Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2284(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0045/2019

Ingediende teksten :

A8-0045/2019

Debatten :

PV 12/02/2019 - 5
CRE 12/02/2019 - 5

Stemmingen :

PV 12/02/2019 - 9.21
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0082

Aangenomen teksten
PDF 191kWORD 64k
Dinsdag 12 februari 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Duurzaam gebruik van pesticiden
P8_TA-PROV(2019)0082A8-0045/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 inzake de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (2017/2284(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(3),

–  gezien artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(5);

–  gezien de in april 2018 door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement gepubliceerde beoordeling van de uitvoering van de verordening en de relevante bijlagen bij die beoordeling,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(6),

–  gezien Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk(7) en Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene en mutagene agentia op het werk(8),

–  gezien Richtlijn 92/43/EG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de habitatrichtlijn)(9) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (de vogelrichtlijn)(10),

–  gezien Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water(11),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(12),

–  gezien Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(13),

–  gezien Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/42/EG met betrekking tot machines voor de toepassing van pesticiden(14),

–  gezien Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid(15),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0392),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie: ‘Agriculture and Sustainable Water Management in the EU’ (landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU) (SWD(2017)0153),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 juli 2006 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: 'Een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden' (COM(2006)0373 - SEC(2006)0894 - SEC(2006)0895 - SEC(2006)0914),(16)

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(17),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over technologische oplossingen voor duurzame landbouw in de EU(18),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(19),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011(20),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 inzake vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(22),

–  gezien de lopende Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden, en gezien het door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (DG EPRS) op 15 oktober 2018 gepubliceerde verslag,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden(23),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (COM(2017)0109),

–  gezien Speciaal verslag nr. 4/2014 van de Europese Rekenkamer: 'Integratie van doelstellingen van het EU-waterbeleid in het GLB: een gedeeltelijk succes',

–  gezien het verslag van de Commissie van 10 oktober 2017 inzake de nationale actieplannen van de lidstaten en de vooruitgang op het gebied van de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (COM(2017)0587),

–  gezien het overzichtsverslag van oktober 2017 van het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Commissie (DG SANTE) over de tenuitvoerlegging van de maatregelen van de lidstaten met het oog op een duurzaam gebruik van pesticiden op grond van Richtlijn 2009/128/EG(24),

–  gezien de mededeling van de Commissie: 'Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst - Europese duurzaamheidsmaatregelen' (COM(2016)0739),

–  gezien het zevende milieuactieprogramma(25),

–  gezien het VN-verslag 2017 van de speciale rapporteur voor het recht op voedsel dat is opgesteld overeenkomstig de resoluties 6/2, 31/10 en 32/8 van de VN-Mensenrechtenraad(26),

–  gezien het door de deskundigengroep over duurzame gewasbescherming opgestelde en op 28 juni 2016 door de Raad bekrachtigde uitvoeringsplan(27) om de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico te vergroten en de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijding in de lidstaten te versnellen,

–  gezien de resolutie van de Franse senaat van 19 mei 2017 ter beperking van het gebruik van pesticiden in de Europese Unie(28),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(29),

–  gezien het op 18 oktober 2017 verschenen onderzoek naar de biomassa aan vliegende insecten(30),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0045/2019),

A.  overwegende dat Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (hierna: "de richtlijn") voorziet in een reeks maatregelen om een duurzaam gebruik van pesticiden in de EU tot stand te brengen door de risico's en gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en het gebruik van geïntegreerde gewasbescherming (IPM) en alternatieve benaderingswijzen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, te bevorderen teneinde de afhankelijkheid van pesticiden te verkleinen en de gezondheid van mens en dier alsook het milieu te beschermen;

B.  overwegende dat de richtlijn een waardevol instrument is om een goede bescherming van het milieu, ecosystemen en de gezondheid van mens en dier tegen gevaarlijke stoffen in pesticiden te kunnen waarborgen en tegelijkertijd duurzame en ecologische oplossingen biedt voor een groter en gevarieerder arsenaal waarmee door plagen, ziekten, onkruid en invasieve uitheemse soorten veroorzaakte verliezen voorkomen en resistentievormen bij ziekteverwekkers bestreden kunnen worden; overwegende dat volledige en omvattende tenuitvoerlegging van de richtlijn noodzakelijk is om een hoge mate van bescherming te verwezenlijken en een overgang naar een duurzame agrarische sector, de productie van veilig en gezond voedsel en een niet-toxisch milieu tot stand te brengen, waarmee grondige bescherming van de gezondheid van mens en dier gewaarborgd is;

C.  overwegende dat geïntegreerde gewasbescherming weliswaar kan bijdragen aan het voorkomen van door plagen veroorzaakte opbrengstverliezen, maar dat het belangrijkste doel ervan is gebruikers van pesticiden in staat te stellen over te stappen op praktijken en producten met het laagste risico voor de menselijke gezondheid en het milieu, zoals uiteengezet in artikel 14 van de richtlijn; merkt op dat in elk geval veel studies hebben aangetoond dat het gebruik van pesticiden aanzienlijk kan worden teruggedrongen zonder negatieve gevolgen voor de opbrengst;

D.  overwegende dat de richtlijn moet worden gelezen in samenhang met de andere twee belangrijke stukken wetgeving met betrekking tot de volledige levenscyclus van een pesticide, beginnend met het op de markt brengen ervan (Verordening (EG) nr. 1107/2009) en eindigend met de vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen (Verordening (EG) nr. 396/2005); overwegende dat de doelstelling van de richtlijn om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen de met het gebruik van pesticiden verbonden risico's dan ook niet gehaald kan worden wanneer het totale "pesticidenpakket" niet volledig ten uitvoer gelegd en niet naar behoren gehandhaafd wordt;

E.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten, om de risico's en de gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken, maatregelen dienen te nemen voor het aanpakken van namaak- en illegale bestrijdingsmiddelen, alsook van het verontrustende probleem van ingevoerde landbouwproducten die behandeld zijn met chemische stoffen die in de EU hetzij verboden, hetzij aan beperkingen onderworpen zijn;

F.  overwegende dat de huidige werkwijzen van de Commissie en de lidstaten met betrekking tot de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen niet verenigbaar zijn met het doel en de doelstellingen van de richtlijn; overwegende dat de huidige werkwijzen het bereiken van het hoogst mogelijke niveau van bescherming en de overgang naar een duurzame landbouwsector en een niet-giftig milieu in de weg staan;

G.  overwegende dat het beschikbare bewijs duidelijk aantoont dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn niet voldoende is afgestemd op aanverwant EU-beleid op het gebied van pesticiden, landbouw en duurzame ontwikkeling, met name maar niet uitsluitend het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen; overwegende dat de richtlijn, alsook aanverwante acties op EU-niveau, een enorm potentieel bieden om waarde toe te voegen aan nationale inspanningen en acties in de landbouwsector en deze uit te breiden, en om het milieu en de gezondheid van de mens beter te beschermen;

H.  overwegende dat het huidige regelgevingskader, met inbegrip van de gegevensvereisten, werd ontwikkeld voor de beoordeling en het beheer van chemische gewasbeschermingsmiddelen en dus weinig geschikt is voor biologische werkzame stoffen en producten met een laag risico; overwegende dat dit ongeschikte regelgevingskader het op de markt brengen van biologische gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico aanzienlijk vertraagt, omdat het aanvragers vaak afschrikt; overwegende dat dit innovatie in de weg staat en het concurrentievermogen van EU-landbouw belemmert; overwegende dat dit tevens tot gevolg heeft dat zestig werkzame stoffen, die volgens de Commissie voor vervanging in aanmerking komen, niet worden vervangen vanwege het gebrek aan veiligere alternatieven, waaronder biologische werkzame stoffen met een laag risico;

I.  overwegende dat gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waaronder biologische, onvoldoende beschikbaar zijn; overwegende dat op een totaal van nagenoeg vijfhonderd op de EU-markt verkrijgbare werkzame stoffen slechts dertien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waarvan twaalf biologisch zijn; overwegende dat de ontoereikende tenuitvoerlegging van de richtlijn de facto heeft geresulteerd in een ongelijk speelveld in Europa met uiteenlopende nationale werkwijzen die de optimale introductie van duurzame alternatieven op de markt belemmeren; overwegende dat deze situatie het voldoende doordringen op de EU-markt van alternatieve risicoarme en niet-chemische producten heeft bemoeilijkt, hetgeen ze minder aantrekkelijk maakt voor landbouwers, die in plaats daarvan op korte termijn kiezen voor kosteneffectievere alternatieven; overwegende dat de slechte beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waaronder biologische, de ontwikkeling en uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming in de weg staat;

J.  overwegende dat biologische landbouw een belangrijke rol speelt als een systeem met een gering gebruik van pesticiden en verder moet worden aangemoedigd;

K.  overwegende dat er steeds meer bewijs is voor een aanhoudende enorme afname van de insectenpopulatie in Europa die in verband wordt gebracht met de huidige omvang van het gebruik van pesticiden; overwegende dat de waargenomen sterke afname van het aantal insecten niet alleen negatieve gevolgen heeft voor het volledige ecosysteem en de biologische diversiteit, maar ook voor de landbouwsector en zijn economische welzijn en productie in de toekomst;

L.  overwegende dat Europa momenteel op een kruispunt staat dat bepalend is voor de toekomst van de landbouwsector en voor de mogelijkheden van de Unie om duurzaam gebruik van pesticiden te realiseren, met name door middel van hervorming van het GLB; overwegende dat de hervorming van het GLB een aanzienlijk potentieel meebrengt om de stroomlijning en harmonisatie van beleid alsook de tenuitvoerlegging van de richtlijn te versterken en de overgang naar ecologisch duurzamere landbouwpraktijken te vergemakkelijken;

M.  overwegende dat het gebruik van conventionele gewasbeschermingsmiddelen in toenemende mate ter discussie komt te staan wegens de risico's die zij vormen voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu;

N.  overwegende dat het van belang is de ontwikkeling van alternatieve procedures of technieken te bevorderen teneinde de afhankelijkheid van gangbare pesticiden te verminderen en het hoofd te bieden aan het toenemende gevaar van resistentie tegen gangbare gewasbeschermingsmiddelen;

O.  overwegende dat de Raad uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verplicht is erop toe te zien dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming, inclusief goede gewasbeschermingspraktijken en niet-chemische methoden van gewasbescherming, alsook plaagbestrijding en gewasbeheer, deel uitmaken van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers(31);

P.  overwegende dat geïntegreerde gewasbescherming overeenkomstig de richtlijn in de Unie verplicht is; overwegende dat de lidstaten en lokale autoriteiten meer nadruk moeten leggen op duurzaam gebruik van pesticiden, waaronder ook de risicoarme alternatieven voor gewasbescherming;

Q.  overwegende dat "duurzaam gebruik" van pesticiden niet kan worden bewerkstelligd zonder rekening te houden met de blootstelling van de mens aan combinaties van werkzame stoffen en formuleringshulpstoffen alsook de cumulatieve en eventuele onderling versterkende gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid;

Belangrijkste conclusies

1.  herinnert aan de specifieke doelstellingen van de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden zijnde, onder meer, de minimalisering van gevaren en risico's voor de gezondheid en het milieu door het gebruik van pesticiden, verbeterde controles op het gebruik en de distributie van pesticiden, de vermindering van de toegepaste hoeveelheden schadelijke werkzame stoffen, onder meer door vervanging van de gevaarlijkste stoffen door veiligere, waaronder niet-chemische, alternatieven, de bevordering van teelten met een gering of geen gebruik van pesticiden, en de opzet van een transparant systeem voor rapportage en monitoring van de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie, ook middels de ontwikkeling van passende indicatoren;

2.  acht het essentieel dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn wordt geëvalueerd in samenhang met het overkoepelende pesticidenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen, van Verordening (EU) nr. 528/2012 (de biocidenverordening)(32), van de verordening betreffende maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen, en van Verordening (EG) nr. 178/2002 (de algemene levensmiddelenwetgeving)(33);

3.  betreurt het dat de lidstaten zich weliswaar inspannen, maar over het geheel genomen onvoldoende voortgang bij de tenuitvoerlegging boeken om de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn te halen en de mogelijkheden ervan ten volle te benutten, zoals beperking van de algehele risico's die voortkomen uit het gebruik van pesticiden waarbij de afhankelijkheid van pesticiden wordt teruggedrongen, bevordering van de overgang naar ecologisch duurzame en veilige gewasbeschermingstechnieken, en de dringend noodzakelijke verbetering van het milieu en de menselijke gezondheid waarvoor de richtlijn oorspronkelijk was bedoeld; betreurt het dat de Commissie het verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn drie jaar te laat heeft ingediend;

4.  benadrukt dat de richtlijn volledig ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tenuitvoerlegging alle aspecten moet bestrijken, en dat een gedeeltelijke tenuitvoerlegging, dat wil zeggen van bepaalde onderdelen en andere niet, onvoldoende is om de overkoepelende doelstelling van de richtlijn te verwezenlijken, te weten een duurzaam gebruik van pesticiden; onderstreept dat het doorvoeren van geïntegreerde gewasbescherming, zoals niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, bijzonder belangrijk is bij de inspanningen ter verwezenlijking van dit doel;

5.  merkt op dat in het voortgangsverslag van de Commissie van 2017 aanzienlijke lacunes worden blootgelegd in de nationale actieplannen van de lidstaten, hetgeen erop lijkt te duiden dat het animo om het milieu en de gezondheid te beschermen in sommige landen lager is wat mogelijk leidt tot oneerlijke marktconcurrentie en ondermijning van de eengemaakte markt; behoudt zich het recht voor lidstaten die niet aan hun verplichtingen voldoen te verwijzen naar de commissaris voor Mededinging;

6.  is verontrust over het feit dat circa 80 % van de nationale actieplannen van de lidstaten geen specifieke informatie bevat over de wijze waarop het behalen van veel doelstellingen en streefcijfers gekwantificeerd moet worden, met name wat betreft de streefcijfers voor geïntegreerde gewasbescherming en waterbeschermingsmaatregelen, benadrukt dat dit het aanzienlijk moeilijker maakt om te meten in hoeverre de lidstaten voortgang hebben geboekt bij de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn;

7.  is verontrust over het feit dat de nationale actieplannen inconsistent zijn wanneer het gaat om het stellen van kwantitatieve doelen, streefcijfers, metingen en tijdschema's voor de verscheidene gebieden waarbinnen actie ondernomen moet worden, zodat onmogelijk bepaald kan worden in hoeverre voortgang is geboekt; betreurt dat in slechts vijf nationale actieplannen meetbare doelstellingen op hoog niveau zijn vastgesteld, waarvan er vier verband houden met risicobeperking en slechts één met gebruiksbeperking; betreurt dat tot op heden slechts 11 lidstaten een herzien nationaal actieplan hebben ingediend, hoewel de uiterste termijn voor herziening eind 2017 was;

8.  betreurt het dat er in veel lidstaten niet voldoende engagement is om geïntegreerde gewasbescherming op basis van de acht beginselen ervan toe te passen, waarbij voorrang wordt gegeven aan niet-chemische alternatieven voor pesticiden; betreurt dat een van de belangrijkste uitdagingen ten aanzien van de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, die de hoeksteen van de richtlijn vormt, lijkt te bestaan in het huidige ontbreken van passende controle-instrumenten en -methoden ter beoordeling van de naleving in de lidstaten alsook van duidelijke voorschriften en richtsnoeren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van geïntegreerde gewasbescherming een van de cruciale maatregelen is om de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden te verminderen binnen een duurzame landbouw die milieuvriendelijk is, economisch levensvatbaar en sociaal verantwoordelijk, die bijdraagt aan de voedselveiligheid in Europa, die tegelijkertijd de biodiversiteit stimuleert, de gezondheid van mens en dier versterkt, de plattelandseconomie een impuls geeft, en die de kosten voor landbouwers drukt door het gemakkelijker te maken dat in de verschillende Europese zones niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico op de markt worden gebracht; onderstreept dat extra financiële impulsen en educatieve maatregelen noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat meer individuele landbouwbedrijven geïntegreerde gewasbescherming invoeren;

9.  is van mening dat geïntegreerde gewasbescherming een waardevol instrument voor landbouwers vormt bij de bestrijding van plagen en ziekten en ter waarborging van de productieopbrengsten; merkt op dat een toegenomen gebruik van geïntegreerde gewasbescherming een tweeledig doel dient, met name het bevorderen van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en het verminderen van de kosten voor landbouwers om over te stappen op duurzamere alternatieven en het gebruik van gangbare pesticiden te beperken; is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren door middel van onderzoek en via adviesorganen van de lidstaten; herinnert eraan dat geïntegreerde gewasbescherming een belangrijke rol kan spelen bij het verminderen van de hoeveelheden en soorten pesticiden die worden gebruikt;

10.  merkt op dat biologische bestrijding in het kader van de toolkit voor geïntegreerde gewasbescherming behelst dat nuttige soorten worden gestimuleerd of geïntroduceerd die jagen op schadelijke populaties en deze zo reguleren en onder controle houden; benadrukt daarom dat duurzame, biologische, fysische en andere niet-chemische methoden de voorkeur moeten krijgen boven chemische pesticiden wanneer zij voldoende resultaat opleveren bij de bestrijding van plagen; benadrukt tevens hoe belangrijk het is dat chemische pesticiden tevens selectief en gericht moeten worden ingezet, omdat deze nuttige plaagbestrijders anders dreigen uit te sterven, waardoor de gewassen kwetsbaarder worden voor toekomstige plagen;

11.  is verontrust dat er zeer weinig voortgang is geboekt bij het bevorderen en stimuleren van de innovatie, de ontwikkeling en de inzet van niet-chemische alternatieven voor gangbare pesticiden met een laag risico; merkt op dat slechts een handjevol nationale actieplannen stimulansen bevatten voor de registratie van dergelijke alternatieve producten en methoden; benadrukt dat vooral beperkte toepassingen kwetsbaar zijn als gevolg van het gebrek aan beschikbare werkzame stoffen;

12.  benadrukt dat duurzaam en verantwoord gebruik van pesticiden een voorwaarde is voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

13.  betreurt het dat werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico slecht beschikbaar zijn, hetgeen voornamelijk veroorzaakt wordt door het langdurige evaluatie-, toelatings- en registratieproces en gedeeltelijk is terug te voeren op het feit dat de voor zulke gevallen voorziene kortere toelatingstermijn van 120 dagen zelden in acht genomen wordt op het niveau van de lidstaten; benadrukt dat de huidige situatie niet in overeenstemming is met de beginselen van het bevorderen en uitvoeren van geïntegreerde gewasbescherming, en beklemtoont dat het van groot belang is dat er pesticiden met een laag risico voorhanden zijn, er toereikend onderzoek wordt gedaan en beste praktijken worden uitgewisseld binnen en tussen de lidstaten om de mogelijkheden van geïntegreerde gewasbescherming ten volle te benutten; is van oordeel dat een snellere goedkeuringsprocedure bevorderlijk zou zijn voor onderzoek in de sector naar de ontwikkeling van nieuwe werkzame bestanddelen met een laag risico, waaronder innovatieve stoffen met een laag risico, om ervoor te zorgen dat landbouwers over voldoende gewasbeschermingsinstrumenten beschikken en daardoor sneller op duurzame gewasbeschermingsmiddelen kunnen overstappen en de doeltreffendheid van geïntegreerde gewasbescherming kunnen verhogen;

14.  herinnert eraan dat toenemende resistentie tegen pesticiden leidt tot een toename van het gebruik en de afhankelijkheid ervan; merkt op dat gebruik op grotere schaal en afhankelijkheid van pesticiden landbouwers zeer duur komt te staan, zowel door de hoge inputkosten als vanwege het verlies aan opbrengst als gevolg van uitputting van de bodem en verminderde bodemkwaliteit;

15.  merkt op dat een ruimere beschikbaarheid op de markt van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico het risico van resistentie tegen werkzame bestanddelen en de gevolgen voor niet-doelsoorten die in verband gebracht worden met gangbare gewasbeschermingsmiddelen zou verminderen;

16.  merkt in dit opzicht op dat resistentie tegen werkzame stoffen in pesticiden biologisch gezien onvermijdelijk is bij zich snel vermeerderende plagen en ziekten, en een groeiend probleem vormt; benadrukt daarom dat duurzame, biologische, fysische en andere niet-chemische methoden de voorkeur moeten krijgen boven chemische pesticiden wanneer zij voldoende resultaat opleveren bij de bestrijding van plagen; herinnert eraan dat chemische pesticiden selectief en gericht moeten worden ingezet; benadrukt dat deze nuttige plaagbestrijders anders dreigen uit te sterven, waardoor de gewassen kwetsbaarder worden voor toekomstige plagen;

17.  merkt verder op dat de grootste vermindering in het gebruik van pesticiden vermoedelijk zal voortvloeien uit systeemveranderingen die de gevoeligheid voor plagen verminderen, voorrang geven aan structurele en biologische diversiteit boven monoculturen en continuteelt, en de resistentie van plagen tegen werkzame bestanddelen verminderen; onderstreept daarom dat de aandacht, de financiering en de integratie-inspanningen met name gericht moeten zijn op ecologische landbouwmethoden die de landbouw als geheel beter bestand maken tegen plagen;

18.  onderstreept dat het GLB in zijn huidige vorm onvoldoende aanmoediging en stimulansen biedt voor het verminderen van de afhankelijkheid van landbouwbedrijven van pesticiden en voor het toepassen van biologische productietechnieken; is van mening dat in het GLB van na 2020 specifieke beleidsinstrumenten noodzakelijk zijn die ertoe bijdragen dat landbouwers hun gedrag bij het gebruik van pesticiden veranderen;

19.  betreurt het feit dat in het voorstel van de Commissie over het nieuwe GLB van na 2020 het beginsel van geïntegreerde gewasbescherming niet in de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III bij dat voorstel is opgenomen; benadrukt dat het ontbreken van een onderling verband tussen deze richtlijn en het nieuwe GLB-model het verminderen van de afhankelijkheid van pesticiden daadwerkelijk in de weg zal staan;

20.  merkt op dat de meeste lidstaten gebruikmaken van nationale risico-indicatoren om de negatieve gevolgen van het gebruik van pesticiden geheel of gedeeltelijk te beoordelen; herinnert eraan dat de lidstaten nog altijd geen overeenstemming hebben bereikt over geharmoniseerde risico-indicatoren voor de hele EU, ook al zijn zij daar uit hoofde van artikel 15 van de richtlijn expliciet toe verplicht, hetgeen het nagenoeg onmogelijk maakt om de voortgang van de verschillende lidstaten en van de Unie als geheel te vergelijken; is ingenomen met het feit dat het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders op 25 januari 2019 geharmoniseerde risico-indicatoren heeft vastgesteld;

21.  benadrukt het fundamentele belang van biodiversiteit en weerbare ecosystemen, met name in het geval van bijen en andere bestuivende insecten, die essentieel zijn om een gezonde en duurzame agrarische sector te kunnen garanderen; onderstreept dat de bescherming van biodiversiteit niet uitsluitend een zaak is van bescherming van het milieu, maar ook een middel om de voedselveiligheid voor Europa in de toekomst voor de langere termijn te garanderen;

22.  is uiterst bezorgd over het voortdurende en mogelijk onomkeerbare verlies van biodiversiteit in Europa, en over de alarmerende afname van gevleugelde insecten, met inbegrip van bestuivende insecten, zoals het onderzoek van oktober 2017 naar de biomassa aan vliegende insecten(34) heeft uitgewezen, waaruit blijkt dat de populatie vliegende insecten in 63 beschermde natuurgebieden in Duitsland in 27 jaar met meer dan 75 % is afgenomen; benadrukt voorts de aanzienlijke achteruitgang van veelvoorkomende vogelsoorten in heel Europa, hetgeen mogelijk het gevolg is van de gekrompen insectenpopulatie; wijst voorts op de onbedoelde effecten van pesticiden op de bodem en bodemorganismen(35), en op andere niet-doelsoorten; is van mening dat pesticiden behoren tot de belangrijkste factoren die verantwoordelijk zijn voor de afname van insecten, plattelandsvogels en andere niet-doelorganismen, en onderstreept voorts dat Europa genoodzaakt is over te gaan op een duurzamer gebruik van pesticiden en het aantal niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico voor landbouwers moet verhogen;

23.  benadrukt dat bestrijdingsmiddelen op basis van neonicotinoïden een belangrijke rol spelen bij de verontrustende achteruitgang van de bijenpopulaties in Europa, zoals blijkt uit talrijke internationale onderzoeken die als grondslag hebben gediend voor door burgers ingediende verzoekschriften waarvoor honderdduizenden handtekeningen zijn verzameld in heel Europa;

24.  onderkent dat nationale actieplannen en geïntegreerde gewasbescherming een belangrijke rol spelen bij het terugdringen van het pesticidengebruik teneinde een onomkeerbaar verlies van biodiversiteit te voorkomen, en bij het bevorderen van ecologische landbouwmaatregelen en biologische landbouw in een zo groot mogelijke omvang;

25.  benadrukt verder dat de ontwikkeling van duurzame landbouwopties noodzakelijk is om de gevolgen van klimaatverandering voor de voedselveiligheid te beperken;

26.  is uitermate verontrust over het aanhoudende gebruik van pesticiden met werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of die hormoonverstorende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens en dier; benadrukt dat het gebruik van deze pesticiden onverenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn;

27.  benadrukt dat het aquatisch milieu bij uitstek gevoelig is voor pesticiden; is ingenomen met het feit dat bepaalde lidstaten diverse maatregelen hebben genomen om het aquatisch milieu tegen pesticiden te beschermen; betreurt echter dat de meeste lidstaten geen kwantitatieve streefcijfers of tijdschema's hebben vastgesteld voor maatregelen ter bescherming van het aquatisch milieu tegen pesticiden, en waarbij de lidstaten die dit wel hebben gedaan, niet duidelijk hebben omschreven hoe zij meten of de streefcijfers of doelen al dan niet zijn behaald; is voorts van mening dat beter toezicht moet worden gehouden op de thans gebruikte pesticiden in het aquatisch milieu;

28.  merkt op dat de landbouw een van de voornaamste veroorzakers is van het feit dat waterlichamen geen goede chemische toestand bereiken, aangezien de landbouw vervuiling door nitraten en pesticiden veroorzaakt; onderstreept dat het kosteneffectiever is te voorkomen dat pesticiden in zoetwatersystemen terechtkomen dan verwijderingstechnologieën toe te passen, en dat lidstaten landbouwers in dit opzicht de juiste stimulansen moeten bieden; onderkent in dit verband tevens hoe belangrijk de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water is voor de verbetering van de waterkwaliteit; is ingenomen met de vooruitgang die lidstaten hebben geboekt bij de aanpak van stoffen met een hoge prioriteit, hetgeen ertoe heeft geleid dat minder waterlichamen niet voldoen aan de normen voor stoffen als cadmium, lood en nikkel, alsmede pesticiden;

29.  betreurt het dat de verslechtering van de kwaliteit van waterbronnen in steeds grotere mate heeft geleid tot extra behandelingen door drinkwaterbedrijven om ervoor te zorgen dat water dat is bedoeld voor menselijke consumptie voldoet aan de limieten voor pesticiden die zijn vastgelegd in Richtlijn 98/83/EG betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, en dat de kosten daarvan worden gedragen door de consumenten en niet voor de vervuilers;

30.  benadrukt dat sommige pesticiden internationaal zijn erkend als persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) in verband met hun vermogen om zich over lange afstanden te verplaatsen, hun persistentie in het milieu en hun vermogen tot bioconcentratie binnen de gehele voedselketen en biologische ophoping binnen ecosystemen, alsmede hun grote negatieve gevolgen voor de volksgezondheid;

31.  is ermee ingenomen dat in alle lidstaten opleidings- en certificatiestelsels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn opgezet, maar betreurt het dat in bepaalde lidstaten niet wordt voldaan aan de opleidingsvereisten ten aanzien van alle in bijlage I voorgeschreven onderwerpen; benadrukt dat opleiding van de gebruikers van groot belang is om veilig en duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen; acht het passend om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele gebruikers, aangezien voor hen niet dezelfde verplichtingen gelden; benadrukt dat zowel professionele als niet-professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen passende scholing moeten krijgen;

32.  merkt op dat het gebruik van intelligente technologie en precisielandbouw mogelijkheden biedt om gewasbeschermingsmiddelen effectiever in te zetten en te voorkomen dat zij verspreid raken in gebieden waar zij niet nodig zijn, bijvoorbeeld door middel van drones of GPS-precisietechniek; benadrukt voorts dat het gebruik van dergelijke oplossingen in de lidstaten kan worden bevorderd als deze beter worden geïntegreerd in opleidingscursussen en certificeringsprogramma's voor gebruikers van pesticiden in het kader van nationale actieplannen;

33.  benadrukt dat gewasbeschermingsmiddelen niet alleen worden gebruikt in de landbouw, maar ook voor de bestrijding van onkruid en plagen in gebieden die worden gebruikt door een breed publiek of door kwetsbare groepen, zoals bepaald in artikel 12, onder a) van de richtlijn, waaronder parken en spoorwegen; overwegende dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze gebieden ongepast is; is ingenomen met het feit dat meerdere lidstaten en een groot aantal regionale en lokale overheden actie hebben ondernomen om het gebruik van pesticiden in gebieden die worden gebruikt door een breed publiek of door kwetsbare groepen te verminderen of te verbieden; stelt echter vast dat in de meerderheid van de lidstaten geen meetbare doelen zijn gesteld;

34.  is verontrust over het feit dat veel lidstaten de vereiste van artikel 12, onder a), onjuist hebben geïnterpreteerd door deze zo uit te leggen als uitsluitend betrekking hebbend op niet-agrarisch gebruik, terwijl bewoners die langdurig worden blootgesteld aan hoge concentraties pesticiden wel degelijk behoren tot de kwetsbare groepen zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1107/2009; merkt voorts op dat de Commissie heeft bevestigd dat er geen wettelijke grond is om agrarische toepassing uit te sluiten van de bepalingen van artikel 12;

35.  merkt op dat lidstaten steun blijven geven aan biologische landbouw als systeem met laag gebruik van pesticiden; is ingenomen met het feit dat het aantal biologische boerderijen in de Unie blijft toenemen, maar merkt op dat de vooruitgang nog altijd aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

36.  merkt op dat biologische landbouwers economische verliezen lijden wanneer hun bodem en biologische producten verontreinigd raken als gevolg van het pesticidengebruik van in de buurt gevestigde landbouwbedrijven doordat bijvoorbeeld gesproeide pesticiden verwaaien en persistente werkzame stoffen zich verspreiden in het milieu; wijst er bijgevolg op dat biologische landbouwers zich daardoor gedwongen kunnen zien hun producten te verkopen als conventionele gewassen waardoor zij de meerprijs mislopen of zelfs hun certificering kunnen verliezen als gevolg van handelingen die zij niet kunnen beheersen;

37.  merkt op dat de lidstaten doorgaans weliswaar over systemen beschikken om informatie te vergaren over acute pesticidenvergiftiging, maar dat de nauwkeurigheid van de gegevens in kwestie en het gebruik ervan vragen oproepen; wijst erop dat systemen voor het vergaren van informatie over chronische vergiftiging niet algemeen worden toegepast;

38.  vestigt de aandacht op het feit dat het meest recente rapport van EFSA over residuen van pesticiden in voedsel laat zien dat 97,2 % van de monsters uit heel Europa binnen de wettelijke limieten uit hoofde van de EU-wetgeving bleef, waaruit blijkt dat het voedselproductiesysteem uiterst stringent en veilig is;

Aanbevelingen

39.  verzoekt de lidstaten de tenuitvoerlegging van de richtlijn onverwijld af te ronden;

40.  roept de Commissie en de lidstaten op te garanderen dat alle relevante belanghebbenden worden betrokken bij alle activiteiten voor belanghebbenden met betrekking tot pesticiden, waaronder het publiek, zoals wordt voorzien in Richtlijn 2003/35/EG en het Verdrag van Aarhus;

41.  verzoekt de lidstaten een proactieve rol te spelen bij de praktische tenuitvoerlegging van de richtlijn teneinde lacunes op te sporen en vast te stellen welke specifieke terreinen bijzondere aandacht nodig hebben wat betreft de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, en zich niet te beperken tot de gebruikelijke nationale omzetting en controlemechanismen;

42.  roept de lidstaten op te erkennen dat de EU onverwijld moet handelen om over te gaan naar een duurzamer gebruik van pesticiden en dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering van dergelijke praktijken bij de lidstaten ligt; benadrukt dat snel handelen essentieel is;

43.  verzoekt de lidstaten zich te houden aan het vastgestelde tijdsbestek voor de indiening van de herziene nationale actieplannen; verzoekt de lidstaten die nog geen herziene nationale actieplannen hebben ingediend, dit onverwijld te doen, deze keer echter met duidelijke kwantitatieve doelstellingen en een meetbare algemene doelstelling om de risico's en de impact van het gebruik van pesticiden onmiddellijk en blijvend terug te dringen, met duidelijk gedefinieerde jaarlijkse reductiestreefcijfers, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de mogelijke gevolgen voor bestuivende insecten en aan het bevorderen en invoeren van duurzame niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, overeenkomstig de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming;

44.  roept de Commissie op een ambitieuze bindende doelstelling voor de hele EU voor te stellen om het gebruik van pesticiden terug te dringen;

45.  verzoekt de Commissie verdere richtlijnen te ontwikkelen betreffende alle beginselen van geïntegreerde gewasbescherming en de tenuitvoerlegging daarvan; verzoekt de Commissie in verband hiermee richtlijnen te formuleren voor de vaststelling van criteria voor het meten en evalueren van de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming in de lidstaten;

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle vereiste maatregelen te nemen met het oog op het bevorderen van pesticiden met een laag risico en voorrang te geven aan niet-chemische opties en methoden die het geringste risico met zich meebrengen dat zij de gezondheid en de natuur schaden en tegelijkertijd zorgen voor effectieve en efficiënte gewasbescherming; benadrukt dat dit alleen kan slagen als de economische prikkels voor landbouwers om te kiezen voor dergelijke opties worden versterkt;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer de nadruk te leggen op het stimuleren van de ontwikkeling van, het onderzoek naar en het op de markt brengen van biologische alternatieven met een laag risico, ook door in het kader van Horizon Europa en binnen het meerjarig financieel kader 2021-2027 meer mogelijkheden voor financiering te creëren; herinnert eraan dat duurzame, biologische, fysische en andere niet-chemische methoden de voorkeur moeten krijgen boven chemische pesticiden wanneer zij voldoende resultaat opleveren bij de bestrijding van plagen; herinnert eraan hoe belangrijk de toegevoegde waarde van ecologisch duurzame en veilige gewasbeschermingstechnieken ;

48.  verzoekt de Commissie zonder verder uitstel haar toezeggingen in het kader van het 7e milieuactieprogramma na te komen en een Uniestrategie te presenteren voor een gifvrij milieu dat innovatie en de ontwikkeling van duurzame vervangers, waaronder niet-chemische oplossingen, bevordert; verwacht van de Commissie dat zij in deze strategie met name rekening houdt met de gevolgen van pesticiden voor het milieu en de menselijke gezondheid;

49.  adviseert meer aandacht te schenken aan risicoverlaging, aangezien omvangrijk gebruik van stoffen met een laag risico wel eens schadelijker zou kunnen zijn dan beperkt gebruikt van stoffen met een hoog risico;

50.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de richtlijn en de tenuitvoerlegging ervan beter afgestemd zijn op de EU-wetgeving en het EU-beleid op dit gebied, met name de GLB-bepalingen en Verordening nr. 1107/2009, en met name dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als wettelijke verplichtingen uit hoofde van het GLB worden geïntegreerd overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het aantal ontheffingen voor essentieel gebruik uit hoofde van Verordening nr. 1107/2009 strikt te beperken en de relevante richtsnoeren bij te werken om te waarborgen dat de risicobeoordeling van pesticiden in overeenstemming is met de blootstelling en omstandigheden in de praktijk, rekening houdend met alle mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu;

52.  beveelt aan de lidstaten de flexibiliteit te geven geïntegreerde gewasbescherming toe te passen in het kader van de vergroenende maatregelen uit hoofde van het GLB;

53.  is ingenomen met de recente vaststelling van geharmoniseerde risico-indicatoren door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en verzoekt de lidstaten verder te gaan met de vaststelling en doorvoering van geharmoniseerde risico-indicatoren, zoals de Commissie onlangs heeft voorgesteld, zodat duidelijk kan worden gemonitord welke effecten het terugdringen van het gebruik van pesticiden heeft;

54.  verzoekt de Commissie een volledig operationeel en transparant systeem op te zetten voor de regelmatige verzameling van statistische gegevens over het gebruik van pesticiden, de gevolgen van professionele en niet-professionele blootstelling aan pesticiden voor de gezondheid van mens en dier, en de aanwezigheid van residuen van pesticiden in het milieu, met name in de bodem en het water;

55.  roept de Commissie en de lidstaten op tot het bevorderen van onderzoeksprogramma's die erop zijn gericht de gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de volksgezondheid te bepalen, rekening houdend met alle toxicologische en langetermijneffecten, met inbegrip van immunotoxiciteit, verstoring van de hormoonhuishouding en toxische effecten op de neurologische ontwikkeling, en met extra aandacht voor de gevolgen van prenatale blootstelling aan pesticiden voor de gezondheid van kinderen;

56.  dringt bij de Commissie aan op een risicogebaseerde benadering voor beheer en gebruik van veelgebruikte gewasbeschermingsmiddelen, die wordt gestaafd door onafhankelijk, collegiaal getoetst, wetenschappelijk bewijs;

57.  verzoekt de Commissie voor het einde van haar huidige mandaat een specifiek wetsvoorstel in te dienen voor de wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, buiten de algemene herziening in verband met het REFIT-initiatief om, met het oog op toevoeging van een definitie van en een aparte categorie voor 'in de natuur voorkomende stoffen’ en 'natuuridentieke stoffen’, waarbij als criterium wordt gehanteerd dat de stof in de natuur voorkomt en er sprake is van blootstelling aan deze stof, alsook een rigoureuze versnelde procedure vast te stellen voor de evaluatie, vergunning en registratie van biologische pesticiden met een laag risico, in lijn met de resoluties van het Parlement van 15 februari 2017 over pesticiden van biologische oorsprong, en van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen;

58.  verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de effectieve tenuitvoerlegging van de verplichtingen van de Unie krachtens het protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen uit 2004, en daarom hun inspanningen tot het elimineren van de fabricage, het op de markt brengen en het gebruik van pesticiden met persistente organische verontreinigende stoffen op te voeren, en tegelijkertijd bepalingen op te stellen betreffende de afvoer van afval dat dergelijke stoffen bevat of ermee is vervuild;

59.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat professioneel gekwalificeerde en onafhankelijke adviesdiensten beschikbaar zijn om advies te geven aan en opleidingen te verzorgen voor eindgebruikers, en met name op het gebied van geïntegreerde gewasbescherming;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten sterker de nadruk te leggen op verdere investeringen in en onderzoek naar de ontwikkeling en toepassing van precisietechnieken en technieken voor digitale landbouw, zodat gewasbeschermingsmiddelen efficiënter worden en de afhankelijkheid van pesticiden aanzienlijk wordt teruggedrongen, overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijn, waardoor minder sprake zal zijn van blootstelling van zowel professionele gebruikers als van het grote publiek; is van mening dat het gebruik van digitalisering respectievelijk precisielandbouw er niet toe mag leiden dat landbouwers afhankelijk raken van input of schulden aangaan;

61.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gebieden die door een breed publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, niet langer toe te staan, zoals bepaald in artikel 3, lid 14, van Verordening (EG) nr. 1107/2009;

62.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met name aandacht te besteden aan de bescherming van kwetsbare groepen, zoals bepaald in artikel 3, lid 14, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, met name vanwege het bestaande gebrek aan bescherming van plattelandsbewoners die in landbouwgebieden wonen; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve een onmiddellijk verbod voor te stellen op het gebruik van pesticiden binnen een aanzienlijke straal van woningen, scholen, speelplaatsen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in verder onderzoek naar de gevolgen van pesticiden voor niet-doelsoorten en onmiddellijke actie te nemen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken;

64.  roept de Commissie en de lidstaten op een landbouwmodel te bevorderen dat is gebaseerd op preventieve en indirecte strategieën voor gewasbescherming, gericht op het verminderen van het gebruik van externe input en op multifunctionele, in de natuur voorkomende stoffen; erkent dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar preventieve en indirecte ecologische landbouwstrategieën voor gewasbescherming en dat deze strategieën meer moeten worden toegepast;

65.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in aanpassingsmethodes waarmee wordt voorkomen dat agrochemische stoffen in het oppervlakte- en grondwater terechtkomen, alsook in maatregelen om het weglekken van deze stoffen in waterlopen, rivieren en zeeën te beperken; beveelt aan het gebruik ervan te verbieden op bodems waar het gevaar bestaat dat ze afvloeien naar het grondwater;

66.  wijst er met klem op dat het van het allergrootste belang is dat aan de hand van gebruikersdatabanken en verkoopcijfers regelmatig wordt onderzocht hoe de hoeveelheid verkochte pesticiden en het landbouwgebied waarop deze worden toegepast zich tot elkaar verhouden;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de op gevaren gebaseerde uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of die hormoonverstorende eigenschappen hebben, volledig en uniform worden toegepast;

68.  roept de lidstaten op zich strikt te houden aan het verbod op de invoer van verboden pesticiden in de EU vanuit derde landen, en de controles van ingevoerde voedingsmiddelen te intensiveren;

69.  verzoekt de Commissie zorgvuldig alle beschikbare maatregelen te overwegen ter waarborging van de naleving van deze richtlijn, met inbegrip van het instellen van inbreukprocedures tegen lidstaten die niet voldoen aan de verplichting tot volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn;

70.  verzoekt de Commissie krachtdadig op te treden tegen lidstaten die systematisch misbruik maken van ontheffingen voor verboden pesticiden die neonicotinoïden bevatten;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat het beginsel "de vervuiler betaalt" volledig wordt toegepast en effectief word gehandhaafd met betrekking tot de bescherming van waterbronnen;

72.  verzoekt Horizon Europa voldoende financiering te verschaffen ter bevordering van de ontwikkeling van strategieën voor gewasbescherming op basis van een systeembenadering waarin innovatieve ecologische landbouwtechnieken worden gecombineerd met preventieve maatregelen om het gebruik van externe input zo laag mogelijk te houden;

73.  verzoekt de Commissie een pan-Europees platform voor duurzaam gebruik van pesticiden op te richten, waar belanghebbenden en vertegenwoordigers uit de sector op lokaal en regionaal niveau worden samengebracht, als platform voor het delen van informatie en uitwisselen van aanbevolen werkwijzen voor het terugdringen van het gebruik van pesticiden;

o
o   o

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(2) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.
(3) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(4) PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.
(5) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.
(7) PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.
(8) PB L 229 van 29.6.2004, blz. 23.
(9) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(10) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(11) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.
(12) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(13) PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36.
(14) PB L 310 van 25.11.2009, blz. 29.
(15) PB L 226 van 24.8.2013, blz. 1.
(16) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52006DC0372
(17) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 62.
(18) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 51.
(19) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 184.
(20) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 117.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0057.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.
(23) PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1
(24) http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/overview_reports/details.cfm?rep_id=114
(25) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(26) http://www.pan-uk.org/site/wp-content/uploads/United-Nations-Report-of-the-Special-Rapporteur-on-the-right-to-food.pdf
(27) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10041-2016-ADD-1/en/pdf
(28) http://www.senat.fr/leg/ppr16-477.html
(29) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0023.
(30) Caspar A. Hallmann et al., ‘More than 75 % decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas’, PLOS, 18 oktober 2017 - https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809
(31) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.
(32) Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).
(33) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(34) https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809
(35) Zie https://esdac.jrc.ec.europa.eu/public_path/shared_folder/doc_pub/EUR27607.pdf

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2019Juridische mededeling