Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2151(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0479/2018

Ingediende teksten :

A8-0479/2018

Debatten :

PV 16/01/2019 - 27
CRE 16/01/2019 - 27

Stemmingen :

PV 17/01/2019 - 10.4

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0036

Aangenomen teksten
PDF 175kWORD 65k
Donderdag 17 januari 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag over de controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank voor 2017
P8_TA(2019)0036A8-0479/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2019 over het jaarverslag 2017 inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2017 (2018/2151(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het activiteitenverslag 2017 van de Europese Investeringsbank (EIB),

–  gezien het financieel verslag 2017 en het statistisch verslag 2017 van de EIB,

–  gezien het duurzaamheidsverslag 2017, het verslag 2017 over de driepijlerbeoordeling voor EIB-verrichtingen binnen de EU en het verslag 2017 over de resultaten buiten de EU van de Europese Investeringsbank,

–  gezien de jaarverslagen van het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB over 2017,

–  gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2017 en het verslag over corporate governance van 2017,

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman in zaak 1316/2016/TN over vermeende tekortkomingen in het transparantiebeleid van de Europese Investeringsbank(1),

–  gezien de herziening van de klachtenregeling als gevolg van het besluit van de Europese Ombudsman in zaak 1316/2016/TN over vermeende tekortkomingen in het transparantiebeleid van de Europese Investeringsbank,

–  gezien het activiteitenverslag 2017 van het bureau van het hoofd Naleving van de EIB en het activiteitenverslag 2017 voor fraudebestrijding van de EIB-groep,

–  gezien het activiteitenplan 2017-2019 van de EIB-groep,

–  gezien de artikelen 3 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 15, 126, 174, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Protocol nr. 5 bij het VWEU betreffende de statuten van de EIB en Protocol nr. 28 bij het VWEU betreffende economische, sociale en territoriale cohesie,

–  gezien het reglement van orde van de Europese Investeringsbank,

–  gezien zijn resoluties van 27 april 2017 inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2015 – Jaarverslag 2015(2), van 3 mei 2018 inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016 – Jaarverslag 2016(3),

–  gezien Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 over het externe mandaat van de EIB voor de periode 2007‑2013(4) en Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU‑garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie(5),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(6),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 september 2016 over de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016)0597, SWD(2016)0297 en SWD(2016)0298),

–  gezien de ad-hocaudit door Ernst & Young van 8 november 2016 van de toepassing van Verordening (EU) 2015/1017 ("EFSI‑verordening"),

–  gezien het verslag van de Commissie van 28 mei 2018 over het beheer van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in 2017 (COM(2018)0345),

–  gezien het evaluatieverslag over de verrichtingen van de EIB met betrekking tot de evaluatie van het EFSI van juni 2018,

–  gezien het verslag van de Commissie van 29 juni 2018 over het uitvoerig verslag aan het Europees Parlement en de Raad over het gebruik van de EU-garantie van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de werking van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) (COM(2018)0497),

–  gezien de driepartijenovereenkomst van september 2016 tussen de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank,

–  gezien de briefingpapers van de Europese Rekenkamer over de "Future of EU finances: Reforming how the EU Budget operates" van februari 2018 en over het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader 2021‑2027 van juli 2018,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie internationale handel (A8‑0479/2018),

A.  overwegende dat het de taak is van de EIB om bij te dragen aan de integratie, evenwichtige ontwikkeling en economische en sociale cohesie van de lidstaten door aanzienlijke fondsen bijeen te brengen op de kapitaalmarkten en door deze fondsen onder gunstige voorwaarden uit te lenen aan projecten die EU‑beleidsdoelstellingen bevorderen;

B.  overwegende dat de EIB van groot belang is voor de op economisch herstel gerichte inspanningen op het niveau van de Unie, met twee achtereenvolgende kapiltaalverhogingen en door middel van haar cruciale rol bij de tenuitvoerlegging van het investeringsplan voor Europa via het beheer van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI);

C.  overwegende dat de EIB een bijdrage moet leveren aan inclusieve groei, duurzame en hoogwaardige werkgelegenheid en vermindering van ongelijkheid;

D.  overwegende dat een regelmatige en grondige beoordeling van de behoeften in verschillende sectoren van essentieel belang is voor het opsporen van investeringstekorten en -belemmeringen in verschillende regio's, maar ook voor het vaststellen van mogelijkheden voor groei en werkgelegenheid, voor bijkomende bijdragen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs van 2015 en voor een nauwkeurige bepaling van de aard en omvang van tekortkomingen van de markt, afhankelijk van de bestaande externe effecten en sectorale en territoriale ontwikkelingsbehoeften;

E.  overwegende dat de rol van de EIB bij het aantrekken van openbare middelen van essentieel belang is voor het vermogen van de Unie om op nieuwe economische en milieutrends en -risico's en op geopolitieke onzekerheden te reageren en zich hieraan aan te passen, terwijl het risicotoezicht en prudentieel risicobeheer van de EIB-groep worden versterkt;

F.  overwegende dat de EIB-groep de laatste jaren een duidelijke verandering heeft waargenomen in de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van haar activiteiten in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), waarbij er sprake was van steeds meer kleinere verrichtingen gesteund door de EU‑garantie krachtens het EFSI en een significante toename van beheerstaken namens de Europese Commissie en in de levering van adviesdiensten;

G.  overwegende dat de brexit van invloed zal zijn op de kapitaalbasis, de adequaatheid en de komende leencapaciteit van de EIB;

H.  overwegende dat de EIB toegevoegde waarde moet bieden met de hoogste mate van integriteit, goed bestuur en vooral, gezien de conclusies van de Ombudsman in diens besluit in zaak 1316/2016/TN over vermeende tekortkomingen in het transparantiebeleid van de Europese Investeringsbank(7), transparantie en verantwoording en in overeenstemming met de van toepassing zijnde beste bancaire praktijken;

I.  overwegende dat de bestrijding van alle vormen van witwassen van geld, financiering van terrorisme en schadelijke belastingpraktijken voor de EIB altijd een prioriteit moet blijven;

J.  overwegende dat de aandeelhouders van het Europees Investeringsfonds (EIF) op 31 december 2017 de EIB (58,5 %), de Unie vertegenwoordigd door de Europese Commissie (29,7 %) en 32 financiële instellingen (11,8 %) omvatten; overwegende dat de meeste EIF‑verrichtingen momenteel worden gefinancierd krachtens specifieke mandaatovereenkomsten met derden.

De rol van de EIB bij de waarborging van strategische publieke investeringen die meerwaarde bieden

1.  wijst erop dat publieke investeringen nog steeds nodig zijn om de investeringstekorten in verschillende sectoren weg te nemen opdat die in de kwetsbaarste lidstaten en cohesielanden onder het niveau van vóór de crisis blijven om het herstel van de gevolgen van de crisis te stimuleren en duurzame groei, werkgelegenheid en cohesie in de Unie op lange termijn te bevorderen;

2.  merkt op dat het totale geplaatste kapitaal van de EIB overeenkomt met 243 miljard EUR; merkt op dat alle lidstaten aandeelhouder van de EIB zijn en dat in aanvulling op het gestorte kapitaal, de lidstaten zich er eveneens toe verbinden om op verzoek aanvullend kapitaal te verstrekken; wijst erop dat de vier grootste aandeelhouders Duitsland, Frankrijk, Italië en het VK zijn, met elk een aandeel van 39,14 miljard EUR en 16,11 % van het totaal;

3.  merkt op dat de EIB overeenkomstig haar beleidsstrategie beoogt Europese strategische doelstellingen – zoals het herstel van het concurrentievermogen van de EU, de economische groei op lange termijn en het creëren van banen – te ondersteunen, de toegang van (kleine en middelgrote ondernemingen) kmo's tot financiering te vergemakkelijken, het milieu te beschermen en de energietransitie aan te moedigen door het financieren van klimaataanpassing- en mitigatieprojecten, de banencrisis waar de jongere generatie in de EU mee is geconfronteerd aan te pakken, infrastructuurprojecten te ondersteunen en aan het verlichten van de migratieoorzaken bij te dragen;

4.  is van mening dat de EIB een relevante financiële rol speelt en aanzienlijke resultaten kan behalen in het terugdringen van ongelijkheid in de Unie en verzoekt de EIB zich te richten op investeringen die bijdragen tot de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs van 2015 en waarmee het concurrentievermogen en gelijke kansen worden vergroot en het cohesiebeleid in de minder ontwikkelde landen wordt gesteund;

5.  verzoekt de EIB terugkerende investeringstekorten en structurele tekortkomingen van de markt te blijven verhelpen door middel van de ontwikkeling van holistische uitgaven op middellange termijn, vergemakkelijking van medefinanciering op nationaal niveau en investeringsplannen onder meer gericht op Unieregio's en ‑gewesten die worden gekenmerkt door lage inkomsten en die te maken hebben met de grootste investeringsbelemmeringen;

6.  benadrukt dat in het actieplan 2017‑2019 de nadruk van de EIB moet liggen op de prioriteit van doeltreffende uitvoering van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

7.  onderstreept het feit dat de voorwaarden voor kredietverschaffing van de EIB de ontwikkeling van de perifere regio's van de EU moeten bevorderen door groei en werkgelegenheid in de hand te werken; vraagt de EIB de regelingen voor de verlening van technische bijstand en financiële deskundigheid aan lokale en regionale overheden in de fase voorafgaand aan de goedkeuring van projecten sterk uit te breiden, met het oog op betere toegankelijkheid, en ervoor te zorgen dat alle lidstaten hierbij betrokken zijn, met name de lidstaten die lager scoren wat het aantal goedgekeurde projecten betreft;

8.  spoort de EIB aan tot het creëren van duurzame financieringsmogelijkheden en een gunstig investeringsklimaat als afspiegeling van de politieke toezeggingen en algemene doelstellingen van de Unie, ter bevordering van innovatie en economische, sociale en territoriale cohesie binnen de Unie en ter versterking van de sociale dimensie van de EIB‑investeringen, door de investeringstekorten in de sociale sector en in de veiligheid van infrastructuur op te heffen; verzoekt de EIB bij grootschalige infrastructuurprojecten rekening te houden met alle risico’s in verband met het effect op het milieu en alleen projecten te financieren waarvan is aangetoond dat ze werkelijk meerwaarde hebben, voor de plaatselijke bevolking en uit milieu-, sociaal en economisch oogpunt; onderstreept het feit dat het belangrijk is nauwgezet de mogelijke risico's in de gaten te houden van corruptie en fraude in deze context, alsmede accurate ex-ante- en ex-postbeoordelingen uit te voeren met betrekking tot de te financieren projecten;

9.  moedigt de EIB aan belanghebbenden steeds op de hoogte te houden van financiële mogelijkheden en zo nodig adequate adviesdiensten te bieden, ook al zijn EIB‑instrumenten vraaggestuurd;

10.  benadrukt dat er, in het kader van de lopende onderhandelingen over de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, gedetailleerde afspraken moeten worden gemaakt over de verplichtingen van het VK ten opzichte van de EIB, om ervoor te zorgen dat het vermogen van de EIB om haar doelstellingen te bereiken niet wordt aangetast;

Bevordering van investeringen in belangrijke strategische gebieden

11.  wijst erop dat volgens het financieel verslag voor 2017 van de EIB de ondertekende financieringsovereenkomsten van de bank voor 2017 69,9 miljard EUR (62,6 miljard EUR binnen de EU en 7,3 miljard EUR daarbuiten) bedroegen, hetgeen met minder dan 70 miljard EUR lager is dan in de laatste vijf jaar (2013‑2016) maar toch binnen de in het activiteitenplan van de EIB verwachte 10 % flexibiliteitsmarge valt, en wijst ook op de stabiliteit en kwaliteit van de totale portefeuille met een percentage probleemkredieten dat met 0,3 % vergelijkbaar is met dat van 2016;

12.  merkt op dat de Europese Unie aan de EIB een garantie verstrekt, hetgeen normaal is voor financiële instellingen die door de lidstaten zijn aangewezen om publieke doelstellingen te halen; merkt echter op dat deze situatie een uiterst verantwoord kredietbeleid vereist zodat de middelen doeltreffend en ten behoeve van de gehele Unie, de lidstaten en het openbaar belang worden uitgegeven; verzoekt de EIB, die krachtens een ontwikkelingsmandaat werkt, een betere naleving van haar doelstellingen inzake milieu- en sociaal beleid en de VN‑doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te waarborgen, ook bij medegefinancierde projecten of bijdragen aan investeringsfondsen en private-equityfondsen;

13.  stelt opnieuw bezorgd vast dat de helft van de lidstaten 80 % van alle EIB-investeringen binnen de EU ontving terwijl de overige 14 lidstaten hiervan slechts 10 % ontvingen; en herhaalt bovendien dat drie lidstaten respectievelijk 16 %, 15 % en 11 % ontvingen; vraagt de bank in haar verslagen de informatie over investeringen uit te splitsen naar regio's met lage en met hoge inkomsten volgens haar eigen investeringsenquête (EIBIS) en te specificeren met betrekking tot de mogelijke effecten voor het wegnemen van investeringstekorten en -belemmeringen in de zwakkere EU‑regio's;

14.  verzoekt de EIB haar ramingen van de investeringen per hoofd van de bevolking en de daarop gebaseerde rangorde van de lidstaten opnieuw te bekijken, aangezien bijgewerkte cijfers lijken te wijzen op een rangschikking die in grote lijnen overeenkomt met de rangschikking op basis van de absolute bedragen die de lidstaten hebben ontvangen;

15.  wijst er tevens op dat volgens het EIF‑jaarverslag voor 2017 het EIF in 2017 transacties voor in totaal 9,3 miljard EUR heeft ondertekend, vergeleken met 9,45 miljard EUR in 2016, waarbij 35,4 miljard EUR werd gemobiliseerd ter ondersteuning van mkb‑bedrijven en midcapondernemingen in Europa;

16.  neemt er nota van dat in 2017 de financiering van de EIB‑groep zowel binnen als buiten de EU ten behoeve van haar overheidsbeleidsdoelen, respectievelijk : i) 13,8 miljard EUR voor innovatie en vaardigheden, ii) 18 miljard EUR voor infrastructuur, iii) 16,7 miljard EUR voor milieugerelateerde projecten en iv) 29,6 miljard EUR voor mkb‑bedrijven en midcapondernemingen bedroeg; onderstreept dat investeringen in kmo's, start-ups, onderzoek, innovatie, de digitale economie en energie-efficiëntie, gezien de gevolgen en het belang ervan voor zowel lokale als nationale economieën, de meest cruciale factor zijn om het economisch herstel in de EU en de bevordering van hoogwaardige werkgelegenheid te stimuleren;

17.  merkt op dat de EIB-kredietomvang binnen de Unie in 2017 voor de horizontale doelstelling van economische en sociale cohesie 18,24 miljard EUR bedroeg en dat de bank 29,6 % van de 30 % doelinvesteringen voor deze doelstelling heeft gehaald;

18.  merkt op dat 25 % van de totale vastleggingen van de EIB voor projecten op het gebied van klimaatverandering bestemd is, en dat dit percentage tegen 2020 tot 35 % zal oplopen; wijst erop dat deze ontwikkeling positief moet worden beoordeeld, en merkt daarbij op dat de ondersteunde projecten niet alleen in de strijd tegen klimaatverandering, maar ook vanuit financieel oogpunt doeltreffend moeten zijn;

19.  neemt er nota van dat binnen de Unie 16,58 miljard EUR werd toegekend aan de horizontale doelstelling voor klimaatacties, door middel waarvan de EIB heeft bijgedragen aan de naleving van de Overeenkomst van Parijs van 2015 en aan wereldwijde duurzame ontwikkeling; moedigt de EIB aan op dit gebied een hoog ambitieniveau te behouden;

20.  is ingenomen met de toezegging van de EIB om haar verrichtingen tegen 2020 in overeenstemming te brengen met de Overeenkomst van Parijs van 2015; verzoekt de EIB, in het licht van het recente IPCC-verslag, haar klimaatstrategie te herzien om deze aan te passen aan het traject van een mondiale opwarming met 1,5 °C;

21.  spoort de EIB aan haar aanwezigheid en activiteiten in de landen van de Westelijke Balkan te versterken, aangezien de landen in die regio van strategisch belang zijn voor de Europese Unie, en het intensiveren van de krediet- en beleggingsactiviteiten van cruciaal belang zijn;

22.  neemt kennis van de lopende toetsing van de criteria voor EIB-energieleningen; verwacht dat deze toetsing in overeenstemming zal worden gebracht met de Overeenkomst van Parijs van 2015; herhaalt zijn oproep aan de EIB om prioriteit te geven aan haar leningen aan energie-efficiënte en kleinschalige, gedecentraliseerde hernieuwbare energiebronnen en een ambitieus plan te presenteren om de financiering van projecten voor fossiele brandstoffen stop te zetten; verzoekt de EIB ernaar te streven een voortrekkersrol te spelen op het gebied van klimaatactie en meer te investeren in de sector hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en deze doelstelling als een prioriteit te beschouwen bij de herziening van haar criteria voor energieleningen;

23.  is in dit verband ingenomen met de rol van de EIB bij de uitgifte van klimaatobligaties (4,29 miljard EUR vergeleken met 3,8 miljard EUR in 2016), in overeenstemming met de betrokkenheid van de bank bij klimaatactie door meer investeringen in energie-efficiëntie en kleinschalige hernieuwbare energie met grotere lokale en regionale effecten;

24.  is van mening dat de EIB haar rol om te helpen bij het bereiken van duurzame ontwikkeling moet blijven versterken en dat klimaatactie voornamelijk gericht moet zijn op schoon vervoer en schone energieopwekking, op vermindering van het energieverbruik (voor verwarming, vervoer en productie), op schone industriële productie en duurzame landbouw en waterzuivering en -voorziening, en op de ecologische transitie in het algemeen;

25.  herinnert eraan dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen en vraagt de EIB daarom hun gebrek aan toegang tot krediet te verhelpen door bestaande programma's, zoals de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit, uit te breiden en door hun meer middelen toe te wijzen; roept ertoe op intermediaire banken die EIB‑middelen verstrekken, te verplichten tot een sterker proactief beleid ten aanzien van kmo's en micro-ondernemingen;

26.  wijst erop dat de EIB bij het verlenen van steun aan EU‑bedrijven in derde landen terdege rekening moet houden met de handelsstrategie van de EU, met inbegrip van toekomstige vrijhandels-, diensten- en investeringsovereenkomsten; wijst er in dat verband op dat de EIB met name rekening moet houden met de vereisten voor internationalisering van Europese kmo's;

27.  wijst erop dat een deel van de leenactiviteiten van de EIB gericht is op activiteiten buiten de Unie; merkt op dat er sprake moet zijn van nauwe coördinatie van en sterke complementariteit tussen de externe leenactiviteiten van de EIB en het Europees plan voor externe investeringen;

28.  erkent de inspanningen van de EIB voor een bijdrage aan de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en aan de aanpak van de wereldwijde uitdagingen in verband met migratie; onder meer door de lancering van duurzaamheidsobligaties ter financiering van de 17 duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties;

Prestatie van de financiële verrichtingen van de EIB

29.  neemt met tevredenheid kennis van de conclusie van het auditcomité dat de door de raad van bestuur van de EIB goedgekeurde financiële staten een waarachtig en eerlijk overzicht bieden van de financiële positie van de bank vanaf 31 december 2017 en van de resultaten van haar verrichtingen en cashflows voor 2017 in overeenstemming met het toepasselijke boekhoudkundig kader;

30.  herhaalt echter zijn verzoek met betrekking tot het jaarverslag van de EIB en verzoekt de EIB om een vollediger, gedetailleerder en geharmoniseerder jaarlijks activiteitenverslag te presenteren en de presentatie van de informatie aanzienlijk te verbeteren door gedetailleerde en betrouwbare uitsplitsingen te verstrekken van de investeringen die voor een bepaald jaar zijn goedgekeurd, ondertekend en uitbetaald plus de gebruikte financieringsbronnen (eigen middelen, EFSI, centraal beheerde EU‑programma's enz.), evenals informatie van dergelijke aard met betrekking tot begunstigden (lidstaten, overheid, particuliere sector, intermediairs of directe ontvangers), ondersteunde sectoren en de resultaten van de ex‑postevaluaties;

31.  neemt nota van de omvang van de nieuwe speciale activiteiten die in 2017 door de bank zijn ondertekend die samenhangen met projecten met een hoger risicoprofiel, tot maximaal 18 miljard EUR (2016: 13,1 miljard EUR) waarvan 2,7 miljard EUR voor eigen risico van de EIB was en de overige 15,3 miljard EUR werd gedekt door de kredietrisicolimiteringsportefeuille;

32.  neemt nota van de gemelde resultaten van 26 voltooide projecten in 2017 buiten de EU die met behulp van het kader voor resultaatmeting voor externe interventies kunnen worden beoordeeld, niet alleen wat betreft de verwachte maar ook wat betreft de behaalde resultaten; merkt echter op dat met betrekking tot activiteiten binnen de EU uitsluitend informatie wordt geboden over de mogelijke effecten en verwachte resultaten van nieuwe in 2017 ondertekende verrichtingen op basis van de driepijlerbeoordeling; herhaalt zijn verzoek aan de Bank om ook informatie op te nemen over behaalde resultaten van voltooide projecten binnen de EU en zo nodig de driepijlerbeoordeling voor dit doel aan te passen;

33.  is van mening dat de verificatiecriteria van het niveau van de additionaliteit van de EIB moeten worden uitgediept om de financiering gerichter toe te kennen, om overlapping te voorkomen en om alle mogelijke synergie op te sporen;

34.  raadt aan de prestatiecultuur binnen de EIB te bevorderen door een geleidelijke verbetering en met name door de horizontale prestatie-indicatoren met betrekking tot de effecten van de kernactiviteiten van de EIB te vernauwen;

35.  verzoekt de EIB regelmatig bewijs te leveren van de duurzaamheid van de uitkomsten, effecten en resultaten met relevante en bijgewerkte indicatoren; is van mening dat verbetering van de geschiktheid en relevantie van de indicatoren in het scorebord van essentieel belang is, niet alleen om een idee te geven van de reikwijdte van de resultaten en de effecten, maar ook om steeds effectievere interventiemanieren te vinden;

36.  is van mening dat er, naast het effectieve investeringsniveau, gewerkt moet worden aan de duurzaamheid, dat wil zeggen het vermogen van een project om op lange termijn de gunstige effecten in een ecologische, financiële, economische of sociale vorm (al of niet direct) te behouden nadat het project is voltooid;

37.  is tevreden met de aanneming door de EIB van het in december 2017 goedgekeurde uitsluitingsbeleid en vraagt dat dit instrument strikt wordt gehanteerd om klanten die betrokken zijn bij corruptie- of fraudepraktijken, van EIB-financiering uit te sluiten;

EFSI-ontwikkeling

38.  neemt er nota van dat de EIB-groep (EIB en EIF) vanaf eind 2017 606 verrichtingen krachtens het EFSI heeft ondertekend voor een totale financiering van 37,4 miljard EUR en dat deze verrichtingen naar verwachting in alle 28 lidstaten en voor alle in de EFSI‑verordening vastgelegde doelstellingen investeringen zullen mobiliseren van 207,3 miljard EUR, met de volgende verdeling voor de belangrijkste sectoren: 30 % voor het mkb, 24 % voor O&O&I, 21 % voor de energiesector, 10 % voor de digitale ruimte, 8 % voor vervoer, 4 % voor sociale infrastructuur en 4 % voor milieu- en hulpbronnenefficiëntie; dringt er bij de EIB op aan om haar investeringen in koolstofintensieve sectoren en projecten tot een minimum te beperken en haar aandeel te verhogen van investeringen in het verbeteren van het milieu en de hulpbronnenefficiëntie;

39.  merkt op dat de EIB vanaf 31 december 2017 krachtens het infrastructuur- en innovatievenster (IIW) 278 verrichtingen heeft ondertekend voor een financiering ter waarde van in totaal 27,4 miljard EUR, die naar verwachting in 27 lidstaten investeringen van 131,4 miljard EUR zullen mobiliseren, en dat het EIF krachtens het mkb‑venster verrichtingen heeft ondertekend met 305 financiële intermediairs voor een totale EIF‑financiering van bijna 10 miljard EUR, die naar verwachting investeringen van 76 miljard EUR zullen mobiliseren in alle 28 lidstaten van de EU; merkt op dat tegen eind 2017 in totaal 135 785 ondernemingen reeds door het EFSI gesteunde financiering in het kader van het mkb-venster hadden ontvangen en dat hiermee 1,5 miljoen banen werden gecreëerd of ondersteund;

40.  herhaalt dat de daadwerkelijke door het EFSI gemobiliseerde investeringen alleen aan het einde van de investeringsperiode kunnen worden gemeten, en dat daarbij moet worden opgemerkt dat het geschatte wereldwijde multiplicatoreffect van de 606 goedgekeurde en ondertekende transacties krachtens EFSI tegen eind 2017 een vermenigvuldigheidsfactor van 13,53 heeft, iets onder de aanvankelijke veronderstelling en doelstelling van vermenigvuldigheidsfactor 15 bij de lancering van het EFSI; merkt op dat informatie over de manier waarop standaardmultiplicatoren (benchmarkmultiplicatoren) werden afgeleid momenteel wordt verspreid onder de EIB‑diensten en beveelt aan al deze informatie in een afzonderlijk document te verzamelen;

41.  wijst erop dat er geen beroep is gedaan op garanties ten laste van de begroting van de Unie wegens wanbetaling;

42.  merkt op dat de door het bestuur van het EFSI vastgestelde indicatieve grenswaarden met betrekking tot geografische concentratie die vereisen dat het aandeel van de IIW‑investering (wat betreft ondertekende verrichtingen) in drie lidstaten aan het einde van de investeringsperiode samen niet meer is dan 45 % van de totale EFSI-portefeuille niet in acht zijn genomen, aangezien de drie lidstaten met het grootste aantal ondertekeningen (Frankrijk, Italië en Spanje) tegen 31 december 2017 verantwoordelijk waren voor ruwweg 47 % van de ondertekeningen; wijst erop dat de territoriale distributie van EFSI-fondsen nog kan worden verbreed, terwijl ook de investeringsmogelijkheden hiervan breder kunnen worden verspreid;

43.  neemt nota van de evaluatie van het EFSI en de bevindingen hiervan dat speciale EFSI- en non-EFSI-verrichtingen eenzelfde risicoprofiel hebben, en dat de combinatie tussen EFSI- en ESIF- en CEF-subsidies beperkt blijft omdat er een risico bestaat dat het EFSI financiële ESIF-instrumenten verdringt; verwacht dat door de EFSI-evaluatie vastgestelde tekortkomingen en risico's worden weggenomen bij de uitvoering van EFSI 2.0;

44.  is ingenomen met de verbetering van de transparantie door de publicatie van besluiten van het EFSI-investeringscomité en van de door het EFSI-bestuur goedgekeurde documenten samen met de notulen van de vergaderingen;

45.  moedigt een betere synergie aan tussen het EFSI en nationale stimuleringsbanken omdat de coördinatie met nationale stimuleringsbanken een terugkerende inspanning is die kan bijdragen aan de doeltreffendheid van het EFSI;

Mensenrechten

46.  verzoekt de EIB een mensenrechtenstrategie vast te stellen en haar due diligence op projectniveau te verbeteren om de risico’s in verband met de mensenrechten in al haar activiteiten en gedurende de gehele looptijd van haar projecten te identificeren en aan te pakken; dringt er tevens bij de EIB op aan een doeltreffend mechanisme in te stellen om ervoor te zorgen dat mensenrechtenverdedigers de bank veilig kunnen waarschuwen voor een verslechterend milieu of voor risico's in verband met conflicten en represailles;

Meer transparantie in en verantwoording voor de corporate governance en activiteiten van de EIB

47.  neemt nota van de waarnemingen van het auditcomité in zijn jaarverslag aan de Raad van gouverneurs voor het begrotingsjaar 2017 met betrekking tot:

   a) het belang van waarborging van de financiële kracht op lange termijn en duurzaamheid van de EIB en het behoud van haar AAA-rating in een klimaat van onzekerheid in economisch beleid en geopolitieke, regelgevings- en macro-economische ontwikkelingen;
   b) de behoefte aan herziening en verbetering van de interne controle en het risicobeheer van de EIB-groep met het oog op de veranderende omvang en toenemende complexiteit van de activiteiten van de EIB-groep;
   c) de noodzaak van een volledige uitvoering van beste bancaire praktijken, ook in gebieden waar alomtegenwoordige tekortkomingen in de naleving blijven bestaan;
   d) de behoefte aan de uitvoering van een uitgebreide evaluatie en vervolgens een modernisering van de goedkeuring van kredieten en het hieraan gekoppelde besluitvormingsproces bij de EIB, omdat het proces van beoordeling en goedkeuring van leningen en het respectieve controlemilieu niet aan de huidige bedrijfsbehoeften blijken te kunnen voldoen en er bewijzen voor druk op de diensten bestaan;

48.  constateert evenals het auditcomité met spijt dat de EIB nog geen vorderingen heeft gemaakt in de aanpak van de in drie achtereenvolgende jaren (2015, 2016 en 2017) geuite bezorgdheid over de bestaande combinatie van verantwoordelijkheden onder bepaalde leden van het directiecomité; is het volledig eens met de aanbeveling van het auditcomité dat alle leden van het EIB‑directiecomité objectief, kritisch en onafhankelijk moeten kunnen werken, en dat er een einde moet worden gemaakt aan onorthodoxe combinaties van verantwoordelijkheden zoals de verantwoordelijkheid voor het toezicht op activiteiten van zowel de eerste als de tweede verdedigingslinie;

49.  vraagt de EIB in dit verband deze aanbeveling serieus in overweging te nemen en te zorgen voor een duidelijke scheiding in de verantwoordelijkheden op het niveau van het directiecomité; is ingenomen met de hervorming die geïnitieerd is om de governancestructuur van de EIB te wijzigen;

50.  verzoekt de EIB de bestaande tekortkomingen in het toepasselijke kader voor beste bancaire praktijken te verhelpen en verwacht dat dit kader in 2018 volledig operationeel is geworden omdat de uitvoering hiervan wordt beschouwd als een voorwaarde voor het behoud van de financiële kracht en stabiliteit van de EIB;

51.  maakt zich zorgen over de conclusie van het auditcomité dat de snelle uitbreiding van de activiteiten van de EIB en de capaciteit in verband met de tenuitvoerlegging van het EFSI, van beheer in opdracht van derden en de verlening van adviesdiensten, niet gepaard is gegaan met relevante aanpassingen in de bedrijfsstructuur of de bedrijfsprocessen; merkt op dat het auditcomité in 2017 vijf van zijn aanbevelingen van 2015 en 2016 met betrekking tot interne controle en risicobeheer handhaaft; verzoekt de EIB deze aanbevelingen met voorrang toe te passen en ervoor te zorgen dat interne processen, cyberveiligheid en risicobeheer voldoen aan de nieuwe en toenemende vereisten en uitdagingen voor de EIB-groep;

52.  meent dat de EIB transparanter moet handelen ten opzichte van niet alleen het Europees Parlement, maar ook de overheidsinstellingen van de lidstaten; is van mening dat democratische vertegenwoordigers meer informatie moeten krijgen over de activiteiten van de EIB;

53.  is van mening dat de transparantie zowel op het niveau van bestuurslichamen als op operationeel niveau kan worden verbeterd; wijst er nogmaals op dat de rapporten in het kader van de driepijlerbeoordeling (3PA) en het Results Measurement (ReM) stelselmatig openbaar moeten worden gemaakt; wenst dat ook de niet-vertrouwelijke informatie in de notulen van de vergaderingen van de Directie en de Raad van Gouverneurs openbaar wordt gemaakt; stelt tot zijn tevredenheid vast dat de EIB in 2017 is begonnen met het publiceren van de notulen van de raad van bestuur van de EIB, de verklaring van belangenconflicten van de directie en bepaalde informatie over projecten, in het bijzonder de milieueffectbeoordelingen;

54.  herhaalt dat transparantie, een grote mate van zorgvuldigheid en controle bij de tenuitvoerlegging van EU-beleid niet alleen leidt tot meer algemene aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van de EIB, met een duidelijk overzicht van het soort financiële intermediairs en uiteindelijke begunstigden op grond van een diepgaand zorgvuldigheidsonderzoek en een "Ken je klant"-beleid, maar dat dit ook ten goede komt aan de algemene doeltreffendheid en duurzaamheid van de gefinancierde projecten;

55.  herhaalt zijn verzoek aan de EIB om uitbreiding van de gepubliceerde informatie voor projecten die via intermediairs worden uitgevoerd door informatie over eindprojecten op te nemen waarmee de economische en sociale gevolgen van haar investeringen kunnen worden beoordeeld;

56.  wijst erop dat in het bestuursproces meer rekening moet worden gehouden met de resultaten van de dialoog met of raadpleging van maatschappelijke organisaties of specifieke belangen of zorgen van lokale en regionale actoren, opdat de besluitvorming op grond van meer informatie plaatsvindt en beter onderbouwd en democratischer kan worden;

57.  vindt het zorgwekkend dat er op grond van de bevindingen van de Europese Rekenkamer in haar jaarverslag ernstige tekortkomingen aan het licht zijn gekomen met betrekking tot het Europees Investeringsfonds: de Rekenkamer wijst op een misstand in de regelgeving op grond waarvan de auditinstanties van de lidstaten plicht hebben kmo-initiatieven te controleren, maar dat zij op grond van de wettelijke bepalingen eigenlijk niet het recht hadden controles ter plaatse uit te voeren;

58.  stelt vast dat van de dertig investeringen die de Rekenkamer heeft onderzocht, financieel intermediairs leningen aan vijf ontvangers hadden goedgekeurd zonder hun kmo-status te bevestigen; deze projecten werden door de Europese Rekenkamer als niet-subsidiabel beschouwd, terwijl nog eens vier leningen voor geheel of gedeeltelijk niet-subsidiabele activiteiten werden gebruikt door de begunstigden;

59.  is ingenomen met het feit dat de door de Rekenkamer aan het licht gebrachte problemen met de wijziging van het Financieel Reglement in theorie zijn opgelost; verzoekt de EIB in haar volgende jaarverslag in te gaan op problemen vanwege tekortkomingen in de regelgeving en op de vraag of er met het gewijzigde Financieel Reglement in de toekomst zelfs auditcontroles op het niveau van eindbegunstigden kunnen worden uitgevoerd door de auditinstanties van de lidstaten;

60.  is ingenomen met de goedkeuring van de voorlopige aanpak in het EIB-beleid ten aanzien van zwak gereguleerde, niet-transparante en niet-coöperatieve rechtsgebieden (NCJ), goedgekeurd door de raad van bestuur in januari 2017, maar verwacht dat het moet leiden tot een herziening van dit beleid ter verbetering van het fiscaal zorgvuldigheidsonderzoek van de EIB bij externe leningen, naast het herziene AML/CFT-kader van de EIB-groep;

61.  verzoekt de EIB adequaat bedrijfs- en integriteitsonderzoek te verrichten ter vaststelling van de werkelijke begunstigden van al haar cliënten en verrichtingen alsmede de uiteindelijke ondernemingen waarin wordt belegd, indien er sprake is van EIB-investeringen in aandelenfondsen; verzoekt de EIB op haar website informatie te publiceren over de uiteindelijk begunstigden met betrekking tot haar klanten, om de zichtbaarheid van haar verrichtingen te vergroten en bij te dragen tot het voorkomen van gevallen van corruptie en belangenverstrengeling;

62.  verzoekt de EIB bij de financiering meer rekening te houden met good governance op fiscaal gebied, overeenkomstig de op 25 mei 2018 aangenomen conclusies van de Raad ten aanzien van de EU-standaard inzake goed bestuur op fiscaal gebied voor overeenkomsten met derde landen; is van mening dat de EIB een verdere bijdrage moet leveren aan de ontwikkeling van beste praktijken voor eerlijke belastingheffing door bestrijding van belastingontduiking en ‑ontwijking; verzoekt de EIB een verantwoordelijk fiscaal beleid te voeren en ervoor te zorgen dat de EIB geen cliënten financiert die betrokken zijn bij belastingontwijking of -ontduiking of die via belastingparadijzen opereren; verzoekt de EIB standaardbepalingen en -clausules met betrekking tot goed bestuur in haar contracten met alle geselecteerde financiële intermediairs op te nemen;

63.  benadrukt dat uit het herziene mandaat voor externe leningen van de EIB blijkt dat de zwarte lijst van de EU bindend is voor de Bank, en dat met EIB-verrichtingen geen projecten mogen worden ondersteund die bijdragen aan het witwassen van geld, de financiering van terrorisme, belastingontwijking, belastingfraude en belastingontduiking;

64.  merkt op dat de EIB eind 2017 onderzoek verrichtte naar 136 gevallen van bedrog, waarbij de drie belangrijkste soorten verdenkingen betrekking hadden op fraude (53,7 %), corruptie (25,5 %) en samenzwering (10,7 %);

65.  merkt op dat EIB-middelen door in het emissieschandaal verwikkelde bedrijven zijn gebruikt, in het bijzonder Volkswagen, en dat deze middelen dan ook mogelijk zijn gebruikt om onethische en illegale activiteiten te financieren;

66.  wijst erop dat het aantal nieuwe ontvankelijke klachten van 84 in 2016 steeg naar een nieuw record van 102 in 2017 en dat er in 2017 173 klachten werden behandeld; neemt er nota van dat 38 van de in 2017 ontvangen klachten betrekking hadden op slechts twee EIB-investeringsprojecten: de trans-Adriatische gasleiding en de toegangsweg tot de haven van Mombasa in Kenia;

67.  is ingenomen met de herziening van het EIB-klachtenmechanisme en de opneming hierin van de voorbeelden die de Europese Ombudsman heeft gegeven voor de definitie van wanbeheer, met inbegrip van vormen van slecht of falend bestuur, zoals administratieve onregelmatigheden, onrechtmatige discriminatie, ongerechtvaardigde weigeringen van informatie, machtsmisbruik en onnodige vertraging, maar spreekt zijn bezorgdheid uit over het resterende deel van het resultaat van de herziening;

68.  betreurt het feit dat de EIB geen rekening heeft gehouden met de bezorgdheid van het Parlement over de herziening van het klachtenmechanisme van de bank, zoals uiteengezet in paragraaf 86 van zijn resolutie van 3 mei 2018 over het jaarverslag over de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016; is ernstig bezorgd over het feit dat het goedgekeurde herziene klachtenmechanisme een ernstig risico inhoudt voor de onafhankelijkheid ervan en voor de transparantie van de onderzoeken en conclusies vabn het mechanisme; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat het hoofd van haar klachtenmechanisme alle besluiten kan nemen met betrekking tot de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de klacht, onafhankelijk van de andere EIB-diensten, en dat de aanwervingsprocedures voor het hoofd van het klachtenmechanisme transparanter worden;

69.  neemt nota van het besluit van de Ombudsman van 23 mei 2018 in zaak 1316/2016 TN over vermeende tekortkomingen in het transparantiebeleid van de Europese Investeringsbank en verzoekt de Bank om doorvoering van de door de Ombudsman voorgestelde verbeteringen met betrekking tot het opheffen van de niet-openbaarmaking van documenten die tijdens inspecties, onderzoeken en audits zijn verzameld en gecreëerd en om een nieuwe opstelling van relevante bepalingen van haar transparantiebeleid met betrekking tot leningen via intermediairs en deadlines voor de behandeling van informatieverzoeken;

70.  wijst op de behoefte aan strengere regels inzake belangenconflicten en aan duidelijke, strenge en transparante criteria om elke vorm van beïnvloeding of gebrek aan objectiviteit bij de toekenning van leningen te voorkomen; wijst er nogmaals op dat de EIB haar gedragscode zo snel mogelijk moet herzien om te garanderen dat haar vicepresidenten niet worden belast met verrichtingen in hun lidstaten van herkomst, omdat dit een gevaar vormt voor de onafhankelijkheid van de instelling; verzoekt de EIB belangenconflicten in haar bestuursorganen en potentiële "draaideurgevallen" beter te voorkomen door rekening te houden met de aanbevelingen van de Ombudsman en haar gedragscode te herzien;

71.  verwacht dat het EIB-beleid inzake de bescherming van klokkenluiders, dat momenteel wordt herzien, ambitieus is en strenge normen omvat; spoort de EIB ertoe aan bij deze herziening zowel rekening te houden met interne als met externe klokkenluiders en duidelijke en welomschreven procedures, termijnen en richtsnoeren vast te stellen, om klokkenluiders zo goed mogelijk te oriënteren en hen te beschermen tegen eventuele represailles;

Controle door het Europees Parlement

72.  is het eens met het standpunt van de Europese Rekenkamer dat de Rekenkamer moet worden belast met de controle van alle verrichtingen van de EIB, met inbegrip van de verrichtingen waarvoor de EIB gebruik maakt van middelen buiten de EU-begroting;

73.  verzoekt de Commissie begrotingscontrole een jaarlijkse workshop/hoorzitting te organiseren over de activiteiten en controle van de verrichtingen van de EIB om het Parlement aanvullende relevante informatie te verschaffen ter ondersteuning van zijn werkzaamheden met betrekking tot de controle van de EIB en haar verrichtingen;

Follow-up van de aanbevelingen van het Parlement

74.  verzoekt de EIB opnieuw verslag uit te brengen over de stand van zaken ten aanzien van eerdere aanbevelingen die het Parlement in zijn jaarlijkse resoluties heeft gedaan, met name inzake:

   a) de effecten van haar kredietactiviteiten en de behaalde resultaten;
   b) de preventie van belangenconflicten, met name van leden van het investeringscomité van het EFSI en de Raad van Bewind van de EIB, en het opnemen van strengere regels op dit gebied in de relevante gedragscode en vooral die van de raad van bestuur en de Raad van Bewind;
   c) transparantie en openbaarmaking van informatie over het systeem van aanbesteding en onderaanbesteding met betrekking tot intermediairs en eindontvangers in verband met voorkoming van belastingontwijking, fraude en corruptie;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) https://www.ombudsman.europa.eu/en/decision/en/95520
(2) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 80.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0198.
(4) PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1.
(5) PB L 135 van 8.5.2014, blz. 1.
(6) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.
(7) https://www.ombudsman.europa.eu/en/decision/en/95520

Laatst bijgewerkt op: 12 november 2019Juridische mededeling