Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0207(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0468/2018

Ingediende teksten :

A8-0468/2018

Debatten :

PV 16/01/2019 - 31
CRE 16/01/2019 - 31

Stemmingen :

PV 17/01/2019 - 10.10
CRE 17/01/2019 - 10.10
Stemverklaringen
PV 17/04/2019 - 8.15

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0040
P8_TA(2019)0407

Aangenomen teksten
PDF 291kWORD 95k
Donderdag 17 januari 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Vaststelling van het programma Rechten en waarden 2021-2027***I
P8_TA(2019)0040A8-0468/2018

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en waarden (COM(2018)0383 – C8-0234/2018 – 2018/0207(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van het programma Rechten en waarden
tot vaststelling van het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald: "De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen". In artikel 3 wordt voorts bepaald: "De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen" en "De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed". Deze waarden worden bevestigd en verder uitgewerkt in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(1)  In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald: "De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren". Overeenkomstig de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is de menselijke waardigheid de primaire grondslag van alle fundamentele mensenrechten. Bovendien wordt in dit artikel bepaald: "Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen". In artikel 3 wordt voorts bepaald: "De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen" en "De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed". Deze waarden worden bevestigd en verder uitgewerkt in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   In zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 en eigen middelen, benadrukt het Europees Parlement dat het belangrijk is dat horizontale beginselen ten grondslag liggen aan het MFK 2021-2027 en al het daarmee verband houdende beleid van de Unie. Hieronder valt ook de opname van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's) in alle Uniebeleidsmaatregelen en -initiatieven van het volgende MFK. Voorts wordt in de resolutie benadrukt dat de uitbanning van discriminatie essentieel is voor het nakomen van de verbintenissen van de Unie ten aanzien van een inclusief Europa en wordt het ontbreken van verbintenissen op het gebied van gendermainstreaming en gendergelijkheid in het beleid van de Unie dat met de voorstellen voor het MFK gepresenteerd is, betreurd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)   In zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020, spreekt het Europees Parlement zijn steun uit voor programma's op het gebied van cultuur, onderwijs, media, jeugd, sport, democratie, burgerschap en maatschappelijke organisaties, die duidelijk hun Europese meerwaarde hebben bewezen en populair zijn en blijven onder de begunstigden, en onderstreept het bovendien dat een sterker en ambitieuzer Europa alleen mogelijk is als in de nodige financiële middelen wordt voorzien. Voorts beveelt het Parlement aan een door de Commissie te beheren intern Europees fonds voor democratie vast te stellen om maatschappelijke organisaties en ngo's die actief zijn op het gebied van democratie en mensenrechten beter te steunen. Het bestaande beleid moet voortdurend worden ondersteund, de middelen voor de vlaggenschipprogramma's van de Unie moeten worden verhoogd en de extra verantwoordelijkheden moeten gepaard gaan met extra financiële middelen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Deze rechten en waarden moeten voortdurend worden bevorderd en gehandhaafd en verspreid onder de burgers en volkeren, en dienen kernwaarden te zijn van het Europese project. Met dat doel voor ogen dient binnen de EU-begroting een nieuw Fonds voor justitie, rechten en waarden te worden ingesteld, waarvan het programma Rechten en waarden en het programma Justitie deel uitmaken. Nu de Europese samenlevingen worden geconfronteerd met extremisme, radicalisering en verdeeldheid, is het belangrijker dan ooit om justitie en rechten en de waarden van de EU, mensenrechten, respect voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat te bevorderen, te versterken en te verdedigen. Dit zal vergaande, rechtstreekse gevolgen hebben voor het politieke, sociale, culturele en economische leven in de EU. De steunverlening via het programma Justitie ten behoeve van de verdere ontwikkeling van een ruimte van recht in de Unie en grensoverschrijdende samenwerking zal in het kader van het nieuwe fonds worden gehandhaafd. In het programma Rechten en waarden worden het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad8 vastgestelde programma Rechten, gelijkheid en burgerschap voor de periode 2014–2020 en het bij Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad9 vastgestelde programma Europa voor de burger (hierna „voorgaande programma's” genoemd), samengebracht.
(2)  Deze rechten en waarden moeten voortdurend, actief en op consistente wijze door de Unie en de lidstaten worden gecultiveerd, beschermd en bevorderd in alle beleidsmaatregelen, moeten worden gehandhaafd en verspreid onder de burgers en volkeren, en dienen kernwaarden te zijn van het EU project, aangezien de verslechtering van de bescherming van deze rechten en waarden in de lidstaten verwoestende gevolgen kan hebben voor de Unie in haar geheel. Met dat doel voor ogen dient binnen de EU-begroting een nieuw Fonds voor justitie, rechten en waarden te worden ingesteld, waarvan het programma Rechten en waarden en het programma Justitie deel uitmaken. Nu de Europese samenlevingen worden geconfronteerd met extremisme, radicalisering en verdeeldheid en onafhankelijke maatschappelijke organisaties steeds minder ruimte krijgen, is het belangrijker dan ooit om justitie en rechten en de waarden van de EU – mensenrechten, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, non-discriminatie en de rechtsstaat – te bevorderen, te versterken en te verdedigen. Dit zal vergaande, rechtstreekse gevolgen hebben voor het politieke, sociale, culturele en economische leven in de EU. De steunverlening via het programma Justitie ten behoeve van de verdere ontwikkeling van een ruimte van recht in de Unie en grensoverschrijdende samenwerking zal in het kader van het nieuwe fonds worden gehandhaafd. In het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden (hierna "het programma" genoemd) worden het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad8 vastgestelde programma Rechten, gelijkheid en burgerschap voor de periode 2014-2020 en het bij Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad9 vastgestelde programma Europa voor de burger (hierna "voorgaande programma's" genoemd) samengebracht en worden er aanpassingen doorgevoerd om in te kunnen spelen op nieuwe uitdagingen op het gebied van de Europese waarden.
__________________
__________________
8 Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
8 Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
9 Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma „Europa voor de burger” voor de periode 2014-2020 (PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3).
9 Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020 (PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Het Fonds voor justitie, rechten en waarden en de twee onderliggende financieringsprogramma's zullen voornamelijk gericht zijn op personen en entiteiten die ertoe bijdragen dat onze gemeenschappelijke waarden, rechten en rijke diversiteit levendig en dynamisch blijven. Het uiteindelijke doel is om een op rechten gebaseerde, egalitaire, inclusieve en democratische samenleving te bevorderen en in stand te houden. Dat betekent dat een levendig maatschappelijk middenveld en de democratische, civiele en sociale participatie van de mensen moet worden aangemoedigd en dat de rijke diversiteit van de Europese samenleving, gebaseerd op onze gemeenschappelijke geschiedenis en ons collectief geheugen, moet worden bevorderd. Overeenkomstig artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn de instellingen verplicht de burgers en representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid te bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.
(3)  Het Fonds voor justitie, rechten en waarden en de twee onderliggende financieringsprogramma's zullen gericht zijn op personen en entiteiten die ertoe bijdragen dat onze gemeenschappelijke waarden, rechten, gelijkheid en rijke diversiteit levendig en dynamisch blijven. Het uiteindelijke doel is om een op rechten gebaseerde, egalitaire, open, inclusieve en democratische samenleving te bevorderen en in stand te houden door activiteiten te financieren die zorgen voor een levendig, goed ontwikkeld, veerkrachtig en mondig maatschappelijk middenveld, met inbegrip van pleitbezorging ter bevordering en bescherming van onze gemeenschappelijke waarden, en die de democratische, civiele en sociale participatie van de mensen aanmoedigen en de vrede en de rijke diversiteit van de Europese samenleving, gebaseerd op onze gemeenschappelijke waarden en geschiedenis, alsmede op ons gemeenschappelijk erfgoed en ons collectief geheugen, bevorderen. In artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat de instellingen een open, transparante en regelmatige dialoog met het maatschappelijk middenveld moeten voeren en de burgers en representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid moeten bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De Commissie moet een groep voor dialoog met het maatschappelijk middenveld in het leven roepen om een regelmatige, open en transparante dialoog met de begunstigden van het programma en andere belanghebbenden te kunnen voeren. De groep moet bijdragen aan de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, alsook aan de bespreking van beleidsontwikkelingen met betrekking tot de in het programma bestreken gebieden en doelstellingen en daaraan verwante gebieden. De groep moet bestaan uit organisaties die geselecteerd zijn om in het kader van het programma een exploitatiesubsidie of een subsidie voor maatregelen te ontvangen, en uit andere organisaties of belanghebbenden die belangstelling hebben getoond voor het programma of werkzaamheden op dit beleidsterrein, maar niet noodzakelijkerwijs door het programma worden ondersteund.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het programma Rechten en waarden, hierna „het programma” genoemd, moet het mogelijk maken synergieën te ontwikkelen teneinde de uitdagingen aan te pakken die gemeenschappelijk zijn voor de bevordering en bescherming van waarden en een kritische dimensie te bereiken om tot concrete resultaten te bereiken in het veld. Hiertoe moet worden voortgebouwd op de positieve ervaringen die met de voorgaande programma's zijn opgedaan. Op deze wijze kunnen potentiële synergieën optimaal worden benut teneinde de bestreken beleidsterreinen doeltreffender te kunnen ondersteunen en hun vermogen om mensen te bereiken, te vergroten. Om effectief te zijn, dient het programma rekening te gehouden met de specifieke aard van de verschillende beleidsmaatregelen en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften door middel van een speciaal toegesneden benadering.
(4)  Het programma moet het mogelijk maken synergieën te ontwikkelen teneinde de uitdagingen aan te pakken die gemeenschappelijk zijn voor de bevordering en bescherming van de in de Verdragen verankerde waarden en een kritische dimensie te bereiken om tot concrete resultaten te bereiken in het veld. Hiertoe moet worden voortgebouwd op de positieve ervaringen die met de voorgaande programma's zijn opgedaan en moeten deze ervaringen verder worden ontwikkeld. Op deze wijze kunnen potentiële synergieën optimaal worden benut teneinde de bestreken beleidsterreinen doeltreffender te kunnen ondersteunen en hun vermogen om mensen te bereiken, te vergroten. Om effectief te zijn, dient het programma rekening te houden met de specifieke aard van de verschillende beleidsmaatregelen, hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften en mogelijkheden tot participatie door middel van een speciaal toegesneden, gerichte benadering, waaronder de bevordering van alle vormen van gelijkheid en gendergelijkheid binnen het programma.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Volledige eerbiediging en bevordering van de rechtsstaat en de democratie is van fundamenteel belang voor het opbouwen van het vertrouwen van de burgers in de Unie. De eerbiediging van de rechtsstaat in de Unie is een essentiële voorwaarde voor de bescherming van de grondrechten en de handhaving van alle in de Verdragen verankerde rechten en plichten. De manier waarop rechtsstatelijkheid in de lidstaten vorm krijgt, is bepalend voor het wederzijds vertrouwen tussen lidstaten en hun rechtsstelsels. Daarom moeten de grondrechten, de democratie en de rechtsstaat in het programma op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau worden bevorderd en beschermd.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  De rechtsstaat, zoals vervat in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie als een van de waarden van de Unie, behelst de beginselen van legaliteit (dat een transparant, controleerbaar, democratisch en pluralistisch proces voor de vaststelling van wetgeving omvat), rechtszekerheid, verbod van willekeur van de uitvoerende macht, doeltreffende rechterlijke bescherming door onafhankelijke rechters (ook van de grondrechten), en scheiding der machten en gelijkheid voor de wet.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Om de Europese Unie dichter bij haar burgers te brengen, zijn allerlei acties en gecoördineerde inspanningen vereist. Door burgers nader tot elkaar te brengen in het kader van stedenbanden of netwerken van gemeenten en steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties die actief zijn op de door het programma bestreken gebieden, wordt bijgedragen tot het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij de samenleving en uiteindelijk hun betrokkenheid bij het democratisch bestel van de Unie. Tegelijkertijd wordt door bij te dragen aan activiteiten ter bevordering van wederzijds begrip, diversiteit, dialoog en respect voor anderen het ontstaan van een gevoel van Europese saamhorigheid en een Europese identiteit bevorderd op basis van een gedeeld begrip van de Europese waarden, cultuur, geschiedenis en erfgoed. De bevordering van een sterker gevoel van betrokkenheid bij de Unie en de waarden van de Unie is van bijzonder belang ten aanzien van de burgers van de ultraperifere regio's van de EU, gezien hun afgelegen ligging en de grote afstand tot het Europese continent.
(5)  Om de Europese Unie dichter bij haar burgers te brengen, democratische participatie te bevorderen en burgers in staat te stellen hun rechten in verband met het Europees burgerschap uit te oefenen, zijn allerlei acties en gecoördineerde inspanningen vereist, met inachtneming van een evenwichtige geografische spreiding. Door burgers nader tot elkaar te brengen in het kader van stedenbanden of netwerken van gemeenten en steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties die op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau actief zijn op de door het programma bestreken gebieden, wordt bijgedragen tot het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij de samenleving en uiteindelijk hun actieve betrokkenheid bij het democratisch bestel van de Unie, alsmede bij het vormgeven van de politieke agenda van de Unie. Tegelijkertijd wordt door bij te dragen aan activiteiten ter bevordering van wederzijds begrip, interculturele dialoog, culturele en taaldiversiteit, verzoening, sociale inclusie en respect voor anderen het ontstaan bevorderd van een gevoel tot de Unie te behoren en van een gemeenschappelijk burgerschap in het kader van een Europese identiteit, op basis van een gedeeld begrip van de Europese waarden, cultuur, geschiedenis en erfgoed. De bevordering van een sterker gevoel van betrokkenheid bij de Unie en de waarden van de Unie is van bijzonder belang ten aanzien van de burgers van de ultraperifere regio's van de EU, gezien hun afgelegen ligging en de grote afstand tot het Europese continent.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Door de toenemende pluriformiteit en de mondiale migratietrends neemt het belang van de interculturele en interreligieuze dialoog in onze samenlevingen toe. Met het programma moet de interculturele en interreligieuze dialoog volledig worden ondersteund, als onderdeel van sociale harmonie in Europa en als kernelement voor het bevorderen van sociale inclusie en cohesie. Terwijl de interreligieuze dialoog kan helpen de aandacht te vestigen op de positieve bijdrage van religie aan de sociale cohesie, dreigt religieus analfabetisme het terrein te effenen voor het misbruik van religieuze gevoelens onder de bevolking. Daarom moet met het programma steun worden verleend aan projecten en initiatieven ter ontwikkeling van religieuze geletterdheid, om de interreligieuze dialoog en wederzijds begrip te bevorderen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Herdenkingsactiviteiten en kritische reflectie op Europa's verleden zijn noodzakelijk om de burgers bewust te maken van de gemeenschappelijke geschiedenis, als basis voor een gemeenschappelijke toekomst, morele zingeving en gedeelde waarden. Er dient ook rekening te worden gehouden met de relevantie van historische, culturele en interculturele aspecten en met de verbanden tussen herdenking en het ontstaan van een Europese identiteit en een Europees saamhorigheidsgevoel.
(6)  Herdenkingsactiviteiten en kritische en creatieve reflectie op Europa's verleden zijn noodzakelijk om de burgers, en met name jongeren, bewust te maken van hun gemeenschappelijke geschiedenis, als basis voor een gemeenschappelijke toekomst. Er dient ook rekening te worden gehouden met de relevantie van historische, sociale, culturele en interculturele aspecten, verdraagzaamheid en dialoog met het oog op bevordering van een gemeenschappelijk fundament op basis van gedeelde waarden, solidariteit, diversiteit en vrede, en met de verbanden tussen herdenking en het ontstaan van een Europese identiteit en een Europees saamhorigheidsgevoel.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Burgers zouden zich ook beter bewust moeten zijn van de rechten die zij aan het burgerschap van de Unie ontlenen, moeten met een gerust hart kunnen wonen, reizen, studeren, werken en vrijwilligerswerk doen in een andere lidstaat en moeten erop kunnen vertrouwen dat zij al hun burgerschapsrechten kunnen genieten en uitoefenen en er gelijke toegang toe hebben en dat zij zonder discriminatie volledig aanspraak op hun rechten en de bescherming daarvan kunnen maken, ongeacht waar zij zich in de Unie bevinden. Maatschappelijke organisaties moeten steun krijgen voor activiteiten inzake bevordering, bescherming en bewustmaking op het gebied van de gemeenschappelijke waarden van de EU op grond van artikel 2 VEU en voor het leveren van bijdragen aan de effectieve uitoefening van rechten krachtens het recht van de Unie.
(7)  Burgers van de Unie zijn zich onvoldoende bewust van de rechten die zij aan het burgerschap van de Unie ontlenen, bijvoorbeeld van het actief en passief kiesrecht bij Europese en gemeenteraadsverkiezingen, en het recht op consulaire bescherming van de ambassades van andere lidstaten. Burgers zouden zich beter bewust moeten zijn van deze rechten en met een gerust hart moeten kunnen wonen, reizen, studeren, werken en vrijwilligerswerk doen in een andere lidstaat en erop moeten kunnen vertrouwen dat zij al hun burgerschapsrechten kunnen genieten en uitoefenen en er gelijke toegang toe hebben en dat zij zonder discriminatie volledig aanspraak op hun rechten en de bescherming daarvan kunnen maken, ongeacht waar zij zich in de Unie bevinden. Maatschappelijke organisaties moeten op alle niveaus worden versterkt, zodat zij de gemeenschappelijke waarden van de EU op grond van artikel 2 VEU kunnen bevorderen, beschermen en het bewustzijn met betrekking tot deze waarden kunnen vergroten, alsook een bijdrage kunnen leveren aan de doeltreffende uitoefening van rechten krachtens het recht van de Unie.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   In de resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over Europees geweten en totalitarisme en in de conclusies van de Raad van 9-10 juni 2011 over de herinnering aan de misdaden van totalitaire regimes in Europa wordt benadrukt dat het belangrijk is de herinnering aan het verleden levend te houden als middel om een gemeenschappelijke toekomst te bouwen, en wordt gewezen op de waardevolle rol van de Unie bij het faciliteren, delen en bevorderen van de collectieve herinnering aan die misdaden, in een poging om een nieuw leven in te blazen aan de idee van een pluralistische en democratische gemeenschappelijke Europese identiteit.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Gelijkheid van vrouwen en mannen is een fundamentele waarde en een doelstelling van de Europese Unie. Discriminatie en ongelijke behandeling van vrouwen schendt hun grondrechten en belemmert hun volwaardige politieke, sociale en economische deelname aan de samenleving. Bovendien vormt het bestaan van structurele en culturele barrières een belemmering voor de verwezenlijking van reële gendergelijkheid. Bevordering van gendergelijkheid bij alle activiteiten van de Unie is derhalve een kernactiviteit van de Unie en een motor voor economische groei, en moet derhalve door het programma worden ondersteund.
(8)  Gendergelijkheid is een fundamentele waarde en een doelstelling van de Europese Unie. Artikel 8 van deze verordening stelt de Unie tot taak ongelijkheden uit te bannen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen in al haar activiteiten. Toch wordt in Europa, zoals blijkt uit de door het Europees Instituut voor gendergelijkheid gepubliceerde gendergelijkheidsindex van 2017, maar traag vooruitgang geboekt op het gebied van gendergelijkheid. Vaak verzwegen en verborgen intersectionele discriminatie en ongelijke behandeling van vrouwen en meisjes, alsook verschillende vormen van geweld tegen vrouwen, schenden hun grondrechten en belemmeren hun volwaardige politieke, sociale en economische deelname aan de samenleving. Bovendien vormt het bestaan van politieke, structurele en culturele barrières een belemmering voor de verwezenlijking van reële gendergelijkheid. Bevordering van gendergelijkheid bij alle activiteiten van de Unie, onder meer door gendermainstreaming en doelstellingen op het gebied van non-discriminatie te ondersteunen, en door actief stereotypering te bestrijden en verzwegen discriminatie aan te pakken, is derhalve een kernactiviteit van de Unie en een motor voor economische groei, en moet daarom door het programma worden ondersteund.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Gendergerelateerd geweld en geweld tegen kinderen en jongeren houdt een ernstige schending van de grondrechten in. Geweld blijft in de hele Unie voorkomen in alle sociale en economische contexten, met ernstige gevolgen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de slachtoffers en voor de samenleving in haar geheel. Kinderen, jongeren en vrouwen zijn bijzonder kwetsbaar voor geweld, met name geweld in nauwe persoonlijke relaties. Er moeten maatregelen worden genomen om de rechten van het kind te bevorderen en om kinderen te beschermen tegen schade en geweld, die een gevaar vormen voor hun lichamelijke en geestelijke gezondheid en een inbreuk vormen op hun recht op ontwikkeling, bescherming en waardigheid. Bestrijding van alle vormen van geweld, bevordering van preventie en bescherming en ondersteuning van slachtoffers zijn prioriteiten van de Unie die bijdragen aan de verwezenlijking van de grondrechten van natuurlijke personen en bijdragen tot de gelijkheid van vrouwen en mannen.
(9)  Gendergerelateerd geweld en geweld tegen kinderen, jongeren, ouderen, personen met een handicap, vluchtelingen en migranten, en personen die tot een minderheid behoren, zoals een etnische minderheid of de LGBTQI-gemeenschap, houdt een ernstige schending van de grondrechten in. Geweld blijft in de hele Unie voorkomen in alle sociale en economische contexten, met ernstige gevolgen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de slachtoffers en voor de samenleving in haar geheel. De bestrijding van gendergerelateerd geweld vereist een multidimensionale aanpak, met juridische, onderwijs-, gezondheidszorg- (inclusief seksuele en reproductieve rechten), economische en andere maatschappelijke aspecten, zoals de ondersteuning van vrouwenrechtenorganisaties, het verstrekken van advies en bijstand en projecten die gericht zijn op de verwezenlijking van een meer gendergelijke samenleving. Schadelijke stereotypen en normen moeten van jongs af aan actief bestreden worden, evenals alle vormen van haatzaaiende uitlatingen en onlinegeweld. Er moeten maatregelen worden genomen om de rechten van het kind te bevorderen en om kinderen te beschermen tegen schade en geweld, die een gevaar vormen voor hun lichamelijke en geestelijke gezondheid en een inbreuk vormen op hun recht op ontwikkeling, bescherming en waardigheid. In het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) wordt geweld tegen vrouwen gedefinieerd als "alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt". Bestrijding van alle vormen van geweld, bevordering van preventie en bescherming en ondersteuning van slachtoffers zijn prioriteiten van de Unie die bijdragen aan de verwezenlijking van de grondrechten van natuurlijke personen en bijdragen tot de gelijkheid van vrouwen en mannen. De preventie en de ondersteuning van de rechten van slachtoffers moeten in samenwerking met de doelgroep worden vormgegeven en er moet worden tegemoetgekomen aan de specifieke behoeften van personen die in meerdere opzichten kwetsbaar zijn.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Vrouwen die niet over identiteitspapieren beschikken, zijn bijzonder kwetsbaar voor geweld en seksueel misbruik en hebben geen toegang tot steun. Het is van cruciaal belang dat een slachtoffergerichte benadering wordt ingevoerd en dat alle vrouwen in de Unie de juiste steun wordt geboden, ongeacht hun verblijfsstatus. In het kader van intersectioneel werk is het van bijzonder belang dat binnen asielprocedures oog is voor genderaspecten, wat tevens kan bijdragen tot een grotere gendergelijkheid.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Om alle vormen van geweld te voorkomen en bestrijden en de slachtoffers te beschermen, zijn een daadkrachtige politieke inzet en gecoördineerde maatregelen vereist op basis van de methoden en resultaten van de eerdere Daphne-programma's, het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap en het programma Justitie. Sinds de lancering van het Daphne-programma in 1997 biedt het financiering ter ondersteuning van de slachtoffers van geweld en ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren. Deze financiering heeft veel succes gehad, zowel wat betreft de receptie door de belanghebbenden (overheden, academische instellingen en niet-gouvernementele organisaties) als wat betreft de effectiviteit van de gefinancierde projecten. De gefinancierde projecten hadden betrekking op voorlichting, ondersteuning van slachtoffers en ondersteuning van de activiteiten van niet-gouvernementele organisaties (ngo's) die werkzaam zijn op het terrein. Het programma Daphne was gericht op alle vormen van geweld, zoals huiselijk geweld, seksueel geweld en mensenhandel, alsook nieuwe vormen van geweld, zoals cyberpesten. Het is daarom van belang dat al deze acties worden voortgezet en dat met de resultaten en de daaruit getrokken lessen terdege rekening wordt gehouden bij de uitvoering van het programma.
(10)  Om alle vormen van geweld te voorkomen en bestrijden en de slachtoffers te beschermen, zijn een daadkrachtige politieke inzet en gecoördineerde maatregelen vereist op basis van de methoden en resultaten van de eerdere Daphne-programma's, het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap en het programma Justitie. Sinds de lancering van het Daphne-programma in 1997 biedt het financiering ter ondersteuning van de slachtoffers van geweld en ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren. Deze financiering heeft veel succes gehad, zowel wat betreft de receptie door de belanghebbenden (overheden, academische instellingen en niet-gouvernementele organisaties) als wat betreft de effectiviteit van de gefinancierde projecten. De gefinancierde projecten hadden betrekking op voorlichting, ondersteuning van slachtoffers en ondersteuning van de activiteiten van niet-gouvernementele organisaties (ngo's) die werkzaam zijn op het terrein. Het programma Daphne was gericht op alle vormen van geweld, zoals huiselijk geweld, seksueel geweld, mensenhandel, belaging en schadelijke traditionele praktijken zoals VGV, alsook nieuwe vormen van geweld, zoals cyberpesten en cyberintimidatie. Het is daarom van belang dat al deze acties worden voortgezet, dat in de begroting wordt voorzien in een afzonderlijke toewijzing voor Daphne en dat met de resultaten en de daaruit getrokken lessen terdege rekening wordt gehouden bij de uitvoering van het programma.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Non-discriminatie is een grondbeginsel van de Unie. Artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie moet worden bestreden. Non-discriminatie is ook verankerd in artikel 21 van het Handvest. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende vormen van discriminatie en ter voorkoming en bestrijding van discriminatie op een of meer gronden moeten parallel passende maatregelen worden uitgewerkt. Via het programma moet steun worden verleend aan acties ter voorkoming en bestrijding van discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, moslimhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid. In dit verband moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld, haat, segregatie en stigmatisering, en aan het bestrijden van pesten, intimidatie en onverdraagzame behandeling. Het programma moet samen met andere activiteiten van de Unie die dezelfde doelstellingen op een wederzijds versterkende manier worden uitgevoerd; dit geldt met name voor de activiteiten bedoeld in de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 „Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020”10 en de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten11.
(11)  Non-discriminatie is een grondbeginsel van de Unie. Artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie moet worden bestreden. Non-discriminatie is ook verankerd in artikel 21 van het Handvest. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende vormen van discriminatie, met inbegrip van directe, indirecte en structurele discriminatie, en ter voorkoming en bestrijding van discriminatie op een of meer gronden moeten parallel passende maatregelen worden uitgewerkt. Via het programma moet steun worden verleend aan acties ter voorkoming en bestrijding van discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, afrofobie, antisemitisme, zigeunerhaat, moslimhaat, homofobie en andere vormen van onverdraagzaamheid (zowel online als offline) tegen personen die tot een minderheid behoren, waarbij rekening moet worden gehouden met de meerlagige discriminatie waarmee vrouwen te maken krijgen. In dit verband moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld, haat, segregatie en stigmatisering, en aan het bestrijden van pesten, intimidatie en onverdraagzame behandeling. Het programma moet samen met andere activiteiten van de Unie die dezelfde doelstellingen op een wederzijds versterkende manier worden uitgevoerd; dit geldt met name voor de activiteiten bedoeld in de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020"10 en de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten11.
__________________
__________________
10 COM(2011)0173.
10 COM(2011)0173.
11 PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
11 PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Sociale en fysieke drempels en gebrekkige toegankelijkheid vormen een belemmering voor de volledige feitelijke participatie in de samenleving van mensen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen. Mensen met een handicap ondervinden hindernissen bij onder andere de toegang tot de arbeidsmarkt, het volgen van inclusief kwaliteitsonderwijs, het voorkomen van armoede en sociale uitsluiting, de toegang tot culturele initiatieven en de media en de uitoefening van politieke rechten. De Unie en alle lidstaten hebben zich er als partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap toe verbonden het volledige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid door alle personen met een handicap te bevorderen, te beschermen en te waarborgen. De bepalingen van dit verdrag zijn een integrerend onderdeel geworden van de rechtsorde van de Unie.
(12)  Sociale en fysieke drempels en gebrekkige toegankelijkheid vormen een belemmering voor de volledige feitelijke participatie in de samenleving van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen. Personen met een handicap, waaronder personen met een langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking, ondervinden hindernissen bij onder andere de toegang tot de arbeidsmarkt, het volgen van inclusief kwaliteitsonderwijs, het voorkomen van armoede en sociale uitsluiting, de toegang tot culturele initiatieven en de media en de uitoefening van politieke rechten. De Unie en alle lidstaten hebben zich er als partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap toe verbonden het volledige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid door alle personen met een handicap te bevorderen, te beschermen en te waarborgen. De bepalingen van dit verdrag, dat verplicht ten uitvoer moet worden gelegd, zijn een integrerend onderdeel geworden van de rechtsorde van de Unie. In dit verband moet het programma bijzondere aandacht besteden aan en financiële steun verlenen voor bewustmakingsactiviteiten met betrekking tot de problemen die personen met een handicap ondervinden en die hen beletten ten volle deel te nemen aan de samenleving en hun rechten uit te oefenen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie (het recht op privacy) is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten. De bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op de naleving van de regels voor de bescherming van persoonsgegevens wordt controle uitgeoefend door onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten. Het rechtskader van de Unie, en met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad12 en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad13, bevatten bepalingen die waarborgen dat het recht op de bescherming van persoonsgegevens doeltreffend wordt beschermd. Bij deze wetgevingsinstrumenten zijn de nationale toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming belast met de taak de publieke bekendheid met en het inzicht in de risico's, voorschriften, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens te bevorderen. Gezien het belang van het recht op de bescherming van persoonsgegevens in tijden van snelle technologische ontwikkelingen moet de Unie in staat worden gesteld voorlichtingsactiviteiten uit te voeren en studies en andere relevante activiteiten te verrichten.
(13)  Het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie (het recht op privacy) is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten. De bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op de naleving van de regels voor de bescherming van persoonsgegevens wordt controle uitgeoefend door onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten. Het rechtskader van de Unie, en met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad12 en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad13, bevatten bepalingen die waarborgen dat het recht op de bescherming van persoonsgegevens doeltreffend wordt beschermd. Bij deze wetgevingsinstrumenten zijn de nationale toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming belast met de taak de publieke bekendheid met en het inzicht in de risico's, voorschriften, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens te bevorderen. Gezien het belang van het recht op de bescherming van persoonsgegevens in tijden van snelle technologische ontwikkelingen moet de Unie in staat worden gesteld voorlichtingsactiviteiten uit te voeren, maatschappelijke organisaties te steunen bij de bevordering van gegevensbescherming overeenkomstig de normen van de Unie, en studies en andere relevante activiteiten te verrichten.
__________________
__________________
12 PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
12 PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
13 PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
13 PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   De vrijheid van meningsuiting en informatie is verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Vrije toegang tot informatie, de omstandigheden waarin de media moeten opereren en een verantwoord en veilig gebruik van informatie- en communicatienetwerken zijn bepalend voor de vrije ontwikkeling van de publieke opinie en zijn essentieel voor het waarborgen van een functionele democratie. Het is noodzakelijk dat burgers vaardigheden verwerven met betrekking tot mediageletterdheid om hun kritisch denkvermogen te vergroten, zodat zij complexe realiteiten kunnen onderscheiden en analyseren, onderscheid kunnen maken tussen meningen en feiten en elke vorm van aanzet tot rassenhaat kunnen weerstaan. Daarom moet de Unie de ontwikkeling van mediageletterdheid van alle burgers, ongeacht hun leeftijd, stimuleren door middel van scholing, voorlichting, studies en andere relevante activiteiten.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Op grond van artikel 24 VWEU stellen het Europees Parlement en de Raad bepalingen vast voor de procedures en voorwaarden voor de indiening van een burgerinitiatief in de zin van artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zij hebben dat gedaan bij Verordening [(EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad14]. Het programma moet voorzien in financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening [(EU) nr. 211/2011] en zo de grondslag vormen voor de uitoefening door de burgers van hun recht om Europese burgerinitiatieven te organiseren en er steun aan te betuigen.
(14)  Het Europees burgerinitiatief is het eerste supranationale instrument voor participatieve democratie dat een rechtstreekse band creëert tussen Europese burgers en de instellingen van de Unie. Op grond van artikel 24 VWEU stellen het Europees Parlement en de Raad bepalingen vast voor de procedures en voorwaarden voor de indiening van een burgerinitiatief in de zin van artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zij hebben dat gedaan bij Verordening [(EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad14]. Het programma moet voorzien in financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening [(EU) nr. 211/2011] en zo de grondslag vormen voor de uitoefening door de burgers van hun recht om Europese burgerinitiatieven te organiseren, er steun aan te betuigen en anderen aan te sporen om dergelijke initiatieven te steunen.
_________________
_________________
14 Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1).
14 Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1).
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Conform de artikelen 8 en 10 van het VWEU moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma.
(15)  Conform de artikelen 8 en 10 van het VWEU moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma en moet het programma waar nodig ook genderbudgettering en gendereffectbeoordeling in alle stadia van het begrotingsproces van de Unie bevorderen. Goede toepassing van gendermainstreaming vereist genderbudgettering in alle relevante begrotingsonderdelen en de toewijzing van adequate middelen en transparantie in de begrotingsonderdelen die bestemd zijn voor de bevordering van gendergelijkheid en de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht. De individuele projecten en het programma zelf moeten aan het einde van de financieringsperiode worden beoordeeld op de mate waarin zij hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van deze beginselen.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Krachtens handelingen van de Unie inzake gelijke behandeling richten de lidstaten onafhankelijke organen op om gelijke behandeling te bevorderen, doorgaans instanties voor gelijke behandeling genoemd, die tot taak hebben discriminatie op grond van ras, etnische afstamming en geslacht te bestrijden. Veel lidstaten gaan echter verder dan deze vereisten en bepalen dat instanties voor gelijke behandeling ook bevoegd zijn om op te treden tegen discriminatie op andere gronden, zoals leeftijd, seksuele oriëntatie, godsdienst en overtuiging en handicaps. Instanties voor gelijke behandeling spelen een belangrijke rol voor het bevorderen van gelijkheid en effectieve toepassing van de wetgeving inzake gelijke behandeling, door met name onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie, onafhankelijke onderzoeken over discriminatie uit te voeren, onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp in verband met discriminatie in het betrokken land. Het is van essentieel belang dat de werkzaamheden van instanties voor gelijke behandeling wat dit betreft op EU-niveau worden gecoördineerd. In 2007 is Equinet opgericht. De leden ervan zijn de nationale instanties voor gelijke behandeling, zoals vastgelegd in de Richtlijnen 2000/43/EG15 en 2004/113/EG16 van de Raad en de Richtlijnen 2006/54/EG17 en 2010/41/EU18 van het Europees Parlement en de Raad. Equinet neemt een uitzonderlijke positie in, omdat het enige entiteit is die zorgt voor de coördinatie van activiteiten tussen de instanties voor gelijke behandeling. De coördinatieactiviteiten van Equinet zijn van cruciaal belang voor de goede toepassing van de antidiscriminatiewetgeving van de Unie in de lidstaten en moeten worden ondersteund door het programma.
(17)  Krachtens handelingen van de Unie inzake gelijke behandeling richten de lidstaten onafhankelijke organen op om gelijke behandeling te bevorderen, doorgaans instanties voor gelijke behandeling genoemd, die tot taak hebben discriminatie op grond van ras, etnische afstamming en geslacht te bestrijden. Veel lidstaten gaan echter verder dan deze vereisten en bepalen dat instanties voor gelijke behandeling ook bevoegd zijn om op te treden tegen discriminatie op andere gronden, zoals taal, leeftijd, seksuele oriëntatie, godsdienst en overtuiging en handicaps. Instanties voor gelijke behandeling spelen een belangrijke rol voor het bevorderen van gelijkheid en effectieve toepassing van de wetgeving inzake gelijke behandeling, door met name onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie, onafhankelijke onderzoeken over discriminatie uit te voeren, onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp in verband met discriminatie in het betrokken land. Het is van essentieel belang dat de werkzaamheden van alle instanties voor gelijke behandeling die op dit gebied actief zijn, op EU-niveau worden gecoördineerd. In 2007 werd Equinet opgericht. De leden ervan zijn de nationale instanties voor gelijke behandeling, zoals vastgelegd in de Richtlijnen 2000/43/EG15 en 2004/113/EG16 van de Raad en de Richtlijnen 2006/54/EG17 en 2010/41/EU18 van het Europees Parlement en de Raad. Op 22 juni 2018 werd door de Commissie een aanbeveling vastgesteld betreffende normen voor organen voor gelijke behandeling. Deze aanbeveling heeft betrekking op het mandaat, de onafhankelijk, de doeltreffendheid en de coördinatie en samenwerking tussen organen voor gelijke behandeling. Equinet neemt een uitzonderlijke positie in, omdat het enige entiteit is die zorgt voor de coördinatie van activiteiten tussen de instanties voor gelijke behandeling. De coördinatieactiviteiten van Equinet zijn van cruciaal belang voor de goede toepassing van de antidiscriminatiewetgeving van de Unie in de lidstaten en moeten worden ondersteund door het programma.
__________________
__________________
15 Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
15 Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
16 Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).
16 Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).
17 Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
17 Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
18 Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1).
18 Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1).
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Om de toegang tot het programma te vergemakkelijken en onpartijdig advies en praktische informatie met betrekking tot het programma te verstrekken, moeten in de lidstaten contactpunten worden opgezet, die ondersteuning kunnen bieden aan begunstigden en aanvragers. De in het kader van het programma opgezette contactpunten moeten hun taken onafhankelijk kunnen uitvoeren, zonder dat daarbij sprake is van directe ondergeschiktheid aan of inmenging in hun besluitvorming door de overheid. De contactpunten kunnen worden beheerd door lidstaten, maatschappelijke organisaties of consortia van maatschappelijke organisaties. De contactpunten mogen geen verantwoordelijkheden hebben met betrekking tot de selectie van projecten.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Onafhankelijke mensenrechteninstanties en maatschappelijke organisaties spelen een essentiële rol voor de bevordering en bescherming van en de voorlichting over de gemeenschappelijke waarden van de Unie bedoeld in artikel 2 VEU, en leveren een essentiële bijdrage aan het effectieve genot van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de EU. Zoals ook is aangegeven in de resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 is voldoende financiële steun van cruciaal belang voor de ontwikkeling van een gunstige en duurzame omgeving waarbinnen maatschappelijke organisaties hun rol kunnen versterken en hun taken onafhankelijk en effectief kunnen uitoefenen. Als aanvulling op de nationale inspanningen dient de financiering door de EU er derhalve toe bij te dragen dat onafhankelijke maatschappelijke organisaties die zich voor de mensenrechten inzetten en waarvan de activiteiten (zoals belangenbehartiging en optreden als waakhond) de strategische handhaving bevorderen van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de EU, worden ondersteund, meer mogelijkheden krijgen en hun capaciteit kunnen vergroten, en dat de gemeenschappelijke waarden op nationaal niveau worden beschermd, bevorderd en uitgedragen.
(18)  Onafhankelijke mensenrechteninstanties, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten spelen een essentiële rol in de bevordering en bescherming van en de voorlichting over de gemeenschappelijke waarden van de Unie bedoeld in artikel 2 VEU, en leveren een essentiële bijdrage aan het effectieve genot van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de EU. Zoals ook is aangegeven in de resolutie van het Europees Parlement van 19 april 2018 zijn meer financiering en voldoende financiële steun van cruciaal belang voor de ontwikkeling van een gunstige en duurzame omgeving waarbinnen maatschappelijke organisaties hun rol kunnen versterken en hun taken onafhankelijk en effectief kunnen uitoefenen. Als aanvulling op de nationale inspanningen dient de financiering door de EU er derhalve toe bij te dragen, onder meer via toereikende basisfinanciering en vereenvoudigde kostenopties en financiële regels en procedures, dat onafhankelijke maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor waarden van de Unie zoals democratie, de rechtsstaat en de grondrechten en waarvan de activiteiten (zoals belangenbehartiging en optreden als waakhond) de strategische handhaving bevorderen van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de EU, worden ondersteund, meer mogelijkheden krijgen en hun capaciteit kunnen vergroten, en dat de gemeenschappelijke waarden op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau worden beschermd, bevorderd en uitgedragen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De Commissie moet zorgen voor de algehele samenhang, complementariteit en synergie met het werk van de organen en instanties van de Unie, in het bijzonder het Europees Instituut voor gendergelijkheid en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, en moet de balans opmaken van het werk dat andere nationale en internationale actoren verrichten op de gebieden die onder het programma vallen.
(19)  De Commissie moet zorgen voor de algehele samenhang, complementariteit en synergie met het werk van de organen en instanties van de Unie, in het bijzonder het Europees Instituut voor gendergelijkheid en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, en moet de balans opmaken van het werk dat andere nationale en internationale actoren verrichten op de gebieden die onder het programma vallen. De Commissie moet de deelnemers aan dit programma actief begeleiden bij het gebruikmaken van de verslagen en middelen die door deze organen en instanties van de Unie worden gegenereerd, zoals de instrumenten voor genderbewuste begroting en gendereffectbeoordeling, die door het Europees Instituut voor gendergelijkheid ontwikkeld zijn.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De Unie moet beschikken over een alomvattend mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, waarmee het regelmatige en gelijkwaardige toezicht op alle lidstaten kan worden gewaarborgd en de nodige informatie wordt geboden voor de invoering van maatregelen in verband met algemene tekortkomingen op het gebied van de waarden van de Unie in de lidstaten.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Het programma moet onder bepaalde voorwaarden openstaan voor deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), alsmede EVA-landen die geen lid zijn van de EER en andere Europese landen. Toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten waarop een pretoetredingsstrategie van toepassing is, dienen eveneens aan het programma te kunnen deelnemen.
(20)  Wat de tenuitvoerlegging van de specifieke doelstellingen betreft op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid en gelijke rechten en de bevordering van de deelname van burgers aan het democratisch bestel van de Unie op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau, alsook op het gebied van de bestrijding van geweld, moet het programma onder bepaalde voorwaarden openstaan voor deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), alsmede EVA-landen die geen lid zijn van de EER en andere Europese landen. Toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten waarop een pretoetredingsstrategie van toepassing is, dienen eveneens aan het programma te kunnen deelnemen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Met het oog op een doeltreffende toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie is het noodzakelijk om de Europese toegevoegde waarde van alle uitgevoerde acties en hun complementariteit met het optreden van de lidstaten te waarborgen, en toe te zien op de samenhang, complementariteit en synergie met financieringsprogramma's die beleidsterreinen ondersteunen die onderling nauw verbonden zijn, in het bijzonder binnen het kader van het Fonds voor justitie, rechten en waarden – en derhalve het programma Justitie – en het programma Creatief Europa en Erasmus+, teneinde het potentieel van culturele kruisbestuiving op het gebied van cultuur, media, kunst, onderwijs en creativiteit te verwezenlijken. Er dienen synergieën te worden gecreëerd met andere Europese financieringsprogramma's, met name op het gebied van werkgelegenheid, de eengemaakte markt, ondernemerschap, jeugdzaken, gezondheid, burgerschap, justitie, migratie, veiligheid, onderzoek, innovatie, technologie, industrie, cohesie, toerisme, externe betrekkingen, handel en ontwikkeling.
(21)  Met het oog op een doeltreffende toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie is het noodzakelijk om de Europese toegevoegde waarde van alle uitgevoerde acties, met inbegrip van acties op lokaal, nationaal en internationaal niveau, die gericht zijn op de bevordering en bescherming van de in artikel 2 VEU verankerde waarden, te waarborgen. De Commissie moet streven naar consistentie, synergieën en complementariteit met het optreden van de lidstaten en met andere financieringsprogramma's die beleidsterreinen ondersteunen die nauw verband houden met het Fonds voor justitie, rechten en waarden, alsook met het programma Creatief Europa en Erasmus+, evenals met beleidsmaatregelen van de Unie op dit gebied.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Overeenkomstig artikel 9 VWEU dienen een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming en de bestrijding van sociale uitsluiting te worden bevorderd. Acties in het kader van het programma moeten daarom gericht zijn op synergieën tussen de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en uitsluiting van de arbeidsmarkt en de bevordering van gelijkheid en de bestrijding van alle vormen van discriminatie. Het programma moet daarom aldus ten uitvoer worden gelegd dat zo veel mogelijk gestreefd wordt naar synergieën en complementariteit tussen de diverse onderdelen van dit programma en het Europees Sociaal Fonds+. Daarnaast moeten er synergieën worden gecreëerd met Erasmus en het Europees Sociaal Fonds Plus, om ervoor te zorgen dat deze fondsen gezamenlijk een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van kwalitatief hoogstaand onderwijs en gelijke kansen voor iedereen.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Het is van belang om te zorgen voor degelijk financieel beheer van het programma en de uitvoering daarvan, die zo effectief en gebruikersvriendelijk mogelijk moet zijn, waarbij eveneens gezorgd moet worden voor wettelijke zekerheid en de toegankelijkheid van het programma voor alle deelnemers.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 ter (nieuw)
(22 ter)  Bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma moeten een betere uitvoering en een betere kwaliteit van de bestedingen als richtsnoeren worden gehanteerd, en moet daarbij worden gewaarborgd dat de financiële middelen optimaal worden gebruikt.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Verordening (EU, Euratom) [nieuw Financieel Reglement], hierna „Financieel Reglement” genoemd, is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.
(23)  Verordening (EU, Euratom) [nieuw Financieel Reglement], hierna "Financieel Reglement" genoemd, is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties, alsmede vereisten betreffende volledige transparantie met betrekking tot het gebruik van middelen, goed financieel beheer en verstandige besteding van middelen. Met name regels betreffende de mogelijkheid voor lokale, regionale, nationale en transnationale maatschappelijke organisaties, waaronder voor lokale maatschappelijke basisorganisaties, om te worden gefinancierd door middel van meerjarige exploitatiesubsidies, doorgifte van subsidies (financiële steun aan derden) en bepalingen ter waarborging van snelle en flexibele subsidieprocedures, zoals een aanvraagprocedure die uit twee stappen bestaat, gebruiksvriendelijke aanvragen en rapportageprocedures, moeten in het kader van de uitvoering van dit programma worden toegepast en verder worden versterkt.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze begroting moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten, alsook financiering die niet gekoppeld is aan de kosten, als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad20, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad21, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad22 en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad23 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad24. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
(24)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze begroting moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten, de grootte en capaciteit van de betrokken belanghebbenden en de beoogde begunstigden, en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages, eenheidskosten en doorgifte van subsidies, alsook medefinancieringsvereisten waarbij rekening wordt gehouden met vrijwilligerswerk en financiering die niet gekoppeld is aan de kosten, als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Medefinancieringsvereisten moeten ook bijdragen in natura omvatten en moeten in geval van beperkte aanvullende middelen verruimd kunnen worden. Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad20, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad21, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad22 en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad23 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad24. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
__________________
__________________
20 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
20 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
21 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
21 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
22 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
22 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
23 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
23 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
24 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
24 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Derde landen die lidstaat zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen deelnemen aan Unieprogramma's in het kader van de samenwerking binnen de EER-overeenkomst, die in de uitvoering van programma's bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen waarbij de nodige rechten worden toegekend en toegang wordt verleend aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
(25)  Wat de tenuitvoerlegging van de specifieke doelstellingen betreft op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid, rechten en de deelname van burgers aan het democratisch bestel van de Unie op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau, alsook op het gebied van de bestrijding van geweld, kunnen derde landen die lidstaat zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) deelnemen aan Unieprogramma's in het kader van de samenwerking binnen de EER-overeenkomst, die in de uitvoering van programma's bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen waarbij de nodige rechten worden toegekend en toegang wordt verleend aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten heeft tot doel de Unie in staat te stellen haar begroting beter te beschermen wanneer tekortkomingen in de rechtsstaat afbreuk doen of dreigen te doen aan een goed financieel beheer of aan de financiële belangen van de Unie. Het is bedoeld als aanvulling van het programma Rechten en waarden, dat een ander doel beoogt aangezien het gericht is op de financiering van beleid op het gebied van grondrechten en Europese waarden, en daarmee op het leven van mensen en hun deelname aan de samenleving.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Volgens [verwijzing dienovereenkomstig aan te passen volgens het nieuwe besluit inzake landen en gebieden overzee: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad25] komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(27)  Volgens [verwijzing dienovereenkomstig aan te passen volgens het nieuwe besluit inzake landen en gebieden overzee: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad25] komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de afgelegen geografische ligging van de LGO's en moet de daadwerkelijke deelname van deze landen en gebieden aan het programma worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd.
__________________
__________________
25 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie („LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
25 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Gelet op het belang van de strijd tegen klimaatverandering, overeenkomstig de verplichtingen die de Unie is aangegaan voor de uitvoering van de overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties zal dit programma bijdragen tot de mainstreaming van klimaatactie en de verwezenlijking van het algemene streefcijfer dat 25 % van de uitgaven op de EU-begroting de klimaatdoelstellingen ondersteunt. Bij de voorbereiding en de uitvoering van het programma zullen relevante acties worden vastgesteld en bij de tussentijdse evaluatie zullen deze opnieuw worden beoordeeld.
(28)  Gezien het belang van de strijd tegen klimaatverandering en in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit te voeren, zal dit programma bijdragen aan de mainstreaming van klimaatactie en aan het algemene streven dat gedurende de MFK-periode 2021-2027 25 % van de EU-begrotingsuitgaven klimaatdoelstellingen ondersteunen, en dat zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2027, een streefcijfer van 30 % jaarlijks wordt gehaald. Bij de voorbereiding en de uitvoering van het programma zullen relevante acties worden vastgesteld en bij de tussentijdse evaluatie zullen deze opnieuw worden beoordeeld.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die is verzameld aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, moeten worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van het programma op het terrein worden beoordeeld.
(29)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die is verzameld aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, moeten worden vermeden. In dit verband kan het voor sommige aanvragers en begunstigden die mogelijk niet over de nodige (personele) middelen beschikken, zoals maatschappelijke organisaties, lokale overheidsinstanties en sociale partners, moeilijk zijn om aan de monitoring- en rapportage vereisten voldoen. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van het programma op het terrein worden beoordeeld.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de indicatoren die zijn vastgesteld in de artikelen 14 en 16 en in bijlage II. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(30)  Ter aanvulling van deze verordening, met het oog op de uitvoering van het programma en de waarborging van de doeltreffende evaluatie van de voortgang ervan in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de werkprogramma's die zijn vastgesteld in artikel 13 en de indicatoren die zijn vastgesteld in de artikelen 14 en 16 en in bijlage II. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad26.
Schrappen
__________________
26 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Bij deze verordening wordt het programma Rechten en waarden ingesteld, hierna „het programma” genoemd.
Bij deze verordening wordt het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden ingesteld, hierna "het programma" genoemd.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 2
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021–2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
In deze verordening worden de doelstellingen en het toepassingsgebied van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de voorwaarden voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1
1.  De algemene doelstelling van het programma is de bescherming en bevordering van de rechten en waarden die in de EU-Verdragen zijn verankerd, onder meer door ondersteuning van maatschappelijke organisaties met het oog op de instandhouding van een open, democratische en inclusieve samenleving.
1.  De algemene doelstelling van het programma is de bescherming en bevordering van de rechten en waarden die in de Verdragen zijn verankerd, waaronder democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 2 VEU, met name door maatschappelijke organisaties (vooral basisorganisaties) op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau te ondersteunen en hun capaciteit te vergroten, en door democratische participatie door burgers aan te moedigen, met het oog op de instandhouding en verdere ontwikkeling van een open, op rechten gebaseerde, democratische, gelijkwaardige en inclusieve samenleving.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – letter -a (nieuw)
-a)  bescherming en bevordering van de democratie en de rechtsstaat op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau (onderdeel Waarden van de Unie);
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – letter a
a)  bevordering van gelijkheid en rechten (onderdeel Gelijkheid en rechten)
a)  bevordering van gelijkheid, met inbegrip van gendergelijkheid, rechten en non-discriminatie, en ondersteuning van gendermainstreaming (onderdeel Gelijkheid, rechten en gendergelijkheid);
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – letter b
b)  bevordering van de betrokkenheid van de burgers bij en hun participatie in het democratisch bestel van de Unie (onderdeel Betrokkenheid en participatie van de burger)
b)  bewustmaking van de burgers, en met name van jongeren, van het feit dat de Unie belangrijk is, door middel van activiteiten die erop gericht zijn de herinnering levendig te houden aan de historische gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontstaan ervan, en bevordering van de democratie, vrijheid van meningsuiting, pluriformiteit, de betrokkenheid van de burgers, burgerbijeenkomsten en de participatie van de burgers in het democratisch bestel van de Unie (onderdeel Actief burgerschap);
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – letter c
c)  bestrijding van geweld (onderdeel Daphne).
c)  bestrijding van geweld, waaronder gendergerelateerd geweld (onderdeel Daphne).
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 bis (nieuw)
Artikel 2 bis
Onderdeel Waarden van de Unie
In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder -a), is het programma vooral gericht op:
a)   de bescherming en bevordering van de democratie en de rechtsstaat, waaronder door de ondersteuning van activiteiten van maatschappelijke organisaties ter bevordering van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en doeltreffende rechterlijke bescherming, onder meer van de grondrechten, door onafhankelijke rechtbanken; steunverlening aan onafhankelijke mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met het monitoren van de eerbiediging van de rechtsstaat, evenals ondersteuning van de bescherming van klokkenluiders en initiatieven ter bevordering van de gemeenschappelijke cultuur van transparantie, goed bestuur en corruptiebestrijding;
b)   de bevordering van de opbouw van een democratischere Unie, evenals de bescherming en de vergroting van het besef van de in de Verdragen verankerde rechten en waarden door financiële steun te bieden aan onafhankelijke maatschappelijke organisaties die deze waarden op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau bevorderen en cultiveren en zo een omgeving scheppen waarin een democratische dialoog kan worden gevoerd, en de vrijheid van meningsuiting versterken, alsook de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, de vrijheid en pluriformiteit van de media en de academische vrijheid.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – titel
Onderdeel Gelijkheid en rechten
Onderdeel Gelijkheid, rechten en gendergelijkheid
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – inleidende formule
In het kader van de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, ander a), is het programma vooral gericht op:
In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder a), is het programma vooral gericht op:
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – letter a
a)  het voorkomen en bestrijden van ongelijkheid en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie, en het ondersteunen van een alomvattend beleid ter bevordering van gendergelijkheid en discriminatiebestrijding en de mainstreaming daarvan, en van beleid ter bestrijding van racisme en alle vormen van onverdraagzaamheid;
a)  het bevorderen van gelijkheid en het voorkomen en bestrijden van ongelijkheid en discriminatie op grond van geslacht, ras, sociale of etnische afstamming, huidskleur, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, seksuele oriëntatie of andere gronden, en het ondersteunen van een alomvattend beleid ter bevordering van gelijkheid en discriminatiebestrijding en de mainstreaming daarvan, alsook van beleid ter bestrijding van racisme en alle vormen van onverdraagzaamheid, zowel online als offline;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  het ondersteunen van alomvattende beleidsmaatregelen en programma's ter bevordering van de vrouwenrechten, gendergelijkheid, de versterking van de positie van vrouwen en gendermainstreaming;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – titel
Onderdeel Betrokkenheid en participatie van de burger
Onderdeel Actief burgerschap
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – inleidende formule
In het kader van de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, ander b), is het programma vooral gericht op:
In het kader van de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder a), worden met het programma de volgende doelstellingen nagestreefd:
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a
a)  het vergroten van het inzicht van de burgers in de Unie, haar geschiedenis, haar cultureel erfgoed en haar culturele diversiteit;
a)  het ondersteunen van projecten van burgers, met bijzondere aandacht voor jongeren, die erop gericht zijn mensen ertoe aan te moedigen zich niet alleen de gebeurtenissen te herinneren die aan de oprichting van de Unie zijn voorafgegaan, welke de kern uitmaken van haar historisch geheugen, maar ook meer te weten te komen over hun gedeelde geschiedenis, cultuur en waarden, en een idee te krijgen van hun gemeenschappelijk cultureel erfgoed en van de culturele en taaldiversiteit, die de basis vormen voor een gemeenschappelijke toekomst; het bevorderen van het inzicht van de burgers in de Unie, haar oorsprong, bestaansreden en verworvenheden, en het vergroten van hun bewustzijn van haar huidige en toekomstige uitdagingen en van het feit dat wederzijds begrip en verdraagzaamheid, die de kern vormen van het Europese project, belangrijk zijn;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)   het bevorderen en ondersteunen van de uitwisseling van goede praktijken met betrekking tot formeel en informeel onderwijs met het oog op Europees burgerschap;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b
b)  het bevorderen van uitwisseling en samenwerking tussen burgers van verschillende landen; het bevorderen van democratische participatie van de burgers, waardoor burgers en representatieve organisaties hun standpunten over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar kunnen maken en publiekelijk kunnen uitwisselen.
b)  het bevorderen van de publieke dialoog door middel van stedenbanden en bijeenkomsten van burgers, en met name van jongeren, en door middel van samenwerking tussen gemeenten, lokale gemeenschappen en maatschappelijke organisaties van verschillende landen, om de betrokkenen rechtstreeks en op praktische wijze de rijkdom te laten ervaren van de weelde aan culturele diversiteit en cultureel erfgoed in de Unie en de betrokkenheid van de burgers in de samenleving te vergroten;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  het aanmoedigen en versterken van de participatie van de burgers in het democratisch bestel van de Unie op lokaal, nationaal en transnationaal niveau; het mogelijk maken voor burgers en verenigingen om de interculturele dialoog te bevorderen en behoorlijke openbare debatten te voeren over alle onderdelen van het optreden van de Unie en zo bij te dragen aan de vormgeving van de politieke agenda van de Unie; het ondersteunen van georganiseerde gezamenlijke initiatieven, in de vorm van verenigingen en netwerken van rechtspersonen, om de in de vorige leden genoemde doelstellingen doeltreffender ten uitvoer te leggen.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – inleidende formule
In het kader van de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, ander c), is het programma vooral gericht op:
In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder c), is het programma vooral gericht op:
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter -a (nieuw)
-a)  het voorkomen en bestrijden van alle vormen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en het bevorderen van de volledige tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) op alle niveaus; en
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter a
a)  het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen, alsmede geweld tegen andere groepen die risico lopen;
a)  het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen kinderen en jongeren, alsmede van geweld tegen andere groepen die risico lopen, zoals de LGBTQI-gemeenschap, personen met een handicap, minderheden, ouderen en migranten en vluchtelingen;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter b
b)  het ondersteunen en beschermen van slachtoffers van dergelijk geweld.
b)  het ondersteunen en beschermen van slachtoffers van dergelijk geweld, waaronder door activiteiten van maatschappelijke organisaties te ondersteunen die erop gericht zijn voor al deze slachtoffers de toegang tot de rechter, de toegang tot slachtofferhulp en de mogelijkheden om veilig aangifte te doen, te vergemakkelijken en te waarborgen, alsook het ondersteunen en het waarborgen van een gelijk beschermingsniveau in de hele EU voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021–2027 bedragen [641 705 000] EUR in lopende prijzen.
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma over de periode 2021-2027 bedragen [1 627 000 000] EUR in prijzen van 2018 [1 834 000 000 EUR in lopende prijzen].
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – letter -a (nieuw)
-a)  [754 062 000 EUR in prijzen van 2018] [850 000 000 EUR in lopende prijzen] (d.w.z. 46,34 % van het totale bedrag) voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder -a);
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – letter a
a)  [408 705 000] EUR voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a) en c);
a)  [429 372 000 EUR in prijzen van 2018] [484 000 000 EUR in lopende prijzen] (d.w.z. 26,39 % van het totale bedrag) voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a) en c);
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – letter b
b)  [233 000 000] EUR voor de specifieke doelstelling bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b).
b)  [443 566 000 EUR in prijzen van 2018] [500 000 000 EUR in lopende prijzen] (d.w.z. 27,26 % van het totale bedrag) voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b).
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie wijst ten minste 50 % van de onder -a) en a) bedoelde bedragen toe voor de ondersteuning van activiteiten van maatschappelijke organisaties, waarvan ten minste 65 % aan lokale en regionale maatschappelijke organisaties wordt toegewezen.
De Commissie wijkt ten hoogste met vijf procentpunten af van de in bijlage -I, onder a), vervatte toegewezen percentages van de financiële middelen. Mocht het nodig blijken deze limiet te overschrijden, dan is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage -I, onder a), te wijzigen door de toegewezen percentages van de voor het programma uitgetrokken financiële middelen met vijf tot tien procentpunten aan te passen.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5
5.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen uit overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.
5.  Op verzoek van de lidstaten of de Commissie kunnen de aan de lidstaten in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeheveld naar het programma. De Commissie wendt die middelen op directe wijze aan overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de lidstaat.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Mechanisme voor de ondersteuning van waarden
1.   In uitzonderlijke gevallen, wanneer zich in een lidstaat een ernstige en snelle verslechtering op het gebied van de naleving van de in artikel 2 VEU verankerde waarden van de Unie voordoet en het risico bestaat dat deze waarden onvoldoende worden beschermd en bevorderd, mag de Commissie een oproep doen tot het indienen van voorstellen in de vorm van een versnelde procedure voor subsidieaanvragen door maatschappelijke organisaties, teneinde de democratische dialoog in de betrokken lidstaat te vergemakkelijken, te ondersteunen en te bevorderen en de tekortkomingen met betrekking tot de naleving van de in artikel 2 VEU verankerde waarden aan de orde te stellen.
2.   De Commissie wijst ten hoogste 5 % van de in artikel 6, lid 2, onder -a), bedoelde bedragen toe aan het in lid 1 van dit artikel bedoelde mechanisme voor de ondersteuning van waarden. Aan het einde van elk begrotingsjaar hevelt de Commissie eventuele niet-toegewezen middelen in het kader van dit mechanisme over ter ondersteuning van andere acties die binnen de doelstellingen van het programma vallen.
3.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het in lid 1 van dit artikel bedoelde mechanisme voor de ondersteuning van waarden in werking te stellen. De inwerkingstelling van het mechanisme is gebaseerd op alomvattende, regelmatige en op bewijs gebaseerde monitoring en evaluatie van de situatie van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in alle lidstaten.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 61, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.
1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement.
2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name via subsidies voor maatregelen, alsook via jaarlijkse en meerjarige exploitatiesubsidies. Deze financiering wordt dusdanig ten uitvoer gelegd dat goed financieel beheer, een verstandige besteding van middelen, lage administratieve lasten voor de projectontwikkelaar en begunstigden en toegankelijkheid van de fondsen van het programma voor begunstigden kan worden gegarandeerd. Er mag gebruik worden gemaakt van vaste bedragen, eenheidskosten, vaste percentages en doorgifte van subsidies (financiële steun aan derden). Medefinanciering moet ook bijdragen in natura omvatten en moet in geval van beperkte aanvullende middelen verruimd kunnen worden.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1
Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van een specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 2 kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van deze verordening. Met name de in bijlage I genoemde activiteiten komen in aanmerking voor financiering.
1.   Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van een algemene of specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 2 kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van deze verordening. Met name de in artikel 9 bis genoemde activiteiten komen in aanmerking voor financiering.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 2 (nieuw)
2.   Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van het VEU, richt de Commissie een groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld op om te zorgen voor een regelmatige, open en transparante dialoog met de begunstigden van het programma en andere belanghebbenden, teneinde ervaringen en goede praktijken uit te wisselen en beleidsontwikkelingen te bespreken met betrekking tot de in het programma bestreken gebieden en doelstellingen en daaraan verwante gebieden.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Activiteiten die in aanmerking komen voor financiering
De in artikel 2 bedoelde algemene en specifieke doelstellingen van het programma worden met name, maar niet uitsluitend, nagestreefd door ondersteuning van de volgende activiteiten:
a)   bewustmaking, voorlichting, en bevordering en verspreiding van informatie ter verbetering van de bekendheid met beleid, beginselen en rechten met betrekking tot de in het programma bestreken gebieden en doelstellingen;
b)   wederzijdse leerprocessen door uitwisseling van goede praktijken tussen belanghebbenden om kennis en wederzijds begrip en maatschappelijke en democratische betrokkenheid te bevorderen;
c)   analytische monitoring, verslaglegging en belangenbehartiging ter verbetering van het inzicht in de situatie in de lidstaten en op EU-niveau op gebieden die onder het programma vallen, alsmede ter verbetering van de juiste omzetting en uitvoering van de wetgeving, het beleid en de gemeenschappelijke waarden van de EU in de lidstaten, zoals het verzamelen van gegevens en statistieken; het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden en, in voorkomend geval, indicatoren of benchmarks; studies, onderzoek, analyses en enquêtes; evaluaties; effectbeoordeling; het opstellen en publiceren van handleidingen, verslagen en educatief materiaal;
d)   opleiding van betrokken belanghebbenden ter verbetering van hun kennis van het beleid en hun rechten op de door het programma bestreken gebieden, alsmede versterking van de onafhankelijkheid en capaciteit van belanghebbenden om het beleid en hun rechten op de door het programma bestreken gebieden te verdedigen, onder andere door middel van strategische procesvoering;
e)   bevordering van het besef van en het inzicht in de risico's, regels, waarborgen en rechten in verband met de bescherming van persoonsgegevens, privacy en digitale veiligheid;
f)   versterking van de bekendheid van de burgers met de Europese kernwaarden en de toewijding aan rechtvaardigheid, gelijkheid, de rechtsstaat en de democratie die daarin tot uiting komt, door middel van informatiecampagnes, alsook met de rechten en plichten die uit het burgerschap van de Unie voortvloeien, zoals het recht om te reizen naar en te werken, te studeren en te wonen in een andere lidstaat, evenals bevordering van wederzijds begrip, interculturele dialoog en eerbied voor diversiteit binnen de Unie;
g)   versterking van de bekendheid van de burgers, en met name van jongeren, met het Europees cultureel erfgoed en de Europese identiteit, cultuur, geschiedenis en herdenking, maar ook van hun gevoel deel uit te maken van de Unie, voornamelijk door middel van initiatieven ter ontwikkeling van een kritische reflectie over de oorzaken van de totalitaire regimes in de moderne Europese geschiedenis, alsook door middel van de herdenking van de slachtoffers van die misdaden en activiteiten betreffende andere beslissende momenten in de recente Europese geschiedenis;
h)   burgers van verschillende nationaliteiten en culturen met elkaar in contact brengen door hun de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan activiteiten in het kader van stedenbanden, kleinschalige projecten en projecten van maatschappelijke organisaties, om zo de voorwaarden te scheppen voor een sterkere bottom-upbenadering;
i)   aanmoediging en facilitering van actieve en inclusieve deelname aan de opbouw van een democratischere Unie, met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde groepen in de samenleving, alsook vergroting van het besef van en bevordering en bescherming van de grondrechten en rechten en waarden door ondersteuning van maatschappelijke organisaties, op alle niveaus, die actief zijn op de onder het programma vallende gebieden, alsmede versterking van het vermogen van Europese netwerken en het maatschappelijk middenveld om bij te dragen aan de ontwikkeling, vergroting van het besef, en monitoring van de tenuitvoerlegging van de wetgeving, beleidsdoelstellingen, waarden en strategieën van de Unie;
j)   financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening [(EU) nr. 211/2011] en zo de grondslag vormen voor de uitoefening door de burgers van hun recht om Europese burgerinitiatieven te organiseren en er steun aan te betuigen;
k)   bevordering van de kennis van het programma en van de verspreiding en overdraagbaarheid van de resultaten ervan en bevordering van de bewustmaking van burgers en maatschappelijke organisaties, onder meer door het opzetten en ondersteunen van onafhankelijke contactpunten in het kader van het programma;
l)  versterking van de capaciteit en onafhankelijkheid van mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke organisaties die toezicht houden op de situatie van de rechtsstaat en ondersteuning van acties op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau;
m)   ondersteuning van de bescherming van klokkenluiders, met inbegrip van initiatieven en maatregelen om veilige kanalen op te zetten om binnen organisaties misstanden aan de kaak te stellen of deze aan overheidsinstanties of andere relevante organen te melden, alsook maatregelen ter bescherming van klokkenluiders tegen ontslag, degradatie of andere vormen van vergelding, onder meer door voorlichting en opleiding voor relevante overheidsinstanties en belanghebbenden;
n)   ondersteuning van initiatieven en maatregelen ter bevordering en bescherming van de vrijheid en het pluralisme van de media, alsmede vergroting van de capaciteiten op het gebied van nieuwe uitdagingen, zoals nieuwe media en bestrijding van haatuitingen, en bestrijding van nepnieuws en gerichte desinformatie door middel van bewustmaking, opleiding, studies en monitoring;
o)   ondersteuning van maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de bevordering en monitoring van de integriteit en transparantie van en verantwoording door de overheid en overheidsinstanties, alsook voor corruptiebestrijding;
p)   ondersteuning van organisaties die bijstand verlenen en onderdak en bescherming bieden aan slachtoffers van geweld en personen die gevaar lopen, met inbegrip van vrouwenopvangcentra.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.
1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement en omvatten onder meer subsidies voor maatregelen, meerjarige exploitatiesubsidies en doorgifte van subsidies.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.  Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan.
2.  Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan. Bij de samenstelling van het comité wordt genderevenwicht in acht genomen.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. [De cumulatieve financiering mag de totale subsidiabele kosten van de actie niet overschrijden en de steun uit de verschillende programma’s van de Unie kan pro rata worden berekend].
1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken en dat dubbele financiering wordt voorkomen door duidelijk de financieringsbronnen voor elke uitgavencategorie aan te geven, in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer. [De cumulatieve financiering mag de totale subsidiabele kosten van de actie niet overschrijden en de steun uit de verschillende programma’s van de Unie kan pro rata worden berekend].
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2 – letter a – bolletje 1
–  een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2 – letter a – bolletje 2
—  een met het programma geassocieerd derde land;
—  voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a) en c), een met het programma geassocieerd derde land, overeenkomstig artikel 7 van deze verordening;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2 – letter b
b)  juridische entiteiten die zijn opgericht krachtens het Unierecht, of internationale organisaties.
b)  juridische entiteiten zonder winstoogmerk die zijn opgericht krachtens het Unierecht, of internationale organisaties.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  Zonder oproep tot het indienen van voorstellen kunnen exploitatiesubsidies worden toegekend aan het Europees netwerk van instanties voor gelijke behandeling Equinet ter dekking van uitgaven die betrekking hebben op het permanente werkprogramma.
3.  Zonder oproep tot het indienen van voorstellen kunnen op grond van artikel 6, lid 2, onder a), exploitatiesubsidies worden toegekend aan het Europees netwerk van instanties voor gelijke behandeling (Equinet) ter dekking van uitgaven in verband met het permanente werkprogramma, op mits van het betreffende werkprogramma een gendereffectbeoordeling is uitgevoerd.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – titel
Werkprogramma
Werkprogramma en meerjarenprioriteiten
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De Commissie past bij de vaststelling van haar prioriteiten in het kader van het programma het partnerschapsbeginsel toe en zorgt er, overeenkomstig artikel 15 bis, voor dat de belanghebbenden nauw worden betrokken bij de planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van dit programma en de bijbehorende werkprogramma's.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 19 bedoelde raadplegingsprocedure.
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door het passende werkprogramma vast te stellen.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1
1.  De indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 2 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.
1.  De indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 2 vermelde specifieke doelstellingen worden, in voorkomend geval, naar gender uitgesplitst. De lijst van indicatoren is opgenomen in bijlage II.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3
3.  Het systeem voor verslaglegging over de prestaties waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten aan evenredige verslagleggingsvereisten onderworpen.
3.  Het systeem voor verslaglegging over de prestaties waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten aan evenredige en zo min mogelijk belastende verslagleggingsvereisten onderworpen. Om de naleving van de verslagleggingsvereisten te vergemakkelijken, stelt de Commissie gebruiksvriendelijke formaten ter beschikking en verstrekt zij oriëntatie- en ondersteuningsprogramma's die in het bijzonder gericht zijn op maatschappelijke organisaties, die niet altijd over de nodige knowhow en voldoende middelen en personeel beschikken om aan de vereisten te voldoen.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 1
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  Evaluaties omvatten een genderdimensie, alsook naar geslacht uitgesplitste cijfers en een specifiek hoofdstuk voor elk onderdeel, houden rekening met het aantal personen dat bereikt werd, feedback en geografische dekking, en worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Bij de tussentijdse evaluatie wordt rekening gehouden met de evaluaties van het langetermijneffect van de voorgaande programma's (Rechten, gelijkheid en burgerschap en Europa voor de burger).
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Bij de tussentijdse evaluatie wordt rekening gehouden met de evaluaties van het langetermijneffect van de voorgaande programma's (Rechten, gelijkheid en burgerschap en Europa voor de burger). In de tussentijdse evaluatie wordt een gendereffectbeoordeling opgenomen om te bepalen in hoeverre de doelstellingen betreffende gendergelijkheid van het programma op dat moment zijn verwezenlijkt, teneinde te waarborgen dat programmaonderdelen niet onbedoeld negatieve gevolgen hebben voor de gendergelijkheid en aanbevelingen te kunnen doen voor de actieve bevordering van gendergelijkheidsoverwegingen bij de ontwikkeling van toekomstige oproepen tot het indienen van voorstellen en beslissingen over exploitatiesubsidies.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 4
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. De Commissie maakt de evaluatie openbaar en zorgt ervoor dat deze gemakkelijk toegankelijk is door deze op haar website te publiceren.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2
2.  De in artikel 14 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2027.
2.  De in de artikelen 13 en 14 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2027.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 14 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 13 en 14 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 4
4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Bij de samenstelling van de te raadplegen groep deskundigen wordt genderevenwicht in acht genomen. Bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen zorgt de Commissie ervoor dat alle documenten, waaronder de ontwerphandelingen, tijdig en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad en aan de deskundigen van de lidstaten. Indien zij dat noodzakelijk achten, kunnen zowel het Europees Parlement als de Raad deskundigen sturen naar de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen waarvoor deskundigen van de lidstaten zijn uitgenodigd. Daartoe ontvangen het Europees Parlement en de Raad de planning voor de komende maanden en de uitnodigingen voor alle deskundigenvergaderingen.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 5
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. Burgers en andere belanghebbenden kunnen, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, gedurende een periode van vier weken hun mening geven over de ontwerptekst van een gedelegeerde handeling. Het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's worden over de ontwerptekst geraadpleegd op basis van de ervaringen van ngo's en lokale en regionale overheden met de uitvoering van het programma.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 14 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt slechts in werking indien noch het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig de artikelen 13 en 14 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt slechts in werking indien noch het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek en, in voorkomend geval, de begunstigden van of deelnemers aan de acties die met deze middelen worden gefinancierd, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren in een vorm die ook toegankelijk is voor personen met een handicap, waardoor de toegevoegde waarde van de Unie wordt aangetoond en de inspanningen van de Commissie op het gebied van gegevensverzameling worden ondersteund om de budgettaire transparantie te vergroten.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2
2.  De Commissie zorgt voor informatie en communicatie uit met betrekking tot het programma alsmede de in de kader uitgevoerde acties en de resultaten daarvan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.
2.  De Commissie zorgt voor informatie en communicatie uit met betrekking tot het programma alsmede de in de kader uitgevoerde acties en de resultaten daarvan.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 bis (nieuw)
Artikel 18 bis
Contactpunten voor het programma
Elke lidstaat beschikt over een onafhankelijk nationaal contactpunt met gekwalificeerd personeel dat met name tot taak heeft de belanghebbenden en begunstigden van het programma onpartijdig advies, praktische informatie en hulp te bieden met betrekking tot alle aspecten van het programma en de aanvraagprocedure.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 19
Artikel 19
Schrappen
Comitéprocedure
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3.  Het comité kan in specifieke configuraties bijeenkomen voor het bespreken van de afzonderlijke onderdelen van het programma.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Bijlage -I (nieuw)
Bijlage -I
De in artikel 6, lid 1, bedoelde beschikbare middelen in het kader van het programma worden als volgt toegewezen:
a)  Binnen het in artikel 6, lid 2, onder a), bedoelde bedrag:
—  ten minste 15 % voor activiteiten ter verwezenlijking van de in artikel 3, onder a bis), bedoelde specifieke doelstelling;
—  ten minste 40 % voor activiteiten ter verwezenlijking van de in artikel 5, onder -a), bedoelde specifieke doelstellingen; en
—  ten minste 45 % voor activiteiten ter verwezenlijking van de in artikel 3, onder a) en b), en artikel 5, onder a) en b), bedoelde specifieke doelstellingen;
b)  Binnen het in artikel 6, lid 2, onder b), bedoelde bedrag:
—  15 % voor herdenkingsactiviteiten;
—  65 % voor democratische participatie;
—  10 % voor promotieactiviteiten; en
—  10 % voor administratie.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Bijlage I
Bijlage I
Schrappen
Activiteiten in het kader van het programma
De in artikel 2, lid 2, bedoelde specifieke doelstellingen van het programma worden met name nagestreefd door middel van ondersteuning van de volgende activiteiten:
a)   bewustmaking, verspreiding van informatie ter verbetering van de bekendheid met beleid en rechten op de onder het programma vallende gebieden;
b)   wederzijdse leerprocessen door uitwisseling van goede praktijken tussen belanghebbenden om kennis en wederzijds begrip en maatschappelijke en democratische betrokkenheid te bevorderen;
c)   analyse en monitoring1 ter verbetering van het inzicht in de situatie in de lidstaten en op EU-niveau op gebieden die onder het programma vallen, alsmede ter verbetering van de uitvoering van de wetgeving en het beleid van de EU;
d)   opleiding van belanghebbenden ter verbetering van hun kennis van het beleid en hun rechten op de bestreken gebieden;
e)   ontwikkeling en onderhoud van tools op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT);
f)   versterking van de bekendheid van de burgers met de Europese cultuur, Europese geschiedenis en Europese herdenking alsmede hun gevoel deel uit te maken van de Unie;
g)   Europeanen van verschillende nationaliteiten en culturen met elkaar in contact brengen door hun de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan activiteiten in het kader van stedenbanden;
h)   aanmoediging en facilitering van actieve deelname aan de opbouw van een meer democratische Unie en versterking van het besef van rechten en waarden door ondersteuning van maatschappelijke organisaties;
i)   financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening [(EU) nr. 211/2011] en zo de grondslag vormen voor de uitoefening door de burgers van hun recht om Europese burgerinitiatieven te organiseren en er steun aan te betuigen;
j)   versterking van het vermogen van Europese netwerken om het recht, de beleidsdoelstellingen en de strategieën van de EU verder te ontwikkelen en te bevorderen, en ondersteuning van maatschappelijke organisaties die actief zijn op de onder het programma vallende gebieden;
k)   bevordering van de kennis van het programma en van de verspreiding en overdraagbaarheid van de resultaten ervan en bevordering van de bewustmaking van burgers, onder meer door het opzetten en ondersteunen van programmabureaus/een netwerk van nationale contactpunten.
1 Deze activiteiten omvatten bijvoorbeeld het verzamelen van gegevens en statistieken; het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden en, in voorkomend geval, indicatoren of benchmarks; studies, onderzoeken, analyses en enquêtes; evaluaties; effectbeoordeling; het opstellen en publiceren van handleidingen, rapporten en educatief materiaal.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – inleidende formule
Het programma wordt gemonitord aan de hand van een reeks indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede met het oog op verlichting van de administratieve lasten en de kosten. Daartoe zullen gegevens worden vergaard met betrekking tot onderstaande indicatoren:
Het programma wordt gemonitord aan de hand van een reeks resultaatindicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede om de administratieve lasten en de kosten zo laag mogelijk te houden. Waar mogelijk worden de indicatoren uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en eventuele andere gegevens die kunnen worden vergaard (zoals etniciteit, handicap en genderidentiteit). Daartoe zullen gegevens worden vergaard met betrekking tot onderstaande indicatoren:
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – tabel
Het aantal personen dat is bereikt door:
Het aantal personen, uitgesplitst naar geslacht en leeftijd, dat is bereikt door:
i)  opleidingsactiviteiten;
i)  opleidingsactiviteiten;
ii)  activiteiten inzake wederzijds leren en uitwisselen van goede praktijken;
ii)  activiteiten inzake wederzijds leren en uitwisselen van goede praktijken;
iii)  activiteiten inzake bewustmaking, voorlichting en verspreiding.
iii)  activiteiten inzake bewustmaking, voorlichting en verspreiding.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – rij 1 bis (nieuw)
Voorts publiceert de Commissie elk jaar de volgende outputindicatoren:
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – rij 1 ter (nieuw)
Aantal aanvragen en gefinancierde activiteiten per in artikel 9, lid 1, genoemde categorie en per onderdeel
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – rij 1 quater (nieuw)
De hoogte van de aangevraagde en uiteindelijk toegekende financiering per in artikel 9, lid 1, genoemde categorie en per onderdeel
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel – rij 6
Het aantal transnationale netwerken en initiatieven inzake Europese herdenking en Europees erfgoed dat via het programma tot stand is gekomen.
Het aantal transnationale netwerken en initiatieven inzake Europese herdenking, Europees erfgoed en dialoog met het maatschappelijk middenveld dat via het programma tot stand is gekomen.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel – rij 6 bis (nieuw)
Geografische spreiding van de projecten

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissies op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0468/2018).

Laatst bijgewerkt op: 12 november 2019Juridische mededeling