Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2113(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0033/2019

Ingediende teksten :

A8-0033/2019

Debatten :

PV 11/02/2019 - 16
CRE 11/02/2019 - 16

Stemmingen :

PV 12/02/2019 - 9.17

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0078

Aangenomen teksten
PDF 159kWORD 52k
Dinsdag 12 februari 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake de bevoegdheid van het Parlement om politieke controle uit te oefenen op de Commissie
P8_TA-PROV(2019)0078A8-0033/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake de bevoegdheid van het Parlement om politieke controle uit te oefenen op de Commissie (2018/2113(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Verdragsbepalingen in verband met het politieke toezicht van het Europees Parlement op de Europese Commissie en met name de artikelen 14, 17 en 25 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 121, 159, 161, 175, 190, 225, 226, 230, 233, 234, 249, 290, 291, 319 en 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 17 VEU op grond waarvan de Commissie belast is het algemeen belang van de Unie te bevorderen en "daartoe" het alleenrecht heeft om initiatieven te nemen,

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) over beter wetgeven van 2016 en het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer van 2013,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn besluit van 7 februari 2018 over de herziening van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie en met name de artikelen 2 en 8 waarin opnieuw wordt bevestigd dat het lijsttrekkersproces een succesvol grondwettelijk en politiek gebruik is waarin het interinstitutioneel evenwicht zoals bepaald in de Verdragen tot uitdrukking komt(3),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement en tot intrekking van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(4), en de lopende interinstitutionele onderhandelingen,

–  gezien het verslag van de Europese Ombudsman over vergaderingen en de inspectie van documenten – gevoegde zaken 488/2018/KR en 514/2018/KR betreffende de benoeming door de Commissie van een nieuwe secretaris-generaal, en zijn aanbeveling in deze zaken,

–  gezien zijn Reglement, waaronder artikel 52, alsook artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0033/2019),

A.  overwegende dat het in de Verdragen verankerde institutionele kader van de Unie de verantwoordelijkheid voor het politiek toezicht op de Commissie bij het Parlement, als wetgevend orgaan van de Unie, legt;

B.  overwegende dat het Parlement over een reeks instrumenten beschikt om de Commissie ter verantwoording te roepen, zoals de motie van afkeuring (artikel 17 VEU en artikel 234 VWEU), de mogelijkheid om de voorzitter van de Commissie te verzoeken zijn vertrouwen op te zeggen in een individueel lid van de Commissie (artikel 118, lid 10, van het Reglement), het enquêterecht (artikel 226 VWEU), de controlebevoegdheid ten aanzien van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen (artikelen 290 en 291 VWEU), het recht om mondelinge en schriftelijke vragen te stellen (artikel 230, lid 2, VWEU) en het recht om rechtsprocedures in te stellen tegen de Commissie met betrekking tot wettigheidsvragen (artikel 263 VWEU) of een nalaten van de Commissie;

C.  overwegende dat het Parlement, naast deze instrumenten, beschikt over een reeks instrumenten voor sturend toezicht, waardoor het de Europese politieke agenda proactief kan vormgeven;

D.  overwegende dat de begroting het belangrijkste instrument is waar de Europese Unie over beschikt om haar doelstellingen en strategieën te verwezenlijken, en dat begrotingscontrole daarom van het grootste belang is;

E.  overwegende dat het lijsttrekkersproces het interinstitutioneel evenwicht tussen het Parlement en de Commissie weerspiegelt en aldus de band tussen de twee instellingen aanzienlijk heeft geconsolideerd en versterkt, wat leidt tot een grotere politisering van de Commissie, die zou moeten resulteren in meer parlementaire controle op haar uitvoerende taken;

F.  overwegende dat artikel 17 VEU bepaalt dat de voorzitter van de Commissie gekozen wordt door het Parlement op voorstel van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU, waarbij de resultaten van de Europese verkiezingen en het overleg met het Europees Parlement in aanmerking worden genomen; overwegende dat artikel 17 VEU ook bepaalt dat dezelfde procedure moet worden gevolgd ingeval het Parlement de voorgestelde kandidaat afwijst, waaronder de raadpleging van het Parlement;

G.  overwegende dat alle kandidaat-commissarissen vóór de benoeming van het college van commissarissen worden onderworpen aan een hoorzitting, en dat het Parlement gedurende zijn mandaat de door de kandidaat-commissarissen in die hoorzittingen gedane toezeggingen en gestelde prioriteiten kan evalueren, met inbegrip van een evaluatie van de geschiktheid van hun persoonlijke achtergrond ten aanzien van de eisen van de functie;

H.  overwegende dat het Parlement op grond van de Verdragen het recht heeft om over een motie van afkeuring van de Commissie als geheel te stemmen, maar zijn vertrouwen in een individuele commissaris niet kan opzeggen;

I.  overwegende dat ondanks de collectieve verantwoordelijkheid van het college van commissarissen, het Parlement effectief toezicht op de werkzaamheden van de afzonderlijke commissarissen moet waarborgen;

J.  overwegende dat de recente benoeming van de nieuwe secretaris-generaal van de Commissie aanleiding heeft gegeven tot ernstige bezorgdheid over de rol en de politieke invloed van hoge ambtenaren van de Commissie;

K.  overwegende dat na de benoeming van de nieuwe voorzitter en leden van de Commissie in 2019 voor de post van secretaris-generaal van de Commissie een nieuwe procedure moet worden gestart, waarin de regels worden gevolgd;

L.  overwegende dat de Commissie op grond van de Verdragen verplicht is om regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement: jaarlijks over de algemene werkzaamheden van de Unie (artikel 249 VWEU); elke drie jaar over de toepassing van de bepalingen inzake non-discriminatie en burgerschap van de Unie (artikel 25 VWEU); over de resultaten van het multilaterale toezicht op het economisch beleid (artikel 121, lid 5, VWEU); elke drie jaar over de vooruitgang op het gebied van het sociale beleid (artikelen 159 en 161 VWEU); elke drie jaar over de vooruitgang bij de verwezenlijking van de economische, sociale en territoriale samenhang (artikel 175 VWEU); jaarlijks over onderzoeksactiviteiten in de Unie (artikel 190 VWEU); jaarlijks over de fraudebestrijding (artikel 325 VWEU); en over onderhandelingen die met derde landen of internationale organisaties gevoerd worden (artikel 207 VWEU);

M.  overwegende dat voorts de Commissie, voor wat betreft secundair recht, de opdracht heeft verschillende richtlijnen en verordeningen te herzien en te beoordelen, en verslag moet uitbrengen over haar bevindingen;

N.  overwegende dat het Parlement met de vaststelling van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie extra invloed heeft verworven op de wetgevingsagenda die de Commissie elk jaar in haar werkprogramma (WPC) voorstelt;

O.  overwegende dat het Parlement na de totstandkoming van het Verdrag van Lissabon op begrotingsgebied een echte medewetgever is geworden en de verantwoordelijkheid heeft om de Commissie kwijting te verlenen voor de uitvoering van de begroting;

P.  overwegende dat het Parlement na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn invloed heeft uitgebreid op het toezicht op het externe beleid van de EU, doordat het de bevoegdheid is toegekend om goedkeuring te verlenen aan de sluiting van internationale overeenkomsten en derhalve het recht heeft in iedere fase van de onderhandelingen over dergelijke overeenkomsten door de Commissie onmiddellijk en volledig te worden geïnformeerd (artikel 218 VWEU, artikel 50 VEU);

Q.  overwegende dat de transparantie en de betrokkenheid van het Parlement tijdens de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over zijn uittreding uit de Europese Unie exemplarisch te noemen zijn;

R.  overwegende dat ten aanzien van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen de omvang van het toetsingsrecht van het Parlement sterk verschilt; overwegende dat het Parlement ten aanzien van een gedelegeerde handeling het recht heeft een veto uit te spreken en/of de delegatie in te trekken, maar dat zijn betrokkenheid in het geval van uitvoeringshandelingen veel minder groot is;

S.  overwegende dat de huidige institutionele structuur van de Unie en het ontbreken van een precieze definitie van de uitvoerende macht in de Verdragen het concept van de uitvoerende macht van de EU complex maken en leiden tot versnippering op Europees, nationaal en regionaal niveau;

T.  overwegende dat nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale en regionale parlementen, in overeenstemming met hun respectieve constitutionele bevoegdheden en met artikel 10, lid 2, VEU, cruciaal is om de kwestie van parlementaire controle van uitvoerende taken bij de tenuitvoerlegging van Europese wetgeving aan te pakken;

U.  overwegende dat de transparantie van en de grote betrokkenheid van het Parlement bij de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk een positieve impact hebben gehad op de uitkomst ervan, doordat een klimaat van vertrouwen en eenheid is ontstaan, en daarom als inspiratie moeten dienen voor toekomstige internationale onderhandelingspraktijken;

Belangrijkste conclusies

1.  herinnert eraan dat controle van EU-organen een van de belangrijkste taken is van het Europees Parlement en dat de verantwoording die de Commissie moet afleggen aan het Parlement een basisbeginsel vormt van het functioneren van de EU en van de interne democratische controle;

2.  is van mening dat het Parlement niet volledig gebruikmaakt van alle instrumenten voor de politieke controle op de uitvoerende macht, om verschillende redenen, sommige inherent aan de institutionele structuur van de Unie en andere bijvoorbeeld het gevolg van de veranderende interinstitutionele dynamiek, die de toepassing van een aantal instrumenten lastig maken of niet doeltreffend genoeg;

3.  erkent het potentieel en de geslaagde uitvoering van het lijsttrekkersproces waarbij alle Europese burgers een rechtstreekse stem hebben in de keuze van de voorzitter van de Commissie, door te stemmen op een lijst die wordt aangevoerd door hun voorkeurskandidaat; is daarom groot voorstander van de voortzetting van deze praktijk tijdens toekomstige Europese verkiezingen en moedigt alle politieke krachten aan om aan dit proces deel te nemen;

4.  herinnert eraan dat de sterkere politieke band tussen het Parlement en de Commissie als gevolg van het lijsttrekkersproces niet mag leiden tot minder streng parlementair toezicht op de Commissie;

5.  herinnert eraan dat de in de Verdragen vastgelegde drempel voor een motie van afkeuring is bedoeld om het doeltreffende gebruik van dit instrument voor ernstige zaken te bewaren; onderkent dat in de meeste parlementaire democratieën de mogelijkheid om een motie van afkeuring in te dienen meestal een afschrikkende werking heeft; stelt niettemin voor om in de context van een toekomstige verdragswijziging de mogelijkheden voor een afgewogen verlaging van de drempel te onderzoeken, met behoud van het door de Verdragen beoogde institutionele evenwicht;

6.  wijst erop dat de politisering van de Commissie een rechtstreeks gevolg is van de in het Verdrag van Lissabon aangebrachte wijzigingen; merkt op dat deze wijzigingen geen bepalingen behelsden die het mogelijk maken om afzonderlijke commissarissen ter verantwoording te roepen;

7.  betreurt het ten zeerste dat de Commissie tijdens de benoemingsprocedure van de secretaris-generaal, zoals gesteld door de Ombudsman, "de desbetreffende regels noch naar de letter noch naar de geest heeft nageleefd";

8.  wijst erop dat de Verdragen geen duidelijke definitie geven van de uitvoerende macht van de EU en dat de op de verschillende beleidsterreinen verantwoordelijke instellingen van elkaar verschillen, afhankelijk van de vraag of zij worden geacht uitvoering te geven aan gedeelde of exclusieve bevoegdheden van de Unie;

9.  is van mening dat het nodig is een daadwerkelijk wetgevingssysteem met twee kamers tot stand te brengen met de Raad en het Parlement, waarbij de Commissie de uitvoerende macht vormt;

10.  wijst erop dat de rol van het Parlement in het toezicht op de uitvoerende macht wordt aangevuld met soortgelijke bevoegdheden van de nationale parlementen ten aanzien van hun eigen uitvoerende macht, bij de behandeling van Europese aangelegenheden; is van mening dat deze verantwoordingsplicht de hoeksteen vormt van de rol van nationale parlementen in de Europese Unie;

11.  is van mening dat de uitoefening van de controle over de uitvoerende macht door het Parlement overeenkomstig artikel 14 VEU moeilijk, zo niet soms onmogelijk, is gemaakt door het ontbreken van een duidelijke catalogus van bevoegdheden en beleid van de Unie en door de meerlagige toewijzing van bevoegdheden aan de uitvoerende macht op Europees, nationaal en regionaal niveau;

12.  herinnert eraan dat de Verdragen geen wetgevende taken of een initiatiefrecht inzake wetgeving toekennen aan de Europese Raad; is bezorgd over het feit dat de Europese Raad de afgelopen jaren, in strijd met de geest en de letter van de Verdragen, een aantal belangrijke politieke besluiten heeft genomen buiten het kader van de Verdragen om, en daarmee feitelijk die besluiten aan het toezicht van het Parlement onttrekt en de democratische verantwoordingsplicht ondermijnt die essentieel is voor dergelijk Europese beleid;

13.  herinnert eraan dat in het kader van de jaarlijkse begrotings- en kwijtingsprocedure het Verdrag in aanzienlijke politieke controlebevoegdheden voor het Parlement voorziet;

14.  herinnert eraan dat de kwijting een jaarlijkse politieke procedure is die waarborgt dat democratische controle achteraf wordt uitgeoefend op de wijze waarop de Commissie de begroting van de Europese Unie met gebruikmaking van haar eigen bevoegdheden en in samenwerking met de lidstaten uitvoert;

15.  wijst erop dat de kwijtingsprocedure een krachtig instrument is gebleken met gevolgen voor de positieve ontwikkeling van het begrotingsstelsel van de EU, het financieel beheer, de samenstelling van de agenda en de wijze waarop het EU-beleid wordt geformuleerd en uitgevoerd, en tegelijkertijd de politieke invloed die het Parlement kan uitoefenen heeft versterkt;

16.  wijst erop dat in artikel 318 VWEU een nieuw instrument wordt toegevoegd aan het instrumentarium van de kwijting: evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten;

17.  stelt bezorgd vast dat er geen werkelijke juridische sanctie toegepast kan worden indien het Parlement besluit de Commissie geen kwijting te verlenen; benadrukt evenwel dat een weigering om kwijting te verlenen een sterk politiek signaal afgeeft, aangezien dit betekent dat het Parlement niet voldoende vertrouwen heeft in de verantwoording door de Commissie, en dat de Commissie dus op een dergelijke weigering moet reageren en specifieke vervolgmaatregelen moet nemen om de situatie te verbeteren;

18.  betreurt het dat door een gebrek aan loyale samenwerking van de Raad het niet mogelijk is om via de institutionele praktijk van kwijting voor de uitvoering van de begroting in het Parlement de begroting van de Raad te controleren en dat die toestand van een ernstig tekortschieten getuigt in de nakoming van de verplichtingen van het Verdrag dat bepaalt dat het Parlement de begroting van de hele Unie controleert;

19.  stelt voor, met het oog op uitbreiding van de controlebevoegdheid van het Parlement tot de volledige begroting van de Unie, om onderhandelingen te openen tussen de Raad, de Commissie en het Parlement opdat het recht op toegang van het Parlement tot de informatie over de uitvoering van de begroting van de Raad, hetzij rechtstreeks hetzij via de Commissie, wordt gewaarborgd, de Raad antwoordt op de schriftelijke vragen van het Parlement en aanwezig is op de hoorzittingen en debatten over de uitvoering van zijn begroting; is van mening dat als deze onderhandelingen mislukken, het Parlement alleen kwijting moet geven aan de Commissie en in die globale kwijting aparte resoluties moet opnemen voor de verschillende instellingen, organen en agentschappen van de Unie en er zo voor moet zorgen dat geen enkel onderdeel van de Europese begroting zonder passende controle wordt uitgevoerd;

20.  herinnert eraan dat de instellingen hun toezegging nog niet gestand hebben gedaan om criteria vast te stellen voor de afbakening van het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, hoewel het IIA over beter wetgeven de procedure van gedelegeerde handelingen transparanter heeft gemaakt;

21.  herinnert eraan dat de Commissie het Parlement overeenkomstig artikel 247 van het Financieel Reglement uiterlijk op 31 juli van het volgende begrotingsjaar een geïntegreerde reeks financiële en verantwoordingsverslagen overlegt, bestaande uit met name de definitieve geconsolideerde rekeningen, het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag en de evaluatie van de financiën van de Unie op basis van de bereikte resultaten, als bedoeld in artikel 318 VWEU; dringt erop aan dat het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag een beoordeling omvat van alle preventieve en corrigerende maatregelen die zijn genomen tegen financiering die onderhevig is aan corruptie of belangenconflicten;

Aanbevelingen

22.  stelt dat de instrumenten om de Commissie ter verantwoording te roepen en die voor sturend toezicht, moeten worden gecombineerd om de doeltreffendheid van deze instrumenten te maximaliseren;

23.  dringt erop aan dat de wetgevende bevoegdheden van het Parlement en zijn rechten als toezichthouder worden gewaarborgd, geconsolideerd en versterkt, onder meer door interinstitutionele akkoorden en door het gebruik van de overeenkomstige rechtsgrondslag door de Commissie;

24.  acht het noodzakelijk dat het Parlement zijn werkmethoden herziet om zijn politieke controle over de Commissie te versterken;

25.  dringt er bij de Commissie op aan meer rekening te houden met de wetgevingsinitiatieven van het Parlement op grond van artikel 225 VWEU; verzoekt de volgende voorzitter van de Commissie dit doel na te streven en ontvangt in dit verband graag verklaringen van de Spitzenkandidaten; wenst dat meer initiatieven resulteren in wetgevingsvoorstellen; wijst erop dat, overeenkomstig artikel 10 van het IIA over beter wetgeven, de Commissie verplicht is de verzoeken om voorstellen voor Uniehandelingen onmiddellijk en uitgebreid te onderzoeken;

26.  prijst de Commissie voor de positieve follow-up die zij heeft gegeven aan de aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon;

27.   is van mening dat, hoewel het Parlement op grond van de huidige Verdragen geen formeel initiatiefrecht inzake wetgeving heeft, serieus moet worden nagedacht over de mogelijkheid van toekenning van het initiatiefrecht inzake wetgeving in het kader van een toekomstige verdragswijziging;

28.  ijvert voor de uitwisseling van beste praktijken van parlementair toezicht tussen nationale parlementen, zoals het houden van regelmatige debatten tussen de respectieve ministers en de gespecialiseerde commissies in de nationale parlementen voor en na de vergaderingen van de Raad, en met leden van de Europese Commissie binnen een geschikt kader en passend tijdsbestek, evenals vergaderingen van het Europees Parlement met nationale parlementen; pleit voor de totstandkoming van reguliere uitwisselingen van ambtenaren van instellingen en fractiemedewerkers tussen de administratieve diensten van het Europees Parlement en de nationale parlementen, het Europees Comité van de Regio's en de regio's van de lidstaten die over wetgevende bevoegdheden beschikken;

29.  meent dat de instelling van een jaarlijkse Europese week leden van het Europees Parlement en commissarissen, met name vicevoorzitters die bevoegd zijn voor clusters, in staat zou stellen de Europese agenda ten overstaan van alle nationale parlementen te bespreken en toe te lichten, samen met parlementsleden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat dit initiatief de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie overeenkomstig het Verdrag van Lissabon kan bevorderen;

30.  verzoekt het Parlement zijn capaciteit voor de controle van het ontwerp en de uitvoering van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te versterken;

31.  is ingenomen met de huidige inspanningen van de drie instellingen om duidelijke criteria vast te leggen voor de afbakening van het gebruik van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; dringt erop aan dat deze criteria zo spoedig mogelijk worden toegepast;

32.  moedigt de nationale parlementen en, in voorkomend geval, regionale parlementen, aan om hun capaciteit van toezicht op hun uitvoerende macht te vergroten bij besluiten of voorstellen tot regelgeving in verband met de uitvoering of delegatie van Europese wetgeving;

33.  acht het noodzakelijk om in een toekomstige wijziging van het Verdrag de instrumenten te verbeteren aan de hand waarvan individuele commissarissen gedurende hun gehele ambtstermijn door het Parlement ter verantwoording kunnen worden geroepen, daarbij voortbouwend op de bestaande, enigszins beperkte bepalingen in het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie;

34.  verzoekt de Commissie en de Raad, overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking, een politieke dialoog tot stand te brengen met betrekking tot het voorstel van het Parlement voor een verordening inzake het enquêterecht, teneinde het Parlement doeltreffende bevoegdheden toe te kennen om dit elementaire parlementaire instrument voor de controle op de uitvoerende macht, dat absoluut onontbeerlijk is in de parlementaire stelsels overal ter wereld, te kunnen toepassen;

35.  is overtuigd van het nut van parlementaire vragen als toezichtinstrument; acht het daarom noodzakelijk een grondige evaluatie uit te voeren van de kwaliteit van de antwoorden van de Commissie op de vragen van de leden, evenals van de hoeveelheid en kwaliteit van de door de leden gestelde vragen;

36.  beschouwt het vragenuur als een belangrijk onderdeel van de parlementaire controle op de uitvoerende macht; verzoekt de Conferentie van voorzitters het vragenuur op de agenda van de plenaire vergadering te plaatsen, overeenkomstig artikel 129 van het Reglement;

37.  verzoekt de Commissie nogmaals om haar administratieve procedure voor de benoeming van de secretaris-generaal, directeuren-generaal en directeuren te herzien, om ervoor te zorgen dat de beste kandidaten worden geselecteerd in een kader van maximale transparantie en gelijke kansen;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen en het Europees Comité van de Regio's.

(1) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.
(2) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.
(3) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 89.
(4) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 39.

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2019Juridische mededeling