Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 11 december 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Onderwijs in het digitale tijdperk: uitdagingen, kansen en lessen voor de ontwikkeling van EU-beleid
 Fonds voor asiel, migratie en integratie: nieuwe vastlegging van de resterende bedragen ***I
 Vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ***I
 Bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk ***I
 Transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen ***I
 Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) ***I
 Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) ***I
 Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) ***I
 Aanvulling van de wetgeving inzake EU-typegoedkeuring in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ***I
 Humanitaire visa
 Visumcode ***I
 Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling met betrekking tot de levering van goederen en diensten boven een bepaalde drempel *
 Volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië
 Militaire mobiliteit
 Nieuwe Europese Agenda voor cultuur

Onderwijs in het digitale tijdperk: uitdagingen, kansen en lessen voor de ontwikkeling van EU-beleid
PDF 158kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over onderwijs in het digitale tijdperk: uitdagingen, kansen en lessen voor de ontwikkeling van EU-beleid (2018/2090(INI))
P8_TA(2018)0485A8-0400/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 14,

–  gezien artikel 2 van het Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, over het recht op onderwijs,

–  gezien Besluit (EU) 2018/646 van het Europees Parlement en de Raad van 18 april 2018 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verstrekken van betere diensten voor vaardigheden en kwalificaties (Europass) en houdende intrekking van Beschikking nr. 2241/2004/EG(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2018 over de modernisering van het onderwijs in de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over het bevorderen van jong ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding(6),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over nieuwe technologieën en open leermiddelen(7),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 mei 2018 over toewerken naar een visie op een Europese onderwijsruimte,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2017 inzake het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren en tot intrekking van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 mei 2016 over het ontwikkelen van mediageletterdheid en kritisch denken door onderwijs en opleiding,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2015 over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(11),

–  gezien de resolutie van de Raad van 28 november 2011 betreffende een vernieuwde Europese agenda voor volwasseneneducatie(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 over een goede start in het leven dankzij ontwikkeling van scholen en uitstekend onderwijs (COM(2017)0248),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2012 over een Europese Strategie voor een beter internet voor kinderen (COM(2012)0196),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2016 over onderwijs verbeteren en moderniseren (COM(2016)0941),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 november 2017 over de modernisering van het schoolonderwijs en het hoger onderwijs(13),

–  gezien het verslag van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding van 9 maart 2018 getiteld "Skill needs anticipation: systems and approaches. Analysis of stakeholder survey on skill needs assessment and anticipation",

–  gezien het beleidsverslag van de Commissie van 2017 getiteld "DigComp 2.1: The digital competence framework for citizens with eight proficiency levels and examples of use",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0400/2018),

A.  overwegende dat, gezien de steeds snellere technologische ontwikkeling, de digitale samenleving en economie inmiddels een feit zijn, met als gevolg dat digitale vaardigheden van essentieel belang zijn voor de succesvolle beroepsmatige ontplooiing en persoonlijke ontwikkeling van alle burgers;

B.  overwegende dat digitale competentie een sleutelcompetentie voor een leven lang leren is, als vastgesteld in het referentiekader in de bijlage bij de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018;

C.  overwegende dat de innovatieve capaciteit van technologie afhankelijk is van onder meer kritisch denken, het niveau inzake digitale en creatieve vaardigheden onder de bevolking en de kwaliteit en het bereik van internetconnectiviteit;

D.  overwegende dat basiskennis van digitale technologieën van cruciaal belang is voor het vervullen van essentiële administratieve en dagelijkse taken;

E.  overwegende dat wereldwijd naar schatting ongeveer de helft – en in de Europese Unie 30 % – van de huidige banen in de komende 25 jaar zal verdwijnen(14), en dat nieuwe beroepen opkomen waarvoor geavanceerde digitale vaardigheden nodig zijn;

F.  overwegende dat digitale vaardigheden, die ruimschoots verder gaan dan de vereisten op de arbeidsmarkt, mensen zowel vandaag als in de toekomst betere kansen bieden om deel te nemen aan het maatschappelijk leven, de culturele en informatie-uitwisseling bevorderen en ervoor zorgen dat mensen meer inspraak krijgen in de politieke besluitvorming;

G.  overwegende dat het van essentieel belang is het internet terug te winnen als een gemeenschappelijk goed en actief digitaal burgerschap te bevorderen;

H.  overwegende dat de technologische transformatie in alle sectoren met zich meebrengt dat digitale instrumenten ook voor traditioneel niet-technische beroepen vaak worden gebruikt, terwijl digitale vaardigheden in de nabije toekomst of onmiddellijk in naar schatting negen van de tien banen nodig zijn;

I.  overwegende dat 44 % van de bevolking van de EU in de leeftijd tussen 16 en 74 jaar digitale basisvaardigheden ontbeert, dat 19 % helemaal niet over digitale vaardigheden beschikt en dat daarbij substantiële verschillen tussen de lidstaten worden waargenomen, een situatie die kan leiden tot het ontstaan van een nieuwe sociale kloof;

J.  overwegende dat het belang van digitale vaardigheden, de vaardighedenkloof, die met name aanzienlijk is tussen vrouwen en mannen, tussen de generaties en tussen verschillende sociale groepen, en de ongelijkheid tussen lidstaten op het gebied van digitale vaardigheden vragen om een gezamenlijke beleidsrespons;

K.  overwegende dat het van essentieel belang is dat onderwijsinstellingen leerlingen en studenten voorbereiden op de sociale en economische uitdagingen die het gevolg zijn van de snelle technologische en sociale ontwikkelingen, door hen toe te rusten met de vereiste vaardigheden om zich aan te passen aan de uitdagingen van de digitale wereld;

L.  overwegende dat de toegang tot en het gebruik van internet en technologische en digitale apparatuur het sociale gedrag en de sociale betrekkingen, met name bij het jongere gedeelte van de bevolking, hebben veranderd;

M.  overwegende dat de doelstelling om ervoor te zorgen dat alle scholen in de EU tegen 2025 beschikken over een internetverbinding met een download-/uploadsnelheid van 1 gigabit gegevens per seconde, nog niet is bereikt;

N.  overwegende dat overmatig gebruik van technologische en digitale apparatuur, zoals computers en tablets, problemen kan veroorzaken die verband houden met gezondheid en welzijn, waaronder slaaptekort, sedentair gedrag en verslaving;

O.  overwegende dat in digitale leerstrategieën ook rekening moet worden gehouden met onderzoek naar de schadelijke effecten die een vroegtijdig gebruik van digitale technologie kan hebben op de ontwikkeling van de hersenen van jonge kinderen;

P.  overwegende dat digitale technologieën integraal deel moeten uitmaken van een op de lerende gerichte, op de leeftijd afgestemde onderwijsaanpak en nieuwe en innovatieve benaderingen van onderwijzen en leren kunnen bieden; overwegende dat het van vitaal belang is om persoonlijk contact te onderhouden tussen leerlingen en leraren en prioriteit te geven aan het welzijn en de gezonde ontwikkeling van kinderen en lerende volwassenen;

Q.  overwegende dat technologieën beter moeten worden aangewend ter ondersteuning van nieuwe didactische benaderingen waarin lerenden worden gezien als actieve deelnemers die over instrumenten voor onderzoekend leren en samenwerkingsplatformen beschikken;

R.  overwegende dat basisonderwijs op het gebied van cyberhygiëne, cyberveiligheid, gegevensbescherming en mediageletterdheid leeftijds- en ontwikkelingsgericht moet zijn om kinderen te helpen uitgroeien tot kritische leerlingen, actieve burgers en internetgebruikers en personen die vorm geven aan een democratische digitale samenleving, om geïnformeerde beslissingen te nemen en om zich bewust te zijn van de risico's van het internet en deze te kunnen ondervangen, zoals onlinedesinformatie, ‑intimidatie en -inbreuken in verband met persoonsgegevens; overwegende dat onderwijsprogramma's met betrekking tot cyberbeveiliging moeten worden opgenomen in de academische en beroepsopleidingen;

S.  overwegende dat innovatief digitaal leren van hoge kwaliteit boeiend en interactief kan zijn en zo een aanvulling kan vormen op frontaal onderwijs, en platforms voor samenwerking en kenniscreatie kan bieden;

T.  overwegende dat de commerciële benutting van het onderwijs door grote digitale bedrijven zichtbaar toeneemt en dat deze de onderwijsmethoden trachten te beïnvloeden door nieuwe apparatuur, software en leermiddelen of opleidingen voor leraren aan te bieden;

U.  overwegende dat de lidstaten doeltreffende strategieën nodig hebben om de capaciteiten van leraren te versterken en dat beleidsmakers meer moeten doen om steun voor deze agenda op te bouwen, teneinde de technologische beloften beter te kunnen nakomen;

V.  overwegende dat openbare bibliotheken deelnemen aan de gemeenschappelijke inspanning om de burgers vertrouwd te maken met digitale vaardigheden door het aanbieden van open diensten voor digitale ondersteuning in een sociale en behulpzame omgeving;

W.  overwegende dat volwassenen zonder werk of met een baan waarvoor geen digitale vaardigheden vereist zijn doorgaans snel achteropraken bij digitaal vaardiger werknemers, waardoor hun vooruitzichten op de arbeidsmarkt slinken en de sociale en economische ongelijkheid verder toeneemt;

X.  overwegende dat de geleidelijke digitalisering van het werk ertoe zal leiden dat vele beroepen verdwijnen en dat de werkloosheid toeneemt; overwegende dat de nieuwe beroepen die door de digitalisering zullen opkomen, een deel van de verloren gegane banen kunnen compenseren;

Y.  overwegende dat digitale technologieën de toegang tot kennis en leren kunnen vergemakkelijken en alle opleidingsfaciliteiten op de verschillende niveaus gemakkelijk toegankelijk en inclusief kunnen maken;

Z.  overwegende dat ouderen en mensen met een handicap zonder passend en gericht beleid waarschijnlijk het meest te lijden hebben onder de digitale transformatie;

AA.  overwegende dat vrouwen slechts 20 % van de wetenschappers uitmaken, slechts 27 % van de afgestudeerde ingenieurs(15) en slechts 20 % van de afgestudeerden in de computerwetenschappen(16); overwegende dat er in de digitale sector 3,1 keer meer mannen dan vrouwen werken; overwegende dat slechts 19 % van de werknemers in de ICT-sector een vrouwelijke baas heeft, tegenover 45 % in andere sectoren;

AB.  overwegende dat er voor reeds hoogopgeleide werknemers veel meer mogelijkheden voor een leven lang leren beschikbaar zijn(17);

AC.  overwegende dat permanente monitoring en evaluatie van de prestaties inzake digitale vaardigheden zowel in organisaties als bij individuele personen een voorwaarde is voor een doeltreffende beleidsuitvoering;

AD.  overwegende dat de beheersing van transversale basisvaardigheden, zoals rekenvaardigheid, kritisch denken en sociaalcommunicatieve vaardigheden, een fundamentele voorwaarde is voor de verwerving van digitale vaardigheden en competenties;

1.  onderstreept dat de verwerving van digitale vaardigheden een samenhangende benadering in het kader van een leven lang leren vereist die verankerd is in formele, niet-formele en informele leeromgevingen, evenals een beleidsrespons en gerichte interventies die aansluiten op de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen en lerenden;

2.  onderstreept het potentieel van digitale technologieën om een verschuiving te ondersteunen naar didactische benaderingen die meer op de lerende zijn afgestemd, mits deze op een geplande en doelgerichte manier in het leerproces worden geïntegreerd; is van mening dat de lerenden moeten worden begeleid in de richting van innovatieve bottom-uppraktijken voor kenniscreatie, zodat in het onderwijs een echte transformatie kan plaatsvinden;

3.  benadrukt dat een transformatie van de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus nodig is om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die ICT en de media bieden en om de vereiste vaardigheden en competenties te ontwikkelen teneinde tegemoet te komen aan de eisen van de samenleving en de arbeidsmarkt van de toekomst; herhaalt dat een dergelijke transformatie het recht op zelfontplooiing moet blijven waarborgen, het juiste evenwicht moet houden tussen de relevante digitale vaardigheden en levensvaardigheden, en de veerkracht, het kritisch denken en het innovatiepotentieel van personen moet ondersteunen;

4.  is van mening dat onderwijsinstellingen het zich niet kunnen veroorloven de algemene vorming van hun leerlingen te verwaarlozen en dat zij de vorming en ontwikkeling van een kritische en holistische visie moeten bevorderen die de leerlingen in staat stelt zich als actieve burgers te profileren; onderkent dat kritisch denken niet door het aanleren van digitale vaardigheden alleen kan worden versterkt en dat algemene vorming ook onontbeerlijk is;

5.  benadrukt dat het weliswaar van essentieel belang is om de elementaire en geavanceerde digitale vaardigheden van de lerenden te vergroten, maar dat traditionele en menselijke vaardigheden niettemin verder moeten worden gekoesterd;

6.  herinnert eraan dat, zoals de Commissie in haar actieplan voor digitaal onderwijs van januari 2018 onderkent, de noodzakelijke aanpassing van onderwijsinstellingen aan nieuwe technologieën en innovatieve didactische benaderingen nooit als een doel op zichzelf mag worden gezien, maar eerder als een middel om de kwaliteit en inclusie van het onderwijs te verbeteren;

7.  erkent de noodzaak van meer digitale vaardigheden, maar benadrukt ook dat het effect van digitale technologieën op het onderwijs op dit moment niet gemakkelijk te beoordelen is, wat betekent dat het essentieel is om neurologisch onderzoek naar de effecten van digitale technologie op de ontwikkeling van de hersenen in aanmerking te nemen; roept daarom op tot investeringen in onpartijdig en interdisciplinair onderzoek naar de verschillende effecten van digitale technologie op het onderwijs, waarbij onderwijskunde, pedagogiek, psychologie, sociologie, neurowetenschappen en computerwetenschappen gekoppeld worden benut om zo goed mogelijk te begrijpen hoe kinderen en volwassenen mentaal reageren op de digitale omgeving, teneinde digitale technologie in het onderwijs optimaal te benutten en de risico's ervan tot een minimum te beperken; benadrukt de noodzaak om een verantwoord gebruik van digitale instrumenten te bevorderen waarbij de fysiologische, neurosensoriële en gedragsmatige ontwikkeling van lerenden wordt beschermd, met name tijdens de kinderjaren, en waarbij het juiste evenwicht wordt bereikt inzake het dagelijks gebruik van technologische en digitale apparatuur, zowel in onderwijsinstellingen als in het privéleven;

8.  betreurt dat terwijl het gebruik van online en mobiele apps en nieuwe technologieën, zoals het internet der dingen, meer dan ooit is toegenomen, burgers en met name minderjarigen zich vaak niet bewust zijn van de risico's van het gebruik van internet en ICT-tools, zoals inbreuken in verband met persoonsgegevens, alomtegenwoordige tracking van eindgebruikers en cybercriminaliteit; roept de lidstaten daarom op in de programma's van het schoolonderwijs een passende rol toe te kennen aan gegevensbescherming en elementaire cyberhygiëne;

9.  roept de lidstaten, de Commissie en de onderwijsinstellingen op om de veiligheid van kinderen online te verbeteren en cyberpesten, blootstelling aan schadelijke en schokkende inhoud en andere bedreigingen inzake cyberbeveiliging aan te pakken door preventieprogramma's en bewustmakingscampagnes te ontwikkelen en op te zetten; spoort de lidstaten aan de campagne #SafeInternet4EU verder te promoten;

10.  benadrukt dat digitale instrumenten moeten worden afgestemd op de behoeften van de leerlingen met het oog op betere leerervaringen en -resultaten, en dat dit voor hen een manier is om actieve burgers te worden en niet louter passieve technologiegebruikers;

11.  betreurt dat de impact van digitale technologieën op het onderwijs tot dusver beperkt is, ondanks het potentieel van de digitalisering voor de verbetering en bevordering van andere en gepersonaliseerde leermethoden; vindt het in het bijzonder zorgwekkend dat investeringen in ICT in scholen en opleidingscentra nog niet hebben geleid tot de verhoopte transformatie van onderwijsmethoden; herinnert eraan dat scholen en andere leeromgevingen alle leerlingen en lerenden moeten ondersteunen en moeten inspelen op hun specifieke behoeften door passende en doeltreffende maatregelen te ontwikkelen om digitale vaardigheden te bevorderen, met name wat leerlingen met een handicap, minderheidsgroepen, migrantengemeenschappen, voortijdige schoolverlaters, langdurig werklozen en ouderen betreft; is van mening dat dergelijke steun kan worden bevorderd door het gebruik van nieuwe technologieën;

12.  wijst op de steeds grotere kloof tussen vrouwen en mannen inzake participatie in de digitale sector met betrekking tot onderwijs, loopbaantrajecten en ondernemerschap; benadrukt dat aandacht voor genderevenwicht bij de bevordering van digitale en ICT-loopbanen van cruciaal belang is en dat meer vrouwelijke studenten en vrouwen moeten worden ondersteund om te kiezen voor een loopbaan in de digitale sector; wijst erop dat het belangrijk is om de digitale geletterdheid en de deelname van vrouwen en meisjes aan ICT-onderwijs en ‑opleidingen te waarborgen; spoort de lidstaten aan om op school in een vroeg stadium op de leeftijd afgestemd onderwijs in ICT in te voeren, met bijzondere aandacht voor maatregelen om de digitale genderkloof te dichten en om voor meisjes de toegang tot STEAM-vakken op alternatieve manieren te bevorderen, aangezien de toegang voor meisjes doorgaans wordt bemoeilijkt door genderstereotypen rond deze vakken en door het gebrek aan vrouwelijke rolmodellen; is van mening dat een nauwkeurig afgestemde digitale strategie voor vrouwen, in combinatie met het komende actieplan van de Commissie om de genderkloof op technologisch gebied te verkleinen, de inspanningen op dit gebied kan helpen opvoeren;

13.  benadrukt dat het gebrek aan digitale apparatuur en connectiviteit op scholen in de lidstaten een nadelig effect heeft op de verwerving van digitale vaardigheden door de leerlingen en op de beschikbaarheid van digitale onderwijsinstrumenten; roept de lidstaten op om aanzienlijke overheidsinvesteringen te doen om alle scholen van breedband met hoge capaciteit te voorzien en hiertoe gebruik te maken van de bestaande EU-programma's, met name de Connecting Europe Facility, die de fysieke infrastructuur voor breedbandnetwerken met hoge capaciteit kan ondersteunen, en de WiFi4EU-voucherregeling; benadrukt dat de inspanningen en financiering op het gebied van connectiviteit met name gericht moeten zijn op plattelands- en achterstandsgebieden en op ultraperifere en bergachtige gebieden;

14.  wijst erop dat onderwijs- en opleidingsinstellingen ondersteuning van de Unie en de lidstaten nodig hebben, evenals nauwe samenwerking van alle belanghebbenden, de sector, lokale en regionale autoriteiten, gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, om hun ICT- en mediaonderwijs te ontwikkelen in overeenstemming met hun specifieke pedagogische benadering en de moeilijke overgang naar een meer gedigitaliseerde leeromgeving te maken; benadrukt in dit verband de noodzaak van een schoolbrede en interdisciplinaire aanpak van digitale verandering in het onderwijs;

15.  benadrukt dat leraren en opleiders centraal moeten staan in de digitale transformatie en daarom zelf adequate initiële voorbereiding en permanente vorming nodig hebben, met onder meer modules over leeftijds- en ontwikkelingsgerichte onderwijsmethoden; beklemtoont dat deze vorming tijd kost en geen extra taak boven op hun dagelijkse werkzaamheden mag zijn; wijst erop dat onderwijs in digitale vaardigheden van leraren vereist dat zij hun kennis en vaardigheden permanent actualiseren, meer nog dan het geval is bij andere basisvaardigheden zoals reken-, lees- en schrijfvaardigheid; stelt dan ook dat voor leraren passende, flexibele en kwalitatief hoogstaande permanente beroepsontwikkeling nodig is die aansluit bij hun behoeften; staat in dit verband positief tegenover het gebruik van Europese onlineplatformen om de mogelijkheden voor beroepsontwikkeling te vergroten en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen;

16.  merkt op dat het onderwijzend personeel nu een grotere verantwoordelijkheid heeft door het toegenomen gebruik van digitale toepassingen bij het werk voor school; is van mening dat ook deze personen moeten worden betrokken bij het leerproces en het gebruik van technologie, want als zij niet over de nodige digitale vaardigheden beschikken, zal het moeilijker zijn om hun leerlingen bij het leerproces te betrekken, wat kan leiden tot meer sociale uitsluiting;

17.  steunt en stimuleert de uitvoering van maatregelen met betrekking tot de digitalisering van administratieve processen in scholen om de administratieve lasten op alle niveaus verder te verminderen;

18.  spoort de lidstaten aan om regionale en lokale initiatieven die hoogwaardige onderwijsmethoden ondersteunen te bevorderen en te financieren met het oog op het stimuleren van innovatie;

19.  benadrukt de waarde van de schoolautonomie om innovatie in het onderwijs tot stand te brengen;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende richtsnoeren aan te reiken inzake de juridische toepassing van beperkingen van het auteursrecht in het onderwijs en vlotte toegang tot licenties voor openbare instellingen zonder winstoogmerk in het formele en informele onderwijs; is van mening dat leraren en leerlingen behoefte hebben aan beveiliging wanneer zij digitaal toegankelijke middelen gebruiken en vaardigheden overbrengen en leren; beveelt de Commissie in dit verband aan om onderwijsinstellingen, opleiders en leerlingen hiertoe richtsnoeren aan te reiken;

21.  wijst erop dat het gebrek aan digitale instrumenten voor mobiele studenten de kwaliteit van de leerervaringen in Europa kan ondermijnen; spoort de Commissie aan haar proefprojecten met betrekking tot de Europese studentenpas en "Erasmus without paper" voort te zetten met het oog op de lancering ervan in de volgende meerjarige programmeringsperiode; roept de lidstaten op om op verantwoorde en doeltreffende wijze gebruik te maken van de financiële steun van de Unie en om de financieringsmogelijkheden bij het grote publiek en de onderwijsinstellingen te bevorderen, zodat de toegang tot digitale leerinhoud en tot digitale instrumenten en oplossingen voor iedereen werkelijkheid wordt;

22.  wijst erop dat overheden in zowel formele als niet-formele omgevingen, vanuit de voor digitale vaardigheden vereiste benadering in het kader van een leven lang leren en in samenwerking met belanghebbenden zoals bedrijven en maatschappelijke organisaties, moeten zorgen voor een duurzame digitale transformatie waarbij niemand achterblijft;

23.  benadrukt dat inclusiviteit en innovatie de leidende beginselen voor onderwijs en opleiding in het digitale tijdperk moeten zijn; is van mening dat digitale technologieën de bestaande ongelijkheden niet mogen versterken, maar in plaats daarvan moeten worden gebruikt om de digitale kloof tussen leerlingen uit verschillende sociaal-economische milieus en regio's van de EU te dichten; benadrukt dat bij een op inclusie gerichte aanpak het volledige potentieel van de nieuwe digitale technologieën moet worden benut, met inbegrip van gepersonaliseerd onderwijs en partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, om zo de toegang tot kwaliteitsonderwijs en -opleidingen voor mensen uit achtergestelde groepen en kansarmen mogelijk te maken en de integratie van migranten en vluchtelingen te ondersteunen;

24.  benadrukt dat de bevordering van digitale toegang in het onderwijs niet noodzakelijkerwijs gelijke toegang tot leermogelijkheden impliceert en dat de verwerving van digitale basisvaardigheden een belemmering blijft vormen en de digitale kloof blijft bestaan, hoewel technologie steeds toegankelijker wordt; wijst erop dat uit gegevens van Eurostat blijkt dat de digitale kloof niet kleiner wordt en dat 44 % van de mensen in de Europese Unie niet over digitale basisvaardigheden beschikt(18);

25.  wijst erop dat de complexe digitale vaardigheden die nodig zijn voor een efficiënt gebruik van ICT berusten op de verwerving van basisvaardigheden, dat niet iedereen op voet van gelijkheid staat, dat er grote verschillen inzake basisvaardigheden blijven bestaan waarmee met name kansarmen en een groot aantal volwassenen kampen, dat beter opgeleide mensen drie keer zo vaak internet gebruiken om nieuwe vaardigheden te verwerven en nieuwe kansen te creëren als mensen met een lager opleidingsniveau(19), en dat wij het risico lopen dat technologie een opleidingsinstrument wordt voor bevoorrechten in plaats van een kans voor iedereen;

26.  benadrukt de noodzaak van een verandering van de institutionele en pedagogische praktijken van scholen en andere leeromgevingen, met inbegrip van niet-formele leeromgevingen, om deze rechtvaardiger te maken door aanzienlijk gediversifieerde en diepgaande ondersteuning voor iedereen aan te bieden, en met name voor personen die het risico van uitsluiting lopen, zoals werklozen, migranten, laagopgeleiden, personen met een handicap en ouderen;

27.  beveelt aan dat de lidstaten programma's voor digitale geletterdheid ontwikkelen in Europese regionale en minderheidstalen en taaltechnologieopleidingen en -instrumenten invoeren in hun school-, beroeps- en universitaire opleidingen; benadrukt eens te meer dat geletterdheid een belangrijke factor blijft en een absolute voorwaarde voor vooruitgang op het gebied van digitale inclusie van gemeenschappen;

28.  benadrukt dat de lidstaten de steun moeten verlenen die onderwijsinstellingen nodig hebben om de digitalisering van talen in de EU te verbeteren; beveelt aan dat scholen in de hele EU digitale technologieën benutten om meer gebruik te maken van grensoverschrijdende onderwijsuitwisselingen, via videoconferenties en virtuele klaslokalen; benadrukt dat scholen in de hele EU zouden kunnen profiteren van grensoverschrijdende toegang tot digitale inhoud;

29.  onderstreept de sleutelrol die bibliotheken spelen door de burgers digitale diensten aan te bieden en door onlineleren en -diensten ter beschikking te stellen in een veilige omgeving en aan iedereen; beveelt daarom aan dat deze inspanningen naar behoren worden gefinancierd in het kader van Europese, nationale, regionale en lokale regelingen die elkaar aanvullen, en dat bibliotheken meer erkenning krijgen voor hun essentiële rol bij de ontwikkeling van mediageletterdheid;

30.  dringt aan op een verschuiving naar meer mogelijkheden voor niet-formeel leren en opleidingen op de werkplek en dringt aan op hoogwaardige, inclusieve en goed gefinancierde onderwijs- en opleidingsstelsels; is van mening dat mogelijkheden voor herscholing en bijscholing van essentieel belang zijn, dat modules over relevante digitale vaardigheden moeten worden geïntegreerd in programma's voor opleiding op de werkplek en dat bijzondere opleidingsinitiatieven nodig zijn voor mensen die in kleine en middelgrote ondernemingen werken; benadrukt dat het belangrijk is de banden tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt te versterken en dat permanente begeleiding en coaching bij het studie- en loopbaantraject een belangrijke rol spelen bij het ondersteunen van de toegang tot geschikte, flexibele en hoogwaardige opleidings- en loopbaantrajecten;

31.  benadrukt dat stages in de digitale sector studenten en jongvolwassenen kunnen helpen om praktische digitale vaardigheden op het werk te verwerven; is in deze context ingenomen met het nieuwe proefproject voor "Digital Opportunity"-stages in het kader van Erasmus+ en Horizon 2020; dringt aan op een nieuwe impuls in deze richting in de programma's uit hoofde van het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK);

32.  beveelt de lidstaten aan om, in nauwe samenwerking met de lokale gemeenschappen en onderwijs- en opleidingsverstrekkers, volwassenen met beperkte digitale vaardigheden toegang te geven tot bijscholingstrajecten, zodat zij een minimumniveau inzake digitale competentie kunnen verwerven;

33.  verzoekt de lidstaten om in samenwerking met het bedrijfsleven, de lokale en regionale gemeenschappen, onderwijs- en opleidingscentra en het maatschappelijk middenveld bestaande vaardigheidstekorten vast te stellen, de digitale en internetgeletterdheid verder te ontwikkelen, de mediageletterdheid te verbeteren, in het bijzonder bij minderjarigen, en een hoog niveau van digitale connectiviteit en inclusie tot stand te brengen;

34.  is verheugd over de deelname van het bedrijfsleven aan de oprichting en financiering van scholen;

35.  is verheugd over de oprichting van strategische partnerschappen tussen academische en onderzoeksinstellingen en publieke en private partners in het kader van kernactie 2 van het Erasmus+-programma, met het oog op de oprichting van ICT-expertisecentra en de ontwikkeling van technologische start-ups;

36.  herinnert eraan dat een goede evaluatie en monitoring van digitale vaardigheden essentieel zijn om vooruitgang te boeken; is verheugd over de ontwikkeling van instrumenten op EU-niveau voor organisaties (zoals het digitalecompetentiekader en het referentiekader voor sleutelcompetenties voor een leven lang leren) en voor individuele personen (zoals de Selfie-tool); onderstreept evenwel dat doeltreffende methoden voor evaluatie van digitale vaardigheden dynamisch en flexibel moeten zijn, voortdurend moeten worden geactualiseerd en op de behoeften van de lerenden moeten worden afgestemd, en ook een veel breder gebruik moeten krijgen in de Unie op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

37.  verzoekt de lidstaten met de Commissie samen te werken om ervoor te zorgen dat de Selfie-tool voor zelfreflectie beschikbaar is in regionale en minderheidstalen van de lidstaten;

38.  is verheugd over de sterkere beleidsfocus van de Unie op digitale vaardigheden en onderwijs, zoals met name blijkt uit het actieplan voor digitaal onderwijs, dat voortbouwt op een aantal succesvolle kleinschalige beleidsinitiatieven, zoals de EU-programmeerweek, de coalitie voor digitale vaardigheden en banen, en de oproep van Sofia tot actie in verband met digitale vaardigheden en onderwijs; is van mening dat leren programmeren deel moet uitmaken van een bredere onderwijsbenadering rond informatietechnologie en kritisch en probleemoplossend denken;

39.  merkt niettemin op dat EU-initiatieven vaak van verschillende directoraten-generaal van de Commissie afkomstig zijn, waardoor een gecoördineerde aanpak van het beleid inzake digitale vaardigheden wordt belemmerd;

40.  is voorstander van een verhoging van de financiële middelen voor digitale vaardigheden in de volgende generatie van MFK-programma's; dringt erop aan dat de Commissie synergieën tussen deze programma's bevordert en zorgt voor coördinatie van deze programma's, met inbegrip van Erasmus+, Horizon Europa, InvestEU en Digitaal Europa, met het oog op een zo doeltreffend mogelijke financiering voor de ontwikkeling van hoogwaardige digitale vaardigheden en duurzame resultaten voor de lerenden, ongeacht hun leeftijd of achtergrond; benadrukt bovendien de noodzaak om in het kader van deze programma's en de Europese structuur- en investeringsfondsen middelen uit te trekken voor de digitalisering van bibliotheken, archieven en musea teneinde het gebruik ervan in het onderwijs en op cultureel gebied te vergroten en te verbeteren;

41.  benadrukt dat de Unie capaciteit moet ontwikkelen op gebieden als kunstmatige intelligentie, big data, software engineering, quantumcomputing en webontwerp; is in de kader verheugd over het onderdeel digitale vaardigheden van het programma Digitaal Europa;

42.  dringt aan op grotere synergieën tussen de lidstaten en de rest van de wereld op het gebied van internetonderwijs en actief digitaal burgerschap via diverse mechanismen en programma's in het kader van het externe optreden van de EU, waaronder Erasmus Mundus;

43.  wijst erop dat open data en op samenwerking gebaseerde instrumenten en methoden op het gebied van digitale technologie vernieuwing in het onderwijs mogelijk kunnen maken en open wetenschap verder kunnen ontwikkelen, en zo kunnen bijdragen aan de bloei en ondernemingsgeest van de Europese economie; wijst er bovendien op dat het verzamelen van gegevens over digitalisering in onderwijs- en opleidingsinstellingen en over het gebruik van digitale technologieën bij het leren van cruciaal belang is voor de beleidsvorming; beveelt de Commissie en de lidstaten dan ook aan om gegevens te verzamelen over de mate van connectiviteit van onderwijs- en opleidingsinstellingen en over de regelingen voor de afgifte van digitaal gecertificeerde kwalificaties en voor de validering van digitaal verworven vaardigheden, een doelstelling van het actieplan voor digitaal onderwijs;

44.  betreurt dat op EU-niveau geen overkoepelende strategie inzake digitale vaardigheden is ontwikkeld, hoewel de gevolgen van de digitale transformatie voor de interne markt van de EU duidelijk zijn; is van mening dat de verschillen tussen lidstaten de noodzaak van een dergelijke strategie illustreren;

45.  benadrukt dat er aanbevelingen moeten worden opgesteld voor het minimumniveau inzake digitale competentie dat leerlingen tijdens hun opleiding moeten verwerven; dringt er daarom op aan dat in alle lidstaten een specifieke ICT-module wordt ingevoerd, bijvoorbeeld op basis van de ICT-module in het kader van PISA, en dat leraren worden betrokken bij het ontwerp en de uitvoering daarvan; benadrukt dat de ICT-module zo moet worden ontworpen dat de onderwijsinstellingen in de lidstaten hetzelfde niveau van digitale competentie nastreven, eerder door middel van permanente evaluatie dan op basis van tests, en dat eventuele problemen snel worden vastgesteld; spoort de lidstaten aan lessen en beste praktijken uit te wisselen, met name op het gebied van onderwijsinnovatie;

46.  is van mening dat het actieplan voor digitaal onderwijs moet worden gezien als eerste stap naar een volwaardige EU-strategie inzake digitaal onderwijs en digitale vaardigheden op basis van een benadering in het kader van een leven lang leren, die beide kunnen leiden tot een meer gecoördineerd beleidskader en tegelijkertijd aan de veranderende realiteit moeten kunnen worden aangepast; verzoekt de Commissie daarom de elf acties van het plan, met inbegrip van de sociale inclusie daarvan, kritisch te beoordelen met het oog op de evaluatie halverwege in 2020; brengt in herinnering dat een goede evaluatie de bereidheid vereist om zich alleen op de best presterende acties te richten, acties die niet de gewenste resultaten opleveren terzijde te schuiven en voor zover nodig nieuwe acties te ontwikkelen; benadrukt dat het verbeteren van digitale vaardigheden door samenwerking met verstrekkers van niet-formeel onderwijs en bij de moeilijker bereikbare volwassen bevolking momenteel een ernstige lacune in het plan vormt;

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 112 van 2.5.2018, blz. 42.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0247.
(3) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 135.
(4) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 44.
(5) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 182.
(6) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 76.
(7) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 31.
(8) PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1.
(9) PB C 189 van 15.6.2017, blz. 15.
(10) PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
(11) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(12) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.
(13) PB C 164 van 8.5.2018, blz. 24.
(14) Http://eskills-scale.eu/fileadmin/eskills_scale/all_final_deliverables/scale_digitalisation_report.pdf
(15) Europese Commissie, Onderwijs- en opleidingsmonitor 2017.
(16) Europese Commissie, Women in the Digital Age, Luxemburg, 2018.
(17) Europese Commissie, gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018.
(18) Eurostat, 2016.
(19) Werkdocument van de diensten van de Commissie van 9 oktober 2008 getiteld "The use of ICT to support innovation and lifelong learning for all – A report on progress" (SEC(2008)2629 definitief).


Fonds voor asiel, migratie en integratie: nieuwe vastlegging van de resterende bedragen ***I
PDF 126kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de nieuwe vastlegging van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen of de toewijzing daarvan aan andere acties in het kader van de nationale programma's (COM(2018)0719 – C8-0448/2018 – 2018/0371(COD))
P8_TA(2018)0486A8-0370/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0719),

–  gelet op artikel 294, lid 2, artikel 78, lid 2, en artikel 79, leden 2 en 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0448/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 30 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0370/2018),

A.  overwegende dat het om redenen van urgentie gerechtvaardigd is om tot stemming over te gaan vóór het verstrijken van de in artikel 6 van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bedoelde termijn van acht weken;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 december 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de nieuwe vastlegging van de resterende bedragen die zijn vastgelegd om de tenuitvoerlegging van Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te ondersteunen of de toewijzing van die bedragen aan andere acties in het kader van de nationale programma's

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/2000.)

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 29 november 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0468).


Vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ***I
PDF 286kWORD 119k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 11 december 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013 (COM(2018)0385 – C8-0249/2018 – 2018/0209(COD))(1)
P8_TA(2018)0487A8-0397/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad6 voor de periode 2014 tot en met 2020, is het recentste van een reeks programma's van de Unie waarmee over een periode van 25 jaar de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleidsprioriteiten inzake milieu en klimaat is ondersteund. Bij een recente evaluatie halverwege7 is het positief beoordeeld, waarbij is opgemerkt dat het goed op koers ligt om doeltreffend, doelmatig en relevant te zijn. Het LIFE-programma voor 2014-2020 moet derhalve worden voortgezet, met inachtneming van bepaalde aanpassingen zoals vastgesteld bij de evaluatie halverwege en daaropvolgende beoordelingen. Voor de periode vanaf 2021 moet daarom een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("programma") worden vastgesteld.
(2)  Het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad6 voor de periode 2014 tot en met 2020, is het recentste van een reeks programma's van de Unie waarmee over een periode van 25 jaar de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleidsprioriteiten inzake milieu en klimaat is ondersteund. Bij een recente evaluatie halverwege7 is het positief beoordeeld, waarbij is opgemerkt dat het reeds zeer kosteneffectief is en goed op koers ligt om in algemene zin doeltreffend, doelmatig en relevant te zijn. Het LIFE-programma voor 2014-2020 moet derhalve worden voortgezet, met inachtneming van bepaalde aanpassingen zoals vastgesteld bij de evaluatie halverwege en daaropvolgende beoordelingen. Voor de periode vanaf 2021 moet daarom een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("programma") worden vastgesteld.
_________________
_________________
6 Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).
6 Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).
7 Report on the Mid-term Evaluation of the Programme for Environment and Climate Action (LIFE)(SWD(2017)0355).
7 Report on the Mid-term Evaluation of the Programme for Environment and Climate Action (LIFE)(SWD(2017)0355).
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  In het streven naar verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Unie zoals vastgelegd in wetgeving, beleid, plannen en internationale verplichtingen inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, moet het programma bijdragen aan de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie, aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, hetzij door rechtstreekse interventies, hetzij door ondersteuning van de integratie van die doelstellingen in ander beleid.
(3)  In het streven naar verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Unie zoals vastgelegd in wetgeving, beleid, plannen en internationale verplichtingen inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, moet het programma in het kader van een rechtvaardige overgang bijdragen aan de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, CO2-neutrale en klimaatbestendige economie, aan de bescherming en verbetering van het milieu en de gezondheid en aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, onder meer door ondersteuning van het Natura 2000-netwerk en het doeltreffend managen en aanpakken van de aantasting van ecosystemen, hetzij door rechtstreekse interventies, hetzij door ondersteuning van de integratie van die doelstellingen in ander beleid. De rechtvaardige overgang moet worden verwezenlijkt in overleg en dialoog met de sociale partners en de betreffende regio's en gemeenschappen. Bovendien moeten deze zoveel mogelijk worden betrokken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van projecten.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Unie is vastberaden te komen tot een alomvattend antwoord op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, die het intrinsieke verband tussen het beheer van natuurlijke hulpbronnen om de beschikbaarheid daarvan op de lange termijn te waarborgen, ecosysteemdiensten, de koppeling daarvan met de menselijke gezondheid, en duurzame en sociaal inclusieve economische groei benadrukken. In deze geest moet het programma een substantiële bijdrage leveren aan zowel de economische ontwikkeling als de sociale cohesie.
(4)  De Unie is vastberaden te komen tot een alomvattend antwoord op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, die het intrinsieke verband tussen het beheer van natuurlijke hulpbronnen om de beschikbaarheid daarvan op de lange termijn te waarborgen, ecosysteemdiensten, de koppeling daarvan met de menselijke gezondheid, en duurzame en sociaal inclusieve economische groei benadrukken. In deze geest moet het programma de beginselen van solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid weerspiegelen, en een substantiële bijdrage leveren aan zowel de economische ontwikkeling als de sociale cohesie.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling moeten eisen inzake milieu- en klimaatbescherming worden geïntegreerd in de vaststelling en tenuitvoerlegging van alle beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie. Daarom moeten synergieën met en aanvullingen op andere financieringsprogramma's van de Unie worden bevorderd, onder meer door de financiering te vergemakkelijken van activiteiten die een aanvulling vormen op strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten en die de introductie en duplicatie van in het kader van het programma ontwikkelde oplossingen ondersteunen. Er is coördinatie nodig om dubbele financiering te voorkomen. De Commissie en de lidstaten dienen stappen te nemen om administratieve overlapping en lasten voor begunstigden van projecten die voortvloeien uit verslagleggingsverplichtingen van verschillende financiële instrumenten, te voorkomen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Het programma moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, met name van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties8, het Verdrag inzake biologische diversiteit9 en de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering10 ("Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering").
(5)  Het programma moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, met name van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties8, het Verdrag inzake biologische diversiteit9, de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering10 ("Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering"), het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de VN/ECE ("Verdrag van Aarhus"), het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van de VN/ECE, het VN-Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen, en de verwijdering ervan, het VN-Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel en het VN-Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen.
_________________
_________________
8 Agenda 2030, resolutie goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN, 25 september 2015.
8 Agenda 2030, resolutie goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN, 25 september 2015.
9 93/626/EEG: Besluit van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).
9 93/626/EEG: Besluit van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).
10 PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
10 PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
Amendementen 6 en 101
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Om de overkoepelende doelstellingen te verwezenlijken, is de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie11, van het beleidskader voor klimaat en energie 203012 ,13 ,14 van de natuurwetgeving van de Unie15, en van aanverwant beleid16, 17, 18, 19, 20 van bijzonder belang.
(6)  Om de overkoepelende doelstellingen te verwezenlijken, is de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie11, van het beleidskader voor klimaat en energie 203012, 13, 14 van het acquis van de Unie op het gebied van natuur14 bis,14 ter,15, en van aanverwant beleid16, 17, 18, 19, 20, 20 bis van bijzonder belang, evenals de uitvoering20 ter van de algemene programma's voor milieu- en klimaatactie, vastgesteld overeenkomstig artikel 192, lid 3, VWEU, zoals het zevende milieuactieprogramma20quater.
_________________
_________________
11 COM(2015)0614 van 02.12.2015.
11 COM(2015)0614 van 02.12.2015.
12 Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030, COM(2014)0015 van 22.1.2014.
12 Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030, COM(2014)0015 van 22.1.2014.
13 Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, COM(2013)0216 van 16.4.2013.
13 Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, COM(2013)0216 van 16.4.2013.
14 Pakket "Schone energie voor alle Europeanen", COM(2016)0860 van 30.11.2016.
14 Pakket "Schone energie voor alle Europeanen", COM(2016)0860 van 30.11.2016.
14 bis Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
14 ter Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
15 Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie, COM(2017)0198 van 27.4.2017.
15 Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie, COM(2017)0198 van 27.4.2017.
16 Programma "Schone lucht voor Europa", COM(2013)0918.
16 Programma "Schone lucht voor Europa", COM(2013)0918.
17 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
17 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
18 Thematische strategie voor bodembescherming, COM(2006)0231.
18 Thematische strategie voor bodembescherming, COM(2006)0231.
19 Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit, COM(2016)0501.
19 Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit, COM(2016)0501.
20 Een actieplan inzake infrastructuur voor alternatieve brandstoffen volgens artikel 10, lid 6, van Richtlijn 2014/94/EU, 8.11.2017.
20 Een actieplan inzake infrastructuur voor alternatieve brandstoffen volgens artikel 10, lid 6, van Richtlijn 2014/94/EU, 8.11.2017.
20 bis Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
20 ter Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water.
20 quater Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  De Unie hecht veel belang aan de duurzaamheid op de lange termijn van de resultaten van LIFE-projecten, met name de capaciteit om deze resultaten veilig te stellen en te behouden nadat het project is uitgevoerd, onder meer door voortzetting, duplicatie en/of overdracht van de projecten. Dit betekent dat bijzondere eisen moeten worden gesteld aan de aanvragers en dat op het niveau van de Unie garanties nodig zijn die waarborgen dat andere door de Unie gefinancierde projecten de resultaten van uitgevoerde LIFE-projecten niet ondermijnen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Om de verplichtingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering na te komen, is het nodig de Unie om te vormen tot een energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige samenleving. Dit vereist op zijn beurt acties, in het bijzondere gericht op de sectoren die het meest bijdragen tot het huidige niveau van CO2-uitstoot en verontreiniging, die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 en de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, alsmede tot de voorbereidingen voor de klimaat- en energiestrategie van de Unie voor het midden van deze eeuw en voor de lange termijn. Het programma moet ook maatregelen omvatten die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie voor aanpassing aan de klimaatverandering om de kwetsbaarheid voor de negatieve gevolgen van klimaatverandering te verminderen.
(7)  Om de verplichtingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering na te komen, is het nodig de Unie om te vormen tot een duurzame, circulaire, hernieuwbare, energie-efficiënte, CO2-neutrale en klimaatbestendige samenleving. Dit vereist op zijn beurt acties, in het bijzondere gericht op de sectoren die het meest bijdragen tot het huidige niveau van uitstoot van broeikasgassen en verontreiniging, die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 en de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, alsmede tot de tenuitvoerlegging van de klimaat- en energiestrategie van de Unie voor het midden van deze eeuw en voor de lange termijn, overeenkomstig de doelstelling van het koolstofvrij maken van de economie van het Akkoord van Parijs. Het programma moet ook maatregelen omvatten die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie voor aanpassing aan de klimaatverandering om de kwetsbaarheid voor de negatieve gevolgen van klimaatverandering te verminderen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De overgang naar schone energie levert een essentiële bijdrage aan de klimaatmitigatie, met positieve neveneffecten voor het milieu. Acties voor capaciteitsopbouw ter ondersteuning van de overgang naar schone energie, die tot en met 2020 uit Horizon 2020 worden gefinancierd, moeten in het programma worden opgenomen, aangezien zij niet tot doel hebben excellentie te financieren en innovatie te genereren, maar om ervoor te zorgen dat reeds beschikbare technologie die zal bijdragen aan klimaatmitigatie, gemakkelijker wordt overgenomen. De opname in het programma van deze activiteiten voor capaciteitsopbouw biedt mogelijkheden voor synergieën tussen de subprogramma's en vergroot de algehele samenhang van de financiering door de Unie. Daarom moeten gegevens worden verzameld en verspreid met betrekking tot het overnemen van bestaande onderzoeks- en innovatieresultaten in de LIFE-projecten, met inbegrip van die uit het programma Horizon Europa en de programma's die daaraan voorafgingen.
(8)  De overgang naar hernieuwbare, energie-efficiënte en CO2-neutrale, emissiearme energie levert een essentiële bijdrage aan de klimaatmitigatie, met positieve neveneffecten voor het milieu. Acties voor capaciteitsopbouw ter ondersteuning van de overgang naar schone energie, die tot en met 2020 uit Horizon 2020 worden gefinancierd, moeten in het programma worden opgenomen, aangezien zij niet tot doel hebben excellentie te financieren en innovatie te genereren, maar om ervoor te zorgen dat reeds beschikbare technologie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, die zal bijdragen aan klimaatmitigatie, gemakkelijker wordt overgenomen. Bij het programma moeten alle belanghebbenden en sectoren worden betrokken die een rol spelen in de overgang naar schone energie, zoals de bouwsector, de industrie, vervoer en landbouw. De opname in het programma van deze activiteiten voor capaciteitsopbouw biedt mogelijkheden voor synergieën tussen de subprogramma's en vergroot de algehele samenhang van de financiering door de Unie. Daarom moeten gegevens worden verzameld en verspreid met betrekking tot het overnemen van bestaande onderzoeks- en innovatieresultaten in de LIFE-projecten, met inbegrip van die uit het programma Horizon Europa en de programma's die daaraan voorafgingen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Volgens ramingen in de effectbeoordelingen van de wetgeving inzake schone energie zullen voor de verwezenlijking van de energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 in de periode 2021-2030 aanvullende investeringen van 177 miljard EUR per jaar nodig zijn. De grootste tekortkomingen betreffen de investeringen in het koolstofvrij maken van gebouwen (energie-efficiëntie en kleinschalige hernieuwbare energiebronnen), waar kapitaal naar projecten met een sterk gedistribueerd karakter moet worden geleid. Een van de doelstellingen van het subprogramma Overgang naar schone energie is om capaciteit op te bouwen voor het ontwikkelen en bundelen van projecten, hetgeen ook bijdraagt tot het opnemen van middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen en het katalyseren van investeringen in schone energie, ook met behulp van de financiële instrumenten van InvestEU.
(9)  Volgens ramingen in de effectbeoordelingen van de wetgeving inzake schone energie zullen voor de verwezenlijking van de energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 in de periode 2021-2030 aanvullende investeringen van 177 miljard EUR per jaar nodig zijn. De grootste tekortkomingen betreffen de investeringen in het koolstofvrij maken van gebouwen (energie-efficiëntie en kleinschalige hernieuwbare energiebronnen), waar kapitaal naar projecten met een sterk gedistribueerd karakter moet worden geleid. Een van de doelstellingen van het subprogramma Overgang naar schone energie is om capaciteit op te bouwen voor het ontwikkelen en bundelen van projecten, hetgeen ook bijdraagt tot het opnemen van middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen en het katalyseren van investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, ook met behulp van de financiële instrumenten van InvestEU.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Het LIFE-programma is het enige programma dat specifiek gericht is op milieu- en klimaatactie, en speelt bijgevolg een cruciale rol bij de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving op deze gebieden.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Aan een actie waaraan een bijdrage is toegekend uit het programma, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Acties die cumulatieve financiering uit verschillende programma's van de Unie ontvangen, worden slechts één keer gecontroleerd, waarbij alle betrokken programma's en hun respectieve toepasselijke regels worden bestreken.
(11)  Aan een actie waaraan een bijdrage is toegekend uit het programma, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Acties die cumulatieve financiering uit verschillende programma's van de Unie ontvangen, moeten slechts één keer gecontroleerd worden, waarbij alle betrokken programma's en hun respectieve toepasselijke regels worden bestreken.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Uit het recentste evaluatiepakket inzake de tenuitvoerlegging van het milieubeleid21 blijkt dat er aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt om vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het milieuacquis van de Unie en ervoor te zorgen dat milieu- en klimaatdoelstellingen beter in ander beleid worden opgenomen. Het programma moet dan ook als katalysator fungeren om de vereiste vooruitgang te kunnen ontwikkelen door nieuwe benaderingen te ontwikkelen, testen en dupliceren; beleidsontwikkeling, toezicht en beoordeling te ondersteunen; de betrokkenheid van belanghebbenden te versterken; investeringen te mobiliseren binnen het geheel aan investeringsprogramma's van de Unie of andere financieringsbronnen en acties te ondersteunen om de verschillende belemmeringen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de belangrijkste in de milieuwetgeving voorgeschreven plannen weg te nemen.
(12)  Uit het recentste evaluatiepakket inzake de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR)21 blijkt dat er aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt om vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het milieuacquis van de Unie en ervoor te zorgen dat milieu- en klimaatdoelstellingen beter in ander beleid worden opgenomen en gemainstreamd. Het programma moet dan ook als katalysator fungeren om horizontale, systemische uitdagingen aan te pakken, evenals de diepere oorzaken voor tekortkomingen in de uitvoering zoals vastgesteld in de evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid, en om de vereiste vooruitgang te kunnen ontwikkelen door nieuwe benaderingen te ontwikkelen, testen en dupliceren; beleidsontwikkeling, toezicht en beoordeling te ondersteunen; de governance inzake milieu, klimaatverandering en de daarmee verband houdende overgang naar schone energie te verbeteren, onder meer door te streven naar een grotere betrokkenheid van het publiek en belanghebbenden op verschillende niveaus, naar capaciteitsopbouw, communicatie en bewustmaking; investeringen te mobiliseren binnen het geheel aan investeringsprogramma's van de Unie of andere financieringsbronnen en acties te ondersteunen om de verschillende belemmeringen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de belangrijkste in de milieuwetgeving voorgeschreven plannen weg te nemen.
_________________
_________________
21 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren (COM(2017)0063).
21 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren (COM(2017)0063).
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Om het biodiversiteitsverlies, ook in mariene ecosystemen, tot staan te brengen en om te buigen, moet de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, handhaving en beoordeling van wetgeving en beleid van de Unie ter zake, waaronder de EU-biodiversiteitsstrategie voor 202022, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad23 en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad24, en Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad25, worden ondersteund, met name door de kennisbasis voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid uit te bouwen en door beste praktijken en oplossingen, op kleine schaal of toegesneden op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie, te ontwikkelen, te testen, te demonstreren en toe te passen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van de op basis van Richtlijn 92/43/EEG opgestelde prioritaire actiekaders. De Unie moet haar biodiversiteitsgerelateerde uitgaven traceren om te voldoen aan haar verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Aan traceringvoorschriften in andere toepasselijke wetgeving van de Unie moet eveneens worden voldaan.
(13)  Om het biodiversiteitsverlies en de aantasting van ecosystemen, ook mariene en andere aquatische ecosystemen, tot staan te brengen en om te buigen, moet de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, handhaving en beoordeling van wetgeving en beleid van de Unie ter zake, waaronder de EU-biodiversiteitsstrategie voor 202022, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad23 en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad24, en Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad25, worden ondersteund, met name door de kennisbasis voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid uit te bouwen en door beste praktijken en oplossingen, zoals een doeltreffend beheer, op kleine schaal of toegesneden op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie, te ontwikkelen, te testen, te demonstreren en toe te passen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van de op basis van Richtlijn 92/43/EEG opgestelde prioritaire actiekaders. De Unie en de lidstaten moeten hun biodiversiteitsgerelateerde uitgaven traceren om te voldoen aan hun verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Aan traceringvoorschriften in andere toepasselijke wetgeving van de Unie moet eveneens worden voldaan.
_________________
_________________
22 COM(2011)0244.
22 COM(2011)0244.
23 Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
23 Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
24 Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
24 Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
25 Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).
25 Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Uit recente evaluaties en beoordelingen, met inbegrip van de evaluatie halverwege van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 en de geschiktheidscontrole van de natuurwetgeving, blijkt gebrek aan adequate financiering een van de belangrijkste oorzaken van de ontoereikende tenuitvoerlegging van de natuurwetgeving van de Unie en de biodiversiteitsstrategie te zijn. De voornaamste financieringsinstrumenten van de Unie, waaronder het [Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij], kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren bij het vervullen van deze behoeften. Het programma kan de doelmatigheid van deze mainstreaming nog verder verbeteren door middel van strategische natuurprojecten die tot doel hebben als katalysator te fungeren voor de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid van de Unie inzake natuur en biodiversiteit, met inbegrip van de acties van de overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders. De strategische natuurprojecten moeten actieprogramma's in de lidstaten voor de mainstreaming van relevante doelstellingen op het gebied van natuur en biodiversiteit in ander beleid en andere financieringsprogramma's ondersteunen en er zo voor zorgen dat passende middelen voor de tenuitvoerlegging van dat beleid worden gemobiliseerd. De lidstaten kunnen er binnen het kader van hun strategisch plan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor kiezen een bepaald deel van de toewijzing uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling te gebruiken om financiële steun aan te trekken voor acties die een aanvulling vormen op de strategische natuurprojecten zoals in deze verordening gedefinieerd.
(14)  Uit recente evaluaties en beoordelingen, met inbegrip van de evaluatie halverwege van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 en de geschiktheidscontrole van de natuurwetgeving, blijkt gebrek aan adequate financiering een van de belangrijkste oorzaken van de ontoereikende tenuitvoerlegging van de natuurwetgeving van de Unie en de biodiversiteitsstrategie te zijn. De voornaamste financieringsinstrumenten van de Unie, waaronder het [Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij], kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren bij het vervullen van deze behoeften, onder de voorwaarde dat de financiering aanvullend is. Het programma kan de doelmatigheid van deze mainstreaming nog verder verbeteren door middel van strategische natuurprojecten die tot doel hebben als katalysator te fungeren voor de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid van de Unie inzake natuur en biodiversiteit, met inbegrip van de acties van de overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders. De strategische natuurprojecten moeten actieprogramma's ter bevordering van de mainstreaming van relevante doelstellingen op het gebied van natuur en biodiversiteit in ander beleid en andere financieringsprogramma's ondersteunen en er zo voor zorgen dat passende middelen voor de tenuitvoerlegging van dat beleid worden gemobiliseerd. De lidstaten kunnen er binnen het kader van hun strategisch plan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor kiezen een bepaald deel van de toewijzing uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling te gebruiken om financiële steun aan te trekken voor acties die een aanvulling vormen op de strategische natuurprojecten zoals in deze verordening gedefinieerd.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese landen en gebieden overzee (BEST) bevordert de instandhouding van biodiversiteit, met inbegrip van mariene biodiversiteit, en het duurzame gebruik van ecosysteemdiensten, met inbegrip van op ecosystemen gebaseerde benaderingen van de mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering, in de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. BEST heeft bijgedragen aan bewustmaking met betrekking tot het ecologische belang van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee voor het behoud van de wereldwijde biodiversiteit. In hun ministeriële verklaringen van 2017 en 2018 hebben de landen en gebieden overzee hun waardering geuit voor dit programma voor kleine subsidies ten behoeve van de biodiversiteit. Het is passend ervoor te zorgen dat het programma de financiering van kleine subsidies voor de biodiversiteit in zowel de ultraperifere gebieden als de landen en gebieden overzee voort kan zetten.
(15)  De vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese landen en gebieden overzee (BEST) bevordert de instandhouding van biodiversiteit, met inbegrip van mariene biodiversiteit, en het duurzame gebruik van ecosysteemdiensten, met inbegrip van op ecosystemen gebaseerde benaderingen van de mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering, in de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. BEST heeft, dankzij de voorbereidende actie BEST die in 2011 werd vastgesteld en het programma BEST 2.0 en het project BEST RUP die daarop volgden, bijgedragen aan bewustmaking met betrekking tot het ecologische belang van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee en de sleutelrol die zij vervullen voor het behoud van de wereldwijde biodiversiteit. Volgens de Europese Commissie bedraagt de behoefte aan financiële steun voor acties in die gebieden jaarlijks naar schatting 8 miljoen EUR. In hun ministeriële verklaringen van 2017 en 2018 hebben de landen en gebieden overzee hun waardering geuit voor dit programma voor kleine subsidies ten behoeve van de biodiversiteit. Het is daarom passend dat het programma de financiering van kleine subsidies voor biodiversiteit, met inbegrip van de capaciteitsopbouw en de kapitalisatie van acties die worden gefinancierd in zowel de ultraperifere gebieden als de landen en gebieden overzee voort kan zetten.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  De bevordering van de circulaire economie vergt een mentaliteitswijziging wat betreft de wijze waarop materialen en producten, met inbegrip van kunststoffen, worden ontworpen, geproduceerd, geconsumeerd en verwijderd. Het programma moet bijdragen aan de overgang naar een circulaire economie door middel van financiële steun die gericht is op een veelheid van actoren (ondernemingen, overheden en consumenten), met name door de beste, op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie toegesneden, technologieën, praktijken en oplossingen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van plannen voor afvalbeheer en -preventie, toe te passen, te ontwikkelen en te dupliceren. Door de tenuitvoerlegging van de strategie voor kunststoffen kunnen maatregelen worden genomen om met name het probleem van zwerfvuil op zee aan te pakken.
(16)  De bevordering van de circulaire economie en de hulpbronnenefficiëntie vergt een mentaliteitswijziging wat betreft de wijze waarop materialen en producten, met inbegrip van kunststoffen, worden ontworpen, geproduceerd, geconsumeerd en verwijderd. Het programma moet bijdragen aan de overgang naar een circulaire economie door middel van financiële steun die gericht is op een veelheid van actoren (ondernemingen, overheden, maatschappelijke organisaties en consumenten), met name door de beste, op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie toegesneden, technologieën, praktijken en oplossingen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de toepassing van de afvalhiërarchie en de tenuitvoerlegging van plannen voor afvalbeheer en ‑preventie, toe te passen, te ontwikkelen en te dupliceren. Door de tenuitvoerlegging van de strategie voor kunststoffen kunnen maatregelen worden genomen om met name het probleem van zwerfvuil op zee aan te pakken.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Een hoog milieubeschermingsniveau is van fundamenteel belang voor de gezondheid en het welzijn van de burgers van de Unie. Het programma moet steun verlenen aan de doelstelling van de Unie om chemische stoffen zodanig te produceren en te gebruiken dat deze een minimaal aantal aanzienlijke schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en milieu en om een strategie van de Unie voor een niet-toxisch milieu te ontwikkelen. Het programma moet ook activiteiten ondersteunen om de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis te vergemakkelijken, teneinde geluidsniveaus te bewerkstelligen die geen aanzienlijke schadelijke gevolgen en risico's voor de menselijke gezondheid met zich meebrengen.
___________________
1 bis Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai – Verklaring van de Commissie in het Bemiddelingscomité over de richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit is om luchtkwaliteitsniveaus te behalen die geen significante negatieve effecten en risico's voor de menselijke gezondheid met zich meebrengen. Het publieke bewustzijn over luchtvervuiling is sterk ontwikkeld en burgers verwachten dat de overheid optreedt. In Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad26 wordt de rol benadrukt die financiering door de Unie kan spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van schone lucht kan spelen. Het programma moet daarom projecten, waaronder strategische geïntegreerde projecten, ondersteunen die het potentieel hebben om publieke en particuliere middelen aan te trekken, om voorbeelden van goede praktijken onder de aandacht te brengen en om als katalysator te fungeren voor de tenuitvoerlegging van plannen en wetgeving inzake luchtkwaliteit op lokaal, regionaal, multiregionaal, nationaal en transnationaal niveau.
(17)  De langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit is om luchtkwaliteitsniveaus te behalen die geen significante negatieve effecten en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich meebrengen, terwijl tegelijkertijd de synergieën tussen verbeteringen van de luchtkwaliteit en de vermindering van de broeikasgasemissies worden versterkt. Het publieke bewustzijn over luchtvervuiling is sterk ontwikkeld en burgers verwachten dat de overheid optreedt, met name in gebieden waar de bevolking en de ecosystemen worden blootgesteld aan grote hoeveelheden luchtverontreinigende stoffen. In Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad26 wordt de rol benadrukt die financiering door de Unie kan spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van schone lucht kan spelen. Het programma moet daarom projecten, waaronder strategische geïntegreerde projecten, ondersteunen die het potentieel hebben om publieke en particuliere middelen aan te trekken, om voorbeelden van goede praktijken onder de aandacht te brengen en om als katalysator te fungeren voor de tenuitvoerlegging van plannen en wetgeving inzake luchtkwaliteit op lokaal, regionaal, multiregionaal, nationaal en transnationaal niveau.
_________________
_________________
26 Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).
26 Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De bescherming en het herstel van het mariene milieu is een van de algemene doelstellingen van het milieubeleid van de Unie. Het programma moet ten dienste staan van het volgende: het beheer, de instandhouding, het herstel en de monitoring van de biodiversiteit en mariene ecosystemen, met name de mariene gebieden van Natura 2000, en de bescherming van soorten overeenkomstig de krachtens Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders; het bereiken van een goede milieutoestand in de zin van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad28; de bevordering van schone en gezonde zeeën; de tenuitvoerlegging van de Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, met name om het probleem van verloren vistuig en zwerfvuil op zee aan te pakken; en de bevordering van de rol van de Unie in de internationale oceaangovernance, die van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en voor het veiligstellen van gezonde oceanen voor toekomstige generaties. De strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten van het programma moeten relevante acties omvatten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu.
(19)  De bescherming en het herstel van het aquatische milieu is een van de algemene doelstellingen van het milieubeleid van de Unie. Het programma moet ten dienste staan van het volgende: het beheer, de instandhouding, het herstel en de monitoring van de biodiversiteit en aquatische ecosystemen, met name de mariene gebieden van Natura 2000, en de bescherming van soorten overeenkomstig de krachtens Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders; het bereiken van een goede milieutoestand in de zin van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad28; de bevordering van schone en gezonde zeeën; de tenuitvoerlegging van de Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, met name om het probleem van verloren vistuig en zwerfvuil op zee aan te pakken; en de bevordering van de rol van de Unie in de internationale oceaangovernance, die van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en voor het veiligstellen van gezonde oceanen voor toekomstige generaties. De strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten van het programma moeten relevante acties omvatten die gericht zijn op de bescherming van het aquatische milieu.
_________________
_________________
28 Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
28 Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De huidige staat van instandhouding van Natura 2000-gebieden op landbouwgrond is zeer slecht, wat erop duidt dat deze gebieden nog altijd bescherming nodig hebben. De huidige GLB-betalingen voor Natura 2000-gebieden zijn het doeltreffendste middel om de biodiversiteit in landbouwgebieden te handhaven1 bis. Die betalingen zijn echter ontoereikend en leveren geen hoge waarde op voor het natuurlijk kapitaal. Om de milieubescherming van deze gebieden te stimuleren, moeten de GLB-betalingen voor Natura 2000-gebieden dus worden verhoogd.
_________________
1 bis G. Pe’er, S. Lakner, R. Müller, G. Passoni, V. Bontzorlos, D. Clough, F. Moreira,C. Azam, J. Berger, P. Bezak, A. Bonn, B. Hansjürgens, L. Hartmann, J.Kleemann, A. Lomba, A. Sahrbacher, S. Schindler, C. Schleyer, J. Schmidt, S.Schüler, C. Sirami, M. von Meyer-Höfer, en Y. Zinngrebe (2017). Is the CAP Fit for purpose? An evidence based fitness-check assessment. Leipzig, German Centre for Integrative Biodiversity Research (iDiv) Halle-Jena-Leipzig.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Verbetering van de governance op het gebied van milieu en klimaatverandering en van daarmee verband houdende kwesties met betrekking tot de overgang naar schone energie, vereist betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld dankzij bewustmaking van het publiek, consumentenparticipatie, en een bredere betrokkenheid van belanghebbenden, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties, bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van aanverwant beleid.
(20)  Verbetering van de governance op het gebied van milieu en klimaatverandering en van daarmee verband houdende kwesties met betrekking tot de overgang naar schone energie, vereist betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld dankzij bewustmaking van het publiek, onder andere door middel van een communicatiestrategie waarin rekening wordt gehouden met de nieuwe media en sociale netwerken, consumentenparticipatie en een bredere betrokkenheid van het publiek en belanghebbenden op verschillende niveaus, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties, bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van aanverwant beleid. Daarom is het passend dat het programma steun verleent aan een breed scala van ngo's en netwerken van entiteiten zonder winstoogmerk die een doelstelling van algemeen belang van de Unie nastreven en die voornamelijk actief zijn op het gebied van milieu of klimaatactie, door op concurrerende en transparante wijze exploitatiesubsidies toe te kennen, teneinde deze ngo's, netwerken en entiteiten te helpen een effectieve bijdrage te leveren aan het beleid van de Unie en hun capaciteit op te bouwen en te versterken om efficiëntere partners te worden.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Hoewel verbetering van de governance op alle niveaus een horizontale doelstelling voor alle subprogramma's van het programma moet zijn, moet het programma specifiek ook de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de horizontale wetgeving inzake milieugovernance ondersteunen, met inbegrip van de wetgeving tot tenuitvoerlegging van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE)29.
(21)  Hoewel verbetering van de governance op alle niveaus een horizontale doelstelling voor alle subprogramma's van het programma moet zijn, moet het programma specifiek ook de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, handhaving en effectieve naleving van het acquis inzake milieu en klimaat, in het bijzonder van de horizontale wetgeving inzake milieugovernance ondersteunen, met inbegrip van de wetgeving tot tenuitvoerlegging van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE)29,29 bis, en het comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus.
_________________
_________________
29 PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
29 PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
29 bis Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13).
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Het programma moet marktdeelnemers voorbereiden op en ondersteunen bij de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie door nieuwe zakelijke kansen te toetsen, beroepsvaardigheden te verbeteren, de toegang van consumenten tot duurzame producten en diensten te vergemakkelijken, opinie- en smaakmakers over te halen zich voor dit doel in te zetten en hen daartoe de gelegenheid te bieden, en nieuwe methoden te testen voor aanpassing van de bestaande processen en het ondernemingslandschap. Ter ondersteuning van een bredere marktintroductie van duurzame oplossingen moeten maatschappelijk draagvlak en consumentenparticipatie worden gecultiveerd.
(22)  Het programma moet marktdeelnemers voorbereiden op en ondersteunen bij de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, CO2-neutrale en klimaatbestendige economie door nieuwe zakelijke kansen te toetsen, beroepsvaardigheden te verbeteren, de toegang van consumenten tot duurzame producten en diensten te vergemakkelijken, opinie- en smaakmakers over te halen zich voor dit doel in te zetten en hen daartoe de gelegenheid te bieden, en nieuwe methoden te testen voor aanpassing van de bestaande processen en het ondernemingslandschap. Ter ondersteuning van een bredere marktintroductie van duurzame oplossingen moeten maatschappelijk draagvlak en consumentenparticipatie worden gecultiveerd.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Het programma is ontworpen met het oog op het ondersteunen van de demonstratie van technieken, benaderingen en beste praktijken die kunnen worden gedupliceerd en opgeschaald. Innovatieve oplossingen kunnen bijdragen tot de verbetering van de milieuprestaties en duurzaamheid, met name voor de ontwikkeling van duurzame landbouwpraktijken in de gebieden die actief zijn op het gebied van klimaat, water, bodem, biodiversiteit en afval. In dit verband moet de nadruk worden gelegd op synergieën met andere programma's en beleidslijnen, zoals het Europees innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw en het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de EU.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Op het niveau van de Unie worden grote investeringen in milieu- en klimaatacties hoofdzakelijk gefinancierd door de belangrijkste financieringsprogramma's van de Unie (mainstreaming). In het kader van hun rol als katalysator moeten de krachtens het programma te ontwikkelen strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten als hefboom dienen voor financieringsmogelijkheden die worden geboden door die financieringsprogramma's en andere financieringsbronnen, zoals nationale fondsen, en synergieën creëren.
(23)  Op het niveau van de Unie worden grote investeringen in milieu- en klimaatacties hoofdzakelijk gefinancierd door de belangrijkste financieringsprogramma's van de Unie. Daarom is het van cruciaal belang dat de inspanningen voor mainstreaming worden geïntensiveerd om de duurzaamheid, biodiversiteit en de klimaatbestendigheid van andere financieringsprogramma's van de Unie en de integratie van duurzaamheidswaarborgen in alle instrumenten van de Unie te garanderen. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen een gemeenschappelijke methodologie vast te stellen en effectieve maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat LIFE-projecten geen negatieve invloed ondervinden van andere programma's en ander beleid van de Unie. In het kader van hun rol als katalysator moeten de krachtens het programma te ontwikkelen strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten als hefboom dienen voor financieringsmogelijkheden die worden geboden door die financieringsprogramma's en andere financieringsbronnen, zoals nationale fondsen, en synergieën creëren.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Het succes van strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten hangt af van de nauwe samenwerking tussen nationale, regionale en lokale autoriteiten en de niet-overheidsactoren die gevolgen ondervinden van de doelstellingen van het programma. De beginselen van transparantie en openbaarmaking met betrekking tot besluiten betreffende de ontwikkeling, uitvoering, evaluatie en monitoring van projecten moeten daarom worden toegepast, met name in het geval van mainstreaming of wanneer er sprake is van meerdere financieringsbronnen.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Wegens het belang van de strijd tegen klimaatverandering overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal dit programma bijdragen aan de mainstreaming van klimaatacties en aan het algemene streven dat 25 % van de uitgaven op de begroting van de EU klimaatdoelstellingen ondersteunen. Met de acties in het kader van dit programma zal naar verwachting een bedrag ter waarde van 61 % van de totale financiële middelen van het programma worden bijgedragen aan de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen. De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma en zullen opnieuw worden bekeken in het kader van de desbetreffende beoordelingen en evaluatieprocessen.
(24)  Gezien het belang van het op gecoördineerde en ambitieuze wijze bestrijden van klimaatverandering overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal dit programma bijdragen aan de mainstreaming van klimaatacties en aan het algemene streven dat gedurende de MFK-periode 2021-2027 ten minste 25 % van de EU-begrotingsuitgaven klimaatdoelstellingen ondersteunt, en dat zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2027, een streefcijfer van 30 % jaarlijks wordt gehaald. Met de acties in het kader van dit programma zal naar verwachting een bedrag ter waarde van [61 %] van de totale financiële middelen van het programma worden bijgedragen aan de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen. De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma en zullen opnieuw worden bekeken in het kader van de desbetreffende beoordelingen en evaluatieprocessen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Bij de tenuitvoerlegging van het programma moet terdege rekening worden gehouden met de strategie voor ultraperifere gebieden in het licht van artikel 349 VWEU en de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van deze gebieden. Ander beleid van de Unie dan dat op het gebied van het milieu, het klimaat en, waar relevant, de overgang naar schone energie moet ook in aanmerking worden genomen.
(25)  Bij de tenuitvoerlegging van het programma moet terdege rekening worden gehouden met de strategie voor ultraperifere gebieden in het licht van artikel 349 VWEU en de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van deze gebieden. In dit verband moet de financiering door de Unie en de lidstaten op passende wijze worden versterkt. Ander beleid van de Unie dan dat op het gebied van het milieu, het klimaat en, waar relevant, de overgang naar schone energie moet ook in aanmerking worden genomen.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het programma moet de Commissie samenwerken met de nationale contactpunten van het programma, seminars en workshops organiseren, lijsten van in het kader van het programma gefinancierde projecten publiceren of andere activiteiten ondernemen om de projectresultaten te verspreiden en de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken en de duplicatie van projectresultaten in de hele Unie te vergemakkelijken. Dergelijke activiteiten moeten met name gericht zijn op lidstaten die de middelen slechts in beperkte mate benutten en moeten de communicatie en samenwerking tussen projectbegunstigden, aanvragers of belanghebbenden van voltooide en lopende projecten op hetzelfde gebied vergemakkelijken.
(26)  Ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het programma moet de Commissie samenwerken met de nationale, regionale en lokale contactpunten van het programma, onder meer bij de oprichting van een lokaal adviesnetwerk dat de ontwikkeling van projecten met een hoge toegevoegde waarde en sterke beleidseffecten faciliteert en dat zorgt voor informatieverstrekking over aanvullende financiering, de overdraagbaarheid van projecten en de duurzaamheid op de lange termijn, seminars en workshops organiseren, lijsten van in het kader van het programma gefinancierde projecten publiceren of andere activiteiten, zoals mediacampagnes, ondernemen om de projectresultaten beter te verspreiden en de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken en de duplicatie van projectresultaten in de hele Unie te vergemakkelijken, en daarmee de samenwerking en de communicatie te verbeteren. Dergelijke activiteiten moeten met name gericht zijn op lidstaten die de middelen slechts in beperkte mate benutten en moeten de communicatie en samenwerking tussen projectbegunstigden, aanvragers of belanghebbenden van voltooide en lopende projecten op hetzelfde gebied vergemakkelijken. Het is van wezenlijk belang dat bij deze communicatie en samenwerking ook regionale en lokale autoriteiten en belanghebbenden betrokken worden.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  De minimale en maximale medefinancieringspercentages moeten worden vastgesteld op de niveaus die nodig zijn om het effectieve niveau van de door het programma verleende steun te handhaven, rekening houdend met de nodige flexibiliteit en aanpasbaarheid die nodig zijn om in te spelen op het bestaande scala van acties en entiteiten.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het te verwachten risico op niet-naleving. Wat subsidies betreft, moet dit mede inhouden dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten wordt overwogen.
(31)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het te verwachten risico op niet-naleving. Wat subsidies betreft, moet dit mede inhouden dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten wordt overwogen. De Commissie moet erop toezien dat de uitvoering inzichtelijk blijft en ze moet zorgen voor een reële vereenvoudiging ten behoeve van de initiatiefnemers van de projecten.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)  Om te waarborgen dat de steun en de tenuitvoerlegging van het programma in overeenstemming zijn met het beleid en de prioriteiten van de Unie en een aanvulling vormen op de andere financieringsinstrumenten van de Unie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van meerjarige werkprogramma's. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(38)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan een hoog milieubeschermingsniveau en ambitieuze klimaatactie met goed bestuur en een multistakeholderbenadering en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, biodiversiteit, klimaat, circulaire economie en, waar relevant, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Bij deze verordening wordt het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("programma") vastgesteld.
Bij deze verordening wordt een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("programma") voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 vastgesteld.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 2
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor die periode, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
(1)  "strategische natuurprojecten": projecten ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van natuur en biodiversiteit door samenhangende actieprogramma's in de lidstaten ten uitvoer te leggen om deze doelstellingen en prioriteiten in ander beleid en in andere financieringsinstrumenten te mainstreamen, onder meer door middel van een gecoördineerde tenuitvoerlegging van de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders;
(1)  "strategische natuurprojecten": projecten ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van natuur en biodiversiteit door samenhangende actieprogramma's ten uitvoer te leggen, in het bijzonder door deze doelstellingen en prioriteiten in ander beleid en in andere financieringsinstrumenten te mainstreamen, onder meer door middel van een gecoördineerde tenuitvoerlegging van de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders;
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  De algemene doelstelling van het programma is bij te dragen aan de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie, onder meer door de overgang naar schone energie, alsmede aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en aan tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, en aldus bij te dragen tot duurzame ontwikkeling.
1.  De algemene doelstelling van het programma is om in het kader van een rechtvaardige overgang bij te dragen aan de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, CO2-neutrale en klimaatbestendige economie, de kwaliteit van het milieu te beschermen en te verbeteren en het biodiversiteitsverlies en de aantasting van ecosystemen tot staan te brengen en terug te draaien, en aldus bij te dragen tot duurzame ontwikkeling.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a
a)  ontwikkelen, demonstreren en bevorderen van innovatieve technieken en benaderingen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu en klimaat, met inbegrip van de overgang naar schone energie, en bijdragen tot de toepassing van de beste praktijken op het vlak van natuur en biodiversiteit;
a)  ontwikkelen, demonstreren en bevorderen van innovatieve technieken en benaderingen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu en klimaat, met inbegrip van de overgang naar schone, hernieuwbare energie en de verbetering van de energie-efficiëntie, en bijdragen tot de kennisbasis, een doeltreffend beheer en de toepassing van de beste praktijken op het vlak van natuur en biodiversiteit, onder meer door ondersteuning van het Natura 2000-netwerk;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter b
b)  ondersteunen van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van, het toezicht op en de handhaving van de wetgeving en het beleid van de Unie ter zake, onder meer door de governance te verbeteren door middel van capaciteitsopbouw onder publieke en private actoren en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;
b)  ondersteunen van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van, het toezicht op, de feitelijke naleving en de handhaving van de wetgeving en het beleid van de Unie ter zake, in het bijzonder door de tenuitvoerlegging van de algemene milieuactieprogramma's van de Unie, vastgesteld krachtens artikel 192, lid 3, VWEU, en door de governance van het milieu en het klimaat op alle niveaus te verbeteren, onder meer door middel van capaciteitsopbouw onder publieke en private actoren en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 – 2027 bedragen 5 450 000 000 EUR in lopende prijzen.
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 – 2027 bedragen 6 442 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (7 272 000 000 EUR in lopende prijzen).
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De indicatieve verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:
2.  De indicatieve verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:
a)  3 500 000 000 EUR voor het gebied Milieu, waarvan
a)  4 715 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (5 322 000 000 EUR in lopende prijzen, oftewel 73,2 % van het totale bedrag van het programma) voor het gebied Milieu, waarvan
(1)  2 150 000 000 EUR voor het subprogramma Natuur en biodiversiteit en
(1)  2 829 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (3 261 420 000 EUR in lopende prijzen, oftewel 44,9 % van het totale bedrag van het programma), voor het subprogramma Natuur en biodiversiteit en
(2)  1 350 000 000 EUR voor het subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit;
(2)  1 886 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (2 060 580 000 EUR in lopende prijzen, oftewel 28,3 % van het totale bedrag van het programma), voor het subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit;
b)  1 950 000 000 EUR voor het gebied Klimaatactie, waarvan
b)  1 950 000 000 EUR voor het gebied Klimaatactie, waarvan
(1)  950 000 000 EUR voor het subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering en
(1)  950 000 000 EUR voor het subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering en
(2)  1 000 000 000 EUR voor het subprogramma Overgang naar schone energie.
(2)  1 000 000 000 EUR voor het subprogramma Overgang naar schone energie.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.  Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:
1.  Het programma staat – mits zij aan alle voorschriften en regels ter zake voldoen – open voor deelname van de volgende derde landen:
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Internationale samenwerking
Indien dit nodig is voor de verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen is in de loop van de tenuitvoerlegging van het programma samenwerking met internationale organisaties, en met hun instellingen en organen mogelijk.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Het programma wordt op dusdanige wijze uitgevoerd dat gezorgd wordt voor samenhang met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, Horizon Europa, de Connecting Europe Facility en InvestEU, teneinde synergieën tot stand te brengen, in het bijzonder wat betreft strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten, en het overnemen en dupliceren van in het kader van het programma ontwikkelde oplossingen te ondersteunen.
De Commissie ziet toe op de consistente tenuitvoerlegging van het programma en de Commissie en de lidstaten waarborgen de samenhang en coördinatie met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, Horizon Europa, de Connecting Europe Facility, het ETS-innovatiefonds en InvestEU, teneinde synergieën tot stand te brengen, in het bijzonder wat betreft strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten, en het overnemen en dupliceren van in het kader van het programma ontwikkelde oplossingen te ondersteunen. De Commissie en de lidstaten garanderen op alle niveaus complementariteit. De Commissie brengt de specifieke acties in kaart en mobiliseert relevante financiering in het kader van andere programma's van de Unie en vergemakkelijkt de gecoördineerde en samenhangende tenuitvoerlegging van de aanvullende acties die uit andere bronnen worden gefinancierd.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Het programma wordt uitgevoerd in het kader van een rechtvaardige overgang, waarbij de betreffende gemeenschappen en gebieden worden betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van projecten, met name via overleg en dialoog.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.  Projecten in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit die verband houden met het beheer en herstel van en het toezicht op Natura 2000-gebieden overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG worden ondersteund overeenkomstig de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders.
3.  Projecten in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit die verband houden met het beheer en herstel van en het toezicht op Natura 2000-gebieden overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG houden rekening met de in nationale en regionale plannen, strategieën en beleidsdocumenten vastgestelde prioriteiten, waaronder de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4
4.  Activiteiten buiten de Unie kunnen met subsidies worden gefinancierd, voor zover met het project verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie wordt nagestreefd en de activiteiten buiten de Unie noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van op het grondgebied van de lidstaten verrichte interventies te waarborgen.
4.  Activiteiten buiten een lidstaat of buiten een tot deze lidstaat behorend land of gebied overzee kunnen met subsidies worden gefinancierd, voor zover met het project verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie wordt nagestreefd en de activiteiten buiten de Unie noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van op het grondgebied van de lidstaten of van een land of gebied overzee verrichte interventies te waarborgen of om internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is te ondersteunen.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – letter a – punt 3
(3)  andere in het werkprogramma opgenomen derde landen, onder de in de leden 4 tot en met 6 vermelde voorwaarden;
(3)  andere in de meerjarige werkprogramma's opgenomen derde landen, onder de in de leden 4 tot en met 6 vermelde voorwaarden;
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   Om een doeltreffend gebruik van de middelen van het programma en een efficiënte deelname van de juridische entiteiten als bedoeld in lid 4 te waarborgen, is de Commissie gemachtigd overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen om dit artikel aan te vullen en te bepalen aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te kunnen oordelen dat deze entiteiten in voldoende mate deelnemen aan het milieu- en klimaatbeleid van de Unie en derhalve in aanmerking komen voor het programma.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
Procedures voor het indienen en selecteren van projecten
1.  Met het programma worden de volgende procedures voor het indienen en selecteren van projecten vastgesteld:
a)  een uit twee etappes bestaande vereenvoudigde benadering die is gebaseerd op de indiening en beoordeling van een samenvatting gevolgd door een volledig voorstel voor de gegadigden van wie de voorstellen zijn voorgeselecteerd;
b)  een uit één etappe bestaande standaardbenadering die uitsluitend is gebaseerd op de indiening en de daaropvolgende beoordeling van een volledig voorstel. Indien de voorkeur wordt gegeven aan de standaardbenadering boven de vereenvoudigde benadering, wordt deze keuze in het werkprogramma gemotiveerd, rekening houdend met de organisatorische en operationele beperkingen in verband met elk subprogramma en, indien van toepassing, met elke uitnodiging tot het indienen van voorstellen.
2.  Voor de toepassing van het lid 1 wordt onder "samenvatting" een nota van maximaal tien bladzijden verstaan waarin een beschrijving wordt gegeven van de inhoud van het project, de mogelijke partner(s), de moeilijkheden die kunnen optreden en het noodplan voor respons, alsmede van de strategie die is gekozen om te verzekeren dat het project duurzame resultaten oplevert die ook na het verstrijken van de looptijd ervan voortduren, de administratieve formulieren met betrekking tot de aan het project deelnemende begunstigden en een gedetailleerde begroting van het project.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Artikel 13
Toekenningscriteria
Toekenningscriteria
De toekenningscriteria worden vermeld in de oproepen tot het indienen van voorstellen, rekening houdend met het volgende:
De toekenningscriteria worden gedefinieerd in de meerjarige werkprogramma's, als uiteengezet in artikel 17, en in de oproepen tot het indienen van voorstellen, rekening houdend met het volgende:
a)  door het programma gefinancierde projecten ondermijnen geen doelstellingen van het programma op het gebied van milieu, klimaat of, waar relevant, schone energie en bevorderen, waar mogelijk, het gebruik van groene overheidsopdrachten;
a)  door het programma gefinancierde projecten ondermijnen geen doelstellingen van het programma op het gebied van milieu, klimaat of, waar relevant, schone energie en bevorderen, wanneer dat mogelijk is, het gebruik van groene overheidsopdrachten;
a bis)  de projecten garanderen een kosteneffectieve benadering en zijn technisch en financieel samenhangend;
a ter)  er wordt prioriteit toegekend aan projecten met de grootste potentiële bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3;
b)  er wordt prioriteit toegekend aan projecten die positieve neveneffecten opleveren en synergieën tussen de in artikel 4 bedoelde subprogramma's bevorderen;
b)  er wordt prioriteit toegekend aan projecten die positieve neveneffecten opleveren en synergieën tussen de in artikel 4 bedoelde subprogramma's bevorderen;
c)  er wordt prioriteit toegekend aan projecten met het grootste potentieel om te worden gedupliceerd en door de publieke of particuliere sector te worden overgenomen, of om de omvangrijkste investeringen of financiële middelen te mobiliseren (katalyserend vermogen);
c)  projecten met het grootste potentieel om te worden gedupliceerd en door de publieke of particuliere sector te worden overgenomen, of om de omvangrijkste investeringen of financiële middelen te mobiliseren (katalyserend vermogen) krijgen in hun evaluatie bonuspunten toegekend;
d)  de dupliceerbaarheid van de resultaten wordt gewaarborgd;
d)  de dupliceerbaarheid van de resultaten wordt gewaarborgd;
e)  aan projecten die voortbouwen op de resultaten van andere door het programma, door de programma's die eraan voorafgingen, of met andere fondsen van de Unie gefinancierde projecten, of die die resultaten opschalen, wordt bij de evaluatie ervan een bonus toegekend;
e)  aan projecten die voortbouwen op de resultaten van andere door het programma, door de programma's die eraan voorafgingen, of met andere fondsen van de Unie gefinancierde projecten, of die die resultaten opschalen, wordt bij de evaluatie ervan een bonus toegekend;
f)  in voorkomend geval wordt bijzondere aandacht gegeven aan projecten in geografische gebieden met specifieke behoeften of kwetsbaarheden, zoals gebieden met specifieke milieuproblemen of natuurlijke beperkingen, grensoverschrijdende gebieden of ultraperifere gebieden.
f)  in voorkomend geval wordt bijzondere aandacht gegeven aan het biogeografisch evenwicht van projecten en aan projecten in geografische gebieden met specifieke behoeften of kwetsbaarheden, zoals gebieden met specifieke milieuproblemen of natuurlijke beperkingen, grensoverschrijdende gebieden, gebieden met een hoge natuurwaarde of ultraperifere gebieden.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 1
1.  Aan een actie waaraan uit een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook in het kader van het programma een bijdrage worden toegekend, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van elk programma van de Unie dat een bijdrage levert, zijn van toepassing op de respectievelijke bijdrage ervan aan de actie. De cumulatieve financiering bedraagt niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie, en de ondersteuning vanuit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor ondersteuning zijn vastgelegd.
1.  Aan een actie waaraan uit een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook in het kader van het programma een bijdrage worden toegekend, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Om in aanmerking te komen voor bijdragen in het kader van het programma, hebben acties die zijn gefinancierd door andere programma's van de Unie de milieu- of klimaatdoelstellingen van artikel 3 niet ondermijnd. De regels van elk programma van de Unie dat een bijdrage levert, zijn van toepassing op de respectievelijke bijdrage ervan aan de actie. De cumulatieve financiering bedraagt niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie, en de ondersteuning vanuit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor ondersteuning zijn vastgelegd.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  Acties die het certificaat "Excellentiekeur" hebben ontvangen, of die aan de volgende cumulatieve, vergelijkende voorwaarden voldoen:
2.  Acties die het certificaat "Excellentiekeur" hebben ontvangen, of die aan de volgende cumulatieve, vergelijkende voorwaarden voldoen:
a)  zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;
a)  zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;
b)  zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;
b)  zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;
c)  zij kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd;
c)  zij kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd;
kunnen ondersteuning ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel [67], lid 5, van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel [8] van Verordening (EU) XX [de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid], mits dergelijke acties overeenstemmen met de doelstellingen van desbetreffende programma. De regels van het fonds waaruit ondersteuning wordt verleend, zijn van toepassing.
kunnen ondersteuning ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel [67], lid 5, van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel [8] van Verordening (EU) XX [de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid], mits dergelijke acties overeenstemmen met de doelstellingen en de subsidiabiliteitscriteria van het desbetreffende programma. De regels van het fonds waaruit ondersteuning wordt verleend, zijn van toepassing.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – alinea 1
Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement, met inachtneming van de duurzaamheids- en transparantievereisten.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – titel
Werkprogramma
Meerjarig werkprogramma
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van ten minste twee meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van ten minste twee meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de vaststelling van deze meerjarige werkprogramma's.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De Commissie ziet erop toe dat de medewetgevers en relevante belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, naar behoren worden geraadpleegd wanneer de meerjarige werkprogramma's worden opgesteld.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  de minimum- en maximumpercentages voor de medefinanciering, gedifferentieerd naar gelang van de in artikel 4 vastgestelde subprogramma's en de in artikel 10 vastgestelde subsidiabele acties, waarvoor de totale maximumpercentages voor de medefinanciering in het eerste meerjarenwerkprogramma voor de acties bedoeld in artikel 10, lid 2 onder a), b) en d), bedragen maximaal [60 %] van de subsidiabele kosten en maximaal [75 %] voor projecten die worden gefinancierd het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit die betrekking hebben op de voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/43/EEG prioritaire habitats of soorten, of op de vogelsoorten die als prioritair worden beschouwd voor financiering door het Comité voor de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang dat is ingesteld krachtens artikel 16 van Richtlijn 2009/147/EG indien dit noodzakelijk is voor de instandhoudingsdoelstelling;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 – letter a ter (nieuw)
a ter)  de maximumbedragen gereserveerd voor blendingverrichtingen;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis)  indicatieve tijdschema's voor de oproepen tot het indienen van voorstellen voor de door het meerjarig werkprogramma bestreken periode;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)  de in artikel 13 uiteengezette technische methodologie voor de indiening en de selectieprocedure van projecten en de selectie- en toekenningscriteria voor subsidies.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het eerste meerjarig werkprogramma heeft een duur van vier jaar en het tweede meerjarig werkprogramma heeft een duur van drie jaar.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  De Commissie waarborgt dat ongebruikte financiële middelen uit een bepaalde oproep tot het indienen van voorstellen worden herverdeeld tussen de verschillende soorten acties als bedoeld in artikel 10, lid 2.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.  De Commissie ziet erop toe dat belanghebbenden worden geraadpleegd bij de ontwikkeling van de meerjarige werkprogramma's.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen, met de nodige aandacht voor samenhang, synergieën, toegevoegde waarde voor de Unie en duurzaamheid op lange termijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van de prioriteiten van het desbetreffende milieuactieprogramma.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
2.  De evaluatie halverwege van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen, met gebruikmaking van de overeenkomstig bijlage II vastgestelde output- en resultaatindicatoren. De evaluatie gaat zo nodig vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.
In de evaluatie komen minstens de volgende punten aan de orde:
a)  kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de tenuitvoerlegging van het programma;
b)  het doelmatige gebruik van hulpbronnen;
c)  de mate waarin de doelstellingen van alle maatregelen zijn bereikt, met vermelding, waar mogelijk, van de resultaten en effecten;
d)  de behaalde of verwachte successen van geïntegreerde projecten in termen van hefboomeffect op andere middelen van de Unie, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de voordelen van grotere samenhang met andere financieringsinstrumenten van de Unie;
e)  de mate waarin er synergieën tussen de doelstellingen tot stand zijn gebracht en de complementariteit ervan met andere relevante programma's van de Unie;
f)  de toegevoegde waarde van de Unie en de effecten op lange termijn van het programma, met het oog op het nemen van een besluit over de verlenging, wijziging of opschorting van de maatregelen;
g)  de mate waarin belanghebbenden bij het geheel zijn betrokken;
h)  een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de bijdrage van het programma aan de staat van instandhouding van habitats en soorten, opgenomen in de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1, tweede alinea, genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1, tweede alinea, genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit, en vult deze eindevaluatie aan met een extern en onafhankelijk ex‑post-evaluatieverslag van de tenuitvoerlegging en resultaten van het programma.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie dient de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen in bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, en zij maakt de resultaten van de evaluaties openbaar.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de projecten en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de projecten en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren. Met het oog hierop maken ontvangers bij alle communicatieactiviteiten gebruik van het in bijlage II bis weergegeven programmalogo, en dit logo wordt op strategische plaatsen op voor het publiek zichtbare mededelingenborden aangebracht. Alle in het kader van het programma verworven duurzame goederen dragen het programmalogo, behalve in door de Commissie gespecificeerde gevallen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4
4.  Terugvloeiende middelen uit financieringsinstrumenten die zijn ingesteld op grond van Verordening (EU) nr. 1293/2013, kunnen worden geïnvesteerd in de in het kader van [InvestEU-fonds] ingestelde financieringsinstrumenten.
4.  Terugvloeiende middelen uit financieringsinstrumenten die zijn ingesteld op grond van Verordening (EU) nr. 1293/2013, worden verdeeld tussen de acties in het kader van dit programma.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 2 – punt 2.1 –streepje 3 bis (nieuw)
—  Chemicaliën
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 2 – punt 2.1 –streepje 5 bis (nieuw)
—  Geluidshinder
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 2 – punt 2.1 – streepje 5 ter (nieuw)
—  Hulpbronnengebruik en -efficiëntie
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 2 – punt 2.2 bis (nieuw)
2.2 bis.  Bewustmaking van het publiek
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Bijlage II bis (nieuw)
BIJLAGE II bis
Programmalogo
20181211-P8_TA(2018)0487_NL-p0000002.png

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0397/2018).


Bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk ***I
PDF 125kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (COM(2017)0011 – C8-0010/2017 – 2017/0004(COD))
P8_TA(2018)0488A8-0142/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0011),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0010/2017),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 24 oktober 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0142/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 december 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/130.)

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 56.


Transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen ***I
PDF 304kWORD 101k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 11 december 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen] (COM(2018)0179 – C8-0144/2018 – 2018/0088(COD))(1)
P8_TA(2018)0489A8-0417/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Ontwerpwetgevingsresolutie   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Visum 1
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 43, 114 en 168, lid 4, onder b),
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 43, 114, 168, lid 4, onder b), en met name 192, lid 1,
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Risicomanagement, risicobeoordeling en risicocommunicatie moeten gebaseerd zijn op een grondige toepassing van onder meer het voorzorgsbeginsel.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het is daarom noodzakelijk te zorgen voor een alomvattend en doorlopend risicocommunicatieproces gedurende de risicoanalyse, met betrokkenheid van de risicobeoordelaars en risicomanagers op het niveau van de Unie en op nationaal niveau. Dat proces moet worden gecombineerd met een open dialoog tussen alle belanghebbenden om te zorgen voor coherentie en samenhang binnen het risicoanalyseproces.
(4)  Het is daarom noodzakelijk te zorgen voor een transparant, onafhankelijk, doorlopend en inclusief risicocommunicatieproces gedurende de risicoanalyse, met betrokkenheid van de risicobeoordelaars en risicomanagers op het niveau van de Unie en op nationaal niveau. Dat proces moet ervoor zorgen dat de burgers opnieuw vertrouwen krijgen in het feit dat het gehele proces geschraagd is door de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens en de bescherming van de belangen van de consument. Dat proces moet ook kunnen bijdragen tot een participatieve en open dialoog tussen alle belanghebbenden, met name de bevolking, om ervoor te zorgen dat alleen het openbare belang prevaleert en om te zorgen voor nauwkeurigheid, grondigheid, transparantie, samenhang en aflegging van rekenschap binnen het risicoanalyseproces.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Bij de ondertekening van handelsakkoorden moet de Unie ervoor zorgen dat de levensmiddelenwetgeving van de derde landen met wie het akkoord wordt gesloten, minstens evenveel bescherming biedt op het gebied van voedselveiligheid als de wetgeving van de Unie, om de veiligheid van de consumenten te garanderen en oneerlijke concurrentie met Europese producten te voorkomen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Bijzondere nadruk moet worden gelegd op een coherente, geschikte en tijdige uitleg, niet alleen van de resultaten van de risicobeoordeling op zich, maar ook van de wijze waarop die, in voorkomend geval naast andere ter zake dienende factoren, worden benut ter onderbouwing van beslissingen inzake risicomanagement.
(5)  Bijzondere nadruk moet worden gelegd op een nauwkeurige, duidelijke, objectieve en tijdige uitleg, niet alleen van de resultaten van de risicobeoordeling op zich, maar ook van de wijze waarop die, in voorkomend geval naast andere ter zake dienende factoren, worden benut ter onderbouwing van beslissingen inzake risicomanagement.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Hiertoe is het noodzakelijk de algemene doelstellingen en beginselen van de risicocommunicatie vast te stellen, rekening houdend met de respectieve rollen van de risicobeoordelaars en -managers.
(6)  Hiertoe is het noodzakelijk de algemene doelstellingen en beginselen van de risicocommunicatie vast te stellen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de respectieve rollen van de risicobeoordelaars en -managers en moet hun onafhankelijkheid worden gewaarborgd.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  In dit algemene plan moeten de voornaamste factoren worden aangewezen waarmee rekening moet worden gehouden wanneer risicocommunicatieactiviteiten worden overwogen, zoals de verschillende risiconiveaus, de aard van het risico en de mogelijke effecten ervan voor de volksgezondheid, de personen, dieren en zaken die direct of indirect door het risico wordt getroffen, de niveaus van blootstelling aan risico’s, de mogelijkheden voor risicobeheersing en andere factoren die van invloed zijn op de risicoperceptie, met inbegrip van de urgentie, alsmede het toepasselijke wetgevingskader en de desbetreffende marktcontext. In het algemene plan moeten ook de te gebruiken instrumenten en kanalen worden aangewezen en passende mechanismen worden vastgesteld om een samenhangende risicocommunicatie te waarborgen.
(8)  In dit algemene plan moeten de praktische regelingen worden opgenomen voor het beschikbaar stellen aan het publiek van de informatie die nodig is om een hoog niveau van transparantie in het risicomanagementproces te waarborgen. Er moeten de voornaamste factoren in worden aangewezen waarmee rekening moet worden gehouden wanneer risicocommunicatieactiviteiten worden overwogen, zoals de verschillende risiconiveaus, de aard van het risico en de mogelijke effecten ervan op de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu, de personen, dieren en zaken die direct of indirect door het risico worden getroffen, de niveaus van blootstelling aan risico's, de mogelijkheden voor risicominimalisatie of -beheersing en andere factoren die van invloed zijn op de risicoperceptie, met inbegrip van de urgentie, alsmede het toepasselijke wetgevingskader en de desbetreffende marktcontext. In het algemene plan moeten ook de te gebruiken instrumenten en kanalen worden aangewezen en passende mechanismen worden vastgesteld om een samenhangende risicocommunicatie te waarborgen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Transparantie van het risicobeoordelingsproces draagt bij tot een grotere legitimiteit van de Autoriteit in de ogen van de consumenten en het grote publiek bij de vervulling van haar opdracht en meer vertrouwen van hen in haar werk, en waarborgt een grotere verantwoording van de Autoriteit ten opzichte van de burgers van de Unie binnen een democratisch systeem. Het is derhalve essentieel het vertrouwen van het grote publiek en andere belanghebbenden in het risicoanalyseproces dat de grondslag vormt van de levensmiddelenwetgeving van de Unie, en met name in de risicobeoordeling, te behouden, inclusief de organisatie en onafhankelijkheid van de Autoriteit en transparantie.
(9)  Het verbeteren van de transparantie van het risicobeoordelingsproces zou bijdragen tot een grotere legitimiteit van de Autoriteit in de ogen van de consumenten en het grote publiek bij de vervulling van haar opdracht en meer vertrouwen van hen in haar werk, en zou een grotere verantwoording van de Autoriteit ten opzichte van de burgers van de Unie binnen een democratisch systeem waarborgen. Het is derhalve essentieel het vertrouwen van het grote publiek en andere belanghebbenden in het risicoanalyseproces dat de grondslag vormt van de levensmiddelenwetgeving van de Unie, en met name in de risicobeoordeling, te herstellen, inclusief de organisatie, werking en onafhankelijkheid van de Autoriteit en transparantie.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Het is passend de samenstelling van de raad van bestuur van de Autoriteit aan te passen aan de gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde agentschappen, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 2012 over de gedecentraliseerde agentschappen22.
Schrappen
__________________
22 https://europa.eu/european-union/sites/europaeu/files/docs/body/joint_statement_and_common_approach_2012_nl.pdf.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  De ervaring leert dat de rol van de raad van bestuur van de Autoriteit is toegespitst op administratieve en financiële aspecten en geen gevolgen voor de onafhankelijkheid van de wetenschappelijke werkzaamheden van de Autoriteit. Het is derhalve passend om vertegenwoordigers van alle lidstaten in de raad van bestuur van de Autoriteit op te nemen, waarbij moet worden bepaald dat die vertegenwoordigers moeten beschikken over ervaring, met name op het gebied van risicobeoordeling.
(11)  De ervaring leert dat de rol van de raad van bestuur van de Autoriteit is toegespitst op administratieve en financiële aspecten en geen gevolgen voor de onafhankelijkheid van de wetenschappelijke werkzaamheden van de Autoriteit. Het is derhalve passend om vertegenwoordigers van alle lidstaten, de Commissie en het Parlement, alsmede het maatschappelijk middenveld en brancheorganisaties in de raad van bestuur van de Autoriteit op te nemen, waarbij moet worden bepaald dat die vertegenwoordigers moeten beschikken over ervaring, met name op het gebied van risicobeoordeling, en dat elke belangenverstrengeling moet worden voorkomen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Bij het selecteren van de raad van bestuur moeten de hoogste graad van bekwaamheid en relevante ervaring op een breed terrein van de vertegenwoordigers van de lidstaten, de Commissie en het Europees Parlement vooropstaan.
(12)  Bij het selecteren van de raad van bestuur moeten de hoogste graad van bekwaamheid en toewijding aan de bescherming van de gezondheid en het milieu, en relevante ervaring op een breed terrein van de vertegenwoordigers van de lidstaten, de Commissie en het Europees Parlement vooropstaan.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Bij de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving zijn bepaalde tekortkomingen aan het licht gekomen wat betreft het vermogen van de Autoriteit om op de lange termijn haar hoge niveau van deskundigheid te handhaven. Meer in het bijzonder daalde het aantal gegadigden dat solliciteerde naar posities als leden van de wetenschappelijke panels. Het systeem moet derhalve worden verstevigd en de lidstaten moeten een actievere rol spelen om te waarborgen dat een voldoende grote groep deskundigen beschikbaar is die aan de behoeften van de risicobeoordeling van de Unie kan voldoen wat betreft een hoog niveau van wetenschappelijke deskundigheid, onafhankelijkheid en multidisciplinaire expertise.
(13)  Bij de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving zijn bepaalde tekortkomingen aan het licht gekomen wat betreft het vermogen van de Autoriteit om op de lange termijn haar hoge niveau van deskundigheid te handhaven door middel van deskundig personeel. Bovendien daalde het aantal gegadigden dat solliciteerde naar posities als leden van de wetenschappelijke panels en de reden voor deze daling moet worden onderzocht. Twee derde van de deskundigen in de wetenschappelijke panels wordt geleverd door zes lidstaten. Aangezien het Verenigd Koninkrijk momenteel rond 20 % van de nationale deskundigen levert, zal het probleem om geschikte deskundigen aan te trekken nog verergeren nu het Verenigd Koninkrijk de Unie verlaat. Om dit verschijnsel doeltreffender aan te pakken moet het systeem derhalve worden verstevigd en bevorderd, moeten kandidaten worden aangemoedigd om te solliciteren en moeten de lidstaten de verspreiding van de oproepen van de Autoriteit tot het indienen van blijken van belangstelling voor lidmaatschap van de wetenschappelijke panels en het wetenschappelijk comité ondersteunen, om te waarborgen dat een voldoende grote groep onafhankelijke deskundigen beschikbaar is, door ondersteunende maatregelen te nemen en gebruik te maken van stimulansen en beloningen om het participatieniveau en de belangstelling voor deelname te vergroten.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om de onafhankelijkheid van de risicobeoordeling ten opzicht van risicomanagement en van andere belangen op het niveau van de Unie te bewaren, is het passend dat de benoeming van de leden van de wetenschappelijke panels door de lidstaten, hun selectie door de uitvoerend directeur van de Autoriteit en hun benoeming door de raad van bestuur van de Autoriteit op strenge criteria berusten die de uitmuntendheid en onafhankelijkheid van de deskundigen garanderen, en tegelijkertijd ook de vereiste multidisciplinaire expertise van elk panel waarborgen. Hiertoe is het ook van essentieel belang is dat de uitvoerend directeur, die tot taak heeft de belangen van EFSA, en met name het onafhankelijke karakter van haar expertise, te verdedigen, een rol speelt bij de selectie en benoeming van die wetenschappelijke deskundigen. Ook moeten aanvullende maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de wetenschappelijke deskundigen beschikken over de middelen om onafhankelijk op te kunnen treden.
(14)  Om de onafhankelijkheid van de risicobeoordeling ten opzichte van risicomanagement en van andere belangen op het niveau van de Unie te bewaren, is het passend dat de benoeming van de leden van de wetenschappelijke panels, hun selectie door de uitvoerend directeur van de Autoriteit en hun benoeming door de raad van bestuur van de Autoriteit op strenge criteria berusten die de uitmuntendheid en onafhankelijkheid van de deskundigen garanderen, en tegelijkertijd ook de vereiste multidisciplinaire expertise van elk panel waarborgen. Hiertoe is het ook van essentieel belang dat de uitvoerend directeur, die de wettelijke vertegenwoordiger van de Autoriteit is en die tot taak heeft de belangen van EFSA, en met name het onafhankelijke karakter van haar expertise, te verdedigen en de prestaties van EFSA te controleren, een rol speelt bij de selectie en benoeming van die wetenschappelijke deskundigen. Ook moeten aanvullende maatregelen, waaronder behoorlijke financiële compensatie, worden getroffen om ervoor te zorgen dat de wetenschappelijke deskundigen beschikken over de middelen om onafhankelijk op te kunnen treden en om voldoende tijd aan hun taken op het gebied van risicobeoordeling voor de Autoriteit te kunnen besteden.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Het is van essentieel belang om de efficiënte werking van de Autoriteit te waarborgen en de duurzaamheid van haar expertise te verbeteren. Het is derhalve noodzakelijk de ondersteuning door de Autoriteit en de lidstaten van de werkzaamheden van de wetenschappelijke panels van de Autoriteit te versterken. Meer in het bijzonder moet de Autoriteit de organisatie van de voorbereidende werkzaamheden ter ondersteuning van de taken van het panel op zich nemen, onder meer door het personeel van de Autoriteit of nationale wetenschappelijke organisaties uit het netwerk van de Autoriteit te verzoeken voorbereidende wetenschappelijke adviezen op te stellen die door de panels collegiaal worden getoetst en worden aangenomen.
(15)  Het is van essentieel belang om de efficiënte werking van de Autoriteit te waarborgen en de duurzaamheid van haar expertise te verbeteren. Het is derhalve noodzakelijk de ondersteuning door de Autoriteit en de lidstaten van de werkzaamheden van de wetenschappelijke panels van de Autoriteit te versterken. Meer in het bijzonder moet de Autoriteit de organisatie van de voorbereidende werkzaamheden ter ondersteuning van de taken van het panel op zich nemen, onder meer door het personeel van de Autoriteit of nationale wetenschappelijke organisaties uit het netwerk van de Autoriteit te verzoeken voorbereidende wetenschappelijke adviezen op te stellen die door de panels collegiaal worden getoetst en worden aangenomen. Dit mag geen afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de wetenschappelijke beoordelingen van de Autoriteit.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  De vergunningsprocedures zijn gebaseerd op het beginsel dat het aan de verzoekende partij is om aan te tonen dat het voorwerp van een vergunningsprocedure voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van de Unie, uitgaande van de wetenschappelijke kennis waarover zij beschikt. Dit beginsel berust op de veronderstelling dat de volksgezondheid beter wordt beschermd wanneer de bewijslast bij de aanvrager ligt, aangezien die moet aantonen dat een bepaalde zaak veilig is voordat deze in de handel wordt gebracht, terwijl anders de overheidsinstanties aan zouden moeten tonen dat een zaak onveilig is teneinde deze van de markt te weren. Bovendien zou overheidsgeld niet mogen worden gebruikt om dure studies in opdracht te geven, die uiteindelijk het bedrijfsleven zullen helpen een product in de handel te brengen. Op basis van dit beginsel en overeenkomstig de toepasselijke wettelijke vereisten, zijn aanvragers verplicht ter ondersteuning van aanvragen voor een vergunning krachtens de sectorale levensmiddelenwetgeving van de Unie relevante studies, met inbegrip van tests, in te dienen om de veiligheid en soms ook de werkzaamheid van een zaak aan te tonen.
(16)  De vergunningsprocedures zijn gebaseerd op het beginsel dat het aan de verzoekende partij is om aan te tonen dat het voorwerp van een vergunningsprocedure voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van de Unie, uitgaande van de wetenschappelijke kennis waarover zij beschikt. Dit beginsel berust op de veronderstelling dat de volksgezondheid en het milieu beter worden beschermd wanneer de bewijslast bij de aanvrager ligt, aangezien die moet aantonen dat een bepaalde zaak veilig is voordat deze in de handel wordt gebracht, terwijl anders de overheidsinstanties aan zouden moeten tonen dat een zaak onveilig is teneinde deze van de markt te weren. Bovendien zou overheidsgeld niet mogen worden gebruikt om dure studies in opdracht te geven, die uiteindelijk het bedrijfsleven zullen helpen een product in de handel te brengen. Op basis van dit beginsel en overeenkomstig de toepasselijke wettelijke vereisten, zijn aanvragers verplicht ter ondersteuning van aanvragen voor een vergunning krachtens de sectorale levensmiddelenwetgeving van de Unie relevante studies, met inbegrip van tests, in te dienen om de veiligheid en soms ook de werkzaamheid van een zaak aan te tonen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Uit een vergelijking van de agentschappen van de Unie blijkt dat de Autoriteit tot 55 maanden nodig heeft voor een vergunningsprocedure, vijf keer zo lang als het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Dit leidt ertoe dat ondernemingen afzien van investeringen in innoverende producten en resulteert op de lange termijn in een verlies aan concurrentievermogen voor de Unie. Bovendien ondermijnen lange vergunningsprocedures het vertrouwen in de Autoriteit. De doeltreffendheid van de risicobeoordeling moet derhalve dringend worden gewaarborgd door middel van betere personele en financiële middelen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Er gelden bepalingen voor de inhoud van vergunningsaanvragen. Het is van essentieel belang dat de bij de Autoriteit met het oog op de uitvoering van een risicobeoordeling ingediende vergunningsaanvraag aan de toepasselijke specificaties voldoet, om de best mogelijke wetenschappelijke beoordeling door de Autoriteit te waarborgen. Aanvragers — en met name kleine en middelgrote ondernemingen — hebben niet altijd een duidelijk begrip van deze specificaties. Het zou derhalve passend zijn als de Autoriteit een potentiële aanvrager op diens verzoek adviseert over de toepasselijke regels en de vereiste inhoud van een vergunningaanvraag voordat die aanvraag formeel wordt ingediend, waarbij zij echter niet treedt in de opzet van de in te dienen studies, waarvoor de aanvrager verantwoordelijk blijft. Met het oog op de transparantie van dit proces moeten de adviezen van de Autoriteit openbaar worden gemaakt.
(17)  Er gelden bepalingen voor de inhoud van vergunningsaanvragen. Het is van essentieel belang dat de bij de Autoriteit met het oog op de uitvoering van een risicobeoordeling ingediende vergunningsaanvraag aan de toepasselijke specificaties voldoet, om de best mogelijke wetenschappelijke beoordeling door de Autoriteit te waarborgen. Aanvragers — en met name kleine en middelgrote ondernemingen — hebben niet altijd een duidelijk begrip van deze specificaties. Het zou derhalve passend zijn als de Autoriteit een potentiële aanvrager op diens verzoek adviseert over de toepasselijke regels en de vereiste inhoud van een vergunningaanvraag voordat die aanvraag formeel wordt ingediend. Uiterlijk ... [36 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], moet de Commissie het effect evalueren van het algemeen advies dat wordt verleend, op de werking van de Autoriteit. Met name moet de Commissie het effect ervan evalueren op de toewijzing van de middelen van de Autoriteit en op de onafhankelijkheid van de Autoriteit.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De Autoriteit moet op de hoogte zijn van het onderwerp van alle door een aanvrager met het oog op een toekomstige aanvraag van een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie uitgevoerde studies. Hiertoe is het noodzakelijk en passend dat exploitanten van bedrijven die de studies in opdracht geven en de laboratoria die deze uitvoeren, de Autoriteit in kennis stellen van die studies zodra deze in opdracht worden gegeven. Informatie over de ter kennis gebrachte studies mag pas openbaar worden gemaakt wanneer een overeenkomstige vergunningsaanvraag openbaar is gemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels inzake transparantie.
(18)  De Autoriteit moet op de hoogte zijn van het onderwerp van alle door een aanvrager met het oog op een toekomstige aanvraag van een vergunning of verlenging krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie uitgevoerde studies. Hiertoe is het noodzakelijk en passend dat exploitanten van bedrijven die de studies in opdracht geven en de laboratoria die deze uitvoeren, de Autoriteit in kennis stellen van die studies zodra deze in de Unie of daarbuiten in opdracht worden gegeven. Informatie over de ter kennis gebrachte studies mag pas openbaar worden gemaakt wanneer een overeenkomstige vergunnings- of verlengingsaanvraag openbaar is gemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels inzake transparantie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Er is sprake van een bepaalde publieke bezorgdheid over het feit dat de beoordeling door de Autoriteit in de eerste plaats is gebaseerd op studies van bedrijven. De Autoriteit doorzoekt momenteel reeds de wetenschappelijke literatuur om rekening te kunnen houden met andere beschikbare gegevens en studies over het bij haar ter beoordeling ingediende onderwerp. Teneinde te zorgen voor een bijkomende garantie dat de Autoriteit toegang heeft tot alle beschikbare relevante wetenschappelijke gegevens en studies met betrekking tot het voorwerp van een vergunningsprocedure, is het passend te voorzien in een raadpleging van derden om na te gaan of er andere relevante wetenschappelijke gegevens of studies beschikbaar zijn. Om de raadpleging doeltreffender te maken, moet deze plaatsvinden wanneer de door bedrijven in het kader van een vergunningsaanvraag ingediende studies openbaar worden gemaakt, overeenkomstig de regels van deze verordening inzake transparantie.
(20)  Er is sprake van een bepaalde publieke bezorgdheid over het feit dat de beoordeling door de Autoriteit in de eerste plaats is gebaseerd op studies van bedrijven. In geval van een nieuwe aanvraag met betrekking tot een vergunnings- of verlengingsprocedure, moet de Autoriteit altijd de wetenschappelijke literatuur doorzoeken om rekening te kunnen houden met andere beschikbare gegevens en studies over het bij haar ter beoordeling ingediende onderwerp en moet zij indien nodig verzoeken om aanvullende studies. De Autoriteit moet het publiek toegang verlenen tot alle relevante wetenschappelijke literatuur ter zake die zij in haar bezit heeft. Teneinde te zorgen voor een bijkomende garantie dat de Autoriteit toegang heeft tot alle beschikbare relevante wetenschappelijke gegevens en studies met betrekking tot het voorwerp van een vergunningsprocedure, is het passend te voorzien in een raadpleging van derden om na te gaan of er andere relevante wetenschappelijke gegevens of studies beschikbaar zijn. Om de raadpleging doeltreffender te maken, moet deze plaatsvinden zodra de door bedrijven in het kader van een vergunningsaanvraag ingediende studies openbaar zijn gemaakt, overeenkomstig de regels van deze verordening inzake transparantie.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  De studies, met inbegrip van tests, die door exploitanten van bedrijven ter ondersteuning van aanvragen voor vergunningen krachtens de sectorale levensmiddelenwetgeving van de Unie worden ingediend, zijn doorgaans in overeenstemming met internationaal erkende beginselen, die een uniforme basis bieden voor de kwaliteit ervan, met name wat betreft de reproduceerbaarheid van resultaten. In sommige gevallen kunnen zich echter problemen voordoen met betrekking tot de naleving van de toepasselijke normen; er zijn daarom nationale stelsels ingericht om toe te zien op die naleving. Het is passend te zorgen voor bijkomende garanties om het grote publiek gerust te stellen ten aanzien van de kwaliteit van de studies en een verbeterd auditsysteem vast te stellen waarbij controles door de lidstaten op de tenuitvoerlegging van die beginselen door de laboratoria die die tests en studies uitvoeren, door de Commissie zullen geverifieerd.
(21)  De studies, met inbegrip van tests, die door exploitanten van bedrijven ter ondersteuning van aanvragen voor vergunningen krachtens de sectorale levensmiddelenwetgeving van de Unie worden ingediend, moeten gebaseerd zijn op onafhankelijke, collegiaal getoetste literatuur of in overeenstemming zijn met internationaal erkende beginselen inzake normen en goede laboratoriumpraktijk (GLP), die een uniforme basis bieden voor de kwaliteit ervan, met name wat betreft de reproduceerbaarheid van resultaten. In sommige gevallen kunnen zich echter problemen voordoen met betrekking tot de naleving van de toepasselijke normen; er zijn daarom nationale stelsels ingericht om toe te zien op die naleving. Het is passend te zorgen voor bijkomende garanties om het grote publiek gerust te stellen ten aanzien van de kwaliteit van de studies en een verbeterd auditsysteem vast te stellen waarbij controles door de lidstaten of derde landen, in samenwerking met het directoraat Audits en analyse inzake gezondheid en voedsel van de Commissie, op de tenuitvoerlegging van die beginselen door de laboratoria die die tests en studies in de Unie en in derde landen uitvoeren, door de Commissie zullen worden geverifieerd.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Er moet voldoende flexibiliteit in het proces worden ingebouwd, zodat met nieuwe inzichten inzake negatieve effecten op de gezondheid onmiddellijk rekening kan worden gehouden, zelfs indien hier geen specifieke wettelijke gegevensvereisten op van toepassing zijn.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Voedselveiligheid is een gevoelige kwestie die van het grootste belang is voor alle burgers van de Unie. Zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat de bewijslast om aan te tonen dat aan de vereisten van de Unie wordt voldaan bij het bedrijfsleven ligt, is het van belang om te voorzien in een extra verificatiemechanisme voor specifieke gevallen van groot maatschappelijk belang, waarbij er sprake is van controverse over veiligheidskwesties, namelijk het in opdracht geven van aanvullende studies om het in het kader van de risicobeoordeling gebruikte bewijsmateriaal te verifiëren. Overwegende dat dit vanuit de begroting van de Unie zou worden gefinancierd en dat het gebruik van dit uitzonderlijke verificatiemechanisme evenredig moet blijven, moet de Commissie verantwoordelijk zijn voor het in gang zetten van het in opdracht geven van dergelijke verificatiestudies. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat het in bepaalde specifieke gevallen nodig kan zijn dat de studies een bredere reikwijdte hebben dan alleen het bewijsmateriaal in kwestie (bijvoorbeeld het beschikbaar komen van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen).
(22)  Voedselveiligheid is een gevoelige kwestie die van het grootste belang is voor alle burgers van de Unie. Zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat de bewijslast om aan te tonen dat aan de vereisten van de Unie wordt voldaan bij het bedrijfsleven ligt, is het van belang om te voorzien in een extra verificatiemechanisme voor specifieke gevallen van groot maatschappelijk belang, waarbij er sprake is van controverse over veiligheidskwesties, namelijk het in opdracht geven van aanvullende studies om het in het kader van de risicobeoordeling gebruikte bewijsmateriaal te verifiëren. Overwegende dat dit vanuit de begroting van de Unie zou worden gefinancierd en dat het gebruik van dit uitzonderlijke verificatiemechanisme evenredig moet blijven, moet de Commissie in geval van uiteenlopende wetenschappelijke bevindingen verantwoordelijk zijn voor het in gang zetten van het in opdracht geven van dergelijke verificatiestudies. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat het in bepaalde specifieke gevallen nodig kan zijn dat de studies een bredere reikwijdte hebben dan alleen het bewijsmateriaal waarom het in het risicobeoordelingsproces draait (bijvoorbeeld het beschikbaar komen van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen).
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)   In het Verdrag van Aarhus wordt een aantal rechten van het publiek op milieugebied vastgesteld. Met het Verdrag van Aarhus wordt iedereen het recht verleend om milieu-informatie op te vragen bij overheidsinstanties, het recht om deel te nemen aan de besluitvorming op milieugebied en het recht om beroepsprocedures in te leiden voor het aanvechten van overheidsbesluiten die zijn genomen zonder inachtneming van de twee hiervoor genoemde rechten of het milieurecht in algemene zin.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Het Europese burgerinitiatief „Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen” bevestigde opnieuw dat er bezorgdheid bestaat over de transparantie met betrekking tot door het bedrijfsleven in opdracht gegeven studies die in het kader van een vergunningsaanvraag worden ingediend23.
(24)  Als partij bij het Verdrag van Aarhus heeft de Unie erkend dat op milieugebied een verbeterde toegang tot informatie en inspraak in besluitvorming de kwaliteit en de uitvoering van besluiten verbeteren, bijdragen tot de bewustheid van milieuvraagstukken bij het publiek, het publiek de gelegenheid bieden om zijn bezorgdheid te uiten en bestuursorganen in staat stellen om naar behoren met deze bezorgdheid rekening te houden. Het Europese burgerinitiatief „Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen” bevestigde opnieuw dat er bezorgdheid bestaat over de transparantie met betrekking tot door het bedrijfsleven in opdracht gegeven studies die in het kader van een vergunningsaanvraag worden ingediend23.
__________________
__________________
23 Mededeling van de Commissie over het Europese burgerinitiatief „Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen”, C(2017)8414 final.
23 Mededeling van de Commissie over het Europese burgerinitiatief „Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen”, C(2017)8414 final.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  Naar het model van de kamer van beroep van het Europees Agentschap voor chemische stoffen, zoals beschreven in de artikelen 89 tot en met 93 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad1 bis moet door middel van gedelegeerde handelingen een kamer van beroep van de EFSA.
_______________
1 bis Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Om te bepalen bij welk niveau van openbaarmaking een passend evenwicht wordt bereikt, moeten de desbetreffende rechten van het publiek op transparantie in het risicobeoordelingsproces worden afgewogen tegen de rechten van de commerciële aanvragers, rekening houdend met de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 178/2002.
(27)  Om te bepalen bij welk niveau van proactieve openbaarmaking een passend evenwicht wordt bereikt, moet het feit dat transparantie in het risicobeoordelingsproces moet worden gegarandeerd, worden afgewogen tegen de rechten van de commerciële aanvragers, rekening houdend met de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 178/2002 inzake een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens, de bescherming van de belangen van de consument, evenals de bescherming van de gezondheid en het welzijn van dieren, de gezondheid van planten en het milieu.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)   Met de bepalingen inzake actieve verspreiding die zijn vastgesteld in deze verordening, wordt geenszins beoogd het toepassingsgebied van de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006 verleende rechten te beperken.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Het is tevens noodzakelijk specifieke eisen vast te stellen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens in het kader van de transparantie van het risicobeoordelingsproces, waarbij rekening moet worden gehouden met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad24 en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad25. Bijgevolg mogen krachtens deze verordening geen persoonsgegevens openbaar worden gemaakt, tenzij dit noodzakelijk en evenredig is om de transparantie, onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het risicobeoordelingsproces te waarborgen en daarbij belangenconflicten te voorkomen.
(30)  Met het oog op de bescherming en de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens in het kader van de transparantie van het risicobeoordelingsproces is het tevens noodzakelijk te verwijzen naar Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad24 en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad25. Bijgevolg mogen krachtens deze verordening geen persoonsgegevens openbaar worden gemaakt, tenzij dit noodzakelijk en evenredig is om de transparantie, onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het risicobeoordelingsproces te waarborgen en daarbij belangenconflicten te voorkomen. Met het oog op de transparantie, onafhankelijkheid, duurzaamheid en betrouwbaarheid van de risicobeoordelingsprocedure, en met name om belangenconflicten te vermijden, wordt het noodzakelijk en evenredig geacht de namen te publiceren van alle personen die door de Autoriteit zijn aangewezen om bij te dragen tot het besluitvormingsproces van de Autoriteit, onder meer in de context van de goedkeuring van richtsnoeren.
__________________
__________________
24 Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
24 Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
25 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
25 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Om te zorgen voor meer transparantie en te waarborgen dat door de Autoriteit ontvangen verzoeken om specifieke producten van wetenschappelijke output op een doeltreffende manier worden verwerkt, moeten gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten worden ontwikkeld. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 178/2002 met betrekking tot de vaststelling van gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad26.
(31)  Om te zorgen voor meer transparantie en te waarborgen dat door de Autoriteit ontvangen verzoeken om specifieke producten van wetenschappelijke output op een doeltreffende manier worden verwerkt, moeten gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten worden ontwikkeld. Om eenvormige en geharmoniseerde voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 178/2002 met betrekking tot de vaststelling van gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad26.
_________________
_________________
26 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
26 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Bovendien is het, ter beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de verschillende bepalingen die van toepassing zijn op de Autoriteit, ook noodzakelijk te voorzien in een evaluatie door de Commissie van de Autoriteit, overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde agentschappen. Bij de evaluatie moet met name worden gekeken naar de procedures voor de selectie van de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels, de transparantie, de kosteneffectiviteit, en de vraag of de onafhankelijkheid en competentie kunnen worden gewaarborgd en belangenconflicten kunnen worden vermeden.
(33)  Bovendien is het, ter beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de verschillende bepalingen die van toepassing zijn op de Autoriteit, ook noodzakelijk een onafhankelijke evaluatie van de Autoriteit uit te voeren. Bij de evaluatie moet met name worden gekeken naar de procedures voor de selectie van de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels, de transparantie, de kosteneffectiviteit, en de vraag of de onafhankelijkheid en competentie kunnen worden gewaarborgd en belangenconflicten kunnen worden vermeden.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  In het zevende Europese milieuactieprogramma werd prioriteit gegeven aan de ontwikkeling en toepassing van benaderingen om de gecombineerde effecten aan te pakken van chemische stoffen op de menselijke gezondheid en het milieu. Een beoordeling van de "cocktaileffecten" vereist een transversale aanpak, nauwere samenwerking tussen kwaliteitsborgingsagentschappen op Europees niveau en de vaststelling van passende procedures nodig.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Met het oog op het waarborgen van de transparantie van het risicobeoordelingsproces, is het ook noodzakelijk het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 178/2002, dat momenteel beperkt is tot de levensmiddelenwetgeving, uit te breiden tot vergunningsaanvragen in het kader van Verordening (EG) nr. 1831/2003 wat betreft toevoegingsmiddelen voor diervoeding, Verordening (EG) nr. 1935/2004 wat betreft materialen die met levensmiddelen in contact komen en Verordening (EG) nr. 1107/2009 wat betreft gewasbeschermingsmiddelen.
(35)  Met het oog op het waarborgen van de transparantie en onafhankelijkheid van het risicobeoordelingsproces, is het ook noodzakelijk het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 178/2002, dat momenteel beperkt is tot de levensmiddelenwetgeving, uit te breiden tot vergunningsaanvragen in het kader van Verordening (EG) nr. 1831/2003 wat betreft toevoegingsmiddelen voor diervoeding, Verordening (EG) nr. 1935/2004 wat betreft materialen die met levensmiddelen in contact komen en Verordening (EG) nr. 1107/2009 wat betreft gewasbeschermingsmiddelen.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Om te waarborgen dat specifieke sectorale aspecten met betrekking tot vertrouwelijke informatie in aanmerking worden genomen, is het noodzakelijk om de desbetreffende rechten van het publiek op transparantie in het risicobeoordelingsproces, met inbegrip van die welke voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus35, af te wegen tegen de rechten van commerciële aanvragers, rekening houdend met de specifieke doelstellingen van de sectorale wetgeving van de Unie alsook met de opgedane ervaring. Het is derhalve noodzakelijk Richtlijn 2001/18/EG, Verordening (EG) nr. 1829/2003, Verordening (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 1935/2004 en Verordening (EG) nr. 1107/2009 te wijzigen om te voorzien in aanvullende vertrouwelijke gegevens ten opzichte van die in Verordening (EG) nr. 178/2002.
(36)  Om te waarborgen dat specifieke sectorale aspecten met betrekking tot vertrouwelijke informatie in aanmerking worden genomen, is het noodzakelijk om de rechten van het publiek op transparantie, met inbegrip van het recht om proactieve informatie te krijgen in verband met het risicobeoordelingsproces, af te wegen tegen de rechten van commerciële aanvragers, rekening houdend met de specifieke doelstellingen van de sectorale wetgeving van de Unie alsook met de opgedane ervaring. Het is derhalve noodzakelijk Richtlijn 2001/18/EG, Verordening (EG) nr. 1829/2003, Verordening (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 1935/2004 en Verordening (EG) nr. 1107/2009 te wijzigen om te voorzien in aanvullende vertrouwelijke gegevens ten opzichte van die in Verordening (EG) nr. 178/2002. De bepalingen inzake actieve verspreiding die zijn vastgesteld in deze verordening en de beoordeling van een verzoek om vertrouwelijke behandeling door de Autoriteit, mogen geenszins het toepassingsgebied van de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006 verleende rechten beperken.
_____________________________
Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13).
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)  Bij de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving is ook een gebrek aan transparantie in het risicomanagementproces gebleken. Het publiek moet beter worden ingelicht over de opties voor risicomanagement die worden overwogen en het niveau van bescherming van de gezondheid van de consument en van dieren en van milieubescherming dat met elk van deze opties zou worden gerealiseerd, evenals over andere factoren, naast de resultaten van de risicobeoordeling, waarmee de risicomanagers rekening houden en de manier waarop deze in het besluitvormingsproces tegen elkaar worden afgewogen.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  Teneinde de band tussen risicobeoordelaars en risicomanagers op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, alsmede de coherentie en samenhang van de risicocommunicatie verder te versterken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen om te voorzien in een algemeen plan voor risicocommunicatie met betrekking tot aangelegenheden op het gebied van de landbouw- en voedselketen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(37)  Teneinde gedurende het volledige risicoanalyseproces, de interactieve uitwisseling van informatie tussen risicobeoordelaars en risicomanagers op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, alsmede met andere belanghebbenden in de voedselketen, bijvoorbeeld economische spelers, consumentenverenigingen en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld te verbeteren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen om te voorzien in een algemeen plan voor risicocommunicatie met betrekking tot aangelegenheden op het gebied van de landbouw- en voedselketen. In het algemene plan inzake risicocommunicatie moeten de praktische regelingen worden opgenomen om aan het publiek de informatie beschikbaar te stellen die nodig is om een hoog niveau van transparantie in het risicomanagementproces te waarborgen. Het is derhalve van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)  Bepalingen over de informatie die openbaar moet worden gemaakt, mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EG) nr. 1049/2001 of de nationale of Uniewetgeving inzake toegang van het publiek tot officiële documenten.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Om de Autoriteit en de exploitanten van bedrijven in staat te stellen zich aan de nieuwe voorschriften aan te passen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de Autoriteit goed blijft functioneren, is het noodzakelijk te voorzien in overgangsmaatregelen voor de toepassing van deze verordening.
(38)  Om de Autoriteit, de lidstaten, de Commissie en de exploitanten van bedrijven in staat te stellen zich aan de nieuwe voorschriften aan te passen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de Autoriteit goed blijft functioneren, is het noodzakelijk te voorzien in overgangsmaatregelen voor de toepassing van deze verordening.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)  Aangezien met de in dit voorstel vervatte wijzigingen verregaande bevoegdheden inzake risicobeoordeling en vertrouwelijkheidscontrole worden overgedragen aan de Autoriteit, is een duidelijke verhoging van de begrotingsmiddelen van de Autoriteit overeenkomstig bijlage 3 bij het Commissievoorstel nodig. Het financieringsvoorstel is verenigbaar met het huidige meerjarige financiële kader, maar kan gebruik veronderstellen van speciale instrumenten als omschreven in Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad. Als de gesprekken tussen het Europees Parlement en de lidstaten over de begroting van de Unie onvoldoende ruimte laten voor de benodigde begrotingsmiddelen, moet de Commissie een alternatief financieringsvoorstel indienen in het kader van een gedelegeerde handeling.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 40 bis (nieuw)
(40 bis)  Uit recente voedselveiligheidsincidenten is gebleken dat er passende maatregelen voor noodsituaties moeten komen, om te waarborgen dat voor alle levensmiddelen, ongeacht soort en oorsprong, en voor alle diervoeders gemeenschappelijke maatregelen worden genomen in geval van een ernstig risico voor de gezondheid van de mens, de gezondheid van de dieren of het milieu. Deze algemene aanpak van noodmaatregelen op het gebied van voedselveiligheid moet doeltreffende actie mogelijk maken en kunstmatige ongelijkheden bij de behandeling van ernstige risico's voor levensmiddelen of diervoeders voorkomen, door een gemeenschappelijke en geharmoniseerde procedure voor het beheer van waarschuwingen op het gebied van voedselveiligheid.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 6 – lid 2
-1)  Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Risicobeoordeling is gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke gegevens en wordt op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze uitgevoerd.
"2. "Risicobeoordeling is gebaseerd op alle beschikbare wetenschappelijke gegevens en wordt op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze uitgevoerd.".
(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst. Bij aanneming van dit amendement moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 7 – lid 1
-1 bis)  Artikel 7, lid 1, wordt vervangen door:
1.  In specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, kunnen, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen.
"1. In specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, worden, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, maatregelen voor risicomanagement vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen.".
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 8 bis
Artikel 8 bis
Artikel 8 bis
Doelstellingen van risicocommunicatie
Doelstellingen van risicocommunicatie
Met risicocommunicatie worden de volgende doelstellingen nagestreefd, rekening houdend met de respectieve rollen van risicobeoordelaars en risicomanagers:
Met risicocommunicatie worden de volgende doelstellingen nagestreefd, rekening houdend met de respectieve rollen van risicobeoordelaars en risicomanagers:
a)  bevorderen van het besef van en het inzicht in de specifieke kwesties die tijdens het gehele risicoanalyseproces aan de orde komen;
a)  bevorderen van het besef van en het inzicht in de specifieke kwesties die tijdens het gehele risicoanalyse- en -managementproces aan de orde komen;
b)  bevorderen van de samenhang en transparantie bij het formuleren van aanbevelingen met betrekking tot risicomanagement;
b)  bevorderen van de samenhang, transparantie en duidelijkheid bij het formuleren van opties, aanbevelingen en besluiten met betrekking tot risicomanagement;
c)  verschaffen van een deugdelijke basis voor het begrip van risicomanagementbeslissingen;
c)  verschaffen van een deugdelijke wetenschappelijke basis voor het begrip van risicomanagementbeslissingen, met inbegrip van informatie over:
i)  de manier waarop de gekozen risicomanagementoptie de mate van onzekerheid van de risicobeoordeling weerspiegelt en het niveau van bescherming van de gezondheid van consumenten en dieren en van milieubescherming dat met deze optie wordt gerealiseerd,
ii)  overeenkomstig artikel 6, lid 3, de andere factoren, naast de resultaten van de risicobeoordeling, waarmee de risicomanagers rekening hebben gehouden en de wijze waarop deze factoren tegen elkaar zijn afgewogen;
d)  bevorderen van het inzicht van het publiek in het risicoanalyseproces teneinde het vertrouwen in de resultaten ervan te vergroten;
d)  bevorderen van het inzicht van het publiek in het risicoanalyseproces teneinde het vertrouwen in de resultaten ervan te vergroten, met inbegrip van de verstrekking van duidelijke en consistente informatie over de respectieve taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van risicobeoordelaars en risicomanagers;
e)  bevorderen van een juiste mate van betrokkenheid van alle belanghebbenden; alsmede
e)  bevorderen van een evenwichtige mate van betrokkenheid van alle belanghebbenden, met inbegrip van markpartijen in de voedselketen en consumenten- en andere maatschappelijke organisaties;
f)  zorgen voor een goede uitwisseling van informatie met de belanghebbenden met betrekking tot de risico’s in verband met de landbouw- en voedselketen.
f)  zorgen voor een transparante en onpartijdige uitwisseling van informatie met de onder e) genoemde belanghebbenden met betrekking tot de risico's in verband met de landbouw- en voedselketen;
f bis)  informeren van consumenten over strategieën voor risicovermijding; en
f ter)  bestrijden van de verspreiding van onjuiste informatie en van bronnen van onjuiste informatie.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 8 ter
Artikel 8 ter
Artikel 8 ter
Algemene beginselen van risicocommunicatie
Algemene beginselen van risicocommunicatie
Rekening houdend met de respectieve rollen van de risicobeoordelaars en risicomanagers, hoort risicocommunicatie:
Rekening houdend met de respectieve rollen van de risicobeoordelaars en risicomanagers, hoort risicocommunicatie:
a)  te zorgen voor een interactieve uitwisseling van nauwkeurige, passende en tijdige informatie, op basis van de beginselen van transparantie, openheid en reactiviteit;
a)  te zorgen voor een interactieve uitwisseling van nauwkeurige, volledige en tijdige informatie met alle belanghebbenden, op basis van de beginselen van transparantie, openheid en reactiviteit;
b)  transparante informatie te verstrekken in elke fase van het risicoanalyseproces, van de formulering van verzoeken om wetenschappelijk advies tot de bepaling van de risicobeoordeling en het nemen van risicomanagementbeslissingen;
b)  transparante informatie te verstrekken in elke fase van het risicoanalyseproces, van de formulering van verzoeken om wetenschappelijk advies tot de bepaling van de risicobeoordeling en het nemen van risicomanagementbeslissingen;
c)  rekening te houden met risicopercepties;
c)  risicopercepties aan te pakken;
d)  bij te dragen tot begrip en dialoog tussen alle belanghebbenden; alsmede
d)  bij te dragen tot begrip en dialoog tussen alle belanghebbenden;
e)  toegankelijk te zijn, ook voor mensen die niet rechtstreeks bij het proces betrokken zijn, met inachtneming van de vertrouwelijkheid en de bescherming van persoonsgegevens.
e)  toegankelijk te zijn, ook voor mensen die niet rechtstreeks bij het proces betrokken zijn, met inachtneming van de vertrouwelijkheid en de bescherming van persoonsgegevens; en
e bis)  benaderingen te formuleren om beter te communiceren over het verschil tussen gevaren en risico's.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 8 quater
Artikel 8 quater
Artikel 8 quater
Algemeen plan voor risicocommunicatie
Algemeen plan voor risicocommunicatie
1.  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om, in nauwe samenwerking met de Autoriteit en de lidstaten en na passende openbare raadplegingen, overeenkomstig artikel 57 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde een algemeen plan op te stellen voor risicocommunicatie inzake aangelegenheden met betrekking tot de landbouw- en voedselketen, rekening houdend met de relevante doelstellingen en algemene beginselen zoals neergelegd in de artikelen 8 bis en 8 ter.
1.  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om, in nauwe samenwerking met de Autoriteit en de lidstaten en na passende openbare raadplegingen, overeenkomstig artikel 57 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening teneinde een algemeen plan op te stellen voor risicocommunicatie inzake aangelegenheden met betrekking tot de landbouw- en voedselketen, rekening houdend met de relevante doelstellingen en algemene beginselen zoals neergelegd in de artikelen 8 bis en 8 ter.
2.  Het algemene plan voor risicocommunicatie heeft tot doel een geïntegreerd kader voor risicocommunicatie te bevorderen, dat zowel de risicobeoordelaars als de risicomanagers op coherente en systematische wijze in acht nemen, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau. In het plan worden:
2.  Het algemene plan voor risicocommunicatie heeft tot doel een geïntegreerd kader voor risicocommunicatie te bevorderen, dat zowel de risicobeoordelaars als de risicomanagers op coherente en systematische wijze in acht nemen, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau. In het plan worden:
a)  de voornaamste factoren aangewezen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het soort risicocommunicatieactiviteiten dat nodig is, en het niveau daarvan;
a)  de voornaamste factoren aangewezen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het soort risicocommunicatieactiviteiten dat nodig is, en het niveau daarvan;
b)  de belangrijkste voor de voor risicocommunicatiedoeleinden te gebruiken instrumenten en kanalen aangewezen, rekening houdend met de behoeften van relevante doelgroepen; alsmede
b)  de belangrijkste voor de voor risicocommunicatiedoeleinden te gebruiken instrumenten en kanalen aangewezen, rekening houdend met de noodzaak om hierbij alle belanghebbenden, met inbegrip van de economische spelers in de voedselketen en consumenten- en andere maatschappelijke organisaties, op evenwichtige wijze te betrekken;
c)  passende mechanismen vastgesteld ter versterking van de samenhang van de risicocommunicatie tussen risicobeoordelaars en risicomanagers en gezorgd voor een open dialoog tussen alle belanghebbenden.
c)  passende mechanismen vastgesteld ter versterking van de samenhang van de risicocommunicatie tussen risicobeoordelaars en risicomanagers, onder meer door verschillen in de wetenschappelijke beoordeling of in de perceptie van het aanvaardbare risiconiveau systematisch te erkennen en te verklaren;
c bis)  de praktische regelingen en het tijdschema vastgelegd voor de bekendmaking van de in artikel 55 bis, lid 1, bedoelde informatie aan het publiek.
3.  De Commissie stelt het algemene plan voor risicocommunicatie binnen [twee jaar na de datum van toepassing van deze verordening] en houdt het actueel, rekening houdend met de technische en wetenschappelijke vooruitgang en de opgedane ervaring.
3.  De Commissie stelt het algemene plan voor risicocommunicatie binnen [twee jaar na de datum van toepassing van deze verordening] en houdt het actueel, rekening houdend met de technische en wetenschappelijke vooruitgang en de opgedane ervaring.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 8 quinquies (nieuw)
Artikel 8 quinquies
Transparantie van de risicocommunicatie
1.  De Commissie, de Autoriteit en de lidstaten voeren hun taken in het kader van de risicocommunicatie over de levensmiddelenwetgeving uit met een hoog niveau van transparantie.
2.  De Commissie kan passende richtsnoeren uitvaardigen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 9
1 bis)  Artikel 9 wordt vervangen door:
Artikel 9
"Artikel 9
Openbare raadpleging
Openbare raadpleging
Het publiek wordt bij de opstelling, beoordeling en herziening van de levensmiddelenwetgeving rechtstreeks of via representatieve organen op een openbare en transparante wijze geraadpleegd, behalve wanneer zulks om redenen van urgentie onmogelijk is.
Het publiek wordt bij de risicoanalyse en bij de opstelling, beoordeling en herziening van de levensmiddelenwetgeving rechtstreeks of via representatieve organen op een openbare en transparante wijze geraadpleegd, behalve wanneer zulks om redenen van urgentie onmogelijk is.".
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 10
1 ter)  Artikel 10 wordt vervangen door:
Artikel 10
"Artikel 10
Informatie voor het publiek
Informatie voor het publiek
Onverminderd de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en het nationale recht betreffende de toegang tot documenten, nemen de autoriteiten, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een levensmiddel of een diervoeder een risico voor de gezondheid van mens of dier inhoudt, afhankelijk van de aard, ernst en omvang van dat risico de nodige stappen om het publiek te informeren over de aard van het gezondheidsrisico, waarbij zij zo volledig mogelijk aangeven welk levensmiddel of diervoeder, dan wel welke soort levensmiddel of diervoeder, het betreft, welk risico dat kan inhouden en welke maatregelen zijn genomen of zullen worden genomen om het risico te voorkomen, te beperken of weg te nemen.
1.   Onverminderd de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en het nationale recht betreffende de toegang tot documenten, nemen de autoriteiten, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een levensmiddel of een diervoeder een risico voor de gezondheid van mens of dier inhoudt, passende en tijdige stappen om het publiek te informeren over de aard van het gezondheidsrisico, waarbij zij zo volledig mogelijk aangeven welke producten het betreft, welk risico deze kunnen inhouden en welke maatregelen zijn genomen of zullen worden genomen om het risico te voorkomen, te beperken of weg te nemen. Dit lid is eveneens van toepassing indien het vermoeden bestaat dat er sprake is van niet-naleving als gevolg van mogelijke opzettelijke inbreuken op de toepasselijke Uniewetgeving door middel van frauduleuze of bedrieglijke praktijken.
2.  Om te zorgen voor de eenvormige toepassing van lid 1 stelt de Commissie uiterlijk ... [twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] uitvoeringshandelingen vast betreffende de wijze van toepassing ervan.".
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 22 – lid 7
1 quater)  Artikel 22, lid 7, tweede alinea, wordt vervangen door:
Zij handelt in nauwe samenwerking met de bevoegde instanties in de lidstaten die soortgelijke werkzaamheden verrichten als de Autoriteit.
"Zij handelt in samenwerking met de andere kwaliteitsborgingsagentschappen van de Europese Unie.".
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 quinquies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 23 – alinea 1 – letter b
1 quinquies)  In artikel 23, eerste lid, wordt punt b) vervangen door:
b)  bevordert en coördineert de ontwikkeling van uniforme risicobeoordelingsmethoden op de gebieden die tot haar opdracht behoren;
"b) bevordert en coördineert door middel van een transversale aanpak de ontwikkeling van uniforme risicobeoordelingsmethoden op de gebieden die tot haar opdracht behoren, met name rekening houdend met de "cocktaileffecten" van chemische stoffen die gevolgen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid en het milieu;".
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter b
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 25 – lid 1 bis
1 bis.  Naast de in lid 1 bedoelde gewone leden en plaatsvervangende leden omvat de raad van bestuur:
1 bis.  Naast de in lid 1 bedoelde gewone leden en plaatsvervangende leden omvat de raad van bestuur:
a)  twee leden en plaatsvervangende leden die door de Commissie worden benoemd en die de Commissie vertegenwoordigen, met stemrecht.
a)  twee leden en plaatsvervangende leden die door de Commissie worden benoemd en die de Commissie vertegenwoordigen, met stemrecht.
b)  één door het Europees Parlement benoemd lid, met stemrecht.
b)  twee door het Europees Parlement benoemde leden, met stemrecht;
c)  vier leden met stemrecht die de belangen van het maatschappelijk middenveld en de voedselketen vertegenwoordigen, te weten één uit de kringen van consumentenorganisaties, één uit de kringen van niet-gouvernementele milieuorganisaties, één uit de kringen van landbouworganisaties en één uit de kringen van brancheorganisaties. Die leden worden benoemd door de Raad in overleg met het Europees Parlement op basis van een door de Commissie opgestelde lijst welke een groter aantal kandidaten bevat dan het aantal te benoemen leden. De door de Commissie opgestelde lijst wordt, vergezeld van de relevante documentatie, aan het Europees Parlement toegezonden. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na kennisgeving, kan het Europees Parlement zijn standpunten ter overweging indienen bij de Raad, waarna de Raad overgaat tot benoeming van die leden.
c)  zes leden met stemrecht die de belangen van het maatschappelijk middenveld en de voedselketen vertegenwoordigen, te weten één uit de kringen van consumentenorganisaties, één uit de kringen van niet-gouvernementele milieuorganisaties, één uit de kringen van niet-gouvernementele organisaties op het gebied van de volksgezondheid, één uit de kringen van landbouworganisaties, één uit de kringen van agrochemische organisaties en één uit de kringen van brancheorganisaties. Die leden worden benoemd door de Raad in overleg met het Europees Parlement op basis van een door de Commissie opgestelde lijst welke een groter aantal kandidaten bevat dan het aantal te benoemen leden. De door de Commissie opgestelde lijst wordt, vergezeld van de relevante documentatie, aan het Europees Parlement toegezonden. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na kennisgeving, kan het Europees Parlement zijn standpunten ter overweging indienen bij de Raad, waarna de Raad overgaat tot benoeming van die leden.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 25 – lid 2
2.  De ambtstermijn van de leden en de plaatsvervangende leden bedraagt vier jaar. De ambtstermijn van de in lid 1 bis, onder a) en b), bedoelde leden is echter van onbeperkte duur. De ambtstermijn van de in lid 1 bis, onder c), bedoelde leden mag slechts eenmaal kunnen worden verlengd.”;.
2.  De ambtstermijn van de in lid 1 bis, onder b), bedoelde leden bedraagt maximum 2,5 jaar. De ambtstermijn van de in lid 1 bis, onder a) en c), bedoelde leden bedraagt vijf jaar. De ambtstermijn van de in lid 1 bis, onder c), bedoelde leden mag slechts eenmaal kunnen worden verlengd.”;.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter -a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 28 – lid 4 – alinea 1 – inleidende formule
-a)   in artikel 28, lid 4, wordt de inleidende formule als volgt gelezen:
"4. De wetenschappelijke panels bestaan uit onafhankelijke wetenschappers die actief onderzoek doen en hun onderzoeksresultaten publiceren in collegiaal getoetste wetenschappelijke tijdschriften.";
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letters a en b
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 28 – leden 5 tot 5 octies
5.  De leden van het wetenschappelijk comité die geen lid van een wetenschappelijk panel zijn, en de in lid 5 ter bedoelde extra leden van de wetenschappelijke panels worden op voordracht van de uitvoerend directeur door de raad van bestuur benoemd voor een termijn van vijf jaar, die kan worden verlengd, nadat hiervoor in het Publicatieblad van de Europese Unie, in geschikte toonaangevende wetenschappelijke publicaties en op de website van de Autoriteit een oproep tot het tonen van belangstelling is verschenen.
5.  De leden van het wetenschappelijk comité die geen lid van een wetenschappelijk panel zijn en de leden van de wetenschappelijke panels worden door de raad van bestuur benoemd voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar, volgens de onderstaande procedure:
5 bis.  De leden van de wetenschappelijke panels worden benoemd door de raad van bestuur voor een hernieuwbare ambtstermijn van vijf jaar, overeenkomstig de volgende procedure:
a)  de uitvoerend directeur dient, na raadpleging van de raad van bestuur, het verzoek inzake de voor ieder wetenschappelijk panel benodigde specifieke multidisciplinaire expertise in bij de lidstaten en vermeldt het aantal door de lidstaten voor te dragen deskundigen. De uitvoerend directeur stelt de lidstaten in kennis van het onafhankelijkheidsbeleid en de uitvoeringsbepalingen van de Autoriteit die van toepassing zijn op leden van wetenschappelijke panels. De lidstaten doen hun voordrachten op basis van een oproep tot het tonen van belangstelling. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur in kennis van de bij de lidstaten ingediende verzoeken.
a)  de uitvoerend directeur publiceert, na raadpleging van de raad van bestuur, een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie, in geschikte toonaangevende wetenschappelijke publicaties en op de website van de Autoriteit, en brengt de lidstaten op de hoogte. In de oproep wordt de voor ieder wetenschappelijk panel benodigde specifieke multidisciplinaire expertise bepaald en wordt het aantal vereiste deskundigen vermeld.
b)  De lidstaten dragen deskundigen voor teneinde gezamenlijk tot het door de uitvoerend directeur aangegeven aantal te komen. Elke lidstaat draagt ten minste twaalf wetenschappelijke deskundigen voor. De lidstaten kunnen ook staatsburgers van andere lidstaten voordragen.
b)  De lidstaten zorgen voor een brede verspreiding van de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in de wetenschappelijke wereld. Zij kunnen ook deskundigen voor de genoemde vakgebieden voordragen, op voorwaarde dat deze voordrachten gebaseerd zijn op een nationale oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.
c)  Op basis van de voordrachten door de lidstaten stelt de uitvoerend directeur voor elk wetenschappelijk panel een lijst van deskundigen op die meer namen bevat dan het aantal te benoemen leden. De uitvoerend directeur hoeft een dergelijke langere lijst niet op te stellen, als hij/zij kan aantonen op basis van de ontvangen voordrachten en gelet op de onder d) vastgestelde selectiecriteria niet in staat te zijn een langere lijst op te stellen. De uitvoerend directeur dient de lijst in bij de raad van bestuur met het oog op de benoeming van de leden.
c)  Op basis van de ontvangen blijken van belangstelling en voordrachten en in overeenstemming met het onafhankelijkheidsbeleid van de Autoriteit en de uitvoeringsvoorschriften die van toepassing zijn op de leden van de wetenschappelijke panels, stelt de uitvoerend directeur voor elk wetenschappelijk panel een lijst van deskundigen op die meer namen bevat dan het aantal te benoemen leden. De uitvoerend directeur hoeft een dergelijke langere lijst niet op te stellen, als hij of zij kan aantonen op basis van de ontvangen blijken van belangstelling en voordrachten en gelet op de onder d) vastgestelde selectiecriteria niet in staat te zijn een langere lijst op te stellen. De uitvoerend directeur dient de lijst in bij de raad van bestuur met het oog op de benoeming van de leden.
d)  Bij de voordrachten door de lidstaten, de selectie door de uitvoerend directeur en de benoemingen door de raad van bestuur worden de volgende criteria gehanteerd:
d)  Bij de voordrachten door de lidstaten, de selectie door de uitvoerend directeur en de benoemingen door de raad van bestuur worden de volgende criteria gehanteerd:
i)  een hoog niveau van wetenschappelijke deskundigheid;
i)  een hoog niveau van wetenschappelijke deskundigheid;
ii)  onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten, overeenkomstig artikel 37, lid 2, alsmede het onafhankelijkheidsbeleid van de Autoriteit en de uitvoeringsbepalingen inzake de onafhankelijkheid van de leden van de wetenschappelijke panels;
ii)  onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten, overeenkomstig artikel 37, lid 2, alsmede het onafhankelijkheidsbeleid van de Autoriteit en de uitvoeringsbepalingen inzake de onafhankelijkheid van de leden van de wetenschappelijke panels;
iii)  de mate waarin wordt voorzien in de behoeften wat betreft de benodigde specifieke multidisciplinaire expertise van het panel waarin zij zullen worden benoemd en de toepasselijke talenregeling.
iii)  de mate waarin wordt voorzien in de behoeften wat betreft de benodigde specifieke multidisciplinaire expertise van het panel waarin zij zullen worden benoemd en de toepasselijke talenregeling.
e)  De raad van bestuur ziet erop toe dat bij de definitieve benoemingen een zo breed mogelijke geografische spreiding wordt bereikt.
e)  De raad van bestuur ziet erop toe dat bij de definitieve benoemingen een zo breed mogelijke geografische spreiding wordt bereikt.
5 ter.  Indien de Autoriteit vaststelt dat er in een of meerdere panels gebrek is aan specifieke expertise, draagt de uitvoerend directeur extra leden van het (de) panel(s) voor voor benoeming in de raad van bestuur overeenkomstig de procedure van lid 5.
5 bis.  Indien de Autoriteit vaststelt dat er in een of meerdere panels gebrek is aan specifieke expertise, draagt de uitvoerend directeur extra leden van het (de) panel(s) voor voor benoeming in de raad van bestuur overeenkomstig de procedure van lid 5.
5 quater.  De raad van bestuur stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, regels vast betreffende de nadere organisatie en tijdsplanning van de procedures in de leden 5 bis en 5 ter.
5 ter.  De raad van bestuur stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, regels vast betreffende de nadere organisatie en tijdsplanning van de procedures in de leden 5 en 5 bis.
5 quinquies.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de leden van de wetenschappelijke panels onafhankelijk en vrij van belangenconflicten optreden, overeenkomstig artikel 37, lid 2, en de interne maatregelen van de Autoriteit. De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de wetenschappelijke panels over de middelen beschikken om de nodige tijd en inspanning te besteden aan het bijdragen tot de werkzaamheden van de Autoriteit. De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de wetenschappelijke panels geen enkele instructie op nationaal niveau ontvangen en dat hun onafhankelijke wetenschappelijke bijdrage tot het systeem voor risicobeoordeling op het niveau van de Unie als een prioritaire taak voor de bescherming van de veiligheid van de voedselketen wordt erkend.
5 quater.  De leden van de wetenschappelijke panels treden onafhankelijk en vrij van belangenconflicten op, overeenkomstig artikel 37, lid 2, en de interne maatregelen van de Autoriteit. Ze beschikken over de middelen om de nodige tijd en inspanning te besteden aan het bijdragen tot de werkzaamheden van de Autoriteit, ontvangen geen enkele instructie op nationaal niveau en hun onafhankelijke wetenschappelijke bijdrage tot het systeem voor risicobeoordeling op het niveau van de Unie wordt als een prioritaire taak voor de bescherming van de veiligheid van de voedselketen erkend.
5 sexies.  De lidstaten zorgen ervoor dat de overheidsinstanties waar deze wetenschappelijke deskundigen in dienst zijn, alsmede de overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de prioriteiten van de wetenschappelijke instanties waar die deskundigen in dienst zijn, de maatregelen van lid 5 quinquies ten uitvoer leggen.
5 quinquies.  Waar nodig zorgen de lidstaten ervoor dat de overheidsinstanties waar deze wetenschappelijke deskundigen in dienst zijn, alsmede de overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de prioriteiten van de wetenschappelijke instanties waar die deskundigen in dienst zijn, de nodige maatregelen ten uitvoer leggen om te waarborgen dat aan de vereisten van lid 5 quinquies wordt voldaan.
5 septies.  De Autoriteit ondersteunt de taken van de panels door de organisatie van hun werkzaamheden op zich te nemen, in het bijzonder wat betreft de door het personeel van de Autoriteit of door de aangewezen nationale wetenschappelijke organisaties zoals bedoeld in artikel 36 uit te voeren voorbereidende werkzaamheden, onder meer door de mogelijkheid te scheppen voor het opstellen van wetenschappelijke adviezen die collegiaal worden getoetst door de panels voordat zij ze aannemen.
5 sexies.  De Autoriteit ondersteunt de taken van de panels door de organisatie van hun werkzaamheden op zich te nemen, in het bijzonder wat betreft de door het personeel van de Autoriteit of door de aangewezen nationale wetenschappelijke organisaties zoals bedoeld in artikel 36 uit te voeren voorbereidende werkzaamheden, onder meer door de mogelijkheid te scheppen voor het opstellen van wetenschappelijke adviezen die collegiaal worden getoetst door de panels voordat zij ze aannemen.
5 octies.  Elk panel heeft maximaal 21 leden.";
5 septies.  Elk panel heeft maximaal 21 leden.";
5 septies bis.  De Autoriteit biedt de leden van de panels uitgebreide opleiding over het risicobeoordelingsproces aan.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter c
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 28 – lid 9 – letter b
het aantal leden van elk wetenschappelijk panel, binnen het in lid 5 octies bedoelde maximum.
b)  het aantal leden van elk wetenschappelijk panel, binnen het in lid 5 septies bedoelde maximum.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter c bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 28 – lid 9 – letter g bis (nieuw)
c bis)  aan artikel 28, lid 9, wordt het volgende punt toegevoegd:
“g bis) de mogelijkheid voor aanvragers om binnen een maximumtermijn van zes maanden, tenzij anders overeengekomen met de Autoriteit, en voorafgaand aan de bekendmaking van het ontwerpadvies van de Autoriteit, te reageren op kritieke probleemgebieden door middel van nieuwe gegevens.”
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 29 – lid 6
3 bis)  Aan het einde van artikel 29, lid 6, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Zij staan a priori geen uitsluiting van bepaalde wetenschappelijke bewijzen toe, met name niet wanneer deze gepubliceerd zijn na een proces van collegiale toetsing".
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 bis
Op verzoek van een potentiële aanvrager van een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving geeft het personeel van de Autoriteit advies over de toepasselijke bepalingen en de vereiste inhoud van de vergunningsaanvraag. Het door het personeel van de Autoriteit gegeven advies doet geen afbreuk aan, en schept geen verplichtingen ten aanzien van, de latere beoordeling door de wetenschappelijke panels van de vergunningsaanvragen.
De Autoriteit publiceert een document met richtsnoeren waarin een lijst is opgenomen met vragen en antwoorden in verband met de administratieve en wetenschappelijke eisen die aan een vergunningsaanvraag worden gesteld. Op verzoek van een potentiële aanvrager van een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving biedt de Autoriteit bovendien adviessessies aan om uit te leggen welke informatie vereist is en hoe de diverse tests en studies die nodig zijn om de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid van het geplande product aan te tonen, moeten worden uitgevoerd. Het door de Autoriteit gegeven advies doet geen afbreuk aan, en schept geen verplichtingen ten aanzien van, de latere beoordeling door de wetenschappelijke panels van de vergunningsaanvragen. Het personeel van de Autoriteit dat het advies geeft, is niet betrokken bij voorbereidende wetenschappelijke werkzaamheden die relevant zijn, al dan niet rechtstreeks, voor de aanvraag waarop het advies betrekking heeft
Uiterlijk ... [36 maanden na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening] beoordeelt de Commissie de gevolgen van dit artikel voor de werking van de Autoriteit. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de verhoogde werklast en inzet van personeelsleden, en of dit artikel heeft geleid tot een verschuiving in de toewijzing van de middelen van de Autoriteit ten koste van activiteiten van algemeen belang.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 23 ter – lid 1
1.  Er wordt een EU-register ingesteld van studies die door exploitanten van bedrijven in opdracht zijn gegeven met het oog op het verkrijgen van een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie. Exploitanten van bedrijven stellen de Autoriteit onverwijld in kennis van het onderwerp waarop elke studie die in opdracht is gegeven ter ondersteuning van een toekomstige aanvraag voor een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie, betrekking heeft. Het register wordt beheerd door de Autoriteit.
1.  Er wordt een EU-register ingesteld van studies die door exploitanten van bedrijven in opdracht zijn gegeven met het oog op het verkrijgen of vernieuwen van een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie. Exploitanten van bedrijven stellen de Autoriteit onverwijld in kennis van het onderwerp waarop elke studie die in de Unie of daarbuiten in opdracht is gegeven ter ondersteuning van een toekomstige aanvraag voor een vergunning of vernieuwing hiervan krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie, betrekking heeft. Het register wordt beheerd door de Autoriteit.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Bij de in opdracht gegeven studies wordt rekening gehouden met Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
______________
1 bis Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 2
2.  De kennisgevingverplichting in lid 1 geldt ook voor de laboratoria van de Unie die die studies uitvoeren.
2.  De kennisgevingverplichting in lid 1 geldt ook voor elke instelling die de studies uitvoert, met inbegrip van laboratoria, instituten of universiteiten.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Gegevens van een test waartoe opdracht is gegeven, maar die niet geregistreerd zijn, worden niet gebruikt in een risicobeoordeling.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Voor het onderwerp wordt geen toestemming verleend tenzij alle gegevens van alle geregistreerde studies worden ingediend.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Wanneer de Autoriteit aanvullende gegevens vraagt aan en ontvangt van een aanvrager, worden deze gegevens, als zodanig gemarkeerd, ook toegevoegd aan het Unieregister en ter beschikking gesteld van het publiek.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 57 bis gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening voor de vaststelling van sancties voor de niet-naleving van de kennisgevingsverplichting.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 ter – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Dit artikel is niet van toepassing op studies waartoe opdracht is gegeven vóór ... [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 quater – lid 1
1.  Wanneer in de levensmiddelenwetgeving van de Unie is bepaald dat een vergunning kan worden verlengd, stelt de potentiële aanvrager de Autoriteit in kennis van de studies die hij voor dat doel wil uitvoeren. Na deze kennisgeving houdt de Autoriteit een raadpleging van de belanghebbenden en het publiek over de beoogde onderzoeken voor de verlenging en geeft zij advies over de inhoud van de voorgenomen verlengingsaanvraag, rekening houdend met de ontvangen opmerkingen. Het door de Autoriteit gegeven advies doet geen afbreuk aan, en schept geen verplichtingen ten aanzien van, de latere beoordeling door de wetenschappelijke panels van de aanvragen tot verlenging van een vergunning.
1.  Wanneer in de levensmiddelenwetgeving van de Unie is bepaald dat een vergunning kan worden verlengd, stelt de potentiële aanvrager de Autoriteit in kennis van de studies die hij voor dat doel wil uitvoeren. Na deze kennisgeving houdt de Autoriteit een raadpleging van de belanghebbenden en het publiek over de beoogde onderzoeken voor de verlenging en geeft zij advies over de inhoud van de voorgenomen verlengingsaanvraag, rekening houdend met de ontvangen opmerkingen die relevant zijn voor de risicobeoordeling van de beoogde verlenging. Het door de Autoriteit gegeven advies doet geen afbreuk aan, en schept geen verplichtingen ten aanzien van, de latere beoordeling door de wetenschappelijke panels van de aanvragen tot verlenging van een vergunning.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 quater – lid 2
2.  De Autoriteit raadpleegt de belanghebbenden en het publiek over de studies ter ondersteuning van vergunningsaanvragen zodra deze door de Autoriteit openbaar zijn gemaakt overeenkomstig artikel 38 en de artikelen 39 tot en met 39 septies, om na te gaan of er andere relevante wetenschappelijke gegevens of studies beschikbaar zijn over het voorwerp van de vergunningsaanvraag. Deze bepaling is niet van toepassing op de indiening van eventuele aanvullende informatie door de aanvragers gedurende het risicobeoordelingsproces.
2.  De Autoriteit raadpleegt binnen twee maanden de belanghebbenden en het publiek over de studies ter ondersteuning van vergunningsaanvragen zodra deze door de Autoriteit openbaar zijn gemaakt overeenkomstig artikel 38 en de artikelen 39 tot en met 39 septies, om na te gaan of er andere relevante wetenschappelijke gegevens of studies die gebaseerd zijn op onafhankelijke literatuur met collegiale toetsing of die uitgevoerd zijn in overeenstemming met internationale richtsnoeren en goede laboratoriumpraktijken (GLP's), beschikbaar zijn over het voorwerp van de vergunningsaanvraag, onverminderd de eigen verplichtingen van de Autoriteit uit hoofde van artikel 33. Deze bepaling is niet van toepassing op de indiening van eventuele aanvullende informatie door de aanvragers gedurende het risicobeoordelingsproces.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 quinquies
De deskundigen van de Commissie verrichten controles, met inbegrip van audits, om zekerheid te verkrijgen dat testfaciliteiten voldoen aan de toepasselijke normen voor het uitvoeren van tests en studies die aan de Autoriteit worden voorgelegd in het kader van een aanvraag voor een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie. Deze controles worden georganiseerd in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
Het directoraat Audits en analyse inzake gezondheid en voedsel van de Commissie verricht controles, met inbegrip van audits, om zekerheid te verkrijgen dat testfaciliteiten in de Unie en derde landen voldoen aan de toepasselijke normen voor het uitvoeren van tests en studies die aan de Autoriteit worden voorgelegd in het kader van een aanvraag voor een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie. Deze controles worden georganiseerd in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de derde landen in kwestie.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 sexies
Onverminderd het feit dat aanvragers van vergunningen krachtens de levensmiddelenwetgeving verplicht zijn de veiligheidsaspecten van het voorwerp van een procedure in het kader van een vergunningsstelsel aan te tonen, kan de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden de Autoriteit verzoeken wetenschappelijke studies in opdracht te geven teneinde het in het risicobeoordelingsproces gebruikte bewijsmateriaal te verifiëren. De in opdracht gegeven studies kunnen een grotere reikwijdte hebben dan het te verifiëren bewijsmateriaal.
Onverminderd het feit dat aanvragers van vergunningen krachtens de levensmiddelenwetgeving verplicht zijn de veiligheidsaspecten van het voorwerp van een procedure in het kader van een vergunningsstelsel aan te tonen, kan de Commissie in geval van uiteenlopende wetenschappelijke bevindingen de Autoriteit verzoeken wetenschappelijke studies in opdracht te geven teneinde het in het risicobeoordelingsproces gebruikte bewijsmateriaal te verifiëren. De in opdracht gegeven studies kunnen een grotere reikwijdte hebben dan het in het risicobeoordelingsproces te verifiëren bewijsmateriaal. Verificatiestudies worden gefinancierd met de bijdragen van aanvragers aan een gemeenschappelijk fonds. De Commissie neemt een gedelegeerde handeling aan overeenkomstig artikel 57 bis tot vaststelling van de modaliteiten van dat fonds.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 32 sexies – alinea 1 bis (nieuw)
Bij de in opdracht gegeven studies wordt rekening gehouden met Richtlijn 2010/63/EU.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 33 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
4 bis)  aan artikel 33, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
"d bis) combinatorische en geaccumuleerde effecten.".
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – inleidende formule
1.  De Autoriteit verricht haar werkzaamheden met een hoge mate van transparantie. Zij maakt met name het volgende onverwijld openbaar:
1.  De Autoriteit verricht haar werkzaamheden met een hoge mate van transparantie, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1367/2006 en onverminderd Richtlijn (EU) nr. 1049/2001. Zij maakt met name het volgende onverwijld openbaar:
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – letter a
a)  de agenda’s en notulen van het wetenschappelijk comité, de wetenschappelijke panels en de werkgroepen ervan;
a)  de agenda's, lijsten van deelnemers en notulen van de raad van bestuur, het adviescomité, het wetenschappelijk comité, de wetenschappelijke panels en de werkgroepen ervan;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – letter c
c)  wetenschappelijke gegevens, studies en andere informatie ter ondersteuning van aanvragen voor een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie, met inbegrip van de door de aanvragers verstrekte aanvullende informatie, alsmede andere wetenschappelijke gegevens en informatie ter ondersteuning van verzoeken van het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten om een specifiek product van wetenschappelijke output, met inbegrip van een wetenschappelijk advies, rekening houdend met de bescherming van vertrouwelijke informatie en de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 septies;
c)  wetenschappelijke gegevens, studies en andere informatie ter ondersteuning van aanvragen voor een vergunning krachtens de levensmiddelenwetgeving van de Unie, met inbegrip van de door de aanvragers verstrekte aanvullende informatie, alsmede andere wetenschappelijke gegevens en informatie ter ondersteuning van verzoeken van het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten om een specifiek product van wetenschappelijke output, met inbegrip van een wetenschappelijk advies, rekening houdend met een hoger openbaar belang dat openbaarmaking gebiedt en de bescherming van vertrouwelijke informatie en de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 septies;
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – letter d
d)  de informatie waarop haar wetenschappelijke output, met inbegrip van wetenschappelijke adviezen, is gebaseerd, rekening houdend met de bescherming van vertrouwelijke gegevens en de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 septies;
d)  de informatie waarop haar wetenschappelijke output, met inbegrip van wetenschappelijke adviezen, is gebaseerd, rekening houdend met een hoger openbaar belang dat openbaarmaking gebiedt en de bescherming van vertrouwelijke gegevens en de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 septies;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – letter h bis (nieuw)
h bis)  informatie met betrekking tot de naam van de aanvrager en de titel van de aanvraag;
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – letter i
i)  advies dat de Autoriteit overeenkomstig de artikelen 32 bis en 32 quater aan potentiële aanvragers heeft verleend in de fase vóór de indiening.
i)  algemeen advies dat de Autoriteit overeenkomstig de artikelen 32 bis en 32 quater aan potentiële aanvragers heeft verleend in de fase vóór de indiening.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 – alinea 2
De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden openbaar gemaakt op een speciaal daarvoor bestemd deel van de website van de Autoriteit. Dat deel moet openbaar en gemakkelijk toegankelijk zijn. De relevante gegevens moeten in elektronische vorm kunnen worden gedownload, geprint en doorzocht.”;
De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden openbaar gemaakt op een speciaal daarvoor bestemd deel van de website van de Autoriteit. Dat deel moet openbaar en gemakkelijk toegankelijk zijn en onderworpen zijn aan duidelijke verbintenissen die elektronisch worden vastgelegd door degenen die het bezoeken en aan maatregelen en sancties voor commercieel gebruik die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De relevante gegevens moeten in elektronische vorm kunnen worden gedownload, geprint met een watermerk voor de traceerbaarheid en doorzocht en moeten machinaal leesbaar zijn. Bij deze maatregelen wordt gefocust op het commerciële gebruik van documenten en de indiening ervan. Deze maatregelen worden opgesteld om op doeltreffende wijze bescherming te bieden tegen commercieel gebruik van in de eerste alinea bedoelde gegevens, zowel in de Unie als in derde landen.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 bis – alinea 1 – inleidende formule
1 bis.  De openbaarmaking van de in lid 1, onder c), genoemde informatie doet geen afbreuk aan:
1 bis.  De openbaarmaking van de in lid 1, onder c), d) en i), genoemde informatie doet geen afbreuk aan:
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 bis – alinea 1 – letter a
a)  de intellectuele-eigendomsrechten die kunnen rusten op documenten of de inhoud ervan; alsmede
Schrappen
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 1 bis – alinea 2
De openbaarmaking van de in lid 1), onder c), genoemde informatie mag niet worden beschouwd als een expliciete of impliciete toestemming of vergunning om de desbetreffende gegevens en informatie en de inhoud daarvan te gebruiken, reproduceren of anderszins te exploiteren, en de Europese Unie draagt geen verantwoordelijkheid voor het gebruik ervan door derden.
De openbaarmaking van de in lid 1), onder c), genoemde informatie mag niet worden beschouwd als een expliciete of impliciete toestemming of vergunning om de desbetreffende gegevens en informatie en de inhoud daarvan commercieel te gebruiken, reproduceren of anderszins te exploiteren voor commerciële doeleinden. Om iedere twijfel weg te nemen, kan de gepubliceerde informatie worden gebruikt voor publieke en academische toetsing van de resultaten, onder meer om een beter inzicht te krijgen in de potentiële negatieve effecten op de gezondheid en het milieu, en draagt de Unie geen verantwoordelijkheid voor het gebruik ervan door derden.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 38 – lid 3 bis (nieuw)
c bis)   Het volgende lid wordt ingelast:
"3 bis. Dit artikel doet geen afbreuk aan Richtlijn 2003/4/EG, noch aan Verordeningen (EG) nr. 1049/2001 en (EG) nr. 1367/2006.".
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 1
1.  In afwijking van artikel 38 maakt de Autoriteit geen informatie openbaar waarvoor onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden is verzocht om deze als vertrouwelijk te behandelen.
1.  In afwijking van artikel 38 en zonder afbreuk te doen aan Verordening (EG) nr. 1049/2001, Richtlijn 2003/4/EG en het algemene beginsel dat de belangen van de volksgezondheid altijd voorrang hebben op privébelangen, maakt de Autoriteit geen informatie openbaar waarvoor op grond van de in dit artikel neergelegde voorwaarden is verzocht om deze als vertrouwelijk te behandelen en waarvoor dit verzoek is ingewilligd.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 2 – punt 1
1)  de methode, en andere technische en industriële specificaties in verband met die methode, die worden gebruikt voor de vervaardiging of productie van de zaak waarop het verzoek om een specifiek product van wetenschappelijke output, met inbegrip van een wetenschappelijk advies, betrekking heeft;
1)  de methode, en andere technische en industriële specificaties in verband met die methode, die worden gebruikt voor de vervaardiging of productie van de zaak waarop het verzoek om een specifiek product van wetenschappelijke output, met inbegrip van een wetenschappelijk advies, betrekking heeft, behalve wanneer dit relevant is om inzicht te verkrijgen in de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu en op voorwaarde dat de aanvrager met verifieerbare motivering aantoont dat deze methode geen betrekking heeft op informatie over emissies in het milieu of over gevolgen voor de gezondheid en het milieu;
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 2 – punt 3
3)  commerciële informatie waaruit gegevens over de bevoorrading, marktaandelen of bedrijfsstrategie van de aanvrager kunnen worden afgeleid; en
3)  commerciële informatie waaruit gegevens over de bevoorrading, vernieuwende ideeën voor het product/de stof, marktaandelen of bedrijfsstrategie van de aanvrager kunnen worden afgeleid;
(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst. Bij aanneming van dit amendement moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 2 – punt 4
4)  de kwantitatieve samenstelling van het onderwerp waarop het verzoek om een specifiek product van wetenschappelijke output, met inbegrip van een wetenschappelijk advies, betrekking heeft.
4)  de kwantitatieve samenstelling van het onderwerp waarop het verzoek om een specifiek product van wetenschappelijke output, met inbegrip van een wetenschappelijk advies, betrekking heeft, behalve wanneer dit relevant is om inzicht te verkrijgen in de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 4 – letter a
a)  wanneer onmiddellijk optreden absoluut noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu, zoals in noodsituaties, kan de Autoriteit de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie openbaar maken; en
a)  wanneer onmiddellijk optreden absoluut noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu, zoals in noodsituaties, kan de Autoriteit de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie openbaar maken; of
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 4 – letter b
b)  informatie die deel uitmaakt van de conclusies van specifieke producten van de wetenschappelijke output van de Autoriteit, met inbegrip van wetenschappelijke adviezen, en die betrekking heeft op de te verwachten gezondheidseffecten..
b)  informatie die deel uitmaakt van de conclusies van specifieke producten van de wetenschappelijke output van de Autoriteit, met inbegrip van wetenschappelijke adviezen, en die betrekking heeft op de te verwachten effecten op de volksgezondheid, de gezondheid van dieren en het milieu.".
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 4 – letter b bis (nieuw)
b bis)  wanneer een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 4 – letter b ter (nieuw)
b ter)  alle informatie waarvoor een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1367/2006, met name wanneer de informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Dit artikel laat Richtlijn 2003/4/EG en Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006 onverlet.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 bis – lid 2
2.  Wanneer een aanvrager een verzoek om vertrouwelijke behandeling indient, verstrekt hij een niet-vertrouwelijke en een vertrouwelijke versie van de ingediende informatie in de gestandaardiseerde gegevensformaten, voor zover deze op grond van artikel 39 septies beschikbaar zijn. Uit de niet-vertrouwelijke versie wordt de informatie die de aanvrager overeenkomstig artikel 39, leden 2 en 3, vertrouwelijk acht, weggelaten. De vertrouwelijke versie bevat alle ingediende informatie, met inbegrip van informatie die de aanvrager vertrouwelijk acht. Informatie waarvoor om vertrouwelijke behandeling is gevraagd, wordt in de vertrouwelijke versie duidelijk als zodanig aangegeven. De aanvrager geeft duidelijk aan op welke gronden om vertrouwelijke behandeling van de verschillende informatie-elementen wordt verzocht.
2.  Wanneer een aanvrager een verzoek om vertrouwelijke behandeling indient, verstrekt hij een niet-vertrouwelijke en een vertrouwelijke versie van de ingediende informatie in de gestandaardiseerde gegevensformaten, voor zover deze op grond van artikel 39 septies beschikbaar zijn. In de niet-vertrouwelijke versie wordt de informatie waarvoor de aanvrager overeenkomstig artikel 39, leden 2 en 3, om vertrouwelijke behandeling verzoekt, met zwarte balken onleesbaar gemaakt. De vertrouwelijke versie bevat alle ingediende informatie, met inbegrip van informatie die de aanvrager als vertrouwelijk beschouwt. Informatie waarvoor om vertrouwelijke behandeling is gevraagd, wordt in de vertrouwelijke versie duidelijk als zodanig aangegeven. De aanvrager geeft duidelijk aan op grond van welke verifieerbare argumenten en bewijzen om vertrouwelijke behandeling van de verschillende informatie-elementen wordt verzocht.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 ter – lid 1 – alinea 1 – letter a
a)  maakt de niet-vertrouwelijke versie, zoals ingediend door de aanvrager, onverwijld openbaar;
a)  maakt de niet-vertrouwelijke versie van de aanvraag, zoals ingediend door de aanvrager, onverwijld openbaar zodra die aanvraag ontvankelijk is verklaard;
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 ter – lid 1 – alinea 1 – letter c
c)  stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van haar voornemen om informatie openbaar te maken en de redenen daarvoor, voordat de Autoriteit formeel een besluit neemt over het verzoek om vertrouwelijke behandeling. Indien de aanvrager het niet eens is met de beoordeling van de Autoriteit kan hij binnen twee weken vanaf de datum waarop hij in kennis werd gesteld van het standpunt van de Autoriteit zijn standpunten kenbaar maken of zijn aanvraag intrekken;
c)  stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van haar voornemen om informatie openbaar te maken en de redenen daarvoor, voordat de Autoriteit formeel een besluit neemt over het verzoek om vertrouwelijke behandeling. De aanvrager kan de Autoriteit er schriftelijk van in kennis stellen dat hij de raad van beroep van de Autoriteit om een nieuw onderzoek van het advies wenst te verzoeken. In dat geval zendt hij binnen zestig dagen na ontvangst van het advies een gedetailleerd bezwaarschrift aan de Autoriteit. Binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift onderzoekt de raad van beroep van de Autoriteit het advies opnieuw.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 ter – lid 1 – alinea 1 – letter d
d)  neemt een met redenen omklede beslissing over het verzoek om vertrouwelijke behandeling, waarbij rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de aanvrager, binnen tien weken na de datum van ontvangst van het verzoek om vertrouwelijke behandeling in het geval van vergunningsaanvragen en zonder onnodige vertraging in het geval van aanvullende gegevens en informatie, en stelt de aanvrager van haar beslissing in kennis en deelt deze mede aan de Commissie en de lidstaten, naargelang van het geval. en
d)  neemt een met redenen omklede beslissing over het verzoek om vertrouwelijke behandeling, waarbij rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de aanvrager, binnen acht weken na de datum van ontvangst van het verzoek om vertrouwelijke behandeling in het geval van vergunningsaanvragen en zonder onnodige vertraging in het geval van aanvullende gegevens en informatie, en stelt de aanvrager van haar beslissing in kennis en deelt deze in elk geval mede aan de Commissie en de lidstaten; en
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 ter – lid 1 – alinea 1 – letter e
e)  maakt eventuele aanvullende gegevens en informatie openbaar waarvoor het verzoek om vertrouwelijke behandeling niet als gerechtvaardigd is erkend, ten vroegste twee weken nadat de aanvrager in kennis is gesteld van haar beslissing, zoals bepaald onder d).
e)  publiceert niet-vertrouwelijke gegevens en informatie over de aanvraag pas nadat een definitief besluit over het verzoek om vertrouwelijke behandeling overeenkomstig dit artikel is genomen en de Autoriteit haar ontwerp van wetenschappelijk advies overeenkomstig artikel 38 heeft gepubliceerd. Wanneer een aanvrager de aanvraag overeenkomstig artikel 39, onder c), intrekt, omdat de door de Autoriteit geplande publicatie van de informatie naar zijn mening te omvangrijk is, maken de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten geen informatie over de vergunningsaanvraag openbaar.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 ter – lid 1 – alinea 2
Tegen de beslissingen van de Autoriteit op grond van dit artikel kan onder de in de artikelen 263 respectievelijk 278 van het Verdrag neergelegde voorwaarden beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Tegen de beslissingen van de Autoriteit op grond van dit artikel kan beroep worden ingesteld bij de raad van beroep van de Autoriteit, die door de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen wordt opgericht. Die gedelegeerde handelingen worden overeenkomstig artikel 57 bis van deze verordening vastgesteld. Het instellen van beroep overeenkomstig dit lid heeft een opschortende werking. De aanvrager kan de Autoriteit er schriftelijk van in kennis stellen dat hij de raad van beroep van de Autoriteit om een nieuw onderzoek van het advies wenst te verzoeken. In dat geval zendt hij binnen zestig dagen na ontvangst van het advies een gedetailleerd bezwaarschrift aan de Autoriteit. Binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift onderzoekt de raad van beroep van de Autoriteit het advies opnieuw. Indien een door de raad van beroep van de Autoriteit genomen beslissing wordt aangevochten, kan onder de in artikel 263 van het Verdrag neergelegde voorwaarden een zaak aanhangig worden gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 quinquies – lid 2
2.  De Commissie en de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de door hen in het kader van de levensmiddelenwetgeving van de Unie ontvangen informatie waarvoor om vertrouwelijke behandeling is gevraagd, niet openbaar wordt gemaakt voordat door de Autoriteit is beslist over het verzoek om vertrouwelijke behandeling en die beslissing definitief is geworden. De Commissie en de lidstaten nemen ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat informatie waarvoor de Autoriteit ermee heeft ingestemd dat deze vertrouwelijk moet worden behandeld, niet openbaar wordt gemaakt.
2.  De Commissie en de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de door hen in het kader van de levensmiddelenwetgeving van de Unie ontvangen informatie waarvoor om vertrouwelijke behandeling is gevraagd, niet openbaar wordt gemaakt voordat door de Autoriteit is beslist over het verzoek om vertrouwelijke behandeling en die beslissing definitief is geworden, behalve wanneer om toegang tot informatie wordt verzocht in overeenstemming met Richtlijn 2003/4/EG of de nationale wetgeving betreffende de toegang tot documenten. De Commissie en de lidstaten nemen ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat informatie waarvoor de Autoriteit ermee heeft ingestemd dat deze vertrouwelijk moet worden behandeld, niet openbaar wordt gemaakt, behalve wanneer om toegang tot informatie wordt verzocht in overeenstemming met Richtlijn 2003/4/EG of de nationale wetgeving betreffende de toegang tot documenten.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 quinquies – lid 3
3.  Indien een aanvrager in het kader van een vergunningsprocedure een aanvraag intrekt of heeft ingetrokken, eerbiedigen de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, zoals aanvaard door de Autoriteit overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 septies. De aanvraag wordt geacht te zijn ingetrokken vanaf het moment waarop het schriftelijke verzoek daartoe is ontvangen door de bevoegde instantie die de oorspronkelijke aanvraag in ontvangst had genomen. Indien aanvraag is ingetrokken voordat de Autoriteit heeft beslist over het desbetreffende verzoek om vertrouwelijke behandeling, maken de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten geen informatie openbaar waarvoor om vertrouwelijke behandeling is gevraagd.
3.  Indien een aanvrager in het kader van een vergunningsprocedure een aanvraag intrekt of heeft ingetrokken, eerbiedigen de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, zoals aanvaard door de Autoriteit overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 septies. De aanvraag wordt geacht te zijn ingetrokken vanaf het moment waarop het schriftelijke verzoek daartoe is ontvangen door de bevoegde instantie die de oorspronkelijke aanvraag in ontvangst had genomen. Indien een aanvrager beslist zijn aanvraag in te trekken, maakt de Autoriteit geen informatie openbaar, ongeacht of deze informatie vertrouwelijk of niet vertrouwelijk is.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 sexies – lid 1 – letter c
c)  de namen van alle deelnemers aan de vergaderingen van het wetenschappelijk comité, de wetenschappelijke panels en de werkgroepen ervan;
c)  de namen van alle deelnemers aan en waarnemers bij de vergaderingen van het wetenschappelijk comité, de wetenschappelijke panels, de werkgroepen ervan of andere ad-hocgroepen die over het onderwerp vergaderen.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 septies – lid 1
1.  Voor de toepassing van artikel 38, lid 1, onder c), en met het oog op een efficiënte verwerking van de verzoeken aan de Autoriteit om een specifiek product van wetenschappelijke output, worden gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten vastgesteld waarmee documenten kunnen worden ingediend, doorzocht, gekopieerd en afgedrukt onder naleving van de wettelijke vereisten zoals vastgesteld in de levensmiddelenwetgeving van de Unie. Deze gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten mogen niet gebaseerd zijn op propriëtaire normen en moeten de interoperabiliteit met bestaande benaderingen voor het indienen van gegevens zo veel mogelijk waarborgen.
1.  Voor de toepassing van artikel 38, lid 1, onder c), en met het oog op een efficiënte verwerking van de verzoeken aan de Autoriteit om een specifiek product van wetenschappelijke output, worden gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten vastgesteld waarmee documenten kunnen worden ingediend, doorzocht, gekopieerd en afgedrukt onder naleving van de wettelijke vereisten zoals vastgesteld in de levensmiddelenwetgeving van de Unie, waarbij de haalbaarheid voor kleine en middelgrote ondernemingen wordt gegarandeerd. Deze gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten mogen niet gebaseerd zijn op propriëtaire normen en moeten de interoperabiliteit met bestaande benaderingen voor het indienen van gegevens zo veel mogelijk waarborgen.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 septies – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De gestandaardiseerde gegevensformaten en softwarepakketten zijn alleen van toepassing op gegevens die zijn gegenereerd na de vaststelling van de uitvoeringshandelingen overeenkomstig lid 2, onder b).
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 39 octies – alinea 1
De informatiesystemen die de Autoriteit gebruikt om gegevens op te slaan, met inbegrip van vertrouwelijke en persoonsgegevens, moeten zo zijn ontworpen dat zij een hoog beveiligingsniveau bieden dat past bij de betrokken beveiligingsrisico’s, met inachtneming van de artikelen 39 tot en met 39 septies van deze verordening. Voor de toegang wordt ten minste een systeem met tweefactorauthenticatie gebruikt, of een systeem dat een gelijkwaardig beveiligingsniveau biedt. Het systeem moet ervoor zorgen dat de toegang volledig controleerbaar is.”.
De informatiesystemen die de Autoriteit gebruikt om gegevens op te slaan, met inbegrip van vertrouwelijke en persoonsgegevens, moeten zo zijn ontworpen dat wordt gegarandeerd dat de hoogste beveiligingsnormen zullen worden gehaald die passen bijde betrokken beveiligingsrisico’s, met inachtneming van de artikelen 39 tot en met 39 septies van deze verordening. Voor de toegang wordt ten minste een systeem met tweefactorauthenticatie gebruikt, of een systeem dat een gelijkwaardig beveiligingsniveau biedt. Het systeem moet ervoor zorgen dat de toegang volledig controleerbaar is.”.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 41 – lid 1
„Waar het milieu-informatie betreft, zijn de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad eveneens van toepassing..
De Autoriteit zorgt ervoor dat de documenten waarover zij beschikt, ruim toegankelijk zijn. Waar het milieu-informatie betreft, is Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad39 eveneens van toepassing. De artikelen 38 tot en met 39 quinquies van deze verordening zijn van toepassing onverminderd de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.
__________________
__________________
39 Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13).
39 Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13).
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 51 – lid 1 bis (nieuw)
9 ter)  In artikel 51 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis. De Commissie neemt een gedelegeerde handeling aan overeenkomstig artikel 57 bis voor de ontwikkeling van een geharmoniseerd netwerkbeheersysteem voor waarschuwingen over levensmiddelen tussen de Commissie en de lidstaten.".
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 57 bis – lid 2
2.  De in artikel 8, onder c), bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze verordening].
2.  De in artikel 8, onder c), artikel 32 ter, lid 4 bis, artikel 39 ter , lid 1, alinea 2, en artikel 51, lid 1 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Verordening (EG) nr. 178/2002
Artikel 61
Artikel 61
Artikel 61
Evaluatieclausule
Evaluatieclausule
1.  De Commissie draagt zorg voor een regelmatige evaluatie van de toepassing van deze verordening.
1.  De Commissie draagt zorg voor een regelmatige evaluatie van de toepassing van deze verordening.
2.  Uiterlijk vijf jaar na de in artikel [inwerkingtreding van de verordening tot wijziging van de algemene levensmiddelenwetgeving] bedoelde datum en vervolgens om de vijf jaar evalueert de Commissie de prestaties van de Autoriteit met betrekking tot haar doelstellingen, mandaat, taken, procedures en locatie, overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie. Deze evaluatie richt zich op de vraag of het mandaat van de Autoriteit moet worden gewijzigd en op de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen.
2.  Uiterlijk vijf jaar na de in artikel [inwerkingtreding van de verordening tot wijziging van de algemene levensmiddelenwetgeving] bedoelde datum en vervolgens om de vijf jaar geeft de Autoriteit samen met de Commissie opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van hun prestaties en realisaties met betrekking tot hun doelstellingen, mandaten, taken, procedures en locaties. De evaluatie wordt gebaseerd op het werkprogramma van de raad van bestuur, in overleg met de Commissie. In de evaluatie worden de werkmethoden en de impact van de Autoriteit beoordeeld en wordt de vraag behandeld of het mandaat van de Autoriteit moet worden gewijzigd, inclusief de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen. Voorts wordt erin nagegaan of het nodig is de activiteiten van de Autoriteit nauwer te coördineren en te laten aansluiten bij die van de bevoegde instanties in de lidstaten en andere agentschappen van de Unie. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de opvattingen van de belanghebbenden, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau.
2 bis.  De raad van bestuur onderzoekt de conclusies van de evaluatie en doet de Commissie aanbevelingen, die betrekking kunnen hebben op veranderingen in de Autoriteit.
3.  Als de Commissie van oordeel is dat het voortbestaan van de Autoriteit niet langer gerechtvaardigd is in het licht van zijn doelstellingen, mandaat en taken, kan zij voorstellen om de desbetreffende bepalingen van deze verordening dienovereenkomstig te wijzigen of in te trekken.
4.  De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur over de resultaten van de evaluatie. De resultaten van de evaluatie worden openbaar gemaakt..
4.  De in de leden 2 en 2 bedoelde evaluaties en aanbevelingen worden toegezonden aan de Commissie, de Raad, het Europees Parlement en de raad van bestuur. De resultaten van de evaluatie en de aanbevelingen worden openbaar gemaakt.".
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2001/18/EG
Artikel 24 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis)   Aan artikel 24 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De verplichting om op actieve wijze de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie te verspreiden, conform artikel 25 van deze richtlijn en conform de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002, doet geen afbreuk aan het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.".
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 9
Verordening (EG) nr. 1829/2003
Artikel 29 – lid 1
1.  De EAV maakt de vergunningsaanvraag, relevante ondersteunende informatie en eventuele aanvullende informatie, zoals verstrekt door de aanvrager, alsmede haar eigen wetenschappelijke adviezen en de adviezen van de in artikel 4 van Richtlijn 2001/18/EG bedoelde bevoegde autoriteiten openbaar, overeenkomstig de artikelen 38, 39 tot en met 39 septies en 40 van Verordening (EG) nr. 178/2002 en met inachtneming van artikel 30 van deze verordening.
1.  De EAV maakt de vergunningsaanvraag, relevante ondersteunende informatie en eventuele aanvullende informatie, zoals verstrekt door de aanvrager, monitoringverslagen, alsmede haar eigen wetenschappelijke adviezen en de adviezen van de in artikel 4 van Richtlijn 2001/18/EG bedoelde bevoegde autoriteiten openbaar, overeenkomstig de artikelen 38, 39 tot en met 39 septies en 40 van Verordening (EG) nr. 178/2002 en met inachtneming van artikel 30 van deze verordening.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 9
Verordening (EG) nr. 1829/2003
Artikel 29 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De verplichting om op actieve wijze de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie te verspreiden, conform artikel 30 van deze verordening en conform de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002, doet geen afbreuk aan het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1831/2003
Artikel 17 – lid  2 bis (nieuw)
1 bis)   aan artikel 17 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De verplichting om op actieve wijze de in dit artikel vermelde informatie te verspreiden, conform de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002, doet geen afbreuk aan het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.".
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1– punt 2
Verordening (EG) nr. 1831/2003
Artikel 18 – lid 3
3.  In aanvulling op het bepaalde in artikel 39, lid 2, van Verordening nr. 178/2002 en krachtens artikel 39, lid 3, van die verordening, kan de Autoriteit tevens akkoord gaan met vertrouwelijke behandeling voor de volgende informatie, waarvan de openbaarmaking op grond van een verifieerbare motivering kan worden geacht de betrokken belangen aanzienlijk te schaden:
Schrappen
a)  het onderzoeksplan voor studies die de doeltreffendheid van een toevoegingsmiddel aantonen met betrekking tot het beoogde gebruik ervan, zoals omschreven in artikel 6, lid 1, van en bijlage I bij deze verordening; alsmede
b)  de specificaties van de onzuiverheden van de werkzame stof en de desbetreffende, door de aanvrager intern ontwikkelde analysemethoden, met uitzondering van de onzuiverheden die ongunstige gevolgen hebben voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu.”.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1– punt 2
Verordening (EG) nr. 1831/2003
Artikel 18 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Bij de behandeling van aanvragen om toegang tot documenten die in haar bezit zijn, past de Autoriteit de beginselen toe van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1– punt 2
Verordening (EG) nr. 1831/2003
Artikel 18 – lid 3 ter (new)
3 ter.   De lidstaten, de Commissie en de Autoriteit behandelen alle krachtens lid 2 van dit artikel als vertrouwelijk aangemerkte informatie vertrouwelijk, behalve indien het gaat om informatie die openbaar moet worden gemaakt ter bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu. De lidstaten behandelen aanvragen voor toegang tot documenten die zij krachtens deze verordening hebben ontvangen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 2065/2003
Artikel 14 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De verplichting om op actieve wijze de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie te verspreiden, conform de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002, doet geen afbreuk aan het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1– punt 2 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1935/2004
Artikel 19 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis)  aan artikel 19 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De verplichting om op actieve wijze de in lid 1 van dit artikel, de in artikel 20 van deze verordening en de in de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002 vermelde informatie te verspreiden, laat onverlet het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.".
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1935/2004
Artikel 20 – lid 2 – letter b
b)  het handelsmerk waaronder de stof op de markt gebracht wordt, alsmede de handelsnaam van preparaten, materialen of voorwerpen waarin zij wordt gebruikt, indien van toepassing; alsmede
Schrappen
Amendementen 120 en 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 1331/2008
Artikel 11 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De verplichting om op actieve wijze in lid 1 van dit artikel vermelde informatie te verspreiden, conform artikel 12 van deze verordening en de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002, doet geen afbreuk aan het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1331/2008
Artikel 12 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De bepalingen betreffende de in de artikelen 11 en 12 van deze verordening en in de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002 vermelde actieve verspreiding laten onverlet het recht op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 1107/2009
Artikel 16
De Autoriteit beoordeelt eventuele verzoeken om vertrouwelijkheid onverwijld en maakt de informatie die de aanvrager uit hoofde van artikel 15 heeft verstrekt, alsmede eventuele andere door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie, toegankelijk voor het publiek, behalve de informatie waarvoor in overeenstemming met de artikelen 38, 39 tot en met 39 septies en 40 van Verordening (EG) nr. 178/2002, die van overeenkomstige toepassing zijn, en artikel 63 van deze verordening om een vertrouwelijke behandeling is verzocht waarmee de Autoriteit heeft ingestemd.
De Autoriteit beoordeelt eventuele verzoeken om vertrouwelijkheid onverwijld en maakt de informatie die de aanvrager uit hoofde van artikel 15 heeft verstrekt, alsmede eventuele andere door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie, toegankelijk voor het publiek, behalve de informatie waarvoor in overeenstemming met de artikelen 38, 39 tot en met 39 septies en 40 van Verordening (EG) nr. 178/2002, die van overeenkomstige toepassing zijn, en artikel 63 van deze verordening om een vertrouwelijke behandeling is verzocht waarmee de Autoriteit heeft ingestemd, tenzij met de openbaarmaking ervan een openbaar belang van een hogere orde is gediend.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1107/2009
Artikel 23 – alinea 1 – laatste zin
4 bis)  In artikel 23, lid 1, wordt de laatste zin vervangen door:
Voor de doeleinden van deze verordening wordt een werkzame stof die voldoet aan de criteria van een „voedingsmiddel” volgens de definitie in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002, als een basisstof beschouwd.
"Voor de doeleinden van deze verordening wordt een werkzame stof die voldoet aan de criteria van een "voedingsmiddel" volgens de definitie in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002, als een goedgekeurde basisstof beschouwd.".
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1– punt 5
Verordening (EG) nr. 1107/2009
Artikel 63 – lid 1
1.  Overeenkomstig de voorwaarden en procedures in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002 en in dit artikel, kan de aanvrager een verzoek doen, dat vergezeld moet gaan van een verifieerbare motivering, om bepaalde uit hoofde van deze verordening ingediende informatie vertrouwelijk te behandelen.
1.  Overeenkomstig de voorwaarden en procedures in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002 en in dit artikel, kan de aanvrager een verzoek doen, dat vergezeld moet gaan van een toereikende en verifieerbare motivering, om bepaalde uit hoofde van deze verordening ingediende informatie vertrouwelijk te behandelen, met uitzondering van informatie die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht als relevant wordt beschouwd. De motivering bevat verifieerbaar bewijsmateriaal om aan te tonen dat openbaarmaking van de informatie zijn commerciële belangen of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke integriteit in het gedrang kan brengen.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1107/2009
Artikel 63 – lid 3
5 bis)   In artikel 63 wordt lid 3 vervangen door:
3.  Dit artikel doet geen afbreuk aan Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie.
“3. Dit artikel doet geen afbreuk aan Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie noch aan Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006.”
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 2015/2283
Artikel 10 – lid 1
1.  De in artikel 9 van deze verordening voorziene toelatingsprocedure voor het in de Unie in de handel brengen van een nieuw voedingsmiddel en de bijwerking van de Unielijst wordt ingeleid op initiatief van de Commissie of nadat de Commissie een aanvraag van een aanvrager heeft ontvangen in de gestandaardiseerde gegevensformaten, voor zover deze op grond van artikel 39 septies van Verordening (EG) nr. 178/2002 beschikbaar zijn. De Commissie stelt de aanvraag onverwijld ter beschikking van de lidstaten.”;
1.  De in artikel 9 van deze verordening voorziene toelatingsprocedure voor het in de Unie in de handel brengen van een nieuw voedingsmiddel en de bijwerking van de Unielijst wordt ingeleid op initiatief van de Commissie of nadat de Commissie een aanvraag van een aanvrager heeft ontvangen in de gestandaardiseerde gegevensformaten, voor zover deze op grond van artikel 39 septies van Verordening (EG) nr. 178/2002 beschikbaar zijn. De Commissie stelt de aanvraag onverwijld ter beschikking van de lidstaten en maakt de samenvatting van de aanvraag onverwijld openbaar.”;
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1– punt 4
Verordening (EG) nr. 2015/2283
Artikel 23 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De bepalingen betreffende de in artikel 23 van deze verordening en in de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002 vermelde actieve verspreiding doet geen afbreuk aan het recht op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1– punt 4
Verordening (EG) nr. 2015/2283
Artikel 23 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen nadere voorschriften vaststellen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 2015/2283
Artikel 25 – lid 1 bis (nieuw)
4 bis)   Aan artikel 25 wordt het volgende lid toegevoegd:
"1 bis. De verplichting om op actieve wijze de in deze verordening vermelde informatie te verspreiden, conform de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002, doet geen afbreuk aan het recht van eventuele natuurlijke of rechtspersonen op toegang tot documenten op verzoek, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006."
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Transparantie van het risicomanagement
1.  De Commissie en de lidstaten voeren hun taken op het gebied van risicomanagement in het kader van de in de artikelen 1 tot en met 9 genoemde wetgevingshandelingen uit met een hoog niveau van transparantie. Zij maken met name het volgende onverwijld openbaar:
a)  in een vroeg stadium van het risicomanagementproces, alle ontwerpmaatregelen inzake risicomanagement die worden overwogen;
b)  de agenda's, notulen en gedetailleerde samenvattende verslagen van vergaderingen en de als gedelegeerde dan wel uitvoeringshandelingen goed te keuren ontwerpmaatregelen, inclusief de stemmingen en stemverklaringen van de afzonderlijke lidstaten in comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011van het Europees Parlement en de Raad1 bis, inclusief de beroepsinstanties, die de Commissie bijstaan bij de tenuitvoerlegging van [Verordening (EG) nr. 178/2002, Richtlijn 2001/18/EG, Verordening (EG) nr. 1829/2003, Verordening (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 2065/2003, Verordening (EG) nr. 1935/2004, Verordening (EG) nr. 1331/2008, Verordening (EG) nr. 1107/2009 en Verordening 2015/2283] in het kader waarvan de risicobeheersmaatregelen worden besproken en in stemming worden gebracht; en
c)  de agenda's en gedetailleerde notulen van de vergaderingen van de werkgroepen van de lidstaten in het kader waarvan de respectievelijke risicomanagementmaatregelen worden besproken.
2.  Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel voegt de Commissie bij elke ontwerpmaatregel die moet worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 58 [van de algemene levensmiddelenverordening], artikel 30 van Richtlijn 2001/18/EG, artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1831/2003, artikel 19 van Verordening (EG) nr. 2065/2003, artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1935/2004, artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1331/2008, artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en de artikelen 30 en 32 van Verordening (EU) 2015/2283, een toelichting toe die het volgende bevat:
a)  de redenen en doelstellingen van de maatregel;
b)  de motivering van de maatregel op basis van de overwegingen ten aanzien van de noodzaak en evenredigheid;
c)  de gevolgen van de maatregel voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu, voor de samenleving en de levensmiddelenbedrijven, zoals vastgesteld na uitvoering van een effectbeoordeling; en
d)  het resultaat van elke raadpleging van het publiek, inclusief overeenkomstig artikel 9 van [de algemene levensmiddelenverordening].
_______________
1 bis Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0417/2018).


Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) ***I
PDF 125kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 337/75 (COM(2016)0532 – C8-0343/2016 – 2016/0257(COD))
P8_TA(2018)0490A8-0273/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0532),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 166, lid 4, artikel 165, lid 4, en artikel 149 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0343/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 9 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0273/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 december 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/128.)

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 49.


Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) ***I
PDF 125kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad (COM(2016)0528 – C8-0344/2016 – 2016/0254(COD))
P8_TA(2018)0491A8-0274/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0528),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, onder a, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0344/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 9 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0274/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 december 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/126.)

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 49.


Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) ***I
PDF 125kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad (COM(2016)0531 – C8-0342/2016 – 2016/0256(COD))
P8_TA(2018)0492A8-0275/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0531),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0342/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 9 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0275/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 december 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/127.)

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 49.


Aanvulling van de wetgeving inzake EU-typegoedkeuring in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ***I
PDF 126kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanvulling van de wetgeving inzake EU-typegoedkeuring in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (COM(2018)0397 – C8-0250/2018 – 2018/0220(COD))
P8_TA(2018)0493A8-0359/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0397),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0250/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 28 november 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0359/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 december 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot aanvulling van de typegoedkeuringswetgeving van de Unie in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/26.)

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 95.


Humanitaire visa
PDF 149kWORD 58k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende humanitaire visa (2018/2271(INL))
P8_TA(2018)0494A8-0423/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 18 en 19,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, zoals ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en het bijbehorende protocol van 1967,

–  gezien Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode(1),

–  gezien het mondiaal pact van de Verenigde Naties inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en het mondiaal pact van de Verenigde Naties inzake vluchtelingen, overeengekomen na de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten die met eenparigheid van stemmen op 19 september 2016 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen,

–  gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde inzake humanitaire visa, opgesteld door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0423/2018),

A.  overwegende dat er, ondanks talrijke aankondigingen van en verzoeken om veilige en legale trajecten die toegang bieden tot Europees grondgebied voor personen die een verzoek om internationale bescherming willen indienen, momenteel nog geen sprake is van een geharmoniseerde EU-aanpak op het gebied van de procedures voor beschermde toegang, en evenmin sprake is van een wettelijk kader op EU-niveau inzake humanitaire visa, d.w.z. visa die bedoeld zijn om een persoon toegang te bieden tot het grondgebied van de Unie, zodat deze daar een verzoek om internationale bescherming kan indienen;

B.  overwegende dat volgens het arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2017 in zaak C‑638/16(2), X en X/Belgische Staat, de lidstaten krachtens het recht van de Unie niet gehouden zijn om humanitaire visa te verlenen aan personen die toegang tot het grondgebied van hun lidstaat wensen met de bedoeling om een verzoek om internationale bescherming in te dienen, maar dat het de lidstaten vrijstaat om dat op grond van het nationale recht te doen; overwegende dat met dit arrest het bestaande Unierecht wordt uitgelegd, dat kan worden gewijzigd;

C.  overwegende dat diverse lidstaten momenteel nationale regelingen kennen voor de afgifte van humanitaire visa of verblijfsvergunningen, of dergelijke regelingen hebben gekend, en dus voorzien in nationale procedures voor beschermde toegang voor mensen in nood;

D.  overwegende dat het aantal personen dat op basis van nationale procedures voor beschermde toegang met het oog op humanitaire bescherming of via hervestiging wordt toegelaten nog altijd zeer gering is vergeleken met de mondiale behoefte, en dat er in dit verband sprake is van grote verschillen tussen de lidstaten; overwegende dat de reikwijdte van de nationale procedures voor binnenkomst om humanitaire redenen en hervestiging zeer restrictief is omschreven en dat hervestiging gebonden is aan strenge criteria inzake kwetsbaarheid en registratie als vluchteling bij het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen;

E.  overwegende dat daarom naar schatting 90 % van de personen die internationale bescherming genieten, de Unie op irreguliere wijze heeft bereikt, waardoor deze personen al gestigmatiseerd worden voordat ze de buitengrenzen van de lidstaten zelfs maar hebben bereikt;

F.  overwegende dat alleenreizende vrouwen met of zonder kinderen, vrouwelijke gezinshoofden, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, personen met een handicap, tienermeisjes en oudere vrouwen behoren tot de meest kwetsbare groepen op de migratieroutes naar Europa, en dat deze groepen een groter risico lopen op gendergerelateerd geweld, zoals verkrachting, misbruik of seksuele of economische uitbuiting door mensensmokkelaars of ‑handelaren; overwegende dat vrouwen en meisjes bovendien in het algemeen meer risico lopen het slachtoffer te worden van diverse vormen van uitbuiting, met inbegrip van arbeidsuitbuiting en seksuele uitbuiting, langs de migratieroutes naar de Unie, en dikwijls worden gedwongen tot overlevingsseks in ruil voor het voortzetten van hun reis;

G.  overwegende dat dit beleid sinds het jaar 2000 aan de grenzen van de Unie naar schatting al aan minstens 30 000 personen het leven heeft gekost; overwegende dat het dringend noodzakelijk is dat de Unie voorziet in een rechtskader om het onaanvaardbare dodental in het Middellandse Zeegebied en op de migratieroutes naar de Unie aan te pakken, om mensensmokkel, mensenhandel, arbeidsuitbuiting en geweld daadwerkelijk te bestrijden, om ervoor te zorgen dat personen die asiel aanvragen op behoorlijke wijze de EU kunnen inreizen en op waardige wijze worden ontvangen en dat asielaanvragen eerlijk worden behandeld, dat er voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor asiel, asielprocedures, grenscontroles en opsporings- en reddingsactiviteiten, en dat het acquis van de Unie inzake asiel op uniforme wijze wordt toegepast;

H.  overwegende dat het Parlement heeft geprobeerd om bepalingen met die strekking in Verordening (EG) nr. 810/2009 op te nemen en in dat kader amendementen heeft ingediend;

I.  overwegende dat deze amendementen door zowel de Raad als de Commissie zijn verworpen, onder meer met als argument dat dergelijke bepalingen niet in Verordening (EG) nr. 810/2009 thuishoren omdat die alleen van toepassing is op visa voor kort verblijf;

J.  overwegende dat de passiviteit van de Commissie voor het Parlement aanleiding was om onderhavige resolutie over humanitaire visa op te stellen;

K.  overwegende dat intensief is gewerkt, onder meer met de hulp van deskundigen, aan de opstelling van de aanbevelingen in de bijlage bij deze resolutie;

1.  verzoekt de Commissie om overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) uiterlijk op 31 maart 2019 een voorstel in te dienen voor een verordening betreffende de instelling van een Europees humanitair visum, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage hierbij;

2.  is van mening dat de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben om Europese humanitaire visa af te geven aan personen die internationale bescherming zoeken, teneinde die personen het recht te geven om het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven binnen te reizen met als enig doel om in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen;

3.  is van mening dat Europese humanitaire visa een aanvulling moeten vormen op de bestaande nationale procedures voor toegang met het oog op humanitaire bescherming, hervestigingsprocedures en spontane asielaanvragen overeenkomstig het internationale vluchtelingenrecht, maar daar niet in de plaats van mogen treden, en dat de besluitvorming inzake afgifte van Europese humanitaire visa onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten moet blijven vallen;

4.  is van mening dat initiatieven op het gebied van Europese humanitaire visa geen afbreuk mogen doen aan andere initiatieven op het gebied van migratiebeleid, waaronder initiatieven die gericht zijn op de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie;

5.  wijst op de dringende behoefte aan veilige en legale manieren om toegang te verkrijgen tot de Unie, waarvan de invoering van humanitaire visa er één moet zijn, met name ook vanuit genderperspectief omdat vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn en bijgevolg een groter risico lopen om langs routes en in opvangcentra het slachtoffer te worden van seksueel of gendergerelateerd geweld; benadrukt dat vrouwen en meisjes uit derde landen vaak in een kwetsbare economische situatie verkeren of te maken hebben met andere vormen van afhankelijkheid en daardoor meer moeite hebben dan mannen om veilig asiel aan te vragen;

6.  is van mening dat een deel van de financiële gevolgen van dit voorstel gedekt moeten worden door de algemene begroting van de Unie, om op die manier daadwerkelijk uitdrukking te geven aan de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, ook op financieel vlak, tussen de lidstaten, zoals neergelegd in artikel 80 VWEU;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de bijbehorende aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de nationale parlementen, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Dienst voor extern optreden, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Het Europees Parlement is van mening dat de vast te stellen wetgevingshandeling:

1.  VORM EN TITEL VAN HET VAST TE STELLEN INSTRUMENT

–  een afzonderlijke rechtshandeling moet zijn, die wordt vastgesteld in de vorm van een verordening getiteld "Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Europees humanitair visum",

2.  RECHTSGROND

–  artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als rechtsgrond moet hebben,

3.  RECHTVAARDIGING

–  gerechtvaardigd wordt door:

–  de huidige juridische leemte in het recht van de Unie, aangezien dat niet voorziet in hervestigingsprocedures ten behoeve van kwetsbare vluchtelingen en evenmin in procedures, noch in het acquis inzake visa, noch in het acquis inzake grenzen of asiel, voor de toelating van personen die bescherming zoeken tot het grondgebied van de lidstaten, waardoor naar schatting 90 % van de personen die later als vluchteling of begunstigde van subsidiaire bescherming worden erkend, het grondgebied van de lidstaten op irreguliere wijze bereikt(3), vaak via levensbedreigende routes,

–  het risico van versnippering, aangezien de lidstaten in toenemende mate hun eigen programma's en procedures voor toelating op humanitaire gronden opstellen, hetgeen in strijd is met de algemene doelstelling van artikel 78, lid 1, VWEU om een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming te ontwikkelen, en tevens het risico met zich meebrengt dat deze verschillende regelingen de uniforme toepassing ondermijnen van de gemeenschappelijke bepalingen betreffende de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 810/2009(4) en Verordening (EU) 2016/399(5) van het Europees Parlement en de Raad,

–  de hoge kosten, zowel in menselijk als in sociaal, economisch en budgettair opzicht, van de huidige situatie voor de betrokken onderdanen van derde landen (betaling van smokkelaars, risico van mensenhandel en uitbuiting, risico van vervolging, risico van overlijden en mishandeling enz.), en voor de lidstaten en de Unie (hoge kosten voor opsporing en redding, onder meer voor particuliere scheepvaart, grensbewaking, samenwerking met derde landen, asielprocedures en mogelijk terugkeer in geval van afgewezen verzoeken om internationale bescherming, de strijd tegen georganiseerde misdaad, mensenhandel en -smokkel enz.),

–  de meerwaarde van optreden door de Unie, in de vorm van toezicht op de naleving van de waarden van de Unie, waaronder de grondrechten, wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en vertrouwen van asielzoekers in het systeem, rechtszekerheid, voorspelbaarheid, uniforme toepassing en uitvoering van regels, het realiseren van schaalvoordelen en vermindering van de hierboven genoemde kosten in verband met de huidige situatie,

–  moet herinneren aan het feit dat Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) en Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7) alleen van toepassing zijn op het grondgebied van de lidstaten, terwijl er op dit moment onvoldoende legale manieren voor asielzoekers zijn om dat grondgebied te bereiken,

–  moet herinneren aan het feit dat na indiening van een asielaanvraag in een lidstaat de bepalingen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel van toepassing zijn,

–  moet benadrukken dat afwijzing van een aanvraag voor een Europees humanitair visum geen gevolgen heeft voor het recht om asiel aan te vragen in de Unie en de aanvrager er ook niet van weerhoudt om via een andere regeling om bescherming te verzoeken,

4.  ALGEMENE BEPALINGEN

–  ten doel moet hebben bepalingen vast te stellen betreffende de procedures en voorwaarden volgens welke een lidstaat een Europees humanitair visum mag afgeven aan personen die een verzoek om internationale bescherming willen indienen, teneinde die personen het recht te geven om het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven binnen te reizen met als enig doel om in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen,

–  van toepassing moet zijn op onderdanen van derde landen die bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum overeenkomstig Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad(8), en wier verklaringen inzake blootstelling aan of het risico van vervolging zoals bedoeld in Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad(9) kennelijk gegrond zijn, maar die nog niet deelnemen aan een hervestigingsprocedure op grond van een nationale hervestigingsregeling of overeenkomstig de voorgestelde verordening tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad(10) of Richtlijn 2001/55/EG van de Raad(11),

–  van haar toepassingsgebied gezinsleden moet uitsluiten die anders het recht zouden hebben zich op grond van andere rechtshandelingen van de Unie of van de lidstaten binnen tijdig bij hun gezin in een lidstaat te voegen,

5.  PROCEDURES VOOR DE AFGIFTE VAN HUMANITAIRE VISA

–  moet bepalen dat dergelijke visumaanvragen rechtstreeks, langs elektronische weg of schriftelijk, bij een consulaat of ambassade van de lidstaten kunnen worden ingediend,

–  moet voorzien in praktische regels voor deze visumaanvragen, onder meer inzake het invullen van een aanvraagformulier, het verstrekken van informatie over de identiteit van de aanvrager, waaronder biometrische kenmerken, en het vermelden van de redenen, zo goed mogelijk gedocumenteerd, die aan de vrees voor vervolging of ernstige schade ten grondslag liggen,

–  moet bepalen dat de aanvrager van een dergelijk visum wordt uitgenodigd voor een interview (indien noodzakelijk bijgestaan door een tolk), dat met behulp van audio- en videocommunicatie ook op afstand kan plaatsvinden, waarbij een passend niveau van veiligheid, beveiliging en vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd,

–  moet bepalen dat de overgelegde documenten worden beoordeeld, onder meer op hun echtheid, door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige instantie met adequate kennis en deskundigheid op het gebied van internationale bescherming,

–  moet bepalen dat aanvragen voor een dergelijk visum moeten worden beoordeeld op basis van de verklaring van de aanvrager, het interview en, indien voorhanden, ondersteunende documentatie, zonder evenwel de procedure voor het bepalen van de status volledig te doorlopen,

–  moet bepalen dat elke aanvrager, voordat een dergelijk visum wordt afgegeven, aan de hand van gegevens uit de daarvoor beschikbare nationale en EU-databanken en met volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming, aan een veiligheidsonderzoek wordt onderworpen om na te gaan of de aanvrager geen veiligheidsrisico vormt,

–  moet bepalen dat over dergelijke visumaanvragen een besluit wordt genomen binnen 15 kalenderdagen na de datum van indiening van de aanvraag,

–  moet bepalen dat op de aanvraag een individueel besluit wordt genomen, dat schriftelijk en met vermelding van de daaraan ten grondslag liggende redenen aan de aanvrager wordt meegedeeld,

–  moet bepalen dat een onderdaan van een derde land wiens visumaanvraag is afgewezen de mogelijkheid heeft om in beroep te gaan, zoals momenteel ook mogelijk is in geval van weigering van een visum voor kort verblijf of weigering van toegang aan de grens,

6.  AFGIFTE VAN HUMANITAIRE VISA

–  moet bepalen dat dergelijke visa worden afgegeven in de vorm van een gemeenschappelijke sticker en opgenomen worden in het Visuminformatiesysteem,

–  moet bepalen dat, zodra een humanitair visum is afgegeven, de houder ervan het recht heeft om het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven binnen te reizen met als enig doel om in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen,

7.  ADMINISTRATIEF BEHEER EN ORGANISATIE

–  moet bepalen dat aanvragen voor een dergelijk visum worden beoordeeld door naar behoren opgeleid personeel,

–  moet bepalen dat dit personeel kan worden gestationeerd op ambassades of consulaten of in de lidstaten, in welk geval aanvragen elektronisch worden doorgezonden en interviews op afstand plaatsvinden,

–  moet bepalen dat bepaalde aspecten van het proces, doch niet de voorselectie van zaken of beoordeling of besluitvorming van welke aard dan ook, kunnen worden beheerd door externe dienstverleners, waaronder het verstrekken van informatie, het plannen voor interviews en het verzamelen van biometrische kenmerken,

–  moet bepalen dat er passende maatregelen worden genomen om de gegevensbescherming, gegevensbeveiliging en vertrouwelijkheid van communicatie te waarborgen,

–  moet bepalen dat de lidstaten met elkaar samenwerken, alsook met de agentschappen van de Unie, internationale organisaties, gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties en andere belanghebbenden, om een geharmoniseerde toepassing te waarborgen,

–  moet bepalen dat er op ruime schaal informatie ter beschikking wordt gesteld over de procedures en voorwaarden voor de afgifte van een dergelijk visum en over de voorwaarden en procedures voor het verkrijgen van internationale bescherming op het grondgebied van de lidstaten, onder meer op de websites van de ambassades en consulaten van de lidstaten en via de Europese Dienst voor extern optreden,

8.  SLOTBEPALINGEN

–  moet bepalen dat er voor de uitvoering aanzienlijke financiële steun uit het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer ter beschikking van de lidstaten wordt gesteld,

–  moet bepalen dat lidstaten die een dergelijk humanitair visum verstrekken recht hebben op dezelfde compensatie uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie als lidstaten die een vluchteling opvangen via het EU-hervestigingskader,

9.  WIJZIGING VAN ANDERE RECHTSHANDELINGEN

–  wijzigingen moet aanbrengen in:

–  Verordening (EG) nr. 810/2009, om te verduidelijken dat op personen die om internationale bescherming verzoeken de bepalingen van de verordening tot instelling van een Europees humanitair visum van toepassing zijn,

–  Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad(12), om ervoor te zorgen dat aanvragen voor een Europees humanitair visum in het Visuminformatiesysteem worden opgenomen,

–  Verordening (EU) 2016/399, om de toegangsvoorwaarden voor personen die een Europees humanitair visum hebben verkregen, aan te passen,

–  het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, om de lidstaten financiering te verstrekken voor de tenuitvoerlegging van de verordening tot instelling van een Europees humanitair visum,

–  artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen(13) en Richtlijn 2001/51/EG van de Raad(14) teneinde vervoerders van onderdanen van derde landen te vrijwaren van aansprakelijkheid, verplichtingen en sancties indien de betrokken onderdanen van derde landen hun voornemen om internationale of humanitaire bescherming aan te vragen op het grondgebied van de lidstaten kenbaar maken.

(1) PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1.
(2) Arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2017, X en X/Belgische Staat, C-638/16, ECLI:EU:C:2017:173.
(3) HEIN / DONATO (CIR) 2012: Exploring avenues for protected entry in Europe, blz. 17.
(4) Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).
(6) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
(7) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
(8) Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).
(9) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).
(10) 2016/0225(COD).
(11) Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).
(12) Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60).
(13) PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.
(14) Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45).


Visumcode ***I
PDF 227kWORD 79k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 11 december 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (COM(2018)0252 – C8-0114/2018 – 2018/0061(COD))(1)
P8_TA(2018)0495A8-0434/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Het gemeenschappelijk beleid van de Europese Unie inzake visa voor kort verblijf is een integrerend onderdeel van de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen. Het visumbeleid moet een essentieel instrument voor het faciliteren van toerisme en zakelijke transacties blijven en moet tegelijkertijd veiligheidsrisico's en het risico van irreguliere migratie naar de Unie tegengaan.
(1)  Het gemeenschappelijk beleid van de Europese Unie inzake visa voor kort verblijf is een integrerend onderdeel van de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen. Een visumbeleid dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden eerbiedigt, moet reizen van onderdanen van derde landen naar de Unie faciliteren en moet tegelijkertijd het vrije verkeer van personen waarborgen en de veiligheid van personen op het grondgebied van de Unie garanderen. Het gemeenschappelijk visumbeleid moet stroken met andere beleidsterreinen van de Unie en met name het beleid inzake vrij verkeer, verblijf en mobiliteit.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   De lidstaten dienen bij de toepassing van deze verordening hun respectieve verplichtingen uit hoofde van het internationale recht te eerbiedigen, met name de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en andere relevante internationale instrumenten.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De visumaanvraagprocedure dient zo eenvoudig mogelijk te zijn voor de aanvragers. Het dient duidelijk te zijn welke lidstaat bevoegd is om een visumaanvraag te onderzoeken, met name als de aanvrager van plan is meerdere lidstaten te bezoeken. Waar mogelijk moeten de lidstaten aanvragers de mogelijkheid bieden hun aanvraagformulieren elektronisch in te vullen en in te dienen. Er moeten termijnen worden vastgesteld voor de verschillende stappen van de procedure, met name zodat reizigers hun reis beter kunnen plannen en tijden van grote drukte in de consulaten kunnen vermijden.
(4)  De visumaanvraagprocedure dient zo eenvoudig en zo betaalbaar mogelijk te zijn voor de aanvragers. Het dient duidelijk te zijn welke lidstaat bevoegd is om een visumaanvraag te onderzoeken, met name als de aanvrager van plan is meerdere lidstaten te bezoeken. De lidstaten moeten aanvragers de mogelijkheid bieden hun aanvraagformulieren elektronisch in te vullen en in te dienen. Er moeten termijnen worden vastgesteld voor de verschillende stappen van de procedure, met name zodat reizigers hun reis tijdig kunnen plannen en tijden van grote drukte in de consulaten kunnen vermijden. Als onderdeel van de verdere ontwikkeling van het acquis in de richting van een echt gemeenschappelijk visumbeleid dienen de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa evenwel verder te worden geharmoniseerd en dient de uniforme toepassing ervan te worden versterkt.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Visumaanvragen en beslissingen over een aanvraag worden onderzocht en genomen door consulaten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij aanwezig zijn of door een andere lidstaat worden vertegenwoordigd in de derde landen waar de onderdanen aan de visumplicht zijn onderworpen, en dat de consulaten voldoende kennis hebben van de plaatselijke situatie om de integriteit van de visumaanvraagprocedure te waarborgen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)   De lidstaten mogen er niet toe worden verplicht de mogelijkheid om rechtstreeks een aanvraag bij het consulaat in te dienen, te handhaven in plaatsen waar zij een externe dienstverlener hebben ingeschakeld om namens hen visumaanvragen in ontvangst te nemen – onverminderd de verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit Richtlijn 2004/38/EG18, met name artikel 5, lid 2.
Schrappen
_________________
18 Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PB L 229 van 29.6.2004, blz. 35)
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Van aanvragers van een visum voor kort verblijf mag niet worden geëist dat zij in het bezit zijn van een medische reisverzekering. Dat vormt voor de visumaanvragers een onevenredige belasting en er is geen bewijs dat houders van een visum voor kort verblijf een groter risico vormen voor de volksgezondheidsuitgaven van de lidstaten dan onderdanen van derde landen die visumvrijstelling genieten.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De visumleges moeten ervoor zorgen dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de kosten te dekken voor de behandeling van visumaanvragen, onder meer voor passende structuren en voldoende personeel om de kwaliteit en integriteit van het onderzoek van visumaanvragen te waarborgen. Het bedrag van de visumleges moet om de twee jaar opnieuw worden bezien op basis van objectieve criteria.
(6)  De visumleges moeten ervoor zorgen dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de kosten te dekken voor de behandeling van visumaanvragen, onder meer voor passende structuren en voldoende personeel om de kwaliteit, snelheid en integriteit van het onderzoek van visumaanvragen te waarborgen. Het bedrag van de visumleges moet om de twee jaar opnieuw worden bezien op basis van objectieve beoordelingscriteria.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   De nadere bepalingen voor de opvang van aanvragers moeten de menselijke waardigheid en de grondrechten, zoals opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, naar behoren eerbiedigen. Visumaanvragen moeten op niet-discriminerende, professionele en respectvolle wijze worden behandeld.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Om ervoor te zorgen dat onderdanen van derde landen die zijn onderworpen aan de visumplicht, hun visumaanvraag kunnen indienen in het land waar zij wonen, ook al is daar geen lidstaat aanwezig om aanvragen in ontvangst te nemen, moeten externe dienstverleners in staat worden gesteld de nodige diensten te verlenen tegen betaling van een vergoeding die meer bedraagt dan het algemene maximum.
(7)  Om ervoor te zorgen dat onderdanen van derde landen die zijn onderworpen aan de visumplicht, hun visumaanvraag zo dicht mogelijk bij hun woonplaats kunnen indienen, moeten externe dienstverleners in staat worden gesteld aanvragen in ontvangst te nemen tegen betaling van een vergoeding die meer bedraagt dan het algemene maximum.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De vertegenwoordigingsregelingen moeten worden gestroomlijnd en hindernissen die dergelijke regelingen tussen de lidstaten in de weg staan, moeten worden vermeden. De vertegenwoordigende lidstaat dient verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van het gehele proces van verwerking van de visumaanvragen, zonder dat de vertegenwoordigde lidstaat hier een rol in speelt.
(8)  De vertegenwoordigingsregelingen moeten worden gestroomlijnd en versoepeld en hindernissen die dergelijke regelingen tussen de lidstaten in de weg staan, moeten worden vermeden. De vertegenwoordigende lidstaat dient verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van het gehele proces van verwerking van de visumaanvragen, zonder dat de vertegenwoordigde lidstaat hier een rol in speelt.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Indien het derde land geen medewerking verleent bij de overname van eigen onderdanen die zijn aangehouden in een irreguliere situatie, of niet doeltreffend meewerkt bij het terugkeerproces, moet zijn medewerking op het gebied van de overname van irreguliere migranten worden gestimuleerd door sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 810/2009 restrictief en tijdelijk toe te passen op basis van een transparant en op objectieve criteria gestoeld mechanisme.
(11)  Indien het derde land onvoldoende of geen medewerking verleent bij de overname van eigen onderdanen die zijn aangehouden in een irreguliere situatie, of niet doeltreffend of goed meewerkt bij het terugkeerproces, moet zijn medewerking op het gebied van de overname van irreguliere migranten worden gestimuleerd of moet worden aangemoedigd dat de medewerking wordt voortgezet door sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 810/2009 restrictief en tijdelijk toe te passen op basis van een transparant en op objectieve criteria gestoeld mechanisme.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Aanvragers aan wie een visum is geweigerd, moeten het recht hebben beroep aan te tekenen en dat beroep moet, in een bepaalde fase van de procedure, een doeltreffende voorziening in rechte waarborgen. In de kennisgeving van de weigering moet meer gedetailleerde informatie worden opgenomen over de weigeringsgronden en over de procedures om beroep tegen negatieve besluiten aan te tekenen.
(12)  Aanvragers aan wie een visum is geweigerd, moeten het recht hebben beroep aan te tekenen en dat beroep moet zo spoedig mogelijk een doeltreffende voorziening in rechte waarborgen. In de kennisgeving van de weigering moet gedetailleerde informatie worden opgenomen over de weigeringsgronden en over de procedures om beroep tegen negatieve besluiten aan te tekenen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de rechten en beginselen in acht die met name zijn erkend in de internationale verdragen en in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder is zij erop gericht de onvoorwaardelijke eerbiediging te garanderen van het recht op de bescherming van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 VWEU, het recht op een privéleven en een familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 7, het asielrecht als bedoeld in artikel 18 en de rechten van het kind als bedoeld in artikel 24 van genoemd Handvest en de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Er dienen flexibele voorschriften te worden vastgesteld zodat de lidstaten hun middelen optimaal kunnen delen en de consulaire vertegenwoordiging kunnen verbeteren. De samenwerking tussen de lidstaten (Schengenvisumcentra) kan elke vorm aannemen, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, met als doel de geografische consulaire vertegenwoordiging te verbeteren, de kosten van de lidstaten te verlagen, de zichtbaarheid van de Unie te vergroten en de dienstverlening aan de visumaanvragers te verbeteren.
(16)  Er dienen flexibele voorschriften te worden vastgesteld zodat de lidstaten hun middelen optimaal kunnen delen en de consulaire vertegenwoordiging kunnen verbeteren. De samenwerking tussen de lidstaten (Schengenvisumcentra) kan elke vorm aannemen, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, met als doel de geografische consulaire vertegenwoordiging te verbeteren, de kosten van de lidstaten te verlagen, de zichtbaarheid van de Unie te vergroten en de dienstverlening aan de visumaanvragers te verbeteren. Het gemeenschappelijk visumbeleid moet bijdragen tot meer groei en in overeenstemming zijn met ander EU-beleid, zoals op het gebied van externe betrekkingen, handel, onderwijs, cultuur en toerisme.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Door de lidstaten ontwikkelde elektronische systemen voor het aanvragen van een visum dragen bij tot de versoepeling van de aanvraagprocedures, zowel voor de aanvrager als voor het consulaat. Met behulp van de recente juridische en technologische ontwikkelingen moet een gemeenschappelijke oplossing worden ontwikkeld waarmee het volledige proces kan worden gedigitaliseerd.
(17)  Door de lidstaten ontwikkelde elektronische systemen voor het aanvragen van een visum zijn essentieel voor de versoepeling van de aanvraagprocedures, zowel voor de aanvrager als voor het consulaat. Er moet tegen 2025 een gemeenschappelijke oplossing worden ontwikkeld waarmee het volledige proces kan worden gedigitaliseerd in de vorm van een digitaal platform en een elektronisch EU-visum (e-visum), met behulp van de recente juridische en technologische ontwikkelingen, teneinde online visumaanvragen mogelijk te maken om het aanvragers makkelijker te maken en meer bezoekers naar het Schengengebied te halen. Het elektronische systeem voor het aanvragen van een visum moet volledig toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. De eenvoudige en gestroomlijnde procedurele garanties moeten worden versterkt en overal op dezelfde manier worden toegepast.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  De lidstaten dienen bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 810/2009 hun respectieve verplichtingen uit hoofde van het internationale recht te eerbiedigen, met name de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en andere relevante internationale instrumenten.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)   De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de technische wijzigingen aan te brengen aan de bijlagen bij deze verordening.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 ter (nieuw)
(27 ter)   Er moeten passende maatregelen worden uitgewerkt voor de monitoring en evaluatie van deze verordening met betrekking tot de harmonisatie van de behandeling van visumaanvragen. Bij de monitoring en evaluatie moet er ook op worden toegezien dat de lidstaten bij de verwerking van aanvragen de grondrechten volledig eerbiedigen, het beginsel van non-discriminatie toepassen en de bescherming van persoonsgegevens garanderen.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 1 – lid 1
1.  In deze verordening worden de voorwaarden en procedures vastgesteld voor de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.
1.  In deze verordening worden de voorwaarden en procedures vastgesteld voor de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen en voor een voorgenomen verblijf van professionele sporters en cultuurwerkers van maximaal één jaar zonder dat zij gedurende een periode van 180 dagen langer dan 90 dagen in één lidstaat verblijven.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 1 – lid 3 bis (nieuw)
(1 bis)  Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. Bij de toepassing van deze verordening handelen de lidstaten met volledige inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest"), het toepasselijke internationale recht, waaronder het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ("het Verdrag van Genève"), de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en de grondrechten. In overeenstemming met de algemene beginselen van het Unierecht worden besluiten die overeenkomstig deze verordening worden genomen, op individuele basis genomen.";
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 1 – lid 3 ter (nieuw)
(1 ter)  Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:
(3 ter)   De Europese Commissie presenteert uiterlijk in 2025 een systeem voor het aanvragen van een elektronisch visum (e-visum).
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter d
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 2 – punt 12 bis (nieuw)
12 bis.   "professionele sporters en cultuurwerkers": onderdanen van derde landen die geen burger van de Unie in de zin van artikel 20, lid 1, van het Verdrag zijn en behoren tot de volgende categorieën: uitvoerend kunstenaars en hun ondersteunend personeel, topsporters en hun ondersteunend personeel en, indien van toepassing, gezinsleden van deze categorieën personen, die de administratieve en logistieke belemmeringen in verband met de organisatie van een tournee of een wedstrijd van langer dan drie maanden in meerdere lidstaten van het Schengengebied, duidelijk hebben kunnen aantonen.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 3 – lid 5
(3)  In artikel 3, lid 5, wordt het bepaalde onder b) en c) vervangen door:
(3)  In artikel 3, lid 5, wordt het bepaalde onder b) en c) vervangen door:
"b) onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel die is afgegeven door een lidstaat die niet deelneemt aan de vaststelling van deze verordening of door een lidstaat die de bepalingen van het Schengenacquis nog niet volledig toepast, of onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel zoals vermeld op de lijst in bijlage V, die is afgegeven door Andorra, Canada, Japan, San Marino of de Verenigde Staten van Amerika en de onvoorwaardelijke overname van de houder garandeert, of die in het bezit zijn van een verblijfstitel voor de Caribische Koninkrijksdelen van Nederland (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba);
c)  onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldig visum voor een lidstaat die niet deelneemt aan de vaststelling van deze verordening, of voor een lidstaat die de bepalingen van het Schengenacquis nog niet volledig toepast, of voor een land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of voor Canada, Japan of de Verenigde Staten van Amerika, of houders van een geldig visum voor de Caribische Koninkrijksdelen van Nederland (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba), wanneer zij reizen naar het land van afgifte of naar een ander derde land, of wanneer zij op terugreis zijn van het land van afgifte, na gebruik te hebben gemaakt van het visum;";
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 5 – lid 1 – letter b
b)  indien het bezoek meer dan één bestemming omvat of binnen een periode van twee maanden verschillende afzonderlijke bezoeken zullen worden gebracht, de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdbestemming van het (de) bezoek(en) is gelegen qua duur van het verblijf, gerekend in dagen, of,
b)  indien het bezoek meer dan één bestemming omvat of binnen een periode van twee maanden verschillende afzonderlijke bezoeken zullen worden gebracht, de lidstaat waar het uitnodigend bedrijf of, in voorkomend geval, de uitnodigende organisatie is gevestigd, of de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdbestemming van het (de) bezoek(en) is gelegen qua duur van het verblijf, gerekend in dagen, of, indien de hoofdbestemming niet kan worden vastgesteld, de lidstaat langs wiens buitengrens de aanvrager voornemens is het grondgebied van de lidstaten binnen te komen;
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
(5 bis)  In artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:
"2 bis. Indien de op grond van lid 1, onder a) of b), bevoegde lidstaat niet aanwezig of vertegenwoordigd is in het derde land waar de aanvrager overeenkomstig artikel 10 zijn aanvraag indient, mag de aanvrager zijn aanvraag indienen:
a)  bij het consulaat van een van de lidstaten op het grondgebied waarvan de bestemming van het voorgenomen bezoek is gelegen,
b)  bij het consulaat van de lidstaat van eerste binnenkomst, als a) niet van toepassing is,
c)  in alle andere gevallen bij het consulaat van een van die lidstaten die in het land waar de aanvrager zijn aanvraag indient aanwezig zijn.
Indien het consulaat van de op grond van lid 1 bevoegde lidstaat of het consulaat van de lidstaat als bedoeld in de eerste alinea van dit lid zich bevindt op een afstand van meer dan 500 km van de woonplaats van de aanvrager of een retour met het openbaar vervoer vanuit de woonplaats van de aanvrager niet mogelijk is zonder overnachting en het consulaat van een andere lidstaat zich dichter bij de woonplaats van de aanvrager bevindt, kan de aanvrager zijn aanvraag bij het consulaat van die lidstaat indienen.";
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 5 – lid 2 ter (nieuw)
(5 ter)  In artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:
"2 ter. Indien de op grond van lid 1 of lid 2 bevoegde lidstaat overeenkomstig artikel 8 met een andere lidstaat een vertegenwoordigingsregeling is overeengekomen voor het onderzoeken van aanvragen voor en de afgifte van visa, dient de aanvrager zijn aanvraag in te dienen bij het consulaat van de vertegenwoordigende lidstaat.";
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter -a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 8 – lid 1
1.  Een lidstaat kan ermee instemmen een andere lidstaat die op grond van artikel 5 bevoegd is, te vertegenwoordigen voor het onderzoeken van aanvragen voor en de afgifte van visa namens die lidstaat. Een lidstaat mag ook een andere lidstaat in beperkte mate vertegenwoordigen voor uitsluitend het in ontvangst nemen van aanvragen en de afname van biometrische kenmerken.
"1. Onverminderd artikel 6, kan een lidstaat ermee instemmen een andere lidstaat die op grond van artikel 5 bevoegd is, te vertegenwoordigen voor het onderzoeken van aanvragen voor en de afgifte van visa namens die lidstaat. Een lidstaat mag ook een andere lidstaat in beperkte mate vertegenwoordigen voor uitsluitend het in ontvangst nemen van aanvragen en de afname van biometrische kenmerken.";
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 8 – lid 6
(b bis)   lid 6 wordt als volgt gewijzigd:
6.  Om ervoor te zorgen dat beperkte vervoersmogelijkheden of grote afstanden in een specifieke regio of geografisch gebied geen onevenredige moeite van visumaanvragers vergt om toegang tot een consulaat te krijgen, trachten lidstaten zonder eigen consulaat in die regio of dat gebied een regeling inzake vertegenwoordiging te treffen met andere lidstaten die wel over een consulaat in die regio of dat gebied beschikken.
"6. Om ervoor te zorgen dat beperkte vervoersmogelijkheden of grote afstanden in een specifieke regio of geografisch gebied geen onevenredige moeite van visumaanvragers vergt om toegang tot een consulaat te krijgen, trachten lidstaten zonder eigen consulaat in die regio of dat gebied een regeling inzake vertegenwoordiging te treffen met andere lidstaten die wel over een consulaat in die regio of dat gebied beschikken teneinde de discriminatie te bestrijden die tussen de onderdanen van derde landen ontstaat als gevolg van ongelijke toegang tot consulaire diensten.
Dergelijke regelingen kunnen ook worden overeengekomen met de vertegenwoordiging van een lidstaat van de Unie in een buurland van het betrokken derde land, indien deze dichter bij de woonplaats van de aanvrager ligt."
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 9 – lid 1
Aanvragen kunnen ten hoogste zes maanden en voor zeevarenden bij de uitvoering van hun taken ten hoogste negen maanden – tot ten laatste vijftien kalenderdagen voor het begin van het voorgenomen bezoek worden ingediend.
Aanvragen kunnen ten hoogste negen maanden en tot ten laatste vijftien kalenderdagen voor het begin van het voorgenomen bezoek worden ingediend. In gemotiveerde spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld op professionele gronden, op humanitaire gronden, vanwege het nationale belang of gelet op internationale verplichtingen, kunnen consulaten van deze termijn afwijken.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 9 – lid 3
(a bis)   lid 3 wordt als volgt gewijzigd:
In gemotiveerde spoedeisende gevallen kan het consulaat aanvragers toestaan hun aanvraag zonder afspraak in te dienen of vindt de afspraak onmiddellijk plaats.
In gemotiveerde spoedeisende gevallen kan het consulaat aanvragers toestaan hun aanvraag zonder afspraak in te dienen of vindt de afspraak onmiddellijk plaats.
Indien in het geval van een elektronische procedure niet binnen een maand na de indiening van de aanvraag wordt gereageerd, wordt voorzien in een beroepsmogelijkheid om de aanvraag in elk geval te kunnen onderzoeken.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 9 – lid 4 – letter a bis (nieuw)
(a bis)  door de wettelijke vertegenwoordigers van de aanvrager;
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 10 – lid 1
De aanvrager dient bij het indienen van de aanvraag persoonlijk te verschijnen voor het verzamelen van zijn vingerafdrukken, overeenkomstig artikel 13, leden 2 en 3, en lid 7, onder b).
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 13, 42, 43 en 45 kan een aanvrager zijn aanvraag persoonlijk of langs elektronische weg indienen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 13 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
(9 bis)  In artikel 13 wordt aan lid 2 de volgende alinea toegevoegd:
Onverminderd lid 3 mag de aanvrager niet door een externe dienstverlener worden gevraagd in persoon te verschijnen voor elke aanvraag, om de biometrische kenmerken telkens opnieuw te verzamelen. Om externe dienstverleners in staat te stellen om na te gaan dat de biometrische kenmerken verzameld werden, moet de aanvrager een bewijs krijgen nadat zijn biometrische kenmerken werden verzameld.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 14 – lid 4 – alinea 1
4.  De lidstaten kunnen van de aanvragers verlangen dat zij een bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking overleggen door het invullen van een formulier dat is opgesteld door de lidstaat. Dit formulier bevat met name de volgende informatie:
4.  De lidstaten kunnen van de aanvragers verlangen dat zij een bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking overleggen door het invullen van een formulier dat is opgesteld door de Commissie. Dit formulier bevat met name de volgende informatie:
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 14 – lid 4 – alinea 2
Het formulier wordt in de officiële taal of talen van de lidstaat opgesteld en daarnaast in ten minste één andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie. Een model van het formulier wordt aan de Commissie toegestuurd.
De Commissie stelt het formulier vast door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Het formulier wordt gebruikt om de garantsteller/uitnodigende persoon op de hoogte te brengen van de verwerking van zijn/haar persoonsgegevens en de toepasselijke regels. Het formulier wordt in de officiële taal of talen van de lidstaat opgesteld en daarnaast in ten minste één andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 15
(11)  Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 15 wordt geschrapt.
(a)  lid 1 wordt vervangen door:
Schrapping van de medische reisverzekering
"1. Aanvragers van een eenvormig visum voor één binnenkomst dienen aan te tonen dat zij in het bezit zijn van een toereikende en geldige medische reisverzekering ter dekking van eventuele uitgaven voor repatriëring om medische redenen, dringende medische zorg en spoedbehandeling in een ziekenhuis of wegens overlijden tijdens hun voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten;"
(b)  in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:
"2. Aanvragers die een eenvormig visum voor meerdere binnenkomsten aanvragen, dienen aan te tonen dat zij in het bezit zijn van een toereikende en geldige medische reisverzekering voor de duur van hun eerste voorgenomen bezoek;"
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 16
Artikel 16 wordt vervangen door:
Artikel 16
"Artikel 16
Visumleges
Visumleges
1.  Aanvragers dienen een bedrag van 80 EUR aan visumleges te voldoen.
1.  Aanvragers dienen een bedrag van 80 EUR aan visumleges te voldoen.
1 bis.  Voor aanvragers van wie de gegevens reeds in het Visuminformatiesysteem zijn geregistreerd en van wie de biometrische kenmerken overeenkomstig artikel 13 worden verzameld, bedragen de visumleges 60 EUR.
2.  Voor kinderen tussen zes en twaalf jaar bedragen de visumleges 40 EUR;
2.   Voor kinderen tussen twaalf en achttien jaar bedragen de visumleges 40 EUR.
2 bis.  Voor aanvragers die deel uitmaken van een groep die reist voor culturele, sport- of onderwijsdoeleinden, bedragen de visumleges 60 EUR.
4.  Aanvragers die tot een van de volgende categorieën behoren zijn vrijgesteld van visumleges:
4.  Aanvragers die tot een van de volgende categorieën behoren zijn vrijgesteld van visumleges:
a)  kinderen jonger dan zes jaar;
a)  kinderen jonger dan twaalf jaar;
b)  scholieren, studenten, postacademische studenten en begeleidende docenten als het doel van hun verblijf studie of beroepsopleiding is;
b)  scholieren, studenten, postacademische studenten en begeleidende docenten als het doel van hun verblijf studie of beroepsopleiding is;
c)  onderzoekers uit derde landen die reizen voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek in de zin van Aanbeveling nr. 2005/761/EG27 van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 tot vergemakkelijking van de afgifte door de lidstaten van eenvormige visa voor een verblijf van korte duur aan onderzoekers die onderdaan zijn van een derde land en die zich met het oog op wetenschappelijk onderzoek verplaatsen in de Gemeenschap [21];
c)  onderzoekers uit derde landen, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2005/71/EG27 van de Raad, die reizen om wetenschappelijk onderzoek te verrichten of om deel te nemen aan een wetenschappelijk seminar of een wetenschappelijke conferentie;
d)  vertegenwoordigers van non-profitorganisaties die vijfentwintig jaar of jonger zijn en deelnemen aan door non-profitorganisaties georganiseerde studiebijeenkomsten, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen.
d)  vertegenwoordigers van non-profitorganisaties die vijfentwintig jaar of jonger zijn en deelnemen aan door non-profitorganisaties georganiseerde studiebijeenkomsten, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen;
e)  familieleden van burgers van de Unie, als bedoeld in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG.
5.  Van betaling van visumleges kunnen worden vrijgesteld:
5.  Van betaling van visumleges kunnen worden vrijgesteld:
a)  kinderen tussen zes en twaalf jaar oud;
a)  kinderen tussen twaalf en achttien jaar oud;
b)  houders van diplomatieke en dienstpaspoorten;
b)  houders van diplomatieke en dienstpaspoorten;
c)  deelnemers aan door non-profitorganisaties georganiseerde studiebijeenkomsten, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen die vijfentwintig jaar of jonger zijn.
c)  deelnemers aan door non-profitorganisaties georganiseerde studiebijeenkomsten, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen die vijfentwintig jaar of jonger zijn;
d)  aanvragers van een visum met territoriaal beperkte geldigheid dat is afgegeven op humanitaire gronden, vanwege het nationale belang of gelet op internationale verplichtingen, alsmede begunstigden van een Europees hervestigings- of herplaatsingsprogramma;
e)  aanvragers van een visum met territoriaal beperkte geldigheid.
6.  In individuele gevallen kan het te betalen bedrag aan visumleges worden kwijtgescholden of verminderd wanneer daarmee culturele of sportieve belangen alsmede belangen op het gebied van buitenlands beleid, ontwikkelingsbeleid en andere vitale openbare belangen of humanitaire redenen gediend zijn.
6.  In individuele gevallen kan het te betalen bedrag aan visumleges worden kwijtgescholden of verminderd wanneer daarmee culturele of sportieve belangen, belangen op het gebied van buitenlands beleid, ontwikkelingsbeleid en andere vitale openbare belangen of humanitaire redenen of internationale verplichtingen gediend zijn.”;
________________
________________
27 Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15).
27 Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15).
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 17
(13)  Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 17
Dienstverleningskosten
1.  De in artikel 43 bedoelde externe dienstverleners kunnen dienstverleningskosten aanrekenen. De dienstverleningskosten staan in verhouding tot de kosten van de externe dienstverlener voor het uitvoeren van een of meer van de in artikel 43, lid 6, genoemde taken.
1.  De in artikel 43 bedoelde externe dienstverleners kunnen dienstverleningskosten aanrekenen. De dienstverleningskosten staan in verhouding tot de kosten van de externe dienstverlener voor het uitvoeren van een of meer van de in artikel 43, lid 6, genoemde taken.
2.  Die dienstverleningskosten worden gespecificeerd in het in artikel 43, lid 2, bedoelde rechtsinstrument.
2.  Die dienstverleningskosten worden gespecificeerd in het in artikel 43, lid 2, bedoelde rechtsinstrument.
3.  In het kader van de plaatselijke Schengensamenwerking zorgen de lidstaten ervoor dat de aan een aanvrager in rekening gebrachte dienstverleningskosten naar behoren de door de externe dienstverlener verleende diensten weerspiegelen en aan de plaatselijke omstandigheden zijn aangepast. Voorts streven zij ernaar de dienstverleningskosten te harmoniseren.
4.  De dienstverleningskosten mogen niet meer bedragen dan de helft van de visumleges als genoemd in artikel 16, lid 1, ongeacht de mogelijke ontheffingen of vrijstellingen van de visumleges als bedoeld in artikel 16, leden 4, 5 en 6.
4.  De dienstverleningskosten mogen niet meer bedragen dan de helft van de visumleges als genoemd in artikel 16, lid 1, ongeacht de mogelijke ontheffingen of vrijstellingen van de visumleges als bedoeld in artikel 16, leden 4, 5 en 6. De dienstverleningskosten omvatten alle kosten in verband met het indienen van de visumaanvraag, met inbegrip van de kosten van het toezenden van de aanvraag en het reisdocument door de externe dienstverlener aan het consulaat en het terugbezorgen van het reisdocument aan de externe dienstverlener.
5.  De betrokken lidstaten behouden voor alle aanvragers de mogelijkheid rechtstreeks een aanvraag in te dienen bij hun consulaat.
5.  De betrokken lidstaten behouden voor alle aanvragers de mogelijkheid rechtstreeks een aanvraag in te dienen bij hun consulaat of bij een consulaat van een lidstaat waarmee een vertegenwoordigingsregeling is overeengekomen overeenkomstig artikel 40.
5 bis.  Aanvragers ontvangen voor de betaalde dienstverleningskosten een kwitantie.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 19 – lid 3
(13 bis)  Artikel 19 – lid 3
Indien het bevoegde consulaat vaststelt dat niet aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, is de aanvraag niet ontvankelijk, met als gevolg dat het consulaat onverwijld:
"Indien het bevoegde consulaat vaststelt dat niet aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, stelt het de aanvrager waar mogelijk hiervan in kennis, waarbij het de tekortkomingen vermeldt en de aanvrager de gelegenheid biedt om ze te verhelpen. Als de tekortkomingen niet worden verholpen, is de aanvraag niet ontvankelijk, met als gevolg dat het consulaat onverwijld:
–  het aanvraagformulier en alle door de aanvrager verstrekte documenten teruggeeft;
–  het aanvraagformulier en alle door de aanvrager verstrekte documenten teruggeeft;
–  de verzamelde biometrische gegevens vernietigt;
–  de verzamelde biometrische gegevens vernietigt;
–  de visumleges terugbetaalt, en
–  de visumleges terugbetaalt, en
–  de aanvraag niet onderzoekt.
–  de aanvraag niet onderzoekt.";
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 19 – lid 4
(13 bis)  Artikel 19, lid 4, wordt vervangen door:
4.  In afwijking hiervan kan een aanvraag die niet aan de eisen van lid 1 voldoet, op humanitaire gronden of vanwege het nationale belang ontvankelijk worden geacht.
‘4. In afwijking hiervan kan een aanvraag die niet aan de eisen van lid 1 voldoet, op humanitaire gronden of vanwege het nationale belang, of gelet op internationale verplichtingen, ontvankelijk worden geacht.";
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 – lid 3 – letter e
a)  in lid 3 wordt het bepaalde onder e) vervangen door:
a)  in lid 3 wordt het bepaalde onder e) geschrapt.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14 – letter c
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 – lid 8
8.  Bij het onderzoeken van een aanvraag kunnen de consulaten de aanvrager in gerechtvaardigde gevallen om een onderhoud en aanvullende documenten verzoeken.
8.  Bij het onderzoeken van een aanvraag kunnen de consulaten de aanvrager in gerechtvaardigde gevallen om een onderhoud en aanvullende documenten verzoeken. Voor dit onderhoud kan gebruik worden gemaakt van moderne, digitale hulpmiddelen en middelen voor communicatie op afstand, zoals audio- of video-oproepen via internet. De grondrechten van de aanvragers worden tijdens het proces gewaarborgd.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 15 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 22 – lid 4
(a bis)  lid 4 wordt vervangen door:
4.  De Commissie stelt de lidstaten op de hoogte van deze kennisgevingen.
‘4. De Commissie publiceert deze kennisgevingen.";
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 23 – lid 1
Over aanvragen die overeenkomstig artikel 19 ontvankelijk zijn, wordt beslist binnen tien kalenderdagen na de datum van indiening.
Over aanvragen die overeenkomstig artikel 19 ontvankelijk zijn, wordt beslist binnen tien kalenderdagen na de datum van indiening of binnen vijf kalenderdagen voor visumaanvragers van wie de gegevens reeds in het Visuminformatiesysteem zijn geregistreerd en van wie de biometrische kenmerken overeenkomstig artikel 13 zijn verzameld.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 23 – lid 1 – alinea 2
Deze termijn kan in individuele gevallen worden verlengd tot ten hoogste 45 kalenderdagen, met name wanneer nader onderzoek van de aanvraag noodzakelijk is.";
Deze termijn kan in individuele gevallen worden verlengd tot ten hoogste 30 kalenderdagen, met name wanneer nader onderzoek van de aanvraag noodzakelijk is.";
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 23 – lid 2 bis (nieuw)
(a bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:
"2 bis. In gemotiveerde spoedeisende gevallen wordt onverwijld beslist, onder meer als professionele gronden, humanitaire gronden, het nationale belang of internationale verplichtingen daartoe nopen.";
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Indien een consulaat van oordeel is dat een aanvrager aan de voorwaarden voor binnenkomst voldoet en er geen sprake is van gronden voor weigering als bedoeld in artikel 32, wordt overeenkomstig dit artikel een visum afgegeven.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 24 – lid 2 – letter a
a)  voor een geldigheidsduur van één jaar, mits de aanvrager in de voorgaande twee jaar drie visa heeft gekregen en juist heeft gebruikt;
a)  voor een geldigheidsduur van één jaar, mits de aanvrager in de voorgaande twee jaar drie visa heeft gekregen en juist heeft gebruikt, en voor zeevarenden bij de uitvoering van hun taken voor een geldigheidsduur van een jaar, mits de aanvrager in de voorgaande twee jaar twee visa heeft gekregen en juist heeft gebruikt;
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 24 – lid 2 – letter b
b)  voor een geldigheidsduur van twee jaar, mits de aanvrager eerder een meervoudig inreisvisum met een geldigheidsduur van één jaar heeft gekregen en juist heeft gebruikt;
b)  voor een geldigheidsduur van twee jaar, mits de aanvrager in de voorgaande twee jaar een meervoudig inreisvisum met een geldigheidsduur van één jaar heeft gekregen;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 24 – lid 2 – letter c
c)  voor een geldigheidsduur van vijf jaar, mits de aanvrager eerder een meervoudig inreisvisum met een geldigheidsduur van twee jaar heeft gekregen en juist heeft gebruikt;
c)  voor een geldigheidsduur van twee jaar, indien de aanvrager in de voorgaande drie jaar een meervoudig inreisvisum met een geldigheidsduur van twee jaar heeft gekregen;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 17 – letter c
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 24 – lid 2 quater
2 quater.  Onverminderd lid 2 kan een meervoudig inreisvisum met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar worden afgegeven aan aanvragers die de noodzaak aantonen of hun voornemen motiveren om veelvuldig en/of regelmatig te reizen, mits zij hun integriteit en betrouwbaarheid aantonen, waaronder met name het juiste gebruik van eerder afgegeven visa, hun economische situatie in het land van herkomst en hun werkelijke voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum.
2 quater.  Onverminderd lid 2 wordt een meervoudig inreisvisum met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar afgegeven aan aanvragers die de noodzaak aantonen of hun voornemen motiveren om veelvuldig en/of regelmatig te reizen, met name wegens hun gezinssituatie of beroep, zoals zakenlieden, ambtenaren die regelmatig officieel contact hebben met lidstaten en EU-instellingen, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die reizen voor cursussen, educatieve seminars en conferenties, gezinsleden van staatsburgers van de Unie, gezinsleden van onderdanen van derde landen die in de lidstaten verblijven en zeevarenden, mits zij hun integriteit en betrouwbaarheid aantonen, waaronder met name het juiste gebruik van eerder afgegeven visa, hun economische situatie in het land van herkomst en hun werkelijke voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 25 bis
“Artikel 25 bis
“Artikel 25 bis
Samenwerking op het gebied van overname
Samenwerking op het gebied van overname
1.   Artikel 14, lid 6, artikel 16, lid 1 en lid 5, onder b), artikel 23, lid 1, en artikel 24, lid 2, zijn niet van toepassing op aanvragers of categorieën van aanvragers die onderdaan zijn van een derde land dat overeenkomstig dit artikel op basis van relevante en objectieve criteria wordt beschouwd als een land dat onvoldoende medewerking aan de lidstaten verleent op het gebied van de overname van irreguliere migranten. Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden die op grond van artikel 24, lid 2 quinquies, aan de Commissie zijn overgedragen.
1.   Afhankelijk van het niveau van samenwerking van derde landen met de lidstaten op het gebied van de overname van irreguliere migranten, beoordeeld op basis van relevante en objectieve gegevens, kan de toepassing van artikel 16, lid 1 en lid 5, onder b), en artikel 24, lid 2, hierna aangepast worden voor aanvragers of categorieën van aanvragers die de nationaliteit hebben van dat in lid 4 gespecificeerde derde land.
Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden die op grond van artikel 24, lid 2 quinquies, aan de Commissie zijn overgedragen.
2.   De door een derde land verleende medewerking op het gebied van overname wordt regelmatig door de Commissie beoordeeld aan de hand van, met name, de volgende indicatoren:
2.   De door een derde land verleende medewerking op het gebied van overname wordt regelmatig, ten minste eens per jaar, door de Commissie beoordeeld aan de hand van, met name, de volgende indicatoren:
(a)  het aantal terugkeerbesluiten dat is uitgevaardigd ten aanzien van personen die illegaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven en uit het betrokken derde land afkomstig zijn;
a)  het aantal onderdanen van derde landen die het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad;
(b)  het aantal personen ten aanzien van wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dat daadwerkelijk is teruggekeerd, uitgedrukt als een percentage van het aantal terugkeerbesluiten dat ten aanzien van onderdanen van het betrokken derde land is uitgevaardigd, met inbegrip van, in voorkomend geval, het aantal onderdanen van derde landen dat krachtens op Unie- of bilateraal niveau gesloten overnameovereenkomsten via het grondgebied van het betrokken derde land is doorgereisd;
(c)  het aantal door het betrokken derde land aanvaarde overnameverzoeken, uitgedrukt als een percentage van het aantal aanvragen dat het land in die zin heeft ontvangen.
b)  het aantal door het betrokken derde land aanvaarde overnameverzoeken, uitgesplitst naar lidstaat en uitgedrukt als een percentage van het aantal aanvragen dat het land in die zin heeft ontvangen;
c)  het niveau van de praktische medewerking op het gebied van terugkeer in de verschillende fasen van de terugkeerprocedure, zoals:
i)  tijdige bijstand bij identificatieprocedures;
ii)  afgifte en aanvaarding van de nodige reisdocumenten.
De Commissie rapporteert de resultaten van haar beoordeling aan het Europees Parlement en de Raad, die de kwestie zullen bespreken, met name wat betreft het niveau van samenwerking met het relevante derde land bij de overname van irreguliere migranten.
Om de medewerking van een land op het gebied van overname te beoordelen, worden in het bijzonder de volgende elementen in overweging genomen:
a)  deelname aan proefprojecten inzake arbeidsmigratie, wat bijdraagt aan het ontmoedigen van irreguliere migratie;
b)  aantoonbare inspanningen om repatrianten te re-integreren en de duurzaamheid van de terugkeer te waarborgen;
c)  aantoonbare inspanningen in de strijd tegen mensenhandel en -smokkel en de daaruit voortvloeiende schendingen van de rechten van betrokken personen (deelname aan capaciteitsopbouw- en opleidingsactiviteiten, ook over het voorkomen van misbruik en uitbuiting).
Het Parlement wordt door de Commissie op de hoogte gehouden van de conclusies van de beoordeling.
3.   Een lidstaat kan op grond van de in lid 2 opgenomen indicatoren de Commissie in kennis stellen van aanzienlijke en aanhoudende praktische problemen bij de samenwerking met een derde land op het gebied van de overname van irreguliere migranten.
3.   Een lidstaat kan op grond van de in lid 2 opgenomen indicatoren de Commissie in kennis stellen wanneer hij aanzienlijke en aanhoudende problemen of aanzienlijke verbetering opmerkt bij de samenwerking met een derde land op het gebied van de overname van irreguliere migranten.
4.  Krachtens lid 3 verrichte kennisgevingen worden binnen één maand door de Commissie onderzocht.
De kennisgevingen worden binnen vijftien dagen door de Commissie onderzocht. De Commissie stelt de Raad en het Parlement onmiddellijk in kennis van de resultaten van dit onderzoek.
5.   Wanneer de Commissie op basis van de in de leden 2 en 4 bedoelde analyse besluit dat een land onvoldoende medewerking verleent en dat bijgevolg actie vereist is, kan zij, mede in het licht van de algemene betrekkingen van de Unie met het derde land in kwestie, een uitvoeringshandeling vaststellen overeenkomstig de in artikel 52, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure:
4.   Wanneer de Commissie op basis van de in de leden 2 en 3 bedoelde analyse en met inachtneming van de algehele betrekkingen van de Unie met dat derde land, met name op het gebied van samenwerking inzake overname, en met inachtneming van de in lid 2 bedoelde beoordeling en besprekingen, besluit dat een land:
(a)   om de toepassing van artikel 14, lid 6, artikel 16, lid 5, onder b), artikel 23, lid 1, en/of artikel 24, lid 2, tijdelijk op te schorten voor alle onderdanen van het betrokken derde land of voor bepaalde categorieën van hen, of
a)   voldoende medewerking verleent, stelt zij volgens de in artikel 52, lid 2 bis, bedoelde onderzoeksprocedure, een uitvoeringshandeling vast voor bepaalde categorieën onderdanen of voor alle onderdanen van dat derde land die een visum aanvragen op het grondgebied van dat derde land:
i)  om de visumleges in overeenstemming met artikel 16, lid 2 bis, te verminderen;
ii)  om de termijn te verkorten waarbinnen een besluit over een aanvraag wordt genomen, in overeenstemming met artikel 23, lid 1 bis;
iii)  om de geldigheidsduur van meervoudige visa, in overeenstemming met de laatste alinea van artikel 24, lid 2, te verlengen; en/of
iv)  om de deelname aan arbeidsmigratieprojecten te vergemakkelijken;
b)  om de in artikel 16, lid 2 bis, vastgestelde visumleges toe te passen voor alle onderdanen van het betrokken derde land of voor bepaalde categorieën van hen.
b)  onvoldoende medewerking verleent, kan zij, mede in het licht van de algemene betrekkingen van de Unie met het derde land in kwestie, een uitvoeringshandeling vaststellen overeenkomstig de in artikel 52, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure:
i)  om de toepassing van artikel 14, lid 6, of artikel 23, lid 1, te wijzigen, of artikel 16, lid 5 ter, artikel 23, lid 1, of enkele van hun bepalingen, of artikel 24, lid 2, tijdelijk op te schorten.”
6.  De Commissie beoordeelt aan de hand van de in lid 2 opgenomen indicatoren of de door het betrokken derde land verleende medewerking op het gebied van de overname van irreguliere migranten significant is verbeterd, en kan, mede in het licht van de algemene betrekkingen van de Unie met het derde land in kwestie, besluiten tot intrekking of wijziging van de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandeling.
7.  Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandeling brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de voortgang van de door het betrokken derde land verleende medewerking op het gebied van overname.”
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 32 – lid 1 – letter a – punt vii
(a bis)   artikel 32, lid 1, onder a), punt vii), wordt geschrapt.
vii)  in voorkomend geval, niet heeft aangetoond te beschikken over een toereikende en geldige medische reisverzekering;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 – letter a ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 32 – lid 2
(a ter)  lid 2 wordt vervangen door:
2.  De afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de aanvraag worden kenbaar gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI.
"2. De afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de aanvraag worden in een taal die de aanvrager begrijpt of redelijkerwijs geacht wordt te begrijpen kenbaar gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI."
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 32 – lid 3
3.  Aanvragers aan wie een visum is geweigerd, hebben het recht beroep aan te tekenen en dat beroep moet, in een bepaalde fase van de procedure, een doeltreffende voorziening in rechte waarborgen. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de definitieve beslissing over de aanvraag heeft genomen, en de nationale wetgeving van die lidstaat is op het beroep van toepassing. De lidstaten verstrekken de aanvragers uitvoerige informatie over de procedure in geval van een beroep, zoals gespecificeerd in bijlage VI.
3.  Aanvragers aan wie een visum is geweigerd, hebben het recht beroep aan te tekenen en dat beroep moet, in een bepaalde fase van de procedure, een doeltreffende voorziening in rechte waarborgen. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de definitieve beslissing over de aanvraag heeft genomen, en de nationale wetgeving van die lidstaat is op het beroep van toepassing. De termijn voor beroep bedraagt ten minste 30 kalenderdagen. De lidstaten verstrekken de aanvragers in een taal die zij begrijpen of redelijkerwijs worden geacht te begrijpen uitvoerige informatie over de procedure in geval van een beroep, zoals gespecificeerd in bijlage VI.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 32 – lid 3 bis
3 bis.   Het standaardformulier voor kennisgeving en motivering van het weigeren, nietig verklaren of intrekken van een visum als bedoeld in bijlage VI is ten minste in de volgende talen beschikbaar:
a)  de officiële taal of talen van de lidstaat waarvoor een visum wordt aangevraagd; en
b)  de officiële taal of talen van het gastland.
Naast de onder a) bedoelde taal of talen kan het formulier ook beschikbaar worden gesteld in een andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie.
Er wordt voor een vertaling van dit formulier in de officiële taal of talen van het gastland gezorgd in het kader van plaatselijke Schengensamenwerking overeenkomstig artikel 48.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 34 – lid 7
(22 quater)   Artikel 34, lid 7, wordt als volgt gewijzigd:
7.  Visumhouders van wie het visum is nietig verklaard of ingetrokken, hebben een recht van beroep tenzij het visum overeenkomstig lid 3 op zijn verzoek ingetrokken is. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de beslissing over de nietigverklaring of intrekking heeft genomen. De nationale wetgeving van die lidstaat is op het beroep van toepassing. De lidstaten verstrekken de aanvragers informatie over de beroepsprocedure, zoals gespecificeerd in bijlage VI.
"7. Visumhouders van wie het visum is nietig verklaard of ingetrokken, hebben een recht van beroep tenzij het visum overeenkomstig lid 3 op zijn verzoek ingetrokken is. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de beslissing over de nietigverklaring of intrekking heeft genomen. De nationale wetgeving van die lidstaat is op het beroep van toepassing. De lidstaten verstrekken de aanvragers informatie over de beroepsprocedure, zoals gespecificeerd in bijlage VI. Indien de begunstigde van het nietig verklaarde visum zich reeds op het grondgebied van een lidstaat bevindt, kan tegen hem geen terugkeerbesluit worden genomen zolang de beroepstermijn niet is verstreken of zolang de eindbeslissing over dit beroep niet naar behoren aan de begunstigde kenbaar is gemaakt."
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 35 – lid 2
(22 ter)  Artikel 35, lid 2, wordt geschrapt;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 24
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 36 bis– lid 3
3.  De betrokken lidstaat voorziet in passende structuren en zet speciaal opgeleid personeel in voor het behandelen van deze visumaanvragen en voor het uitvoeren van de in artikel 21 bedoelde controles en risicobeoordeling.
3.  De betrokken lidstaat voorziet in passende structuren en zet speciaal opgeleid personeel in voor het behandelen van deze visumaanvragen en voor het uitvoeren van de in artikel 21 bedoelde controles en risicobeoordeling. Het personeel wordt opgeleid voor het digitaal beheren van dossiers.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 24 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 37 – lid 2
(24 ter)   Artikel 37, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:
2.  Met betrekking tot de opslag en de behandeling van visumstickers worden passende veiligheidsmaatregelen getroffen om fraude of verlies te voorkomen. Elk consulaat houdt een inventaris bij van zijn voorraad visumstickers en registreert hoe elke visumsticker is gebruikt.
"2. Met betrekking tot de opslag en de behandeling van visumstickers worden passende veiligheidsmaatregelen getroffen om fraude of verlies te voorkomen. Elk consulaat houdt een inventaris bij van zijn voorraad visumstickers en registreert hoe elke visumsticker is gebruikt. Elk geval van fraude of aanzienlijk verlies moet aan de Commissie worden gemeld."
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 25
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 37 – lid 3 – alinea 2
Individuele aanvraagdossiers worden ten minste een jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum van de beslissing over de aanvraag als bedoeld in artikel 23, lid 1, of in geval van beroep, tot het einde van de beroepsprocedure.".
Individuele aanvraagdossiers worden ten minste twee jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum van de beslissing over de aanvraag als bedoeld in artikel 23, lid 1, of in geval van beroep, tot het einde van de beroepsprocedure.".
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 26 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 38 – lid 4 bis (nieuw)
(26 bis)  In artikel 38 wordt het volgende lid ingevoegd:
"4 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat consulaten beschikken over een klachtenprocedure voor visumaanvragers. Het consulaat, en in voorkomend geval de externe dienstverlener, stelt informatie over deze procedure beschikbaar op zijn website. De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevens over die klachten worden geregistreerd.".
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 26 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 39 – lid 1
(26 ter)   Artikel 39, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
1.  De consulaten van de lidstaten dragen er zorg voor dat aanvragers op correcte wijze worden bejegend.
"1. De consulaten van de lidstaten dragen er zorg voor dat aanvragers op correcte wijze worden bejegend. De nadere bepalingen voor de opvang van aanvragers en de behandeling van hun aanvragen moeten de menselijke waardigheid en de grondrechten, zoals opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, naar behoren eerbiedigen. Visumaanvragen moeten op niet-discriminerende, professionele en respectvolle wijze worden behandeld."
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 26 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 39 – lid 3
(26 quater)  In artikel 39 wordt lid 3 als volgt gewijzigd:
3.   Bij de uitvoering van hun werkzaamheden dienen consulaire medewerkers zich te onthouden van discriminatie op grond van geslacht, afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.
“3. Bij de uitvoering van hun werkzaamheden dienen consulaire medewerkers zich te onthouden van discriminatie op grond van nationaliteit, geslacht, gender, gezinssituatie, afkomst, feitelijke of veronderstelde godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid."
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 29 – letter d
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 43 – lid 9
9.  De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het naleven van de regels voor de bescherming van persoonsgegevens en zien erop toe dat de externe dienstverlener is onderworpen aan het toezicht van de toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
9.  De betrokken lidstaat of lidstaten blijft/blijven verantwoordelijk voor het naleven van de regels, met name wat betreft de eerbiediging van de grondrechten en in het bijzonder het beginsel van niet-discriminatie en de bescherming van persoonsgegevens en zien erop toe dat de externe dienstverlener is onderworpen aan het toezicht van de toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 33 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 48 – lid 1 bis – letter c
c)  te zorgen voor een gemeenschappelijke vertaling van het aanvraagformulier, indien van toepassing;
c)  te zorgen voor een gemeenschappelijke vertaling van het aanvraagformulier en van het standaardformulier voor kennisgeving en motivering van het weigeren, nietig verklaren of intrekken van een visum, indien van toepassing;
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 33 – letter d
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 48 – lid 3 – letter b – punt vi
vi)  tendensen op het gebied van weigeringen;
vi)  tendensen op het gebied van en redenen voor weigeringen;
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 33 – letter d
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 48 – lid 3 – letter d
d)  informatie over verzekeringsmaatschappijen die een adequate medische reisverzekering aanbieden, inclusief verificatie van de dekking en het eigen risico.
Schrappen
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 49
(34 bis)   Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 49
"Artikel 49
Bepalingen betreffende de Olympische en Paralympische Spelen
Bepalingen betreffende de Olympische en Paralympische Spelen en andere internationale sportcompetities op hoog niveau
Lidstaten die optreden als gastland voor de Olympische of de Paralympische Spelen passen de bijzondere procedures en voorwaarden van bijlage XI toe, die de afgifte van visa vergemakkelijken.
Lidstaten die optreden als gastland voor de Olympische of de Paralympische Spelen of andere internationale sportcompetities op hoog niveau passen de bijzondere procedures en voorwaarden van bijlage XI toe, die de afgifte van visa vergemakkelijken."
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 50 ter – lid 1
1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.
1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. De kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad geschiedt gelijktijdig en onverwijld en vermeldt om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1
1.  Drie jaar na [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing van deze verordening. Daarin worden de bereikte resultaten getoetst aan de doelstellingen en wordt nagegaan hoe de verordening is toegepast.
1.  Twee jaar na [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing van deze verordening. Daarin worden de bereikte resultaten getoetst aan de doelstellingen en wordt nagegaan hoe de verordening is toegepast.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Uiterlijk een jaar na [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag in over de afschaffing van visumstickers en de invoering van het digitale visum waardoor een Schengenvisum kan worden afgegeven in de vorm van een eenvoudige registratie in het VIS en een elektronische kennisgeving aan de aanvrager.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Bijlage XI
BIJLAGE XI BIJZONDERE PROCEDURES EN VOORWAARDEN TER VEREENVOUDIGING VAN DE AFGIFTE VAN VISA AAN LEDEN VAN DE OLYMPISCHE FAMILIE DIE DEELNEMEN AAN DE OLYMPISCHE OF DE PARALYMPISCHE SPELEN
BIJLAGE XI BIJZONDERE PROCEDURES EN VOORWAARDEN TER VEREENVOUDIGING VAN DE AFGIFTE VAN VISA AAN LEDEN VAN DE OLYMPISCHE FAMILIE EN ANDERE SPORTGERELATEERDE FAMILIES DIE DEELNEMEN AAN DE OLYMPISCHE OF DE PARALYMPISCHE SPELEN EN SPORTCOMPETITIES OP HOOG NIVEAU

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0434/2018).


Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling met betrekking tot de levering van goederen en diensten boven een bepaalde drempel *
PDF 155kWORD 53k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel (COM(2016)0811 – C8-0023/2017 – 2016/0406(CNS))
P8_TA(2018)0496A8-0418/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0811),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0023/2017),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0418/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Om het risico op een verschuiving van de fraude tussen lidstaten te beperken, moeten alle lidstaten die aan een aantal criteria met betrekking tot het niveau van de fraude, in het bijzonder carrouselfraude, voldoen en die kunnen aantonen dat andere controlemaatregelen niet volstaan in de strijd tegen deze fraude, de mogelijkheid krijgen om een veralgemeende verleggingsregeling toe te passen.
(4)  Om het risico op een verschuiving van de fraude tussen lidstaten te beperken, moeten alle lidstaten die aan een aantal criteria met betrekking tot het niveau van de fraude, in het bijzonder carrouselfraude, voldoen en die kunnen aantonen dat andere controlemaatregelen niet volstaan in de strijd tegen deze fraude, de mogelijkheid krijgen om een veralgemeende verleggingsregeling toe te passen. Bovendien moeten zij worden verplicht om aan te tonen dat de geraamde voordelen voor de belastingnaleving en -inning die als gevolg van de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling worden verwacht, groter zijn dan de geraamde totale extra lasten voor ondernemingen en belastingadministraties, en dat de kosten voor ondernemingen en belastingadministraties niet hoger zullen uitvallen dan die van andere controlemaatregelen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Daarnaast moeten ook de aangrenzende lidstaten die een ernstig risico lopen dat de fraude naar hun grondgebied verschuift als gevolg van de toepassing van deze regeling in een andere lidstaat, de mogelijkheid krijgen om de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, indien andere controlemaatregelen niet toereikend zijn in de strijd tegen deze fraude.
Schrappen
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Indien de lidstaten ervoor kiezen de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, moeten zij deze op alle leveringen van goederen en diensten boven een bepaald factuurbedrag toepassen. De veralgemeende verleggingsregeling mag niet tot een specifieke sector worden beperkt.
(6)  Indien de lidstaten ervoor kiezen de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, moeten zij deze op alle niet-grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten boven een bepaald transactiebedrag toepassen. De veralgemeende verleggingsregeling mag niet tot een specifieke sector worden beperkt.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Om te kunnen beoordelen of de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling in één lidstaat tot een verschuiving van fraude naar andere lidstaten leidt en om te kunnen bepalen in welke mate het functioneren van de interne markt mogelijk wordt verstoord, moet worden voorzien in een specifieke verplichting tot uitwisseling van informatie tussen lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen en de overige lidstaten. Al deze uitwisselingen van informatie moeten aan de toepasselijke bepalingen inzake bescherming van persoonsgegevens en vertrouwelijkheid onderworpen zijn. Deze bepalingen voorzien in vrijstellingen en beperkingen ter bescherming van de belangen van lidstaten en van de Unie op het gebied van belastingen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 1
Tot en met 30 juni 2022 kan een lidstaat, bij wijze van veralgemeende verleggingsregeling, bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is aan wie goederen en diensten worden geleverd boven een drempel van 10 000 EUR per factuur, in afwijking van artikel 193.
Tot en met 30 juni 2022 kan een lidstaat, bij wijze van veralgemeende verleggingsregeling, bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is aan wie goederen en diensten worden geleverd boven een drempel van 25 000 EUR per factuur, in afwijking van artikel 193.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 2 – letter a
a)  een btw-kloof, uitgedrukt als een percentage van de totale verschuldigde btw, van ten minste 5 procentpunten boven de communautaire mediaan van de btw-kloof hebben;
a)  overeenkomstig de methode en de cijfers in het door de Commissie gepubliceerde eindverslag 2016 van 23 augustus 2016 over de btw-kloof, in 2014 een btw-kloof – uitgedrukt als een percentage van de totale verschuldigde btw – van ten minste 15 procentpunten boven de communautaire mediaan van de btw-kloof hebben gehad;
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 2 – letter b
b)  een aandeel van carrouselfraude hebben dat meer dan 25 % van zijn totale btw-kloof uitmaakt;
b)  op basis van de effectbeoordeling die het wetgevingsvoorstel voor dit artikel vergezelde, in het jaar waarop het in letter (a) bedoelde verslag betrekking heeft, te kampen hebben met een carrouselfraude die meer dan 25 % van zijn totale btw-kloof uitmaakt; en
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 2 – letter c
c)  vaststellen dat andere controlemaatregelen niet volstaan om carrouselfraude op zijn grondgebied te bestrijden.
c)  aantonen dat andere controlemaatregelen niet volstaan om carrouselfraude op zijn grondgebied tegen te gaan, met name door te vermelden welke controlemaatregelen zijn toegepast en waarom deze onvoldoende doeltreffend zijn, alsmede waarom administratieve samenwerking op btw-gebied niet blijkt te volstaan; en
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)  aantonen dat de geraamde voordelen voor de belastingnaleving en -inning die als gevolg van de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling worden verwacht, de geraamde totale extra lasten voor ondernemingen en belastingadministraties met ten minste 25 % overtreffen; en
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 2 – letter c ter (nieuw)
c ter)  aantonen dat ondernemingen en belastingadministraties als gevolg van de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling geen uitgaven zullen moeten doen die hoger liggen dan die welke voortvloeien uit de toepassing van andere controlemaatregelen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 1 – alinea 3
De lidstaat voegt bij het in lid 4 bedoelde verzoek de berekening van de btw-kloof volgens de methode en de cijfers in het meest recente door de Commissie bekendgemaakte verslag over de btw-kloof.
De lidstaat voegt bij het in lid 4 bedoelde verzoek de berekening van de btw-kloof volgens de methode en de cijfers in het door de Commissie gepubliceerde verslag over de btw-kloof als bedoeld in letter (a) hierboven.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 2
2.  Tot en met 30 juni 2022 kan een lidstaat bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is aan wie de goederen en diensten worden geleverd boven een drempel van 10 000 EUR per factuur, indien deze lidstaat:
Schrappen
a)  grenst aan een lidstaat die de veralgemeende verleggingsregeling mag toepassen;
b)  vaststelt dat een ernstig risico bestaat dat de fraude naar zijn grondgebied verschuift als gevolg van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling in die aangrenzende lidstaat;
c)  vaststelt dat andere controlemaatregelen niet volstaan om fraude op zijn grondgebied te bestrijden.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 3
3.  Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, stellen passende en doeltreffende elektronische rapportageverplichtingen vast voor alle belastingplichtigen en, in het bijzonder, voor de belastingplichtigen die de goederen of diensten leveren of ontvangen waarop deze regeling van toepassing is.
3.  Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, stellen passende en doeltreffende elektronische rapportageverplichtingen vast voor alle belastingplichtigen en, in het bijzonder, voor de belastingplichtigen die de goederen of diensten leveren of ontvangen waarop deze regeling van toepassing is, zulks ter waarborging van de doeltreffende werking en monitoring van de veralgemeende verleggingsregeling.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 4 – alinea 1 – letter a
a)  een gedetailleerde rechtvaardiging dat aan de voorwaarden van lid 1 of lid 2 wordt voldaan;
a)  een gedetailleerde rechtvaardiging waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan; en
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 4 – alinea 1 – letter b
b)  de begindatum van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling en de periode die deze zal bestrijken;
b)  de begindatum van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling en de periode die deze zal bestrijken; en
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 4 – alinea 1 – letter c
c)  te nemen maatregelen om belastingplichtigen te informeren over de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling;
c)  te nemen maatregelen om belastingplichtigen te informeren over de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling; en
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 4 – alinea 1 – letter d
d)  een gedetailleerde beschrijving van de in lid 3 bedoelde begeleidende maatregelen.
d)  een gedetailleerde beschrijving van de in lid 2 bedoelde begeleidende maatregelen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 7 – alinea 1
Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, dienen uiterlijk twee jaar na aanvang van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling een tussentijds verslag in bij de Commissie. Dit verslag bevat een gedetailleerde beoordeling van de doeltreffendheid van de veralgemeende verleggingsregeling.
Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, verstrekken de volgende informatie in elektronische vorm aan alle lidstaten:
a)  de namen van de personen tegen wie, in de twaalf maanden voorafgaand aan de datum van toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling, een strafrechtelijke of administratieve procedure voor btw-fraude heeft gelopen;
b)  de namen van de personen, en in het geval van rechtspersonen tevens de namen van de bestuurders ervan, wier btw-registratie in hun lidstaat is beëindigd na de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling; en
c)  de namen van de personen, en in het geval van rechtspersonen tevens de namen van de bestuurders ervan, die hebben nagelaten een btw-aangifte in te dienen voor twee opeenvolgende belastingtijdvakken na de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling.
De onder (a) en (b) bedoelde informatie wordt uiterlijk drie maanden na de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling ingediend en wordt vervolgens om de drie maanden geactualiseerd. De onder (c) bedoelde informatie wordt uiterlijk negen maanden na de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling ingediend en wordt vervolgens om de drie maanden geactualiseerd.
Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, dienen uiterlijk één jaar na aanvang van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling een tussentijds verslag in bij de Commissie. Dit verslag bevat een gedetailleerde beoordeling van de doeltreffendheid van de veralgemeende verleggingsregeling.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 8 – alinea 1
Lidstaten die de regeling niet toepassen, dienen uiterlijk op 30 juni 2019 bij de Commissie een tussentijds verslag in over de gevolgen op hun grondgebied van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling door andere lidstaten, voor zover de regeling op die datum gedurende ten minste één jaar door één lidstaat is toegepast.
Lidstaten die de regeling niet toepassen, dienen bij de Commissie een tussentijds verslag in over de gevolgen op hun grondgebied van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling door andere lidstaten. Dit verslag wordt binnen drie maanden nadat de regeling gedurende één jaar door één lidstaat is toegepast, bij de Commissie ingediend.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 199 quater – lid 10 – letter a
a)  de ontwikkeling van de btw-kloof;
Schrappen
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2
Zij is van toepassing tot en met 30 september 2022.
Zij is van toepassing tot en met 30 juni 2022.

Volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië
PDF 130kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië: afschaffing van de controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht (2018/2092(INI))
P8_TA(2018)0497A8-0365/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie (11997D/PRO/02),

–  gezien artikel 4, lid 2, van de Akte van Toetreding van 2005,

–  gezien de ontwerpbesluiten van de Raad betreffende de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in de Republiek Bulgarije en Roemenië van 29 september 2010 (14142/2010) en van 8 juli 2011 (14142/1/2010),

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende het kader voor de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in de Republiek Bulgarije en Roemenië van 7 december 2011 (14302/3/11),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 8 juni 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in de Republiek Bulgarije en Roemenië(1),

–  gezien de conclusies van de Raad justitie en binnenlandse zaken van 9 en 10 juni 2011, 22 en 23 september 2011, 25 en 26 oktober 2012, 7 en 9 maart 2013, en 5 en 6 december 2013,

–  gezien zijn resolutie van 13 oktober 2011 over de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot Schengen(2),

–  gezien het achtste halfjaarlijks verslag van de Commissie van 15 december 2015 over het functioneren van het Schengengebied (COM(2015)0675),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de werking van het Schengengebied(3),

–  gezien Besluit (EU) 2017/1908 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende de inwerkingstelling van bepaalde bepalingen van het Schengenacquis inzake het Visuminformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië(4),

–  gezien het verslag over het ontwerp van besluit van de Raad van 18 april 2018 betreffende de inwerkingstelling van de resterende bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië (15820/1/2017),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 13 juni 2018 over het besluit van de Raad betreffende de inwerkingstelling van de resterende bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0365/2018),

A.  overwegende dat Bulgarije en Roemenië bij hun toetreding tot de Europese Unie in 2007 het Schengenacquis hebben aangenomen; overwegende dat Bulgarije in 2008 heeft verklaard gereed te zijn om te beginnen met de evaluaties van de werkgroep Schengenevaluatie, die bestaat uit deskundigen van Schengenlidstaten; overwegende dat Roemenië in 2007 en 2008 heeft verklaard gereed te zijn om te beginnen met de evaluaties van de werkgroep Schengenevaluatie;

B.  overwegende dat de voltooiing van het Schengenevaluatieproces voor Bulgarije en Roemenië en de staat van gereedheid van beide landen om alle bepalingen van het Schengenacquis uit te voeren werden bevestigd door deskundigen van de werkgroep Schengenacquis en door de Raad in zijn conclusies van 9 en 10 juni 2011; overwegende dat de Raad in zijn ontwerpbesluit van 8 juli 2011 heeft geverifieerd dat op alle gebieden aan de vereiste voorwaarden voor de toepassing van het Schengenacquis is voldaan, namelijk gegevensbescherming, luchtgrenzen, landgrenzen, politiesamenwerking, het Schengeninformatiesysteem, zeegrenzen en visa; overwegende dat de voltooiing van het Schengenevaluatieproces naast de uitdaging om de buitengrenzen van de Europese Unie te beheren, beide landen ertoe heeft aangezet hun grensbewakingssysteem ingrijpend te herstructureren en te investeren in de versterking van de wetshandhavingscapaciteit; overwegende dat de succesvolle voltooiing van de Schengenevaluatieprocedures volgens de Akte van Toetreding van 2005 de enige vereiste is voor de volledige toepassing van het Schengenacquis, met inbegrip van de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht; overwegende dat de staat van gereedheid van Bulgarije en Roemenië om volledig aan het Schengenacquis te voldoen meermaals is erkend door de staatshoofden en regeringsleiders in de Raad alsook door de Commissie en het Parlement, het meest recentelijk in de mededeling van de Commissie van 27 september 2017 en de resolutie van het Parlement van 30 mei 2018;

C.  overwegende dat de Raad in zijn ontwerpbesluit van 29 september 2010 de volledige toepassing van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië en de afschaffing van controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht heeft voorgesteld; overwegende dat het Parlement in zijn wetgevingsresolutie van 8 juni 2011 dit besluit heeft goedgekeurd en de Raad heeft verzocht het Parlement opnieuw te raadplegen indien hij voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen;

D.  overwegende dat het voorzitterschap van de Raad in september 2011 een voorstel heeft gepresenteerd voor gedeeltelijke uitvoering van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië, te weten de afschaffing van enkel de binnengrenzen ter zee en in de lucht, terwijl over de grenzen te land in een latere fase een afzonderlijk besluit moet worden genomen;

E.  overwegende dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken bij meerdere gelegenheden in zijn conclusies heeft bevestigd bij een toekomstig besluit over de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen voor Bulgarije en Roemenië te willen uitgaan van een tweefasenaanpak; overwegende dat de goedkeuring van dat besluit door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken herhaaldelijk is uitgesteld;

F.  overwegende dat op grond van het besluit van de Raad van 12 oktober 2017 aan Bulgarije en Roemenië passieve toegang tot het Visuminformatiesysteem is verleend; overwegende dat de Raad in zijn ontwerpbesluit van 18 april 2018 de volledige toepassing heeft voorgesteld van de resterende bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem in beide lidstaten;

G.  overwegende dat de Akte van Toetreding van 2005 niet voorziet in verschillende tijdskaders voor de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht, en dat het Schengenevaluatiemechanisme dat evenmin doet; overwegende dat alle eerdere uitbreidingen van het Schengengebied zijn vastgesteld op grond van één enkele rechtshandeling;

H.  overwegende dat het Schengengebied een unieke regeling is en een van de grootste verwezenlijkingen van de Europese Unie, op grond waarvan personen zich vrij kunnen verplaatsen over de Schengenbinnengrenzen heen; overwegende dat dit mogelijk is gemaakt door een reeks compenserende maatregelen, zoals de invoering van het Schengeninformatiesysteem (ter verbetering van de informatie-uitwisseling) en de instelling van een evaluatiemechanisme om de toepassing van het Schengenacquis door de lidstaten te controleren en het wederzijds vertrouwen in het functioneren van het Schengengebied te bevorderen;

I.  overwegende dat het behoud van controles aan de binnengrenzen in de Unie en de herinvoering ervan in het Schengengebied ernstige gevolgen hebben voor het leven van de Europese burgers en van al diegenen die gebruikmaken van het beginsel van vrij verkeer binnen de EU, en hun vertrouwen in de Europese instellingen en integratie ernstig ondermijnen; overwegende dat dit leidt tot rechtstreekse operationele en investeringskosten voor grensarbeiders, toeristen, vrachtvervoerders over de weg en overheden, met verlammende gevolgen voor de economieën van de lidstaten en de werking van de interne markt van de EU; overwegende dat het behoud van de controles aan de binnengrenzen voor Bulgarije en Roemenië een negatieve invloed heeft op de in- en uitvoer van en naar deze beide lidstaten, alsook op de vervoersactiviteiten van en naar enkele van de grootste burgervloten en goederenhavens in het zuiden van Europa, met winstderving en hogere uitgaven tot gevolg; overwegende dat de kosten als gevolg van de herinvoering van grenscontroles voor de Europese Unie naar schatting tussen 0,05 miljard EUR en 20 miljard EUR bedragen voor eenmalige kosten en 2 miljard EUR voor jaarlijkse exploitatiekosten(6);

J.  overwegende dat het behoud van de controles aan de binnengrenzen in de Unie en de herinvoering ervan in het Schengengebied verband lijken te houden met veronderstelde bedreigingen van de openbare orde en de binnenlandse veiligheid en niet gebaseerd lijken te zijn op ernstige aanwijzingen voor de daadwerkelijke aanwezigheid van een ernstige dreiging; overwegende dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen als gevolg van de volledige toepassing van het Schengenacquis in eerder toegetreden lidstaten niet tot verhoogde criminaliteit heeft geleid; overwegende dat de uitbreiding van Schengen in 2007 werd gekenmerkt door lagere acquisitieve criminaliteit in zowel de toetredende als de bestaande Schengenlidstaten en onder de EU-burgers niet heeft geleid tot een toename van het onveiligheidsgevoel(7);

1.  herinnert eraan dat in 2011 door Bulgarije en Roemenië aan alle vereiste voorwaarden voor volledige toepassing van het Schengenacquis werd voldaan;

2.  betreurt het feit dat in de zeven jaar die daar op volgden, de Raad heeft verzuimd een besluit te nemen over volledige toepassing van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië, ondanks de herhaalde oproepen daartoe door zowel de Commissie als het Parlement;

3.  is van oordeel dat het voorstel om de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen in twee rechtshandelingen op te splitsen, met als doel verschillende tijdskaders vast te stellen voor de afschaffing van de controles aan de grenzen te land, ter zee en in de lucht, aanzienlijk afwijkt van het ontwerpbesluit van de Raad van 29 september 2010, dat door het Parlement is goedgekeurd;

4.  herinnert eraan dat de Raad een besluit over de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië enkel kan nemen na raadpleging van het Parlement – een verplichting die voortvloeit uit artikel 4, lid 2, van de Akte van Toetreding van 2005; herinnert de Raad aan zijn oproep om het Parlement in kennis te stellen indien hij voornemens is af te wijken van de tekst die het Parlement in zijn wetgevingsresolutie van 8 juni 2011 heeft goedgekeurd;

5.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid dat de introductie van een tweefasenaanpak een schadelijk effect kan hebben op de toekomstige uitbreiding van het Schengengebied; benadrukt dat het verzuim om binnen de Raad tot consensus te komen de eenvormige toepassing van de bepalingen van de EU-Verdragen en de geloofwaardigheid van de EU aantast, wat de publieke steun voor een gemeenschappelijk EU-beleid voortdurend uitholt doordat blijk wordt gegeven van ongelijke behandeling van lidstaten en hun burgers en kunstmatige scheidingslijnen binnen de Unie worden geïntroduceerd; is bezorgd dat dergelijke praktijken bijdragen tot de opkomst van populisme en nationalisme op het gehele continent, wat een fundamentele bedreiging vormt voor de werking van de EU;

6.  wijst erop dat het vrij verkeer van personen over de binnengrenzen, dankzij de opneming van het Schengenacquis in het rechtskader van de EU, een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de EU is; benadrukt dat de werking en de uitbreiding van het Schengengebied niet negatief mogen worden beïnvloed door tekortkomingen in andere EU-beleidsmaatregelen, zoals het gemeenschappelijk Europees asielstelsel;

7.  is verheugd over de goedkeuring van het besluit van de Raad van 12 oktober 2017 waarin Bulgarije en Roemenië passieve toegang wordt verleend tot het Visuminformatiesysteem, alsook van het voorstel van de Raad voor de volledige toepassing van de resterende bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem in beide lidstaten; betreurt het feit dat de goedkeuring van deze besluiten niet direct volgde op de verificatie van de succesvolle voltooiing van het Schengenevaluatieproces in 2011, maar werd geïnitieerd als ad-hocmaatregel om te zorgen voor naleving van de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het inreis-/uitreissysteem, dat naar verwachting tegen 2020 in werking zal treden; is van oordeel dat deze rechtshandelingen een stap vormen op weg naar het dichten van de informatiekloof tussen lidstaten die het Schengenacquis volledig en lidstaten die dit laatste gedeeltelijk toepassen; wijst er met klem op dat de goedkeuring van deze rechtshandelingen niet mag leiden tot verder uitstel van de afschaffing van controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht; merkt op dat Bulgarije en Roemenië naar aanleiding van de goedkeuring van deze besluiten wel alle verantwoordelijkheden en plichten dragen, maar niet alle voordelen genieten van een volwaardig lidmaatschap van het Schengengebied;

8.  beklemtoont dat het Schengenacquis niet bedoeld is om lidstaten een verschillende wettelijke status te verlenen; vestigt de aandacht op het feit dat de langdurige inactiviteit van de Raad de behoefte heeft gecreëerd om binnen de EU-wetgeving met betrekking tot informatie- en grensbeheersystemen een duidelijk onderscheid te maken tussen lidstaten die het Schengenacquis volledig en lidstaten die dit laatste gedeeltelijk toepassen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat hierdoor de facto het parallelle bestaan van een Schengengebied met en een Schengengebied zonder vrij verkeer wettelijk is gecodificeerd, waardoor het risico ontstaat op onvolledige informatie-uitwisseling, hiaten in de wetgeving en ontoereikende samenwerking tussen de systemen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken;

9.  benadrukt dat er ten aanzien van de volledige toepassing van het Schengenacquis geen andere bijkomende criteria mogen worden geïntroduceerd dan de eisen die zijn vastgelegd in de Akte van Toetreding van 2005 en evenmin koppelingen mogen worden gemaakt naar andere mechanismen en beleidsmaatregelen van de Unie, met inbegrip van en zonder afbreuk te doen aan het mechanisme voor samenwerking en toetsing; roept de lidstaten op een besluit over de uitbreiding van het Schengengebied uitsluitend te nemen op basis van de naleving van de relevante voorwaarden voor toepassing van het Schengenacquis na de voltooiing van het Schengenevaluatieproces;

10.  verzoekt de Raad met klem zo spoedig mogelijk, op basis van zijn ontwerpbesluit van 29 september 2010 (14142/2010), een nieuw ontwerpbesluit inzake de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië voor te leggen, en via één enkele rechtshandeling onmiddellijk een besluit te nemen over de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht;

11.  verzoekt de Raad dezelfde aanpak te hanteren voor Kroatië en de volledige toetreding van dit land tot het Schengengebied te bevestigen zodra het met succes het Schengenevaluatieproces heeft voltooid en aan de relevante criteria heeft voldaan;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 160.
(2) PB C 94 E van 3.4.2013, blz. 13.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0228.
(4) PB L 269 van 19.10.2017, blz. 39.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0253.
(6) van Ballegooij, W., "The Cost of Non-Schengen: Civil Liberties, Justice and Home Affairs aspects", Cost of Non-Europe Report, European Added Value Unit, 2016, blz. 32.
(7) Ibid., blz. 28 en 31.


Militaire mobiliteit
PDF 145kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over militaire mobiliteit (2018/2156(INI))
P8_TA(2018)0498A8-0372/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het document getiteld "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid", dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017, 14 december 2017 en 28 juni 2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017 en 25 juni 2018 over veiligheid en defensie in het kader van de integrale EU‑strategie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Discussienota over de toekomst van de Europese defensie" (COM(2017)0315),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 10 november 2017 over de verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie (JOIN(2017)0041),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 28 maart 2018 over het actieplan voor militaire mobiliteit (JOIN(2018)0005),

–  gezien Besluit (GBVB) 2017/2315 van de Raad van 11 december 2017 tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en tot opstelling van de lijst van deelnemende lidstaten(1),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 6 maart 2018 betreffende een stappenplan voor de uitvoering van de PESCO(2),

–  gezien Besluit (GBVB) 2018/340 van de Raad van 6 maart 2018 tot vaststelling van de lijst van projecten die in het kader van de PESCO zullen worden ontwikkeld(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie en de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016 en van 10 juli 2018, de gezamenlijke reeks voorstellen voor de uitvoering van de gezamenlijke verklaringen, die op 6 december 2016 en 5 december 2017 zijn bekrachtigd door de Raden van de EU en de NAVO, en de voortgangsverslagen over de uitvoering ervan van 14 juni en 5 december 2017 en van 6 juni 2018, met inbegrip van de relevante conclusies van de Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2017 en 25 juni 2018 over de uitvoering van de gezamenlijke verklaringen,

–  gezien de Verklaring van Brussel inzake trans-Atlantische veiligheid en solidariteit en de verklaring van de NAVO-top in Brussel, beide van 11 juli 2018,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(4) en zijn resolutie van 13 juni 2018 over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0372/2018),

A.  overwegende dat de fundamentele waarden waarop de EU is gebaseerd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtstaat, evenals het op regels gebaseerde internationale stelsel en Europese eenheid – steeds meer onder druk komen te staan in een tijd van geopolitieke onrust en een verslechtering van de strategische omgeving;

B.  overwegende dat een geloofwaardige afschrikking, alsook planning voor crisisrespons en voor de defensie van continentaal Europa, afhankelijk zijn van de capaciteit om op snelle en efficiënte wijze strijdkrachten in te zetten, met inbegrip van versterking van buitenaf;

C.  overwegende dat het "vredesdividend" in de periode na 1989 heeft geleid tot een geleidelijke vermindering van de defensiebehoeften wat betreft infrastructuur en mobiliteit van de strijdkrachten binnen Europa;

D.  overwegende dat de EU, in nauwe samenwerking met de NAVO, ernaar streeft een mondiale strategische speler en garant van veiligheid te zijn, die bijdraagt aan zowel de  interne als de externe vrede en stabiliteit, en die de veiligheid van haar burgers en grondgebied waarborgt door middel van het unieke en brede scala van beleid, instrumenten en hulpmiddelen waarover zij beschikt om deze ambities waar te maken;

E.  overwegende dat de EU zich, in overeenstemming met de doelstellingen van de integrale EU-strategie, steeds verantwoordelijker opstelt met betrekking tot haar eigen defensie en haar rol als partner voor internationale vrede en veiligheid, in het bijzonder in haar nabuurschap maar ook daarbuiten, en ook haar strategische autonomie vergroot, op basis van de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;

F.  overwegende dat de EU haar strategische autonomie moet ontwikkelen middels een doeltreffend buitenlands en veiligheidsbeleid, teneinde de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, de internationale veiligheid te bevorderen en tegelijkertijd de veiligheid van haar burgers en de betrokkenen bij GVDB-missies te waarborgen, haar belangen te beschermen, haar grondwaarden te verdedigen en in dit verband bij te dragen aan effectief multilateralisme;

G.  overwegende dat de EU, wil zij haar eigen weerbaarheid opbouwen en haar strategische autonomie op het gebied van defensie, terrorisme en cyberbeveiliging consolideren, in staat moet zijn beslissingen te nemen en op te treden zonder afhankelijk te zijn van de capaciteiten van derden;

H.  overwegende dat normalisatie en interoperabiliteit op het gebied van infrastructuur en aanbestedingen van doorslaggevend belang zijn voor het realiseren van strategische autonomie, de defensie-unie en doeltreffende militaire mobiliteit;

I.  overwegende dat effectieve militaire mobiliteit alleen kan worden gerealiseerd als alle lidstaten volledig erbij worden betrokken, zich volledig inzetten en effectief samenwerken met de NAVO, rekening houdend met de beschikbare middelen en behoeften van elke lidstaat en op een manier die aansluit bij relevante initiatieven op EU‑niveau, teneinde een doeltreffende Europese veiligheidsinfrastructuur op te bouwen middels coherente en complementaire projecten;

J.  overwegende dat militaire mobiliteit niet alleen een strategische en operationele manier is om militair optreden te ondersteunen, maar ook een manier waarop de strategische autonomie van de Unie kan worden bevorderd en waarop de inzet, verplaatsing en handhaving van de strijdkrachten van de EU‑lidstaten kan worden gefaciliteerd, om zo de militaire ambities van de Unie te kunnen verwezenlijken;

K.  overwegende dat de EU geconfronteerd wordt met hybride uitdagingen uit verschillende richtingen, met name het Hoge Noorden, het Oosten, de Balkan en het Zuiden / het Middellandse Zeegebied; overwegende dat een vlotte en soepele inzet van troepen en materiaal op deze assen (noord-zuid, west-oost) van essentieel belang zou kunnen zijn om een geloofwaardige respons mogelijk te maken;

L.  overwegende dat de leiders van de bondgenoten op de NAVO-top in Warschau in 2016 zijn overeengekomen de afschrikkings- en defensiepositie van het bondgenootschap te versterken, vervolgens de paraatheid van de reactietroepen hebben verhoogd en met dit doel de "enhanced forward presence" en de "tailored forward presence" hebben ingesteld;

M.  overwegende dat militaire mobiliteit een concrete maatregel vormt die inspeelt op de eigen behoeften van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie, en die deel uitmaakt van het GVDB; overwegende dat het vermogen om geallieerde troepen en civiel personeel voor crisisbeheer, materieel en apparatuur vrijelijk en snel over elkaars grondgebied en buiten de grenzen van de Unie te kunnen verplaatsen bepalend is voor de collectieve veiligheid en defensie van de EU‑lidstaten en hun vermogen om in te grijpen bij crises in het buitenland; overwegende dat 22 EU‑lidstaten ook NAVO-bondgenoten zijn en een verbintenis zijn aangegaan tot collectieve defensie, en slechts over één geheel van strijdkrachten en één enkele vervoersinfrastructuur beschikken; overwegende dat geplande investeringen in vervoersinfrastructuur beter moeten worden afgestemd op behoeften inzake veiligheid en defensie;

N.  overwegende dat een aanzienlijk aantal belemmeringen, zowel fysieke belemmeringen als belemmeringen in de vorm van wet- en regelgeving, deze verplaatsingen vaak aanzienlijk vertraagt en derhalve bemoeilijkt, waardoor de verwezenlijking van het doel in gevaar komt, met name wanneer het een crisissituatie betreft; overwegende dat de onder leiding van de NAVO uitgevoerde Europese militaire oefeningen aan het licht hebben gebracht dat de juiste vervoersinfrastructuur van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van militaire doeleinden;

O.  overwegende dat de EU over een aanzienlijke hoeveelheid beleid en hulpmiddelen beschikt om de lidstaten te helpen aan hun militaire mobiliteitsbehoeften en internationale toezeggingen te voldoen;

P.  overwegende dat de Commissie en de VV/HV op 28 maart 2018 een actieplan voor militaire mobiliteit hebben gepubliceerd, waarin een tijdsplanning is opgenomen voor de door de EU en haar lidstaten te nemen stappen; overwegende dat men bij de uitvoering ervan is begonnen met het in kaart brengen van gemeenschappelijke militaire behoeften op het gebied van militaire mobiliteit, zowel binnen de EU als daarbuiten, en met het indienen van een voorstel om militaire mobiliteit binnen het volgende meerjarig financieel kader (MFK) te financieren middels de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), waarmee projecten voor het duaal (civiel-militair) gebruik van vervoersinfrastructuur kunnen worden gefinancierd;

Q.  overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 25 juni 2018 de lidstaten ertoe oproept onverwijld en uiterlijk in 2024 nationale maatregelen te nemen om de doeltreffendheid van de militaire mobiliteit te verbeteren en de regels en procedures op dit gebied te vereenvoudigen in samenhang met het actieplan en de militaire vereisten die van toepassing zijn op de militaire mobiliteit in de Unie en daarbuiten, overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten;

R.  overwegende dat er een PESCO-project voor militaire mobiliteit van start is gegaan om de activiteiten van de Commissie en de VV/HV aan te vullen; overwegende dat dit project moet worden aangevuld met nog een PESCO-project dat gericht is op een netwerk van logistieke knooppunten in Europa en de ondersteuning van operaties; overwegende dat het voorzien in tweeërlei gebruik van infrastructuur van groot belang is voor deze logistieke behoeften; overwegende dat de lidstaten bovendien, als onderdeel van de meer bindende toezeggingen die het PESCO-protocol vereist, toezeggingen hebben gedaan met betrekking tot militaire mobiliteit; overwegende dat er PESCO-projecten moeten worden opgezet in samenwerking met de NAVO; overwegende dat er behoefte is aan een PESCO-project dat gericht is op de mobiliteitsproblemen in verband met de in artikel 43, lid 1, VEU, bedoelde militaire missies, met name lucht- en zeevervoeroperaties;

S.  overwegende dat de CEF een gemeenschappelijk, centraal beheerd financieringsprogramma is ter bevordering van de ontwikkeling van efficiënte, duurzame en onderling verbonden trans-Europese netwerken (TEN) op het gebied van vervoer, energie en digitale-diensten en gericht is op het bevorderen van grensoverschrijdende verbindingen en het wegwerken van knelpunten, en de EU een duidelijke meerwaarde verleent bij de bevordering van transnationale samenwerking en coördinatie; overwegende dat het ontwerp van het MFK voor de periode 2021‑2027 in het kader van het CEF-begrotingsonderdeel voor de transportsector nieuwe middelen voor militaire mobiliteit omvat; overwegende dat het zeer wenselijk is om de doeltreffendheid van de CEF te handhaven en verder te vergroten;

T.  overwegende dat het Europees Defensieagentschap meerdere projecten heeft lopen op het gebied van militaire mobiliteit, met betrekking tot diplomatieke toestemmingen en multimodale EU‑vervoersknooppunten, alsook ad‑hocprogramma's inzake vergunningsprocedures voor grensoverschrijdende verplaatsingen en de harmonisering van douanegerelateerde militaire behoeften, die onlangs zijn opgezet; overwegende dat de werkzaamheden van het Europees Defensieagentschap en de Commissie op heldere en samenhangende wijze op elkaar moeten worden afgestemd om de lidstaten te helpen de laatste hand te leggen aan bepaalde aspecten van het actieplan; overwegende dat door middel van een raadplegingsprocedure rekening moet worden gehouden met de behoeften, prioriteiten en vereisten van de lidstaten op militair gebied;

U.  overwegende dat militaire mobiliteit onlangs in de gemeenschappelijke reeks voorstellen voor de uitvoering van de gezamenlijke verklaring is aangemerkt als prioritair gebied voor de samenwerking tussen de EU en de NAVO en in de nieuwe gezamenlijke verklaring en de Verklaring van Brussel inzake trans-Atlantische veiligheid en solidariteit opnieuw is aangemerkt als prioriteit; overwegende dat de NAVO haar normen voor militaire mobiliteit aan de EU heeft overgedragen, waaronder haar generieke parameters voor vervoersinfrastructuur;

V.  overwegende dat de NAVO momenteel ook bezig is haar eigen logistieke capaciteit te verbeteren via het facilitatieplan voor het bevoegdheidsterrein van de SACEUR, in het bijzonder door wetgeving en procedures aan te passen, de aansturing en controle te verbeteren, de vervoerscapaciteit te vergroten en de infrastructuur te verbeteren; wijst in dit kader op de oprichting van twee nieuwe commando's: het commando van de gemeenschappelijke strijdkrachten in Norfolk en het gezamenlijke ondersteunende en faciliterende commando in Ulm;

W.  overwegende dat vanaf 2019 drie van de vier kadernaties die strijdkrachten inzetten in het kader van de versterkte aanwezigheid van de NAVO op de oostelijke flank, van buiten de EU zullen komen; overwegende dat de permanente aanwezigheid van troepen op het continent en de aanvoer van versterking uit de VS, Canada en het VK van cruciaal belang zijn voor de veiligheid van Europa;

X.  overwegende dat een betere positionering vooraf van militaire logistieke voorraden, inclusief munitie en brandstof, sommige mobiliteitsproblemen kan verlichten;

Y.  overwegende dat, ondanks al deze institutionele maatregelen, de belangrijkste verbeteringen in de capaciteit voor militaire mobiliteit van de lidstaten zullen moeten komen, die hun nationale infrastructuur en regelgevingskaders zullen moeten aanpassen; overwegende dat hiervoor een benadering met deelname van alle overheidsdiensten nodig is, aangezien er een breed scala van vraagstukken moet worden behandeld; overwegende dat deze gemeenschappelijke inspanningen moeten worden geleverd met volledige eerbiediging van de nationale besluitvormingsprocedures en grondwettelijke bepalingen van de EU-lidstaten, alsook met inachtneming van de door de EU en de NAVO vastgestelde vereisten voor militaire mobiliteit;

Z.  overwegende dat uit het actieplan voor militaire mobiliteit en uit een proefanalyse die op initiatief van het Estse Voorzitterschap in 2017 is uitgevoerd in de landen van de Noordzee-Oostzee-corridor van het trans-Europees vervoersnet, is gebleken dat de maximale doorrijhoogte en draagkracht van veel bruggen voor het wegverkeer ontoereikend zijn voor militaire voertuigen en dat er onvoldoende laadcapaciteit is om zeer omvangrijk militair materieel per spoor te vervoeren;

1.  onderstreept dat militaire mobiliteit een centraal strategisch hulpmiddel is om de EU in staat te stellen haar belangen op het gebied van veiligheid en defensie effectief en op complementaire wijze met andere organisaties, zoals de NAVO, te behartigen en niet alleen moet worden beperkt tot het wegnemen van fysieke, juridische en infrastructurele belemmeringen; benadrukt dat de militaire mobiliteit van de NAVO-capaciteit inzake snelle versterking moet worden verbeterd, zodat onze collectieve veiligheid wordt versterkt en de EU mogelijk een grotere bijdrage zal leveren aan de internationale veiligheid en stabiliteit; is verheugd dat militaire mobiliteit de afgelopen tijd aanzienlijke aandacht heeft gekregen van alle betrokken actoren; merkt op dat het de Europese paraatheid in crisissituaties en de afschrikkende werking naar potentiële vijanden toe zal vergroten en zal helpen het ambitieniveau van de EU wat defensie- en veiligheidsbeleid betreft waar te maken, onder meer qua politieke, operationele en industriële strategische autonomie;

2.  benadrukt dat de invoering van een actieplan voor militaire mobiliteit in de Unie deel uitmaakt van de belangrijke doelstelling om de mobiliteit in de EU te verbeteren en om tegelijkertijd de in het GVDB vastgestelde logistieke en mobiliteitsuitdagingen het hoofd te bieden; wijst erop dat het in dit verband van essentieel belang is om grensoverschrijdende douanenormen en -verordeningen te harmoniseren, evenals administratieve en juridische procedures; benadrukt dat de gemeenschappelijke ondernemingen van de EU een essentiële rol spelen bij de harmonisering van administratieve en juridische procedures, zowel met betrekking tot de CEF als het actieplan voor militaire mobiliteit; verwacht dat duale mobiliteit een positief effect zal hebben op de ontwikkeling van de CEF in de zin dat er oplossingen worden geboden voor begrotingskwesties en in nieuwe en toekomstige behoeften wordt voorzien;

3.  wijst erop dat de verdere uitbouw van de Europese defensie-unie en de versterking van de strategische autonomie en weerbaarheid niet mogen leiden tot toenemende spanningen in de betrekkingen tussen de EU en strategisch belangrijke regionale spelers;

4.  benadrukt dat het realiseren van militaire mobiliteit in Europa een onderneming is die in eerste instantie moet zijn gebaseerd op uitdrukkelijke toezeggingen en politieke wil van de lidstaten, waaraan de EU vervolgens kan bijdragen door het proces in goede banen te leiden door een kader te bieden voor de behoeften, financiering te verschaffen, protocollen op te stellen om de doeltreffende verplaatsing van technische uitrusting en personele middelen te faciliteren, samenwerking te bevorderen en forums te bieden voor de uitwisseling van goede praktijken, informatie en ervaringen, waaraan zowel civiele als militaire autoriteiten moeten deelnemen; benadrukt dat effectieve militaire mobiliteit gunstig zal zijn voor alle lidstaten, omdat hun connectiviteit op zowel militair als civiel gebied zal verbeteren; wijst erop dat de nationale besluitvormingsprocedures en grondwettelijke bepalingen van elke lidstaat moeten worden geëerbiedigd;

5.  onderstreept hoe belangrijk het is intersectorale samenwerking en synergieën tussen de lidstaten te bevorderen om duale (civiele en defensie-) mobiliteit te ontwikkelen die efficiënt, interoperabel, veilig, multimodaal, slim en duurzaam is en die is opgewassen tegen de nieuwe uitdagingen die ontstaan bij de digitalisering van het vervoer (auto‑industrie en connectiviteit) en bij het nakomen van de plichten en verantwoordelijkheden van de EU op het gebied van duale (civiele en defensie-) logistiek, in haar rol als mondiale speler;

6.  schaart zich volledig achter de oproep van de Raad aan de lidstaten om tegen eind 2019 nationale plannen voor militaire mobiliteit te ontwikkelen en aan de uitvoering ervan hoge prioriteit toe te kennen; is ingenomen met de andere maatregelen waarover overeenstemming is bereikt in de conclusies van de Raad in het kader van de integrale EU-strategie van 25 juni 2018 en roept de lidstaten op de uiterste termijnen die hierin zijn opgenomen te eerbiedigen; benadrukt dat geslaagde pogingen om de militaire mobiliteit te stimuleren lidstaten in staat zouden stellen werk te maken van zowel hun nationale als hun collectieve Europese defensieplanning en op efficiënte wijze deel te nemen aan gezamenlijke oefeningen, trainingen en GVDB-missies en -operaties;

7.  benadrukt het belang van crisisresponsmobiliteit, oftewel het vermogen om snel en efficiënt activa te kunnen inzetten voor missies en operaties, en daarmee te waarborgen dat de EU haar positie als betrouwbare mondiale garant van veiligheid en vrede kan handhaven en in staat is effectief het hoofd te bieden aan humanitaire en natuurrampen. de in de illustratieve scenario's omschreven militaire taken in de zin van artikel 43, lid 1, VEU, uit te voeren en de clausules inzake wederzijdse bijstand en solidariteit ten uitvoer leggen;

8.  meent dat, dankzij een grotere synergie tussen de defensiebehoeften, een doeltreffend beleid inzake militaire mobiliteit zal bijdragen tot een versterking van de GVDB-missies van de EU, gezien hun internationale dimensie en vredeshandhavingsdoel, en ertoe zal leiden dat de EU beter kan reageren op noodsituaties; is van mening dat humanitaire missies en de respons op natuurrampen in de EU ook baat zouden moeten hebben bij een verbetering van de militaire mobiliteit; wijst erop dat de missies die de meeste vruchten zouden plukken van de toegenomen militaire mobiliteit in de EU en daarbuiten, missies op het gebied van collectieve defensie zouden zijn, evenals nationale of Europese crisisbeheersingsmissies en -operaties; benadrukt in dit verband dat de vorderingen op dit gebied de EU-lidstaten die ook lid zijn van de NAVO zullen helpen aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 5 te voldoen; wijst erop dat de neutrale lidstaten daarbij een bijzondere rol spelen; erkent echter dat de lidstaten op grond van artikel 42, lid 7, VWEU, ook een ondubbelzinnige verplichting hebben om met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen als een lidstaat het slachtoffer wordt van gewapende agressie op zijn grondgebied, net als het geval is in het kader van de NAVO;

9.  erkent het belang van een diepgaande analyse over de vraag welke delen van de EU of de lidstaten meer behoefte hebben aan investeringen op het gebied van militaire mobiliteit en een groter risico lopen op externe veiligheidsdreigingen;

10.  erkent de complexe aard van de uitdaging, waarmee onder andere aspecten van de aanleg van infrastructuur, gemeenschappelijke normen, vervoersvoorschriften, douane, belastingen en vergunningen voor verplaatsing zijn gemoeid, en waarbij alle overheidsniveaus, van gemeenten tot internationale organisaties, moeten worden betrokken; dringt er in dit opzicht op aan netwerken op te zetten om zowel militaire als civiele spelers op alle niveaus, inclusief de NAVO en de NAVO-bondgenoten, bij elkaar te brengen om de relevante vraagstukken te bespreken en op die manier toegevoegde waarde en een effectieve coördinatie en uitvoering te garanderen, en merkt op dat de lidstaten, om een optimaal resultaat te bereiken, moeten investeren in de gezamenlijke opleiding van administratief en institutioneel personeel; is verheugd dat de Commissie heeft toegezegd zich te zullen buigen over de mogelijkheden om de douaneprocedures voor het einde van 2018 te standaardiseren en vereenvoudigen; benadrukt dat institutionele samenwerking tussen de lidstaten, organisaties en agentschappen van fundamenteel belang is voor de harmonisering van de wetgeving van de Unie; benadrukt dat in het geval van tweeërlei gebruik van infrastructuur voor gevaarlijke goederen bijzondere coördinatie en uitwisseling van ervaringen moeten worden toegestaan om risico's op ongelukken te vermijden en te zorgen voor de optimale veiligheid van het gehele netwerk;

11.  stelt vast dat de beschikbare hoeveelheid rollend materieel, met name diepladerwagons voor het vervoer van zwaar materieel en voertuigen op korte termijn, aanzienlijk is afgenomen;

12.  erkent dat het werken in een dergelijke complexe omgeving diverse moeilijkheden oplevert wat betreft duplicatie en coördinatie, evenals wat betreft de kosten ervan, en dat deze moeilijkheden het gehele project in gevaar zouden kunnen brengen als zij niet op adequate wijze worden aangepakt; erkent dat in de EU al ervaring is opgedaan met projecten in de vervoersector op basis van duale samenwerking, zoals het gemeenschappelijk Europees luchtruim; verzoekt de lidstaten en de Commissie te zorgen voor een doeltreffend kader voor samenwerking; onderstreept dat voor de verwezenlijking van militaire mobiliteitsprojecten een sterkere samenwerking tussen de lidstaten vereist is en dat civiel-militaire samenwerking moet worden bevorderd; wijst op de noodzaak van coördinatie met de projecten inzake militaire mobiliteit die worden voorbereid in het kader van de PESCO en de projecten die worden uitgevoerd in het kader van het Europees Defensiefonds;

13.  benadrukt daarom dat inzicht in het gemeenschappelijke strategische doel, de ontwikkeling van een gemeenschappelijk plan en samenwerking tussen de lidstaten onontbeerlijk zijn voor succes; benadrukt dat een coherente militaire planning van essentieel belang is voor effectieve strategische autonomie, gebaseerd op standaardisering en interoperabiliteit van uitrustingen en wapens, alsook strategische doctrine en commando- en controleprocedures; is in dit opzicht ingenomen met het actieplan voor militaire mobiliteit, waarin concrete stappen zijn opgenomen voor de verschillende institutionele spelers en de EU‑lidstaten, en waarin de strategische rol van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN‑V) wordt erkend; is in dit opzicht verheugd over de door de lidstaten aangegane verbintenissen;

14.  betreurt dat in het actieplan met name wordt gesproken over een bottom-upbenadering, met slechts een beperkte strategische visie voor wat betreft de concrete defensiedoelstellingen die de EU wil realiseren door middel van de verschillende activiteiten die in het actieplan worden beschreven; betreurt in dit opzicht dat er nog steeds geen EU-witboek over defensie is waarin deze overkoepelende doelgerichtheid zou kunnen worden verschaft; is er desalniettemin van overtuigd dat de huidige aanpak aanzienlijke resultaten zal opleveren en de belangen zal dienen van alle EU‑lidstaten, zowel neutrale staten als EU‑lidstaten, in hun rol als NAVO-bondgenoten;

15.  benadrukt dat de ambitieuze tijdsplanning in het actieplan moet worden geëerbiedigd, zowel door de EU‑instellingen als door de lidstaten, om te garanderen dat de huidige lacunes op het gebied van mobiliteit zo snel mogelijk worden gedicht en het ambitieniveau op het gebied van defensie- en veiligheidsbeleid wordt gerealiseerd; toont zich verheugd over de in het actieplan opgenomen oproep om de militaire mobiliteit te verbeteren door rekening te houden met dreigingen van hybride aard, met name ten aanzien van vervoer en kritieke infrastructuur, en om de bestendigheid van vervoersinfrastructuur tegen dreigingen van hybride aard te verbeteren;

16.  wijst op de vorderingen die zijn gemaakt met de vaststelling van de militaire behoeften met betrekking tot militaire mobiliteit binnen en buiten de EU, met name voor infrastructuur voor tweeërlei gebruik, en is ingenomen met de nauwe betrokkenheid van de lidstaten tijdens alle etappes van dit proces, met het Nederlandse leiderschap van het PESCO-project, en met de bijdragen van de NAVO;

17.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie inzake het gebruik van de CEF en is verheugd over de aanzienlijke middelen die voor projecten inzake militaire mobiliteit voor tweeërlei gebruik worden bestemd om te waarborgen dat de infrastructuur wordt aangepast met inachtneming van de militaire mobiliteitsbehoeften; is van mening dat tweeërlei gebruik van infrastructuur absoluut noodzakelijk is, wil het civiele transportnetwerk de vruchten plukken van het actieplan en de middelen die worden toegewezen aan militaire mobiliteit; ziet de tenuitvoerlegging van het actieplan als een kans om de verhoogde netwerkcapaciteit ten goede te laten komen aan het civiele transportnetwerk en om multimodale verbindingen te creëren; is ingenomen met de verzoeken om het trans-Europees vervoersnetwerk te evalueren en aan te passen aan de in kaart gebrachte militaire behoeften die ook in aanmerking worden genomen bij nieuwe civiele vervoersprojecten, met name luchthavens, havens, snelwegen en spoorwegen als intermodale hubs in kerncorridors; wijst daarom op de noodzaak om, in samenwerking met de lidstaten, een lijst van nationale infrastructuur en corridors op te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke militaire eigenschappen van de lidstaten; merkt op dat projecten voor tweeërlei gebruik op duurzame wijze moeten worden ontwikkeld en in overeenstemming moeten zijn met de milieunormen;

18.  is van mening dat, om de EU‑middelen optimaal te benutten, alle door de CEF gefinancierde transportprojecten van gemeenschappelijk belang, indien noodzakelijk, reeds in de conceptfase rekening moeten houden met de vereisten voor militaire mobiliteit, om zo onnodige verbeteringen van de infrastructuur in een latere fase, en dus economisch onverantwoord gebruik van de middelen, te voorkomen; is van mening dat bij elke bijdrage uit de aan militaire mobiliteit toegewezen CEF-middelen voor zover mogelijk prioriteit moet worden gegeven aan multimodale projecten, aangezien deze projecten de meeste kansen bieden voor tweeërlei gebruik, en aan grensoverschrijdende projecten, omdat die bijdragen aan oplossingen voor ontbrekende schakels en knelpunten, welke momenteel de belangrijkste fysieke belemmeringen vormen voor een snelle en naadloze mobiliteit voor zowel burgers als voor het vervoer van manschappen en zwaar militair materieel; benadrukt dat bij de vaststelling van de onderdelen van het trans-Europees vervoersnet (TEN‑V) die geschikt zijn voor militair transport, de civiele en militaire synergieën zonder voorbehoud maximaal moeten worden benut en het beginsel van tweeërlei gebruik moet worden nageleefd; is van mening dat bijkomende investeringen in het netwerk tot aanzienlijke voordelen voor militaire mobiliteit kunnen leiden en kunnen bijdragen tot de voltooiing van het TEN‑V-kernnetwerk tegen 2030 en van het uitgebreide netwerk tegen 2050; benadrukt dat de middelen voor militaire mobiliteit gebruikt zouden moeten kunnen worden voor de aanpassing van de vervoersinfrastructuur, en dan voor zowel het basale als het uitgebreide deel van het TEN‑V-netwerk;

19.  staat achter het besluit om de middelen voor militaire mobiliteit onder het gecentraliseerde beheer van het CEF-programma te brengen, uitsluitend met het oog op mobiliteit voor tweeërlei gebruik; neemt kennis van de voorlopige, in het actieplan vastgestelde acties; roept de Commissie op om vóór 31 december 2019 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de militaire vereisten nader te bepalen, een lijst met delen van het TEN‑V die geschikt zijn voor militair vervoer en een lijst met prioritaire projecten inzake infrastructuur voor tweeërlei gebruik op te stellen, en de beoordelingsprocedures vast te stellen voor de subsidiabiliteit van acties in verband met militaire mobiliteit en de gunningscriteria;

20.  brengt in herinnering dat diverse technologieën die in de defensiesector worden gebruikt, succesvol zijn vertaald naar de civiele sector; benadrukt dat de verwezenlijking van een intelligent transportsysteem dat berust op telematicatoepassingen zoals ERTMS en Sesar, evenals de inzet van Galileo/Egnos/GOVSATCOM-gerelateerde technologieën, tot de grootste toekomstige uitdagingen behoren voor de civiele transportsector; is daarom van mening dat bij toekomstige wijzigingen van het actieplan moet worden overwogen om voor deze uitdagingen militaire oplossingen in te zetten in de civiele transportsector, bijvoorbeeld op het gebied van cyberbeveiliging en beveiligde communicatie; dringt aan op verdere maatregelen om de samenwerking en het onderlinge vertrouwen tussen actoren op het gebied van cyberveiligheid en defensie te vergroten en wenst dat de samenwerking in het kader van de PESCO wordt geïntensifieerd; wijst erop dat de verdere ontwikkeling van een gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride dreigingen noodzakelijk is om de bestendigheid van de infrastructuur die van strategisch belang is voor de verbetering van de militaire mobiliteit in de EU te waarborgen; onderstreept het belang van de huidige inspanningen van de EU-instellingen om de verordening inzake de controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren;

21.  is zich bewust van de waarde van eventuele voorstellen inzake de regulering van het vervoer van gevaarlijke goederen voor militair gebruik, het actualiseren van het douanewetboek van de EU en het aanpassen van de btw‑regels;

22.  is in dit opzicht ingenomen met de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen militaire en civiele spelers en benadrukt dat moet worden samengewerkt om een gemeenschappelijke basis te leggen voor het reguleren van het vervoer van gevaarlijke goederen voor militair gebruik;

23.  merkt op dat in het actieplan nogal wat taken worden genoemd die op lidstaatniveau moeten worden uitgevoerd en dat het Europees Defensieagentschap en de Commissie steun en begeleiding voor een snelle en doeltreffende uitvoering van deze taken moeten bieden; herinnert aan de noodzaak van een geharmoniseerd en aangepast regelgevingskader op douane- en belastinggebied, met name voor wat betreft btw; benadrukt dat het met name belangrijk is de regels met betrekking tot vergunningen voor grensoverschrijdende verplaatsingen te harmoniseren, aangezien deze een enorm obstakel vormen en snelle verplaatsing in de weg staan; is van mening dat de lidstaten moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het grensoverschrijdende duale gebruik zo efficiënt mogelijk verloopt en dat de administratieve kosten worden beperkt; ondersteunt in dit verband het voornemen om tegen 2019 de wachttijden aan de grensovergangen te verkorten en met het oog hierop diplomatieke toestemmingen voor verplaatsingen over land, over zee en door de lucht binnen vijf dagen af te geven, en te overwegen deze periode verder te verkorten voor snelle-reactie-eenheden;

24.  steunt het besluit van de aan de PESCO deelnemende lidstaten om militaire mobiliteit op te nemen in de initiële lijst van 17 prioritaire projecten die in het kader van de PESCO moeten worden ontwikkeld; benadrukt in dit verband dat het PESCO-project voor militaire mobiliteit een nuttig hulpmiddel zou kunnen zijn voor het coördineren van de inspanningen van de lidstaten waarin het actieplan voorziet, evenals voor andere activiteiten die buiten de onmiddellijke bevoegdheden van de EU vallen; is van mening dat deze taakverdeling, in combinatie met een goede coördinatie, essentieel is om te waarborgen dat het PESCO-project toegevoegde waarde levert; is tevens ingenomen met de meer bindende toezeggingen met betrekking tot de vereenvoudiging van grensoverschrijdend militair vervoer die in de PESCO-kennisgeving worden gedaan; verzoekt de lidstaten om actief deel te nemen aan het PESCO-project voor militaire mobiliteit;

25.  onderstreept het belang van informatie en overleg met de plaatselijke gemeenschappen over de planning en impact van grote infrastructuurprojecten voor militaire mobiliteit;

26.  onderstreept ten slotte dat de EU de inspanningen van de lidstaten alleen maar kan aanvullen; benadrukt dat het succes fundamenteel afhankelijk is van de aanvaarding door de lidstaten van een benadering om de relevante kwesties aan te pakken waarbij alle overheidsdiensten worden betrokken, en van hun vermogen om een dergelijke aanpak toe te passen; onderstreept hoe belangrijk het is dat de lidstaten politieke toezeggingen doen om effectieve militaire mobiliteit tot stand te brengen in de EU en daarbuiten; benadrukt dat militaire mobiliteit samenwerking en coördinatie tussen alle NAVO-bondgenoten vereist;

27.  is ingenomen met de nieuwe gezamenlijke verklaring over de samenwerking tussen de EU en de NAVO, de Verklaring van Brussel over trans-Atlantische veiligheid en solidariteit en de nadruk die in beide verklaringen wordt gelegd op kwesties met betrekking tot militaire mobiliteit; is verheugd over de nieuwe initiatieven van de NAVO, met name het facilitatieplan voor het bevoegdheidsterrein van de SACEUR; verwelkomt de inspanningen van de NAVO om in dit verband de militaire mobiliteit te waarborgen en roept zowel de EU als de NAVO op onnodig dubbel werk te voorkomen; onderstreept het belang van havens als verbindingspunten van de EU met haar bondgenoten en als intra-Europese verbindingen voor zeevervoer over korte afstanden; onderstreept het belang van transparantie en communicatie over defensie-initiatieven van de EU, inclusief de PESCO, ten aanzien van de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten, teneinde misverstanden te voorkomen, en toont zich verheugd over de defensie-initiatieven van de EU om de Europese pijler binnen het NAVO-bondgenootschap te versterken;

28.  verzoekt de EU, haar lidstaten en de NAVO om, met het oog op de totstandbrenging van synergieën, hun samenwerking en coördinatie te intensifiëren, onder meer door middelen in te zetten voor gemeenschappelijke projecten, de politieke flexibiliteit te vergroten, de betrekkingen tussen EU en NAVO te formaliseren, hun samenwerking uit te breiden en meer informatie te delen, mits dit in overeenstemming is met de veiligheidsbelangen van de Europese Unie; koestert de hoop dat de belemmeringen die de uitwisseling van geclassificeerde informatie tussen de twee organen in de weg staan, zo spoedig mogelijk zullen worden weggenomen, om zo deze nauwere samenwerking mogelijk te maken;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU-agentschappen op het gebied van defensie, de secretaris-generaal van de NAVO en de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten en de NAVO-lidstaten.

(1) PB L 331 van 14.12.2017, blz. 57.
(2) PB C 88 van 8.3.2018, blz. 1.
(3) PB L 65 van 8.3.2018, blz. 24.
(4) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 18.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0257.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0492.


Nieuwe Europese Agenda voor cultuur
PDF 161kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2018 over de nieuwe Europese agenda voor cultuur (2018/2091(INI))
P8_TA(2018)0499A8-0388/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de sociale top voor eerlijke banen en groei, gehouden te Göteborg op 17 november 2017, het debat over onderwijs en cultuur in het kader van de Leidersagenda van november 2017 en de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2017 betreffende de sociale dimensie van de Unie, onderwijs en cultuur,

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken"(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over "Bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen"(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(3),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over de culturele industrieën in Europa(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2007 over de sociale status van kunstenaars(5),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over het leren over de EU op school(9),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2018 over de structurele en financiële obstakels voor de toegang tot cultuur(11),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014‑2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(12),

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco) is aangenomen,

–  gezien de Kaderconventie van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Conventie van Faro) van 27 oktober 2005,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 - 2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(13),

–  gezien de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur(14),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 december 2014 over een werkplan voor cultuur (2015-2018)(15),

–  gezien het EU-werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2015 over culturele en creatieve kruisbestuiving ter stimulering van innovatie, economische duurzaamheid en sociale inclusie(16),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 8 juni 2016 getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

–  gezien het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese agenda voor cultuur (COM(2010)0390),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 27 april 2010 getiteld "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (COM(2010)0183),

–  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad over het Europees Jaar van het cultureel erfgoed (2018) (COM(2016)0543),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU" (COM(2012)0537),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 over inhoud in de digitale interne markt (COM(2012)0789),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2014 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" (COM(2014)0477),

–  gezien het verslag van 2012 van de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake toegang tot cultuur,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2010, getiteld "Wegwerken van grensoverschrijdende fiscale obstakels voor EU-burgers" (COM(2010)0769),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 november 2011 over dubbele belasting op de interne markt (COM(2011)0712),

–  gezien het verslag van 2015 van de deskundigengroep van de Commissie inzake het wegwerken van fiscale obstakels voor personen die over de grenzen heen actief zijn binnen de EU, getiteld "Ways to tackle cross-border tax obstacles facing individuals within the EU",

–  gezien het verslag van 2017 van de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake interculturele dialoog in het kader van de open coördinatiemethode, getiteld "How culture and the arts can promote intercultural dialogue in the context of the migratory and refugee crisis",

–  gezien de verklaring van Rome van 25 maart 2017 waarin de leiders van 27 lidstaten van de EU en de EU-instellingen hebben verkondigd te streven naar een ambitieuze Unie "waar de burgers nieuwe mogelijkheden voor culturele en sociale ontwikkeling en economische groei worden geboden", "een Unie die ons culturele erfgoed bewaart en culturele diversiteit bevordert",

–  gezien de verklaring van Davos van 22 januari 2018 over een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa, waarin de Europese ministers van Cultuur wijzen op de "dringende noodzaak [...] nieuwe benaderingswijzen te ontwikkelen om de culturele waarden van de Europese gebouwde omgeving te beschermen en te bevorderen" en op de dringende behoefte aan "een integrale, cultuurgerichte benadering van de gebouwde omgeving",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0388/2018),

A.  overwegende dat de prioriteiten voor de nieuwe agenda en de sectorspecifieke benadering moeten worden toegejuicht; overwegende dat gelijke steun op maat die op de sectorspecifieke uitdagingen is afgestemd, moet worden geboden voor alle culturele en creatieve sectoren, en dat culturele diversiteit en interculturele dialoog als transversale prioriteiten moeten worden gehandhaafd; overwegende dat cultuur een algemeen goed is en dat de nieuwe agenda voor cultuur gericht moet zijn op het behouden, uitbreiden en verspreiden van een levendig en gevarieerd cultureel aanbod, waarbij de toegang voor iedereen wordt gewaarborgd en deelname wordt bevorderd;

B.  overwegende dat de nieuwe agenda voor cultuur een flexibel kader moet bieden om culturele ecosystemen te wijzigen en synergieën tussen sectoren te bevorderen;

C.  overwegende dat Europa herstellende is van een ernstige financiële crisis, waarin de nationale en regionale begrotingen voor cultuur helaas vaak tot de eerste behoorden waarop werd bezuinigd;

D.  overwegende dat Europa wordt geconfronteerd met toenemende sociale ongelijkheid en jeugdwerkloosheid, om zich heen grijpend populisme en radicalisering, en een steeds diversere bevolking heeft; overwegende dat cultuur daarom belangrijker is dan ooit om sociale cohesie en interculturele dialoog tot stand te brengen en om de vrijheid en diversiteit van meningsuiting, communicatie en creatie van de burgers te waarborgen, en om bruggen te slaan tussen personen;

E.  overwegende dat de culturele en creatieve sector de sterkste troef van de EU is; overwegende dat zij goed zijn voor 4,2 % van het bbp van de EU en 8,4 miljoen banen, wat neerkomt op 3,7 % van de totale werkgelegenheid in de EU, en dat zij economisch veerkrachtig zijn, zelfs in periodes van crisis; overwegende dat deze sectoren de creativiteit bevorderen, die alle bedrijfstakken stimuleert, en dat in deze sectoren een hoger percentage jongeren en vrouwen werkt dan in andere sectoren;

F.  overwegende dat de Europese muzieksector zeer dynamisch is en goed is voor 1 miljoen banen en een omzet van 25 miljard EUR; overwegende dat deze echter ernstig ondergefinancierd blijft, met name wanneer rekening wordt gehouden met nieuwe onlinedistributiemodellen; overwegende dat van de totale begroting van Creatief Europa ter hoogte van 1,46 miljard EUR per juli 2018 slechts een bedrag van 51 miljoen EUR aan muziekprojecten is besteed, die hoofdzakelijk klassieke muziek betreffen; overwegende dat dit niet de diversiteit van de Europese muzieksector weerspiegelt, noch de economische, sociale en culturele bijdrage ervan;

G.  overwegende dat cultuur een belangrijke rol speelt voor de sociale cohesie en integratie, met name door de deelname van minderheden, kansarme groepen, gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en vluchtelingen aan het cultureel en maatschappelijk leven, en overwegende dat de speciale oproep tot het indienen van voorstellen op het gebied van integratie van migranten in het kader van Creatief Europa doeltreffend is gebleken, maar dat bij lange na niet alle projectaanvragen konden worden gehonoreerd en dat er te weinig financiering voorhanden was;

H.  overwegende dat kunstenaars en professionals uit de cultuursector vaak te maken hebben met een precaire en onstabiele situatie, geen of weinig sociale bescherming genieten en een onvoorspelbaar inkomen hebben;

I.  overwegende dat cultureel bewustzijn en culturele expressie op EU-niveau zijn erkend in de herziene aanbeveling inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren; overwegende dat de kunsten en menswetenschappen volledig in de onderwijsstelsels moeten worden geïntegreerd om bij te dragen tot de vorming van een Europa dat berust op samenwerking en creativiteit en zich inzet om duurzaamheid, integratie en burgerlijke samenhang te bevorderen;

J.  overwegende dat culturele netwerken een krachtig instrument zijn om banden tussen mensen en duurzame vreedzame betrekkingen en dialoog over de landsgrenzen heen tot stand te brengen, en bijgevolg ook om internationale culturele betrekkingen te bevorderen die centraal staan in het kader van mondiale regelgeving en de opkomst van een Europese culturele ruimte;

Algemene opmerkingen

1.  is ingenomen met de nieuwe agenda voor cultuur en benadrukt dat deze een uitstekende gelegenheid biedt om een omvattend en samenhangend cultuurbeleid op Europees niveau vast te stellen dat door de Europese burgers en buiten de EU wordt erkend; benadrukt echter dat de agenda alleen succesvol kan zijn als deze wordt ondersteund door een aanzienlijke verhoging van de begroting voor Creatief Europa en door de ontwikkeling van synergieën en interacties met andere door de EU gefinancierde programma's om tot een holistische, transversale benadering van cultuur te komen;

2.  bevestigt de rol van cultuur en de culturele en creatieve sector als drijvende kracht achter de doelstellingen van het cohesiebeleid en de sociale inclusie in de hele Unie, en dringt erop aan dat hier rekening mee wordt gehouden bij de toewijzing van subsidies uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds;

3.  onderkent dat het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 een gelegenheid biedt om het bewustzijn te verhogen van de unieke kracht en diversiteit en intrinsieke waarde van de Europese cultuur en het cultureel erfgoed en van de essentiële rol die deze in onze samenleving en economie spelen om een samenhorigheidsgevoel te creëren, actief burgerschap te bevorderen en onze identiteit en fundamentele waarden vrijheid, diversiteit, gelijkheid, solidariteit en sociale rechtvaardigheid te preciseren;

4.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om met een actieplan voor cultureel erfgoed te komen en benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan zowel materiële als immateriële aspecten van het Europese erfgoed en aan de verbanden daarvan met hedendaagse artistieke en creatieve projecten en uitingen; benadrukt bovendien de noodzaak van een permanente gestructureerde dialoog met de belanghebbenden om kennis te vergaren, capaciteit op te bouwen en de bescherming van het cultureel erfgoed in Europa te coördineren, als middel om de erfenis van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed op lange termijn te bestendigen en om de uitvoering van het actieplan te ondersteunen; benadrukt dat deze gestructureerde dialoog alle culturele en creatieve sectoren en de erfgoedsector moet omvatten; roept de lidstaten bovendien op om aanvullende actieplannen op nationaal niveau op te stellen en beschouwt het actieplan als een kans om alle kwesties aan te pakken die in verband met de tien Europese initiatieven voor na het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 aan de orde zijn gesteld en om de tijdens dat jaar gedane aanbevelingen voor te stellen;

5.  verzoekt de Commissie er zorg voor te dragen dat de noodzaak om op nieuwe, onvoorziene omstandigheden te reageren niet in de weg staat aan de verwezenlijking van reeds overeengekomen doelstellingen op het gebied van cultuur; herinnert eraan dat nieuwe initiatieven moeten worden gefinancierd uit een nieuwe begroting met inkomsten uit nieuwe bronnen en niet door de hertoewijzing van bestaande middelen;

6.  roept de Commissie op één EU-portaalsite voor het cultureel erfgoed op te zetten, waarop informatie van alle EU-programma's voor steunverlening voor het cultureel erfgoed gebundeld wordt, ingedeeld in drie hoofdstukken: financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed, een databank met voorbeelden van best practices en topkwaliteit op het gebied van het cultureel erfgoed, met de bijbehorende verwijzingen, en nieuws en links over beleidsontwikkelingen, acties en evenementen op het gebied van het cultureel erfgoed;

7.  roept de Commissie en de lidstaten op nieuwe benaderingen te ontwikkelen voor systematische verzameling van gegevens voor alle culturele en creatieve sectoren en om ervoor te zorgen dat doeltreffende statistische codes en meer kwalitatieve indicatoren worden gebruikt om zo de kloof te dichten tussen de publieke sector, die steeds meer verstoken is van gegevens, en aanbieders van digitale diensten, die over grote hoeveelheden gegevens beschikken en deze informatie gebruiken om marktaandeel te verwerven en marktspelers te destabiliseren;

8.  verzoekt de Commissie EU-scoreborden te introduceren om cultureel en mediapluralisme te meten, indicatoren te ontwikkelen en toezicht te houden op de vrijheid van artistieke expressie op Europees niveau en diversiteit bij de creatie, de distributie en het aanbod van creatieve werken;

9.  is verheugd over de start van "Music Moves Europe", een belangrijke eerste stap voor het stimuleren van creativiteit, diversiteit en innovatie in de Europese muzieksector, en de sectorale actie op het gebied van muziek in het kader van het programma Creatief Europa; verzoekt de Commissie om bij de ontwikkeling van verdere EU-acties op het gebied van muziek aandacht te besteden aan mobiliteit van kunstenaars en verspreiding van repertoire binnen Europa en daarbuiten, distributie, financiering van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), transparantie en verantwoordelijkheid van digitale platforms ten aanzien van kunstenaars, diversiteit van streamingdiensten, toegankelijkheid van online-informatie en het in kaart brengen van de sector;

10.  is ingenomen met de totstandkoming van een onlinebestand van Europese films en de lancering van de eerste EU-filmweek en spoort de Commissie en de lidstaten aan om in samenwerking met kunstenaars en de creatieve sectoren de Europese film in Europa en op wereldschaal bekender te maken, met name door de beschikbaarheid van Europese films te vergroten en de ontwikkeling te bevorderen van Europese platforms die toegang bieden tot films uit de EU waarvoor een licentie is verleend, en die in een billijke vergoeding voor kunstenaars en rechthebbenden voorzien en het territorialiteitsbeginsel eerbiedigen; benadrukt bovendien de positieve ervaringen die met de LUX-filmprijs zijn opgedaan met het oog op de promotie van Europese films en de bevordering van de distributie ervan;

11.  roept de Commissie op het belang van de stedelijke agenda voor de EU te erkennen en de samenwerking tussen de lidstaten en steden, naast andere belanghebbenden, aan te moedigen om de groei, leefbaarheid en innovatie in de Europese steden te stimuleren en maatschappelijke uitdagingen vast te stellen en met succes aan te pakken;

12.  verzoekt de Commissie te komen met een specifieke actie voor de mobiliteit van kunstwerken, mogelijk in de vorm van een subsidie om op tournee te gaan, aangezien dit de levenscyclus zou verlengen van talrijke projecten die in het kader van Creatief Europa worden gefinancierd;

Culturele en artistieke dimensie

13.  erkent de intrinsieke waarde van vrije culturele, artistieke en creatieve expressie en van een zo breed mogelijke publieke toegang tot cultuur, ook door middel van specifieke maatregelen;

14.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat Europese festivals worden gesteund, aangezien zij een essentieel element vormen om burgers uit heel Europa en daarbuiten bij elkaar te brengen en tegelijkertijd de banden tussen hen te versterken; benadrukt dat festivals een verbindende kracht zijn en impact hebben op de samenleving, het burgerschap, de economie, het cultureel erfgoed en de externe ontwikkeling;

15.  verzoekt de Commissie te overwegen om een Europese cultuurpersoon van het jaar aan te wijzen, met daarrond een reeks activiteiten en projecten in heel Europa om het leven en werk van deze persoon te eren en zijn of haar impact op de bevordering van de Europese waarden en identiteit te benadrukken;

16.  dringt erop aan dat het professionalisme van kunstenaars, auteurs, culturele actoren, tekstschrijvers en audiovisuele actoren wordt gebruikt ter noodzakelijke ondersteuning van de ontwikkeling van een Europese culturele dimensie, interculturele dialoog, culturele en artistieke innovatie, territoriale samenhang en sociale inclusie;

17.  roept de Commissie op cultuur te erkennen als "zachte kracht" die burgers in staat stelt om verantwoordelijke leiders in de samenleving te zijn, met integriteit, enthousiasme en empathie;

18.  roept de Commissie op Europa in staat te stellen een plaats te zijn van verantwoordelijke burgers die relaties opbouwen die verder reiken dan hun eigen cultuur, die het denken onder de loep nemen en innovatie aanmoedigen, en die anderen ontwikkelen en motiveren;

19.  roept de Commissie op de culturele diversiteit, de integratie van migranten en de kwaliteit van het burgerschap te bevorderen;

20.  roept de Commissie op de samenwerking tussen professionals uit de cultuursector, lesgevers, betrokken burgers en zakenmensen aan te moedigen om een hernieuwde publieke belangstelling voor cultuur aan te wakkeren;

21.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat culturele netwerken worden ondersteund als instrumenten voor collectieve kennis, ervaring en herinnering, die een informele uitwisseling van informatie mogelijk maken, die de discussie en de ontwikkeling van cultuur stimuleren om de mogelijkheden inzake mobiliteit en samenwerking te verbeteren en die bijdragen tot een geïntegreerde Europese culturele ruimte;

Sociale dimensie

22.  is verheugd dat de Commissie voornemens is om in het kader van Creatief Europa met een specifieke actie inzake mobiliteit te komen, maar onderstreept dat daarvoor een passende begroting en vereenvoudigde administratieve procedures vereist zijn ter voorkoming van belemmeringen in verband met bijvoorbeeld visa, met name die van derde landen; benadrukt dat specifieke actie vereist is om de belemmeringen en obstakels aan te pakken die leiden tot buitensporige of dubbele belasting van kunstenaars;

23.  verzoekt de Commissie om één portaalsite op te zetten die informatie biedt over alle beschikbare verblijfprogramma's en mogelijkheden op het vlak van mobiliteit;

24.  verzoekt de lidstaten te overwegen om artikel 17 van het OESO-modelbelastingverdrag te schrappen uit bilaterale belastingverdragen tussen lidstaten van de EU; roept de Commissie op om als tussentijdse oplossing een sectorspecifieke gedragscode voor bronbelasting op te stellen, waarin de mogelijkheden worden uiteengezet om de kosten te verminderen en de procedures te vereenvoudigen, door beste praktijken en toepasselijke uitzonderingen te presenteren;

25.  dringt aan op waarborging van het recht van werknemers in creatieve sectoren en kunstenaars op een billijke vergoeding en billijke contractuele overeenkomsten en arbeidsomstandigheden; vestigt de aandacht op de projectgebaseerde, onzekere en atypische arbeidssituatie van werknemers in de culturele sector in Europa; roept de lidstaten derhalve op alomvattende maatregelen te nemen om het grijze gebied te verkleinen door middel van harmonisatie en de contractvoorwaarden voor kunstenaars en werknemers in creatieve sectoren in de hele EU en op Europese schaal te verbeteren met betrekking tot collectieve vertegenwoordiging, sociale zekerheid en directe en indirecte belastingen; dringt erop aan dat in de socialezekerheidsstelsels van de hele Unie ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van atypische arbeidsvormen;

26.  onderstreept dat cultureel erfgoed en culturele ruimten een belangrijke rol spelen voor stedelijke vernieuwing en de bevordering van cohesie tussen de bewoners; spoort de Commissie en haar Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC), waarvan de werkzaamheden de verhalen van steden zin en richting geven, daarom aan om verder te werken aan de ontwikkeling van de monitor van culturele en creatieve steden, en roept steden en gemeenten op hier beter gebruik van te maken;

27.  erkent de toegevoegde waarde van culturele buurtactiviteiten om lokale gemeenschappen sociale, economische en gezondheidsvoordelen te bieden, met name in gemarginaliseerde en lage-inkomensgebieden, zoals buitenwijken en plattelandsgebieden; roept de lidstaten, steden en gemeenten dan ook op om deze activiteiten te ondersteunen door middel van concrete maatregelen, zoals stedenbouwkundige voorschriften op maat, financieringsinitiatieven en het hergebruik van verlaten voorzieningen;

28.  onderstreept dat cultuur een aantoonbaar effect heeft op de bevordering van de sociale cohesie en de verbetering van het welbevinden en het welzijn, en dat zij daarom een cruciale rol speelt bij het verlichten van de druk waarmee Europa wordt geconfronteerd bij het opvangen van een cultureel steeds diversere bevolking; benadrukt de rol die cultuur en de interculturele dialoog kunnen spelen bij het mondig maken van migranten en het bevorderen van hun integratie;

29.  betreurt dat volgens de Eurobarometer-enquête van 2017 36 % van de Europeanen in het jaar voorafgaand aan de enquête niet aan enige culturele activiteit had deelgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve voor een sterkere koppeling tussen cultuur, kunst, creatie, onderwijs, innovatie en kunstzinnig onderzoek te zorgen; roept de Commissie en de lidstaten bovendien op te investeren in publieksbinding, betrokkenheid van de gemeenschap en culturele capaciteit, en de nodige maatregelen toe te passen om de toegang tot en de deelname aan het culturele leven te waarborgen, in het bijzonder voor de meest achtergestelde groepen;

30.  stimuleert nauwere synergieën tussen de culturele sector en het onderwijs, bijvoorbeeld door buitenschoolse activiteiten of de betrokkenheid van kunstenaars bij scholen aan te moedigen; herinnert er in dit verband aan dat kunstenaars, managers, leraren, begeleiders, maatschappelijk werkers en andere werknemers in deze sectoren voldoende financiële steun van de overheid moeten krijgen;

31.  benadrukt het belang van doeltreffende maatregelen ter bevordering van de intellectuele en culturele ontwikkeling van kinderen; roept de Commissie en de lidstaten op om in het kader van hun respectieve bevoegdheden voldoende middelen uit te trekken voor de ondersteuning van culturele producties voor kinderen;

32.  benadrukt de toegevoegde waarde van kunst, muziek en menswetenschappen in het schoolonderwijs, aangezien deze bijdragen tot de bevordering van creativiteit, belangstelling wekken voor cultuur en kritisch denken stimuleren; onderstreept dat de behoefte aan culturele en creatieve vaardigheden in de digitale omgeving steeds meer toeneemt en roept de Commissie en de lidstaten daarom op om een strikte scheiding tussen disciplines op te heffen, om zowel in het formele als in het niet-formele onderwijs te zorgen voor een transitie van de STEM-benadering (Science, Technology, Engineering and Mathematics) naar een STEAM-benadering en om voor werknemers in de culturele en creatieve sector en in de audiovisuele sector een benadering in het kader van een leven lang leren te hanteren; erkent de belangrijke rol van muziek en kunst in het schoolonderwijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich over de ontwikkeling van een handboek over Europese cultuurgeschiedenis te beraden;

33.  benadrukt dat een veilige en adequate leeromgeving voor leerlingen en leraren van essentieel belang is om cultuur te laten bloeien; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan om fors te investeren in het onderhoud van openbare voorzieningen, met name scholen, teneinde de aardbevingsbestendigheid te verbeteren en bouwkundige belemmeringen weg te nemen;

34.  merkt op dat het tempo van de technologische veranderingen het absoluut noodzakelijk maakt om een benadering in het kader van een leven lang leren te hanteren die toegankelijk is voor cultuurbeoefenaars en om de synergieën tussen cultuur en formeel en niet-formeel onderwijs te versterken;

35.  onderkent het potentieel van creatieve centra als gedeelde werkplekken voor professionals uit de culturele en creatieve sector; benadrukt echter dat de sectoren in de eerste plaats behoefte hebben aan capaciteitsopbouw op het gebied van digitale en leidinggevende vaardigheden en zich niet zonder meer zouden mogen concentreren op verdere digitale innovatie;

36.  merkt op dat democratische beginselen en Europese waarden zoals vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, democratie en solidariteit steeds meer onder druk staan als gevolg van de toenemende polarisatie, zowel binnen Europa als wereldwijd; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve een strategische benadering te ontwikkelen ter bescherming van culturele rechten, de vrijheid van artistieke expressie en pluralisme van de media, en van het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven, onder meer door de ontwikkeling van indicatoren en monitoringsystemen op Europees niveau te ondersteunen;

37.  is het ermee eens dat culturele participatie en dagelijkse creativiteit in hoge mate bijdragen tot de bevordering van de interculturele dialoog en de opbouw van gezonde samenlevingen; benadrukt echter dat binnen de financieringsinstrumenten van de EU voldoende ruimte moet zijn om rekening te houden met de intrinsieke en unieke waarde van het werk van kunstenaars;

38.  wijst op de noodzaak om de toegang van vrouwen tot alle artistieke, culturele en creatieve beroepen te bevorderen en spoort de lidstaten aan om de belemmeringen voor vrouwen bij de toegang tot leidinggevende functies in culturele instellingen en stichtingen, academies en universiteiten weg te nemen;

Economische dimensie

39.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten moeten bijdragen aan de ontwikkeling van culturele organisaties door stabiele, betrouwbare en continue financiële steun te verlenen; betreurt dat Creatief Europa, ondanks de toegevoegde waarde van culturele investeringen voor de EU, slechts 0,15 % van de totale begroting van de EU uitmaakt, en dat slechts 31 % van de begroting voor dat programma bestemd is voor cultuur; stelt vast dat de beleidsterreinen van Creatief Europa zullen worden uitgebreid; neemt kennis van het voorstel voor het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) en verwelkomt de voorgestelde verhoging van de financiering als een goede eerste stap, maar dringt erop aan dat de begroting voor het nieuwe programma Creatief Europa wordt verdubbeld en dat het programma toegankelijker wordt gemaakt voor kleine organisaties;

40.  benadrukt dat de populariteit van Creatief Europa, in combinatie met de onderfinanciering en de administratieve complexiteit ervan, ervoor heeft gezorgd dat slechts 16,2 % van de aanvragen kon worden gehonoreerd en wat de ondersteunde projecten betreft tot een aanzienlijk regionaal en geografisch onevenwicht heeft geleid; wijst erop dat dit in combinatie met de administratieve complexiteit een ontmoedigende werking heeft en frustraties veroorzaakt ten aanzien van het programma en het culturele optreden van de EU, en veel actoren uit de culturele en creatieve sector ervan weerhoudt een aanvraag in te dienen; dringt er daarom op aan dat het selectieproces opnieuw wordt overdacht, samen met de tekortkomingen die in het verslag van de evaluatie halverwege zijn vastgesteld;

41.  onderstreept hoe belangrijk het is de toegang tot Creatief Europa voor kleine culturele actoren en kmo's te vergemakkelijken en te stroomlijnen; benadrukt in dit verband de noodzaak om een specifiek onderdeel in te voeren voor deze actoren en ondernemingen, met name uit gebieden die door natuurrampen worden getroffen;

42.  betreurt dat cultuur en kunst in het MFK-voorstel van de Commissie niet worden vermeld in het kader van de meeste beleidsgebieden waaraan zij een bijdrage leveren, en verzoekt de Commissie daarom om in samenwerking met de culturele en creatieve sector holistische en gecoördineerde strategieën te ontwerpen voor de integratie van cultuur en kunst in andere beleidsgebieden, met bijzondere aandacht voor de toegankelijkheid van de financiering voor kleine organisaties;

43.  onderstreept dat cultuur een sectoroverschrijdende impact heeft en verzoekt de Commissie en de lidstaten om verslag te doen van alle financiering die in het kader van steunprogramma's aan cultuur wordt toegewezen, en ervoor te zorgen dat daarvoor in totaal ten minste 1 % van het volgende MFK wordt uitgetrokken; verzoekt de regio's van de EU om cultuur, cultureel erfgoed en de culturele en creatieve sector in de structuurfondsen als prioriteit aan te wijzen en de lidstaten aan te sporen om een culturele dimensie op te nemen in de strategische doelstellingen van hun operationele programma's;

44.  verzoekt de Commissie één centraal portaal te ontwikkelen dat op gebruiksvriendelijke, omvattende, innovatieve en efficiënte wijze een overzicht geeft van alle bestaande financieringsinstrumenten van de EU, met duidelijke richtlijnen en bijstand voor de aanvragers;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te garanderen dat in het kader van de financieringsinstrumenten van de EU voldoende middelen worden toegewezen op basis van de intrinsieke waarde van artistieke en creatieve projecten;

46.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan culturele gebieden die door een gebrek aan financiering of aandacht in gevaar komen, zoals poëzie.

47.  roept de Commissie en de lidstaten op om voor elke sector een aanpak op maat vast te stellen; wijst erop dat subsidies van cruciaal belang zijn wanneer wordt gekeken naar het culturele ecosysteem als geheel, immateriële activa correct worden gewaardeerd en innovatieve artistieke en culturele praktijken worden ondersteund; wijst erop dat financieringsinstrumenten zoals garanties, leningen en eigen vermogen weliswaar geschikt zijn voor op winst gerichte projecten, maar dat subsidies de belangrijkste financieringsbron moeten blijven, met name voor kleine entiteiten;

48.  verzoekt de Commissie verslag te doen van de tenuitvoerlegging van de financiële garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector; betreurt dat de faciliteit een beperkte geografische dekking heeft en stelt voor om microfinanciering te verstrekken aan heel kleine actoren, aangezien de culturele en creatieve sector voor het overgrote deel uit kmo's bestaat, waarbij het voor 95 % om micro-ondernemingen gaat; onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat banken auteursrechten en immateriële activa beter waarderen;

49.  spoort aan tot verdere ontwikkeling van het initiatief "Culturele Hoofdsteden van Europa" en van duurzaam cultureel toerisme door in samenwerking met de culturele sectoren, gemeenschappen en burgers en met Unesco erfgoedlocaties aan te wijzen en door in samenwerking met de Raad van Europa culturele routes te ontwikkelen; pleit voor de bevordering van EU-regio's als Europese topbestemmingen (EDEN);

Digital4Culture

50.  merkt op dat de wijze waarop kunst en cultuur worden geproduceerd, gedistribueerd en gebruikt, door de digitale revolutie een radicale verandering heeft ondergaan die kansen biedt, maar tegelijkertijd gepaard gaat met grote uitdagingen in verband met de toch al moeilijke arbeidsomstandigheden van kunstenaars en werknemers uit creatieve sectoren, waardoor zij in hun economische bestaan worden bedreigd; roept de Commissie en de lidstaten dan ook op om een billijke vergoeding, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en de modernisering van de sociale zekerheid voor de culturele en creatieve sector te bevorderen, alsook de erkenning van de status van kunstenaars;

51.  erkent de positieve bijdrage van digitale technologieën aan het vergemakkelijken en verbreden van de mogelijkheden voor het behoud van en de toegang tot culturele, artistieke, creatieve en audiovisuele inhoud en diensten, bijvoorbeeld door middel van toegevoegde en virtuele realiteit en interfaces tussen mens en machine, maar ook door de productie van educatieve en narratieve videospellen en de creatie van een cultureelerfgoedcloud; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op om synergieën op dit gebied aan te moedigen, met name met de programma's Digitaal Europa en Horizon Europa;

52.  is van mening dat de bescherming van auteursrechten van fundamenteel belang is voor de inkomsten van de culturele en creatieve sector en is verheugd over het voorstel voor de nieuwe richtlijn inzake auteursrechten en de daarin vervatte maatregelen om nieuwsuitgevers te beschermen, de waardekloof tussen de creatieve sector en digitale platforms te dichten, voor transparantere en evenwichtigere contractuele betrekkingen van auteurs en uitvoerend kunstenaars te zorgen, en zich te hoeden voor schending van intellectuele-eigendomsrechten; benadrukt dat het van essentieel belang is een eerlijke digitale markt tot stand te brengen die een billijke vergoeding voor werknemers uit creatieve sectoren waarborgt;

53.  roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat digitale platforms die een actieve rol spelen bij de distributie, promotie en commerciële exploitatie van auteursrechtelijk beschermde inhoud, er duidelijk toe worden verplicht licenties van rechthebbenden te verkrijgen en aan kunstenaars, auteurs, nieuwsuitgevers, producenten, journalisten en ander werknemers uit creatieve sectoren een billijke vergoeding te betalen voor het digitale gebruik van hun werk;

54.  benadrukt dat de koppeling tussen de Europese agenda voor cultuur en de digitale agenda moet worden gehandhaafd om de bestaande synergieën te versterken;

55.  herinnert eraan dat het belangrijk is om, met name onder minderjarigen, gegevensbescherming en digitale en mediageletterdheid te bevorderen, aangezien dit de meest doeltreffende oplossing is om onder meer onlinemanipulatie en microtargeting aan te pakken;

56.  benadrukt dat het van cruciaal belang is werknemers in de culturele sector toe te rusten met toereikende digitale vaardigheden en competenties, om de bevordering en het genot van cultureel erfgoed te stimuleren;

Externe dimensie

57.  betreurt dat de bescherming en bevordering van cultuur niet als doel is opgenomen in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; beklemtoont dat cultuur een motor voor duurzame ontwikkeling en interculturele dialoog is en dat synergieën kunnen worden benut gezien de nabuurschaps- en internationale dimensie van Creatief Europa;

58.  verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering van de strategie voor internationale culturele betrekkingen en de middelen voor EU-delegaties voor culturele promotie-initiatieven en -projecten te verhogen, ook in samenwerking met de nationale instituten voor cultuur van de Europese Unie (EUNIC);

59.  staat achter het initiatief van de Raad om een alomvattende benadering inzake internationale culturele betrekkingen uit te werken en pleit voor de oprichting van culturele steunpunten in alle EU-delegaties, passende opleiding van ambtenaren en de betrokkenheid van lokale actoren en actoren die aan de basis actief zijn, het maatschappelijk middenveld en internationale culturele netwerken, onder meer bij de voorbereidende actie inzake Europese cultuurhuizen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om verslag uit te brengen om de twee jaar over de stand van zaken van de internationale culturele betrekkingen;

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 142.
(2) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 95.
(3) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 28.
(4) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 25.
(5) PB C 125 E van 22.5.2008, blz. 223.
(6) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 135.
(7) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 88.
(8) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 16.
(9) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 57.
(10) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 32.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0262.
(12) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 19.
(13) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(14) PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.
(15) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 4.
(16) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 13.

Juridische mededeling