Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 29 november 2018 - BrusselVoorlopige uitgave
Toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I
 Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede behandeling of bestraffing ***I
 Fonds voor asiel, migratie en integratie: nieuwe vastlegging van de resterende bedragen ***I
 De toetreding van Samoa tot de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de staten in de Stille Oceaan ***
 Benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen
 Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen ***I
 Gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten ***I
 Autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat
 Het Cum Ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader
 De rol van de Duitse dienst voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen
 WTO: de weg vooruit
 Verslag 2018 over Servië
 Verslag 2018 over Kosovo
 Verslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
 Verslag 2018 over Albanië
 Verslag 2018 over Montenegro
 Verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU
 De situatie van vrouwen met een handicap

Toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I
PDF 397kWORD 53k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft (COM(2018)0137 – C8-0120/2018 – 2018/0065(COD))
P8_TA-PROV(2018)0466A8-0346/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0137),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0120/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0346/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft

P8_TC1-COD(2018)0065


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op grond van het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het alomvattende effectonderzoek van de Euro 5-milieustap voor voertuigen van categorie L (“het effectenonderzoek”) dat werd uitgevoerd overeenkomstig artikel 23, lid 4, van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4), en rekening houdend met de problemen waarmee goedkeuringsinstanties en belanghebbenden bij de toepassing van die verordening worden geconfronteerd, moet een aantal wijzigingen en verduidelijkingen worden aangebracht aan Verordening (EU) nr. 168/2013 om de vlotte toepassing ervan te waarborgen.

(2)  Met betrekking tot het voorschrift om voertuigen uit te rusten met een boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) van fase II, dat storingen en aantasting van het emissiebeperkingssysteem detecteert en meldt, heeft de Commissie op basis van het effectonderzoek geconcludeerd dat er voor sommige voertuigen technische beperkingen bestaan in verband met de katalysatorbewaking en dat verdere ontwikkeling nodig is om de juiste uitvoering ervan te waarborgen. Naar verwachting zal katalysatorbewaking nog niet beschikbaar zijn voor de eerste ronde van de Euro 5-emissiestap, maar pas in 2025. Artikel 21 van Verordening (EU) nr. 168/2013 moet derhalve voorzien in de aanlooptijd die nodig is om de juiste uitvoering van het voorschrift inzake het OBD-systeem van fase II te waarborgen.

(3)  Aangezien voertuigen van de categorieën L1e en L2e reeds zijn uitgesloten van het voorschrift om uitgerust te zijn met het OBD-systeem van fase I, moeten de voertuigen van categorie L6e, die zijn ontworpen en gebouwd volgens bromfietsspecificaties en in betrekkelijk kleine volumes worden geproduceerd, eveneens van dat voorschrift worden vrijgesteld.

(4)  De vrijstelling voor voertuigen van de categorieën L1e en L1e van het voorschrift om uitgerust te zijn het OBD-systeem van fase II moet worden verduidelijkt en worden uitgebreid tot lichte vierwielers (categorie L6e) en tot de motorfietssubcategorieën enduro-motorfiets (L3e-AxE) en trialbike (L3e-AxT).

(5)  Enduro-motorfietsen en trialbikes hebben een korte levensduur en zijn zeer vergelijkbaar in aard en gebruik met zware terreinquads (L7e-B), die zijn vrijgesteld van het voorschrift om uitgerust te zijn met het OBD-systeem van fase II. Die vrijstelling moet derhalve worden uitgebreid tot enduro-motorfietsen en trialbikes.

(6)  In het effectonderzoek concludeerde de Commissie dat de in artikel 23, lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 168/2013 opgenomen mathematische duurzaamheidsprocedure, waarbij voertuigen na 100 gereden kilometers worden getest, de daadwerkelijke aantasting van het emissiebeperkingssysteem van een voertuig tijdens de levensduur niet weerspiegelt. Die methode zou niet langer mogen worden gebruikt en moet bijgevolg tegen 2025 geleidelijk worden afgeschaft, teneinde de belanghebbenden voldoende aanlooptijd te verschaffen om zich aan te passen. Voor de periode tot 2025 moet de vereiste totale door het voertuig afgelegde afstand voordat het wordt getest, worden verhoogd, om betrouwbare testresultaten te waarborgen.

(7)  De voor de naleving van de Euro 5-grenswaarden benodigde technologie is reeds beschikbaar. Niettemin concludeerde de Commissie in het effectonderzoek dat de toepassingsdatum van de Euro 5-emissiegrenswaarden voor bepaalde voertuigen van voertuigcategorie L (L6e-B, L2e-U, L3e-AxT en L3e-AxE) van 2020 moet worden uitgesteld tot 2024 teneinde de kosten-batenverhouding te verbeteren ten opzichte van het uitgangspunt. Daarnaast hebben de fabrikanten van die voertuigen, voornamelijk kmo's, meer aanlooptijd nodig om ervoor te zorgen dat de overgang naar emissieloze aandrijfsystemen, zoals elektrificatie, op een kosteneffectieve manier kan worden bewerkstelligd.

(8)  In artikel 30 van Verordening (EU) nr. 168/2013 wordt bepaald dat het EU-typegoedkeuringscertificaat als bijlage de testresultaten bevat. Ter wille van de duidelijkheid moet die bepaling worden gewijzigd om duidelijk te maken dat hiermee het formulier met testresultaten wordt bedoeld.

(9)  Bepaalde inconsistenties met betrekking tot de datum van toepassing van de grenswaarden voor het geluidsniveau voor Euro 5 in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 168/2013 moeten worden opgehelderd, om ervoor te zorgen dat de bestaande grenswaarden (Euro 4) van toepassing blijven totdat de nieuwe grenswaarden voor Euro 5 kunnen worden vastgesteld.

(10)  Bij Verordening (EU) nr. 168/2013 werd aan de Commissie de bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen toegekend voor een periode van vijf jaar, die op 21 maart 2018 is afgelopen. Aangezien er voortdurend behoefte is aan aanpassing van elementen van de typegoedkeuringswetgeving aan de technische vooruitgang of aan andere wijzigingen in overeenstemming met de bevoegdheid, moet die verordening worden gewijzigd teneinde de bevoegdheidsperiode met vijf jaar te verlengen met de mogelijkheid tot stilzwijgende verlenging.

(11)  Ter wille van de rechtszekerheid moet de in Verordening (EU) nr. 168/2013 vastgelegde bevoegdheidsverlening aan de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de technische voorschriften met betrekking tot boorddiagnose duidelijker en preciezer worden geformuleerd.

(12)  Daar deze verordening wijzigingen van Verordening (EU) nr. 168/2013 behelst zonder de normatieve inhoud ervan uit te breiden en daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(13)  Verordening (EU) nr. 168/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 168/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)  artikel 21 wordt vervangen door:"

"Artikel 21

Algemene voorschriften voor boorddiagnosesystemen

1.  Voertuigen van categorie L, met uitzondering van voertuigen van de categorieën L1e, L2e en L6e, worden uitgerust met een OBD-systeem dat voldoet aan de functionele voorschriften en testprocedures die zijn vastgelegd in de in lid 8 bedoelde gedelegeerde handelingen en vanaf de in bijlage IV vermelde toepassingsdata.

2.  Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.1, vermelde data worden voertuigen van de (sub)categorieën L3e, L4e, L5e-A en L7e-A uitgerust met een OBD-systeem van fase I dat elektrische of elektronische storingen in het emissiebeperkingssyteem detecteert en melding maakt van storingen die leiden tot een overschrijding van de in bijlage VI, onder (B1), vastgestelde emissiegrenswaarden.

3.  Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.2, vermelde data worden voertuigen van de (sub)categorieën L3e, L4e, L5e en L7e uitgerust met een OBD-systeem van fase I dat elektrische of elektronische storingen in het emissiebeperkingssysteem detecteert en een melding activeert zodra de in bijlage VI, onder (B1), vastgestelde emissiegrenswaarden worden overschreden. OBD-systemen van fase I voor die voertuig(sub)categorieën melden ook de activering van een functioneringsmodus die het motorkoppel aanzienlijk vermindert.

4.  Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.3, vermelde data worden voertuigcategorieën L3e, L4e, L5e en L7e uitgerust met een OBD-systeem van fase I dat elektrische of elektronische storingen in het emissiebeperkingssysteem detecteert en een melding activeert zodra de in bijlage VI, onder (B2), vastgestelde emissiegrenswaarden worden overschreden. OBD-systemen van fase I voor die voertuigcategorieën melden ook de inwerkingtreding van een functioneringsmodus die het motorkoppel aanzienlijk vermindert.

5.  Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.4, vermelde data worden voertuig(sub)categorieën L3e, L4e, L5e-A en L7e-A bovendien uitgerust met een OBD-systeem van fase II dat, met uitzondering van katalysatormonitoring, storingen en aantasting van het emissiebeperkingssysteemdie leiden tot een overschrijding van de in bijlage VI, onder (B1), vastgestelde OBD-emissiegrenswaarden detecteert en meldt.

6.  Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.5, vermelde data worden voertuigen van de (sub)categorieën L3e, L4e, L5e-A en L7e-A bovendien uitgerust met een OBD-systeem van fase II dat storingen en aantasting van het emissiebeperkingssysteem die leiden tot een overschrijding van de in bijlage VI, onder (B2), vastgestelde OBD-emissiegrenswaarden detecteert en meldt.

7.  De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op enduro-motorfietsen van subcategorie L3e-AxE en trialbikes van subcategorie L3e-AxT.

8.  Teneinde de melding van storingen in de functionele veiligheid of het emissiebeperkingssysteem door OBD-systemen te harmoniseren en een effectieve en efficiënte reparatie van voertuigen te vergemakkelijken, is de Commissie overeenkomstig artikel 75 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door gedetailleerde technische voorschriften vast te leggen met betrekking tot boorddiagnose ten aanzien van de voertuig(sub)categorieën zoals opgenomen in bijlage II, onder (C1) — Voertuigconstructie en algemene typegoedkeuringsvoorschriften, de met nr. 11 verband houdende rij, met inbegrip van functionele voorschriften voor boorddiagnosesystemen en testprocedures voor de onderwerpen opgesomd in de leden 1 tot en met 7 van dit artikel, en de gedetailleerde technische voorschriften met betrekking tot testtype VIII als bedoeld in bijlage V.";

"

2)  in artikel 23, lid 3, wordt punt c) vervangen door:"

"c) mathematische duurzaamheidsprocedure:

tot en met 31 december 2024 moet voor elk emissiebestanddeel het product van de vermenigvuldiging van de verslechteringsfactoren in bijlage VII, onder (B), met de resultaten van de milieuprestatietest van een voertuig dat meer dan 100 km heeft afgelegd sinds het aan het einde van de productielijn voor het eerst is gestart, lager zijn dan de grenswaarden van de milieuprestatietest in bijlage VI, onder (A).

Niettegenstaande de eerste alinea moet voor nieuwe voertuigtypen vanaf 1 januari 2020 en voor bestaande voertuigtypen vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2024 voor elk emissiebestanddeel het product van de vermenigvuldiging van de verslechteringsfactoren in bijlage VII, onder (B), met de resultaten van de milieuprestatietest van een voertuig dat, sinds het aan het einde van de productielijn voor het eerst is gestart, meer dan 2 500 km heeft afgelegd bij een voertuig met een maximum modelvoertuigsnelheid van < 130 km/h en meer dan 3 500 km bij een voertuig met een maximum modelvoertuigsnelheid van ≥ 130 km/h, lager zijn dan de uitlaatemissiegrenswaarden in bijlage VI, onder (A).";

"

3)  in artikel 30, lid 1, wordt punt b) vervangen door:"

“(b) het formulier met testresultaten;”;

"

4)  in artikel 44, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:"

“De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige EU-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht voor deze EU-typegoedkeuring ongeldig werd.”;

"

5)  in artikel 75 wordt lid 2 vervangen door:"

"2. De in artikel 18, lid 3, artikel 20, lid 2, artikel 21, lid 8, artikel 22, leden 5 en 6, artikel 23, leden 6 en 12, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 8, artikel 32, lid 6, artikel 33, lid 6, artikel 50, lid 4, artikel 54, lid 3, artikel 57, lid 12, artikel 65 en artikel 74, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 22 maart 2013. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van vijf jaar verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. De Commissie stelt uiterlijk op 22 juni 2022 en negen maanden vóór het einde van elke daaropvolgende periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie.".

"

6)  de bijlagen II, IV, V en VI bij Verordening (EU) nr. 168/2013 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

De bijlagen II, IV, V en VI worden als volgt gewijzigd:

1)  in bijlage II, onderdeel C1, in de met nr. 11 verband houdende rij, wordt het teken “X” geschrapt voor de subcategorieën L6e-A en L6e-B;

2)  in bijlage IV wordt de tabel als volgt gewijzigd:

a)  de punten 1.1.2.1, 1.1.2.2 en 1.1.2.3 worden vervangen door:

"1.1.2.1.

Euro 4: bijlage VI, onder (A1)

L1e, L2e, L6e

1.1.2017

1.1.2018

31.12.2020; voor L2e-U en L6e-B: 31.12.2024

1.1.2.2.

Euro 4: bijlage VI, onder (A1)

L3e, L4e, L5e,

L7e

1.1.2016

1.1.2017

31.12.2020; voor L3e-AxE en L3e-AxT 31.12.2024

1.1.2.3.

Euro 5: bijlage VI, onder (A2)

L1e-L7e

1.1.2020;

voor L2e-U, L3e-AxE, L3e-AxT en L6e-B: 1.1.2024

1.1.2021;

voor L2e-U, L3e-AxE, L3e-AxT en L6e-B: 1.1.2025

";

b)  de punten 1.8.1, 1.8.2 en 1.8.3 worden vervangen door:

"1.8.1.

functionele voorschriften voor fase I OBD

L3e, L4e,

L5e-A, L7e-A

1.1.2016

1.1.2017

31.12.2020

milieutestprocedure fase I OBD (test van type VIII)

drempelwaarden milieutest fase I OBD, bijlage VI, onder (B1)

1.8.2.

functionele voorschriften fase I OBD met inbegrip van alle bedrijfsstanden die het motorkoppel aanzienlijk verminderen

L3e, L4e, L5e, L7e

1.1.2020

1.1.2021

31.12.2024

milieutestprocedure fase I OBD (test van type VIII)

drempelwaarden milieutest fase I OBD, bijlage VI, onder (B1)

1.8.3.

functionele voorschriften fase I OBD met inbegrip van alle bedrijfsstanden die het motorkoppel aanzienlijk verminderen

L3e, L4e, L5e, L7e

1.1.2024

1.1.2025

";

milieutestprocedure fase I OBD (test van type VIII)

drempelwaarden milieutest fase I OBD, bijlage VI, onder (B2)

c)  de volgende punten worden ingevoegd:

"1.8.4.

functionele voorschriften voor fase II OBD met uitzondering van katalysatormonitoring

L3e (behalve L3e-AxE en L3e-AxT, L4e,

L5e-A, L7e-A

1.1.2020

1.1.2021

31.12.2024

milieutestprocedures fase II OBD (test van type VIII)

drempelwaarden milieutest fase II OBD, bijlage VI, onder (B1)

1.8.5.

functionele voorschriften voor fase II OBD

L3e (behalve L3e-AxE en L3e-AxT), L4e, L5e-A, L7e-A

1.1.2024

1.1.2025

";

milieutestprocedures fase II OBD (test van type VIII),

drempelwaarden milieutest fase II OBD, bijlage VI, onder (B2)

d)  de punten 1.9.1 en 1.9.2 worden vervangen door:

"1.9.1.

testprocedure en grenswaarden voor het geluidsniveau, bijlage VI, onder (D)

L1e, L2e, L6e

1.1.2017

1.1.2018

 

1.9.2.

testprocedure en grenswaarden voor het geluidsniveau (3), bijlage VI, onder (D)

L3e, L4e, L5e, L7e

1.1.2016

1.1.2017

";

e)  punt 1.9.4 wordt vervangen door:

"1.9.4.

VN/ECE-Reglementen nrs. 9, 41, 63 en 92 en aanverwante nieuwe grenswaarden die de Commissie heeft voorgesteld

L1e-L7e

 

 

".

3)  in bijlage V, onderdeel B, wordt de inhoud van het vak in de eerste kolom, tweede rij, vervangen door:

“Test van type I (19) Deeltjesmassa (alleen Euro 5).”;

4)  bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)  in onderdeel B1 wordt in de eerste rij de verwijzing naar de Voertuigcategorie “L6e-A” geschrapt;

b)  in onderdeel B2 worden in de eerste rij:

i)  de woorden “L3e-L7e (6)” vervangen door:

“L3e, L4e, L5e, L7e”;

ii)  de woorden: “Alle voertuigen van categorie L behalve categorie L1e en L2e” vervangen door:

“Alle voertuigen van categorie L behalve categorie L1e, L2e en L6e”.

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 32.
(2) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 32.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 29 november 2018.
(4)Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52).


Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede behandeling of bestraffing ***I
PDF 1273kWORD 836k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (codificatie) (COM(2018)0316 – C8-0210/2018 – 2018/0160(COD))
P8_TA-PROV(2018)0467A8-0387/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0316),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0210/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0387/2018),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (codificatie)

P8_TC1-COD(2018)0160


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie , en met name artikel 207, lid 2 ,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad(3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)  De eerbiediging van de rechten van de mens vormt, overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, een van de waarden die de lidstaten alle onderschrijven. De Europese Gemeenschap besloot in 1995 de eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een fundamenteel onderdeel te maken van haar betrekkingen met derde landen. Zij besloot hiertoe in alle nieuwe handels-, samenwerkings- en associatieovereenkomsten van algemene aard met derde landen een hiertoe strekkende clausule op te nemen.

(3)  Artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 3 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevatten een onvoorwaardelijk, allesomvattend verbod op foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Andere bepalingen, met name de VN-verklaring inzake de bescherming van eenieder tegen onderwerping aan foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (5) en het VN-verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing leggen staten de verplichting op foltering te voorkomen.

(4)  Artikel 2, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”) bepaalt dat niemand tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld mag worden. Op 22 april 2013 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan de „ EU- richtsnoeren inzake de doodstraf” en werd besloten dat de Unie zich zou inzetten voor de universele afschaffing van de doodstraf.

(5)  Artikel 4 van het Handvest bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Op 20 maart 2012 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan de „Richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Een herziening van de Richtsnoeren) ”. Overeenkomstig die richtsnoeren dient er bij derde landen op te worden aangedrongen om het gebruik en de productie van en de handel in voor foltering en voor andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing ontworpen instrumenten evenals misbruik van andere instrumenten voor deze doeleinden te voorkomen. Voorts dient het verbod op wrede, onmenselijke of onterende bestraffing duidelijke grenzen te stellen aan het gebruik van de doodstraf. Derhalve wordt de doodstraf in geen geval als een wettige straf beschouwd.

(6)  Het is dan ook passend dat de Unie regels vaststelt voor de handel met derde landen in goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf, en in goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Deze regels helpen het eerbiedigen van het menselijk leven en van de fundamentele rechten van de mens te bevorderen en dragen derhalve bij aan de bescherming van de goede zeden. Met deze regels wil men ervoor zorgen dat handelaren in de Unie geen voordeel halen uit handel die de uitvoering van beleid inzake de doodstraf of inzake foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat niet verenigbaar is met de relevante EU-richtsnoeren, het Handvest en internationale verdragen en overeenkomsten, bevordert of anderszins vergemakkelijkt.

(7)  Voor deze verordening dient de definitie van foltering te worden toegepast die is omschreven in het Verdrag van de Verenigde Naties van 1984 tegen folteringen in Resolutie 3452 (XXX) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Bij de interpretatie van de definitie dient rekening te worden gehouden met de jurisprudentie inzake de interpretatie van de dienovereenkomstige termen in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in de relevante teksten die zijn goedgekeurd door de Unie of haar lidstaten. De definitie van „andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing”, die niet in dat Verdrag is te vinden, moet in overeenstemming zijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. De betekenis van de term „wettige straf” in de definities van „foltering” en „andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing” dient rekening te houden met het Uniebeleid op het vlak van de doodstraf.

(8)  Het werd noodzakelijk geacht om de in- en uitvoer van goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf of foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling en bestraffing en de verlening van technische bijstand met betrekking tot dergelijke goederen , te verbieden.

(9)  Wanneer dergelijke goederen zich in derde landen bevinden, is het noodzakelijk om tussenhandelaars in de Unie te verbieden tussenhandeldiensten te verlenen met betrekking tot dergelijke goederen.

(10)  Om te kunnen bijdragen tot de afschaffing van de doodstraf in derde landen en foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te voorkomen, wordt het noodzakelijk geacht om het verlenen van technische bijstand, aan derde landen, die betrekking heeft op het gebruik van goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf of foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling en bestraffing, te verbieden.

(11)  Tevens is het gepast om tussenhandelaars en verleners van technische bijstand te verbieden een opleiding te verstrekken over het gebruik van dergelijke goederen aan derde landen, en om zowel de promotie van dergelijke goederen op handelsbeurzen of tentoonstellingen in de Unie als de verkoop of aankoop van reclameruimte in gedrukte media of op internet en van reclametijd op televisie of radio met betrekking tot dergelijke goederen, te verbieden.

(12)  Om te voorkomen dat marktdeelnemers voordeel halen uit het vervoer van goederen die voor gebruik voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing bedoeld zijn en die het douanegebied van de Unie doorkruisen naar een derde land , is het noodzakelijk het vervoer binnen de Unie van dergelijke goederen te verbieden, indien deze in bijlage II bij deze verordening zijn vermeld.

(13)  De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om maatregelen toe te passen die de verlening beperken van bepaalde diensten met betrekking tot goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf of foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling en bestraffing , in overeenstemming met de toepasselijke regels van de Unie.

(14)  Bij deze verordening wordt een regeling voor uitvoervergunningen vastgesteld die is bedoeld om te voorkomen dat bepaalde goederen worden gebruikt voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(15)  Er dienen daarom controles te worden ingesteld op de uitvoer van bepaalde goederen die niet alleen gebruikt kunnen worden voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, doch ook voor andere, legitieme doeleinden. Deze controles dienen te worden ingesteld op goederen die voornamelijk worden gebruikt voor wetshandhaving en, behalve wanneer dergelijke controles niet in verhouding zouden zijn, op andere instrumenten of producten die, gezien hun ontwerp en technische eigenschappen, zouden kunnen worden misbruikt voor foltering of voor andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(16)  Wat de instrumenten voor wetshandhaving betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 3 van de gedragscode voor wetshandhavers(6) bepaalt dat wetshandhavers alleen dwang mogen gebruiken wanneer dit strikt noodzakelijk is, en in de mate die vereist is voor het uitoefenen van hun taak. De basisbeginselen inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door wetshandhavers, die in 1990 werden goedgekeurd door het achtste congres van de Verenigde Naties inzake de preventie van misdaad en de behandeling van misdadigers, bepalen dat wetshandhavers bij de uitoefening van hun taak zoveel mogelijk gebruik zouden moeten maken van geweldloze middelen alvorens hun toevlucht te nemen tot het gebruik van geweld en vuurwapens.

(17)  In de basisbeginselen wordt ervoor gepleit niet-dodelijke wapens te ontwikkelen om mensen uit te schakelen, die onder passende omstandigheden moeten worden gebruikt, terwijl men zich er tegelijkertijd van bewust is dat zorgvuldig toezicht moet worden gehouden op het gebruik van dergelijke wapens. Bepaalde door de politie van oudsher gebruikte instrumenten voor zelfverdediging en oproerbeheersing werden bijvoorbeeld zodanig gewijzigd dat zij ook kunnen worden gebruikt voor het toedienen van elektrische schokken en chemische stoffen om mensen uit te schakelen. Er zijn aanwijzingen dat dergelijke wapens in verschillende landen worden misbruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(18)  In de basisbeginselen wordt benadrukt dat wetshandhavers moeten worden uitgerust met instrumenten voor hun zelfverdediging. Deze verordening dient derhalve niet van toepassing te zijn op de handel in traditionele instrumenten voor zelfverdediging zoals schilden.

(19)  Deze verordening dient van toepassing te zijn op de handel in sommige specifieke chemische stoffen die worden gebruikt om mensen uit te schakelen.

(20)  Wat betreft voetboeien, groeps- en individuele kluisters en boeien, zij erop gewezen dat in artikel 33 van de minimumnormen voor de behandeling van gevangenen van de Verenigde Naties(7) is bepaald dat instrumenten om mensen in bedwang te houden nooit mogen worden toegepast als straf. Voorts mogen kluisters en boeien niet worden gebruikt om mensen in bedwang te houden. De minimumnormen voor de behandeling van gevangenen van de Verenigde Naties bepalen voorts dat andere instrumenten om mensen in bedwang te houden alleen mogen worden gebruikt als voorzorgsmaatregel om ontvluchting te voorkomen tijdens een verplaatsing, op medische gronden op aanwijzing van een arts of, indien andere controlemethodes het laten afweten, om te voorkomen dat een gevangene zichzelf of anderen verwondt of eigendom beschadigt.

(21)  Om personeel en andere mensen tegen spuwen te beschermen, worden gevangenen soms verplicht een zogenaamd spuwmasker te dragen. Aangezien een dergelijk masker de mond en soms ook de neus afsluit, bestaat er een inherent risico van verstikking. Indien het wordt gecombineerd met andere dwangmiddelen, zoals handboeien, bestaat ook het gevaar van nekletsels. De uitvoer van spuwmaskers dient daarom te worden gecontroleerd.

(22)  Naast draagbare wapens, dienen de uitvoercontroles zich ook uit te strekken tot vaste of monteerbare wapens met elektrische ontlading die een groot bereik hebben en waarmee meerdere personen kunnen worden geraakt. Dergelijke wapens worden vaak als zogenaamde niet-dodelijke wapens aangemerkt, maar zij kunnen minstens zoveel grote pijn of lijden veroorzaken als draagbare wapens met elektrische ontlading.

(23)  Aangezien apparaten voor de verspreiding van irriterende chemische stoffen voor gebruik in gebouwen op de markt worden gebracht, en het gebruik van dergelijke stoffen binnenshuis een risico betekent van grote pijn of lijden dat niet bestaat bij traditioneel gebruik in open lucht, dient de uitvoer van dergelijke apparaten te worden gecontroleerd.

(24)  De uitvoercontroles dienen ook te worden toegepast op vaste of monteerbare apparaten voor de verspreiding van verdovende of irriterende stoffen met groot bereik, voor zover dergelijke apparaten nog niet vallen onder de uitvoercontroles overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad(8). Dergelijke apparaten worden vaak als zogenaamde niet-dodelijke technologie aangemerkt, maar zij kunnen minstens zoveel grote pijn of lijden veroorzaken als draagbare wapens en apparaten. Hoewel water geen verdovende of irriterende chemische stof is, kunnen waterkanonnen worden gebruikt om dergelijke stoffen te verspreiden in vloeibare vorm en de uitvoer ervan dient te worden gecontroleerd.

(25)  De uitvoercontroles betreffende capsicum-oleohars (OC) en pelargoonzuur­vanillylamide (PAVA) dienen te worden aangevuld met uitvoercontroles op bepaalde mengsels die deze stoffen bevatten, en die als zodanig kunnen worden gebruikt als verdovende of irriterende stof of voor de vervaardiging van dergelijke stoffen. Eventuele verwijzingen naar verdovende of irriterende chemische stoffen moeten worden begrepen als omvattende capsicum-oleohars en de relevante mengsels die deze hars bevatten, indien van toepassing.

(26)  Er dient te worden voorzien in specifieke vrijstellingen van de uitvoercontroles, teneinde de werking van de politiediensten van de lidstaten en de uitvoering van vredeshandhavings- of crisisbeheersingsoperaties niet te belemmeren.

(27)  Rekening houdend met het feit dat sommige lidstaten de invoer en uitvoer van dergelijke goederen reeds hebben verboden, dient de lidstaten het recht te worden gegeven de in- en uitvoer van voetboeien, groepskluisters en draagbare elektrische schokapparatuur, met uitzondering van elektrische schokgordels, te verbieden. De lidstaten dienen ook te worden gemachtigd om, indien zij zulks wensen, handboeien waarvan de maximumafmetingen, met inbegrip van de ketting, in gesloten toestand 240 mm overschrijden, aan uitvoercontroles te onderwerpen.

(28)  Om de administratieve belasting voor exporteurs te beperken, dienen de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te hebben een globale vergunning te verlenen voor in bijlage III bij deze verordening vermelde goederen om te voorkomen dat de desbetreffende goederen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(29)  In een aantal gevallen zijn naar derde landen uitgevoerde geneesmiddelen aan hun bestemming onttrokken en gebruikt voor het voltrekken van de doodstraf, met name door toediening van een dodelijke overdosis door middel van injectie. De Unie keurt de doodstraf in alle omstandigheden af en streeft naar afschaffing ervan wereldwijd. De exporteurs maakten er bezwaar tegen dat zij onwillekeurig worden geassocieerd met een dergelijk gebruik van producten die zij voor geneeskundig gebruik hadden ontwikkeld.

(30)  Er dienen daarom controles te worden ingesteld op de uitvoer van bepaalde goederen die zouden kunen worden gebruikt voor de doodstraf, om te voorkomen dat bepaalde geneesmiddelen worden gebruikt voor het voltrekken van de doodstraf en om te waarborgen dat voor alle EU-exporteurs van geneesmiddelen in dit verband dezelfde voorwaarden gelden. De desbetreffende geneesmiddelen zijn ontwikkeld voor onder meer anesthesie en sedatie.

(31)  Deze regeling voor uitvoervergunningen moet evenredig blijven. Zij dient daarom geen belemmering te vormen voor de uitvoer van voor rechtmatige medische doeleinden te gebruiken geneesmiddelen.

(32)  De lijst van goederen voor de uitvoer waarvan een vergunning is vereist om te voorkomen dat deze goederen voor de doodstraf worden gebruikt, dient uitsluitend goederen te omvatten die voor de doodstraf zijn gebruikt in een derde land dat de doodstraf niet heeft afgeschaft, evenals goederen die in een dergelijk derde land voor de doodstraf mogen worden gebruikt, zonder dat deze reeds voor dat doel zijn gebruikt. In de lijst dienen geen niet-dodelijke goederen te worden opgenomen die niet essentieel zijn voor de executie van een veroordeelde, zoals standaardmeubilair dat in de executieruimte kan staan.

(33)  Gelet op de verschillen tussen de doodstraf enerzijds en foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing anderzijds, is het passend om een specifieke regeling voor uitvoervergunningen vast te stellen om het gebruik van bepaalde goederen voor de doodstraf te voorkomen. Een dergelijke regeling dient rekening te houden met het feit dat een aantal landen voor alle misdaden de doodstraf heeft afgeschaft en daarvoor een internationale verbintenis zijn aangegaan. Omdat er een risico bestaat op wederuitvoer naar landen die dit niet hebben gedaan, moeten bepaalde voorwaarden en eisen worden opgelegd voor het toestaan van uitvoer naar landen die de doodstraf hebben afgeschaft. Om die reden is het gepast om een algemene uitvoervergunning te verlenen voor uitvoer naar de landen die voor alle misdaden de doodstraf hebben afgeschaft en deze afschaffing door middel van een internationale verbintenis hebben bevestigd.

(34)  Indien een land niet de doodstraf voor alle misdaden heeft afgeschaft met een bevestiging daarvan door middel van een internationale verbintenis, moeten de bevoegde autoriteiten, bij het onderzoeken van een aanvraag voor een uitvoervergunning, controleren of er een risico bestaat dat de eindgebruiker in het land van bestemming de uitgevoerde goederen voor een dergelijke bestraffing zou gebruiken. Er moeten passende voorwaarden en eisen worden opgelegd om de verkoop of overdracht door de eindgebruiker aan derden te controleren. Indien meerdere leveringen tussen dezelfde exporteur en eindgebruiker plaatsvinden, moet de bevoegde autoriteiten worden toegestaan de status van de eindgebruiker periodiek te controleren, bijvoorbeeld elke zes maanden, in plaats van bij elke toekenning van een uitvoervergunning voor een verzending, zonder afbreuk te doen aan het recht van de bevoegde autoriteiten om, wanneer nodig, een uitvoervergunning in te trekken, te schorsen , te wijzigen of te herroepen.

(35)  Om de administratieve belasting voor exporteurs te beperken, dienen de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te hebben om een exporteur een globale vergunning te verlenen voor alle verzendingen van geneesmiddelen door de exporteur naar een specifieke eindgebruiker gedurende een specifieke periode, waar nodig met vermelding van een hoeveelheid die overeenkomt met het normale gebruik van dergelijke goederen door de eindgebruiker. Een dergelijke vergunning dient geldig te zijn gedurende één tot drie jaar, met een mogelijkheid tot verlenging met maximaal twee jaar.

(36)  Het verlenen van een globale vergunning zou ook gepast zijn wanneer een fabrikant voornemens is binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende geneesmiddelen uit te voeren naar een distributeur in een land dat de doodstraf niet heeft afgeschaft, op voorwaarde dat de exporteur en de distributeur een juridisch bindende overeenkomst hebben gesloten die vereist dat de distributeur een passende reeks maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de geneesmiddelen niet voor voltrekking van de doodstraf worden gebruikt.

(37)  Geneesmiddelen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, kunnen onderworpen zijn aan controles overeenkomstig de internationale verdragen inzake narcotica en psychotrope stoffen, zoals het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971. Aangezien dergelijke controles niet worden verricht om te voorkomen dat de desbetreffende geneesmiddelen voor de doodstraf worden gebruikt, maar om illegale drugshandel te voorkomen, dienen naast de internationale controles ook de uitvoercontroles van deze verordening te worden toegepast. Lidstaten dienen echter te worden aangemoedigd om één procedure te gebruiken voor beide controlesystemen.

(38)  De uitvoercontroles overeenkomstig deze verordening zijn niet van toepassing op de goederen waarvan de uitvoer wordt geregeld overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad(9) en Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad(10).

(39)  De verlening van tussenhandeldiensten en de verlening van technische bijstand met betrekking tot de in bijlage III of in bijlage IV bij deze verordening vermelde goederen moet onderworpen zijn aan een voorafgaande vergunning om te voorkomen dat de tussenhandeldiensten of de technische bijstand worden gebruikt voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(40)  De tussenhandeldiensten en technische bijstand waarvoor op grond van deze verordening een voorafgaande vergunning is vereist, dienen diensten en bijstand te zijn die vanuit de Unie worden verleend, dat wil zeggen vanuit de grondgebieden die binnen de territoriale werkingssfeer van de Verdragen vallen, met inbegrip van het luchtruim en van luchtvaartuigen of andere vaartuigen die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen.

(41)  Wanneer zij toestemming geven voor de verlening van technische bijstand voor in bijlage III bij deze verordening vermelde goederen, moeten de bevoegde autoriteiten ernaar streven te waarborgen dat de technische bijstand en eventuele opleiding over het gebruik van dergelijke goederen die wordt verstrekt of aangeboden in combinatie met de technische bijstand waarvoor om toestemming is verzocht, zodanig worden verstrekt dat hierbij rechtshandhavingsnormen die de mensenrechten eerbiedigen, worden bevorderd en wordt bijgedragen aan de voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(42)  Om te voorkomen dat marktdeelnemers voordeel halen uit het vervoer van goederen die voor gebruik voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing bedoeld zijn en die het douanegebied van de Unie doorkruisen naar een derde land, is het noodzakelijk het vervoer binnen de Unie van dergelijke goederen te verbieden indien deze in bijlage III of bijlage IV bij deze verordening zijn vermeld, op voorwaarde dat de marktdeelnemer op de hoogte is van het beoogde gebruik ervan.

(43)  De richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing bepalen onder meer dat de hoofden van missies in derde landen in hun periodieke verslagen een analyse dienen op te nemen van eventuele gevallen van foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in het land waarin zij geaccrediteerd zijn, en de maatregelen die zijn genomen om dit tegen te gaan. De bevoegde autoriteiten dienen, wanneer zij besluiten nemen inzake verzoeken om vergunningen, rekening te houden met deze en soortgelijke verslagen van relevante internationale en maatschappelijke organisaties. Dergelijke verslagen dienen tevens een beschrijving te omvatten van instrumenten die in derde landen worden gebruikt voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

(44)  Terwijl douaneautoriteiten bepaalde informatie met andere douaneautoriteiten moeten uitwisselen door middel van het risicobeheerssysteem overeenkomstig de douanewetgeving van de Unie, dienen de in deze verordening bedoelde bevoegde autoriteiten bepaalde informatie uit te wisselen met andere bevoegde autoriteiten. Het is gepast om verplicht te stellen dat de bevoegde autoriteiten een veilig en versleuteld systeem gebruiken voor de uitwisseling van informatie over weigeringen. Hiertoe dient de Commissie een nieuwe functionaliteit beschikbaar te stellen in het bestaande systeem dat is ingevoerd krachtens artikel 19, lid 4, van Verordening (EG) nr. 428/2009.

(45)  Wat persoonsgegevens betreft, dient het verwerken en uitwisselen van informatie te voldoen aan de toepasselijke regels inzake het verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(11) en Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(12).

(46)  Met het oog op de vaststelling van de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van deze verordening, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de bijlagen I tot en met IX bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(13). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(47)  Teneinde de Unie in staat te stellen snel te reageren wanneer nieuwe goederen worden ontwikkeld die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en indien er een duidelijk en onmiddellijk risico bestaat dat deze goederen zullen worden gebruikt voor doeleinden die dergelijke mensenrechtenschendingen tot gevolg hebben, moet worden bepaald dat de betrokken handeling van de Commissie onmiddellijk kunnen worden toegepast wanneer bijlage II of III bij deze verordening om dwingende redenen van urgentie moet worden gewijzigd. Teneinde de Unie in staat te stellen snel te reageren wanneer een of meer derde landen ofwel goedkeuring geven voor goederen voor gebruik voor de doodstraf, ofwel een internationale verbintenis om de doodstraf voor alle misdaden af te schaffen op zich nemen of schenden, moet worden bepaald dat de betrokken handeling van de Commissie onmiddellijk kunnen worden toegepast wanneer bijlage IV of V bij deze verordening om dwingende redenen van urgentie moet worden gewijzigd. Indien de spoedprocedure wordt gevolgd is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau.

(48)  Er dient een coördinatiegroep te worden opgericht. Deze groep moet dienen als platform waarop de deskundigen uit de lidstaten en de Commissie informatie over administratieve praktijken kunnen uitwisselen en kunnen discussiëren over de uitlegging van deze verordening, over technische vragen met betrekking tot de vermelde goederen, over ontwikkelingen in verband met deze verordening en over eventuele andere vraagstukken. De groep moet in het bijzonder kunnen discussiëren over vragen in verband met de aard en het beoogde gebruik van goederen, de beschikbaarheid van goederen in derde landen en de vraag of goederen specifiek zijn ontworpen of gewijzigd voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Indien de Commissie besluit de groep te raadplegen bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dient zij dit te doen in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

(49)  De Commissie koopt geen uitrusting voor wetshandhaving aan, aangezien zij niet verantwoordelijk is voor de rechts- en ordehandhaving, voor strafvervolging of voor het afdwingen van rechterlijke beslissingen in strafzaken. Daarom dient te worden voorzien in een procedure om ervoor te zorgen dat de Commissie informatie ontvangt over niet in de lijsten vermelde uitrusting en goederen voor wetshandhaving die in de Unie op de markt zijn gebracht, zodat de lijsten van goederen waarin de handel is verboden of wordt gecontroleerd, worden aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. Wanneer een lidstaat bij de Commissie een verzoek indient om goederen toe te voegen aan bijlage II, III of IV bij deze verordening, dient deze dit verzoek aan de andere lidstaten door te sturen.

(50)  De maatregelen van deze verordening hebben tot doel zowel de doodstraf als foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in derde landen te voorkomen. Zij omvatten beperkingen voor de handel met derde landen in goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het wordt niet noodzakelijk geacht om soortgelijke controles in te stellen op transacties binnen de Unie , omdat de doodstraf niet bestaat in de lidstaten en de lidstaten passende maatregelen zullen hebben genomen om foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te verbieden en te voorkomen.

(51)  De richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing bepalen dat, om doeltreffende maatregelen te kunnen nemen tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, maatregelen zouden moeten worden genomen om het gebruik, de productie van en de handel in instrumenten die zijn ontworpen voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, te voorkomen. Het is de taak van de lidstaten om de nodige beperkingen op te leggen op het gebruik en de productie van dergelijke instrumenten.

(52)  De Commissie en de lidstaten dienen elkaar op de hoogte te brengen van de maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, alsmede van andere relevante informatie waarover zij in verband met deze verordening beschikken.

(53)  De lidstaten dienen regels vast te stellen voor sancties die van toepassing zijn op overtreding van de bepalingen van deze verordening en er op toe te zien dat deze worden uitgevoerd. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Onderwerp en definities

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de regels van de Unie vastgelegd met betrekking tot de handel met derde landen in goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en met betrekking tot de verlening van tussenhandeldiensten, van technische bijstand, opleiding en reclame met betrekking tot dergelijke goederen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  „foltering”: iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig lijden , lichamelijk dan wel geestelijk, wordt veroorzaakt bij een persoon met het oogmerk om, onder meer, van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht deze te hebben begaan, of hem of een derde te intimideren of ergens toe te dwingen dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie van welke aard dan ook, wanneer zulke pijn of zulk lijden wordt veroorzaakt door of op instigatie van dan wel met de instemming of het gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Foltering omvat niet pijn of lijden slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met wettige straffen. De doodstraf wordt onder geen enkele omstandigheid beschouwd als een wettige straf;

b)  „andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing”: iedere handeling waardoor pijn die of lijden dat een bepaalde mate van ernst bereikt, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt veroorzaakt bij een persoon, wanneer zulke pijn of zulk lijden wordt veroorzaakt door of op instigatie van dan wel met de instemming of het gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Dit omvat niet pijn of lijden slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met wettige straffen. De doodstraf wordt onder geen enkele omstandigheid beschouwd als een wettige straf;

c)  „wetshandhavingsinstantie”: iedere autoriteit die verantwoordelijk is voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken, bestrijden en bestraffen van misdaden, met inbegrip van doch niet beperkt tot de politie, aanklagers, juridische autoriteiten, openbare of particuliere gevangenisautoriteiten en, indien van toepassing, nationale veiligheidsdiensten en militaire autoriteiten;

d)  „uitvoer”: elk vertrek van goederen uit het douanegebied van de Unie, met inbegrip van het vertrek van goederen waarvoor een douaneaangifte vereist is en het vertrek van goederen na de opslag ervan in een vrije zone in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad(14);

e)  „invoer”: elke binnenkomst van goederen in het douanegebied van de Unie, met inbegrip van tijdelijke opslag, plaatsing in een vrije zone, plaatsing onder een bijzondere regeling en het in het vrije verkeer brengen in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013;

f)  „technische bijstand”: elke technische steun in verband met reparaties, ontwikkeling, vervaardiging, beproeving, onderhoud, assemblage of andere technische diensten, die de vorm kan aannemen van bijvoorbeeld instructies, advies, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden en adviesdiensten. Technische bijstand omvat ook verbale vormen van bijstand en bijstand door middel van elektronische middelen;

g)  „museum”: een permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving en van de ontwikkeling daarvan, die openstaat voor het publiek en die, ten behoeve van studie, onderricht en gewoon genieten, materiële getuigenissen van mensen en hun leefomgeving verwerft, conserveert, onderzoekt, meedeelt en ten toon stelt;

h)  „bevoegde autoriteit”: een in bijlage I vermelde autoriteit van een van de lidstaten, die overeenkomstig artikel 20 gerechtigd is een besluit te nemen inzake een vergunningsaanvraag of een exporteur te verbieden de algemene Unie-uitvoervergunning te gebruiken;

i)  „aanvrager”:

1)  de exporteur, in geval van uitvoer zoals bedoeld in artikel 3, 11, of 16;

2)  de natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of instantie die de goederen binnen het douanegebied van de Unie vervoert, in geval van doorvoer zoals bedoeld in artikel 5;

3)  de verlener van de technische bijstand, in geval van verlening van technische bijstand zoals bedoeld in artikel 3;

4)  het museum dat de goederen zal tentoonstellen, in geval van invoer en verlening van technische bijstand zoals bedoeld in artikel 4;

5)  de verlener van de technische bijstand of de tussenhandelaar, in geval van verlening van technische bijstand zoals bedoeld in artikel 15 of tussenhandeldiensten zoals bedoeld in artikel 19;

j)  „douanegebied van de Unie”: het grondgebied zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013;

k)  „tussenhandeldiensten”:

1)  het onderhandelen over of regelen van transacties met het oog op de aankoop, verkoop of levering van desbetreffende goederen door een derde land van/aan een ander derde land, of

2)  het verkopen of aankopen van desbetreffende goederen in derde landen met het oog op de overbrenging ervan naar een ander derde land.

Voor de toepassing van deze verordening geldt deze definitie niet voor het louter verstrekken van nevendiensten. Nevendiensten zijn vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering dan wel algemene reclame of promotie;

l)  „tussenhandelaar”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat, die of dat vanuit de Unie onder k) gedefinieerde diensten verricht; een natuurlijke persoon met de nationaliteit van een lidstaat, ongeacht zijn verblijfplaats, die dergelijke diensten vanuit de Unie verricht, en een volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersoon, entiteit of instantie, ongeacht de verblijfplaats ervan, die dergelijke diensten vanuit de Unie verricht;

m)  „verlener van technische bijstand”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat, die of dat vanuit de Unie onder f) gedefinieerde technische bijstand verleent; een natuurlijke persoon met de nationaliteit van een lidstaat, ongeacht zijn verblijfplaats, die dergelijke bijstand vanuit de Unie verleent, en een volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersoon, entiteit of instantie, ongeacht de verblijfplaats ervan, die dergelijke bijstand vanuit de Unie verleent ;

n)  „exporteur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap namens wie of waarvan een uitvoeraangifte wordt gedaan, zijnde de persoon, entiteit of instantie die op het tijdstip waarop de uitvoeraangifte wordt aanvaard, partij is bij een contract met de ontvanger in het betrokken derde land en die gemachtigd is te beslissen dat de producten naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie worden verzonden. Indien geen dergelijk uitvoercontract is gesloten of indien de partij bij dat contract niet namens zichzelf handelt, wordt onder de exporteur verstaan de persoon, entiteit of instantie die gemachtigd is te beslissen dat de producten naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie worden verzonden. Indien het recht over de goederen te beschikken, toekomt aan een persoon, entiteit of instantie die blijkens dat contract buiten de Unie verblijft of is gevestigd, wordt de exporteur geacht de in de Unie verblijvende of gevestigde contractpartij te zijn;

o)  „algemene Unie-uitvoervergunning”: een vergunning voor onder d) gedefinieerde uitvoer naar bepaalde landen die beschikbaar is voor alle exporteurs die zich houden aan de gebruiksvoorwaarden ervan zoals vermeld in bijlage V;

p)  „individuele vergunning”: een vergunning die wordt verleend aan:

1)  één specifieke exporteur voor onder d) gedefinieerde uitvoer voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land en die betrekking heeft op een of meer goederen;

2)  één specifieke tussenhandelaar voor de verlening van onder k) gedefinieerde tussenhandeldiensten voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land en die betrekking heeft op een of meer goederen, of

3)  een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of instantie die goederen binnen het douanegebied van de Unie vervoert voor onder s) gedefinieerde doorvoer;

q)  „globale vergunning”: een vergunning die aan één specifieke exporteur of tussenhandelaar voor een in bijlage III of bijlage IV vermelde soort goederen wordt verleend, die kan gelden voor:

1)  onder d) gedefinieerde uitvoer naar een of meer met naam genoemde eindgebruikers in een of meer met naam genoemde derde landen;

2)  onder d) gedefinieerde uitvoer naar één of meer met naam genoemde distributeurs in één of meer met naam genoemde derde landen, wanneer de exporteur een fabrikant is van de in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III of in deel 1 van bijlage IV vermelde goederen;

3)  de verlening van tussenhandeldiensten met betrekking tot overbrengingen van goederen in derde landen naar één of meer met naam genoemde eindgebruikers in één of meer met naam genoemde derde landen;

4)  de verlening van tussenhandeldiensten met betrekking tot overbrengingen van goederen in derde landen, naar één of meer met naam genoemde distributeurs in één of meer met naam genoemde derde landen, wanneer de tussenhandelaar een fabrikant is van de in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III of in deel 1 van bijlage IV vermelde goederen;

r)  „distributeur”: een marktdeelnemer die groothandelsactiviteiten verricht op het vlak van goederen vermeld in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III of in deel 1 van bijlage IV, zoals het aankopen van dergelijke goederen bij fabrikanten of het opslaan, leveren of uitvoeren van dergelijke goederen; groothandelsactiviteiten op het vlak van dergelijke goederen omvatten niet de aankoop door een ziekenhuis, een apotheek of een zorgverlener met als enig doel dergelijke goederen te leveren aan de bevolking;

s)  „doorvoer”: vervoer binnen het douanegebied van de Unie van niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie doorkruisen met een bestemming buiten het douanegebied van de Unie.

HOOFDSTUK II

Goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

Artikel 3

Uitvoerverbod

1.  Het is verboden de in bijlage II vermelde goederen uit te voeren, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.

Bijlage II omvat goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Het is een verlener van technische bijstand verboden om, al dan niet tegen vergoeding, technische bijstand te verlenen die samenhangt met de in bijlage II vermelde goederen aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land.

2.  In afwijking van lid 1 mag de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor de uitvoer van de in bijlage II vermelde goederen en het verlenen van de hiermee samenhangende technische bijstand, indien wordt aangetoond dat dergelijke goederen in het derde land waarnaar de goederen worden uitgevoerd, uitsluitend worden gebruikt om te worden tentoongesteld in een museum wegens hun historische betekenis.

Artikel 4

Invoerverbod

1.  Het is verboden de in bijlage II vermelde goederen in te voeren, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.

Het is een persoon, entiteit of instantie in de Unie verboden technische bijstand te aanvaarden die samenhangt met de in bijlage II vermelde goederen, en die al dan niet tegen vergoeding door een persoon, entiteit of instantie vanuit een derde land wordt verleend.

2.  In afwijking van lid 1 mag de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor invoer van de in bijlage II vermelde goederen en het verlenen van de hiermee samenhangende technische bijstand indien wordt aangetoond dat dergelijke goederen in de lidstaat van bestemming uitsluitend worden gebruikt om te worden tentoongesteld in een museum wegens hun historische betekenis.

Artikel 5

Verbod op doorvoer

1.  Het is verboden de in bijlage II vermelde goederen door te voeren.

2.  In afwijking van lid 1 mag de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor de doorvoer van de in bijlage II vermelde goederen indien wordt aangetoond dat dergelijke goederen in het land van bestemming uitsluitend worden gebruikt om te worden tentoongesteld in een museum wegens hun historische betekenis.

Artikel 6

Verbod op tussenhandeldiensten

Het is een tussenhandelaar verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land tussenhandeldiensten te verlenen voor de in bijlage II vermelde goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.

Artikel 7

Verbod op opleiding

Het is een verlener van technische bijstand of een tussenhandelaar verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land een opleiding over het gebruik van de in bijlage II vermelde goederen te verlenen of aan te bieden.

Artikel 8

Handelsbeurzen

Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, al dan niet verblijvend of gevestigd in een lidstaat, verboden om de in bijlage II vermelde goederen tentoon te stellen of voor verkoop aan te bieden in een tentoonstelling of beurs in de Unie, behalve als wordt aangetoond dat, gezien de aard van de tentoonstelling of beurs, een dergelijke tentoonstelling of aanbod voor verkoop de verkoop of levering van de betrokken goederen aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land niet bevordert of eraan bijdraagt.

Artikel 9

Reclame

Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, die verblijft of gevestigd is in een lidstaat en die reclameruimte of reclametijd verkoopt of aankoopt binnen de Unie, een natuurlijke persoon met de nationaliteit van een lidstaat die reclameruimte of reclametijd verkoopt of aankoopt binnen de Unie, en een volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersoon, entiteit of instantie die reclameruimte of reclametijd verkoopt of aankoopt binnen de Unie, verboden om reclameruimte in gedrukte media of op internet of reclametijd op televisie of radio met betrekking tot de in bijlage II vermelde goederen te verkopen aan of te kopen van een persoon, entiteit of instantie in een derde land.

Artikel 10

Nationale maatregelen

1.  Onverminderd de toepasselijke Unieregels, met inbegrip van het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit, mogen de lidstaten nationale maatregelen aannemen of handhaven om vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering, of algemene reclame of promotie met betrekking tot de in bijlage II vermelde goederen, te beperken.

2.  De lidstaten delen alle op grond van lid 1 genomen maatregelen, of wijzigingen en intrekkingen daarvan, mee aan de Commissie vóór de inwerkingtreding ervan.

HOOFDSTUK III

Goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

Artikel 11

Verplichte uitvoervergunning

1.  Voor de in bijlage III vermelde goederen is een vergunning vereist, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen. Een vergunning is evenwel niet vereist voor goederen die slechts het douanegebied van de Unie doorkruisen, d.w.z. goederen die geen andere douanebestemming hebben dan extern douanevervoer in het kader van artikel 226 van Verordening (EU) nr. 952/2013, met inbegrip van opslag van niet-Uniegoederen in een vrije zone.

Bijlage III omvat uitsluitend de volgende goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing:

a)  goederen die voornamelijk voor wetshandhaving worden gebruikt;

b)  goederen waarvoor, gezien hun ontwerp en technische kenmerken, een aanzienlijk risico bestaat dat zij worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Bijlage III omvat niet:

a)  vuurwapens die onder Verordening (EU) nr. 258/2012 vallen;

b)  producten voor tweeërlei gebruik die onder Verordening (EG) nr. 428/2009 vallen;

c)  goederen die overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB worden gecontroleerd.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op de uitvoer naar die gebieden van de lidstaten die in bijlage VI zijn opgenomen en die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Unie , mits de goederen zullen worden gebruikt door een autoriteit die belast is met de wetshandhaving in zowel het land of gebied van bestemming als het Europese gedeelte van de lidstaat waartoe dat gebied behoort. De douaneautoriteiten of andere relevante autoriteiten hebben het recht te verifiëren of aan deze voorwaarde is voldaan, en kunnen beslissen dat de uitvoer in afwachting van die verificatie niet plaatsvindt.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op de uitvoer naar derde landen indien de goederen zullen worden gebruikt door militair of civiel personeel van een lidstaat en dat personeel deelneemt aan een EU- of VN-vredeshandhavings- of crisisbeheersingsoperatie in het betrokken derde land of aan een operatie die gebaseerd is op overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op het gebied van defensie. De douaneautoriteiten of andere relevante autoriteiten hebben het recht te verifiëren of aan deze voorwaarde is voldaan. In afwachting van die verificatie vindt de uitvoer niet plaats.

Artikel 12

Criteria voor het verlenen van uitvoervergunningen

1.  De bevoegde autoriteiten beslissen over uitvoervergunningen met betrekking tot de in bijlage III vermelde goederen, rekening houdend met alle relevante overwegingen, waaronder met name de vraag of een aanvraag voor een vergunning voor in wezen identieke uitvoer in de afgelopen drie jaar is afgewezen door een andere lidstaat en overwegingen over het beoogde eindgebruik en het risico op bestemmingswijziging.

2.  De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de in bijlage III vermelde goederen door een wetshandhavingsinstantie of een natuurlijke of rechtspersoon in een derde land zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, met inbegrip van gerechtelijke lijfstraffen.

De bevoegde autoriteit houdt rekening met:

a)  de beschikbare internationale rechterlijke beslissingen;

b)  de bevindingen van de bevoegde instanties van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Europese Unie, en verslagen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa en van de speciale VN-rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Ook andere relevante informatie, met inbegrip van beschikbare nationale rechterlijke beslissingen, verslagen of andere informatie van organisaties van het maatschappelijke middenveld en informatie over beperkingen op de uitvoer van in de bijlagen II en III genoemde goederen die door het land van bestemming worden toegepast, kan in aanmerking worden genomen.

3.  De in de tweede en derde alinea vervatte regels zijn van toepassing op de controle van het beoogde eindgebruik en het risico op bestemmingswijziging.

Indien de fabrikant van in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III vermelde goederen een vergunning aanvraagt om dergelijk goederen naar een distributeur uit te voeren, beoordeelt de bevoegde autoriteit de contractuele afspraken tussen de fabrikant en de distributeur en de maatregelen die zij nemen om ervoor te zorgen dat deze goederen en, indien van toepassing, de producten waarin deze worden opgenomen, niet worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Indien een vergunning is aangevraagd om in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III vermelde goederen naar een eindgebruiker uit te voeren, mag de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van het risico op een bestemmingswijziging rekening houden met de toepasselijke contractsbepalingen en de door de eindgebruiker ondertekende eindgebruiksverklaring, indien een dergelijke verklaring ter beschikking is gesteld. Indien geen eindgebruiksverklaring ter beschikking is gesteld, staat het aan de exporteur om aan te tonen wie de eindgebruiker is en waarvoor de goederen zullen worden gebruikt. Indien de exporteur niet voldoende informatie levert over de eindgebruiker en het eindgebruik, heeft de bevoegde autoriteit gegronde redenen om aan te nemen dat de goederen zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

4.  De bevoegde autoriteiten houden bij de beoordeling van een aanvraag voor een globale vergunning niet alleen rekening met de in lid 1 vermelde criteria, maar ook met de toepassing door de exporteur van evenredige en passende middelen en procedures om ervoor te zorgen dat de bepalingen en de doelstellingen van deze verordening en de voorwaarden van de vergunning in acht worden genomen.

Artikel 13

Verbod op doorvoer

Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, al dan niet verblijvend of gevestigd in een lidstaat, verboden de in bijlage III vermelde goederen door te voeren, indien hij of zij ervan op de hoogte is dat enig deel van de zending van dergelijke goederen bedoeld is voor gebruik voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in een derde land.

Artikel 14

Nationale maatregelen

1.  Onverminderd de artikelen 11 en 12 mag een lidstaat een verbod op de uitvoer en invoer van voetboeien, groepskluisters en draagbare elektrische schokapparatuur aannemen of handhaven.

2.  Een lidstaat mag een vergunning verplicht stellen voor de uitvoer van handboeien waarvan de maximumafmetingen, met inbegrip van de kettingen, gemeten vanaf het uiteinde van een boei tot het uiteinde van de andere boei, meer dan 240 mm in gesloten toestand bedragen. De betrokken lidstaat past op dergelijke handboeien de hoofdstukken III en V toe.

3.  De lidstaten delen alle op grond van de leden 1 en 2 genomen maatregelen mee aan de Commissie vóór de inwerkingtreding ervan.

Artikel 15

Verplichte vergunning voor bepaalde diensten

1.  Een vergunning is vereist voor de verlening door een verlener van technische bijstand of een tussenhandelaar , al dan niet tegen vergoeding, van een van de volgende diensten aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land:

a)  technische bijstand met betrekking tot de in bijlage III vermelde goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen, en

b)  tussenhandeldiensten met betrekking tot de in bijlage III vermelde goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.

2.  Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten met betrekking tot de in bijlage III vermelde goederen, is artikel 12 van overeenkomstige toepassing.

Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van technische bijstand met betrekking tot de in bijlage III vermelde goederen, wordt rekening gehouden met de in artikel 12 neergelegde criteria om te beoordelen:

a)  of de technische bijstand zal worden verleend aan een persoon, entiteit of instantie die de goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing zou kunnen gebruiken, en

b)  of de technische bijstand zal worden gebruikt om de in bijlage III vermelde goederen te repareren, ontwikkelen, produceren, testen, onderhouden of assembleren voor of om technische bijstand te verlenen aan een persoon, entiteit of instantie die de goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing zou kunnen gebruiken.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op de verlening van technische bijstand indien

a)  de technische bijstand wordt verleend aan een wetshandhavingsinstantie van een lidstaat of aan militair of civiel personeel van een lidstaat zoals omschreven in de eerste zin van artikel 11, lid 3;

b)  de technische bijstand bestaat uit de verstrekking van informatie die algemeen bekend is, of

c)  de technische bijstand het noodzakelijke minimum is voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de in bijlage III vermelde goederen waarvan de uitvoer is goedgekeurd door een bevoegde autoriteit overeenkomstig deze verordening.

4.  Niettegenstaande lid 1 mag een lidstaat een verbod op de levering van tussenhandeldiensten met betrekking tot voetboeien, groepskluisters en draagbare elektrische schokapparatuur handhaven. Indien een lidstaat een dergelijk verbod handhaaft, brengt hij de Commissie op de hoogte van de eventuele wijziging of intrekking van eerder aangenomen en overeenkomstig artikel 7 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1236/2005 meegedeelde maatregelen .

HOOFDSTUK IV

Goederen die voor de doodstraf zouden kunnen worden gebruikt

Artikel 16

Verplichte uitvoervergunning

1.  Voor de uitvoer van de in bijlage IV vermelde goederen is een vergunning vereist, ongeacht de oorsprong daarvan. Een vergunning is evenwel niet vereist voor goederen die slechts het douanegebied van de Unie doorkruisen, d.w.z. goederen die geen andere douanebestemming hebben dan extern douanevervoer in het kader van artikel 226 van Verordening (EU) nr. 952/2013, met inbegrip van opslag van niet-Uniegoederen in een vrije zone.

Bijlage IV omvat uitsluitend goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf en die zijn goedgekeurd of daadwerkelijk worden gebruikt voor de doodstraf door een of meer derde landen die de doodstraf niet hebben afgeschaft. De bijlage omvat niet:

a)  vuurwapens die onder Verordening (EU) nr. 258/2012 vallen;

b)  producten voor tweeërlei gebruik die onder Verordening (EG) nr. 428/2009 vallen, en

c)  goederen die overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB worden gecontroleerd.

2.  Wanneer voor de uitvoer van geneesmiddelen een uitvoervergunning vereist is overeenkomstig deze verordening en tevens overeenkomstig internationale verdragen inzake narcotica en psychotrope stoffen, zoals het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971, kunnen lidstaten één procedure gebruiken om de door deze verordening en door het desbetreffende verdrag opgelegde verplichtingen uit te voeren.

Artikel 17

Criteria voor de verlening van uitvoervergunningen

1.  De bevoegde autoriteiten beslissen over uitvoervergunningen met betrekking tot de in bijlage IV vermelde goederen, rekening houdend met alle relevante overwegingen, met inbegrip van met name de vraag of een aanvraag voor een vergunning voor een in wezen identieke uitvoer in de afgelopen drie jaar is afgewezen door een andere lidstaat en overwegingen over het beoogde eindgebruik en het risico op bestemmingswijziging.

2.  De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de in bijlage IV vermelde goederen zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf in een derde land.

3.  De in de tweede, derde en vierde alinea vervatte regels zijn van toepassing op de controle van het beoogde eindgebruik en het risico op bestemmingswijziging.

Indien de fabrikant van in deel 1 van bijlage IV vermelde goederen een vergunning aanvraagt om dergelijke producten naar een distributeur uit te voeren, beoordeelt de bevoegde autoriteit de contractuele afspraken tussen de fabrikant en de distributeur en de maatregelen die zij nemen om ervoor te zorgen dat de goederen niet voor de voltrekking van de doodstraf worden gebruikt.

Indien een vergunning is aangevraagd om in deel 1 van bijlage IV vermelde goederen naar een eindgebruiker uit te voeren, kan de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van het risico op een bestemmingswijziging rekening houden met de van toepassing zijnde contractsbepalingen en de door de eindgebruiker ondertekende eindgebruiksverklaring, indien een dergelijke verklaring ter beschikking is gesteld. Indien geen eindgebruiksverklaring ter beschikking is gesteld, staat het aan de exporteur om aan te tonen wie de eindgebruiker is en waarvoor de goederen zullen worden gebruikt. Indien de exporteur niet voldoende informatie levert over de eindgebruiker en het eindgebruik, heeft de bevoegde autoriteit redelijke gronden om aan te nemen dat de goederen voor de voltrekking van de doodstraf zouden kunnen worden gebruikt.

De Commissie kan, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, richtsnoeren met beste praktijken aannemen betreffende de beoordeling van het eindgebruik en van het doel waarvoor technische bijstand zal worden gebruikt.

4.  De bevoegde autoriteit houdt bij de beoordeling van een aanvraag voor een globale vergunning niet alleen rekening met de in lid 1 vermelde criteria, maar ook met de toepassing door de exporteur van evenredige en passende middelen en procedures om ervoor te zorgen dat de bepalingen en de doelstellingen van deze verordening en de voorwaarden van de vergunning in acht worden genomen.

Artikel 18

Verbod op doorvoer

Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, al dan niet verblijvend of gevestigd in een lidstaat, verboden de in bijlage IV vermelde goederen door te voeren, indien hij of zij ervan op de hoogte is dat enig deel van de zending van dergelijke goederen bedoeld is voor gebruik voor de doodstraf in een derde land.

Artikel 19

Verplichte vergunning voor bepaalde diensten

1.  Een vergunning is vereist voor de verlening door een verlener van technische bijstand of een tussenhandelaar , al dan niet tegen vergoeding, van een van de volgende diensten aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land:

a)  technische bijstand met betrekking tot de in bijlage IV vermelde goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen, en

b)  tussenhandeldiensten met betrekking tot de in bijlage IV vermelde goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.

2.  Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten met betrekking tot de in bijlage IV vermelde goederen, is artikel 17 van overeenkomstige toepassing.

Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van technische bijstand met betrekking tot de in bijlage IV vermelde goederen, wordt rekening gehouden met de in artikel 17 vastgestelde criteria om te beoordelen:

a)  of de technische bijstand zal worden verleend aan een persoon, entiteit of instantie die de goederen waarop deze betrekking heeft voor de doodstraf zou kunnen gebruiken, en

b)  of de technische bijstand zal worden gebruikt om de in bijlage IV vermelde goederen te repareren, ontwikkelen, produceren, testen, onderhouden of assembleren voor of om technische bijstand te verlenen aan een persoon, entiteit of instantie die de goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft voor de doodstraf zou kunnen gebruiken.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op de verlening van technische bijstand indien

a)  de technische bijstand bestaat uit de verstrekking van informatie die algemeen bekend is, of

b)  de technische bijstand het noodzakelijke minimum is voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de in bijlage IV vermelde goederen waarvan de uitvoer is goedgekeurd door een bevoegde autoriteit overeenkomstig deze verordening.

HOOFDSTUK V

Vergunningsprocedures

Artikel 20

Soorten vergunningen en autoriteiten van afgifte

1.  Bij deze verordening wordt een algemene Unie-uitvoervergunning ingesteld, voor bepaalde uitvoer zoals beschreven in bijlage V.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur verblijvend of gevestigd is, mag de exporteur verbieden om deze vergunning te gebruiken als er redelijke twijfel bestaat over het vermogen van de exporteur om de voorwaarden van deze vergunning of een bepaling van de wetgeving inzake uitvoercontrole, na te leven.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen informatie uit over alle exporteurs die het recht is ontnomen om de algemene Unie-uitvoervergunning te gebruiken, tenzij zij vaststellen dat een specifieke exporteur niet zal proberen de in bijlage IV vermelde goederen via een andere lidstaat uit te voeren. Hiervoor zal een beveiligd en versleuteld systeem voor het uitwisselen van informatie worden gebruikt.

2.  Een vergunning voor andere dan de in lid 1 bedoelde uitvoer waarvoor overeenkomstig deze verordening een vergunning vereist is, wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I. Een dergelijke vergunning kan een individuele of een globale vergunning zijn indien het de in bijlage III of in bijlage IV vermelde goederen betreft. Voor de in bijlage II vermelde goederen wordt alleen een individuele vergunning verleend.

3.  Een vergunning voor doorvoer van de in bijlage II vermelde goederen wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie die de goederen binnen het douanegebied van de Unie vervoert, verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I. Indien deze persoon, entiteit of instantie niet verblijvend of gevestigd is in een lidstaat, wordt een vergunning verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de binnenkomst van goederen in het douanegebied van de Unie plaatsvindt. In een dergelijk geval wordt alleen een individuele vergunning verleend.

4.  Een vergunning voor invoer waarvoor overeenkomstig deze verordening een vergunning is vereist, wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het museum is gevestigd, zoals vermeld in bijlage I. Voor de in bijlage II vermelde goederen wordt alleen een individuele vergunning verleend.

5.  Een vergunning voor het verlenen van technische bijstand voor de in bijlage II vermelde goederen wordt verleend door:

a)  de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verlener van technische bijstand verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I, of, indien er geen dergelijke lidstaat is, de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de verlener van technische bijstand een onderdaan is of volgens het recht waarvan deze is erkend of opgericht, indien de bijstand wordt verleend aan een museum in een derde land, of

b)  de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het museum is gevestigd, zoals vermeld in bijlage I, indien de bijstand wordt verleend aan een museum in de Unie.

6.  Een vergunning voor het verlenen van technische bijstand voor de in bijlage III of in bijlage IV vermelde goederen wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verlener van technische bijstand verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I, of, indien er geen dergelijke lidstaat is, de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de verlener van technische bijstand een onderdaan is of volgens het recht waarvan deze is erkend of opgericht.

7.  Een vergunning voor het verlenen van tussenhandeldiensten voor de in bijlage III of in bijlage IV vermelde goederen wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de tussenhandelaar verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I, of, indien er geen dergelijke lidstaat is, de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de tussenhandelaar een onderdaan is of volgens het recht waarvan deze is erkend of opgericht. Een dergelijke vergunning wordt afgegeven voor een bepaalde hoeveelheid specifieke goederen die tussen twee of meer derde landen worden verplaatst. De plaats van de goederen in het derde land van herkomst, de eindgebruiker en de precieze plaats waar die zich bevindt, moeten duidelijk vaststaan.

8.  De aanvragers verstrekken aan de bevoegde autoriteit alle relevante informatie die nodig is voor hun aanvraag voor een individuele of globale vergunning voor uitvoer of voor tussenhandeldiensten, voor een vergunning voor technische bijstand, voor een individuele invoervergunning of voor een individuele doorvoervergunning.

Met betrekking tot uitvoer ontvangen de bevoegde autoriteiten volledige informatie, in het bijzonder over de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van de goederen.

Met betrekking tot tussenhandeldiensten ontvangen de bevoegde autoriteiten in het bijzonder details over de plaats waar de goederen zich in het derde land van herkomst bevinden, een duidelijke beschrijving van de aard en het aantal goederen, de bij de transactie betrokken derden, het derde land van bestemming, de eindgebruiker in dat land en de precieze plaats waar die zich bevindt.

Indien nodig kan ook een verklaring over het eindgebruik worden verlangd.

9.  In afwijking van lid 8 verstrekt de fabrikant, indien in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III of in deel I van bijlage IV vermelde goederen worden uitgevoerd of worden verkocht en doorgevoerd door een fabrikant of een vertegenwoordiger van een fabrikant naar een distributeur in een derde land, informatie over de regelingen en maatregelen die zijn getroffen om te voorkomen dat de in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III vermelde goederen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing of om te voorkomen dat de in deel 1 van bijlage IV vermelde goederen worden gebruikt voor de doodstraf, alsook over het land van bestemming en, indien beschikbaar, over het eindgebruik en de eindgebruikers van de goederen.

10.  Op verzoek van een nationaal preventiemechanisme opgericht in het kader van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, mogen de bevoegde autoriteiten beslissen om de van een aanvrager ontvangen informatie over het land van bestemming, de ontvanger, het eindgebruik en de eindgebruikers of, indien van toepassing, de distributeur en de regelingen en maatregelen zoals vermeld in lid 9, aan dit nationale preventiemechanisme ter beschikking te stellen. De bevoegde autoriteiten verhoren de aanvrager voordat de informatie ter beschikking wordt gesteld en mogen beperkingen opleggen aan het gebruik dat van de informatie kan worden gemaakt. De bevoegde autoriteiten nemen hun beslissingen in overeenstemming met nationale wetgeving en praktijken.

11.  De lidstaten verwerken aanvragen voor individuele of globale vergunningen binnen een door de nationale wetgeving of praktijk vastgelegde periode.

Artikel 21

Vergunningen

1.  Vergunningen voor uitvoer, invoer of doorvoer worden verleend op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage VII opgenomen model. Vergunningen voor tussenhandeldiensten worden verleend op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage VIII opgenomen model. Vergunningen voor technische bijstand worden verleend op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage IX opgenomen model. Dergelijke vergunningen zijn in de gehele Unie geldig. De geldigheidsduur van een vergunning bedraagt tussen drie en twaalf maanden, met een mogelijke verlenging met maximaal twaalf maanden. De geldigheidsduur van een globale vergunning bedraagt tussen één en drie jaar, met een mogelijke verlenging met maximaal twee jaar.

2.  Met een overeenkomstig artikel 12 of artikel 17 verstrekte uitvoervergunning mag de exporteur technische bijstand verlenen aan de eindgebruiker voor zover dergelijke bijstand noodzakelijk is voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de goederen die mogen worden uitgevoerd.

3.  Vergunningen mogen elektronisch worden afgegeven. De specifieke procedures worden op nationaal niveau vastgesteld. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van deze optie, stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

4.  Vergunningen voor uitvoer, invoer, doorvoer, de verlening van technische bijstand of de verlening van tussenhandeldiensten zijn onderworpen aan de voorschriften en voorwaarden die de bevoegde autoriteit nodig acht.

5.  De bevoegde autoriteiten mogen overeenkomstig deze verordening weigeren een vergunning af te geven en reeds verleende vergunningen intrekken, schorsen, wijzigen of herroepen.

Artikel 22

Douaneformaliteiten

1.  De importeur of exporteur dient bij het vervullen van de douaneformaliteiten het naar behoren ingevulde formulier van bijlage VII in te dienen als bewijs dat de vereiste vergunning voor de desbetreffende in- of uitvoer is verkregen. Als het document niet is ingevuld in een officiële taal van de lidstaat waarin de douaneformaliteiten worden vervuld, kan de importeur of exporteur gevraagd worden een vertaling in een officiële taal te verstrekken.

2.  Indien een douaneaangifte wordt gedaan voor de in bijlage II, bijlage III of bijlage IV vermelde goederen en wordt bevestigd dat geen vergunning uit hoofde van deze verordening is verleend voor de voorgenomen in- of uitvoer, leggen de douaneautoriteiten beslag op de aangegeven goederen en wijzen zij de exporteur of importeur op de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen uit hoofde van deze verordening. Indien binnen zes maanden na de beslaglegging geen vergunningsaanvraag is ingediend of indien de bevoegde autoriteit een dergelijke aanvraag afwijst, kunnen de douaneautoriteiten over de vastgehouden goederen beschikken overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

Artikel 23

Verplichte kennisgeving en raadpleging

1.  Een lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie ervan in kennis indien de in bijlage I vermelde bevoegde autoriteiten van deze lidstaat beslissen om uit hoofde van deze verordening een vergunningsaanvraag af te wijzen of indien zij een reeds verleende vergunning intrekken. Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk 30 dagen na de datum van die beslissing of intrekking.

2.  De bevoegde autoriteit raadpleegt, indien nodig of gepast via diplomatieke weg, de autoriteiten die in de afgelopen drie jaar uit hoofde van deze verordening een aanvraag voor een vergunning voor uitvoer, doorvoer, technische bijstandsverlening aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land of verlening van tussenhandeldiensten hebben afgewezen, indien die bevoegde autoriteit een aanvraag ontvangt voor uitvoer, doorvoer, technische bijstandsverlening aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land of verlening van tussenhandeldiensten voor een transactie die in wezen identiek is aan die welke in zo'n eerdere aanvraag was vermeld, en zij van oordeel is dat een vergunning toch zou moeten worden verleend.

3.  Indien de bevoegde autoriteit, na de in lid 2 bedoelde raadplegingen, beslist om een vergunning te verlenen, stelt de betrokken lidstaat de overige lidstaten en de Commissie onmiddellijk van deze beslissing in kennis en zet zij de aan die beslissing ten grondslag liggende redenen uiteen, waarbij in voorkomend geval informatie ter staving wordt verstrekt.

4.  Indien een weigering om een vergunning te verlenen gebaseerd is op een nationaal verbod dat in overeenstemming met artikel 14, lid 1, of artikel 15, lid 4, is aangenomen, is dat geen beslissing tot afwijzing van een aanvraag in de zin van lid 1 van dit artikel.

5.  Alle overeenkomstig dit artikel vereiste kennisgevingen geschieden via een beveiligd en versleuteld systeem voor informatie-uitwisseling.

HOOFDSTUK VI

Algemene en slotbepalingen

Artikel 24

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII en IX te wijzigen. De gegevens in bijlage I inzake de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden gewijzigd op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie.

Wanneer bijlage II, III, IV of V om dwingende redenen van urgentie moet worden gewijzigd, is de in artikel 30 neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 25

Verzoeken om goederen aan een van de goederenlijsten toe te voegen

1.  Elke lidstaat kan bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek indienen om voor wetshandhaving ontworpen of in de handel gebrachte goederen aan bijlage II, III of IV toe te voegen. Een dergelijk verzoek omvat informatie over:

a)  het ontwerp en de kenmerken van de goederen;

b)  alle doeleinden waarvoor deze kunnen worden gebruikt, en

c)  de internationale of nationale regels die zouden worden overtreden indien deze goederen voor wetshandhaving zouden worden gebruikt.

Wanneer een lidstaat een verzoek aan de Commissie richt, stuurt deze lidstaat dit verzoek ook aan de andere lidstaten door.

2.  De Commissie kan de verzoekende lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek vragen om aanvullende informatie te verstrekken, indien zij vindt dat het verzoek een of meer relevante punten niet behandelt of dat meer informatie over een of meer relevante punten noodzakelijk is. De Commissie vermeldt de punten waarvoor aanvullende informatie vereist is. De Commissie stuurt haar vragen aan de overige lidstaten door. De overige lidstaten kunnen de Commissie ook verdere informatie verstrekken voor de beoordeling van het verzoek.

3.  Indien de Commissie van mening is dat er geen aanvullende informatie nodig is of, indien van toepassing, na ontvangst van de gevraagde aanvullende informatie, start de Commissie binnen 20 weken na ontvangst van de informatie, respectievelijk aanvullende informatie, de procedure voor het vaststellen van de gevraagde wijziging of informeert zij de verzoekende lidstaat over de redenen om dit niet te doen.

Artikel 26

Uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie

1.  Onverminderd artikel 23 stellen de Commissie en de lidstaten elkaar op verzoek in kennis van de maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, en verstrekken elkaar alle relevante informatie waarover zij beschikken in verband met deze verordening, met name informatie over verleende en geweigerde vergunningen.

2.  Relevante informatie over verleende en geweigerde vergunningen omvat ten minste het type besluit, de gronden voor dat besluit of een samenvatting ervan, de namen van de ontvangers en, indien die niet dezelfde zijn, van de eindgebruikers, en de betrokken goederen.

3.  De lidstaten stellen, indien mogelijk in samenwerking met de Commissie, een openbaar jaarverslag op van hun activiteiten, waarin zij informatie verstrekken over het aantal ontvangen aanvragen, de goederen en landen waarop deze aanvragen betrekking hebben, en de besluiten die zij hebben genomen inzake deze aanvragen. Dit verslag bevat geen informatie waarvan de verbreiding naar de mening van de lidstaat strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.

4.  De Commissie stelt een jaarverslag op dat bestaat uit de in lid 3 genoemde jaarlijkse activiteitenverslagen. Dat jaarverslag wordt voor het publiek toegankelijk gemaakt.

5.  Behoudens de in lid 2 genoemde informatieverstrekking aan de autoriteiten van de andere lidstaat en de Commissie, laat dit artikel de toepasselijke nationale voorschriften betreffende vertrouwelijkheid en geheimhouding onverlet.

6.  Indien de weigering om een vergunning te verlenen gebaseerd is op een nationaal verbod dat in overeenstemming met artikel 14, lid 1, is aangenomen, vormt dit geen geweigerde vergunning in de zin van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel.

Artikel 27

Verwerking van persoonsgegevens

Persoonsgegevens worden verwerkt en uitgewisseld overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725.

Artikel 28

Gebruik van informatie

Onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad(15) en de nationale wetgeving inzake de toegang van het publiek tot documenten wordt de uit hoofde van deze verordening ontvangen informatie alleen gebruikt voor de doeleinden waarvoor de informatie was gevraagd.

Artikel 29

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 24 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 16 december 2016. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 24 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 24 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 30

Spoedprocedure

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 29, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 31

Coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering

1.  Er wordt een coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering ingesteld waarvan het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt bekleed. Elke lidstaat wijst voor die groep een vertegenwoordiger aan.

2.  De coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering onderzoekt alle vragen in verband met de toepassing van deze verordening met inbegrip van onder meer de uitwisseling van informatie over administratieve praktijken en alle vragen die door de voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde worden gesteld.

3.  De coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering kan, wanneer zij dit nodig acht, exporteurs, tussenhandelaars, verleners van technische bijstand en andere relevante belanghebbenden waarop deze verordening betrekking heeft raadplegen.

4.  De Commissie legt het Europees Parlement een schriftelijk jaarverslag voor over de activiteiten, onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering.

Bij de opstelling van het jaarverslag wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak om geen afbreuk te doen aan de commerciële belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen. De in de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering gevoerde discussies zijn vertrouwelijk.

Artikel 32

Beoordeling

1.  Uiterlijk op 31 juli 2020, en vervolgens om de vijf jaar, beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt zij het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid uitvoerings- en effectbeoordelingsverslag voor, waarin voorstellen tot wijziging ervan kunnen worden opgenomen. Bij de beoordeling wordt overwogen of de activiteiten van Unieonderdanen in het buitenland in het verslag moeten worden opgenomen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie ter voorbereiding van dit verslag.

2.  In specifieke delen van het verslag worden de volgende zaken behandeld:

a)  de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering en de activiteiten van deze groep. Bij de opstelling van het verslag wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak om geen afbreuk te doen aan de commerciële belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen. De in de groep gevoerde discussies zijn vertrouwelijk;

b)  informatie over de maatregelen die door de lidstaten zijn genomen krachtens artikel 33, lid 1, en waarvan zij de Commissie in kennis hebben gesteld krachtens artikel 33, lid 2.

Artikel 33

Sancties

1.  De lidstaten stellen voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle wijzigingen van de voorschriften ten aanzien van sancties waarvan overeenkomstig artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1236/2005 kennisgeving is gedaan .

Artikel 34

Territoriale werkingssfeer

1.  Deze verordening heeft dezelfde territoriale werkingssfeer als de Verdragen, met uitzondering van artikel 3, lid 1, eerste alinea, artikel 4, lid 1, eerste alinea, de artikelen 5, 11, 13, 14, 16 en 18, artikel 20, leden 1 tot en met 4, en artikel 22, welke op de volgende gebieden van toepassing zijn :

–  het douanegebied van de Unie,

–  de Spaanse gebieden Ceuta en Melilla,

–  het Duitse gebied Helgoland.

2.  Voor de toepassing van deze verordening worden Ceuta, Helgoland en Melilla behandeld als deel van het douanegebied van de Unie .

Artikel 35

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1236/2005 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XI.

Artikel 36

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Lijst van de in de artikelen 20 en 23 bedoelde autoriteiten en adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie

A.  Autoriteiten van de lidstaten

BELGIË

Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie

Algemene Directie Economische Analyses en Internationale Economie

Dienst Vergunningen

Vooruitgangstraat 50

B-1210 Brussel

BELGIË

Service public fédéral économie, PME, classes moyennes et énergie

Direction générale des Analyses économiques et de l'Economie internationale

Service licences

Rue du Progrès 50

B-1210 Bruxelles

BELGIQUE

Tel. +32 22776713, +32 22775459

Fax +32 22775063

E-mail: frieda.coosemans@economie.fgov.be,

johan.debontridder@economie.fgov.be

BULGARIJE

Министерство на икономиката

ул.„Славянска” № 8

1052 София/Sofia

БЪЛГАРИЯ/ BULGARIA

Ministry of Economy

8, Slavyanska Str.

1052 Sofia

BULGARIA

Tel. +359 29407771

Fax +359 29880727

E-mail: exportcontrol@mi.government.bg

TSJECHIË

Ministerstvo průmyslu a obchodu

Licenční správa

Na Františku 32

110 15 Praha 1

ČESKÁ REPUBLIKA

Tel. +420 224907638

Fax +420 224214558

E-mail: dual@mpo.cz

DENEMARKEN

Bijlage III, punten 2 en 3:

Justitsministeriet

Slotsholmsgade 10

DK-1216 København K

DANMARK

Tel. +45 72268400

Fax +45 33933510

E-mail: jm@jm.dk

Bijlage II en bijlage III, punt 1:

Erhvervs- og Vækstministeriet

Erhvervsstyrelsen

Eksportkontrol

Langelinie Allé 17

DK-2100 København Ø

DANMARK

Tel. +45 35291000

Fax +45 35291001

E-mail: eksportkontrol@erst.dk

DUITSLAND

Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (BAFA)

Frankfurter Straße 29-35

D-65760 Eschborn

DEUTSCHLAND

Tel. +49 61969082217

Fax +49 61969081800

E-mail: ausfuhrkontrolle@bafa.bund.de

ESTLAND

Strateegilise kauba komisjon

Islandi väljak 1

15049 Tallinn

EESTI/ ESTONIA

Tel. +372 6377192

Fax +372 6377199

E-mail: stratkom@vm.ee

IERLAND

An tAonad Ceadúnúcháin

An Roinn Gnó, Fiontar agus Nuálaíochta

23 Sráid Chill Dara

Baile Átha Cliath 2

ÉIRE

Tel. +353 16312121

Fax +353 16312562

E-mail: exportcontrol@djei.ie

Licencing Unit

Department of Jobs, Enterprise and Innovation,

23 Kildare Street

Dublin 2

ÉIRE

Tel. +353 16312121

Fax +353 16312562

E-mail: exportcontrol@djei.ie

GRIEKENLAND

Υπουργείο Ανάπτυξης, Ανταγωνιστικότητας, Υποδομών, Μεταφορών και Δικτύων

Γενική Διεύθυνση Διεθνούς Οικονομικής Πολιτικής

Διεύθυνση Καθεστώτων Εισαγωγών-Εξαγωγών, Εμπορικής Άμυνας

Ερμού και Κορνάρου 1,

GR-105 63 Αθήνα/Athens

ΕΛΛΑΔΑ/ GREECE

Ministry of Development, Competitiveness, Infrastructure, Transport and Networks

General Directorate for International Economic Policy

Directorate of Import-Export Regimes, Trade Defence Instruments

Ermou and Kornarou 1,

GR-105 63 Athens

GREECE

Tel. +30 2103286021-22, +30 2103286051-47

Fax +30 2103286094

E-mail: e3a@mnec.gr, e3c@mnec.gr

SPANJE

Subdirección General de Comercio Internacional de Material de Defensa y Doble Uso

Secretaría de Estado de Comercio

Ministerio de Economía y Competitividad

Paseo de la Castellana 162, planta 7

E-28046 Madrid

ESPAÑA

Tel. +34 913492587

Fax +34 913492470

E-mail: sgdefensa.sscc@comercio.mineco.es

FRANKRIJK

Ministère des finances et des comptes publics

Direction générale des douanes et droits indirects

Bureau E2

11 Rue des Deux Communes

F-93558 Montreuil Cedex

FRANCE

Tel. +33 157534398

Fax +33 157534832

E-mail: dg-e2@douane.finances.gouv.fr

KROATIË

Ministarstvo vanjskih i europskih poslova

Samostalni sektor za trgovinsku politiku i gospodarsku multilateralu

Trg Nikole Šubića Zrinskog 7-8

HR-10 000 Zagreb

REPUBLIKA HRVATSKA

Tel. +385 16444625 (626)

Fax + 385 16444601

ITALIË

Ministero dello Sviluppo Economico

Direzione Generale per la Politica Commerciale Internazionale

Divisione IV

Viale Boston, 25

00144 Roma

ITALIA

Tel. +39 0659932439

Fax +39 0659647506

E-mail: polcom4@mise.gov.it

CΥΡRUS

Υπουργείο Ενέργειας, Εμπορίου, Βιομηχανίας και Τουρισμού

Υπηρεσία Εμπορίου

Κλάδος Έκδοσης Αδειών Εισαγωγών/Εξαγωγών

Ανδρέα Αραούζου 6

CY-1421 Λευκωσία

ΚΥΠΡΟΣ/CΥΡRUS

Ministry of Energy, Commerce, Industry and Tourism

Trade Service

Import/Export Licensing Section

6 Andreas Araouzos Street

CY-1421 Nicosia

CΥΡRUS

Tel. +357 22867100, +357 22867197, +357 22867332

Fax +357 22375443

E-mail: ,

LETLAND

Ārlietu ministrija

K.  Valdemāra iela 3

LV-Rīga 1395

LATVIJA

Tel. +371 67016426

Fax +371 67828121

E-mail: mfa.cha@mfa.gov.lv

LITOUWEN

Policijos departamento prie Vidaus reikalų ministerijos

Viešosios policijos valdybos Licencijavimo skyrius

Saltoniškių g. 19

LT-08105 Vilnius

LIETUVA/LITHUANIA

Tel. +370 82719767

Fax: +370 52719976

E-mail: leidimai.pd@policija.lt

LUXEMBURG

Ministère de l'Economie

Office des Licences

19-21, boulevard Royal

L-2449 Luxembourg

BP 113/ L-2011 Luxembourg

LUXEMBOURG

Tel. +352 226162

Fax +352 466138

E-mail: office.licences@eco.etat.lu

HONGARIJE

Magyar Kereskedelmi Engedélyezési Hivatal

Németvölgyi út 37-39

H-1124 Budapest

MAGYARORSZÁG/HUNGARY

Tel. +36 14585599

Fax +36 14585885

E-mail: armstrade@mkeh.gov.hu

MALTA

Dipartiment tal-Kummerċ

Servizzi ta' Kummerċ

Lascaris

Valletta VLT2000

MALTA

Commerce Department

Trade Services

Lascaris

Valletta VLT2000

MALTA

Tel. +356 21242270

Fax +356 25690286

NEDERLAND

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Directoraat-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen

Directie Internationale Marktordening en Handelspolitiek

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061

2500 EB Den Haag

NEDERLAND

Tel. +31 703485954, +31 703484652

OOSTENRIJK

Bundesministerium für Wissenschaft, Forschung und Wirtschaft

Abteilung „Außenwirtschaftskontrolle” C2/9

Stubenring 1

A-1011 Wien

ÖSTERREICH

Tel. +43 1711008341

Fax +43 1711008366

E-mail: post.c29@bmwfw.gv.at

POLEN

Ministerstwo Gospodarki

Departament Handlu i Usług

Plac Trzech Krzyży 3/5

00-507 Warszawa

POLSKA/POLAND

Tel. +48 226935553

Fax +48 226934021

E-mail: SekretariatDHU@mg.gov.pl

PORTUGAL

Ministério das Finanças

AT- Autoridade Tributária e Aduaneira

Direcção de Serviços de Licenciamento

Rua da Alfândega, n. 5, r/c

P-1149-006 Lisboa

PORTUGAL

Tel. +351 218813843

Fax +351 218813986

E-mail: dsl@at.gov.pt

ROEMENIË

Ministerul Economiei, Comerțului și Turismului

Departamentul pentru Comerț Exterior și Relații Internaționale

Direcția Politici Comerciale

Calea Victoriei nr. 152

București, sector 1

Cod poștal 010096

ROMÂNIA

Tel. +40 214010552, +40 214010504, +40 214010507

Fax +40 214010568, +40 213150454

E-mail: adrian.berezintu@dce.gov.ro

SLOVENIË

Ministrstvo za gospodarski razvoj in tehnologijo

Direktorat za notranji trg, Sektor za trgovinsko politiko

Kotnikova 5

1000 Ljubljana

Republika Slovenija

Tel. +386 1 400 3564;

Fax. +386 1 400 3588

Ministry for Economic Development and Technology

Directorate for Internal Market, Trade Policy Division

Kotnikova 5

1000 Ljubljana

The Republic of Slovenia

Tel. +386 1 400 3564;

Fax. +386 1 400 3588

SLOWAKIJE

Ministerstvo hospodárstva Slovenskej republiky

Odbor výkonu obchodných opatrení

Mierová 19

827 15 Bratislava

SLOVENSKO/SLOVAKIA

Tel. +421 248542163

Fax +421 243423915

E-mail: lucia.filipkova@economy.gov.sk

FINLAND

Sisäministeriö

Poliisiosasto

PL 26

FI-00023 Valtioneuvosto

SUOMI/FINLAND

Inrikesministeriet

Polisavdelningen

PB 26

FI-00023 Statsrådet

SUOMI/FINLAND

Tel. +358 295480171

Fax +358 916044635

E-mail: kirjaamo@intermin.fi

ZWEDEN

Kommerskollegium

PO Box 6803

SE-113 86 Stockholm

SVERIGE

Tel. +46 86904800

Fax +46 8306759

E-mail: registrator@kommers.se

VERENIGD KONINKRIJK

Invoer van goederen uit bijlage II:

Department for Business, Innovation and Skills (BIS)

Import Licensing Branch (ILB)

E-mail: enquiries.ilb@bis.gsi.gov.uk

Uitvoer van goederen uit bijlage II of III, en verlening van technische bijstand inzake goederen uit bijlage II als bedoeld in artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1:

Department for Business, Innovation and Skills (BIS)

Export Control Organisation

1 Victoria Street

London

SW1H 0ET

UNITED KINGDOM

Tel. +44 2072154594

Fax +44 2072152635

E-mail: eco.help@bis.gsi.gov.uk

B.  Adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie

Europese Commissie

Dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid

Kantoor EEAS 7/99

B-1049 Brussel

BELGIË

E-mail: relex-sanctions@ec.europa.eu

_____________

BIJLAGE II

Lijst van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde goederen

Inleidende opmerking:

De in deze bijlage voorkomende GN-codes verwijzen naar de codes die zijn opgenomen in het tweede deel van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad(16).

Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door „ex”, maken de onder deze verordening vallende goederen slechts een deel uit van de goederen waarop de GN-code betrekking heeft. In dat geval zijn de in deze bijlage gegeven omschrijving en de GN-code tezamen bepalend.

Opmerkingen:

1.  De punten 1.3 en 1.4 in sectie 1 betreffende goederen die zijn ontworpen met het oog op de executie van mensen, hebben geen betrekking op medisch-technische goederen.

2.  De doelstelling van de controles op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die één of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

NB: Bij de beoordeling van de vraag of de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

GN-code

Beschrijving

 

1.  Goederen ontworpen met het oog op de executie van mensen:

ex44219097

ex82089000 

1.1.  Galgen, guillotines en bladen voor guillotines 

ex85437090

ex94017900

ex94018000

ex94021000

1.2.  Elektrische stoelen voor de executie van mensen

ex94060038

ex94060080

1.3.  Hermetisch gesloten kluizen, bijvoorbeeld van staal en glas, ontworpen met het oog op de executie van mensen door toediening van een dodelijk gas of een dodelijke stof

ex84138100

ex90189050

ex90189060

ex90189084

1.4.  Systemen voor het automatisch injecteren van verdovende middelen, ontworpen voor de executie van mensen door toediening van een dodelijke chemische stof

 

2.  Goederen die niet geschikt zijn voor gebruik door wetshandhavingsinstanties om mensen in bedwang te houden:

ex85437090

2.1.  Stroomschokapparaten die bedoeld zijn om door een gefixeerde persoon op het lichaam te worden gedragen, zoals gordels, mouwen en boeien die zijn ontworpen om mensen in bedwang te houden door toediening van elektrische schokken

ex73269098

ex76169990

ex83015000

ex39269097

ex42033000

ex42034000

ex42050090

2.2.  Duimboeien, vingerboeien, duimschroeven en vingerschroeven

Opmerking:

Dit punt omvat zowel getande als niet-getande boeien en schroeven

ex73269098

ex76169990

ex83015000

ex39269097

ex42033000

ex42034000

ex42050090

ex62171000

ex63079098

2.3.  Stangboeien, beenboeien met gewichten en groepskluisters die stangboeien of beenboeien met gewichten omvatten

Opmerkingen:

1.  Stangboeien zijn kluisters of enkelringen die zijn voorzien van een vergrendelings­mechanisme en die zijn verbonden met een onbuigzame stang van metaal

2.  Dit punt omvat stangboeien en beenboeien met gewichten die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien

ex73269098

ex76169990

ex83015000

ex39269097

ex42033000

ex42034000

ex42050090

ex62171000

ex63079098

2.4.  Boeien die zijn bedoeld om mensen in bedwang te houden en die zijn ontworpen om te worden verankerd in een muur, vloer of plafond

ex94016100

ex94016900

ex94017100

ex94017900

ex94018000

ex94021000

2.5.  Dwangstoelen: stoelen voorzien van kluisters of andere middelen om mensen in bedwang te houden

Opmerking:

Dit punt impliceert geen verbod op stoelen die alleen zijn voorzien van riemen of gordels

ex94029000

ex94032020

ex94032080

ex94035000

ex94037000

ex94038100

ex94038900

2.6.  Klemplanken en dwangbedden: planken en bedden voorzien van kluisters of andere middelen om mensen in bedwang te houden

Opmerking:

Dit punt impliceert geen verbod op planken en bedden die alleen zijn voorzien van riemen of gordels

ex94029000

ex94032020

ex94035000

ex94037000

ex94038100

ex94038900

2.7.  Kooibedden: bedden voorzien van een kooi (vier wanden en een plafond) of een vergelijkbare structuur voor het vasthouden van een mens op een bed, waarvan het plafond of een of meer van de wanden zijn voorzien van staven uit metaal e.d., en die alleen van buiten uit kunnen worden geopend

ex94029000

ex94032020

ex94035000

ex94037000

ex94038100

ex94038900

2.8.  Bedden met netten: bedden voorzien van een kooi (vier wanden en een plafond) of een vergelijkbare structuur voor het vasthouden van een mens op een bed, waarvan het plafond of een of meer van de wanden zijn voorzien van netten, en die alleen van buiten uit kunnen worden geopend

 

3.  Draagbare apparaten die niet geschikt zijn voor gebruik door wetshandhavingsinstanties met het oog op oproerbeheersing of zelfbescherming:

ex93040000

3.1.  Stokken of knuppels van metaal of een ander materiaal, met een schacht die is voorzien van metalen spijkers

ex39269097

ex73269098

3.2.  Schilden met metalen spijkers

 

4.  Zwepen:

ex66020000

4.1.  Zwepen voorzien van meerdere strengen of riemen, zoals knoeten of katten-met-negen-staarten

ex66020000

4.2.  Zwepen voorzien van een of meer strengen of riemen en uitgerust met prikkels, weerhaken, spijkers, metaaldraad en dergelijke objecten die de impact van de streng of riem vergroten

_____________

BIJLAGE III

Lijst van de in artikel 11 bedoelde goederen

Inleidende opmerking:

De in deze bijlage voorkomende GN-codes verwijzen naar de codes die zijn opgenomen in het tweede deel van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87.

Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door „ex”, maken de onder deze verordening vallende goederen slechts een deel uit van de goederen waarop de GN-code betrekking heeft. In dat geval zijn de in deze bijlage gegeven omschrijving en de GN-code tezamen bepalend.

Opmerkingen:

1.  De doelstelling van de controles op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die één of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

NB: Bij de beoordeling van de vraag of de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

2.  In sommige gevallen zijn chemische stoffen vermeld met naam en CAS-nummer. Onder de lijst vallen chemische stoffen met dezelfde structuurformule (inclusief hydraten), ongeacht naam of CAS-nummer. De CAS-nummers zijn vermeld om een bepaalde chemische stof of een bepaald mengsel gemakkelijker te kunnen identificeren, ongeacht de nomenclatuur. CAS-nummers kunnen niet als eenduidige identificatienummers gebruikt worden, omdat sommige vormen van de op de lijst vermelde chemische stoffen andere CAS-nummers hebben, en ook mengsels die een op de lijst voorkomende chemische stof bevatten, andere CAS-nummers kunnen hebben.

GN-code

Beschrijving

 

1.  Goederen ontworpen om mensen in bedwang te houden:

ex73269098

ex76169990

ex83015000

ex39269097

ex42033000

ex42034000

ex42050090

ex62171000

ex63079098

1.1.  Kluisters en groepskluisters

Opmerkingen:

1.  Kluisters zijn middelen om mensen in bedwang te houden bestaande uit twee boeien of ringen, voorzien van een vergrende­lingsmechanisme, met daartussen een ketting of staaf

2.  Dit punt betreft niet beenboeien en groepskluisters waarop een verbod geldt volgens punt 2.3 van bijlage II

3.  Dit punt betreft niet „gewone handboeien”. Gewone handboeien zijn handboeien die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

—  de totale afmeting met inbegrip van de ketting, van het uiteinde van de ene boei tot het uiteinde van de tweede boei, bedraagt tussen 150 mm en 280 mm wanneer beide boeien gesloten zijn;

—  de binnenomtrek van elke boei bedraagt maximaal 165 mm wanneer deze is vergrendeld op de laatste inkeping van het vergrendelingsmechanisme;

—  de binnenomtrek van elke boei bedraagt minimaal 200 mm wanneer deze is vergrendeld op de eerste inkeping van het vergrendelingsmechanisme; en

—  de boeien werden niet aangepast om fysieke pijn of lijden te veroorzaken

ex73269098

ex76169990

ex83015000

ex39269097

ex42033000

ex42034000

ex42050090

ex62171000

ex63079098

1.2.  Individuele boeien of ringen, voorzien van een vergrendelingsmechanisme, waarbij de binnenomtrek meer dan 165 mm bedraagt wanneer zij zijn vergrendeld op de laatste inkeping van het vergrendelingsmechanisme

Opmerking:

Dit punt omvat halsbanden en andere individuele boeien of ringen die zijn voorzien van een vergrendelingsmechanisme en die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien

ex65050010

ex65050090

ex65069100

ex65069910

ex65069990

1.3.  Spuwmaskers: maskers, ook uit gaas, die de mond bedekken om spuwen te voorkomen

Opmerking:

Dit punt omvat spuwmaskers die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien

 

2.  Wapens en apparaten die zijn ontworpen ten behoeve van oproerbeheersing of zelfbescherming:

ex85437090

ex93040000

2.1.  Draagbare wapens met elektrische ontlading die slechts op één persoon tegelijk kunnen worden gericht voor het toedienen van een elektrische schok, met inbegrip van maar niet beperkt tot stroomstootstokken, stroomstootschilden, verdovingspistolen en geweren voor het afvuren van schokpijltjes

Opmerkingen:

1.  Dit punt betreft niet stroomschokgordels en soortgelijke apparaten zoals omschreven in punt 2.1 van bijlage II

2.  Dit punt betreft niet individuele stroomschokapparaten die de gebruiker bij zich draagt voor zijn eigen bescherming

ex85439000

ex93059900

2.2.  Pakketten met alle essentiële componenten voor het assembleren van draagbare wapens met elektrische ontlading als bedoeld in punt 2.1

Opmerking:

De volgende goederen worden beschouwd als essentiële componenten:

—  de eenheid die de elektrische schok veroorzaakt;

—  de schakelaar, al dan niet met afstandsbediening;

—  de elektroden, of, waar van toepassing, de kabels waarlangs de elektrische schok wordt toegediend

ex85437090

ex93040000

2.3.  Vaste of monteerbare wapens met elektrische ontlading die een groot bereik hebben en waarmee meerdere personen elektrische schokken kunnen worden toegediend

 

3.  Wapens en apparatuur voor de verspreiding van verdovende of irriterende chemische stoffen, ten behoeve van oproerbeheersing of zelfbescherming, en bepaalde aanverwante stoffen:

ex84242000

ex84248900

ex93040000

3.1.  Draagbare wapens en apparatuur waarmee bij toediening of verspreiding van de chemische stof ofwel een dosis van een verdovende of irriterende chemische stof wordt toegediend aan één individuele persoon, ofwel een dosis van een dergelijke stof wordt over een beperkte oppervlakte verspreid, bijvoorbeeld in de vorm van een spuitnevel of wolk

Opmerkingen:

1.  Dit punt betreft niet controleapparatuur bedoeld in punt ML7e) van de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen(17)

2.  Dit punt betreft niet individuele draagbare apparatuur, ook indien die een chemische stof bevat, die de gebruiker bij zich draagt voor zijn eigen bescherming

3.  Naast relevante chemische stoffen, zoals ten behoeve van oproerbeheersing of PAVA, worden de goederen genoemd in punt 3.3 en punt 3.4 beschouwd als verdovende of irriterende chemische stoffen

ex29242998

3.2.  Pelargoonzuurvanillylamide (PAVA) (CAS RN 2444-46-4)

ex33019030

3.3.  Capsicum-oleohars (OC) (CAS RN 8023-77-6)

ex29242998

ex29399900

ex33019030

ex33021090

ex33029010

ex33029090

ex38249097

3.4.  Mengsels met ten minste 0,3 gewichts­percenten van PAVA of OC en een oplosmiddel (zoals ethanol, 1-propanol of hexaan), die als zodanig zouden kunnen worden toegediend als verdovende of irriterende stoffen, meer bepaald in aerosolen en in vloeibare vorm, of gebruikt voor de vervaardiging van verdovende of irriterende stoffen

Opmerkingen:

1.  Dit punt betreft niet sauzen en preparaten voor sauzen, soepen of preparaten voor soepen, en samengestelde kruiderijen of specerijen, mits PAVA of OC niet het enige erin verwerkte aroma is

2.  Dit punt betreft niet geneesmiddelen waarvoor een vergunning voor het op de markt brengen is afgegeven overeenkomstig de wetgeving van de Unie(18)

ex84242000

ex84248900

3.5.  Vaste apparatuur voor de verspreiding van verdovende of irriterende chemische stoffen die kan worden vastgemaakt aan een muur of een plafond in een gebouw, die een bus bevat met irriterende of verdovende chemische stoffen en die met afstandsbediening wordt geactiveerd

Opmerking:

Naast relevante chemische stoffen, zoals ten behoeve van oproerbeheersing of PAVA, worden de goederen genoemd in punt 3.3 en punt 3.4 beschouwd als verdovende of irriterende chemische stoffen

ex84242000

ex84248900

ex93040000

3.6.  Vaste of monteerbare apparatuur voor de verspreiding van verdovende of irriterende chemische stoffen die een groot bereik heeft en niet is ontworpen om te worden bevestigd aan een muur of plafond in een gebouw

Opmerkingen:

1.  Dit punt betreft niet controleapparatuur bedoeld in punt ML7e) van de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen

2.  Dit punt betreft eveneens waterkanonnen

3.  Naast relevante chemische stoffen, zoals ten behoeve van oproerbeheersing of PAVA, worden de goederen genoemd in punt 3.3 en punt 3.4 beschouwd als verdovende of irriterende chemische stoffen

_____________

BIJLAGE IV

De in artikel 16 bedoelde goederen die voor de doodstraf zouden kunnen worden gebruikt

GN-code

Beschrijving

 

1.  Producten die zouden kunnen worden gebruikt voor de executie van mensen door middel van een dodelijke injectie:

 

1.1.  Kort en middellang werkende anesthetica op basis van barbituraten, zoals onder meer:

ex29335390 (a tot en met f)

ex29335995 (g en h)

a)  amobarbital (CAS RN 57-43-2)

b)  natriumzout van amobarbital

(CAS RN 64-43-7)

c)  pentobarbital (CAS RN 76-74-4)

d)  natriumzout van pentobarbital (CAS 57-33-0)

e)  secobarbital (CAS RN 76-73-3)

f)  natriumzout van secobarbital

(CAS RN 309-43-3)

g)  thiopental (CAS RN 76-75-5)

h)  natriumzout van thiopental

(CAS RN 71-73-8), ook bekend als thiopentonnatrium

ex30039000

ex30049000

ex38249096

Opmerking:

Dit punt omvat tevens producten die een of meer van de anesthetica bevatten die zijn vermeld in de lijst van kort en middellang werkende anesthetica op basis van barbituraten.

_____________

BIJLAGE V

Algemene unie-uitvoervergunning EU GEA [PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]

Deel 1 — Goederen

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor de goederen die zijn vermeld in bijlage IV bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen en de voetnoot te vervolledigen] van het Europees Parlement en de Raad (19).

Deze algemene uitvoervergunning geldt ook voor de verlening van technische bijstand aan de eindgebruiker voor zover dergelijke bijstand noodzakelijk is voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de goederen die mogen worden uitgevoerd, en indien dergelijke bijstand door de exporteur wordt verleend.

Deel 2 — Bestemmingen

Voor leveringen naar een land of grondgebied dat deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, dat voor de toepassing van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] tevens Ceuta, Helgoland en Melilla omvat (artikel 34, lid 2), is geen uitvoervergunning uit hoofde van die verordening vereist.

Deze algemene uitvoervergunning is in de hele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:

Deense gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:

—  Faeröer

—  Groenland

Franse gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:

—  Frans-Polynesië

—  Franse Zuidelijke en Antarctische Gebieden

—  Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

—  Saint-Barthélemy

—  Saint Pierre en Miquelon

—  Wallis en Futuna

Nederlandse gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:

—  Aruba

—  Bonaire

—  Curaçao

—  Saba

—  Sint Eustatius

—  Sint-Maarten

Desbetreffende Britse gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:

—  Anguilla

—  Bermuda

—  Falklandeilanden

—  Gibraltar

—  Montserrat

—  Sint-Helena en onderhorigheden

—  Turks- en Caicoseilanden

—  Zuid-Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden

Albanië

Andorra

Argentinië

Australië

Benin

Bolivia

Bosnië en Herzegovina

Canada

Colombia

Costa Rica

Djibouti

Dominicaanse Republiek

Ecuador

Filipijnen

Gabon

Georgië

Guinee-Bissau

Honduras

IJsland

Kaapverdië

Kirgizië

Liberia

Liechtenstein

Mexico

Moldavië

Mongolië

Montenegro

Mozambique

Namibië

Nepal

Nicaragua

Nieuw-Zeeland

Noorwegen

Oekraïne

Oezbekistan

Oost-Timor

Panama

Paraguay

Rwanda

San Marino

Sao Tomé en Principe

Servië

Seychellen

Togo

Turkije

Turkmenistan

Uruguay

Venezuela

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Zuid-Afrika

Zwitserland (met inbegrip van Büsingen en Campione d'Italia)

Deel 3 — Voorwaarden en eisen voor het gebruik van deze algemene uitvoervergunning

1)  Deze algemene uitvoervergunning mag niet worden gebruikt indien:

a)  het de exporteur verboden is deze algemene uitvoervergunning te gebruiken overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen];

b)  de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij verblijvend of gevestigd is, ervan in kennis is gesteld dat de betrokken goederen geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor wederuitvoer naar een derde land of gebruik voor de voltrekking van de doodstraf in een derde land;

c)  de exporteur weet of redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de betrokken goederen geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor wederuitvoer naar een derde land of gebruik voor de voltrekking van de doodstraf in een derde land;

d)  de betrokken goederen worden uitgevoerd naar een douanevrije zone of een vrij entrepot gelegen in een bestemming die onder deze algemene uitvoervergunning valt;

e)  de exporteur de fabrikant is van de betrokken geneesmiddelen en met de distributeur geen juridisch bindende overeenkomst heeft gesloten die de distributeur ertoe verplicht alle leveringen en overdrachten te onderwerpen aan de sluiting van een juridisch bindende overeenkomst die, bij voorkeur op straffe van een afschrikkende contractuele boete, vereist dat de klant

i)  geen van de goederen die hij van de distributeur ontvangt, voor de doodstraf gebruikt;

ii)  geen van deze goederen levert of overdraagt aan een derde indien de klant weet of redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de goederen bedoeld zijn voor gebruik bij de voltrekking van de doodstraf, en

iii)  dezelfde eisen oplegt aan elke derde aan wie de klant mogelijk deze goederen levert of overdraagt;

f)  de exporteur niet de fabrikant is van het betrokken geneesmiddel en geen ondertekende eindgebruikersverklaring van de eindgebruiker in het land van bestemming heeft verkregen;

g)  de exporteur van het geneesmiddel geen juridisch bindende overeenkomst heeft gesloten met de distributeur of eindgebruiker die voorschrijft dat, bij voorkeur op straffe van een afschrikkende contractuele boete, de distributeur of, indien de overeenkomst is gesloten met de eindgebruiker, de eindgebruiker voorafgaande toestemming dient te verkrijgen van de exporteur voor

i)  de overdracht of levering van enig deel van de zending aan een wetshandhavingsinstantie in een land of gebied dat de doodstraf niet heeft afgeschaft;

ii)  de overdracht of levering van enig deel van de zending aan een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie die de betrokken goederen aankoopt voor of die diensten verleent waarbij dergelijke goederen door een dergelijke wetshandhavingsinstantie worden gebruikt, en

iii)  de wederuitvoer of overdracht van enig deel van de zending naar een land of gebied dat de doodstraf niet heeft afgeschaft;

h)  de exporteur van andere goederen dan geneesmiddelen geen onder g) vermelde juridisch bindende overeenkomst met de eindgebruiker heeft gesloten.

2)  Exporteurs die deze algemene uitvoervergunning EU GEA [...PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] gebruiken, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar zij verblijvend of gevestigd zijn, binnen 30 dagen na de datum van de eerste uitvoer in kennis van hun eerste gebruik van deze algemene uitvoervergunning.

Exporteurs vermelden in de douaneaangifte tevens dat zij algemene uitvoervergunning EU GEA [...PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] gebruiken en brengen daartoe in vak 44 de desbetreffende in de Taric-databank gevonden code aan.

3)  De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze algemene uitvoervergunning en welke aanvullende informatie over de krachtens deze algemene uitvoervergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat van waaruit de uitvoer plaatsvindt.

Een lidstaat kan verlangen dat de in die lidstaat verblijvende of gevestigde exporteurs zich laten registreren vóór het eerste gebruik van deze algemene uitvoervergunning. Onverminderd artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] geschiedt de registratie automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd.

_____________

BIJLAGE VI

Lijst van in artikel 11, lid 2, bedoelde gebieden van de lidstaten

DENEMARKEN

—  Groenland

FRANKRIJK

—  Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

—  Frans-Polynesië

—  Franse Zuidelijke en Zuidpoolgebieden

—  Wallis-archipel en Futuna-eiland

—  Saint-Pierre-et-Miquelon

DUITSLAND

—  Büsingen

____________

BIJLAGE VII

In artikel 21, lid 1, bedoeld formulier voor in- of uitvoervergunningen

Technische specificatie

De afmetingen van onderstaand formulier zijn 210 × 297 mm, waarbij een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. De vakken zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal en een zesde inch verticaal. De onderverdelingen zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal.

20181129-P8_TA-PROV(2018)0467_NL-p0000002.png

20181129-P8_TA-PROV(2018)0467_NL-p0000003.png

[PB: gelieve PB-gegevens van deze verordening in te voegen overal waar verwezen wordt naar Verordening 1236/2005: vak 1, rechtse kolom, en vak 15]

Toelichting bij het formulier

„Uitvoer- of invoervergunning voor goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor folteringen (Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen])”

Dit vergunningsformulier wordt gebruikt voor de afgifte van een vergunning voor de uitvoer of de invoer van goederen in overeenstemming met Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen en de bijbehorende voetnoot te vervolledigen] van het Europees Parlement en de Raad(20). Het mag niet worden gebruikt om toestemming te verlenen voor het verlenen van technische bijstand.

De autoriteit van afgifte is de autoriteit zoals omschreven in artikel 2, onder h), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] en vermeld in bijlage I bij die verordening.

Vergunningen worden afgegeven op dit uit één blad bestaande formulier, dat aan beide zijden bedrukt dient te zijn. Het bevoegde douanekantoor boekt de uitgevoerde hoeveelheden af van de totale beschikbare hoeveelheid. Het vergewist zich ervan dat de verschillende voorwerpen waarop de vergunning betrekking heeft, met het oog daarop duidelijk onderscheiden zijn.

Indien nationale procedures van de lidstaten extra kopieën van het formulier vereisen (bijvoorbeeld voor de aanvraag), kan dit vergunningsformulier worden opgenomen in een set formulieren die het volgens de geldende nationale voorschriften benodigde aantal kopieën omvat. In het vak boven vak 3 van elk exemplaar en in de linker kantlijn dient duidelijk te worden vermeld voor welk doel (bijvoorbeeld aanvraag, kopie voor de aanvrager) de betrokken kopieën bestemd zijn. Slechts één exemplaar vormt het vergunningsformulier van bijlage VII bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Vak 1

Aanvrager:

Vermeld de naam en het volledige adres van de aanvrager.

Het douanenummer van de aanvrager kan ook worden vermeld (in de meeste gevallen facultatief).

Vermelding van het type aanvrager (facultatief) dient te geschieden in het desbetreffende vak, met behulp van het nummer 1, 2 of 4, verwijzend naar de definitie in artikel 2, onder i), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Vak 3

Nr.  van de vergunning:

Vul het nummer in en kruis hetzij uitvoer hetzij invoer aan. 1 Zie artikel 2, onder d) en e), en artikel 34 van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]  voor de definitie van de termen „uitvoer” en „invoer”.

Vak 4

Vervaldatum:

Vermeld de dag (twee cijfers), de maand (twee cijfers) en het jaar (vier cijfers).

Vak 5

Agent/vertegenwoordiger:

Vermeld de naam van een naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger of (douane)agent die namens de aanvrager optreedt, indien de aanvraag niet door de aanvrager wordt ingediend. Zie ook artikel 18 van Verordening (EU) nr. 952/2013.

Vak 6

Land waar de goederen zich bevinden:

Vermeld zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad(21). 1 Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie(22). 

Vak 7

Land van bestemming:

Vermeld zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. 1 Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012. 

Vak 10

Omschrijving van het voorwerp:

Denk eraan gegevens met betrekking tot de verpakking van de betrokken goederen te verstrekken. Ook de waarde van de goederen mag in vak 10 worden vermeld.

Als er niet voldoende ruimte in vak 10 is, ga dan verder op een blanco blad waarop het vergunningsnummer wordt vermeld. Vermeld het aantal bijlagen in vak 16.

Dit formulier is ontworpen voor maximaal drie verschillende soorten goederen (zie de bijlagen II en III bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]). Indien er een vergunning voor de in- of uitvoer van méér dan drie soorten goederen vereist is, dan dienen twee vergunningen te worden afgegeven.

Vak 11

Voorwerp nr.

Dit vak moet alleen op de achterzijde van het formulier worden ingevuld. Zorg ervoor dat het nummer van het voorwerp overeenkomt met het gedrukte nummer in vak 11 naast de beschrijving van het betrokken voorwerp op de voorzijde.

Vak 14

Specifieke voorschriften en voorwaarden

Als er niet voldoende ruimte in vak 14 is, ga dan verder op een blanco blad, met vermelding van het vergunningsnummer. Vermeld het aantal bijlagen in vak 16.

Vak 16

Aantal bijlagen:

Vermeld het aantal eventuele bijlagen (zie de toelichting bij de vakken 10 en 14).

_____________

BIJLAGE VIII

In artikel 21, lid 1, bedoeld vergunningsformulier voor de verlening van tussenhandeldiensten

Technische specificatie:

De afmetingen van onderstaand formulier zijn 210 × 297 mm, waarbij een afwijking van ten hoogste 5 mm minder en 8 mm meer is toegestaan. De vakken zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal en een zesde inch verticaal. De onderverdelingen zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal.

20181129-P8_TA-PROV(2018)0467_NL-p0000004.png

20181129-P8_TA-PROV(2018)0467_NL-p0000005.png

[PB: gelieve PB-gegevens van deze verordening in te voegen overal waar verwezen wordt naar Verordening 1236/2005: vak 1, rechtse kolom, vak 1, verticale tekst links, vak 19, vak rechts naast “Rapport over het gebruik van toegestane hoeveelheden”]

Toelichting bij het formulier

„Vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten voor goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf of voor foltering (Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen en de voetnoot te vervolledigen] van het Europees Parlement en de Raad(23))”

Dit vergunningsformulier wordt gebruikt voor de afgifte van een vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten overeenkomstig Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

De autoriteit van afgifte is de autoriteit zoals omschreven in artikel 2, onder h), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]. Het gaat om een autoriteit die is opgenomen in de lijst van bevoegde autoriteiten in bijlage I bij die verordening.

Vak 1

Tussenhandelaar die de vergunning aanvraagt

Gelieve de naam en het volledige adres van de tussenhandelaar die de vergunning aanvraagt in te vullen. Het begrip „tussenhandelaar” wordt omschreven in artikel 2, onder l), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Vak 3

Nr.  van de vergunning

Gelieve het nummer in te vullen en aan te kruisen of het om een individuele of een algemene vergunning gaat (zie artikel 2, onder p) en q), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] voor een omschrijving van deze begrippen).

Vak 4

Vervaldatum

Gelieve de dag (twee cijfers), de maand (twee cijfers) en het jaar (vier cijfers) te vermelden. De geldigheidsduur van een individuele vergunning bedraagt tussen drie en twaalf maanden en de geldigheidsduur van een globale vergunning bedraagt tussen één tot drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt, kan indien noodzakelijk een verlenging worden aangevraagd.

Vak 5

Ontvanger

Gelieve de naam en het adres in te vullen en aan te geven of de ontvanger in het derde land van bestemming een eindgebruiker, een distributeur als bedoeld in artikel 2, onder r), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] of een partij met een andere rol in de transactie is.

Indien de ontvanger een distributeur is maar ook een deel van de zending gebruikt voor een specifiek eindgebruik, gelieve zowel „distributeur” als „eindgebruiker” aan te kruisen en het eindgebruik in vak 11 te vermelden.

Vak 6

Derde land waar de goederen zich bevinden

Gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad(24). Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie(25).

Vak 7

Derde land van bestemming

Gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012.

Vak 9

Lidstaat van afgifte

Gelieve op de passende regel zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012.

Vak 11

Eindgebruik

Gelieve een nauwkeurige beschrijving te geven van het gebruik dat van de goederen zal worden gemaakt en eveneens te vermelden of de eindgebruiker een wetshandhavingsinstantie is zoals omschreven in artikel 2, onder c), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen], of een verlener van opleiding over het gebruik van goederen die via tussenhandel worden verhandeld.

Gelieve niet in te vullen indien de tussenhandeldiensten worden verleend aan een distributeur, tenzij de distributeur zelf een deel van de goederen gebruikt voor een specifiek eindgebruik.

Vak 12

Gelieve de plaats van de goederen in het derde land van waaruit deze zullen worden uitgevoerd, te vermelden

Gelieve de plaats van de goederen in het derde land van waaruit deze zullen worden geleverd aan de in vak 2 vermelde persoon, entiteit of instantie, te vermelden. De plaats moet een adres in het in vak 6 vermelde land zijn of een soortgelijke beschrijving van de plaats van de goederen. Het is niet toegestaan om een postbusnummer of een vergelijkbaar postadres in te vullen.

Vak 13

Beschrijving van het product

De beschrijving van de goederen dient een verwijzing te bevatten naar een specifiek product zoals opgenomen in bijlage III of IV van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]. Gelieve eraan te denken gegevens met betrekking tot de verpakking van de betrokken goederen te verstrekken.

Indien er niet voldoende ruimte in vak 13 is, gelieve verder te gaan op een blanco blad, met vermelding van het vergunningsnummer. Gelieve het aantal bijlagen in vak 20 te vermelden.

Vak 14

Productnr.

Dit vak moet alleen op de achterzijde van het formulier worden ingevuld. Gelieve ervoor te zorgen dat het productnummer overeenkomt met het gedrukte productnummer in vak 14 naast de beschrijving van het betrokken product op de voorzijde.

Vak 15

HS-code

De HS-code is een douanecode die aan de goederen wordt toegekend in het geharmoniseerd systeem. Indien de code van de gecombineerde nomenclatuur van de Unie bekend is, mag deze code in plaats van de HS-code worden gebruikt. Zie Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/1821 van de Commissie(26) voor de huidige versie van de gecombineerde nomenclatuur.

Vak 17

Valuta en waarde

Gelieve de waarde en de valuta in te vullen en hierbij de te betalen prijs te gebruiken (zonder deze om te rekenen). Indien deze prijs niet bekend is, gelieve de geschatte waarde te vermelden, voorafgegaan door de letters „EV”. De valuta moet in de alfabetische code worden ingevuld (ISO 4217:2015).

Vak 18

Specifieke voorschriften en voorwaarden

Vak 18 heeft betrekking op product 1,2 of 3 (gelieve dit product te vermelden, indien van toepassing) zoals omschreven in bovenstaande vakken 14 t/m 16. Indien er niet voldoende ruimte in vak 18 is, gelieve verder te gaan op een blanco blad, met vermelding van het vergunnings­nummer. Gelieve het aantal bijlagen in vak 20 te vermelden.

Vak 20

Aantal bijlagen

Gelieve het aantal eventuele bijlagen te vermelden (zie de toelichting bij de vakken 13 en 18).

_____________

BIJLAGE IX

In artikel 21, lid 1, bedoeld vergunningsformulier voor de verlening van technische bijstand

Technische specificatie:

De afmetingen van onderstaand formulier zijn 210 × 297 mm, waarbij een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. De vakken zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal en een zesde inch verticaal. De onderverdelingen zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal.

20181129-P8_TA-PROV(2018)0467_NL-p0000006.png

[PB: gelieve PB-gegevens van deze verordening in te voegen overal waar verwezen wordt naar Verordening 1236/2005: vak 1, rechtse kolom, vak 1, verticale tekst links, vak 15]

Toelichting bij het formulier

„Vergunning voor de verlening van technische bijstand voor goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf of voor foltering (Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen en de voetnoot te vervolledigen] van het Europees Parlement en de Raad(27))”

Dit vergunningsformulier wordt gebruikt om toestemming te verlenen voor de verlening van technische bijstand overeenkomstig Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]. Indien de technische bijstand wordt verleend in het kader van uitvoer waarvoor een vergunning is verleend uit hoofde van of overeenkomstig Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] wordt dit formulier niet gebruikt, behalve in de volgende gevallen:

—  de technische bijstand betreft de in bijlage II bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] vermelde goederen (zie artikel 3, lid 2), of

de technische bijstand voor de in bijlage III of in bijlage IV bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] vermelde goederen is uitgebreider dan noodzakelijk voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de uitgevoerde goederen (zie artikel 21, lid 2, en, wat betreft de in bijlage IV vermelde goederen, deel 1 van de Algemene Unie-uitvoervergunning EU GEA [...PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] in bijlage V bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]).

De autoriteit van afgifte is de autoriteit zoals omschreven in artikel 2, onder h), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen]. Het gaat om een autoriteit die is opgenomen in de lijst van bevoegde autoriteiten in bijlage I bij die verordening.

Vergunningen worden afgegeven op dit uit één blad bestaande formulier, met bijlagen indien noodzakelijk.

Vak 1

Verlener van technische bijstand die de vergunning aanvraagt

Gelieve de naam en het volledige adres van de aanvrager te vermelden. Het begrip „verlener van technische bijstand” is omschreven in artikel 2, onder m), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Indien de technische bijstand wordt verleend in het kader van een uitvoer waarvoor een vergunning is verleend, gelieve eveneens het douanenummer van de aanvrager te vermelden, indien mogelijk, en het nummer van de ermee samenhangende uitvoervergunning in vak 14 te vermelden.

Vak 3

Nr.  van de vergunning

Gelieve het nummer in te vullen en aan te kruisen op basis van welk artikel van de Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen] de vergunning is verleend.

Vak 4

Vervaldatum

Gelieve de dag (twee cijfers), de maand (twee cijfers) en het jaar (vier cijfers) te vermelden. De geldigheidsduur van een vergunning bedraagt tussen drie en twaalf maanden. Wanneer de geldigheidsduur afloopt kan, indien noodzakelijk, een verlenging worden aangevraagd.

Vak 5

Activiteit van de natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie zoals vermeld in vak 2

Gelieve de hoofdactiviteit van de persoon, entiteit of instantie aan wie of waaraan de technische bijstand zal worden verleend, te vermelden. Het begrip „wetshandhavingsinstantie” wordt omschreven in artikel 2, onder c), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Indien de hoofdactiviteit niet in de lijst staat, gelieve „Geen van bovenstaande opties” aan te kruisen en de hoofdactiviteit in algemene woorden te beschrijven (bijv. groothandelaar, detailhandelaar, ziekenhuis).

Vak 6

Derde land of lidstaat waaraan de technische bijstand zal worden verleend

Gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gelieve de landencodes te gebruiken die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad(28). Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie(29).

In vak 6 dient uitsluitend een lidstaat te worden vermeld indien de vergunning is verleend op basis van artikel 4 van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Vak 7

Soort vergunning

Gelieve te vermelden of de technische bijstand gedurende een bepaalde periode wordt verleend en, indien dit het geval is, de periode te vermelden in dagen, weken of maanden tijdens welke de verlener van technische bijstand moet ingaan op verzoeken om advies, bijstand of opleiding. Eén enkele verlening van technische bijstand betreft één specifiek verzoek om advies of bijstand of één specifieke opleiding (ook indien het gaat om een opleiding die een aantal dagen duurt).

Vak 8

Lidstaat van afgifte

Gelieve op de passende regel zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gelieve de landencodes te gebruiken die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012.

Vak 9

Beschrijving van het soort goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft

Gelieve het soort goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft, te beschrijven. De beschrijving dient een verwijzing te bevatten naar een specifiek product zoals opgenomen in bijlage II, III of IV bij Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Vak 10

Beschrijving van de technische bijstand waarvoor een vergunning is verleend

Gelieve de technische bijstand duidelijk en nauwkeurig te beschrijven. Gelieve een verwijzing naar de datum en het nummer van een door de verlener van technische bijstand gesloten overeenkomst toe te voegen of een dergelijke overeenkomst bij te voegen, indien van toepassing.

Vak 11

Verleningsvorm

Gelieve vak 11 niet in te vullen indien de vergunning is verleend op basis van artikel 4 van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen].

Indien de technische bijstand wordt verleend vanuit een derde land dat niet het derde land is waar de ontvanger verblijft of gevestigd is, gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gelieve de landencodes te gebruiken die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012.

Vak 12

Beschrijving van de opleiding over het gebruik van goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft

Gelieve te vermelden of de technische steun of technische dienst die valt onder de omschrijving van technische bijstand in artikel 2, onder f), van Verordening (EU) […PB: gelieve het PB-nummer van deze verordening in te voegen], wordt verstrekt in combinatie met een opleiding voor gebruikers van de betrokken goederen. Gelieve het soort gebruikers dat een dergelijke opleiding gaat volgen te vermelden en de doelstellingen en inhoud van het opleidingsprogramma te omschrijven.

Vak 14

Specifieke voorschriften en voorwaarden

Indien er niet voldoende ruimte in vak 14 is, gelieve verder te gaan op een blanco blad, met vermelding van het vergunningsnummer. Gelieve het aantal bijlagen in vak 16 te vermelden.

Vak 16

Aantal bijlagen

Gelieve het aantal eventuele bijlagen te vermelden (zie de toelichting bij de vakken 10 en 14).

_____________

BIJLAGE X

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

 

Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad

(PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1)

 

Verordening (EG) nr. 1377/2006 van de Commissie

(PB L 255 van 19.9.2006, blz. 3)

 

Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad

(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1)

Uitsluitend artikel 1, lid 1, dertiende streepje, wat betreft Verordening (EG) nr. 1236/2005 en punt 13.5 van de bijlage

Verordening (EG) nr. 675/2008 van de Commissie

(PB L 189 van 17.7.2008, blz. 14)

 

Verordening (EU) nr. 1226/2010 van de Commissie

(PB L 336 van 21.12.2010, blz. 13)

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1352/2011 van de Commissie

(PB L 338 van 21.12.2011, blz. 31)

 

Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad

(PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1)

Uitsluitend artikel 1, lid 1, onder n, vierde streepje, en punt 16.4 van de bijlage

Verordening (EU) nr. 585/2013 van de Commissie

(PB L 169 van 21.6.2013, blz. 46)

 

Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 18 van 21.1.2014, blz. 1)

Uitsluitend punt 12 van de bijlage

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 775/2014 van de Commissie

(PB L 210 van 17.7.2014, blz.1)

 

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1113 van de Commissie

(PB L 182 van 10.7.2015, blz.10)

 

Verordening (EU) 2016/2134 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 338 van 13.12.2016, blz. 1)

 

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/181 van de Commissie

(PB L 40 van 13.2.2018, blz.1)

 

_____________

BIJLAGE XI

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1236/2005

Onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 4 bis

Artikel 5

Artikel 4 ter

Artikel 6

Artikel 4 quater

Artikel 7

Artikel 4 quinquies

Artikel 8

Artikel 4 sexies

Artikel 9

Artikel 4 septies

Artikel 10

Artikel 5

Artikel 11

Artikel 6, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 6, lid 2, eerste alinea

Artikel 12, lid 2, eerste alinea

Artikel 6, lid 2, tweede alinea, aanhef

Artikel 12, lid 2, tweede alinea, aanhef

Artikel 6, lid 2, tweede alinea, eerste streepje

Artikel 12, lid 2, tweede alinea, onder a)

Artikel 6, lid 2, tweede alinea, tweede streepje

Artikel 12, lid 2, tweede alinea, onder b)

Artikel 6, lid 2, derde alinea

Artikel 12, lid 2, derde alinea

Artikel 6, lid 3, aanhef

Artikel 12, lid 3, eerste alinea

Artikel 6, lid 3, punt 3.1

Artikel 12, lid 3, tweede alinea

Artikel 6, lid 3, punt 3.2

Artikel 12, lid 3, derde alinea

Artikel 6 bis

Artikel 13

Artikel 7

Artikel 14

Artikel 7 bis

Artikel 15

Artikel 7 ter

Artikel 16

Artikel 7 quater, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 7 quater, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 7 quater, lid 3, aanhef

Artikel 17, lid 3, eerste alinea

Artikel 7 quater, lid 3, punt 3.1

Artikel 17, lid 3, tweede alinea

Artikel 7 quater, lid 3, punt 3.2

Artikel 17, lid 3, derde alinea

Artikel 7 quater, lid 3, punt 3.3

Artikel 17, lid 3, vierde alinea

Artikel 7 quater, lid 4

Artikel 17, lid 4

Artikel 7 quinquies

Artikel 18

Artikel 7 sexies

Artikel 19

Artikel 8

Artikel 20

Artikel 9

Artikel 21

Artikel 10

Artikel 22

Artikel 11

Artikel 23

Artikel 12

Artikel 24

Artikel 12 bis

Artikel 25

Artikel 13, leden 1, 2 en 3

Artikel 26, leden 1, 2 en 3

Artikel 13, lid 3 bis

Artikel 26, lid 4

Artikel 13, lid 4

Artikel 26, lid 5

Artikel 13, lid 5

Artikel 26, lid 6

Artikel 13 bis

Artikel 27

Artikel 14

Artikel 28

Artikel 15 bis

Artikel 29

Artikel 15 ter

Artikel 30

Artikel 15 quater

Artikel 31

Artikel 15 quinquies

Artikel 32

Artikel 17

Artikel 33

Artikel 18

Artikel 34

-

Artikel 35

Artikel 19

Artikel 36

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage III

Bijlage III bis

Bijlage IV

Bijlage IIII ter

Bijlage V

Bijlage IV

Bijlage VI

Bijlage V

Bijlage VII

Bijlage VI

Bijlage VIII

Bijlage VII

Bijlage IX

Bijlage X

Bijlage XI

_____________

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 29 november 2018.
(3)Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 25 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1).
(4)Zie bijlage X.
(5)Resolutie 3452 (XXX) van 9 december 1975 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
(6)Resolutie 34/169 van 17 december 1979 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
(7)Goedgekeurd bij de Resoluties 663 C (XXIV) van 31 juli 1957 en 2076 (LXII) van 13 mei 1977 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
(8)Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).
(9)Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).
(10)Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 1).
(11) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(12) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(13)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(14)Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(15)Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(16)Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
(17)Meest recente versie goedgekeurd door de Raad op 26 februari 2018 (PB C 98 van 15.4.2018, blz. 1).
(18)Zie in het bijzonder Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1) en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(19)Verordening (EU) […] van het Europees Parlement en de Raad van […] met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L […] van […], blz. […]).
(20)Verordening (EU) […] van het Europees Parlement en de Raad van […] met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L […] van […], blz. […])..
(21)Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 23).
(22)Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).
(23)Verordening (EU) […] van het Europees Parlement en de Raad van […] met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L […] van […], blz. […])..
(24)Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 23).
(25)Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).
(26)Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 294 van 28.10.2016, blz. 1).
(27)Verordening (EU) […] van het Europees Parlement en de Raad van [...] met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L […] van […], blz. […]).
(28)Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 23).
(29)Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).


Fonds voor asiel, migratie en integratie: nieuwe vastlegging van de resterende bedragen ***I
PDF 285kWORD 52k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 29 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de nieuwe vastlegging van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen of de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's (COM(2018)0719 – C8-0448/2018 – 2018/0371(COD))(1)
P8_TA-PROV(2018)0468A8-0370/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Deze verordening heeft tot doel de nieuwe vastlegging mogelijk te maken van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad8, of/dan wel de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's, overeenkomstig de prioriteiten van de Unie en de behoeften van de lidstaten op het gebied van migratie en asiel.
(1)  Deze verordening heeft tot doel de nieuwe vastlegging mogelijk te maken van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad8, of/dan wel de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's, overeenkomstig de prioriteiten van de Unie en de behoeften van de lidstaten op bepaalde gebieden van migratie en asiel. Tevens wordt ervoor gezorgd dat dergelijke vastleggingen of toewijzingen op transparante wijze worden uitgevoerd.
_____________
__________________
8.  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
8.  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om de bovenvermelde bedragen te gebruiken om herplaatsing te blijven toepassen door de bedragen opnieuw vast te leggen voor dezelfde actie in hun nationale programma's. Bovendien moet het mogelijk zijn, mits dit naar behoren wordt gemotiveerd in de herziening van de nationale programma's van de lidstaten, om deze financiering ook te gebruiken om het hoofd te bieden aan andere uitdagingen op het gebied van migratie en asiel, overeenkomstig de verordening inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie. De noden/behoeften van de lidstaten op deze gebieden zijn nog steeds aanzienlijk. Nieuwe vastleggingen van de bovenvermelde bedragen voor dezelfde actie, of de overdracht ervan naar andere acties in het kader het nationaal programma, zijn slechts één keer mogelijk en moeten door de Commissie worden goedgekeurd.
(4)  De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om de bovenvermelde bedragen te gebruiken om herplaatsing te blijven toepassen door de bedragen opnieuw vast te leggen voor dezelfde actie in hun nationale programma's. De lidstaten moeten ten minste 20 % van deze bedragen vastleggen voor acties in hun nationale programma's, voor herplaatsing van verzoekers om internationale bescherming of voor herplaatsing van personen die internationale bescherming genieten, of voor hervestiging en andere vormen van ad-hoctoelating op humanitaire gronden. Wat betreft de resterende bedragen moet het mogelijk zijn, indien dit naar behoren wordt gemotiveerd in de herziening van de nationale programma's van de lidstaten, om de in de hoofdstukken II en III voorziene specifieke acties op het gebied van migratie en asiel te financieren, overeenkomstig de verordening inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie, met name voor de ontwikkeling van aspecten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, in het bijzonder gezinshereniging of ondersteuning van legale migratie naar de lidstaten en bevordering van effectieve integratie van onderdanen van derde landen. De noden/behoeften van de lidstaten op deze gebieden zijn nog steeds aanzienlijk. Nieuwe vastleggingen van de bovenvermelde bedragen voor dezelfde actie, of de overdracht ervan naar andere acties in het kader het nationaal programma, zijn slechts één keer mogelijk en moeten door de Commissie worden goedgekeurd. De lidstaten moeten erop toezien dat de in het Financieel Reglement vastgelegde beginselen bij de toewijzing van middelen ten volle geëerbiedigd worden, met name efficiëntie en transparantie.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De doelgroep van personen die in aanmerking komen voor herplaatsing moet worden uitgebreid, zodat de lidstaten over meer flexibiliteit beschikken bij de uitvoering van herplaatsingen.
(5)  De doelgroep van personen die in aanmerking komen voor herplaatsing alsook de groep landen waaruit personen herplaatst worden, moeten worden uitgebreid, zodat de lidstaten over meer flexibiliteit beschikken bij de uitvoering van herplaatsingen. Daarbij moet prioriteit worden gegeven aan de herplaatsing van niet-begeleide minderjarigen, andere kwetsbare personen en familieleden van personen die internationale bescherming genieten.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De lidstaten moeten ook voldoende tijd krijgen om de bedragen te gebruiken die vóór/voorafgaand aan de vrijmaking ervan opnieuw zijn vastgelegd voor dezelfde actie of zijn overgedragen naar andere acties. Wanneer dergelijke nieuwe vastleggingen of overdrachten van bedragen in het kader van het nationale programma worden goedgekeurd door de Commissie, worden de desbetreffende bedragen beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationale programma waarbij de nieuwe vastlegging of de overdracht wordt goedgekeurd.
(7)  De lidstaten moeten ook voldoende tijd krijgen om de bedragen te gebruiken die vóór/voorafgaand aan de vrijmaking ervan opnieuw zijn vastgelegd voor dezelfde actie of zijn overgedragen naar andere specifieke acties. Wanneer dergelijke nieuwe vastleggingen of overdrachten van bedragen in het kader van het nationale programma worden goedgekeurd door de Commissie, worden de desbetreffende bedragen beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationale programma waarbij de nieuwe vastlegging of de overdracht wordt goedgekeurd.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  De Commissie moet jaarlijks verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de middelen voor de overbrenging van personen die om internationale bescherming verzoeken en/of personen die internationale bescherming genieten, in het bijzonder over overdrachten naar andere acties in het kader van het nationaal programma en over nieuwe vastleggingen.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Wanneer Verordening (EU) nr. 516/2014 niet vóór het einde van 2018 gewijzigd wordt, kunnen de lidstaten de betreffende financiering niet meer gebruiken in het kader van de nationale programma's die door het Fonds voor asiel, migratie en integratie worden ondersteund. Aangezien wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 urgent is, dient een uitzondering te worden gemaakt op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – titel
(-1)  De titel wordt vervangen door:
Middelen voor het overbrengen van personen die internationale bescherming genieten
"Middelen voor het overbrengen van personen die om internationale bescherming verzoeken of van personen die internationale bescherming genieten"
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 1
(1)  In lid 1 worden de woorden "persoon die internationale bescherming geniet" vervangen door de woorden "verzoeker om internationale bescherming of persoon die internationale bescherming geniet";
Schrappen
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 1
(1 bis)  Lid 1 wordt vervangen door:
“1. Met het oog op de toepassing van het beginsel van solidariteit en eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheden en in het licht van beleidsontwikkelingen in de Unie gedurende de uitvoeringsperiode van het Fonds, ontvangen de lidstaten, naast de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a), berekende toewijzing een aanvullend bedrag als bedoeld in artikel 15, lid 2, onder b), in de vorm van een vast bedrag van 6 000 EUR per persoon die internationale bescherming geniet en die uit een andere lidstaat is overgebracht.";
“1. Met het oog op de toepassing van het beginsel van solidariteit en eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheden en in het licht van beleidsontwikkelingen in de Unie gedurende de uitvoeringsperiode van het Fonds, ontvangen de lidstaten, naast de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a), berekende toewijzing een aanvullend bedrag als bedoeld in artikel 15, lid 2, onder b), in de vorm van een vast bedrag van 10 000 EUR per verzoeker om internationale bescherming en per persoon die internationale bescherming geniet en die uit een andere lidstaat is overgebracht.";
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 3
3.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende bedragen worden aan de lidstaten voor het eerst toegewezen bij de individuele financieringsbesluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's, volgens de in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 514/2014 vastgelegde procedure, en nadien in een financieringsbesluit dat bij de besluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's wordt gevoegd. Nieuwe vastleggingen van die bedragen voor dezelfde actie in het kader van het nationale programma of overdrachten ervan naar andere acties in het kader van het nationale programma zijn mogelijk als zij naar behoren worden gemotiveerd in de herziening van het respectieve nationale programma. Een bedrag mag slechts één keer opnieuw worden vastgelegd of overgedragen. De Commissie keurt de nieuwe vastlegging of de overdracht vast via de herziening van het nationale programma.
3.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende bedragen worden aan de lidstaten voor het eerst toegewezen bij de individuele financieringsbesluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's, volgens de in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 514/2014 vastgelegde procedure, en nadien in een financieringsbesluit dat bij de besluiten tot goedkeuring van hun nationale programma's wordt gevoegd. Nieuwe vastleggingen van die bedragen voor dezelfde actie in het kader van het nationale programma of overdrachten ervan naar andere specifieke acties in het kader van het nationale programma in de zin van de hoofdstukken II en III van deze verordening zijn mogelijk als zij naar behoren worden gemotiveerd in de herziening van het respectieve nationale programma. Een bedrag mag slechts één keer opnieuw worden vastgelegd of overgedragen. De Commissie keurt de nieuwe vastlegging of de overdracht vast via de herziening van het nationale programma. De middelen worden transparant en efficiënt toegewezen overeenkomstig de doelstellingen van het nationale programma.
Voor bedragen die afkomstig zijn van de bij Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 vastgestelde voorlopige maatregelen geldt dat ten minste 20 % van de opnieuw vast te leggen bedragen wordt vastgelegd voor dezelfde actie in het kader van het nationale programma voor herplaatsing van verzoekers om internationale bescherming of herplaatsing van personen die internationale bescherming genieten, of voor hervestiging en andere ad-hoctoelating op internationale gronden.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 3 bis
3 bis.  Met het oog op de toepassing van artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 514/2014 worden bedragen die afkomstig zijn van de bij Besluiten (EU) nr. 2015/1523 en (EU) nr. 2015/1601 vastgestelde voorlopige maatregelen en die opnieuw worden vastgelegd voor dezelfde actie in het kader van het nationaal programma of worden overgedragen naar andere acties in het kader van het nationaal programma, overeenkomstig lid 3, beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationaal programma waarbij de nieuwe vastlegging of overdracht in kwestie wordt goedgekeurd.
3 bis.  Met het oog op de toepassing van artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 514/2014 worden bedragen die afkomstig zijn van de bij Besluiten (EU) nr. 2015/1523 en (EU) nr. 2015/1601 vastgestelde voorlopige maatregelen en die opnieuw worden vastgelegd voor dezelfde actie in het kader van het nationaal programma of worden overgedragen naar andere specifieke acties in het kader van het nationaal programma, overeenkomstig lid 3, beschouwd als bedragen die zijn vastgelegd in het jaar van de herziening van het nationaal programma waarbij de nieuwe vastlegging of overdracht in kwestie wordt goedgekeurd.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 3 quater (nieuw)
3 quater.  De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van dit artikel, in het bijzonder over de overdracht van bedragen naar andere acties in het kader van nationale programma's en nieuwe vastleggingen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 4
(4)  In lid 4 worden de woorden "personen die internationale bescherming genieten" vervangen door de woorden "verzoekers om internationale bescherming of personen die internationale bescherming genieten".
Schrappen
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 516/2014
Artikel 18 – lid 4
4 bis)  Lid 4 wordt vervangen door:
4.  Om gestalte te geven aan de doelstellingen van solidariteit en verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten als bedoeld in artikel 80 VWEU, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 26 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde, binnen de grenzen van de beschikbare middelen, het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste bedrag aan te passen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met actuele inflatiepercentages, relevante ontwikkelingen in het gebied naar waar de begunstigde van internationale bescherming van de ene lidstaat naar de andere is overgebracht en factoren die bijdragen tot een optimaal gebruik van de financiële stimulans die met het vaste bedrag wordt gegeven.
4.  Om gestalte te geven aan de doelstellingen van solidariteit en verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten als bedoeld in artikel 80 VWEU, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 26 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde, binnen de grenzen van de beschikbare middelen, het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste bedrag aan te passen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met actuele inflatiepercentages, relevante ontwikkelingen in het gebied naar waar de verzoeker om nationale bescherming en de begunstigde van internationale bescherming van de ene lidstaat naar de andere zijn overgebracht, hervestiging en andere ad-hoctoelating op humanitaire gronden, en factoren die bijdragen tot een optimaal gebruik van de financiële stimulans die met het vaste bedrag wordt gegeven.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0370/2018).


De toetreding van Samoa tot de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de staten in de Stille Oceaan ***
PDF 246kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van Samoa tot de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de staten in de Stille Oceaan, anderzijds (12281/2018 – C8-0434/2018 – 2018/0291(NLE))
P8_TA-PROV(2018)0469A8-0376/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12281/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0434/2018),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2011 over de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de EG en de staten in de Stille Oceaan(2),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou)(3),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0376/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de toetreding van Samoa tot de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Samoa.

(1) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 2.
(2) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 19.
(3) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.


Benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank
PDF 242kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de voordracht voor de benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (N8-0120/2018 – C8-0466/2018 – 2018/0905(NLE))
P8_TA-PROV(2018)0470A8-0380/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Europese Centrale Bank van 7 november 2018 tot benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (C8-0466/2018),

–  gezien artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013, waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme aan de Europese Centrale Bank zijn opgedragen(2),

–  gezien artikel 122 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0380/2018),

A.  overwegende dat in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad is bepaald dat de Europese Centrale Bank haar voorstel tot benoeming van de voorzitter van de raad van toezicht aan het Europees Parlement voorlegt en dat de voorzitter op basis van een open selectieprocedure wordt gekozen uit een voordracht van personen met een erkende kwalificatie en ervaring in het bankwezen en financiële aangelegenheden, die geen lid zijn van de raad van bestuur;

B.  overwegende dat in artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad is bepaald dat bij benoemingen voor de raad van toezicht overeenkomstig die verordening de beginselen van genderevenwicht, ervaring en kwalificaties moeten worden nageleefd;

C.  overwegende dat de Europese Centrale Bank in een brief d.d. 7 november 2018 aan het Parlement heeft voorgesteld Andrea Enria te benoemen als voorzitter van de raad van toezicht;

D.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name tegen de achtergrond van de eisen in artikel 26, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013; overwegende dat de commissie met het oog op dit onderzoek een curriculum vitae van de voorgedragen kandidaat heeft ontvangen;

E.  overwegende dat de commissie de voorgedragen kandidaat op 20 november 2018 heeft gehoord, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  stemt in met het voorstel van de Europese Centrale Bank om Andrea Enria te benoemen tot voorzitter van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Centrale Bank, de Raad, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) PB L 320 van 30.11.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen
PDF 283kWORD 54k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Griekenland – EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen) (COM(2018)0667 – C8-0430/2018 – 2018/2240(BUD))
P8_TA-PROV(2018)0471A8-0377/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0667 – C8-0430/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0377/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Griekenland aanvraag EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG naar aanleiding van 550 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 58 (Uitgeverijen), in de regio van NUTS-niveau 2 Attica (EL30) in Griekenland;

D.  overwegende dat de aanvraag is ingediend in het kader van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, dat bepaalt dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gevestigd zijn in een regio of in twee of meer dan twee aan elkaar grenzende regio's van NUTS-niveau 2 in een lidstaat, mits er meer dan 500 werknemers getroffen zijn in twee van de regio's tezamen;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening en dat Griekenland recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 2 308 500 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 3 847 500 EUR;

2.  merkt op dat de Griekse autoriteiten de aanvraag op 22 mei 2018 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat Griekenland aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 4 oktober 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis heeft gesteld, waarmee de termijn van twaalf weken werd nageleefd;

3.  merkt op dat Griekenland betoogt dat de ontslagen verband houden met de wereldwijde financiële en economische crisis, meer in het bijzonder met de gevolgen ervan voor de Griekse economie waaronder een daling van het reële bbp per hoofd, stijgende werkloosheid, dalende lonen en lagere besteedbare gezinsinkomens in combinatie met de snelle digitale ontwikkelingen die, tezamen met de bezuinigingen op de reclame-uitgaven van grote adverteerders, de uitgeverijsector transformeren; merkt op dat de sector te maken heeft met een daling van de inkomsten uit zowel reclame als uit verkopen;

4.  herinnert eraan dat de gevallen ontslagen bij drie bedrijven die actief zijn in de Griekse uitgeverijsector naar verwachting aanzienlijke negatieve gevolgen zullen hebben voor de lokale economie, en dat het effect van de ontslagen verband houdt met de problemen om ander werk te vinden vanwege het gebrek aan werkgelegenheid, het gebrek aan beroepsopleidingen die aansluiten op de vastgestelde behoeften van de arbeidsmarkt en het grote aantal werkzoekenden;

5.  benadrukt met bezorgdheid dat de werkloosheid in de regio Attica een groot deel vormt van de werkloosheid en langdurige werkloosheid in Griekenland, waar de werkloopsheid nog steeds hoog is;

6.  herinnert eraan dat dit de tweede Griekse aanvraag is voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van gedwongen ontslagen bij Attica Uitgeverijen, na de eerdere aanvraag EGF/2014/018 in 2014 en een positief besluit daarover(4);

7.  merkt op dat de aanvraag betrekking heeft op 550 ontslagen werknemers, waarvan een groot aantal vrouw is (41,82 %); wijst er verder op dat 14,73 % van de ontslagen werknemers 55 jaar of ouder is en 1,6 % jonger dan 30 jaar is; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen om de kans te vergroten dat deze kwetsbare groepen opnieuw een baan vinden;

8.  is verheugd dat in het geplande opleidingsaanbod de lessen van de aanvraag EGF-2014-018 GR/Attica zijn meegenomen, waarvan de re-integratiepercentages volgens de lopende evaluatie goed zijn;

9.  stelt vast dat geen maatregelen zijn gepland voor jongeren die noch aan de arbeidsmarkt deelnemen, noch onderwijs of een opleiding volgen (NEET), hoewel het aantal NEET's in Griekenland nog steeds hoog is;

10.  onderstreept dat voor financiële toelagen de voorwaarde geldt dat de beoogde begunstigden actief deelnemen en onderstreept dat deze toelagen als echte stimulans kunnen dienen in de specifieke economische context van Griekenland;

11.  stelt vast dat de financiële toelagen en stimulansen, dat wil zeggen aanmoedigingspremies voor het aanwerven van werknemers en toelagen voor opleiding en het zoeken naar werk, zich dicht bij het in de EFG-verordening vastgestelde maximum van 35 % bevinden;

12.  wijst erop dat Griekenland vijf soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) loopbaanbegeleiding en hulp bij het zoeken naar werk; (ii) opleiding, omscholing en beroepsopleiding overeenkomstig de behoeften van de arbeidsmarkt; (iii) bijdrage aan het opstarten van een bedrijf; (iv) toelage voor het zoeken naar werk en opleidingstoelage; (v) aanmoedigingspremie voor het aanwerven van werknemers;

13.  onderkent dat het gecoördineerde pakket individuele dienstverlening is opgesteld in overleg met vertegenwoordigers van de vakbond van journalisten van Atheense dagbladen (ΕΣΗΕΑ), de vakbond van werknemers van Atheense dagbladen (ΕΠΗΕΑ) en het Ministerie van Arbeid;

14.  benadrukt dat de Griekse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen en dat dubbele financiering zal worden voorkomen;

15.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet passen in de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

16.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren, en is tevreden dat Griekenland dat heeft bevestigd;

17.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

18.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

19.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE: BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ingevolge een aanvraag van Griekenland — EGF/2018/003 EL/Attica Uitgeverijen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(5), en met name artikel 15, lid 4,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(6), en met name punt 13,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) heeft tot doel steun te verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, doordat de wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, of door een nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis, en hen te helpen op de arbeidsmarkt terug te keren.

(2)  Conform artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad(7) mag het EFG het jaarlijks maximumbedrag van 150 miljoen EUR (prijzen 2011) niet overschrijden.

(3)  Griekenland heeft op 22 mei 2018 een aanvraag ingediend om middelen uit het EFG ter beschikking te stellen met betrekking tot ontslagen in de uitgeverijsector in de regio Attica. Griekenland heeft overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1309/2013 aanvullende gegevens ingediend. Die aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit het EFG overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1309/2013.

(4)  Er moeten dan ook middelen uit het EFG beschikbaar worden gesteld om een financiële bijdrage van 2 308 500 EUR te leveren in het kader van de door Griekenland ingediende aanvraag.

(5)  Teneinde zo snel mogelijk middelen uit het EFG ter beschikking te stellen, moet dit besluit van toepassing zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 2 308 500 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het is van toepassing vanaf...[datum van vaststelling van het besluit](8).

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Besluit (EU) 2015/644 van het Europees Parlement en de Raad van 15 april 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering(aanvraag EGF/2014/018 GR/Attica broadcasting uit Griekenland) (PB L 106 van 24.4.2015, blz. 29-30).
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(6) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(7) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
(8)* Datum door het Parlement in te voegen vóór bekendmaking in het PB.


Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen ***I
PDF 378kWORD 67k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 29 november 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 wat betreft de regels die van toepassing zijn op de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen (COM(2017)0571 – C8-0326/2017 – 2017/0245(COD))(1)
P8_TA-PROV(2018)0472A8-0356/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  De totstandbrenging van een ruimte waarin het vrije verkeer van personen over binnengrenzen is gegarandeerd, is een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Unie. Het waarborgen van de normale werking en het versterken van die ruimte, die is gebaseerd op vertrouwen en solidariteit, moet een gezamenlijke doelstelling zijn van de Unie en de lidstaten die zich ertoe hebben verbonden eraan deel te nemen. Daarnaast is het noodzakelijk om, wanneer zich een situatie voordoet die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in die ruimte of in delen daarvan, gezamenlijk op te treden, door in uitzonderlijke omstandigheden en als uiterste maatregel tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen toe te staan, en de samenwerking tussen de betrokken lidstaten te versterken.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  In een ruimte van vrij verkeer van personen moet de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen een uitzondering blijven. Binnengrenstoezicht mag alleen opnieuw worden ingevoerd als uiterste middel, voor een beperkte termijn en voor zover dat toezicht noodzakelijk is en evenredig met de vastgestelde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.
(1)  In een ruimte van vrij verkeer van personen moet de herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen een uitzondering blijven. Aangezien de tijdelijke herinvoering van binnengrenstoezicht gevolgen heeft voor het vrije verkeer van personen, mag herinvoering alleen plaatsvinden als uiterste middel, voor een beperkte termijn en voor zover dat toezicht noodzakelijk is en evenredig met de vastgestelde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. Een dergelijke maatregel moet worden ingetrokken zodra de redenen die hebben geleid tot de vaststelling ervan wegvallen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Migratie en het overschrijden van buitengrenzen door een groot aantal onderdanen van derde landen moet niet per definitie worden gezien als een bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  De vastgestelde ernstige bedreigingen kunnen met verschillende maatregelen worden aangepakt, naargelang hun aard en omvang. De lidstaten beschikken ook over politiebevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)8, die onder bepaalde voorwaarden in de grensgebieden kan worden uitgeoefend. De aanbeveling van de Commissie inzake evenredige politiecontroles en politiële samenwerking in het Schengengebied9 biedt de lidstaten richtsnoeren op dat gebied.
(2)  De vastgestelde ernstige bedreigingen kunnen met verschillende maatregelen worden aangepakt, naargelang hun aard en omvang. Hoewel het duidelijk is dat politiebevoegdheid een ander karakter heeft en andere doelstellingen dient dan grenstoezicht, beschikken de lidstaten ook over politiebevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)8, die onder bepaalde voorwaarden in de grensgebieden kan worden uitgeoefend. De aanbeveling van de Commissie inzake evenredige politiecontroles en politiële samenwerking in het Schengengebied9 biedt de lidstaten richtsnoeren op dat gebied.
__________________
__________________
8 PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.
8 PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.
9 C(2017)3349 van 12.5.2017.
9 C(2017)3349 van 12.5.2017.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De lidstaten moeten voorrang geven aan alternatieve maatregelen voordat zij overgaan tot herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen. Met name moet de betrokken lidstaat op basis van een risicobeoordeling, wanneer dit noodzakelijk en gerechtvaardigd is, overwegen om op zijn grondgebied, met inbegrip van grensgebieden en belangrijke vervoersverbindingen, doeltreffender of intensiever politiecontroles uit te voeren, en daarbij ervoor zorgen dat deze politiecontroles geen grenstoezicht tot doel hebben. Moderne technologieën kunnen helpen bij het aanpakken van bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. De lidstaten moeten beoordelen of de situatie op passende wijze kan worden aangepakt door middel van intensievere grensoverschrijdende samenwerking, zowel vanuit operationeel oogpunt als wat betreft de informatie-uitwisseling tussen de politie en inlichtingendiensten.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De ervaring heeft echter uitgewezen dat bepaalde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, zoals grensoverschrijdende terroristische dreigingen of specifieke gevallen van secundaire bewegingen van irreguliere migranten in de Unie, die de herinvoering van grenstoezicht rechtvaardigden, ook lang na het verstrijken van bovengenoemde termijn kunnen blijven bestaan. Het is derhalve nodig en gerechtvaardigd om de voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht geldende termijnen aan de huidige behoeften aan te passen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat deze maatregel niet wordt misbruikt en een uitzondering blijft, die alleen als uiterste middel kan worden gebruikt. Daartoe moet de algemene termijn die op grond van artikel 25 van de Schengengrenscode van toepassing is, worden verlengd tot een jaar.
(4)  De ervaring heeft echter uitgewezen dat het zelden nodig is opnieuw grenstoezicht aan de binnengrenzen in te voeren voor een periode van meer dan twee maanden. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan het voorkomen dat bepaalde ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid blijven bestaan na het verstrijken van de maximumtermijn van zes maanden die momenteel voor herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen is toegestaan. Het is derhalve noodzakelijk om de voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht geldende termijnen aan te passen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat deze maatregel niet wordt misbruikt en een uitzondering blijft, die alleen als uiterste middel kan worden gebruikt.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Elke afwijking van het grondbeginsel van het vrije verkeer van personen moet restrictief worden opgevat en het begrip openbare orde veronderstelt dat er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Om te waarborgen dat het binnengrenstoezicht een uitzondering blijft, moeten de lidstaten een risicobeoordeling betreffende de voorgenomen herinvoering van grenstoezicht of de verlenging daarvan overleggen. Bij de risicobeoordeling moet in het bijzonder worden nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welke delen van de binnengrenzen worden getroffen, moet worden aangetoond dat de verlenging van het toezicht een uiterste middel is en moet worden uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging zou helpen aanpakken. Ingeval het grenstoezicht langer dan zes maanden duurt, moet in de risicobeoordeling ook retrospectief de doeltreffendheid van het opnieuw ingevoerde grenstoezicht voor de aanpak van de vastgestelde bedreiging worden aangetoond en in detail worden uitgelegd hoe met elke door dergelijke verlenging getroffen aangrenzende lidstaat werd overlegd en hoe deze lidstaten zijn betrokken bij het bepalen van de minst belastende operationele regelingen.
(5)  Om te waarborgen dat het binnengrenstoezicht alleen als uiterste middel wordt heringevoerd en een uitzondering blijft, moeten de lidstaten een risicobeoordeling betreffende de voorgenomen verlenging van het grenstoezicht voor meer dan twee maanden overleggen. Bij de risicobeoordeling moet in het bijzonder worden nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welke delen van de binnengrenzen worden getroffen, moet worden aangetoond dat de verlenging van het toezicht een uiterste middel is, met name door aan te tonen dat alternatieve maatregelen onvoldoende zijn gebleken of onvoldoende worden geacht, en moet worden uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging zou helpen aanpakken. In de risicobeoordeling moeten ook retrospectief de efficiëntie en de doeltreffendheid van het opnieuw ingevoerde grenstoezicht voor de aanpak van de vastgestelde bedreiging worden aangetoond en in detail worden uitgelegd hoe met elke door dergelijke verlenging getroffen aangrenzende lidstaat werd overlegd en hoe deze lidstaten zijn betrokken bij het bepalen van de minst belastende operationele regelingen. De lidstaten moeten de mogelijkheid houden om waar nodig alle verstrekte informatie of delen daarvan te rubriceren.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Wanneer herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt voorgesteld in verband met specifieke geplande evenementen van uitzonderlijke aard en duur, zoals sportevenementen, moet de periode van herinvoering van dit toezicht zeer nauwkeurig worden omschreven, afgebakend zijn, en gekoppeld zijn aan de werkelijke duur van het evenement.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De kwaliteit van de door de lidstaat overgelegde risicobeoordeling zal van groot belang zijn voor de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de voorgenomen herinvoering of verlenging van het grenstoezicht. Het Europees Grens- en kustwachtagentschap en Europol moeten bij deze beoordeling worden betrokken.
(6)  De kwaliteit van de door de lidstaat overgelegde risicobeoordeling zal van groot belang zijn voor de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de voorgenomen herinvoering of verlenging van het grenstoezicht. Het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten moeten bij deze beoordeling worden betrokken.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De bevoegdheid van de Commissie om overeenkomstig artikel 27, lid 4, van de Schengengrenscode advies uit te brengen, moet worden gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe verplichtingen voor de lidstaten in verband met de risicobeoordeling, inclusief de samenwerking met de betrokken lidstaten. Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen langer dan zes maanden duurt, dient de Commissie verplicht advies uit te brengen. Ook de in artikel 27, lid 5, van de Schengengrenscode bedoelde overlegprocedure moet worden gewijzigd om rekening te houden met de rol van de agentschappen (Europees Grens- en kustwachtagentschap en Europol), met de klemtoon op de praktische uitvoering van diverse aspecten van de samenwerking tussen de lidstaten, met inbegrip van, in voorkomend geval, de coördinatie van verschillende maatregelen aan beide zijden van de grens.
(7)  De in artikel 27, lid 5, van de Schengengrenscode bedoelde overlegprocedure moet worden gewijzigd om rekening te houden met de rol van de agentschappen van de Unie, met de klemtoon op de praktische uitvoering van diverse aspecten van de samenwerking tussen de lidstaten.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Om de herziene regels beter af te stemmen op de uitdagingen in verband met aanhoudende ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, moet een specifieke mogelijkheid worden geboden tot verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor meer dan één jaar. Samen met een dergelijke verlenging moeten ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke nationale maatregelen worden getroffen, zoals de afkondiging van de noodtoestand. In elk geval mag een dergelijke mogelijkheid niet leiden tot een verdere verlenging van het tijdelijke toezicht aan de binnengrenzen tot meer dan twee jaar.
(8)  Om de herziene regels beter af te stemmen op de uitdagingen in verband met aanhoudende ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, moet een specifieke mogelijkheid worden geboden tot verlenging, bij wijze van uitzondering, van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor meer dan zes maanden. Samen met een dergelijke verlenging moeten ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke nationale maatregelen worden getroffen, zoals de afkondiging van de noodtoestand. In elk geval mag een dergelijke mogelijkheid niet leiden tot een verdere verlenging van het tijdelijke toezicht aan de binnengrenzen tot meer dan één jaar.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   De noodzaak en evenredigheid van de herinvoering van binnengrenstoezicht dient te worden afgewogen tegen de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die tot deze herinvoering noopt; dit geldt ook voor andere maatregelen die op nationaal of Unieniveau of op beide niveaus zouden kunnen worden getroffen, en de gevolgen van dergelijk toezicht voor het vrije verkeer van personen binnen de ruimte zonder binnengrenstoezicht dienen in de afweging te worden meegewogen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  De verwijzing naar artikel 29 in artikel 25, lid 4, moet worden gewijzigd met het oog op de verduidelijking van de verhouding tussen de termijnen die van toepassing zijn op grond van artikel 29 en artikel 25 van de Schengengrenscode.
Schrappen
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  De mogelijkheid om tijdelijk binnengrenstoezicht uit te oefenen als reactie op een specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die langer dan een jaar aanhoudt, moet aan een specifieke procedure worden onderworpen.
(10)  De mogelijkheid om tijdelijk binnengrenstoezicht uit te oefenen als reactie op een specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die langer dan zes maanden aanhoudt, moet aan een specifieke procedure worden onderworpen, waaraan een aanbeveling van de Raad ten grondslag moet liggen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Daartoe moet de Commissie advies uitbrengen over de noodzaak en de evenredigheid van een dergelijke verlenging en, in voorkomend geval, over de samenwerking met de aangrenzende lidstaten.
(11)  Daartoe moet de Commissie advies uitbrengen over de noodzaak en de evenredigheid van een dergelijke verlenging. Het Europees Parlement moet onverwijld van de voorgestelde verlenging in kennis worden gesteld. De betrokken lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om bij de Commissie opmerkingen in te dienen, alvorens zij haar advies uitbrengt.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  De Raad kan, rekening houdend met het advies van de Commissie, een dergelijke buitengewone verdere verlenging aanbevelen en, in voorkomend geval, de voorwaarden voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten bepalen, om ervoor te zorgen dat het om een uitzonderlijke maatregel gaat, die slechts zo lang blijft gelden als nodig en gerechtvaardigd is, en consistent is met de maatregelen die ook op het nationale grondgebied zijn getroffen om dezelfde specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid aan te pakken. De aanbeveling van de Raad moet een voorwaarde zijn voor elke verdere verlenging na de periode van een jaar en dus van dezelfde aard zijn als die waarin artikel 29 reeds voorziet.
(13)  De Raad kan, rekening houdend met het advies van de Commissie, een dergelijke buitengewone verdere verlenging aanbevelen en, in voorkomend geval, de voorwaarden voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten vaststellen, om ervoor te zorgen dat het om een uitzonderlijke maatregel gaat, die slechts zo lang blijft gelden als nodig en gerechtvaardigd is, en consistent is met de maatregelen die ook op het nationale grondgebied zijn getroffen om dezelfde specifieke bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid aan te pakken. De aanbeveling van de Raad moet een voorwaarde zijn voor elke verdere verlenging na de periode van zes maanden. De aanbeveling van de Raad moet onverwijld aan het Europees Parlement worden toegezonden.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Maatregelen die in het kader van de specifieke procedure worden genomen wanneer de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar is als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden, mogen niet worden verlengd op grond van of gecombineerd met maatregelen die worden genomen in het kader van een andere procedure voor de herinvoering of verlenging van binnengrenstoezicht uit hoofde van Verordening (EU) 2016/399.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, moet de Commissie, als hoedster van de Verdragen toeziend op de toepassing van het Unierecht, overeenkomstig artikel 258 passende maatregelen nemen. Een van de maatregelen die zij kan nemen is de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 25 – lid 1
1.  Indien zich in de ruimte zonder binnengrenstoezicht een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat voordoet, kan die lidstaat bij wijze van uitzondering aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen grenstoezicht herinvoeren, gedurende een beperkte periode van ten hoogste dertig dagen, dan wel voor de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging, indien deze langer is dan dertig dagen, maar niet langer dan zes maanden. De omvang en de duur van het tijdelijk heringevoerde grenstoezicht aan de binnengrenzen blijven beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om op de ernstige bedreiging te kunnen reageren.
1.  Indien zich in de ruimte zonder binnengrenstoezicht een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat voordoet, kan die lidstaat bij wijze van uitzondering aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen grenstoezicht herinvoeren als uiterste middel. De omvang en de duur van het tijdelijk heringevoerde grenstoezicht aan de binnengrenzen blijven beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om op de ernstige bedreiging te kunnen reageren.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 25 – lid 2
2.  Het grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt slechts als uiterste middel en in overeenstemming met de artikelen 27, 27 bis, 28 en 29 heringevoerd. Wanneer wordt overwogen het grenstoezicht aan de binnengrenzen krachtens respectievelijk artikel 27, 27 bis, 28 of 29 opnieuw in te voeren, wordt in elk geval rekening gehouden met de in artikel 26, respectievelijk artikel 30 bedoelde criteria.
Schrappen
Amendementen 22 en 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 25 – lid 3
3.  Indien de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in de betrokken lidstaat langer duurt dan de in lid 1 bedoelde periode, kan die lidstaat, rekening houdend met de in artikel 26 vermelde criteria en overeenkomstig artikel 27, het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen op de in lid 1 genoemde gronden, en rekening houdend met nieuwe elementen, verlengen met hernieuwbare perioden die overeenstemmen met de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging en niet langer zijn dan zes maanden.
Schrappen
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 25 – lid 4
4.  De totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wordt ingevoerd, duurt met inbegrip van de verlengingen overeenkomstig lid 3 niet langer dan een jaar.
Schrappen
In de in artikel 27 bis bedoelde uitzonderlijke gevallen kan die totale periode overeenkomstig dat artikel verder worden verlengd met maximaal twee jaar.
In de in artikel 29 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden kan de totale periode overeenkomstig lid 1 van dat artikel worden verlengd met maximaal twee jaar."
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 26
(1 bis)  Artikel 26 wordt vervangen door:
Artikel 26
"Artikel 26
Criteria voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen
Criteria voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen
Indien een lidstaat besluit tot tijdelijke herinvoering, als uiterste middel, van het grenstoezicht aan een of meer binnengrenzen of delen daarvan, of tot verlenging van dergelijke herinvoering, overeenkomstig artikel 25 of artikel 28, lid 1, beoordeelt de lidstaat in hoeverre een dergelijke maatregel de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kan verhelpen, en of de maatregel tot die bedreiging in verhouding staat. Bij een dergelijke beoordeling houdt de lidstaat in het bijzonder rekening met het volgende:
Voordat een lidstaat besluit tot tijdelijke herinvoering, als uiterste middel, van het grenstoezicht aan een of meer binnengrenzen of delen daarvan, of tot verlenging van een dergelijke tijdelijke herinvoering, beoordeelt de lidstaat:
a)  of de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kan verhelpen;
b)  of andere maatregelen dan de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen, zoals nauwere grensoverschrijdende politiële samenwerking of intensievere politiecontroles, de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kunnen verhelpen;
c)  of de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen tot die bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in verhouding staat, in het bijzonder rekening houdend met:
a)   de verwachte gevolgen van de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, met name in geval van terroristische incidenten of bedreigingen, waaronder die welke uitgaan van georganiseerde criminaliteit;
i)   de verwachte gevolgen van de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, met name in geval van terroristische incidenten of bedreigingen, waaronder die welke uitgaan van georganiseerde criminaliteit; en
b)   de verwachte gevolgen van de maatregel op het vrije verkeer van personen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht.
ii)   de verwachte gevolgen van de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen op het vrije verkeer van personen in de ruimte zonder binnengrenstoezicht.
Wanneer een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder a), van oordeel is dat de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid niet voldoende kan verhelpen, gaat hij niet over tot herinvoering van binnengrenstoezicht.
Wanneer een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder b), van oordeel is dat andere maatregelen dan de tijdelijke herinvoering van binnengrenstoezicht de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kunnen verhelpen, gaat hij niet over tot herinvoering of verlenging van binnengrenstoezicht en neemt hij die andere maatregelen.
Wanneer een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder c), van oordeel is dat de voorgenomen herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen niet in verhouding staat tot de bedreiging, gaat hij niet over tot herinvoering of verlenging van binnengrenstoezicht."
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt -i (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – titel
-i)  de titel wordt vervangen door:
Procedure voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen op grond van artikel 25
"Procedure voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in geval van een voorzienbare ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid"
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt -i bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid -1 (nieuw)
-i bis) in artikel 27 wordt vóór lid 1 het volgende lid ingevoegd:
"-1. Indien zich in de ruimte zonder binnengrenstoezicht een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat voordoet, kan die lidstaat bij wijze van uiterste middel en overeenkomstig de criteria van artikel 26 aan alle of bepaalde delen van zijn binnengrenzen grenstoezicht herinvoeren, gedurende een beperkte periode van ten hoogste dertig dagen dan wel, indien de ernstige bedreiging de termijn van dertig dagen overschrijdt, voor de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging, maar in geen geval voor een langere periode dan twee maanden."
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt -i ter (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 – inleidende formule
-i ter) in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:
1.  Een lidstaat die overweegt op grond van artikel 25 het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw in te voeren, stelt uiterlijk vier weken vóór de geplande herinvoering, of eerder, indien de tot herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen nopende omstandigheden minder dan vier weken vóór de geplande herinvoering bekend worden, de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis. Daartoe verstrekt hij de volgende informatie:
"1. Voor de toepassing van lid -1 stelt de betrokken lidstaat uiterlijk vier weken vóór de geplande herinvoering, of eerder, indien de tot herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen nopende omstandigheden minder dan vier weken vóór de geplande herinvoering bekend worden, de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis. Daartoe verstrekt hij de volgende informatie:"
Amendementen 28 en 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt i
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 – letter a bis
(i)  aan lid 1 wordt een nieuwe letter a bis) toegevoegd, die als volgt luidt:
Schrappen
a bis)  een risicobeoordeling waarin wordt nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welke delen van de binnengrenzen worden getroffen, wordt aangetoond dat de verlenging van het toezicht een uiterste middel is en wordt uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging zou helpen aanpakken. Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen reeds voor meer dan zes maanden is heringevoerd, wordt in de risicobeoordeling ook uitgelegd hoe de vorige herinvoering van grenstoezicht heeft bijgedragen tot het verhelpen van de vastgestelde bedreiging.
De risicobeoordeling bevat ook een gedetailleerd verslag van de coördinatie tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat of lidstaten waarmee hij binnengrenzen deelt waaraan grenstoezicht is uitgeoefend.
De Commissie deelt de risicobeoordeling met het Europees Grens- en kustwachtagentschap en Europol, naargelang het geval.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt i bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 – letter a ter (nieuw)
i bis)  In lid 1 wordt het volgende punt a ter) ingevoegd:
"a ter) elke andere maatregel dan de voorgestelde herinvoering van grenstoezicht die door de lidstaat is genomen of wordt overwogen om de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid het hoofd te bieden, alsmede de onderbouwde redenen waarom alternatieve maatregelen zoals nauwere grensoverschrijdende politiële samenwerking of intensievere politiecontroles ontoereikend werden geacht;"
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt ii
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 – letter e
e)  in voorkomend geval, de maatregelen die de andere lidstaten zouden moeten treffen, zoals overeengekomen vóór de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen.
e)  in voorkomend geval, de maatregelen die de andere lidstaten zouden moeten treffen, zoals overeengekomen vóór de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de desbetreffende binnengrenzen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iii
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 – laatste zin
Indien nodig kan de Commissie de betrokken lidstaat of lidstaten om aanvullende informatie verzoeken, onder meer over de samenwerking met de lidstaten die door de voorgenomen verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen worden getroffen, alsook om aanvullende informatie die nodig is om na te gaan of de maatregel een uiterste middel is.
Indien nodig kan de Commissie de betrokken lidstaat of lidstaten om aanvullende informatie verzoeken, onder meer over de samenwerking met de lidstaten die door de voorgenomen herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen worden getroffen, alsook om aanvullende informatie die nodig is om na te gaan of de maatregel een uiterste middel is.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iii bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 bis (nieuw)
iii bis)  het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:
"1 bis. Indien de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid in de betrokken lidstaat langer duurt dan twee maanden, kan die lidstaat, rekening houdend met de in artikel 26 vermelde criteria, het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen op de in lid -1 genoemde gronden, en rekening houdend met nieuwe elementen, verlengen met een periode die overeenstemt met de voorzienbare duur van de ernstige bedreiging en in geen geval langer is dan vier maanden. De betrokken lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie binnen de in lid 1 genoemde termijn in kennis."
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iii ter (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 1 ter (nieuw)
iii ter)  het volgende lid 1 ter wordt ingevoegd:
"1 ter. Voor de toepassing van lid 1 bis verstrekt de betrokken lidstaat, naast de uit hoofde van lid 1 verstrekte informatie, een risicobeoordeling waarin:
i)  wordt nagegaan hoelang de vastgestelde bedreiging naar verwachting zal blijven bestaan en welk deel van zijn binnengrenzen is getroffen;
ii)  de alternatieve acties en maatregelen worden geschetst die eerder zijn getroffen om de vastgestelde bedreiging aan te pakken;
iii)  wordt uitgelegd waarom de onder ii) bedoelde alternatieve acties of maatregelen de bedreiging onvoldoende hebben verholpen;
iv)  wordt aangetoond dat de verlenging van het grenstoezicht een uiterste middel is; en
v)  wordt uitgelegd hoe grenstoezicht de vastgestelde bedreiging beter zou helpen aanpakken.
De in de eerste alinea bedoelde risicobeoordeling bevat ook een gedetailleerd verslag van de samenwerking tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat of lidstaten die rechtstreeks door de herinvoering van het grenstoezicht worden geraakt, met inbegrip van de lidstaten waarmee de betrokken lidstaat binnengrenzen deelt waaraan grenstoezicht wordt uitgeoefend.
De Commissie deelt de risicobeoordeling met het agentschap en Europol en kan hen in voorkomend geval verzoeken zich daarover uit te spreken.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 37 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de methode voor de risicobeoordeling vast te stellen."
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iii quater (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 2
iii quater)  lid 2 wordt vervangen door:
2.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad op hetzelfde moment als waarop zij overeenkomstig dat lid ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie wordt gebracht.
2.  De in de leden 1 en 1 ter bedoelde informatie wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad op hetzelfde moment als waarop zij overeenkomstig die leden ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie wordt gebracht.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iii quinquies (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 3
iii quinquies)  lid 3 wordt vervangen door:
3.  Lidstaten die overeenkomstig lid 1 een kennisgeving doen, kunnen, indien nodig en in overeenstemming met het nationale recht, besluiten de informatie gedeeltelijk te rubriceren. Die rubricering van informatie verhindert niet dat de Commissie informatie ter beschikking van het Europees Parlement stelt. De toezending en behandeling van informatie en documenten die uit hoofde van dit artikel aan het Europees Parlement zijn toegezonden, voldoen aan de regels voor het doorsturen en behandelen van gerubriceerde gegevens die tussen het Europees Parlement en de Commissie van toepassing zijn.
"3. Lidstaten die kennisgeving doen, kunnen, indien nodig en in overeenstemming met het nationale recht, alle in de leden 1 en 1 ter bedoelde informatie of delen daarvan rubriceren. Die rubricering verhindert niet dat andere lidstaten die door de tijdelijke herinvoering van de grenscontroles aan de binnengrenzen worden geraakt, via passende en veilige kanalen voor politiële samenwerking toegang hebben tot informatie, en verhindert niet dat de Commissie informatie ter beschikking stelt aan het Europees Parlement. De toezending en behandeling van informatie en documenten die uit hoofde van dit artikel aan het Europees Parlement zijn toegezonden, voldoen aan de regels voor het doorsturen en behandelen van gerubriceerde gegevens die tussen het Europees Parlement en de Commissie van toepassing zijn."
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iv
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 4 – alinea 1
Na de kennisgeving door de betrokken lidstaat op grond van lid 1 en met het oog op het in lid 5 bedoelde overleg, kan de Commissie of een andere lidstaat, onverminderd artikel 72 VWEU, advies uitbrengen.
Na de kennisgeving door de betrokken lidstaat op grond van de leden 1 en 1 bis en met het oog op het in lid 5 bedoelde overleg, kan de Commissie of een andere lidstaat, onverminderd artikel 72 VWEU, advies uitbrengen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iv
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 4 – alinea 2
Indien de Commissie betwijfelt of de geplande herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen noodzakelijk dan wel evenredig is, of indien zij overleg over bepaalde aspecten van de kennisgeving wenselijk acht, brengt zij een advies in die zin uit.
Indien de Commissie op basis van de informatie in de kennisgeving of van aanvullende informatie die zij heeft ontvangen, betwijfelt of de geplande herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen noodzakelijk dan wel evenredig is, of indien zij overleg over een bepaald aspect van de kennisgeving wenselijk acht, brengt zij onverwijld een advies in die zin uit.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt iv
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 4 – alinea 3
Wanneer het grenstoezicht aan de binnengrenzen reeds voor zes maanden is heringevoerd, brengt de Commissie advies uit."
Schrappen
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – punt v
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 – lid 5
Over de in lid 1 bedoelde informatie en over een advies van de Commissie of een lidstaat op grond van lid 4 wordt overleg gepleegd onder leiding van de Commissie. Waar nodig vindt het overleg onder meer plaats tijdens gezamenlijke vergaderingen tussen de lidstaat die het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wil invoeren, de andere lidstaten, in het bijzonder de lidstaten die rechtstreeks door dergelijke maatregelen worden geraakt, en de betrokken agentschappen. De evenredigheid van de voorgenomen maatregelen, de vastgestelde bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, alsook de manieren waarop de uitvoering van de onderlinge samenwerking tussen de lidstaten wordt gewaarborgd, worden onderzocht. De lidstaat die grenstoezicht aan de binnengrenzen wil herinvoeren of verlengen, houdt bij het uitvoeren van het grenstoezicht zoveel mogelijk rekening met de resultaten van dat overleg.
De in de leden 1 en 1 ter bedoelde informatie en de adviezen van de Commissie of lidstaten als bedoeld in lid 4 zijn het onderwerp van een raadpleging. Deze raadpleging omvat:
i)  gezamenlijke vergaderingen tussen de lidstaat die het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw wil invoeren, de andere lidstaten, in het bijzonder de lidstaten die rechtstreeks door dergelijke maatregelen worden geraakt, en de Commissie, welke worden gehouden teneinde tussen de lidstaten, indien nodig, wederzijdse samenwerking te organiseren, na te gaan of de maatregelen in verhouding staan tot de gebeurtenissen die aanleiding geven tot de herinvoering van het grenstoezicht, eventuele alternatieve maatregelen te beoordelen en de bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid te onderzoeken;
ii)  waar nodig, onaangekondigde controles ter plaatse door de Commissie aan de desbetreffende binnengrenzen, zo nodig met steun van deskundigen uit de lidstaten en van het Agentschap, Europol of andere bevoegde organen en instanties van de Unie, om na te gaan in hoeverre het grenstoezicht aan die binnengrenzen doeltreffend is en om de naleving van deze verordening te beoordelen; de verslagen van dergelijke onaangekondigde controles ter plaatse worden aan het Europees Parlement toegezonden.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 bis – titel
Specifieke procedure ingeval de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid langer dan een jaar aanhoudt
Specifieke procedure ingeval de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid langer dan zes maanden aanhoudt
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 bis – lid 1
1.  In uitzonderlijke gevallen, wanneer de lidstaat ook na de in artikel 25, lid 4, eerste zin, bedoelde periode met dezelfde ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid wordt geconfronteerd, en wanneer ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke maatregelen zijn genomen om die bedreiging aan te pakken, kan het grenstoezicht, dat tijdelijk opnieuw is ingevoerd om op die bedreiging te reageren, overeenkomstig dit artikel verder worden verlengd.
1.  In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer de lidstaat ook na de in artikel 27, lid 1 bis, bedoelde periode met dezelfde ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid wordt geconfronteerd, en wanneer ook op het grondgebied vergelijkbare uitzonderlijke maatregelen zijn genomen om die bedreiging aan te pakken, kan het grenstoezicht, dat tijdelijk opnieuw is ingevoerd om op die bedreiging te reageren, overeenkomstig dit artikel verder worden verlengd.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 bis – lid 2
2.  Uiterlijk zes weken vóór het verstrijken van de in artikel 25, lid 4, eerste zin, bedoelde periode stelt de lidstaat de overige lidstaten en de Commissie in kennis van zijn voornemen het toezicht verder te verlengen volgens de in dit artikel vastgestelde specifieke procedure. De kennisgeving bevat de krachtens artikel 27, lid 1, onder a) tot en met e), vereiste informatie. Artikel 27, leden 2 en 3, is van toepassing.
2.  Uiterlijk drie weken vóór het verstrijken van de in artikel 27, lid 1 bis, bedoelde periode stelt de lidstaat de overige lidstaten en de Commissie in kennis van zijn voornemen het toezicht verder te verlengen volgens de in dit artikel vastgestelde specifieke procedure. Deze kennisgeving bevat alle krachtens artikel 27, leden 1 en 1 ter, vereiste informatie. Artikel 27, leden 2 en 3, is van toepassing.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 bis – lid 3
3.  De Commissie brengt advies uit.
3.  De Commissie brengt advies uit over de vraag of de voorgenomen verlenging aan de in de leden 1 en 2 bepaalde vereisten voldoet en of ze noodzakelijk en evenredig is. De betrokken lidstaten kunnen bij de Commissie opmerkingen indienen, alvorens zij haar advies uitbrengt.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 27 bis – lid 4
4.  De Raad kan, rekening houdend met het advies van de Commissie, aanbevelen dat de lidstaat besluit tot een verdere verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor een periode van maximaal zes maanden. Die periode mag ten hoogste driemaal met een bijkomende periode van ten hoogste zes maanden worden verlengd. De Raad vermeldt in de aanbeveling ten minste de in artikel 27, lid 1, onder a) tot en met e), bedoelde informatie. In voorkomend geval bepaalt hij de voorwaarden voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten.
4.  Nadat hij rekening heeft gehouden met het advies van de Commissie, kan de Raad als uiterste middel aanbevelen dat de betrokken lidstaat het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen verder verlengt voor een periode van maximaal zes maanden. De Raad vermeldt in de aanbeveling de in artikel 27, leden 1 en 1 ter, bedoelde informatie en stelt de voorwaarden vast voor samenwerking tussen de betrokken lidstaten.
Amendementen 45 en 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 28 – lid 4
(3 bis)  Artikel 28, lid 4, wordt vervangen door:
4.  Onverminderd artikel 25, lid 4, duurt de totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen is heringevoerd, uitgaande van de eerste termijn overeenkomstig lid 1 van dit artikel en van verlengingen overeenkomstig lid 3 van dit artikel, niet langer dan twee maanden.
"4. De totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen is heringevoerd, duurt, uitgaande van de eerste termijn overeenkomstig lid 1 van dit artikel en van verlengingen overeenkomstig lid 3 van dit artikel, niet langer dan twee maanden."
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 28 bis (nieuw)
(3 ter)  een nieuw artikel 28 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 28 bis
Berekening van de periode gedurende welke het grenstoezicht wordt heringevoerd of verlengd wegens een voorzienbare bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, ingeval de ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid langer dan zes maanden aanhoudt, en in gevallen die onmiddellijk optreden vereisen
Bij de berekening van de in de artikelen 27, 27 bis en 28 bedoelde periodes wordt rekening gehouden met elke herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen die heeft plaatsgevonden vóór ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]."
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 quater (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 29 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
(3 quater)  Aan artikel 29, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"De in artikel 30 bedoelde criteria worden in aanmerking genomen in alle gevallen waarin een besluit wordt overwogen om het grenstoezicht aan de binnengrenzen tijdelijk opnieuw in te voeren of te verlengen uit hoofde van dit artikel."
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 quinquies (nieuw)
Verordening (EU) 2016/399
Artikel 29 – lid 5
(3 quinquies)  in artikel 29 wordt lid 5 vervangen door:
5.  Dit artikel geldt onverminderd de maatregelen die de lidstaten op grond van de artikelen 25, 27 en 28 kunnen vaststellen in geval van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.
"5. Dit artikel geldt onverminderd de maatregelen die de lidstaten op grond van de artikelen 27, 27 bis en 28 kunnen vaststellen in geval van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. De totale periode gedurende welke het grenstoezicht aan de binnengrenzen krachtens dit artikel opnieuw wordt ingevoerd of verlengd, mag echter niet worden verlengd door middel van of gecombineerd met maatregelen die uit hoofde van de artikelen 27, 27 bis of 28 getroffen zijn."
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 bis (nieuw)
Artikel 1 bis
Deze verordening is van toepassing op kennisgevingen die overeenkomstig artikel 27 van de Schengengrenscode met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] door de lidstaten worden gedaan.
Bij de berekening van de in de artikel 28, lid 4, bedoelde periode wordt rekening gehouden met elke nog lopende periode van kennisgeving inzake herinvoering of verlenging van het grenstoezicht aan de binnengrenzen die afloopt vóór ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0356/2018).


Gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten ***I
PDF 256kWORD 46k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (COM(2016)0818 – C8-0531/2016 – 2016/0411(COD))
P8_TA-PROV(2018)0473A8-0150/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0818),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0531/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 juli 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 23 oktober 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0150/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

P8_TC1-COD(2016)0411


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 bevat bepalingen voor de goedkeuring van leaseovereenkomsten, in het bijzonder wet lease-overeenkomsten, voor in derde landen geregistreerde luchtvaartuigen.

(2)  Die overeenkomsten zijn toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld in het geval er op de Uniemarkt geen geschikte luchtvaartuigen beschikbaar zijn. De duur ervan moet strikt worden beperkt en de veiligheidsnormen moeten gelijkwaardig zijn aan de nationaal- en Unierechtelijke veiligheidsregels.

(3)  Op 25 april 2007 is de Overeenkomst voor luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds(4) (Air Transport Agreement - ATA) ondertekend, die vervolgens werd gewijzigd door een protocol van 24 juni 2010. In de ATA verbinden de partijen zich ertoe samen hindernissen voor de toegang tot de markt weg te werken ten voordele van de consumenten, de luchtvaartmaatschappijen, de werkgelegenheid en de gemeenschap aan beide zijden van de Atlantische Oceaan.

(4)  In de ATA wordt voorzien in een open wet lease-regeling tussen de partijen. Volgens de desbetreffende bepalingen in artikel 10 van de ATA zijn wet lease-overeenkomsten voor internationale luchtvaart toegestaan op voorwaarde dat alle partijen bij dergelijke overeenkomsten de vereiste bevoegdheid hebben en beantwoorden aan de voorwaarden die worden gesteld in de wet- en regelgeving die gewoonlijk door de partijen bij de ATA worden toegepast.

(5)  Uit relevante ontwikkelingen en eerdere gesprekken in het door de ATA ingestelde gemengd comité is gebleken dat de partijen bij de ATA baat zouden hebben bij een specifieke wet lease-overeenkomst waarin de relevante bepalingen van de ATA preciezer worden omschreven.

(6)  Omdat een dergelijke wet lease-overeenkomst een versoepeling van de huidige tijdsbeperkingen zou inhouden, zou zij ook gevolgen hebben voor Verordening (EG) nr. 1008/2008, waarin tijdsbeperkingen zijn vastgesteld voor gevallen waarin luchtvaartmaatschappijen uit de Unie wet leasen van luchtvaartmaatschappijen uit derde landen.

(7)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 moet bijgevolg worden gewijzigd zodat de tijdsbeperkingen voor wet lease-overeenkomsten in door de Unie gesloten internationale overeenkomsten met derde landen kunnen worden versoepeld.

(8)  Aangezien de Commissie momenteel een evaluatie uitvoert van Verordening (EG) nr. 1008/2008, met inbegrip van de bepalingen inzake wet lease, en van de mogelijke gevolgen daarvan voor werknemers en consumenten, en aangezien de evaluatie door de Commissie zou kunnen leiden tot een algemene evaluatie van Verordening (EG) nr. 1008/2008, moet deze verordening beperkt blijven tot het in overeenstemming brengen van Verordening (EG) nr. 1008/2008 met de relevante internationale verplichtingen. De internationale wet lease-overeenkomst dient wederzijdse rechten en plichten voor beide partijen te bevatten en dient gebaseerd te zijn op een bestaande overeenkomst voor luchtvervoer.

(9)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 13, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1008/2008 wordt de aanhef vervangen door:"

"aan een van de volgende voorwaarden is voldaan, tenzij anders is bepaald in een door de Unie ondertekende internationale wet lease-overeenkomst die gebaseerd is op een vóór 1 januari 2008 ondertekende overeenkomst inzake luchtvervoer waarbij de Unie partij is:"

"

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 126.
(2)PB C 345 van 13.10.2017, blz. 126.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 29 november 2018.
(4) PB L 134 van 25.5.2007, blz. 4.


Autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat
PDF 287kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) (D058762/01 – 2018/2929(RSP))
P8_TA-PROV(2018)0474B8-0548/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) (D058762/01),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie(1) ("de Reach-verordening"), en met name artikel 64, lid 8,

–  gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC)(2), overeenkomstig artikel 64, lid 5, derde alinea, van de Reach-verordening,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(3),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat natriumdichromaat in bijlage XIV bij de Reach-verordening is opgenomen wegens drie intrinsieke eigenschappen: kankerverwekkendheid, mutageniteit en voortplantingstoxiciteit (categorie 1B); overwegende dat natriumdichromaat in 2008 aan de kandidatenlijst van de Reach-verordening is toegevoegd(4) omdat het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad(5) is ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen en giftig voor de voortplanting (categorie 1B);

B.  overwegende dat de moleculaire entiteit die natriumdichromaat kankerverwekkend maakt, het chroom (VI) bevattende ion is dat vrijkomt wanneer natriumdichromaat oplost en ontbindt; overwegende dat chroom (VI) bij inademing longtumoren bij mens en dier veroorzaakt en bij orale inname tumoren van het maagdarmkanaal bij dieren veroorzaakt;

C.  overwegende dat natriumdichromaat reeds in 1997 in het kader van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad(6) is aangemerkt als prioriteitsstof voor beoordeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 143/97 van de Commissie(7); overwegende dat de Commissie in 2008 een aanbeveling(8) heeft gedaan om het risico van blootstelling aan natriumdichromaat te beperken;

D.  overwegende dat Ilario Ormezzano Sai S.R.L. (de aanvrager) een aanvraag heeft ingediend voor een autorisatie voor het gebruik van natriumdichromaat bij het verven van wol; overwegende dat de aanvraag in de adviezen van het RAC en het SEAC wordt beschreven als een "upstream"-aanvraag; overwegende dat de aanvrager natriumdichromaat levert aan elf downstreamgebruikers die hetzij de verf produceren, hetzij zelf ververijen zijn;

E.  overwegende dat de Reach-verordening tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten; overwegende dat in het licht van overweging (16) in de preambule van de verordening, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie(9), de eerste van die drie doelstellingen het hoofddoel van de Reach-verordening is;

F.  overwegende dat de Reach-verordening niet voorziet in een speciale autorisatieregeling voor zogenaamde "upstream"-aanvragen; overwegende dat elke aanvrager van een autorisatie, ongeacht zijn rol of niveau in de toeleveringsketen, de in artikel 62 van de Reach-verordening genoemde informatie moet verstrekken;

G.  overwegende dat het RAC heeft bevestigd dat het niet mogelijk is een afgeleide dosis zonder effect voor de carcinogene eigenschappen van natriumdichromaat te bepalen, en dat natriumdichromaat daarom voor de toepassing van artikel 60, lid 3, onder a), van de Reach-verordening als "stof zonder drempelwaarde" wordt beschouwd; overwegende dat dit betekent dat er voor deze stof geen theoretisch "veilig niveau van blootstelling" kan worden bepaald of worden gebruikt als benchmark om te beoordelen of het risico van het gebruik ervan afdoende wordt beheerst;

H.  overwegende dat overweging (70) van de Reach-verordening luidt: "voor elke andere stof waarvoor het niet mogelijk is een veilig blootstellingsniveau vast te stellen, moeten altijd maatregelen worden genomen om, voor zover technisch en praktisch mogelijk, de blootstelling en de emissies tot een minimum te beperken om de kans op nadelige effecten te minimaliseren";

I.  overwegende dat het RAC tot de conclusie is gekomen dat de in de aanvraag beschreven operationele omstandigheden en risicobeheersmaatregelen niet passend en niet doeltreffend zijn om het risico te beperken(10);

J.  overwegende dat artikel 55 van de Reach-verordening bepaalt dat de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen door veiliger alternatieve stoffen of technieken een centrale doelstelling van het hoofdstuk over autorisatie is;

K.  overwegende dat artikel 64, lid 4, van de Reach-verordening bepaalt dat het SEAC tot taak heeft "de beschikbaarheid, geschiktheid en technische haalbaarheid van alternatieven, in verband met de in de aanvraag beschreven vormen van gebruik van de stof" en "de bijdragen van elke derde partij, conform lid 2 van dit artikel" te beoordelen;

L.  overwegende dat artikel 62, lid 4, onder e), van de Reach-verordening bepaalt dat de aanvrager van een autorisatie "een analyse van de alternatieven waarin de risico's van die alternatieven en de technische en economische haalbaarheid van vervanging worden beoordeeld" moet verstrekken;

M.  overwegende dat artikel 60, lid 4, van de Reach-verordening bepaalt dat een autorisatie voor het gebruik van een stof waarvan de risico's niet afdoende worden beheerst, alleen kan worden verleend als er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn;

N.  overwegende dat het SEAC veel tekortkomingen in de autorisatieaanvraag heeft vastgesteld met betrekking tot de analyse van alternatieven; overwegende dat de aanvrager volgens het SEAC belangrijke kwesties zodanig heeft veronachtzaamd dat dit "de beoordeling van de technische haalbaarheid door het comité in de weg stond", en dat de aanvrager een aantal belangrijke aspecten, zoals de economische haalbaarheid van alternatieven, slechts "kort heeft behandeld"(11);

O.  overwegende dat het voornaamste argument dat de aanvrager gebruikte om te concluderen dat er geen geschikte alternatieven waren, was dat de klanten (d.w.z. fabrikanten van of detailhandelaren in kleding) de kwaliteit van de kleur van het textiel niet zouden accepteren als dat met een alternatief werd geverfd;

P.  overwegende dat de vermeende eisen van de klanten echter niet met enig bewijs zijn gestaafd en dat het onduidelijk is of de "voorkeur van de klanten" is aangevoerd in het volle besef van de risico's van natriumdichromaat(12);

Q.  overwegende dat het SEAC bovendien, ondanks verdere navraag bij de aanvrager, opmerkt dat het nog steeds enigszins subjectief en onzeker blijft of een alternatief product uiteindelijk door de klanten van de downstreamgebruikers zal worden aanvaard"(13), en dat het SEAC in zijn conclusie stelt dat "het comité na de welkome verduidelijkingen van de aanvrager nog steeds een aantal onzekerheden in de analyse aantreft";

R.  overwegende dat het SEAC, ondanks deze lacunes en onzekerheden in de aanvraag, tot de conclusie is gekomen dat er geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn en louter stelt dat deze onzekerheden "inherent zijn aan dit soort gebruik (discussies over productkwaliteit kunnen worden vertroebeld door de subjectiviteit van modetrends en de esthetische smaak van de consument)"(14);

S.  overwegende dat in dit verband uit het advies van het SEAC blijkt dat de aanvrager geen uitgebreide analyse heeft verstrekt van de alternatieven die op de markt beschikbaar zijn om natriumdichromaat te vervangen voor de soorten gebruik waarvoor de aanvraag is ingediend, maar dat daar niet de juiste conclusies uit zijn getrokken;

T.  overwegende dat dit resultaat niet te rijmen valt met het feit dat er al vele jaren alternatieven beschikbaar zijn(15), dat toonaangevende modemerken een bijdrage leveren aan de "roadmap to zero" van het ZDHC-programma, die het gebruik van chroom (VI) in de textielproductie niet toestaat(16), en dat sommige textielbedrijven een uitdrukkelijk beleid hebben dat het gebruik van chroom (VI) niet toestaat, bv. H&M(17) alsook exclusieve modebedrijven zoals Armani(18) en Lanificio Ermenegildo Zegna(19);

U.  overwegende dat alleen Gruppo Colle en Ormezzano een autorisatie voor chroomkleurstoffen in het kader van de Reach-verordening hebben aangevraagd;

V.  overwegende dat de Reach-verordening de bewijslast legt bij de aanvrager van de autorisatie, die moet aantonen dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een autorisatie is voldaan; overwegende dat het SEAC tot taak heeft "wetenschappelijke adviezen, gebaseerd op de beginselen van deskundigheid, transparantie en onafhankelijkheid" te verstrekken, hetgeen "een belangrijke procedurele waarborg is om de wetenschappelijke objectiviteit van de maatregelen te garanderen en te vermijden dat arbitraire maatregelen worden genomen"(20);

W.  overwegende dat het niet duidelijk is waarom het SEAC, ondanks de geconstateerde tekortkomingen of onzekerheden met betrekking tot de analyse van alternatieven, heeft geconcludeerd dat er voldoende informatie beschikbaar was om tot een conclusie te komen over de geschiktheid van de alternatieven; overwegende dat het evenmin duidelijk is waarom beweringen over subjectieve voorkeuren niet zijn verworpen, hoewel daar geen gedetailleerd, objectief en controleerbaar bewijs voor was, en waarom deze beweringen niet zijn getoetst aan de beste marktpraktijk;

X.  overwegende dat het onaanvaardbaar is om, hoewel er alternatieven voor natriumchromaat beschikbaar zijn, potentieel talrijke gevallen van onvruchtbaarheid, kanker en mutagene effecten te tolereren op basis van de veronderstelling dat kledingfabrikanten wegens hun subjectieve "smaak" geen alternatieven accepteren;

Y.  overwegende dat een dergelijke interpretatie van het begrip alternatieven en het van de aanvrager verlangde bewijsniveau niet stroken met de doelstelling om zeer zorgwekkende stoffen door alternatieven te vervangen, noch met de hoofddoelstelling van de Reach-verordening om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te waarborgen;

Z.  overwegende dat de Commissie weet dat er geschikte alternatieven beschikbaar zijn, met name dankzij de informatie die is verstrekt tijdens de openbare raadpleging en de trialoog(21) die het Europees Agentschap voor chemische stoffen in de context van de zaak Gruppo Colle(22) heeft georganiseerd;

AA.  overwegende dat de Commissie cruciale informatie uit dit parallelle geval, waaruit blijkt dat er geschikte alternatieven beschikbaar zijn, niet mag negeren;

AB.  overwegende dat artikel 61, lid 2, onder b), van de Reach-verordening de Commissie de bevoegdheid geeft om een autorisatie op elk moment opnieuw te beoordelen indien er "nieuwe informatie over mogelijke vervangingsmiddelen beschikbaar komt";

AC.  overwegende dat het verlenen van een autorisatie voor het gebruik van een stof zonder drempelwaarde voor aanvragen waarbij duidelijk geweten is dat er alternatieven beschikbaar zijn, niet strookt met de voorwaarden die in de bepalingen van de Reach-verordening zijn vastgesteld, en dat dit achterblijvers ten onrechte zou belonen en een gevaarlijk precedent zou scheppen voor toekomstige autorisatiebesluiten in het kader van de Reach-verordening;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1907/2006 omdat niet wordt voldaan aan de in die verordening gestelde voorwaarden voor het verlenen van een autorisatie;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen waarin de autorisatieaanvraag voor bepaalde vormen van gebruik van natriumdichromaat (Ilario Ormezzano Sai S.R.L.) wordt verworpen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3);Advies over Repackaging of sodium dichromate to be supplied as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3).
(3) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(4) Europees Agentschap voor chemische stoffen, Besluit van de uitvoerend directeur van 28 oktober 2008 betreffende de opname van zeer zorgwekkende stoffen in de lijst van kandidaatstoffen.
(5) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(6) Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen (PB L 84 van 5.4.1993, blz. 1).
(7) Verordening (EG) nr. 143/97 van de Commissie van 27 januari 1997 betreffende de derde lijst van prioriteitsstoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad (PB L 25 van 28.1.1997, blz. 13).
(8) Aanbeveling van de Commissie van 30 mei 2008 betreffende risicoreductiemaatregelen voor de stoffen natriumchromaat, natriumdichromaat en 2,2′,6,6′-tetrabroom-4,4′-isopropylideendifenol (tetrabroombisfenol A) (PB L 158 van 18.6.2008, blz. 62).
(9) Zaak C-558/07, S.P.C.M. SA e.a. tegen Secretary of State for the Environment, Food and Rural Affairs, ECLI:EU:C:2009:430, § 45.
(10) Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 19, vraag 6.
(11) Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 24-25.
(12) De analyse van alternatieven door de aanvrager is beschikbaar op: https://echa.europa.eu/documents/10162/88b2f393-17cf-465e-95eb-ba07282ba400
(13) Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 24.
(14) Advies over Use of sodium dichromate as a mordant in the dyeing of wool as sliver and/or yarn with dark colours in industrial settings (EG-nr. 234-190-3), blz. 26.
(15) Zie https://marketplace.chemsec.org/Alternative/LANASOL-CE-pioneering-replacement-of-chrome-dyes-since-20-years-44
(16) Zie https://www.roadmaptozero.com/mrsl_online/
(17) Zie H&M Group Chemical Restrictions 2018 Manufacturing Restricted Substances List (MRSL).
(18) Zie Armani's Restricted Substances List Version 9 – Effective as of the Season SS 18.
(19) Zie presentatie van Huntsman getiteld "Turning risks into opportunities – How to dye wool sustainably" (blz. 18).
(20) Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 11 september 2002, Pfizer Animal Health SA tegen Raad van de Europese Unie, Zaak T-13/99, ECLI:EU:T:2002:209.
(21) Zoals uitgelegd in het advies van het RAC en het SEAC in de zaak Gruppo Colle: Use of sodium dichromate as mordant in wool dyeing (EG-nr. 234-190-3) (op blz. 21 worden twee alternatieven genoemd: Lanasol en Realan).
(22) ECHA, goedgekeurde adviezen en eerdere raadplegingen over aanvragen voor autorisatie – Gruppo Colle. S.r.l. – Use of sodium dichromate as mordant in wool dyeing (EG-nr. 234-190-3).


Het Cum Ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader
PDF 184kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader (2018/2900(RSP))
P8_TA-PROV(2018)0475RC-B8-0551/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de onthullingen over cum-ex die op 18 oktober 2018 zijn gedaan door een consortium van onderzoeksjournalisten onder leiding van de Duitse non-profitmediaorganisatie Correctiv,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(1) (de "ESMA-verordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit nr. 2009/78/EG van de Commissie(2) (de "EBA-verordening"),

–  gezien Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (DAC2)(3),

–  gezien Richtlijn 2018/822/EU van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (DAC6)(4),

–  gezien de vierde onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag met betrekking tot het schandaal, die in juni 2017 met een verslag(5) is gekomen,

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2015(6) en 6 juli 2016(7) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(8),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(9),

–  gezien zijn besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3)(10),

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 23 oktober 2018 over het cum-ex-schandaal,

–  gezien de gezamenlijke vergadering van de Commissie ECON en de Commissie TAX3 op 26 november 2018,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat "cum-ex" en "cum-cum" – of constructies voor handel in dividendarbitrage – staat voor handel in aandelen met als doel de identiteit van de eigenaar van de aandelen te verhullen en beide of meerdere partijen in staat stellen restitutie van (een deel van) de bronbelasting op vermogenswinstbelasting te vragen terwijl deze slechts één keer is betaald;

B.  overwegende dat het cum-ex-schandaal aan het licht is gebracht door een collaboratief onderzoek in 12 landen door in totaal 38 journalisten van 19 Europese media;

C.  overwegende dat volgens de berichtgeving 11 lidstaten door de cum-ex- en cum-cum-constructies in totaal wel 55,2 miljard EUR aan belastinginkomsten zijn misgelopen;

D.  overwegende dat het evenwel moeilijk is om de maximale schade te berekenen omdat veel praktijken al aan het einde van de jaren negentig zijn begonnen en al lang verjaard zijn;

E.  overwegende dat het onderzoek van het consortium van Europese journalisten Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië en Frankrijk als vermeende belangrijkste doelmarkten voor cum-ex-handelspraktijken aanwijst, gevolgd door Noorwegen, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië, en overwegende dat een onbekend aantal EU-lidstaten mogelijk bij deze praktijken betrokken is, evenals landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (zoals Zwitserland);

F.  overwegende dat het onderzoek in de zwaarst getroffen EU-lidstaten nog steeds loopt;

G.  overwegende dat cum-ex- en cum-cum-constructies een aantal kenmerken hebben van belastingfraude, en dat moet worden nagegaan of er inbreuk is gepleegd op de nationale of de EU-wetgeving;

H.  overwegende dat bij deze criminele activiteiten volgens de berichtgeving financiële instellingen uit EU-lidstaten zijn betrokken, waaronder enkele bekende grote commerciële banken;

I.  overwegende dat de bevoegde autoriteiten in sommige gevallen geen grondig onderzoek hebben gevoerd naar aanleiding van de informatie over de cum-ex-onthullingen die vanuit andere lidstaten is gedeeld;

J.  overwegende dat het feit dat buitenlandse beleggers om restitutie van de ingehouden bronbelasting op dividend mogen verzoeken, een belangrijke rol speelt in de onthullingen;

K.  overwegende dat de EU-lidstaten uit hoofde van de tweede richtlijn inzake administratieve samenwerking (DAC2) sinds september 2017 verplicht zijn jaarlijks inlichtingen op te vragen bij hun financiële instellingen en deze inlichtingen te delen met de lidstaat waar de belastingbetaler woont;

L.  overwegende dat elke persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de van tevoren vastgestelde wezenskenmerken bezit, ontwikkelt, in de handel brengt, organiseert of voor implementatie beschikbaar stelt, of de implementatie daarvan beheert, uit hoofde van de zesde richtlijn inzake administratieve samenwerking (DAC6) verplicht is die constructie aan de nationale belastingautoriteiten te melden;

M.  overwegende dat het mandaat van de Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3) uitdrukkelijk betrekking heeft op relevante ontwikkelingen die zich tijdens haar mandaatsperiode voordoen;

N.  overwegende dat klokkenluiders de afgelopen 25 jaar een belangrijke rol hebben gespeeld bij het aan het licht brengen van gevoelige informatie die essentieel is voor het algemeen belang, hetgeen ook is gebleken bij de cum-ex-onthullingen(11);

1.  veroordeelt met klem de aan het licht gebrachte belastingfraude en belastingontwijking, waardoor de lidstaten volgens berichten in een aantal media in totaal naar schatting wel 55,2 miljard EUR aan belastinginkomsten zijn misgelopen, hetgeen een klap voor de Europese sociale markteconomie betekent;

2.  wijst erop dat volgens de antiwitwasrichtlijn van de EU(12) "fiscale misdrijven" met betrekking tot directe en indirecte belastingen onder de brede definitie van "criminele activiteiten" vallen en worden beschouwd als basisdelicten voor het witwassen van geld; herinnert eraan dat zowel kredietinstellingen en financiële instellingen als belastingadviseurs, accountants en advocaten in het kader van de antiwitwasrichtlijn als "meldingsplichtige entiteiten" worden beschouwd en dat zij derhalve een reeks verplichtingen moeten nakomen om witwasactiviteiten te voorkomen, op te sporen en te melden;

3.  wijst erop dat het cum-ex-schandaal het vertrouwen van de burger in de belastingstelsels heeft geschaad, en benadrukt hoe belangrijk het is om het publieke vertrouwen te herstellen en ervoor te zorgen dat de aangerichte schade niet nogmaals wordt berokkend;

4.  betreurt dat de voor belastingheffing verantwoordelijke commissaris niet onderkent dat het noodzakelijk is om het bestaande systeem voor de informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten uit te breiden;

5.  verzoekt de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Bankautoriteit (EBA) een onderzoek in te stellen naar constructies voor handel in dividendarbitrage zoals cum-ex of cum-cum, teneinde mogelijke bedreigingen voor de integriteit van de financiële markten en voor nationale begrotingen te beoordelen, de aard en de omvang van de actoren in deze constructies vast te stellen, na te gaan of er inbreuk is gepleegd op de nationale of de EU-wetgeving, de maatregelen van de financiële toezichthouders in de lidstaten te beoordelen, en de bevoegde autoriteiten passende aanbevelingen voor hervormingen en maatregelen te doen;

6.  onderstreept dat de gedane onthullingen niet van invloed zijn op de stabiliteit van het financiële systeem van de Unie;

7.  beveelt aan dat in dit onderzoek wordt vastgesteld wat er fout is gelopen bij de coördinatie- en toezichtstaken van de financiële toezichthouders en de beurs- en belastingautoriteiten in de lidstaten, waardoor deze regelingen waarmee belastinggeld werd gestolen jaren konden worden voortgezet, ondanks het feit dat ze waren geïdentificeerd;

8.  verlangt dat nationale en Europese toezichthoudende autoriteiten een mandaat krijgen om belastingontwijkingspraktijken onder de loep te nemen, aangezien deze praktijken een risico voor de financiële stabiliteit en de integriteit van de interne markt kunnen vormen;

9.  onderstreept dat deze nieuwe onthullingen lijken te wijzen op mogelijke tekortkomingen in nationale belastingwetgeving en in de huidige systemen voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten; vraagt de lidstaten effectief uitvoering te geven aan de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied;

10.  dringt erop aan de informatie-uitwisseling tussen belastingautoriteiten te versterken om kwesties met fiscale geheimhoudingsplicht die we in sommige lidstaten hebben gezien, te voorkomen;

11.  dringt er bij de belastingautoriteiten van alle lidstaten op aan om, in overeenstemming met de Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration van de OESO, centrale contactpunten aan te wijzen, en verzoekt de Commissie samenwerking tussen de lidstaten te garanderen en te vergemakkelijken om ervoor te zorgen dat informatie over gevallen met grensoverschrijdende relevantie snel en efficiënt tussen de lidstaten wordt gedeeld;

12.  dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan om, indien nodig, vervolging in te stellen, rechtsmiddelen in te zetten om verdachte activa te bevriezen, onderzoeken in te stellen naar raden van bestuur die mogelijk bij het schandaal betrokken waren, en passende en afschrikkende sancties op te leggen aan de betrokkenen; is van mening dat zowel de daders van deze misdrijven als degenen die deze misdrijven mee mogelijk hebben gemaakt, onder wie niet alleen belastingadviseurs, maar ook advocaten, accountants en banken, voor de rechter moeten worden gebracht; benadrukt dat er dringend een einde moet worden gemaakt aan de straffeloosheid ten aanzien van witteboordencriminaliteit en dat de financiële regelgeving dringend beter moet worden gehandhaafd;

13.  dringt er bij de EU en de autoriteiten van de lidstaten op aan om de rol die verzekeringsfondsen en toezichthouders op verzekeringsfondsen in het schandaal hebben gespeeld, te onderzoeken;

14.  verzoekt de nationale belastingautoriteiten het potentieel van de DAC6 wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, met inbegrip van het gebruik van gegroepeerde aanvragen, ten volle te benutten; vraagt voorts dat de DAC6 wordt aangescherpt zodat dividendarbitrageconstructies en alle informatie over kapitaalwinsten, met inbegrip van restitutie van belastingen op dividenden en kapitaalwinsten, verplicht openbaar moeten worden gemaakt;

14.  Calls on national tax authorities to reap the full potential of DAC6 with regard to the mandatory automatic exchange of information in the field of taxation in relation to reportable cross-border arrangements, including the use of group requests; calls, furthermore, for DAC6 to be strengthened in order to require the mandatory disclosure of dividend arbitrage schemes and all information on capital gains, including the granting of dividend and capital gains tax refunds;

15.  vraagt alle lidstaten die naar verluidt de voornaamste doelmarkten voor handel in dividendarbitrage zijn, de praktijk rond dividendbetalingen in hun rechtsgebied grondig te onderzoeken en te analyseren, in kaart te brengen welke mazen in hun belastingwetgeving mogelijkheden creëren voor misbruik door belastingfraudeurs en belastingontwijkers, mogelijke grensoverschrijdende aspecten van deze praktijken te analyseren en een einde te maken aan al deze schadelijke belastingpraktijken;

16.  benadrukt dat een gecoördineerd optreden van de nationale autoriteiten nodig is om te waarborgen dat alle middelen die op onwettige wijze uit de staatskassen zijn verkregen, worden teruggevorderd;

17.  vraagt de Commissie bilaterale overeenkomsten inzake belastingheffing tussen lidstaten en met derde landen te beoordelen en vraagt de lidstaten deze overeenkomsten te herzien en te actualiseren om mazen te dichten die aanzetten tot fiscaal geïnspireerde handelspraktijken met het oog op belastingontwijking;

18.  dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk werk te maken van een voorstel voor een Europese financiële politie binnen het kader van Europol met eigen opsporingscapaciteiten, alsook van een Europees kader voor grensoverschrijdend belastingonderzoek;

19.  vraagt de Commissie de richtlijn betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten te herzien om dividendarbitragepraktijken aan te pakken;

20.  vraagt de Commissie de rol van de in de cum-ex-papers aan het licht gebrachte special purpose vehicles (SPV's) en special purpose entities (SPE's) te beoordelen en zo nodig voor te stellen om het gebruik van deze instrumenten aan banden te leggen;

21.  verzoekt de Commissie met klem na te denken over de noodzaak van een Europees kader voor de belasting op kapitaalinkomsten, dat de stimuli wegneemt die grensoverschrijdende financiële stromen destabiliseren, die leiden tot fiscale concurrentie tussen de lidstaten en de belastinggrondslagen ondermijnen die de houdbaarheid van de Europese welzijnsstaten waarborgen;

22.  dringt er bij de Commissie op aan te overwegen een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een financiële-inlichtingeneenheid van de EU, een Europese hub voor gezamenlijke onderzoekswerkzaamheden en een systeem van vroegtijdige waarschuwing;

23.  betreurt het dat de crisis van 2008 heeft geresulteerd in stelselmatige bezuinigingen op middelen en personeel bij de belastingdiensten; verzoekt de lidstaten te investeren in de instrumenten waarover de belastingautoriteiten beschikken, deze instrumenten te moderniseren en de nodige personele middelen toe te wijzen om het toezicht te verbeteren en de tijds- en informatiekloof te verkleinen; dringt er bij de lidstaten op aan de capaciteiten en vaardigheden van hun financiële autoriteiten te verbeteren om ervoor te zorgen dat zij volledig toegerust zijn om belastingfraude op te sporen;

24.  benadrukt dat klokkenluiders, die informatie over bijvoorbeeld belastingfraude en belastingontduiking op nationaal en EU-niveau openbaar maken, moeten worden beschermd; roept iedereen die over informatie beschikt die waardevol is voor het publieke belang, op dit te melden – intern, extern bij de nationale autoriteiten of, indien nodig, rechtstreeks aan het publiek; dringt erop aan dat het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden snel wordt goedgekeurd, met inachtneming van de adviezen van de verschillende commissies van het Europees Parlement;

25.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie van 12 september 2018 om, samen met andere verordeningen, de verordening tot oprichting van de EBA te wijzigen, teneinde de EBA een grotere rol te geven bij het antiwitwastoezicht op de financiële sector (COM(2018)0646); benadrukt dat de ECB overeenkomstig het gemeenschappelijk toezichtmechanisme tot taak heeft vroegtijdige-interventiemaatregelen zoals vastgesteld in het betreffende Unierecht ten uitvoer te leggen; is van mening dat de ECB een rol moet spelen bij het waarschuwen van de bevoegde nationale autoriteiten en eventuele maatregelen moet coördineren als er vermoedens zijn dat gecontroleerde banken of groepen de antiwitwasregels niet naleven;

26.  is van mening dat de werkzaamheden van de Commissies TAXE, TAX2, PANA en TAX3 tijdens de volgende zittingsperiode moeten worden voortgezet in een permanente structuur binnen het Parlement, bijvoorbeeld een subcommissie van de Commissie economische en monetaire zaken (ECON);

27.  verzoekt de Bijzondere Commissie TAX3 de cum-ex-onthullingen aan een eigen beoordeling te onderwerpen en de resultaten daarvan, alsook eventuele aanbevelingen ter zake, in haar eindverslag op te nemen;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten.

(1) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.
(3) PB L 359 van 20.11.2010, blz. 1.
(4) PB L 139 van 20.11.2010, blz. 1.
(5) Deutscher Bundestag, Drucksache 18/12700, 20.6.2017
(6) PB L 366 van 20.11.2010, blz. 51.
(7) PB L 101 van 20.11.2010, blz. 79.
(8) PB L 399 van 20.11.2010, blz. 74.
(9) PB L 369 van 20.11.2010, blz. 132.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0048.
(11) Hoorzitting van de Commissie ECON en de Commissie TAX3 van het Europees Parlement van 26 november 2018 over het cum-ex-schandaal: vermogenscriminaliteit en achterpoortjes in het bestaande wettelijke kader.
(12) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.


De rol van de Duitse dienst voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen
PDF 186kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen (2018/2856(RSP))
P8_TA-PROV(2018)0476B8-0546/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 81, lid 3, van het VWEU,

–  gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 24,

–  gezien de artikelen 8 en 20 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, waarin regeringen gewezen worden op hun verplichting de identiteit van een kind te beschermen, met inbegrip van de familiebetrekkingen,

–  gelet op het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963, met name artikel 37, onder b,

–  gezien het gezien het Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II bis)(1), en met name de artikelen 8, 10, 15, 16, 21, 41, 55 en 57,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ("de betekening en de kennisgeving van stukken"), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 februari 2011 over een EU-agenda voor de rechten van het kind (COM(2011)0060),

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), met name zijn arrest van 22 december 2010 in zaak C-497/10 PPU, Mercredi/Chaffe(3), en van 2 april 2009 in zaak C-523/07, rechtsgeding aangespannen door A(4),

–  gezien de door het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie in kaart gebrachte kinderbeschermingsstelsels,

–  gezien het zeer grote aantal verzoekschriften dat is ontvangen over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in grensoverschrijdende familiegeschillen,

–  gezien de aanbevelingen in het verslag van het informatiebezoek aan Duitsland (23-24 november 2011) in verband met het onderzoek van verzoekschriften over de rol van het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over het veiligstellen van de belangen van het kind in de gehele EU op basis van verzoekschriften die gericht zijn aan het Europees Parlement(5),

–  gezien de aanbevelingen van de Werkgroep over kwesties in verband met kinderwelzijn van de Commissie verzoekschriften van 3 mei 2017,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften van het Parlement al meer dan tien jaar lang verzoekschriften ontvangt waarin een zeer groot aantal niet-Duitse ouders klaagt over systematische discriminatie en willekeurige maatregelen door het Duitse bureau voor jeugdzorg (Jugendamt) in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij kinderen betrokken zijn, waaronder kwesties in verband met ouderlijke macht en voogdij;

B.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften zich voornamelijk baseert op het subjectieve verslag van de indiener en gewoonlijk geen toegang heeft tot rechterlijke beslissingen, die een volledige en objectieve beschrijving van de situatie geven, met getuigenissen zowel van de ouders als van de kinderen en van getuigen;

C.  overwegende dat het Jugendamt een belangrijke rol speelt in het Duitse familierechtstelsel, daar het een van de partijen is bij alle familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

D.  overwegende dat het Jugendamt in familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn, een aanbeveling aan de rechter doet die in de praktijk van bindende aard is, en dat het voorlopige maatregelen kan treffen, zoals "Beistandschaft" (rechtsbijstand), waartegen geen beroep kan worden aangetekend;

E.  overwegende dat het Jugendamt verantwoordelijk is voor de uitvoering van de beslissingen die de Duitse rechter heeft genomen; overwegende dat de ruime interpretatie van deze beslissingen door het Jugendamt volgens indieners vaak schadelijk is gebleken wat de doeltreffende bescherming van de rechten van niet-Duitse ouders betreft;

F.  overwegende dat het niet erkennen of ten uitvoer leggen door de bevoegde Duitse autoriteiten van beslissingen en uitspraken van gerechtelijke autoriteiten van andere EU-lidstaten in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij kinderen betrokken zijn, een inbreuk kan betekenen op het beginsel van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen tussen lidstaten, waardoor de doeltreffende bescherming van de belangen van het kind in gevaar komt;

G.  overwegende dat indieners klagen over het feit dat de bescherming van de belangen van het kind in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen door de bevoegde Duitse autoriteiten systematisch zo wordt geïnterpreteerd dat kinderen hoe dan ook op Duits grondgebied moeten blijven, ook in gevallen waarin sprake is van mishandeling van en huiselijk geweld tegen de niet-Duitse ouder;

H.  overwegende dat niet-Duitse ouders in hun verzoekschriften klagen over het feit dat zij onvoldoende of geen advies en rechtsbijstand van de nationale autoriteiten van hun land van herkomst hebben gekregen in gevallen waarin de Duitse autoriteiten, waaronder het Jugendamt, bij familiegeschillen waarbij kinderen zijn betrokken, juridische en administratieve procedures tegen hen aanspanden die discriminerend of ongunstig zouden zijn;

I.  overwegende dat volgens de informatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, bij het Hof 17 zaken door niet-Duitse indieners van verzoekschriften tegen Duitsland aanhangig zijn gemaakt over ouderlijke verantwoordelijkheid of voogdij bij grensoverschrijdende familiegeschillen, die alle niet-ontvankelijk zijn verklaard;

J.  overwegende dat alle EU-instellingen en lidstaten de bescherming van de rechten van het kind zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten volledig moeten waarborgen; overwegende dat de belangen van het kind, die in de eerste plaats en het best binnen het eigen gezin zijn gediend, een fundamenteel beginsel vormen dat bij alle beslissingen in verband met jeugdzorg op alle niveaus in acht moet worden genomen;

K.  overwegende dat de toegenomen mobiliteit binnen de EU geleid heeft tot een groeiend aantal grensoverschrijdende geschillen over ouderlijke macht en voogdij over kinderen; overwegende dat de Commissie zich meer moet inspannen voor een consequente en concrete toepassing in alle lidstaten, met inbegrip van Duitsland, van de beginselen die zijn neergelegd in het VN-Verdrag over de rechten van het kind, dat door alle EU‑lidstaten is geratificeerd;

L.  overwegende dat het toepassingsgebied en de doelstellingen van de Brussel II bis-verordening zijn gebaseerd op het beginsel van niet-discriminatie op grond van nationaliteit tussen burgers van de Unie en op het beginsel van wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsels;

M.  overwegende dat de bepalingen van de Brussel II bis-verordening op geen enkele manier ruimte mogen bieden voor misbruik van de onderliggende doelstellingen ervan, namelijk wederzijdse eerbiediging en erkenning, voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit en – in de allereerste plaats – werkelijke bescherming van de belangen van het kind op een objectieve manier;

N.  overwegende dat het ontbreken van nauwlettend en uitvoerig toezicht op de niet-discriminerende aard van de procedures en methodes die worden toegepast door de bevoegde Duitse autoriteiten bij familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen waarbij kinderen betrokken zijn, een desastreuze impact kan hebben op het welzijn van kinderen en kan leiden tot meer schendingen van de rechten van niet-Duitse ouders;

O.  overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is in alle kwesties in verband met het materiële familierecht;

P.  overwegende dat het Duitse federale constitutionele hof (Bundesverfassungsgericht) heeft bepaald dat een rechtbank kan verzoeken een kind dat op het moment van de beslissing nog geen drie jaar oud is, te horen; overwegende dat kinderen van deze leeftijd in andere EU-lidstaten te jong worden geacht en niet in staat om te worden geraadpleegd over aangelegenheden waarbij hun ouders betrokken zijn;

Q.  overwegende dat het recht van het kind op een gezinsleven niet in het gedrang mag komen door de uitoefening van een grondrecht, zoals de vrijheid van verkeer en van verblijf;

R.  overwegende dat de jurisprudentie van het HvJ-EU het autonome begrip van de "gewone verblijfplaats" van het kind in de EU-wetgeving heeft ingevoerd, evenals de reeks criteria die door de nationale rechter moet worden toegepast om de gewone verblijfplaats te bepalen;

S.  overwegende dat kinderen uit hoofde van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de EU, tenzij dit tegen hun belangen indruist, het recht hebben regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met hun beide ouders te onderhouden wanneer hun ouders gebruik maken van hun recht van vrij verkeer;

1.  merkt met grote bezorgdheid op dat de problemen in verband met het Duitse familierechtstelsel, met inbegrip van de controversiële rol van het Jugendamt, die in verzoekschriften van niet-Duitse ouders aan de kaak worden gesteld, nog steeds niet zijn opgelost; benadrukt dat de Commissie verzoekschriften voortdurend verzoekschriften van niet-Duitse ouders ontvangt waarin melding wordt gedaan van ernstige discriminatie als gevolg van de procedures en methodes die de bevoegde Duitse autoriteiten toepassen in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

2.  neemt met bezorgdheid kennis van alle gevallen waar discriminatie zou hebben plaatsgehad van niet-Duitse ouders door het Jugendamt;

3.  wijst erop dat de Commissie verzoekschriften zich sinds jaar en dag buigt over verzoekschriften betreffende de rol van het Jugendamt; neemt nota van de antwoorden van het bevoegde Duitse ministerie over de werking van het Duitse familierechtstelsel, maar benadrukt dat de Commissie verzoekschriften voortdurend verzoekschriften ontvangt over veronderstelde discriminatie van de niet-Duitse ouder;

4.  onderstreept dat de nationale autoriteiten ingevolge de Brussel II bis-verordening verplicht zijn tot erkenning en uitvoering van rechterlijke beslissingen die in een andere lidstaat worden genomen in zaken waarbij kinderen betrokken zijn; maakt er zich zorgen over dat de Duitse autoriteiten in familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen systematisch zouden kunnen weigeren rechterlijke beslissingen te erkennen die in een andere lidstaat zijn genomen met betrekking tot zaken waarin kinderen van nog geen drie jaar oud niet zijn gehoord; onderstreept dat dit aspect het beginsel van wederzijds vertrouwen ondermijnt ten aanzien van lidstaten wier rechtsstelsel een andere leeftijdsgrens voor het horen van kinderen kent;

5.  betreurt dat de Commissie al jarenlang geen nauwlettende controles uitvoert van de procedures en methodes die in het Duitse familierechtstelsel, met inbegrip van het Jugendamt, worden toegepast in het kader van familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen, en aldus tekort schiet waar het gaat om doeltreffende bescherming van de belangen van het kind en alle aanverwante rechten;

6.  herinnert aan het antwoord van de Commissie met betrekking tot de verzoekschriften over de rol van het Jugendamt in grensoverschrijdende familiegeschillen; herhaalt dat de EU geen algemene bevoegdheid heeft om op te treden op het gebied van het familierecht, dat het materiële familierecht de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten blijft en dat de Commissie er geen toezicht op kan houden, dat er in geval van bezorgdheid over de werking van het Jugendamt verhaal moet worden gehaald op nationaal niveau en dat, als ouders van mening zijn dat welke van hun grondrechten ook geschonden zijn, zij een klacht kunnen indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, zodra de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput;

7.  wijst nadrukkelijk op het belang van de vergaring door de lidstaten van statistieken over de administratieve en juridische procedures betreffende voogdij en buitenlandse ouders, met name over de uitkomst van rechterlijke beslissingen, teneinde een gedetailleerde analyse te kunnen verrichten van de trends in de loop der tijd en benchmarks te kunnen vaststellen;

8.  onderstreept, overeenkomstig de jurisprudentie van het HvJ-EU, het autonome begrip van de "gewone verblijfplaats" van het kind in de EU-wetgeving, evenals de reeks criteria die door de nationale rechter moet worden toegepast om de gewone verblijfplaats te bepalen;

9.  spoort de Commissie aan te waarborgen dat de gewone verblijfplaats van het kind door de Duitse rechter naar behoren is vastgesteld in de gevallen waarnaar in de door de Commissie verzoekschriften ontvangen verzoekschriften wordt verwezen;

10.  bekritiseert met nadruk het ontbreken van statistieken over het aantal gevallen in Duitsland waarin rechterlijke beslissingen niet aansloten bij de aanbevelingen van het Jugendamt en over de uitkomst van familiegeschillen waarbij kinderen van ouders met twee verschillende nationaliteiten betrokken waren, ondanks de jarenlange verzoeken om dergelijke gegevens te verzamelen en beschikbaar te maken voor het publiek;

11.  verzoekt de Commissie ten aanzien van de verzoekschriften in kwestie na te gaan of de Duitse rechters de bepalingen van de Brussel II bis-verordening naar behoren hebben nageleefd bij het vaststellen van hun bevoegdheid en of zij rekening hebben gehouden met uitspraken of beslissingen van rechters uit andere lidstaten;

12.  veroordeelt het feit dat, indien niet-Duitse ouders zich in het geval van omgang onder toezicht niet houden aan de methode van ambtenaren van het Jugendamt dat er in gesprekken met hun kinderen Duits moet worden gesproken, het gesprek onderbroken wordt en het contact tussen de niet-Duitse ouder en het kind wordt verboden; is van mening dat deze methode van de ambtenaren van het Jugendamt een duidelijk geval van discriminatie van niet-Duitse ouders op basis van herkomst en taal vormt;

13.  benadrukt het feit dat het Jugendamt over het algemeen het gebruik van een gemeenschappelijke moedertaal toestaat en dat het, als dit nodig is voor het welzijn en de veiligheid van het kind, bijvoorbeeld in mogelijke ontvoeringszaken, een tolk ter beschikking tracht te stellen om ervoor te zorgen dat de Jugendamt-functionarissen de inhoud van de discussie begrijpen;

14.  is er strikt van overtuigd dat de Duitse autoriteiten in het geval van omgang onder toezicht elke taal van ouders moeten toestaan in gesprekken tussen ouders en hun kinderen; verzoekt om invoering van mechanismen om te waarborgen dat niet-Duitse ouders en hun kinderen in hun onderling gebruikelijke taal kunnen communiceren, daar het gebruik van deze taal een essentiële rol speelt bij het behoud van krachtige emotionele banden tussen ouders en hun kinderen en voor doeltreffende bescherming van het culturele erfgoed en het welzijn van kinderen zorgt;

15.  is van oordeel dat er een consequente en doeltreffende follow-up moet komen van de aanbevelingen van het eindverslag van de Werkgroep over kwesties in verband met kinderwelzijn van de Commissie verzoekschriften van 3 mei 2017, met name van de aanbevelingen die rechtstreeks of indirect verband houden met de rol van het Jugendamt en het Duitse familierechtstelsel;

16.  herinnert Duitsland aan zijn internationale verplichtingen krachtens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, met inbegrip van artikel 8; is van mening dat alle bevoegde Duitse autoriteiten aanzienlijke verbeteringen moeten aanbrengen ter bescherming van het recht van kinderen van ouders met twee verschillende nationaliteiten, teneinde hun identiteit, met inbegrip van de familiebetrekkingen, te behouden, zoals erkend door de wet, zonder onwettige ingrepen;

17.  is van mening dat de Commissie in het licht van artikel 81 VWEU een actieve rol kan en moet spelen bij het waarborgen van eerlijke en consequente niet-discriminerende methodes ten aanzien van ouders bij de behandeling van grensoverschrijdende gevallen van voogdij in de hele Unie;

18.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er nauwkeurig op wordt toegezien dat de in het Duitse familierechtstelsel gebruikte procedures en praktijken, ook die van het Jugendamt, in het kader van familiegeschillen met grensoverschrijdende gevolgen, niet discriminerend zijn;

19.  herhaalt dat het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is in kwesties in verband met het materiële familierecht;

20.  vraagt de Commissie om meer opleidingscursussen en internationale uitwisselingen van ambtenaren in de sociale diensten te verzorgen, teneinde de kennis te vergroten over de werking van dezelfde diensten in andere lidstaten en optimale werkwijzen uit te wisselen;

21.  benadrukt het belang van nauwe samenwerking en efficiënte communicatie tussen de verschillende nationale en lokale autoriteiten die betrokken zijn bij procedures inzake jeugdzorg, van de sociale diensten tot de rechterlijke en centrale autoriteiten;

22.  wijst op de noodzaak om de justitiële en administratieve samenwerking en grensoverschrijdende dialoog tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van andere lidstaten te verbeteren, teneinde te zorgen voor wederzijds vertrouwen betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en uitspraken van autoriteiten van andere lidstaten in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

23.  herinnert eraan dat niet-Duitse ouders vanaf het begin en in elke fase van procedures met betrekking tot een kind onverwijld voorzien moeten worden van volledige en duidelijke informatie over de procedures en de eventuele consequenties daarvan, in een taal die de ouders in kwestie volledig begrijpen, om te voorkomen dat ouders hun instemming geven zonder ten volle te begrijpen wat de gevolgen van hun toezeggingen zijn; roept de lidstaten op gerichte maatregelen toe te passen ter verbetering van rechtsbijstand, hulp, begeleiding en informatie voor hun onderdanen als deze melding maken van discriminerende of ongunstige juridische en administratieve procedures die door de Duitse autoriteiten tegen hen zijn ingesteld in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn;

24.  benadrukt dat er in de genoemde gevallen waarin het niet-Duitse ouders belet werd om tijdens bezoeken met hun kinderen de onderling gebruikelijke taal te spreken, sprake is van discriminatie op grond van taal, en dat dit ook in strijd is met het streven naar stimulering van meertaligheid en diversiteit van culturele achtergronden in de Unie, en haaks staat op de grondrechten van vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;

25.  verzoekt Duitsland zijn inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat ouders een gemeenschappelijke moedertaal met hun kinderen mogen gebruiken tijdens begeleid bezoek;

26.  spreekt zijn bezorgdheid uit over door indieners genoemde gevallen waarin door de bevoegde Duitse autoriteiten zeer korte termijnen werden vastgesteld en waarin door de bevoegde Duitse autoriteiten documenten werden toegezonden die niet in de taal van de indiener van het verzoek werden verstrekt; benadrukt het recht van burgers om documenten te weigeren die niet zijn geschreven of vertaald in een voor hen begrijpelijke taal, zoals bepaald is in artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1393/2007 over de betekening en de kennisgeving van stukken; verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze verordening in Duitsland grondig te onderzoeken, teneinde alle eventuele schendingen naar behoren aan te pakken;

27.  verzoekt de Commissie de naleving van taalvereisten in procedures voor de Duitse rechter te verifiëren in de gevallen die in de aan het Europees Parlement toegezonden verzoekschriften worden vermeld;

28.  roept de lidstaten op gerichte maatregelen toe te passen ter verbetering van rechtsbijstand, hulp, begeleiding en informatie voor hun onderdanen in grensoverschrijdende familiegeschillen waarbij kinderen betrokken zijn; wijst er in dit verband op dat de bevoegde Duitse ministeries op federaal niveau het Duitse centrale contactpunt voor grensoverschrijdende familiegeschillen in het leven hebben geroepen om advies en informatie te verstrekken in grensoverschrijdende familiegeschillen die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen;

29.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om de totstandkoming van een platform voor de verlening van bijstand aan onderdanen van derde landen in familieprocedures te cofinancieren en te bevorderen;

30.  herinnert de lidstaten eraan hoe belangrijk het is dat de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1963 stelselmatig worden toegepast en dat ervoor wordt gezorgd dat ambassades en consulaten vanaf het begin geïnformeerd worden over alle jeugdzorgprocedures waarbij hun onderdanen betrokken zijn en dat zij volledige toegang krijgen tot de relevante documenten; benadrukt het belang van betrouwbare consulaire samenwerking op dit terrein en doet voorts de suggestie dat consulaire instanties wordt toegestaan elke fase van die procedures bij te wonen;

31.  herinnert de lidstaten aan de noodzaak om voor kinderen te voorzien in alle noodzakelijke en gerechtvaardigde opvang overeenkomstig de formulering van de artikelen 8 en 20 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en met name voortdurende jeugdzorg mogelijk te maken waarbij rekening wordt gehouden met de etnische, godsdienstige, culturele en taalidentiteit van het kind;

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.
(2) PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79.
(3) Arrest van het Hof van Justitie (eerste kamer) van 22 december 2010, Barbara Mercredi/Richard Chaffe, C‑497/10 PPU, ECLI:EU:C:2010:829.
(4) Arrest van het Hof van Justitie (derde kamer) van 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:EU:C:2009:225.
(5) PB C 66 van 21.2.2018, blz. 2.


WTO: de weg vooruit
PDF 194kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 inzake de WTO: de weg vooruit (2018/2084(INI))
P8_TA-PROV(2018)0477A8-0379/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de overeenkomst van Marrakesh van 15 april 1994 tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

–  gezien de door de WTO geformuleerde ministersverklaring van Doha van 14 november 2001(1),

–  gezien zijn vorige resoluties over de WTO, in het bijzonder die van 24 april 2008 over een routekaart voor hervorming van de Wereldhandelsorganisatie(2) en van 15 november 2017 over multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO(3),

–  gezien het slotdocument dat op 10 december 2017 bij consensus werd goedgekeurd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Parlementaire Conferentie over de WTO in Buenos Aires(4),

–  gezien de resultaten, waaronder een reeks ministeriële besluiten, van de elfde Ministeriële Conferentie in Buenos Aires in december 2017, waar echter geen ministeriële verklaring kon worden goedgekeurd(5),

–  gezien de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel"), die van 11 t/m 13 juli 2017 plaatsvond in Genève(6),

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling(7),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs binnen het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die sinds november 2016 van kracht is,

–  gezien het laatste verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van 8 oktober 2018, waaruit blijkt dat beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5° C nog steeds mogelijk is, indien landen hun nationaal bepaalde bijdragen voor 2020 verhogen,

–  gezien punt 16 van de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018(8),

–  gezien de op 31 mei 2018 aangenomen gezamenlijke verklaring over de trilaterale vergadering van de ministers van Handel van de Verenigde Staten, Japan en de Europese Unie(9),

–  gezien de gezamenlijke verklaring tijdens de 20e EU-China-top, waarbij een gezamenlijke werkgroep betreffende de hervorming van de WTO werd opgericht die zal worden voorgezeten op het niveau van viceministers(10),

–  gezien de conceptnota van de Commissie van 18 september 2018 over modernisering van de WTO(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0379/2018),

A.  overwegende dat de WTO, sinds haar oprichting een cruciale rol speelt bij het versterken van het multilaterale kader, het bevorderen van een inclusieve economische wereldorde en het stimuleren van een open, op regels gebaseerd, niet-discriminerend multilateraal handelsstelsel; overwegende dat de ontwikkelingslanden momenteel goed zijn voor ongeveer de helft van de wereldhandel, terwijl dit in 2000 nog 33 % was, en dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, sinds 1990 is gehalveerd en net onder de één miljard ligt; overwegende dat de WTO is gegrondvest op een systeem van rechten en plichten, uit hoofde waarvan leden hun eigen markten moeten openstellen zonder te discrimineren;

B.  overwegende dat de WTO voor regeringen en bedrijven het belangrijkste referentiepunt moet blijven om regels te bepalen en handelsgeschillen op te lossen;

C.  overwegende dat de EU voortdurend heeft gepleit voor een sterke, op multilaterale regels gebaseerde benadering van handel, omdat de EU-economie, en werknemers en consumenten in de EU en haar partnerlanden in toenemende mate geïntegreerd zijn in de wereldwijde waardeketens en zowel bij de invoer als de uitvoer afhankelijk zijn van voorspelbare ontwikkelingen op het gebied van internationale handel en op het gebied van sociale en milieuomstandigheden;

D.  overwegende dat de resultaten van de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires in december 2017 teleurstellend waren en duidelijk aantoonden dat de onderhandelingsrol van de organisatie verlamd is;

E.  overwegende dat het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel kampt met de zwaarste crisis sinds de oprichting van de WTO, wat een bedreiging vormt voor de basistaken van de organisatie, te weten het vaststellen van essentiële voorschriften en de structuur voor de internationale handel en het leveren van het doeltreffendste en meest ontwikkelde geschillenbeslechtingsmechanisme van alle multilaterale organisaties;

F.  overwegende dat behoudens enkele uitzonderingen zoals de handelsfacilitatieovereenkomst, de handelshervorming van de WTO sinds het eerste decennium van de 21e eeuw achterblijft;

G.  overwegende dat de beroepsinstantie de parel aan de kroon van de WTO is, vanwege het bindende karakter van haar besluiten en haar status als onafhankelijk en onpartijdig beroepsorgaan; overwegende dat het aantal rechters van de WTO-beroepsinstantie is gedaald tot het minimumaantal dat het nodig heeft om te functioneren, nadat er na afloop van de termijn van rechter Shree Baboo Chekitan Servansing slechts drie benoemde rechters overbleven; overwegende dat deze door de VS-regering veroorzaakte impasse zou kunnen leiden tot de instorting van een stelsel dat cruciaal is voor het beslechten van geschillen tussen alle WTO-leden;

1.  schaart zich andermaal volledig achter het multilaterale handelsstelsel en pleit voor een handelsagenda gebaseerd op eerlijke en op regels gebaseerde handel die eenieder ten goede komt en die bijdraagt tot vrede, veiligheid en de agenda voor duurzame ontwikkeling, door sociale, milieu- en mensenrechten erin op te nemen en te versterken, en ervoor te zorgen dat multilateraal overeengekomen en geharmoniseerde voorschriften zonder onderscheid worden toegepast en effectief worden gehandhaafd; onderstreept dat de WTO eveneens moet bijdragen tot de bevordering van rechtvaardige handel en de bestrijding van oneerlijke praktijken; onderstreept dat handel geen doel op zich is, maar een instrument voor het verwezenlijken van de mondiaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen;

2.  meent dat in het licht van de laatste ontwikkelingen, maar ook gezien het reeds lang uitblijven van vooruitgang ten aanzien van de ontwikkelingsagenda van Doha (DDA), dringend moet worden overgegaan tot de modernisering van de WTO en tot een grondige herziening van verschillende aspecten van de werking van de WTO, met als doel zowel de doeltreffendheid als de legitimiteit ervan te vergroten; is in dit opzicht van mening dat het van essentieel belang is dat het secretariaat van de WTO alle WTO‑leden de mogelijkheid biedt om vanaf het begin bij het debat te worden betrokken; dringt er bij de Commissie en de EU-lidstaten in de WTO op aan samen te werken met andere WTO-leden, in het bijzonder onze belangrijkste handelspartners zoals de VS, Japan, China, Canada, Brazilië en India, om tot gezamenlijke standpunten te komen; beschouwt de openingsverklaringen bij de EU-China-top over de hervorming van de WTO als bemoedigend;

3.  verwelkomt in dit opzicht het op 28-29 juni 2018 door de Europese Raad gegeven mandaat aan de Commissie en neemt kennis van de in de conclusies vermelde benadering, alsook van de conceptnota van de Commissie over modernisering van de WTO van 18 september 2018 en de voorstellen van Canada voor de hervorming van de WTO van 25 september 2018; kijkt uit naar de publicatie van meer voorstellen, met name van ontwikkelingslanden en van werkgroepen die reeds door de lidstaten van de WTO zijn opgericht;

4.  toont zich uitermate bezorgd over het feit dat slechts drie posities binnen de beroepsinstantie vervuld zijn, hetgeen de huidige en goede werking van het geschillenbeslechtingsproces ernstig ondermijnt, en doet een krachtig beroep op de Verenigde Staten om deze situatie zodanig op te lossen dat vacante posities binnen de beroepsinstantie snel kunnen worden opgevuld; is ingenomen met de eerste voorstellen die de Commissie in haar conceptnota over modernisering van de WTO heeft geformuleerd om deze impasse te doorbreken, door een oplossing aan te dragen voor een aantal zorgpunten, onder meer via een overgangsregeling voor vertrekkende leden of wijzigingen in de duur van de ambtstermijn binnen de beroepsinstantie of in de maximaal toegestane tijd voor de publicatie van een rapport of de vaststelling van nieuwe jurisprudentie door de beroepsinstantie; wijst erop dat de bezwaren van de VS betreffende de beroepsinstantie verder gaan dan procedurele wijzigingen en dat zij aanzienlijke hervormingen inhouden van de uitspraken van de rechters van de instantie;

5.  is van mening dat het besluit van de VS van 31 mei 2018 om invoerrechten op staal en aluminium te heffen op gronden van "nationale veiligheid" uit hoofde van afdeling 232 van de Trade Expansion Act van 1962 niet gerechtvaardigd is, dat dit geen oplossing vormt voor het probleem van staaloverschot op de mondiale markten en niet strookt met de WTO-regels; spoort de Commissie met klem aan om samen met de VS aan een oplossing voor de handelsgeschillen te werken en obstakels voor handel weg te nemen binnen het op WTO-regels gebaseerde kader voor geschillenbeslechting;

6.   is van mening dat de WTO, als oplossing voor de onderliggende oorzaken van de huidige crisis, moet inspelen op de veranderende omstandigheden en tegelijk bepaalde nog open kwesties van de DDA moet oplossen, met name op het gebied van voedselveiligheid; acht het daarom noodzakelijk:

   a) de huidige hiaten in de regelgeving aan te pakken om aldus te zorgen voor een gelijk speelveld wat betreft marktverstorende subsidies en staatsbedrijven, en de bescherming van de intellectuele eigendom en de markttoegang voor investeerders te handhaven; daarnaast aandacht te besteden aan kwesties zoals de bescherming en de gedwongen openbaarmaking van broncodes en andere overheidsmaatregelen die tot overcapaciteit leiden, alsook wettelijke belemmeringen voor diensten en investeringen, met inbegrip van technologieoverdracht, vereisten voor gemeenschappelijke ondernemingen en vereisten inzake plaatselijke toegevoegde waarde; en toezicht te houden op de uitvoering, het beheer en de werking van bestaande overeenkomsten;
   b) het noodzakelijke regelgevingskader tot stand te brengen om technologische ontwikkelingen het hoofd te bieden, onder meer op het gebied van e-handel, mondiale waardeketens, openbare aanbestedingen en geactualiseerde interne regelgeving voor diensten en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;
   c) de meest prangende mondiale problemen op sociaal en milieugebied aan te pakken en te zorgen voor systematische beleidssamenhang tussen handels-, arbeids- en milieuagenda’s;
   d) in dit opzicht de in Buenos Aires aangenomen gezamenlijke verklaringen inzake e-handel, binnenlandse regelingen, investeringsbevordering en meer economische zeggenschap voor vrouwen, evenals het werk dat sindsdien op deze gebieden is verzet, toe te juichen;

7.  wijst op de gelegenheid voor de EU om haar regels op het gebied van gegevens- en privacybescherming naar voren te schuiven en internationaal onder de aandacht te brengen, zodat deze als leidraad kunnen dienen bij het opstellen van internationale en multilaterale normen;

8.  wijst erop dat toegang tot overheidsopdrachten een van de prioriteiten van de Europese Unie is in haar handelsbesprekingen en dat de Unie derhalve verwacht dat de WTO-leden hun toezegging om zich bij de overeenkomst inzake overheidsopdrachten aan te sluiten gestand doen en dat de werking en de eerbiediging van de bepalingen van deze overeenkomst worden verbeterd, in een geest van wederkerigheid en wederzijds voordeel; wijst erop dat de volledige effectiviteit van mogelijke verbeteringen in de staatssteunregels en de rol van overheidsbedrijven deels afhangt van de vorderingen die op dit vlak worden geboekt; dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de leden die bezig zijn tot de overeenkomst inzake overheidsopdrachten toe te treden, teneinde hun inspanningen te bespoedigen zodat meer WTO-leden de vruchten kunnen plukken van liberalisering van overheidsopdrachten;

9.  is ervan overtuigd dat het huidige onderscheid tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden niet de economische realiteit en de feitelijke situatie binnen de WTO weergeeft en dat dit een belemmering is geweest voor de vooruitgang van de Doha-ronde, dit ten nadele van de meest behoeftige landen; dringt er bij de meer gevorderde ontwikkelingslanden op aan om hun deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen en een bijdrage te leveren die in verhouding staat tot hun ontwikkelingsniveau en (sectorale) concurrentiekracht; wijst erop dat in de conceptnota van de Commissie wordt aangedrongen op regels die ontwikkelingslanden in staat stellen hun status van laag-inkomensland geleidelijk achter zich te laten naarmate zij rijker worden; is van mening dat het mechanisme van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling (S&DT) nader moet worden bekeken om beter aan te sluiten op de menselijke ontwikkelingsindex, als een beleidsinstrument dat ontwikkelingslanden in staat stelt om de tenuitvoerlegging van multilaterale overeenkomsten te koppelen aan de ontvangst van bijstand van rijkere landen en donororganisaties;

10.  is zeer verheugd over de ratificatie door twee derde van de WTO-leden van de handelsfacilitatieovereenkomst in februari 2017; is ervan overtuigd dat de handelsfacilitatieovereenkomst een belangrijk voorbeeld stelt en als model voor toekomstige WTO-afspraken kan dienen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende ontwikkelingsstatus en de uiteenlopende behoeften van de WTO-leden; spoort de WTO-leden aan hun verantwoordelijkheid te nemen en zich aan hun afspraken te houden in overeenstemming met hun reële economische gewicht en vermogens; wijst op de volgende uitdagingen, namelijk de volledige ratificatie van de overeenkomst, met name door leden in Afrika die naar verwachting het meeste van de overeenkomst zullen profiteren, de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de kennisgeving van ontwikkelingshulp in het kader van de overeenkomst;

11.  erkent dat de toetreding van China tot de WTO in 2001 over het algemeen de toegang tot de Chinese markt heeft vergroot, hetgeen gunstig is geweest voor de wereldeconomie; is bezorgd dat China de geest en beginselen van de WTO-regels inzake nationale behandeling niet toepast;

12.  is van mening dat het noodzakelijk is om de werking van het onderhandelingsproces te herzien door meer flexibiliteit in te voeren dan tot dusver onder de consensusregel het geval was, maar erkent tegelijkertijd dat de benadering van de algemeen geldende verbintenis de doeltreffendheid van de multilaterale handelsbesprekingen heeft beperkt; spreekt zijn steun uit voor het concept van flexibel multilateralisme, waarbij de WTO-leden die zich wensen bezig te houden met een bepaalde aangelegenheid waarbij nog geen volledige consensus mogelijk is, in staat moeten zijn om multilaterale overeenkomsten te bevorderen en af te sluiten, hetzij via zogenaamde WTO Bijlage 4‑overeenkomsten, in overeenstemming met artikel II:3, artikel III:1 en artikel X:9 van de Overeenkomst van Marrakesh, of via "kritische massa"-overeenkomsten waarmee overeengekomen concessies worden gedaan aan de WTO-leden op basis van het beginsel van meest begunstigde natie; roept de Commissie op deze artikelen niet te gebruiken als alternatief voor een constructieve dialoog met de WTO-leden om handelsbelemmeringen en hervorming van de WTO en haar taken aan te pakken; is in dit verband van mening dat de WTO-leden de capaciteitsopbouw van de WTO moeten versterken om ervoor te zorgen dat de organisatie kan beschikken over voldoende financiële en personele middelen, in overeenstemming met de toegenomen behoeften om dezelfde kwaliteit van werk te behouden; meent, in het algemeen, dat de financiële bijdragen van nieuwe leden moeten leiden tot een verhoging van de WTO-begroting en niet tot lagere lidmaatschapsbijdragen voor bestaande leden;

13.  erkent dat, hoewel het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel de kern van de WTO-structuur blijft vormen, er mogelijkheden bestaan voor diepere en flexibelere plurilaterale samenwerking tussen geïnteresseerde staten op gebieden waar moeilijk consensus kan worden bereikt; wijst erop dat dergelijke overeenkomsten een aanvulling moeten vormen op de multilaterale agenda en deze niet mogen ondermijnen, en niet mogen worden gebruikt als alternatieve fora om handelsbelemmeringen aan te pakken, maar eerder een hulpmiddel moeten vormen om voortgang op multilateraal niveau te bevorderen; dringt aan op de hervatting van de multilaterale onderhandelingen over de overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA), en vraagt om in plurilaterale en multilaterale overeenkomsten specifieke bepalingen voor kmo's op te nemen; benadrukt dat het belangrijk is dat de WTO de internationale samenwerking met andere internationale organisaties zoals onder meer de VN, de OESO, de WDO en de IAO voortzet en verdiept;

14.   benadrukt het belang dat handel kan en moet spelen in de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling voor 2030 en de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs in de strijd tegen klimaatverandering; betreurt dat de EGA in 2016 werd geblokkeerd en herinnert eraan dat deze overeenkomst de toegang tot groene technologieën kan vergroten en tot de verwezenlijking van de bovengenoemde verbintenissen kan bijdragen; onderstreept dat naast de onderhandelingen over visserijsubsidies, de WTO nu concretere maatregelen moet vaststellen die in dit opzicht moeten worden genomen om het leven in de zee te beschermen; herinnert eraan dat het WTO-concept van verwerkings- en productiemethoden het mogelijk maakt te differentiëren tussen soortgelijke producten op grond van hun milieueffecten; pleit ervoor de WTO-Commissie voor handel en milieu nieuw leven in te blazen en haar het mandaat te geven criteria op te stellen voor de bestrijding van "freerider"-gedrag op milieugebied alsook nauwere banden aan te knopen met het secretariaat van het UNFCCC;

15.  wijst opnieuw op het verband tussen gendergelijkheid en inclusieve ontwikkeling, zoals ook wordt vermeld in SDG 5, en beklemtoont hierbij dat de versterking van de positie van vrouwen essentieel is voor het uitbannen van armoede en dat het slechten van barrières voor de participatie van vrouwen in het handelsverkeer van cruciaal belang is voor economische ontwikkeling; juicht de toegenomen aandacht van de WTO voor kwesties in verband met handel en gender toe en moedigt alle 121 ondertekenaars van de Verklaring van Buenos Aires inzake handel en de economische emancipatie van vrouwen van 2017 aan om hun beloften na te komen; benadrukt dat er voor alle terreinen waarvoor de WTO regels opstelt een systematische genderaanpak moet komen in de vorm van genderspecifieke effectbeoordelingen; wijst op het belang van een initiatief als SheTrades om de positieve rol van vrouwen in handel over het voetlicht te brengen en de deelname van vrouwen aan internationale handel wereldwijd aan te moedigen;

16.  vestigt de aandacht op de conclusies van de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel") die in juli 2017 plaatsvond in Genève, getiteld "Promoting trade, Inclusiveness and Connectivity for Sustainable Development" (Het bevorderen van handel, inclusie en connectiviteit in het kader van duurzame ontwikkeling); onderschrijft het standpunt dat dit moet worden vertaald in concrete acties om e-handel te bevorderen en digitale kansen, zoals blockchaintechnologie, in daadwerkelijke handelsvoorwaarden om ze zetten, ook voor ontwikkelingslanden; merkt in dit verband op dat investeringen in fysieke en digitale infrastructuur een belangrijke uitdaging blijven, omdat zij onmisbaar zijn om vooruitgang te boeken op dit gebied; roept de WTO-leden daarom op investeringen in fysieke en digitale infrastructuur te bevorderen en daarbij, naast andere initiatieven, publiek-private partnerschappen te stimuleren;

17.  verzoekt de EU andermaal om ervoor te zorgen dat haar activiteiten met ontwikkelingslanden, zowel op het gebied van ontwikkeling als van handel, zijn gebaseerd op een evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners, dat zij stroken met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en dat zij zijn gericht op de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten;

18.  betreurt het feit dat de elfde ministersconferentie van de WTO voor de minst ontwikkelde landen geen vooruitgang heeft kunnen boeken inzake kwesties die voor de ontwikkelingslanden van cruciaal belang zijn; is evenwel ingenomen met de verbeterde preferentiële behandeling waarin de WTO al eerder had voorzien voor de MOL's, met inbegrip van preferentiële oorsprongsregels en een regeling voor dienstverleners, en onderstreept de noodzaak van maatregelen inzake capaciteitsopbouw die leveranciers uit de MOL's in staat zouden stellen om te profiteren van de ontheffing voor diensten ten behoeve van de MOL's;

19.  benadrukt dat transparantie cruciaal is om een stabiel en voorspelbaar handels- en investeringsklimaat te kunnen garanderen; vindt het belangrijk dat de transparantie van toezichtsprocedures wordt bevorderd door meer stimulansen voor WTO-leden in te voeren om te voldoen aan de vereisten inzake kennisgeving, door de complexiteit en lasten ervan te beperken, en door indien nodig voor capaciteitsopbouw te zorgen, en meent dat opzettelijke niet-naleving moet worden ontmoedigd en tegengegaan;

20.  benadrukt dat de rol van het WTO-secretariaat bij het faciliteren en waarborgen van een bottom-upbenadering voor de actieve deelname van alle leden van cruciaal belang is en dat de daadkracht en flexibiliteit van het WTO-secretariaat verder moeten worden versterkt ter ondersteuning van verschillende onderhandelingsprocessen, alsook op het gebied van uitvoerings- en toezichtstaken; acht het nodig de financiële en menselijke middelen en bronnen van het secretariaat van de WTO te vergroten, en dringt er bij de WTO-leden op aan hun verantwoordelijkheden op dit vlak gezamenlijk te vervullen; is van mening dat de reguliere werkzaamheden van de WTO-commissies eveneens nieuw leven moet worden ingeblazen door de voorzitters een actievere rol te geven bij het ontwikkelen en voorstellen van oplossingen en compromissen, die verder gaat dan het beheer van de bijdragen van de leden, en stelt dat zij bij dit uitgebreide takenpakket moeten worden ondersteund door het Secretariaat;

21.  dringt er bij de WTO-leden op aan de democratische legitimiteit en transparantie te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken en een memorandum van overeenstemming tot vaststelling van een formele werkrelatie met de Parlementaire Conferentie over de WTO te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat parlementsleden volledige toegang moeten krijgen tot handelsbesprekingen en moeten worden betrokken bij de formulering en uitvoering van WTO-besluiten, en dat handelsbeleid naar behoren moet worden getoetst, dit in het belang van de burgers;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de WTO.

(1) Ministersverklaring van Doha (WT/MIN(01)/DEC/1) van 14 november 2001 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/min01_e/mindecl_e.htm
(2) PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 77.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0439.
(4) http://www.europarl.europa.eu/pcwto/en/sessions/2017.html
(5) https://www.wto.org/english/news_e/news17_e/mc11_10dec17_e.htm
(6) https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/gr17_e/gr17programme_e.htm
(7) http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/
(8) http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2018/06/29/20180628-euco-conclusions-final/
(9) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/may/tradoc_156906.pdf
(10) https://www.consilium.europa.eu/media/36165/final-eu-cn-joint-statement-consolidated-text-with-climate-change-clean-energy-annex.pdf
(11) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/september/tradoc_157331.pdf


Verslag 2018 over Servië
PDF 209kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag van de Commissie 2018 over Servië (2018/2146(INI))
P8_TA-PROV(2018)0478A8-0331/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de bijeenkomst van de Europese Raad in Thessaloniki op 19-20 juni 2003,

–  gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien Besluit 2008/213/EG van de Raad(1) van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europese partnerschap met Servië en tot intrekking van Besluit 2006/56/EG,

–  gezien het advies van de Commissie van 12 oktober 2011 over het verzoek van Servië om toetreding tot de Europese Unie (SEC(2011)1208), het besluit van de Europese Raad van 2 maart 2012 om Servië de status van kandidaat-lidstaat te verlenen en het besluit van de Europese Raad van 27‑28 juni 2013 om EU‑toetredingsonderhandelingen met Servië te openen,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, die op 1 september 2013 in werking is getreden,

–  gezien resolutie 1244 (1999) van de VN‑Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

–  gezien het proces van Berlijn dat is gestart op 28 augustus 2014,

–  gezien de verklaring en de aanbevelingen van de achtste bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU‑Servië op 13 en 14 juni 2018,

–  gezien het eindverslag van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) over zijn beperkte verkiezingswaarnemingsmissie voor de vervroegde parlementsverkiezingen in Servië op 29 juli 2016,

–  gezien het verslag van de verkiezingsevaluatiemissie van het OVSE/ODIHR over de presidentsverkiezingen in Servië op 2 april 2017,

–  gezien het verslag over Servië voor 2018 (SWD(2018)0152), dat de Commissie op 17 april 2018 heeft gepubliceerd,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" van 6 februari 2018 (COM(2018)0065),

–  gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 23 mei 2017 (9655/17),

–  gezien de vierde zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Servië, die op 16 november 2017 heeft plaatsgehad,

–  gezien de achtste bijeenkomst van de toetredingsconferentie met Servië op ministerieel niveau van 25 juni 2018,

–  gezien het verslag van juli 2015 van het orgaan van de Raad van Europa ter bestrijding van corruptie (Greco) over Servië en het verslag over de vierde evaluatieronde van Greco van 20 oktober 2017 over de voorkoming van corruptie van parlementsleden, rechters en openbaar aanklagers,

–  gezien de beoordeling van de Commissie van 17 april 2018 van het economische hervormingsprogramma van Servië voor de periode 2018-2020 (SWD(2018)0132) en de op 25 mei 2018 door de Raad aangenomen gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan,

–  gezien het advies van de Commissie van Venetië over de ontwerpamendementen op de grondwettelijke bepalingen inzake de rechterlijke macht van 25 juni 2018,

–  gezien de uitkomst van de enquête van 2017 inzake gemarginaliseerde Roma op de Westelijke Balkan, ondersteund door de Commissie en uitgevoerd door de Wereldbank en het VN‑Ontwikkelingsprogramma,

–  gezien het gezamenlijk werkdocument getiteld "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2020)",

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Servië uit 2016(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0331/2018),

A.  overwegende dat Servië, net als alle landen die het EU‑lidmaatschap nastreven, op zijn eigen merites beoordeeld moet worden wat betreft het voldoen aan, en de uitvoering en naleving van dezelfde criteria en overwegende dat de kwaliteit van en de toewijding aan de nodige hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepaalt; overwegende dat toetreding een op merites gebaseerd proces is en zal blijven dat volledig afhangt van de objectieve vooruitgang dat het land in kwestie, en in het onderhavige geval Servië, boekt;

B.  overwegende dat sinds de start van de onderhandelingen met Servië 14 hoofdstukken zijn geopend, waarvan twee voorlopig zijn afgesloten;

C.  overwegende dat Servië voortdurend betrokken is geweest bij de normalisering van de betrekkingen met Kosovo, hetgeen heeft geleid tot de eerste overeenkomst met beginselen voor de normalisatie van de betrekkingen van 19 april 2013 en de overeenkomsten van augustus 2015; overwegende dat Servië nog altijd bij de dialoog betrokken is;

D.  overwegende dat Servië heeft bijgedragen tot de versterking van de regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap, evenals tot vrede en stabiliteit, verzoening en een gunstig klimaat voor het aanpakken van resterende bilaterale kwesties uit het verleden;

E.  overwegende dat Servië zich blijft inzetten voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie en resultaten blijft boeken bij de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

F.  overwegende dat de rechtsstatelijkheid een fundamentele waarde is waarop de EU is gebaseerd en die centraal staat in zowel het uitbreidingsproces als het stabilisatie- en associatieproces; overwegende dat hervormingen nodig zijn om de belangrijke nog bestaande uitdagingen op dit gebied aan te pakken, met name het waarborgen van een onafhankelijke, onpartijdige, verantwoordingsplichtige en efficiënte rechterlijke macht, het bestrijden van corruptie en georganiseerde misdaad en de bescherming van de grondrechten;

G.  overwegende dat Servië alle basisverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft geratificeerd, waaronder in het bijzonder het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht uit 1948 (nr. 87), het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen uit 1949 (nr. 98) en het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid uit 1930 (nr. 29);

H.  overwegende dat de situatie op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media bijzonder ernstige zorgen blijft baren, en hierop prioritair op een vastberaden en doeltreffende manier een antwoord moet worden geboden;

I.  overwegende dat Servië pretoetredingssteun ontvangt in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), met een totale indicatieve toewijzing van 1,5 miljard EUR voor de periode 2014‑2020; overwegende dat de herziene indicatieve toewijzing van IPA II voor Servië voor de periode 2018‑2020 overeenkomt met 722 miljoen EUR; overwegende dat Servië een tussentijdse prestatiebeloning toegekend heeft gekregen;

1.  is verheugd over de blijvende inzet van Servië op de weg naar integratie in de Europese Unie; verzoekt Servië om, met steun van de Commissie, dit strategische besluit actief uit te dragen naar het Servische publiek en zijn inspanningen voort te zetten voor het verstrekken van tijdige en transparante informatie en het vergroten van de zichtbaarheid van de EU en de door haar gefinancierde projecten en programma's;

2.  benadrukt dat nauwkeurige tenuitvoerlegging van hervormingen en beleidsmaatregelen een belangrijke aanwijzing voor een succesvol integratieproces is; vraagt Servië de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren; is verheugd over de goedkeuring van een derde herziening van het nationale programma voor de overname van het EU‑acquis en waarschuwt voor de gevolgen van een onvolledige omzetting van belangrijke EU‑wetgeving voor de aanpassing aan het acquis; is verheugd over de beoordeling van de Commissie in haar mededeling getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU‑betrokkenheid bij de Westelijke Balkan", dat Servië met een sterke politieke wil, de uitvoering van echte en duurzame hervormingen en definitieve oplossingen voor geschillen met buurlanden, een lidstaat van de EU zou kunnen worden; verzoekt de Raad en de Commissie om, indien gerechtvaardigd door noodzakelijke vooruitgang, in het bijzonder op het cruciale gebied van de rechtsstaat, de opening van de technisch voorbereide hoofdstukken te ondersteunen en het algehele proces van toetredingsonderhandelingen te versnellen;

3.  is verheugd over de succesvolle afronding van het programmeringsproces in het kader van IPA 2018 en de ondertekening van de financieringsovereenkomst voor Ipard II; verzoekt de Commissie bij het ontwerpen van het nieuwe instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), te voorzien in passende bepalingen om de eventuele toetreding van Servië tot de EU mogelijk te maken;

4.  is verheugd over de vooruitgang die Servië heeft geboekt bij het ontwikkelen van een functionerende markteconomie, het waarborgen van economische groei en het behouden van macro-economische en monetaire stabiliteit; onderstreept dat Servië goede vooruitgang heeft geboekt bij de aanpak van enkele beleidszwakheden die in het verleden zijn aangekaart, in het bijzonder door middel van begrotingsconsolidatie; onderstreept echter dat de werkloosheid, braindrain en economische inactiviteit nog steeds hoog zijn; verzoekt Servië een duurzaam plan voor de toekomst van staatsbedrijven te ontwikkelen; benadrukt het cruciale belang van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) voor de Servische economie en verzoekt om een transparanter en minder belastend ondernemingsklimaat; steunt de toetreding van Servië tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO);

5.  uit zijn zorgen over de aanhoudende werkloosheid en benadrukt dat het belangrijk is om jongeren ondernemersvaardigheden bij te brengen en deze te ontwikkelen; verzoekt Servië de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren; verzoekt Servië de tripartiete dialoog te versterken; verzoekt om de wijziging van de wet inzake de premies voor de verplichte sociale zekerheid en de wet inzake de ziektekostenverzekering om discriminatie van kleine landbouwers te voorkomen;

6.  neemt nota van de op 2 april 2017 gehouden presidentsverkiezingen; is verheugd over het algemene verloop van deze verkiezingen en verzoekt de autoriteiten ervoor te zorgen dat internationale normen worden toegepast; verzoekt de autoriteiten ten volle uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het ODIHR, in het bijzonder om te zorgen voor een gelijk speelveld tijdens de campagnetijd, en een dialoog te starten met onafhankelijke nationale verkiezingswaarnemingsmissies; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar klachten inzake onregelmatigheden, geweld en intimidatie tijdens verkiezingsprocessen in het verleden; wijst met bezorgdheid op het gebrek aan transparantie met betrekking tot de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; wijst erop dat de financiering van politieke partijen transparant moet zijn en moet beantwoorden aan internationale normen;

7.  verzoekt Servië zijn buitenlands en veiligheidsbeleid verder in overeenstemming te brengen met het EU‑beleid, met inbegrip van haar beleid ten aanzien van Rusland, ook binnen de Verenigde Naties; is ingenomen met de aanzienlijke bijdrage en de blijvende deelname van Servië aan verscheidene missies en operaties van de EU uit hoofde van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) (EUTM Mali, EUTM Somalië, EU-NAVFOR-Atalanta, EUTM RCA), met een deelname van Servië aan vier van de zes militaire missies of operaties die momenteel door de Unie worden uitgevoerd; is echter bezorgd over de aanhoudende militaire samenwerking van Servië met Rusland en Belarus;

8.  is verheugd over de constructieve aanpak van Servië bij het beheer van de gevolgen van de migratie- en vluchtelingencrisis, en de aanzienlijke inspanningen van het land om onderdak en humanitaire goederen te verschaffen, hoofdzakelijk met steun van de EU; is verheugd over de goedkeuring door Servië van de nieuwe asielwet, de wet inzake buitenlanders en de wet inzake grenscontroles; spoort Servië aan zijn visumbeleid geleidelijk in overeenstemming te brengen met dat van de EU; stelt met bezorgdheid vast dat het niet‑afgestemde visumbeleid van Servië een mogelijkheid heeft geboden voor illegale migratie en smokkel naar EU‑landen, evenals naar buurlanden die geen lid van de EU zijn; spoort Servië aan te voorzien in een terugkeermechanisme voor irreguliere migranten die in overeenstemming is met het EU-acquis en zijn capaciteit om te voorzien in de behoeften van niet‑begeleide minderjarigen verder te verbeteren; verzoekt Servië een haalbare oplossing te vinden voor vluchtelingen uit buurlanden, ook wat betreft hun behoefte aan huisvesting en toegang tot werk en onderwijs;

Rechtsstaat

9.  spoort Servië aan om zijn hervormingsinspanningen op het gebied van de rechtsstaat op te voeren, en in het bijzonder de onafhankelijkheid en de algehele doeltreffendheid van het rechtsstelsel te waarborgen; onderstreept dat bijzondere nadruk moet worden gelegd op het doorvoeren van doeltreffende hervormingen op dit gebied; merkt op dat weliswaar enige vooruitgang is geboekt bij het inhalen van de achterstand op het gebied van oude handhavingszaken en bij het nemen van maatregelen om de gerechtelijke praktijk te harmoniseren, maar dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Servië niet volledig gewaarborgd is en dat de ruimte voor politieke beïnvloeding van de rechterlijke macht een punt van zorg blijft; roept Servië op om de verantwoordingsplicht, de onpartijdigheid, het professionalisme, en de algehele doeltreffendheid van de rechterlijke macht te versterken, en een systeem voor gratis rechtshulp in te stellen dat een breed scala waarborgt aan verleners van gratis rechtshulp; wenst dat uitvoering wordt gegeven aan alle uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

10.  herhaalt hoe belangrijk het is dat de strijd tegen corruptie wordt opgevoerd en dringt er bij Servië op aan dat het zich duidelijk engageert om dit probleem aan te pakken; is verheugd over de tenuitvoerlegging van de wet inzake de organisatie en rechtsbevoegdheid van overheidsinstanties bij de bestrijding van georganiseerde misdaad, terrorisme en corruptie; is verheugd over de aanneming van de wijzigingen van het hoofdstuk over economische misdrijven in het nationale wetboek van strafrecht en moedigt Servië aan om deze volledig ten uitvoer te leggen, met inbegrip van de wijziging betreffende ambtsmisbruik, om elke vorm van misbruik te voorkomen; verzoekt om de verdere uitvoering van de nationale strategie ter bestrijding van corruptie en het actieplan ter zake; vraagt Servië opnieuw om snel een nieuwe wet over het nationale agentschap voor corruptiebestrijding aan te nemen met het oog op een betere planning, coördinatie en monitoring van de implementatie van nieuwe en bestaande wetgeving en beleidsmaatregelen; benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat het agentschap voldoende financiën en personeel krijgt en behoudt om zijn taken op onafhankelijke wijze uit te voeren; benadrukt dat de leden van het agentschap voor corruptiebestrijding moeten worden gekozen in overeenstemming met de beginselen van transparantie en afwezigheid van belangenconflicten of politieke affiliatie; roept de autoriteiten ertoe op om alle vacatures bij het agentschap op te vullen; roept Servië ertoe op om nog betere resultaten te boeken bij het onderzoek naar en vervolgingen en definitieve veroordelingen in corruptiezaken op hoog niveau en om regelmatig statistieken te publiceren over de resultaten van onderzoeken in alle gevallen van vermeende corruptie van ambtenaren;

11.  verzoekt de Servische autoriteiten om de aanbevelingen van de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) uit te voeren; verzoekt het Servische parlement om in het bijzonder de aanbevelingen met betrekking tot het voorkomen van corruptie en belangenconflicten op te pakken, en om de gedragscode aan te nemen;

12.  erkent dat enige vooruitgang is geboekt bij de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en is verheugd over de actieve rol die Servië speelt op het gebied van de internationale en regionale politiële en justitiële samenwerking; roept Servië ertoe op verdere inzet te tonen en concrete resultaten te boeken in deze strijd, met name door overtuigende resultaten te boeken bij het onderzoek naar en vervolgingen en veroordelingen in georganiseerde-misdaadzaken, met inbegrip van illegale handel en smokkel van migranten van Servië naar de EU en naar landen buiten de EU, aan de georganiseerde misdaad gerelateerde moorden, cybercriminaliteit, financieringsstromen ter ondersteuning van terroristische activiteiten en witwassen; roept Servië op de volledige tenuitvoerlegging voort te zetten van het actieplan waarover overeenstemming is bereikt met de Financiële-actiegroep (FATF); vestigt de aandacht op het toenemende aantal criminele aanvallen en verzoekt om de oplossing hiervan door volledige samenwerking met de rechterlijke instanties;

Democratie en sociale dialoog

13.  benadrukt dat het Servische parlement nog altijd geen effectief toezicht uitoefent op de uitvoerende macht, en dat de transparantie, de inclusiviteit en de kwaliteit van het wetgevingsproces verder moeten worden verbeterd; is verheugd over het feit dat minder vaak gebruik wordt gemaakt van spoedprocedures om wetgeving aan te nemen; benadrukt echter dat het nog altijd frequente gebruik van spoedprocedures het parlementair en openbaar toezicht schaadt; benadrukt dat geen acties moeten worden ondernomen die de mogelijkheid van het Servische parlement om effectief debat te voeren over en toezicht te houden op wetgeving, beperken; benadrukt het belang van het werk van de oppositie in een democratie en onderstreept dat oppositiepolitici niet het slachtoffer moeten worden van laster en smaad; speekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat sommige politici het publieke debat gebruiken om radicalisme aan te wakkeren; verzoekt om aanvullende maatregelen om de partijoverstijgende dialoog en effectieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te waarborgen; roept het Servische parlement op om de praktijk van obstructie te beoordelen en te onderzoeken of deze het democratische debat verstikt; is verheugd over de voortdurende inspanningen van het Servische parlement om de transparantie te verbeteren door middel van debatten over de onderhandelingsposities van Servië over EU-toetredingshoofdstukken, en uitwisselingen met het hoofdonderhandelingsteam en met de Nationale Conventie voor de Europese Unie; benadrukt dat de rol van onafhankelijke toezichthoudende instanties, waaronder de nationale ombudspersoon, het agentschap voor corruptiebestrijding, de nationale rekenkamer en de commissaris voor informatie van openbaar belang en de bescherming van persoonsgegevens, volledig moet worden erkend en ondersteund; verzoekt het Servische parlement deel te nemen aan de uitvoering van bevindingen en aanbevelingen van onafhankelijke toezichthoudende instanties, in het bijzonder die van de ombudspersoon; herinnert eraan dat de sociale dialoog een van de pijlers van het Europese sociale model is en dat regelmatig overleg tussen de regering en de sociale partners uiterst belangrijk is om sociale spanningen en conflicten te voorkomen; benadrukt dat het cruciaal is dat de sociale dialoog verder gaat dan de uitwisseling van informatie en dat belanghebbende partijen moeten worden geraadpleegd over belangrijke wetten voordat de parlementaire procedure hiervoor van start gaat;

14.  is verheugd over de presentatie van het ontwerp van grondwettelijke hervorming van de nationale rechterlijke macht dat voor advies bij de Commissie van Venetië is ingediend; benadrukt het belang van de volledige tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; moedigt de Servische autoriteiten aan om op constructieve wijze een inclusief en betekenisvol publiek debat aan te gaan om het bewustzijn van het proces van de grondwetshervorming in het land te vergroten; roept op tot een brede publieke raadpleging voordat het uiteindelijke ontwerp bij het Servische parlement wordt ingediend;

15.  is verheugd over de vooruitgang die Servië heeft geboekt bij de hervorming van de overheid, met name door de aanneming van een aantal nieuwe wetten over salarissen in de publieke sector en arbeidsverhoudingen, over lokaal bestuur en salarissen in de autonome provincies, en over de nationale opleidingsacademie; benadrukt dat politieke beïnvloeding bij de benoeming van hoger leidinggevend personeel een punt van zorg blijft; verzoekt Servië de wetgeving voor het ambtenarenapparaat te wijzigen om de neutraliteit van het openbaar bestuur te garanderen; merkt op dat de versterking van de administratieve capaciteiten op alle niveaus van belang is voor de succesvolle uitvoering van de belangrijke hervormingen; is verheugd over de oprichting van een ministerie voor Europese Integratie, dat de structuren omvat van het voormalige Servische bureau voor Europese Integratie, dat politieke sturing blijft geven voor Europese integratie;

Mensenrechten

16.  onderstreept dat er een wetgevings- en institutioneel kader bestaat voor de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat een consistente en doeltreffende implementatie in het hele land vereist is; verzoekt Servië de nieuwe wet inzake gegevensbescherming goed te keuren en te waarborgen dat deze volledig in overeenstemming is met de EU‑normen en beste praktijken; merkt op dat verdere gestage inspanningen noodzakelijk zijn voor het verbeteren van de situatie van personen die tot kwetsbare groepen behoren, waaronder kinderen, personen met een handicap, personen met hiv/aids en LGBTI-personen; veroordeelt de steeds weer voorkomende haatmisdrijven tegen Roma en LGBTI-personen; roept Servië ertoe op een actieve houding aan te nemen bij onderzoek naar en vervolging en veroordeling bij door haat ingegeven misdaden; roept de Servische autoriteiten op een klimaat van verdraagzaamheid te bevorderen en alle vormen van haatzaaiende taal, de openlijke goedkeuring en ontkenning van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te veroordelen;

17.  verzoekt Servië de rol en capaciteiten van zijn autoriteiten te versterken met het oog op de bescherming van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen, kinderen en personen met een handicap, en een betere samenwerking tot stand te brengen tussen de politie, openbaar aanklagers en sociale diensten in dit verband; is verheugd over de ratificatie van het Verdrag van Istanbul en de recente ontwikkelingen betreffende maatregelen voor de bescherming van kinderen tegen geweld, waaronder de aankondiging van de regering dat zij een ombudspersoon voor kinderen zal instellen, en verzoekt de autoriteiten toezicht te houden op de uitwerking van de wetgeving en andere maatregelen; onderstreept dat er nog altijd tekortkomingen bestaan bij de handhaving van de mensenrechten van personen met een handicap, en dringt er bij de regering op aan een nationale strategie inzake personen met een handicap aan te nemen;

18.  moedigt de Servische autoriteiten sterk aan zich meer in te spannen om de situatie omtrent de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media te verbeteren; is verheugd over de oprichting van de nieuwe werkgroep voor de ontwikkeling van de ontwerpstrategie voor de media; benadrukt dat bedreigingen en geweld tegen en intimidatie van journalisten en in verband met uitingen in de media, onder meer door administratieve pesterijen en intimidatie door rechterlijke procedures, een punt van zorg blijven; verzoekt ambtenaren elke vorm van intimidatie van journalisten consequent openbaar te veroordelen en af te zien van inmenging in de activiteiten van de media en journalisten, ook in het kader van verkiezingen; merkt in dit verband op dat hoewel een aantal zaken is opgelost en in enkele gevallen strafrechtelijke vervolging is ingesteld, verdachten nog altijd zelden worden veroordeeld; is verheugd over de inspanningen van de permanente werkgroep die werd opgericht bij de overeenkomst inzake de samenwerking en maatregelen voor de verbetering van de veiligheid van journalisten en verzoekt de autoriteiten hun volledige inzet te tonen bij het instellen van een onderzoek en vervolging bij elke zaak die verband houdt met aanvallen op journalisten en uitingen in de media; roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van mediawetten en de versterking van de onafhankelijkheid van het nationaal regelgevend orgaan voor Elektronische Media; is verheugd over de hernieuwde inspanningen om een mediastrategie aan te nemen om een pluralistische mediaomgeving tot stand te brengen, en benadrukt in dit verband het belang van een transparante en inclusieve raadpleging van de belanghebbenden; benadrukt dat volledige transparantie over de eigendomsstructuur en financiering van de media noodzakelijk is; verzoekt om de goedkeuring van beleid ter bescherming van de media en programma's in de talen van in Servië woonachtige nationale minderheden;

19.  verzoekt de Servische autoriteiten de samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld te verbeteren, met inbegrip van vrouwenorganisaties en mensenrechtengroepen, wier rol belangrijk is voor een goed functionerende democratie; veroordeelt de negatieve campagnes en beperkingen gericht tegen bepaalde organisaties uit het maatschappelijk middenveld; verzoekt om de goedkeuring van een nationale strategie en hieraan gerelateerd actieplan voor de regulering van het klimaat waarin organisaties uit het maatschappelijk middenveld werkzaam zijn; is van mening dat verdere inspanningen nodig zijn om te zorgen voor een systematische samenwerking tussen de regering en het maatschappelijk middenveld en vraagt om meer aandacht bij het opstellen en uitvoeren van wetgeving op gebieden die gevolgen hebben voor het maatschappelijk middenveld;

20.  merkt enige vooruitgang op wat betreft de onwettige vernieling van particulier eigendom en de ontneming van bewegingsvrijheid in de wijk Savamala in Belgrado in april 2016; dringt aan op een oplossing voor deze zaak en op volledige samenwerking met de rechterlijke instanties in de onderzoeken om de daders voor de rechter te brengen;

Eerbiediging en bescherming van minderheden

21.  is verheugd over de goedkeuring van een actieplan ter verwezenlijking van de rechten van nationale minderheden en de goedkeuring van een decreet inzake de oprichting van een fonds voor nationale minderheden; verzoekt de Servische regering om alle internationale verdragen inzake minderheidsrechten volledig toe te passen; benadrukt dat de vooruitgang ten aanzien van de waarborging van de rechten van nationale minderheden niet bevredigend is en roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van het actieplan en tot betere samenwerking met en deelname van belanghebbenden, met inbegrip van buurlanden voor vervoers- en communicatiebehoeften; merkt op dat het fonds voor nationale minderheden functioneert en dat de financiering ervan is verhoogd; is verheugd over de goedkeuring van cruciale wetten inzake het kader voor de rechten van minderheden; herhaalt zijn oproep aan Servië om ervoor te zorgen dat de wetgeving inzake de bescherming van minderheden consequent wordt toegepast, onder meer met betrekking tot onderwijs en cultuur, het gebruik van minderheidstalen, vertegenwoordiging in het openbaar bestuur en de rechterlijke macht en de continue toegang tot de media en religieuze diensten in minderheidstalen; erkent de actieve deelname van de nationale minderheden van het land aan verkiezingscycli en verzoekt om de aanneming van beleid om een eerlijke politieke vertegenwoordiging van nationale minderheden in de Servische nationale vergadering te waarborgen; verzoekt om de volledige uitvoering van het recht op tijdige geboorteregistratie; benadrukt dat de bevordering en bescherming van de mensenrechten, waaronder de rechten van nationale minderheden, een voorwaarde is voor toetreding tot de EU;

22.  merkt op dat de culturele diversiteit van de provincie Vojvodina bijdraagt aan de Servische identiteit; benadrukt dat de autonomie van Vojvodina moet worden behouden en dat de wet inzake de financiële middelen van Vojvodina onverwijld moet worden aangenomen, zoals de grondwet bepaalt;

23.  is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe strategie voor sociale inclusie van de Roma voor de periode 2016‑2025, samen met een actieplan dat betrekking heeft op onderwijs, gezondheid, huisvesting en arbeid; is verheugd over het feit dat in de strategie wordt erkend dat Romavrouwen te maken krijgen met bijzondere discriminatie; dringt er bij Servië op aan duidelijke doelstellingen en indicatoren vast te stellen voor de monitoring van de uitvoering van de nieuwe strategie; is bezorgd over het hoge percentage Romameisjes dat voortijdig stopt met school; merkt op dat de meeste Roma lijden onder sociale uitsluiting en te maken krijgen met systematische schendingen van hun rechten; roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van de nieuwe strategie voor inclusie van de Roma en het actieplan; benadrukt het belang van het opstellen van beleid ter bestrijding van discriminatie van Roma en zigeunerhaat; pleit ervoor dat een betekenisvolle publieke en politieke participatie van Roma mogelijk wordt gemaakt op alle niveaus;

Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap

24.  is erover verheugd dat Servië zich blijft inzetten voor constructieve bilaterale betrekkingen met andere uitbreidingslanden en aangrenzende lidstaten; is verheugd over het feit dat Servië nog altijd betrokken is bij een aantal initiatieven voor regionale samenwerking zoals het Zuidoost-Europese samenwerkingsproces, de Raad voor regionale samenwerking, de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst (CEFTA), het Adriatisch-Ionische initiatief, de macroregionale strategieën van de EU voor de Donauregio (EUSDR), de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (EUSAIR), het proces van Brdo-Brijuni, het initiatief "de Zes van de Westelijke Balkan" en de bijbehorende agenda voor connectiviteit, en het proces van Berlijn; is verheugd over de tot dusver geboekte resultaten van het initiatief "de Zes van de Westelijke Balkan" en verzoekt om de verdere ontwikkeling van de regionale economische ruimte (REA); verzoekt Servië opnieuw om uitvoering te geven aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit die met de agenda voor connectiviteit verbonden zijn; is verheugd over de inspanningen van Servië om prioriteit te verlenen aan investeringen in infrastructuur en onderstreept het belang van een betere connectiviteit in de regio; merkt op dat meer inspanningen moeten worden verricht voor de economische en sociale ontwikkeling van de grensregio's teneinde ontvolking te voorkomen; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen; benadrukt dat onopgeloste bilaterale geschillen geen schadelijke gevolgen mogen hebben voor het toetredingsproces; staat pal achter de toezegging van de partners van de Westelijke Balkan dat zij de goede nabuurschapsbetrekkingen, de regionale stabiliteit en de onderlinge samenwerking zullen versterken; herinnert eraan dat de EU vastbesloten is haar betrokkenheid te versterken en te intensiveren om de omvorming in de regio te ondersteunen;

25.  is ingenomen met de goedkeuring van een nationale strategie voor onderzoek naar en vervolging van oorlogsmisdaden; neemt nota van de goedkeuring van een vervolgingsstrategie voor onderzoek naar en vervolging van oorlogsmisdaden en dringt er bij Servië op aan alle voorziene activiteiten uit te voeren; is verheugd over de benoeming in mei 2017 van een nieuwe openbare aanklager voor oorlogsmisdaden; herhaalt zijn oproep tot de tenuitvoerlegging van deze strategie, in het bijzonder door het indienen van aanklachten, en tot de goedkeuring van een operationele vervolgingsstrategie; verzoekt Servië om doeltreffend onderzoek te doen in alle zaken met betrekking tot oorlogsmisdaden, in het bijzonder de geruchtmakende zaken, en samen te werken met zijn regionale partners in deze zaken; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich verder in te spannen om deze kwesties op te lossen bij de onderhandelingen tussen de EU en Servië; verzoekt de autoriteiten het probleem betreffende personen die tijdens de oorlogen van de jaren 90 vermist raakten, verder aan te pakken; roept Servië op om opnieuw volledig samen te werken met het bestaande mechanisme voor de uitoefening van de residuele functies van de internationale straftribunalen; dringt er bij de Servische autoriteiten op aan zich te blijven inzetten voor de opheldering van het lot van vermiste personen, door onder meer de staatsarchieven die verband houden met de oorlogsperiode te openen; dringt er bij Servië op aan een regeling te ontwikkelen voor herstelbetalingen aan slachtoffers en hun families; spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië; benadrukt het belang van het werk van het Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (RYCO) en de lokale afdelingen ervan voor het bevorderen van verzoening onder jongeren; verzoekt om verdere amendementen op de wet inzake restitutie en benadrukt het belang van een niet-discriminatoire behandeling van aanvragers van restitutie ten opzichte van andere begunstigden, met name op het gebied van de registratie van openbare eigendom;

26.  betreurt de herhaalde ontkenning van de genocide van Srebrenica door sommige Servische autoriteiten; herinnert hen eraan dat volledige medewerking met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië en de opvolger daarvan, het Internationaal Restmechanisme voor Straftribunalen, impliceert dat zij de uitspraken en besluiten ervan ten volle aanvaarden en ten uitvoer leggen; benadrukt dat de erkenning van de genocide van Srebrenica een fundamentele stap is op de weg naar toetreding van Servië tot de Europese Unie;

27.  is verheugd dat Servië betrokken blijft bij het normalisatieproces met Kosovo en dat het zich inzet voor de uitvoering van de overeenkomsten die bereikt zijn in de door de EU gefaciliteerde dialoog; is verheugd over het feit dat Servische president een interne dialoog over Kosovo is gestart; herhaalt zijn verzoek om ernaar te blijven toewerken dat alle reeds bereikte overeenkomsten, waaronder de overeenkomsten over energie, onverkort, te goeder trouw en tijdig worden uitgevoerd, en moedigt beide partijen aan om vastbesloten door te gaan met het normaliseringsproces; benadrukt het belang van de oprichting van een associatie/gemeenschap van gemeenten met een Servische meerderheid; benadrukt dat de werkzaamheden voor een nieuwe fase van de dialoog met het oog op een algehele normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo, die in een juridisch bindende overeenkomst moet worden vastgelegd, moeten worden versneld; herhaalt zijn verzoek aan de EDEO om de prestaties van de partijen bij de naleving van hun verplichtingen te evalueren; veroordeelt ondubbelzinnig de moord op Kosovo-Servisch politicus Oliver Ivanović en benadrukt het feit dat er behoefte is aan echte samenwerking tussen de Kosovaarse en Servische onderzoekers en aan internationale steun, om ervoor te zorgen dat de daders voor de rechter worden gebracht;

28.  neemt nota van het lopende debat en openbare verklaringen over mogelijke aanpassingen van de grens tussen Servië en Kosovo, met inbegrip van de uitwisseling van grondgebied; wijst op de multi-etnische aard van zowel Kosovo als Servië en onderstreept dat etnisch homogene staten niet het doel moeten zijn in de regio; ondersteunt de door de EU gefaciliteerde dialoog als kader om te komen tot een brede normaliseringsovereenkomst tussen Servië en Kosovo; is van mening dat een overeenkomst alleen kan worden geaccepteerd als beide partijen hiermee instemmen, waarbij rekening wordt gehouden met de algehele stabiliteit in de regio en het internationaal recht;

29.  uit zijn zorgen over herhaaldelijke verklaringen van belangrijke politici die vraagtekens plaatsen bij de territoriale integriteit van Bosnië en Herzegovina en veroordeelt alle vormen van nationalistische retoriek die gericht zijn op de aanmoediging van de desintegratie van het land;

Energie en vervoer

30.  vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit in de energiesector; moedigt Servië aan om mededinging op de gasmarkt te ontwikkelen en te voldoen aan de desbetreffende verplichtingen met betrekking tot ontbundelen, waarin is voorzien in het derde energiepakket; verzoekt Servië zijn energiebeleid te ontwikkelen om minder afhankelijk te worden van de invoer van Russisch gas; is verheugd over de inspanningen van het land om investeringen te bevorderen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; herinnert eraan dat de wetgeving inzake het efficiënte gebruik van energie niet volledig in overeenstemming is met de desbetreffende EU-richtlijnen; verzoekt Servië zijn energiebronnen te diversifiëren naar andere hernieuwbare bronnen;

31.  verzoekt de Servische regering de nodige maatregelen te nemen om beschermde gebieden te vrijwaren, met name wat betreft de ontwikkeling van waterkrachtcentrales in ecologisch kwetsbare gebieden zoals het Stara Planina-natuurpark; dringt in dit verband aan op grondige milieueffectbeoordelingen op basis van de EU-normen die zijn vastgesteld in de vogel- en habitatrichtlijnen en in de kaderrichtlijn water; spoort de Servische regering aan de transparantie van geplande projecten te verbeteren door middel van inspraak en raadpleging van alle belanghebbenden;

32.  is verheugd over de gezamenlijke verbintenis die op 17 mei 2018 door Servië en Bulgarije is ondertekend, ter gelegenheid van de Westelijke-Balkantop in Sofia, om de gasinterconnector tussen de twee landen te bouwen en over de goedkeuring van het pakket IPA 2018, dat het strategisch belangrijke infrastructuurproject "Nis-Merdare-Pristina highway of peace" omvat, dat zal zorgen voor een betere vervoersverbinding tussen Centraal-Servië en Kosovo en dat van symbolisch belang is voor de betrekkingen in de regio;

33.  is ernstig bezorgd over het alarmerende niveau van luchtverontreiniging in Servië, waardoor volgens de gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2016 ongeveer 6 500 mensen stierven als gevolg van respiratoire aandoeningen; verzoekt de Servische autoriteiten in dit opzicht de noodzakelijke kortetermijnmaatregelen aan te nemen om deze situatie te verhelpen en het vervoers- en mobiliteitsbeleid in de grote steden op de middellange en lange termijn doeltreffend te hervormen;

o
o   o

34.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Servië.

(1) PB L 80 van 19.3.2008, blz. 46.
(2) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 71.


Verslag 2018 over Kosovo
PDF 204kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het Commissieverslag 2018 over Kosovo (2018/2149(INI))
P8_TA-PROV(2018)0479A8-0332/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de hieraan gehechte prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo, die van kracht is sinds 1 april 2006,

–  gezien de Europese hervormingsagenda voor Kosovo, die gestart is op 11 november 2016 in Pristina,

–  gezien de kaderovereenkomst met Kosovo inzake deelname aan programma's van de Unie, die van kracht is sinds 1 augustus 2017,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2018)0450) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie, het verslag 2018 over Albanië (SWD(2018)0156),

–  gezien het eerste akkoord over beginselen betreffende de normalisering van de betrekkingen tussen de regeringen van Servië en Kosovo van 19 april 2013 en andere akkoorden van Brussel in het kader van de door de EU gefaciliteerde dialoog ter normalisering van de betrekkingen, inclusief het protocol inzake geïntegreerd grensbeheer (Integrated Border Management, IBM), het juridisch kader inzake de associatie/gemeenschap van gemeenten met een Servische meerderheid en de akkoorden over de brug van Mitrovica en over energie,

–  gezien de integratie van Kosovo-Servische rechters, openbaar aanklagers en administratief personeel in het Kosovaarse gerechtelijke apparaat, overeenkomstig de in februari 2015 bereikte overeenkomst inzake justitie,

–  gezien Besluit (GBVB) 2018/856 van de Raad van 8 juni 2018 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (EULEX KOSOVO)(1), waarin tevens de duur van de missie verlengd is tot 14 juni 2020,

–  gezien het jaarverslag 2017 over de in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) uitgevoerde missies en operaties en het voortgangsverslag 2017 over het EULEX Compact,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN over de lopende activiteiten van de VN-missie voor interim-bestuur in Kosovo (UNMIK), met inbegrip van het meest recente verslag van 1 mei 2018, en het verslag over de activiteiten van de strijdkrachten in Kosovo (KFOR) van 7 februari 2018,

–  gezien de beoordeling door de Commissie van 17 april 2018 van het economische hervormingsprogramma van Kosovo voor de periode 2018-2020 (SWD(2018)0133) en de op 25 mei 2018 aangenomen gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de Raad (Ecofin) en de landen van de Westelijke Balkan en Turkije,

–  gezien de eindverslagen van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie van 11 juni 2017 over de parlementsverkiezingen in Kosovo en van 22 oktober 2017 over de burgemeesters- en gemeenteraadsverkiezingen in Kosovo,

–  gezien de 4e bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité (SAPC) EU-Kosovo, gehouden in Straatsburg op 17-18 januari 2018,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 4 mei 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo)(COM(2016)0277) en het vierde verslag van de Commissie over de vooruitgang van Kosovo met de uitvoering van de vereisten van het stappenplan voor visumliberalisering (COM(2016)0276),

–  gezien de ratificatie van de overeenkomst inzake grensafbakening tussen Kosovo en Montenegro door de parlementen van Montenegro en Kosovo,

–  gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin kennis werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU werd verwelkomd om een dialoog tussen Servië en Kosovo te faciliteren,

–  gezien het resultaat van het in 2017 door de Commissie, de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties verrichte onderzoek naar gemarginaliseerde Roma in de Westelijke Balkan,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 21 september 2015 getiteld "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2020)" (SWD(2015)0182),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Kosovo,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0332/2018),

A.  overwegende dat verdere aanzienlijke inspanningen, op basis van een constructieve dialoog tussen de politieke krachten en met de buurlanden, nodig zijn om zich voor te bereiden op de uitdagingen van het EU-lidmaatschap;

B.  overwegende dat elk uitbreidingsland afzonderlijk wordt beoordeeld op zijn eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

C.  overwegende dat 114 landen de onafhankelijkheid van Kosovo hebben erkend, waaronder 23 van de 28 EU-lidstaten;

D.  overwegende dat de EU meermaals haar bereidheid heeft getoond om de economische en politieke ontwikkeling van Kosovo via een duidelijk Europees perspectief te steunen, terwijl Kosovo ambitie heeft getoond op zijn pad naar Europees lidmaatschap;

E.  overwegende dat Kosovo door de aanhoudende polarisatie tussen zijn politieke partijen beperkte vooruitgang laat zien op het gebied van EU-gerelateerde hervormingen, die van essentieel belang zijn om verdere vooruitgang te boeken in het proces van toetreding tot de EU;

F.  overwegende dat de bloeiende informele economie in Kosovo de algemene ontwikkeling van een levensvatbare economie in het land in de weg staat;

G.  overwegende dat de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo in Den Haag volledig gerechtelijk operationeel zijn sinds 5 juli 2017;

H.  overwegende dat de Raad op 8 juni 2018 heeft besloten het mandaat van de EU-rechtsstaatmissie in Kosovo (EULEX) te heroriënteren en te verlengen en een einde te maken aan het gerechtelijke uitvoerende deel van het mandaat van de missie; overwegende dat de nieuwe einddatum van het mandaat is vastgesteld op 14 juni 2020;

I.  overwegende dat Kosovo het enige overblijvende land in de Westelijke Balkan is waarvan de burgers een visum nodig hebben om naar het Schengengebied te reizen;

1.  is ingenomen met de belangrijke stukken wetgeving die zijn aangenomen in het kader van de Europese hervormingsagenda en roept op tot volledige uitvoering ervan; is van mening dat er een partij-overschrijdende consensus moet worden bereikt om belangrijke EU-gerelateerde hervormingen goed te keuren; kijkt uit naar de vaststelling van een nieuwe Europese hervormingsagenda in 2019;

2.  wijst echter op de trage tenuitvoerlegging van fundamentele hervormingen, als gevolg van een gebrek aan consensus tussen alle partijen en een voortdurende politieke polarisatie; merkt op dat dit negatieve gevolgen heeft gehad voor het vermogen van het parlement en de regering om duurzame en blijvende hervormingen te realiseren; veroordeelt het belemmerende gedrag van een aantal parlementsleden; roept alle politieke partijen op een inclusieve politieke dialoog tot stand te brengen; benadrukt het feit dat het effectieve toezicht van het parlement op de uitvoerende macht en de transparantie en kwaliteit van de wetgeving moeten worden verbeterd, mede door te zorgen voor actieve en constructieve participatie en door het gebruik van spoedprocedures voor de goedkeuring van wetten te beperken; moedigt consensus aan over hervormingen in verband met toetreding tot de EU;

3.  is tevreden met het feit dat enige vooruitgang is geboekt met betrekking tot de overheid, maar benadrukt het feit dat verdere hervormingen nodig zijn; dringt er met name op aan dat de overheidsadministratie wordt gedepolitiseerd en geherstructureerd;

4.  is verheugd over de langverwachte ratificering van de overeenkomst van augustus 2015 inzake grensafbakening met Montenegro in maart 2018, die een stap vooruit is in de richting van goede betrekkingen met de buurlanden; onderstreept het feit dat deze stap belangrijk is voor visumliberalisering;

5.  dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan de eerder vastgestelde electorale tekortkomingen, inclusief het gebrek aan transparantie en verantwoording bij de financiering van politieke partijen en campagnes en aantijgingen van wijd verspreide intimidatie van kiezers, met name in veel Kosovo-Servische gemeenschappen, grondig aan te pakken door tijdig wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om tegemoet te komen aan de nog niet opgevolgde aanbevelingen van de door de EU en het Europees Parlement georganiseerde waarnemingsmissies en van de Commissie van Venetië, en zulks ruim vóór de volgende verkiezingsronde, om volledig te voldoen aan de internationale normen; is ingenomen met de vooruitgang die in de organisatie van de verkiezingen is geboekt met betrekking tot gendergelijkheid en roept Kosovo ertoe op zijn inspanningen nog te intensiveren om de politieke participatie van vrouwen te vergroten en het algemene rechtskader te versterken;

6.  spreekt zijn bezorgdheid uit over Kosovo's ondergefinancierde gerechtelijk apparaat, wijdverbreide corruptie, elementen van gijzeling van de overheid, ongepaste politieke beïnvloeding en kwesties in verband met een gebrek aan eerbiediging van eerlijke processen en een behoorlijke rechtsgang, inclusief bij uitlevering; onderstreept het belang van hervormingsprocessen op het gebied van de rechtsstaat, met bijzondere aandacht voor onafhankelijkheid en efficiëntie en het feit dat de bescherming van getuigen verder moet worden versterkt;

7.  benadrukt het feit dat een representatief gerechtelijk apparaat en een uniforme toepassing van de wet van Kosovo noodzakelijke voorwaarden zijn voor het aanpakken van een inconsistente, trage en inefficiënte rechtsbedeling; is tevreden met de integratie van Kosovo-Servische rechters, openbaar aanklagers en administratief personeel in het Kosovaarse gerechtelijk apparaat, overeenkomstig de overeenkomst inzake justitie van 2015 tussen Servië en Kosovo; is van mening dat de rechterlijke macht nog steeds kwetsbaar is voor ongepaste politieke beïnvloeding en dat bijkomende inspanningen nodig zijn om capaciteit op te bouwen en de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van rechters en aanklagers te waarborgen, onder meer door een grondige functionele gerechtelijke doorlichting voor alle rechters, aanklagers, hoge politieambtenaren en strafonderzoekers; is verheugd over de oprichting in november 2017 van de Regeringscommissie voor erkenning en controle van de status van slachtoffers van seksueel geweld tijdens het conflict in Kosovo;

8.  merkt op dat corruptie en georganiseerde misdaad, waaronder drugs- en mensenhandel en cybercriminaliteit, nog steeds zorgwekkend zijn en gecoördineerde inspanningen vereisen; is ingenomen met de eerste vooruitgang die is geboekt bij de verbetering van de prestaties op het gebied van het onderzoek naar en de vervolging van corruptie op hoog niveau en in zaken in verband met georganiseerde misdaad; verwacht beslissende en blijvende inspanningen overeenkomstig de verplichtingen van het toetredingsproces tot de EU; is verheugd over de voortdurende inspanningen van de ombudsman ter versterking van zijn capaciteit om gevallen te onderzoeken;

9.  vraagt de totstandbrenging van een verbeterd juridisch kader en een grotere efficiëntie en capaciteit op het gebied van vervolging, om een alomvattende aanpak mogelijk te maken van onderzoek en vervolging, dat moet worden verwezenlijkt door de bevriezing, confiscatie en ontneming van vermogensbestanddelen en definitieve veroordelingen in zaken van corruptie op hoog niveau, georganiseerde en financiële misdaad, witwassen van geld en financiering van terrorisme; dringt aan op waarborgen om de onafhankelijkheid te garanderen van rechtshandhaving en vervolging en op preventieve maatregelen ter bestrijding van corruptie in diverse sectoren; acht bijkomende maatregelen nodig om te zorgen voor een betere samenwerking en coördinatie tussen wetshandhavingsinstanties en om de onafhankelijkheid en aflegging van verantwoording door de rechterlijke macht te vergroten; roept Kosovo ertoe zich te houden aan de internationale procedures en regels voor de uitlevering van buitenlanders door de nodige maatregelen in te voeren ter voorkoming van gevallen zoals dat van de zes Turkse onderdanen die eind maart 2018 vanuit Kosovo naar Turkije werden gedeporteerd; is in dit verband verheugd over het besluit van het Kosovaarse parlement om een enquêtecommissie op te richten om dit geval te onderzoeken;

10.  dringt aan op werkelijke en constructieve justitiële en politiële samenwerking tussen Kosovo en de Servische autoriteiten; is van mening dat lidmaatschap van Kosovo van Interpol en intensievere samenwerking met Europol de doeltreffendheid van de maatregelen tegen transnationale misdaad zou vergroten; moedigt intussen verdere samenwerking aan in de strijd tegen terrorisme;

11.  acht het van essentieel belang om op tijdige en alomvattende wijze de aanbevelingen ten uitvoer te leggen van de ombudspersoon, de auditeur-generaal, het anti-corruptieagentschap en de regelgevende commissie voor het plaatsen van overheidsopdrachten van Kosovo; benadrukt het feit dat de tekortkomingen in het systeem voor overheidsopdrachten moeten worden geremedieerd en dat de interinstitutionele samenwerking en de uitwisseling van informatie moeten worden verbeterd; beveelt ten stelligste aan de monitoring-, evaluatie- en auditcapaciteiten te vergroten en een strategie voor fraudebestrijding vast te stellen en ten uitvoer te leggen om de financiële belangen van Kosovo en de EU te beschermen;

12.  is ingenomen met de op 18 juli 2018 gepubliceerde bevestiging van de Commissie dat aan de benchmarks voor visumliberalisatie is voldaan; acht het van essentieel belang om Kosovo zonder onnodige vertraging afschaffing van de visumplicht te verlenen; is van mening dat afschaffing van de visumplicht de stabiliteit zal verbeteren en Kosovo dichter bij de EU zal brengen door reizen en zakendoen gemakkelijker te maken, en tegelijk bij te dragen aan de bestrijding van mensensmokkel en corruptie; roept de Raad ertoe op snel zijn mandaat aan te nemen om stappen te zetten in de richting van de goedkeuring van een regeling van visumvrijheid;

13.  merkt op dat naast de vooruitgang die geboekt is om te voldoen aan de vereisten voor visumliberalisering, voort inspanningen moeten worden geleverd in de strijd tegen georganiseerde misdaad, drugshandel, mensensmokkel en corruptie, samen met concrete inspanningen om irreguliere migratiestromen te beheren en het aantal ongegronde asielaanvragen terug te dringen;

14.  neemt met voldoening kennis van de aanzienlijke vermindering van het aantal asielaanvragen en overnamen van burgers van Kosovo, en van het aantal aanvragen voor overnameovereenkomsten; neemt met voldoening kennis van de nieuwe strategie voor re-integratie en vraagt dat deze volledig ten uitvoer wordt gelegd;

15.  prijst de inspanningen van Kosovo om de uitstroom van buitenlandse strijders, die bijna uitsluitend bestaat uit jihadisten, te stelpen en terroristische dreigingen aan te pakken; roept op tot actieve regionale samenwerking bij het bestrijden van potentiële terroristische activiteiten en het onderbreken van financiële stromen die bestemd zijn voor de financiering van terrorisme; dringt er bij Kosovo op aan radicalisering via internet en externe extremistische invloeden aan te pakken; onderstreept het feit dat de preventie van terrorisme en de vervolging van vermoedelijke strijders, samen met rehabilitatie, onderwijs en sociale re-integratie van de strijders en hun familie belangrijk zijn; benadrukt het feit dat met name de radicalisering moet worden voorkomen van gevangenen en kwetsbare jongeren en dat actief moet worden gewerkt aan hun deradicalisering;

16.  veroordeelt ondubbelzinnig de moord op Kosovo-Servisch politicus Oliver Ivanović; beschouwt deze moord als een zware slag voor de constructieve en gematigde stemmen in de Servische gemeenschap in Kosovo; benadrukt het feit dat er dringend behoefte is aan echte samenwerking tussen de Kosovaarse en Servische onderzoekers en aan internationale steun, om ervoor te zorgen dat zowel de daders van de moord als degenen die er opdracht toe hebben gegeven, onverwijld voor het gerecht worden gebracht;

17.  betreurt de terughoudendheid om zaken in verband met oorlogsmisdaden te behandelen en benadrukt het belang van duidelijk politiek engagement om deze zaken te vervolgen; dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan hun sterke en aanhoudende engagement te tonen met betrekking tot hun internationale verplichtingen ten aanzien van de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo in Den Haag; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de pogingen van leden van het Kosovaarse parlement in december 2017 om de wet op de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo op te heffen; betreurt ten zeerste het feit dat deze pogingen ertoe hebben geleid dat geen gezamenlijke aanbevelingen zijn goedgekeurd als gevolg van het uitstel van de vierde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Kosovo (SAPC) op 17-18 januari 2018; roept op tot een constructieve aanpak van het SAPC EU-Kosovo en tot intensievere parlementaire samenwerking op dit gebied;

18.  dringt er bij de autoriteiten op aan de wederzijdse juridische samenwerking tussen de openbare ministeries van Kosovo en Servië te intensiveren en de oprichting te ondersteunen van een regionale commissie voor het vaststellen van de feiten met betrekking tot de oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië tussen 1991 en 2001;

19.  neemt kennis van de belangrijke rol die EULEX speelt bij de versterking van de systemen van de onafhankelijke rechterlijke macht, de politie en de douane; erkent voorts de preventieve en verzoenende rol van EULEX met betrekking tot de vervolging en berechting in zaken in verband met oorlogsmisdaden, corruptie en georganiseerde misdaad, en de aanhoudende inspanningen van de missie voor het identificeren van vermiste personen en het omspitten van begraafplaatsen om zaken volledig op te lossen; beveelt een evaluatie aan van de sterke en zwakke punten van de missie;

20.  herhaalt zijn oproep aan EULEX om zijn doeltreffendheid te vergroten en zich te houden aan de strengste normen inzake transparantie en een nultolerantiebeleid te blijven voeren ten aanzien van corruptie, wanbeheer, wangedrag en politieke druk en inmenging;

21.  onderstreept het feit dat het Kosovaarse parlement onmiddellijk moet worden geïnformeerd over de activiteiten van EULEX en over alle wijzigingen in de juridische status ervan;

22.  neemt kennis van het nieuwe mandaat van EULEX en van de einddatum ervan; benadrukt echter het feit dat het boeken van concrete vooruitgang in Kosovo belangrijker is dan een vast tijdschema;

23.  vraagt dat de handhaving van het kader voor de mensenrechten de hoogste prioriteit krijgt en ondersteund wordt door adequate en toereikende coördinatie en financiering, met name op het gebied van gendergelijkheid, kinder- en arbeidsbescherming, sociale uitsluiting en discriminatie van personen met een handicap en etnische en taalminderheden, alsmede LGBTI's; benadrukt het feit dat het Bureau voor gendergelijkheid en de nationale coördinator voor bescherming tegen huiselijk geweld moeten worden versterkt en dat er meer preventie en handhaving van gerechtigheid tegen verwante misdrijven moet komen; herhaalt het feit dat de ontwerpwet over godsdienstvrijheid moet worden goedgekeurd;

24.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de genderongelijkheid en het gendergerelateerde geweld; dringt er bij Kosovo op aan te zorgen voor een volledige en tijdige uitvoering van de wetgeving inzake gendergelijkheid en antidiscriminatie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het gebrek aan vooruitgang bij de uitvoering van de strategie en het actieplan tegen huiselijk geweld en roept de autoriteiten op om meer stringente en doeltreffende maatregelen te nemen om gendergerelateerd geweld te bestrijden, onder meer door een versterking van het Bureau voor gendergelijkheid en de nationale coördinator voor bescherming tegen huiselijk geweld; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies; verzoekt de autoriteiten van Kosovo om de integratie van de genderdimensie als prioriteit aan te pakken, onder meer in de Europese hervormingsagenda en met het maatschappelijk middenveld, inclusief vrouwenorganisaties; moedigt Kosovo ertoe aan voort de kwestie aan te pakken van gerechtigheid en steun voor vrouwen tegen wie seksueel geweld gepleegd is tijdens de oorlog; dringt er bij Kosovo op aan de bepalingen van het Verdrag van Istanbul uit te voeren;

25.  roept het parlement van Kosovo ertoe op rekening te houden met de standpuntnota die gezamenlijk is ondertekend door de EU, UNICEF, de coalitie van ngo's voor de bescherming van kinderen in Kosovo (KOFM) en Save the Children bij de opstelling van de wet op de kinderbescherming;

26.  stelt met bezorgdheid vast dat Kosovo slechts beperkte vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de rechten van mensen met een handicap; roept Kosovo ertoe op om non-discriminatie en gelijke kansen voor mensen met een handicap te waarborgen;

27.  verzoekt de autoriteiten van Kosovo prioriteit te geven aan de behandeling van kwesties in verband met minderheden, met inbegrip van hun rechten, zowel wat cultuur als wat taal betreft, en de mogelijkheden die zij krijgen; betreurt het feit dat minderheden, zoals Roma, Ashkali en Balkan-Egyptenaren, nog steeds problemen ondervinden om persoonlijke documenten te verkrijgen, waardoor zij moeilijker toegang krijgen tot het staatsburgerschap, onderwijs, gezondheidszorg en sociale bijstand, en verzoekt de Kosovaarse autoriteiten deze problemen aan te pakken; is verheugd over de bereidheid van de autoriteiten om de rechten van mensen met historische Bulgaarse etniciteit in de regio's Gora en Zhupa te erkennen; is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe strategie en het nieuwe actieplan voor de integratie van de Roma- en de Ashkali-gemeenschap in de Kosovaarse samenleving 2017-2021 en vraagt Kosovo een actieve rol te spelen in het kader van de regionale samenwerking met betrekking tot het project voor de integratie van Roma 2020 dat door de Raad voor regionale samenwerking ten uitvoer wordt gelegd;

28.  betreurt de aanhoudende discriminatie van LGBTI's en de toename van haatzaaiende uitlatingen op het internet in verband met het Gay Pride-event in Pristina;

29.  onderstreept het feit dat het nieuwe wetsontwerp inzake de vrijheid van vereniging van ngo's moet worden goedgekeurd; vraagt dat aandachtiger te werk wordt gegaan bij het opstellen en ten uitvoer leggen van wetgeving op gebieden die van invloed zijn op de armslag van het maatschappelijk middenveld, teneinde ervoor te zorgen dat die wetgeving maatschappelijke organisaties geen onevenredige lasten oplegt, dat zij hen niet discrimineert en dat zij de manoeuvreerruimte voor het maatschappelijk middenveld niet beperkt; onderstreept het feit dat voor maatschappelijke organisaties publieke financiering beschikbaar moet zijn;

30.  benadrukt het feit dat de redactionele vrijheid, financiële duurzaamheid en onafhankelijkheid moet worden gegarandeerd van de Kosovaarse openbare omroep en dat moet worden gezorgd voor de transparantie van particuliere media-eigendom overeenkomstig de aanbevelingen van het jaarlijkse verslag van de Commissie; dringt aan op de tenuitvoerlegging van alle wetten die hierop betrekking hebben; vraagt een verbetering van de meertalige omroepdiensten en van de kwaliteit van de informatie die wordt verstrekt aan alle gemeenschappen van Kosovo; spreekt zijn bezorgdheid uit over de toename van het aantal bedreigingen en aanvallen tegen journalisten en dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan onmiddellijk een onderzoek te voeren en de verantwoordelijken te vervolgen; is ingenomen met de goedkeuring door de regering van Kosovo van het wetsontwerp inzake de bescherming van klokkenluiders;

31.  dringt aan op voortgezette inspanningen om de betrekkingen tussen Servië en Kosovo volledig te normaliseren; is van mening dat volledige normalisering van de betrekkingen met Servië, overeenkomstig een juridisch bindende overeenkomst en de uitvoeringsregelingen hiervan, niet mogelijk zal zijn zonder een volledige toepassing door beide partijen van de bestaande overeenkomsten en een sleutelelement is van het pad van beide partijen naar Europees lidmaatschap;

32.  neemt kennis van het aan de gang zijnde debat en de publieke verklaringen over mogelijke aanpassingen van de grens tussen Servië en Kosovo, met inbegrip van uitwisselingen van stukken grondgebied; benadrukt de multi-etnische aard van zowel Kosovo als Servië en het feit dat etnisch homogene staten niet het doel mogen zijn in de regio; steunt de door de EU gefaciliteerde dialoog als kader voor een alomvattende normalisatieovereenkomst tussen Servië en Kosovo; is van mening dat een overeenkomst alleen aanvaardbaar kan zijn als beide partijen ermee akkoord gaan en als rekening wordt gehouden met de algemene stabiliteit in de regio en met het internationale recht;

33.  merkt op dat vijf EU-lidstaten Kosovo nog niet hebben erkend en verzoekt hen dit te doen; onderstreept dat erkenning de normalisering van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië ten goede zou komen;

34.  is van mening dat de dialoog tussen Belgrado en Pristina moet worden gevoerd op open en transparante wijze en dat degenen die er verantwoordelijk voor zijn, regelmatig overleg moeten plegen met het Kosovaarse parlement over de ontwikkelingen ervan;

35.  betreurt het feit dat vele van de tot nu toe ondertekende overeenkomsten niet zijn uitgevoerd of vertraging hebben opgelopen, bijvoorbeeld die inzake energie en de vereniging van gemeenten met een Servische meerderheid; dringt er bij beide partijen op aan om alle overeenkomsten volledig en te goeder trouw uit te voeren; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om een evaluatie uit te voeren van de prestaties van beide partijen met betrekking tot de naleving van hun verplichtingen, teneinde alle uitdagingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging aan te pakken; dringt er bij de regeringen van Servië en Kosovo op aan af te zien van maatregelen die het vertrouwen tussen de partijen kunnen ondermijnen en de constructieve voortzetting van de dialoog in gevaar kunnen brengen;

36.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het toenemend aantal interetnische incidenten; veroordeelt ten stelligste alle daden van intimidatie en geweld; eist dat de autoriteiten van Kosovo zich onmiddellijk van deze handelingen distantiëren en roept ertoe op de daders te identificeren en voor de rechter te brengen; roept de nationale en lokale autoriteiten ertoe op bijkomende inspanningen te leveren om wetten die zijn goedgekeurd met het oog op de verdere ontwikkeling van een multi-etnische samenleving, ten uitvoer te leggen; betreurt de toename van nationalistische en extreme retoriek in de regio en vraagt dat de Commissie verdere ondersteuning biedt voor verzoening door middel van culturele projecten;

37.  dringt nogmaals aan op de onmiddellijke en onbelemmerde opening van de brug van Mitrovica, die een belangrijke stap vormt op weg naar de hereniging van de stad; dringt aan op volledige tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake vrij verkeer; verzoekt de autoriteiten van Servië en Kosovo om interpersoonlijke contacten tussen lokale gemeenschappen te bevorderen, teneinde de dialoog te versterken, ook op niet-gouvernementeel niveau; is in verband hiermee verheugd over het programma voor wederzijdse samenwerking tussen Peja/Sabac en verzoekt de Commissie soortgelijke initiatieven te ondersteunen; is ingenomen met de ontwikkeling van infrastructuurprojecten die meer contacten mogelijk maken, zoals de snelweg Nis-Merdare-Pristina;

38.  is ingenomen met de inspanningen van Kosovo om constructieve betrekkingen te onderhouden met de buurlanden in de hele regio en om zich proactief aan te sluiten bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (GBVB), en dringt aan op verdere vooruitgang op dit gebied; is van mening dat Kosovo's lidmaatschap van internationale instanties rechten en verplichtingen met zich mee zou brengen die de toepassing veronderstellen van internationale normen en standaarden; pleit voor een positieve benadering inzake de deelname van Kosovo aan internationale organisaties;

39.  wijst erop dat dringend maatregelen moeten worden vastgesteld en ten uitvoer gelegd om te zorgen voor transparante, concurrerende privatiseringsprocedures en dat vermeende onregelmatigheden dringend moeten worden onderzocht; vindt het zorgwekkend dat de overmakingen van migranten in het buitenland een aanzienlijk aandeel hebben in de binnenlandse vraag; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, met name tijdens het aanwervingsproces;

40.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de erbarmelijke medische registratieprocedures en de kwaliteit van geneesmiddelen, en over de corruptie in de gezondheidszorg in het algemeen; dringt er bij het Kosovaarse ministerie van Gezondheid op aan sneller inspanningen te leveren om deze misdaden te onderzoeken en de registratie- en kwaliteitsproblemen zo snel mogelijk aan te pakken; pleit voor een alomvattende hervorming van de gezondheidssector, inclusief de tenuitvoerlegging van een universele ziekteverzekering, om te zorgen voor universele toegang tot gezondheidszorg; benadrukt het feit dat het stelsel van openbare gezondheidszorg op adequate wijze moet worden gefinancierd;

41.  verzoekt de Commissie een regionale strategie te ontwikkelen om de aanhoudende jeugdwerkloosheid en braindrain te bestrijden door de discrepantie aan te pakken tussen het onderwijssysteem en de arbeidsmarkt, de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor adequate financiering van actieve arbeidsmarktmaatregelen en beroepsopleidingsprogramma's, samen met adequate voorzieningen voor kinderopvang en voorschools onderwijs; betreurt het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het verbeteren van de onderwijskwaliteit; verzoekt de betrokken actoren personen die deel behoren tot minderheidsgroeperingen, te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen;

42.  dringt er bij Kosovo op aan ten volle gebruik maken van de mogelijkheden die de EU-programma's bieden; is ingenomen met de ondertekening van de overeenkomst over de deelname van Kosovo aan de programma's Erasmus+ en Creatief Europa; verzoekt de autoriteiten van Kosovo en de Commissie om kmo's verder te ondersteunen met het oog op de ontwikkeling van een levensvatbare economie voor Kosovo; steunt het voorstel voor een vermindering van de roamingkosten in de Westelijke Balkan;

43.  vestigt de aandacht op de bijzonder slechte luchtkwaliteit in Pristina en andere zwaar vervuilde steden; dringt aan op doeltreffende systemen voor toezicht op de kwaliteit van lucht en water, een verbetering van de waterzuiveringsinfrastructuur en betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke real-timegegevens over verontreiniging; spreekt zijn bezorgdheid uit over het slechte afvalbeheer, het niet-duurzame storten van afval en de wijdverspreide illegale dumpingpraktijken; dringt er bij de autoriteiten op aan streefcijfers inzake afvalscheiding en recycling vast te stellen, de plaatselijke inzamelings-, verwijderings- en recyclingvoorzieningen te verbeteren en vervuilers aansprakelijk te stellen; verzoekt de VN snel de nodige steun te verlenen aan de slachtoffers van loodvergiftiging in sommige vluchtelingenkampen die in Kosovo zijn opgezet, onder meer via het verwachte trustfonds;

44.  merkt op dat de meeste aanbevelingen met betrekking tot het energiebeleid uit het verslag van vorig jaar niet zijn uitgevoerd; benadrukt het feit dat moet worden afgestapt van het gebruik van bruinkool voor de opwekking van niet-duurzame energie, dat de energiecentrale Kosovo A dringend moet worden ontmanteld en dat dringend moet worden gezorgd voor bijkomende duurzame productie- en invoercapaciteit; merkt gedeeltelijke vooruitgang op met betrekking tot het derde energiepakket en benadrukt het feit dat de onafhankelijkheid moet worden gegarandeerd van de energieregulator van Kosovo; dringt aan op meer inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing, met name in de bouwsector; stelt vast dat de eerste lezing van het wetsontwerp inzake energie-efficiëntie weliswaar is aangenomen, maar dat energie-efficiëntie wordt verhinderd door het gebrek aan vooruitgang met de uitvoering van de energieovereenkomst tussen Kosovo en Servië; verzoekt de autoriteiten het energie-efficiëntiefonds op te richten;

45.  benadrukt het feit dat de geplande waterkrachtcentrales moeten voldoen aan de milieunormen van de EU; is in verband hiermee tevreden met het besluit van de minister van Milieu om de vergunningen die voor waterkrachtprojecten zijn afgegeven, op te schorten en te onderwerpen aan een beoordeling;

46.  betreurt het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het benutten van het potentieel van hernieuwbare energiebronnen; verzoekt de autoriteiten het actieplan voor energiestrategie 2017-2026 aan te nemen voor de realisatie van de verplichte doelstelling voor hernieuwbare energie van 25 % in 2020; dringt er bij de Commissie op aan haar bijstand op dit gebied op te voeren;

47.  dringt er bij de autoriteiten van Kosovo op aan geloofwaardige en duurzame beleidsmaatregelen te nemen op het gebied van openbaar vervoer en mobiliteit, met het oog op het aanpakken van reeds lang bestaande infrastructuurgebreken;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de regering en de Assemblee van Kosovo.

(1) PB L 146 van 11.6.2018, blz. 5.


Verslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
PDF 215kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het Commissieverslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2018/2145(INI))
P8_TA-PROV(2018)0480A8-0341/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om het land de status van kandidaat-land voor EU-lidmaatschap toe te kennen,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds,

–  gezien de definitieve overeenkomst voor de regeling van geschillen zoals beschreven in resoluties 817 (1993) en 845 (1993) van de VN-Veiligheidsraad, de beëindiging van het interimakkoord van 1995 en de oprichting van een strategisch partnerschap tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 17 juni 2018, de zogenoemde Prespa-overeenkomst,

–  gezien de kaderovereenkomst die in Ohrid werd gesloten en op 13 augustus 2001 in Skopje werd ondertekend (kaderovereenkomst van Ohrid),

–  gezien de dringende hervormingsprioriteiten van de Commissie voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van juni 2015,

–  gezien het politieke akkoord (het zogenoemde "Pržino-akkoord") dat op 2 juni en 15 juli 2015 in Skopje werd gesloten tussen de vier belangrijkste politieke partijen, evenals het vierpartijenakkoord over de tenuitvoerlegging ervan van 20 juli en 31 augustus 2016,

–  gezien de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake structurele rechtsstatelijke problemen van 14 september 2017,

–  gezien het proces van Berlijn dat is gestart op 28 augustus 2014,

–  gezien de eindrapporten van OVSE/ODIHR betreffende de vervroegde parlementsverkiezingen van 11 december 2016, die eveneens door het Europees Parlement zijn waargenomen, en de gemeenteraadsverkiezingen van 15 oktober en 29 oktober 2017,

–  gezien de verklaring van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018, die de conclusies over uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces die de Raad op 26 juni 2018 heeft aangenomen, onderschrijven,

–  gezien het besluit dat de staatshoofden en regeringsleiders namen tijdens de NAVO-vergadering van 11 en 12 juli 2018 om het land uit te nodigen de gesprekken over de toetreding tot de alliantie te openen,

–  gezien de veertiende bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad tussen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de EU van 13 juli 2018,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 getiteld "Mededeling over het EU-uitbreidingsbeleid 2018" (COM(2018)0450) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Verslag 2018 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië" (SWD(2018)0154), waarin wordt aanbevolen om toetredingsonderhandelingen te beginnen in het licht van de geboekte vooruitgang en gezien de blijvende inzet voor hervormingen,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over haar beoordeling van het economische hervormingsprogramma van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (SWD(2018)0134) en de op 25 mei 2018 aangenomen gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan en Turkije,

–  gezien de aanbevelingen van de veertiende bijeenkomst van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, die op 7-8 februari 2018 werd gehouden in Straatsburg,

–  gezien de gestructureerde Jean Monnetdialoog met de parlementaire leiders en de politieke partijen in het parlement (Sobranie), begonnen in Ohrid op 17 en 18 mei 2018,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het land,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0341/2018),

A.  overwegende dat door verregaande en brede democratische hervormingen door te voeren en zich actief in te zetten voor de verbetering van de betrekkingen met de buurlanden, de nieuwe regering laat zien dat het land nog altijd het Europese en Euro-Atlantische pad wil inslaan; overwegende dat de hervormingsinspanningen gepaard moeten gaan met voortdurende EU-steun voor de uitvoering van de dringende hervormingsprioriteiten en meetbare resultaten; overwegende dat het vooruitzicht op EU-lidmaatschap de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië sterk aanmoedigt hervormingen door te voeren, in het bijzonder op het gebied van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de bestrijding van corruptie; overwegende dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt beschouwd als de kandidaat-lidstaat die de meeste vooruitgang heeft geboekt bij de aanpassing van zijn wetgeving aan het EU-acquis;

B.  overwegende dat Prespa-overeenkomst van 17 juni 2018 over de regeling van geschillen en de oprichting van een strategisch partnerschap tussen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Griekenland een hoognodig positief signaal doet uitgaan voor stabiliteit en verzoening in de gehele Westelijke Balkan, de geest van goed nabuurschap en regionale samenwerking verbetert en het pad effent voor de Europese integratie van het land;

C.  overwegende dat Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië 11 vertrouwenwekkende maatregelen zijn overeengekomen, voornamelijk op het gebied van politieke en EU-aangelegenheden, onderwijs en cultuur, handel en economische samenwerking, connectiviteit, justitie en binnenlandse zaken, en samenwerking op gezondheidsgebied; overwegende dat deze vertrouwenwekkende maatregelen al concrete resultaten hebben opgeleverd;

D.  overwegende dat alle politieke partijen en overheidsinstellingen de plicht hebben bij te dragen aan een inclusiever en opener politiek klimaat, dat verdere voortuitgang in het EU-toetredingsproces mogelijk maakt;

E.  overwegende dat het land onder andere de parlementaire wetgevings- en toezichtsbevoegdheden verder moet versterken, evenals de rechterlijke macht, de eerbiediging van de rechtsstaat, de mediavrijheid en de strijd tegen georganiseerde misdaad en corruptie; overwegende dat aanhoudende hervormingsinspanningen nodig zijn op het gebied van de overheid, de economie en werkgelegenheid, en dat een brede herziening van de uitvoering van de kaderovereenkomst van Ohrid eveneens vereist is;

F.  overwegende dat de toetreding tot de NAVO door de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zal bijdragen tot de vrede en stabiliteit van de gehele regio;

G.  overwegende dat de Europese Raad op 28 juni 2018 de conclusies van de Raad van 26 juni 2018 heeft goedgekeurd, waarmee het pad is ingeslagen dat moet leiden tot de opening van toetredingsonderhandelingen in juni 2019;

H.  overwegende dat de Commissie op 18 juli 2018 een statusovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië heeft geparafeerd zodat teams van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) gezamenlijke operaties met en binnen het land kunnen uitvoeren in het kader van migratie- en grensbeheer, als een kernelement van de strategie van de Commissie voor de Westelijke Balkan;

I.  overwegende dat luchtverontreiniging een groot probleem is in Macedonische steden en dat volgens de laatste studie van het Fins Meteorologisch Instituut en het Macedonische Instituut voor Volksgezondheid, Skopje en Tetovo de hoogste concentratie fijnstof in de lucht (PM2.5) hebben van alle Europese steden;

J.  overwegende dat de Balkanregio van strategisch belang is;

K.  overwegende dat elke kandidaat-lidstaat afzonderlijk op zijn eigen verdiensten wordt beoordeeld en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding en het ritme van de onderhandelingen bepalen;

L.  overwegende dat Nikola Gruevski na een grondig en transparant proces door de Macedonische rechtbank wegens machtsmisbruik veroordeeld is tot twee jaar gevangenisstraf; overwegende dat verschillende rechtbanken deze veroordeling hebben gehandhaafd en dat de uitspraak van kracht is geworden toen er geen verder beroep meer mogelijk was; overwegende dat hij ook is aangeklaagd in vier verdere aanhangige strafzaken en betrokken is bij nog eens vijf lopende strafrechtelijke onderzoeken;

Algemene hervormingen en betrekkingen van goed nabuurschap

1.  is verheugd over de sterke politieke wil van de regering om het Pržino-akkoord en de dringende hervormingsprioriteiten volledig ten uitvoer te leggen, hetgeen zal leiden tot hernieuwde inspanningen voor EU-gerelateerde hervormingen, op basis van partijoverschrijdende en interetnische samenwerking en raadpleging van het maatschappelijk middenveld, en benadrukt dat het belangrijk is dat deze inspanningen worden voortgezet voor de Europese toekomst van het land; moedigt de nieuwe regering aan het positieve momentum aan te houden en op een transparante en inclusieve manier de EU-gerelateerde hervormingen te bevorderen, versnellen en volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt om steun voor de toetreding van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië tot de Euro-Atlantische organisaties om de regionale veiligheid te vergroten;

2.  prijst ten sterkste de positieve diplomatie en de actieve inspanningen gericht op het kweken van vertrouwen die moeten leiden tot compromissen, de regeling van lopende bilaterale kwesties en de bevordering van goed nabuurschap; benadrukt dat bilaterale kwesties het toetredingsproces niet mogen belemmeren; is zeer verheugd over de inwerkingtreding op 14 februari 2018 van het vriendschapsverdrag met Bulgarije dat moet zorgen voor duurzaam, verzoenend en goed nabuurschap tussen de twee landen;

3.  is verheugd over de Prespa-overeenkomst van 17 juni 2018 tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en prijst beide landen voor de aanzienlijke inspanningen die ze hebben geleverd om een voor beide landen bevredigende oplossing voor de naamkwestie tot stand te brengen; is verheugd over de ratificatie ervan door het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op 20 juni en 5 juli 2018; is van mening dat het in het belang van de burgers van het land is dat alle politieke actoren en het maatschappelijke middenveld op een constructieve manier handelen en hun historische verantwoordelijkheden nemen; spoort de partijen aan om de belangen van hun land boven de partijpolitieke belangen te stellen, om hun burgers naar behoren op de hoogte te brengen van de inhoud en de gevolgen van de overeenkomst en om alle interne procedures voor de ratificatie en de uitvoering van deze strategisch belangrijke overeenkomst zorgvuldig te doorlopen en zo een einde te maken aan de langdurige geopolitieke onzekerheid en een goed voorbeeld te geven voor vrede en stabiliteit in de regio; benadrukt het belang van het referendum op 30 september 2018 betreffende de integratie van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de EU en de NAVO;

4.  neemt kennis van de uitkomst van het referendum van 30 september 2018; benadrukt de noodzaak van de verdere ondersteuning van de Euro-Atlantische toekomst van het land en de uitvoering van de Prespa-overeenkomst van 17 juni 2018; moedigt de regering in Skopje aan om alle noodzakelijke en mogelijke stappen te nemen voor de naleving van de Prespa-overeenkomst, die het pad vrijmaakt voor de onderhandelingen voor de toetreding tot de EU en de NAVO;

5.  is ingenomen met de stemming van 19 oktober 2018 in het Macedonische parlement (Sobranje) om het proces van grondwetswijziging op te starten met het doel de bepalingen toe te passen die zijn neergelegd in de Prespa-overeenkomst; roept alle politieke partijen op bij de volgende stappen van de wijzigingsprocedure te blijven samenwerken in een geest van gedeelde verantwoordelijkheid; benadrukt zijn krachtige steun aan de Europese en Euro-Atlantische toekomst en spoort de regering en het parlement aan te blijven werken aan hervormingen die de weg naar toetreding tot de EU effenen; spoort de bijzondere openbaar aanklager en de rechtbanken aan hun onafhankelijk onderzoek naar alle aanhangige gevallen van politiek wangedrag en strafbare feiten uit te voeren en degenen die verantwoordelijk zijn, voor de rechter te brengen;

6.  is verheugd over de diplomatieke inspanningen van het land om de bilaterale en regionale samenwerking met Albanië te bevorderen en nieuwe, goede betrekkingen tot stand te brengen op gebieden als handel, wetshandhaving, fraudebestrijding en preventie van terrorisme;

7.  brengt in herinnering dat het land reeds een hoog niveau van aanpassing aan het acquis heeft bereikt; betreurt niettemin dat een deel van deze wetgeving nog niet ten uitvoer is gelegd; neemt nota van de vooruitgang op het gebied van aanpassingen die worden doorgevoerd in overeenstemming met EU-verklaringen en Raadsbesluiten over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en benadrukt dat geleidelijk volledige aanpassing moet worden bereikt, wat een vereiste is voor de Euro-Atlantische toekomst van het land;

8.  erkent de vooruitgang die is geboekt in de overheidssector met de goedkeuring van de hervormingsstrategie voor de overheid en het hervormingsprogramma inzake financieel beheer; roept de regering op te zorgen voor volledige uitvoering van deze hervormingen; moedigt het land aan professioneler te handelen door te zorgen voor meer transparantie, een evenwichtiger vertegenwoordiging en een volledige invulling van functies in overheidsdiensten op basis van verdiensten;

9.  veroordeelt ten sterkste de aanval van 27 april 2017 op het nationale parlement, die een aanval op de democratie vormt en tijdens welke een aantal parlementsleden en journalisten ernstige verwondingen opliepen, en dringt erop aan dat de aanstichters en daders worden berecht; is verheugd over de lopende onderzoeken en rechtszaak in deze zaak; benadrukt dat het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor deze gewelddaden moet worden voortgezet in overeenstemming met de wet en op een transparante, onafhankelijke en evenredige manier; veroordeelt verder elke vorm van belemmering en misbruik van parlementaire procedures of presidentiële bevoegdheden die in strijd zijn met de grondwet;

10.  is het volledig eens met de aanbeveling van de Commissie en het hieruit voortvloeiende besluit van de Raad waarin juni 2019 is vastgesteld als begindatum voor de toetredingsonderhandelingen uit waardering voor de aanmoedigende hervormingsinspanningen; is van mening dat een spoedige start van het doorlichtingsproces en de toetredingsonderhandelingen de hervormingsdynamiek op peil zal houden en zal verdiepen; is van mening dat de opening van de onderhandelingen het democratiseringsproces een extra impuls zal geven en het toezicht en de verantwoordingsplicht zal versterken;

11.  is verheugd over de formele uitnodiging van 11 juli 2018 van de NAVO aan het land om de onderhandelingen te beginnen om tot de organisatie toe te treden;

12.  is van mening dat het lidmaatschap van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van de NAVO zou kunnen bijdragen tot meer veiligheid en politieke stabiliteit in Zuidoost-Europa; dringt er bij alle EU-lidstaten die lid zijn van de NAVO op aan de toetreding van het land tot de NAVO actief te ondersteunen;

13.  is verheugd over het feit dat het land weldra overgaat naar de tweede fase van de stabilisatie- en associatieovereenkomst en over de opname van het land in het Adriatisch-Ionische initiatief, en verzoekt de Raad het land op te nemen in de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio;

Democratisering

14.  is verheugd over de eerste stappen die zijn genomen voor de hernieuwde invoering van "checks and balances" en de bevordering van inclusie door middel van maatregelen om het klimaat waarin onafhankelijke toezichthoudende instellingen, de media en maatschappelijke organisaties handelen, te verbeteren; is verheugd over de constructieve dialoog tussen de regering en maatschappelijke organisaties en over de rol die laatstgenoemden hebben gespeeld bij het waarborgen van meer "checks and balances"; benadrukt dat de lopende fundamentele veranderingen moeten worden doorgevoerd in een inclusieve en open politieke sfeer;

15.  waardeert de inspanningen van de regering om achteruitgang te voorkomen en de laatste vormen van "gijzeling" van de staat uit te bannen, en moedigt de regering aan deze inspanningen op te voeren; brengt in herinnering dat het land een koploper was in het toetredingsproces in de jaren 2000;

16.  is verheugd over de verbeteringen van de kieswetgeving, maar benadrukt dat de kieswet tijdig moet worden herzien door een nauwkeurige uitvoering van de resterende aanbevelingen van de OVSE/ODIHR, de Commissie van Venetië en de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) over campagnefinanciering en over politieke partijen; benadrukt dat er meer inspanningen nodig zijn om elke vorm van intimidatie van kiezers te voorkomen en te onderzoeken; spoort de politieke partijen ertoe aan hun interne besluitvormingsprocessen democratischer te maken;

17.  moedigt de autoriteiten aan de onderbroken volkstelling te voltooien om nauwkeurige statistieken over de bevolking te verkrijgen die als basis kunnen dienen voor ontwikkelingsprogramma's van de overheid en adequate begrotingsplanning, en voor het organiseren van verkiezingen en het berekenen van verkiezingsuitslagen;

18.  is verheugd over de hervatting van de bijeenkomsten van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en moedigt een voortzetting aan van de constructieve werkzaamheden in dit interparlementaire kader;

19.  is verheugd over de aanvang van de gestructureerde Jean Monnetdialoog in Ohrid op 17 en 18 mei 2018 en de hieruit voortvloeiende aanneming, door unanieme steun van alle partijen, van de gedragscode; moedigt de werkgroep hervormingen en werking van het parlement (Sobranie) aan het reglement van het parlement te herzien en wijzigingsvoorstellen en tijdschema's voor de aanneming ervan op de prioritaire gebieden zoals opgenomen in de conclusies van Ohrid, in te dienen; moedigt alle actoren in het politieke proces aan de cultuur van overleg en constructieve politieke dialoog, in het bijzonder tussen parlementsleden, te blijven versterken, en de effectieve werking van het parlement geen strobreed in de weg te leggen;

20.  beveelt aan dat het nationale parlement volledig gebruikmaakt van zijn toezichts- en wetgevingsbevoegdheden en tegelijk het gebruik van spoedprocedures tot een absoluut minimum beperkt omdat ze de parlementaire en publieke controle ondermijnen; roept op tot een geloofwaardige staat van dienst met betrekking tot het toezicht op inlichtingendiensten en de monitoring van mensenrechten en fundamentele vrijheden in het land;

21.  is verheugd over de belangrijke stappen die de regering heeft gezet om een overlegcultuur geleidelijk opnieuw in te voeren door alle belanghebbenden, met inbegrip van de oppositie, bij het werk te betrekken, om de democratie en de rechtsstaat te versterken en de oprechte wens om op een inclusieve en transparante manier te hervormen kracht bij te zetten;

22.  verzoekt om de aanvang van de effectieve tenuitvoerlegging van de hervormingsstrategie voor de overheid en om een duidelijke afbakening van de verantwoordelijkheden; onderstreept het belang van een op verdiensten gebaseerde invulling van functies en open concurrentie voor alle aanwervingsprocedures en roept op tot uitbreiding van de capaciteit op het gebied van personeelsbeheer; dringt aan op versterkte maatregelen om de sectorale en financiële planningscapaciteiten binnen het openbaar bestuur te verbeteren;

23.  is verheugd over de versterking van de decentralisatieprocessen door de regering met de goedkeuring van het actieplan voor decentralisatie en ontwikkeling 2018-2020 als een belangrijke stap om de schaarste aan financiering en diensten in de gemeenten aan te pakken;

24.  is verheugd over de huidige inspanningen om goed bestuur, verantwoordingsplicht en een vrij mediaklimaat te bevorderen, de transparantie te vergroten en de toegang tot openbare informatie te verbeteren, onder meer door de bekendmaking van de uitgaven van overheidsinstellingen; roept op tot verdere maatregelen om het recht van burgers op toegang tot openbare informatie te waarborgen; roept op tot aanhoudende inspanningen om de inclusiviteit van het besluitvormingsproces te versterken, en de coördinatie tussen instellingen te verbeteren;

25.  verzoekt om verdere vooruitgang op het gebied van het digitaliseren van de beschikbaarheid van openbare informatie en moedigt de autoriteiten aan om innovatieve e-oplossingen te vinden om de transparantie verder te vergroten, de toegang tot openbare informatie verder te vergemakkelijken en de hiermee gepaard gaande bureaucratie te verminderen;

Rechtsstaat

26.  herinnert eraan dat een goede werking van het rechtsstelsel en doeltreffende maatregelen ter bestrijding van corruptie van het allergrootste belang zijn om tot de EU te kunnen toetreden;

27.  is verheugd over de strategie voor de hervorming van het justitiële stelsel met als doel de onafhankelijkheid, de verantwoordingsplicht en het professionalisme van de rechterlijke macht te herstellen en een einde te maken aan politieke bemoeienis en selectieve rechtspleging, en verzoekt de regering van het land en andere actoren om meer inspanningen te leveren voor de correcte tenuitvoerlegging van de strategie voor de hervorming van het justitiële stelsel door te voorzien in goede monitoring- en beoordelingsmechanismen; benadrukt dat de aanpassing van de wetgeving moet worden voltooid in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; verzoekt om maatregelen in het kader van de strategie voor de hervorming van het justitiële stelsel te blijven aannemen en uitvoeren; onderstreept dat meer maatregelen nodig zijn om de rechterlijke macht te beschermen tegen politieke bemoeienis;

28.  is verheugd over de oprichting van de Raad voor rechtsbewustzijn in januari 2018 en de organisatie van opleidingen door de academie voor rechters en openbaar aanklagers over ethisch gedrag bij rechters om belangenconflicten te voorkomen en anticorruptiemaatregelen in te voeren;

29.  is nog altijd bezorgd over de wijdverspreide corruptie en is verheugd over de eerste resultaten bij de preventie en vervolging ervan; uit zijn zorgen over het beperkte aantal definitieve rechterlijke beslissingen in zaken van corruptie op hoog niveau, maar neemt nota van de eerste rechterlijke uitspraken in zaken met betrekking tot corruptie en machtsmisbruik, en inzake de gebeurtenissen van 27 april 2017; roept op tot aanhoudende inspanningen om tot goede resultaten te komen op het gebied van onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen in zaken van corruptie op hoog niveau en georganiseerde misdaad; prijst het werk dat de speciale openbaar aanklager in moeilijke omstandigheden heeft verricht en is nog steeds bezorgd over aanvallen op en belemmering van zijn werkzaamheden en het gebrek aan samenwerking vanuit andere instellingen;

30.  roept de autoriteiten ertoe op de strijd tegen witwassen en belangenconflicten op te voeren door eenheden voor corruptiebestrijding, misdaadbestrijding en financiële onderzoeken nieuwe bevoegdheden te geven en hun bestaande bevoegdheden uit te breiden, en door activa te bevriezen, te confisqueren, terug te vorderen en te beheren; dringt er bij de autoriteiten op aan om tot goede resultaten te komen ten aanzien van onderzoeken en vervolgingen en om het aantal veroordelingen te verhogen in zaken met betrekking tot witwassen en financiële misdrijven op hoog niveau; is verheugd over de aanneming van de wet over de bescherming van klokkenluiders die zorgt voor een betere bescherming van klokkenluiders en voor een versterkt overheidsbeleid ter bestrijding van corruptie; roept op tot een spoedige herziening van de wetten op het gebied van corruptiebestrijding, financieel toezicht en openbare aanbestedingen; moedigt een hervorming aan van het algemene wettelijke kader, zodat de Staatscommissie voor de preventie van corruptie beschikt over duidelijke bevoegdheden en volledig onafhankelijk kan werken en zodat de openbaar aanklager voor georganiseerde misdaad en corruptie regelmatig onderzoeken kan uitvoeren;

31.  wijst erop dat corruptie en georganiseerde misdaad wijdverspreid zijn in de regio en ook een obstakel vormen voor de democratische, sociale en economische ontwikkeling van het land; is van mening dat een regionale strategie en een versterkte samenwerking tussen alle landen in de regio essentieel zijn om deze problemen op doeltreffendere wijze aan te pakken;

32.  wenst dat er nauwlettend op toe wordt gezien dat politieke en juridische verantwoording wordt genomen voor begane strafbare feiten, waaronder strafbare feiten in het kader van het afluisterschandaal; spoort het parlement ertoe aan de hervorming van de inlichtingendiensten te voltooien, door te zorgen voor effectief extern toezicht op veiligheids- en inlichtingendiensten;

33.  dringt er bij de autoriteiten op aan krachtig op te treden om criminele netwerken die zich bezighouden met mensenhandel of met de handel in wapens en drugs te ontmantelen, en de institutionele capaciteit en de interinstitutionele samenwerking tussen wetshandhavingsinstanties op te voeren en tot betere resultaten te komen ten aanzien van het aantal onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen;

34.  erkent de inspanningen van het land en de constructieve rol die het land heeft gespeeld om de uitdagingen van de Europese migratie- en vluchtelingencrisis aan te gaan; neemt nota van de aanhoudende inspanningen en dringt aan op verdere verbeteringen van het asielstelsel en het migratiebeheer; moedigt het land aan de voor beide partijen bevredigende regionale samenwerking en het partnerschap met Frontex te versterken en verder te verdiepen op grond van een nieuwe statusovereenkomst met als doel mensenhandelnetwerken te ontmantelen;

35.  benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat migranten en vluchtelingen, en met name vrouwen en kinderen, die in het land asiel aanvragen of via het grondgebied van het land reizen, worden behandeld in overeenstemming met het internationale en EU-recht;

36.  acht het noodzakelijk dat de autoriteiten hun inspanningen voortzetten en intensiveren om islamitische radicalisering en buitenlandse terroristische strijders te bestrijden; vraagt om de uitvoering hiervan door middel van meer samenwerking tussen veiligheidsdiensten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, religieuze leiders, lokale gemeenschappen en andere overheidsinstellingen op het gebied van onderwijs, gezondheid en sociale diensten; dringt aan op de permanente monitoring van terugkerende buitenlandse strijders door de veiligheidsdiensten, hun passende herintegratie in de samenleving en een constante informatie-uitwisseling met de autoriteiten van de EU- en buurlanden;

37.  verzoekt om een verdere verbetering van het stelsel voor de rechtsbedeling voor kinderen; verzoekt de bevoegde autoriteiten te voorzien in voldoende begrotingsmiddelen voor de uitvoering van de wet inzake rechtsbedeling voor kinderen en de ondersteunende diensten te verbeteren voor meisjes en jongens die het slachtoffer zijn geworden van geweld en misbruik en voor kinderen die in aanraking zijn gekomen met de wet;

38.  doet een beroep op de Hongaarse autoriteiten om alle relevante informatie en de nodige uitleg te verschaffen over het geval van de voormalige Macedonische premier Gruevski die zijn land is ontvlucht met de geheime diplomatieke hulp van Hongarije om aan een gevangenisstraf te ontkomen; beschouwt dit als een daad van inmenging in de binnenlandse zaken van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en met name als een daad van minachting voor de rechterlijke macht en de rechtsstaat in dit land; neemt kennis van het uitwijzingsverzoek van de autoriteiten in Skopje en verwacht dat Hongarije handelt met strikte eerbiediging van het desbetreffende nationale en internationale recht door positief op dit verzoek te reageren;

Grondrechten en het maatschappelijk middenveld

39.  is verheugd over maatregelen om het vertrouwen tussen etnische groepen te versterken en roept op tot een inclusieve en transparante herziening van de nog niet uitgevoerde onderdelen van de kaderovereenkomst van Ohrid; acht het van wezenlijk belang dat wordt gewaarborgd dat etnische minderheden volledig deel kunnen nemen aan het openbare leven; roept op tot verdere maatregelen om de onderwijsdeelname van minderheden te bevorderen om de sociale samenhang en de integratie van gemeenschappen nieuw leven in te blazen;

40.  is van mening dat de Macedonische gerechtelijke procedures volgens de procedures van het land moeten worden voortgezet en dat Nikola Gruevski in het kader van het Macedonische rechtsstelsel ter verantwoording moet worden geroepen; verzoekt Hongarije de onafhankelijkheid van het Macedonische rechtsstelsel en de rechtsstaat van het land te respecteren, het aan Nikola Gruevski verleende politiek asiel te heroverwegen en hem aan Skopje uit te leveren; verwacht van alle betrokken partijen dat zij met strikte eerbiediging van het desbetreffende nationale en internationale recht handelen; benadrukt dat deze gerechtelijke procedures niet gepolitiseerd mogen worden;

41.  is verheugd over de hervormingen en de inspanningen die zijn geleverd om het wettelijke kader geleidelijk af te stemmen op de Europese normen, het besluit van het land om waarnemer te worden in het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie en de ratificatie van de meeste internationale mensenrechteninstrumenten; moedigt een volledige uitvoering van de normen en beleidsdocumenten op het vlak van de mensenrechten aan, zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het recht op een onpartijdig gerecht, de vrijheid van vergadering en vereniging, het recht op leven, de vrijheid van meningsuiting en de eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven;

42.  wijst erop dat de aanneming van de wet over het gebruik van talen een belangrijke verwezenlijking vormt en betreurt dat gepoogd is de aanneming ervan in volledige overeenstemming met de standaardprocedures, te belemmeren;

43.  is verheugd over de ratificatie door het land van het Verdrag van Istanbul op 23 maart 2018 en spoort het aan de juridische hervormingen ter bestrijding van discriminatie en geweld tegen vrouwen, meisjes en alle kinderen te voltooien en verder te gaan met de uitroeiing van het nog altijd veel voorkomende huiselijk en gendergerelateerd geweld;

44.  onderstreept de noodzaak om ervoor te zorgen dat onafhankelijke toezichtsorganen autonoom kunnen optreden en over voldoende menselijke en financiële middelen beschikken; prijst de rol van de Ombudsman bij het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten en onderstreept de noodzaak om ervoor te zorgen dat systematisch gevolg wordt gegeven aan de besluiten van deze instelling;

45.  blijft bezorgd over de nijpende situatie van mensen met een handicap en de aanhoudende discriminatie van deze mensen; verzoekt om de doeltreffende uitvoering van de bestaande instrumenten en strategieën;

46.  is verheugd over de eerste stappen om de preventie van discriminatie te verbeteren en spoort de autoriteiten aan om seksuele gerichtheid en genderidentiteit op te nemen als gronden voor discriminatie in de wet inzake de voorkoming van en bescherming tegen discriminatie; verzoekt de autoriteiten passende middelen toe te wijzen voor de uitvoering van de nationale strategie voor gelijkheid en non-discriminatie 2016-2020; spoort de autoriteiten ertoe aan om effectief op te treden tegen haatmisdrijven en haatuitingen tegen minderheden, met inbegrip van kwetsbare groepen zoals de Roma en de LGBTI-gemeenschap, en homofoob en transfoob geweld en aanzetten tot geweld te bestraffen; blijft bezorgd dat maatschappelijke vooroordelen blijven bestaan en dat haatuitingen tegen LGBTI-personen veel voorkomen in de media, op het internet en op de sociale media; verzoekt de autoriteiten te zorgen voor een doeltreffende bescherming en te voorzien in afschrikkende en evenredige sancties voor haatuitingen en homofobe/transfobe acties en geweld; benadrukt dat toegang moet worden geboden tot gezondheidszorg voor transgenders; betreurt de aanhoudende tekortkomingen in het werk van de Commissie inzake bescherming tegen discriminatie; is verheugd over de oprichting van een parlementaire interfractiegroep voor rechten van de LGBTI-gemeenschap en de parlementaire interfractiegroep voor de rechten van Roma;

47.  verzoekt om de volledige uitvoering en ondersteuning door middel van overheidsmiddelen van strategieën en wetgeving inzake de rechten van personen die tot een minderheid behoren en hun bescherming; dringt erop aan dat maatregelen verder moeten gaan om het onderwijs, de werkgelegenheidsgraad, de gezondheid, de huisvesting, de toegang tot goederen en diensten en de levensomstandigheden van Roma te verbeteren en veroordeelt de scheiding op scholen en andere vormen van discriminatie;

48.  is verheugd over de aanzienlijke verbetering van de operationele omgeving voor, en de raadpleging van, maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de oprichting van de raad voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld; benadrukt de noodzaak om het juridische, financiële, administratieve en beleidskader uit te breiden, onder andere met wetten betreffende stichtingen en donaties; benadrukt het belang van structurele betrokkenheid van organisaties uit het maatschappelijk middenveld door middel van een regelmatiger, uitgebreid, niet-discriminerend en voorspelbaar raadplegingsproces;

49.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over alle slachtoffers van oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom); dringt er bij de regering op aan het voortouw te nemen bij de oprichting ervan; onderstreept het belang van dit proces en van de actieve betrokkenheid van alle regionale politieke leiders zodat Recom haar werkzaamheden onverwijld kan beginnen; vestigt de aandacht op de coalitie voor het voorstel van Recom voor het actieplan voor Recom, met duidelijke data en benchmarks;

50.  verwelkomt de verhoogde inspanningen van de regering om het proces van de-institutionalisering en hervorming van de sociale sector te intensiveren; prijst de inzet om een einde te maken aan de plaatsing van kinderen in grote overheidsinstanties en om in plaats daarvan te voorzien in zorgvoorzieningen in de familie en de gemeenschap; verzoekt de autoriteiten onverwijld maatregelen te nemen om de toenemende perinatale sterfte terug te dringen en een systeem op te richten voor de analyse van de oorzaken van deze alarmerende trend;

51.  is verheugd over het partnerschap tussen de regering en de nationale jeugdraad van het land bij de uitvoering van de jongerengarantie als goed samenwerkingsmechanisme tussen jongeren en besluitvormers bij het opstellen en uitvoeren van jongerenbeleid; verzoekt de regering de financiële steun voor jongerenorganisaties en jongeren te verhogen om het probleem van de braindrain aan te pakken;

Media

52.  onderstreept de cruciale rol die de onafhankelijke media spelen voor een democratisch en gunstig klimaat; wijst op de bescheiden verbeteringen van het mediaklimaat en de voorwaarden voor onafhankelijke berichtgeving; verzoekt om initiatieven om tot een klimaat te komen dat professioneel gedrag van alle belanghebbenden in de media, vrij van interne en externe beïnvloeding, en onderzoeksjournalisme bevordert; is verheugd over het feit dat de door de staat gesponsorde reclame in de media op basis van politiek favoritisme is afgeschaft en beschouwt dit als een belangrijke maatregel om een gelijk speelveld in de sector te bevorderen en roept op tot aanvullende waarborgen tegen de politisering van de media; herinnert aan de noodzaak van versterking van de onafhankelijkheid en de capaciteit van de toezichthouder van de media en van de publieke omroep; dringt aan op maatregelen om de sociale en arbeidsrechten van journalisten beter te beschermen en om ervoor te zorgen dat geweld tegen en misbruik en bedreigingen van journalisten niet onbestraft blijven, hetgeen ook zou bijdragen tot de beperking van de heersende zelfcensuur onder journalisten;

53.  is verheugd over de verbeteringen om toegang tot informatie te waarborgen; benadrukt de noodzaak om de regelgeving over mediadiensten en toegang tot openbare informatie te herzien; benadrukt de noodzaak om een beleid van nultolerantie te voeren en effectief op te treden tegen bedreiging en intimidatie van en aanvallen tegen journalisten door middel van een adequate registratie van en diepgaande onderzoeken naar dergelijke incidenten; veroordeelt elke vorm van haatzaaiende en opruiende taal; verzoekt om doeltreffende maatregelen ter bestrijding hiervan en van de schending van de ethische gedragscode van journalisten op het internet; wijst bovendien op de noodzaak om de media onverwijld te hervormen met het oog op de versterking van het agentschap voor audio- of audiovisuele mediadiensten en de garantie van objectieve en professionele verslaggeving;

Economie

54.  benadrukt de noodzaak het ondernemingsklimaat te verbeteren door te zorgen voor begrotingsconsolidatie en transparantie en betrouwbaarheid van de regelgeving, en tegelijkertijd aanhoudende tekortkomingen in de rechtsstaat, omslachtige regelgevingsprocedures en willekeurige inspecties aan te pakken;

55.  spoort de autoriteiten ertoe aan de omvangrijke informele economie aan te pakken, evenals de aanhoudende problemen op het gebied van belastingontduiking en gebrekkig toezicht op de naleving van contracten, die nog altijd een afschrikkende werking hebben op buitenlandse directe investeringen; benadrukt de noodzaak om maatregelen uit te voeren op het gebied van openbare aanbestedingen en intern financieel toezicht; wijst op de noodzaak om de transparantie te verbeteren van de gegevens over openbare uitgaven, aanbestedingen, staatssteun en het gebruik van EU-middelen; verzoekt om maatregelen om de plannings-, programmerings- en beheerscapaciteiten van de nationale structuren van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) te verbeteren;

56.  verzoekt de regering de digitalisering tot een van haar sectoroverschrijdende kernprioriteiten te maken; dringt aan op de onverwijlde ontwikkeling van een digitale agenda voor de lange termijn, met inbegrip van onder andere een strategie voor e-bestuur, een ICT-strategie en een nationale strategie voor cyberveiligheid; benadrukt dat een alomvattende digitale agenda het economische klimaat en de economische prestaties zal verbeteren en de transparantie en efficiëntie van het openbaar bestuur en de openbare diensten zal verhogen;

57.  waardeert de inspanningen van de regering om de omstandigheden voor jongeren te verbeteren en de participatie van jongeren in de politiek te versterken, bijvoorbeeld door middel van de nationale jongerenstrategie (2016-2025); moedigt de regering aan om de hoge jeugdwerkloosheid aan te pakken door iets te doen aan de "mismatch" tussen de vaardigheden van jonge afgestudeerden en de behoeften van particuliere bedrijven;

58.  dringt er bij de regering op aan de langdurige werkloosheid, de jeugdwerkloosheid en de lage arbeidsparticipatie van vrouwen op de arbeidsmarkt op alomvattende en innovatieve wijze aan te pakken; verzoekt om dringende hervormingen van het onderwijs om ervoor te zorgen dat de verworven vaardigheden overeenkomen met de behoeften op de arbeidsmarkt, om zo braindrain te voorkomen; moedigt de regering aan een strategie voor digitale vaardigheden te ontwikkelen en de digitale geletterdheid onder de bevolking te doen toenemen;

59.  herinnert eraan dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in 2002 haar laatste volkstelling voltooide; onderstreept dat het houden van een nieuwe volkstelling een steeds dringender noodzaak wordt, waarmee actuele en realistische demografische statistieken in overeenstemming met de EU-normen kunnen worden verkregen;

60.  is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe energiewet door het Macedonische parlement, waarin het derde energiepakket van de EU wordt omgezet en die volledig in overeenstemming is met het Energiegemeenschapsverdrag; verzoekt de autoriteiten zich te richten op hervormingen van de energiemarkt, en toe te zien op voorzieningszekerheid en diversificatie van energiebronnen, in het bijzonder door middel van hernieuwbare energiebronnen;

61.  neemt kennis van een aantal geplande infrastructuurprojecten in beschermde gebieden die waarschijnlijk ingrijpende gevolgen zullen hebben voor toekomstige Natura 2000-gebieden; roept ertoe op om in dit verband de aanbeveling van de vaste commissie van het Verdrag van Bern (nr. 184(2015)) te eerbiedigen door de tenuitvoerlegging van de projecten op het grondgebied van het nationaal park Mavrovo op te schorten totdat een strategische milieubeoordeling met volledige inachtneming van de EU-milieuwetgeving is afgerond; dringt voorts aan op de eerbiediging van het besluit van de Commissie voor het Werelderfgoed van de UNESCO (40 COM 7B.68) inzake het natuurlijk en cultureel erfgoed van de regio Ohrid en op het opstellen van een algemene strategische milieueffectbeoordeling (smb) en een erfgoedeffectbeoordeling voordat verdere werkzaamheden worden verricht; dringt aan op de ontwikkeling van een nationale waterkrachtstrategie in overeenstemming met de milieuwetgeving van de EU;

62.  spoort het land aan te werken aan mededinging op de gas- en energiemarkt om te komen tot een volledige loskoppeling van nutsvoorzieningen overeenkomstig het derde energiepakket; roept op tot forse verbeteringen van de energie-efficiëntie, de productie van hernieuwbare energie en de strijd tegen de klimaatverandering;

63.  prijst de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voor het ratificeren van de Overeenkomst van Parijs op 9 januari 2018, aangezien de klimaatverandering alleen kan worden bestreden door middel van gezamenlijke inspanningen;

64.  is verheugd over de positieve benadering van de regering van regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap en de actieve deelname aan regionale initiatieven, zoals het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces, de Raad voor regionale samenwerking, Cefta, het initiatief van de zes landen van de Westelijke Balkan, het Energiegemeenschapsverdrag, de overeenkomst inzake een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte, het Midden-Europees initiatief, het regionale initiatief voor migratie, asiel en vluchtelingen (Marri) en het proces van Brdo-Brijuni;

65.  is verheugd over de inzet van het land voor connectiviteitsprojecten in het kader van het proces van Berlijn; wijst op de noodzaak om andere vervoersmiddelen dan wegvervoer te bevorderen door de uitvoering van maatregelen voor de hervorming van het spoorverkeer, onder meer door de modernisering of aanleg van spoorverbindingen van Skopje naar de hoofdsteden van de buurlanden; verzoekt om meer vooruitgang ten aanzien van de voltooiing van de spoor- en wegverbindingen in het kader van Corridor VIII en X;

66.  roept op tot verdere handels- en douanefacilitatie en exportdiversificatie, onder andere door het intraregionale handelspotentieel te benutten; verzoekt de Commissie het land vrijstelling te verlenen van de vrijwaringsmaatregelen voor staal en aluminium;

67.  uit zijn bezorgdheid over het alarmerend hoge niveau van luchtverontreiniging in Skopje en andere zwaar vervuilde steden en verzoekt de nationale en lokale autoriteiten dringend passende stappen te nemen om deze noodsituatie op te lossen, door middel van doeltreffende doelgerichte maatregelen voor toezicht op en verbetering van de luchtkwaliteit, onder andere door een verbetering van het openbaar vervoer en doeltreffende mobiliteitsplannen; roept het land op de wetgeving op het gebied van de bescherming van het milieu, de natuur en het klimaat onverwijld te harmoniseren met het acquis; roept op tot de ontwikkeling van afvalbeheersystemen;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering en het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.


Verslag 2018 over Albanië
PDF 206kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag van de Commissie 2018 over Albanië (2018/2147(INI))
P8_TA-PROV(2018)0481A8-0334/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Albanië,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 en de Agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 26-27 juni 2014 om de status van kandidaat-land voor EU‑lidmaatschap toe te kennen aan Albanië,

–  gezien het besluit van de Raad Algemene Zaken van 26 juni 2018,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 28-29 juni 2018,

–  gezien de aanbevelingen van de Hoge Commissaris inzake de nationale minderheden van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) betreffende het ontwerp van secundaire wetgeving inzake de bescherming van nationale minderheden in Albanië,

–  gezien de verklaring van de top EU‑Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien de negende bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU‑Albanië op 15 november 2017,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 getiteld "Mededeling over het EU‑uitbreidingsbeleid 2018" (COM(2018)0450) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Verslag 2018 over Albanië" (SWD(2018)0151),

–  gezien de aanbevelingen van de twaalfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU‑Albanië, die op 12-13 februari 2018 werd gehouden in Tirana,

–  gezien het resultaat van het in 2017 door de Commissie ondersteunde en door de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties verrichte onderzoek naar gemarginaliseerde Roma in de Westelijke Balkan,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument getiteld "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: Het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016‑2020",

–  gezien zijn eerdere resoluties over Albanië,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0334/2018),

A.  overwegende dat de uitbreiding van de EU een strategische investering is in vrede, democratie, welvaart, veiligheid en stabiliteit in Europa;

B.  overwegende dat Albanië gestaag vooruitgang heeft geboekt bij het vervullen van de politieke criteria en de vijf kernprioriteiten voor het openen van toetredingsonderhandelingen, alsook bij de consolidatie van democratische instellingen en praktijken;

C.  overwegende dat de Commissie heeft aanbevolen de toetredingsonderhandelingen met Albanië te openen, gezien de goede vorderingen van het land bij de uitvoering van de vijf kernprioriteiten; overwegende dat de toetredingsonderhandelingen nader toezicht door de EU mogelijk zullen maken en een krachtige katalysator zijn voor de uitvoering van verdere hervormingen en de consolidatie van democratische instellingen en praktijken;

D.  overwegende dat de Europese Raad op 28 juni 2018 de conclusies van de Raad van 26 juni 2018 heeft goedgekeurd, waarmee het pad is ingeslagen dat moet leiden tot de opening van toetredingsonderhandelingen in juni 2019;

E.  overwegende dat er nog altijd uitdagingen bestaan die spoedig en doeltreffend moeten worden aangepakt in een geest van dialoog en samenwerking;

F.  overwegende dat een constructieve dialoog tussen de regering en de oppositie over EU‑gerelateerde hervormingen essentieel blijft om vooruitgang te boeken met de hervormingsagenda in het belang van de burgers en om het land dichter bij de EU te brengen;

G.  overwegende dat er in Albanië een breed draagvlak bestaat voor de toetreding van het land tot de EU;

H.  overwegende dat de rechtsstaat een van de fundamentele waarden is waarop de EU is gegrondvest, en de kern vormt van zowel het uitbreidings- als het stabilisatie- en associatieproces; overwegende dat hervormingen nodig zijn om de belangrijke resterende uitdagingen op dit gebied aan te pakken, met name de zorg voor een onafhankelijke, onpartijdige, controleerbare en doeltreffende justitie, de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad en de bescherming van de grondrechten;

I.  overwegende dat de bescherming van godsdienstvrijheid, cultureel erfgoed en de rechten van minderheden tot de fundamentele waarden van de Europese Unie behoren;

J.  overwegende dat Albanië alle fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft geratificeerd, waaronder met name het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht van 1948 (nr. 87) en het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen van 1949 (nr. 98);

K.  overwegende dat elk uitbreidingsland afzonderlijk wordt beoordeeld op zijn eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

L.  overwegende dat regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen van essentieel belang zijn voor de vorderingen van Albanië in het EU‑toetredingsproces;

1.  is ingenomen met de extra inspanningen van Albanië, die leiden tot gestage vooruitgang bij de uitvoering van EU‑gerelateerde hervormingen, met name de algemene hervorming van het rechtsstelsel; roept Albanië op om de hervormingen te consolideren en zich verder voor te bereiden op de verplichtingen van het EU‑lidmaatschap in alle hoofdstukken;

2.  onderschrijft ten volle de aanbeveling van de Commissie om de toetredingsonderhandelingen te openen en zo de hervormingsinspanningen van Albanië te erkennen; neemt kennis van het besluit van de Raad om de toestand in juni 2019 opnieuw te evalueren; is ingenomen met het duidelijke traject dat is uitgezet naar het openen van toetredingsonderhandelingen in 2019 en wijst op het feit dat het voorbereidende screeningproces van start is gegaan; herinnert eraan dat het besluit om de toetredingsonderhandelingen te openen afhankelijk is van verdere vooruitgang in het hervormingsproces; verzoekt de Raad een objectieve en eerlijke beoordeling te geven van de vooruitgang die het land reeds geboekt heeft en tegen het einde van dat jaar de eerste Intergouvernementele Conferentie samen te roepen en spoort Albanië aan de hervormingsdynamiek gaande te houden; meent dat de opening van de onderhandelingen een positieve bijdrage zal leveren aan de versterking van de democratie en de rechtsstaat door het hervormingsproces een extra impuls te geven en het toezicht erop te verbeteren;

3.  verzoekt de Commissie de versterkte benadering toe te passen voor de onderhandelingen over de hoofdstukken 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid);

4.  herinnert aan de noodzaak om de toezichtscapaciteiten van het Albanese parlement, ook ten aanzien van het EU‑toetredingsproces, te versterken; vraagt om efficiënter gebruik te maken van de verschillende controlemechanismen en ‑instellingen, inclusief enquêtecommissies; is verheugd over de vaststelling van de gedragscode van het Albanese parlement, die de integriteit en transparantie van, alsook het publieke vertrouwen in de instelling zal vergroten; beklemtoont dat een handhavingsmechanisme, inclusief sancties, noodzakelijk is om de doelmatigheid van de code te vergroten; wijst op de centrale rol van de Commissie voor integratie in de EU en op de verantwoordelijkheid van de Nationale Raad voor Europese integratie als forum voor overleg over de toetredingsvoorbereidingen; dringt aan op verdere samenwerking met het Albanese parlement in het kader van het EP‑programma voor steun aan de parlementen van de uitbreidingslanden, ter verhoging van de capaciteit van dat parlement om kwalitatieve wetgeving in lijn met het EU‑acquis te produceren en zijn controlefunctie uit te oefenen;

5.  benadrukt dat het belangrijk is de brede bevolking bewust te maken van het EU‑toetredingsproces en de rol die de betrokken Europese en Albanese instellingen daarbij op zich nemen;

6.  vraagt Albanië wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om gevolg te geven aan de openstaande aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR); onderstreept dat een inclusieve en tijdige hervorming van het kiesstelsel nodig is om het publieke vertrouwen in het verkiezingsproces te vergroten; herhaalt dat de nodige aandacht moet worden geschonken aan beschuldigingen van illegale en niet-aangegeven financiering van politieke partijen; is ingenomen met de werkzaamheden van de ad‑hoccommissie voor de hervorming van het kiesstelsel van het Albanese Parlement met betrekking tot de onafhankelijkheid en depolitisering van de verkiezingsadministratie, de transparantie van de campagnefinanciering, de registratie van kiezers, het kopen van stemmen, het gebruik van nieuwe technologieën en het stemmen in het buitenland, en dringt erop aan dat de commissie tijdig voor de lokale verkiezingen van 2019 overeenstemming bereikt en overgaat tot de vaststelling van de nodige hervormingen;

7.  verwelkomt de herziening van de Albanese wet inzake de financiering van politieke partijen; herhaalt zijn oproep aan de politieke partijen in het land om te voldoen aan hun verplichting om plegers van misdrijven uit te sluiten van openbare functies op alle beleidsdomeinen en alle beleidsniveaus;

8.  herhaalt dat constructieve politieke dialoog, bereidheid tot compromis, duurzame samenwerking over de partijgrenzen heen en een standvastige en niet-aflatende inzet voor de tenuitvoerlegging en consolidering van de hervormingen ten aanzien van alle vijf kernprioriteiten van essentieel belang zijn om vooruitgang te boeken in het EU‑toetredingsproces en om te komen tot een degelijk werkend democratisch stelsel; verwelkomt de toenemende samenwerking tussen de twee partijen, evenals de brede consensus over de partijgrenzen heen die tijdens de onderhandelingen over bepaalde belangrijke hervormingen werd bereikt; spoort alle politieke partijen aan zich verder in te spannen om een echte politieke dialoog tot stand te brengen en constructief samen te werken en zodoende het hervormingsproces te ondersteunen; wijst opnieuw op zijn sterke overtuiging dat een politieke dialoog moet plaatsvinden binnen democratische instellingen; is ernstig bezorgd over het feit dat het parlementaire proces sinds het zomerreces van 2018 door de oppositie de facto wordt geboycot;

9.  wijst erop dat de hervorming van het rechtsstelsel een belangrijke eis is van de Albanese burgers en een voorwaarde om het vertrouwen in de rechtsstaat, de overheidsinstellingen en de politieke vertegenwoordigers te herstellen; herhaalt dat de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van het gehele hervormingsproces, met name de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en de tenuitvoerlegging van eigendomsrechten, afhangen van het succes van het doorlichtingsproces en de vastberaden voortzetting van de hervorming van het rechtsstelsel;

10.  verwelkomt de vooruitgang die bij de hervorming van justitie is geboekt ten aanzien van een grotere onafhankelijkheid, aansprakelijkheid, professionaliteit en doeltreffendheid van de gerechtelijke instanties van het land, alsook een groter vertrouwen van de bevolking in de gerechtelijke instanties; betreurt dat het justitieel apparaat nog altijd langzaam en inefficiënt is; merkt op dat het re‑evaluatieproces voor alle rechters en aanklagers de eerste tastbare resultaten oplevert; is tevreden met het feit dat de meeste prioritaire dossiers reeds zijn verwerkt; verzoekt de Albanese autoriteiten echter het onpartijdige doorlichtingsproces te bespoedigen, zonder de kwaliteit en rechtvaardigheid in het gedrang te brengen; beklemtoont dat het belangrijk is het doorlichtingsproces volgens de hoogste internationale normen uit te voeren en spoort Albanië aan verder nauw te blijven samenwerken met de International Monitoring Operation; neemt kennis van de eerste ontslagen en gevallen van vrijwillig vertrek van kandidaten voor de hoorzittingen; is in dit verband van mening dat de voorbereiding van de volgende generatie rechters en aanklagers zelfs nog belangrijker is en betreurt daarom dat de politieke partijen in Albanië tot dusver nog geen akkoord hebben bereikt over de nodige wijzigingen aan de wet inzake het statuut van rechters en aanklagers ten aanzien van een grotere capaciteit voor aanwerving en opleiding; dringt erop aan dat aan de doorlichtingsinstanties adequate financiële en personele middelen ter beschikking worden gesteld;

11.  verzoekt de Albanese autoriteiten de oprichting van de nieuwe gerechtelijke instanties zo spoedig mogelijk af te ronden en ervoor te zorgen dat het Grondwettelijk Hof en het Hooggerechtshof opnieuw naar behoren kunnen functioneren; onderstreept de noodzaak om de doeltreffende werking van deze instanties met voldoende personele en financiële middelen te ondersteunen;

12.  is verheugd over de gestage vorderingen bij het opzetten van een meer burgervriendelijke, transparante, professionele en gedepolitiseerde openbare administratie, inclusief op lokaal niveau; dringt aan op de volledige toepassing van de aanbevelingen van de controle-instellingen en van de Ombudsman; merkt ook op dat vooruitgang is geboekt bij de territoriale hervorming en de verdere – bestuurlijke en financiële – consolidatie van de nieuw opgerichte gemeenten, alsmede de vaststelling van de adviesraad om de coördinatie tussen centrale en lokale overheden te verbeteren; verwelkomt de oprichting van EU‑desks en de aanstelling van EU‑coördinatoren op plaatselijk niveau;

13.  pleit voor een verdere versterking van de administratieve capaciteit van de instellingen en organen die verantwoordelijk zijn voor de toetredingsgerelateerde hervormingen, de omzetting van EU‑wetgeving in nationaal recht en de voorbereidingen voor de EU‑toetredingsonderhandelingen;

14.  prijst de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt in het juridisch en institutioneel kader met het oog op de preventie en uitbanning van corruptie in de openbare instellingen, aangezien corruptie nog altijd een groot punt van zorg is; dringt aan op bijkomende inspanningen om de corruptie waarmee de Albanese burgers in hun dagelijks leven worden geconfronteerd te bestrijden, het investeringsklimaat te verbeteren en de rechtszekerheid van investeringen te garanderen; wijst er uitdrukkelijk op dat hoge ambtenaren, als zij worden aangeklaagd, geen voorkeursbehandeling mogen krijgen in vergelijking met gewone burgers; dringt er bij Albanië op aan vaker gebruik te maken van financiële onderzoeken en goede resultaten voor te leggen met betrekking tot de inbeslagname en confiscatie/terugwinning van criminele goederen uit corruptiegerelateerde misdrijven; vraagt om tastbare resultaten voor te leggen in verband met de strijd tegen drugshandel en het witwassen van geld;

15.  is verheugd over de recente aanpassingen van de anticorruptiewetgeving van Albanië; onderstreept de noodzaak om de oprichting van de nationale recherche, het speciaal tribunaal en het speciale openbaar ministerie tegen corruptie en georganiseerde misdaad af te ronden; pleit voor een verdere verbetering van de interinstitutionele samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen politie en openbaar ministerie; verwelkomt de re‑evaluatie van het rechtshandhavingspersoneel in het kader van de wet inzake de doorlichting van de politiediensten;

16.  dringt erop aan dat meer aandacht wordt besteed aan politieke en publiek-private corruptie; vraagt om overtuigender resultaten van proactief onderzoek, vervolgingen en veroordelingen in de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, ook op het hoogste niveau;

17.  is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt in de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad, met name de recente arrestaties van leden van de Bajri-bende, en vraagt te blijven streven naar tastbare en duurzame resultaten, onder meer op het specifieke gebied van drugsteelt en -handel, door de uitvoering van actieplannen tegen de cannabisteelt; is verheugd dat de Albanese politie zich actiever inzet in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en is ingenomen met de nauwere internationale samenwerking van de politiediensten in Albanië, onder meer in gezamenlijke werkgroepen met de lidstaten, met als resultaat effectieve acties tegen criminele netwerken; is van mening dat de samenwerking tussen politie, openbaar ministerie en andere relevante agentschappen en instanties moet worden geconsolideerd;

18.  dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan krachtig op te treden om criminele netwerken die zich bezighouden met mensenhandel of met de handel in wapens en drugs te ontmantelen, en het aantal onderzoeken en vervolgingen, maar ook het aantal uiteindelijke veroordelingen op te voeren, vooral van hooggeplaatste leden van georganiseerde misdaadbendes; wijst op de noodzaak om meer te doen op het gebied van het voorkomen van mensensmokkel, met bijzondere aandacht voor niet-begeleide kinderen en kinderen die op straat leven;

19.  herhaalt zijn oproep aan de Albanese autoriteiten om te zorgen voor de effectieve handhaving en verdere vooruitgang in de doeltreffende en transparante bescherming van eigendomsrechten en tegelijkertijd werk te maken van de registratie, restitutie en compensatie van eigendommen; vraagt de nodige vooruitgang te boeken in verband met de digitalisering en het in kaart brengen van eigendommen; verzoekt de Albanese autoriteiten burgers naar behoren te informeren over hun rechten en de mogelijkheden om die rechten te doen gelden; wijst op het belang van een doeltreffende regeling van eigendomsrechten om de rechtsstaat te waarborgen en een aantrekkelijk bedrijfsklimaat te creëren;

20.  is ingenomen met de maatregelen om de mensenrechten en rechten van minderheden beter te beschermen en het antidiscriminatiebeleid, inclusief de gelijke behandeling van alle minderheden, te versterken; is verheugd over de goedkeuring van een kaderwet inzake nationale minderheden, waarin het onderscheid tussen nationale minderheden en etnolinguïstische gemeenschappen wordt afgeschaft en het beginsel van zelfidentificatie wordt ingevoerd, alsook een verbod op discriminatie en het recht om culturen, tradities en de moedertaal te bewaren; pleit voor de volledige toepassing van de kaderwet in de praktijk en moedigt Albanië aan zich te blijven inzetten door de noodzakelijke secundaire wetgeving bij de kaderwet goed te keuren in overeenstemming met de Europese normen en alle relevante belanghebbenden bij het opstellen ervan te betrekken; dringt aan op maatregelen om het onderwijs, de gezondheid, de arbeidsparticipatie en de levensomstandigheden van Roma, Egyptenaren en andere etnische minderheden verder te verbeteren;

21.  neemt nota van de spanningen na een incident dat heeft geleid tot de dood van Konstantinos Katsifas, lid van de Griekse nationale minderheid en in het bezit van de Albanese en Griekse nationaliteit, die door de Albanese speciale politiediensten (RENEA) op 28 oktober 2018 in Bularat is doodgeschoten tijdens een herdenking van Griekse soldaten die tijdens de tweede wereldoorlog zijn gevallen; roept alle zijden op tot terughoudendheid en verwacht van de Albanese autoriteiten dat zij een onderzoek instellen ter verduidelijking van de omstandigheden die een mens het leven hebben gekost;

22.  is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt wat betreft de deelname en vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, met name dankzij de invoering van een genderquotum, en met de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in de nieuwe regering; wijst opnieuw op zijn bezorgdheid over de discriminatie van en het gebrek aan passende maatregelen voor de bescherming van vrouwen en meisjes die tot achtergestelde en gemarginaliseerde groepen behoren, zoals Roma-vrouwen(1) en vrouwen met een beperking, over de nog altijd bestaande seksistische bepalingen in een aantal wetten, de moeilijke toegang tot de rechter voor vrouwen en het percentage vrouwen op de informele arbeidsmarkt, alsook over het grote aantal gevallen van huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen, met name uit kwetsbare groepen; dringt aan op een adequate aanpak van deze problemen en prijst de goedkeuring van de resolutie over de bestrijding van op gender gebaseerd geweld en de oprichting van een parlementaire subcommissie voor gendergelijkheid;

23.  stelt met verontrusting vast dat vrouwen die in plattelands- en afgelegen gebieden wonen, alsook Roma en Egyptische vrouwen nog steeds beperkt toegang hebben tot eerstelijns- en seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en vaak niet op de hoogte zijn van het bestaan van deze diensten; verzoekt daarom de Albanese autoriteiten om de voorlichting over deze diensten te verbeteren en ervoor te zorgen dat ze toegankelijk, betaalbaar en kwaliteitsvol zijn;

24.  is ingenomen met de versterking van het wetgevingskader inzake kinderrechten dankzij de goedkeuring van de wet inzake de bescherming van de kinderrechten, het strafwetboek voor kinderen en de "Kinderagenda 2020"; wijst erop dat institutionele mechanismen ter bescherming van de kinderrechten nog altijd moeten worden verbeterd; dringt er bij de autoriteiten op aan secundaire wetgeving inzake de bescherming van kinderrechten en het jeugdrecht vast te stellen en vraagt de financiële middelen voor de kinderbescherming fors op te trekken, met name voor kinderbeschermingseenheden op lokaal en regionaal niveau;

25.  prijst het klimaat van tolerantie en samenwerking tussen de religieuze gemeenschappen in Albanië; roept de Albanese autoriteiten op om haatzaaiende taal en de uitsluiting en discriminatie van minderheden, inclusief LGBTI's, effectief te bestrijden; is ingenomen met de onlangs door vijf Albanese gemeenten vastgestelde actieplannen inzake gendergelijkheid, in overeenstemming met het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen in het lokale leven;

26.  verzoekt de Albanese autoriteiten nauwer samen te werken met de maatschappelijke organisaties en een daadwerkelijke publieke participatie en raadpleging te verzekeren doorheen het gehele besluitvormingsproces en het lopende EU-toetredingsproces, ook op nationaal en lokaal niveau, en aldus de democratie en de transparantie te versterken; wijst erop dat het noodzakelijk is de wettelijke en belastingregelingen voor maatschappelijke organisaties te hervormen en dat er overheidsfinanciering beschikbaar moet zijn voor maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van activiteiten zoals belangenbehartiging en optreden als waakhond, alsook voor kleine basisorganisaties; wijst erop dat financiële draagkracht immers voor veel van die organisaties een belangrijke uitdaging blijft omdat het huidige registratieproces wordt gekenmerkt door omslachtige procedures en hoge financiële kosten en het huidige belastingstelsel een zware financiële last betekent voor maatschappelijke organisaties en schenkingen van zowel bedrijven als van personen in de weg staat; herinnert eraan dat een mondig maatschappelijk middenveld een belangrijk onderdeel is van een levendige democratie en dat dit van strategisch belang is voor de transformatie van Albanië in een EU‑lidstaat;

27.  is ingenomen met de ondertekening van het samenwerkingsakkoord tussen de Albanese regering en de Internationale Commissie voor Vermiste Personen waardoor deze in staat wordt gesteld vermiste personen uit het communistische tijdperk op te sporen en te identificeren;

28.  verzoekt de Albanese autoriteiten op beleidsgebied meer te doen voor personen met een handicap, die nog altijd moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot onderwijs, de arbeidsmarkt, gezondheidszorg en sociale diensten en bij de deelname aan het besluitvormingsproces;

29.  betreurt de vertraging bij het opzetten van het Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (RYCO) in Tirana; vraagt de autoriteiten de activiteiten van het RYCO op een flexibele manier te ondersteunen om zo veel mogelijk jongeren de kans te geven om van het werk van het Bureau te profiteren;

30.  wijst opnieuw op het cruciale belang van professionele en onafhankelijke particuliere en openbare media; merkt op dat gedeeltelijk vooruitgang is geboekt bij het versterken van de onafhankelijkheid van de Autoriteit voor audiovisuele media en de openbare omroep van het land; dringt aan op maatregelen om de financiële transparantie van staatsreclame in de media te verbeteren; dringt tevens aan op maatregelen om de sociale en arbeidsrechten van journalisten beter te beschermen;

31.  verwelkomt de oprichting van de Albanese Mediaraad en onderstreept dat deze een belangrijke rol speelt in de vaststelling van hoge ethische en beroepsnormen voor journalisten en de media, en tegelijkertijd hun onafhankelijkheid en vrijheid moet bevorderen; is ingenomen met de goedkeuring van de herziene Ethische code voor journalisten en de Ethische richtsnoeren voor onlinemedia en vraagt de beginselen daarvan te versterken teneinde het vertrouwen van het publiek te behouden en waarachtigheid, eerlijkheid, integriteit, onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht in stand te houden;

32.  dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan meer werk te maken van hervormingen die het concurrentievermogen versterken en de informele economie aanpakken; wijst erop dat corruptie, het tekortschieten van de rechtsstaat en omslachtige regelgevingsprocedures investeerders blijven afschrikken en de duurzame ontwikkeling van Albanië afremmen; vraagt het bedrijfs- en investeringsklimaat verder te verbeteren door te zorgen voor een voorspelbaar regelgevend en wetgevend kader, rechtszekerheid en de rechtsstaat, de handhaving van eigendomsrechten en strikte naleving van contracten, het krachtig streven naar consolidatie van de overheidsfinanciën en de versterking van de belastingadministratie;

33.  wijst op de noodzaak om tijdens het toetredingsproces een positieve convergentie van de sociale normen te verzekeren; is verheugd over de goedkeuring van de prioriteitenagenda van Sofia, met name de aandacht die hierin uitgaat naar sociaaleconomische ontwikkeling en jongeren; vraagt de Albanese autoriteiten de rol van publiek-private partnerschappen opnieuw te bekijken, evenals de gevolgen daarvan voor algemene hulpbronnen en voor goederen van openbaar belang zoals snelwegen, gezondheid, natuur en cultureel erfgoed in overeenstemming met de Unesco-verplichtingen; vraagt Albanië de criteria voor het verlenen van sociale bijstand bekend te maken;

34.  vreest dat de ontmanteling van het Albanese Ministerie van Sociale Welvaart na een herstructurering van de regering negatieve gevolgen kan hebben voor de beleidsvorming op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken; verzoekt de Albanese autoriteiten om de samenwerking met de vakbonden te bevorderen en de sociale dialoog te versterken; dringt aan op doeltreffende maatregelen om de hoge werkloosheid, vooral bij jongeren en vrouwen, aan te pakken en om kinderarbeid te voorkomen; vraagt om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren en te garanderen dat het onderwijs toegankelijk blijft voor de gehele bevolking;

35.  juicht toe dat de werkloosheid in Albanië volgens het Albanese instituut voor statistiek (Instat) is gedaald; beklemtoont dat de kwaliteit van het onderwijsstelsel moet worden verbeterd, met inbegrip van een grotere capaciteit om mensen meer kennis en vaardigheden aan te leren die inspelen op de behoeften van de arbeidsmarkt; onderstreept de noodzaak om groei voor de lange termijn te ondersteunen door de capaciteit voor de opname van technologieën, voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie uit te bouwen;

36.  dringt er bij de regering op aan het onderwijssysteem te moderniseren teneinde tot een inclusievere samenleving te komen, ongelijkheid en discriminatie te reduceren, en jongeren beter van vaardigheden en kennis te voorzien;

37.  verwelkomt de toezegging van Albanië over de tenuitvoerlegging van de agenda voor connectiviteit in het kader van het proces van Berlijn en de goedkeuring van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) 2018-pakket dat de heropbouw van de haven van Durrës omvat, een strategisch belangrijk infrastructuurproject dat de verbindingen tussen Albanië enerzijds en Kroatië en Italië anderzijds versterkt en dat de door land omsloten buurlanden van Albanië, Kosovo en Macedonië, toegang geeft tot zeeroutes; dringt er bij de Albanese autoriteiten op aan haast te maken met de planning en aanleg van de Albanese delen van de trans-Europese netwerken en het wettelijk kader verder te harmoniseren met het EU‑acquis; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen teneinde een klimaat te bevorderen dat gunstig is voor de markt en voor investeringen met het oog op een digitale economie; merkt op dat 40 % van de bevolking van Albanië in plattelandsgebieden woont, maar dat slechts 1 % hiervan een internetaansluiting heeft;

38.  wijst nogmaals op het belang van betere openbare infrastructuur in de landen van de Westelijke Balkan en in verbinding met de EU‑lidstaten; beveelt de autoriteiten aan om vaart te zetten achter de uitvoering van grote infrastructuurprojecten, zoals de spoorwegverbinding en de moderne snelweg tussen Tirana en Skopje, die onderdeel zijn van Corridor VIII;

39.  uit zijn diepe bezorgdheid over bepaalde economische projecten die hebben geleid tot ernstige ecologische schade in beschermde gebieden, zoals grootschalige toeristencentra en waterkrachtcentrales langs de Vjosa- en de Valbona-rivier; geeft Albanië de aanbeveling zijn strategie in verband met hernieuwbare energie opnieuw te bekijken en de afhankelijkheid van waterkracht voor zijn energieopwekking te verminderen; vraagt de autoriteiten onderzoek te doen naar investeringen in hernieuwbare-energieprojecten uit andere bronnen dan waterkracht; dringt er bij de autoriteiten op aan om de kwaliteit van strategische milieubeoordelingen, milieueffectbeoordelingen en openbare raadplegingen voor dergelijke projecten te verbeteren, rekening houdend met de standpunten van de plaatselijke gemeenschap; dringt er bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) en de Europese Investeringsbank (EIB) op aan hun steun aan waterkrachtprojecten te herzien indien vooraf geen degelijke strategische milieubeoordelingen of milieueffectbeoordelingen zijn verricht; wijst op de noodzaak om te verzekeren dat de trans‑Adriatische pijpleiding (TAP) in overeenstemming is met de sociale en milieuaspecten van het acquis; herhaalt zijn oproep aan Albanië om relevante maatregelen voor afvalbeheer uit te voeren en zich te conformeren aan het EU‑acquis op het gebied van milieu;

40.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat Albanië nog steeds het Westelijke Balkanland is van waaruit het grootste aantal illegale binnenkomsten en verblijven, alsook ongegronde asielaanvragen in de lidstaten afkomstig is; vraagt om versterking van de in de voorbije maanden genomen maatregelen om het verschijnsel van ongegronde asielaanvragen in de EU en het probleem van niet-begeleide minderjarigen, alsook de dieperliggende oorzaken daarvan, doeltreffend aan te pakken; pleit voor concrete maatregelen om de werkgelegenheid, inzonderheid voor jongeren, het onderwijs, de levensomstandigheden en de gezondheid te verbeteren; vraagt de Albanese autoriteiten regelingen vast te stellen ter begeleiding van de doeltreffende re-integratie van families en kinderen bij hun terugkeer in het land;

41.  is ingenomen met de maatregelen die zijn genomen voor de overeenkomst inzake de operationele samenwerking tussen het Europees Grens- en kustwachtagentschap en Albanië, het eerste land in de regio waarmee een dergelijke overeenkomst werd gesloten, en moedigt verdere operationele samenwerking aan;

42.  verzoekt de Albanese regering zich te houden aan de bepalingen van artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, dat door de Raad van Europa is vastgesteld, en artikel 19 van het EU‑Handvest van de grondrechten, en geen uitleveringen toe te staan voor politieke delicten, noch wanneer de persoon in kwestie mogelijk foltering of een onmenselijke behandeling te wachten staat in het land dat om uitlevering vraagt;

43.  looft het succesvolle optreden van Albanië bij het indammen van de uitstroom van buitenlandse strijders; is verheugd over de regionale samenwerking bij het bestrijden van mogelijke terreurdreigingen; wijst opnieuw op de noodzaak van verdere maatregelen om de geldstromen voor de financiering van het terrorisme te verstoren, de mechanismen voor preventie en monitoring te versterken door het maatschappelijk middenveld en de religieuze gemeenschappen daarbij te betrekken, en onlineradicalisering effectief aan te pakken; wijst opnieuw op de noodzaak om de re‑integratieprogramma's voor teruggekeerde strijders en hun families verder te verbeteren en radicalisering in gevangenissen te voorkomen door ook de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en religieuze gemeenschappen te versterken;

44.  roept op tot meer samenwerking tussen Albanië en de EU op het gebied van cybercriminaliteit en cyberdefensie;

45.  is ingenomen met de actieve deelname van Albanië aan het proces van Berlijn, het initiatief van de zes landen van de Westelijke Balkan en andere regionale initiatieven, alsook met de bijdrage van het land tot een sterkere profilering van de Raad voor regionale samenwerking; is verheugd over de ondertekening van een Gezamenlijke verklaring inzake regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen in het kader van het proces van Berlijn; is verheugd dat Albanië een proactieve rol speelt bij het bevorderen van regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen met andere uitbreidingslanden en naburige lidstaten en onderstreept dat goede betrekkingen een essentieel onderdeel zijn van het toetredingsproces; is verheugd over de officiële start van het Fonds voor de Westelijke Balkan, dat de gemeenschappelijke waarden dient te bevorderen en de regionale samenwerking tussen burgers, maatschappelijke organisaties en instellingen in de regio van de Westelijke Balkan dient te ontwikkelen; is ingenomen met de oprichting van de gezamenlijke kamer van koophandel van Albanië en Servië in Tirana en moedigt de versterking van samenwerking op het gebied van handel en het bedrijfsleven in de regio aan; is verheugd over de voortgezette inspanningen ter verbetering van de regionale samenwerking, voornamelijk op het gebied van milieubescherming, zoals geschetst in het Trilateraal Adriatisch initiatief; wijst erop dat verklaringen en maatregelen die de goede nabuurschapsbetrekkingen negatief kunnen beïnvloeden, moeten worden vermeden;

46.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de Regionale Commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom); dringt er bij de Albanese regering op aan het voortouw te nemen bij de oprichting ervan; onderstreept het belang van dit proces en de actieve inzet van alle regionale politieke leiders opdat deze commissie haar werkzaamheden zonder verdere vertraging kan aanvatten; vraagt aandacht voor het voorstel van de Coalitie van Recom voor een actieplan met duidelijke datums en benchmarks;

47.  heeft hoge lof voor het feit dat Albanië zich volledig blijft richten naar de EU‑standpunten en verklaringen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; verzoekt Albanië zich aan te passen aan het gemeenschappelijk standpunt van de EU over de integriteit van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en de bilaterale immuniteitsovereenkomst met de Verenigde Staten op te zeggen; looft de actieve deelname van Albanië aan militaire crisisbeheersingsmissies in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de bijdrage van het land aan NAVO-missies die van strategisch belang zijn voor de EU;

48.  verzoekt de Albanese autoriteiten de EU‑middelen zo doeltreffend mogelijk te benutten in alle regio's van het land; verzoekt de Commissie de hand te houden aan de strikte voorwaarden voor steun uit het IPA en om in het kader van de landverslagen de doeltreffendheid van de IPA‑steun aan Albanië te beoordelen, met name ten aanzien van de kernprioriteiten en de desbetreffende projecten;

49.  neemt nota van de constructieve sfeer op de twaalfde bijeenkomst van het SAPC EU‑Albanië, die op 12‑13 februari 2018 werd gehouden in Tirana; merkt op dat de samenwerking tussen de vertegenwoordigers van de meerderheid en de oppositie in het SAPC is verbeterd; onderstreept dat het belangrijk is om bij de hervormingen op weg naar toetreding tot de EU te blijven samenwerken over de partijgrenzen heen;

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Albanië.

(1) Het woord "Roma" wordt gebruikt als overkoepelende term voor verschillende verwante, al dan niet sedentaire bevolkingsgroepen, zoals Roma, Ashkali, Egyptenaren enz., die niet noodzakelijk dezelfde cultuur en levensstijl hebben.


Verslag 2018 over Montenegro
PDF 276kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het verslag 2018 van de Commissie over Montenegro (2018/2144(INI))
P8_TA-PROV(2018)0482A8-0339/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Montenegro, die van kracht is sinds 1 mei 2010,

–  gezien de verklaring van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de op deze top vastgestelde prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien de negende zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Montenegro, die op 25 juni 2018 heeft plaatsgehad,

–  gezien de toetreding van Montenegro tot de NAVO op 5 juni 2017,

–  gezien de ratificatie van de overeenkomst inzake grensafbakening tussen Kosovo en Montenegro door de parlementen van Montenegro en Kosovo,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU‑betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 over het EU-uitbreidingsbeleid 2018 (COM(2018)0450) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Montenegro 2018 Report" (SWD(2018)0150),

–  gezien de beoordeling door de Commissie van 17 april 2018 van het economische hervormingsprogramma van Montenegro voor de periode 2018-2020 (SWD(2018)0131) en de op 25 mei 2018 aangenomen gezamenlijke conclusies van de Raad over de economische en financiële dialoog tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan,

–  gezien de verslagen van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) en de verklaring van de verkiezingswaarnemingsdelegatie van het Europees Parlement, over de presidentsverkiezingen van 15 april 2018,

–  gezien de verklaring en de aanbevelingen van de vijftiende bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU‑Montenegro, die op 16‑17 juli 2018 werd gehouden in Podgorica,

–  gezien het resultaat van het in 2017 door de Commissie, de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties verrichte onderzoek naar gemarginaliseerde Roma in de Westelijke Balkan,

–  gezien het proces van Berlijn dat is gestart op 28 augustus 2014,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Montenegro,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0339/2018),

A.  overwegende dat elk uitbreidingsland afzonderlijk wordt beoordeeld op zijn eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

B.  overwegende dat Montenegro momenteel het verst staat in de onderhandelingsprocedure: het heeft 31 van de 35 hoofdstukken van het acquis communautaire van de EU geopend en drie hoofdstukken voorlopig afgesloten;

C.  overwegende dat een constructieve dialoog tussen interne politieke krachten en met buurlanden over hervormingen van vitaal belang is voor verdere vooruitgang in het toetredingsproces;

D.  overwegende dat Montenegro zich blijft inzetten voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie en resultaten blijft boeken bij de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

E.  overwegende dat Montenegro pretoetredingssteun ontvangt in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II);

F.  overwegende dat Montenegro onder meer de parlementaire, wetgevende en toezichtscapaciteit verder moet versterken, evenals de transparantie van de instellingen, de eerbiediging van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de interne vervolging van oorlogsmisdrijven, de integriteit van het verkiezingsproces, de mediavrijheid, en de strijd tegen corruptie, georganiseerde misdaad en de informele economie;

1.  is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van Montenegro voor het EU‑integratieproces en zijn blijvende goede vooruitgang in het algemeen, op basis van het brede draagvlak voor deze strategische beslissing;

2.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging en toepassing van hervormingen een belangrijke aanwijzing voor een succesvolle integratie blijft; vraagt Montenegro de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren, en dringt erop aan dat de tussentijdse ijkpunten voor de hoofdstukken 23 en 24 tijdig ten uitvoer worden gelegd;

3.  verwelkomt de verklaring van de Commissie, zoals geformuleerd in haar mededeling van 6 februari 2018 over de strategie voor de Westelijke Balkan, dat Montenegro met een sterke politieke wil, de verwezenlijking van reële en duurzame hervormingen en definitieve oplossingen voor geschillen met buurlanden, tegen 2025 potentieel klaar kan zijn voor lidmaatschap;

4.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) in voldoende middelen wordt voorzien voor de mogelijke toetreding van Montenegro tot de Europese Unie, zoals aangegeven in de strategie voor de Westelijke Balkan;

Democratisering

5.  herinnert alle politieke partijen eraan dat een constructieve politieke inzet afhankelijk is van een volledig functionerend parlement waarin alle politici hun verantwoordelijkheid tegenover de kiezers nemen door hun zetels in het parlement op te nemen; is ingenomen met het feit dat de meeste oppositiepartijen zijn teruggekeerd naar het parlement na een langdurige parlementaire boycot; dringt er bij alle politieke partijen op aan terug te keren naar het parlement en meer gecoördineerde inspanningen te leveren om een echte politieke dialoog tot stand te brengen, teneinde te verzekeren dat het parlement over de middelen beschikt om zijn rol als wetgever en toezichthouder ten volle te vervullen, en zodoende een functioneel democratisch proces te herstellen;

6.  dringt aan op de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake de participatie van vrouwen en minderheden, met name de Romagemeenschap(1), aan het openbare en politieke leven, onder meer door een zinvolle deelname van vrouwen uit minderheidsgroepen aan het besluitvormingsproces en hun aanwerving in het openbaar ambt en andere overheidsinstanties;

7.  verzoekt de politieke leiders van Montenegro zich te richten op de resterende uitdagingen bij de aanpak van problemen in verband met de rechtsstaat, mediavrijheid, corruptie, witwassen van geld, georganiseerde misdaad en geweld en hiervan een prioriteit te maken;

8.  stelt vast dat bij de presidentsverkiezingen van april 2018 de fundamentele vrijheden zijn geëerbiedigd; verzoekt de regering samen te werken met de oppositiepartijen en het maatschappelijk middenveld om de door OVSE/ODIHR vastgestelde tekortkomingen grondig aan te pakken en de prioritaire aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van het ODIHR ten uitvoer te leggen door de hangende nationale wetgeving aan te nemen, en de transparantie en professionalisering van de verkiezingsadministratie te versterken, teneinde het vertrouwen van de bevolking in de kiesprocedure te vergroten; vraagt om simultaan in het hele land plaatselijke verkiezingen te houden en om de kwaliteit en transparantie van de verkiezingen te verbeteren; dringt erop aan dat de bepalingen over de transparantie van partijfinanciering worden versterkt;

9.  vraagt om een volledig onderzoek naar alle vermeende onregelmatigheden bij de verkiezingen; dringt opnieuw aan op een zorgvuldige follow‑up van de "audio-recording-affaire" 2012; verzoekt het agentschap voor corruptiebestrijding om voor meer toezicht te zorgen op de mogelijk onjuiste aanwending van openbare middelen om partijkassen aan te vullen;

10.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het besluit van het Montenegrijnse parlement om Vanja Ćalović Marković te ontslaan als lid van het agentschap voor corruptiebestrijding; dringt aan op volledige transparantie bij de behandeling van deze zaak;

Rechtsstaat

11.  wijst op de belangrijke rol van de auditautoriteit, het agentschap voor corruptiebestrijding, de controlecommissie overheidsopdrachten, de mededingingsautoriteit en de autoriteit inzake staatssteun om georganiseerde misdaad en corruptie te bestrijden; is ingenomen met de voortgezette hervormingen ter verbetering van de capaciteit en de onafhankelijkheid van deze instellingen, maar wijst op de noodzaak van een verbeterde efficiëntie, betere resultaten, inspanningen voor de preventie van corruptie, onder meer door passende sancties, en opheffing van de resterende belemmeringen om de volledige onafhankelijkheid van deze instellingen te bereiken;

12.  merkt op dat vooruitgang is geboekt met betrekking tot de bevoegdheid van het agentschap voor corruptiebestrijding om onderzoek te voeren naar campagnefinanciering; onderstreept evenwel dat het vertrouwen in en de reputatie van het agentschap verbeterd moeten worden, hetgeen kan worden bereikt door de werkzaamheden van het agentschap aan politieke invloed te onttrekken;

13.  is verheugd over de geleverde inspanningen om de transparantie van de openbare administratie en het delen van informatie te verbeteren, maar pleit ervoor om een meer burgervriendelijke, professionele en gedepolitiseerde openbare administratie op te zetten; looft het efficiëntere optreden van de Ombudsman; vraagt om betere effectbeoordelingen, uitgebreide auditverslagen en inclusieve openbare raadplegingen over wetsvoorstellen; wijst op het belang van samenwerking met maatschappelijke organisaties en van open toegang tot informatie om corruptie doeltreffend te kunnen bestrijden, en moedigt een herziening van de in mei 2017 doorgevoerde wetswijzigingen aan; pleit voor een beter gebruik van financiële middelen en menselijk kapitaal in het openbaar bestuur;

14.  is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die Montenegro heeft geboekt op het gebied van e-governance en e‑participatie, waardoor het land volgens het VN‑onderzoek inzake elektronisch bestuur van 2016 momenteel tot de 25 best presterende landen behoort; verzoekt de Montenegrijnse regering om het tempo van deze hervormingen aan te houden om de doeltreffendheid en toegankelijkheid van het openbaar bestuur verder te verbeteren;

15.  verwelkomt de matige vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de grotere onafhankelijkheid, transparantie, aansprakelijkheid, professionaliteit en doeltreffendheid van de gerechtelijke instanties; dringt aan op waarborgen tegen politieke inmenging en op een coherente toepassing van de gedragscodes en disciplinaire maatregelen; is ingenomen met het feit dat voor de eerste keer nieuwe rechters en openbaar aanklagers zijn benoemd met het nieuwe aanwervingssysteem;

16.  wijst op de noodzaak om vorderingen te maken met betrekking tot de gerechtelijke procedure over de vermeende couppoging van oktober 2016 door volledige justitiële samenwerking met derde landen te verzekeren; is ingenomen met het besluit om het proces openbaar uit te zenden, in het belang van de transparantie;

17.  verwelkomt de aanpassing van de wet op de Raad van Justitie die op 29 juni 2018 is goedgekeurd, waardoor de Raad van Justitie normaal kan blijven functioneren; merkt op dat de aangenomen wijzigingen in overeenstemming zijn met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; wijst erop dat deze wijzigingen met betrekking tot de verkiezing van lekenmagistraten in de Raad slechts een tijdelijke oplossing zijn; dringt er bij de recent gevormde ad-hocwerkgroep van het Parlement op aan spoedig een oplossing voor deze kwestie te vinden;

18.  is bezorgd over de toename van gevallen van geweld en moorden in verband met georganiseerde misdaad, wat een nadelig effect heeft op het dagelijks leven van de gewone burger; verneemt met instemming dat de autoriteiten zich bewust zijn van dit probleem, maar roept op tot krachtigere preventieve maatregelen, inclusief het gebruik van verbeurdverklaring zonder veroordeling; looft het onderzoek, de vervolging en de veroordelingen met betrekking tot corruptie op hoog niveau; wijst er echter op dat deze resultaten nog beter moeten, vooral met betrekking tot witwassing en mensenhandel;

19.  dringt aan op vooruitgang bij het voorkomen van belangenconflicten en ongeoorloofde verrijking van ambtenaren, ook op gemeentelijk niveau; dringt er bij de autoriteiten op aan de confiscatie van criminele vermogensbestanddelen te intensiveren, ter bevordering van onderzoek naar niet-verantwoorde vermogens en andere stappen die leiden tot de ontmanteling van criminele bendes en het verbreken van de banden tussen de georganiseerde criminaliteit, het bedrijfsleven en de politiek; stelt tegelijkertijd de praktijk aan de kaak waarbij lichtere sancties worden opgelegd dan het wettelijke minimum, aangezien dit contraproductief is in de strijd tegen corruptiemisdrijven;

20.  herinnert eraan dat Montenegro bijkomende inspanningen moet leveren om ervoor te zorgen dat het recht op eigendom daadwerkelijk wordt beschermd, in overeenstemming met het EU-acquis en de internationale mensenrechtennormen; vraagt de overheidsinstanties om bij de uitvoering van het bestaande nationale rechtskader binnen een redelijke termijn in eerlijke procedures te voorzien, ook op het gebied van eigendomsrechten en teruggave van eigendom; merkt op dat een deugdelijke, niet‑discriminerende en stabiele regeling van eigendomsrechten een noodzakelijke voorwaarde is om het vertrouwen van burgers, ondernemingen en buitenlandse investeerders te verzekeren;

Grensbeheer en migratie

21.  merkt op dat Montenegro tot nu toe bewezen heeft in staat te zijn om asielaanvragen te behandelen, maar wijst erop dat verdere vooruitgang nodig is; moedigt Montenegro aan om nauwer samen te werken met het Europees Grens- en kustwachtagentschap om het grensbeheer te verbeteren in overeenstemming met de Europese normen, irreguliere migratie aan te pakken en netwerken voor migrantensmokkel te verstoren; dringt aan op grotere inspanningen en grensoverschrijdende samenwerking om georganiseerde criminele netwerken in verband met mensenhandel, drugs- en tabaksmokkel te voorkomen en ontmantelen; wijst erop dat er grote problemen blijven bestaan met de illegale handel in tabaksproducten in Montenegro, met name in de vrijhandelszones; verzoekt de Commissie Montenegro verder te helpen bij het controleren van de vrijhandelszones en het bestrijden van de illegale handel;

22.  betreurt het gebrek aan vooruitgang bij het aanpakken van mensenhandel en dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de preventie van georganiseerde gedwongen prostitutie en kinderbedelarij; onderstreept dat extra inspanningen nodig zijn ten aanzien van de identificatie van slachtoffers en hun toegang tot maatregelen voor bijstand, schadeloosstelling en bescherming; verzoekt Montenegro doeltreffende bescherming te bieden aan de slachtoffers van mensenhandel, en in het bijzonder aandacht te schenken aan het herstel van minderjarige slachtoffers van mensenhandel en aan Romameisjes en ‑vrouwen, wegens de kwetsbare omstandigheden waarin zij zich bevinden als gevolg van armoede en marginalisering;

Media

23.  is in toenemende mate bezorgd over de stand van zaken wat betreft de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, waarover in drie opeenvolgende verslagen van de Commissie "geen vooruitgang" werd gemeld; herinnert eraan dat het desbetreffende hoofdstuk 23 werd geopend in december 2013 en dat de vooruitgang in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 24 het algehele tempo van de onderhandelingen bepalen; veroordeelt met klem de intimidatie, lastercampagnes en verbale en fysieke aanvallen aan het adres van journalisten; merkt op dat er in 2017 zeven gerapporteerde gevallen van aanvallen op journalisten waren; dringt er bij de regering op aan journalisten daadwerkelijk te beschermen; vraagt verdere stappen te zetten om de onafhankelijkheid van de media en van journalisten te verzekeren, en moedigt aan systematisch gegevens te verzamelen over bedreigingen van journalisten; merkt op dat de EU-delegatie in Montenegro de situatie nauwlettend volgt;

24.  is met name bezorgd over de aanslag op Olivera Lakić, journaliste bij Vijesti, op 8 mei 2018, en roept op de zaak grondig te onderzoeken; vindt het onaanvaardbaar dat er geen vooruitgang is geboekt in het onderzoek naar oude zaken van geweld tegen journalisten; verzoekt de autoriteiten alle aanvallen op journalisten krachtig te veroordelen en maatregelen in te voeren om journalisten te beschermen en straffeloosheid uit te bannen;

25.  betreurt de aanhoudende financiële en redactionele druk op de openbare omroep van Montenegro (RTCG) en op het agentschap voor digitale media; dringt erop aan dat waarborgen tegen ongeoorloofde politieke en zakelijke invloeden ingevoerd worden en dat volledige transparantie met betrekking tot staatsreclame in de media wordt verzekerd; herhaalt dat RTCG en alle andere media moeten worden beschermd tegen ongewenste politieke invloeden; dringt er bij de overheidsinstanties op aan te voorzien in voldoende middelen voor zowel de mediatoezichthouders als de openbare omroep om de financiële autonomie en onafhankelijkheid van de RTCG en het agentschap voor digitale media te waarborgen, omdat deze cruciaal zijn voor een degelijk mediaklimaat tijdens verkiezingscampagnes; betreurt de gewijzigde samenstelling van de raad van bestuur van RTCG en het ontslag van de directeur-generaal van RTCG, mevrouw Andrijana Kadija; meent dat ontslag slechts in beperkte omstandigheden mag worden toegestaan;

26.  waarschuwt ervoor dat een gebrek aan financiële autonomie van de media de politieke afhankelijkheid en polarisatie in de hand werkt; meent dat een transparante en niet‑discriminerende toewijzing van middelen voor staatsreclame nodig is en verzoekt de autoriteiten alternatieve vormen van indirecte steun te overwegen om de onafhankelijkheid van de media te bevorderen;

27.  benadrukt de rol van het agentschap voor digitale media en van efficiënte zelfregulering om de hoogste ethische normen in de Montenegrijnse media te waarborgen en het aantal gevallen van smaad terug te dringen; merkt op dat de precaire situatie van journalisten de kwaliteit en het professionalisme van de media ondermijnt;

Maatschappelijke organisaties en mensenrechten

28.  onderstreept de cruciale rol van maatschappelijke organisaties bij de verbetering van de werking van overheidsinstellingen en bij de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad; veroordeelt met klem de recente intimidatie- en onaanvaardbare lastercampagnes tegen maatschappelijke organisaties die zich kritisch uitlieten over de trage algemene vooruitgang of zelfs de afwezigheid van vooruitgang, in cruciale domeinen van de rechtsstaat;

29.  vraagt dat aandachtiger te werk wordt gegaan bij het opstellen en ten uitvoer leggen van wetgeving op gebieden die van invloed zijn op de armslag van het maatschappelijk middenveld, teneinde ervoor te zorgen dat die wetgeving maatschappelijke organisaties geen onevenredige lasten oplegt, dat zij hen niet discrimineert en dat zij de manoeuvreerruimte voor het maatschappelijk middenveld niet beperkt; benadrukt dat openbare financiering beschikbaar moet worden gemaakt voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich bezighouden met de mensenrechten, democratie en rechtsstaat, waaronder waakhond-, belangen- en kleine basisorganisaties; meent dat maatschappelijke organisaties het recht moeten hebben om financiering te ontvangen van andere donoren, bijvoorbeeld particulieren en internationale organisaties, organen of agentschappen;

30.  neemt kennis van de wetswijziging inzake ngo's, die erop gericht is de publieke financiering ervan te verbeteren, en pleit ervoor om zo spoedig mogelijk de nodige afgeleide wetgeving vast te stellen; herhaalt zijn oproep voor systematisch, inclusief, tijdig en echt overleg met maatschappelijke organisaties en het grote publiek over belangrijke hervormingen van EU‑gerelateerde wetgeving, met inbegrip van hun tenuitvoerlegging op lokaal niveau, om de besluitvorming democratischer en transparanter te maken; beveelt aan de financiële regelgeving voor maatschappelijke organisaties te verbeteren door meer middelen uit te trekken en duidelijke regels vast te stellen met betrekking tot de overheidsmechanismen voor de raadpleging van maatschappelijke organisaties;

31.  is verheugd over de lopende aanpassing van de wetgeving op het gebied van de grondrechten; dringt erop aan dat het institutionele kader dat een doeltreffende bescherming van de rechten mogelijk maakt, wordt versterkt, ook in het geval van mishandeling door wetshandhavingsinstanties, intimidatie en fysiek geweld; vraagt dat de wet over de godsdienstvrijheid wordt gemoderniseerd;

32.  is opgezet met de inspanningen tot dusver voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul, maar dringt aan op de verbetering van de handhavings- en monitoringsmechanismen voor mensenrechtenbescherming, onder meer door geweld tegen vrouwen en kinderen tegen te gaan; dringt bijgevolg aan op de effectieve uitvoering van het grondrechtenbeleid, met name inzake gendergelijkheid, het recht op sociale inclusie van personen met een beperking, kinderrechten en rechten van de Romagemeenschap, door te zorgen voor passende begrotingstoewijzingen en middelen om het beleid uit te voeren en de capaciteit van de bevoegde instanties uit te breiden; verzoekt de autoriteiten de noodzakelijke maatregelen te nemen om gedwongen kinderhuwelijken te voorkomen;

33.  dringt erop aan dat Montenegro de volledige en spoedige tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake gendergelijkheid en non‑discriminatie verzekert en toezicht houdt op de gevolgen van dit beleid voor vrouwen uit achtergestelde en gemarginaliseerde maatschappelijke groepen; roept Montenegro op de onbelemmerde toegang van alle vrouwen tot justitie te verzekeren en te voorzien in gratis juridische bijstand voor vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, met bijzondere aandacht voor Romavrouwen, vrouwen met een beperking en vrouwen die leven in landelijke en afgelegen gebieden; vraagt Montenegro de rol en capaciteit van de bevoegde instanties te versterken, zodat zij beter uitgerust zijn met het oog op de bescherming en rehabilitatie van slachtoffers, en om proactief samen te werken met mannen om geen geweld tegen vrouwen te plegen; dringt er bij Montenegro op aan het aantal en de capaciteit van zijn door de overheid beheerde opvangcentra te vergroten;

34.  roept de Montenegrijnse autoriteiten op om het klimaat van maatschappelijke inclusie en tolerantie te verbeteren en effectieve maatregelen tegen haatuitingen, sociale exclusie en de discriminatie van minderheden te nemen; merkt op dat Montenegro het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap nog steeds niet volledig naleeft; moedigt de bevoegde autoriteiten ertoe aan zich meer in te zetten voor de bescherming van de rechten van LGBTI-personen; blijft bezorgd over de moeilijke situatie ten aanzien van de aanvaarding van seksuele diversiteit in de Montenegrijnse samenleving; uit zijn bezorgdheid over de discriminatie van vrouwen en meisjes in de Romagemeenschap, en het feit dat gemarginaliseerde leden van de Romagemeenschap slechts beperkte toegang hebben tot mogelijkheden in elk aspect van menselijke ontwikkeling, zoals bleek uit een onderzoek naar deze kwestie in 2017; benadrukt dat de kmo-sector moet worden versterkt, en dat ondersteuning moet worden geboden door middel van betere wetgeving en de tenuitvoerlegging van een industriebeleid;

35.  stelt vast dat er voortdurend vooruitgang wordt geboekt bij het verbeteren van de situatie van minderheden; pleit voor eerbiediging van de multi-etnische identiteit van de Baai van Kotor en voor extra inspanningen om die identiteit te beschermen;

36.  verzoekt Montenegro met klem publieke bewustmakingscampagnes te organiseren om discriminatie en geweld tegen LGBTI-personen te bestrijden en eerlijk onderzoek en vervolging van misdrijven tegen LGBTI te verzekeren;

37.  verzoekt Montenegro met klem publieke bewustmakingscampagnes te organiseren om de melding van huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes aan te moedigen, het aantal goed opgeleide en genderbewuste rechters uit te breiden, gedegen onderzoek en vervolging van misdrijven te verzekeren, en juridische en psychologische bijstand en re‑integratiediensten te bieden aan slachtoffers;

Economie, sociaal beleid, werkgelegenheid en onderwijs

38.  is ingenomen met de vooruitgang die Montenegro heeft geboekt bij het waarborgen van macro-economische stabiliteit en begrotingsconsolidatie, en dringt aan op begrotingstransparantie en een goed werkgelegenheids- en ondernemingsklimaat; wijst erop dat corruptie, de informele economie, het tekortschieten van de rechtsstaat en omslachtige regelgevingsprocedures investeerders blijven afschrikken en groei bemoeilijken; wijst erop dat het Europees sociaal model berust op dialoog met alle economische spelers, met inbegrip van de vakbonden;

39.  dringt erop aan dat alle mogelijkheden van digitale instrumenten op het gebied van het kadaster, facturering en het afgeven van bouwvergunningen worden gebruikt; wijst op de noodzaak om vaart te zetten achter de uitrol van breedbandtoegang voor bedrijven en huishoudens; onderstreept de noodzaak van een regeringsbreed interoperabiliteitskader om de verdere digitalisering en vereenvoudiging van administratieve en bedrijfsprocedures te ondersteunen; toont zich verheugd over de ontwikkeling van een systeem voor elektronische online-registratie van bedrijven;

40.  is ingenomen met de wijzigingen in de onderwijsregelgeving en de inspanningen om de participatie aan voorschools onderwijs, ook door kinderen uit kansarme milieus, te verbeteren; wijst op het belang van een geïntegreerd beleid voor de ontwikkeling van jonge kinderen; dringt er bij de autoriteiten op aan de hoge langdurige werkloosheid onder jongeren en vrouwen aan te pakken, mede door gendereffectbeoordelingen uit te voeren waar passend; neemt kennis van de voorbereiding van een witboek ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, in samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie; onderstreept de noodzaak van actieve arbeidsmarktmaatregelen, in het bijzonder ten behoeve van vrouwen die getroffen zijn door de intrekking van sociale voordelen;

41.  wijst erop dat daadwerkelijk en systematisch overleg moet worden gepleegd met de sociale partners over werkgelegenheidskwesties en sociale zaken; onderstreept de noodzaak om de capaciteiten van de Sociale Raad uit te breiden; is verheugd dat er regelingen zijn vastgesteld op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk maar is bezorgd over de talrijke dodelijke ongevallen op de werkvloer en het beperkte aantal arbeidsinspecteurs;

42.  is ingenomen met de verbeterde deelname van Montenegro aan het programma Erasmus+ en spreekt zijn steun uit voor het voorstel van de Commissie om de begroting van Erasmus+ te verdubbelen; pleit voor een betere coördinatie van horizontale kwesties in verband met jeugdwerkloosheid, inclusie, actief burgerschap, vrijwilligerswerk en onderwijs;

Milieu, energie en vervoer

43.  stelt met tevredenheid vast dat Montenegro volgens artikel 1 van de grondwet een milieuvriendelijke staat is; is verheugd dat de onderhandelingen met Montenegro over hoofdstuk 27 van het acquis mogelijk dit jaar worden geopend; verzoekt de autoriteiten de meest waardevolle gebieden, met name de biodiversiteit, beter te beschermen en beoordelingen te verrichten van bouwprojecten voor hotels en waterkrachtcentrales;

44.  merkt op dat de ontwikkeling van extra waterkracht en toeristische capaciteit, met name in beschermde gebieden, moet voldoen aan de milieunormen van de EU; spreekt zijn bezorgdheid uit over de niet-duurzame ontwikkeling van waterkracht, aangezien een groot deel van de 80 waterkrachtcentrales niet gepland is overeenkomstig internationale verdragen of EU-wetgeving, niettegenstaande de vereisten krachtens hoofdstuk 27; dringt aan op de verdere benutting van potentiële hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntiemaatregelen en de verbetering van water- en afvalbeheer; is verheugd dat de Montenegrijnse wet van 2016 betreffende het grensoverschrijdende vervoer van elektriciteit en aardgas in overeenstemming is met het derde energiepakket; looft Montenegro voor de vorderingen die zijn gemaakt wat betreft de aanpassing van de wetgeving inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, maar dringt er bij de Montenegrijnse autoriteiten op aan de nationale wetgeving volledig in overeenstemming te brengen met de richtlijn hernieuwbare energie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen;

45.  verzoekt de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en de Europese Investeringsbank (EIB) met klem om hun steun aan projecten voor waterkrachtcentrales te herzien en de financiering van alle projecten in beschermde gebieden, alsook projecten waarvoor geen gedegen voorafgaande milieueffectbeoordeling is verricht, stop te zetten;

46.  onderstreept dat het publiek tijdig en correct over de gevolgen van de aanleg van de snelweg voor de rivier de Tara moet worden geïnformeerd en dat een einde moet worden gemaakt aan het afvalstorten en de verlegging van de rivierbedding, in overeenstemming met de toezegging van Montenegro om gebieden die krachtens nationale en internationale wetgeving beschermd zijn, in stand te houden;

47.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het ruimtelijk plan voor speciale doeleinden voor het nationaal park van het Meer van Shkodër; benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen grootschalige waterkrachtprojecten meer worden uitgevoerd langs de rivier de Morača, aangezien dergelijke projecten aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor het Meer van Shkodër en de rivier de Tara, die allebei krachtens internationale en nationale wetgeving beschermd zijn;

48.  is ingenomen met de positieve ontwikkelingen in de verdere aanpassing van de nationale wetgeving inzake milieu en klimaatverandering van Montenegro aan het acquis; verzoekt de Montenegrijnse regering om de site van Ulcinj Salina zowel op nationaal als op internationaal niveau te beschermen, in overeenstemming met de aanbevelingen die zijn geformuleerd in de door de EU gefinancierde studie over de bescherming van Ulcinj Salina; onderstreept dat het dringend noodzakelijk is Ulcinj Salina op te nemen in het Natura 2000-netwerk; dringt aan op de identificatie en inrichting van beschermde mariene gebieden;

49.  wijst op de proactieve participatie en de constructieve rol van Montenegro in de regionale en internationale samenwerking, via het proces van Berlijn en het initiatief van de zes landen van de Westelijke Balkan; is verheugd over het resultaat van de in 2018 in Sofia gehouden top tussen de EU en de Westelijke Balkan, en de goedkeuring van het IPA‑pakket 2018, dat financiering omvat voor twee belangrijke infrastructuurprojecten: de ringweg rond Budva in de Adriatisch-Ionische corridor en de spoorwegverbinding Vrbnica-Bar in de corridor Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee; onderstreept het belang van verkeersroutes die een directe link vormen tussen de markten van de Balkanlanden en de EU;

50.  toont zich verheugd over het voornemen van Montenegro om de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (EU‑ETS) tijdens de komende drie jaar in te voeren en afgeleide wetgeving vast te stellen inzake het brandstofverbruik en de uitstoot van nieuwe voertuigen; wijst op het belang om aspecten van de EU‑ETS, de verordening inzake de verdeling van de inspanningen en het toezicht- en verslagleggingsmechanisme op te nemen in de Montenegrijnse nationale wetgeving;

51.  is verheugd over de voortgezette inspanningen ter verbetering van de regionale samenwerking, voornamelijk op het gebied van milieubescherming, zoals geschetst in het Trilateraal Adriatisch initiatief;

Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap

52.  is ingenomen met de langdurige inspanningen van Montenegro voor constructieve regionale samenwerking en goede bilaterale betrekkingen met de buurlanden; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen;

53.  verneemt met instemming dat de overeenkomst inzake grensafbakening tussen Montenegro en Kosovo is geratificeerd; dringt aan op de snelle sluiting van overeenkomsten om onopgeloste grensgeschillen met andere buurlanden op te lossen;

54.  verneemt met instemming dat Montenegro en Albanië een gemeenschappelijke verklaring hebben ondertekend en twaalf overeenkomsten hebben gesloten betreffende wederzijdse bijstand op verschillende gebieden; beschouwt dit als een voorbeeld van positieve samenwerking in de regio;

55.  spoort Montenegro aan tot het opvoeren van zijn inspanningen om oorlogsmisdrijven proactief tot een prioriteit te maken en te bestraffen en het lot van vermiste personen te verduidelijken; is ingenomen met de inspanningen voor de re-integratie van ontheemde personen in het kader van het regionale huisvestingsprogramma; benadrukt dat het openbaar ministerie weliswaar vier documenten heeft aangenomen over een strategie voor het onderzoek naar oorlogsmisdaden, maar geen nieuwe onderzoeken heeft ingesteld, geen nieuwe rechtszaken heeft aangespannen of nieuwe aanklachten heeft ingediend; is bezorgd over het feit dat de speciale openbaar aanklager in 2016 acht nieuwe zaken aanhangig heeft gemaakt, waarvan er zes nog steeds in het stadium van vooronderzoek verkeren; spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië (Recom); benadrukt het belang van dit proces en van de actieve inzet van alle regionale politieke leiders; is ingenomen met de publieke steun van de premier voor Recom;

56.  prijst het feit dat Montenegro zich ook het afgelopen jaar volledig is blijven richten naar de EU-standpunten en verklaringen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en verwelkomt de actieve participatie van het land in missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); waardeert de wijze waarop Montenegro zijn buitenlands beleid voert; verzoekt Montenegro zich aan te passen aan het gemeenschappelijk standpunt van de EU over de integriteit van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en aan de leidende beginselen inzake bilaterale immuniteitsovereenkomsten;

57.  roept op tot meer samenwerking tussen Montenegro en de EU op het gebied van cybercriminaliteit en cyberdefensie;

58.  herinnert aan het strategisch belang van de toetreding van Montenegro tot de NAVO voor het waarborgen van stabiliteit en vrede in de Westelijke Balkan;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Montenegro.

(1) Het woord "Roma" wordt gebruikt als overkoepelende term voor verschillende verwante, al dan niet sedentaire bevolkingsgroepen; niet enkel de Romagemeenschap, maar ook Ashkali, Egyptenaren enz., die niet noodzakelijk dezelfde cultuur en levensstijl hebben.


Verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU
PDF 295kWORD 55k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 29 november 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU (2018/2117(INI))
P8_TA-PROV(2018)0483A8-0403/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 13,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie (11855/2012), die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,

–  gezien het EU-Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake,

–  gezien de aanbeveling betreffende het statuut van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs, die door de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) tijdens haar 29e vergadering van 21 oktober tot 12 november 1997 is vastgesteld,

–  gezien de Verklaring van Lima over de academische vrijheid en de academische onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs, die in september 1988 is aangenomen door de World University Service,

–  gezien Resolutie 29/7 over het recht op onderwijs, die door de VN-Mensenrechtenraad tijdens zijn 42e vergadering op 2 juli 2015 is aangenomen,

–  gezien Algemene Opmerking nr. 13 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten gedurende zijn 21e bijeenkomst op 8 december 1999,

–  gezien Advies 891/2017 van de Commissie van Venetië,

–  gezien de verslagen van nationale, Europese en internationale niet-gouvernementele organisaties, en met name de beginselen inzake de verantwoordelijkheid van de overheid om het hoger onderwijs tegen aanvallen te beschermen,

–  gezien zijn eerdere resoluties over grondrechten,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0403/2018),

A.  overwegende dat de Unesco academische vrijheid omschrijft als het recht van het onderwijzend personeel om, onbeperkt door enige voorgeschreven doctrine, te onderwijzen en te debatteren, de vrijheid om onderzoek te verrichten en de resultaten daarvan vrij te verspreiden en te publiceren, het recht op vrije meningsuiting over de instelling of het systeem waarin zij werkzaam zijn, de vrijheid om niet te worden onderworpen aan institutionele censuur en de vrijheid om deel uit te maken van beroepsorganisaties of representatieve academische organen;

B.  overwegende dat het recht op onderwijs van fundamenteel belang is voor de uitoefening van alle overige mensenrechten en voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling; overwegende dat dit recht alleen kan worden uitgeoefend in een klimaat van academische vrijheid en onafhankelijkheid van de instellingen voor hoger onderwijs;

C.  overwegende dat de Verklaring van Lima over de academische vrijheid en de academische onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs academische vrijheid definieert als de vrijheid van leden van de academische gemeenschappen – onder wie alle personen die lesgeven, studeren, onderzoek doen en werkzaam zijn aan een instelling voor hoger onderwijs – om individueel dan wel collectief kennis na te streven, te ontwikkelen en over te dragen door middel van onderzoek, studie, debat, documentatie, productie, creatie, onderwijs, colleges en geschriften;

D.  overwegende dat deze definitie moet berusten op fundamentele democratische waarden, waaronder beginselen inzake gelijke toegang en non-discriminatie, aansprakelijkheid, kritisch en onafhankelijk denken, onafhankelijkheid van de instellingen en maatschappelijke verantwoordelijkheid; overwegende dat democratie niet mogelijk is zonder de academische vrijheid die een inhoudelijk debat mogelijk maakt;

E.  overwegende dat de academische vrijheid een belangrijke rol speelt bij de totstandbrenging van duurzame ontwikkeling, en met name bij de verwezenlijking van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen die zijn vastgelegd in de Agenda 2030, waarbij kwaliteitsonderwijs, wetenschappelijk onderzoek en innovatie centraal staan;

F.  overwegende dat onafhankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de goede werking van onderwijsinstellingen; overwegende dat voortdurende waakzaamheid is geboden bij de bescherming van de academische vrijheid tegen ongeoorloofde druk die uitgaat van de staat of het bedrijfsleven;

G.  overwegende dat de academische vrijheid, inclusief de onderliggende vrijheden van denken, mening, meningsuiting, vereniging, reizen en onderwijs, bijdraagt tot het klimaat waarin een open en stabiele pluralistische samenleving de mogelijkheid heeft om vrij te denken, vragen te stellen en kennis te produceren, tot zich te nemen en te verspreiden;

H.  overwegende dat aanvallen op de academische vrijheid het onderzoek, het volgen van een studie, het onderwijs, het publieke debat en het recht op onderwijs bedreigen, en de kwaliteit van het onderwijs en de sociale, politieke, economische en culturele ontwikkeling ondergraven; overwegende dat antwoorden op maatschappelijke vragen moeten worden gevonden op basis van redelijke argumenten, feitelijke bewijzen en overtuiging;

I.  overwegende dat het recht op onderwijs, lesgeven en onderzoek alleen ten volle kan worden uitgeoefend in een klimaat van academische vrijheid;

J.  overwegende dat op zo kort mogelijke termijn adequate actie moet worden ondernomen met betrekking tot de academische vrijheid in het kader van het proces van toetreding tot de EU, teneinde aanvallen in de lidstaten van de EU, zoals de pogingen om de Midden-Europese Universiteit in Boedapest te sluiten, hetgeen vanaf 2019 tot de verplaatsing van studenten naar Wenen zou leiden, alsook tot de beëindiging van genderstudies in Hongarije, te voorkomen; overwegende dat kandidaat-lidstaten zich toegewijd moeten verklaren aan kernwaarden op het gebied van hoger onderwijs, waaronder de academische vrijheid en de institutionele autonomie;

K.  overwegende dat de academische gemeenschap en onderwijsinstellingen steeds kwetsbaarder worden voor inmenging, druk of onderdrukking vanwege de staat, het bedrijfsleven en andere niet-overheidsactoren; overwegende dat jaarlijks melding wordt gemaakt van honderden aanvallen op hogeronderwijsinstellingen en hun leden over de hele wereld, met inbegrip van moord, geweld en verdwijningen, onrechtmatige gevangenneming of gevangenhouding, onrechtmatige vervolging, verlies van functie, ongerechtvaardigd ontslag of ongerechtvaardigde schorsing, reisbeperkingen en beperkingen van de bewegingsvrijheid, en andere extreme of stelselmatige bedreigingen; overwegende dat schendingen van de academische vrijheden ook plaatsvinden in de lidstaten van de EU en haar nauwste partners;

L.  overwegende dat bezuinigingen op de overheidsfinanciering voor onderwijs, waaronder hoger onderwijs, en de daaruit voortvloeiende behoefte aan alternatieve inkomstenbronnen de academische vrijheid in gevaar brengen, in het bijzonder wanneer deze externe financiering afkomstig is van autocratische regimes in het buitenland of van multinationals;

M.  overwegende dat buitenlandse onderwijsinstellingen in de EU kampen met aanvallen van nationale overheden en schendingen van de academische vrijheid;

N.  overwegende dat de pogingen om instellingen voor hoger onderwijs en hun wetenschappers, studenten en personeel te controleren of het zwijgen op te leggen veel verder gaan dan de individuele personen of instellingen waartegen deze aanvallen gericht zijn, en de samenleving aantasten door de ruimte voor een inclusieve democratische participatie, vrije meningsuiting en empowerment van alle burgers te beperken en toekomstige generaties te beroven van academici en onderzoekers van hoge kwaliteit;

O.  overwegende dat de doeltreffende verwezenlijking van het recht op onderwijs en de waarborg van academische vrijheid landen ertoe dwingen te zorgen voor een passend en betrouwbaar financieringsniveau voor het onderwijs; overwegende dat het beleid van financiële en economische bezuinigingen de academische vrijheid ernstig heeft uitgehold en dat de gevolgen hiervan overal ter wereld nog steeds merkbaar zijn, ook in de EU;

P.  overwegende dat schendingen van de academische vrijheid zelden worden aangepakt binnen het mensenrechtenkader, deels omdat mensenrechtenverdedigers onvoldoende vertrouwd zijn met kwesties in verband met academische vrijheid, en deels omdat deze meldingen vaak ook betrekking hebben op schendingen van andere rechten zoals de vrijheid van mening of meningsuiting; overwegende dat daarom de normen inzake academische vrijheid onvoldoende zijn ontwikkeld en schendingen van de academische vrijheid vaak niet worden aangegeven;

Q.  overwegende dat het nodig is om mensen bewust te maken van het belang van academische vrijheid als instrument voor de bevordering van de democratie, de eerbiediging van de rechtsstaat en aansprakelijkheid, maar ook om kansen te creëren zodat deze vrijheid beter kan worden verdedigd en beschermd;

R.  overwegende dat het belangrijk is om aanvallen op de academische vrijheid te zien als deel van een wereldwijd verschijnsel, en aan te moedigen dat getroffen academici en studenten niet alleen worden erkend als individuele personen van wie de rechten zijn geschonden, maar ook als mensenrechtenverdedigers die worden aangevallen; overwegende dat er op internationaal en nationaal niveau krachtig moet worden gereageerd, zowel in het hoger onderwijs zelf als door het maatschappelijk middenveld en het grote publiek;

S.  overwegende dat veel academici en studenten in risicosituaties geen toegang hebben tot de mogelijkheden die EU-programma's bieden inzake academische mobiliteit en ten behoeve van mensenrechtenverdedigers, omdat zij niet voldoen aan de toelatingscriteria of omdat zij ernstige moeilijkheden ondervinden om de aanvraagprocedures, -vereisten en -termijnen na te leven;

T.  overwegende dat financieringsbeperkingen in EU-programma's een belemmering vormen voor de acties van organisaties en universiteiten in de EU die steun verlenen aan studenten en wetenschappers die gevaar lopen of hun land ontvluchten omdat zij dreigen te worden vervolgd voor hun academisch werk; overwegende dat deze organisaties en universiteiten meer bijstand voor hun acties en initiatieven behoeven;

U.  overwegende dat de EU vastbesloten is om de mensenrechten, de democratische instellingen en de rechtsstaat wereldwijd te bevorderen en te beschermen; overwegende dat het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie pleit voor een doeltreffender EU-beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie, onder meer door een grotere doeltreffendheid van de mensenrechtendialogen, een grotere zichtbaarheid en impact van de landenstrategieën inzake mensenrechten, meer aandacht voor de effectieve uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten en een betere publieksdiplomatie en communicatie inzake mensenrechten;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

   a) het belang van de academische vrijheid uitdrukkelijk te erkennen in publieke verklaringen, beleidsmaatregelen en acties met betrekking tot het externe optreden van de EU, inclusief het principe dat het uiten van ideeën geen misdrijf is en dat het uiten van kritiek niet gelijkstaat met een gebrek aan loyaliteit, maar dat deze een wezenlijk onderdeel van een democratische samenleving en de ontwikkeling daarvan vormen, dat de onafhankelijkheid van de onderwijsinstellingen te allen tijde moet worden beschermd, en dat academische vrijheid een wezenlijke rol vervult bij de bevordering van het onderwijs en de ontwikkeling van de mens en de moderne samenleving;
   b) te erkennen dat aanspraken op de academische vrijheid onder de bestaande mensenrechtenwetgeving vallen en voortvloeien uit het recht op onderwijs en het recht op een vrije mening en vrijheid van meningsuiting; eraan te herinneren dat de academische vrijheid zich ook uitstrekt tot de vrijheid van academici om informatie te verspreiden en onderzoek te verrichten, alsook zonder beperking kennis en waarheid te verbreiden, de vrijheid om hun meningen en standpunten kenbaar te maken, zelfs als deze controversieel of impopulair zijn, op hun onderzoeksgebied en in hun vakgebied, en dat dit tevens een onderzoek van de werking van de overheidsinstellingen in een bepaald politiek systeem, en kritiek daarop, kan omvatten;
   c) publiek de aandacht te vestigen op het probleem van aanvallen op de academische vrijheid en de negatieve gevolgen daarvan; hun bezorgdheid te uiten over de kwetsbaarheid van de academische gemeenschap voor ongepaste inmenging door de staat, het bedrijfsleven of andere niet-overheidsactoren; te wijzen op de verantwoordelijkheid van de overheid om de academische vrijheid te waarborgen, dienovereenkomstig te handelen en instellingen voor hoger onderwijs, academici en studenten proactief te beschermen tegen aanvallen, ongeacht hun herkomst of aard;
   d) erop toe te zien dat de vertegenwoordigers van de EU-instellingen en de lidstaten tijdens bezoeken aan derde landen op de hoogte worden gesteld van de situatie omtrent de academische vrijheid;
   e) hun steun te betuigen aan de instellingen, personeelsleden en studenten die in een risicosituatie verkeren of het slachtoffer zijn geworden van dwang of gewelddadige aanvallen, en deze aanvallen publiek te veroordelen, door dit probleem op alle niveaus aan de orde te stellen, onder meer door verklaringen, bezoeken, uitnodigingen voor publieke evenementen en toezicht op gerechtelijke procedures en gevangenissen, alsook specifieke verwijzingen naar individuele gevallen waarin leden van hogeronderwijsgemeenschappen gevaar lopen;
   f) gelijke toegang tot de academische gemeenschap, ongeacht etnische achtergrond, sociale klasse, handicap, nationaliteit, geloofsovertuiging, genderidentiteit, seksuele geaardheid of andere status, te steunen; in hun betrekkingen met derde landen bijzondere aandacht te schenken aan het bevorderen van de bestrijding van discriminatie op basis van gender en alle vormen van geweld, alsook het helpen verwezenlijken van gendergelijkheid en het recht op onderwijs voor iedereen;
   g) te benadrukken dat aanvallen op de academische vrijheid ook de vorm kunnen aannemen van cyberaanvallen, aangezien academici tegenwoordig steeds meer gebruikmaken van het internet en de sociale media om hun denkbeelden en meningen kenbaar te maken;
   h) de academische vrijheid tijdens politieke gesprekken op verschillende niveaus, waaronder mensenrechtendialogen en overleg met de partnerlanden, aan de orde te stellen; de diplomatieke inspanningen met partnerlanden op te voeren via bilaterale en multilaterale samenwerking met betrekking tot ernstige incidenten waarbij de academische vrijheid wordt bedreigd of aangevallen, met name gewelddadige aanvallen op instellingen en leden van de hogeronderwijsgemeenschap, alsook discriminerende maatregelen of praktijken, ongerechtvaardigde beperkingen van de vrijheid van onderzoek of meningsuiting, onrechtmatige vervolging of gevangenneming, en beperkingen van het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten; de partnerlanden aan te moedigen een kader voor academische vrijheid en institutionele onafhankelijkheid op te zetten en toezicht te houden op de toepassing van deze grondrechten; ervoor te zorgen dat internationale samenwerkingsovereenkomsten met de partnerlanden deze beginselen in ere houden;
   i) de verdediging en de bescherming van de academische vrijheid en de institutionele autonomie op te nemen in de criteria van Kopenhagen voor het proces van toetreding tot de EU, teneinde aanvallen op de academische vrijheid in de lidstaten, zoals in het geval van de Midden-Europese Universiteit in Hongarije, te voorkomen;
   j) alle landen aan te moedigen om, net als de meeste EU-lidstaten, de Verklaring inzake veilige scholen en de bijbehorende richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten te onderschrijven en uit te voeren, die dient als richtsnoer inzake de verantwoordelijkheid om de kernwaarden, en in het bijzonder de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van de instellingen, te beschermen tegen de achtergrond van gewelddadige aanvallen op en dwangmaatregelen tegen het hoger onderwijs;
   k) met de VN, de Raad van Europa, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en hogeronderwijsgemeenschappen samen te werken om mechanismen voor toezicht en rapportage in het leven te roepen voor aanvallen op, bedreigingen tegen en onredelijke beperkingen van hogeronderwijsinstellingen en individuele academici; en monitoring te versterken en te bevorderen om de bewustwording te vergroten, daders ter verantwoording te roepen en de inspanningen op te voeren om aanvallen op de academische vrijheid te voorkomen en af te weren;
   l) een regelmatige dialoog aan te gaan en aan te moedigen met universiteitsgemeenschappen en organisaties die tot doel hebben hogeronderwijsgemeenschappen te beschermen en de academische vrijheid te bevorderen, om de beste beleidskaders, initiatieven en belangenbehartigingsstrategieën ten behoeve van de academische vrijheid uit te werken;
   m) bij te dragen tot de ontwikkeling van de capaciteit om snel, grondig en transparant onderzoek in te stellen naar schendingen van de academische vrijheid, met name wanneer het gaat om gewelddadige aanvallen; de preventie van en de reactie op aanvallen op de academische vrijheid te verbeteren, en alle mogelijke inspanningen te doen om daders ter verantwoording te roepen;
   n) zich in te zetten voor onderzoek en belangenbehartiging met het oog op de hervorming van wet- en regelgeving waardoor de academische vrijheid of academische onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs ten onrechte wordt beknot, en de onafhankelijkheid van onderwijsinstellingen te bevorderen als een manier om het hoger onderwijsstelsel tegen bemoeienis of aanvallen van de staat, het bedrijfsleven en andere niet-overheidsactoren te beschermen en het hoger onderwijs van politisering en ideologische manipulatie te vrijwaren;
   o) de diplomatieke inspanningen met partnerlanden op te voeren via bilaterale en multilaterale samenwerking met betrekking tot ernstige incidenten waarbij de academische vrijheid wordt bedreigd of aangevallen, met name gewelddadige aanvallen op instellingen en leden van de hogeronderwijsgemeenschap, alsook discriminerende maatregelen of praktijken, ongerechtvaardigde beperkingen van de vrijheid van onderzoek of meningsuiting, en onrechtmatige vervolging of gevangenneming;
   p) bestaande steun- en beschermingsmechanismen voor verdedigers van de mensenrechten te herzien om gevallen waarbij de academische vrijheid wordt aangevallen beter te kunnen identificeren en daarbij beter hulp te kunnen bieden, onder meer bijstand en steun in geval van nood, fysieke bescherming, steun bij juridische en visumkwesties, medische hulp, toezicht op gerechtelijke procedures en gevangenissen, belangenbehartiging en lobbying, en steun op lange termijn in geval van ballingschap; in het Europees instrument voor democratie en mensenrechten mede voorrang te geven aan de bevordering van de academische vrijheid en de ondersteuning van leden van de academische gemeenschappen in risicosituaties;
   q) bestaande programma's en middelen voor academische mobiliteit alsmede andere vormen van samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek, met inbegrip van toelatingscriteria en aanvraagprocedures, -vereisten, -termijnen en ‑schema's, te herzien, om obstakels uit de weg te ruimen die gekwalificeerde academici of studenten in risicosituaties zouden kunnen beletten om toegang te krijgen tot de mogelijkheden, plaatsen of middelen van deze programma's; bestaande door de EU gefinancierde projecten, zoals "Academic Refuge", te promoten die beogen het bewustzijn over het belang van de academische vrijheid in het hoger onderwijs en de gevolgen voor de samenleving wanneer deze vrijheid wordt onderdrukt, te vergroten;
   r) te voorkomen dat EU-programma's voor macrofinanciële bijstand aan derde landen en het beleid van Europese financiële instellingen de academische vrijheid uithollen door beleid te steunen waardoor een kleiner deel van het nationaal inkomen aan onderwijs wordt besteed;
   s) nieuwe initiatieven in het leven te roepen binnen bestaande en toekomstige programma's, – mogelijk in de vorm van synergieën, door de Unie ontwikkeld en gefinancierd uit niet voor het onderwijs bedoelde begrotingen en onderzoeksbegrotingen – zoals het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), Horizon 2020, Erasmus+ en de Marie Skłodowska-Curie-acties, voor nieuwe door de EU gefinancierde acties om academici, onderzoekers en doctoraalstudenten die internationale bescherming genieten en zich in risicosituaties bevinden, te helpen plaatsen bij Europese instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek;
   t) de lopende regelgevende inspanningen op regionaal en internationaal niveau te steunen, onder meer door de goedkeuring van een internationale verklaring over de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs; de EU en haar lidstaten aan te moedigen om in de Raad voor de mensenrechten van de VN het voortouw te nemen waar het gaat om de academische vrijheid;
   u) de steun op hoog niveau aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering en de bijbehorende Global Campus als vlaggenschip van de steun van de EU voor mensenrechteneducatie overal ter wereld te waarborgen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.


De situatie van vrouwen met een handicap
PDF 204kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap (2018/2685(RSP))
P8_TA-PROV(2018)0484B8-0547/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en de inwerkingtreding van dit verdrag op 21 januari 2011 volgens Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (1), en met name artikel 6 inzake vrouwen en meisjes met een handicap,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW, 1979) en het daarbij behorende facultatieve protocol (1999),

–  gezien het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden(2),

–  gezien de artikelen 10, 19 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(3),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426) en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 hierover(4),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie getiteld "Discrimination Generated by the Intersection of Gender and Disability",

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) getiteld "Poverty, gender and intersecting inequalities in the EU", met bijzondere nadruk op hoofdstuk 8 daarvan over "Gender and disability",

–  gezien de gendergelijkheidsindex 2017 van het EIGE,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de bescherming van migrerende kinderen (O-000117/2018 – B8‑0418/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de EU ongeveer 80 miljoen mensen met een handicap leven; overwegende dat een op vier Europeanen een familielid met een handicap heeft; overwegende dat er in de EU ongeveer 46 miljoen vrouwen en meisjes met een handicap leven, wat ongeveer 16 % van de totale vrouwelijke bevolking en 60 % van alle personen met een handicap is;

B.  overwegende dat de term "handicap" verwijst naar een grote verscheidenheid aan tijdelijke, kortdurende of langdurende persoonlijke situaties, met inbegrip van geestelijke gezondheidskwesties, waarvoor op maat gesneden beleidsreacties vereist zijn;

C.  overwegende dat meer mensen later in het leven een handicap krijgen als gevolg van de veranderende demografie en de vergrijzing;

D.  overwegende dat personen met een handicap dagelijks fundamentele rechten worden ontzegd als gevolg van aanhoudende moeilijkheden in verband met de toegang tot een betaalde baan en de daaraan gekoppelde rechten, zowel bij de overheid als in de particuliere sector; overwegende dat de beroepsopleidingen voor personen met een handicap niet beantwoorden aan wat nodig is en wat verwezenlijkt zou kunnen worden om de verwerving van de kennis, vaardigheden en competenties die noodzakelijk zijn voor inclusie in het beroepsleven mogelijk te maken;

E.  overwegende dat slechts 18,8 % van de vrouwen met een handicap in de EU een baan heeft; overwegende dat 45 % van de vrouwen met een handicap in de werkende leeftijd (20-64 jaar) niet actief is op de arbeidsmarkt, terwijl datzelfde cijfer voor mannen 35 % bedraagt;

F.  overwegende dat 75 % van de personen met een ernstige handicap niet de kans krijgt om ten volle deel te nemen aan de Europese arbeidsmarkt, en dat vrouwen met een handicap twee tot vijf keer meer dan vrouwen zonder handicap het slachtoffer van geweld worden;

G.  overwegende dat 34 % van de vrouwen met een gezondheidsprobleem of een handicap ooit slachtoffer is geworden van fysiek of seksueel geweld door een partner;

H.  overwegende dat de sterilisatie van vrouwen met een handicap zonder hun medeweten of toestemming een wijdverspreide vorm van geweld is, en met name leden van etnische minderheden treft, bijvoorbeeld Romavrouwen;

I.  overwegende dat de zichtbaarheid van personen met een handicap in het openbare leven en in de media te klein is;

J.  overwegende dat ongeveer twee derde van de verzorgers in Europa vrouwen zijn; overwegende dat 80 % van de zorg in de EU wordt verstrekt door onbetaalde mantelzorgers, en dat 75 % daarvan vrouwen zijn; overwegende dat de economische waarde van onbetaalde mantelzorg in de Unie, als percentage van de totale kosten van de formele langdurige zorgverlening, wordt geraamd op 50 % tot 90 %;

K.  overwegende dat de maatschappelijke en economische participatie van vrouwen met een handicap essentieel is voor het welslagen van de algemene maatschappelijke en economische strategie van Europa;

L.  overwegende dat vrouwen met een handicap vaak te maken krijgen met verschillende vormen van discriminatie op grond van, onder andere, hun genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken, wat bijdraagt tot de vervrouwelijking van armoede;

M.  overwegende dat personen met een handicap, en in het bijzonder vrouwen met een handicap, een lager inkomen hebben en een hoger risico op armoede en sociale uitsluiting lopen; overwegende dat armoede en uitsluiting blijven bestaan wanneer de sociale bescherming duidelijk ontoereikend is; overwegende dat de situatie van werkende vrouwen met een handicap in de loop der tijd is verslechterd in vergelijking met die van mannen (de armoede onder werkende vrouwen bedroeg in 2007 10 % en in 2014 12 %);

N.  overwegende dat technologische ontwikkelingen zowel kansen als uitdagingen bieden, vooral voor vrouwen met een handicap, nu wereldwijd steeds meer gebruik wordt gemaakt van digitale instrumenten;

O.  overwegende dat er nog steeds moeilijkheden zijn bij de toegang tot gezondheidsdiensten, ziekenhuiszorg, ondersteunende producten, geneesmiddelen en essentiële therapieën voor toezicht en revalidatie; overwegende dat er nog steeds ernstige mobiliteitsproblemen zijn, zowel door bouwkundige belemmeringen die de doorgang in openbare ruimten en straten verhinderen, als door een beperkte toegang tot openbaar en collectief vervoer; overwegende dat er nog steeds communicatiebelemmeringen zijn (zoals het gebrek aan gebarentolken in openbare diensten en een gebrekkige toegankelijkheid van televisie voor doven), die de toegang tot overheidsdiensten beperken en verhinderen; overwegende dat ondersteuning, bescherming, communicatie, zorg- en gezondheidsdiensten, bijvoorbeeld op het gebied van basisgezondheidszorg, geweld tegen vrouwen, kinderopvang en moederschap, volledig toegankelijk dienen te zijn in alle talen, vormen en formaten, voor alle vrouwen, en in het bijzonder voor vrouwen en meisjes met een handicap;

P.  overwegende dat de in artikel 29 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bedoelde volledige deelname van personen met een handicap aan het politieke en openbare leven, waar zij vaak ondervertegenwoordigd zijn, ijdele hoop zal blijven, met name voor vrouwen, als de kwestie niet naar behoren wordt aangepakt;

Q.  overwegende dat personen met een handicap, niettegenstaande de vele internationale verdragen en bepalingen in het Europees recht, en ondanks de huidige Europese strategie inzake handicaps, nog steeds hun sociale en burgerrechten niet ten volle genieten; overwegende dat de gelijke toegang tot cultuur, sport en vrije tijd en de gelijke deelname aan het politieke en gemeenschapsleven niet gewaarborgd zijn; overwegende dat beroepsbeoefenaren op dit gebied ondergewaardeerd zijn; overwegende dat alle bovengenoemde verdragen en bepalingen systematisch worden geschonden, en dat werknemers en personen met een handicap nog steeds fundamentele rechten worden ontzegd; overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap zich nog steeds in de marge van de besluitvorming en vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid bevinden;

R.  overwegende dat gendergelijkheid niet als horizontaal element is opgenomen in de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020;

S.  overwegende dat de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie discriminatie op grond van een handicap uitdrukkelijk verbieden en bepalen dat personen met een handicap recht hebben op gelijke deelname aan het gemeenschapsleven; overwegende dat gelijke behandeling kan worden gewaarborgd door de toepassing van positieve maatregelen en beleidslijnen voor vrouwen met een handicap en moeders van kinderen met een handicap;

T.  overwegende dat het opnemen van een genderdimensie in de Europese strategie inzake handicaps na 2020 zal bijdragen aan een geïntegreerde aanpak voor het uitbannen van discriminatie van vrouwen en meisjes met een handicap;

U.  overwegende dat mannen met een handicap een hoger maandloon krijgen dan vrouwen met een handicap, maar dat beide salarissen in het algemeen lager zijn dan die van andere werknemers, en dat hier dus sprake is van aanhoudende discriminatie;

V.  overwegende dat de huidige arbeidsmarkt onstabiel en precair is, en dat de toenemende werkloosheid betekent dat personen met een handicap minder kansen krijgen op toegang tot werk;

W.  overwegende dat er onvoldoende menselijke, materiële en pedagogische middelen zijn in de nationale schoolsystemen om de behoorlijke begeleiding en de effectieve inclusie van kinderen en jongeren met bijzondere onderwijsbehoeften te verzekeren; overwegende dat volledige integratie in de samenleving vooral wordt bereikt door hoogwaardige werkgelegenheid en toegankelijk onderwijs; overwegende dat het hebben van een baan niet alleen een bron van inkomsten is, maar ook een mechanisme dat banden met de maatschappij, interpersoonlijke relaties en een gevoel van deelname aan het sociale, culturele en economische leven genereert;

X.  overwegende dat vrouwen met een handicap met specifieke vormen van misbruik te maken kunnen krijgen die moeilijk te herkennen zijn, zoals het afnemen of vernietigen van mobiliteitshulpmiddelen of het ontzeggen van de toegang tot handicapgerelateerde maatschappelijke middelen en/of medische afspraken;

Y.  overwegende dat de borstkankerpercentages voor vrouwen met een handicap veel hoger zijn dan voor de vrouwelijke bevolking in het algemeen, wegens een gebrek aan aangepaste apparatuur voor screening en diagnose;

Z.  overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2017 van het EIGE blijkt dat gemiddeld 13 % van de vrouwen met een handicap onvervulde medische behoeften heeft en 12 % onvervulde tandheelkundige behoeften, terwijl onvervulde medische behoeften slechts bij 5 % van de vrouwen zonder handicap voorkomen;

Algemene aanbevelingen

1.  herhaalt dat alle personen met een handicap het recht moeten hebben op het volledige genot van hun rechten op basis van integratie in en volledige deelname aan de samenleving; benadrukt dat dit slechts mogelijk is door een actief overheidsbeleid en de verwijdering van alle belemmeringen voor participatie;

2.  vraagt de lidstaten maatregelen te nemen voor de preventie, behandeling, rehabilitatie en integratie ten behoeve van personen met een handicap, en voor de ondersteuning van hun families, en verzoekt hen de verantwoordelijkheid voor de effectieve verwezenlijking van hun rechten op zich te nemen, onverminderd de rechten en plichten van ouders of voogden; dringt tevens aan op de ontwikkeling van een maatschappelijke sensibiliseringspedagogie over de plicht van respect voor en solidariteit met personen met een handicap, om de sociale discriminatie waaraan zij worden blootgesteld tegen te gaan;

3.  vraagt de lidstaten hun beloften over de ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap na te komen, en alle nodige maatregelen te nemen om de daarin opgenomen rechten en vrijheden alsook verantwoordelijkheden te waarborgen, in het bijzonder op gebieden als werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg, sociale bescherming, huisvesting, mobiliteit, toegang tot onderwijs, cultuur, sport, ontspanning en deelname aan het politieke en gemeenschapsleven, alsook de specifieke in het verdrag gedefinieerde verantwoordelijkheden voor de rechten van vrouwen en kinderen met een handicap;

4.  benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken krijgen met dubbele discriminatie op grond van zowel gender als handicap, en zij vaak zelfs aan meervoudige discriminatie blootgesteld worden op grond van gender, handicap, seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, land van herkomst, klasse, migratiestatus, leeftijd, religie en etniciteit;

5.  herhaalt zijn vraag aan de Commissie en de lidstaten om het perspectief van vrouwen en meisjes met een handicap in hun strategieën, maatregelen en programma's voor gendergelijkheid te integreren, evenals een genderperspectief in hun strategieën inzake handicap, en zowel een gender- als een handicapperspectief in alle overige beleidsmaatregelen;

6.  vraagt de Commissie en de lidstaten steun te bieden aan onderzoek en innovatie met het oog op de ontwikkeling van producten en diensten ter ondersteuning van personen met een handicap bij hun dagelijkse activiteiten;

7.  onderstreept dat het aantal ouderen toeneemt en dat handicaps volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vaker voorkomen bij vrouwen, die als gevolg van hun langere levensverwachting vaker te maken krijgen met handicaps; onderstreept dat er daardoor een proportionele toename te verwachten is van vrouwen met een handicap;

8.  dringt aan op de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens om de vormen van intersectionele meervoudige discriminatie te identificeren waarmee vrouwen en meisjes met een handicap geconfronteerd worden, op alle gebieden die onder het Verdrag van Istanbul vallen, voor zover relevant;

9.  verzoekt het EIGE door te gaan met het verstrekken van analyses en bijdragen op EU- en lidstaatniveau met betrekking tot de specifieke situatie van vrouwen en meisjes met een handicap, met bijzondere nadruk op intersectionele discriminatie;

10.  herhaalt dat vrouwen met een handicap vaak met nog grotere problemen en gevaren te maken hebben in landen waar conflicten spelen en in conflictgebieden; wijst daarom op de noodzaak van bescherming van vrouwen met een handicap in het externe beleid van de EU;

Rechten van vrouwen met een handicap

11.  benadrukt dat vrouwen met een handicap ten volle hun rechten met betrekking tot de toegang tot hoogwaardig, toegankelijk en betaalbaar onderwijs, gezondheidszorg, met inbegrip van transspecifieke gezondheidszorg alsook seksuele en reproductieve gezondheidszorg en seksuele en reproductieve rechten, werkgelegenheid, mobiliteit, gezinsleven, lichamelijke autonomie, seksualiteit en huwelijk moeten kunnen genieten, en dat moet worden voorzien in waarborgen ter bescherming van deze rechten;

12.  herhaalt dat overheden op alle niveaus en relevante belanghebbenden het recht op zelfstandig wonen moeten eerbiedigen en handhaven, en bijgevolg de nodige instrumenten en ondersteuning moeten aanbieden om personen met een handicap, en met name vrouwen, in staat te stellen keuzevrijheid en controle over hun eigen leven en levensstijl te genieten;

13.  benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap geïnformeerd moeten worden over hun rechten en de voor hen beschikbare openbare diensten; onderstreept dat deze informatie op een eenvoudige en veilige manier aangeboden moet worden, met inachtneming van de verschillende communicatiemethoden, media en formaten die door hen zijn gekozen en die aan hun behoeften zijn aangepast; wijst erop dat het recht op informatie niet mag worden verward met de opvatting dat actief toegang tot rechten gezocht moet worden (waardoor de verantwoordelijkheid om rechten te kunnen genieten verschuift naar degenen die hulpbehoevend zijn), aangezien het de lidstaten zijn die de verantwoordelijkheid moeten dragen om alle personen met een handicap te bereiken, en te verzekeren dat zij de rechten genieten die hun bij wet of krachtens internationale verdragen toekomen;

14.  pleit voor de integratie van personen met een handicap in de reguliere maatschappelijke structuren op alle niveaus, met inbegrip van gezondheid, onderwijs en werkgelegenheid, rekening houdend met het feit dat het aanhoudende en gegeneraliseerde gebruik van speciale structuren of diensten leidt tot segregatie en minder gelijke kansen;

15.  erkent dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot veilige plaatsen, bijvoorbeeld in de vorm van clubs en verenigingen;

16.  vraagt de EU de belemmeringen voor het stemrecht van personen met een handicap weg te nemen, vooral met het oog op de Europese verkiezingen van 2019;

17.  dringt bij de lidstaten aan op de toepassing van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk, om loondiscriminatie tegen te gaan en om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te waarborgen, met inbegrip van personen met een handicap;

Toegankelijkheid

18.  vraagt de lidstaten en de Commissie een beleid te voeren dat toegankelijkheid bevordert als een essentiële stap in de richting van inclusie en een onontbeerlijke voorwaarde voor de integratie en participatie van personen met een handicap; benadrukt ook het belang van de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en gelijke kansen in verband met toegankelijkheid en mobiliteit;

19.  benadrukt dat de lidstaten maatregelen moeten nemen, in het bijzonder op het gebied van gezondheid, onderwijs, vervoer, stadsplanning en huisvesting;

20.  vindt het zeer zorgwekkend dat vrouwen en meisjes met een handicap veel te vaak de toegang tot faciliteiten voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten wordt ontzegd; vindt het onrustwekkend dat vrouwen en meisjes met een handicap geen geïnformeerde toestemming kunnen verlenen over het gebruik van anticonceptiemiddelen en dat zij zelfs risico lopen op gedwongen sterilisatie; verzoekt de lidstaten om wetgevende maatregelen te nemen om de fysieke integriteit, de keuzevrijheid en de zelfbeschikking van vrouwen en meisjes met een handicap te waarborgen wat betreft hun seksuele en reproductieve leven;

21.  vindt het zorgwekkend dat slechts weinig landen bepalingen hebben die het recht van personen met een handicap op toegang tot wettelijke geslachtserkenning waarborgen; merkt op dat wettelijke geslachtserkenning, zelfs waar het is toegestaan, ontoegankelijk kan zijn voor vrouwen en meisjes onder wettelijke voogdij; merkt op dat een verplichte psychiatrische beoordeling om toegang te krijgen tot wettelijke geslachtserkenning een belemmering vormt voor vrouwen en meisjes met geestelijke gezondheidsproblemen; vraagt de lidstaten wetgeving voor wettelijke geslachtserkenning op basis van zelfbeschikking aan te nemen, met inachtneming van de toegankelijkheidsbehoeften van personen met een handicap;

22.  vraagt de lidstaten maatregelen voor het openbaar vervoer te ontwikkelen om de mobiliteit van personen met een handicap te faciliteren en bouwkundige belemmeringen weg te nemen; verzoekt de Raad en de Commissie de nodige EU-middelen beschikbaar te stellen om de ontwikkeling van dergelijke maatregelen te ondersteunen;

Arbeidsverhoudingen met het oog op hoogwaardig werk en een billijk evenwicht tussen werk en privéleven

23.  vraagt de lidstaten maatregelen te ontwikkelen om de integratie van personen met een handicap in de arbeidsmarkt te bevorderen; is van oordeel dat dergelijk beleid de toegang tot werk als een voorwaarde voor sociale inclusie moet bevorderen, waardoor gelijke kansen bevorderd worden;

24.  vraagt de lidstaten specifieke vormen van arbeidsregulering te waarborgen en de specifieke behoeften van personen met een handicap te integreren, vooral wat de regulering van werktijden betreft; benadrukt dat specifieke arbeidswetgeving gedefinieerd moet worden waarin rekening gehouden wordt met de behoeften van vrouwen met een handicap met betrekking tot zwangerschap en moederschap, en waarin het permanente karakter van de arbeidsmarkt en arbeidsbescherming gewaarborgd zijn;

25.  vraagt de lidstaten na te gaan of er behoefte is aan regelingen om te waarborgen dat de toepassing van moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof en flexibele werktijden aangepast is aan de uiteenlopende behoeften in verband met meerlingengeboortes, vroeggeboorte, adoptie, co-ouderschap, ouders met een beperking, ouders met geestelijke gezondheidsproblemen, en ouders van kinderen met een handicap, een chronische ziekte of een psychische aandoening;

26.  vraagt het recht op gezondheid en rehabilitatie te bevorderen en maatregelen te nemen om ongevallen op de werkplek en beroepsziekten voor personen met een handicap te voorkomen en tegen te gaan;

27.  verzoekt de Commissie de lidstaten bij te staan met expertise om intersectionele discriminatie tegen te gaan;

28.  vraagt de Commissie de lidstaten te ondersteunen en aan te moedigen om meervoudige discriminatie op grond van genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, geslachtskenmerken en handicap tegen te gaan door middel van opleidingen over diversiteit en samenwerking met werkgevers over arbeidsmaatregelen, bijvoorbeeld de bevordering van anonieme aanwervingsprocedures;

Onderwijs

29.  verzoekt de lidstaten om bij het bieden van opvang voor jonge kinderen de aandacht niet alleen te leggen op toegankelijkheid, maar ook op de kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg, in het bijzonder voor kinderen met een handicap, met inachtneming van de behoeften van ouders met een handicap; vraagt de lidstaten eveneens de overheidsinvesteringen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen voor deze groepen te verbeteren;

30.  benadrukt hoe belangrijk het is om vrouwen met een handicap te integreren in het reguliere onderwijssysteem en het reguliere beroepsleven;

31.  benadrukt dat een hogere kwaliteit van onderwijs en opleidingen zal zorgen voor meer empowerment van vrouwen met een handicap, aangezien onderwijs behoort tot de instrumenten met het grootste effect op maatschappelijke vooruitgang, door de kennis en waarden te verstrekken die noodzakelijk zijn om een hoger niveau van welzijn en economische en persoonlijke groei te verwezenlijken; onderstreept het bijzondere belang van onderwijs en opleidingen van hoge kwaliteit voor personen met een handicap;

32.  vraagt de lidstaten te zorgen voor effectieve gelijke kansen in de toegang tot onderwijs door de effectieve integratie van kinderen en jongeren met een handicap in hun onderwijsstelsels te waarborgen; vraagt om ondersteuning voor bijzondere onderwijsbehoeften en bijzonder onderwijsmateriaal, en voor inclusieve scholen om gelijke toegang tot, maar ook succes in, het onderwijsstelsel te waarborgen;

33.  verzoekt de lidstaten te investeren in hoogwaardig onderwijs voor kinderen en volwassenen met een handicap als onderdeel van het reguliere onderwijs, waardoor de toegang vergemakkelijkt zal worden, vooral voor de meest achtergestelde bevolkingsgroepen;

34.  roept op tot een onderwijsbeleid dat de vele blijvende belemmeringen voor personen met een handicap wegneemt; dringt er bij de lidstaten op aan in hun reguliere onderwijsinstellingen de fysieke en/of pedagogische omstandigheden te realiseren die nodig zijn opdat personen met een handicap naar deze instellingen kunnen gaan; benadrukt daarom dat het aantal docenten dat kinderen met een handicap begeleidt, omhoog moet;

35.  vraagt de lidstaten strategieën te ontwikkelen ter bestrijding van pesten en intimidatie, ook in onderwijssituaties en online, ten aanzien van kinderen en jongeren op grond van handicap, genderidentiteit of genderexpressie, seksuele geaardheid, migratiestatus, klasse, leeftijd, religie of etniciteit;

36.  herinnert eraan dat bij het ontwerp en de toepassing van EU-programma's en initiatieven rekening gehouden moet worden met de behoeften van vrouwen en meisjes met een handicap, met name op het gebied van onderwijs, mobiliteit en jongerenacties, en dat specifieke maatregelen genomen moeten worden om hun deelname aan dergelijke initiatieven te verbeteren;

Gezondheidszorg

37.  is van oordeel dat vrouwen en meisjes met een handicap volledige toegang moeten hebben tot medische en tandheelkundige zorg die beantwoordt aan hun specifieke behoeften, op gebieden als gynaecologische raadpleging, medisch onderzoek, seksuele en reproductieve gezondheid, gezinsplanning en aangepaste ondersteuning tijdens de zwangerschap, en transspecifieke gezondheidszorg; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor overheidsinvesteringen op dit gebied en voor een nationale openbare gezondheidszorg die een goede toegang tot deze diensten omvat;

38.  benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap alle geschikte informatie moeten krijgen om hen in staat te stellen vrijelijk beslissingen te nemen met betrekking tot hun gezondheid; benadrukt dat dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om gedwongen sterilisatie te bestrijden;

39.  verzoekt de Commissie om doelstellingen vast te stellen voor de verzorging van personen met een handicap, die vergelijkbaar zijn met de doelstellingen van Barcelona, met monitoringinstrumenten waarmee de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van deze diensten moeten worden gemeten;

40.  verzoekt de EU en de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat vrouwen en meisjes met een handicap gelijke toegang hebben tot zowel handicapspecifieke gezondheidszorg als reguliere diensten;

41.  verzoekt de Commissie de lidstaten bij te staan met expertise om intersectionele discriminatie tegen te gaan;

Genderspecifiek geweld

42.  is ingenomen met het besluit van de Raad dat de EU het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul) ondertekent, als een verdere stap in de strijd tegen geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes met een handicap; verzoekt de EU het Verdrag van Istanbul onverwijld te ratificeren en spoort de lidstaten die dat nog niet gedaan hebben, aan om dat te doen; moedigt de Raad aan om zo spoedig mogelijk over te gaan tot de voltooiing van de toetreding van de EU;

43.  benadrukt met bezorgdheid dat vrouwen en meisjes met een handicap meer kans hebben het slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld, met name huiselijk geweld en seksuele uitbuiting; wijst erop dat dit ook geldt voor gedwongen sterilisatie en gedwongen abortus; verzoekt de lidstaten toereikende maatregelen te nemen en hoogwaardige, toegankelijke en toegespitste diensten aan te bieden om een einde te maken aan het geweld tegen vrouwen en kinderen en om de slachtoffers van geweld te ondersteunen, en daarbij te zorgen voor personeel dat opgeleid is om deskundig advies te verstrekken en toereikende juridische bescherming en ondersteuning;

44.  moedigt de lidstaten aan om alle gezondheids- en onderwijsprofessionals toereikende opleidingen aan te bieden voor de preventie van discriminatie van en geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap;

45.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om te komen met een uitgebreide Europese strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen met een voorstel voor een wetgevingshandeling om gendergeweld te voorkomen en te bestrijden, met bijzondere aandacht voor vrouwen en meisjes met een handicap; dringt ook aan op de oprichting van een EU-waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld;

46.  roept op tot specifieke beleidsmaatregelen om geweld tegen en misbruik van personen met een handicap en met leerproblemen, met name vrouwen en meisjes, aan te pakken, met inbegrip van online-intimidatie en -pesten en geweld in formele en informele zorgsituaties;

Digitale en media-inclusie

47.  benadrukt dat er meer moet worden gedaan om stereotypen en vooroordelen over handicaps te bestrijden en dat vrouwen en meisjes met een handicap zichtbaarder moeten worden in de media om de overheersende, tot uitsluiting leidende sociale normen te veranderen; vraagt de Commissie en de lidstaten gendergelijkheid in mediaorganisaties, belangenorganisaties en opleidingsinstellingen, met name in hun raden van bestuur, te bevorderen, en te investeren in bewustmakingsinitiatieven, alsook nauwlettend toe te zien op de geboekte vooruitgang;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten programma's en diensten te ontwikkelen voor vrouwen met een handicap, gericht op hun digitale inclusie en met nadruk op het enorme potentieel dat digitalisering voor deze vrouwen biedt;

49.  benadrukt dat de toegankelijkheid van mediadiensten verbeterd moet worden, met volledig toegankelijke internetdiensten die voldoen aan de hoogste normen specifiek voor personen met een handicap;

50.  vraagt de lidstaten de omroeporganisaties aan te moedigen om vrouwen met een handicap ten volle te betrekken als deelnemers en presentatoren in alle soorten media-uitzendingen;

Wetgeving en tenuitvoerlegging

51.  betreurt dat de momenteel lopende Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 niet heeft geleid tot stimulansen voor de aanneming van doeltreffende wetgevingshandelingen, maatregelen en beleidslijnen om de segregatie en afwijzing van vrouwen met een handicap op de arbeidsmarkt, in het politieke leven, op scholen en in leeromgevingen aan te pakken;

52.  vraagt de Commissie en de lidstaten beleidsmaatregelen in te voeren om de deelname van vrouwen en meisjes met een handicap aan het openbare, sociale, culturele, economische en politieke leven mogelijk te maken en aan te moedigen, in het bijzonder door belemmeringen voor mobiliteit weg te nemen en door vrouwen met een handicap aan te moedigen om organisaties en netwerken te vormen en zich daarbij aan te sluiten, alsook door opleidings- en mentorprogramma’s;

53.  vraagt de EU en de lidstaten positieve initiatieven te ontwikkelen voor vrouwen met een handicap, teneinde opleidingen, arbeidsbemiddeling, toegang tot de arbeidsmarkt, baanbehoud, gelijke loopbaanmogelijkheden, aanpassing van de werkplek en een goed evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen;

54.  vraagt de Commissie positieve initiatieven te ontwikkelen om de rechten van vrouwen en meisjes met een handicap te bevorderen, een mechanisme op te zetten voor toezicht op de vooruitgang, ondersteuning te bieden voor gegevensverzameling en onderzoek over vrouwen en meisjes met een handicap, in overeenstemming met de beginselen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

55.  verzoekt de Commissie een voorstel voor de Europese strategie inzake handicaps 2020-2030 in te dienen waarmee de bepalingen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap volledig worden opgenomen in toekomstige EU-wetgeving, -beleidsmaatregelen en -programma's en die in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019, om ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes net als iedere andere persoon hun rechten volledig kunnen genieten;

56.  vraagt de EU en haar lidstaten de normen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op te nemen in hun wetgevings- en beleidskaders om te verzekeren dat de op mensenrechten gebaseerde benadering van handicaps ten volle wordt weerspiegeld in de wetgeving en de beleidsvorming;

57.  benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap, via hun belangenorganisaties, uitvoerig moeten worden geraadpleegd over, en actief moeten worden betrokken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van, wetgeving en beleidsmaatregelen om non-discriminatie en gelijke kansen te verzekeren, en de doeltreffendheid ervan te monitoren; spoort aan tot een echte gestructureerde dialoog tussen de EU en belangenorganisaties van personen met een handicap bij de opstelling van de Europese strategie inzake handicaps na 2020;

58.  benadrukt dat organisaties van personen met een handicap betrokken moeten worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie achteraf van projecten die in het kader van het EU-cohesiebeleid plaatsvinden;

Financiering

59.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de structuurfondsen van de EU te optimaliseren, met inbegrip van het Europees Sociaal Fonds, teneinde de toegankelijkheid en non-discriminatie van vrouwen met een handicap te bevorderen en te zorgen voor meer zichtbaarheid van financieringsmogelijkheden voor bijvoorbeeld startende ondernemingen of ter ondersteuning van het ondernemerschap in het algemeen;

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.
(2) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.
(3) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(4) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.

Juridische mededeling