Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2103(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0466/2018

Ingediende teksten :

A8-0466/2018

Debatten :

PV 16/01/2019 - 19
CRE 16/01/2019 - 19

Stemmingen :

PV 16/01/2019 - 21.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0032

Aangenomen teksten
PDF 187kWORD 71k
Woensdag 16 januari 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017
P8_TA(2019)0032A8-0466/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017 (2018/2103(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat op 21 januari 2011 in de EU in werking is getreden overeenkomstig Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap(1),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(2),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(4),

–  gezien het jaarverslag over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten 2017 van de Commissie(5),

–  gezien het EU-corruptiebestrijdingsverslag van de Commissie uit 2014 (COM(2014)0038),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2011 getiteld "Corruptiebestrijding in de EU" (COM(2011)0308),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 augustus 2017 getiteld "Tussentijdse evaluatie van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2017)0458),

–  gezien de verwijzingen in eerdere verslagen naar de situatie van de grondrechten in de Europese Unie,

–  gezien zijn eerdere resoluties en eerdere resoluties van andere Europese en internationale instellingen en organen,

–  gezien de verslagen van nationale, Europese en internationale ngo's,

–  gezien de werkzaamheden van het Bureau van de EU voor de grondrechten (FRA), de Raad van Europa en de Commissie van Venetië,

–  gezien het verslag over de grondrechten 2017 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)(6),

–  gezien het verslag van het FRA getiteld "Antisemitism - Overview of data available in the European Union 2006–2016",

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma – zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(7),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat(8),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over de bestrijding van antisemitisme(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(10),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU‑lidstaten(11),

–  gezien de werkzaamheden van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie verzoekschriften,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0466/2018),

A.  overwegende dat de eerbiediging van de rechtstaat een essentiële voorwaarde is voor de bescherming van de grondrechten, en overwegende dat de lidstaten de eindverantwoordelijkheid dragen voor het waarborgen van de mensenrechten van alle burgers door middel van het vaststellen en ten uitvoer leggen van internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten voortdurend geconsolideerd moeten worden; overwegende dat elke poging om deze beginselen te ondermijnen niet alleen schadelijk is voor de betrokken lidstaat, maar ook voor de Unie in haar geheel; overwegende dat corruptie een ernstige bedreiging voor de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten vormt, en alle lidstaten en de EU als geheel schade berokkent; overwegende dat er nog altijd verschillen zijn tussen de lidstaten wat betreft de tenuitvoerlegging van het rechtskader voor corruptiebestrijding;

B.  overwegende dat het Parlement er in zijn resoluties en verslagen reeds talloze keren bij de lidstaten op heeft aangedrongen een passend beleid te voeren om ervoor te zorgen dat de sociale, politieke en economische rechten voor personen met een handicap, ouderen en de meest kwetsbaren worden geëerbiedigd; overwegende dat er een nauw verband bestaat tussen de rechten van minderheden en de beginselen van de rechtsstaat; overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren in artikel 2 VEU uitdrukkelijk worden genoemd, en overwegende dat deze rechten op dezelfde wijze dienen te worden geëerbiedigd als de andere in de Verdragen verankerde rechten;

C.  overwegende dat Europa ook in 2017 te maken heeft gehad met een toestroom van migranten en asielzoekers, maar dat de grenzen en havens in toenemende mate worden gesloten; overwegende dat deze realiteit vraagt om echte Europese solidariteit zodat passende opvangvoorzieningen kunnen worden opgezet voor de meest behoeftige en de meest kwetsbare personen; overwegende dat veel migranten en asielzoekers die Europa proberen te bereiken ten prooi vallen aan smokkelaars en criminelen en een grote kans lopen het slachtoffer te worden van schendingen van hun rechten, onder meer in de vorm van geweld, misbruik en uitbuiting; overwegende dat vrouwen en kinderen een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel en seksueel misbruik door mensensmokkelaars en dat er daarom systemen in het leven geroepen moeten worden voor de bescherming van kinderen en dat de bestaande systemen versterkt moeten worden, ter voorkoming van en als reactie op tegen kinderen gerichte vormen van geweld, misbruik, verwaarlozing en uitbuiting, zoals toegezegd in het actieplan van Valletta en aan de orde gesteld in de resolutie van het Parlement van 3 mei 2018 over de bescherming van migrerende kinderen(12);

D.  overwegende dat in het verslag van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme wordt geoordeeld dat staten de plicht hebben hun bevolking te beschermen tegen terroristische daden, maar dat veiligheidsmaatregelen, onder meer in het kader van terrorismebestrijding, niet in strijd mogen zijn met de rechtsstaat of de grondrechten;

E.  overwegende dat uit het verslag van het FRA getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", gepubliceerd in maart 2014, blijkt dat één op de drie vrouwen in Europa als volwassene minstens één keer met fysiek of seksueel geweld werd geconfronteerd, dat één op de vijf al online werd geïntimideerd, dat één op de twintig een verkrachting heeft meegemaakt, en dat meer dan één op de tien reeds het slachtoffer werd van een daad van seksuele agressie waarbij geweld werd gebruikt, en dat in dit verslag wordt benadrukt dat geweld tegen vrouwen een probleem is dat aangepakt moet worden in alle EU-lidstaten, ook in de lidstaten die nog niet het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) hebben geratificeerd, gezien de omvang van het probleem en de ernstige gevolgen van geweld voor het leven van vrouwen en de samenleving als geheel; overwegende dat vrouwen met een handicap een groter risico lopen op huiselijk en seksueel geweld dan vrouwen zonder handicap;

F.  overwegende dat vrouwen en meisjes in de EU op verschillende manieren en in uiteenlopende situaties structurele genderongelijkheid ervaren, waaronder genderdiscriminatie, seksuele intimidatie, gendergerelateerd geweld en haatzaaiende uitingen gericht tegen vrouwen, wat hun vermogen om hun rechten uit te oefenen en op gelijke voet mee te doen in de samenleving ernstig beperkt; overwegende dat in 2017 de #MeToo-beweging mensen bewust heeft gemaakt van de omvang van het probleem en de mate waarin vrouwen te maken hebben met seksuele intimidatie en seksueel en gendergerelateerd geweld; overwegende dat de #MeToo-beweging tot een positief momentum voor gendergelijkheid heeft geleid, maar dat gevallen van seksuele intimidatie en seksueel en gendergerelateerd geweld nog steeds frequent voorkomen; overwegende dat in verslagen van afgelopen jaren is gewezen op een geleidelijke achteruitgang op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid in de EU; overwegende dat vrouwen in de Unie als gevolg van verschillend beleid en verschillende wetgeving in de lidstaten niet hetzelfde recht op abortus genieten;

G.  overwegende dat onder meer het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering mensen in democratische samenlevingen de mogelijkheid geeft om deel te nemen aan het publieke debat en maatschappelijke verandering teweeg te brengen; overwegende dat mediavrijheid, -pluralisme en -onafhankelijkheid essentiële onderdelen zijn van het recht op vrije meningsuiting en cruciaal zijn voor het functioneren van de democratie binnen de EU en haar lidstaten; overwegende dat journalisten en andere media-actoren in de Unie geconfronteerd worden met aanvallen, bedreigingen en zware druk, zowel vanuit de overheid als daarbuiten, of zelfs vermoord worden; overwegende dat de journaliste Daphne Caruana Galizia, die zich bezighield met onderzoek naar belastingontduikingschandalen, belastingfraude, corruptie en witwaspraktijken, in Malta is vermoord nadat zij melding had gedaan van meerdere bedreigingen aan haar adres, en dat onafhankelijk onderzoek nodig is om de identiteit van de daders volledig te achterhalen en hen te berechten; overwegende dat de pers en de organisaties van het maatschappelijk middenveld in een democratie een fundamentele rol spelen;

H.  overwegende dat artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten bepaalt dat iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, een handicap, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, godsdienst of overtuiging, taal, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, leeftijd of seksuele gerichtheid, verboden is; overwegende dat de vrijheid van gedachte, geweten en religie wordt gewaarborgd door artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; overwegende dat hardnekkige racistische en xenofobische denkbeelden langzamerhand normaal worden gevonden in de lidstaten en worden omarmd door opinieleiders en politici in de gehele EU, waardoor er een maatschappelijk klimaat ontstaat dat als voedingsbodem dient voor racisme, discriminatie en haatmisdrijven; overwegende dat dergelijke denkbeelden in strijd zijn met de gemeenschappelijke Europese waarden die alle lidstaten hebben onderschreven;

I.  overwegende dat migranten, nakomelingen van migranten en sociaal-culturele minderheden overal in de EU en op alle gebieden van het leven nog altijd op grote schaal worden gediscrimineerd; overwegende dat studies van het FRA aantonen dat slachtoffers met een irreguliere verblijfsstatus misbruik niet snel zullen melden bij de autoriteiten en dat personen met een immigrantenstatus meer risico lopen om slachtoffer te worden van een misdrijf; overwegende dat er ondanks talrijke verzoeken aan de Commissie slechts in beperkte mate stappen zijn gezet om een effectieve bescherming van minderheden te garanderen;

J.  overwegende dat het FRA een hoogwaardig kenniscentrum is geworden dat de EU-instellingen en de lidstaten voorziet van informatie met betrekking tot de grondrechten;

Rechtsstaat, democratie en grondrechten

1.  bevestigt dat de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechtspraak essentieel zijn, wil de rechtsstaat doeltreffend kunnen functioneren in een samenleving; brengt in herinnering dat dit idee verankerd ligt in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, met name in de beginselen van gelijkheid voor de wet, het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijke en openbare behandeling van een zaak door een bevoegd, onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld; brengt in herinnering dat deze fundamentele waarden als leidraad hebben gediend bij de opstelling van de inleidende artikelen van de Europese verdragen, waarbij alle lidstaten zich vrijwillig hebben aangesloten met de belofte zich hieraan te zullen houden; is van oordeel dat noch de nationale soevereiniteit, noch subsidiariteit een rechtvaardiging kan vormen voor stelselmatige weigering door een lidstaat om de fundamentele waarden van de Europese Unie en de Verdragen na te leven;

2.  brengt in herinnering dat de rechtsstaat deel uitmaakt van en voorwaarde is voor de bescherming van alle waarden die zijn opgesomd in artikel 2 VEU; roept alle betrokken actoren op nationaal en EU-niveau, waaronder overheden, parlementen en de rechterlijke macht, op om zich krachtiger in te zetten voor het behoud en de handhaving van de rechtsstaat; herinnert eraan dat deze actoren verantwoordelijk zijn voor het wegwerken van tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat en een belangrijke rol spelen in het voorkomen van elke vorm van uitholling van de rechtsstaat; wijst erop dat de rechtsstaat geen onvoorwaardelijke toepassing van de wet impliceert, maar betekent dat wij als samenleving democratisch hebben afgesproken om te worden geregeerd door het recht met strikte eerbiediging van de internationale verdragen en met name van de rechten van de democratische oppositie en minderheden;

3.  veroordeelt krachtig de pogingen van regeringen van sommige lidstaten om de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondermijnen; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de meeste lidstaten weliswaar in overeenstemming met de normen van de Raad van Europa wetgeving hebben aangenomen om de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen, maar dat er nog altijd problemen bestaan wat betreft de toepassing van deze normen, waardoor de nationale rechterlijke macht open staat voor politieke beïnvloeding en er bij de bevolking het gevoel ontstaat dat er sprake is van inmenging in het justitiële proces en van partijdigheid bij individuele rechters; herinnert eraan dat de Commissie, overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU en als hoedster van de Verdragen, gerechtigd en bevoegd is erop toe te zien dat de Verdragen en de door de instellingen uit hoofde van de Verdragen vastgestelde maatregelen ten uitvoer worden gelegd, en dat alle lidstaten de beginselen van de rechtsstaat en de andere waarden, die verankerd zijn in artikel 2 VEU, eerbiedigen;

4.  neemt kennis van de inspanningen van de Commissie en de Raad om alle lidstaten ertoe te brengen de rechtstaat, democratie en grondrechten volledig te eerbiedigen, maar ook van de beperkte impact van de procedures krachtens artikel 7, lid 1, VEU; is van mening dat de EU inbreukprocedures moet kunnen inleiden tegen lidstaten die de waarden van artikel 2 VEU niet langer eerbiedigen, en dat als alle andere middelen falen artikel 7 VEU moet worden toegepast; is van mening dat het onvermogen van de Unie om een einde te maken aan de ernstige en voortdurende inbreuken in sommige lidstaten op de in artikel 2 VEU genoemde waarden zowel het vertrouwen tussen de lidstaten, als de geloofwaardigheid van de Unie ondermijnt; benadrukt bovendien dat de aanhoudende straffeloosheid van deze overtredingen andere lidstaten heeft aangemoedigd hetzelfde pad op te gaan; verzoekt de Raad alle voorstellen van de Commissie en het Parlement in verband met inbreukprocedures en mogelijke sancties te onderzoeken en op te volgen;

5.  herinnert eraan dat de situatie van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in alle lidstaten periodiek en op onpartijdige wijze moet worden geëvalueerd; benadrukt dat deze evaluatie moet worden uitgevoerd aan de hand van objectieve criteria; herinnert er op dit punt aan dat ook de Raad een belangrijke rol speelt bij de bescherming van de rechtsstaat en de andere in artikel 2 VEU genoemde waarden, en is ingenomen met de inspanningen van sommige lidstaten om binnen de Raad periodiek de situatie van de rechtsstaat in iedere lidstaat te evalueren; dringt er bij de Raad op aan snel vooruitgang te boeken op dit gebied; brengt voorts de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016 in herinnering met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(13); roept de Commissie opnieuw op om op grond van artikel 295 VWEU een voorstel in te dienen voor de sluiting van een Uniepact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG) in de vorm van een interinstitutioneel akkoord waarin regelingen worden vastgelegd om de samenwerking tussen de instellingen van de Unie en de lidstaten in het kader van artikel 7 VEU te bevorderen; is van mening dat dit een eerlijk, evenwichtig en preventief mechanisme kan vormen voor het aanpakken van alle mogelijke schendingen van de in artikel 2 van het VEU genoemde waarden, en een soortgelijke functie zou kunnen vervullen als het Europees semester voor het economisch beleid; wijst erop dat de rechtsstaat en de grondrechten nauw met elkaar verbonden zijn en benadrukt dat het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke waarden van de EU en het Handvest onder de aandacht van alle Europeanen te brengen; benadrukt dat het belangrijk is dat het Europees Parlement ad-hocdelegaties naar de lidstaten stuurt wanneer er sprake is van duidelijk bewijs van ernstige schendingen van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

6.  deelt de opvatting dat elke beoordeling van de rechtsstaat gebaseerd moet zijn op betrouwbare, objectieve en vergelijkbare gegevens en analyses; herinnert eraan dat de grondrechten deel moeten uitmaken van de effectbeoordeling voor alle wetgevingsvoorstellen; is op dit punt verheugd over het nieuwe Europees informatiesysteem over de grondrechten (Efris) van het FRA, waarmee alle bestaande informatie aangaande de grondrechten, verkregen via de diverse mechanismen van de VN, Raad van Europa en de EU, samen zal worden gebracht;

7.  wijst erop dat het verbeteren van de kwaliteit, onafhankelijkheid en doeltreffendheid van de nationale gerechtssystemen, met name met betrekking tot de rechters, openbare aanklagers en advocaten, een belangrijke prioriteit blijft voor de Europese Unie; benadrukt dat er binnen de rechtstelsels en gerechtelijke apparaten van de lidstaten dringend aandacht moet komen voor genderaspecten en dat het gendervraagstuk nader gedefinieerd moet worden en een grotere rol moet spelen in de opleidingsprogramma's voor rechterlijk personeel;

8.  benadrukt dat corruptie niet alleen een aanzienlijke systemische belemmering vormt voor de verwezenlijking van de democratie en de eerbiediging van de rechtsstaat, maar ook tot vele schendingen van de grondrechten kan leiden en dus een ernstige bedreiging vormt voor het beginsel van eerlijke behandeling van alle burgers; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over nieuwe wetgevingsinitiatieven die in bepaalde lidstaten zijn voorgesteld en die de reeds ondernomen hervormingen om de preventie van corruptie te versterken, kunnen terugdraaien; doet in dit verband een beroep op alle lidstaten en op de EU-instellingen om systemische corruptie krachtig te bestrijden en effectieve instrumenten te ontwikkelen voor de preventie, bestrijding en bestraffing van corruptie, de strijd tegen fraude en de periodieke controle op het gebruik van overheidsmiddelen; roept in dat verband de lidstaten en de EU-instellingen op om de spoedige instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) te faciliteren; verzoekt de lidstaten die nog niet hebben verklaard zich te willen aansluiten bij het EOM om dat alsnog te doen; betreurt in verband hiermee het besluit van de Commissie om het tweede halfjaarlijks verslag over de situatie van corruptie in de EU niet uit te brengen, en dringt er bij de Commissie op aan om haar verslagen over corruptiebestrijding te blijven publiceren; onderstreept dat het opstellen van gegevensoverzichten van corruptiebestrijding in het kader van het Europees semester als maatregel niet voldoende effectief is om corruptie duidelijk op de agenda te zetten; is ingenomen met de verklaring van de Commissie in haar mededeling "Corruptiebestrijding in de EU" dat zij toestemming zal vragen om deel te nemen aan Greco, het netwerk voor corruptiebestrijding dat door de Raad van Europa is opgezet;

9.  wijst op het belang van de vrijheid van verkeer en verblijf als een van de belangrijkste fundamentele waarden die door de EU wordt gewaarborgd; benadrukt dat de brexit het leven van miljoenen Europeanen rechtstreeks beïnvloedt, met name EU-onderdanen die verblijven in het VK en VK-burgers die verblijven in de EU-27, en onderstreept dat het waarborgen van de grondrechten van mensen dezelfde prioriteit moet krijgen als andere aspecten; dringt erop aan dat de grondrechten van EU-onderdanen en hun gezinnen die op grond van het recht op vrij verkeer binnen de Unie zijn verhuisd na de brexit beschermd blijven;

10.  benadrukt dat elke maatregel ter bestrijding van terrorisme of georganiseerde misdaad in overeenstemming moet zijn met de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in de EU; uit zijn bezorgdheid over het feit dat overheidsinstanties steeds vaker hun toevlucht nemen tot administratieve maatregelen die onverenigbaar zijn met de beginselen van de rechtsstaat en dat de maatregelen die getroffen worden op dit gebied zich uitbreiden tot een toenemend aantal misdrijven en delicten, met name in het kader van maatregelen uit hoofde van de noodtoestand; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat elke uitzonderingswetgeving in overeenstemming is met het evenredigheids- en het noodzakelijkheidsbeginsel, en dat de maatregelen die in dit kader worden genomen duidelijk in tijd begrensd zijn en op regelmatige en democratische wijze worden gecontroleerd; is ertegen gekant dat immigratie en terrorisme over één kam worden geschoren en dat antiterrorismemaatregelen worden aangewend om bepaalde migratiestromen te beperken;

Migratie

11.  veroordeelt het misbruik en de schendingen van de mensenrechten waar sommige migranten en vluchtelingen het slachtoffer van zijn, met betrekking tot met name de toegang tot het grondgebied, opvangvoorzieningen, asielprocedures, detentiecentra voor migranten en de bescherming van kwetsbare personen, en benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten het door de Unie aangenomen gemeenschappelijke asielpakket eerbiedigen en volledig ten uitvoer leggen; wijst erop dat één op de drie asielzoekers een kind is en dat deze groep bijzonder kwetsbaar is; roept de Unie en de lidstaten op meer te doen om te voorkomen dat niet-begeleide minderjarigen vermist raken; herinnert eraan dat het recht op asiel uitdrukkelijk wordt beschermd door artikel 18 van het Handvest; stelt met bezorgdheid vast dat vanwege versnelde procedures, lijsten van veilige landen, maar ook door de terugkeerprocedure op grond van Dublinprocedures, LGBTI-asielzoekers een verhoogd risico lopen om te worden teruggestuurd, voordat zij hun asielaanvraag kunnen staven in derde landen of andere lidstaten, in gevallen waarin zij vervolging vrezen op grond van hun seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken;

12.  roept de lidstaten op hun autoriteiten te verzoeken om te onderzoeken of hun legitieme doelstellingen kunnen worden bereikt met minder dwingende maatregelen dan detentie en alleen te besluiten tot detentie van asielzoekers, vluchtelingen en migranten als een dergelijk besluit ten volle onderbouwd kan worden met feitelijke en juridische argumenten; herinnert eraan dat alle lidstaten de Verdragen van Genève hebben ondertekend en derhalve verplicht zijn ervoor te zorgen dat alle bepalingen daarvan worden nageleefd, ongeacht de omstandigheden; benadrukt de dubbele discriminatie waarmee vrouwelijke migranten worden geconfronteerd, als migrant en als vrouw, en de bijzondere omstandigheden waaraan zij tijdens hun migratietraject en met name in detentie- of opvangcentra worden blootgesteld, met name de pesterijen en de aantasting van hun veiligheid, hun lichamelijke integriteit en hun privéleven, en wijst op de behoefte van vrouwen aan artikelen voor vrouwelijke hygiëne en reproductieve gezondheidszorg; pleit voor de invoering van systemen en voor de verbetering van bestaande systemen ter bescherming van vrouwen, die erop gericht zijn een einde te maken aan geweld, misbruik, verwaarlozing en uitbuiting van vrouwen, overeenkomstig de toezeggingen die zijn neergelegd in het actieplan van Valletta;

13.  herinnert eraan dat Unicef er herhaaldelijk op gewezen heeft dat detentie nooit in het belang van het kind is en dat er derhalve alternatieven moeten worden ontwikkeld voor detentie, ongeacht of de kinderen wel of niet worden begeleid door hun gezin; pleit voor de ontwikkeling en invoering van specifieke procedures ter bescherming van alle kinderen, in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind; onderstreept dat scheiding van hun familieleden, onder meer wanneer zij worden vastgehouden, vrouwen en kinderen aan grotere risico's blootstelt; benadrukt tevens dat het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat prevaleert in alle situaties waar kinderen bij betrokken zijn en wijst er tevens op dat het belangrijk is dat het recht om te worden gehoord in de praktijk wordt geëerbiedigd; roept in herinnering dat in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten en artikel 28 van het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind het recht op onderwijs voor elk kind verankerd ligt, inclusief kinderen van migranten en vluchtelingen, en wel ongeacht hun status, niet-begeleid of begeleid, waarbij gescheiden scholing en segregatie vermeden moeten worden; verzoekt daarom dat alle lidstaten migranten- en vluchtelingenkinderen na hun aankomst snel toegang verlenen tot formeel en informeel onderwijs; benadrukt dat de lidstaten moeten waarborgen dat de kinderen van migranten en vluchtelingen effectief worden ondersteund door middel van taalkundige, sociale en psychologische ondersteuning op basis van hun individuele noden; is bezorgd over de specifieke behoeften en de kwetsbaarheid van asielzoekers uit gemarginaliseerde groepen, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat aan hun specifieke behoeften met betrekking tot veiligheid, gezondheidszorg en juridische erkenning wordt tegemoetgekomen;

14.  herinnert eraan dat solidariteit het leidend beginsel moet zijn waarop het optreden van de Unie op gebied van migratie berust, en veroordeelt de lidstaten die dit beginsel met voeten treden; roept de Raad op om vaart te zetten achter de hervorming van de Dublinverordening, die momenteel door de Raad wordt geblokkeerd en waardoor het Europees gemeenschappelijk asielstelsel niet naar behoren kan functioneren; benadrukt dat de lidstaten moeten overgaan tot het opzetten van een combinatie van beschermingsgerelateerde stelsels, bijvoorbeeld inzake hervestiging en toelating op humanitaire gronden, zodat mensen die internationale bescherming nodig hebben de EU binnen kunnen komen om daar asiel aan te vragen; spoort de lidstaten aan het toekennen van humanitaire visa en reguliere mobiliteitsregelingen te faciliteren om legale en veilige toegangsroutes tot de EU te bevorderen voor mensen die bescherming nodig hebben, en ervoor te zorgen dat deze mensen, ongeacht hun status, toegang hebben tot diensten en dat hun grondrechten worden geëerbiedigd; benadrukt dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de externalisering van het EU-migratiebeleid en de samenwerking met derde landen waar volgens de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen (UNHCR) sprake is van veelvuldige en ernstige schendingen van de mensenrechten; is van mening dat de Unie een sleutelrol zou moeten spelen in de hervestigingsinspanningen op mondiaal niveau; roept in herinnering dat elke handeling door een lidstaat, wanneer die wordt uitgevoerd binnen de toepassing van het EU-recht, in overeenstemming moet zijn met de rechten en beginselen van het Handvest van de grondrechten; roept de lidstaten op om het individuele recht op asiel op effectieve wijze te waarborgen en om herverdeling van vluchtelingen uit lidstaten die het meest zijn getroffen door grote aantallen vluchtelingen te accepteren; roept de lidstaten ook op om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen en om passende procedurele beschermingsmaatregelen in te voeren in hun asiel- en grensprocedures; veroordeelt ten stelligste dat sommige lidstaten niet voldoen aan de asiel- en terugkeerwetgeving van de EU en de rechten van migranten en asielzoekers schenden, door bijvoorbeeld geen effectieve toegang tot asielprocedures te verlenen, geen duidelijke informatie over rechtsmiddelen na een terugkeerbesluit te verstrekken, voedsel te weigeren aan migranten en asielzoekers, of door migranten automatisch en stelselmatig vast te zetten;

15.  spreekt zijn waardering uit voor het werk dat wordt gedaan door diverse ngo's in de Middellandse Zee en hun pogingen om levens te redden en humanitaire hulp te bieden aan mensen in nood; herinnert eraan dat redding op zee een wettelijke plicht is krachtens het internationaal recht, met name artikel 98 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (geratificeerd door de Unie, alsmede door al haar lidstaten), waarin is bepaald dat iedere persoon in nood op zee hulp geboden moet worden; herinnert aan zijn resolutie van 5 juli 2018 over de richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld(14); verzoekt de lidstaten ngo's te steunen in plaats van deze in hun werkzaamheden te belemmeren en verzoekt de Commissie en de lidstaten zoek- en reddingsoperaties op te zetten en te steunen; verzoekt de EU en haar lidstaten voldoende middelen toe te wijzen voor zoek- en reddingsacties in de context van een Europese humanitaire operatie; verzoekt de lidstaten de in de richtlijn hulpverlening opgenomen uitzondering voor humanitaire hulp in nationaal recht om te zetten om zo de ongewenste gevolgen van het hulpverleningspakket voor burgers en organisaties die humanitaire hulp verlenen aan migranten en voor de sociale cohesie in het gastland te beperken;

16.  benadrukt dat in het kader van het integratieproces altijd gekeken moet worden naar de specifieke kwetsbaarheden en behoeften van migranten; roept in herinnering dat de noden van de migranten regelmatig en voor zo lang als dit nodig is, telkens opnieuw moeten worden vastgesteld, aangezien hun situatie en noden kunnen veranderen en ook sterk kunnen verschillen naargelang hun land van herkomst; wijst erop dat gezinshereniging een krachtige manier is om migranten zelfstandiger te maken en het vertrouwen te geven dat ze zich kunnen gaan vestigen en kunnen beginnen te integreren in hun nieuwe gastland; herinnert eraan dat een opvangbeleid alleen niet volstaat, en dat de EU voor de uitdaging staat om een doeltreffend integratiebeleid uit te werken; dringt er in dit opzicht op aan dat de uitwisseling tussen de lidstaten van goede praktijken op integratiegebied wordt versterkt;

17.  neemt kennis van de invoering van verschillende nieuwe grootschalige informatiesystemen, alsmede van de doelstelling om de interoperabiliteit hiervan te verbeteren, met behoud van de nodige waarborgen, ook wat betreft gegevensbescherming en privacy; roept de lidstaten op om specifieke voorzorgsmaatregelen te nemen om te garanderen dat de interoperabiliteit van de grootschalige IT-systemen de grondrechten van alle burgers eerbiedigt, met speciale aandacht voor de rechten van het kind en kwetsbare personen, zoals personen die om internationale bescherming verzoeken en personen die internationale bescherming genieten, en discriminerende profilering; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van interoperabiliteit ook voldoet aan de doelstellingen met betrekking tot het beschermen van kinderen, zoals het identificeren van vermiste kinderen en het helpen bij gezinshereniging;

Vrouwenrechten

18.  merkt met bezorgdheid op dat in de FRA-publicatie uit 2017 getiteld "Challenges to women's human rights in the EU" ("De mensenrechten van vrouwen op de proef gesteld") wordt bevestigd dat vrouwen en meisjes in de EU aanhoudend genderdiscriminatie, seksistische haatzaaiende uitingen en gendergerelateerd geweld ervaren, en dat dit hun vermogen om hun rechten uit te oefenen en op gelijke voet mee te doen in de samenleving ernstig beperkt;

19.  merkt bezorgd op dat in het verslag van het Europees Gehandicaptenforum, getiteld "Ending forced sterilisation against women and girls with disabilities" wordt vermeld dat het nog altijd voorkomt dat vrouwen met een handicap worden gesteriliseerd, zonder dat zij hiervan op de hoogte zijn, ermee instemmen of hiervoor toestemming hebben verleend;

20.  roept de lidstaten in dit verband op om zich, zoals wordt voorgesteld in het verslag van het FRA, meer in te zetten om de waardigheid en rechten van vrouwen en meisjes te beschermen, en daartoe aandacht te geven aan de volgende zes belangrijke actiepunten: organen voor gelijke behandeling de bevoegdheid geven alle vraagstukken die van invloed zijn op de rechten van vrouwen te behandelen, van gendergelijkheid tot geweld tegen vrouwen; de veiligheid online verbeteren; gendergelijkheid doeltreffender bevorderen in het onderwijs en permanente educatie; genderquota invoeren als een daadkrachtige stap richting positieve actie; rekening houden met gendergelijkheid bij de coördinatie van het economisch beleid binnen de EU door middel van het Europees Semester; en de gegevensverzameling en kennisverspreiding over alle mogelijke vormen van discriminatie en geweld tegen vrouwen en meisjes verbeteren;

21.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen met klem en dringt er daarom nogmaals bij de Commissie op aan een wetsvoorstel in te dienen om de lidstaten te ondersteunen bij het voorkomen en uitbannen van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergerelateerd geweld; verzoekt de Raad om toepassing te geven aan de "passerelle"-clausule, en met eenparigheid van stemmen te besluiten dat geweld tegen vrouwen en meisjes (evenals andere vormen van gendergerelateerd geweld) aangemerkt dient te worden als een vorm van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, VWEU; is verheugd over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul op 13 juni 2017, ondanks de beperking tot slechts twee mandaten, aangezien dit het eerste uitgebreide juridisch bindende instrument op internationaal niveau is ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld; betreurt dat tot nu toe slechts 20 lidstaten het verdrag hebben geratificeerd; betreurt dat de discussies rondom de ratificatie van het Verdrag van Istanbul in sommige lidstaten gepaard gingen met misleidende interpretaties met betrekking tot de definitie van gendergerelateerd geweld en gender; spoort de overgebleven lidstaten en de Raad aan om het toetredingsproces van de EU tot het verdrag onverwijld af te ronden en overeenstemming te bereiken over de bijbehorende gedragscode om de tenuitvoerlegging van het verdrag door de EU te waarborgen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan organisaties van het maatschappelijk middenveld die werken met slachtoffers van gendergerelateerd geweld, op alle mogelijke manieren te ondersteunen, onder meer door middel van regelmatige financiële ondersteuning;

22.  benadrukt dat seksisme en genderstereotypen, die hebben geleid tot dominantie over en discriminatie van vrouwen, ernstige gevolgen hebben voor de grondrechten van vrouwen in alle aspecten van hun leven; wijst erop dat vrouwen vaak het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, onder meer als gevolg van de etnische minderheid waartoe ze behoren, hun seksuele geaardheid, hun handicap of hun migrantenstatus; benadrukt dat in het onderwijs op alle niveaus en voor alle leeftijden aandacht moet worden besteed aan de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, niet-stereotype rolmodellen en de eerbiediging van persoonlijke integriteit, om alle vormen van discriminatie doeltreffend aan te pakken; spoort de lidstaten aan om dit vraagstuk op passende wijze op te nemen in de onderwijsprogramma's van scholen; betreurt dat vrouwen nog steeds te maken hebben met ongelijkheden in het beroepsleven, zoals een lagere arbeidsparticipatie, de loonkloof, het vaker voorkomen van deeltijdwerk, lagere pensioenrechten, loopbaanonderbrekingen en minder kansen op promotie; verzoekt de lidstaten de belangrijkste structurele belemmeringen voor de economische emancipatie van vrouwen, en de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt, in de besluitvorming en de politiek aan te pakken, en wijst erop dat deze belemmeringen en ondervertegenwoordiging het resultaat zijn van meervoudige en samenvallende vormen van ongelijkheid, stereotypen en discriminatie in de openbare en privésfeer; dringt er bij de lidstaten op aan te komen met maatregelen om seksuele intimidatie en geweld in de openbare ruimte, op het werk, offline en online effectief aan te pakken, en te voorzien in voldoende opvanghuizen en gerichte en geïntegreerde hulpverlening, waaronder traumahulp en begeleiding, voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld; verzoekt de lidstaten goede praktijken uit te wisselen en regelmatig opleidingen aan te bieden voor personeel van politie en justitie over alle vormen van geweld tegen vrouwen;

23.  spreekt zijn steun uit voor de demonstraties die in 2017 in diverse lidstaten plaatsvonden naar aanleiding van de terugval op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidsrechten, en van de uitgebreide media-aandacht voor gevallen van seksuele intimidatie; bevestigt nadrukkelijk dat het ontzeggen van seksuele of reproductieve gezondheidsdiensten en -rechten aan vrouwen en meisjes, met inbegrip van veilige en legale abortus, een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is; herhaalt dat vrouwen en meisjes zeggenschap moeten hebben over hun lichaam en hun seksualiteit; spoort de EU-lidstaten aan om doeltreffende stappen te zetten om de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen te eerbiedigen en beschermen, met betrekking tot een reeks burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten, zoals het recht op lichamelijke integriteit en op gezondheid, het recht om vrij te zijn van foltering en mishandeling en het recht op privacy, gelijke behandeling en non-discriminatie; benadrukt in dit verband dat personen met een handicap evenveel recht hebben als anderen om hun grondrechten uit te oefenen; verzoekt de lidstaten om omvattende seksuele voorlichting te waarborgen, evenals eenvoudige toegang voor vrouwen tot gezinsplanning en het volledige spectrum van reproductieve en seksuele gezondheidsdiensten, met inbegrip van moderne anticonceptiemethodes, en veilige en legale abortus; merkt op dat dit ook betekent dat wetten, beleid en werkwijzen die deze rechten schenden moeten worden afgeschaft en dat moet worden voorkomen dat de bestaande bescherming wordt afgezwakt; beklemtoont dat de Unie een belangrijke rol moet spelen bij het vergroten van de kennis op dit gebied en het bevorderen van beproefde praktijken;

Mediavrijheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering

24.  roept in herinnering dat in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten verankerd ligt dat eenieder het recht heeft om zonder inmenging een mening te koesteren, het recht heeft op vrijheid van meningsuiting en het recht heeft om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven;

25.  benadrukt dat openbare beraadslaging en debat essentieel zijn voor het functioneren van democratische samenlevingen en spoort in dit opzicht de EU en haar lidstaten aan om verdere stappen te zetten om de vrijheid van meningsuiting en vergadering, als grondrechten en grondbeginselen van het democratisch proces, te waarborgen en te beschermen; herinnert eraan dat volgens het verslag uit 2017 van de secretaris-generaal van de Raad van Europa over de stand van de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat de mogelijkheden voor vreedzaam protest worden ondermijnd wanneer openbare bijeenkomsten worden onderworpen aan ongeoorloofde beperkingen; veroordeelt in dit opzicht ten sterkste dat de vrijheid van vergadering steeds vaker wordt beperkt en dat autoriteiten dit in sommige gevallen hebben afgedwongen door middel van een buitensporig gebruik van geweld tegen vreedzame betogers; herinnert eraan dat rechtshandhavingsfunctionarissen bij de uitvoering van hun taken de menselijke waardigheid moeten eerbiedigen en beschermen en de mensenrechten voor iedereen moeten handhaven; benadrukt dat de politiediensten in eerste instantie moeten instaan voor de veiligheid en de bescherming van de burgers, en dat iedere vorm van buitensporig en ongeoorloofd geweld door rechtshandhavingsfunctionarissen op een onpartijdige manier en grondig moet worden onderzocht door de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat;

26.  verzoekt de lidstaten om gepaste maatregelen te nemen om het bestaan van een pluralistisch, onafhankelijk en vrij medialandschap te beschermen en te bevorderen; veroordeelt met klem de tendens in bepaalde lidstaten om media in handen van regeringsgezinde bedrijven te brengen en publieke media te misbruiken om uitsluitend boodschappen van de overheid te verspreiden; wijst erop dat media de taak hebben om een gezond debat te stimuleren en daarom een pijler van de democratie vormen;

27.  is bezorgd over het feit dat er in de EU-lidstaten weinig wettelijke bepalingen of beleidskaders zijn op nationaal niveau om journalisten en mediamedewerkers te beschermen tegen geweld, bedreigingen en intimidatie; brengt in herinnering dat, volgens de Raad van Europa, misbruik en misdaden jegens journalisten kunnen leiden tot een hoge mate van zelfcensuur, wat ernstige gevolgen heeft voor de vrijheid van meningsuiting, en het recht van burgers op informatie en participatie ondermijnt; is ernstig bezorgd over de moordaanslagen die nog steeds worden gepleegd op journalisten in lidstaten; dringt er bij de nationale wetshandhavingsautoriteiten op aan alle mogelijke maatregelen te nemen om dergelijk geweld te voorkomen, nauwer samen te werken met Europol en het onderzoek naar de dood van journalisten in de EU te bespoedigen; spreekt ook zijn bezorgdheid uit over de onzekere arbeidsomstandigheden van veel journalisten en andere personen die binnen de media werkzaam zijn en het vele fysieke en psychologische geweld waar zij mee te maken krijgen, waardoor zij hun taken mogelijk minder goed kunnen uitvoeren met gevolgen voor de kwaliteit en de diversiteit binnen de journalistiek; benadrukt het belang van EU-brede projecten, zoals de monitor voor de pluriformiteit van de media en het platform Mapping Media Freedom, die de risico's voor de pluriformiteit van de media in heel Europa beoordelen, beperkingen, bedreigingen en schendingen die van invloed zijn op de mediavrijheid in kaart brengen, bewustmakingscampagnes opzetten, ondersteuning verlenen aan journalisten die worden bedreigd en grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek ondersteunen; onderstreept dat de financiering met betrekking tot deze en soortgelijke problemen in het nieuwe MFK moeten worden veiliggesteld;

28.  benadrukt de vitale rol van klokkenluiders bij het beschermen van het algemeen belang en het bevorderen van een cultuur van publieke verantwoording en integriteit, zowel binnen openbare als in particuliere instellingen; onderstreept dat klokkenluiders een belangrijke rol spelen in het kader van de onderzoeksjournalistiek en de mediavrijheid; spreekt zijn afkeuring uit over de bedreigingen, represailles en veroordelingen waar klokkenluiders in de EU nog altijd mee te maken hebben; herinnert in dit kader aan zijn resolutie van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties(15); wijst erop dat volgens de mededeling van de Commissie van 23 april 2018 over versterking van de bescherming van klokkenluiders op EU-niveau(16), slechts tien lidstaten uitgebreide wetgeving hebben ingevoerd om klokkenluiders te beschermen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie van 23 april 2018 voor een horizontale richtlijn inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden(17), en onderstreept dat de medewetgevers hier snel een vervolg aan moeten geven, zodat het voorstel voor het einde van deze zittingsperiode kan worden aangenomen;

29.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 26 april 2018 getiteld "Aanpak van online desinformatie: een Europese aanpak" en de daarin opgenomen maatregelen(18), die erop gericht zijn een transparanter, betrouwbaar en controleerbaar online-ecosysteem tot stand te brengen, teneinde de veiligheid en veerkracht van verkiezingsprocessen te verbeteren, onderwijs en mediageletterdheid te bevorderen, de steun voor kwaliteitsjournalistiek te vergroten, en de strategische communicatiemogelijkheden van de Unie te verbeteren; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat nepnieuws een bedreiging kan vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media, en wijst op de negatieve gevolgen die het verspreiden van valse nieuwsberichten kan hebben voor de kwaliteit van het politieke debat en de geïnformeerde participatie van de burgers in de democratische samenleving; is van oordeel dat voornamelijk de ontwikkeling van onderwijs en het kritisch leren denken ertoe bijdragen dat burgers in staat zijn hun eigen mening te vormen; benadrukt dat politiek profileren, desinformatie en manipulatie van informatie door partijen en private of publieke entiteiten binnen en buiten de EU kunnen worden gebruikt, en een bedreiging kunnen vormen voor de democratische waarden van de EU, zoals het geval was bij het Facebook-Cambridge Analytica-schandaal; dringt er bij de Commissie op aan door te gaan met haar werkzaamheden gericht op het voorkomen van deze praktijken en het waarborgen van gegevensbescherming, transparantie en cyberveiligheid;

30.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de belemmeringen die beschermers van mensenrechten, waaronder organisaties uit het maatschappelijk middenveld die actief zijn op het gebied van grondrechten en democratie, ervaren bij hun werk, zoals ernstige beperking van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting voor deze organisaties en burgers, evenals beperking van de financiering; erkent de belangrijke rol van deze organisaties bij het waarborgen van fundamentele rechten en waarden voor iedereen en benadrukt dat ze in staat moeten zijn om hun werk veilig en met voldoende ondersteuning uit te voeren; is bezorgd over het feit dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in sommige lidstaten beperkt wordt; roept de EU en haar lidstaten op om de oorzaken van de beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld proactief aan te pakken en om de grondrechten te blijven waarborgen; pleit nogmaals voor voldoende financiering vanuit de EU, zoals verwoord in de resolutie van het Parlement van 19 april 2018 over de invoering van een Europees waardeninstrument(19) om maatschappelijke organisaties die in de Europese Unie fundamentele waarden uitdragen te ondersteunen en iedere vorm van misbruik van deze financiering te voorkomen;

Racisme, vreemdelingenhaat, discriminatie, haatpropaganda en andere vormen van onverdraagzaamheid

31.  wijst erop dat de EU en haar lidstaten discriminerende of gewelddadige incidenten die het geven van onderwijs aan de kinderen van migranten, vluchtelingen en Roma en kinderen uit minderheidsgroepen belemmeren adequaat moeten aanpakken en bestrijden, zowel door middel van wettelijke maatregelen als door het bevorderen van wederzijds begrip en sociale cohesie; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat in reguliere onderwijsprogramma's doeltreffende maatregelen worden opgenomen om eerbied voor diversiteit, intercultureel begrip en mensenrechten, waaronder de rechten van het kind, te waarborgen en te bevorderen; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan om inclusief onderwijs op scholen vanaf jonge leeftijd te bevorderen;

32.  wijst erop dat geweldsdaden en overtredingen die zijn ingegeven door racisme, vreemdelingenhaat, religieuze onverdraagzaamheid of vooroordelen tegen personen met een handicap of de seksuele geaardheid of genderidentiteit van personen, aangemerkt moeten worden als haatmisdrijven; veroordeelt alle vormen van haatmisdrijven en haatpropaganda die dagelijks in de EU plaatsvinden en in sommige lidstaten tegenwoordig normaal worden gevonden; veroordeelt ten zeerste de opkomst van extreemrechtse bewegingen en uit zijn bezorgdheid over het bagatelliseren van haatpropaganda, zoals sommige politieke actoren plegen te doen; roept op tot een nultolerantie-aanpak van elke vorm van discriminatie op elke grond; verzoekt de Raad de onderhandelingen over de richtlijn inzake gelijke behandeling onmiddellijk vlot te trekken en af te ronden; wijst erop dat Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, dat door de lidstaten voor 28 november 2010 ten uitvoer moest worden gelegd, voorziet in een rechtsgrond om straffen op te leggen aan rechtspersonen die aanzetten tot geweld of haat tegen een minderheidsgroepering;

33.  brengt in herinnering dat de lidstaten die uitgesplitste gegevens inzake alle vormen van discriminatie en haatmisdrijven systematisch registreren, verzamelen en jaarlijks publiceren dat enkel doen om achter de oorzaken van discriminatie te komen en discriminatie te bestrijden, en dat deze gegevens volstrekt anoniem zijn zodat iedere vorm van etnisch profileren of etnische statistieken wordt vermeden, en benadrukt dat de lidstaten hierdoor, samen met andere belangrijke belanghebbenden, in staat zullen zijn om doeltreffende en op feiten gebaseerde juridische en beleidsmaatregelen te ontwikkelen als antwoord op deze fenomenen; brengt in herinnering dat alle gegevens moeten worden verzameld conform de nationale wettelijke kaders en de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming; is ingenomen met de verzameling van richtsnoeren inzake haatmisdrijven voor politie en justitie en inzake toegang tot de rechter, bescherming en ondersteuning voor slachtoffers van haatmisdrijven, die is gecompileerd door de groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid; wijst er nogmaals op dat kinderlokking, cyberpesten en wraakporno nieuwe vormen van online-criminaliteit zijn die zeer ernstige gevolgen kunnen hebben, met name voor jongeren en kinderen; benadrukt in dit verband opnieuw het belang van media- en informatiegeletterdheid, vooral bij kinderen, zodat zij het internet verantwoord kunnen gebruiken; uit zijn bezorgdheid over het feit dat slachtoffers van haatmisdrijven geen melding doen van die haatmisdrijven vanwege ontoereikende waarborgen en het nalaten van de autoriteiten om in de lidstaten haatmisdrijven naar behoren te onderzoeken en de daders te veroordelen; dringt er daarom op aan slachtoffers aan te moedigen haatmisdrijven en discriminatie te melden en adequate bescherming en ondersteuning aan hen te bieden;

34.  roept de lidstaten op om hun inspanningen gericht op de doeltreffende tenuitvoerlegging in de praktijk van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (de richtlijn inzake rassengelijkheid)(20) voort te zetten en om het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat doeltreffend ten uitvoer te leggen om de voortdurende discriminatie van Roma, antisemitisme, islamofobie, afrofobie, zigeunerhaat en aporofobie te bestrijden; wijst erop dat de lidstaten een nationale integratiestrategie moeten opstellen, of hun nationale integratiestrategie moeten herzien en, zo nodig, wijzigen, om ervoor te zorgen dat alle mensen daadwerkelijk de mogelijkheden worden gegeven om echt actief deel te nemen aan de participerende samenleving, door hun grondrechten te bevorderen en te beschermen;

35.  is bezorgd dat er in 2017 geen aanzienlijke verbetering is opgetreden wat betreft het verwezenlijken van de doelstellingen van de nationale strategieën voor integratie van de Roma; wijst erop dat de ESIF-middelen niet gekoppeld zijn aan de nationale strategieën voor integratie van Roma en vaak niet ten goede komen aan Roma; veroordeelt de discriminatie, segregatie, haattaal, door haat ingegeven misdrijven en sociale uitsluiting waarvan Roma het slachtoffer zijn; veroordeelt de voortdurende discriminatie van Roma bij de toegang tot huisvesting (met name de gedwongen uitzettingen), gezondheidszorg, onderwijs, de arbeidsmarkt, de rechter en gelijkheid voor de wet; waarschuwt ervoor dat Romakinderen en Romavrouwen bijzonder kwetsbaar zijn;

36.  betreurt het dat LGBTI's in 2017 nog steeds het slachtoffer waren van pesterijen, intimidatie en geweld en nog altijd het slachtoffer waren van meervoudige discriminatie en haat, onder meer op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en werkgelegenheid; is bezorgd over het feit dat LGBTI's nog steeds op grond van gender gestigmatiseerd worden en te maken hebben met geweld en discriminatie, alsook over het gebrek aan kennis bij en het gebrek aan optreden door rechtshandhavingsinstanties, in het bijzonder ten aanzien van transgenders en gemarginaliseerde LGBTI's, en dringt er bij de lidstaten op aan wetgeving en beleid aan te nemen om homofobie en transfobie tegen te gaan; veroordeelt ten zeerste de bevordering en toepassing van therapieën om de geaardheid van LGBTI's te veranderen en spoort de lidstaten aan deze praktijken strafbaar te stellen; veroordeelt ook krachtig de pathologisering van trans- en interseksuele identiteiten; herinnert eraan dat het bestrijden van geweld in verband met de genderidentiteit, genderexpressie, seksuele kenmerken of seksuele geaardheid van een persoon tot de taken van de EU met betrekking tot gendergerelateerd geweld behoort; verzoekt de Commissie het genderperspectief hierbij in het oog te houden; dringt er bij alle lidstaten op aan maatregelen te treffen die het recht op genderidentiteit en genderexpressie, lichamelijke integriteit en zelfbeschikking op soortgelijke wijze eerbiedigen en steunen; verzoekt de lidstaten hun strafwetgeving te actualiseren overeenkomstig de richtlijn inzake rassengelijkheid; is van mening dat zowel seksuele gerichtheid als handicaps dienen te worden opgenomen in elke catalogus van aspecten die tegen discriminatie worden beschermd; is ingenomen met de uitvoering van bepaalde punten van de lijst maatregelen van de Europese Commissie om de gelijkheid van LGBTI's te bevorderen (2014-2019); verzoekt de Commissie haar ambitieuze en meerjarige planning op dit gebied te handhaven, in nauwe samenwerking met maatschappelijke organisaties die op dit gebied werkzaam zijn;

37.  benadrukt dat discriminatie van religieuze minderheden moet worden bestreden; uit zijn bezorgdheid over de toename van antisemitisme en islamofobie; benadrukt dat haatzaaien en haatmisdrijven bestreden moeten worden om de opkomst en de radicalisering van racisten en xenofoben tegen te gaan, herinnert eraan dat racisme en xenofobie misdrijven zijn en geen meningen;

38.  herinnert eraan dat het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) een juridisch bindend internationaal verdrag is dat door de EU is ondertekend en geratificeerd, en momenteel ten uitvoer gelegd wordt met de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020, ten einde gelijke kansen te waarborgen met betrekking tot: toegankelijkheid, participatie, gelijkheid, werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, sociale bescherming, gezondheid en externe actie van de EU; onderstreept dat de Commissie in haar in februari 2017 gepubliceerde uitvoeringsverslag van de Europese strategie inzake handicaps heeft opgemerkt dat, hoewel er vooruitgang is geboekt, in het bijzonder met de Europese toegankelijkheidswet die in 2015 werd voorgesteld, personen met een handicap nog steeds worden benadeeld en gediscrimineerd ten aanzien van werkgelegenheid, onderwijs en sociale integratie; benadrukt in dit opzicht dat de doelstellingen van de strategie ongewijzigd blijven, dat specifieke actie ondernomen moet worden in de periode 2017-2020 en dat in de resolutie van het Parlement van 30 november 2017 over de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps(21) verplichte eisen wat betreft toegankelijkheid van openbare ruimtes, een minimumpercentage aan werkgelegenheid voor mensen met een handicap, garanties op inclusief onderwijs, waaronder toegang tot initiatieven zoals Erasmus+, en speciale aandacht voor vrouwen en kinderen met een handicap worden aanbevolen;

39.  roept alle lidstaten op een nationaal plan op te stellen om alle vormen van geweld tegen kinderen te bestrijden; herinnert aan zijn oproep aan de Commissie om zich er opnieuw toe te verbinden een nieuwe EU-Agenda voor de rechten van het kind op te stellen evenals een nieuwe strategie voor de rechten van het kind, te streven naar de doeltreffende integratie van de rechten van het kind in alle beleidsmaatregelen, wetgeving en financiële besluiten van de EU, en rekening te houden met de rechten van het kind bij het programmeren en uitvoeren van regionaal en cohesiebeleid;

40.  betreurt de meervoudige en intersectionele discriminatie van ouderen in een vergrijzende Europese samenleving; roept de overheden op alle niveaus op om deze dimensie beter te integreren bij het ontwerpen en uitvoeren van beleid, onder meer in het kader van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;

41.  is van mening dat de snelle ontwikkelingen in de digitale wereld vragen om doeltreffendere bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer; benadrukt dat het internet, de sociale media en andere media weliswaar fantastische communicatiemiddelen zijn, met name als informatiebron voor het publiek, maar dat deze middelen tegelijkertijd echter ook gebruikt kunnen worden als technologische instrumenten om het maatschappelijk middenveld te controleren, kwetsbare bevolkingsgroepen, met name kinderen en vrouwen, te bedreigen, met name door middel van stalking, intimidatie en de publicatie van seksueel getinte of naaktfoto's zonder toestemming van het slachtoffer; roept de lidstaten op het recht op het ontvangen en verspreiden van informatie overeenkomstig artikel 11 van het Handvest daadwerkelijk te waarborgen via een evenwichtige aanpak bij de regulering van inhoud op het internet; neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een verordening om de verspreiding van terroristische inhoud online te voorkomen, en verzoekt de Raad en het Parlement om ervoor te zorgen dat in de tekst van de verordening wordt opgenomen dat rechterlijke toetsing bij beslissingen over het verwijderen van online-inhoud wordt gewaarborgd;

Rol en mandaat van het FRA

42.  is ingenomen met de positieve bevindingen van de tweede onafhankelijke externe evaluatie van het FRA voor de periode 2013 tot 2017 (oktober 2017) en de bijbehorende aanbevelingen van de raad van bestuur van het FRA;

43.  is verheugd over de operationele werkzaamheden van het FRA in verschillende gebieden, bijvoorbeeld op de migratiehotspots in Griekenland en Italië, alsook over zijn voorlichtingsactiviteiten en scholing op het gebied van mensenrechten; pleit ervoor dat de algemene wettelijke opdracht van het Bureau wordt uitgebreid met de operationele taak om de instellingen, organen en instanties van de EU, en de lidstaten wanneer zij het EU-recht ten uitvoer leggen, te voorzien van technische bijstand, scholing en capaciteitsopbouw op het gebied van grondrechten;

44.  neemt nota van de verschillende adviezen van het FRA en moedigt de lidstaten ten zeerste aan zijn aanbevelingen ter harte te nemen en er gevolg aan te geven, om te waarborgen dat de grondrechten in de EU daadwerkelijk worden geëerbiedigd;

45.  herhaalt zijn oproep om het mandaat van het FRA in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Lissabon, door onder andere uitdrukkelijk vast te stellen dat politiële en justitiële samenwerking is opgenomen in de oprichtingsverordening;

46.  is ingenomen met de adviezen van het FRA over EU-wetsvoorstellen en is het eens met de aanbevelingen van zijn raad van bestuur dat wanneer de EU-wetgever wetgevingsdossiers behandelt waarin vraagstukken inzake grondrechten besproken worden, het Bureau in staat moet zijn om ondersteuning en expertise te verlenen waar en wanneer dit nodig is en niet alleen wanneer er formeel om wordt verzocht, en dat in de oprichtingsverordening moet worden bepaald dat het Bureau op eigen initiatief niet-bindende adviezen mag uitbrengen over EU-wetsvoorstellen zodat gedurende het wetgevingsproces volledig gebruik wordt gemaakt van de expertise van het Bureau;

47.  is van mening dat de EU-instellingen moeten voorzien in verbeterde vormen van raadpleging, effectbeoordeling en juridische toetsing, onder meer door het inwinnen van advies bij passende onafhankelijke instanties zoals het FRA, wanneer een wetgevingsdossier mogelijk de grondrechten bevordert of negatief beïnvloedt; is in dit verband van mening dat een meer regelmatige raadpleging van het FRA zou kunnen worden overwogen in een herziene versie van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven;

48.  beveelt aan dat de EU-wetgevers het FRA om een onafhankelijk en extern advies inzake de mensenrechten vragen, als een wetgevingsdossier serieuze vragen oproept inzake de grondrechten; verzoekt de Europese Commissie erop toe te zien dat het FRA beschikt over de juiste mechanismen om zijn taken uit te kunnen voeren;

o
o   o

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.
(2) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(3) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(4) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(5) Europese Commissie, Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52018DC0396&from=NL
(6) Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), Verslag over de grondrechten 2017, http://fra.europa.eu/en/publication/2017/fundamental-rights-report-2017
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0095.
(8) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 171.
(9) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 183.
(10) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 9.
(11) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 21.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0201.
(13) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0314.
(15) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 143.
(16) COM(2018)0214.
(17) COM(2018)0218.
(18) COM(2018)0236.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0184.
(20) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(21) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 110.

Laatst bijgewerkt op: 12 november 2019Juridische mededeling