Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2056(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0456/2018

Ingediende teksten :

A8-0456/2018

Debatten :

PV 16/01/2019 - 25
CRE 16/01/2019 - 25

Stemmingen :

PV 17/01/2019 - 10.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0042

Aangenomen teksten
PDF 156kWORD 53k
Donderdag 17 januari 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties
P8_TA(2019)0042A8-0456/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2019 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (2018/2056(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties(1),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/7/EU (COM(2016)0534) en het bijbehorende werkdocument van de Commissiediensten (SWD(2016)0278),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over toegang tot financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en vergroting van de financieringsdiversiteit voor kmo's in een kapitaalmarktunie(3),

–  gezien de grondige analyse, getiteld "Directive 2011/7/EU on late payments in commercial transactions: European Implementation Assessment", die in juli 2018 door de onderzoeksdienst van het Europees Parlement is gepubliceerd,

–  gezien de "European Payment Reports" van Intrum,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement, alsook artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8‑0456/2018),

A.  overwegende dat betalingen de bloedbaan van het bedrijfsleven zijn, en dat een leefbaar en efficiënt ondernemingsklimaat staat of valt met stipte betalingen, die bedrijven toelaten hun schulden tijdig af te lossen, uit te breiden, te investeren, banen te scheppen, bredere economische groei te genereren en voordelen te creëren voor de Europese economie in het algemeen;

B.  overwegende dat de meeste goederen en diensten op de interne markt tussen economische actoren of tussen economische actoren en overheidsinstanties worden geleverd en verstrekt door middel van uitgestelde betalingen, op een manier waarop de leverancier zijn afnemer een betalingstermijn voor de factuur toekent op grond van wat door de partijen is overeengekomen, in de factuur van de leverancier is vermeld of in desbetreffende wettelijke bepalingen is vastgesteld;

C.  overwegende dat te laat betalen een hardnekkige schadelijke praktijk is die een negatieve invloed heeft op de ontwikkeling van Europese ondernemingen, in het bijzonder kmo's, die bij betalingsachterstand niet over voorspelbare kasstromen kunnen beschikken;

D.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen buitengewoon worden getroffen door wanbetaling, hetgeen hun liquiditeit negatief beïnvloedt, hun financieel beheer bemoeilijkt en gevolgen heeft voor hun concurrentievermogen en winstgevendheid;

E.  overwegende dat grote ondernemingen over meer middelen beschikken dan kmo's om zichzelf te beschermen tegen betalingsachterstand, bijvoorbeeld via vooruitbetaling, kredietcontroles, incasso, bankgaranties of kredietverzekering, en mogelijkerwijs ook beter in staat zijn om te profiteren van de wereldwijde lage rente om hun investeringen te verhogen en hun onderhandelingspositie te versterken;

F.  overwegende dat de overheid volgens Richtlijn 2011/7/EU (richtlijn betreffende betalingsachterstand) een "bijzondere verantwoordelijkheid"(4) heeft om een klimaat te scheppen dat tijdige betaling bevordert;

G.  overwegende dat de richtlijn betreffende betalingsachterstand onder meer voorziet in betalingstermijnen voor transacties tussen ondernemingen (business-to-business of B2B) en tussen overheidsinstanties en ondernemingen (public authority-to-business of PA2B), automatisch recht op interest bij late betalingen, een minimale vergoeding voor invorderingskosten van 40 EUR en een wettelijke interest die ten minste 8 % hoger ligt dan de referentie-interestvoet van de Europese Centrale Bank;

H.  overwegende dat zes op tien ondernemingen in de EU, ondanks de algemene verkorting van de gemiddelde betalingstermijnen die de richtlijn betreffende betalingsachterstand heeft teweeggebracht, bij B2B-transacties hun geld nog steeds later ontvangen dan contractueel overeengekomen;

I.  overwegende dat van alle ondernemingen, kmo's het meest geneigd zijn om langere of oneerlijke betalingstermijnen te aanvaarden of mogelijkerwijs opgelegd krijgen door grotere ondernemingen, vanwege de ongelijke onderhandelingspositie en de vrees de handelsrelaties te schaden of een toekomstig contract mis te lopen;

J.  overwegende dat volgens de Atradius Betalingsbarometer 95 % van de kmo's in Europa stellen dat zij te laat worden betaald, hetgeen een hoger percentage is dan bij grote bedrijven, hetgeen betekent dat kan worden geconcludeerd dat kmo's geneigd zijn sneller te betalen dan grote ondernemingen, maar later worden betaald;

K.  overwegende dat betalingsachterstand alle sectoren van de economie treft, maar bijzonder alomtegenwoordig is in sectoren waarin de waardeketen veel kmo's telt (zoals de bouwsector, nutsvoorzieningen en vervoer, professionele dienstverlening, de verwerkende industrie, levensmiddelen en dranken, en IT/telecommunicatie);

L.  overwegende dat betalingsachterstand nog steeds verantwoordelijk is voor één op vier faillissementen in de EU;

M.  overwegende dat er door betalingsachterstand hogere kosten ontstaan voor ondernemingen, aangezien zij middelen moeten investeren om achter wanbetalers aan te gaan of rente moeten betalen over het krediet dat door hen is aangegaan om de bedrijfsoperaties voort te zetten;

N.  overwegende dat betalingsachterstand of de vrees voor laattijdige betaling nog steeds één van de grootste belemmeringen vormt voor de deelname van kmo's aan openbare aanbestedingen;

O.  overwegende dat voor elke dag betalingsachterstand die wordt weggewerkt, 158 miljoen EUR kan worden bespaard op financieringskosten en dat de bijkomende kasstroom 6,5 miljoen extra banen kan ondersteunen in Europa;

P.  overwegende dat de Commissie een inbreukprocedure heeft ingesteld tegen vier lidstaten (Griekenland, Slowakije, Spanje en Italië) met betrekking tot de gebrekkige toepassing van de richtlijn betreffende betalingsachterstand en dat zij Italië reeds heeft doorverwezen naar het Hof van Justitie;

Q.  overwegende dat sommige lidstaten initiatieven hebben genomen om een stipte betalingscultuur aan te moedigen, via gedragscodes voor stipte betalingen, vrijwillige inspanningen door het bedrijfsleven of sterkere synergieën met de regels voor openbare aanbestedingen;

R.  overwegende dat in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende betalingsachterstand van 2016 al werd geconcludeerd dat het feit dat bedrijven op de hoogte waren van hun rechten uit hoofde van de richtlijn, niet betekende dat zij die rechten ook uitoefenden en dat het ontbreken van een gemeenschappelijk systeem voor het toezicht houden op gemiddelde betalingstermijnen, het gebrek aan duidelijkheid over verschillende belangrijke begrippen in de richtlijn en marktonevenwichtigheden tussen grotere en kleinere ondernemingen de belangrijkste factoren lijken te zijn die de doeltreffende tenuitvoerlegging van de richtlijn in de weg staan;

S.  overwegende dat betalingsachterstand een veelzijdig, complex probleem is, dat wordt veroorzaakt door horizontale drijvende krachten, die veelvoorkomend zijn in alle sectoren en bij alle transacties (zoals problemen met de kasstroom, onevenwichtigheden in de machtspositie en omvang van bedrijven, de structuur van de toeleveringsketen, administratieve inefficiëntie, slechte toegang tot krediet, gebrekkige kennis van factuur- en kredietbeheer) en door de invloed van externe factoren (zoals de economische situatie en het nationale ondernemingsklimaat), en dat het niet mogelijk is om één oplossing uit te werken waarmee alle problemen worden verholpen;

T.  overwegende dat het voorstel voor een richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen (COM(2018)0173) bepalingen omvat met betrekking tot betalingsachterstand inzake bederfelijke goederen en betreffende de aanwijzing door de lidstaten van een handhavingsautoriteit om toe te zien op de naleving van de regels;

U.  overwegende dat problemen die tot betalingsachterstand leiden, moeten worden aangepakt via een combinatie van wettelijke en vrijwillige maatregelen, met gerichte interventies van de Commissie, de lidstaten en ondernemersorganisaties; overwegende dat een dergelijke combinatie naast corrigerende oplossingen om problemen te verhelpen nadat de transactie is afgerond ook preventieve maatregelen zou omvatten om problemen aan te pakken voordat de transactie plaatsvindt; overwegende dat bij elke maatregel, zowel wettelijk als vrijwillig, rekening dient te worden gehouden met de specifieke eigenschappen van de betrokken economische sector;

De betalingspraktijken in de EU verbeteren via een combinatie van wettelijke en vrijwillige maatregelen

1.  is van mening dat zowel de richtlijn betreffende betalingsachterstand als de nationale wetgeving ter zake beter, snel en doeltreffend moeten worden gehandhaafd door middel van de inachtneming van de vastgestelde uiterste termijnen voor het betalen van facturen en via maatregelen om de regels inzake betalingstermijnen te verbeteren en oneerlijke praktijken te ontraden; merkt op dat die maatregelen in categorieën kunnen worden ingedeeld naargelang hun aard (wettelijk of vrijwillig), reikwijdte (horizontaal of specifiek voor een bepaalde sector) en doel (preventief, corrigerend of gericht op een verandering in de ondernemingscultuur); is van mening dat parallel hieraan in meerdere lidstaten de bestaande wetgeving en de inbreukprocedures in de hele EU bij overheidsdiensten tot een cultuuromslag hebben geleid, die gekenmerkt wordt door een algemene daling van betalingsachterstand;

2.  blijft erbij dat er geen uniforme aanpak bestaat om het probleem van betalingsachterstand aan te pakken, aangezien in sommige 'business-to-business'-sectoren langere betalingstermijnen, die in geen geval de in Richtlijn 2011/7/EU vastgestelde termijnen overschrijden, in een aantal gevallen op de behoeften van de ondernemingen kunnen aansluiten, rekening houdend met de specifieke eigenschappen van elke sector; benadrukt evenwel dat inspanningen moeten worden geleverd om tot betalingstermijnen van 30 dagen te komen en dat betalingstermijnen van langer dan 60 dagen, die door Richtlijn 2011/7/EU toegestaan zijn, een achterdeurtje zijn die tot afspraken over lange termijnen kunnen leiden die voor ondernemingen zelf, en met name kmo's, nadelig kunnen zijn, met inachtneming van de contractvrijheid tussen ondernemingen op de markt; onderstreept het belang van het te allen tijde waarborgen van gelijke randvoorwaarden tussen ondernemingen in dominante posities en kleine spelers;

Preventieve maatregelen

3.  is van mening dat de lidstaten striktere betalingstermijnen moeten vaststellen; merkt op dat sommige lidstaten de standaardbetalingstermijn hebben beperkt tot 30 dagen, terwijl slechts een paar lidstaten maximale betalingstermijnen hebben ingevoerd waar de partijen niet van kunnen afwijken; wijst er voorts op dat het op sectorniveau gebruikelijker is om maximale betalingstermijnen in te voeren; is van mening dat wetgeving waarin striktere betalingstermijnen worden vastgesteld de betalingstermijnen in zekere mate zou kunnen verkorten en, voor zover zij wordt gehandhaafd, voor gelijke randvoorwaarden zou zorgen voor grote en kleine ondernemingen; wijst er in dit verband evenwel op dat een uniformer en versimpeld stel regels mede zou kunnen verhelderen wat schuldeisers en schuldenaren kunnen verwachten bij een betalingsachterstand, hetgeen de voorspelbaarheid van hun economische activiteiten ten goede zou komen;

4.  is van oordeel dat meer transparantie ten aanzien van betalingsgedrag betalingsachterstanden zou kunnen ontmoedigen; denkt dat toegang tot informatie over betalingsgedrag overheden en ondernemingen ertoe kan aanzetten hun betalingspraktijken te verbeteren en zich aan hun geldelijke verplichtingen te houden; spoort de lidstaten aan na te denken over verschillende mogelijke vormen van verplichte openbaarmaking van informatie over betalingsgedrag, zoals gegevensbanken of registers, voor zowel de particuliere, als de publieke sector;

5.  spoort de lidstaten ertoe aan na te denken over de invoering van verplichte systemen voor het verstrekken van informatie over goed betalingsgedrag ("naam en faam") en een stipte betalingscultuur in handelsrelaties te stimuleren, gezien onder andere het feit dat is aangetoond dat op tijd betalen een slimme bedrijfsstrategie is omdat goede betalers betere deals kunnen bedingen en op betrouwbare leveranciers kunnen rekenen; verzoekt de Commissie een studie te verrichten over bestaande nationale systemen voor het verstrekken van informatie over goed betalingsgedrag ("naam en faam") van zowel bedrijven, als overheden, en te bekijken of het haalbaar is gemeenschappelijke criteria voor dergelijke systemen op het niveau van de EU vast te stellen;

6.  benadrukt dat ondernemers, in het bijzonder kmo's, meer informatie en voorlichting moeten krijgen over krediet- en factuurbeheer; herinnert eraan dat een effectief kredietbeheer de gemiddelde inningsperiode verkort en derhalve een optimale kasstroom helpt verzekeren, en zo het risico op wanbetaling beperkt en het groeipotentieel vergroot; is van mening dat ambtenaren ook opleiding zouden moeten krijgen en dat onderwijs en ondersteuning er ook voor kunnen zorgen dat kmo's sneller gebruik zullen maken van de instrumenten uit de richtlijn betreffende betalingsachterstand om op te treden tegen betalingsachterstand; wijst erop dat kmo's vaak niet over de capaciteit beschikken om te investeren in opleidingen en dat er momenteel geen programma's bestaan op EU-niveau of op nationaal niveau om de kennis van ondernemingen over krediet- en factuurbeheer te vergroten; is van mening dat er mogelijk meer EU-middelen moeten worden besteed aan financiële voorlichting voor kmo's en dringt er dan ook bij de autoriteiten van de lidstaten op aan hun inspanningen te intensiveren als het gaat om het aanbieden van bijscholing aan kmo's op het gebied van kredietbeheer; is daarnaast van oordeel dat opleiding en ondersteuning ook richtsnoeren zouden moeten omvatten voor het innen van openstaande bedragen bij grensoverschrijdende transacties, en verzoekt de Commissie dan ook dergelijke richtsnoeren en andere nuttige informatie, zoals de rechten van en de instrumenten die voor ondernemers beschikbaar zijn in het kader van juridische geschillen met debiteuren, te blijven integreren in het informatieportaal 'Your Europe' en ondernemingen middels het European Enterprises Network ondersteuning te blijven geven;

Corrigerende maatregelen

7.  roept de lidstaten en ondernemersorganisaties ertoe op na te denken over het opzetten van kosteloze en vertrouwelijke nationale en regionale bemiddelingsdiensten (voor bemiddeling, verzoening, arbitrage en geschillenbeslechting) die toegankelijk zijn voor alle ondernemingen, als alternatief voor gerechtelijke procedures, om betalingsgeschillen te beslechten en handelsrelaties in stand te houden, maar ook om de ondernemingen te informeren over hun rechten en de instrumenten die zij kunnen inzetten om op te treden tegen betalingsachterstand; wijst erop dat dergelijke bemiddelingsdiensten bijzonder nuttig kunnen zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen, die vaak niet over de benodigde financiële middelen beschikken om met juridische geschillen om te gaan en daarom afzien van het recht om hun rechten te doen gelden; verzoekt de lidstaten verder serieus na te denken over de mogelijkheid van het met publieke middelen financieren van een onafhankelijke ombudsman die onderzoek verricht naar geschillen in verband met betalingsachterstanden en de niet-betaling van openstaande schulden, kleine ondernemingen helpt bij het oplossen van dit soort geschillen, advies geeft over actie in het geval van een betalingsachterstand en oplossingen aandraagt, met name voor kmo's; verzoekt de lidstaten en de Commissie te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot het gerecht in verband met het innen van schulden bij grensoverschrijdende transacties;

8.  verzoekt de lidstaten hun nationale wetgeving te handhaven en striktere controles aan te moedigen en te verbeteren, in het bijzonder bij grote bedrijven, alsook voor administratieve sancties te zorgen die doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn, en zo bij te dragen aan een verbetering van de betalingspraktijken; blijft erbij dat een direct optreden van overheidsdiensten, die immers instaan voor de handhaving van administratieve sancties, kan helpen om de vrees te overwinnen en schuldeisers te verlossen van de verantwoordelijkheid om op te treden tegen schuldenaren, aangezien de overheid de wet dan rechtstreeks zou handhaven en discretionaire maatregelen zou nemen tegen ondernemingen die zich schuldig maken aan slechte betalingspraktijken; is van mening dat de waarde en de cumulatieve aard van sancties ondernemingen zouden kunnen doen afzien van late betalingen, en onderstreept dat deze maatregelen progressief moeten worden toegepast, met inachtneming van de mate waarin ondernemingen hun gedrag verbeteren;

9.  wijst erop dat er, hoewel de richtlijn betreffende betalingsachterstand in februari 2011 werd aangenomen, en ondanks het feit dat meerdere lidstaten recentelijk nieuwe mechanismen voor de bescherming van ondernemers hebben ingevoerd, jaarlijks nog duizenden kmo's en startende ondernemingen in heel Europa failliet gaan terwijl ze wachten op de betaling van hun facturen, waaronder door nationale overheidsinstanties; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te denken over verplichte vormen van een passende compensatie, zoals een vergoeding, en andere ondersteunende maatregelen, zoals garantiefondsen voor kmo's, of factoring voor ondernemingen die nog geld tegoed hebben van overheden, zodat zij daardoor niet failliet gaan;

10.  benadrukt dat belasting- en socialezekerheidsschulden van ondernemingen moeten worden verrekend met de openstaande vorderingen op overheidsinstanties;

11.  dringt er bij de lidstaten op aan om garantiefondsen voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) op te zetten die een waarborg vormen voor de schulden aan banken van kmo's, die op hun beurt vorderingen op overheidsinstanties hebben uitstaan;

12.  neemt met grote bezorgdheid nota van de situatie in sommige lidstaten, waar overheidsinstanties betalingen voor goederen en/of diensten die aan hen zijn geleverd door ondernemingen (waarbij de gezondheidssector het zwaarst getroffen is) aanzienlijk hebben uitgesteld, in opdrachten voor leveringen niet-overdraagbaarheidsclausules hebben opgenomen en leveranciers (via de wet) hebben verhinderd hun vorderingen bij rechtbanken in te stellen, waardoor de betrokken ondernemingen in grote financiële moeilijkheden zijn terechtgekomen en soms zelfs failliet zijn gegaan; is van mening dat de lidstaten, teneinde ondernemingen te ondersteunen waarvan het financiële beheer wordt bemoeilijkt door late betalingen door overheidsinstanties, snellere en efficiëntere procedures voor de teruggave van btw en voor incasso's dienen in te voeren, in het bijzonder voor kmo's;

13.  wijst erop dat gedragscodes en handvesten inzake stipte betalingen en maatregelen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), in combinatie met interne controles en interne handhavingscriteria, kunnen helpen om een verantwoordelijke betalingscultuur tot stand te brengen en eerlijke relaties en vertrouwen tussen ondernemingen te verzekeren;

14.  pleit ervoor om bepaalde begrippen uit de richtlijn, zoals "kennelijk onbillijk" in verband met betalingstermijnen in contractuele overeenkomsten en bij handelspraktijken, en het begin en einde van contractuele betalingstermijnen, te verduidelijken via richtsnoeren van de Commissie; wijst voorts op recente jurisprudentie van het Hof van Justitie over de uitlegging van bepaalde begrippen van de richtlijn (zoals "onderneming", "handelstransactie" en "kennelijk onbillijk" in de zaken C-256/15 en C-555/14);

15.  acht het belangrijk te voorkomen dat de publieke sector zich niet houdt aan de regels inzake betalingstermijnen als bedoeld in de richtlijn; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve om in het licht van de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie (zaak C-555/14) de nodige stappen te zetten om ervoor te zorgen dat overheidsinstanties hun leveranciers tijdig betalen en schuldeisers automatisch interest en een vergoeding ontvangen bij late betalingen zonder dat achterstalligebetalingsprocedures nodig zijn, en roept de Commissie op berekening van automatische interest voor te stellen;

16.  benadrukt dat snel betalen uitermate belangrijk is voor het voortbestaan en de groei van ondernemingen, met name kmo's; merkt op dat fintech en digitale technologieën voor een revolutie op het gebied van betaalmiddelen en de snelheid van betalingen zorgen; verwacht dat het gebruik van elektronische facturatie sterk zal toenemen en dat traditionele soorten betalingen geleidelijk aan zullen worden vervangen door innovatieve soorten (zoals supply chain financing en factoring), zodat de schuldeiser meteen kan worden betaald zodra de factuur is opgemaakt;

17.  neemt met grote belangstelling nota van de procedures die in bepaalde lidstaten zijn ingevoerd voor late betalingen door overheidsinstanties, waarbij de centrale overheid een plaatselijke overheid een waarschuwing kan geven als die laatste haar leveranciers niet tijdig betaalt en, indien de betalingsachterstand aanhoudt, de leveranciers rechtstreeks kan betalen voor de geleverde goederen en diensten en de betalingskredieten voor de begroting van de inbreukmakende overheidsinstantie kan schorsen; is van mening dat een dergelijk systeem, waarin betrouwbaar toezicht op de betalingsprestaties van de overheidsinstantie wordt gecombineerd met een effectief escalatieplan, waarover uitgebreid wordt gecommuniceerd wanneer het wordt ingeschakeld, resultaten lijkt op te leveren die nader moeten worden geanalyseerd en die aan de lidstaten moeten worden medegedeeld als een voorbeeld van goede praktijken;

18.  neemt tot zijn bezorgdheid nota van de conclusies van het verslag van de Commissie, waarin staat dat de vrees om schade toe te brengen aan hun commerciële relaties de belangrijkste reden is waarom schuldeisende ondernemingen hun rechten uit hoofde van de richtlijn betreffende betalingsachterstand niet uitoefenen; is in dat verband van mening dat er maatregelen moeten worden genomen om het gemakkelijker te maken voor kmo's om hun rechten uit hoofde van de richtlijn betreffende betalingsachterstand uit te oefenen; roept in dat verband op tot nader onderzoek naar de in artikel 7, lid 5, van de richtlijn betreffende betalingsachterstand geboden mogelijkheid voor officieel erkende organisaties die de belangen van ondernemingen vertegenwoordigen om zich tot de rechter van de lidstaten te wenden op grond van het feit dat contractuele bedingen of praktijken een kennelijke onbillijkheid behelzen;

19.  is ingenomen met de initiatieven die in sommige lidstaten zijn genomen in het bedrijfsleven, waarbij deelnemende ondernemingen een verklaring hebben opgesteld waarin zij beschrijven welke concrete stappen zij beloven te ondernemen om ervoor te zorgen dat hun kleinere leveranciers sneller zullen worden betaald voor de producten of diensten die zij leveren; merkt op dat het bij naam noemen van goede betalers ("naam en faam") via zelfregulering de beoogde resultaten kan opleveren op het niveau van het bedrijfsleven en kmo's van aanzienlijke steun kan voorzien;

20.  beklemtoont het belang van openbare aanbestedingen voor het verbeteren van de werking van de interne markt; verzoekt om na te gaan waar de synergieën tussen de richtlijn betreffende betalingsachterstand en de regels voor openbare aanbestedingen kunnen worden versterkt, en om meer in het bijzonder te kijken naar de mogelijkheid voor aanbestedende diensten om niet-presterende opdrachtnemers uit te sluiten van nieuwe aanbestedingen als hun onderaannemers niet tijdig worden betaald (richtlijn betreffende overheidsopdrachten)(5), een ruimer gebruik van de in artikel 71, lid 3, van de richtlijn betreffende overheidsopdrachten geboden mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden rechtstreekse betalingen aan onderaannemers toe te staan, en de mogelijkheid om van de betalingspraktijken jegens onderaannemers één van de criteria te maken op basis waarvan de financiële draagkracht van potentiële opdrachtnemers bij overheidsopdrachten wordt beoordeeld; verzoekt de lidstaten te zorgen voor transparantie betreffende en traceerbaarheid van betalingen door overheden aan aannemers en onderaannemers, en van betalingen door aannemers aan hun onderaannemers of leveranciers;

Conclusies en aanbevelingen

21.  verzoekt de lidstaten met klem de volledige verantwoordelijkheid te nemen bij het verrichten van betalingen door overheidsinstanties en om hun wetgeving te verbeteren met het oog op de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende betalingsachterstand in al haar onderdelen, ook door nationale wetten, voorschriften of contractuele praktijken van de publieke sector die in strijd zijn met de doelstellingen van de richtlijn, zoals handhavings- en overdrachtsverboden voor vorderingen van de publieke sector, weg te nemen; herhaalt daarnaast dat de Commissie al het mogelijke moet doen om te proberen te garanderen dat de bestaande verplichtingen volledig en adequaat worden nagekomen;

22.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om "een ingrijpende verandering in de richting van een stipte betalingscultuur"(6) te stimuleren door de meest passende maatregelen te nemen, met inbegrip van het formuleren van richtsnoeren inzake goede praktijken, en, waar nodig en gepast, van wetgevingsinitiatieven, rekening houdend met bovenstaande voorstellen, waardoor een voor bedrijven betrouwbare omgeving en een stipte betalingscultuur worden geschapen;

23.  dringt er bij de lidstaten op aan betalingsprocedures efficiënter te maken, en onderstreept in het bijzonder dat verificatieprocedures om facturen te controleren of om na te gaan of goederen en diensten voldoen aan de contractuele specificaties niet mogen worden gebruikt om de betalingstermijnen kunstmatig te verlengen tot zij de in de richtlijn vastgestelde limieten overschrijden;

24.  herinnert de lidstaten en de Commissie eraan dat stipte betalingen een overkoepelende voorwaarde zijn voor een leefbaar ondernemingsklimaat en dat zij als dusdanig moeten worden opgenomen in alle beleidslijnen en wetgevingsinitiatieven die van belang zijn voor ondernemingen (bijv. MVO, startende ondernemingen en relaties tussen platformen en ondernemingen);

25.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om vakpublicaties, promotiecampagnes en andere instrumenten aan te wenden om ruimere bekendheid te geven aan de instrumenten die kunnen worden ingezet om op te treden tegen betalingsachterstand onder ondernemingen;

26.  verzoekt de Commissie om de toegang van Europese ondernemers tot passende financiering te vergemakkelijken en te bevorderen;

o
o   o

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 48 van 23.2.2011, blz. 1.
(2) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 112.
(3) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 153.
(4) Overweging 6 van Richtlijn 2011/7/EU.
(5) Artikel 57, lid 4, onder g), van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG.
(6) Overweging 12 van Richtlijn 2011/7/EU.

Laatst bijgewerkt op: 12 november 2019Juridische mededeling