidstaat om, in voorkomend geval, algemene beleidsregels uit te vaardigen die geen verband houden met sectorale onderzoeken of specifieke handhavingsprocedures; en

c)  zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitvoering van hun taken en/of de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, en onderworpen zijn aan procedures die waarborgen dat ze zich na beëindiging van hun functie gedurende een redelijke periode onthouden van betrokkenheid bij handhavingsprocedures die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten.

3.  De personen die in de nationale administratieve mededingingsautoriteiten besluiten nemen ter uitoefening van de bevoegdheden vervat in de artikelen 10 tot en met 13 en artikel 16 van deze richtlijn worden niet uit die autoriteiten ontslagen om redenen die verband houden met de behoorlijke uitvoering of uitoefening van hun in artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, bedoelde taken respectievelijk bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Zij kunnen enkel worden ontslagen wanneer zij niet langer voldoen aan de voorwaarden voor de uitvoering van hun taken of wanneer zij zich volgens het nationale recht schuldig gemaakt hebben aan ernstig wangedrag. De voorwaarden voor de uitoefening van hun taken en de definitie van ernstig wangedrag moeten vooraf in nationaal recht zijn vastgesteld, ermee rekening houdend dat het beleid doeltreffend moet kunnen worden gehandhaafd.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de personen die in de nationale administratieve mededingingsautoriteiten besluiten nemen ter uitoefening van de bevoegdheden vervat in de artikelen 10 tot en met 13 en artikel 16 van deze richtlijn, worden geselecteerd, aangeworven of benoemd op grond van vooraf in nationaal recht vastgestelde, duidelijke en transparante procedures.

5.   De nationale administratieve mededingingsautoriteiten hebben de bevoegdheid om hun prioriteiten te bepalen bij de uitvoering van hun in artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, bedoelde taken voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Voor zover nationale administratieve mededingingsautoriteiten verplicht zijn formele klachten in behandeling te nemen, hebben deze autoriteiten de bevoegdheid om dergelijke klachten te verwerpen wanneer zij menen dat dergelijke klachten geen handhavingsprioriteit zijn. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten om klachten te verwerpen om andere redenen bepaald door het nationale recht.

Artikel 5

Middelen

1.  De lidstaten zien er op toe dat de nationale mededingingsautoriteiten ten minste voldoende gekwalificeerd personeel en voldoende financiële, technische en technologische middelen tot hun beschikking hebben voor de doeltreffende uitvoering van hun taken en voor de doeltreffende uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als bepaald in lid 2 van dit artikel.

2.  Voor de toepassing van lid 1 kunnen de nationale mededingingsautoriteiten ten minste onderzoeken uitvoeren met het oog op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, besluiten vaststellen ter toepassing van die bepalingen op basis van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003; en nauw samenwerken binnen het European Competition Network om de doeltreffende en uniforme toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU te waarborgen. Voor zover het nationale recht hierin voorziet, kunnen de nationale mededingingsautoriteiten, waar passend, ook openbare instellingen en organen adviseren betreffende wetgevende, regelgevende, en administratieve maatregelen die invloed kunnen hebben op de mededinging binnen de interne markt alsmede bij het brede publiek de bekendheid bevorderen van de artikelen 101 en 102 VWEU.

3.  Onverminderd de nationale begrotingsregels en -procedures zien de lidstaten erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten onafhankelijkheid wordt toegekend bij de besteding van het hun toegekende budget voor de uitvoering van hun taken als bedoeld in lid 2.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten periodieke verslagen over hun activiteiten en middelen bij een regeringsorgaan of parlementair orgaan indienen. De lidstaten zien erop toe dat dergelijke verslagen informatie bevatten over de benoemingen en ontslagen van leden van het besluitvormingsorgaan, over het bedrag aan middelen dat in het desbetreffende jaar werd toegewezen, en over eventuele veranderingen in dit bedrag in vergelijking met voorgaande jaren. Deze verslagen worden voor het publiek toegankelijk gemaakt.

HOOFDSTUK IV

BEVOEGDHEDEN

Artikel 6

Bevoegdheid om inspecties uit te voeren in bedrijfsruimten

1.  De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten in staat zijn alle noodzakelijke onaangekondigde inspecties van ondernemingen en ondernemersverenigingen voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU uit te voeren. De lidstaten zien erop toe dat de ambtenaren en de andere door de nationale mededingingsautoriteiten tot het uitvoeren van dergelijke inspecties gemachtigde of aangewezen begeleidende personen ten minste de bevoegdheid hebben om:

a)  alle bedrijfsruimten, terreinen en vervoermiddelen van ondernemingen en ondernemersverenigingen te betreden;

b)  de boeken en alle andere bescheiden die verband houden met het bedrijf te controleren, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, en recht op toegang hebben tot alle informatie die toegankelijk is voor de entiteit die onderwerp is van de inspectie;

c)  in welke vorm ook kopieën van of uittreksels uit boeken of bescheiden te maken of te ontvangen en om, wanneer zij dat passend achten, verder dergelijk onderzoek naar informatie uit te voeren en om verder kopieën of uittreksels in de ruimten van de nationale mededingingsautoriteiten of andere aangewezen ruimten te selecteren;

d)  bedrijfsruimten en boeken of bescheiden te verzegelen zolang en voor zover dat nodig is voor de inspectie;

e)  vertegenwoordigers of personeelsleden van de betrokken onderneming of ondernemersvereniging te verzoeken om toelichting bij feiten of documenten die verband houden met het voorwerp en het doel van de inspectie, en om hun antwoorden op te nemen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen en ondernemersverenigingen worden verplicht zich te onderwerpen aan de inspecties als bedoeld in lid 1. De lidstaten zorgen er tevens voor dat wanneer een onderneming of ondernemersvereniging zich verzet tegen een inspectie die door de nationale administratieve mededingingsautoriteit is gelast en/of door een nationale gerechtelijke autoriteit is toegestaan, de nationale mededingingsautoriteiten de nodige bijstand kunnen krijgen van de politie of van een gelijkwaardige handhavingsinstantie zodat zij de inspectie kunnen uitvoeren. Dergelijke bijstand kan tevens als voorzorgsmaatregel worden verkregen.

3.  Dit artikel geldt onverminderd de vereisten uit hoofde van nationale wetgeving voor voorafgaande machtiging van dergelijke inspecties door een nationale gerechtelijke autoriteit.

Artikel 7

Bevoegdheid om inspecties uit te voeren in andere ruimten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale mededingingsautoriteiten, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat boeken of andere bescheiden in verband met het bedrijf en met het voorwerp van de inspectie, die relevant kunnen zijn om een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU te bewijzen, worden bewaard in andere dan in artikel 6, lid 1, onder a), van deze richtlijn bedoelde ruimten, terreinen of vervoermiddelen, waaronder de woningen van directeuren, bestuurders en andere personeelsleden van ondernemingen of ondernemersverenigingen, in deze ruimten, op deze terreinen en in deze vervoermiddelen onaangekondigde inspecties kunnen uitvoeren.

2.  Dergelijke inspecties worden niet uitgevoerd zonder voorafgaande machtiging van een nationale gerechtelijke autoriteit.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de ambtenaren en andere begeleidende personen die door nationale mededingingsautoriteiten zijn gemachtigd of aangewezen om overeenkomstig lid 1 van dit artikel een inspectie te verrichten, ten minste de in artikel 6, lid 1, onder a), b) en c), en artikel 6, lid 2, vastgestelde bevoegdheden hebben.

Artikel 8

Verzoeken om informatie

De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten van ondernemingen en ondernemersverenigingen kunnen verlangen om binnen een bepaald en redelijk tijdsbestek alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Dergelijke verzoeken om informatie dienen in verhouding te staan tot het doel en dwingen de adressaten van de verzoeken niet een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU toe te geven. De verplichting om alle noodzakelijke gegevens te verstrekken is van toepassing op informatie die toegankelijk is voor de betreffende ondernemingen of ondernemersverenigingen. Nationale mededingingsautoriteiten krijgen tevens de bevoegdheid om van alle andere natuurlijke en rechtspersonen binnen een bepaald en redelijk tijdsbestek informatie te verlangen die relevant kan zijn voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU.

Artikel 9

Verhoren

De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten ten minste bevoegd zijn om iedere vertegenwoordiger van een onderneming of ondernemersvereniging of van andere rechtspersonen, en iedere natuurlijke persoon, wanneer deze vertegenwoordiger of persoon mogelijk in het bezit is van informatie die relevant is voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, te ontbieden om te verschijnen voor een verhoor.

Artikel 10

Vaststelling en beëindiging van inbreuken

1.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer nationale mededingingsautoriteiten een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU vaststellen, zij de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen bij besluit kunnen gelasten aan die inbreuk een einde te maken. Zij kunnen daartoe alle corrigerende structurele of gedragsmaatregelen opleggen die evenredig zijn met de gepleegde inbreuk en noodzakelijk zijn om aan de inbreuk daadwerkelijk een einde te maken. Wanneer nationale mededingingsautoriteiten de keuze hebben tussen twee even effectieve corrigerende maatregelen, geven zij de voorkeur aan de corrigerende maatregel die, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, voor de onderneming het minst belastend is.

De lidstaten zorgen ervoor dat nationale mededingingsautoriteiten kunnen vaststellen dat een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU in het verleden is begaan.

2.  Indien nationale mededingingsautoriteiten, nadat ze in overeenstemming met artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1/2003 de Commissie op de hoogte gebracht hebben, concluderen dat er geen gronden zijn om de handhavingsprocedures voort te zetten, en deze handhavingsprocedures bijgevolg beëindigen, zien de lidstaten erop toe dat die nationale mededingingsautoriteiten de Commissie hiervan in kennis stellen.

Artikel 11

Voorlopige maatregelen

1.  De lidstaten zien erop toe dat nationale ▌mededingingsautoriteiten de bevoegdheid krijgen om op eigen initiatief bij besluit de oplegging van voorlopige maatregelen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen te gelasten, ten minste in dringende gevallen waarin, volgens een eerste onderzoek dat op een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU wijst, de mededinging op ernstige en onherstelbare wijze dreigt te worden geschaad. Een dergelijk besluit is evenredig en is hetzij van toepassing gedurende een bepaalde tijdspanne, die kan worden verlengd voor zover dat nodig en passend is, hetzij totdat een definitief besluit wordt genomen. De nationale mededingingsautoriteiten stellen het European Competition Network in kennis van het opleggen van deze voorlopige maatregelen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vraag of de in lid 1 bedoelde voorlopige maatregelen wettelijk en evenredig zijn, in versnelde beroepsprocedures kan worden getoetst.

Artikel 12

Toezeggingen

1.  De lidstaten zien erop toe dat in handhavingsprocedures die zijn ingesteld met het oog op de vaststelling van een besluit tot beëindiging van een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU, de nationale mededingingsautoriteiten aan de door de ondernemingen en ondernemersverenigingen voorgestelde toezeggingen, ingeval die toezeggingen tegemoet komen aan de bezwaren van deze autoriteiten, bij besluit een bindend karakter kunnen verlenen nadat zij, formeel of informeel, de standpunten van marktdeelnemers hebben ingewonnen. Een dergelijk besluit kan voor een bepaalde periode worden vastgesteld, en bevat de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden van de betrokken nationale mededingingsautoriteit bestaan.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten over voldoende bevoegdheden beschikken om toezicht te houden op de implementatie van de in lid 1 bedoelde toezeggingen.

3.  De lidstaten zien erop toe dat nationale mededingingsautoriteiten handhavingsprocedures kunnen heropenen indien er zich materiële veranderingen hebben voorgedaan in de feiten waarop een in lid 1 bedoeld besluit is gebaseerd, ondernemingen of ondernemingsverenigingen in strijd met hun toezeggingen handelen of een in lid 1 bedoeld besluit op onvolledige, onjuiste of misleidende informatie van de partijen is gebaseerd.

HOOFDSTUK V

GELDBOETEN EN DWANGSOMMEN

Artikel 13

Geldboeten opgelegd aan ondernemingen en ondernemersverenigingen

1.  ▌De lidstaten zien erop toe dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende geldboeten door de nationale administratieve mededingingsautoriteiten hetzij bij besluit via hun eigen handhavingsprocedures kunnen worden opgelegd, hetzij in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures kunnen worden gevorderd, wanneer ondernemingen en ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 101 of 102 VWEU.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten ten minste, hetzij bij besluit via hun eigen handhavingsprocedures doeltreffende, evenredige en afschrikkende geldboeten aan ondernemingen en ondernemersverenigingen kunnen opleggen, hetzij zulke geldboeten in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures van hen kunnen vorderen. Dergelijke geldboeten worden bepaald naar evenredigheid met hun totale wereldwijde omzet, wanneer:

a)  deze ondernemingen en ondernemingsverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid verzuimen mee te werken aan een inspectie als bedoeld in artikel 6, lid 2;

b)  zegels die zijn aangebracht door ambtenaren of andere door de nationale mededingingsautoriteiten gemachtigde of aangewezen begeleidende personen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder d), opzettelijk of uit onachtzaamheid zijn verbroken;

c)  deze ondernemingen en ondernemingsverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid als antwoord op een vraag als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder e) een onjuist of misleidend antwoord geven of er niet in slagen of weigeren een volledig antwoord te geven ▌;

d)  deze ondernemingen en ondernemingsverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken als antwoord op een verzoek ▌als bedoeld in artikel 8 of geen informatie verstrekken binnen de gestelde termijn;

e)  deze ondernemingen en ondernemingsverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid nalaten te verschijnen voor een verhoor als bedoeld in artikel 9;

f)  deze ondernemingen en ondernemingsverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid nalaten een besluit als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 na te leven.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de procedures als bedoeld in de leden 1 en 2 het mogelijk maken doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende geldboeten op te leggen.

4.  Dit artikel doet geen afbreuk aan het nationale recht dat voorziet in de oplegging van sancties in strafrechtelijke procedures, op voorwaarde dat de toepassing van dat recht de doeltreffende en uniforme handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU niet beïnvloedt.

5.  De lidstaten zien erop toe dat voor de oplegging van geldboeten aan moederondernemingen, rechtsopvolgers en economische opvolgers van ondernemingen het begrip onderneming wordt toegepast.

Artikel 14

Berekening van geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten bij het bepalen van het bedrag van de geldboete wegens een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU rekening houden met zowel de ernst als de duur van de inbreuk.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten bij het bepalen van het bedrag van de geldboete wegens een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU, rekening kunnen houden met schadevergoedingen die ingevolge een minnelijke schikking zijn betaald, in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2014/104/EU.

3.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer wegens een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd rekening houdend met de omzet van haar leden en deze vereniging insolvent is, de vereniging verplicht wordt om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te betalen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat, wanneer de ondernemingsvereniging de in lid 3 bedoelde bijdragen niet volledig ontvangen heeft binnen de termijn die door de nationale mededingingsautoriteiten is vastgelegd, de nationale mededingingsautoriteiten rechtstreeks de betaling van de geldboete kunnen eisen van elk van de ondernemingen waarvan de vertegenwoordigers lid waren van het besluitvormingsorgaan van die vereniging. Nadat de nationale mededingingsautoriteiten van deze ondernemingen betaling hebben geëist, kunnen ze ook, indien dit nodig is om de volledige betaling van de geldboete te waarborgen, elk lid van de vereniging dat actief was op de markt waar de inbreuk heeft plaatsgevonden, tot betaling van het resterende saldo aanspreken. De betaling op grond van dit lid wordt echter niet verlangd van ondernemingen die aantonen dat zij het inbreukbesluit van de vereniging niet hebben uitgevoerd en hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan van die inbreuk, hetzij voor de aanvang van het onderzoek daarvan actief afstand hebben genomen.

Artikel 15

Maximumbedrag van de geldboete

1.  De lidstaten zien erop toe dat ▌het maximumbedrag van de geldboete dat de nationale mededingingsautoriteiten aan elke onderneming of ondernemersvereniging die deelneemt aan een inbreuk op de artikelen 101 of 102 VWEU kunnen opleggen niet lager is dan 10 % van de totale wereldwijde omzet van de onderneming of ondernemingsvereniging in het boekjaar dat aan het in artikel 13, lid 1, bedoelde besluit voorafgaat.

2.  Wanneer een inbreuk van een ondernemersvereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden, bedraagt het maximumbedrag van de geldboete niet minder dan 10 % van de som van de totale wereldwijde omzet van elk lid dat actief is op de markt die de gevolgen van de inbreuk van de vereniging ondervindt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking tot de betaling van de geldboete bedraagt echter niet meer dan het overeenkomstig lid 1 bepaalde maximumbedrag.

Artikel 16

Dwangsommen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij besluit aan ondernemingen en ondernemingsverenigingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende dwangsommen kunnen opleggen. Dergelijke dwangsommen worden bepaald in verhouding tot de gemiddelde totale wereldwijde omzet per dag van zulke ondernemingen of ondernemingsverenigingen in het voorafgaande boekjaar en worden berekend vanaf de datum die in dat besluit bepaald wordt, dit om de ondernemingen of ondernemingsverenigingen er minstens toe te verplichten:

a)  volledige en juiste informatie te verstrekken als reactie op een verzoek zoals bedoeld in artikel 8,

b)  te verschijnen voor een verhoor als bedoeld in artikel 9.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten bij besluit aan ondernemingen en ondernemingsverenigingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende dwangsommen kunnen opleggen. Dergelijke dwangsommen worden bepaald in verhouding tot de gemiddelde totale wereldwijde omzet per dag van dergelijke ondernemingen en ondernemingsverenigingen tijdens het voorafgaande boekjaar en worden berekend vanaf de datum die in dat besluit bepaald wordt, dit om hen er minstens toe te verplichten:

a)  zich te onderwerpen aan een inspectie als bedoeld in artikel 6, lid 2;

b)  een besluit als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 na te leven.

HOOFDSTUK VI

CLEMENTIEREGELINGEN VOOR GEHEIME KARTELS

Artikel 17

Immuniteit tegen geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten beschikken over clementieregelingen waarmee zij ondernemingen immuniteit tegen geldboeten kunnen verlenen wanneer zij melden dat ze aan geheime kartels hebben deelgenomen. Dit laat onverlet dat nationale mededingingsautoriteiten beschikken over clementieregelingen voor andere inbreuken dan geheime kartels of over clementieregelingen waarmee zij natuurlijke personen immuniteit tegen geldboeten kunnen verlenen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat immuniteit tegen geldboeten slechts wordt verleend wanneer de verzoeker:

a)  voldoet aan de in artikel 19 uiteengezette voorwaarden;

b)  zijn deelname aan een geheim kartel meldt; en

c)  als eerste bewijsmateriaal verstrekt dat:

i)  de nationale mededingingsautoriteit op het moment van ontvangst van het verzoek in staat stelt een gerichte inspectie uit te voeren verband houdend met het geheime kartel, mits de nationale mededingingsautoriteit op dat moment nog niet over voldoende bewijsmateriaal beschikte om een dergelijke inspectie uit te voeren of nog geen dergelijke inspectie had uitgevoerd; of

ii)  naar het oordeel van de nationale mededingingsautoriteit voldoende is om een inbreuk op het mededingingsrecht die door de clementieregeling wordt gedekt, te kunnen vaststellen, mits de nationale mededingingsautoriteit op dat moment nog niet over voldoende bewijsmateriaal beschikte om een dergelijke inbreuk te kunnen vaststellen en geen enkele andere onderneming eerder in aanmerking is gekomen voor immuniteit tegen geldboeten op grond van punt i), met betrekking tot dat geheime kartel.

3.  De lidstaten zien erop toe dat alle ondernemingen in aanmerking kunnen komen voor immuniteit tegen geldboeten met uitzondering van ondernemingen die stappen hebben ondernomen om andere ondernemingen te dwingen deel te nemen aan een geheim kartel of bij het kartel aangesloten te blijven.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de verzoeker meedelen of hem al dan niet voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten is verleend. De verzoeker kan vragen dat de nationale mededingingsautoriteit hem schriftelijk op de hoogte brengt van het resultaat van zijn verzoek. In het geval dat de nationale mededingingsautoriteit een verzoek om immuniteit tegen geldboeten afwijst, kan de betrokken verzoeker die nationale mededingingsautoriteit vragen zijn verzoek als een verzoek tot vermindering van geldboeten in overweging te nemen.

Artikel 18

Vermindering van geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten beschikken over clementieregelingen waarmee zij ondernemingen die niet voor immuniteit tegen geldboeten in aanmerking komen, een vermindering van geldboeten kunnen toekennen. Dit laat onverlet dat nationale mededingingsautoriteiten beschikken over clementieregelingen voor andere inbreuken dan geheime kartels of over clementieregelingen waarmee zij natuurlijke personen een vermindering van geldboeten kunnen verlenen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat een vermindering van geldboeten slechts wordt toegekend wanneer de verzoeker:

a)  aan de voorwaarden van artikel 19 voldoet;

b)  zijn deelname aan een geheim kartel meldt; en

c)  bewijsmateriaal inzake het vermeende geheime kartel verstrekt dat, ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de nationale mededingingsautoriteit op het tijdstip van het verzoek reeds beschikt, een significante toegevoegde waarde vormt voor het bewijs van een inbreuk die onder de reikwijdte van de clementieregeling valt.

3.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer een verzoekeronomstotelijk bewijsmateriaal levert dat door de nationale mededingingsautoriteit gebruikt wordt ▌om het bewijs te leveren van aanvullende feiten waardoor de geldboeten hoger zijn dan de geldboeten die anders aan de deelnemers in het geheime kartel zouden zijn opgelegd, de nationale mededingingsautoriteit deze aanvullende feiten niet in overweging neemt bij het bepalen van de geldboete die wordt opgelegd aan de verzoeker om vermindering van geldboeten die dit bewijsmateriaal heeft aangebracht.

Artikel 19

Algemene voorwaarden voor clementie

De lidstaten zien erop toe dat de verzoeker, om voor clementie voor deelname aan geheime kartels in aanmerking te komen, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)  hij heeft zijn betrokkenheid bij het vermeende geheime kartel uiterlijk onmiddellijk na zijn clementieverzoek beëindigd, met uitzondering van wat volgens de nationale mededingingsautoriteit redelijkerwijs noodzakelijk is om de integriteit van haar onderzoek te vrijwaren;

b)  hij werkt vanaf het tijdstip van zijn verzoek daadwerkelijk, volledig, onafgebroken en zo snel mogelijk mee met de nationale mededingingsautoriteit, tot de autoriteit haar handhavingsprocedure tegen alle onderzochte partijen heeft afgesloten door een besluit vast te stellen of anderszins de procedure te beëindigen; dergelijke medewerking houdt in dat hij:

i)  de nationale mededingingsautoriteit prompt alle relevante informatie en bewijsmateriaal verschaft in verband met het vermeende geheime kartel die de verzoeker in zijn bezit heeft of waar hij toegang toe heeft, in het bijzonder:

—  de naam en het adres van de verzoeker;

—  de namen van alle andere ondernemingen die deelnemen of hebben deelgenomen aan het vermeende geheime kartel;

—  een uitgebreide beschrijving van het vermeende geheime kartel, met inbegrip van de betrokken producten, de betrokken geografische gebieden, de duur en de aard van het vermeende geheim-kartelgedrag;

—  informatie over alle eerdere of mogelijke toekomstige clementieverzoeken die met betrekking tot het vermeende geheime kartel bij andere mededingingsautoriteiten of mededingingsautoriteiten uit derde landen zijn of zullen worden ingediend;

ii)  ter beschikking blijft van de nationale mededingingsautoriteit om te antwoorden op elk verzoek dat kan bijdragen aan het vaststellen van de feiten;

iii)  ervoor zorgt dat directeuren, bestuurders en andere personeelsleden beschikbaar zijn voor verhoren door de nationale mededingingsautoriteit en redelijke inspanningen levert om ervoor te zorgen dat voormalige directeuren, bestuurders, en andere personeelsleden beschikbaar zijn voor verhoren door de nationale mededingingsautoriteit;

iv)  geen relevante informatie of bewijzen vernietigt, vervalst of verbergt; en

v)  tenzij anders is overeengekomen, de indiening van het clementieverzoek of de inhoud daarvan niet bekendmaakt voordat de nationale mededingingsautoriteit punten van bezwaar heeft uitgebracht in de bij haar aanhangige handhavingsprocedure; en

c)  gedurende de periode dat hij overwoog om een clementieverzoek in te dienen bij de nationale mededingingsautoriteit, mag hij noch:

i)  bewijsmateriaal over het vermeende geheime kartel hebben vernietigd, vervalst of verborgen; noch

ii)  zijn voorgenomen verzoek of de inhoud daarvan hebben bekendgemaakt, anders dan aan andere mededingingsautoriteiten of mededingingsautoriteiten uit derde landen.

Artikel 20

Vorm van de clementieverklaringen

1.  De lidstaten zien erop toe dat verzoekers clementieverklaringen voor volledige of beknopte verzoeken schriftelijk kunnen indienen en dat nationale mededingingsautoriteiten ook over een systeem beschikken voor het aanvaarden van dergelijke verklaringen die mondeling zijn verstrekt of op een andere wijze waarmee verzoekers de ingediende verklaringen niet in bezit, bewaring of onder hun controle hoeven te nemen.

2.  Op aanvraag van de verzoeker bevestigt de nationale mededingingsautoriteit schriftelijk de ontvangst van het volledige of beknopte verzoek, met vermelding van de datum en het tijdstip van ontvangst.

3.  De verzoekers kunnen clementieverklaringen voor volledige of beknopte verzoeken indienen in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat van de betrokken nationale mededingingsautoriteit of in een andere, bilateraal tussen de nationale mededingingsautoriteit en de verzoeker overeengekomen officiële taal van de Unie.

Artikel 21

Markers voor verzoeken om immuniteit tegen geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen die een verzoek om immuniteit tegen geldboeten wensen in te dienen, op hun verzoek in eerste instantie desgewenst een plaats in de rij voor clementie krijgen toegewezen gedurende een per geval door de nationale mededingingsautoriteit te bepalen periode om de verzoeker in staat te stellen de noodzakelijke informatie en bewijzen te verzamelen om te voldoen aan de bewijsvoorwaarde voor immuniteit tegen geldboeten.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om al dan niet aan het verzoek overeenkomstig lid 1 gehoor te geven.

Een onderneming die een dergelijk verzoek indient, verschaft, voor zover beschikbaar, informatie aan de nationale mededingingsautoriteit, waaronder:

a)  de naam en het adres van de verzoeker;

b)  de punten van zorg die aanleiding hebben gegeven tot het verzoek;

c)  de namen van alle andere ondernemingen die deelnemen of hebben deelgenomen aan het vermeende geheime kartel;

d)  de betrokken producten en geografische gebieden;

e)  de duur en de aard van het vermeende geheime kartelgedrag;

f)  informatie over eerdere of mogelijke toekomstige clementieverzoeken die met betrekking tot het vermeende geheime kartel bij andere mededingingsautoriteiten of mededingingsautoriteiten van derde landen zijn of worden ingediend.

3.  De lidstaten zien erop toe dat alle informatie en bewijzen die de verzoeker binnen de in overeenstemming met lid 1 bepaalde termijn heeft verschaft, worden geacht te zijn ingediend op het tijdstip van het oorspronkelijke verzoek.

4.  De verzoeker kan overeenkomstig lid 1 een verzoek indienen in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat van de betrokken nationale mededingingsautoriteit of in een andere, bilateraal tussen de nationale mededingingsautoriteit en de verzoeker overeengekomen officiële taal van de Unie.

5.  De lidstaten mogen voor ondernemingen die een verzoek om vermindering van geldboeten willen indienen, ook voorzien in de mogelijkheid om in eerste instantie een plaats in de rij voor clementie aan te vragen.

Artikel 22

Beknopte verzoeken

1.  De lidstaten zien erop toe dat nationale mededingingsautoriteiten beknopte verzoeken aanvaarden van verzoekers die bij de Commissie om clementie hebben verzocht, hetzij door een marker aan te vragen, hetzij door een volledig verzoek in te dienen met betrekking tot hetzelfde vermeende geheime kartel, op voorwaarde dat die verzoeken betrekking hebben op het grondgebied van meer dan drie lidstaten.

2.  Beknopte verzoeken bestaan uit een korte beschrijving van elk van de volgende elementen:

a)  de naam en het adres van de verzoeker;

b)  de namen van andere deelnemers aan het vermeende geheime kartel;

c)  de betrokken producten en geografische gebieden;

d)  de duur en de aard van het vermeende geheime kartelgedrag;

e)  de lidstaat of lidstaten waar het bewijsmateriaal inzake het vermeende geheime kartel zich waarschijnlijk bevindt; en

f)  informatie met betrekking tot elk reeds ingediend of mogelijk nog in te dienen clementieverzoek bij andere mededingingsautoriteiten of mededingingsautoriteiten van derde landen in verband met het vermeende geheime kartel.

3.   Wanneer de Commissie een volledig verzoek en de nationale mededingingsautoriteiten een beknopt verzoek in verband met hetzelfde vermeende geheime kartel ontvangen, is de Commissie de voornaamste gesprekspartner van de verzoeker, gedurende de periode voordat er duidelijkheid is verschaft of de Commissie volledig dan wel slechts gedeeltelijk gevolg zal geven aan de zaak, in het bijzonder door instructies aan de verzoeker te geven over het uitvoeren van eventuele aanvullende interne onderzoeken. Op verzoek van de betrokken nationale mededingingsautoriteiten zal de Commissie hen tijdens deze periode informeren over de stand van zaken van het verzoek.

De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de verzoeker enkel betreffende de in lid 2 uiteengezette elementen mogen vragen specifieke verduidelijkingen te verstrekken voordat zij op grond van lid 5 de indiening van een volledig verzoek verlangen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten die beknopte verzoeken ontvangen, nagaan of zij reeds van een andere verzoeker een beknopt of een volledig verzoek hebben ontvangen in verband met hetzelfde vermeende geheime kartel op het tijdstip van ontvangst van dergelijke verzoeken. Indien een nationale mededingingsautoriteit nog geen dergelijk verzoek heeft ontvangen van een andere verzoeker en van oordeel is dat het beknopt verzoek aan de vereisten van lid 2 voldoet, zal zij de verzoeker daarvan dienovereenkomstig in kennis stellen.

5.  De lidstaten zien erop toe dat zodra de Commissie de betrokken nationale mededingingsautoriteiten ervan in kennis heeft gesteld dat zij de zaak niet geheel of gedeeltelijk in behandeling wenst te nemen, de verzoekers de mogelijkheid hebben om bij die nationale mededingingsautoriteiten een volledig verzoek ▌ in te dienen. De nationale mededingingsautoriteiten mogen enkel in uitzonderlijke gevallen, wanneer dit strikt noodzakelijk is voor de afbakening of toewijzing van zaken, nog voor de Commissie de betrokken nationale mededingingsautoriteiten ervan in kennis heeft gesteld dat zij de zaak niet geheel of gedeeltelijk in behandeling wenst te nemen, van de verzoeker de indiening van het volledige verzoek vragen. De nationale mededingingsautoriteiten hebben de bevoegdheid om een redelijke termijn te bepalen waarbinnen de verzoeker het volledige verzoek, samen met het bijbehorende bewijsmateriaal en de bijbehorende informatie, moet indienen. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de verzoeker om reeds in een vroeger stadium vrijwillig een volledig verzoek in te dienen.

6.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer de verzoeker het volledige verzoek overeenkomstig lid 5 binnen de door de nationale mededingingsautoriteit bepaalde termijn indient, het volledige verzoek wordt geacht te zijn ingediend op het tijdstip van het beknopte verzoek, op voorwaarde dat het beknopte verzoek betrekking heeft op hetzelfde/dezelfde betrokken product(en) en geografische gebied(en), evenals op dezelfde duur van het vermeende geheime kartel als het clementieverzoek dat bij de Commissie werd ingediend en dat geactualiseerd kan zijn.

Artikel 23

Wisselwerking tussen verzoeken om immuniteit tegen geldboeten en de oplegging van sancties aan natuurlijke personen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de huidige en de voormalige directeuren, bestuurders en andere personeelsleden van verzoekers om immuniteit tegen geldboeten van mededingingsautoriteiten volledig worden beschermd tegen administratieve en niet-strafrechtelijke gerechtelijke sancties betreffende hun betrokkenheid bij het geheime kartel waarop het verzoek om immuniteit tegen geldboeten betrekking heeft, voor overtredingen van nationale wetten die voornamelijk dezelfde doelstellingen nastreven als die welke worden nagestreefd door artikel 101 VWEU indien:

a)  het verzoek om immuniteit tegen geldboeten dat door de onderneming wordt ingediend bij de mededingingsautoriteit die gevolg geeft aan de zaak, voldoet aan de in artikel 17, lid 2, onder b) en onder c), genoemde vereisten;

b)  die huidige en voormalige directeuren, bestuurders en andere personeelsleden in dit verband actief samenwerken met de mededingingsautoriteit die gevolg geeft aan de zaak; en

c)  het verzoek om immuniteit tegen geldboeten door de onderneming dateert van voor de tijd dat die huidige en voormalige directeuren, bestuurders en andere personeelsleden door de bevoegde instanties van de lidstaten werden gewezen op de procedures die tot het opleggen van de in dit lid bedoelde sancties leiden.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de huidige en de voormalige directeuren, bestuurders en andere personeelsleden van verzoekers om immuniteit tegen geldboeten van mededingingsautoriteiten worden beschermd tegen strafrechtelijke sancties betreffende hun betrokkenheid bij het geheime kartel waarop het verzoek om immuniteit tegen geldboeten betrekking heeft, voor overtredingen van nationale wetten die voornamelijk dezelfde doelstellingen nastreven als die welke worden nagestreefd door artikel 101 VWEU, indien ze aan de in lid 1 vermelde voorwaarden voldoen en ze actief samenwerken met de voor vervolging bevoegde instantie. Wanneer er niet wordt voldaan aan de samenwerkingsvoorwaarde met de voor vervolging bevoegde instantie, kan deze voor vervolging bevoegde instantie overgaan tot het onderzoek.

3.  Om conformiteit te waarborgen met de bestaande grondbeginselen van hun rechtsstelsel kunnen de lidstaten, in afwijking van lid 2, bepalen dat de bevoegde instanties de mogelijkheid hebben om geen sanctie op te leggen of de in strafprocedures op te leggen sanctie slechts te verminderen voor zover de bijdrage van de in lid 2 genoemde personen aan het opsporen en onderzoeken van het geheime kartel zwaarder weegt dan het belang van het vervolgen en/of straffen van deze personen.

4.  Met het oog op de goede werking van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde bescherming in situaties waarbij meer dan één rechtsgebied is betrokken, bepalen de lidstaten dat in gevallen waarin de voor bestraffing of vervolging bevoegde instantie tot een ander rechtsgebied behoort dan het rechtsgebied van de mededingingsautoriteit die aan de zaak gevolg geeft, de nodige contacten tussen hen gewaarborgd worden door de nationale mededingingsautoriteit van het rechtsgebied van de voor bestraffing of vervolging bevoegde instantie.

5.  Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van benadeelden die schade hebben geleden door een inbreuk op de mededingingswetgeving om, in overeenstemming met Richtlijn 2014/104/EU, volledige vergoeding van die schade te vorderen.

HOOFDSTUK VII

WEDERZIJDSE BIJSTAND

Artikel 24

Samenwerking tussen nationale mededingingsautoriteiten

1.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer een nationale administratieve mededingingsautoriteit overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1/2003 een inspectie of verhoor verricht namens en voor rekening van andere nationale mededingingsautoriteiten, de ambtenaren en andere door de verzoekende nationale mededingingsautoriteit gemachtigde of benoemde begeleidende personen, onder het toezicht van de ambtenaren van de aangezochte nationale mededingingsautoriteit de inspectie of het verhoor kunnen bijwonen en de aangezochte nationale mededingingsautoriteit actief bijstand kunnen verlenen tijdens de inspectie of het verhoor, wanneer de aangezochte nationale mededingingsautoriteit de in de artikelen 6, 7 en 9 van deze richtlijn bedoelde bevoegdheden uitoefent.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bevoegd zijn om op hun eigen grondgebied de in de artikelen 6 tot en met 9 van deze richtlijn bedoelde bevoegdheden in overeenstemming met hun nationale recht uit te oefenen namens en voor rekening van andere nationale mededingingsautoriteiten, om vast te stellen of ondernemingen of ondernemersverenigingen geen gevolg hebben gegeven aan de onderzoeksmaatregelen en besluiten van de verzoekende nationale mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 6 en artikel 8 tot en met 12 van deze richtlijn. De verzoekende nationale mededingingsautoriteit en de aangezochte nationale mededingingsautoriteit hebben de bevoegdheid om voor dit doel informatie uit te wisselen en te gebruiken, mits aan de in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003 vermelde waarborgen wordt voldaan.

Artikel 25

Verzoek om kennisgeving van voorlopige bezwaren en andere documenten

Onverminderd andere vormen van kennisgeving door een verzoekende autoriteit in overeenstemming met de geldende regels van haar lidstaat, zien de lidstaten erop toe dat de aangezochte autoriteit op last van de verzoekende autoriteit de adressaat in kennis stelt van:

a)  alle voorlopige bezwaren inzake de vermeende inbreuken op de artikelen 101 of 102 VWEU en alle besluiten op grond van deze artikelen ▌;

b)  iedere andere procedurele handeling die is vastgesteld in het kader van een handhavingsprocedure die in overeenstemming met de nationale wetgeving gemeld moet worden; en

c)  alle andere relevante documenten met betrekking tot de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU, met inbegrip van documenten die betrekking hebben op de handhaving van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen.

Artikel 26

Verzoek tot handhaving van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de aangezochte autoriteit, op verzoek van de verzoekende autoriteit, de overeenkomstig de artikelen 13 en 16 door de verzoekende autoriteit vastgestelde besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen ten uitvoer legt. Dit geldt enkel voor zover de verzoekende autoriteit, na redelijke inspanningen op haar eigen grondgebied te hebben geleverd, heeft vastgesteld dat de onderneming of ondernemingsvereniging jegens welke de geldboete of de dwangsom invorderbaar is, in de lidstaat van de verzoekende autoriteit niet over voldoende activa beschikt om invordering van een dergelijke geldboete of dwangsom mogelijk te maken.

2.  Voor gevallen die niet door lid 1 van dit artikel worden gedekt, in het bijzonder gevallen waarbij de onderneming of ondernemingsvereniging jegens welke de geldboete of de dwangsom invorderbaar is niet in de lidstaat van de verzoekende autoriteit gevestigd is, bepalen de lidstaten dat de aangezochte autoriteit besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen die door de verzoekende autoriteit overeenkomstig de artikelen 13 en 16 zijn vastgesteld, op verzoek van de verzoekende autoriteit ten uitvoer kan leggen.

Artikel 27, lid 3, onder d), is niet van toepassing op dit lid.

3.  De verzoekende autoriteit kan uitsluitend verzoeken om de tenuitvoerlegging van een definitief besluit.

4.  Vraagstukken met betrekking tot de verjaringstermijnen voor de tenuitvoerlegging van geldboeten of dwangsommen worden beheerst door het nationale recht van de lidstaat van de verzoekende autoriteit.

Artikel 27

Algemene beginselen van samenwerking

1.  De lidstaten zien erop toe dat de verzoeken als bedoeld in de artikelen 25 en 26 worden uitgevoerd door de aangezochte autoriteit overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van de aangezochte autoriteit.

2.  Verzoeken als bedoeld in de artikelen 25 en 26 worden zonder onnodige vertraging uitgevoerd door middel van een uniform instrument dat vergezeld gaat van een afschrift van de handeling die ter kennis moet worden gebracht of ten uitvoer moet worden gelegd. Een dergelijk uniform instrument bevat:

a)  de naam, het bekende adres van de adressaat en alle andere relevante informatie voor de identificatie van de adressaat;

b)  een samenvatting van de relevante feiten en omstandigheden;

c)  een samenvatting van het aangehechte afschrift van de handeling die ter kennis moet worden gebracht of ten uitvoer moet worden gelegd;

d)  naam, adres en andere contactgegevens van de aangezochte autoriteit; en

e)  de termijn waarbinnen de kennisgeving of tenuitvoerlegging moeten worden verricht, zoals statutaire termijnen of verjaringstermijnen.

3.  Voor verzoeken als bedoeld in artikel 26 worden naast de vereisten van lid 2 van dit artikel in het uniforme instrument onderstaande punten vermeld:

a)  informatie over het besluit op basis waarvan tenuitvoerlegging in de lidstaat van de verzoekende autoriteit mogelijk is;

b)  de datum waarop het besluit definitief is geworden;

c)  het bedrag van de geldboete of de dwangsom; en

d)  informatie waaruit de redelijke inspanningen blijken die de verzoekende autoriteit heeft geleverd om het besluit op haar eigen grondgebied ten uitvoer te leggen.

4.  Het uniforme instrument op basis waarvan tenuitvoerlegging door de aangezochte autoriteit mogelijk is, vormt de enige basis voor de tenuitvoerleggingsmaatregelen van de aangezochte autoriteit, met inachtneming van de voorschriften van lid 2. In de lidstaat van de aangezochte autoriteit wordt geen erkenning, aanvulling of vervanging van het uniforme instrument verlangd. De aangezochte autoriteit neemt alle maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit verzoek, tenzij de aangezochte autoriteit een beroep doet op lid 6.

5.  De verzoekende autoriteit zorgt ervoor dat het uniforme instrument aan de aangezochte autoriteit wordt toegezonden in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van de aangezochte autoriteit, tenzij de aangezochte en de verzoekende autoriteit per geval bilateraal overeenkomen dat het uniforme instrument in een andere taal mag worden toegezonden. Indien dat volgens het nationale recht van de lidstaat van de aangezochte autoriteit vereist is, zorgt de verzoekende autoriteit voor een vertaling van de handeling waarvan kennis dient te worden gegeven of van het besluit op grond waarvan de geldboete of de dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd, in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van de aangezochte autoriteit. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de aangezochte en de verzoekende autoriteit om per geval bilateraal overeen te komen dat dergelijke vertaling in een andere taal kan worden verstrekt.

6.  De aangezochte autoriteit is niet verplicht een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 26 ten uitvoer te leggen, indien:

a)  het verzoek niet voldoet aan de voorschriften van dit artikel; of

b)  de aangezochte autoriteit op redelijke gronden kan aantonen dat de uitvoering van het verzoek duidelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar tenuitvoerlegging wordt verlangd.

Indien de aangezochte autoriteit voornemens is een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 25 of 26 te weigeren of bijkomende informatie verlangt, neemt ze contact op met de verzoekende autoriteit.

7.  De lidstaten zien erop toe dat, wanneer de aangezochte autoriteit dat verlangt, de verzoekende autoriteit alle redelijke bijkomende kosten in verband met maatregelen als bedoeld in artikel 24 of 25 volledig draagt, met inbegrip van vertalings-, arbeids- en administratieve kosten.

8.  De aangezochte autoriteit kan de volledige kosten die zijn gemaakt in verband met handelingen die zijn verricht als bedoeld in artikel 26 verhalen uit de geldboeten of dwangsommen die zij heeft geïnd namens de verzoekende autoriteit, met inbegrip van vertalings-, arbeids- en administratieve kosten. Indien de aangezochte autoriteit er niet in slaagt de geldboeten of dwangsommen te innen, kan zij de verzoekende autoriteit verzoeken de gemaakte kosten te dragen.

Het staat de lidstaten vrij te bepalen dat de aangezochte autoriteit de kosten in verband met de tenuitvoerlegging van deze besluiten ook mag verhalen op de onderneming jegens welke de geldboete of de dwangsom uitvoerbaar is.

De verschuldigde bedragen worden door de aangezochte autoriteit in de munteenheid van haar lidstaat ingevorderd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve procedures of gebruiken in die lidstaat.

De aangezochte autoriteit rekent, indien nodig en in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk, het bedrag van de geldboeten of dwangsommen om in de valuta van de lidstaat van de aangezochte autoriteit tegen de wisselkoers van de datum waarop de geldboeten of dwangsommen zijn opgelegd.

Artikel 28

Geschillen inzake verzoeken tot kennisgeving of tot tenuitvoerlegging van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen

1.  Geschillen vallen onder de bevoegdheid van de bevoegde instanties van de lidstaat van de verzoekende autoriteit en worden beheerst door het recht van die lidstaat, indien zij betrekking hebben op:

a)  de rechtmatigheid van een overeenkomstig artikel 25 ter kennis te brengen handeling of van een besluit dat ten uitvoer moet worden gelegd in overeenstemming met artikel 26; en

b)  de rechtmatigheid van het uniforme instrument op basis waarvan tenuitvoerlegging in de lidstaat van de aangezochte autoriteit mogelijk is.

2.  Geschillen met betrekking tot de in de ▌lidstaat van de aangezochte autoriteit getroffen tenuitvoerleggingsmaatregelen of met betrekking tot de geldigheid van een kennisgeving door de aangezochte autoriteit, vallen onder de bevoegdheid van de bevoegde instanties van de ▌lidstaat van de aangezochte autoriteit en worden beheerst door het recht van die lidstaat.

HOOFDSTUK VIII

VERJARINGSTERMIJNEN

Artikel 29

Regels inzake verjaringstermijnen voor de oplegging van geldboeten en dwangsommen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de verjaringstermijnen voor de oplegging van geldboeten of dwangsommen door de nationale mededingingsautoriteiten op grond van de artikelen 13 en 16 worden opgeschort of onderbroken voor de duur van de handhavingsprocedures inzake een inbreuk in verband met dezelfde overeenkomst, hetzelfde besluit, dezelfde onderling afgestemde feitelijke gedraging of ander bij artikel 101 of 102 VWEU verboden gedrag bij nationale mededingingsautoriteiten van andere lidstaten of bij de Commissie.

De opschorting van de verjaringstermijn vangt aan of de onderbreking van de verjaringstermijn treedt in werking vanaf de kennisgeving van de eerste formele onderzoeksmaatregel aan ten minste één onderneming die aan de handhavingsprocedure is onderworpen. Zij is van toepassing op alle ondernemingen of ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.

De opschorting of onderbreking eindigt op de dag waarop de betrokken mededingingsautoriteit haar handhavingsprocedure afsluit door een besluit te nemen als bedoeld in artikel 10, 12 of 13 van deze richtlijn of overeenkomstig artikel 7, 9 of 10 van Verordening (EG) nr. 1/2003, of tot de conclusie is gekomen dat er geen redenen zijn om van haar kant verder op te treden. De duur van deze opschorting of onderbreking doet geen afbreuk aan absolute verjaringstermijnen naar nationaal recht.

2.  De verjaringstermijn voor de oplegging van geldboeten of dwangsommen door een nationale mededingingsautoriteit wordt opgeschort of onderbroken zolang de procedure over het besluit van die nationale mededingingsautoriteit bij een beroepsinstantie aanhangig is.

3.  De Commissie ziet erop toe dat de kennisgeving van de eerste formele onderzoeksmaatregel, ontvangen van een nationale mededingingsautoriteit op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1/2003, ter beschikking wordt gesteld van de andere nationale mededingingsautoriteiten binnen het European Competition Network.

HOOFDSTUK IX

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 30

Rol van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij nationale rechterlijke instanties

1.  De lidstaten die zowel een nationale administratieve mededingingsautoriteit ▌als een nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit aanwijzen als autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, zien erop toe dat vorderingen bij de nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit rechtstreeks kunnen worden ingesteld door de nationale administratieve mededingingsautoriteit.

2.  Voor zover nationale rechterlijke instanties optreden in procedures tegen ▌besluiten, genomen door nationale mededingingsautoriteiten die de in hoofdstuk IV en de artikelen 13 en 16 van deze richtlijn bedoelde bevoegdheden uitoefenen voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van in dat verband opgelegde geldboeten en dwangsommen, zien de lidstaten erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteit zelf de volle bevoegdheid heeft om al naar gelang als aanklager of verweerder aan deze procedures deel te nemen en dezelfde rechten als die partijen bij die procedures geniet.

3.  De nationale administratieve mededingingsautoriteit is bevoegd om beroep aan te tekenen, met dezelfde rechten als bedoeld in lid 2, tegen:

a)  uitspraken van nationale rechterlijke instanties over door de nationale mededingingsautoriteiten genomen besluiten, als bedoeld in hoofdstuk IV en de artikelen 13 en 16 van deze richtlijn, met betrekking tot de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van in dat verband opgelegde geldboeten en dwangsommen; en

b)  de weigering van een nationale gerechtelijke autoriteit om de voorafgaande machtiging te verlenen voor een inspectie als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn, voor zover een dergelijke machtiging vereist is.

Artikel 31

Toegang tot dossiers voor partijen en beperkingen op het gebruik van informatie

1.  De lidstaten mogen bepalen dat, wanneer een nationale mededingingsautoriteit van een natuurlijke persoon informatie verlangt op basis van de in artikel 6, lid 1, onder e), artikel 8 of artikel 9 bedoelde maatregelen, die informatie niet wordt gebruikt als bewijs om die natuurlijke persoon of diens naaste verwanten sancties op te leggen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat nationale mededingingsautoriteiten, hun ambtenaren, personeel en andere personen die onder hun toezicht werken geen informatie openbaar maken die is verkregen op basis van de in deze richtlijn bedoelde bevoegdheden en die onder het beroepsgeheim valt, behalve wanneer een dergelijke openbaarmaking naar nationaal recht geoorloofd is.

3.  De lidstaten zien erop toe dat toegang ▌tot clementieverklaringen of verklaringen met het oog op een schikking uitsluitend wordt verleend aan partijen die het voorwerp zijn van de procedures in kwestie en uitsluitend voor de uitoefening van hun rechten van verdediging▌.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de partij die toegang heeft gekregen tot het dossier van de handhavingsprocedures van de nationale mededingingsautoriteiten de informatie uit ▌ clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking, uitsluitend mag gebruiken wanneer dat noodzakelijk is om haar rechten van verdediging uit te oefenen in procedures voor de nationale rechterlijke instanties in zaken die rechtstreeks verband houden met de zaak waarvoor toegang is verleend, en enkel wanneer dergelijke procedures betrekking hebben op:

a)  de verdeling van een door een nationale mededingingsautoriteit hoofdelijk opgelegde geldboete tussen deelnemers aan het kartel; of

b)  het beroep tegen een besluit van een nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU of op bepalingen van nationaal mededingingsrecht.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de volgende categorieën informatie die tijdens handhavingsprocedures voor een nationale mededingingsautoriteit door een partij zijn verkregen, niet door die partij worden gebruikt in procedures voor nationale rechterlijke instanties voordat de nationale mededingingsautoriteit haar handhavingsprocedure ten aanzien van alle onderzochte partijen heeft beëindigd door een in artikel 10 of artikel 12 bedoeld besluit vast te stellen of door de procedure anderszins te beëindigen:

a)  informatie die door andere natuurlijke personen of rechtspersonen specifiek voor de handhavingsprocedure van de nationale mededingingsautoriteit is voorbereid; ▌

b)  informatie die de nationale mededingingsautoriteit in de loop van haar handhavingsprocedure heeft opgesteld en aan de partijen heeft toegezonden; en

c)  verklaringen met het oog op een schikking die zijn ingetrokken.

6.  De lidstaten zien erop toe dat clementieverklaringen op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003 tussen nationale mededingingsautoriteiten uitsluitend worden uitgewisseld:

a)  met de toestemming van de verzoeker; of

b)  indien de nationale mededingingsautoriteit die de clementieverklaring ontvangt van dezelfde verzoeker ook een clementieverzoek met betrekking tot dezelfde inbreuk heeft ontvangen als de nationale mededingingsautoriteit die de clementieverklaring toezendt, op voorwaarde dat er op het tijdstip van toezending van de clementieverklaring voor de verzoeker geen mogelijkheid bestaat om de aan de nationale mededingingsautoriteit die de clementieverklaring ontvangt voorgelegde informatie terug te trekken.

7.  De vorm waarin de clementieverklaringen op grond van artikel 20 zijn ingediend, laat de toepassing van de leden 3 tot en met 6 van dit artikel onverlet.

Artikel 32

Toelaatbaarheid van bewijsmateriaal bij nationale mededingingsautoriteiten

De lidstaten zien erop toe dat de soorten bewijsmateriaal die bij een nationale mededingingsautoriteit toelaatbaar zijn, documenten, mondelinge verklaringen, elektronische berichten, opnames en enige andere informatie bevattende voorwerpen omvatten, ongeacht de vorm ervan en het medium waarop informatie is opgeslagen.

Artikel 33

De werking van het European Competition Network

1.  De kosten die de Commissie heeft gemaakt in verband met het onderhoud en de ontwikkeling van het centraal informatiesysteem van het European Competition Network (European Competition Network System) en in verband met de samenwerking binnen het European Competition Network komen ten laste van de algemene begroting van de Unie, binnen de grenzen van de beschikbare financiële middelen.

2.  Het European Competition Network kan beste werkwijzen en aanbevelingen inzake kwesties als onafhankelijkheid, middelen, bevoegdheden, geldboeten en wederzijdse bijstand ontwikkelen en, in voorkomend geval, publiceren.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen uiterlijk … [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn]▌. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die maatregelen vaststellen, wordt in de maatregelen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste maatregelen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 35

Evaluatie

Uiterlijk ... [zes jaar na de vaststelling van deze richtlijn] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de omzetting en tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Indien nodig kan de Commissie een evaluatie van deze richtlijn verrichten en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen.

Artikel 36

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 37

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

De Commissie neemt kennis van de tekst van artikel 11 over voorlopige maatregelen zoals overeengekomen door het Europees Parlement en de Raad.

Voorlopige maatregelen kunnen voor mededingingsautoriteiten een cruciaal instrument zijn om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt geschaad terwijl een onderzoek gaande is.

Om de mededingingsautoriteiten in staat te stellen doeltreffender te reageren op ontwikkelingen op zich snel evoluerende markten, zegt de Commissie toe dat zij binnen twee jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn zal analyseren of het treffen van voorlopige maatregelen binnen het European Competition Network kan worden vereenvoudigd. De resultaten van deze analyse zullen worden medegedeeld aan het Europees Parlement en de Raad.

(1)PB C 345 van 13.10.2017, blz. 70.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 14 november 2018.
(3)Verordening (EG) Nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).
(4)Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16).
(5) Besluit (EU) 2015/2240 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van een programma inzake interoperabiliteitsoplossingen en gemeenschappelijke kaders voor Europese overheidsdiensten, bedrijven en burgers (ISA2-programma) als middel om de overheidssector te moderniseren (PB L 318 van 4.12.2015, blz. 1).
(6)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


Europees wetboek voor elektronische communicatie ***I
PDF 1936kWORD 330k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) COM(2016)0590 – C8-0379/2016 – 2016/0288(COD))
P8_TA-PROV(2018)0453A8-0318/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0590),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0379/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 januari 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 februari 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief d.d. maandag 17 oktober 2016 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0318/2017),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie

P8_TC1-COD(2016)0288


(herschikking)(voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijnen 2002/19/EG(7), 2002/20/EG(8), 2002/21/EG(9) en 2002/22/EC(10) van het Europees Parlement en de Raad zijn ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, moeten die richtlijnen ter wille van de duidelijkheid worden herschikt.

(2)  De werking van de vijf richtlijnen die deel uitmaken van het huidige regelgevings­kader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, namelijk Richtlijn 2002/19/EG, Richtlijn 2002/20/EG, Richtlijn 2002/21/EG, Richtlijn 2002/22/EG en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(11) is onderworpen aan een periodieke toetsing door de Commissie, met name om te bepalen of wijzigingen nodig zijn in het licht van technologische en marktontwikkelingen.

(3)  In haar mededeling van 6 mei 2015 houdende een strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa heeft de Commissie verklaard dat zij bij de herziening van het telecommunicatiekader het accent zou leggen op maatregelen die erop gericht zijn investeringen in snelle breedbandnetwerken te stimuleren, een consistente, op de interne markt gebaseerde, benadering van radiospectrumbeleid en -beheer volgen, de voorwaarden scheppen voor een echte interne markt door versnippering van de regelgeving te bestrijden en zorgen voor de doeltreffende bescherming van consumenten, een gelijk speelveld voor alle marktpartijen en een consequente toepassing van de regels, alsmede een doeltreffender institutioneel regelgevingskader bieden.

(4)  Deze richtlijn maakt deel uit van een initiatief voor gezonde regelgeving (REFIT), dat vier richtlijnen, namelijk de Richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG, en Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad(12) omvat. Elk van die vier richtlijnen bevat maatregelen die van toepassing zijn op aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten, een weerspiegeling van de geschiedenis van de regelgeving van de sector, die uit verticaal geïntegreerde ondernemingen bestond, namelijk ondernemingen die zowel netwerken als diensten aanboden. Deze herziening biedt de mogelijkheid tot herschikking van de vier richtlijnen om de huidige structuur te vereenvoudigen teneinde de samenhang en toegankelijkheid ervan te versterken ten aanzien van de REFIT-doelstelling. Ook biedt zij de mogelijkheid de structuur aan te passen aan de nieuwe marktsituatie, waarin het aanbieden van communicatiediensten niet meer per definitie samenhangt met het aanbieden van een netwerk. Zoals bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(13), betekent een herschikking dat een nieuwe wetgevingshandeling wordt vastgesteld, waarin zowel de inhoudelijke wijzigingen die in eerdere besluiten worden aangebracht, als de ongewijzigde bepalingen van die besluiten in één tekst worden gebundeld. Het voorstel voor een herschikking heeft betrekking op de materiële wijzigingen die het in een vorig besluit aanbrengt en omvat daarnaast de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van het vorige besluit met die materiële wijzigingen.

(5)  Deze richtlijn schept een juridisch kader dat waarborgt dat de vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten te leveren slechts wordt beperkt door de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden en eventuele beperkingen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name maatregelen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, en overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest").

(6)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor iedere lidstaat om noodzakelijke maatregelen te treffen, om voor de bescherming van zijn essentiële veiligheidsbelangen te zorgen, de openbare orde ▌ en de openbare veiligheid te garanderen, en het onderzoek, de opsporing en de vervolging van misdrijven mogelijk te maken, in aanmerking nemend dat beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden, met name in de artikelen 7, 8 en 11 daarvan, zoals beperkingen op het verwerken van gegevens, bij wet moeten worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen en aan het evenredigheidsbeginsel moeten voldoen, overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest.

(7)  De convergentie van de sectoren telecommunicatie, media en informatietechnologie houdt in dat alle elektronischecommunicatienetwerken en -diensten zoveel mogelijk binnen eenzelfde in één richtlijn vastgesteld Europees wetboek voor elektronische communicatie moeten vallen, met uitzondering van aspecten waarvoor middels verordeningen rechtstreeks toepasselijke regels worden vastgesteld. Het is noodzakelijk dat de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten wordt gescheiden van de regelgeving inzake inhoud. Deze richtlijn bestrijkt derhalve niet de inhoud van de diensten die via elektronischecommunicatienetwerken met behulp van elektronischecommunicatiediensten worden geleverd, zoals de inhoud van omroepprogramma's, financiële diensten en bepaalde diensten van de informatiemaatschappij, en heeft geen gevolgen voor maatregelen die door de Unie of lidstaten, overeenkomstig het Unierecht, worden genomen om de culturele en taalkundige verscheidenheid te bevorderen en het pluralisme in de media te garanderen. De inhoud van televisieprogramma's valt onder Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad(14). Het reguleren van audio­visueel beleid en audiovisuele inhoud strekt tot het verwezenlijken van doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, pluralisme van de media, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumenten­bescherming en de bescherming van minderjarigen. De scheiding tussen de regelgeving inzake elektronische communicatie en de regelgeving inzake inhoud doet niet af aan het feit dat rekening wordt gehouden met de verbanden die tussen beide bestaan, met name om pluralisme in de media, culturele verscheidenheid en consumentenbescherming te garanderen. Binnen de grenzen van hun bevoegdheden moeten de bevoegde instanties er mee op toezien dat maatregelen met die doelstellingen worden uitgevoerd.

(8)  Deze richtlijn laat de toepassing van Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad(15) op radioapparatuur onverlet, maar heeft wel betrekking op autoradio-ontvangers en ontvangers voor radio voor consumenten, en op digitaletelevisieapparatuur voor consumenten.

(9)  Om de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties in staat te stellen de doelstellingen van deze richtlijn te behalen, met name wat de eind-tot-eind interoperabiliteit betreft, moet het toepassingsgebied van de richtlijn worden uitgebreid tot bepaalde aspecten van radioapparatuur in de zin van Richtlijn 2014/53/EU en consumentenapparatuur die voor digitale televisie wordt gebruikt, teneinde de toegang voor eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken. Het is belangrijk dat netwerkexploitanten en fabrikanten van apparatuur door nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties worden aangemoedigd om door samenwerking de toegang tot elektronischecommunicatiediensten voor eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken. Deze richtlijn moet eveneens van toepassing zijn op niet-exclusief gebruik van radiospectrum voor persoonlijk gebruik van radioapparaten, zonder verband met een economische activiteit, teneinde een gecoördineerd machtigingsbeleid te waarborgen.

(10)  Bepaalde elektronischecommunicatiediensten die onder deze richtlijn vallen, kunnen ook vallen binnen de reikwijdte van de definitie "dienst van de informatiemaatschappij" in artikel 1 van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad(16). De in die richtlijn opgenomen bepalingen inzake diensten van de informatiemaatschappij zijn op die elektronischecommunicatie­diensten van toepassing voor zover noch deze richtlijn, noch andere rechtshandelingen van de Unie meer specifieke regels inzake elektronischecommunicatiediensten bevatten. Elektronischecommunicatiediensten, zoals spraaktelefonie, berichtendiensten en e‑maildiensten, vallen wel onder deze richtlijn. Dezelfde onderneming, bijvoorbeeld een verstrekker van internetdiensten, kan een elektronischecommunicatiedienst aanbieden, zoals internettoegang, en diensten die niet onder deze richtlijn vallen, zoals de levering van niet-communicatiegerelateerde internetinhoud.

(11)  Door eenzelfde onderneming, bv. een kabelexploitant, kunnen tegelijkertijd elektronischecommunicatiediensten, zoals het doorgeven van televisiesignalen, en niet onder deze richtlijn vallende diensten, zoals radio- of televisiediensten, worden aangeboden; derhalve kunnen aan een dergelijke onderneming in verband met haar activiteit als aanbieder of verdeler van inhoud bijkomende verplichtingen worden opgelegd overeenkomstig andere bepalingen dan die van deze richtlijn en onverminderd de in een bijlage bij deze richtlijn vastgestelde lijst van voorwaarden.

(12)  Het regelgevingskader moet van toepassing zijn op het gebruik van radiospectrum door alle elektronischecommunicatienetwerken, met inbegrip van persoonlijk gebruik van radiospectrum door nieuwe types netwerken die uitsluitend bestaan uit autonome systemen van mobiele radioapparatuur die draadloos met elkaar is verbonden zonder centraal beheer of een gecentraliseerde netwerkexploitant en niet noodzakelijk aan de uitoefening van een specifieke economische activiteit is gekoppeld. In de zich ontwikkelende 5G‑draadlozecommunicatieomgeving zullen dergelijke netwerken zich wellicht verder ontwikkelen, met name buiten gebouwen en op de weg, voor vervoer, energie, onderzoek en ontwikkeling, e-gezondheid, civiele bescherming en rampenbestrijding, het internet der dingen, machine-to-machine en onderling communicerende auto's. Bijgevolg moet de toepassing door de lidstaten, op basis van artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU, van aanvullende nationale regels voor het in gebruik nemen of het gebruiken van dergelijke radio­apparatuur, of beide, met betrekking tot het effectieve en efficiënte gebruik van radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie sporen met de beginselen van de interne markt.

(13)  De eisen ten aanzien van de mogelijkheden van elektronischecommunicatienetwerken liggen steeds hoger. Terwijl het accent in het verleden vooral lag op de algemene beschikbaarheid van toenemende bandbreedte voor elke individuele gebruiker, worden andere parameters zoals de wachttijd, beschikbaarheid en betrouwbaarheid steeds belangrijker. Het huidige antwoord op die vraag bestaat erin optische vezel steeds dichter bij de gebruiker te brengen, en toekomstige netwerken met zeer hoge capaciteit vereisen prestatieparameters die overeenkomen met hetgeen kan worden geboden door een netwerk dat minstens tot aan het distributiepunt uit optische-vezelcomponenten bestaat. Voor vaste netwerkaansluitingen stemt dit overeen met prestaties die vergelijkbaar zijn met die van een glasvezelinstallatie tot bij een meergezinswoning, die als het distributiepunt wordt beschouwd. Voor draadloze aansluitingen stemt dit overeen met prestaties die vergelijkbaar zijn met wat haalbaar is met een glasvezelinstallatie tot bij het basisstation, dat hier als distributiepunt geldt. Om te bepalen of een draadloos netwerk al dan niet vergelijkbare prestaties levert, moet geen rekening worden gehouden met variaties in de eindgebruikerservaring die het gevolg zijn van de uiteenlopende kenmerken van het medium waarmee het netwerk uiteindelijk op het netwerkaansluitpunt is aangesloten. Overeenkomstig het beginsel van technologieneutraliteit mogen andere technologieën en transmissiemedia niet worden uitgesloten wanneer zij prestaties bieden die vergelijkbaar zijn met dat referentiescenario. De uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit zal waarschijnlijk de mogelijkheden van netwerken verder doen toenemen en de weg vrijmaken voor de uitrol van toekomstige generaties draadloze netwerken op basis van een verbeterde etherinterface en een dichtere netwerkarchitectuur.

(14)  De definities moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming zijn met het beginsel van technologieneutraliteit en gelijke tred te houden met de technologische ontwikkeling, waaronder nieuwe vormen van netwerkbeheer, zoals via software­-emulatie of softwaregedefinieerde netwerken. Ten gevolge van technologische en marktontwikkelingen zijn netwerken overgeschakeld op internetprotocoltechnologie (IP-technologie) en kunnen eindgebruikers kiezen tussen een reeks concurrerende leveranciers van spraak­diensten. Daarom moet de term "openbare telefoondiensten", die uitsluitend in Richtlijn 2002/22/EG wordt gebruikt en doorgaans wordt geïnterpreteerd als een verwijzing naar traditionele analoge spraaktelefonie, worden vervangen door de meer hedendaagse en technologieneutrale term "spraakcommunicatiedienst". De voorwaarden voor de levering van een dienst moeten worden gescheiden van de feitelijke definitie van een spraak­communicatiedienst, namelijk een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor het initiëren en ontvangen, direct dan wel indirect, van nationale of nationale en internationale oproepen met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan, ongeacht of die dienst circuitgeschakeld of pakketgeschakeld is Een dergelijke dienst is per definitie bidirectioneel, zodat beide partijen kunnen communiceren. Een dienst die niet aan al die voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld een "doorklik"-toepassing op een website van een klantenservice, behoort niet tot dit soort diensten. Spraakcommunicatiediensten omvatten tevens specifieke communicatiemiddelen voor eindgebruikers met een handicap, die gebruikmaken van diensten die spraak omzetten in tekst ("text relay") of van diensten voor totale conversatie.

(15)  De voor communicatie gebruikte diensten en de technische middelen waarmee ze worden geleverd, zijn sterk veranderd. Eindgebruikers maken in plaats van traditionele spraaktelefonie, tekstberichten (SMS) en e-mail steeds meer gebruik van functioneel gelijkwaardige onlinediensten zoals voice over IP, berichtendiensten en webmail. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers en hun rechten bij het gebruik van functioneel gelijkwaardige diensten dezelfde reële bescherming genieten, moet een toekomstgerichte definitie van elektronischecommunicatiediensten niet uitsluitend gebaseerd zijn op technische parameters maar vanuit functioneel oogpunt worden benaderd. De draagwijdte van de nodige regulering moet afgestemd worden op de doelstellingen van algemeen belang. Hoewel het "overbrengen van signalen" een belangrijke parameter blijft om te bepalen welke diensten onder deze richtlijn vallen, moet de definitie ook van toepassing zijn op andere diensten waarmee communicatie tot stand kan worden gebracht. Vanuit het standpunt van de eindgebruiker heeft het geen belang of de aanbieder zelf signalen overbrengt, dan wel of de communicatie via een internettoegangsdienst tot stand komt. De definitie van elektronischecommunicatiediensten moet derhalve drie types diensten omvatten, die elkaar gedeeltelijk kunnen overlappen, namelijk internettoegangsdiensten als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad(17), interpersoonlijke communicatiediensten als gedefinieerd in deze richtlijn en diensten die hoofdzakelijk of volledig uit het overbrengen van signalen bestaan. De definitie van elektronische­communicatiediensten moet een einde maken aan de dubbelzinnige situaties bij de toepassing van de definitie zoals die vóór de vaststelling van deze richtlijn bestond en ervoor zorgen dat de specifieke rechten en verplichtingen in het kader van de verschillende soorten diensten doelgericht en per bepaling kunnen worden toegepast. De verwerking van persoonsgegevens door elektronischecommunicatiediensten, al dan niet tegen vergoeding, moet gebeuren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(18).

(16)  Om onder de definitie van elektronischecommunicatiediensten te vallen moet een dienst normaal gezien tegen vergoeding worden aangeboden. In de digitale economie zijn marktdeelnemers steeds meer van oordeel dat informatie over gebruikers een financiële waarde bezit. Elektronischecommunicatiediensten worden vaak aan de eindgebruiker aangeboden niet alleen in ruil voor geld, maar in toenemende mate ook, en in het bijzonder, in ruil voor de levering van persoonsgegevens of andere gegevens. Het begrip vergoeding moet daarom worden verruimd tot situaties waarin een aanbieder van diensten de eindgebruiker verzoekt persoonsgegevens in de zin van Verordening (EU) 2016/679 te verstrekken en de eindgebruiker die gegevens, of andere gegevens, bewust op directe of indirecte wijze aan de aanbieder verstrekt. Het moet ook van toepassing zijn op situaties waarin de eindgebruiker toegang tot informatie verleent zonder ▌ die informatie actief te verstrekken, zoals persoonsgegevens, waaronder het IP‑adres, of andere automatisch gegenereerde informatie, zoals informatie die door cookies ▌ wordt verzameld en doorgegeven. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) inzake artikel 57 VWEU(19) is er ook sprake van dienstverrichting tegen vergoeding als bedoeld in het VWEU wanneer de aanbieder van de dienst wordt betaald door een derde partij en niet door de ontvanger van de dienst. Het begrip vergoeding moet daarom ook van toepassing zijn op situaties waarin een eindgebruiker als voorwaarde om toegang te krijgen tot de dienst wordt blootgesteld aan reclame, of waarin de dienstverrichter de overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 verzamelde gegevens te gelde maakt ▌.

(17)  Interpersoonlijke communicatiediensten zijn diensten die een interactieve uitwisseling van informatie tussen personen mogelijk maken, zoals traditionele telefoongesprekken tussen twee personen, maar ook alle soorten e-mails, berichtendiensten of groepchats. Interpersoonlijke communicatiediensten omvatten alleen communicatie tussen een door de afzender van de communicatie bepaald aantal, d.w.z. een niet potentieel oneindig aantal, natuurlijke personen. Communicatie waarbij rechtspersonen zijn betrokken, moet onder de definitie vallen wanneer natuurlijke personen namens die rechtspersoon handelen of minstens bij één kant van de communicatie zijn betrokken. Interactieve communicatie betekent dat de dienst de ontvanger van de informatie de mogelijkheid biedt te antwoorden. Diensten die niet aan die eisen voldoen, zoals lineaire uitzendingen, video op verzoek, websites, sociale netwerken, blogs of de uitwisseling van informatie tussen machines, mogen niet als interpersoonlijke communicatiediensten worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen mag een dienst niet als een interpersoonlijke communicatiedienst worden beschouwd wanneer de persoonlijke en interactieve communicatiemogelijkheid slechts een beperkte en louter bijkomstige functie is bij een andere dienst en om objectieve technische redenen niet zonder die hoofddienst kan worden gebruikt en de integratie daarvan geen middel is om de regels inzake elektronischecommunicatiediensten te omzeilen. Als onderdeel van een vrijstelling van de definitie moeten de termen "beperkt" en "louter bijkomstig" restrictief en vanuit een objectief eindgebruikersperspectief worden geïnterpreteerd. Een interpersoonlijke communicatiefunctie kan als beperkt worden beschouwd wanneer het objectieve nut ervan voor een eindgebruiker zeer gering is en wanneer zij in werkelijkheid nauwelijks door eindgebruikers wordt gebruikt. Een voorbeeld van een kenmerk dat buiten het toepassingsgebied van de definitie van interpersoonlijke communicatiediensten zou kunnen vallen, zou, in principe, een communicatiekanaal in onlinespellen kunnen zijn, afhankelijk van de kenmerken van de communicatiemogelijkheid van de dienst.

(18)  Interpersoonlijke communicatiediensten die gebruik maken van nummers uit nationale en internationale ▌ nummerplannen staan in verbinding met openbaar toegewezen nummervoorraden. Nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten zijn zowel diensten waaraan eindgebruikers zijn toegewezen om de eind-tot-eindverbinding te waarborgen als diensten waarmee eindgebruikers personen kunnen bereiken aan wie die nummers zijn toegewezen. Het gebruik van een nummer als identificatiemiddel mag niet op gelijke voet worden gesteld met het gebruik van een nummer om verbinding te maken met openbaar toegewezen nummers en volstaat derhalve niet om te besluiten dat een dienst een nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst is. Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten mogen alleen aan verplichtingen worden onderworpen wanneer vanwege het algemeen belang specifieke wettelijke verplichtingen moeten worden opgelegd aan alle types elektronischecommunicatiediensten, ongeacht of voor de verlening van de dienst gebruik wordt gemaakt van nummers. Een verschillende behandeling van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten is gerechtvaardigd omdat die diensten deel uitmaken en derhalve de voordelen genieten van een openbaar gewaarborgd interoperabel ecosysteem.

(19)  Het netwerkaansluitpunt vormt voor regelgevingsdoeleinden een grens tussen het regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de regeling voor telecommunicatie-eindapparatuur. Bepaling van de locatie van netwerkaansluitpunten valt onder de bevoegdheid van de nationale regelgevende instantie. In het licht van de praktijk van de nationale regelgevende instanties en de verschillende situaties inzake vaste en draadloze netwerken, moet het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec), in nauw overleg met de Commissie, richtsnoeren vaststellen inzake een gemeenschappelijke aanpak voor de bepaling van het netwerkaansluitpunt, overeenkomstig deze richtlijn, in diverse concrete situaties.

(20)  Technische ontwikkelingen zorgen ervoor dat eindgebruikers niet alleen via de telefoon maar ook via andere interpersoonlijke communicatiediensten toegang krijgen tot noodhulpdiensten. Het begrip noodcommunicatie moet derhalve alle interpersoonlijke communicatiediensten waarmee de noodhulpdiensten kunnen worden bereikt, bestrijken. Het bouwt voort op de elementen van noodsystemen waarin het Unierecht reeds voorziet, namelijk een alarmcentrale (Public Safety Answering Point - PSAP) en een meest geschikte alarmcentrale zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad(20), en noodhulpdiensten zoals gedefinieerd in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 305/2013 van de Commissie(21).

(21)  Er dient een geharmoniseerde verzameling doelstellingen en beginselen te zijn waarop de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun acties baseren en aan de hand waarvan zij die, indien nodig, met de instanties van andere lidstaten en met Berec, coördineren bij de uitvoering van hun taken binnen dit regelgevingskader.

(22)  De taken die in deze richtlijn zijn toegewezen aan bevoegde instanties dragen bij tot de verwezenlijking van breder beleid op het gebied van cultuur, werkgelegenheid, milieu, sociale samenhang en ruimtelijke ordening.

(23)  Naast de bestaande drie hoofddoelstellingen, namelijk bevordering van de mededinging, de interne markt en de belangen van de eindgebruiker, moet het regelgevingskader een aanvullende connectiviteitsdoelstelling nastreven, uitgedrukt in resultaten: brede toegang tot en invoering van netwerken met zeer hoge capaciteit voor alle Unieburgers en alle bedrijven in de Unie, op basis van een redelijke prijs en keuze, ▌daadwerkelijke en eerlijke concurrentie, ▌open innovatie, ▌efficiënt gebruik van radiospectrum, ▌gemeenschappelijke regels en een voorspelbare regelgevingsaanpak in de interne markt, en de noodzakelijke sector­specifieke regels om de belangen van de burgers te beschermen. Voor de lidstaten, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en belanghebbenden wordt die connectiviteitsdoelstelling enerzijds vertaald in het streven naar netwerken met een maximale capaciteit en economisch duurzame diensten in een bepaald gebied, en anderzijds in het streven naar territoriale samenhang dankzij de convergentie van de in verschillende gebieden beschikbare capaciteit.

(24)  De verwezenlijking van de algemene doelstellingen van deze richtlijn dient te worden bevorderd door middel van een robuust systeem voor doorlopende evaluatie en benchmarking van de lidstaten door de Commissie, wat de beschikbaarheid betreft van netwerken met zeer hoge capaciteit bij alle belangrijke sociaaleconomische actoren, zoals scholen, vervoersknooppunten, grote aanbieders van openbare diensten en in hoge mate gedigitaliseerde ondernemingen, de beschikbaarheid van ononderbroken 5G-dekking in stedelijke gebieden en op belangrijke transportroutes over land, en de beschikbaarheid voor alle huishoudens in elke lidstaat van elektronische­communicatienetwerken met een minimale snelheid van 100 Mbps en de mogelijkheid van een snelle upgrade naar gigabitsnelheden. Daartoe moet de Commissie de prestaties van de lidstaten blijven volgen, bijvoorbeeld met indexen van relevante indicatoren van de digitale prestaties van de Unie en indexen die de ontwikkeling van het digitale concurrentievermogen van de lidstaten volgen, zoals de index van de digitale economie en samenleving, en indien nodig nieuwe methoden en nieuwe objectieve, concrete en kwantificeerbare criteria vaststellen voor het benchmarken van de doeltreffendheid van de lidstaten.

(25)  Het principe dat de lidstaten het Unierecht op technologieneutrale wijze moeten toepassen, dat wil zeggen dat een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie het gebruik van een bepaald type technologie niet mag voorschrijven of bevoordelen, sluit niet uit dat evenredige maatregelen worden genomen om bepaalde specifieke diensten te bevorderen wanneer dit gerechtvaardigd is om de doelstellingen van het regelgevingskader te verwezenlijken, bijvoorbeeld digitale televisie als middel om de radiospectrumefficiency te vergroten. Evenmin sluit dat principe uit dat rekening wordt gehouden met het feit dat bepaalde transmissiemedia dankzij hun fysieke kenmerken en architectuur beter scoren op het gebied van kwaliteit van de dienstverlening, capaciteit, onderhoudskosten, energie-efficiëntie, beheersflexibiliteit, betrouwbaarheid, robuustheid en aanpasbaarheid en uiteindelijk beter presteren, wat bepalend kan zijn voor de acties die worden genomen om de regelgevingsdoelstellingen te verwezenlijken.

(26)  Efficiënte investeringen en mededinging moeten tegelijkertijd worden aangemoedigd, teneinde economische groei, innovatie en de keuzevrijheid voor de consument op te voeren.

(27)  De mededinging kan het best worden bevorderd door een in economisch opzicht efficiënt niveau van investeringen in nieuwe en bestaande infrastructuur, indien nodig aangevuld met regelgeving, om daadwerkelijke mededinging bij retaildiensten te bereiken. Een efficiënt niveau van mededinging op basis van infrastructuur is de mate van duplicatie van infrastructuur waarbij van investeerders redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij een correct rendement behalen op basis van redelijke verwachtingen omtrent de ontwikkeling van de marktaandelen.

(28)  Er moeten behoorlijke stimulansen worden geboden ter bevordering van investeringen in nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het internationale concurrentievermogen van de Unie versterken. Dergelijke netwerken hebben enorme mogelijkheden om consumenten en bedrijven in de hele Unie van dienst te zijn. Het is derhalve van cruciaal belang duurzame investeringen in de ontwikkeling van die nieuwe netwerken te bevorderen, en tegelijkertijd de mededinging op lange termijn te beschermen, aangezien er op het niveau van de infrastructuur knelpunten en toegangsbarrières blijven bestaan, en de keuze voor de consument te vergroten door middel van voorspelbaarheid en consistentie van de regelgeving.

(29)  Deze richtlijn beoogt specifieke sectorregels ex ante steeds meer terug te brengen, naarmate de concurrentie in de markt zich ontwikkelt, en ervoor te zorgen dat elektronische communicatie uiteindelijk volledig wordt geregeld door het mededingingsrecht. In aanmerking genomen dat de markten voor elektronische communicatie de afgelopen jaren een sterke concurrentie­dynamiek te zien hebben gegeven, is het essentieel dat ex-ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd wanneer er op de betrokken ▌markten geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is. De doelstelling van interventie ex ante van regelgevende aard moet voordelen voor de eindgebruikers opleveren doordat op duurzame wijze daadwerkelijke concurrentie op de retailmarkten tot stand wordt gebracht. Er moeten op wholesaleniveau verplichtingen worden opgelegd wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen daadwerkelijk concurrentievermogen van een of meerdere retailmarkten onwaarschijnlijk zou maken. Waarschijnlijk zullen de nationale regelgevende instanties geleidelijk door middel van een proces van marktanalyse constateren dat retailmarkten concurrerend zijn, zelfs als er geen regulering op wholesaleniveau plaatsvindt, in het bijzonder rekening houdend met de verwachte verbeteringen op het gebied van innovatie en concurrentie. In een dergelijk geval moet de nationale regelgevende instantie concluderen dat regelgeving op wholesaleniveau niet langer nodig is, en de desbetreffende relevante wholesalemarkt moeten beoordelen teneinde de ex ante-regelgeving in te trekken. Hierbij dient de nationale regelgevende instantie rekening te houden met eventuele hefboom­effecten tussen wholesale- en retailmarkten, waarbij het nodig kan zijn om toegangs­barrières op het niveau van de infrastructuur weg te werken, teneinde mededinging op lange termijn op de retailmarkt te waarborgen.

(30)  Elektronische communicatie wordt voor steeds meer sectoren essentieel. Het internet der dingen is een voorbeeld van de manier waarop de overdracht van radiosignalen als basis voor elektronische communicatie blijft evolueren en onze maatschappij en ondernemingen beïnvloedt. De invoering en integratie van nieuwe draadloze communicatietechnologieën en -toepassingen op het gebied van radiospectrumbeheer is essentieel om de voordelen van die ontwikkelingen beter te benutten. Aangezien ook de vraag naar andere technologieën en toepassingen op het radiospectrum toeneemt, en nog kan worden versterkt door de integratie of combinatie ervan met elektronische communicatie, moet het radiospectrumbeheer, waar zinvol, sectoroverschrijdend worden aangepakt om ervoor te zorgen dat het radiospectrum efficiënter wordt gebruikt.

(31)  Strategische planning en coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op EU-niveau kunnen helpen ervoor te zorgen dat radiospectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de Unie wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd. Daartoe moeten zo nodig meerjarenprogramma's voor het radiospectrumbeleid kunnen worden vastgesteld. Het eerste dergelijke programma werd vastgesteld bij Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad(22) om de beleidslijnen en -doelstellingen uiteen te zetten voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik in de Unie. Die beleidslijnen en -doelstellingen moeten kunnen verwijzen naar de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van radiospectrum die nodig zijn voor de totstandbrenging en werking van de interne markt overeenkomstig deze richtlijn.

(32)  De nationale grenzen spelen steeds minder een rol bij het vaststellen van optimaal radiospectrumgebruik. Onnodige versnippering van het nationale beleid leidt tot hogere kosten en gemiste marktkansen voor radiospectrumgebruikers en kan innovatie vertragen ten nadele van de goede werking van de interne markt, en de belangen van de consument en de economie als geheel schaden.

(33)  De bepalingen inzake radiospectrumbeheer in deze richtlijn moeten in overeenstemming zijn met de werkzaamheden van de internationale en regionale organisaties die zich met radiospectrumbeheer bezig houden, zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), teneinde het doeltreffende beheer en de harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Unie en tussen lidstaten en andere leden van de ITU te waarborgen.

(34)  Overeenkomstig het beginsel van scheiding van regelgevende en operationele functies moeten de lidstaten de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instantie en andere bevoegde instanties waarborgen teneinde ervoor te zorgen dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze eis van onafhankelijkheid doet niet af aan de institutionele autonomie en de constitutionele verplichtingen van de lidstaten of aan het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten, dat is neergelegd in artikel 345 VWEU. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties moeten over de nodige middelen (personeel, expertise en geldelijke middelen) beschikken om de hun opgedragen taken te kunnen uitvoeren.

(35)  Bepaalde taken op grond van de richtlijn, zoals marktregulering ex ante, met inbegrip van het opleggen van verplichtingen inzake toegang en interconnectie en de beslechting van geschillen tussen ondernemingen, zijn taken die alleen door nationale regelgevende instanties mogen worden uitgevoerd, namelijk instanties die zowel onafhankelijk zijn van de sector als van elke externe politieke interventie of druk. Tenzij anders bepaald, moeten de lidstaten andere regelgevende taken waarin deze richtlijn voorziet, aan de nationale regelgevende instanties of aan andere bevoegde instanties kunnen toewijzen. Tijdens de omzetting moeten de lidstaten de continuïteit van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties bevorderen ten aanzien van de toewijzing van taken die voortvloeien uit de omzetting van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie, zoals gewijzigd in 2009, met name ten aanzien van de taken die verband houden met marktconcurrentie of markttoegang. Wanneer taken aan andere bevoegde instanties worden toegewezen, moeten die andere bevoegde instanties trachten de nationale regelgevende instanties te raadplegen alvorens een besluit te nemen. Overeenkomstig het beginsel van goede samenwerking dienen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties informatie uit te wisselen met het oog op de uitoefening van hun taken.

(36)  Deze richtlijn bevat geen inhoudelijke bepalingen inzake open-internettoegang of roaming en laat de toewijzing van bevoegdheden aan de nationale regelgevende instanties in Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad(23) en in Verordening (EU) nr. 2015/2120 onverlet. Deze richtlijn bepaalt echter ook dat de nationale regelgevende instanties bevoegd zijn om markttoegangs- en mededingingsvraagstukken die eventueel van invloed kunnen zijn op de rechten van de eindgebruikers op een open-internettoegang, nauwgezet te monitoren en te evalueren.

(37)  De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties is bij de in 2009 afgeronde herziening van het regelgevingskader voor elektronische communicatie versterkt om te zorgen voor een meer doeltreffende toepassing van het regelgevingskader en hun autoriteit en de voorspelbaarheid van hun besluiten te verhogen. Daartoe moesten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat een nationale regelgevende instantie, bij het uitoefenen van haar taken, beschermd is tegen externe interventie of politieke druk die haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd in gevaar zouden kunnen brengen. Dergelijke externe invloed maakt een nationale instantie ongeschikt om volgens het regelgevingskader op te treden als een nationale regelgevende instantie. Met het oog hierop moesten vooraf voorschriften worden opgesteld met betrekking tot de redenen die aanleiding geven voor ontslag van het hoofd van de nationale regelgevende instantie om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de neutraliteit van die instantie en dat de instantie niet gevoelig is voor externe factoren. Teneinde willekeurige ontslagen te vermijden, moeten ontslagen leden het recht krijgen de bevoegde rechtbank te laten onderzoeken of er geldige redenen tot ontslag zijn, onder de redenen waarin deze richtlijn voorziet. Ontslagen mogen alleen verband houden met de persoonlijke of professionele kwalificaties van het hoofd of lid. Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties over hun eigen begroting beschikken, zodat zij met name voldoende gekwalificeerd personeel kunnen aanwerven. Met het oog op transparantie moet die begroting jaarlijks worden gepubliceerd. Binnen de grenzen van hun begroting, moeten zij hun menselijke en financiële middelen autonoom kunnen beheren. Om de onpartijdigheid te waarborgen, dienen lidstaten die eigenaar zijn van, of zeggenschap uitoefenen over, ondernemingen die administratieve bijdragen betalen ten behoeve van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instanties, waarborgen dat er een effectieve structurele scheiding bestaat tussen de activiteiten in verband met de uitoefening van de eigendom of zeggenschap en de uitoefening van het zeggenschap over de begroting.

(38)  De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat het hoofd en de leden van die instanties niet vatbaar zijn voor externe druk, door minimumkwalificaties voor hun aanstelling en een minimumtermijn voor hun mandaat vast te stellen. Om het risico op verkleving te beperken, de continuïteit te waarborgen en de onafhankelijkheid te versterken, moeten de lidstaten overwegen de mogelijkheid tot het verlengen van het mandaat van het hoofd of de leden te beperken en een passende rotatieregeling voor het bestuur en het topmanagement op te zetten. Dat kan door bijvoorbeeld de eerste leden van het collegiale orgaan voor verschillende termijnen te benoemen, zodat hun mandaten en die van hun opvolgers niet op hetzelfde ogenblik verstrijken.

(39)  Nationale regelgevende instanties moeten aansprakelijk zijn voor de uitoefening van hun taken en verplicht worden verslag uit te brengen over de manier waarop zij die uitoefenen. Die verplichting moet normaal de vorm aannemen van een jaarlijkse verslagleggingsplicht in plaats van de verplichting verslagen ad-hoc op te stellen, hetgeen een buitensporige omvang zou kunnen aannemen en de instanties zou kunnen belemmeren hun taken uit te oefenen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie(24) kunnen uitvoerige of onvoorwaardelijke verslagleggingsverplichtingen immers indirect de onafhankelijkheid van een instantie aantasten.

(40)  De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van de contactgegevens van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties. Voor instanties die bevoegd zijn voor de toekenning van toegangsrechten moet die kennisgevingsverplichting kunnen worden vervuld door te verwijzen naar het enkel informatiepunt dat is opgezet op grond van Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(25).

(41)  Een zo licht mogelijk machtigingssysteem moet worden gehanteerd om het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten mogelijk te maken, teneinde de ontwikkeling van nieuwe communicatiediensten alsmede transnationale communicatienetwerken en -diensten te bevorderen en dienstenaanbieders en consumenten te laten profiteren van de schaalvoordelen van de interne markt.

(42)  Om ervoor te zorgen dat dienstverrichters en eindgebruikers de vruchten van de interne markt kunnen plukken, moet worden geopteerd voor een algemene machtiging voor andere elektronischecommunicatienetwerken en -diensten dan nummer­onafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zonder dat een expliciet besluit of bestuurshandeling van de nationale regelgevende instantie nodig is en waarvoor een declaratoire kennisgeving de enige procedurele vereiste mag zijn. Indien de lidstaten van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten verlangen dat zij kennisgeven van de aanvang van hun activiteiten, mag die kennisgeving voor de aanbieders geen administratieve kosten vergen en kan zij via een meldpunt op de website van de bevoegde instantie mogelijk worden gemaakt. Ter ondersteuning van een effectieve grensoverschrijdende coördinatie, met name voor pan-Europese exploitanten, moet Berec een database van dergelijke kennisgevingen aanleggen en bijhouden. De bevoegde instanties dienen uitsluitend volledige kennisgevingen aan Berec toe te zenden. De lidstaten mogen het aanbieden van netwerken of diensten geenszins verhinderen, ook niet op grond van de onvolledigheid van een aanmelding.

(43)  Kennisgevingen ▌ moeten beperkt blijven tot een verklaring waarmee de aanbieder kenbaar maakt dat hij voornemens is om te beginnen met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten. Een aanbieder mag alleen worden gevraagd die verklaring aan te vullen met de in deze richtlijn genoemde informatie. De lidstaten mogen geen extra of afzonderlijke meldingsverplichtingen opleggen.

(44)  In tegenstelling tot andere categorieën van elektronische communicatienetwerken en ‑diensten als gedefinieerd in deze richtlijn, maken nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten geen gebruik van de openbare nummervoorraden en behoren zij niet tot het openbaar gewaarborgde interoperabele ecosysteem. Derhalve mogen dat soort diensten niet aan de algemene machtigingsregeling worden onderworpen.

(45)  Bij het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum, voor nummervoorraden of rechten om faciliteiten te installeren, dienen de bevoegde instanties de ondernemingen waaraan zij dergelijke rechten verlenen, te informeren over de desbetreffende voorwaarden. De lidstaten moeten die voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum kunnen vastleggen in individuele gebruiksrechten of in de algemene machtiging.

(46)  De algemene machtiging mag alleen voorwaarden bevatten die specifiek zijn voor de sector elektronische communicatie. Er mogen geen voorwaarden aan worden opgelegd die reeds van toepassing zijn krachtens andere bestaande nationale wetgeving, met name inzake consumentenbescherming, die niet specifiek is voor de sector communicatie. De bevoegde instanties moeten de ondernemingen bijvoorbeeld kunnen informeren over de toepasselijke regelgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening. De in het kader van de algemene machtiging gestelde voorwaarden hebben geen gevolgen voor het bepalen van toepasselijke recht uit hoofde van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad(26).

(47)  Bij de voorwaarden voor algemene machtigingen moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap en de noodzaak van overheden en hulpdiensten om onderling en met het publiek te communiceren voor, tijdens of na grote rampen.

(48)  De rechten en plichten van ondernemingen in het kader van algemene machtigingen moeten expliciet in die machtigingen worden opgenomen om een level playing field in de Unie te waarborgen en grensoverschrijdende onderhandelingen over interconnectie tussen openbare elektronischecommunicatienetwerken te vergemakkelijken.

(49)  Algemene machtigingen geven ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan het publiek aanbieden het recht om overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn over interconnectie te onderhandelen. Ondernemingen die andere elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden dan die welke aan het publiek worden aangeboden, kunnen op commerciële basis over interconnectie onderhandelen.

(50)  Wanneer bevoegde instanties voorwaarden voor algemene machtigingen stellen en administratieve lasten opleggen, moeten zij naar behoren rekening houden met situaties waarin elektronische communicatienetwerken of -diensten door natuurlijke personen zonder winstoogmerk worden aangeboden. Het is passend om voor niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten minder en lichtere voorwaarden op te leggen dan gerechtvaardigd is voor openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, of zelfs helemaal geen voorwaarden.

(51)  Specifieke verplichtingen voor ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten aanbieden op grond van het feit dat ze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht als omschreven in deze richtlijn, die overeenkomstig het Unierecht kunnen worden opgelegd, moeten gescheiden worden van de algemene rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging.

(52)  Het is mogelijk dat ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden een bevestiging nodig hebben van hun rechten in het kader van de algemene machtiging met betrekking tot interconnectie en doorgangsrechten, met name om onderhandelingen met andere, regionale of lokale, overheden of met dienstenaanbieders in andere lidstaten te vergemakkelijken. Daartoe dienen de bevoegde instanties ofwel op verzoek of anders automatisch verklaringen aan ondernemingen af te geven naar aanleiding van een kennisgeving in het kader van de algemene machtiging. Dergelijke verklaringen mogen zelf geen aanspraken op rechten inhouden, en rechten uit hoofde van de algemene machtiging, gebruiksrechten of de uitoefening van dergelijke rechten mogen niet van een dergelijke verklaring afhangen.

(53)  Het moet mogelijk zijn om ondernemingen die elektronischecommunicatiediensten aanbieden een administratieve bijdrage op te leggen ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie bij het beheer van het systeem inzake algemene machtiging en het verlenen van gebruiksrechten. Dergelijke bijdragen mogen het bedrag van de feitelijke administratieve kosten van die werkzaamheden niet overschrijden. Daartoe dient te worden gezorgd voor transparantie ter zake van de inkomsten en de uitgaven van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, door middel van een jaarlijkse rapportage over het totale bedrag aan ontvangen bijdragen en de totale administratiekosten, teneinde ondernemingen in staat te stellen te controleren of zij in evenwicht zijn.

(54)  Stelsels voor administratieve bijdragen mogen de concurrentie niet verstoren, noch belemmeringen scheppen voor toegang tot de markt. Een systeem inzake algemene machtiging maakt het onmogelijk administratieve kosten en dus bijdragen op te leggen aan individuele ondernemingen, tenzij voor het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden, van radiospectrum en van rechten om faciliteiten te installeren. Eventuele toepasselijke administratieve bijdragen dienen te sporen met de beginselen van een systeem inzake algemene machtiging. Een voorbeeld van een billijk, eenvoudig en transparant alternatief voor die omslagcriteria is een verdeelsleutel gebaseerd op de omzet. Wanneer de administratieve bijdragen zeer laag liggen, kunnen forfaitaire bijdragen, of bijdragen bestaande uit een combinatie van een forfaitair met een omzet­gerelateerd bedrag ook een goede mogelijkheid zijn. Voor zover het systeem inzake algemene machtiging ook van toepassing is op ondernemingen met een zeer klein marktaandeel, zoals lokale netwerkaanbieders, of tot dienstverrichters waarvan het verdienmodel zeer weinig inkomsten oplevert, zelfs bij een significante marktpenetratie in termen van volume, moeten de lidstaten beoordelen of het voor het opleggen van administratieve verplichtingen een passende de-minimisdrempel kan worden vastgesteld.

(55)  De lidstaten moeten misschien wijzigingen aanbrengen in rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen en vergoedingen met betrekking tot algemene machtigingen en gebruiksrechten indien dat objectief gerechtvaardigd is. Dergelijke voorgestelde wijzigingen moeten tijdig en op passende wijze ter kennis van alle belanghebbende partijen worden gebracht, zodat deze voldoende gelegenheid wordt geboden om hun standpunt ten aanzien van de wijzigingen naar voren te brengen. Onnodige procedures moeten worden vermeden bij kleine wijzigingen van bestaande rechten voor de installatie van faciliteiten of van rechten op het gebruik van radiospectrum of van nummervoorraden, indien die wijzigingen geen impact hebben op de belangen van derden. Kleine wijzigingen van rechten en plichten zijn wijzigingen die hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, niet leiden tot verandering van de inhoud van de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten en derhalve geen concurrentievoordeel voor andere ondernemingen kunnen opleveren.

(56)  Gelet op het belang de rechtszekerheid te waarborgen en teneinde de voorspelbaarheid van de regelgeving te bevorderen met het oog op een veilig investeringsklimaat, met name voor nieuwe draadlozebreedbandcommunicatie, moet elke beperking of intrekking van bestaande rechten op het gebruik van radiospectrum of van nummervoorraden of voor de installatie van faciliteiten verlopen via voorspelbare en transparante verantwoordingen en procedures. Derhalve kunnen strengere eisen of een meldingssysteem worden opgelegd, met name wanneer gebruiksrechten zijn verleend op basis van concurrerende of vergelijkende procedures en in het geval van geharmoniseerde radiospectrumbanden die worden gebruikt voor draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie ("draadlozebreedbanddiensten"). Motiveringen met verwijzingen naar efficiënt en doeltreffend gebruik van radiospectrum en technologische ontwikkeling zouden kunnen berusten op uit hoofde van Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad(27) vastgestelde technische uitvoerings­maatregelen. Indien algemene machtigingen tot en individuele rechten op het gebruik van radiospectrum moeten worden beperkt, ingetrokken of gewijzigd zonder de toestemming van de houder van het recht, kan dit na overleg met de belanghebbende partijen, tenzij de voorgestelde wijzigingen van ondergeschikt belang zijn. Aangezien de beperking of intrekking van algemene machtigingen of rechten aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de houders ervan dienen de bevoegde instanties bijzonder zorgvuldig te werk te gaan en, alvorens maatregelen te treffen, na te gaan welke potentiële nadelige gevolgen dergelijke maatregelen kunnen hebben.

(57)  De nationale regelgevende instanties▌, andere bevoegde instanties en Berec moeten informatie van de marktpartijen verzamelen om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, onder meer wat betreft de conformiteit van de algemene voorwaarden met deze richtlijn zonder opschorting van de toepasselijkheid van die voorwaarden tijdens de beoordeling. Bij wijze van uitzondering kan het ook noodzakelijk zijn informatie te verzamelen bij andere ondernemingen die actief zijn in sectoren welke nauw verbonden zijn met de sector van de elektronischecommunicatiediensten, zoals aanbieders van inhoud, die over gegevens beschikken die mogelijk nodig zijn voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van het Unierecht. Het kan nodig zijn die informatie te verzamelen voor de Commissie ▌, om haar in staat te stellen haar verplichtingen uit hoofde van het Unierecht na te komen. Verzoeken om informatie moeten proportioneel zijn en mogen geen buitensporige last meebrengen voor ondernemingen. Door nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties verzamelde informatie moet voor het publiek beschikbaar zijn, behalve wanneer die vertrouwelijk is, zulks in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van Unie- en nationale regels betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens.

(58)  Om hun regelgevende taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren, moeten de gegevens die de nationale regelgevende instanties bijeenbrengen onder meer gegevens bevatten over de retailmarkten die verbonden zijn aan wholesalemarkten waar een onderneming is aangewezen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht en die dan ook door de nationale regelgevende instantie worden gereguleerd. Het gaat hierbij ook om gegevens die de nationale regelgevende instantie in staat moeten stellen de naleving van de aan het gebruiksrecht verbonden voorwaarden en de mogelijke effecten te beoordelen van geplande verbeteringen of veranderingen aan de netwerktopologie op de ontwikkeling van concurrentie of op wholesaleproducten die beschikbaar worden gesteld aan andere partijen. Informatie betreffende de naleving van de aan de gebruiksrechten van radio­spectrum verbonden dekkingsverplichtingen is essentieel om de volledigheid van het geografisch onderzoek naar netwerkontwikkelingen te waarborgen ▌. Daartoe moet de bevoegde instantie kunnen verlangen dat de vereiste informatie tot op lokaal niveau nauwkeurig is en voldoende fijnmazig is om een geografisch onderzoek van de netwerken te kunnen uitvoeren.

(59)  Om de lasten met betrekking tot rapportage- en informatieverplichtingen voor netwerk- en dienstenaanbieders en voor de betrokken bevoegde instantie te verlichten, behoren dergelijke verplichtingen evenredig en objectief gerechtvaardigd te zijn en beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Met name dubbele verzoeken om informatie van de bevoegde instantie en Berec waarbij systematisch en regelmatig wordt aangetoond dat is voldaan aan alle in het kader van een algemene machtiging geldende of aan de gebruiks­rechten verbonden voorwaarden moeten worden vermeden. Ondernemingen moeten zich ervan bewust zijn waarvoor de gevraagde informatie zal worden gebruikt. Het verstrekken van informatie mag geen voorwaarde voor markttoegang zijn. Voor statistische doeleinden kan van de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten kennisgeving van stopzetting van de activiteit worden verlangd.

(60)  De verplichtingen van de lidstaten om alle informatie te verstrekken voor de verdediging van belangen van de Unie op grond van internationale overeenkomsten en rapportage­verplichtingen krachtens recht dat niet specifiek is voor de sector elektronische communicatie, zoals het mededingingsrecht, blijven onverminderd van toepassing.

(61)  Het moet mogelijk zijn om met de Commissie, Berec en andere instanties informatie uit te wisselen die door een bevoegde instantie, in overeenstemming met de Unie- en nationale regels betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens en betreffende de bescherming van persoonsgegevens, als vertrouwelijk wordt beschouwd, wanneer die uitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de bepalingen van het nationale recht tot omzetting van deze richtlijn. De uitgewisselde informatie moet beperkt zijn tot hetgeen relevant is voor en in evenredigheid met het doel van een dergelijke uitwisseling.

(62)  De technologie, de topologie, het mediumgebruik en de eigendom van breedbandnetwerken voor elektronische communicatie worden steeds diverser. Daarom moet regulering gebaseerd zijn op gedetailleerde informatie over de uitrol van netwerken om de effectiviteit te waarborgen en de inspanningen toe te spitsen op de gebieden waar ze nodig zijn. Die informatie is essentieel om investeringen te bevorderen, de connectiviteit in de hele Unie te doen toenemen en informatie te verstrekken aan alle desbetreffende instanties en burgers. Die informatie moet onderzoeken omvatten over zowel de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit als significante upgrades of uitbreidingen van bestaande koper- of andere netwerken die niet op alle vlakken de prestatiekenmerken van netwerken met zeer hoge capaciteit bezitten, zoals de uitrol van optische vezel tot de kast in combinatie met actieve technologieën zoals vectoring. De betrokken prognoses moeten betrekking hebben op een periode van maximaal drie jaar. De nauwkeurigheid en territoriale fijnmazigheid van de informatie die de bevoegde instanties moeten verzamelen, moet worden bepaald door de regelgevende doelstellingen en moet toereikend zijn voor die regelgevingsdoelstellingen. De omvang van de territoriale eenheid zal dan ook verschillen van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van de regelgevingsbehoeften in de specifieke nationale context en de beschikbaarheid van lokale gegevens. Niveau 3 in de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) zal als territoriale eenheid in de meeste gevallen wellicht niet fijnmazig genoeg zijn. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties moeten van Berec richtsnoeren krijgen over de beste praktijken voor de aanpak van die taak, waarbij die richtsnoeren voortbouwen op de beschikbare ervaring van de nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties met de uitvoering van geografische onderzoeken van de netwerkontwikkeling. Onverminderd verplichtingen betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens moeten de bevoegde instanties, indien de informatie niet reeds op de markt beschikbaar is, de gegevens vrij beschikbaar stellen in een open format in overeenstemming met Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(28) en zonder beperkingen op hergebruik van in dergelijke onderzoeken vergaarde informatie, en moeten ze de eindgebruikers tools aanreiken met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening om hen beter bewust te maken van de beschikbare connectiviteitsdiensten. Bij de vergaring van dergelijke informatie moeten alle betrokken instanties het vertrouwelijkheidsbeginsel in acht nemen en mogen zij ondernemingen geen concurrentienadeel berokkenen.

(63)  Om alle burgers van de Unie toegang te bieden tot het internet en digitale diensten is het van essentieel belang dat de digitale kloof binnen de Unie wordt overbrugd. Met het oog daarop moeten de betrokken regelgevende instanties, in het geval van specifieke en duidelijk afgebakende ▌gebieden, ondernemingen en overheden kunnen verzoeken te verklaren dat zij voornemens zijn in die gebieden netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen, waarbij hun genoeg tijd moet worden gegeven om een weloverwogen antwoord te geven. De informatie in de prognoses moet de economische vooruitzichten weergeven voor de sector elektronischecommunicatienetwerken en de investeringsvoornemens van ondernemingen ten tijde van het verzamelen van de gegevens, teneinde de beschikbare connectiviteit in verschillende gebieden te kunnen vaststellen. Indien een onderneming of een overheid verklaart voornemens te zijn om in een gebied over te gaan tot uitrol, moet de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie van andere ondernemingen en overheden kunnen verlangen dat zij verklaren of zij voornemens zijn in dat gebied netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen dan wel hun netwerk significant te moderniseren of uit te breiden tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps. Die procedure zal transparantie scheppen voor ondernemingen en overheden die belangstelling hebben getoond voor uitrol in dit gebied, zodat zij bij het ontwerpen van hun zakelijke plannen kunnen beoordelen of zij concurrentie zullen krijgen van andere netwerken. Het positieve effect van die transparantie is afhankelijk van de vraag of markt­deelnemers te goeder trouw en naar waarheid antwoorden.

(64)  Terwijl marktdeelnemers hun uitrolplannen kunnen wijzigen om onvoorziene, objectieve en gerechtvaardigde redenen, moeten de bevoegde instanties optreden, ook indien overheidsfinanciering wordt beïnvloed, en moeten zij in voorkomend geval sancties opleggen als een onderneming of overheid hun bewust of ten gevolge van grove nalatigheid misleidende, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft. Voor de toepassing van de desbetreffende bepalingen inzake sancties moet grove nalatigheid betrekking hebben op een situatie waarin een onderneming of een overheidsinstantie misleidende, onjuiste of onvolledige informatie verschaft ten gevolge van haar gedrag of interne organisatie waardoor de nodige zorgvuldigheid ten aanzien van de verstrekte informatie duidelijk niet in acht is genomen. Grove nalatigheid betekent niet per se dat de onderneming of de overheid weet dat de verstrekte informatie onvolledig, onjuist of misleidend is, maar dat zij dit zou hebben geweten als zij met de nodige zorgvuldigheid had gehandeld of was georganiseerd. Het is van belang dat de sancties voldoende afschrikkend zijn, gezien de negatieve gevolgen voor de mededinging en door de overheid gefinancierde projecten. De bepalingen inzake sancties mogen geen afbreuk doen aan rechten om een schadevergoeding te eisen overeenkomstig het nationale recht.

(65)  Met het oog op een voorspelbaar investeringsklimaat moeten bevoegde instanties met ondernemingen en overheden die bereid zijn netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen informatie kunnen uitwisselen over de vraag of in het betrokken gebied andere vormen van netwerkverbeteringen, met inbegrip van die met een downloadsnelheid van minder dan 100 Mbps, aan de gang zijn of zijn gepland.

(66)  Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties alle betrokken partijen raadplegen over voorgestelde besluiten, hen - gezien de complexiteit van de materie - voldoende tijd geven om opmerkingen te formuleren en rekening houden met hun opmerkingen voordat zij een definitief besluit nemen. Om ervoor te zorgen dat besluiten op nationaal niveau geen nadelig gevolg hebben voor de werking van de interne markt of andere doelstellingen van het VWEU, moeten de nationale regelgevende instanties bepaalde ontwerpbesluiten eveneens meedelen aan de Commissie en andere nationale regelgevende instanties. Het is passend dat de bevoegde instanties in de in deze richtlijn omschreven gevallen de betrokken partijen raadplegen over alle ontwerpmaatregelen die van invloed zijn op de handel tussen de lidstaten.

(67)  In een concurrerende omgeving moet rekening worden gehouden met de standpunten van de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten. Teneinde op passende wijze aan de belangen van de burger te voldoen, moeten de lidstaten een geschikt raadplegingsmechanisme opzetten. Een dergelijk mechanisme kan de vorm aannemen van een orgaan dat, onafhankelijk van de nationale regelgevende instantie én van de dienstenleveranciers, onderzoek uitvoert over consumentenkwesties, zoals consumentengedrag en mechanismen voor het veranderen van dienstenleverancier, dat op een transparante wijze functioneert en de bestaande mechanismen voor raadpleging van de belanghebbenden aanvult. Bovendien kan een mechanisme worden ingesteld om adequate samenwerking mogelijk te maken inzake kwesties die verband houden met de bevordering van wettelijke inhoud. Samenwerkingsprocedures die op grond van zo'n mechanisme tot stand komen, mogen evenwel geen stelselmatig toezicht op internetgebruik toestaan.

(68)  Buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedures kunnen voor eindgebruikers een snelle en kostenefficiënte manier zijn om hun rechten af te dwingen, met name voor consumenten en micro- en kleine ondernemingen als omschreven in de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie(29). ▌De lidstaten moeten de nationale regelgevende instantie of de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor het behandelen van rechten van de eindgebruiker, of ten minste één onafhankelijk orgaan dat heeft bewezen op dat gebied deskundig te zijn, laten optreden als alternatievegeschillenbeslechtingsorgaan. Met betrekking tot dergelijke geschillenbeslechtingen moeten die instanties niet gebonden zijn aan enige instructie. Aangezien talrijke lidstaten geschillenbeslechtingsprocedures hebben opgezet voor andere eindgebruikers dan consumenten, op wie Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad(30) niet van toepassing is, is het redelijk de sectorspecifieke geschillenbeslechtingsprocedure voor zowel consumenten als, ingeval de lidstaten in die uitbreiding voorzien, voor andere eindgebruikers, met name micro- en kleine ondernemingen te handhaven. Met betrekking tot buitengerechtelijke beslechting van geschillen moeten de lidstaten regels kunnen behouden of invoeren die verder gaan dan de regels die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/11/EU om te zorgen voor een hoger niveau van consumentenbescherming.

(69)  In geval van een geschil tussen ondernemingen in dezelfde lidstaat op een gebied dat onder deze richtlijn valt, bijvoorbeeld in verband met toegang en interconnectie of de wijze waarop eindgebruikerslijsten worden overgedragen, moet een benadeelde partij die te goeder trouw heeft onderhandeld maar geen akkoord heeft kunnen bereiken, een beroep kunnen doen op de nationale regelgevende instantie om het geschil te beslechten. De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de partijen een oplossing op te leggen. Bij het optreden van een nationale regelgevende instantie in het beslechten van geschillen tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten of bijbehorende faciliteiten in een lidstaat, moet gezorgd worden voor overeenstemming met de verplichtingen krachtens deze richtlijn.

(70)  Naast het recht van beroep waarin het Unierecht of het nationale recht voorziet, bestaat er behoefte aan een eenvoudige procedure die op verzoek van elke partij bij het geschil op gang kan worden gebracht, om grensoverschrijdende geschillen te beslechten tussen ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in verschillende lidstaten aanbieden of daartoe gemachtigd zijn.

(71)  Een belangrijke taak van Berec is in voorkomend geval adviezen te verstrekken in verband met grensoverschrijdende geschillen. De nationale regelgevende instanties moeten in die gevallen bij het opleggen van verplichtingen aan een onderneming of de beslechting van geschillen dan ook rekening houden met de door Berec verstrekte adviezen.

(72)  Een gebrek aan coördinatie tussen lidstaten bij de organisatie van het radiospectrum­gebruik op hun grondgebied kan, indien bilaterale onderhandelingen tussen de lidstaten geen oplossing bieden, tot grootschalige interferentieproblemen leiden, die een zware impact hebben op de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt. De lidstaten moeten alle nodige maatregelen treffen om grensoverschrijdende en schadelijke interferentie tussen hen te vermijden. De bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie(31) ingestelde Beleidsgroep Radiospectrum moet de opdracht krijgen de nodige grensoverschrijdende coördinatie te ondersteunen en moet het aangewezen forum zijn voor het beslechten van geschillen tussen lidstaten over grensoverschrijdende vraagstukken. Voortbouwend op de door de Beleidsgroep Radiospectrum voorgestelde oplossing is in sommige gevallen een uitvoeringsmaatregel vereist om de grensoverschrijdende interferentie definitief weg te werken of om een op grond van het Unierecht door twee of meer lidstaten middels bilaterale onderhandelingen overeengekomen gecoördineerde oplossing te handhaven. Een gebrek aan coördinatie tussen lidstaten en buurlanden van de Unie kan ook grootschalige interferentieproblemen veroorzaken. De lidstaten moeten passende maatregelen treffen om grensoverschrijdende en schadelijke interferentie met buurlanden van de Unie te voorkomen, en moeten daartoe onderling samenwerken. Op verzoek van lidstaten die te maken hebben met grensoverschrijdende interferentie uit derde landen, moet de Unie haar volle steun verlenen aan die lidstaten.

(73)  De Beleidsgroep Radiospectrum is een adviserende groep op hoog niveau van de Commissie en is opgericht bij Besluit 2002/622/EG teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt en de ontwikkeling van het radiospectrumbeleid op Unieniveau te ondersteunen, rekening houdend met de economische, politieke, culturele, strategische, gezondheids- en maatschappelijke overwegingen, alsook met de technische parameters. De groep moet samengesteld zijn uit de hoofden van de instanties die de algemene politieke verantwoordelijkheid dragen voor het strategisch radiospectrumbeleid. Zij moet de Commissie bijstaan en adviezen verstrekken met betrekking tot het radiospectrumbeleid. Dit moet de zichtbaarheid van het radiospectrumbeleid in de verschillende beleidsterreinen van de Unie bevorderen en de sectoroverschrijdende consistentie op Unieniveau en nationaal niveau helpen waarborgen. Op hun verzoek verleent de groep ook advies aan het Europees Parlement en aan de Raad. Voorts moet de Beleidsgroep Radio­spectrum het forum vormen voor de coördinatie tussen de lidstaten bij de naleving van hun verplichtingen op grond van deze richtlijn op het gebied van het radiospectrum en een centrale rol spelen op gebieden die essentieel zijn voor de interne markt, zoals grensoverschrijdende coördinatie of normalisatie. Er kunnen technische werkgroepen of groepen van deskundigen worden opgericht ter ondersteuning van de plenaire vergadering, waar het strategisch beleid wordt uitgestippeld door hoge vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie. De Commissie heeft te kennen gegeven voornemens te zijn binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn Besluit 2002/622/EG te wijzigen ten einde daarin de nieuwe taken die bij deze richtlijn aan de Beleidsgroep Radiospectrum worden toegekend, te verwerken.

(74)  De bevoegde instanties moeten toezicht houden op en zorgen voor de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging en van het gebruiksrecht, en met name waarborgen dat het radiospectrum effectief en efficiënt worden gebruikt en dat de verplichtingen inzake dekking en kwaliteit van de dienstverlening worden nageleefd door administratieve sancties op te leggen, waaronder geldelijke sancties of de intrekking van gebruiksrechten, wanneer die voorwaarden niet worden nageleefd. Ondernemingen moeten de bevoegde instanties zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie verstrekken om hen in staat te stellen hun toezichthoudende taken te vervullen ▌.

(75)  De voorwaarden die aan algemene machtigingen en individuele gebruiksrechten zijn verbonden, moeten beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is om de naleving van de voorwaarden en verplichtingen krachtens het nationaal recht en het Unierecht te verzekeren.

(76)  Elke partij die voorwerp is van een besluit van een bevoegde instantie, moet het recht hebben in beroep te gaan bij een lichaam dat onafhankelijk is van de betrokken partijen en dat niet is blootgesteld aan externe beïnvloeding of politieke druk die haar onafhankelijkheid bij de beoordeling van de haar voorgelegde kwesties zou kunnen aantasten. Dat lichaam kan bijvoorbeeld een rechtbank zijn. Voorts moet iedere onderneming die van mening is dat haar verzoeken om het verlenen van de rechten voor het installeren van faciliteiten niet in overeenstemming met de in deze richtlijn vervatte beginselen worden behandeld, het recht hebben om tegen dergelijke besluiten in beroep te gaan. Die beroepsprocedure mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheids­verdeling binnen nationale rechtsstelsels of aan de rechten van rechtspersonen of natuurlijke personen uit hoofde van het nationale recht. De lidstaten dienen in ieder geval te voorzien in daadwerkelijke beroepsmogelijkheden tegen dergelijke besluiten.

(77)  Om de marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moeten de beroepsinstanties hun taken effectief uitoefenen. Met name moet de beroepsprocedure niet al te lang zijn. Voorlopige maatregelen die de gevolgen van het besluit van een bevoegde instantie schorsen, dienen alleen in dringende gevallen te worden verleend om te voorkomen dat de partij die om dergelijke maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt en indien het belangenevenwicht alleen op deze wijze kan worden gewaarborgd.

(78)  De manier waarop beroepsinstanties en/of andere bevoegde instanties voorlopige maatregelen hebben toegepast om besluiten van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties te schorsen, loopt sterk uiteen. Om de verschillende benaderingen meer op elkaar af te stemmen moet een gemeenschappelijke norm worden gehanteerd die spoort met de rechtspraak van het Hof van Justitie. De beroepsinstanties moeten ook gerechtigd zijn beschikbare gegevens die door Berec zijn bekendgemaakt, op te vragen. Aangezien de beroepsprocedures voor de algemene werking van het regelgevingskader van belang zijn, moet er in elke lidstaat een mechanisme worden opgezet dat de informatie over beroepsprocedures inzake, en besluiten tot schorsing van, besluiten van de bevoegde instanties verzamelt en tevens over die informatie aan de Commissie en Berec verslag uitbrengt. Dat mechanisme moet ervoor zorgen dat de Commissie of Berec besluiten of rechtspraak van de lidstaten kan opzoeken met het oog op de ontwikkeling van een databank.

(79)  De transparantie met betrekking tot de toepassing van het Uniemechanisme voor consolidering van de interne markt voor elektronische communicatie moet in het belang van burgers en belanghebbenden worden vergroot, teneinde de betrokken partijen in staat te stellen hun eigen opvattingen kenbaar te maken, onder meer door nationale regelgevende instanties te verplichten om ontwerpmaatregelen bekend te maken op hetzelfde moment dat zij hiervan kennisgeving doen aan de Commissie en Berec, en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten. Zulke ontwerpmaatregelen moeten onderbouwd zijn en een gedetailleerde analyse omvatten.

(80)  De Commissie moet de mogelijkheid hebben om, rekening houdend met het advies van Berec, van een nationale regelgevende instantie te verlangen dat zij haar ontwerpmaatregel intrekt indien het de definitie betreft van relevante markten of het aanwijzen van ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en indien dergelijke besluiten een belemmering zouden opwerpen voor de interne markt, of onverenigbaar zouden zijn met het Unierecht, en in het bijzonder met de beleidsdoelstellingen waardoor de nationale regelgevende instanties zich moeten laten leiden. Die procedure doet geen afbreuk aan de kennisgevingsprocedure van Richtlijn (EU) 2015/1535 en de voorrechten van de Commissie uit hoofde van het VWEU wat betreft inbreuken op het Unierecht.

(81)  De nationale raadpleging van belanghebbende partijen dient te worden uitgevoerd vóór de raadpleging op Unieniveau, teneinde de interne markt voor elektronische communicatie te versterken en in het kader van de procedure voor de consequente toepassing van oplossingen, zodat bij de raadpleging op Unieniveau met de standpunten van de belanghebbende partijen rekening kan worden gehouden. Dit zou een tweede raadpleging op Unieniveau in geval van wijzigingen van een geplande maatregel als gevolg van de nationale raadpleging overbodig maken.

(82)  Het is van belang dat het regelgevingskader tijdig wordt uitgevoerd. Wanneer de Commissie heeft besloten dat een nationale regelgevende instantie een geplande maatregel moet intrekken, moet die instantie haar ontwerpmaatregel intrekken of een herziene versie indienen. Voor de kennisgeving van de herziene maatregel aan de Commissie moet met het oog op meer rechtszekerheid een termijn worden vastgesteld zodat de marktdeelnemers worden geïnformeerd over de duur van de marktherziening.

(83)  Het Uniemechanisme waarmee de Commissie de nationale regelgevende instanties ertoe kan brengen geplande maatregelen in te trekken met betrekking tot de marktdefinitie en het aanwijzen van ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een samenhangende aanpak om vast te stellen onder welke omstandigheden ex-anteregelgeving kan worden toegepast en voor welke ondernemingen zij geldt. Uit ervaringen met de procedures op grond van de artikelen 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG is gebleken dat de nationale regelgevende instanties bij gelijke marktomstandigheden de oplossingen op zeer uiteenlopende manieren toepassen, waardoor de interne markt in elektronische communicatie kan worden ondermijnd. De Commissie en Berec moeten derhalve, binnen de grenzen van hun respectieve verantwoordelijkheden, bijdragen tot het waarborgen van een hoger niveau van samenhang in de toepassing van de oplossingen betreffende de door de nationale regelgevende instanties voorgestelde ontwerpmaatregelen. Daarnaast moet de Commissie voor ontwerpmaatregelen met betrekking tot de uitbreiding van verplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, indien nodig om de hoge en niet-tijdelijke economische of fysieke drempels voor replicatie aan te pakken, ten aanzien van ondernemingen ongeacht of deze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, of met betrekking tot de regelgevende behandeling van nieuwe netwerkelementen van zeer hoge capaciteit, wanneer Berec de bezwaren van de Commissie deelt, van een nationale regelgevende instantie kunnen verlangen dat zij een ontwerpmaatregel intrekt. Om te profiteren van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties inzake de marktanalyse, dient de Commissie, alvorens besluiten te nemen of aanbevelingen te doen, bij Berec te rade te gaan.

(84)  Gezien de korte termijnen in het raadplegingsmechanisme op Unieniveau dient de Commissie de bevoegdheid te worden gegeven om aanbevelingen of richtsnoeren vast te stellen ter vereenvoudiging van de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de nationale regelgevende instanties, bijvoorbeeld in gevallen die betrekking hebben op stabiele markten of die alleen geringe wijzigingen inhouden van maatregelen waarvan al eerder kennisgeving is gedaan, of om de invoering mogelijk te maken van een vrijstelling van kennisgeving om procedures in bepaalde gevallen te stroomlijnen.

(85)  Nationale regelgevende instanties werken op transparante wijze samen met elkaar, met Berec en met de Commissie om te zorgen voor de consequente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn.

(86)  De beslissingsvrijheid van de nationale regelgevende instanties moet wel verenigbaar zijn met de ontwikkeling van consequente regelgevingspraktijken en een consequente toepassing van het regelgevingskader om doeltreffend bij te dragen tot de ontwikkeling en voltooiing van de interne markt. De nationale regelgevende instanties moeten derhalve steun verlenen aan de interne-marktactiviteiten van de Commissie en van Berec.

(87)  Maatregelen die van invloed zouden kunnen zijn op de handel tussen de lidstaten, zijn maatregelen die direct of indirect, feitelijk of in potentie, van invloed zouden kunnen zijn op het handelspatroon tussen de lidstaten op een wijze die een belemmering kan vormen voor de interne markt. Het gaat om maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op ondernemingen of gebruikers in andere lidstaten, zoals: maatregelen die de prijzen voor gebruikers in andere lidstaten beïnvloeden; maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming om een elektronischecommunicatiedienst te verlenen, in het bijzonder maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid diensten te verlenen op transnationale basis, en maatregelen die gevolgen hebben voor de marktstructuur of de toegang tot de markt, met nadelige gevolgen voor ondernemingen in andere lidstaten.

(88)  Meer convergentie in het gebruik en de definitie van elementen van de selectieprocedures en de voorwaarden die verbonden zijn aan de gebruiksrechten voor radiospectrum die een aanzienlijk effect hebben op de marktomstandigheden en de concurrentie, met inbegrip van voorwaarden voor toetreding en expansie▌, zou worden bewerkstelligd door een coördinatiemechanisme waarbij de Beleidsgroep Radiospectrum, op verzoek van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie of bij wijze van uitzondering op eigen initiatief, een forum voor collegiale toetsing bijeenroept om ontwerp­maatregelen te onderzoeken voorafgaand aan de verlening van gebruiksrechten door een bepaalde lidstaat, met als doel een uitwisseling van beste praktijken. Het forum voor collegiale toetsing is een instrument waarmee deelnemers van elkaar kunnen leren. Het moet bijdragen tot een betere uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten en grotere transparantie van de concurrerende of vergelijkende selectieprocedures. Het proces van collegiale toetsing mag geen formele voorwaarde in nationale machtigingsprocedures zijn. De gedachtewisseling moet gebaseerd zijn op informatie die is verstrekt door de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie die om het forum voor collegiale toetsing vraagt, en moet een onderdeel zijn van een bredere nationale maatregel, die in ruimere zin kan bestaan uit de verlening, handel in en verhuur, looptijd, vernieuwing of wijziging van rechten van gebruik. Daarom moet de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie ook informatie kunnen verstrekken over andere nationale ontwerpmaatregelen of aspecten daarvan in verband met de relevante selectieprocedure voor het beperken van rechten voor het gebruik van radiospectrum die niet onder het mechanisme voor collegiale toetsing vallen. Om de administratieve lasten te verminderen moeten de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie dergelijke informatie kunnen indienen door middel van een gemeenschappelijk rapportageformat, indien beschikbaar, voor toezending aan leden van de Beleidsgroep Radiospectrum.

(89)  Wanneer de geharmoniseerde toewijzing van radiospectrum aan bepaalde ondernemingen op het niveau van de Unie is overeengekomen, dienen de lidstaten dergelijke overeenkomsten strikt toe te passen bij het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum vanuit het nationale frequentietoewijzingsplan.

(90)  De lidstaten moeten bij de verlening van gebruiksrechten waarbij het verwachte gebruik ook grensoverschrijdende situaties omvat, kunnen kiezen voor gezamenlijke machtigingsprocedures.

(91)  Besluiten van de Commissie met het oog op de geharmoniseerde toepassing van deze richtlijn, dienen beperkt te zijn tot regelgevende beginselen, benaderingen en methoden. Om twijfel te voorkomen, dienen deze geen details voor te schrijven die normaliter de nationale omstandigheden moeten weerspiegelen, en geen alternatieve benaderingen te verbieden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze dezelfde uitwerking hebben. Zulke besluiten moeten evenredig zijn en mogen geen invloed hebben op de besluiten van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die geen belemmering voor de interne markt opwerpen.

(92)  De Unie en de lidstaten zijn in de Wereldhandelsorganisatie verplichtingen aangegaan met betrekking tot normen en het regelgevingskader voor telecommunicatienetwerken en ‑diensten.

(93)  Normalisatie moet in de eerste plaats een door de markt gestuurd proces blijven. Er kunnen zich echter nog steeds situaties voordoen waarin het wenselijk is dat op Unieniveau bepaalde normen worden opgelegd om interoperabiliteit en de keuzevrijheid van de gebruikers op de interne markt te verbeteren, en interconnectiviteit op de interne markt aan te moedigen. Op nationaal niveau dienen de lidstaten Richtlijn (EU) 2015/1535 na te komen. De normalisatieprocedures volgens deze richtlijn hebben geen gevolgen voor de Richtlijnen 2014/30/EU(32) en 2014/35/EU(33) van het Europees Parlement en de Raad, noch voor Richtlijn 2014/53/EU.

(94)  Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken en/of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten moeten verplicht worden de veiligheid van hun netwerken en/of diensten te waarborgen, en de gevolgen van beveiligingsincidenten te voorkomen of tot een minimum te beperken. Gezien de stand van de techniek moeten die maatregelen een veiligheidsniveau van de netwerken en diensten waarborgen dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen. Bij beveiligingsmaatregelen moet minstens rekening worden gehouden met alle relevante aspecten van de volgende elementen: met betrekking tot de beveiliging van netwerken en voorzieningen: fysieke en omgevings­beveiliging, bevoorradingszekerheid, controle op de toegang tot netwerken en integriteit van netwerken; met betrekking tot de behandeling van beveiligingsincidenten: behandelingsprocedures, capaciteit voor beveiligingsincidentdetectie, beveiligingsincidentrapportage en -communicatie; met betrekking tot het beheer van de bedrijfscontinuïteit: strategie inzake continuïteit van de dienstverlening en rampenplannen, herstelcapaciteiten; op het gebied van toezicht, controle en testen: toezicht- en registratiebeleid, oefenen van rampenplannen, testen van de netwerken en diensten, beoordelingen van de beveiliging en toezicht op de conformiteit; en naleving van internationale normen.

(95)  Gezien het toenemende belang van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatie­diensten moet ervoor worden gezorgd dat ook voor die diensten passende veiligheids­voorschriften gelden overeenkomstig hun specifieke aard en economisch belang. Aanbieders van dergelijke diensten moeten ook zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen ▌. Aangezien de overbrenging van signalen over het netwerk bij nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten doorgaans niet door de aanbieders van die diensten zelf wordt beheerd, kan het risico­niveau van dergelijke diensten op bepaalde gebieden lager worden geacht dan bij traditionele elektronischecommunicatiediensten. Derhalve moeten voor de aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten lichtere maatregelen worden genomen indien gerechtvaardigd op basis van een reële beoordeling van de betrokken veiligheidsrisico's. ▌Dezelfde aanpak moet mutatis mutandis worden toegepast op internationale communicatiediensten waarbij gebruik wordt gemaakt van nummers en die niet instaan voor het feitelijk beheer van de overbrenging van signalen.

(96)  Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of van voor het publiek beschikbare elektronische­communicatiediensten moeten gebruikers op de hoogte brengen van specifieke en significante dreigingen voor de veiligheid en van de maatregelen die zij kunnen treffen om de veiligheid van hun communicatie te beschermen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van specifieke soorten software of encryptietechnologieën. De verplichting om gebruikers op de hoogte te brengen van dergelijke bedreigingen mag een dienstenaanbieder niet ontheffen van de verplichting om op eigen kosten onmiddellijk passende maatregelen te treffen om veiligheidsdreigingen te verhelpen en het normale beveiligingsniveau van de dienst te herstellen. Het verstrekken van informatie over veiligheidsdreigingen aan de gebruiker moet kosteloos geschieden.

(97)  Teneinde de beveiliging van netwerken en diensten te waarborgen, en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun essentiële veiligheidsbelangen en de openbare veiligheid beschermd zijn, en teneinde het onderzoek naar en het opsporen en vervolgen van strafbare feiten mogelijk te maken, moet het gebruik van versleuteling bijvoorbeeld, eind-tot-eind waar passend, worden bevorderd en waar nodig moet versleuteling verplicht zijn, zulks in overeenstemming met de beginselen veiligheid en privacy "by default and by design";

(98)  De bevoegde instanties moeten er dan ook voor zorgen dat de integriteit en beschikbaarheid van openbare elektronischecommunicatienetwerken worden gewaarborgd. Het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) moet bijdragen tot een betere veiligheid van elektronische communicatie door onder meer expertise en adviezen te verstrekken en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen. De bevoegde instanties moeten over de nodige middelen beschikken om hun taken te vervullen, met inbegrip van de bevoegdheid om de informatie op te vragen die nodig is voor de beoordeling van de veiligheid van netwerken en diensten. Zij moeten teven de bevoegdheid krijgen om uitgebreide en betrouwbare gegevens op te vragen over feitelijke incidenten op het gebied van de veiligheid die belangrijke gevolgen hebben gehad voor de exploitatie van netwerken of diensten. Waar nodig moeten zij worden bijgestaan door de op grond van Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad(34) opgerichte Computer Security Incident Response Teams (CSIRT's). De CSIRT's kunnen met name worden gevraagd om aan de bevoegde instanties informatie te verstrekken over risico's en beveiligingsincidenten die een impact hebben op openbare elektronischecommunicatienetwerken en voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en aanbevelingen te formuleren om die risico's aan te pakken.

(99)  Wanneer voor het aanbieden van elektronische communicatie een beroep wordt gedaan op openbare middelen waarvan het gebruik een specifieke machtiging vergt, moeten de lidstaten de instantie die bevoegd is voor de verlening van die machtigingen het recht kunnen geven vergoedingen op te leggen om een optimaal gebruik van die middelen te waarborgen overeenkomstig de in deze richtlijn geschetste procedures ▌. Conform de rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen de lidstaten geen heffingen of vergoedingen vragen voor het aanbieden van andere netwerken en elektronischecommunicatiediensten dan die waarin deze richtlijn voorziet. In dit verband dienen de lidstaten een consistent beleid te voeren bij de vaststelling van die heffingen of vergoedingen teneinde geen buitensporige financiële last te koppelen aan de algemene machtigingsprocedures of gebruiksrechten voor aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.

(100)  Om een optimaal gebruik van middelen te waarborgen, moeten de vergoedingen een weergave zijn van de economische en financiële situatie op de betrokken markt en van elke andere belangrijke factor die hun waarde bepaalt. Tegelijk moeten de vergoedingen zodanig worden bepaald dat een efficiënte toewijzing en een efficiënt gebruik van het radiospectrum gewaarborgd zijn. Deze richtlijn laat het doel waarvoor de vergoedingen voor het gebruiksrecht en het recht om faciliteiten te installeren worden aangewend, onverlet. Het moet bijvoorbeeld mogelijk zijn dergelijke vergoedingen te gebruiken voor de financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties die niet voldoende uit de administratieve bijdragen kunnen worden gefinancierd. Wanneer bij toepassing van op vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectie­procedures vergoedingen voor het gebruik van radiospectrum uitsluitend of gedeeltelijk bestaan in een eenmalig bedrag, wordt er door middel van passende betalingsregelingen voor gezorgd dat dergelijke vergoedingen in de praktijk niet leiden tot selectie op grond van criteria die niets te maken hebben met de doelstelling een optimaal gebruik van radiospectrum te maken. De Commissie moet regelmatig benchmarkstudies en in voorkomend geval andere richtsnoeren over de beste praktijken met betrekking tot de toewijzing van radiospectrum, de toewijzing van nummervoorraden of het verlenen van doorgangsrechten, kunnen publiceren.

(101)  Vergoedingen die ondernemingen moeten betalen voor rechten voor het gebruik van radiospectrum kunnen van invloed zijn op beslissingen of dergelijke rechten moeten worden aangevraagd en of het radiospectrum moet worden gebruikt. Om een optimaal gebruik van het radiospectrum te waarborgen moeten de lidstaten reserveringsprijzen vaststellen op een wijze die resulteert in de efficiënte toewijzing van die rechten, ongeacht de aard van de gevolgde selectieprocedure. De lidstaten kunnen ook rekening houden met de mogelijke kosten in verband met de naleving van de machtigingsvoorwaarden die worden opgelegd om beleidsdoelstellingen te verwezenlijken ▌. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mededingingscontext op de betrokken markt, met inbegrip van de mogelijke alternatieve toepassingen van de middelen.

(102)  Een optimaal gebruik van het radiospectrum wordt bepaald door de beschikbaarheid van degelijke netwerken en bijbehorende faciliteiten. In dat verband moeten de lidstaten ernaar streven dat, wanneer nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties vergoedingen opleggen voor het gebruik van radiospectrum en voor de rechten voor de installatie van faciliteiten, deze instanties ernaar streven de voortdurende ontwikkeling van de infrastructuur te faciliteren om tot een zo efficiënt mogelijk gebruik van de middelen te komen. De lidstaten moeten ernaar streven de toepassing te verzekeren, zo goed als mogelijk, van de regelingen voor de betaling van de vergoedingen voor de rechten voor het gebruik van het radiospectrum, gekoppeld aan de reële beschikbaarheid van middelen en op dusdanige wijze dat de nodige investeringen in die ontwikkeling van infrastructuur, evenals de verlening van de bijbehorende diensten, worden gesteund. De betalings­regelingen moeten op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze worden gespecificeerd alvorens de procedures voor de verlening van rechten voor radiospectrumgebruik worden geopend.

(103)  Er dient zorg voor te worden gedragen dat er procedures bestaan voor de verlening van faciliteiteninstallatierechten, die snel, niet-discriminerend en transparant zijn, teneinde de voorwaarden voor eerlijke en daadwerkelijke mededinging te waarborgen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale bepalingen betreffende onteigening en het gebruik van eigendom, de normale uitoefening van eigendomsrechten, het normale gebruik van de openbare ruimte of het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regels in de lidstaten die het eigendomsrecht beheersen.

(104)  Vergunningen die zijn afgegeven aan aanbieders van elektronischecommunicatie­netwerken en -diensten zodat zij toegang krijgen tot openbare of particuliere eigendom, zijn fundamentele factoren bij het opzetten van elektronischecommunicatienetwerken of nieuwe netwerkelementen. Onnodige complexiteit en vertraging bij de procedures voor het verlenen van toegangsrechten kunnen derhalve belangrijke obstakels vormen voor de ontwikkeling van concurrentie. Het verwerven van toegangsrechten door erkende ondernemingen dient derhalve te worden vereenvoudigd. Bevoegde instanties moeten het verwerven van toegangsrechten coördineren, en relevante informatie toegankelijk moeten maken op hun websites.

(105)  Het is noodzakelijk de bevoegdheden van de lidstaten ten aanzien van de houders van toegangsrechten te versterken om te zorgen voor een eerlijke, efficiënte en milieu­verantwoorde invoering dan wel uitrol van een nieuw netwerk, ongeacht eventuele verplichtingen voor een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht om toegang te verlenen tot zijn elektronischecommunicatienetwerk. Een verbetering van het gezamenlijk gebruik van faciliteiten kan de milieukosten die de invoering van elektronischecommunicatie-infrastructuur meebrengt, sterk verlagen en bijdragen tot de volksgezondheid en de openbare veiligheid alsmede tot stedenbouwkundige en planologische doelstellingen. De bevoegde instanties moeten over de bevoegdheid beschikken om ondernemingen die hebben geprofiteerd van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, voor te schrijven dergelijke faciliteiten of eigendom te delen (met inbegrip van fysieke colocatie), zulks na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat moeten zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen, in de specifieke gebieden waarin dergelijke redenen van algemeen belang aanleiding geven tot dergelijk gedeeld gebruik. Dat kan het geval zijn wanneer bijvoorbeeld ondergronds sprake is van ernstige congestie of wanneer er een natuurlijke barrière moet worden gepasseerd. De bevoegde instanties moeten met name het gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten zoals kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten, straatkasten, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, gebouwen of toegangen tot gebouwen, en een betere coördinatie van civiele werken kunnen opleggen om redenen op het vlak van het milieu of andere redenen van openbare orde. Het vastleggen van een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom is daarentegen een taak van de nationale regelgevende instanties, waarmee zij zorgen voor een passende verdeling van de beloning voor risico's tussen de betrokken ondernemingen. Gezien de verplichtingen in het kader van Richtlijn 2014/61/EU moeten de bevoegde instanties, met name de plaatselijke instanties, tevens, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties, passende coördinatieprocedures met betrekking tot openbare werken en andere passende openbare faciliteiten of eigendom vaststellen, die procedures moeten kunnen omvatten waardoor gewaarborgd wordt dat belanghebbende partijen over informatie betreffende passende openbare faciliteiten of eigendom en lopende en voorgenomen openbare werken beschikken, dat zij tijdig over dergelijke werken worden geïnformeerd en dat gedeeld gebruik zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt.

(106)  Wanneer van exploitanten van mobiele netwerken om milieuredenen wordt geëist dat zij torens of masten delen, zou dit verplichte gedeelde gebruik om redenen van de volksgezondheid kunnen leiden tot een verlaging van de voor elke exploitant toegestane maximum transmissievermogensniveaus, wat er dan weer toe zou kunnen leiden dat de exploitanten meer transmissiestations moeten installeren om te zorgen voor nationale dekking. De bevoegde instanties moeten ernaar streven een evenwicht te vinden tussen overwegingen op het vlak van het milieu en van volksgezondheid, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorzorgsbenadering van Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad(35).

(107)  Radiospectrum is een schaars openbaar bezit met een belangrijke publieke en markt­waarde. Het is een essentiële voorwaarde voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten die op radioverbindingen zijn gebaseerd en dient dan ook, voor zover het betrekking heeft op die netwerken en diensten, door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties op efficiënte wijze te worden ingedeeld en toegewezen overeenkomstig een verzameling geharmoniseerde doelstellingen en beginselen als basis voor hun optreden, en volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, zulks met inachtneming van de democratische, sociale, taal- en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van radiospectrum ▌. Beschikking nr. 676/2002/EG legt een kader vast voor de harmonisatie van het radiospectrum.

(108)  De activiteiten in de Unie in verband met het radiospectrumbeleid doen geen afbreuk aan op het niveau van de Unie of nationaal niveau in overeenstemming met het Unierecht genomen maatregelen om doelstellingen van algemeen belang na te streven, in het bijzonder met betrekking tot overheids- en defensienetwerken, inhoudsregulering en audiovisueel en mediabeleid, en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum te gebruiken en te organiseren met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie. ▌

(109)  Het waarborgen van wijdverspreide connectiviteit in elke lidstaat is essentieel voor de economische en sociale ontwikkeling, de participatie in het openbare leven en sociale en territoriale cohesie. Nu connectiviteit en het gebruik van elektronische communicatiemiddelen een integraal onderdeel van de Europese maatschappij en welvaart worden, moeten de lidstaten zorgen voor draadlozebreedbanddekking over de gehele Unie. Die dekking moet tot stand worden gebracht doordat de lidstaten passende dekkingvereisten invoeren die aangepast moeten zijn aan elk betrokken gebied en beperkt moeten blijven tot een proportionele belasting, zodat de implementatie door dienstenaanbieders niet wordt belemmerd. Gezien de belangrijke rol die systemen zoals lokale radionetwerken (RLAN's) spelen bij het bieden van draadloze breedband van hoge snelheid binnenshuis, moeten de maatregelen erop gericht zijn voldoende radiospectrum vrij te maken in banden die bijzonder waardevol zijn voor de kostenefficiënte uitrol van draadloze netwerken met universele dekking, met name binnenshuis. Voorts moet er met consistente, gecoördineerde maatregelen voor hoogwaardige terrestrische draadloze dekking in de hele Unie, waarbij wordt uitgegaan van de beste nationale praktijken wat betreft de machtigingsverplichtingen voor exploitanten, naar worden gestreefd het in het programma voor het radiospectrumbeleid vastgelegde doel te verwezenlijken, namelijk dat alle burgers van de Unie tegen 2020 zowel binnens- als buitenshuis toegang hebben tot de hoogste breedbandsnelheden van ten minste 30 Mb/s, en moet er een ambitieuze visie voor een gigabitmaatschappij in de Unie worden gerealiseerd. Dergelijke maatregelen zullen innovatieve digitale diensten bevorderen en zorgen voor sociaal-economische voordelen op lange termijn. Naadloze dekking van het grondgebied en connectiviteit in alle lidstaten moeten maximaal en betrouwbaar zijn, teneinde diensten en toepassingen, zoals onderling communicerende auto's en e-gezondheid, in de lidstaten en over hun grenzen heen te bevorderen. ▌

(110)  Er dient absoluut voor te worden gezorgd dat burgers niet zodanig worden blootgesteld aan elektromagnetische velden dat het schadelijk is voor de volksgezondheid. De lidstaten moeten streven naar consistentie in de hele Unie om dit probleem aan te pakken, met bijzonder aandacht voor de voorzorgsbenadering in Aanbeveling 1999/519/EG, waardoor naar meer consistente implementatievoorwaarden wordt toegewerkt. De lidstaten dienen waar nodig de procedure van Richtlijn (EU) 2015/1535 toe te passen, ook om voor transparantie voor de belanghebbenden te zorgen en andere lidstaten en de Commissie de kans te geven om te reageren.

(111)  De harmonisering en coördinatie van het radiospectrum en de regelgeving inzake apparatuur, gesteund door normalisatie, vullen elkaar aan en moeten zorgvuldig worden gecoördineerd, zodat de gemeenschappelijke doelstellingen worden behaald, met ondersteuning van de Beleidsgroep Radiospectrum. Coördinatie tussen de in het kader van Beschikking nr. 676/2002/EG aan CEPT verstrekte mandaten betreffende inhoud en tijdschema's en aan normalisatie-instellingen, zoals het Europees Instituut voor telecommunicatienormen, gerichte verzoeken betreffende normalisatie, onder meer wat betreft parameters voor radio-ontvangers, moet ervoor zorgen dat de invoering van toekomstige systemen wordt vergemakkelijkt, mogelijkheden voor het gedeeld gebruik van radiospectrum tot stand worden gebracht en een efficiënt beheer van radiospectrum wordt gewaarborgd.

(112)  De vraag naar geharmoniseerd radiospectrum is niet uniform in alle delen van de Unie. Indien er op regionaal of nationaal niveau geen vraag is naar een geheel of gedeeltelijk geharmoniseerde band, zouden de lidstaten bij wijze van uitzondering een alternatief gebruik van de band kunnen toestaan, bijvoorbeeld om een gebrek aan marktaanbod voor bepaalde soorten van gebruik op te vangen, zolang er geen vraag is en op voorwaarde dat het alternatieve gebruik geen afbreuk doet aan het geharmoniseerde gebruik van de band door andere lidstaten, en het alternatieve gebruik wordt stopgezet wanneer zich vraag naar geharmoniseerd gebruik voordoet.

(113)  Flexibiliteit bij het beheer van het radiospectrum en toegang tot het radiospectrum is tot stand gebracht door middel van technologie- en dienstenneutrale machtigingen om radiospectrumgebruikers zelf de beste technologieën en diensten te laten kiezen die zij willen toepassen in radiospectrumbanden die beschikbaar zijn verklaard voor elektronische communicatiediensten in de betreffende nationale frequentietoewijzingsplannen in overeenstemming met het Unierecht ("beginsel van technologieneutraliteit en beginsel van dienstenneutraliteit"). Technologieën en diensten mogen alleen administratief worden vastgesteld wanneer er doelstellingen van algemeen belang in het geding zijn en moeten terdege worden gemotiveerd en periodiek opnieuw worden onderzocht.

(114)  Beperkingen van het beginsel van technologieneutraliteit moeten passend zijn, en gemotiveerd zijn vanuit de noodzaak schadelijke interferentie te voorkomen, bijvoorbeeld door zendmaskers en limieten voor het zendvermogen op te leggen, om te zorgen voor bescherming van de volksgezondheid door de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden te beperken, om de goede werking van diensten te waarborgen door een toereikende technische kwaliteit van de dienst zonder dat zulks noodzakelijkerwijs belet dat in dezelfde radiospectrumband meer dan één dienst kan worden gebruikt, om een correct gezamenlijk gebruik van het radiospectrum mogelijk te maken, met name wanneer het gebruik daarvan alleen is onderworpen aan algemene machtigingen, om het efficiënte gebruik van het radiospectrum zeker te stellen, of om een doelstelling van algemeen belang na te streven overeenkomstig het Unierecht.

(115)  Radiospectrumgebruikers moeten ook vrij kunnen bepalen welke diensten zij via het radiospectrum willen aanbieden. Anderzijds moeten, mits noodzakelijk en proportioneel, maatregelen mogelijk zijn voor het leveren van een bepaalde dienst die duidelijk omschreven doeleinden van algemeen belang dient, zoals de veiligheid van het menselijk leven, de noodzaak om de sociale, regionale en territoriale samenhang te bevorderen of het vermijden van een ondoelmatig gebruik van het radiospectrum. Die doelstellingen moeten ook de bevordering van culturele en taaldiversiteit omvatten, alsook mediapluriformiteit zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht. Behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het menselijk leven te beschermen of, bij wijze van uitzondering, om andere doelstellingen van algemeen belang, zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht, te verwezenlijken, mogen maatregelen niet leiden tot exclusief gebruik voor bepaalde diensten maar moeten die diensten voorrang krijgen zodat dezelfde radiospectrumband tegelijk zoveel mogelijk door andere diensten of technologieën zou kunnen worden benut. De lidstaten zijn bevoegd de reikwijdte en de aard te definiëren van eventuele uitzonderingen wat betreft het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en mediapluriformiteit.

(116)  Omdat de toewijzing van radiospectrum aan specifieke technologieën of diensten een uitzondering vormt wat betreft de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit en de regel dat aanbieders zelf de dienst die wordt verschaft of de technologie die wordt gebruikt kunnen kiezen, moet een voorstel voor een dergelijke toewijzing transparant zijn en aan een openbare raadpleging worden onderworpen.

(117)  Wanneer de lidstaten in uitzonderlijke gevallen besluiten om de vrijheid van aanbieding van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid in te perken, moeten zij de redenen voor die inperking toelichten.

(118)  Radiospectrum moet zodanig worden beheerd dat schadelijke interferentie wordt vermeden. Het basisconcept van schadelijke interferentie moet dus nauwkeurig worden gedefinieerd opdat de regulering op dit punt beperkt blijft tot hetgeen werkelijk nodig is om dit soort interferentie te voorkomen, mede gelet op de noodzaak rekening te houden met geavanceerde methoden voor de bescherming tegen schadelijke interferentie, met het doel die technologieën en radiospectrumbeheermethoden toe te passen om zoveel mogelijk te vermijden dat het beginsel "interferentievrij en onbeschermd" moet worden toegepast. De sector vervoer heeft een uitgesproken grensoverschrijdend aspect en de digitalisering ervan levert problemen op. Voertuigen (zoals metro’s, bussen, auto's, vrachtwagens en treinen) worden in steeds grotere mate autonoom en geconnecteerd. Op een interne markt gaan voertuigen gemakkelijker nationale grenzen over. Betrouwbare communicatie en het voorkomen van schadelijke interferentie zijn van cruciaal belang voor de veilige en goede werking van voertuigen en de communicatiesystemen die zij aan boord hebben.

(119)  Gezien de toenemende vraag naar radiospectrum en nieuwe, uiteenlopende toepassingen en technologieën die meer flexibiliteit wat betreft de toegang tot en het gebruik van radiospectrum vergen, moeten de lidstaten gedeeld gebruik van radiospectrum bevorderen door de meest geschikte machtigingsstelsels voor elk scenario te bepalen en hiervoor passende en transparante voorschriften en voorwaarden vast te stellen. Door gedeeld gebruik van radiospectrum wordt doeltreffend en efficiënt gebruik ervan in toenemende mate gewaarborgd: meerdere onafhankelijke gebruikers of apparaten krijgen toegang tot dezelfde radiospectrumband in het kader van verschillende soorten wettelijke regelingen, teneinde extra radiospectrumruimte beschikbaar te maken, de efficiëntie van het gebruik te verhogen en de toegang tot radiospectrum voor nieuwe gebruikers te vergemakkelijken. Gedeeld gebruik kan zijn gebaseerd op algemene machtigingen of vergunningvrij gebruik, waarbij meerdere gebruikers onder specifieke omstandigheden inzake gedeeld gebruik toegang krijgen tot hetzelfde radiospectrum, en dat kunnen gebruiken, in verschillende geografische gebieden of op verschillende tijdstippen. Het kan ook zijn gebaseerd op individuele gebruiksrechten in het kader van regelingen zoals vergunningplichtige gedeelde toegang, waarbij alle gebruikers (bestaande gebruikers en nieuwe gebruikers) overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor gedeelde toegang, onder toezicht van de bevoegde instanties, op zodanige wijze dat een minimale gegarandeerde radiotransmissiekwaliteit wordt gewaarborgd. Wanneer de lidstaten gedeeld gebruik in het kader van meerdere machtigingsregelingen toestaan, dienen zij ervoor te zorgen dat de looptijden voor een dergelijk gebruik in het kader van meerdere machtigingsregelingen niet te zeer van elkaar afwijken.

(120)  Algemene machtigingen voor radiospectrumgebruik kunnen het meest effectieve radiospectrumgebruik vergemakkelijken en in sommige gevallen innovatie bevorderen, en zijn concurrentiebevorderend, terwijl individuele gebruiksrechten voor radiospectrum in andere gevallen onder bepaalde specifieke omstandigheden wellicht de geschiktste machtigingsregeling vormen. Individuele gebruiks­rechten moeten bijvoorbeeld worden overwogen wanneer gunstige verspreidings­kenmerken van het radiospectrum of het beoogde vermogen van de doorgifte impliceren dat algemene machtigingen de interferentieproblemen niet kunnen aanpakken, gelet op de vereiste kwaliteit van dienstverlening. Technische maatregelen zoals oplossingen ter verhoging van de bestendigheid van de ontvanger kunnen het gebruik van algemene machtigingen of gedeeld radiospectrumgebruik mogelijk maken, en misschien de systematische toepassing van het beginsel "interferentievrij en onbeschermd" voorkomen.

(121)  De lidstaten moeten, teneinde de voorspelbaarheid te waarborgen en de rechtszekerheid en investeringsstabiliteit te beschermen, van tevoren passende criteria vaststellen om na te gaan of wordt bijdragen tot de doelstelling betreffende efficiënt radiospectrumgebruik door de houders van de rechten bij de implementatie van de voorwaarden die zijn verbonden aan individuele gebruiksrechten en algemene machtigingen. Belangstellende partijen moeten worden betrokken bij het opstellen van dergelijke voorwaarden, en zij moeten op transparante wijze worden ingelicht over de manier waarop wordt beoordeeld of zij aan hun verplichtingen voldoen.

(122)  Om te voorkomen dat belemmeringen voor de toegang tot de markt ontstaan, met name door het achterhouden van radiospectrumbanden, moeten de aan de radiospectrumrechten verbonden voorwaarden door de lidstaten effectief gehandhaafd worden en moeten alle bevoegde instanties, waar nodig, daaraan meewerken. Er moet een "gebruiken of verliezen"-clausule worden opgenomen in de handhavingsvoorwaarden. Om rechtszekerheid te bieden ten aanzien van mogelijke sancties vanwege het niet-gebruik van radiospectrum, moeten vooraf gebruiksdrempels worden vastgesteld, inclusief wat radiospectrumtijd, -kwantiteit of -identiteit betreft. Het verhandelen of verhuren van radiospectrum moet het effectief gebruik door de oorspronkelijke houder van het recht waarborgen.

(123)  Wanneer de geharmoniseerde voorwaarden voor een radiospectrumband vastgesteld worden in het kader van Beschikking 676/2002/EG, moeten de bevoegde instanties beslissen welke de meest geschikte machtigingsregeling is die in die band of delen daarvan moet worden toegepast. Wanneer het waarschijnlijk is dat alle lidstaten met soortgelijke problemen te maken krijgen en uiteenlopende oplossingen daarvoor tot versnippering van de interne markt voor uitrusting kunnen leiden, en daardoor de uitrol van 5G-systemen vertragen, kan het voor de Commissie nodig zijn, daarbij zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, gemeenschappelijke oplossingen aan te bevelen, met inachtneming van de geldende technische harmonisatiemaatregelen. Dit kan een gemeenschappelijk instrumentarium voor lidstaten opleveren waarmee zij rekening kunnen houden bij de vaststelling van geschikte consistente vergunnings­regelingen die moeten worden toegepast op een band of een deel daarvan, afhankelijk van factoren zoals bevolkingsdichtheid, verspreidingskenmerken van banden, verschillen tussen stedelijk en ruraal gebruik, de eventuele noodzaak van bescherming van bestaande diensten en de daaruit voortvloeiende implicaties voor schaalvoordelen bij de productie.

(124)  Gedeeld gebruik van netwerkinfrastructuur, en in sommige gevallen van radiospectrum, kan bijdragen tot een efficiënter gebruik van radiospectrum en ervoor zorgen dat netwerken snel worden uitgerold, met name in dunner bevolkte gebieden. Wanneer de bevoegde instanties voorwaarden vaststellen die worden verbonden aan gebruiksrechten voor radiospectrum, moeten zij ook overwegen toestemming te geven voor vormen van gedeeld gebruik of coördinatie tussen ondernemingen, teneinde doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum of de naleving van dekkingsverplichtingen te waarborgen, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht.

(125)  De eis dat de beginselen van technologieneutraliteit en dienstenneutraliteit worden nageleefd bij het verlenen van gebruiksrechten, samen met de mogelijkheid om tussen ondernemingen rechten over te dragen, vormen de basis voor de vrijheid en de middelen om elektronischecommunicatiediensten aan het publiek te verstrekken, en maken het zo makkelijker doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Voor deze richtlijn maakt het niet uit of radiospectrum rechtstreeks aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten wordt toegewezen dan wel aan organen die van die netwerken of diensten gebruik maken. Zulke organen kunnen aanbieders zijn van radio- en televisiediensten. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de voorwaarden verbonden aan het gebruiksrecht voor radiospectrum en de desbetreffende aan de algemene machtiging verbonden voorwaarden berust in elk geval bij de onderneming waaraan het gebruiksrecht voor het radiospectrum is toegewezen. Bepaalde verplichtingen die zijn opgelegd aan omroepen voor het verlenen van audiovisuele mediadiensten kunnen de toepassing van specifieke criteria en procedures voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum noodzakelijk maken, indien blijkt dat zulks van fundamenteel belang is om te voldoen aan een specifieke doelstelling van algemeen belang als bepaald door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht. De procedure voor het verlenen van dergelijke rechten dient echter in ieder geval objectief, transparant, niet-discriminerend en proportioneel te zijn.

(126)  Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten alle nationale beperkingen van de krachtens artikel 56 VWEU gewaarborgde rechten objectief worden gerechtvaardigd en proportioneel zijn en mogen zij niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Bovendien mag radiospectrum dat niet via een open procedure is toegewezen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het algemeen belang waarvoor het is toegewezen. In een dergelijk geval moeten de belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen binnen een redelijke periode opmerkingen te maken. In het kader van de procedure voor het verlenen van rechten moeten de lidstaten nagaan of de aanvrager wel kan voldoen aan de voorwaarden die aan die rechten worden verbonden. Die voorwaarden moeten worden opgenomen in criteria die op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze zijn opgesteld, voordat een op mededinging gebaseerde selectieprocedure van start gaat. Voor de toepassing van dergelijke criteria kan de aanvrager worden verzocht de nodige informatie over te leggen waaruit blijkt dat hij in staat is aan die voorwaarden te voldoen. Wordt die informatie niet verstrekt, dan kan de aanvraag voor het gebruiksrecht voor radiospectrum worden afgewezen.

(127)  De lidstaten dienen, voorafgaand aan het verlenen van het recht, uitsluitend verplichtingen op te leggen betreffende de controle van elementen waarvan een zorgvuldig handelende aanvrager redelijkerwijs de nodige gegevens kan verstrekken, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de belangrijke publieke en marktwaarde van radiospectrum, dat een schaars publiek goed is. Dit laat de mogelijkheid onverlet om vervolgens te controleren of aan criteria is voldaan, bijvoorbeeld door middel van te respecteren termijnen, wanneer het aanvankelijk redelijkerwijs niet mogelijk was aan criteria te voldoen. Teneinde het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum in stand te houden, dienen de lidstaten geen rechten te verlenen wanneer uit hun beoordeling blijkt dat aanvragers niet in staat zijn aan de voorwaarden te voldoen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de mogelijkheid om experimenteel gebruik gedurende een beperkte tijd te vergemakkelijken. Door ervoor te zorgen dat de looptijd van machtigingen voor het gebruik van radiospectrum lang genoeg is, neemt de voorspelbaarheid op het vlak van investeringen toe, hetgeen bijdraagt tot een snellere uitrol van netwerken en betere diensten, alsmede tot de stabiliteit ter ondersteuning van de handel in en de verhuur van radiospectrum. Tenzij een machtiging voor het gebruik van radiospectrum voor onbeperkte duur wordt verstrekt, dient bij een dergelijke looptijd rekening te worden gehouden met de nagestreefde doelstellingen en dient die afdoende te zijn om het terugverdienen van de gedane investeringen te vergemakkelijken. Een langere looptijd kan de voorspelbaarheid van investeringen waarborgen, maar maatregelen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum, zoals de bevoegdheid van de bevoegde instantie om het recht te wijzigen of in te trekken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de gebruiksrechten zijn verbonden, of de bevordering van de mogelijkheid om radiospectrum te verhandelen of verhuren, zullen ervoor zorgen dat ongepaste accumulatie van radiospectrum wordt voorkomen en dat een grotere flexibiliteit bij de verdeling van radiospectrummiddelen wordt bevorderd. Ook door vaker gebruik te maken van vergoedingen op jaarbasis wordt ervoor gezorgd dat het gebruik van het radiospectrum door de houder van de rechten permanent wordt beoordeeld.

(128)  Rekening houdend met het belang van technische innovatie moeten de lidstaten kunnen voorzien in gebruiksrechten voor radiospectrum voor experimentele doeleinden, afhankelijk van specifieke beperkingen en voorwaarden die strikt gemotiveerd moeten worden door de experimentele aard van zulke rechten.

(129)  Wanneer de bevoegde instanties besluiten reeds verleende gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum al of niet te verlengen, dienen zij rekening te houden met de mate waarin verlenging bijdraagt tot de doelstellingen van het regelgevingskader en tot andere doelstellingen in het kader van Unierecht en nationaal recht. Een dergelijk besluit dient te worden genomen aan de hand van een open, niet-discriminerende en transparante procedure en van een beoordeling van de manier waarop is voldaan aan de voorwaarden die aan de rechten zijn verbonden. Bij het beoordelen of gebruiksrechten verlengd moeten worden, dienen de lidstaten een afweging te maken tussen het concurrentie-effect van de verlenging van verleende rechten en de bevordering van een efficiënter gebruik of van innovatieve nieuwe toepassingen als gevolg van de openstelling van de band voor nieuwe gebruikers. De bevoegde instanties moeten in dat verband kunnen toestaan dat rechten slechts voor een beperkte duur worden verlengd, teneinde te voorkomen dat het gevestigde gebruik ernstig wordt verstoord. Bij besluiten inzake de verlenging van rechten die voorafgaand aan de datum van toepassing van deze richtlijn zijn verleend, moeten alle voorschriften die reeds van toepassing zijn in acht worden genomen, maar de lidstaten dienen eveneens te waarborgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van deze richtlijn.

(130)  Wanneer bestaande gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum worden verlengd, dienen de lidstaten, naast de beoordeling van de noodzaak om de rechten te verlengen, tevens de daaraan verbonden vergoedingen te evalueren, teneinde te waarborgen dat door middel van die vergoedingen het optimale gebruik nog steeds wordt bevorderd, onder meer rekening houdend met de marktontwikkelingen en de technologie. Met het oog op de rechtszekerheid is het zinvol dat alle wijzigingen van de bestaande vergoedingen worden gebaseerd op de beginselen die ook van toepassing zijn op het verlenen van nieuwe gebruiksrechten.

(131)  Een doeltreffend beheer van radiospectrum kan worden gewaarborgd door aanhoudend efficiënt gebruik van reeds toegewezen radiospectrum te bevorderen. Teneinde de rechtszekerheid voor de houders van de rechten te waarborgen, dient de mogelijkheid tot verlenging van gebruiksrechten binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het verstrijken van de betrokken rechten in overweging te worden genomen, bijvoorbeeld, wanneer rechten voor 15 jaar of meer zijn toegewezen, ten minste twee jaar voor het verstrijken van die rechten, tenzij de mogelijkheid van verlenging uitdrukkelijk werd uitgesloten op het moment van de toewijzing van de rechten. In het belang van de continuïteit van het beheer van middelen dienen de bevoegde instanties over de mogelijkheid te beschikken om op eigen initiatief of naar aanleiding van een verzoek door de rechtverkrijgende een dergelijk tijdsbestek in overweging te nemen. De verlenging van het gebruiksrecht mag niet tegen de wil van de rechtverkrijgende worden verleend.

(132)  Overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum kan een doeltreffend middel zijn om spectrum efficiënter te gebruiken. Met het oog op de flexibiliteit en efficiëntie en om het mogelijk te maken dat de markt radiospectrum op waarde schat, moeten de lidstaten radiospectrumgebruikers standaard de mogelijkheid bieden om hun gebruiksrechten voor radiospectrum over te dragen of te verhuren aan derden, waarbij een eenvoudige procedure wordt gevolgd en de voorwaarden die zijn verbonden aan dergelijke rechten en aan de mededingingsvoorschriften worden nageleefd, en toezicht wordt gehouden door de verantwoordelijke nationale regelgevende instanties. Teneinde een dergelijke overdracht of verhuur te vergemakkelijken, en mits de op grond van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen in acht zijn genomen, moeten de lidstaten ook verzoeken in overweging nemen die zijn gericht op de opdeling of ontbundeling van radiospectrumrechten en op de evaluatie van voorwaarden voor gebruik.

(133)  Besluiten inzake maatregelen die specifiek zijn gericht op de bevordering van de concurrentie bij het verlenen of verlengen van gebruiksrechten voor radiospectrum, dienen te worden genomen door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, die over de nodige kennis op het vlak van de economie, de technologie en de markt beschikken. Voorwaarden voor de toewijzing van radiospectrum kunnen van invloed zijn op de concurrentiesituatie op de markten voor elektronische communicatie en op voorwaarden voor toegang tot de markt. Beperkte toegang tot radiospectrum, met name wanneer radiospectrum schaars is, kan een toegangsbarrière opwerpen of een belemmering vormen voor investeringen, de uitrol van netwerken, het aanbieden van nieuwe diensten of toepassingen, innovatie en mededinging. Nieuwe gebruiksrechten, met inbegrip van gebruiksrechten die door middel van overdracht of verhuur zijn verworven, en de invoering van nieuwe, flexibele criteria voor radiospectrumgebruik kunnen ook van invloed zijn op de bestaande concurrentie. Wanneer bepaalde, voor de bevordering van de concurrentie gebruikte voorwaarden ten onrechte worden toegepast, kunnen daaruit andere effecten voortvloeien: bijvoorbeeld kunnen radiospectrumlimieten en -reserveringen tot kunstmatige schaarste leiden, kunnen wholesaletoegangsverplichtingen bij ontbreken van marktmacht tot een onterechte beperking van bedrijfsmodellen leiden, en kunnen grenzen voor overdracht de ontwikkeling van secundaire markten belemmeren. Daarom is een consistente en objectieve mededingingstoets ten aanzien van het opleggen van dergelijke voorwaarden noodzakelijk en moet die op consistente wijze worden toegepast. Het gebruik van dergelijke maatregelen moet daarom worden gebaseerd op een grondige en objectieve, door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties uit te voeren, beoordeling van de markt en de concurrentievoorwaarden op die markt. Nationale bevoegde instanties moeten evenwel te allen tijde het doeltreffende en efficiënte gebruik van radiospectrum waarborgen en verstoring van de concurrentie als gevolg van tegen vrije concurrentie indruisende oppotpraktijken voorkomen.

(134)  Voortbouwend op adviezen van de Beleidsgroep Radiospectrum kan de vaststelling van een gemeenschappelijke termijn voor het toestaan van het gebruik van een op grond van Beschikking nr. 676/2002/EG geharmoniseerde radiospectrumband noodzakelijk zijn om grens­overschrijdende interferentie te voorkomen, en gunstig zijn voor het benutten van alle voordelen van de verwante technische harmonisatiemaatregelen voor de markten voor apparatuur, evenals voor de uitrol van netwerken en diensten met zeer hoge capaciteit. Het gebruik van een radiospectrumband toestaan impliceert de toewijzing van radiospectrum volgens een algemenemachtigingsregeling of individuele gebruiksrechten, zodat het gebruik van radiospectrum is toegestaan zodra de toewijzing is voltooid. Voor het toewijzen van radiospectrumbanden kan het nodig zijn een door andere gebruikers gebruikte band vrij te maken en die andere gebruikers te compenseren. Invoering van een gemeenschappelijke termijn voor het toestaan van het gebruik van geharmoniseerde banden voor elektronischecommunicatiediensten, inclusief voor 5G, kan evenwel in een bepaalde lidstaat worden beïnvloed door problemen in verband met onopgeloste kwesties inzake grensoverschrijdende coördinatie tussen lidstaten of met derde landen, en met de complexiteit van de technische migratie van bestaande gebruikers van een band, een beperking van het gebruik van de radiospectrumband op basis van een doelstelling van algemeen belang, het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie, of overmacht. In ieder geval moeten de lidstaten alle maatregelen nemen om vertragingen tot een minimum te beperken in termen van geografische dekking, timing en radiospectrumbereik. Voorts moeten de lidstaten, indien passend, op basis van hun evaluatie van de relevante omstandigheden, de Unie kunnen vragen om juridische, politieke en technische bijstand voor het oplossen van radiospectrumcoördinatieproblemen met derde landen die grenzen aan de Unie, met inbegrip van kandidaat-lidstaten en toetredende landen, zodat de betrokken lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het Unierecht kunnen nakomen.

(135)  Om te zorgen voor een grotere gecoördineerde beschikbaarheid van radiospectrum in 2020 waarmee vaste en draadloze netwerken van zeer hoge snelheid in de context van 5G kunnen worden verwezenlijkt, heeft de Beleidsgroep Radiospectrum de 3.4‑3.8 GHz- en 24.25-27.5 GHz-banden aangeduid als prioritaire banden die geschikt zijn voor het bereiken van de doelstellingen van het 5G-actieplan in 2020. Ook de 40.5‑43.5 GHz- en 66-71 GHz-banden zijn voor verder onderzoek aangewezen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat, uiterlijk op 31 december 2020, de 3.4-3.8 GHz- en de 24.25-27.5 GHz-banden of delen daarvan beschikbaar zijn voor terrestrische systemen die in staat zijn tot levering van draadlozebreedbanddiensten volgens geharmoniseerde voorwaarden die zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG, ter aanvulling van Besluit (EU) 2017/899 van het Europees Parlement en de Raad(36), aangezien die banden specifieke kwaliteiten hebben qua dekking en gegevenscapaciteit, waardoor zij passend kunnen worden gecombineerd teneinde te voldoen aan vereisten voor 5G. De lidstaten kunnen echter worden beïnvloed door mogelijke interferentie uit derde landen die, in overeenstemming met de radioregulering van de ITU, die banden hebben aangeduid voor andere diensten dan de internationale mobiele telecommunicatie. Dit zou van invloed kunnen zijn op de verplichting te voldoen aan een gemeenschappelijke uitvoeringsdatum. Het toekomstige gebruik van de 26 GHz-band voor terrestrische draadloze 5G-diensten zal waarschijnlijk onder meer gericht zijn op stedelijke gebieden en voorstedelijke hotspotgebieden, terwijl enige uitrol te verwachten is langs belangrijke wegen en spoorwegen in plattelandsgebieden. Dit biedt de gelegenheid om de 26 GHz-band te gebruiken voor andere diensten dan draadloze 5G-systemen buiten die geografische gebieden, bijvoorbeeld voor bedrijfsspecifieke communicatie of voor gebruik binnenshuis, en biedt zodoende de lidstaten de gelegenheid die band toe te wijzen en beschikbaar te stellen op niet-exclusieve basis.

(136)  Wanneer de vraag naar een radiospectrumband groter is dan de beschikbaarheid ervan en een lidstaat als gevolg daarvan besluit dat de gebruiksrechten voor radiospectrum moeten worden beperkt, moeten passende en transparante procedures worden toegepast bij de verlening van die rechten teneinde discriminatie te voorkomen en een optimaal gebruik van dit schaarse goed te waarborgen. Een dergelijke beperking dient gerechtvaardigd en evenredig te zijn en te worden gebaseerd op een grondige beoordeling van de markt­omstandigheden, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de algehele voordelen van de gebruiker en met nationale doelstellingen en doelstellingen inzake de interne markt. De doelstellingen die met beperkingsprocedures worden nagestreefd, moeten van tevoren duidelijk worden omschreven. Bij het afwegen welke de meest geschikte selectieprocedure is, moeten de lidstaten de op Unieniveau getroffen coördinerende maatregelen naleven en moeten zij tijdig en op transparante wijze alle belangstellende partijen raadplegen over de rechtvaardiging, de doelstellingen en de voorwaarden van de procedure. Lidstaten moeten onder meer kunnen gebruikmaken van selectieprocedures op basis van mededinging of van vergelijking voor de toewijzing van radiospectrum of van nummervoorraden met een uitzonderlijke economische waarde. Bij het beheer van dergelijke regelingen dienen de bevoegde instanties rekening te houden met de doelstellingen van deze richtlijn. Indien een lidstaat van mening is dat verdere rechten in een band beschikbaar kunnen worden gesteld, dient hij van start te gaan met het proces daarvoor.

(137)  Door de enorme toename van de vraag naar radiospectrum en van de vraag door eindgebruikers naar draadlozebreedbandcapaciteit zijn alternatieve, complementaire, wat spectrumgebruik betreft efficiënte toegangsoplossingen nodig, waaronder draadloze toegangssystemen met laag vermogen en kort bereik, zoals RLAN's en netwerken van cellulaire toegangspunten met een laag vermogen. Dergelijke complementaire draadloze toegangssystemen, in het bijzonder publiek toegankelijke RLAN-toegangspunten, geven eindgebruikers in toenemende mate toegang tot het internet en bieden mobiele aanbieders de mogelijkheid mobiel verkeer af te wikkelen. RLAN's maken gebruik van geharmoniseerd radiospectrum zonder dat een individuele machtiging of een gebruiksrecht voor radiospectrum vereist is. De meeste RLAN-toegangspunten worden tot dusver door particuliere gebruikers gebruikt als een lokaal draadloos verlengstuk van hun vaste breedband­verbinding. Eindgebruikers mogen er binnen de grenzen van hun eigen internetabonnement niet van worden weerhouden hun RLAN-toegang met anderen te delen, teneinde het aantal beschikbare toegangspunten te vergroten, met name in dichtbevolkte gebieden, de capaciteit op het vlak van draadloze gegevens te maximaliseren door hergebruik van radiospectrum, en een kosteneffectieve complementaire draadlozebreedbandinfrastructuur te creëren die voor andere eindgebruikers toegankelijk is. Onnodige beperkingen op de opstelling en onderlinge koppeling van RLAN-toegangspunten moeten dan ook worden opgeheven.

(138)  Overheden of aanbieders van openbare diensten die RLAN's in hun gebouwen of op hun terreinen voor hun personeel, bezoekers of klanten gebruiken, bijvoorbeeld om de toegang tot e-overheidsdiensten te vergemakkelijken of ten behoeve van informatie over openbaar vervoer of wegverkeersmanagement, kunnen ook toegang tot dergelijke toegangspunten verlenen voor algemeen gebruik door de burgers als aanvulling op de diensten die zij in hun gebouwen of op hun terreinen aanbieden, voor zover dat is toegestaan op grond van de voorschriften inzake mededinging en openbare aanbestedingen. De aanbieder van dergelijke lokale toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in of rond een privéwoning of een beperkte openbare ruimte op niet-commerciële basis of als nevendienst voor een andere activiteit die niet van dergelijke toegang afhankelijk is, zoals RLAN-hotspots die op die plaats aan klanten van andere commerciële activiteiten of aan het algemene publiek beschikbaar worden gesteld, kan evenwel verplicht zijn algemene machtigingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum na te leven, maar moet niet worden onderworpen aan voorwaarden of vereisten die zijn verbonden aan algemene machtigingen van toepassing op aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, noch aan verplichtingen inzake eindgebruikers of interconnectie. Op een dergelijke aanbieder blijven echter wel de voorschriften inzake aansprakelijkheid van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad(37) van toepassing. Andere technologieën, zoals LiFi, zijn in opkomst en zullen een aanvulling vormen op de huidige capaciteiten van RLAN's en draadloze toegangspunten betreffende radiospectrum, door middel van toegangspunten op basis van optisch zichtbaar licht, en leiden tot hybride lokale netwerken waarmee optische draadloze communicatie mogelijk is.

(139)  Aangezien draadloze toegangspunten met laag vermogen, zoals femtocellen, picocellen, metrocellen of microcellen, soms zeer klein zijn en gebruikmaken van discrete apparatuur vergelijkbaar met door particulieren gebruikte RLAN-routers, waarvoor geen verdere vergunning nodig is dan die vereist voor het gebruik van radiospectrum, en rekening houdend met het positief effect van zulke toegangspunten op het gebruik van radiospectrum en op de ontwikkeling van draadloze communicatie, moeten beperkingen op de inzet ervan zoveel mogelijk worden beperkt. Als gevolg daarvan mogen de lidstaten, ter vergemakkelijking van de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik, en onverminderd elke toepasselijke vereiste in verband met radiospectrumbeheer, geen individuele vergunningen opleggen voor de implementatie van dergelijke apparaten op gebouwen die niet officieel beschermd zijn als onderdeel van een aangewezen omgeving, en evenmin officieel beschermd zijn vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, behalve wanneer de openbare veiligheid in het geding is. Daartoe moeten de kenmerken ervan, zoals maximumgrootte, gewicht en emissie-eigenschappen, op Unieniveau worden gespecificeerd op proportionele wijze voor lokale uitrol en om te zorgen voor een hoge mate van bescherming van de volksgezondheid, zoals vastgelegd in Aanbeveling 1999/519/EG. Voor de exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik, moet artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU van toepassing zijn. Dit laat de particuliere eigendomsrechten volgens het Unierecht of het nationale recht onverlet. De procedure voor de behandeling van vergunningsaanvragen moet worden gestroomlijnd, onverminderd eventuele handelsovereenkomsten, en de ermee gepaard gaande administratieve lasten moeten worden beperkt tot de administratieve kosten van de behandeling van de aanvraag. Een verzoek om een vergunning dient zo snel mogelijk te worden beoordeeld, in beginsel binnen vier maanden.

(140)  Openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur worden dagelijks bezocht en gebruikt door een aanzienlijk aantal eindgebruikers die verbonden moeten zijn met netwerken om gebruik te kunnen maken van e-overheid, e-vervoer en andere diensten. Andere publieke infrastructuur, zoals lantaarnpalen en verkeerslichten, vormen bijvoorbeeld op grond van de dichte verspreiding ervan zeer waardevolle locaties voor de plaatsing van kleine cellen. Onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde instanties om de uitrol van draadloze toegangspunten met klein bereik afhankelijk te stellen van voorafgaande individuele vergunningen, moeten exploitanten het recht op toegang tot die openbare locaties krijgen om adequaat te kunnen inspelen op de vraag. In aanvulling op Richtlijn 2014/61/EU en onverminderd de beginselen die zijn vastgelegd in deze richtlijn, dienen de lidstaten er derhalve voor te zorgen dat dergelijke openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur op redelijke voorwaarden beschikbaar worden gemaakt voor de uitrol van kleine cellen. Richtlijn 2014/61/EU volgt een functionele aanpak en voorziet slechts in verplichtingen betreffende de toegang tot fysieke infrastructuur in gevallen waarin die deel uitmaakt van een netwerk en eigendom is van of wordt gebruikt door een netwerkexploitant, zodat tal van gebouwen die in bezit zijn van of gebruikt worden door overheden er niet onder vallen. Fysieke infrastructuur, zoals buizen en masten, die wordt gebruikt voor intelligente vervoerssystemen in handen van netwerkexploitanten (aanbieders van vervoersdiensten of aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken) en die ruimte biedt aan onderdelen van een netwerk, vereist geen specifieke verplichting en valt dus binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/61/EU.

(141)  De bepalingen van deze richtlijn met betrekking tot toegang en interconnectie zijn van toepassing op openbare elektronischecommunicatienetwerken. Aanbieders van andere elektronischecommunicatienetwerken dan die welke aan het publiek worden aangeboden, hebben geen verplichtingen inzake toegang en interconnectie uit hoofde van deze richtlijn, maar kunnen, wanneer zij toegang hebben tot publieke netwerken, onderworpen zijn aan de voorwaarden die de lidstaten stellen.

(142)  De term "toegang" heeft velerlei betekenissen en daarom dient nauwkeurig te worden omschreven hoe die term in deze richtlijn wordt gebruikt, ongeacht de betekenis die er in andere maatregelen van de Unie aan wordt gegeven. Een exploitant kan eigenaar zijn van het betrokken netwerk of de betrokken faciliteiten, of kan die geheel of gedeeltelijk huren.

(143)  In een open en concurrentiegerichte markt dienen er geen beperkingen te bestaan die ondernemingen verhinderen onderling toegangs- en interconnectieregelingen, en met name grensoverschrijdende overeenkomsten, aan te gaan, met dien verstande dat de mededingingsregels van het VWEU in acht moeten worden genomen. In het kader van de totstandbrenging van een efficiëntere, echte pan-Europese markt met een reële mededinging, met meer keuze en concurrerende dienstverlening voor de eindgebruiker, moeten ondernemingen die een verzoek om toegang of interconnectie krijgen van andere ondernemingen waarop algemene machtigingen van toepassing zijn voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan het publiek, in beginsel zulke overeenkomsten sluiten, en te goeder trouw onderhandelen.

(144)  In markten waar tussen ondernemingen grote verschillen in onderhandelingscapaciteit blijven bestaan, en waar sommige ondernemingen gebruik maken van door anderen verschafte infrastructuur voor het aanbieden van hun diensten, dient een regelgevingskader te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de markt efficiënt functioneert. De nationale regelgevende instanties moeten de nodige bevoegdheden krijgen om, in gevallen waarin commerciële onderhandelingen mislukken, te zorgen voor passende toegang en interconnectie en voor de nodige interoperabiliteit tussen diensten in het belang van de eindgebruikers. Zij kunnen in het bijzonder de eind-tot-eind-verbinding waarborgen door proportionele verplichtingen op te leggen aan ondernemingen die zijn onderworpen aan een algemene machtiging en die de toegang tot de eindgebruikers controleren. De controle van de toegangsmiddelen kan eigendom of controle van de fysieke verbinding met de eindgebruiker (vast of mobiel), of de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van het nationale nummer (de nationale nummers) voor de toegang tot het aansluitingspunt van de eindgebruiker inhouden. Een dergelijk optreden zou bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de netwerkexploitanten op onredelijke wijze de keuze aan toegangsmogelijkheden tot internetportalen en -diensten voor eindgebruikers zouden beperken.

(145)  Met het oog op het beginsel van niet-discriminatie dienen de nationale regelgevende instanties te waarborgen dat alle ondernemingen, ongeacht hun omvang en bedrijfsmodel en de vraag of zij verticaal geïntegreerd of gescheiden zijn, op redelijke voorwaarden interconnectie tot stand kunnen brengen, teneinde eind-tot-eindverbindingen en toegang tot het internet te bieden.

(146)  Nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die de eisen en voorwaarden voor toegang of interconnectie koppelen aan de activiteiten van de om interconnectie vragende partij, meer bepaald aan de omvang van haar investeringen in netwerkinfrastructuur, en niet aan de aangeboden interconnectie- of toegangsdiensten, kunnen leiden tot verstoring van de markt en als gevolg daarvan onverenigbaar zijn met de mededingingsregels.

(147)  Netwerkexploitanten die de toegang regelen tot hun eigen klanten, doen dat op basis van unieke nummers of adressen uit een gepubliceerde nummer- of adresseringsruimte. Andere netwerkexploitanten moeten in staat zijn die klanten te bereiken en moeten dus in staat zijn direct of indirect interconnectie met elkaar tot stand te brengen. Het is daarom passend rechten en verplichtingen met betrekking tot het voeren van onderhandelingen over interconnectie vast te stellen.

(148)  Interoperabiliteit is in het voordeel van de eindgebruiker en is een belangrijk doel van dat regelgevingskader. Het bevorderen van een goede interoperabiliteit is een van de doelstellingen van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties die zijn vastgesteld in dat regelgevingskader. Dat kader bepaalt ook dat de Commissie een lijst van standaarden of specificaties met betrekking tot het aanbieden van diensten, technische interfaces of netwerkfuncties moet publiceren als basis voor het stimuleren van harmonisatie inzake elektronische communicatie. De lidstaten dienen het gebruik van de gepubliceerde standaarden of technische specificaties aan te moedigen in zoverre dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit van de diensten te waarborgen en de vrije keuze van de gebruiker te verbeteren.

(149)  Momenteel zijn zowel eind-tot-eindverbindingen en de toegang tot noodhulpdiensten ervan afhankelijk dat eindgebruikers gebruikmaken van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten. Toekomstige technologische ontwikkelingen of een toegenomen gebruik van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zouden kunnen leiden tot een gebrek aan afdoende interoperabiliteit tussen communicatiediensten. Significante belemmeringen voor de markttoegang en voor verdere innovatie zouden daardoor kunnen ontstaan en een ernstige bedreiging kunnen vormen voor ▌ doeltreffende eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers ▌.

(150)  Indien zich dergelijke problemen op het gebied van interoperabiliteit voordoen, moet de Commissie aan Berec kunnen vragen een verslag uit te brengen dat voorziet in een feitelijke beoordeling van de marktsituatie op het niveau van de Unie en van de lidstaten. Met nauwgezette inachtneming van het verslag van Berec en andere beschikbare bewijs­stukken moet de Commissie, rekening houdend met de effecten op de interne markt, besluiten of maatregelen van regelgevende aard door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties noodzakelijk zijn. Indien de Commissie besluit dat de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties dergelijke maatregelen van regelgevende aard in overweging moeten nemen, moet zij uitvoeringsmaatregelen kunnen vaststellen waarin de aard en de werkingssfeer van mogelijke maatregelen van regelgevende aard door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties nader worden omschreven, waaronder met name verplichtingen tot publicatie en toelating van het gebruik, de wijziging en de doorgifte van relevante informatie door de instanties en andere aanbieders, en maatregelen waarbij het verplichte gebruik van normen of specificaties aan alle of specifieke aanbieders wordt opgelegd.

(151)  De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties moeten in het licht van de specifieke nationale omstandigheden beoordelen of het noodzakelijk en gerechtvaardigd is maatregelen te treffen teneinde eind-tot-eindverbindingen te waarborgen ▌, en zo ja, evenredige verplichtingen in overeenstemming met de uitvoeringsmaatregelen van de Commissie opleggen aan aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten met een aanzienlijke mate van dekking en benutting door de gebruikers. Het begrip "aanzienlijk" moet zo worden opgevat dat de geografische dekking en het aantal eindgebruikers van de betrokken aanbieder een kritische massa vertegenwoordigen met het oog op het verwezenlijken van eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers. Aanbieders met een beperkt aantal eindgebruikers of een beperkte geografische dekking die slechts in geringe mate zouden bijdragen aan die doelstelling, mogen normaliter niet worden onderworpen aan dergelijke interoperabiliteitsverplichtingen.

(152)  In situaties waarin ondernemingen geen toegang hebben tot levensvatbare alternatieven voor niet-repliceerbare bedrading, kabels en bijbehorende faciliteiten in gebouwen of tot aan het eerste concentratie- of distributiepunt en teneinde concurrentie ten behoeve van de eindgebruikers te bevorderen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om toegangsverplichtingen op te leggen aan alle ondernemingen, ongeacht een eventuele aanwijzing als onderneming met aanmerkelijke ▌ marktmacht. Daarbij moeten de nationale regelgevende instanties alle technische en economische belemmeringen voor toekomstige replicatie van netwerken in overweging nemen. Aangezien dergelijke verplichtingen in sommige gevallen echter ingrijpend kunnen zijn, de stimulansen voor investeringen kunnen ondermijnen, en de positie van dominante marktdeelnemers zouden kunnen versterken, moeten ze alleen worden opgelegd wanneer dit gerechtvaardigd en evenredig is om te komen tot duurzame concurrentie op de desbetreffende markten. Alleen het feit dat meerdere dergelijke infrastructuurvoorzieningen reeds bestaan, hoeft niet per se zodanig te worden geïnterpreteerd dat de bijbehorende activa repliceerbaar zijn. Indien dit in combinatie met dergelijke toegangsverplichtingen nodig is, moeten ondernemingen tevens een beroep kunnen doen op de verplichtingen betreffende het verlenen van toegang tot fysieke infrastructuur uit hoofde van Richtlijn 2014/61/EU. Door de nationale regelgevende instantie uit hoofde van deze richtlijn opgelegde verplichtingen en besluiten die uit hoofde van Richtlijn 2014/61/EU door andere bevoegde instanties zijn genomen teneinde toegang te waarborgen tot fysieke infrastructuur in gebouwen of tot fysieke infrastructuur tot het eerste toegangspunt, moeten consistent zijn.

(153)  De nationale regelgevende instanties moeten, voor zover dat nodig is, ondernemingen ertoe kunnen verplichten toegang te verschaffen tot de in een bijlage bij deze richtlijn bedoelde faciliteiten, met name Application Programming Interfaces (API's, applicatieprogramma­verbindingen) en elektronische programmagidsen (EPG's), om ervoor te zorgen dat eindgebruikers niet alleen toegang hebben tot digitale radio- en televisieomroepdiensten, maar ook tot gerelateerde aanvullende diensten. Dergelijke aanvullende diensten moeten programmagerelateerde diensten kunnen omvatten die specifiek zijn ontworpen om de toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap te verbeteren, alsmede programmagerelateerde geconnecteerde televisiediensten.

(154)  Wanneer de nationale regelgevende instanties nagaan tot welk concentratie- of distributiepunt zij toegangsverplichtingen willen opleggen, is het belangrijk dat zij een punt overeenkomstig de Berec-richtsnoeren kiezen. De keuze van een punt dat zich dichter bij de eindgebruikers bevindt, zal gunstiger zijn voor de concurrentie op infrastructuurgebied en de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit. De nationale regelgevende instantie moet dus eerst overwegen een punt in een gebouw of net buiten een gebouw te kiezen. Het kan gerechtvaardigd zijn toegangsverplichtingen tot bedrading en kabels uit te breiden tot voorbij het eerste concentratie- of distributiepunt, ▌waarbij die verplichtingen worden beperkt tot punten die zich zo dicht mogelijk bij de eindgebruikers bevinden en een toereikend aantal eindgebruikers kunnen bereiken, indien is aangetoond dat hoge en niet-voorbijgaande fysieke of economische hindernissen duplicatie in de weg staan en leiden tot belangrijke concurrentieproblemen of markttekortkomingen op retailniveau ten nadele van de eindgebruikers. De beoordeling van de repliceerbaarheid van netwerkelementen vergt een marktanalyse die verschillend is van een analyse waarbij aanmerkelijke marktmacht wordt beoordeeld, en de nationale regelgevende instantie hoeft dan ook geen aanmerkelijke marktmacht vast te stellen om die verplichtingen op te leggen. Een dergelijke marktanalyse noopt echter wel tot een adequate economische beoordeling van de marktvoorwaarden, om te bepalen of is voldaan aan de criteria die nodig zijn om verplichtingen voorbij het eerste concentratie- of distributiepunt op te leggen. Zulke uitgebreide toegangs­verplichtingen zullen eerder nodig zijn in geografische gebieden waar de businesscase voor de uitrol van alternatieve infrastructuur risicovoller is, bijvoorbeeld vanwege de lage bevolkingsdichtheid of vanwege het beperkte aantal meergezinswoningen. Omgekeerd kan een hoge concentratie aan huishoudens erop wijzen dat het opleggen van zulke verplichtingen niet nodig is. De nationale regelgevende instanties moeten tevens nagaan of dergelijke verplichtingen de positie van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kunnen versterken. De nationale regelgevende instanties moeten toegangsverplichtingen kunnen opleggen aan actieve of virtuele netwerkelementen die worden gebruikt voor dienstverlening op dergelijke infrastructuur, indien de toegang tot passieve elementen economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar is, en indien de nationale regelgevende instantie van oordeel is dat zonder een dergelijke ingreep het doel van de toegangsverplichting zou worden omzeild. Met het oog op consistentere regelgevingspraktijken in de hele Unie, moet de Commissie van de nationale regelgevende instantie kunnen verlangen dat zij haar ontwerpmaatregelen tot uitbreiding van toegangsverplichtingen voorbij het eerste concentratie- of distributiepunt intrekt, wanneer het Berec de ernstige twijfels van de Commissie betreffende de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregelen met het Unierecht en in het bijzonder met de regelgevingsdoelstellingen van deze richtlijn deelt.

(155)  In dergelijke gevallen kan het passend zijn dat de nationale regelgevende instanties, teneinde te voldoen aan het beginsel van evenredigheid, bepaalde categorieën eigenaren of ondernemingen, of beide, uitsluiten van verplichtingen die verder gaan dan het door de nationale regelgevende instanties te bepalen eerste concentratie- of distributiepunt, op grond van het feit dat een toegangsverplichting die niet is gebaseerd op de aanwijzing van een onderneming als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht, schadelijk kan zijn voor hun businesscase op het gebied van recentelijk geïmplementeerde netwerkelementen, met name bij kleine lokale projecten. Uitsluitend op wholesalemarkten actieve ondernemingen moeten niet aan dergelijke toegangsverplichtingen worden onderworpen indien zij op commerciële basis doeltreffende alternatieve toegang tot een netwerk met zeer hoge capaciteit aanbieden tegen eerlijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden, onder meer wat betreft de prijs. Die vrijstelling moet onder dezelfde voorwaarden kunnen worden uitgebreid tot andere aanbieders. De vrijstelling is mogelijk niet passend voor aanbieders die overheidsmiddelen ontvangen.

(156)  Gedeeld gebruik van passieve ▌ infrastructuur die wordt gebruikt voor het aanbieden van draadloze elektronischecommunicatiediensten ▌ , in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht, kan uitermate nuttig zijn met het oog op maximale connectiviteit met zeer hoge capaciteit in de hele Unie, met name in gebieden met minder dichte netwerken waarin replicatie praktisch niet uitvoerbaar is en eindgebruikers wellicht geen toegang tot dergelijke connectiviteit krijgen. De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties moeten bij wijze van uitzondering een dergelijk gedeeld gebruik ▌ of gelokaliseerde roamingtoegang kunnen opleggen, in overeenstemming met het Unierecht, indien die mogelijkheid duidelijk is vastgelegd in de oorspronkelijke voorwaarden voor verlening van het gebruiksrecht en indien zij kunnen aantonen dat een dergelijk gedeeld gebruik voordelen biedt wat betreft het wegwerken van onoverkomelijke economische of fysieke obstakels die tot gevolg hebben dat nauwelijks of geen toegang tot netwerken of diensten bestaat, waarbij rekening wordt gehouden met diverse factoren, waaronder met name de noodzaak van dekking langs belangrijke transportroutes, de keuze en een betere kwaliteit van dienstverlening voor eindgebruikers evenals de noodzaak om stimulansen voor de uitrol van infrastructuur in stand te houden. In omstandigheden waar eindgebruikers geen toegang hebben en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur alleen niet voldoende is om de situatie te verhelpen, moeten de nationale regelgevende instanties verplichtingen kunnen opleggen ten aanzien van het gedeeld gebruik van actieve infrastructuur. Op die manier behouden de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties de flexibiliteit om de meest geschikte verplichting inzake gedeeld gebruik of toegang te kiezen. Die verplichting moet evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de aard van het geconstateerde probleem.

(157)  Hoewel een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie ondernemingen, ongeacht of zij zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, onder sommige omstandigheden verplichtingen kan opleggen om eind-tot-eindverbindingen of interoperabiliteit van diensten tot stand te brengen, moet dit wel gebeuren overeenkomstig het regelgevingskader en met name met de kennisgevingsprocedures. Dergelijke verplichtingen mogen alleen worden opgelegd wanneer dit gerechtvaardigd is om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, en wanneer ze objectief gerechtvaardigd, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn, teneinde doeltreffendheid, duurzame concurrentie, doeltreffende investeringen en innovatie te bevorderen, en wanneer ze de eindgebruikers een maximaal voordeel opleveren en worden opgelegd overeenkomstig de desbetreffende kennisgevingsprocedures.

(158)  Ter verwijdering van onoverkomelijke economische of fysieke obstakels voor het verstrekken aan eindgebruikers van diensten of netwerken die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, kan het dichten van eventuele lacunes in de mobiele dekking toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur of, indien dit niet volstaat, gedeeld gebruik van actieve infrastructuur noodzakelijk maken, dan wel overeenkomsten inzake gelokaliseerde roamingtoegang. Onverminderd de verplichtingen inzake gedeeld gebruik die zijn verbonden aan de gebruiksrechten op basis van andere bepalingen van deze richtlijn, en met name maatregelen om de concurrentie te bevorderen, kunnen de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties, wanneer zij voornemens zijn maatregelen te nemen betreffende het opleggen van gedeeld gebruik van passieve infrastructuur of, ingeval toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur niet volstaan, het opleggen van gedeeld gebruik van actieve infrastructuur of van overeenkomsten inzake gelokaliseerde roamingtoegang, echter ook worden verzocht het mogelijke risico voor marktdeelnemers in gebieden met weinig dekking in aanmerking te nemen.

(159)  Mededingingsregels alleen volstaan niet altijd om in het tijdperk van digitale televisie culturele diversiteit en pluraliteit in de media te garanderen. De technologische en markt­ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat verplichtingen om voorwaardelijke toegang op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden aan te bieden, regelmatig▌ door een lidstaat worden herzien voor zijn nationale markt▌, met name om na te gaan of het gerechtvaardigd is die verplichtingen uit te breiden tot EPG's en API's, in zoverre dit nodig is om ervoor te zorgen dat eindgebruikers toegang hebben tot specifieke digitale omroepdiensten. De lidstaten moeten met alle wetgevende, regelgevende of administratieve middelen die zij noodzakelijk achten, de digitale omroepdiensten kunnen specificeren waarvoor de toegang van eindgebruikers moet worden gewaarborgd.

(160)  De lidstaten moeten ook kunnen toestaan dat de nationale regelgevende instantie de verplichtingen in verband met de voorwaardelijke toegang tot digitale omroepdiensten opnieuw beziet om met behulp van een marktanalyse na te gaan of er verplichtingen afgeschaft of gewijzigd moeten worden voor ondernemingen die op de betrokken markt geen aanmerkelijke macht hebben. Een eventuele afschaffing of wijziging van verplichtingen mag de toegang voor eindgebruikers tot dergelijke diensten of de vooruitzichten voor werkelijke mededinging niet nadelig beïnvloeden.

(161)  In bepaalde omstandigheden moeten verplichtingen ex ante worden opgelegd om de ontwikkeling van een concurrerende markt te waarborgen, waarbij de voorwaarden gunstig zijn voor de implementatie van en toepassing van netwerken en diensten met zeer hoge capaciteit, en het behalen van maximale voordelen voor de eindgebruiker. De in deze richtlijn gebruikte definitie van aanmerkelijke macht op de markt is gelijkwaardig aan het begrip machtspositie als gedefinieerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie.

(162)  Dat twee of meer ondernemingen gezamenlijk een machtspositie hebben, kan niet alleen worden geconstateerd wanneer er structurele of andere banden tussen hen bestaan, maar ook indien de structuur van de betreffende markt gecoördineerde effecten bevordert, dit wil zeggen parallelle of mededingingsverstorende gedragingen op de markt stimuleert.

(163)  Het is essentieel dat regelgevingsverplichtingen ex ante alleen worden opgelegd op een wholesalemarkt waar een of meer ondernemingen zijn met aanmerkelijke marktmacht, teneinde duurzame concurrentie ▌ te waarborgen, en wanneer rechtsmiddelen van het mededingingsrecht van de Unie en van het nationale mededingingsrecht ontoereikend zijn om het probleem op te lossen. De Commissie heeft op Unieniveau, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht, richtsnoeren opgesteld voor nationale regelgevende instanties aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen of op een bepaalde markt daadwerkelijke mededinging heerst en of er sprake is van aanmerkelijke marktmacht. De nationale regelgevende instanties dienen te analyseren of een bepaalde markt voor producten of diensten daadwerkelijk concurrerend is in een gegeven geografisch gebied, dat het grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat kan zijn, dan wel aangrenzende delen van het grondgebied van lidstaten, die als één geheel worden gezien. Bij een analyse van daadwerkelijke mededinging moet onder meer worden onderzocht of de markt in de toekomst concurrerend zal zijn en dus of een eventueel gebrek aan daadwerkelijke mededinging blijvend is. In die richtsnoeren moet ook worden ingegaan op de problematiek van nieuwe markten waar de feitelijke marktleider waarschijnlijk een groot marktaandeel zal hebben, maar niet dient te worden onderworpen aan ongerechtvaardigde verplichtingen. De Commissie dient de richtsnoeren regelmatig opnieuw te toetsen, met name wanneer bestaande wetgeving wordt herzien, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie, economische overwegingen en opgedane ervaringen met betrekking tot de markt, teneinde te waarborgen dat deze geschikt blijven in een zich snel ontwikkelende markt. De nationale regelgevende instanties zullen met elkaar moeten samenwerken wanneer de relevante markt transnationaal blijkt te zijn.

(164)  Wanneer de nationale regelgevende instanties bepalen of een onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft op een specifieke markt, dienen zij te handelen overeenkomstig het Unierecht en de richtsnoeren van de Commissie inzake marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht zorgvuldig in acht te nemen.

(165)  De nationale regelgevende instanties moeten relevante geografische markten op hun grondgebied definiëren en daarbij terdege rekening houden met de aanbeveling van de Commissie ("de aanbeveling") inzake relevante markten voor producten en diensten die overeenkomstig deze richtlijn is vastgesteld, en met de nationale en plaatselijke omstandigheden. De nationale regelgevende instanties moeten daarom ten minste de markten analyseren die in de aanbeveling zijn opgenomen, inclusief de markten die zijn vermeld, maar in de specifieke nationale of lokale context niet meer worden gereguleerd. De nationale regelgevende instanties moeten ook markten analyseren die niet in de aanbeveling zijn opgenomen, maar die op basis van voorafgaande marktanalysen binnen hun bevoegdheidsgebied worden gereguleerd, of andere markten als zij voldoende redenen hebben om ervan uit te gaan dat wellicht aan de drie criteria van deze richtlijn is voldaan.

(166)  Wanneer het door de geografische marktdefinitie is gerechtvaardigd, kunnen transnationale markten worden gedefinieerd, waarbij rekening moet worden gehouden met alle factoren aan de aanbodzijde en de vraagzijde, in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht. Berec is de meest geschikte instantie voor het uitvoeren van dergelijke analyses, waarbij wordt geprofiteerd van de ruime collectieve ervaring die de nationale regelgevende instanties bij het definiëren van markten op nationaal niveau hebben opgedaan. Bij het analyseren van potentiële transnationale markten moet rekening worden gehouden met nationale omstandigheden. Indien transnationale markten worden gedefinieerd en maatregelen van regelgevende aard gerechtvaardigd zijn, moeten de betrokken nationale regelgevende instanties samenwerken om de passende reactie van regelgevende aard vast te stellen, onder meer bij het proces van kennisgeving aan de Commissie. Zij kunnen op die manier ook samenwerken wanneer transnationale markten niet worden vastgesteld, maar de marktomstandigheden op hun grondgebied afdoende homogeen zijn om baat te hebben bij een gecoördineerde benadering betreffende regelgeving, bijvoorbeeld wat betreft soortgelijke kosten, marktstructuren of exploitanten, of bij een transnationale of vergelijkbare vraag door de eindgebruikers.

(167)  In sommige omstandigheden worden markten gedefinieerd als nationaal of subnationaal, bijvoorbeeld door de nationale of lokale aard van de uitrol van netwerken waardoor de grenzen van de potentiële marktmacht van ondernemingen wat betreft het wholesaleaanbod worden bepaald, maar er is nog steeds een significante transnationale vraag door één of meerdere categorieën eindgebruikers. Dat kan met name het geval zijn bij de vraag door zakelijke eindgebruikers met activiteiten op meerdere locaties in verschillende lidstaten. Als leveranciers niet in voldoende mate aan die transnationale vraag voldoen, bijvoorbeeld als zij versnipperd zijn door nationale grenzen of op lokaal niveau, ontstaat er een potentiële belemmering voor de interne markt. Berec moet daarom de bevoegdheid hebben om de nationale regelgevende instanties te voorzien van richtsnoeren betreffende gemeenschappelijke regelgevingsbenaderingen opdat op bevredigende wijze aan de transnationale vraag kan worden voldaan om zo een basis voor de interoperabiliteit van wholesaletoegangsproducten in de hele Unie te verschaffen en efficiëntieverbeteringen en schaalvoordelen tot stand te brengen ondanks de versnippering aan de aanbodzijde. De richtsnoeren van Berec moeten bijdragen tot de keuzes die de nationale regelgevende instanties maken bij het nastreven van de internemarktdoelstelling, wanneer zij op nationaal niveau verplichtingen opleggen aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en zij moeten tegelijkertijd als leidraad fungeren voor de harmonisatie van de technische specificaties van wholesaletoegangsproducten waarmee aan een dergelijke geconstateerde transnationale vraag kan worden voldaan, in het belang van de interne markt.

(168)  De uiteindelijke doelstelling van regelgevende maatregelen ex ante is het tot stand brengen van voordelen voor de eindgebruiker wat betreft prijzen, kwaliteit en keuze door ervoor te zorgen dat de retailmarkten op duurzame basis daadwerkelijk concurrerend zijn. Waarschijnlijk constateren de nationale regelgevende instanties geleidelijk dat veel retailmarkten concurrerend zijn, zelfs als er geen regelgeving op wholesaleniveau plaatsvindt, in het bijzonder rekening houdend met de verwachte verbeteringen op het gebied van innovatie en concurrentie.

(169)  Het uitgangspunt van de nationale regelgevende instanties voor de identificatie van wholesalemarkten die aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen, is de analyse van de bijbehorende retailmarkten. De analyse van daadwerkelijke concurrentie op retail- en wholesaleniveau wordt toekomstgericht met betrekking tot een bepaald tijdsbestek uitgevoerd, waarbij wordt uitgegaan van het mededingingsrecht, in voorkomend geval met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie. Als wordt geconstateerd dat een retailmarkt daadwerkelijk concurrerend zou zijn bij afwezigheid van regelgeving ex ante op wholesaleniveau op de bijbehorende markten, dient de nationale regelgevende instantie hieruit de conclusie te trekken dat regelgeving op wholesaleniveau niet meer noodzakelijk is.

(170)  Tijdens de geleidelijke overgang naar gedereguleerde markten, worden geleidelijk steeds meer commerciële overeenkomsten tussen exploitanten gesloten, met inbegrip van overeenkomsten inzake mede-investeringen en toegang, en indien deze duurzaam zijn en ervoor zorgen dat de concurrentiedynamiek wordt verbeterd, kunnen zij ertoe bijdragen dat wordt geconcludeerd dat op een bepaalde wholesalemarkt regelgeving ex ante niet gerechtvaardigd is. Het omgekeerde zou het geval zijn bij onvoorzienbare beëindiging van commerciële overeenkomsten op een gedereguleerde markt. Bij de analyse van dergelijke overeenkomsten moet ermee rekening worden gehouden dat het vooruitzicht op regelgeving eigenaren van netwerken ertoe kan aanzetten commerciële onderhandelingen aan te gaan. Om ervoor te zorgen dat bij het bepalen of regelgeving ex ante van een bepaalde markt gerechtvaardigd is, voldoende aandacht wordt besteed aan de impact van aan aanverwante markten opgelegde regelgeving, dienen de nationale regelgevende instanties te waarborgen dat markten op consistente wijze, en tegelijkertijd of zo snel mogelijk achter elkaar, worden geanalyseerd.

(171)  De nationale regelgevende instanties moeten bij de beoordeling van regelgeving op wholesaleniveau teneinde problemen op retailniveau op te lossen ermee rekening houden dat meerdere wholesalemarkten wholesale-upstreaminputs voor een bepaalde retailmarkt kunnen leveren, of – omgekeerd – één wholesalemarkt wholesale-upstreaminputs voor uiteenlopende retailmarkten kan leveren. De concurrentiedynamiek op een bepaalde markt kan verder worden beïnvloed door aangrenzende markten die geen verticale relatie hebben, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde vaste en mobiele markten. De nationale regelgevende instanties dienen die beoordeling uit te voeren voor elke afzonderlijke wholesalemarkt die voor regelgeving in aanmerking komt, te beginnen bij corrigerende maatregelen voor de toegang tot civiele infrastructuur, aangezien dergelijke maatregelen gewoonlijk bevorderlijk zijn voor een verbetering van de duurzaamheid van de concurrentie, met inbegrip van concurrentie op het vlak van infrastructuur, en vervolgens alle wholesalemarkten te analyseren die in aanmerking komen voor regelgeving ex ante, in volgorde van waarschijnlijke geschiktheid om geconstateerde concurrentieproblemen op retailniveau aan te pakken. Wanneer de nationale regelgevende instanties een besluit nemen over de specifieke op te leggen corrigerende maatregel, moeten zij de technische haalbaarheid ervan beoordelen en een kosten-batenanalyse uitvoeren, waarbij de mate van geschiktheid om de geconstateerde problemen op retailniveau aan te pakken in acht wordt genomen en waarbij concurrentie op grond van differentiatie en technologieneutraliteit mogelijk is. De nationale regelgevende instanties moeten de consequenties van het opleggen van elke specifieke corrigerende maatregel in overweging nemen: als een maatregel slechts bij bepaalde netwerktopologieën haalbaar is, kan dat een belemmering vormen voor de uitrol van netwerken met een zeer hoge capaciteit ten bate van de eindgebruiker.

(172)  Onverminderd het beginsel van technologieneutraliteit moeten de nationale regelgevende instanties via de opgelegde corrigerende maatregelen voorzien in stimulansen en, waar dat mogelijk is vóór de uitrol van de infrastructuur, voorzien in de ontwikkeling van een flexibele en open netwerkarchitectuur, die uiteindelijk de lasten en complexiteit van de in een latere fase opgelegde corrigerende maatregelen zal beperken. De nationale regelgevende instantie moet tijdens elke fase van de beoordeling, voordat zij bepaalt of een aanvullende, zwaardere corrigerende maatregel aan de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht wordt opgelegd, ernaar streven te bepalen of de betrokken retailmarkt daadwerkelijk concurrerend zou zijn, mede rekening houdend met een eventuele relevante commerciële regeling of andere omstandigheden op de wholesale­markt, met inbegrip van andere soorten regelgeving die al van kracht zijn, zoals algemene toegangsverplichtingen met betrekking tot niet-repliceerbare activa of verplichtingen die op grond van Richtlijn 2014/61/EU zijn opgelegd, en in het kader van elke regelgeving die de nationale regelgevende instantie als passend beschouwt voor een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Een dergelijke beoordeling, die moet garanderen dat alleen de meest geschikte corrigerende maatregelen voor het effectief aanpakken van de in de marktanalyse geconstateerde problemen worden opgelegd, belet niet dat een nationale regelgevende instantie oordeelt dat een mix van dergelijke maatregelen, ook al zijn die van verschillende intensiteit, conform het evenredigheidsbeginsel, de minst ingrijpende manier is om het probleem aan te pakken. Zelfs als dergelijke verschillen niet leiden tot de definitie van afgebakende geografische markten, moeten deze als rechtvaardiging kunnen dienen van differentiatie van de passende corrigerende maatregelen die worden opgelegd met het oog op de uiteenlopende intensiteit van de concurrentiedruk.

(173)  Regelgeving ex ante die op wholesaleniveau wordt opgelegd, is in beginsel minder ingrijpend dan regelgeving op retailniveau en wordt als afdoende beschouwd om eventuele mededingingsproblemen op de aanverwante downstreamretailmarkt of markten aan te pakken. De gemaakte vorderingen wat betreft de werking van de mededinging sinds het regelgevingskader voor elektronische communicatie in werking is getreden, blijken uit de geleidelijke deregulering van de retailmarkten in de hele Unie. Verder moeten indien mogelijk de voorschriften betreffende het opleggen van corrigerende maatregelen ex ante aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht worden vereenvoudigd en meer voorspelbaar worden gemaakt. Daarom moet het ▌ opleggen van regelgevingscontroles ex ante op basis van de aanwijzing van een onderneming als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op wholesale­markten vooropstaan.

(174)  Wanneer een nationale regelgevende instantie regelgeving op wholesaleniveau intrekt, moet zij een passende opzeggingstermijn vaststellen om een duurzame overgang naar een gedereguleerde markt te waarborgen. Bij het bepalen van die opzeggingstermijn moet de nationale regelgevende instantie rekening houden met bestaande overeenkomsten tussen aanbieders van toegang en toegangvragende partijen die op basis van de opgelegde regelgevings­verplichtingen zijn gesloten. Dergelijke overeenkomsten kunnen in het bijzonder toegangvragende partijen gedurende een bepaalde periode contractuele wettelijke bescherming bieden. De nationale regelgevende instantie moet ook rekening houden met de mogelijkheid dat marktdeelnemers gebruikmaken van op de markt beschikbare commerciële aanbiedingen betreffende wholesaletoegang of mede-investering, en met de noodzaak om een langere periode van mogelijke regelgevingsarbitrage te voorkomen. In door de nationale regelgevende instantie vastgestelde overgangsregelingen moet rekening worden gehouden met de reikwijdte en termijnen betreffende regelgevend toezicht op bestaande overeenkomsten, zodra de opzeggingstermijn begint.

(175)  Om marktdeelnemers zekerheid te verschaffen over regelgevingsvoorwaarden, moet een termijn worden vastgesteld voor marktherzieningen. Daarom moeten marktanalyses regelmatig en binnen een redelijke en passende tijdspanne worden uitgevoerd. Wanneer een nationale regelgevende instantie verzuimt binnen de vastgestelde termijn een marktanalyse uit te voeren, dan bestaat het risico dat dit de interne markt in gevaar brengt en dat de normale inbreukprocedures niet tijdig het gewenste effect opleveren. Anders moet de betrokken nationale regelgevende instantie Berec om bijstand kunnen verzoeken om de marktanalyse te voltooien. Dergelijke bijstand kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een specifieke taskforce bestaande uit vertegenwoordigers van de andere nationale regelgevende instanties.

(176)  Aangezien de sector van elektronische communicatie een snel evoluerende sector is die gekenmerkt wordt door technologische innovatie en zeer dynamische markten, moet de regelgeving op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze op Unieniveau kunnen worden aangepast omdat gebleken is dat uiteenlopende opvattingen van de nationale regelgevende instanties over de uitvoering van het regelgevingskader de interne markt zouden kunnen belemmeren.

(177)  In het belang van meer stabiliteit en voorspelbaarheid van regelgevende maatregelen, dient de maximale toegestane periode tussen marktanalyses echter te worden verlengd van drie tot vijf jaar, mits veranderingen op de markt in de tussenliggende periode geen nieuwe analyse vergen. Wanneer wordt bepaald of een nationale regelgevende instantie heeft voldaan aan haar verplichting om ten minste om de vijf jaar markten te analyseren en kennis te geven van de bijbehorende ontwerpmaatregel, wordt een nieuwe marktcyclus van vijf jaar uitsluitend geacht van start te gaan bij indiening van een kennisgeving met een nieuwe beoordeling van de marktafbakening en van aanmerkelijke marktmacht. Louter met een kennisgeving van nieuwe of gewijzigde regelgevende maatregelen die worden opgelegd op basis van een voorgaande en ongewijzigde markanalyse, wordt niet aan die verplichting voldaan. De niet-naleving door een nationale regelgevende instantie van de in deze richtlijn vastgestelde verplichting op gezette tijden een marktanalyse te verrichten, mag op zich niet worden beschouwd als een grond voor de ongeldigheid of niet-toepasselijkheid van bestaande verplichtingen die door die nationale regelgevende instantie voor de markt in kwestie zijn opgelegd.

(178)  Het opleggen van een specifieke verplichting aan een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht vereist geen extra marktanalyse, maar wel een verantwoording dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem op de desbetreffende markt en op de verwante retailmarkt is.

(179)  Bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen verplichtingen en voorwaarden houden de nationale regelgevende instanties rekening met de verschillende mededingingsvoorwaarden in de verschillende regio's in hun lidstaat en nemen zij in het bijzonder de resultaten van het overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde geografische onderzoek in acht.

(180)  Bij de overweging of maatregelen om de prijzen in de hand te houden wordt opgelegd, en zo ja, in welke vorm, moeten de nationale regelgevende instanties voor een specifiek nieuw investeringsproject een billijke beloning voor de investeerder mogelijk maken. Met name bestaan er risico's verbonden aan investeringsprojecten die specifiek zijn voor nieuwe toegangsnetwerken die producten steunen waarvoor de vraag op het moment van investeren onzeker is.

(181)  Door middel van beoordelingen van de verplichtingen van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht in het tijdsbestek van een marktanalyse, moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn rekening te houden met de impact van nieuwe ontwikkelingen op de concurrentievoorwaarden, bijvoorbeeld van recentelijk gesloten vrijwillige overeenkomsten tussen ondernemingen, zoals overeenkomsten inzake toegang en mede-investeringen, waardoor wordt voorzien in de flexibiliteit die in het bijzonder noodzakelijk is in de context van langere regelgevings­cycli. Bij onvoorzienbare schendingen of beëindigingen van commerciële overeenkomsten, of indien het effect van een dergelijke overeenkomst afwijkt van de marktanalyse, moet een vergelijkbare logica gelden. Indien de beëindiging van een bestaande overeenkomst zich voordoet op een gedereguleerde markt, kan een nieuwe marktanalyse noodzakelijk zijn. Indien er zich op de markt geen afzonderlijke belangrijke veranderingen voordoen, maar de markt dynamisch is, kan het noodzakelijk zijn vaker dan om de vijf jaar een marktanalyse uit te voeren, maar bijvoorbeeld niet vaker dan om de drie jaar, zoals tot de datum van toepassing van deze richtlijn het geval was. De markt moet als dynamisch worden beschouwd indien de patronen van de technologische evolutie en de vraag van eindgebruikers naar verwachting dermate veranderen dat de conclusies van de analyses binnen de middellange termijn achterhaald zouden zijn voor een significante groep van geografische gebieden of van eindgebruikers binnen de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde geografische en productmarkt.

(182)  Transparantie van de eisen en voorwaarden inzake toegang en interconnectie, ook wat prijzen betreft, bespoedigt onderhandelingen, helpt conflicten voorkomen en zorgt ervoor dat de marktpartijen erop vertrouwen dat een dienst niet op discriminerende voorwaarden wordt verleend. Openheid en transparantie van technische interfaces kunnen van bijzonder belang zijn voor de interoperabiliteit. Indien een nationale regelgevende instantie de verplichting oplegt om informatie openbaar te maken, moet zij eveneens kunnen preciseren hoe de informatie beschikbaar moet worden gesteld, alsook of de informatie gratis is, rekening houdend met het soort informatie en het doel ervan.

(183)  Gezien de verscheidenheid van de netwerktopologieën, toegangsproducten en markt­omstandigheden die sinds 2002 zijn ontstaan, kunnen de doelstellingen van bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG, met betrekking tot de ontbundeling van het lokale netwerk, en toegangsproducten voor aanbieders van digitaletelevisie- en radiodiensten, beter en op een meer flexibele wijze worden verwezenlijkt door richtsnoeren te verstrekken inzake de minimumcriteria voor een referentieaanbod, die door Berec opgesteld en op gezette tijden bijgewerkt worden. Die bijlage moet daarom worden geschrapt.

(184)  Het beginsel van non-discriminatie zorgt ervoor dat ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht geen concurrentievervalsing veroorzaken, met name wanneer het verticaal geïntegreerde ondernemingen betreft die diensten verlenen aan ondernemingen waarmee zij op downstreammarkten concurreren.

(185)  Om discriminerend gedrag op grond van andere factoren dan de prijs aan te pakken en te voorkomen, is Equivalence of Inputs (EoI) in beginsel de beste manier om tot doeltreffende bescherming tegen discriminatie te komen. Anderzijds is het waarschijnlijk dat het aanbieden van gereguleerde wholesale-inputs op EoI-basis leidt tot hogere nalevingskosten dan bij andere vormen van verplichtingen inzake niet-discriminatie. Die hogere nalevingskosten moeten worden afgewogen tegen de voordelen van scherpere concurrentie downstream, en van de relevantie van garanties op het gebied van niet-discriminatie in omstandigheden waarin de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht niet wordt onderworpen aan rechtstreekse prijscontrole. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties in overweging nemen dat het aanbieden van wholesale-inputs via nieuwe systemen naar verwachting voldoende nettovoordelen zal opleveren en dat de incrementele nalevingskosten om te waarborgen dat de nieuwe aangelegde systemen aan de EoI-eisen voldoen lager zijn, zodat er aan het evenredigheidsbeginsel wordt voldaan. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties ook nagaan of verplichtingen evenredig zijn voor de betrokken ondernemingen, bijvoorbeeld door rekening te houden met de implementatiekosten en mogelijke negatieve prikkels voor de uitrol van nieuwe systemen af te wegen tegen meer incrementele moderniseringen, indien het eerstgenoemde zou worden onderworpen aan meer beperkende regelgevingsverplichtingen. In lidstaten met een groot aantal kleinschalige ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kan het onevenredig zijn om EoI aan al die ondernemingen op te leggen.

(186)  Gescheiden boekhoudingen maken het mogelijk overboekingen van prijselementen zichtbaar te maken en stellen de nationale regelgevende instanties in staat de naleving van de verplichtingen inzake non-discriminatie te toetsen. In dit verband heeft de Commissie Aanbeveling 2005/698/EG(38) gepubliceerd.

(187)  Civieltechnische activa waarvan een elektronischecommunicatienetwerk gebruikmaakt, zijn van essentieel belang voor de geslaagde uitrol van nieuwe ▌ netwerken vanwege de hoge kosten voor het dupliceren van die activa, en de significante besparingen die kunnen worden verwezenlijkt wanneer deze kunnen worden hergebruikt. Daarom is, als aanvulling op de in Richtlijn 2014/61/EU vastgestelde voorschriften inzake fysieke infrastructuur, een specifieke maatregel nodig wanneer civieltechnische activa eigendom zijn van een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer civieltechnische activa beschikbaar en herbruikbaar zijn, is het effect van de totstandbrengingen van daadwerkelijke toegang tot die activa op de uitrol van concurrerende infrastructuur uiterst positief, en het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat de toegang tot dergelijke activa kan worden gebruikt als op zichzelf staande maatregel voor de verbetering van de concurrentie- en implementatiedynamiek op alle downstream­markten, hetgeen in overweging moet worden genomen voordat de noodzaak om andere potentiële corrigerende maatregelen op te leggen wordt beoordeeld, en niet enkel als aanvullende maatregel op andere wholesaleproducten of -diensten, of als maatregel die is beperkt tot ondernemingen die dergelijke andere wholesaleproducten of -diensten gebruiken. De nationale regelgevende instanties moeten de waarde van herbruikbare civieltechnische activa bepalen aan de hand van de wettelijk voorgeschreven boekwaarde, zonder de cumulatieve afschrijvingen op het tijdstip van de berekening en geïndexeerd op basis van een toepasselijke prijsindex, zoals de consumentenprijzenindex, waarbij gedurende een periode van ten minste 40 jaar volledig afgeschreven, maar nog gebruikte activa worden uitgesloten.

(188)  Bij het opleggen van verplichtingen voor de toegang tot nieuwe en betere infrastructuur moeten de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de toegang de omstandigheden weerspiegelen die aan het besluit tot investering ten grondslag lagen en onder meer rekening houden met de ontwikkelingskosten, de verwachte aanvaarding van de nieuwe producten en diensten en het verwachte prijsniveau voor de consument. Voorts moeten de nationale regelgevende instanties, om de investeerders zekerheid over hun planning te bieden, in staat zijn zo nodig voorwaarden voor de toegang vast te stellen die consistent zijn gedurende geschikte herzieningsperioden. Indien prijscontrole passend wordt geacht, kunnen die voorwaarden ook prijsafspraken inhouden die overeenkomstig het Unierecht afhangen van de omvang of duur van een contract, en mits deze niet discriminerend werken. Bij de opgelegde voorwaarden voor de toegang moet rekening worden gehouden met de noodzaak om daadwerkelijke concurrentie bij de dienstverlening aan consumenten en bedrijven in stand te houden.

(189)  Het verplicht opleggen van het verlenen van toegang tot de netwerkinfrastructuur kan verantwoord zijn als een middel om de concurrentie te vergroten, maar de nationale regelgevende instanties moeten de rechten van een infrastructuureigenaar om zijn infrastructuur te eigen bate te exploiteren afwegen tegen de rechten van andere diensten­aanbieders om toegang te krijgen tot faciliteiten die voor hen van essentieel belang zijn om concurrerende diensten te kunnen aanbieden.

(190)  Op markten waar in de toekomst een groter aantal toegangsnetwerken kan worden verwacht, is het waarschijnlijker dat eindgebruikers kunnen profiteren van verbeterde netwerkkwaliteit dankzij concurrentie op basis van de infrastructuur dan op markten waar slechts één netwerk beschikbaar is. De toereikendheid van de concurrentie en andere parameters, zoals prijzen en keuze, is waarschijnlijk afhankelijk van de nationale en lokale concurrentie-omstandigheden. Bij het beoordelen van de toereikendheid van de concurrentie met betrekking tot die parameters en de noodzaak van maatregelen van regelgevende aard, moeten de nationale regelgevende instanties ook rekening houden met de vraag of wholesaletoegang voor elke belangstellende onderneming op redelijke commerciële voorwaarden beschikbaar is, waardoor duurzame concurrentie-uitkomsten voor eindgebruikers op de retailmarkt mogelijk zijn. De toepassing van algemene voorschriften inzake mededinging op ▌ markten die worden gekenmerkt door duurzame en doeltreffende concurrentie op basis van infrastructuur, moet afdoende zijn.

(191)  Wanneer ondernemingen verplicht zijn om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, kunnen dergelijke verzoeken alleen afgewezen worden op basis van objectieve criteria als technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het netwerk te handhaven. In geval van weigering van toegang moet de benadeelde partij de zaak ter beslechting volgens de procedures krachtens deze richtlijn kunnen voorleggen. Van een onderneming met verplichtingen inzake machtiging tot toegang kan niet geëist worden dat zij vormen van toegang verleent die niet onder haar bevoegdheid vallen. Dat de nationale regelgevende instanties het verlenen van toegang verplicht stellen om op korte termijn de concurrentie te bevorderen, mag er niet toe leiden dat concurrenten minder gestimuleerd worden om te investeren in alternatieve faciliteiten die op langere termijn voor meer duurzame concurrentie of betere prestaties en meer voordelen voor de eindgebruiker zullen zorgen. De nationale regelgevende instanties zouden bij het kiezen van de minst ingrijpende regelgevende manier, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, bijvoorbeeld kunnen beslissen de verplichtingen te evalueren die zijn opgelegd aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en eerdere besluiten te wijzigen, onder meer door verplichtingen in te trekken of al dan niet nieuwe toegangsverplichtingen op te leggen indien dat in het belang is van de gebruikers en van duurzame dienstenconcurrentie. De nationale regelgevende instanties moeten de aanbieder of houders van een machtiging tot toegang overeenkomstig de wetgeving van de Unie technische en operationele voorwaarden kunnen stellen. Met name het opleggen van technische voorwaarden moet voldoen aan Richtlijn (EU) 2015/1535.

(192)  Prijscontrole kan noodzakelijk zijn wanneer uit de analyse van een specifieke markt blijkt dat er sprake is van inefficiënte concurrentie. Met name dienen ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zich ervan te onthouden zodanige prijzen te hanteren dat het verschil tussen hun detailprijzen en de interconnectieprijzen of toegangsprijzen die zij aanrekenen aan concurrenten die op detailhandelsniveau vergelijkbare diensten aanbieden, onvoldoende is om een duurzame concurrentie te waarborgen. Wanneer een nationale regelgevende instantie de kosten berekent die worden verricht om een dienst tot stand te brengen waarvoor krachtens deze richtlijn een machtiging is verleend, is het wenselijk een redelijke opbrengst toe te staan uit het geïnvesteerde kapitaal, met inbegrip van relevante arbeidskosten en bouwkosten, indien nodig na aanpassing van de waarde van het kapitaal aan de actuele waarde van de activa en de efficiëntie van de bedrijfsvoering. De methode voor het terugverdienen van de kosten moet aangepast zijn aan de omstandigheden, rekening houdend met de noodzaak om efficiëntie, duurzame concurrentie en de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit te bevorderen en daardoor de voordelen voor de eindgebruikers te maximaliseren, waarbij de noodzaak van voorspelbare en stabiele wholesaleprijzen ten behoeve van alle exploitanten die beogen nieuwe en verbeterde netwerken te implementeren in acht moet worden genomen, overeenkomstig Aanbeveling 2013/466/EU van de Commissie(39).

(193)  Aangezien onzeker is hoe snel de vraag naar de levering van breedbanddiensten van de volgende generatie toeneemt, is het vanuit het oogpunt van de bevordering van efficiënte investeringen en innovatie van belang dat dergelijke exploitanten die in nieuwe of gemoderniseerde netwerken investeren over een bepaalde mate van flexibiliteit wat betreft prijsstelling beschikken. De nationale regelgevende instanties moeten ertoe kunnen besluiten om voor netwerken van de nieuwe generatie gereguleerde wholesaletoegangsprijzen in stand te houden of er geen op te leggen, indien de mededinging voldoende gewaarborgd is. Meer bepaald om buitensporige prijzen te voorkomen op markten met ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, dient flexibiliteit wat betreft prijsstelling vergezeld te gaan van aanvullende waarborgen ter bescherming van de concurrentie en de belangen van de eindgebruiker, zoals strikte verplichtingen inzake niet-discriminatie, maatregelen ter waarborging van de technische en economische repliceerbaarheid van downstreamproducten, en een aantoonbare retailprijsbeperking als gevolg van concurrentie op infrastructuurgebied of een prijsanker dat afkomstig is van andere gereguleerde toegangsproducten, of beide. Die waarborgen voor de concurrentie doen geen afbreuk aan het vaststellen door de nationale regelgevende instanties van andere omstandigheden waarin het passend zou zijn geen gereguleerde toegangsprijzen voor bepaalde wholesale-inputs op te leggen, bijvoorbeeld wanneer het door een grote mate van prijselasticiteit van de vraag van eindgebruikers voor de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht niet winstgevend is om prijzen te berekenen die aanzienlijk boven het concurrerende niveau liggen of wanneer een lage bevolkingsdichtheid de prikkels voor de ontwikkeling van netwerken met zeer hoge capaciteit reduceert en de nationale regelgevende instantie constateert dat er door middel van uit hoofde van deze richtlijn opgelegde verplichtingen is gezorgd voor doeltreffende en niet-discriminerende toegang.

(194)  Wanneer een nationale regelgevende instantie de invoering van een kostentoerekenings­systeem verplicht stelt met het oog op prijscontrole, moet zij een jaarlijkse controle kunnen uitvoeren om te garanderen dat het kostentoerekeningssysteem wordt nageleefd als zij daartoe over het nodige gekwalificeerde personeel beschikt, of moet zij die controle kunnen laten uitvoeren door een andere gekwalificeerde instantie die onafhankelijk is van de betrokken onderneming.

(195)  Het tariferingsysteem in de Unie is gebaseerd op Calling Party Network Pays. Uit een analyse van de substitueerbaarheid aan de vraag- en de aanbodzijde blijkt dat er momenteel en in de nabije toekomst geen substituten op wholesaleniveau zijn waardoor de vaststelling van de tarieven voor afgifte in een bepaald netwerk zou kunnen worden beperkt. Gelet op het feit dat afgiftemarkten toegankelijk zijn vanuit twee richtingen vormt ook kruissubsidiëring tussen exploitanten een potentieel concurrentieprobleem. Dat potentiële concurrentieprobleem kan zich voordoen bij zowel vaste als mobiele gespreks­afgiftemarkten. Omdat het in het belang van de exploitanten van gespreksafgifte is om de prijzen vast te stellen op een niveau dat ver boven de kosten ligt, wordt kostenoriëntatie beschouwd als de meest geschikte oplossing op middellange termijn. Toekomstige marktontwikkelingen kunnen de dynamiek van die markten in zoverre wijzigen dat regelgeving niet meer nodig is.

(196)  Teneinde de regeldruk bij het aanpakken van de concurrentieproblemen in verband met wholesalegespreksafgifte in de hele Unie consistent te verlagen, dient de Commissie door middel van een gedelegeerde handeling één enkel maximumtarief voor gespreksafgifte voor mobiele diensten en één enkel maximumtarief voor gespreksafgifte voor vaste diensten vast te stellen die in de hele Unie gelden.

(197)  Met deze richtlijn moeten gedetailleerde criteria en parameters worden vastgesteld op basis waarvan de waarden van gespreksafgiftetarieven worden bepaald. De gespreksafgiftetarieven zijn in de hele Unie consistent gedaald en zullen naar verwachting nog verder dalen. Wanneer de Commissie in de eerste gedelegeerde handeling die zij krachtens deze richtlijn vaststelt, de maximale afgiftetarieven bepaalt, dient zij eventuele ongerechtvaardigde uitzonderlijke nationale afwijkingen van die trend niet in overweging te nemen.

(198)  Aangezien momenteel onzeker is hoe snel de vraag naar breedbanddiensten met een zeer hoge capaciteit toeneemt, en wanneer algemene schaal- en dichtheidsvoordelen zich voordoen, bieden overeenkomsten inzake mede-investeringen significante voordelen wat betreft het bundelen van kosten en risico's, waardoor kleinere ondernemingen in staat zijn op in economisch opzicht rationele voorwaarden te investeren, zodat duurzame concurrentie op lange termijn wordt bevorderd, onder meer in gebieden waar concurrentie op basis van infrastructuur wellicht niet efficiënt is. Die mede-investeringen kunnen verschillende vormen aannemen, waaronder mede-eigendom van netwerkactiva of langetermijn­risicodeling door medefinanciering of door koopovereenkomsten. In dat verband brengen koopovereenkomsten die mede-investeringen vormen, de verwerving mee van specifieke rechten op capaciteit van structurele aard, die een zekere mate van medezeggenschap inhouden en mede-investeerders in staat stellen daadwerkelijk en duurzaam op lange termijn te concurreren op downstreammarkten waar de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht, actief is. Commerciële overeenkomsten inzake toegang die beperkt zijn tot het huren van capaciteit, leiden daarentegen niet tot die rechten en mogen derhalve niet als mede-investeringen te worden beschouwd.

(199)  Wanneer een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden een aanbieding doet om mede te investeren in netwerken met ▌zeer hoge capaciteit die tot aan de gebouwen van de eindgebruiker of het basisstation uit optische-vezelcomponenten bestaan, en daarbij ondernemingen van verschillende omvang en financiële capaciteit de kans biedt mede-investeerders in infrastructuur te worden, moet de nationale regelgevende instantie de mogelijkheid hebben af te zien van het opleggen van verplichtingen krachtens deze richtlijn aan het nieuwe netwerk met zeer hoge capaciteit indien ten minste één potentiële mede-investeerder een mede-investeringsovereenkomst heeft gesloten met die onderneming. Wanneer een nationale regelgevende instantie besluit een aanbieding inzake mede-investering die niet tot een overeenkomst heeft geleid, bindend te maken, en besluit geen aanvullende regelgevingsverplichtingen op te leggen, kan zij dat doen, op voorwaarde dat de overeenkomst wordt gesloten voordat de dereguleringsmaatregel van kracht wordt. Indien het technisch niet haalbaar is optische-vezelcomponenten tot aan de gebouwen van de eindgebruiker uit te rollen, moeten netwerken met zeer hoge capaciteit bestaande uit optische-vezelcomponenten tot in de onmiddellijke nabijheid van, dat wil zeggen net buiten, die gebouwen, van dezelfde regelgevende behandeling kunnen genieten.

(200)  Wanneer wordt beslist af te zien van het opleggen van verplichtingen, dient de nationale regelgevende instantie dergelijke stappen te ondernemen nadat zij zich ervan heeft vergewist dat de aanbiedingen betreffende mede-investering in overeenstemming zijn met de toepasselijke criteria en te goeder trouw zijn gedaan. De verschillende regelgevende behandeling van nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit moet in daaropvolgende marktanalyses worden geëvalueerd, waarna, met name na verloop van enige tijd, de regelgevende behandeling mogelijk moet worden aangepast. In naar behoren gemotiveerde omstandigheden moeten de nationale regelgevende instanties verplichtingen voor zulke nieuwe netwerkelementen kunnen opleggen als zij vaststellen dat bepaalde markten door het ontbreken van regelgevingsinterventie met aanzienlijke mededingingsproblemen te maken zouden krijgen. Met name zouden de nationale regelgevende instanties, wanneer er meerdere downstreammarkten zijn die niet dezelfde mate van mededinging hebben bereikt, specifieke asymmetrische oplossingen kunnen verlangen om daadwerkelijke concurrentie te bevorderen, bijvoorbeeld, maar niet beperkt tot, nicheretailmarkten, zoals elektronischecommunicatieproducten voor zakelijke eindgebruikers. Om het concurrentievermogen van de markten te handhaven, dienen de nationale regelgevende instanties ook de rechten te waarborgen van toegangvragende partijen die niet deelnemen aan een bepaalde mede-investering. Dat moet worden bewerkstelligd door de handhaving van bestaande toegangsproducten of, wanneer na verloop van tijd legacy-netwerk­elementen buiten bedrijf worden gesteld, door het opleggen van toegangsproducten met ten minste een vergelijkbare functionaliteit en kwaliteit als de voorheen via de legacy-infrastructuur beschikbare toegangsproducten, in beide gevallen behoudens een geschikt aanpasbaar mechanisme dat door de nationale regelgevende instantie is gevalideerd en de prikkels voor mede-investeerders niet ondermijnt.

(201)  Met het oog op consistentere regelgevingspraktijken in de Unie moet de Commissie, indien de nationale regelgevende instanties tot de conclusie zijn gekomen dat aan de voorwaarden van de aanbieding betreffende mede-investering is voldaan, van de nationale regelgevende instantie kunnen verlangen dat deze haar ontwerpmaatregelen intrekt, hetzij door geen verplichtingen op te leggen hetzij door regelgevende verplichtingen op te leggen teneinde aanzienlijke mededingingsproblemen aan te pakken, wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie over de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Unierecht en met name de regelgevingsdoelstellingen van deze richtlijn deelt. Ten behoeve van de efficiëntie moet een nationale regelgevende instantie bij de Commissie één enkele kennisgeving betreffende een ontwerpmaatregel kunnen indienen die betrekking heeft op een mede-investeringsregeling die voldoet aan de relevante voorwaarden. Indien de Commissie geen gebruik maakt van haar bevoegdheid om de intrekking van de ontwerpmaatregel te verlangen, zou het onevenredig zijn de daaropvolgende vereenvoudigde kennisgevingen van individuele ontwerpbesluiten van de nationale regelgevende instantie op basis van dezelfde regeling, die bovendien bewijs bevatten van de daadwerkelijke sluiting van een overeenkomst met ten minste één mede-investeerder, te onderwerpen aan een besluit waarbij de intrekking wordt verlangd als de omstandigheden niet gewijzigd zijn. Voorts blijven de verplichtingen die uit hoofde van deze richtlijn of Richtlijn 2014/61/EU aan ondernemingen worden opgelegd, ongeacht of ze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, van toepassing. Verplichtingen in verband met mede-investeringsovereenkomsten laten de toepassing van het Unierecht onverlet.

(202)  Met functionele scheiding waarbij een verticaal geïntegreerde onderneming operationeel gescheiden bedrijfseenheden moet oprichten, wil men bewerkstelligen dat alle downstreamexploitanten, met inbegrip van de eigen downstreamafdelingen van de verticaal geïntegreerde exploitant, volledig gelijkwaardige toegangsproducten kunnen worden geleverd. Met functionele scheiding kan de concurrentie in verschillende relevante markten worden verbeterd door discriminatie minder aantrekkelijk te maken en door het makkelijker te maken om na te gaan of de niet-discriminatieverplichtingen worden nageleefd en door hierop toezicht te houden. In uitzonderlijke gevallen moet zulke scheiding kunnen worden toegestaan als instrument wanneer men er maar niet in slaagt binnen een redelijke termijn in verschillende markten een situatie te verwezenlijken waarin geen discriminatie plaatsvindt en waar geen of weinig vooruitzicht is op concurrentie op infrastructuurgebied en men reeds een beroep heeft gedaan op een of meer andere maatregelen die eerder geschikt werden geacht. Het is uiterst belangrijk ervoor te zorgen dat met het opleggen van dit instrument de prikkels van de onderneming in kwestie om te investeren in haar netwerk niet worden weggenomen en negatieve gevolgen te voorkomen voor het welzijn van de consument. Het opleggen van functionele scheiding vereist een gecoördineerde analyse van verschillende relevante markten die verband houden met het toegangsnetwerk, in overeenstemming met de marktanalyseprocedure. Bij het uitvoeren van de marktanalyse en het bepalen van de details van de maatregel moeten de nationale regelgevende instanties met name aandacht besteden aan de producten die door de afzonderlijke bedrijfseenheden worden beheerd, rekening houdend met de uitrol van de netwerken en de mate van technologische vooruitgang, die van invloed kunnen zijn op de substitueerbaarheid van vaste en draadloze diensten. Om verstoring van de concurrentie op de interne markt te vermijden is voorafgaande goedkeuring van de voorstellen voor functionele scheiding door de Commissie vereist.

(203)  De tenuitvoerlegging van functionele scheiding belet niet dat er passende coördinatie­mechanismen zijn tussen de afzonderlijke bedrijfseenheden om er voor te zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheertoezicht beschermd worden.

(204)  Wanneer een verticaal geïntegreerde onderneming een groot deel of alle plaatselijke toegangsnetwerkactiva wil onderbrengen in een afzonderlijk rechtspersoon met een andere eigenaar of door een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten die zich bezighoudt met toegangsproducten, moet de nationale regelgevende instantie nagaan welk effect de beoogde transactie, inclusief alle door die onderneming aangeboden afspraken inzake toegang, heeft op de bestaande regelgevingsverplichtingen die zijn opgelegd aan de verticaal geïntegreerde onderneming om ervoor te zorgen dat eventuele nieuwe regelingen verenigbaar zijn met deze richtlijn. De desbetreffende nationale regelgevende instantie moet een nieuwe analyse uitvoeren van de markten waarop de gescheiden eenheid actief is en dienovereenkomstig verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken. Daartoe moet de nationale regelgevende instantie de onderneming kunnen verzoeken informatie te verstrekken.

(205)   Het is momenteel op sommige markten al mogelijk dat de ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht als onderdeel van de marktanalyse afspraken kunnen aanbieden die erop gericht zijn de door de nationale regelgevende instantie geconstateerde mededingingsproblemen aan te pakken en waarmee de nationale regelgevende instantie dan rekening houdt bij het besluit inzake passende regelgevingsverplichtingen. Bij het besluit inzake de meest passende corrigerende maatregelen moet rekening worden gehouden met eventuele nieuwe marktontwikkelingen. Onverminderd de bepalingen betreffende de regelgevende behandeling van mede-investeringen vormt de aard van de aangeboden afspraken op zich echter geen beperking voor de discretionaire bevoegdheid die aan de nationale regelgevende instantie is verleend om maatregelen te nemen ten aanzien van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht. Teneinde de transparantie te verhogen en rechtszekerheid in de hele Unie te verschaffen, moet deze richtlijn voorzien in de procedure aan de hand waarvan afspraken door ondernemingen worden aangeboden en door nationale regelgevende instanties worden beoordeeld, rekening houdend met de standpunten van de marktdeelnemers door middel van een markttoets, en aan de hand waarvan die afspraken in voorkomend geval bindend kunnen worden gemaakt voor de betrokken onderneming en door de nationale regelgevende instantie afdwingbaar zijn. Tenzij de nationale regelgevende instantie afspraken betreffende mede-investeringen bindend heeft gemaakt en zij beslist heeft geen verplichtingen op te leggen, doet die procedure geen afbreuk aan de toepassing van de marktanalyse, noch aan de verplichting passende en evenredige corrigerende maatregelen op te leggen ter remediëring van de geconstateerde markttekortkoming.

(206)  De nationale regelgevende instanties moeten de afspraken geheel of gedeeltelijk bindend kunnen maken voor een specifieke periode die niet langer mag zijn dan de periode waarvoor ze zijn aangeboden, na een markttoets te hebben verricht door middel van een openbare raadpleging van belanghebbenden. Indien de afspraken bindend zijn gemaakt, moet de nationale regelgevende instantie met de gevolgen van dit besluit rekening houden in haar marktanalyse en deze in overweging nemen bij de keuze van de meest passende regelgevingsmaatregelen. De nationale regelgevende instanties dienen de tot stand gekomen afspraken te beschouwen vanuit een toekomstgericht oogpunt van duurzaamheid, met name wanneer zij de periode bepalen waarvoor deze bindend worden gemaakt, en zij dienen rekening te houden met de waarde die de belanghebbenden tijdens de openbare raadpleging hebben gehecht aan stabiele en voorspelbare markt­omstandigheden. Bindende afspraken in het kader van vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meer relevante markten, kunnen zorgen voor voorspelbaarheid en transparantie, doordat het proces van de uitvoering van de beoogde scheiding wordt geschetst, bijvoorbeeld in de vorm van een stappenplan voor de uitvoering met duidelijke mijlpalen en voorspelbare consequenties indien bepaalde mijlpalen niet worden bereikt.

(207)  De afspraken kunnen de aanwijzing van een monitoring trustee omvatten, wiens identiteit en mandaat moeten worden goedgekeurd door de nationale regelgevende instantie, alsmede de verplichting voor de onderneming die de afspraken aanbiedt om op gezette tijden uitvoeringsverslagen te verstrekken.

(208)  Eigenaren van netwerken ▌ waarvan het bedrijfsmodel is ▌beperkt tot het aanbieden van wholesalediensten aan anderen, kunnen een gunstige invloed hebben op de totstandbrenging van een bloeiende wholesalemarkt, hetgeen positieve effecten heeft op de retailconcurrentie downstream. Voorts kan hun bedrijfsmodel aantrekkelijk zijn voor potentiële investeerders in minder vluchtige infrastructuuractiva, met perspectieven op de langere termijn betreffende de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit. De aanwezigheid van een onderneming die uitsluitend op de wholesalemarkt actief is, heeft echter niet per se daadwerkelijk concurrerende retailmarkten tot gevolg, en ondernemingen die uitsluitend op de wholesalemarkt actief zijn kunnen worden aangemerkt als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, met name op productmarkten en geografische markten. Bepaalde concurrentierisico's die voortvloeien uit het gedrag van ondernemingen met uitsluitend op wholesalemarkten gerichte bedrijfsmodellen kunnen kleiner zijn dan bij verticaal geïntegreerde ondernemingen, mits het bedrijfsmodel daadwerkelijk uitsluitend op wholesalemarkten is gericht en er geen stimulansen zijn om te discrimineren tussen downstreamaanbieders. De reactie van regelgevende aard moet daarom in evenredige mate minder ingrijpend zijn, maar de mogelijkheid om verplichtingen met betrekking tot een eerlijke en redelijke prijsstelling in te voeren, moet worden behouden. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties kunnen ingrijpen indien zich concurrentieproblemen voordoen waaronder de eindgebruikers te lijden hebben. Een op wholesalemarkten actieve onderneming die alleen retaildiensten levert aan bedrijven die groter zijn dan kleine en middelgrote ondernemingen, moet worden beschouwd als een uitsluitend op wholesalemarkten actieve onderneming.

(209)  Om de migratie van legacy-kopernetwerken naar netwerken van de volgende generatie te vergemakkelijken, hetgeen in het belang van de eindgebruiker is, moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn om toezicht te houden op de initiatieven die netwerkexploitanten op dit gebied ontplooien, en om, indien vereist, de voorwaarden voor een passend migratieproces vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van voorafgaande kennisgeving, transparantie en beschikbaarheid van alternatieve toegangsproducten van ten minste vergelijkbare kwaliteit, zodra de eigenaar van het netwerk zijn voornemen en bereidheid ▌om over te schakelen naar opgewaardeerde netwerken heeft aangetoond. Teneinde ongerechtvaardigde vertragingen met betrekking tot de migratie te voorkomen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben toegangs­verplichtingen in verband met het kopernetwerk in te trekken zodra een adequaat migratieproces is vastgesteld en de inachtneming van de voorwaarden en het proces voor de migratie van legacy-infrastructuur is gewaarborgd. Netwerkeigenaars moeten legacy-netwerken echter buiten bedrijf kunnen stellen. Toegangvragende partijen die migreren van toegangsproducten op basis van een legacy-infrastructuur naar een toegangsproduct op basis van een geavanceerdere technologie of geavanceerder medium, moeten, indien zij dit wensen, hun toegang kunnen opwaarderen naar om het even welk gereguleerd product met een hogere capaciteit, maar mogen hier niet toe worden verplicht. In het geval van een opwaardering moeten toegangvragende partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor toegang tot een toegangsproduct met een hogere capaciteit, zoals door de nationale regelgevende instanties in de marktanalyse is vastgesteld.

(210)  De liberalisering van de telecommunicatiesector en de toenemende concurrentie en keuzemogelijkheden op het gebied van communicatiediensten gaan hand in hand met een parallelle actie tot invoering van een geharmoniseerd regelgevingskader dat de levering van de universele dienst moet garanderen. Het concept van de universele dienst moet evolueren teneinde gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang, de marktontwikkelingen en de veranderingen in de behoeften van de gebruiker.

(211)  Krachtens artikel 169 VWEU moet de Unie bijdragen tot de bescherming van de consument.

(212)  Universele dienstverlening is een vangnet waarmee wordt gewaarborgd dat ten minste de reeks minimumdiensten beschikbaar is voor alle eindgebruikers en tegen een betaalbare prijs voor consumenten, aangezien het risico op sociale uitsluiting door het ontbreken van dergelijke toegang ertoe kan leiden dat burgers op sociaal en economisch vlak niet volledig aan de maatschappij kunnen deelnemen.

(213)  Basisbreedbandinternettoegang is nagenoeg universeel beschikbaar in de hele Unie en wordt op zeer grote schaal gebruikt voor uiteenlopende activiteiten. Het algehele gebruikspercentage blijft echter achter bij de beschikbaarheid, aangezien er nog steeds burgers zijn die geen aansluiting hebben omdat zij niet zijn ingelicht, vanwege de kosten en het ontbreken van de nodige vaardigheden, en omdat zij daarvoor hebben gekozen. Betaalbare adequate breedbandinternettoegang is momenteel van cruciaal belang voor de maatschappij en de economie in bredere zin. Het biedt de basis voor deelname aan de digitale economie en maatschappij door middel van essentiële online-internetdiensten.

(214)  Een fundamentele eis die aan de universele dienst moet worden gesteld, is dat wordt gewaarborgd dat alle consumenten tegen een betaalbare prijs toegang hebben tot beschikbare adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, ▌ op een vaste locatie. De lidstaten moeten ook over de mogelijkheid beschikken om te zorgen voor de betaalbaarheid van adequate breedbandinternettoegangs- en spraak­communicatiediensten die niet op een vaste locatie, ▌maar aan burgers die zich verplaatsen worden aangeboden, wanneer zij dit nodig achten om te waarborgen dat consumenten sociaal en economisch volledig aan de samenleving kunnen deelnemen. In dat verband moet er in het bijzonder op worden toegezien dat eindgebruikers met een handicap gelijkwaardige toegang hebben. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de aansluiting wordt gerealiseerd, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien van de categorie aanbieders die alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.

(215)  De snelheid van de toegang tot internet voor een willekeurige gebruiker kan afhankelijk zijn van een aantal factoren, zoals van de aanbieders van internettoegang alsmede van de specifieke toepassing waarvoor een aansluiting wordt gebruikt. Het is aan de lidstaten om, rekening houdend met het Berec-verslag over beste praktijken, adequate breedbandinternettoegang te definiëren op basis van de nationale omstandigheden en van de minimumbandbreedte waarover de meerderheid van de consumenten op het grondgebied van een lidstaat beschikt, teneinde een passend niveau van sociale inclusie en participatie in de digitale economie en maatschappij op hun grondgebied mogelijk te maken. De betaalbare adequate breedbandinternettoegangsdienst moet toereikende bandbreedte hebben om toegang tot en gebruik van ten minste een minimumreeks basisdiensten te ondersteunen die overeenkomen met de diensten die worden gebruikt door de meerderheid van de eindgebruikers. Daartoe moet de Commissie ontwikkelingen in het gebruik van het internet monitoren om te bepalen welke onlinediensten door de meerderheid van eindgebruikers in de hele Unie worden gebruikt en die nodig zijn voor de sociale en economische participatie aan de samenleving, en de lijst dienovereenkomstig actualiseren. De eisen van het Unierecht inzake open-internettoegang, met name van Verordening (EU) 2015/2120, moeten van toepassing zijn op elke adequate breedbandinternettoegangsdienst.

(216)  Consumenten mogen niet worden verplicht om gebruik te maken van diensten die zij niet wensen, en daarom moeten de desbetreffende consumenten de mogelijkheid hebben om de betaalbare universele dienst op verzoek te beperken tot spraakcommunicatiediensten.

(217)  De lidstaten moeten maatregelen inzake betaalbaarheid en maatregelen inzake controle van de uitgaven kunnen uitbreiden tot micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, mits zij aan de toepasselijke voorwaarden voldoen.

(218)  De nationale regelgevende instanties moeten, in samenspraak met andere bevoegde instanties, de evolutie en het niveau van de retailtarieven voor diensten die binnen de werkingssfeer van de universeledienstverplichtingen vallen, kunnen monitoren. Die monitoring moet zo plaatsvinden dat hierdoor geen bovenmatige administratieve lasten aan de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties of aan aanbieders van die diensten worden opgelegd.

(219)  Een betaalbare prijs betekent een prijs die de lidstaten op nationaal niveau bepalen in het licht van specifieke nationale omstandigheden. Wanneer lidstaten concluderen dat de retailprijzen voor adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatie­diensten niet betaalbaar zijn voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, met inbegrip van ouderen, eindgebruikers met een handicap en consumenten die in plattelands- of geografisch geïsoleerde gebieden wonen, moeten zij passende maatregelen nemen. Daartoe zouden de lidstaten die consumenten directe steun voor communicatiedoeleinden kunnen verlenen, die deel zou kunnen uitmaken van de sociale toelagen, of de vorm kan aannemen van vouchers voor of rechtstreekse betalingen aan die consumenten. Dit kan een geschikt alternatief vormen, gelet op de noodzaak om verstoringen van de markt tot een minimum te beperken. In de plaats van of in aanvulling op die maatregelen zouden de lidstaten van alle aanbieders van zulke diensten kunnen verlangen dat zij basistariefopties of -pakketten aan die consumenten aanbieden.

(220)  Betaalbaarheid verzekeren kan speciale tariefopties of pakketten behelzen die zijn afgestemd op de behoeften van gebruikers met een laag inkomen of gebruikers met bijzondere sociale behoeften ▌. Die aanbiedingen moeten met basiskenmerken worden gedaan, om te voorkomen dat de marktwerking wordt verstoord. Voor consumenten moet betaalbaar­heid gebaseerd zijn op hun recht om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder, de beschik­baarheid van een nummer, de blijvende verbinding van de dienst en hun vermogen om hun uitgaven te controleren en te beheersen.

(221)  Wanneer een lidstaat aanbieders ertoe verplicht consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften tariefopties of pakketten aan te bieden die verschillend zijn van die welke onder normale commerciële voorwaarden worden aangeboden, moeten die tariefopties of pakketten door alle aanbieders van internettoegangs- en spraak­communicatiediensten worden aangeboden. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel mag het feit dat alle aanbieders van internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten ertoe verplicht worden tariefopties of pakketten aan te bieden, niet leiden tot overmatige administratieve of financiële lasten voor die aanbieders of lidstaten. Wanneer een lidstaat op basis van een objectieve beoordeling zulke overmatige administratieve of financiële lasten aantoont, kan hij bij wijze van uitzondering besluiten dat de ver­plichting om speciale tariefopties of pakketten aan te bieden, alleen aan aangewezen aanbieders wordt opgelegd. In de objectieve beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de voordelen die voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften voortvloeien uit het feit dat zij een aanbieder kunnen kiezen, alsmede met de voordelen die voor alle aanbieders voortvloeien uit het feit dat zij universele­dienstaanbieders kunnen zijn. Wanneer een lidstaat bij wijze van uitzondering besluit dat de verplichting om speciale tariefopties of pakketten aan te bieden, alleen aan aangewezen aanbieders wordt opgelegd, moeten zij ervoor zorgen dat consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften een keuze kunnen maken tussen aanbieders die sociale tarieven aanbieden. In bepaalde situaties kunnen de lidstaten wellicht echter geen keuze aan aanbieders garanderen, bijvoorbeeld wanneer slechts één onderneming diensten aanbiedt in het woongebied van de begunstigde, of wanneer het bieden van een keuze overmatige bijkomende organisatorische en financiële lasten voor de lidstaten met zich zou brengen.

(222)  De betaalbaarheid mag voor consumenten niet langer een obstakel zijn om toegang te krijgen tot het minimumpakket van connectiviteitsdiensten. Het recht om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder, moet betekenen dat consumenten die te maken zouden kunnen krijgen met afwijzing, in het bijzonder die met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, de mogelijkheid moeten hebben om een overeenkomst te sluiten voor de levering van betaalbare adequate breedbandinternettoegangs- en spraak­communicatiediensten, ten minste op een vaste locatie met een aanbieder die dergelijke diensten verleent op die locatie of met een aangewezen aanbieder, wanneer een lidstaat bij wijze van uitzondering heeft besloten een of meer aanbieders aan te wijzen voor het aanbieden van die tariefopties of pakketten. Om de financiële risico’s, zoals niet-betaling van rekeningen, tot een minimum te beperken, moeten aanbieders vrij zijn om de over­eenkomst aan te bieden onder voorafbetalingsvoorwaarden, op basis van betaalbare individuele vooraf betaalde eenheden.

(223)  Om ervoor te zorgen dat burgers bereikbaar zijn via spraakcommunicatiediensten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een nummer beschikbaar is voor een redelijke termijn, ook tijdens perioden waarin de spraakcommunicatiediensten niet worden gebruikt. Aanbieders moeten de mogelijkheid hebben om mechanismen in te stellen om na te gaan of de consument nog steeds geïnteresseerd is in de beschikbaarheid van het nummer.

(224)  Het vergoeden van de aanbieders die onder zulke omstandigheden in dergelijke diensten voorzien, hoeft niet tot concurrentieverstoring te leiden indien de specifieke nettokosten van dergelijke aanbieders worden vergoed en de nettolast gecompenseerd wordt op een uit mededingingsoogpunt neutrale wijze.

(225)  Om de behoefte aan maatregelen inzake betaalbaarheid te kunnen beoordelen, moeten de nationale regelgevende instanties, in onderlinge samenspraak met andere bevoegde instanties, toezicht kunnen houden op de ontwikkelingen en details van de aangeboden tariefopties of pakketten voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften.

(226)  De lidstaten moeten maatregelen nemen om te bevorderen dat een markt ontstaat voor betaalbare producten en diensten, met functies voor consumenten met een handicap, inclusief uitrusting met hulptechnologie. Dat is onder meer mogelijk door verwijzing naar Europese normen, of door ondersteuning van de uitvoering van eisen uit hoofde van het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten moeten geschikte maatregelen introduceren overeenkomstig de nationale situatie, wat hun de flexibiliteit geeft om specifieke maatregelen te nemen, bijvoorbeeld wanneer de markt geen betaalbare producten en diensten levert met functies voor consumenten met een handicap in normale economische omstandigheden. Die maatregelen kunnen directe financiële steun aan eindgebruikers omvatten. De kosten van bemiddelingsdiensten voor consumenten met een handicap moeten overeen­stemmen met de gemiddelde kosten van spraakcommunicatiediensten.

(227)  Bemiddelingsdiensten zijn diensten die mogelijk maken dat zich ver uit elkaar bevindende eindgebruikers van verschillende communicatiewijzen (bijvoorbeeld tekst, gebarentaal, spraak) in beide richtingen kunnen communiceren door omzetting van de ene naar de andere communicatiewijze aan te bieden, doorgaans door een menselijke ingreep. Realtimetekst wordt overeenkomstig het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten gedefinieerd en heeft betrekking op een vorm van schriftelijke conversatie tussen twee punten of in meerpuntenconferenties, waarbij de ingevoerde tekst op zodanige wijze wordt verzonden dat het bericht door de gebruiker wordt ervaren als doorlopend en letter per letter tot stand komend.

(228)  Voor datacommunicatie met datasnelheden die toereikend zijn voor een adequate breedbandinternettoegang zijn vaste aansluitingen bijna universeel beschikbaar en ze worden gebruikt door een meerderheid van de burgers van de Unie. In 2015 was er voor 97 % van de woningen standaard breedbanddekking en -beschikbaarheid in de Unie, met een gemiddelde benuttingsgraad van 72 %, en de diensten op basis van draadloze technologieën hebben zelfs nog een groter bereik. Er zijn echter verschillen tussen de lidstaten wat betreft de beschikbaarheid en betaalbaarheid van vaste breedband in stedelijke en plattelandsgebieden.

(229)  De markt heeft een belangrijke rol te vervullen bij het waarborgen van de beschikbaarheid van toegang tot breedbandinternet met voortdurend toenemende capaciteit. In gebieden waar de markt dat niet doet, lijken andere publieke beleidsinstrumenten ter bevordering van de beschikbaarheid van adequate breedbandinternettoegangsverbindingen in beginsel kosteneffectiever en minder marktverstorend dan universeledienstverplichtingen, bijvoor­beeld het aanwenden van financiële instrumenten, zoals die welke beschikbaar zijn in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, het gebruik van publieke financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, het verbinden van dekkingsverplichtingen aan gebruiksrechten voor radiospectrum ter ondersteuning van de uitrol van breedband­netwerken in minder dichtbevolkte gebieden en overheidsinvesteringen in overeen­stemming met de staatssteunregels van de Unie.

(230)  Als, na een gepaste beoordeling, rekening houdend met de resultaten van het geografisch onderzoek van de netwerkuitrol door de bevoegde instantie, of met de meest recente informatie waarover de lidstaten beschikken voordat de resultaten van het eerste geografische onderzoek beschikbaar zijn, blijkt dat waarschijnlijk noch de markt, noch mechanismen voor overheidsinterventie eindgebruikers in bepaalde gebieden zullen kunnen uitrusten met een verbinding die adequate breedbandinternettoegangs­dienst, zoals door de lidstaten gedefinieerd, en spraak­communicatie­diensten op een vaste locatie mogelijk maakt, moeten de lidstaten bij wijze van uit­zondering verschillende aanbieders of groepen aanbieders van die diensten kunnen aanwijzen in de verschillende relevante delen van het nationale grondgebied. Naast het geografische onderzoek moeten de lidstaten waar nodig een beroep kunnen doen op alle aanvullende onderbouwing waarmee zij kunnen vaststellen in hoeverre adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie beschikbaar zijn. Die aanvullende onderbouwing kan onder meer gegevens omvatten waarover de nationale regelgevende instanties beschikken in het kader van de markt­analyseprocedure en de gegevens van de gebruikers. De lidstaten moeten universeledienstverplichtingen ter ondersteuning van de beschikbaarheid van een adequate breedbandinternettoegangsdienst kunnen beperken tot de hoofdlocatie of verblijfplaats van de eindgebruiker. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie worden aangeboden, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien waarvan ondernemingen alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.

(231)  Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel is het aan de lidstaten om aan de hand van objectieve criteria te beslissen welke ondernemingen als universeledienstaanbieders worden aangewezen, waar nodig rekening houdend met de capaciteit en de bereidheid van die ondernemingen om alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan te aan­vaarden. Dit sluit niet uit dat de lidstaten in de aanwijzingsprocedure specifieke voor­waarden om redenen van doeltreffendheid kunnen opnemen, zoals het groeperen van geografische gebieden of componenten of een minimumperiode voor de aanwijzing.

(232)  De kosten voor het waarborgen van de beschikbaarheid van een verbinding waarmee een adequate breedbandinternettoegangsdienst zoals gedefinieerd overeenkomstig deze richtlijn en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie tegen een betaalbare prijs in het kader van de universeledienstverplichtingen kunnen worden geleverd, moeten worden geraamd, met name door de verwachte financiële lasten voor aanbieders en gebruikers in de elektronischecommunicatiesector te beoordelen.

(233)  A priori zullen eisen om dekking van het nationale territorium te waarborgen, die worden opgelegd in de aanwijzingsprocedure, waarschijnlijk bepaalde ondernemingen uitsluiten of ont­moedigen zich kandidaat te stellen als universeledienstaanbieders. Het aanwijzen van aanbieders met universeledienstverplichtingen voor een buitensporig lange of onbepaalde periode zou ook kunnen leiden tot een a priori uitsluiting van bepaalde aanbieders. Wanneer een lidstaat besluit een of meer aanbieders aan te wijzen om redenen van betaalbaarheid, moeten dat andere aanbieders kunnen zijn dan de aanbieders die zijn aan­gewezen voor het onderdeel beschikbaarheid van de universele dienst.

(234)  Wanneer een aanbieder die bij wijze van uitzondering is aangewezen om tariefopties of pakketten in te dienen die afwijken van wat er wordt aangeboden onder normale commerciële omstandigheden zoals gedefinieerd overeenkomstig deze richtlijn, of om te zorgen voor de beschikbaarheid op een vaste locatie van een adequate breedbandinternet­toegangsdienst of spraakcommunicatiediensten zoals gedefinieerd overeenkomstig deze richtlijn, tegen de achtergrond van zijn verplichting tot universele dienstverlening besluit om een aanzienlijk deel of het geheel van zijn netwerkactiva voor plaatselijke toegang op het nationale grondgebied af te staan aan een afzonderlijke rechtspersoon in ander eindeigendom, moet de bevoegde instantie de gevolgen van de transactie beoordelen om de continuïteit van de verplichtingen tot universele dienstverlening op het geheel of in delen van het nationale grondgebied te waarborgen. Te dien einde moet de bevoegde instantie die de verplichtingen tot universele dienstverlening heeft opgelegd, door de aanbieder op de hoogte worden gesteld vóór het afstaan. De beoordeling door de bevoegde instantie mag de afronding van de transactie niet in gevaar brengen.

(235)  Om te zorgen voor stabiliteit en een geleidelijke overgang mogelijk te maken, moeten de lidstaten kunnen blijven zorgen voor het aanbieden van andere universele diensten op hun grondgebied dan adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatie­diensten op een vaste locatie, die zijn opgenomen in de werkingssfeer van hun universeledienstverplichtingen op grond van Richtlijn 2002/22/EG op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, op voorwaarde dat die diensten of vergelijkbare diensten niet beschikbaar zijn onder normale commerciële omstandigheden. De mogelijkheid openbare betaaltelefoons te blijven aanbieden aan het grote publiek door gebruik van munten, krediet- of debetkaarten, of vooruitbetaalde telefoonkaarten, waaronder kaarten voor gebruik met netnummers, telefoongidsen en telefooninlichtingendiensten in het kader van de universele­dienstregeling, zolang de noodzaak daarvan blijft aangetoond, zou de lidstaten de nodige flexibiliteit geven om terdege rekening te houden met de uiteenlopende nationale omstandigheden. Dat kan inhouden dat er op belangrijke toegangspunten tot het land, zoals luchthavens of trein- en busstations, evenals op plekken die in noodgevallen door personen worden gebruikt, zoals ziekenhuizen, politiebureaus en noodlocaties langs de snelweg, wordt voorzien in openbare telefooncellen, zodat wordt voldaan aan de redelijke behoeften van eindgebruikers, met inbegrip van met name eindgebruikers met een handicap.

(236)  De lidstaten moeten de situatie van consumenten wat betreft hun gebruik van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten en met name ter zake van de betaalbaarheid blijven volgen. De betaalbaarheid van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten houdt verband met de informatie die de gebruikers ontvangen over de uitgaven voor het gebruik en de relatieve kosten van het gebruik in verhouding tot die van andere diensten, en houdt ook verband met hun vermogen om de uitgaven te beheersen. Betaalbaarheid betekent bijgevolg de consumenten rechten verlenen door verplichtingen op te leggen aan aanbieders. Die verplichtingen omvatten een bepaald niveau van detaillering van de rekeningen, de mogelijkheid voor consumenten tot selectieve nummerblokkering, zoals dure gesprekken met tariefnummers, tot beheersing van de uitgaven door middel van vooruitbetaling en tot compensatie van de voorafgaande aansluitkosten. Het kan nodig zijn die maatregelen te herzien en te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen. Gespecificeerde facturen over het gebruik van internettoegang mogen alleen het tijdstip, de duur en de omvang aangeven van het gebruik tijdens een gebruikssessie, maar niet de websites of interneteindpunten waarmee tijdens die sessie verbinding is gemaakt.

(237)  Behalve in het geval van aanhoudend te laat of niet betaalde rekeningen, dienen consumenten die recht hebben op betaalbare tarieven, in afwachting van een regeling van het geschil, te worden beschermd tegen onmiddellijke afsluiting van het netwerk op grond van een onbetaalde rekening en, met name bij een geschil over hoge rekeningen voor betaalnummers, dienen zij toegang te behouden tot essentiële spraak­communicatiediensten en een minimumdienstverleningsniveau van internettoegang zoals gedefinieerd door de lidstaten. De lidstaten moeten kunnen beslissen dat dergelijke toegang alleen gehandhaafd blijft indien de abonnee de huur van de lijn of de basisinternetkosten blijft betalen.

(238)  Wanneer het aanbieden van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten of het aanbieden van andere ▌diensten overeenkomstig deze richtlijn leidt tot een onredelijke last voor een aanbieder, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de kosten en inkomsten en met de immateriële voordelen van het aanbieden van de betrokken diensten, kan die onredelijke last worden opgenomen in de berekening van de nettokosten van universeledienstverplichtingen.

(239)  De lidstaten moeten, waar nodig, mechanismen voor het financieren van de nettokosten van universeledienstverplichtingen invoeren in gevallen waarin is aangetoond dat de verplichtingen alleen kunnen worden vervuld met verlies of tegen nettokosten die buiten normale commerciële normen vallen. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de nettokosten van universeledienstverplichtingen juist worden berekend en dat de financiering een zo gering mogelijk verstorend effect heeft op de markt en op ondernemingen, en verenigbaar is met de artikelen 107 en 108 VWEU.

(240)  Bij het berekenen van de nettokosten van universeledienstverplichtingen moet naar behoren rekening worden gehouden met kosten en inkomsten, alsmede met de immateriële voordelen van het aanbieden van de universele dienst, terwijl geen belemmering mag ontstaan voor het algemene streven naar prijsstructuren die een weergave van de kosten vormen. Nettokosten van universeledienstverplichtingen moeten aan de hand van transparante procedures worden berekend.

(241)  Onder rekening houden met alle immateriële voordelen wordt verstaan dat om de totale financiële kosten te bepalen de financiële raming van de indirecte voordelen die een onderneming ingevolge haar positie als universeledienstaanbieder geniet, moet worden afgetrokken van de rechtstreekse nettokosten van de universeledienstverplichtingen.

(242)  Ingeval een universeledienstverplichting een onredelijke last voor een aanbieder vormt, moeten de lidstaten regelingen voor een efficiënte dekking van de nettokosten kunnen invoeren. Het gebruik van overheidsmiddelen is één methode voor het dekken van de nettokosten van universeledienstverplichtingen. Een andere methode is het delen van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen tussen de aanbieders van elektronische­communicatienetwerken en -diensten. De lidstaten dienen in staat te zijn om de nettokosten van verschillende elementen van de universele dienst te financieren met behulp van verschillende regelingen of om de nettokosten van enkele of alle elementen te financieren door middel van een van de regelingen of een combinatie van beide. Adequate breedbandinternettoegang biedt niet alleen voordelen voor de sector elektronische communicatie maar ook voor de bredere online-economie en voor de samenleving als geheel. Het aanbieden van een verbinding ter ondersteuning van breedband­snelheden voor een groter aantal eindgebruikers, stelt hen in staat gebruik te maken van onlinediensten en op die manier actief deel te nemen aan de digitale maatschappij. Het waarborgen van dergelijke verbindingen op basis van universeledienst­verplichtingen dient zowel het publieke belang als de belangen van aanbieders van elektronische communicatie. Die feiten moeten door de lidstaten in aanmerking worden genomen bij het kiezen en ontwerpen van mechanismen voor dekking van de nettokosten.

(243)  In het geval van kostendekking door middel van het delen van de nettokosten van universeledienstverplichtingen tussen aanbieders van elektronischecommunicatie­netwerken en -diensten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de methode van toewijzing onder aanbieders op objectieve en niet-discriminerende criteria is gebaseerd en in over­eenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel belet niet dat lidstaten nieuwkomers kunnen vrijstellen zolang deze geen significante positie op de markt hebben verworven. De toegepaste financieringsregeling moet waarborgen dat de markt­partijen alleen bijdragen aan de financiering van universeledienstverplichtingen en niet aan andere activiteiten die niet direct samenhangen met het vervullen van universele­dienstverplichtingen. Het dekkingsmechanisme moet stroken met de beginselen van het Unierecht en, in het geval van een fonds voor gezamenlijke financiering, met de beginselen niet-discriminatie en evenredigheid. Een financierings­mechanisme moet waarborgen dat gebruikers in een lidstaat niet bijdragen aan kosten van het vervullen van universeledienstverplichtingen in een andere lidstaat. De nettokosten van de universeledienstverplichtingen moeten kunnen worden gedeeld door alle of specifieke groepen aanbieders. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de gezamenlijke financieringsregeling voldoet aan de beginselen transparantie, minimale verstoring van de markt, niet-discriminatie en evenredigheid. Onder minimale verstoring van de markt moet worden verstaan dat de bijdragen zo moeten worden geïnd dat de financiële gevolgen voor de eindgebruikers zo klein mogelijk zijn, bijvoorbeeld doordat de bijdragen zo veel mogelijk worden gespreid.

(244)  Aanbieders die gebruikmaken van een fonds voor de universele dienst moeten over de specifieke elementen die financiering behoeven, aan de nationale regelgevende instanties voldoende gedetailleerde informatie verschaffen om hun verzoek te verantwoorden. De regelingen van de lidstaten voor de kostenberekening en financiering van universeledienstverplichtingen worden ter kennis gebracht van de Commissie, die nagaat of deze verenigbaar zijn met het VWEU. De lidstaten moeten zorgen voor daadwerkelijke transparantie en controle op de bedragen die in rekening worden gebracht voor de financiering van universeledienstverplichtingen. De berekening van de nettokosten van het aanbieden van een universele dienst moet gebaseerd zijn op een objectieve en transparante methode teneinde te waarborgen dat de meest kosteneffectieve universele dienst wordt aangeboden en gelijke voorwaarden voor marktdeelnemers te bevorderen. Het vooraf, vóór de berekening, bekendmaken van de methode die wordt gebruikt om de nettokosten van de individuele universele dienst te berekenen, kan bijdragen tot een grotere transparantie.

(245)  De lidstaten mogen de marktdeelnemers geen financiële bijdragen opleggen die voortvloeien uit maatregelen die geen deel uitmaken van de universeledienstverplichtingen. Het staat elke lidstaat afzonderlijk vrij bijzondere maatregelen in te voeren (buiten de reikwijdte van universeledienstverplichtingen) en deze te financieren overeenkomstig het Unie­recht, maar niet door middel van bijdragen van de marktdeelnemers.

(246)  Met het oog op een doeltreffende ondersteuning van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen binnen de Unie, moet het mogelijk zijn gebruik te maken van bepaalde nationale nummervoorraden, met name bepaalde niet-geografische nummers, op extraterritoriale wijze, dat wil zeggen buiten het grondgebied van de toekennende lidstaat. Gelet op het aanzienlijke risico van fraude met betrekking tot interpersoonlijke communicatie, mag dergelijk extraterritoriaal gebruik uitsluitend worden toegestaan voor het aanbieden van andere elektronische­communicatie­diensten dan interpersoonlijke communicatiediensten. Handhaving van de toepasselijke nationale wetten, in het bijzonder de voorschriften inzake consumenten­bescherming en andere voorschriften inzake het gebruik van nummervoorraden, moet worden gewaarborgd door de lidstaten, ongeacht waar de gebruiksrechten zijn verleend en waar de nummers binnen de Unie worden gebruikt. De lidstaten blijven bevoegd om hun nationale wetgeving toe te passen op nummervoorraden die op hun grondgebied worden gebruikt, ook wanneer rechten zijn verleend in een andere lidstaat.

(247)  De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de lidstaten waar de nummervoorraden vanuit een andere lidstaat worden gebruikt, hebben geen gezag over die nummervoorraden. Het is dan ook van essentieel belang dat de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie van de lidstaat die de rechten van extraterritoriaal gebruik verleent, ook zorgt voor de doeltreffende bescherming van de eindgebruikers in de lidstaten waar die nummers worden gebruikt. Met het oog op de totstandbrenging van doeltreffende bescherming moet de nationale regelgevende instanties of een andere bevoegde instantie die rechten verlenen voor extraterritoriaal gebruik, ook voorwaarden stellen overeenkomstig deze richtlijn inzake de naleving door de aanbieder van de consumentenbeschermingsvoorschriften en van andere voorschriften in verband met het gebruik van nummervoorraden in de lidstaten waar die voorraden zullen worden gebruikt.

(248)  De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de lidstaten waar nummervoorraden worden gebruikt, moeten de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die de rechten hebben verleend voor het gebruik van de nummervoorraden, kunnen vragen te helpen bij de handhaving van de regels. Handhavings­maatregelen van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die de gebruiksrechten hebben verleend, moeten afschrikkende sancties inhouden, met name, in het geval van een ernstige inbreuk, de intrekking van het recht op extraterritoriaal gebruik voor de nummervoorraden die zijn toegekend aan de betrokken onderneming. De vereisten inzake extraterritoriaal gebruik mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om, per geval, de toegang tot nummers of diensten te blokkeren wanneer dat gerechtvaardigd is vanwege fraude of misbruik. Het extraterritoriale gebruik van nummervoorraden mag geen afbreuk doen aan de voorschriften van de Unie die verband houden met het aanbieden van roamingdiensten, met inbegrip van die welke betrekking hebben op afwijkend gebruik of misbruik van roamingdiensten die onderworpen zijn aan de regulering van retailprijzen en die profiteren van gereguleerde wholesaleroamingtarieven. De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om met derde landen specifieke overeenkomsten te sluiten over extraterritoriaal gebruik van nummervoorraden.

(249)  De lidstaten moeten etherdistributie van nummervoorraden bevorderen om het overstappen naar een andere aanbieder van elektronische communicatie te faciliteren. Etherdistributie van nummervoorraden maakt de herprogrammering van identificatoren van communicatieapparatuur mogelijk zonder fysieke toegang tot de betrokken apparaten. Die eigenschap is met name relevant voor intermachinale diensten, dat wil zeggen diensten die een automatische overdracht van gegevens en informatie inhouden tussen apparaten of op software gebaseerde toepassingen met weinig of geen menselijke tussen­komst. Aanbieders van dergelijke diensten voor intermachinale communicatie kunnen mogelijk geen beroep doen op fysieke toegang tot hun apparaten vanwege het gebruik ervan op afstand, of vanwege het grote aantal gebruikte apparaten of hun gebruikspatronen. Met het oog op de opkomende markt van intermachinale communicatie en nieuwe technologieën, moeten de lidstaten trachten te zorgen voor technologieneutraliteit bij de bevordering van etherdistributie.

(250)  De toegang tot nummervoorraden op basis van transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria is essentieel voor ondernemingen die in de elektronische­communicatie­sector willen concurreren. De lidstaten moeten gebruiksrechten voor nummervoorraden kunnen verlenen aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten gelet op het toenemende belang van nummers voor uiteenlopende diensten inzake het internet der dingen. Alle elementen van de nationale nummerplannen moeten door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties worden beheerd, met inbegrip van de puntcodes die worden gebruikt bij netwerkadressering. Wanneer nummervoorraden in de Unie moeten worden geharmoniseerd om de ontwikkeling van pan-Europese diensten of grens­overschrijdende diensten, met name nieuwe, op intermachinale communicatie gebaseerde diensten, zoals communicerende auto’s te ondersteunen, en wanneer niet aan de vraag kan worden voldaan op basis van de bestaande nummervoorraden kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen nemen met bijstand van Berec.

(251)  Aan de eis om besluiten betreffende de verlening van gebruiksrechten voor nummervoorraden bekend te maken, moet kunnen worden voldaan door die besluiten via een website openbaar te maken.

(252)  Gezien de specifieke aspecten betreffende het melden van vermiste kinderen moeten de lidstaten zich blijven inzetten om ervoor te zorgen dat een goed werkend meldpunt voor vermiste kinderen daadwerkelijk op hun grondgebied beschikbaar is op het nummer 116000. De lidstaten moeten passende maatregelen nemen om te zorgen voor een toereikend kwaliteitsniveau bij het beheer van het nummer 116000.

(253)  Naast het nummer 116000 van het meldpunt voor vermiste kinderen zorgen veel lidstaten er tevens voor dat kinderen op het nummer 116111 toegang hebben tot een kindvriendelijke telefonische hulplijn voor kinderen die behoefte hebben aan zorg en bescherming. Die lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat burgers, en in het bijzonder kinderen en de nationale systemen voor kinderbescherming, zich ervan bewust worden dat de 116111-hulplijn bestaat.

(254)  Een interne markt houdt in dat de eindgebruikers toegang hebben tot alle nummers die zijn opgenomen in de nationale nummerplannen van andere lidstaten, en toegang krijgen tot diensten die gebruik maken van niet-geografische nummers, met inbegrip van freephonenummers en betaalnummers, binnen de Unie, behalve wanneer de opgeroepen eindgebruiker om commerciële redenen ervoor heeft gekozen de toegang vanuit bepaalde geografische gebieden te beperken. Eindgebruikers moeten ook toegang kunnen krijgen tot universele internationale freephonenummers (Universal International Freephone Numbers, UIFN). Er mag geen beperking zijn op de grensoverschrijdende toegang tot nummervoorraden en de daarmee verband houdende diensten, tenzij in objectief gerechtvaardigde gevallen, bijvoorbeeld wanneer dit nodig is om fraude of misbruik te bestrijden (zoals bij bepaalde betaalnummerdiensten), wanneer het nummer uitsluitend als een nationaal nummer is gedefinieerd (bijvoorbeeld een nationaal kort nummer), of wanneer dit economisch gezien niet haalbaar is. Aan van buiten de betrokken lidstaat oproepende partijen behoeven niet dezelfde tarieven in rekening te worden gebracht als aan van binnen die lidstaat oproepende partijen. De gebruikers moeten van tevoren duidelijk en volledig worden geïnformeerd over alle kosten in verband met freephone­nummers, zoals internationale oproepkosten voor nummers die toegankelijk zijn via de standaard internationale oproepcodes. Wanneer inkomsten uit interconnectie of andere diensten door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten om redenen van fraude of misbruik worden ingehouden, moeten de lidstaten waarborgen dat ingehouden inkomsten uit diensten zo mogelijk worden terugbetaald aan de eindgebruikers die door die gevallen van fraude en misbruik zijn benadeeld.

(255)  In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel mag een aantal bepalingen inzake eindgebruikersrechten van deze richtlijn niet gelden voor micro-ondernemingen die enkel nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten aanbieden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, die micro-ondernemingen omvat, in enge zin worden geïnterpreteerd. Opdat uitsluitend ondernemingen die echte onafhankelijke micro-ondernemingen zijn, in aanmerking komen, dient te worden gekeken naar de structuur van micro-ondernemingen die een economische groep vormen waarvan de macht groter is dan de macht van een micro-onderneming, en dient ervoor te worden gezorgd dat de definitie van micro-onderneming niet met zuiver formele middelen wordt omzeild.

(256)  De voltooiing van de interne markt voor elektronische communicatie vereist het wegnemen van belemmeringen voor eindgebruikers met betrekking tot de grens­overschrijdende toegang tot elektronischecommunicatiediensten binnen de Unie. Aan­bieders van elektronische­communicatiediensten aan het publiek mogen eindgebruikers de toegang niet ontzeggen of beperken of hen discrimineren op grond van hun nationaliteit, lidstaat van verblijf of lidstaat van vestiging. Differentiatie moet echter mogelijk zijn op basis van objectief gerechtvaardigde verschillen in kosten en risico’s, niet beperkt tot de maatregelen van Verordening (EU) nr.531/2012 ten aanzien van misbruik of afwijkend gebruik van gereguleerde retailroamingdiensten.

(257)  De uiteenlopende tenuitvoerlegging van de voorschriften betreffende de bescherming van eindgebruikers heeft geleid tot ernstige belemmeringen voor de interne markt, die gevolgen hebben voor zowel aanbieders als eindgebruikers van elektronischecommunicatiediensten. Die belemmeringen moeten worden weggenomen door de toepassing van dezelfde regels die zorgen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming in de gehele Unie. Een gekalibreerde volledige harmonisatie van de rechten van de eindgebruiker die onder deze richtlijn vallen, moet aanzienlijk meer rechtszekerheid bieden voor zowel de eindgebruikers als de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, en moeten de toegangsdrempels en onnodige nalevingslasten als gevolg van de versnippering van de regelgeving aanzienlijk verlagen. Volledige harmonisatie helpt bij het verwijderen van belemmeringen op de werking van de interne markt als gevolg van dergelijke nationale bepalingen betreffende eindgebruikersrechten, die tegelijkertijd nationale aanbieders beschermen tegen concurrentie uit andere lidstaten. Om een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming te bereiken, moeten in verschillende bepalingen betreffende eindgebruikersrechten redelijke verbeteringen in deze richtlijn worden aangebracht in het licht van de beste praktijken in de lidstaten. Volledige harmonisatie van rechten van eindgebruikers vergroot hun vertrouwen in de interne markt omdat zij profiteren van een even hoog niveau van bescherming bij het gebruik van elektronischecommunicatiediensten, niet alleen in hun eigen land, maar ook wanneer zij in andere lidstaten wonen, werken of reizen. Volledige harmonisatie moet worden beperkt tot de onderwerpen die vallen onder de bepalingen inzake de rechten van de eindgebruiker in deze richtlijn. Daarom mag harmonisatie geen afbreuk doen aan het nationale recht met betrekking tot de aspecten van de bescherming van de eindgebruiker, inclusief sommige aspecten van transparantie­­maatregelen die niet onder die bepalingen vallen. Zo moeten bijvoorbeeld maatregelen met betrekking tot transparantieverplichtingen die niet onder deze richtlijn vallen, worden beschouwd als verenigbaar met het beginsel volledige harmonisatie, terwijl aanvullende voorschriften inzake transparantieaangelegenheden die door deze richtlijn worden bestreken, zoals de bekendmaking van informatie, moeten worden beschouwd als zijnde onverenigbaar. Voorts moeten de lidstaten nationale voorschriften kunnen handhaven of invoeren voor aangelegenheden die niet specifiek door deze richtlijn worden behandeld, in het bijzonder om het hoofd te bieden aan nieuwe problemen die zich aandienen.

(258)  Contracten vormen een belangrijk hulpmiddel voor eindgebruikers om transparantie van de informatie en rechtszekerheid te waarborgen. De meeste aanbieders van diensten in een concurrerende omgeving sluiten contracten met hun klanten om redenen van commerciële wenselijkheid. Buiten deze richtlijn zijn de voorschriften van bestaande Uniewetgeving inzake consumentenbescherming met betrekking tot contracten, met name Richtlijn 93/13/EEG van de Raad(40) en Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad(41), van toepassing op consumententransacties met betrekking tot elektronische­communicatie­netwerken en -diensten. De opneming van informatievereisten in deze richtlijn, die ook vereist zouden kunnen zijn uit hoofde van Richtlijn 2011/83/EU, mag niet leiden tot duplicatie van de informatie in precontractuele en contractuele documenten. Ter zake doende informatie die in verband met deze richtlijn wordt ver­strekt, inclusief eventuele prescriptievere en uitvoerigere informatievereisten, moet worden geacht aan de overeenkomstige vereisten op grond van Richtlijn 2011/83/EU te voldoen.

(259)  Sommige van die bepalingen inzake de bescherming van de eindgebruiker die a priori alleen van toepassing zijn op consumenten, namelijk die inzake informatie over het contract, de maximale looptijd van contracten en bundels, moeten niet alleen de consumenten ten goede komen, maar ook de micro-ondernemingen en kleine ondernemingen, evenals organisaties zonder winstoogmerk zoals gedefinieerd in het nationale recht. De onderhandelingspositie van die categorieën van ondernemingen en organisaties is vergelijkbaar met die van consumenten en daarom moeten zij hetzelfde niveau van bescherming genieten, tenzij zij uitdrukkelijk afzien van die rechten. Verplichtingen in deze richtlijn inzake informatie over contracten, met inbegrip van de in de onderhavige richtlijn aangehaalde verplichtingen van Richtlijn 2011/83/EU, moeten gelden ongeacht of er een betaling wordt gedaan en ongeacht het bedrag dat de klant moet betalen. De verplichtingen inzake contractinformatie, met inbegrip van die welke in Richtlijn 2011/83/EU zijn vastgesteld, moeten automatisch van toepassing zijn op micro-ondernemingen en kleine ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, tenzij zij verkiezen met aanbieders van elektronischecommunicatiediensten te onderhandelen over geïndividualiseerde contractvoorwaarden. Anders dan micro-ondernemingen, kleine ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, hebben grotere ondernemingen doorgaans een sterkere onderhandelingspositie en zijn zij daarom niet afhankelijk van dezelfde contractuele-informatievereisten als consumenten. Andere bepalingen, zoals over overdraagbaarheid van nummers, die ook voor grotere ondernemingen van belang zijn, moeten van toepassing blijven op alle eindgebruikers. Organisaties zonder winstoogmerk zijn juridische entiteiten die geen winst maken voor de eigenaars of leden ervan. Normaal gesproken zijn organisaties zonder winstoogmerk liefdadigheidsinstellingen of andere soorten organisaties van openbaar belang. Derhalve is het, gezien de vergelijkbare situatie, legitiem om die organisaties, wat de rechten van eindgebruikers betreft, op dezelfde wijze te behandelen als micro-ondernemingen of kleine ondernemingen in het kader van deze richtlijn.

(260)  De specifieke kenmerken van de sector elektronische communicatie vereisen, naast horizontale contractregels, een beperkt aantal aanvullende bepalingen ter bescherming van de eindgebruiker. Eindgebruikers moeten onder meer worden geïnformeerd over de kwaliteit van de aangeboden dienstverleningsniveaus, de voorwaarden voor promoties en beëindiging van contracten, de toepasselijke tariefplannen en de tarieven voor diensten waarvoor bijzondere prijsstellingsvoorwaarden gelden. Die informatie is van betekenis voor aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan trans­missie­diensten voor het verlenen van intermachinale diensten. Onverminderd de toepasselijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens mag een aanbieder van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten niet onderworpen zijn aan de verplichtingen inzake informatievereisten voor contracten waarbij de aanbieder en daaraan gelieerde ondernemingen of personen geen vergoeding ontvangen die direct of indirect verband houdt met het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten, zoals in het geval van een universiteit die bezoekers gratis toegang geeft tot haar wifinetwerk op de campus zonder een vergoeding te ontvangen voor het aanbieden van haar elektronische­communicatie­dienst, noch door betaling vanwege de gebruikers, noch door reclame-inkomsten.

(261)  Om de eindgebruiker in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken is het van essentieel belang dat de vereiste relevante informatie wordt verstrekt vóór de sluiting van het contract en in duidelijke en begrijpelijke taal en op een duurzame drager of, indien haalbaar en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de definitie van duurzame drager in Richtlijn 2011/83/EU, in een door de aanbieder aan de gebruiker beschikbaar gesteld en toegezonden document, dat gemakkelijk is te downloaden, te openen en te raadplegen over apparaten en veelvuldig wordt gebruikt door consumenten. Om het maken van een keuze te vereenvoudigen, moeten aanbieders ook een samenvatting van de belangrijkste contractvoorwaarden verstrekken. Om vergelijkingen te vergemakkelijken en nalevingskosten te verlagen, moet de Commissie, na overleg met Berec, een model voor dergelijke samenvattingen goedkeuren. De informatie die vóór de sluiting van het contract wordt verstrekt en het model voor de samenvatting van de contract­voorwaarden maken integraal deel uit van het definitieve contract. De samen­vatting van het contract moet beknopt en gemakkelijk leesbaar zijn, het liefst niet meer dan het equivalent van één vel enkelzijdig A-vier of, wanneer verschillende diensten in één contract worden gebundeld, het equivalent van maximaal drie vellen enkelzijdig A-vier.

(262)  Na de vaststelling van Verordening (EU) 2015/2120 zijn de bepalingen van deze richtlijn inzake informatie over voorwaarden voor de beperking van de toegang tot of het gebruik van diensten en toepassingen, en inzake informatie over verkeersbeheer, achterhaald en moeten deze worden ingetrokken.

(263)  Met betrekking tot de eindapparatuur moeten in het klantencontract alle voorwaarden worden gespecificeerd die de aanbieder verbindt aan het gebruik van de apparatuur, bijvoorbeeld via 'simlocken' van mobiele apparaten, indien dergelijke voorwaarden niet door het nationale recht verboden zijn, alsmede alle kosten die bij het aflopen van het contract vóór of op de afgesproken einddatum verschuldigd zijn, inclusief de kosten die worden opgelegd om de apparatuur te mogen behouden. Wanneer de eindgebruiker de eindapparatuur wenst te behouden die bij de sluiting van het contract aan dat contract werd verbonden, mag de verschuldigde vergoeding niet meer bedragen dan de waarde pro rata temporis berekend op basis van de waarde op het ogenblik dat het contract werd gesloten of het resterende gedeelte van de servicevergoeding tot het aflopen van het contract, naargelang welk bedrag het laagst is. De lidstaten moeten andere methodes kunnen kiezen voor de berekening van de vergoeding, indien die vergoeding gelijk is aan of minder is dan de berekende vergoeding. Eventuele beperkingen van het gebruik van eindapparatuur op andere netwerken moeten kosteloos door de aanbieder worden opgeheven, ten laatste bij de betaling van een dergelijke vergoeding.

(264)  Zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de materiële verplichting voor de aanbieder betreffende veiligheid krachtens deze richtlijn, moet in het contract het soort actie worden gespecificeerd dat de aanbieder kan ondernemen in geval van beveiligingsincidenten, dreigingen en kwetsbaarheden. Ook moet in het contract worden aangegeven welke vergoedingen en terugbetalingsregelingen er zijn indien een aanbieder niet adequaat reageert op een beveiligingsincident, ook wanneer een aan de aanbieder ter kennis gebracht beveiligingsincident het gevolg is van bekende zwakke plekken in soft- of hardware waarvoor een programmawijziging is gegeven door de fabrikant of ont­wikkelaar, en de dienstverlener die wijziging niet heeft doorgevoerd noch andere passende tegenmaatregelen heeft genomen.

(265)  De beschikbaarheid van transparante, actuele en vergelijkbare informatie over aan­biedingen en diensten is een cruciaal element voor consumenten op concurrerende markten waar verscheidene dienstverleners hun diensten aanbieden. De eindgebruikers moeten in staat zijn gemakkelijk de prijzen van de diverse op de markt aangeboden diensten te vergelijken, gebaseerd op informatie die in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekend wordt gemaakt. Om hen in staat te stellen gemakkelijk prijzen en diensten te vergelijken, moeten de bevoegde instanties, indien relevant samen met de nationale regelgevende instanties, van aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten, een grotere transparantie kunnen eisen op het gebied van informatie, met inbegrip van tarieven, kwaliteit van de dienst, voorwaarden inzake de geleverde eindapparatuur en andere relevante statistieken. Elke dergelijke vereiste moet terdege rekening houden met de specifieke kenmerken van die netwerken en diensten. Zij moeten er ook voor zorgen dat derden het recht hebben om kosteloos gebruik te maken van de voor het publiek beschikbare informatie die zulke bedrijven bekendmaken, met het oog op het aanbieden van vergelijkingsinstrumenten.

(266)  Eindgebruikers zijn zich vaak niet bewust van de kosten van hun gebruiksgedrag of hebben het moeilijk om de tijd of het gegevensgebruik in te schatten bij het gebruik van elektronische­communicatiediensten. Met het oog op een grotere transparantie en een betere controle van hun communicatiebudget is het belangrijk dat eindgebruikers kunnen beschikken over voorzieningen die hen in staat stellen hun gebruik op de voet te volgen. Daarnaast moeten de lidstaten, om eindgebruikers voor onverwachts hoge rekeningen te behoeden, bepalingen met betrekking tot gebruikslimieten kunnen handhaven of invoeren, ook met betrekking tot betaalnummerdiensten en andere diensten waarvoor bijzondere prijsvoorwaarden gelden. Dat stelt de bevoegde instanties in staat om informatie over die diensten te verlangen voordat ze worden aangeboden, en doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de lidstaten om met het oog op de daadwerkelijke bescherming van eindgebruikers algemene verplichtingen voor betaalnummerdiensten te handhaven of in te voeren.

(267)  Onafhankelijke vergelijkingsinstrumenten, zoals websites, zijn een effectief middel voor eindgebruikers om de merites van verschillende aanbieders van internettoegangsdiensten en openbare interpersoonlijke communicatiediensten te beoordelen, voor zover de dienst wordt verleend tegen terugkerende of verbruikgerelateerde rechtstreekse betaling, en om onpartijdige informatie te verkrijgen, met name door op één plaats prijzen, tarieven en kwaliteitsparameters te vergelijken. Dergelijke instrumenten moeten onafhankelijk van de aanbieders werken, mogen geen enkele aanbieder een voorkeursbehandeling geven wat de zoekresultaten betreft. Dergelijke instrumenten moeten als doel hebben informatie te verstrekken die zowel duidelijk en beknopt als volledig en alomvattend is. Zij moeten ook trachten een zo breed mogelijk scala aan aanbiedingen te presenteren, zodat een representatief overzicht wordt gegeven, en een significant deel van de markt bestrijken. De informatie die over dergelijke instrumenten wordt verstrekt, moet betrouwbaar, onpartijdig en transparant zijn. Eind­gebruikers moeten ervan op de hoogte worden gebracht dat dergelijke instrumenten beschikbaar zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat eindgebruikers op hun eigen grondgebied kosteloos toegang hebben tot ten minste één dergelijk instrument. Indien er in een lidstaat slechts één vergelijkingsinstrument bestaat en dit instrument niet meer operationeel is of niet langer aan de kwaliteitscriteria voldoet, dient de lidstaat erop toe te zien dat eindgebruikers binnen een redelijke termijn op nationaal niveau toegang hebben tot een andere vergelijkingswebsite.

(268)  Onafhankelijke vergelijkingsinstrumenten ▌ kunnen worden toegepast door particuliere ondernemingen of door of namens bevoegde instanties, maar zij moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitscriteria, daaronder begrepen het vereiste dat de gegevens betreffende de eigenaars worden meegedeeld, dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verstrekt, dat het meest recente tijdstip van de actualisering wordt vermeld, en dat er duidelijke, objectieve criteria voor de vergelijking worden gehanteerd; ook moet het instrument een breed scala aan aanbiedingen presenteren ▌, dat een significant deel van de markt bestrijkt. De lidstaten moeten kunnen bepalen hoe vaak de informatie die door vergelijkingsinstrumenten aan eindgebruikers wordt verstrekt, moet worden herzien en geactualiseerd, rekening houdend met de frequentie waarmee aanbieders van internet­toegangsdiensten en voor het publiek beschikbare ▌interpersoonlijke communicatiediensten, hun tarief- en kwaliteitsinformatie in het algemeen actualiseren. ▌

(269)  Om kwesties van algemeen belang met betrekking tot het gebruik van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten aan te pakken en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden te bevorderen, moeten de lidstaten met de hulp van aanbieders van dergelijke diensten informatie van algemeen belang over het gebruik van dergelijke diensten kunnen produceren en verspreiden of laten verspreiden. Dergelijke informatie moet informatie van algemeen belang kunnen omvatten over de meest voorkomende inbreuken en de rechtsgevolgen daarvan, bijvoorbeeld over schending van het auteursrecht, ander onwettig gebruik en de verspreiding van schadelijke inhoud, en ook advies over en manieren om zich te beschermen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, bijvoorbeeld gevaren als gevolg van de vrijgave van persoonlijke informatie in bepaalde omstandigheden, en tegen gevaren voor de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, evenals het beschikbaar zijn van gemakkelijk te gebruiken en configureerbare software of software­opties ter bescherming van kinderen of kwetsbare personen. De informatieverstrekking kan worden gecoördineerd volgens de samenwerkingsprocedure die is vastgesteld in deze richtlijn. Dergelijke informatie van algemeen belang dient zo nodig te worden geactualiseerd en in door de lidstaten te bepalen, eenvoudig te begrijpen formats te worden gepresenteerd, alsmede op de websites van de nationale overheden te worden aangeboden. De lidstaten moeten aanbieders van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten kunnen verplichten die gestandaardiseerde informatie te verspreiden naar al hun klanten op een manier die de ▌nationale overheden geschikt achten. De verspreiding van die informatie mag de aanbieders echter niet buitensporig belasten. Als dat toch het geval is, moeten de lidstaten verlangen dat die informatie wordt verspreid via de kanalen die de aanbieders voor de normale zakelijke communicatie met eindgebruikers gebruiken.

(270)  Bij ontstentenis van relevante rechtsregels van de Unie worden inhoud, toepassingen en diensten als legaal of als schadelijk beschouwd overeenkomstig het nationaal materieel en procesrecht. Het is aan de lidstaten en niet aan de aanbieders van de elektronischecommunicatie­netwerken of -diensten om, overeenkomstig de juiste gerechtelijke procedures, te bepalen of inhoud, toepassingen of diensten al dan niet legaal of schadelijk zijn. Deze richtlijn ▌en Richtlijn 2002/58/EG gelden onverminderd Richtlijn 2000/31/EG, die onder andere een "mere conduit"-regel (doorgeefluikregel) bevat voor dienstverleners die als tussenpersoon optreden, zoals aldaar gedefinieerd.

(271)  Nationale regelgevende instanties in samenspraak met andere bevoegde instanties, of indien relevant, andere bevoegde instanties samen met nationale regel­gevende instanties, moeten bevoegd zijn om de kwaliteit van de diensten te controleren en om systematisch informatie in te winnen over de kwaliteit van de diensten die internet­toegangsdiensten voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten aanbieden, voor zover deze in staat zijn een minimaal dienstverleningsniveau aan te bieden; zij voeren die controle uit door minstens een aantal elementen van het netwerk te controleren of door middel van een overeenkomst inzake dienstverleningsniveau, waarbij ook de kwaliteit wordt gecontroleerd van diensten die worden aangeboden aan ▌eindgebruikers met een handicap. Die informatie moet worden ingewonnen op basis van criteria die vergelijkingen tussen aanbieders van diensten en tussen lidstaten mogelijk maken. Aanbieders van dergelijke elektronischecommunicatiediensten zijn actief in een concurrerende omgeving, en maken gewoonlijk om redenen van commercieel voordeel toereikende en actuele informatie over hun diensten voor het publiek beschikbaar. Nationale regelgevende instanties moeten, samen met andere bevoegde instanties, of indien opportuun, andere bevoegde instanties samen met nationale regelgevende instanties, evenwel de openbaarmaking van dergelijke informatie kunnen eisen, indien wordt aangetoond dat die informatie in feite niet beschikbaar is voor het publiek. Indien de kwaliteit van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten afhangt van externe factoren zoals het beheer van het overbrengen van signalen of netwerk­connectiviteit, moeten de nationale regelgevende instanties, in samenspraak met andere bevoegde instanties, van aanbieders van die diensten kunnen verlangen dat zij hun consumenten daarvan in kennis stellen.

(272)  De nationale regelgevende instanties moeten, in samenspraak met andere bevoegde instanties, ook de door de dienstaanbieders toe te passen meetmethoden vaststellen, teneinde de vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te verbeteren. Om de vergelijkbaarheid in heel de Unie te vergemakkelijken en de nalevingskosten te verlagen, moet Berec richtsnoeren vaststellen over de relevante parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening, waarmee nationale regelgevende instanties, in samenspraak met andere bevoegde instanties, zoveel mogelijk rekening moeten houden.

(273)  Om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging, moeten de consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken en van aanbieder kunnen veranderen wanneer dat in hun belang is. Het is essentieel dat zij dit kunnen doen zonder gehinderd te worden door juridische, technische of praktische belemmeringen, met inbegrip van contractuele voorwaarden, procedures en heffingen. Dit sluit niet uit dat aanbieders in contracten met consumenten een redelijke minimumcontractperiode van maximaal 24 maanden opnemen. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid hebben om in het licht van nationale omstandigheden, zoals concurrentieniveaus en de stabiliteit van netwerkinvesteringen, bepalingen inzake een kortere maximumperiode te handhaven of in te voeren, en consumenten toe te staan om naar een ander tariefplan over te stappen of binnen de looptijd van het contract dat contract zonder extra kosten te beëindigen. Onafhankelijk van het contract voor een elektronischecommunicatiedienst kunnen consumenten een langere terugbetalingstermijn voor fysieke verbindingen verkiezen en daar baat bij hebben. Dergelijke consumentenafspraken kunnen een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit tot aan of tot zeer dicht bij de gebouwen van de eindgebruiker, onder meer door regelingen betreffende bundeling van de vraag, waardoor investeerders in netwerken initiële risico’s kunnen verminderen. De rechten van de consument om te kunnen overstappen naar een andere aanbieder van elektronischecommunicatiediensten, zoals vastgesteld bij deze richtlijn, mogen echter niet worden beperkt door dergelijke terugbetalingstermijnen in contracten betreffende fysieke verbindingen, en dergelijke contracten mogen geen eindapparatuur of internettoegangs­apparatuur, zoals handsets, routers of modems, omvatten. De lidstaten moeten zorgen voor gelijke behandeling van entiteiten, met inbegrip van exploitanten, die de aanleg van een fysieke aansluiting met zeer hoge capaciteit in de gebouwen van een eindgebruiker financieren, ook in gevallen waarin de financiering plaatsvindt in de vorm van een contract op afbetaling.

(274)  Het is tevens mogelijk om contracten met betrekking tot elektronischecommunicatie­diensten automatisch te verlengen. In dat geval moeten de eindgebruikers ▌bij het verstrijken van de contractperiode ▌hun contract kosteloos kunnen beëindigen.

(275)  Alle wijzigingen van de contractvoorwaarden die worden voorgesteld door de aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en die niet ten voordele zijn van de eindgebruiker, bijvoorbeeld met betrekking tot kosten, tarieven, datavolumebeperkingen, datasnelheden, dekking of verwerking van persoonsgegevens, moeten aanleiding geven tot het recht van de eindgebruiker om het contract kosteloos te beëindigen, zelfs indien naast de betrokken wijzigingen ook wijzigingen ten voordele van de eindgebruiker worden aangebracht. Elke wijziging van de contractvoorwaarden door de aanbieder moet voor de eindgebruiker een grond zijn om het contract te beëindigen, tenzij elke wijziging afzonderlijk ten voordele is van die eindgebruiker of de wijzigingen louter van administratieve aard zijn, zoals een wijziging in het adres van de aanbieder, en zij voor de eindgebruiker geen nadeel inhouden, of de wijzigingen worden opgelegd bij wet- of regelgeving, zoals nieuwe voorlichtingsvoorschriften met betrekking tot contracten die door uniaal of nationaal recht worden opgelegd. De vraag of de wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is, moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria. Het recht van de eindgebruiker om het contract te beëindigen mag alleen worden uitgesloten indien de aanbieder kan aantonen dat elke contractuele wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is of louter van administratieve aard is, en geen negatieve gevolgen heeft voor de eindgebruiker.

(276)  Eindgebruikers moeten door middel van een duurzaam medium op de hoogte worden gebracht van elke wijziging van de contractuele voorwaarden. Andere eindgebruikers dan consumenten, micro-ondernemingen of kleine ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk mogen niet de beëindigingsrechten bij contractwijzigingen genieten indien het transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten betreft. De lidstaten moeten wat contractbeëindiging betreft, kunnen voorzien in specifieke bescherming van de eindgebruiker die van verblijfplaats verandert. De bepalingen betreffende de beëindiging van het contract moeten gelden onverminderd andere bepalingen van het Unierecht of het nationale recht waarop aanbieders of eindgebruikers zich met betrekking tot gronden voor contractbeëindiging of wijziging van contractvoorwaarden kunnen beroepen.

(277)  De mogelijkheid om over te stappen naar een andere aanbieder is van cruciaal belang voor daadwerkelijke concurrentie in een concurrerende omgeving. De beschikbaarheid van transparante, accurate en tijdige informatie over de overstap moet het vertrouwen van de eindgebruiker in de overstap verhogen en zijn bereidheid verhogen om actief deel te nemen aan de concurrentie. Aanbieders van diensten moeten de continuïteit van de dienst waar­borgen, zodat eindgebruikers naar een andere aanbieder kunnen overstappen zonder gehinderd te worden door het risico van een onderbreking van de dienst en, waar technisch mogelijk, op de door de eindgebruikers gevraagde datum.

(278)  Nummeroverdraagbaarheid is een essentieel element voor de keuzevrijheid van de consument en voor daadwerkelijke mededinging in concurrerende elektronischecommunicatiemarkten. Eindgebruikers die daarom verzoeken, moeten hun nummers kunnen behouden ongeacht de dienstaanbieder en gedurende een beperkte periode tijdens het overstappen naar een andere dienstaanbieder. Deze richtlijn is niet van toepassing op het aanbieden van nummeroverdraagbaarheid tussen aansluitingen op het openbare telefoonnetwerk op vaste en mobiele locaties. De lidstaten moeten evenwel bepalingen kunnen toepassen inzake het overdragen van nummers tussen netwerken die diensten op een vaste locatie aanbieden en mobiele netwerken.

(279)  Het effect van nummeroverdraagbaarheid wordt aanzienlijk versterkt wanneer er transparante tariefinformatie beschikbaar is voor zowel eindgebruikers die hun nummer overdragen als voor de eindgebruikers die personen bellen die hun nummer hebben overgedragen. De nationale regelgevende instanties moeten waar mogelijk passende tarieftransparantie bevorderen als onderdeel van de uitvoering van nummeroverdraagbaarheid.

(280)  De prijsstelling voor interconnectie in verband met nummeroverdraagbaarheid moet kostengeoriënteerd zijn; de nationale regelgevende instanties moeten daarbij ook rekening kunnen houden met de prijzen op vergelijkbare markten.

(281)  Nummeroverdraagbaarheid is een essentieel element voor de keuzevrijheid van de consument en voor daadwerkelijke mededinging in concurrerende elektronischecommunicatiemarkten en moet onverwijld worden uitgevoerd zodat het nummer binnen één werkdag geactiveerd en operationeel is en de dienst voor de eindgebruiker vanaf de overeengekomen datum niet langer dan een werkdag onderbroken is. Het recht om het nummer over te dragen, moet worden verleend aan de eindgebruiker die het betrokken (al dan niet vooraf betaald) contract met de aanbieder heeft gesloten. Ter vergemakkelijking van een éénloketsysteem waarmee de ervaring van een naadloze overstap voor eindgebruikers mogelijk wordt, moet het overstapproces worden geleid door de ontvangende aanbieder van elektronische communicatie aan het publiek. De nationale regelgevende instanties of, indien relevant, andere bevoegde instanties moeten de globale procedure voor het overstappen en voor het overdragen van nummers kunnen voorschrijven, met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten en technologische ontwikkelingen. Dit moet, waar beschikbaar, een vereiste inhouden die stelt dat procedure voor nummeroverdracht moet verlopen via etherdistributie, tenzij anders gevraagd door een eindgebruiker. De ervaring in sommige lidstaten heeft geleerd dat het risico bestaat dat eindgebruikers te maken krijgen met een verandering van aanbieder zonder hun instemming. Dit is een kwestie die voornamelijk door de rechtshandhavingsinstanties moet worden aangepakt, maar de lidstaten moeten met betrekking tot de overstapprocedure de passende minimummaatregelen kunnen opleggen, onder meer adequate sancties, die nodig zijn om het genoemde risico zo veel mogelijk te beperken, en ervoor kunnen zorgen dat eindgebruikers gedurende de gehele overstap­procedure worden beschermd zonder de procedure voor hen minder aantrekkelijk te maken. Het recht om nummers over te dragen, mag niet door contractvoorwaarden worden beperkt.

(282)  Teneinde te garanderen dat het overstappen en het overdragen van nummers plaats­vinden binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijnen, moeten de lidstaten erin voorzien dat eindgebruikers vlot en tijdig door aanbieders worden gecompenseerd wanneer een overeenkomst tussen een aanbieder en een eindgebruiker niet wordt nageleefd. Dergelijke maatregelen moeten evenredig zijn met de duur van de periode waarin de aanbieder de overeenkomst niet naleeft. Eindgebruikers moeten ten minste worden gecompenseerd indien de activering van de dienstverlening, de nummeroverdracht of het uitvallen van een dienst langer dan een werkdag duurt, en wanneer aanbieders niet komen opdagen op afspraken met betrekking tot dienstverlening of installatie. Een aanvullende compensatie kan ook plaatsvinden in de vorm van een automatische vermindering van de vergoeding voor de gevallen waarin de overdragende aanbieder de diensten moet blijven verstrekken totdat die van de ontvangende aanbieder zijn geactiveerd.

(283)  Bundels bestaande uit ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst, alsook andere diensten zoals voor het publiek beschikbare nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, ▌lineaire omroep en intermachinale diensten, of eindapparatuur, komen steeds vaker voor en vormen een belangrijk onderdeel van de concurrentie. Voor de toepassing van deze richtlijn moet een bundel worden geacht te bestaan in situaties waarin de onderdelen van de bundel worden verstrekt of verkocht door dezelfde aanbieder onder hetzelfde of een verwant of daaraan verbonden contract. Hoewel bundels vaak leiden tot voordelen voor de consumenten, kunnen zij het overstappen bemoeilijken of duurder maken en het risico meebrengen van een contractuele "lock-in". Indien verschillende diensten en eindapparatuur binnen in een bundel onderworpen zijn aan uiteenlopende regels voor de beëindiging van het contract en het overstappen of voor contractuele verbintenissen inzake de aankoop van eindapparatuur, worden de consumenten effectief belemmerd in hun rechten uit hoofde van deze richtlijn om over te schakelen naar concurrerende aan­biedingen voor de hele bundel of delen daarvan. Sommige essentiële bepalingen van deze richtlijn inzake contractsamenvattende informatie, transparantie, contractduur, beëindiging van contracten en overstappen moeten daarom van toepassing zijn op alle onderdelen van een bundel, met inbegrip van eindapparatuur, andere diensten zoals digitale inhoud of digitale diensten, en elektronischecommunicatiediensten die niet rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen. Alle eindgebruikers­verplichtingen die uit hoofde van deze richtlijn van toepassing zijn op een bepaalde elektronischecommunicatiedienst die als een op zichzelf staande dienst wordt verstrekt of verkocht, moeten eveneens van toepassing zijn wanneer die dienst deel uitmaakt van een bundel met ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummer­gebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst. Andere contractuele aangelegen­heden, zoals de rechtsmiddelen die van toepassing zijn in geval van gebrek aan overeen­stemming met het contract, moeten worden beheerst door de regels die van toepassing zijn op het desbetreffende onderdeel van de bundel, bijvoorbeeld door contractrechtelijke bepalingen voor de verkoop van goederen of de levering van digitale inhoud. Een recht om enig onderdeel van een bundel die ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst omvat, vóór het einde van de overeengekomen contracttermijn te beëindigen vanwege non-conformiteit of leveringsverzuim, moet de consument echter het recht geven om alle onderdelen van de bundel te beëindigen. Tevens mogen consumenten, voor het behoud van hun mogelijkheid om gemakkelijk van aanbieder te veranderen, niet bij een aanbieder ingesloten worden ("lock-in") door middel van een contractuele feitelijke verlenging van de initiële contractperiode.

(284)  De aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten hebben de verplichting toegang te verlenen tot noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie. In uitzonderlijke omstandigheden, namelijk bij gebrek aan technische haalbaarheid is het mogelijk dat zij niet in staat zijn toegang te verlenen tot noodhulpdiensten of tot de locatie van de oproeper, of tot beide. In die gevallen moeten zij hun klanten adequaat informeren in het contract. Die aanbieders moeten hun klanten voorzien van duidelijke en trans­parante informatie in het initiële klantencontract en deze bijwerken in het geval van een wijziging in het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten, bijvoorbeeld in facturen. Die informatie moet alle beperkingen omvatten wat territoriale dekking betreft, op basis van de geplande technische operationele parameters van de communicatie dienst en de beschik­bare infrastructuur. Als de dienst niet wordt geleverd via een verbinding die wordt beheerd om een bepaalde kwaliteit van dienstverlening te geven, moet de informatie ook het betrouwbaarheidsniveau van de toegang en van de informatie over de locatie van de oproeper omvatten in vergelijking met een dienst die via een dergelijke verbinding wordt geleverd, rekening houdend met de huidige technologie en kwaliteitsnormen, alsmede de overeenkomstig deze richtlijn gespecificeerde parameters inzake de kwaliteit van de dienstverlening.

(285)  Eindgebruikers moeten kosteloos en zonder enig betaalmiddel te moeten gebruiken toegang hebben tot de noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie, vanaf elk apparaat dat nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten mogelijk maakt, inclusief bij het gebruik van roamingdiensten in een lidstaat. Noodhulpcommunicatie is een communicatiemiddel dat niet alleen spraakcommunicatiediensten omvat, maar ook sms, berichten, video of andere vormen van communicatie, bijvoorbeeld realtimetekst, totale conversatie en bemiddelingsdiensten. De lidstaten moeten, rekening houdend met de capaciteit en technische uitrusting van de alarmcentrales, kunnen bepalen welke nummergebaseerde interpersoonlijke communicatie­diensten geschikt zijn voor noodhulpdiensten, en zij moeten daarbij ook de mogelijkheid hebben om die opties te beperken tot spraakcommunicatiediensten en het equivalent ervan voor eindgebruikers met een handicap, of om extra opties toe te voegen in overleg met de nationale alarmcentrales. Noodhulpcommunicatie kan namens een persoon tot stand komen door een noodoproep vanuit een voertuig of een eCall zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758.

(286)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten betrouwbare en accurate toegang leveren tot noodhulpdiensten, waarbij rekening wordt gehouden met nationale specificaties en criteria en de capaciteit van de nationale alarmcentrales. De lidstaten moeten nagaan of de alarmcentrale noodhulpcommunicatie in meer dan één taal aankunnen. Wanneer de nummer­gebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst niet wordt verleend via een verbinding die een bepaalde kwaliteit van dienstverlening beoogt te bieden, is het mogelijk dat de aanbieder er niet voor kan zorgen dat noodhulpoproepen die via die dienst plaatsvinden, naar de meest geschikte alarmcentrale met dezelfde betrouwbaarheid worden doorgestuurd. Voor aanbieders die onafhankelijk zijn van netwerken, met name aanbieders die niet geïntegreerd zijn met een aanbieder van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, kan het verstrekken van informatie over de locatie van de oproeper technisch niet altijd haalbaar zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat zo snel mogelijk normen worden ingevoerd die nauwkeurige en betrouwbare routering en verbinding met de noodhulpdiensten waar­borgen, zodat netwerkonafhankelijke aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten de verplichtingen kunnen nakomen die verband houden met het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten en informatie over de locatie van de oproeper op een niveau dat vergelijkbaar is met het niveau dat voor andere aanbieders van dergelijke communicatiediensten is vereist. Wanneer dergelijke normen en de bijbehorende alarmcentralesystemen niet zijn ingevoerd, mag van netwerkonafhankelijke aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten niet worden verlangd dat zij toegang bieden tot noodhulpdiensten, tenzij op een manier die technisch haalbaar of economisch rendabel is. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat een lidstaat één enkele, centrale alarmcentrale aanwijst voor de ontvangst van noodcommunicatie. Niettemin moeten dergelijke aanbieders de eindgebruikers ervan op de hoogte brengen dat de toegang tot het uniforme Europese alarmnummer 112 of informatie over de locatie van de oproeper niet wordt ondersteund.

(287)  Ter verbetering van de rapportage en prestatiemeting door de lidstaten met betrekking tot het beantwoorden en afhandelen van noodhulpoproepen, moet de Commissie om de twee jaar verslag uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad over de doel­treffendheid van de invoering van het uniforme Europese alarmnummer 112.

(288)  De lidstaten moeten specifieke maatregelen treffen om te waarborgen dat de noodhulpdiensten, inclusief het uniforme Europese alarmnummer 112, gelijkelijk toegankelijk zijn ▌ voor eindgebruikers met een handicap, met name eindgebruikers die doof of slechthorend zijn, spraakmoeilijkheden hebben of doofblind zijn, in overeenstemming met het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. Dit kan inhouden dat speciale eindapparatuur aan eindgebruikers met een handicap wordt verstrekt indien andere communicatiemethoden voor hen niet geschikt zijn.

(289)  Het is belangrijk het bewustzijn betreffende het bestaan van het uniforme Europese alarmnummer 112 te vergroten teneinde het niveau van bescherming en veiligheid van burgers die in de Unie reizen, te versterken. Te dien einde moet aan de burger duidelijk worden gemaakt dat bij reizen in alle lidstaten gebruik kan worden gemaakt van het uniforme Europese alarmnummer 112 als uniform alarmnummer in de gehele Unie; dit moet met name gebeuren via informatie die wordt verstrekt in internationale busterminals, treinstations, havens of luchthavens en in telefoongidsen, documenten van eindgebruikers en afrekeningen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de Commissie moet voortgaan zowel met de ondersteuning als met de aanvulling van de initiatieven van de lidstaten om de bekendheid van het uniforme Europese alarmnummer 112 te bevorderen en de kennis ervan bij de bevolking periodiek te evalueren.

(290)  Informatie over de locatie van de oproeper, die van toepassing is op alle noodhulp­communicatie, verbetert het beschermingsniveau en de veiligheid van de eindgebruikers en helpt de noodhulpdiensten hun taken uit te voeren, op voorwaarde dat de door­schakeling van noodhulpcommunicatie en bijbehorende gegevens naar de betrokken noodhulpdiensten is gewaarborgd door het nationale systeem van alarmcentrales. De ontvangst en het gebruik van informatie over de locatie van de oproeper, die zowel netwerk­gebaseerde locatiegegevens als, waar beschikbaar, verbeterde handset­gebaseerde locatiegegevens van de oproeper omvat, moeten in overeenstemming zijn met het relevante Unierecht op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens en van beveiligingsmaatregelen. Ondernemingen die netwerkgebaseerde locatiegegevens verstrekken, moeten informatie over de oproeper beschikbaar stellen aan de noodhulp­diensten zodra de oproep die dienst bereikt, ongeacht de gebruikte technologie. Handset­gebaseerde locatietechnologieën zijn echter accurater en kosteneffectiever gebleken vanwege de beschikbaarheid van gegevens die worden verstrekt door de European Geostationary Navigation Overlay Service en het Galileo-satellietsysteem, en door andere wereldwijde satellietnavigatiesystemen en wifi-gegevens. Daarom moet uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper netwerkgebaseerde informatie over de locatie aanvullen, ook al is het mogelijk dat de handsetgebaseerde informatie pas beschikbaar wordt nadat de noodhulpcommunicatie tot stand komt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper, indien beschikbaar, aan de meest geschikte alarmcentrale wordt verstrekt. Dit is wellicht niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de locatie niet op de handset of via de gebruikte interpersoonlijke communicatiedienst voorhanden is, of wanneer het technisch niet haalbaar is die informatie te verkrijgen. De lidstaten moeten er voorts voor zorgen dat de alarmcentrales de beschikbare informatie over de locatie van de oproeper kunnen opvragen en beheren, waar dat mogelijk is. De vaststelling en de doorgifte van informatie over de locatie van de oproeper moeten kosteloos zijn, zowel voor de eindgebruiker als voor de instantie die de noodhulpcommunicatie behandelt, ongeacht de wijze van vaststelling, bijvoorbeeld via de handset of het netwerk, of de wijze van doorgifte, bijvoorbeeld via spraak, sms of op IP-basis.

(291)  Om te kunnen reageren op technologische ontwikkelingen in verband met nauwkeurige informatie over de locatie van de oproeper, gelijkwaardige toegang voor ▌ eindgebruikers met een handicap en oproeproutering naar de meest geschikte alarmcentrale moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om door middel van een gedelegeerde handeling de maatregelen te nemen die nodig zijn om de compatibiliteit, interoperabiliteit, kwaliteit, betrouwbaarheid en continuïteit van noodhulpcommunicatie in de Unie te waarborgen, zoals functionele bepalingen tot vaststelling van de rol van de verschillende partijen in de communicatieketen, bijvoorbeeld aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten, netwerkexploitanten en alarmcentrales, evenals uit technische bepalingen tot vaststelling van de technische middelen om de functionele bepalingen te doen naleven. Dergelijke maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de organisatie van de noodhulpdiensten in de lidstaten.

(292)  Een burger in één lidstaat die contact moet opnemen met de noodhulpdiensten in een andere lidstaat, kan dat niet doen omdat de noodhulpdiensten misschien niet beschikken over de contactgegevens van de noodhulpdiensten in andere lidstaten. Daarom moet een beveiligde Uniebrede database met telefoonnummers van overkoepelende noodhulpdiensten in elk land, worden aangelegd. Daartoe moet Berec een veilige database met E.164-nummers van de noodhulpdiensten van de lidstaten bijhouden indien een dergelijke database niet wordt bijgehouden door een andere organisatie, teneinde te bewerkstelligen dat de noodhulpdiensten in de ene lidstaat contact kunnen opnemen met de noodhulpdiensten in een andere lidstaat.

(293)  Er is uiteenlopende nationale wetgeving ontwikkeld met betrekking tot de doorzending door elektronischecommunicatiediensten van publieke waarschuwingen inzake dreigende of zich ontwikkelende grote noodsituaties en rampen. Om de wetgeving op dit gebied te harmoniseren moet deze richtlijn derhalve bepalen dat, wanneer publieke waarschuwingssystemen voorhanden zijn, publieke waarschuwingen door aanbieders van mobiele nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten dienen te worden toegezonden aan alle betrokken eindgebruikers. De betrokken eindgebruikers dienen die eindgebruikers geacht te zijn die zich tijdens de waarschuwingsperiode bevinden in geo­grafische gebieden die mogelijk worden getroffen door dreigende of zich ontwikkelende grote noodsituaties en rampen, zoals vastgesteld door de bevoegde instanties.

(294)  Wanneer het zeker is dat alle betrokken eindgebruikers, ongeacht hun plaats of lidstaat van verblijf, daadwerkelijk worden bereikt en aan het hoogste niveau van gegevens­beveiliging is voldaan, moeten de lidstaten kunnen voorzien in de doorzending van publieke waarschuwingen via andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan mobiele, nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten en transmissie­diensten voor radio- en televisieomroep, of via mobiele applicaties die worden door­gegeven via internettoegangsdiensten. Teneinde eindgebruikers die een lidstaat binnenkomen, op de hoogte te brengen van het bestaan van zulke publieke waarschuwingssystemen, moet die lidstaat ervoor zorgen dat die eindgebruikers automatisch via sms, zonder onnodige vertraging en kosteloos, eenvoudig te begrijpen informatie ontvangen over hoe zij publieke waarschuwingen kunnen ontvangen, onder meer door middel van mobiele eindapparatuur die niet ingeschakeld is voor internettoegangsdiensten. Andere publieke waarschuwingen dan die welke afhankelijk zijn van mobiele, nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten moeten aan eindgebruikers worden toegezonden op een manier die de ontvangst ervan eenvoudig maakt. Indien een publiek waarschuwings­systeem afhankelijk is van een applicatie, mogen eindgebruikers er niet toe worden verplicht in te loggen of zich te registreren bij de instanties of de aanbieder van de applicatie. De locatiegegevens van de eindgebruiker moeten in overeen­stemming met Richtlijn 2002/58/EG worden gebruikt. De toezending van publieke waarschuwingen moet kosteloos zijn voor eindgebruikers. Bij haar herziening van de uitvoering van deze richtlijn kan de Commissie tevens nagaan of het mogelijk is, in overeenstemming met het Unie­recht en indien zulks haalbaar is, één Uniebreed publiek waarschuwingssysteem in te voeren dat het publiek waarschuwt bij een dreigende of een zich voltrekkende ramp, of een ernstige noodsituatie in verschillende lidstaten.

(295)  De lidstaten moeten kunnen nagaan of voorstellen voor andere alternatieve systemen dan die welke afhankelijk zijn van mobiele, nummergebaseerde interpersoonlijke communicatie­diensten echt gelijkwaardig zijn, waarbij de desbetreffende Berec-richtsnoeren nauwgezet in acht worden genomen. Die richtsnoeren moeten worden opgesteld na overleg met de nationale noodhulpinstanties, opdat noodhulpdeskundigen worden betrokken bij de opstelling ervan en de noodhulpinstanties van verschillende lidstaten tot een gemeenschappelijk opvatting komen van wat er nodig is voor de volledige implementatie van zulke publieke waarschuwingssystemen in de lidstaten, opdat de burgers van de Unie daadwerkelijk worden beschermd wanneer zij in een andere lidstaat reizen.

(296)  Overeenkomstig de doelstellingen van het Handvest en de verplichtingen die zijn neer-gelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, moet het regelgevingskader ervoor zorgen dat alle eindgebruikers, met inbegrip ▌van eindgebruikers met een handicap, ouderen en gebruikers met bijzondere sociale behoeften, op eenvoudige wijze gelijkwaardig toegang hebben tot betaalbare kwalitatief goede diensten, ongeacht hun verblijfplaats in de Unie. Verklaring 22, gehecht aan de Slotakte van Amsterdam bepaalt dat de instellingen van de Unie bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 114 VWEU rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap.

(297)  Om ervoor te zorgen dat ▌ eindgebruikers met een handicap kunnen profiteren van de mededinging en van de keuze tussen aanbieders van diensten waarover de meerderheid van de eindgebruikers beschikt, moeten de bevoegde instanties, indien nodig en afhankelijk van de nationale omstandigheden, en na raadpleging van eindgebruikers met een handicap, bepalen aan welke voorschriften inzake consumentenbescherming voor eindgebruikers met een handicap de aanbieders van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten moeten voldoen. Die voorschriften kunnen met name inhouden dat aanbieders ervoor moeten zorgen dat ▌ eindgebruikers met een handicap van hun diensten gebruik kunnen maken op dezelfde gelijkwaardige voorwaarden, prijzen, tarieven en kwaliteit daaronder begrepen, als die welke aan hun andere eindgebruikers worden aangeboden, ongeacht de eventuele extra kosten die daarvoor door die aanbieders gemaakt moeten worden. Andere voorschriften kunnen ook wholesaleregelingen tussen aanbieders betreffen. Om te vermijden dat buitensporige lasten worden gecreëerd voor aanbieders van diensten, moeten de bevoegde instanties nagaan of de doelstellingen van gelijkwaardige toegang en keuze kunnen worden bereikt zonder dergelijke maatregelen.

(298)  In aanvulling op het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten voorziet deze richtlijn in nieuwe, strengere eisen inzake betaal­baarheid en beschikbaarheid van eindapparatuur en specifieke apparatuur en specifieke diensten voor gebruikers met een handicap. Daarom is de desbetreffende verplichting in Richtlijn 2002/22/EG die bepaalt dat de lidstaten de beschikbaarheid van eindapparatuur voor ▌eindgebruikers met een handicap moeten bevorderen, achterhaald en moet deze worden ingetrokken.

(299)  Er is daadwerkelijke mededinging tot stand gekomen in de aanbieding van inlichtingen­diensten en telefoongidsen overeenkomstig onder meer artikel 5 van Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie(42). Om die daadwerkelijke mededinging te handhaven, moeten alle ▌ aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten die nummers uit een nummerplan aan hun eindgebruikers toekennen, verplicht blijven de desbetreffende informatie op een eerlijke, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende wijze ter beschikking te stellen.

(300)  De eindgebruikers moeten worden geïnformeerd over hun recht om te bepalen of zij wensen te worden opgenomen in een telefoongids. Aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten moeten de beslissing van eindgebruikers eerbiedigen wanneer zij gegevens beschikbaar stellen aan verstrekkers van telefoongidsdiensten. Artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG waarborgt het recht op persoonlijke levenssfeer van de eindgebruikers met betrekking tot opname van persoonlijke informatie in een openbare gids.

(301)  Maatregelen op wholesalegebied om te zorgen voor opneming van de gegevens van eindgebruikers in gegevensbanken moeten voldoen aan de waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens krachtens ▌ Verordening (EU) 2016/679en artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG. Er moet een kostengebaseerde levering van die gegevens aan aanbieders van diensten aanwezig zijn, met de mogelijkheid dat de lidstaten een gecentraliseerd mechanisme opzetten voor de verstrekking van volledige, gebundelde gegevens aan aanbieders van telefoonboeken, en de verlening van toegang tot het net op redelijke en transparante voorwaarden, om te waarborgen dat de eindgebruikers ten volle kunnen profiteren van de mededinging, die ruimschoots heeft bijgedragen tot de volledige afschaffing van regulering van die dienst op retailniveau en tot de aanbieding van gidsdiensten op redelijke en transparante voorwaarden.

(302)  Na de afschaffing van de universeledienstverplichting voor gidsdiensten en gezien het bestaan van een functionerende markt voor dergelijke diensten, is het recht op toegang tot telefooninlichtingendiensten niet langer noodzakelijk. De nationale regelgevende instanties moeten echter nog steeds verplichtingen en voorwaarden kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot eindgebruikers controleren, om te zorgen voor toegang tot en concurrentie op die markt.

(303)  Eindgebruikers moeten de garantie hebben dat alle apparatuur die in de Unie wordt verkocht voor de ontvangst van radio in nieuwe voertuigen van categorie M en van digitale televisie, aan de vereiste interoperabiliteit voldoet. De lidstaten moeten voor dergelijke apparatuur minimale geharmoniseerde normen kunnen voorschrijven. Die normen kunnen van tijd tot tijd worden aangepast aan technologische en markt­ontwikkelingen.

(304)  Indien lidstaten besluiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 maatregelen vast te stellen voor de interoperabiliteit van ontvangers voor radio voor consumenten, moeten zij in staat zijn via digitale terrestrische radio-uitzendingen of via IP-netwerken geleverde radiodiensten te ontvangen en weer te geven, zodat de inter­operabiliteit wordt gehandhaafd. Dit kan ook de openbare veiligheid ten goede komen, doordat gebruikers gebruik kunnen maken van een breder scala van technologieën voor toegang tot en ontvangst van informatie over noodsituaties in de lidstaten.

(305)  Het is wenselijk dat consumenten in staat worden gesteld een zo volledig mogelijke aansluiting op digitaletelevisietoestellen tot stand te brengen. Interoperabiliteit is een evoluerend concept op dynamische markten. Normalisatie-instellingen moeten al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat normen de ontwikkeling van betrokken technologieën op passende wijze volgen. Van even groot belang is het ervoor te zorgen dat in digitaletelevisietoestellen connectoren aangebracht zijn die alle noodzakelijke elementen van een digitaal signaal kunnen doorlaten, met inbegrip van audio- en video-streams, voorwaardelijke toegang tot informatie, service-informatie, informatie over de applicatieprogramma-interface (API) en kopieerbeveiligingsinformatie. Derhalve moet met deze richtlijn worden gewaarborgd dat de functionaliteit verbonden met of geïmplementeerd in connectoren niet wordt beperkt door netwerkexploitanten, dienst-verleners of fabrikanten van apparatuur, en dat zij de technologische ontwikkelingen verder blijft volgen. Voor de weergave en presentatie van geconnecteerde televisiediensten wordt de vaststelling van een gemeenschappelijke norm met behulp van een marktgestuurd mechanisme als een voordeel voor de consument erkend. De lidstaten en de Commissie moeten met de verdragen verenigbare beleidsinitiatieven kunnen nemen om die ontwikkeling aan te moedigen.

(306)  De bepalingen inzake interoperabiliteit van radio- en televisieapparatuur voor consumenten verhinderen niet dat autoradio-ontvangers in voertuigen van categorie M in staat zijn via analoge terrestrische radio-uitzendingen geleverde radiodiensten te ontvangen en weer te geven, en die bepalingen beletten de lidstaten niet verplichtingen op te leggen om ervoor te zorgen dat digitaleradio-ontvangers in staat zijn analoge terrestrische radio-uitzendingen te ontvangen en weer te geven.

(307)  Onverminderd het Unierecht, belet deze richtlijn de lidstaten niet om technische voorschriften met betrekking tot digitale terrestrische televisieapparatuur vast te stellen, teneinde zich op de migratie van consumenten naar nieuwe terrestrische omroepnormen voor te bereiden, en apparatuur die niet aan de in te voeren normen voldoet, tegen te houden.

(308)  Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn, in het belang van gewettigde beleids­overwegingen, onder hen ressorterende ondernemingen evenredige doorgifteverplichtingen ("must carry") op te leggen. Dergelijke verplichtingen mogen echter alleen worden op­gelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang te verwezen­lijken die overeenkomstig het Unierecht door de lidstaten duidelijk zijn omschreven, en zij moeten evenredig en transparant zijn. Doorgifteverplichtingen moeten kunnen worden opgelegd met betrekking tot welbepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra faciliteiten die door een gespecificeerde aanbieder van mediadiensten worden aangeboden. Door de lid­staten opgelegde verplichtingen moeten redelijk zijn, dat wil zeggen: zij moeten evenredig en transparant zijn in het licht van duidelijk omschreven doelstellingen van algemeen belang. De lidstaten moeten de doorgifteverplichtingen die zij opleggen, objectief motiveren in hun nationale wetgeving zodat wordt gewaarborgd dat deze transparant, evenredig en duidelijk gedefinieerd zijn. De verplichtingen moeten zodanig ontworpen worden dat zij voldoende stimulansen bieden voor efficiënte investeringen in infra­structuur.

(309)  Doorgifteverplichtingen moeten regelmatig, ten minste om de vijf jaar, worden herzien om ze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen en ervoor te zorgen dat zij evenredig blijven met het beoogde doel. Die verplichtingen kunnen in voorkomend geval een bepaling betreffende een evenredige vergoeding behelzen die in het nationale recht moet worden opgenomen. Indien dat het geval is, dient het nationaal recht eveneens de toe­passelijke methode voor de berekening van een passende vergoeding voor te schrijven. Die methode moet inconsistentie voorkomen in corrigerende maatregelen inzake toe­gang die door de nationale regelgevende instanties kunnen worden opgelegd aan aanbieders van voor omroep gebruikte transmissiediensten die zijn aangewezen als aanbieders met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer echter een vóór … [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] ondertekende overeenkomst met een vaste looptijd in een andere methode voorziet, moet die methode voor de duur van de overeenkomst kunnen blijven worden toegepast. Bij het ontbreken van een nationale bepaling inzake een vergoeding moeten aanbieders van radio- en televisieomroepkanalen en aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die voor de transmissie van die radio- of televisieomroepkanalen worden gebruikt, een contract over een evenredige vergoeding kunnen sluiten.

(310)  Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die worden gebruikt voor de distributie van openbare radio- en televisie-uitzendingen, omvatten kabeltelevisie en IPTV, alsmede satelliet- en terrestrische omroepnetwerken. Voorts kunnen zij andere netwerken omvatten voor zover een significant aantal eindgebruikers die netwerken gebruikt als hun belangrijkste middel voor de ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen. Doorgifte­verplichtingen in verband met analoge transmissies van televisieomroepkanalen mogen uitsluitend worden overwogen wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen voor een aanzienlijk deel van de eindgebruikers een ernstige verstoring zou betekenen of wanneer er geen andere transmissiemiddelen voor bepaalde televisieomroepkanalen zijn. Doorgifteverplichtingen kunnen de doorgifte inhouden van diensten die specifiek bestemd zijn voor het verschaffen van gelijkwaardige toegang aan eindgebruikers met een handicap. Dienovereenkomstig omvatten extra faciliteiten diensten voor betere toegankelijkheid voor eind­gebruikers met een handicap, zoals videotekstdiensten, ondertiteling voor eindgebruikers die doof of slechthorend zijn, audiobeschrijving, gesproken ondertitels of vertaling in gebarentaal, en mogelijk tevens toegang tot de desbetreffende onbewerkte gegevens waar dat nodig is. Gezien de groei van aanbod en ontvangst van geconnecteerde televisiediensten en het aanhoudende belang van EPG's voor de keuze van de eindgebruiker, kan de doorgifte van programmagerelateerde gegevens die nodig zijn voor de ondersteuning van geconnecteerde televisiediensten en EPG-diensten, worden opgenomen in doorgifte­verplichtingen. Die programmagerelateerde gegevens moeten informatie kunnen bevatten over de inhoud van het programma en de manier waarop toegang daartoe kan worden verkregen, maar niet de inhoud van het programma zelf.

(311)  Faciliteiten voor de identificatie van de oproeper zijn in de regel beschikbaar bij moderne telefooncentrales en kunnen bijgevolg in toenemende mate tegen geringe kosten of kosteloos worden aangeboden. De lidstaten zijn niet verplicht het aanbieden van die faciliteiten op te leggen indien deze reeds beschikbaar zijn. Richtlijn 2002/58/EG garandeert de privacy van de gebruiker met betrekking tot de gespecificeerde rekeningen, door hem de mogelijkheid te bieden om zijn recht op privacy te beschermen wanneer identificatie van de oproepende lijn mogelijk is. De ontwikkeling van die diensten op pan-Europese basis zal de consument ten goede komen en wordt door deze richtlijn gestimuleerd. Een gebruikelijke praktijk van aanbieders van internettoegangsdiensten is klanten een e-mailadres te verstrekken waarop hun handelsnaam of -merk staat. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers geen lock-ineffecten ondervinden als gevolg van het risico van verlies van toegang tot hun e-mails wanneer zij van internettoegangsdienst veranderen, moeten de lidstaten verplichtingen kunnen opleggen aan aanbieders van dergelijke diensten om, hetzij op verzoek toegang tot hun e-mails te bieden, hetzij e-mails door te sturen naar het e-mailadres. Die faciliteit moet kosteloos zijn en geldig zijn voor een tijdsduur die passend wordt geacht door de nationale regelgevende instantie.

(312)  De publicatie van informatie door de lidstaten zal ervoor zorgen dat marktpartijen en potentiële nieuwe aanbieders hun rechten en verplichtingen kennen en weten waar zij nadere gegevens kunnen vinden. Publicatie in nationale publicatiebladen draagt ertoe bij dat geïnteresseerde partijen in andere lidstaten de nodige informatie kunnen verkrijgen.

(313)  Teneinde de effectiviteit en doelmatigheid van de pan-Europese elektronischecommunicatiemarkt te waarborgen, dient de Commissie controle uit te oefenen op en informatie te publiceren over de kosten aan de hand waarvan de prijs aan de eindverbruiker wordt berekend.

(314)  Om te kunnen nagaan of het Unierecht correct wordt toegepast dient de Commissie te weten welke ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zijn aangewezen en welke verplichtingen door de nationale regelgevende instanties aan marktpartijen zijn opgelegd. Het is dus noodzakelijk dat de lidstaten die informatie niet alleen publiceren op nationaal niveau, maar ook bij de Commissie indienen. Als de Commissie van de lidstaten informatie verlangt, moet die informatie met elektronische middelen kunnen worden toegezonden, mits passende verificatieprocedures worden overeengekomen.

(315)  Teneinde rekening te houden met markt-, sociale en technologische ontwikkelingen, met inbegrip van de ontwikkeling van technische normen, de risico’s voor de beveiliging van netwerken en diensten te ondervangen, en te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de vaststelling van een uniform Uniebreed tarief voor gespreksafgifte in vaste en mobiele markten ▌, de vaststelling van maatregelen inzake noodcommunicatie in de Unie en de aanpassing van de bijlagen ▌bij deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(43). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(316)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om besluiten te nemen om grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten op te lossen; om een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak voor te schrijven voor het aanpakken van de inconsequente uitvoering, door de nationale regelgevende instanties, van algemene regelgeving betreffende elektronischecommunicatiemarkten, alsook van de nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de overdraagbaarheid van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de hulpdiensten via het uniforme Europese alarmnummer 112; om de tenuitvoerlegging van normen of specificaties verplicht te stellen, of normen of specificaties uit het verplichte deel van de lijst van normen te verwijderen; om de technische en organisatorische maatregelen te nemen om de risico's voor de veiligheid van de netwerken of diensten, de omstandigheden, de formats en de procedures die gelden voor kennisgeving van beveiligingsincidenten, goed te beheersen; om de relevante details in verband met verhandelbare individuele rechten voor het publiek beschikbaar te maken in een gestandaardiseerd elektronisch format zodra de gebruiksrechten voor radiospectrum tot stand zijn gebracht; om de fysieke en technische kenmerken van draadloze toegangspunten met klein bereik vast te stellen; om toe te staan of te verhinderen dat een nationale regelgevende instantie aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht bepaalde verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie oplegt; om specifieke nummers of nummerreeksen te harmoniseren met het doel tegemoet te komen aan een onbeantwoorde grensoverschrijdende of pan-Europese vraag naar nummervoorraden; en om het model van de samenvatting van het contract voor gebruikers vast te leggen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeen­stemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(44).

(317)  Ten slotte moet de Commissie, indien nodig, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, aanbevelingen kunnen vaststellen met betrekking tot de identificatie van de relevante product- en dienstenmarkten, de kennisgevingen in het kader van de procedure voor het consolideren van de interne markt en de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader.

(318)  De Commissie moet de werking van deze richtlijn op gezette tijden evalueren, met name om na te gaan of zij in het licht van veranderende technologische of marktomstandigheden moeten worden gewijzigd.

(319)  Bij de evaluatie van de werking van deze richtlijn moet de Commissie beoordelen of er, gelet op de ontwikkelingen op de markt en zowel met betrekking tot de mededinging als tot de consumentenbescherming, nog steeds behoefte is aan de bepalingen betreffende sectorspecifieke regulering ex-ante dan wel of deze bepalingen moeten worden gewijzigd of ingetrokken. Aangezien deze richtlijn voorziet in nieuwe benaderingen van de regelgeving inzake elektronische communicatie, waaronder de mogelijkheid om de toepassing uit te breiden van symmetrische verplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie en van de regelgevende behandeling van mede-investeringen, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de beoordeling van hun prestaties.

(320)  Toekomstige technologische en marktontwikkelingen, met name veranderingen in het gebruik van verschillende elektronischecommunicatiediensten en hun vermogen om te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot noodhulpdiensten, kunnen de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn inzake de rechten van eindgebruikers in het gedrang brengen. Daarom moet Berec die ontwikkelingen in de lidstaten volgen en regelmatig adviezen uit­brengen, met inbegrip van een beoordeling van de gevolgen van die ontwikkelingen voor de toepassing in de praktijk van de bepalingen van deze richtlijn die betrekking hebben op eindgebruikers. De Commissie moet, zo veel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, een verslag publiceren en een wetgevingsvoorstel indienen indien zij dit noodzakelijk acht om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken.

(321)  Richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG, 2002/22/EG en artikel 5 van Besluit nr. 243/2012/EU moeten worden ingetrokken.

(322)  De Commissie dient toe te zien op de overgang van het bestaande kader naar het nieuwe kader.

(323)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de totstandbrenging van een geharmoniseerd en vereenvoudigd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, van de voorwaarden voor de vergunning van netwerken en diensten, van radiospectrumgebruik en van nummervoorraden, van de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten en van de bescherming van de eindgebruiker, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maat­regelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheids­beginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(324)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(45) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettings­maatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettings­instrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(325)  De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de ingetrokken richtlijnen substantieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de ingetrokken richtlijnen.

(326)  Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

DEEL I

KADER (ALGEMENE REGELS VOOR DE ORGANISATIE VAN DE SECTOR)

TITEL I

TOEPASSINGSGEBIED, DOEL, DOELSTELLINGEN EN DEFINITIES

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, DOEL EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp, toepassingsgebied en doelen

1.  Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, evenals inzake bepaalde aspecten van eindapparatuur vastgesteld. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties en, indien van toepassing, van andere bevoegde instanties vast, alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Unie te waarborgen.

2.  Deze richtlijn heeft tot doel:

a)  een interne markt voor elektronischecommunicatie­netwerken en -diensten te realiseren, die leidt tot het opzetten en benutten van netwerken met zeer hoge capaciteit, duurzame concurrentie, interoperabiliteit van elektronische­communicatiediensten, toegankelijkheid, veiligheid van netwerken en diensten en voordelen voor de eindgebruiker; en

b)  ervoor te zorgen dat door middel van daadwerkelijke mededinging en keuzevrijheid in de gehele Unie voor het publiek beschikbare diensten van hoge kwaliteit tegen een betaalbare prijs worden aangeboden, maatregelen vast te stellen voor situaties waarin de markt niet op bevredigende wijze voorziet in de behoeften van eindgebruikers, onder wie ▌eindgebruikers met een handicap om op voet van gelijkheid met anderen toegang te hebben tot de diensten, en de noodzakelijke rechten van eind­gebruikers vast te stellen.

3.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan:

a)  verplichtingen die door het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht of door het Unierecht zijn opgelegd met betrekking tot diensten die worden geleverd met behulp van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;

b)  de maatregelen die op Unie- of nationaal niveau overeenkomstig het Unierecht zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder wat betreft de bescherming van persoonsgegevens en privacy, regulering van de inhoud en audiovisueel beleid;

c)  de acties die door de lidstaten zijn genomen met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie;

d)  Verordeningen (EU) nr. 531/2012 en (EU) 2015/2120, en Richtlijn 2014/53/EU.

4.  De Commissie, het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie ("Berec") en de betrokken instanties zorgen ervoor dat bij de verwerking van persoonsgegevens de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming worden nageleefd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)  "elektronischecommunicatienetwerk": de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheerscapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerk­elementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satelliet­netwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;

2)  "netwerk met zeer hoge capaciteit": hetzij een netwerk voor elektronische communicatie dat ▌ ten minste tot aan het distributiepunt volledig uit optische-vezelelementen bestaat, hetzij een elektronischecommunicatienetwerk dat, in gebruikelijke piekomstandigheden, in staat is om soortgelijke netwerkprestaties te bieden wat betreft downlink- en uplink­bandbreedte, veerkrachtigheid van het netwerk, parameters met betrekking tot fouten, latentietijden en de veranderingen daarin; de netwerkprestaties kunnen ook als vergelijk­baar worden beschouwd als de eindgebruiker een andere gebruikservaring heeft vanwege de inherent verschillende kenmerken van het medium dat op het netwerk wordt aangesloten;

3)  "transnationale markten": overeenkomstig artikel 65 gedefinieerde markten die de Unie of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;

4)  "elektronischecommunicatiedienst": een gewoonlijk tegen vergoeding via elektronische­communicatienetwerken aangeboden dienst, die, met uitzondering van diensten waarbij met behulp van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd, de volgende soorten diensten omvat:

a)  "internettoegangsdienst" in de zin van artikel 2, tweede alinea, punt 2, van Verordening (EU) 2015/2120;

b)  interpersoonlijke communicatiedienst; en

c)  diensten die geheel of hoofdzakelijk bestaan in het overbrengen van signalen zoals transmissiediensten die voor het verlenen van intermachinale diensten en voor omroep worden gebruikt;

5)  "interpersoonlijke communicatiedienst": een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die directe persoonlijke en interactieve uitwisseling van informatie via elektronische­communicatienetwerken tussen een eindig aantal personen mogelijk maakt, waarbij de personen die de communicatie starten of eraan deelnemen, bepalen welke de ontvangers zijn, en die geen diensten omvat die persoonlijke en interactieve communicatie mogelijk maken als een louter bijkomstig kenmerk dat onlosmakelijk verbonden is met een andere dienst;

6)  "nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst": een interpersoonlijke communicatie­dienst die verbinding maakt met openbaar toegewezen nummervoorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale ▌ nummer­plannen, of die communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale ▌ nummerplannen;

7)  "nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst": een interpersoonlijke communicatie­dienst die geen verbinding maakt met openbaar toegewezen nummer­voorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of inter­nationale ▌ nummerplannen, of die geen communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale ▌ nummerplannen;

8)  "openbaar elektronischecommunicatienetwerk": een elektronischecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatie­diensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerk­aansluitpunten;

9)  "netwerkaansluitpunt": het fysieke punt waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar elektronischecommunicatienetwerk wordt geboden, en dat, in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties, wordt bepaald door middel van een specifiek netwerkadres dat met een nummer of naam van een eindgebruiker kan zijn verbonden;

10)  "bijbehorende faciliteiten": de bij een elektronischecommunicatienetwerk of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk of dienst mogelijk maken of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;

11)  "bijbehorende dienst": een bij een elektronischecommunicatienetwerk of een elektronischecommunicatiedienst behorende dienst die het aanbieden, het zelf verstrekken of het geautomatiseerd aanbieden van diensten via dat netwerk of dienst mogelijk maakt of ondersteunt of het potentieel hiertoe bezit en nummer­vertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangs­systemen en elektronische programmagidsen (EPG's), ▌ alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvat;

12)  "systeem voor voorwaardelijke toegang": elke technische maatregel, authenticatiesysteem en/of regeling waarbij toegang tot een beschermde radio- of televisieomroepdienst in begrijpelijke vorm afhankelijk wordt gemaakt van een abonnement of een andere vorm van voorafgaande individuele machtiging;

13)  "gebruiker": een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst;

14)  "eindgebruiker": een gebruiker die geen openbaar elektronischecommunicatienetwerk of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbiedt;

15)  "consument": een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;

16)  "aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk": het bouwen, exploiteren, leiden of beschikbaar stellen van een dergelijk netwerk;

17)  "geavanceerde digitale eindapparatuur": kastjes met converter en decoder en geïntegreerde digitaletelevisietoestellen voor de ontvangst van de digitale interactieve televisiediensten;

18)  "Application Programming Interface" (toepassingsprogrammaverbinding) of "API": een software interface tussen externe toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen, dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur;

19)  "radiospectrumtoewijzing": de aanwijzing van een specifieke radiospectrumband voor gebruik door een of meer soorten radiocommunicatiediensten, in voorkomend geval onder duidelijk omschreven voorwaarden;

20)  "schadelijke interferentie": interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, Unie- of nationale voorschriften werkende radiocommunicatie­dienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;

21)  "beveiliging van netwerken en diensten": het vermogen van elektronischecommunicatie­netwerken en -diensten om met een bepaalde mate van betrouwbaarheid bestand te zijn tegen acties die de beschikbaarheid, authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid van die netwerken en diensten, van de opgeslagen, verzonden of verwerkte gegevens, of van de daaraan gerelateerde diensten die via die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten worden aangeboden of toegankelijk zijn, in gevaar brengen;

22)  "algemene machtiging": regelgeving door een lidstaat waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die overeenkomstig de richtlijn kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn;

23)  "draadloos toegangspunt met een klein bereik": draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, gebruikmaakt van vergunningsplichtig of vergunningvrij radiospectrum of van een combinatie van beide, deel kan uitmaken van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact, en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is;

24)  "Radio Local Area Network" of "RLAN": een draadloos toegangssysteem met laag vermogen dat binnen een klein bereik werkt, met een laag risico op interferentie met andere dergelijke systemen die in de nabijheid door andere gebruikers zijn opgesteld, dat op niet-exclusieve basis geharmoniseerd radiospectrum gebruikt;

25)  "geharmoniseerd radiospectrum": radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden in verband met de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik ervan zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG;

26)  "gedeeld gebruik van radiospectrum": toegang door twee of meer gebruikers om gebruik te maken van dezelfde radiospectrumbanden in het kader van een bepaalde regeling inzake gedeeld gebruik, toegestaan ▌ op basis van een algemene machtiging, individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of een combinatie daarvan, met inbegrip van regelgevingsbenaderingen, zoals vergunningsplichtige gedeelde toegang, die als doel hebben het gedeeld gebruik van een radiospectrumband te vergemakkelijken, en onderworpen aan een bindende overeenkomst tussen alle betrokken partijen, overeenkomstig de regels inzake gedeeld gebruik die zijn opgenomen in hun gebruiksrechten voor radiospectrum, zodat aan alle gebruikers voorspelbare en betrouwbare regelingen inzake delen kunnen worden gewaarborgd, en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het mededingingsrecht;

27)  "toegang": het beschikbaar stellen van faciliteiten of diensten aan een andere onder­neming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve, hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of het aan­bieden van diensten van de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen. Deze term omvat onder meer toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onder­houds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, ▌ met name voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitaletelevisie­diensten en toegang tot virtuele netwerkdiensten;

28)  "interconnectie": een specifiek type toegang dat tussen exploitanten van openbare netwerken wordt gerealiseerd door het fysiek en logisch verbinden van openbare elektronischecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden, wanneer die diensten worden aangeboden door de betrokken partijen of andere partijen die toegang hebben tot het netwerk;

29)  "exploitant": onderneming die een openbaar elektronischecommunicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden;

30)  "aansluitnet": fysiek pad dat door elektronischecommunicatiesignalen wordt gebruikt en dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een verdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare elektronischecommunicatienetwerk;

31)  "oproep": door middel van een voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die tweewegspraakcommunicatie mogelijk maakt;

32)  "spraakcommunicatiedienst": een voor het publiek beschikbare elektronische­communicatiedienst voor direct of indirect uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal ▌ nummerplan;

33)  "geografisch nummer": een nummer van een nationaal ▌ nummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt;

34)  "niet-geografisch nummer": een nummer van een nationaal ▌ nummerplan dat geen geografisch nummer is, zoals nummers voor mobiel bellen, kosteloze nummers en betaalnummers;

35)  "dienst voor totale conversatie": een multimediale dienst voor realtime conversatie die bidirectionele symmetrische realtime overdracht van videofilm, realtime tekst en stem tussen gebruikers in twee of meer locaties biedt;

36)  "alarmcentrale" of "PSAP" (Public Safety Answering Point): de fysieke locatie waar nood­communicatie eerst wordt ontvangen onder de verantwoordelijkheid van een openbare instantie of een door de overheid erkende private organisatie;

37)  "meest geschikte alarmcentrale": een alarmcentrale die door de bevoegde instanties is opgericht om noodcommunicatie uit een bepaald gebied of van een bepaald type te behandelen;

38)  "noodcommunicatie": communicatie door middel van interpersoonlijke communicatiediensten tussen een eindgebruiker en de alarmcentrale met het doel noodhulp te vragen en te ontvangen van hulpdiensten;

39)  "noodhulpdienst": een als zodanig door de lidstaat erkende dienst die onmiddellijk spoedhulp verleent in situaties waarin er met name sprake is van direct gevaar voor lijf en leden, de individuele of volksgezondheid of de individuele of openbare veiligheid, eigendommen van particulieren of van de overheid of het milieu, overeenkomstig het nationale recht;

40)  "informatie over de locatie van de oproeper": in een openbaar mobiel netwerk, de verwerkte gegevens, afkomstig van netwerkinfrastructuur of van handsets, waaruit de geografische positie van de mobiele eindapparatuur van een eindgebruiker blijkt en, in een openbaar vast netwerk, de gegevens over het fysieke adres van het netwerkaansluitpunt;

41)  "eindapparatuur": eindapparatuur in de zin van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 2008/63/EG van de Commissie(46);

42)  "beveiligingsincident": een gebeurtenis met een daadwerkelijk schadelijk effect op de beveiliging van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN

Artikel 3

Algemene doelstellingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die noodzakelijk en evenredig zijn voor de verwezenlijking van de in lid 2 genoemde doelstellingen. Ook de lidstaten, de Commissie, de Beleidsgroep Radiospectrum en Berec dragen bij tot de verwezenlijking van die doelstellingen.

De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties dragen binnen hun bevoegdheden bij tot het waarborgen van de uitvoering van beleid ter bevordering van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, culturele en talendiversiteit en pluri­formiteit in de media.

2.  De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, alsmede Berec, de Commissie en de lidstaten streven in het kader van deze richtlijn de volgende – in willekeurige volgorde weergegeven – algemene doelstellingen na, :

a)  bevorderen van de connectiviteit met en toegang tot, alsmede de benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, met inbegrip van vaste ▌, mobiele en draadloze netwerken, voor alle burgers en bedrijven van de Unie;

b)  bevorderen van de mededinging bij het aanbieden van elektronischecommunicatie­netwerken en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van efficiënte concurrentie op basis van infrastructuur, en bij het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende diensten;

c)  bijdragen tot de ontwikkeling van de interne markt door het opheffen van resterende belemmeringen voor en het bevorderen van convergerende voorwaarden voor investeringen in en het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, in de gehele Unie, door het ontwikkelen van gemeenschappelijke regels en voor­spelbare regelgeving, en door het bevorderen van doeltreffend, efficiënt en gecoördineerd gebruik van het radiospectrum, open innovatie, het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken, de verstrekking, de beschikbaarheid en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten, en eind-tot-eind connectiviteit;

d)  bevorderen van de belangen van de burgers van de Unie, ▌door te zorgen voor connectiviteit met, en ruime beschikbaarheid en benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, waaronder vaste ▌, mobiele en draadloze netwerken, en van elektronischecommunicatiediensten, door erop toe te zien dat op grond van daad­werkelijke mededinging optimaal kan worden geprofiteerd wat betreft keuze, prijs en kwaliteit, door de beveiliging van netwerken en diensten te handhaven, door een hoog gemeenschappelijk beschermingsniveau voor eindgebruikers te waarborgen via de nodige sectorspecifieke regels, en door aandacht te schenken aan de behoeften, zoals▌betaalbare prijzen, voor specifieke maatschappelijke groeperingen, met name ▌ eindgebruikers met een handicap, oudere eindgebruikers en eindgebruikers met speciale sociale behoeften, evenals keuzevrijheid en gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap.

3.  Indien de Commissie benchmarks en verslagen over de doeltreffendheid van de maat­regelen van de lidstaten opstelt ter verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in lid 2, wordt zij zo nodig bijgestaan door de lidstaten, de nationale regelgevende instanties, Berec en de Beleidsgroep Radiospectrum.

4.  Bij het nastreven van de in lid 2 bedoelde en in dit lid gespecificeerde beleids­doelstellingen doen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties onder meer het volgende:

a)  zij bevorderen de voorspelbaarheid van de regelgeving door middel van een consistente aanpak van de regelgeving tijdens geschikte herzieningsperioden en door samen te werken met elkaar, ▌met Berec, met de Beleidsgroep Radiospectrum en ▌ met de Commissie;

b)  zij waarborgen dat er bij gelijke omstandigheden geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten;

c)  zij passen het Unierecht toe op technologisch neutrale wijze, voor zover dat in overeenstemming is met de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 2;

d)  zij bevorderen efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en betere infra­structuur, onder meer door ervoor te zorgen dat er in de toegangsverplichtingen voldoende rekening wordt gehouden met de risico's die de investerende onder­nemingen lopen, en door samenwerkingsafspraken toe te staan tussen investeerders en partijen die toegang willen hebben teneinde het investeringsrisico te spreiden, waarbij ervoor wordt gewaakt dat de mededinging op de markt en het non-discriminatiebeginsel niet in het gedrang komen;

e)  zij houden naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden betreffende infrastructuur, mededinging, de omstandigheden van eindgebruikers en met name van consumenten die in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan, inclusief lokale infrastructuur die door natuurlijke personen zonder winstoogmerk wordt beheerd;

f)  zij leggen voorafgaande regelgevende verplichtingen uitsluitend op voor zover dit noodzakelijk is om, in het belang van de eindgebruiker, effectieve en duurzame mededinging te waarborgen, en zij verlichten die verplichtingen of heffen ze op zodra er aan die voorwaarde is voldaan.

De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties onpartijdig, objectief, transparant en op niet-discriminerende en evenredige wijze handelen.

Artikel 4

Strategische planning en coördinatie van het radiospectrumbeleid

1.  De lidstaten werken met elkaar en met de Commissie samen bij de strategische planning, coördinatie en harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Unie, overeen­komstig het Uniebeleid voor de totstandbrenging en werking van de interne markt voor elektronische communicatie. Daartoe houden zij onder meer rekening met de economische, veiligheids- en gezondheidsaspecten van het Uniebeleid, met maat­schappelijke belangen, ▌met de vrije meningsuiting, met culturele, wetenschappelijke, sociale en technische aspecten van het Uniebeleid, alsmede met de uiteenlopende belangen van de kringen van radiospectrumgebruikers, met het oog op de optimalisatie van het gebruik van het radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie.

2.  Door met elkaar en met de Commissie samen te werken, bevorderen de lidstaten de coördinatie van het radiospectrumbeleid in de Unie en, in voorkomend geval, de harmonisatie van de voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die vereist zijn voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt op het gebied van elektronische communicatie.

3.  De lidstaten ▌ werken via de Beleidsgroep Radiospectrum samen met elkaar en met de Commissie, overeenkomstig lid 1, en, op hun verzoek, met het Europees Parlement en met de Raad, ter ondersteuning van de strategische planning en de coördinatie van het radiospectrumbeleid in de Unie, en wel door:

a)  met het oog op de uitvoering van deze richtlijn beste praktijken te ontwikkelen voor zaken die verband houden met het radiospectrum;

b)  met het oog op de uitvoering van deze richtlijn en ander Unierecht, alsook om bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt, de coördinatie tussen de lidstaten te vergemakkelijken;

c)  hun beleid voor de toekenning van radiospectrum en de machtiging van radio­spectrum­gebruik te coördineren en rapporten of adviezen uit te brengen over zaken die verband houden met radiospectrum.

Berec neemt deel aan de samenwerking als het gaat om zijn bevoegdheden betreffende marktregulerings- en mededingingsbevoegdheden op radiospectrum­vlak.

4.  De Commissie kan, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleids­groep Radiospectrum, ▌wetgevingsvoorstellen bij het Europees Parlement en de Raad indienen tot vaststelling van meerjarenprogramma’s voor het radiospectrumbeleid, tot uitstippeling van de beleidslijnen en -doelstellingen voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik overeenkomstig deze richtlijn en tot beschikbaarstelling van een geharmoniseerd radiospectrum voor gedeeld of niet aan individuele gebruiksrechten verbonden gebruik.

TITEL II

INSTITUTIONELE STRUCTUUR EN GOVERNANCE

HOOFDSTUK I

NATIONALE REGELGEVENDE INSTANTIES EN ANDERE BEVOEGDE INSTANTIES

Artikel 5

Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat alle taken die in deze richtlijn zijn vastgesteld, door een bevoegde instantie worden uitgevoerd.

Binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn de nationale regelgevende instanties ▌ten minste bevoegd om:

a)  marktregulering ex ante uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van verplichtingen op het gebied van toegang en interconnectie;

b)  ervoor te zorgen dat geschillen tussen ondernemingen ▌worden opgelost;

c)   radiospectrumbeheer en -besluiten uit te voeren dan wel, indien die taken aan andere bevoegde instanties worden toegewezen, advies te verstrekken over de markt­vormings‑ en mededingingselementen ▌van nationale procedures in verband met radiospectrumgebruiksrechten voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten;

d)   bij te dragen aan de bescherming van de rechten van de eindgebruiker ▌in de sector van de elektronische communicatie, in voorkomend geval in coördinatie met andere bevoegde instanties;

e)  marktvormings- en mededingingsvraagstukken inzake open-internettoegang te beoordelen en nauwlettend te volgen;

f)   ▌de oneerlijke belasting te beoordelen en de nettokosten te berekenen van het aanbieden van universele dienst;

g)  nummeroverdraagbaarheid tussen aanbieders te waarborgen;

h)  alle andere taken uit te voeren die door deze richtlijn aan nationale regelgevende instanties worden voorbehouden.

De lidstaten kunnen andere taken waarin deze richtlijn en ander Unierecht voorzien, toewijzen aan nationale regelgevende instanties, met name taken in verband met markt­concurrentie of markttoegang, zoals algemene machtiging, en taken in verband met eender welke aan Berec toegekende rol. Indien die taken in verband met marktconcurrentie of markttoegang worden toegewezen aan andere bevoegde instanties, trachten deze, voordat er een besluit wordt genomen, de nationale regelgevende instantie te raadplegen. Teneinde bij te dragen aan de taken van Berec mogen nationale regel­gevende instanties de benodigde gegevens en andere informatie van marktdeelnemers verzamelen.

De lidstaten kunnen daarnaast, uit hoofde van nationaal recht, met inbegrip van nationaal recht tot uitvoering van Unierecht, andere taken aan nationale regelgevende instanties toewijzen.

De lidstaten bevorderen, bij het omzetten van deze richtlijn wat betreft de toewijzing van taken die voortvloeien uit het regelgevend kader van de Unie voor elektronische communicatie, zoals gewijzigd in 2009, in het bijzonder de stabiliteit van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties.

2.  Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties van dezelfde lidstaat of van verschillende lidstaten ▌maken, waar nodig, samenwerkingsafspraken met elkaar ▌ter bevordering van samenwerking op het gebied van regelgeving.

3.  De lidstaten maken de door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties uit te voeren taken op een gemakkelijk toegankelijke wijze bekend, met name wanneer die taken aan meer dan één lichaam worden toegewezen. De lidstaten zorgen in voorkomend geval voor overleg en samenwerking tussen die instanties onderling en tussen die instanties en de nationale instanties belast met de uitvoering van het mededingingsrecht of het consumentenrecht, in aan­gelegenheden van gemeenschappelijk belang. Indien meer dan één instantie bevoegd is om die aangelegenheden te behandelen, zorgen de lidstaten ervoor dat de respectieve taken van elke instantie in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt worden.

4.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties waaraan krachtens deze richtlijn taken zijn opgedragen, en van hun onderscheiden verantwoordelijkheden, alsook van eventuele wijzigingen daarvan.

Artikel 6

Onafhankelijkheid van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties

1.  De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties en van andere bevoegde instanties door ervoor te zorgen dat zij juridisch gezien onder­scheiden zijn van en functioneel onafhankelijk zijn van een natuurlijke of rechtspersoon die elektronischecommunicatienetwerken, -apparatuur of -diensten aanbieden. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden, behouden, zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze en tijdig uitoefenen. De lidstaten zien erop toe dat zij over voldoende technische, financiële en menselijke middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren.

Artikel 7

Benoeming en ontslag van leden van nationale regelgevende instanties

1.  Het hoofd van een nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie, of hun plaatsvervangers, worden benoemd voor een ambtstermijn van ten minste drie jaar uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring, op basis van verdienste, vaardig­heden, kennis en ervaring, en na een open en transparante selectieprocedure. ▌De lid­staten zorgen voor continuïteit in de besluitvorming ▌.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat het hoofd van een nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie, of hun plaatsvervangers, tijdens hun ambtstermijn alleen kunnen worden ontslagen indien zij niet meer aan de vóór hun benoeming in de nationale wetgeving vastgestelde eisen voor de uitoefening van dat ambt voldoen.

3.  Het besluit om het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de betrokken nationale regelgevende instantie te ontslaan, wordt openbaar gemaakt op het moment van ontslag. Het ontslagen hoofd of, in voorkomend geval, de ontslagen leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de nationale regelgevende instantie ontvangen een motivering en hebben het recht de openbaarmaking daarvan te verlangen. Indien die motivering niet openbaar gemaakt is, dan wordt zij op aanvraag van die persoon openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen ervoor dat dat besluit aan rechterlijke toetsing kan worden onderworpen, zowel wat feitenkwesties betreft, als wat rechtsvragen betreft.

Artikel 8

Politieke onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht van de nationale regelgevende instanties

1.  Onverminderd artikel 10 treden de nationale regelgevende instanties onafhankelijk en objectief op, ook bij het ontwikkelen van interne procedures en de organisatie van het personeel, functioneren zij op transparante wijze en leggen zij daarvoor overeenkomstig het Unierecht verantwoording af, en vragen of aanvaarden zij geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het Unierecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet. Alleen beroeps­instanties die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 31, zijn bevoegd besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen of ongedaan te maken.

2.  De nationale regelgevende instanties brengen jaarlijks verslag uit, onder meer over de toestand van de markt voor elektronische communicatie, over de besluiten die zij nemen, over hun personele en financiële middelen en hoe die middelen worden toegewezen, en over toekomstige plannen. Die verslagen worden openbaar gemaakt.

Artikel 9

Regelgevingscapaciteit van nationale regelgevende instanties

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen en over autonomie in de uitvoering van de toegewezen begroting beschikken. Die begrotingen worden openbaar gemaakt.

2.  Onverminderd de verplichting om ervoor te zorgen dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële en personele middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren, belet de financiële autonomie niet dat er toezicht of controle is overeenkomstig het nationale grondwettelijke recht. Elke controle op de begroting van de nationale regelgevende instanties wordt op een transparante manier uitgevoerd en openbaar gemaakt.

3.  De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële middelen en personeel beschikken om hen in staat te stellen actief deel te nemen en bij te dragen aan Berec.

Artikel 10

Deelname van de nationale regelgevende instanties aan Berec

1.  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de doelstellingen van Berec wat het bevorderen van de coördinatie van de regelgeving en van de consistentie betreft, actief worden ondersteund door hun respectieve nationale regelgevende instanties.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de aanneming van hun beslissingen voor hun nationale markten zeer zorgvuldig rekening houden met door Berec aangenomen richtsnoeren, adviezen, aanbevelingen, gemeenschappelijk stand­punten, beste praktijken en methodologieën.

Artikel 11

Samenwerking met nationale instanties

De nationale regelgevende instanties, andere in het kader van deze richtlijn bevoegde instanties en de nationale mededingingsinstanties leveren elkaar de informatie die nodig is voor de toepassing van deze richtlijn. Ten aanzien van de uitgewisselde informatie zijn de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming van toepassing en is de ontvangende instantie gehouden hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid in acht te nemen als dat van de informatieverstrekkende instantie.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE MACHTIGING

AFDELING 1

ALGEMEEN DEEL

Artikel 12

Algemene machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten

1.  De lidstaten waarborgen de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Te dien einde mogen de lidstaten een onderneming niet beletten elektronische­communicatie­netwerken en -diensten aan te bieden, tenzij dat noodzakelijk is om de in artikel 52, lid 1, VWEU vermelde redenen. Elke dergelijke beperking van de vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de Commissie.

2.  Het aanbieden van andere elektronischecommunicatienetwerken of -diensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatie­diensten kan, onverminderd de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, en de gebruiksrechten van de artikelen 46 en 94, alleen worden onderworpen aan een algemene machtiging.

3.  Indien een lidstaat van oordeel is dat een kennisgevingsvereiste gerechtvaardigd is voor ondernemingen die aan een algemene machtiging zijn onderworpen, mag die lidstaat van dergelijke ondernemingen uitsluitend verlangen dat zij bij de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie een kennisgeving indienen. De lid­staat mag van die ondernemingen niet verlangen dat zij een expliciet besluit of andere bestuurshandeling van die instantie of van een andere instantie verkrijgen alvorens de uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen.

Na de eventueel vereiste kennisgeving ▌kan een onderneming haar activiteiten aanvangen, waar nodig met inachtneming van de bepalingen inzake gebruiksrechten krachtens deze richtlijn. ▌

4.  De in lid 3 bedoelde kennisgeving behelst niet meer dan een verklaring waarmee een natuurlijke of rechtspersoon de nationale regulerende of andere bevoegde instantie in kennis stelt van zijn voornemen om te beginnen met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en de indiening van de minimuminformatie die nodig is om Berec en die instantie in staat te stellen een register of lijst van aanbieders van elektronischecommunicatie­netwerken en -diensten bij te houden. Die informatie moet beperkt blijven tot:

a)  de naam van de aanbieder;

b)  de rechtsstatus, de vorm en het registratienummer van de aanbieder, de plaats waar de aanbieder ingeschreven staat in een handelsregister of een soortgelijk openbaar register in de Unie;

c)  in voorkomend geval, het geografische adres van de hoofdvestiging van de aanbieder in de Unie en, in voorkomend geval, van elk bijkantoor in een lidstaat;

d)  in voorkomend geval, het websiteadres van de aanbieder dat wordt gebruikt voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten;

e)  een contactpersoon en contactgegevens;

f)  een korte beschrijving van de aan te bieden netwerken of diensten;

g)  de betrokken lidstaten; en

h)  de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan.

De lidstaten leggen geen aanvullende of afzonderlijke kennisgevingseisen op.

Om de kennisgevingsvoorschriften te harmoniseren, publiceert Berec richtsnoeren voor het model van kennisgeving en onderhoudt het een Uniedatabank met de aan de bevoegde instanties toegezonden kennisgevingen. Daartoe zenden de bevoegde instanties Berec onverwijld langs elektronische weg alle ontvangen kennisgevingen toe. Kennisgevingen aan de bevoegde instanties vóór … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] worden uiterlijk … [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan Berec toegezonden.

Artikel 13

Voorwaarden die aan de algemene machtiging en de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden kunnen worden verbonden, en specifieke verplichtingen

1.  De algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en de gebruiksrechten voor radiospectrum en gebruiksrechten voor nummervoorraden kunnen alleen aan de in bijlage I genoemde voorwaarden worden onderworpen. Die voorwaarden moeten niet‑discriminerend, evenredig en transparant zijn. In het geval van gebruiksrechten voor radiospectrum verzekeren die voorwaarden het doeltreffende en doelmatige gebruik ervan, en zijn ze in overeenstemming met de artikelen 45 en 51, en, in het geval van gebruiksrechten voor nummervoorraden, met artikel 94.

2.  Specifieke verplichtingen die kunnen worden opgelegd aan ondernemingen die elektronische­communicatienetwerken en -diensten aanbieden krachtens ▌ artikel 61, leden 1 en 5, en de artikelen 62, 68 en 83 of aan ondernemingen die zijn aangewezen voor het aanbieden van de universele dienst overeenkomstig deze richtlijn, moeten juridisch gescheiden zijn van de rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging. Met het oog op transparantie worden de criteria en procedures voor het opleggen van dergelijke specifieke verplichtingen aan individuele ondernemingen in de algemene machtiging genoemd.

3.  In de algemene machtiging worden alleen voorwaarden opgenomen die specifiek zijn voor de betrokken sector en die genoemd zijn in de delen A, B en C van bijlage I, en worden geen voorwaarden opgenomen die reeds krachtens andere nationale rechtsregels voor ondernemingen gelden.

4.  De lidstaten leggen de voorwaarden van de algemene machtiging niet nogmaals op wanneer zij het gebruiksrecht voor radiospectrum of voor nummervoorraden verlenen.

Artikel 14

Verklaringen om de uitoefening van rechten om faciliteiten te installeren en interconnectierechten te vergemakkelijken

De bevoegde instanties geven binnen een week na het verzoek van een onderneming, standaardverklaringen af waarin, in voorkomend geval, wordt bevestigd dat de onderneming een kennisgeving heeft verricht overeenkomstig artikel 12, lid 3. In die verklaringen wordt gestipuleerd onder welke voorwaarden elke onderneming die uit hoofde van de algemene machtiging elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbiedt, een aanvraag kan indienen met het oog op het recht faciliteiten te installeren, te onderhandelen over interconnectie en toegang of interconnectie te verkrijgen teneinde de uitoefening van die rechten, bijvoorbeeld op andere bestuursniveaus of tegenover andere ondernemingen, te vergemakkelijken. In voorkomend geval kunnen dergelijke verklaringen ook automatisch worden afgegeven naar aanleiding van een in artikel 12, lid 3, bedoelde kennisgeving.

AFDELING 2

RECHTEN EN VERPLICHTINGEN BETREFFENDE DE ALGEMENE MACHTIGING

Artikel 15

Minimumlijst van uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten

1.  Ondernemingen die op grond van artikel 12 zijn onderworpen aan de algemene machtiging, hebben het recht:

a)  elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden;

b)  op behandeling van hun aanvragen voor de nodige rechten voor het installeren van faciliteiten overeenkomstig artikel 43;

c)  radiospectrum te gebruiken in het kader van elektronischecommunicatiediensten en -netwerken, met inachtneming van de artikelen 13, 46 en 55;

d)  op behandeling van hun aanvragen voor de nodige rechten voor het gebruik van nummervoorraden overeenkomstig artikel 94.

2.  Indien dergelijke ondernemingen openbare elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten aanbieden, krijgen zij door de algemene machtiging het recht:

a)  te onderhandelen over interconnectie met en eventueel toegang of interconnectie te verkrijgen van andere aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten die in de Unie onderworpen zijn aan een algemene machtiging overeenkomstig deze richtlijn;

b)  in staat te worden gesteld om te worden aangewezen om verschillende onderdelen van de universele dienst aan te bieden op het gehele nationale grondgebied of op een deel daarvan, overeenkomstig artikel 86 of 87.

Artikel 16

Administratieve bijdragen

1.  Administratieve bijdragen die worden opgelegd aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in het kader van de algemene machtiging aanbieden of waaraan een gebruiksrecht is verleend:

a)  dienen uitsluitend ter dekking van de administratiekosten die voortvloeien uit het beheer, de controle van en het toezicht op de naleving van het systeem inzake algemene machtiging en van de gebruiksrechten en van de in artikel 13, lid 2, bedoelde specifieke verplichtingen, die ook de kosten kunnen omvatten voor internationale samen­werking, harmonisatie en normering, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht, alsmede regelgevende werkzaamheden in het kader van de opstelling en handhaving van afgeleide wetgeving en administratieve besluiten, zoals besluiten betreffende toegang en interconnectie; en

b)  worden opgelegd aan individuele ondernemingen volgens een objectieve, transparante en evenredige verdeling, die de extra administratiekosten en daarmee samenhangende bijdragen tot een minimum beperkt.

De lidstaten mogen ervoor kiezen om geen administratieve bijdragen op te leggen aan ondernemingen waarvan de omzet kleiner is dan een bepaalde drempel of waarvan de activiteiten niet een bepaald minimaal marktaandeel uitmaken of zeer beperkt territoriaal verspreid zijn.

2.  Indien de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties administratieve bijdragen heffen, publiceren zij een jaarlijks overzicht van hun administratieve kosten en het totale bedrag van de geïnde bijdragen. Indien er een verschil bestaat tussen het totale bedrag aan vergoedingen en het totale bedrag aan administratieve kosten, vinden de nodige aanpassingen plaats.

Artikel 17

Scheiding van boekhoudingen en financiële verslaglegging

1.  De lidstaten eisen van ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten ▌aanbieden die in dezelfde of in een andere lidstaat over bijzondere of uitsluitende rechten voor het aanbieden van diensten in andere sectoren beschikken, dat zij:

a)  voor de activiteiten in verband met het aanbieden van elektronischecommunicatie­netwerken of -diensten een gescheiden boekhouding voeren, in dezelfde mate als vereist zou zijn wanneer de betrokken activiteiten door juridisch onafhankelijke entiteiten zouden worden verricht, teneinde alle kosten en inkomsten, met de daarvoor gebruikte berekeningsgrondslag en gedetailleerde toewijzingsmethoden, aan te geven die betrekking hebben op die activiteiten met inbegrip van een puntsgewijs overzicht van de vaste activa en de structurele kosten; of

b)  een structurele scheiding hebben voor de activiteiten in verband met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten.

De lidstaten kunnen afzien van de toepassing van de in de eerste alinea genoemde eisen op ondernemingen waarvan de jaaromzet in activiteiten in verband met elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in de Unie minder bedraagt dan 50 miljoen EUR.

2.  Indien ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden, niet onderworpen zijn aan de vereisten van het vennootschaps­recht en niet beantwoorden aan de mkb-criteria voor de in het Unierecht vastgelegde regels inzake financiële verslaglegging, worden hun financiële verslagleggingen opgesteld, aan een onafhankelijke accountantscontrole onderworpen en gepubliceerd. De accountants­controle wordt uitgevoerd in overeenstemming met de relevante nationale voorschriften en voorschriften van de Unie.

De eerste alinea van dit lid geldt ook voor de krachtens punt a) van lid 1 vereiste gescheiden boekhoudingen.

AFDELING 3

WIJZIGING EN INTREKKING

Artikel 18

Wijziging van rechten en verplichtingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radio­spectrum ▌of voor nummervoorraden.

2.  Tenzij de voorgestelde wijzigingen minimaal zijn en daarover overeenstemming is bereikt met de houder van de rechten of van de algemene machtiging, zal het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, ▌op passende wijze worden bekendgemaakt. Aan belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, wordt een adequate termijn toegekend om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken. Die termijn bedraagt behalve in uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken.

Wijzigingen worden openbaar gemaakt, met vermelding van de redenen daarvoor.

Artikel 19

Beperking of intrekking van rechten

1.  Onverminderd artikel 30, leden 5 en 6, mogen de lidstaten ▌de rechten om faciliteiten te installeren of gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden niet vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij verleend zijn, beperken of intrekken, behalve in met redenen omklede gevallen op grond van lid 2 van dit artikel, en, waar nodig, in over­eenstemming met bijlage I en op grond van de relevante nationale bepalingen inzake compensatie voor de intrekking van rechten.

2.  Overeenkomstig de noodzaak te zorgen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum of de uitvoering van de krachtens artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG vast­gestelde technische uitvoeringsmaatregelen, kunnen de lidstaten toestaan dat gebruiksrechten voor radiospectrum, met inbegrip van de in artikel 49 van deze richtlijn bedoelde rechten, worden beperkt of ingetrokken op basis van vooraf vastgestelde en duidelijk omschreven procedures en in overeenstemming met de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie. In dergelijke gevallen kunnen de houders van die rechten, waar nodig en in overeenstemming met het Unierecht en de relevante nationale bepalingen, naar behoren worden gecompenseerd.

3.  Een wijziging in het gebruik van radiospectrum als gevolg van de toepassing van artikel 45, lid 4 of 5, rechtvaardigt op zichzelf niet de intrekking van een recht om radiospectrum te gebruiken.

4.  Elk voornemen om rechten in het kader van de algemene machtiging of individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden te beperken of in te trekken zonder toestemming van de houder van de rechten, wordt aan ▌overleg met de belanghebbenden onderworpen overeenkomstig artikel 23.

HOOFDSTUK III

Verstrekking van informatie, onderzoeken en raadplegingsmechanisme

Artikel 20

Verzoek om informatie aan ondernemingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden, bijbehorende faciliteiten, of bijbehorende diensten ▌, alle, ook financiële, informatie verstrekken die de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec nodig hebben om de naleving te waarborgen van deze richtlijn en Verordening (EU) 2018/… van het Europees Parlement en de Raad(47)(48), en van de besluiten en adviezen die in overeenstemming daarmee worden vastgesteld. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties en, indien dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken, andere bevoegde instanties van die ondernemingen verlangen dat zij informatie verstrekken met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen van hun netwerk of diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de diensten op wholesale­niveau die zij beschikbaar stellen aan concurrenten, alsmede informatie over elektronische­communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten ▌die uitgesplitst is op lokaal niveau en voldoende gedetailleerd is om het geografische onderzoek en de aanwijzing van gebieden overeenkomstig artikel 22 mogelijk te maken. ▌

Wanneer de overeenkomstig de eerste alinea verzamelde informatie voor de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec niet volstaat om hun reguleringstaken uit hoofde van het Unierecht uit te voeren, kan die informatie worden gevraagd aan andere relevante ondernemingen die actief zijn in de sector elektronische communicatie of in nauw verbonden sectoren.

Van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke macht op wholesalemarkten kan ook worden verlangd dat zij gegevens verstrekken over de retailmarkten die verbonden zijn met die wholesalemarkten.

Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties kunnen ook de centrale informatiepunten die zijn opgericht overeenkomstig Richtlijn 2014/61/EU, om informatie verzoeken.

Ieder verzoek om informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taak en dient met redenen te worden omkleed.

Ondernemingen verstrekken de verzochte informatie onverwijld, volgens de gestelde termijnen en met de nodige mate van detail.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de Commissie, op met redenen omkleed verzoek, de informatie verstrekken die zij nodig heeft om haar taken uit hoofde van het VWEU te vervullen. De door de Commissie gevraagde informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taken. Indien de verstrekte informatie betrekking heeft op informatie die voordien door ondernemingen op verzoek van de instantie is verstrekt, worden die ondernemingen daarvan in kennis gesteld. Behoudens een uitdrukkelijk en met redenen omkleed anders­luidend verzoek van de instantie die de informatie verschaft, stelt de Commissie de verstrekte informatie voor zover nodig aan een andere dergelijke instantie in een andere lidstaat beschikbaar.

Onder voorbehoud van de vereisten van lid 3 zorgen de lidstaten ervoor dat de aan een instantie verstrekte informatie aan een andere regelgevende instantie in dezelfde of in een andere lidstaat en aan Berec na een met redenen omkleed verzoek ter beschikking kan worden gesteld, indien zulks nodig is om de respectieve instanties of Berec in staat te stellen hun taken uit hoofde van het Unierecht te vervullen.

3.  Wanneer informatie die op grond van lid 1 is verzameld, met inbegrip van in het kader van een geografisch onderzoek verzamelde informatie, door een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie in overeenstemming met de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens ▌als vertrouwelijk wordt beschouwd, garanderen de Commissie, Berec en elke andere bevoegde instantie het vertrouwelijke karakter van de verstrekte informatie. Die voorschriften betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens vormen geen belemmering voor de onderlinge tijdige uitwisseling van informatie tussen de bevoegde instantie, de Commissie, Berec en elke andere bevoegde instantie met het oog op de beoordeling en bewaking van en het toezicht op de toepassing van deze richtlijn.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, handelend in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens en de bescherming van persoonsgegevens, informatie publiceren die bijdraagt tot een open en concurrerende markt.

5.  De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren de voor­waarden voor de toegang van het publiek tot informatie als bedoeld in lid 4, met inbegrip van de procedures voor het verkrijgen van die toegang.

Artikel 21

Informatie die moet worden verstrekt wat betreft de algemene machtiging, gebruiksrechten en specifieke verplichtingen

1.  Onverminderd eventuele op grond van artikel 20 vereiste informatie en de informatie- en rapportageverplichtingen krachtens andere nationale rechtsregels dan de algemene machtiging, mogen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de ondernemingen wat betreft de algemene machtiging, de gebruiksrechten of de specifieke verplichtingen bedoeld in artikel 13, lid 2, ▌verzoeken om informatie die passend en objectief gerechtvaardigd is, met name voor:

a)  het verifiëren, hetzij systematisch, hetzij per geval, van de naleving van voor­waarde 1 van deel A, de voorwaarden 2 en 6 van deel D, en de voorwaarden 2 en 7 van deel E van bijlage I en van de naleving van de in artikel 13, lid 2, genoemde verplichtingen;

b)  het verifiëren, per geval, van de naleving van de voorwaarden genoemd in bijlage I indien een klacht is ontvangen, de bevoegde instantie andere redenen heeft om aan te nemen dat aan een voorwaarde niet wordt voldaan of de bevoegde instantie op eigen initiatief een onderzoek heeft verricht;

c)  het uitvoeren van procedures voor en de evaluatie van aanvragen om verlening van gebruiksrechten;

d)  het publiceren van vergelijkende overzichten van kwaliteit en prijs van diensten ten behoeve van de consumenten;

e)  het verzamelen van duidelijk omschreven statistieken, verslagen of onderzoeken;

f)  het verrichten van marktonderzoeken voor de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van gegevens over de downstream- of retailmarkten die verband houden met of verbonden zijn aan de markten waarop het marktonderzoek betrekking heeft;

g)  het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radiospectrum en van nummervoorraden;

h)  het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van het netwerk of de diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de wholesalediensten die beschikbaar zijn gesteld aan concurrenten, voor de territoriale dekking, voor de voor eindgebruikers beschikbare connectiviteit of voor de aanwijzing van ▌gebieden uit hoofde van artikel 22;

i)  het uitvoeren van geografische onderzoeken;

j)  het beantwoorden van met redenen omklede verzoeken om informatie van Berec.

De in de punten a) en b) en d) tot en met j) van de eerste alinea bedoelde informatie mag niet worden vereist vóór of als voorwaarde voor de toegang tot de markt.

Berec kan modellen voor informatieverzoeken ontwikkelen als dat nodig is om een geconsolideerde presentatie en analyse van de verkregen informatie te vergemakkelijken.

2.  Wat de gebruiksrechten voor radiospectrum betreft, heeft de in lid 1 bedoelde informatie met name betrekking op het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum alsmede op de naleving van dekking en kwaliteit van de dienstverplichtingen die zijn verbonden aan de gebruiksrechten voor radiospectrum en de verificatie ervan.

3.  Indien de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties ondernemingen verplichten informatie te verstrekken als bedoeld in lid 1, delen zij hun mee voor welk specifiek doel de informatie zal worden gebruikt.

4.  Nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties verzoeken niet nogmaals om informatie waar Berec reeds overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EU) 2018/…(49) om heeft verzocht, indien Berec de ontvangen informatie ter beschikking van die instanties heeft gesteld.

Artikel 22

Geografisch onderzoek van de uitrol van netwerken

1.  De nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties voeren uiterlijk … [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een geografisch onderzoek uit naar het bereik van elektronischecommunicatienetwerken die breedbanddiensten kunnen leveren ("breedbandnetwerken") en actualiseren dat onderzoek minstens om de drie jaar.

Het geografisch onderzoek omvat een onderzoek van het actuele geografische bereik van breedbandnetwerken op hun grondgebied, zoals vereist voor de taken van nationale regelgevende en/of andere bevoegde instanties uit hoofde van deze richtlijn en voor de onderzoeken voor de toepassing van de regels inzake staatssteun ▌.

Het geografische onderzoek kan ook een prognose voor een door de relevante instantie bepaalde periode omvatten van het bereik van breedbandnetwerken, met inbegrip van netwerken met zeer hoge capaciteit binnen hun grondgebied.

Die prognose bevat alle relevante informatie, mede over de geplande uitrol door onder­nemingen of door de overheid ▌van netwerken met zeer hoge capaciteit en belangrijke moderniseringen of uitbreidingen van ▌netwerken tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps. Daartoe verzoeken de nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties ondernemingen en overheden om dergelijke informatie te verstrekken voor zover die informatie beschikbaar is en middels redelijke inspanningen kan worden verstrekt.

De nationale regelgevende instantie bepaalt, met betrekking tot de krachtens deze richtlijn specifiek aan haar toegekende taken, in hoeverre het passend is te vertrouwen op alle of een deel van de in het kader van een dergelijke prognose verzamelde informatie.

Indien een geografisch onderzoek niet door de nationale regelgevende instantie wordt verricht, geschiedt dit in samenwerking met die instantie voor zover dit voor haar taken relevant kan zijn.

De in het geografische onderzoek verzamelde informatie is voldoende lokaal gedetailleerd, bevat voldoende informatie over de kwaliteit van de diensten en de parameters daarvan en wordt behandeld in overeenstemming met artikel 20, lid 3.

2.  De nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties kunnen een territoriaal duidelijk afgebakend ▌gebied aanwijzen waarvoor op grond van de overeen­komstig lid 1 verzamelde informatie en eventueel opgestelde prognose is vastgesteld dat voor de duur van de betrokken ▌prognoseperiode geen onderneming of overheid een netwerk met zeer hoge capaciteit heeft uitgerold en dat ook niet van plan is, of van plan is haar netwerk aanzienlijk te moderniseren of uit te breiden tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps ▌. De nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties maken de aangewezen ▌gebieden bekend.

3.  In een aangewezen ▌gebied kunnen de relevante instanties ondernemingen en overheden verzoeken te verklaren dat zij voornemens zijn netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen voor de duur van de betrokken prognoseperiode. Indien dit verzoek uitmondt in een verklaring door een onderneming of overheid dat zij inderdaad dit voornemen heeft, kan de relevante instantie andere ondernemingen en overheden vragen om te verklaren of zij eventueel voornemens zijn om in dit gebied netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen, of er hun netwerk aanzienlijk te moderniseren of uit te breiden tot een download­snelheid van ten minste 100 Mbps. De relevante instantie specificeert de informatie die in dergelijke inschrijvingen moet worden opgenomen, om ten minste een soortgelijke mate van detail te garanderen als die waarmee rekening is gehouden in een eventuele prognose overeenkomstig lid 1. Zij deelt ook elke onderneming of overheid die blijk geeft van belang­­stelling, mee of het aangewezen ▌gebied wordt gedekt of waarschijnlijk zal worden gedekt door een netwerk van de volgende generatie dat download­snelheden biedt van minder dan 100 Mbps, op basis van de informatie die overeenkomstig lid 1 is verzameld.

4.  Maatregelen ▌op grond van lid 3 worden genomen volgens een efficiënte, objectieve, transparante en niet-discriminerende procedure, waarbij geen enkele onderneming a priori wordt uitgesloten. ▌

5.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, en de lokale, regionale en nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van openbare middelen voor de uitrol van elektronischecommunicatie­netwerken, voor het ontwerp van nationale breedbandplannen, voor het vaststellen van aan gebruiksrechten voor radiospectrum verbonden dekkingsverplichtingen en voor de controle van de beschikbaarheid van diensten die onder de universeledienstverplichting op hun grondgebied vallen, rekening houden met de resultaten van het geografisch onderzoek en van op grond van de leden 1, 2 en 3 aangewezen ▌gebieden.

De lidstaten zien erop toe dat de instanties die het geografisch onderzoek uitvoeren, die resultaten verstrekken, op voorwaarde dat de ontvangende instantie hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid en bescherming van bedrijfsgeheimen als de informatieverstrekkende instantie waarborgt, en de partijen die de informatie hebben verstrekt, daarvan in kennis stellen. Die resultaten worden ook ter beschikking gesteld van Berec en de Commissie, op hun verzoek en onder dezelfde voorwaarden.

6.  Indien de desbetreffende informatie niet beschikbaar is op de markt, maken de bevoegde instanties gegevens uit de geografische onderzoeken waarop geen vertrouwelijkheid van handelsgegevens van toepassing is, rechtstreeks toegankelijk in overeenstemming met Richtlijn 2003/98/EG, zodat deze opnieuw kunnen worden gebruikt. Indien dergelijke instrumenten niet op de markt beschikbaar zijn, stellen zij tevens informatie-instrumenten beschikbaar die eindgebruikers ▌in staat stellen de beschikbaarheid van connectiviteit in verschillende gebieden te bepalen met een mate van gedetailleerdheid die nuttig is ter staving van hun keuze van exploitant of dienstenaanbieder.

7.  Uiterlijk … [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt Berec met het oog op de consistente toepassing van geografische onderzoeken en prognoses, na raad­pleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie en de relevante nationale instanties, richtsnoeren vast om nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties te helpen bij de consistente uitvoering van de krachtens dit artikel op hen rustende verplichtingen.

Artikel 23

Raadpleging en transparantie

1.  Behalve in gevallen die vallen onder artikel 26 of 27 of artikel 32, lid 10, zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties voornemens zijn krachtens deze richtlijn maatregelen te nemen, dan wel wanneer zij voornemens zijn krachtens artikel 45, leden 4 en 5, beperkingen vast te stellen die een belangrijke impact op de betrokken markt hebben, de belanghebbende partijen de mogelijkheid wordt geboden binnen een redelijke periode opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen, rekening houdend met de complexiteit van de materie, en in elk geval niet binnen een periode van minder dan 30 dagen, behalve in uit­zonderlijke omstandigheden.

2.  Voor de toepassing van artikel 35, informeren de bevoegde instanties de Beleidsgroep Radiospectrum op het moment van de publicatie over de ontwerpmaatregelen die onder het toepassingsgebied van de vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedure overeenkomstig artikel 55, lid 2, vallen en betrekking hebben op het gebruik van het radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG om gebruik ervan voor draadlozebreedbandnetwerken en -diensten voor elektronische communicatie("draadlozebreedbandnetwerken en -diensten") mogelijk te maken.

3.  De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren hun nationale raadplegingsprocedures.

De lidstaten dragen zorg voor de oprichting van een enkel informatiepunt waar inzage verkregen kan worden in alle lopende raadplegingsprocedures.

4.  De resultaten van de raadpleging worden voor het publiek beschikbaar gemaakt, behalve in geval van vertrouwelijke informatie overeenkomstig de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens.

Artikel 24

Overleg met belanghebbenden

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, in passende mate rekening houden met de standpunten van eindgebruikers, in het bijzonder consumenten en eindgebruikers met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten, waaronder een gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap, met betrekking tot voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, een raadplegingsmechanisme opzetten dat toegankelijk is voor eindgebruikers met een handicap en dat waarborgt dat bij hun besluitvorming inzake vraagstukken die verband houden met alle rechten van eindgebruikers en consumenten wat voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten betreft op passende wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument op het gebied van elektronische communicatie.

2.  Belanghebbende partijen kunnen, met advies van de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, mechanismen ontwikkelen, waarbij consumenten, gebruikersgroepen en aanbieders van diensten worden betrokken, teneinde de algehele kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren door onder meer gedragscodes en functioneringsnormen te ontwikkelen en bij te houden.

3.  Onverminderd de met het Unierecht strokende nationale voorschriften ter bevordering van doelstellingen op het gebied van cultuur- en mediabeleid, zoals culturele en taal­diversiteit en mediapluriformiteit, kunnen de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, ▌de samenwerking bevorderen tussen de ondernemers die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden en de sectoren die geïnteresseerd zijn in de bevordering van wettelijke inhoud in elektronische­communicatienetwerken en -diensten. Die samenwerking kan ook de coördinatie omvatten van de informatie van algemeen belang die op grond van artikel 103, lid 4, ter beschikking moet worden gesteld.

Artikel 25

Buitengerechtelijke beslechting van geschillen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor, of ten minste één onafhankelijk orgaan met bewezen deskundigheid in, de toepassing van de artikelen 102 tot en met 107 en artikel 115 van deze richtlijn, is opgenomen in de lijst van entiteiten voor alternatieve geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2013/11/EU, teneinde geschillen tussen aanbieders en consumenten te beslechten die in het kader van deze richtlijn ontstaan en die betrekking hebben op de prestaties van contracten. De lidstaten kunnen door die instantie of dat orgaan verleende toegang tot procedures voor alternatieve geschillenbeslechting uitbreiden tot andere eindgebruikers dan consumenten, met name micro-ondernemingen en kleine ondernemingen.

2.  Indien partijen uit verschillende lidstaten bij het geschil betrokken zijn, coördineren de lidstaten hun inspanningen om het geschil te beslechten, onverminderd Richtlijn 2013/11/EU.

Artikel 26

Beslechting van geschillen tussen ondernemingen

1.  Wanneer op een onder deze richtlijn vallend gebied een geschil in verband met de bestaande verplichtingen ontstaat tussen aanbieders van elektronischecommunicatie­netwerken of -diensten in een lidstaat, of tussen dergelijke ondernemingen en andere ondernemingen in de lidstaat die profiteert van de verplichtingen op het gebied van toegang of interconnectie, of tussen aanbieders van elektronischecommunicatie­netwerken of -diensten in een lidstaat en aanbieders van bijbehorende faciliteiten, neemt de betrokken nationale regelgevende instantie op verzoek van een van beide partijen en onverminderd lid 2, op basis van duidelijke en efficiënte procedures, een bindend besluit om het geschil te beslechten, en wel zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden. De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat alle partijen volledig met de nationale regelgevende instantie samen­werken.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat de nationale regelgevende instanties kunnen besluiten een geschil niet op te lossen indien er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden bijdragen tot het tijdige beslechten van het geschil overeenkomstig de in artikel 3 genoemde doelstellingen. De nationale regelgevende instantie stelt de partijen daarvan onverwijld in kennis. Indien het geschil na vier maanden niet is beslecht en indien het geschil door de eisende partij nog niet voor de rechter is gebracht, neemt de nationale regelgevende instantie op verzoek van een van de partijen een bindend besluit om het geschil zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen vier maanden, te beslechten.

3.  Bij het beslechten van een geschil laat de nationale regelgevende instantie zich leiden door het nastreven van de doelstellingen van artikel 3. De verplichtingen die de nationale regelgevende instantie aan een onderneming oplegt in het kader van het oplossen van een geschil voldoen aan deze richtlijn.

4.  Het besluit van de nationale regelgevende instantie wordt openbaar gemaakt, met inacht­neming van de voorschriften betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegegevens. De nationale regelgevende instantie verstrekt aan de betrokken partijen een volledig verslag van de redenen waarop het besluit is gebaseerd.

5.  De procedure van de leden 1, 3 en 4 laat het recht van elk der partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Artikel 27

Beslechting van grensoverschrijdende geschillen

1.  Wanneer op een onder deze richtlijn vallend gebied een geschil ontstaat tussen ondernemingen in verschillende lidstaten, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing. Die bepalingen zijn niet van toepassing op geschillen betreffende radiospectrumcoördinatie die onder artikel 28 vallen.

2.  Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instantie of instanties. Indien het geschil gevolgen heeft voor de handel tussen lidstaten, wordt het door de bevoegde nationale regelgevende instantie of instanties ter kennis van Berec gebracht om er een consistente beslechting van het geschil voor ▌te vinden, overeenkomstig de doel­stellingen van artikel 3.

3.  Indien een dergelijke kennisgeving is gedaan, brengt Berec een advies uit waarin de nationale regelgevende instantie of instanties wordt verzocht specifieke maatregelen te nemen om het geschil te beslechten of om geen maatregelen te nemen, zulks op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden.

4.  De betrokken nationale regelgevende instanties wachten het advies van Berec af alvorens maatregelen te nemen om het geschil te beslechten. In uitzonderlijke omstandigheden kan een bevoegde nationale regelgevende instantie, indien er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vast­stellen.

5.  Alle door een nationale regelgevende instantie aan een onderneming opgelegde verplichtingen als onderdeel van de oplossing van een geschil nemen deze richtlijn in acht, zoveel mogelijk rekening houden met de door Berec gegeven aanbeveling en binnen een maand na die aanbeveling worden vastgesteld.

6.  De procedure van lid 2 laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Artikel 28

Radiospectrumcoördinatie tussen de lidstaten

1.  De lidstaten en hun nationale bevoegde instanties zorgen ervoor dat het gebruik van radiospectrum op hun grondgebied zodanig wordt georganiseerd dat geen andere lidstaat wordt verhinderd op zijn grondgebied het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum overeenkomstig het Unierecht toe te staan, in het bijzonder door grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen de lidstaten.

De lidstaten nemen daartoe alle nodige maatregelen onverminderd hun verplichtingen krachtens het internationaal recht en de toepasselijke internationale overeenkomsten, zoals de radioregelgeving van de ITU en de regionale overeenkomsten voor radio van de ITU.

2.  De lidstaten werken met elkaar en, waar passend, via de Beleidsgroep Radiospectrum ▌samen inzake de grensoverschrijdende coördinatie van het gebruik van radiospectrum teneinde:

a)  de naleving van lid 1 te waarborgen;

b)  alle problemen of geschillen op te lossen in verband met de grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten en met derde landen, waardoor lidstaten worden verhinderd het geharmoniseerde radiospectrum op hun grondgebied te gebruiken.

3.  Om de naleving van lid 1 te garanderen, kan elke betrokken lidstaat ▌de Beleidsgroep Radiospectrum verzoeken om van haar goede diensten gebruik te maken om een probleem of geschil met betrekking tot grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie aan te pakken. In voorkomend geval kan de Beleidsgroep Radiospectrum in een advies een gecoördineerde oplossing voor dat probleem of geschil voorstellen.

4.  Indien de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen het probleem of het geschil niet hebben beslecht, en op verzoek van een betrokken lidstaat ▌, kan de Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met een eventueel advies van de Beleidsgroep Radiospectrum waarin een gecoördineerde oplossing op grond van lid 3 wordt aanbevolen, besluiten vaststellen die worden gericht tot de lidstaten die betrokken zijn bij de onopgeloste schadelijke interferentie door middel van uitvoeringshandelingen om grensoverschrijdende schadelijke interferenties tussen twee of meerdere lidstaten op te lossen die hen verhinderen het geharmoniseerde radiospectrum op hun grondgebied te gebruiken.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 118, lid 4.

5.  Op verzoek van een betrokken lidstaat geeft de Unie juridische, politieke en technische bijstand voor het oplossen van radiospectrumcoördinatieproblemen met derde landen die grenzen aan de Unie, met inbegrip van kandidaat-lidstaten en toetredende landen, zodat de betrokken lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het Unierecht kunnen nakomen. Bij het verlenen van die bijstand bevordert de Unie de uitvoering van het Uniebeleid.

TITEL III

UITVOERING

Artikel 29

Sancties

1.  De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties, zo nodig met inbegrip van boetes en niet-strafrechtelijke vooraf vastgestelde of periodieke sancties, die van toepassing zijn op inbreuken op de nationale bepalingen die zijn vastgesteld krachtens deze richtlijn of krachtens een ▌bindend besluit van de Commissie, de nationale regelgevende instantie of een andere krachtens deze richtlijn bevoegde instantie, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. Binnen de grenzen van het nationale ▌recht beschikken de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties over de bevoegdheid om dergelijke sancties op te leggen. De aldus vastgestelde sancties zijn passend, doeltreffend, evenredig en ontmoedigend. ▌

2.  De lidstaten voorzien, in het kader van de in artikel 22, lid 3, bedoelde procedure, enkel in sancties indien een onderneming of overheid bewust of uit grove nalatigheid misleidende, foutieve of onvolledige informatie verstrekt.

Bij het bepalen van de hoogte van de aan een onderneming of overheid opgelegde boetes of periodieke sancties voor het bewust of uit grove nalatigheid verstrekken van misleidende, foutieve of onvolledige informatie in het kader van de procedure bedoeld in artikel 22, lid 3, wordt onder meer beoordeeld of het gedrag van de onderneming of overheid een negatief effect op de mededinging heeft gehad, en met name of de onderneming of overheid, in tegenspraak met de oorspronkelijk verstrekte informatie of met geactualiseerde versies daarvan, een netwerk heeft uitgerold, uitgebreid of gemoderniseerd, of een netwerk niet heeft uitgerold, en geen objectieve motivering voor die verandering van de plannen heeft verstrekt.

Artikel 30

Nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of voor gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, en nakoming van specifieke verplichtingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun relevante bevoegde instanties toezicht houden op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruik van gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, van de specifieke in artikel 13, lid 2, bedoelde verplichtingen en van de verplichting om radiospectrum effectief en efficiënt te gebruiken overeenkomstig artikel 4, artikel 45, lid 1, en artikel 47.

De bevoegde instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onderworpen zijn aan de algemene machtiging of gebruiksrechten hebben voor radiospectrum of voor nummer­voorraden, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of aan de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of artikel 47, overeenkomstig artikel 21.

2.  Indien een ▌bevoegde instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meer voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten voor radio­spectrum en voor nummervoorraden of aan de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn haar standpunt kenbaar te maken.

3.  De bevoegde instantie kan eisen dat de in lid 2 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving.

In dit verband geven de lidstaten de bevoegde instanties de bevoegdheid het volgende op te leggen:

a)  waar zulks passend is, ontmoedigende geldelijke sancties, waaronder eventueel periodieke sancties met terugwerkende kracht; en

b)  de instructie om de levering van een dienst of dienstenbundel te staken die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel 67 zijn opgelegd, niet worden nageleefd.

De bevoegde autoriteiten stellen de onderneming onverwijld in kennis van de maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen.

4.  Niettegenstaande de leden 2 en 3 van dit artikel geven de lidstaten de bevoegde instantie de bevoegdheid ▌om, waar zulks passend is, geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen indien zij binnen een door de ▌bevoegde instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 21, lid 1, onder a) of b), of van artikel 69.

5.  De lidstaten geven de ▌bevoegde instanties de bevoegdheid om bij ernstige niet-nakoming en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, of van de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of van artikel 47, lid 1 of 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming te kunnen beletten verder elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of die gebruiksrechten te kunnen schorsen of intrekken. De lidstaten geven de bevoegde instantie de bevoegdheid om sancties op te leggen die doelmatig, evenredig en ontmoedigend zijn. Die sancties kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet.

6.  Niettegenstaande de leden 2, 3 en 5 van dit artikel kan de bevoegde instantie, indien zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging, op de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of op de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of artikel 47, lid 1 of 2, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De bevoegde autoriteiten bieden de betrokken onderneming een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de bevoegde instantie de voorlopige maatregelen bevestigen; deze zijn maximaal drie maanden geldig, maar kunnen in omstandigheden waarin de handhavingsprocedures niet zijn afgerond, met nog een periode van maximaal drie maanden worden verlengd.

7.  Ondernemingen hebben overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde procedure het recht beroep in te stellen tegen uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen.

Artikel 31

Recht van beroep

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatie­netwerken ▌of -diensten of bijbehorende faciliteiten aanbiedt, die door een beslissing van een bevoegde instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat ▌onafhankelijk is van de betrokken partijen en van elke externe interventie of politieke druk die afbreuk zou kunnen doen aan haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak naar behoren in aanmerking worden genomen.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt de beslissing van de bevoegde instantie gehandhaafd, tenzij overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.

2.  Indien het in lid 1 van dit artikel genoemde lichaam van beroep geen rechtscollege is, moeten zijn beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed. Voorts moet het in dat geval mogelijk zijn tegen die beslissingen beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU.

De lidstaten zien erop toe dat het beroepsmechanisme doeltreffend is.

3.  De lidstaten verzamelen informatie over het algemene voorwerp van de beroepen, het aantal verzoeken voor beroep, de duur van de beroepsprocedures en het aantal besluiten om voorlopige maatregelen te verlenen. De lidstaten verstrekken die gegevens alsook de besluiten en rechterlijke beslissingen aan de Commissie, respectievelijk aan Berec ingevolge hun met redenen omkleed verzoek.

TITEL IV

INTERNEMARKTPROCEDURES

HOOFDSTUK I

Artikel 32

Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie

1.  De nationale regelgevende instanties houden bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken zoveel mogelijk rekening met de doelstellingen van artikel 3.

2.  Nationale regelgevende instanties dragen bij tot de ontwikkeling van de interne markt door op transparante wijze met elkaar en met de Commissie en Berec samen te werken om te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn. Hiertoe moeten zij met name samenwerken met de Commissie en Berec om na te gaan welke soorten instrumenten en oplossingen het meest geschikt zijn om bepaalde soorten situaties op de markt aan te pakken.

3.  Tenzij anders bepaald in aanbevelingen of richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 34 na afronding van de eventueel noodzakelijke openbare raadpleging uit hoofde van artikel 23, maakt een nationale regelgevende instantie, indien zij voornemens is een maatregel te nemen die:

a)  valt binnen de draagwijdte van artikel 61, 64, 67, 68 of 83; en

b)  van invloed is op de handel tussen de lidstaten,

de ontwerpmaatregel bekend en deelt zij deze mee aan de Commissie, aan Berec en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, vergezeld van een motivering overeenkomstig artikel 20, lid 3 ▌. De nationale regelgevende instanties, Berec en de Commissie krijgen een maand de tijd om opmerkingen over die ontwerpmaatregel in te dienen. De periode van één maand wordt niet verlengd.

4.  De ontwerpmaatregel als bedoeld in lid 3 van dit artikel wordt met nog eens twee maanden uitgesteld indien die maatregel betrekking heeft op:

a)  het definiëren van een relevante markt die verschilt van de markten die in de aanbeveling zoals bedoeld in artikel 64, lid 1, zijn gedefinieerd; of

b)  het aanwijzen van een onderneming die, hetzij individueel of gezamenlijk met anderen, aanmerkelijke marktmacht bezit overeenkomstig artikel 67, lid 3 of 4;

en van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten, en de Commissie de nationale regelgevende instantie heeft meegedeeld dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of indien zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Unierecht en met name met de in artikel 3 genoemde doelstellingen. Die periode van twee maanden kan niet worden verlengd. De Commissie stelt Berec en de nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden en maakt deze tegelijkertijd openbaar.

5.  Berec maakt een advies bekend over de in lid 4 genoemde voorbehouden van de Commissie, geeft aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken en doet hiertoe zo nodig specifieke voorstellen.

6.  De Commissie kan binnen de in lid 4 genoemde periode van twee maanden hetzij:

a)  een besluit nemen waarmee zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt dat deze de ontwerpmaatregel intrekt; of

b)  besluiten haar in lid 4 bedoelde voorbehouden in te trekken.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van Berec alvorens een besluit te nemen.

Besluiten zoals bedoeld in punt a) gaan vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging ervan.

7.  Uiterlijk zes maanden na de dag waarop de Commissie overeenkomstig lid 6, punt a), van dit artikel een besluit heeft genomen waarmee van de nationale regelgevende instantie wordt verlangd dat deze een ontwerpmaatregel intrekt, trekt de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel in dan wel wijzigt zij deze. Indien de ontwerpmaatregel wordt gewijzigd houdt de nationale regelgevende instantie een openbare raadpleging in overeenstemming met artikel 23, en stelt zij de Commissie in kennis van de gewijzigde ontwerpmaatregel overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

8.  De betrokken nationale regelgevende instantie houdt zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, van Berec en van de Commissie en kan, uitgezonderd in de in lid 4 en lid 6, punt a), genoemde gevallen, de uiteindelijke ontwerpmaatregel goedkeuren en deelt die, in voorkomend geval, aan de Commissie mee.

9.  De nationale regelgevende instantie deelt de Commissie en Berec alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder de punten a) en b) van lid 3 vallen.

10.  In uitzonderlijke omstandigheden kan een nationale regelgevende instantie die oordeelt dat er een dringende noodzaak is om te handelen, in afwijking van de procedure genoemd in de leden 3 en 4, teneinde de concurrentie te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen, onmiddellijk evenredige en voorlopige maatregelen vaststellen. Zij deelt die maatregelen onverwijld volledig met redenen omkleed mede aan de Commissie, aan de andere nationale regelgevende instanties en aan Berec. Een besluit van de nationale regel­gevende instantie om dergelijke maatregelen permanent te maken of de periode waarvoor zij van toepassing zijn, te verlengen, valt onder de leden 3 en 4.

11.  Een nationale regelgevende instantie kan een ontwerpmaatregel te allen tijde intrekken.

Artikel 33

Procedure voor de consequente toepassing van oplossingen

1.  Indien een voorgenomen maatregel in het kader van artikel 32, lid 3, bedoeld is om een verplichting voor een onderneming op te leggen, te wijzigen of in te trekken in toepassing van artikel 61 of 67 in samenhang met ▌de artikelen 69 tot en met 76 en artikel 83, kan de Commissie, binnen de periode van één maand zoals bedoeld in artikel 32, lid 3, de betrokken nationale regelgevende instantie en Berec in kennis stellen van de redenen waarom zij vindt dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt, of van de ernstige twijfels die zij heeft omtrent de verenigbaarheid van de maatregel met het Unierecht. In een dergelijk geval wordt het vaststellen van de maatregel uitgesteld tot drie maanden na de kennisgeving van de Commissie.

Bij uitblijven van een dergelijke kennisgeving kan de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel vaststellen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen die door de Commissie, Berec of door andere nationale regelgevende instanties zijn gemaakt.

2.  Binnen de in lid 1 van dit artikel genoemde periode van drie maanden werken de Commissie, Berec en de betrokken nationale regelgevende instantie nauw samen om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen in het licht van de doelstellingen van artikel 3, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om te zorgen voor de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk.

3.  Binnen zes weken vanaf het begin van de in lid 1 genoemde periode van drie maanden brengt Berec ▌advies uit over de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie, geeft het aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd of ingetrokken en doet het hiertoe zo nodig specifieke voorstellen. Dat advies is met redenen omkleed en wordt openbaar gemaakt.

4.  Indien Berec in zijn advies de ernstige twijfels van de Commissie deelt, werkt het nauw samen met de betrokken nationale regelgevende instantie om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden kan de nationale regelgevende instantie hetzij:

a)  de ontwerpmaatregel wijzigen of intrekken, zoveel mogelijk rekening houdend met de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie en het advies van Berec; of

b)  de ontwerpmaatregel handhaven.

5.  De Commissie kan binnen een maand na het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec:

a)  een aanbeveling doen waarin zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt de ontwerpmaatregel te wijzigen of in te trekken, en waarin zij haar aanbeveling met redenen omkleedt, met name wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt, en specifieke voorstellen hiertoe voorstellen;

b)  besluiten haar overeenkomstig lid 1 aangegeven voorbehouden in te trekken; of

c)  voor ontwerpmaatregelen die onder artikel 61, lid 3, tweede alinea, of onder artikel 76, lid 2, vallen, een besluit nemen waarbij zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt de ontwerpmaatregel in te trekken, wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie deelt. Het besluit gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel die onderworpen is aan de in artikel 32, lid 7, bedoelde procedure, die van overeenkomstige toepassing is.

6.  Binnen een maand na de aanbeveling van de Commissie overeenkomstig lid 5, punt a), of de intrekking van haar voorbehouden overeenkomstig lid 5, punt b), deelt de betrokken nationale regelgevende instantie de vastgestelde definitieve maatregel aan de Commissie en aan Berec mee.

Die periode kan worden verlengd om de nationale regelgevende instantie in staat te stellen overeenkomstig artikel 23 een openbare raadpleging te houden.

7.  Indien de nationale regelgevende instantie besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van de overeenkomstig lid 5, punt a), gedane aanbeveling, dient zij dit met redenen te omkleden.

8.  De nationale regelgevende instantie kan de voorgestelde ontwerpmaatregel op elk moment tijdens de procedure intrekken.

Artikel 34

Uitvoeringsbepalingen

Na een openbare raadpleging en na raadpleging van de nationale regelgevende instanties en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, kan de Commissie in verband met artikel 32 aanbevelingen of richtsnoeren aannemen tot vaststelling van het format, de inhoud en de gedetailleerdheid van de in artikel 32, lid 3, bedoelde kennisgeving, alsmede van de omstandigheden waaronder kennisgeving niet vereist zou zijn, en de wijze waarop de termijnen worden berekend.

HOOFDSTUK II

CONSISTENTE TOEWIJZING VAN RADIOSPECTRUM

Artikel 35

Peerreviewprocedure

1.  Indien de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie voornemens is om overeenkomstig artikel 55, lid 2, een selectieprocedure te volgen in verband met radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG om het gebruik ervan voor draadlozebreedbandnetwerken en -dienstenmogelijk te maken, stelt zij op grond van artikel 23 de Beleidsgroep Radiospectrum in kennis van eventuele ontwerpmaatregelen die onder het toepassingsgebied van de vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedure op grond van artikel 55, lid 2, vallen en geeft zij aan of en wanneer zij de Beleidsgroep Radiospectrum zal verzoeken een peerreviewforum bijeen te roepen.

Op verzoek organiseert de Beleidsgroep Radiospectrum een peerreviewforum om te debatteren en van gedachten te wisselen over de toegezonden ontwerpmaatregelen en faciliteert zij de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken in verband met die ontwerpmaatregelen.

Het peerreviewforum bestaat uit de leden van de Beleidsgroep Radiospectrum en wordt door een vertegenwoordiger ervan georganiseerd en voorgezeten.