Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0196(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0043/2019

Ingediende teksten :

A8-0043/2019

Debatten :

PV 13/02/2019 - 6
CRE 13/02/2019 - 6

Stemmingen :

PV 13/02/2019 - 8.14
CRE 13/02/2019 - 8.14
Stemverklaringen
PV 27/03/2019 - 18.11

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0096
P8_TA(2019)0310

Aangenomen teksten
PDF 457kWORD 144k
Woensdag 13 februari 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen ***I
P8_TA-PROV(2019)0096A8-0043/2019

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 februari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (COM(2018)0375 – C8-0230/2018 – 2018/0196(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa
houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  In artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie zich met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, regio's die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Ingevolge artikel 175 VWEU moet de Unie de verwezenlijking van deze doelstellingen ondersteunen door haar optreden via het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en andere instrumenten. Artikel 322 VWEU voorziet in de grondslag voor de vaststelling van financiële regels betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd en waarop de rekeningen worden ingediend en nagezien alsook van regels betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren.
(1)  In artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie zich met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, regio's die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Deze regio's profiteren in het bijzonder van het cohesiebeleid. Ingevolge artikel 175 VWEU moet de Unie de verwezenlijking van deze doelstellingen ondersteunen door haar optreden via het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en andere instrumenten. Artikel 322 VWEU voorziet in de grondslag voor de vaststelling van financiële regels betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd en waarop de rekeningen worden ingediend en nagezien alsook van regels betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Voor de toekomst van de Europese Unie en haar burgers is het belangrijk dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie blijft, waarbij de financiering in de periode 2021-2027 ten minste op het niveau van de programmeringsperiode 2014-2020 wordt gehouden. Nieuwe financiering voor andere activiteitsgebieden of programma's van de Unie mag niet ten koste gaan van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus of het Cohesiefonds.
Amendement 430
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Met het oog op een verdere ontwikkeling van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de EU-Fondsen onder gedeeld beheer, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, maatregelen gefinancierd onder gedeeld beheer in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") moeten financiële regels op basis van artikel 322 VWEU worden vastgesteld voor al deze Fondsen ("de Fondsen"), waarbij het toepassingsgebied van de verschillende bepalingen duidelijk wordt gespecificeerd. Voorts moeten gemeenschappelijke bepalingen op basis van artikel 177 VWEU worden vastgesteld met het oog op beleidsspecifieke regels voor het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV.
(2)  Met het oog op een verdere ontwikkeling van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de EU-Fondsen onder gedeeld beheer, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, maatregelen gefinancierd onder gedeeld beheer in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") moeten financiële regels op basis van artikel 322 VWEU worden vastgesteld voor al deze Fondsen ("de Fondsen"), waarbij het toepassingsgebied van de verschillende bepalingen duidelijk wordt gespecificeerd. Voorts moeten gemeenschappelijke bepalingen op basis van artikel 177 VWEU worden vastgesteld met het oog op beleidsspecifieke regels voor het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds, het EFMZV en tot op zekere hoogte ook het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo).
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra financiering overeenkomstig artikel 349 van het VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994.
(4)  De ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra financiering overeenkomstig artikel 349 van het VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 om de specifieke nadelen als gevolg van hun geografische ligging te helpen compenseren.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU") en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt te beschermen moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU.
(5)  Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU") en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. In dat verband moeten de Fondsen worden uitgevoerd op een manier die de-institutionalisering en door de gemeenschap gedragen zorg bevordert. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen tot enige vorm van segregatie of uitsluiting en mogen geen infrastructuur ondersteunen die ontoegankelijk is voor personen met een handicap. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast en rekening wordt gehouden met de afgesproken verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs. Om de integriteit van de interne markt te beschermen, moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU. Armoede is een van de grootste uitdagingen van de EU. Daarom moet met de Fondsen een bijdrage worden geleverd aan de uitbanning van armoede. Ook moeten zij bijdragen aan het streven van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties te verwezenlijken.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen fonds bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen.
(9)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 30 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Mechanismen voor de opbouw van klimaatbestendigheid moeten integraal deel uitmaken van de programmering en uitvoering.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Gezien het effect van de migratiestromen uit derde landen moet het cohesiebeleid bijdragen aan integratieprocessen, met name door infrastructuurondersteuning te bieden aan dorpen en steden en lokale en regionale autoriteiten die de eerste linie vormen in en meer betrokken zijn bij de uitvoering van het integratiebeleid.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad12 ("het Financieel Reglement"). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie.
(10)  Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad12 ("het Financieel Reglement"). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie. De lidstaten moeten worden belast met de voorbereiding en de uitvoering van de programma's. Op het passende territoriale niveau overeenkomstig hun institutionele, juridische en financiële kader moeten de instanties die zij daartoe hebben aangewezen, daarmee worden belast. De lidstaten mogen geen bijkomende regels vaststellen die het gebruik van de middelen voor de begunstigden gecompliceerd maken.
__________________
__________________
12 PB L […] van […], blz. […].
12 PB L […] van […], blz. […].
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie13 van toepassing blijven.
(11)  Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van regionale, lokale en andere overheden, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet de Commissie worden gemachtigd Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie13 te wijzigen en aan te passen.
__________________
__________________
13 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
13 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Op het niveau van de Unie is het Europees Semester Europees voor coördinatie van het economisch beleid het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden voorgesteld om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen en EU-middelen moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van de met name van de Fondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun worden gemaximaliseerd.
Schrappen
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  De lidstaten moeten bepalen op welke wijze bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna "de landspecifieke aanbevelingen" genoemd). Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna "programmeringsperiode" genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen. Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd.
(13)  De lidstaten moeten bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna "de landspecifieke aanbevelingen" genoemd), voor zover zij in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het programma. Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna "programmeringsperiode" genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen en van de Europese pijler van sociale rechten. Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Lidstaten moeten rekening houden met de inhoud van de ontwerpen van hun nationale energie- en klimaatplannen die moeten worden ontwikkeld in het kader van de Verordening betreffende de governance van de energie-unie14 en met de resultaten van het proces dat moet leiden tot de aanbevelingen van de Unie met betrekking tot deze plannen, zowel voor hun programma's als voor de financiële behoeften die worden toegewezen aan koolstofarme investeringen.
(14)  Lidstaten moeten rekening houden met de inhoud van de ontwerpen van hun nationale energie- en klimaatplannen die moeten worden ontwikkeld in het kader van de Verordening betreffende de governance van de energie-unie14 en met de resultaten van het proces dat moet leiden tot de aanbevelingen van de Unie met betrekking tot deze plannen, zowel voor hun programma's, ook in het kader van de tussentijdse evaluatie, als voor de financiële behoeften die worden toegewezen aan koolstofarme investeringen.
__________________
__________________
14 [Verordening inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM/2016/0759 final/2 - 2016/0375 (COD)].
14 [Verordening inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM/2016/759 final/2 - 2016/0375 (COD)].
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De door elke lidstaat opgestelde partnerschapovereenkomst moet een strategisch document zijn dat dient als richtsnoer bij de onderhandelingen tussen de Commissie en de desbetreffende lidstaat over het ontwerp van programma's. Om de administratieve last te verminderen, zou het niet nodig moeten zijn om de partnerschapsovereenkomsten tijdens de programmeringsperiode te wijzigen. Om de programmering te vergemakkelijken en overlappende inhoud in programmeringsdocumenten te voorkomen, kunnen de partnerschapsprogramma's worden opgenomen als onderdeel van een programma.
(15)  De door elke lidstaat opgestelde partnerschapovereenkomst moet een strategisch document zijn dat dient als richtsnoer bij de onderhandelingen tussen de Commissie en de desbetreffende lidstaat over het ontwerp van programma's. Om de administratieve last te verminderen, zou het niet nodig moeten zijn om de partnerschapsovereenkomsten tijdens de programmeringsperiode te wijzigen. Om de programmering te vergemakkelijken en overlappende inhoud in programmeringsdocumenten te voorkomen, moet het mogelijk zijn partnerschapsovereenkomsten op te nemen als onderdeel van een programma.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Elke lidstaat moet over de flexibiliteit beschikken om bij te dragen tot InvestEU voor de voorziening van budgettaire garanties voor investeringen in deze lidstaat.
(16)  Elke lidstaat kan over de flexibiliteit beschikken om bij te dragen tot InvestEU voor de voorziening van budgettaire garanties voor investeringen in deze lidstaat, onder bepaalde voorwaarden die zijn gespecificeerd in artikel 10 van deze verordening.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Om te zorgen voor de noodzakelijke precondities voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van de door de Fondsen verleende steun van de Unie, moet een beperkte lijst van randvoorwaarden alsook een beknopte en exhaustieve reeks van objectieve criteria voor de beoordeling ervan worden opgesteld. Elke randvoorwaarde moet aan een specifieke doelstelling worden gekoppeld en moet automatisch kunnen worden toegepast wanneer de specifieke doelstelling voor steun wordt geselecteerd. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen uitgaven die verband houden met concrete acties onder de desbetreffende specifieke doelstellingen niet worden opgenomen in de betaalaanvragen. Om een gunstig investeringskader te handhaven, moet op gezette tijden worden nagegaan of nog steeds is voldaan aan de randvoorwaarden. Het is ook belangrijk dat de voor steun geselecteerde acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande strategieën en planningdocumenten die aan de basis liggen van de randvoorwaarden waaraan is voldaan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat alle medegefinancierde concrete acties in overeenstemming zijn met het beleidskader van de Unie.
(17)  Om te zorgen voor de noodzakelijke precondities voor een inclusief, niet-discriminerend, doeltreffend en efficiënt gebruik van de door de Fondsen verleende steun van de Unie, moet een beperkte lijst van randvoorwaarden alsook een beknopte en exhaustieve reeks van objectieve criteria voor de beoordeling ervan worden opgesteld. Elke randvoorwaarde moet aan een specifieke doelstelling worden gekoppeld en moet automatisch kunnen worden toegepast wanneer de specifieke doelstelling voor steun wordt geselecteerd. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen uitgaven die verband houden met concrete acties onder de desbetreffende specifieke doelstellingen niet worden opgenomen in de betaalaanvragen. Om een gunstig investeringskader te handhaven, moet op gezette tijden worden nagegaan of nog steeds is voldaan aan de randvoorwaarden. Het is ook belangrijk dat de voor steun geselecteerde acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande strategieën en planningdocumenten die aan de basis liggen van de randvoorwaarden waaraan is voldaan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat alle medegefinancierde concrete acties in overeenstemming zijn met het beleidskader van de Unie.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De lidstaten moeten een prestatiekader vaststellen voor elk programma dat betrekking heeft op alle indicatoren, mijlpalen en doelstellingen met het oog op de monitoring, rapportage en evaluatie van de programmaprestaties.
(18)  De lidstaten moeten een prestatiekader vaststellen voor elk programma dat betrekking heeft op alle indicatoren, mijlpalen en doelstellingen met het oog op de monitoring, rapportage en evaluatie van de programmaprestaties. Dit moet een resultaatgerichte selectie en evaluatie van projecten mogelijk maken.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De lidstaat moet een tussentijdse evaluatie uitvoeren van elk programma dat door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds wordt ondersteund. In deze evaluatie moet een volwaardige aanpassing van de programma's zijn opgenomen die gebaseerd is op de programmaprestaties, waarbij ook wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe uitdagingen en de in 2024 gedane landspecifieke aanbevelingen. Daarnaast moet de Commissie in 2024 samen met de technische aanpassing voor het jaar 2025 een herziening uitvoeren van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" van het cohesiebeleid voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft verricht, met toepassing van de toewijzingsmethode in de desbetreffende basishandeling. Deze herziening moet samen met de resultaten van de tussentijdse evaluatie resulteren in aanpassingen van het programma, waarbij de financiële toewijzingen voor de jaren 2025, 2026 en 2027 worden gewijzigd.
(19)  De lidstaat moet een tussentijdse evaluatie uitvoeren van elk programma dat door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds wordt ondersteund. In deze evaluatie moet een volwaardige aanpassing van de programma's zijn opgenomen die gebaseerd is op de programmaprestaties, waarbij ook wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe uitdagingen en de in 2024 gedane landspecifieke aanbevelingen, evenals met vooruitgang met de nationale energie- en klimaatplannen en de Europese pijler van sociale rechten. Er moet ook rekening worden gehouden met demografische uitdagingen. Daarnaast moet de Commissie in 2024 samen met de technische aanpassing voor het jaar 2025 een herziening uitvoeren van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" van het cohesiebeleid voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft verricht, met toepassing van de toewijzingsmethode in de desbetreffende basishandeling. Deze herziening moet samen met de resultaten van de tussentijdse evaluatie resulteren in aanpassingen van het programma, waarbij de financiële toewijzingen voor de jaren 2025, 2026 en 2027 worden gewijzigd.
Amendementen 425rev, 444rev. 448 en 469
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Mechanismen die het financieringsbeleid van de Unie moeten koppelen aan het economisch bestuur van de Unie moeten verder worden verfijnd, waarbij de Commissie aan de Raad een voorstel kan doen om alle of een deel van de vastleggingen voor een of meer programma's van de desbetreffende lidstaten te schorsen wanneer deze lidstaat geen doeltreffende actie in het kader van het economisch bestuur onderneemt. Om te zorgen voor een uniforme uitvoering en met het oog op het belang van de financiële gevolgen van de voorgestelde maatregelen, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad te worden verleend, die moet handelen op basis van een voorstel van de Commissie. Om de vaststelling van besluiten te vergemakkelijken die nodig zijn om een doeltreffend optreden in het kader van het economisch bestuur te garanderen, moet gebruik worden gemaakt van stemming bij omgekeerde gekwalificeerde meerderheid.
Schrappen
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen die in het kader van financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen ("ESI-fondsen") zijn gestart. De Commissie moet het desbetreffende verzoek zorgvuldig beoordelen bij de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Een aanzienlijk deel van de uitgaven van de Unie gaat naar grote projecten die vaak van strategisch belang zijn voor het welslagen van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Het is dan ook gerechtvaardigd dat concrete acties boven bepaalde drempels in het kader van deze verordening nog steeds onder specifieke goedkeuringsprocedures vallen. De drempel moet worden vastgesteld in verhouding tot de totale subsidiabele kosten, rekening houdend met verwachte netto-inkomsten. Met het oog op duidelijkheid moet in verband hiermee worden gedefinieerd wat een aanvraag voor een groot project inhoudt. De aanvraag moet de nodige informatie bevatten om er zekerheid over te verkrijgen dat de financiële bijdrage uit de Fondsen niet leidt tot aanzienlijk banenverlies op bestaande locaties in de Unie. De lidstaat moet alle vereiste informatie verstrekken en de Commissie moet het grote project beoordelen om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage gerechtvaardigd is.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Om de geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling te versterken, moeten investeringen in de vorm van territoriale instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen ("ITI"), vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling ("CLLD") of elk ander territoriaal instrument onder de beleidsdoelstelling "Een Europa dat dichter bij de burger staat" ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn gebaseerd op territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën. Voor de doelstellingen van de ITI's en door de lidstaten ontworpen territoriale instrumenten moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van de territoriale strategieën. Deze territoriale strategieën moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties. Met het oog op de betrokkenheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties bij de uitvoering van de territoriale strategieën, moeten deze autoriteiten of organen verantwoordelijk zijn voor selectie van de te ondersteunen concrete acties of betrokken zijn bij deze selectie.
(23)  Om de geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling te versterken, moeten investeringen in de vorm van territoriale instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen ("ITI"), vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling ("CLLD", bekend onder de naam "Leader" in het kader van het Elfpo) of elk ander territoriaal instrument onder de beleidsdoelstelling "Een Europa dat dichter bij de burger staat" ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn gebaseerd op territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën. Hetzelfde moet gelden voor verwante initiatieven zoals "slimme dorpen". Voor de doelstellingen van de ITI's en door de lidstaten ontworpen territoriale instrumenten moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van de territoriale strategieën. Deze territoriale strategieën moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties. Met het oog op de betrokkenheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties bij de uitvoering van de territoriale strategieën, moeten deze autoriteiten of organen verantwoordelijk zijn voor selectie van de te ondersteunen concrete acties of betrokken zijn bij deze selectie.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Om het potentieel op lokaal niveau beter te mobiliseren, is het noodzakelijk de CLLD te versterken en te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale behoeften en mogelijkheden, alsook met de relevante sociaal-culturele kenmerken, en moet voorzien worden in structurele veranderingen, waarbij de lokale capaciteiten worden opgebouwd en innovatie wordt bevorderd. De nauwe samenwerking en het geïntegreerd gebruik van de Fondsen om lokale ontwikkelingsstrategieën tot stand te brengen, moeten worden versterkt. Het is van wezenlijk belang dat lokale actiegroepen die de belangen van de gemeenschap vertegenwoordigen verantwoordelijk zijn voor het ontwerp en de uitvoering van CLLD-strategieën. Om de gecoördineerde steun van verschillende Fondsen aan de CLLD-strategieën te bevorderen en hun uitvoering te vergemakkelijken, moet het gebruik van een aanpak via een "hoofdfonds" worden bevorderd.
(24)  Om het potentieel op lokaal niveau beter te mobiliseren, is het noodzakelijk de CLLD te versterken en te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale behoeften en mogelijkheden, alsook met de relevante sociaal-culturele kenmerken, en moet voorzien worden in structurele veranderingen, waarbij de lokale en bestuurlijke capaciteiten worden opgebouwd en innovatie wordt bevorderd. De nauwe samenwerking en het geïntegreerd gebruik van de Fondsen om lokale ontwikkelingsstrategieën tot stand te brengen, moeten worden versterkt. Het is van wezenlijk belang dat lokale actiegroepen die de belangen van de gemeenschap vertegenwoordigen verantwoordelijk zijn voor het ontwerp en de uitvoering van CLLD-strategieën. Om de gecoördineerde steun van verschillende Fondsen aan de CLLD-strategieën te bevorderen en hun uitvoering te vergemakkelijken, moet het gebruik van een aanpak via een "hoofdfonds" worden bevorderd.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Om de administratieve last te beperken, moet technische bijstand op initiatief van de lidstaat tot stand komen door middel van een vast percentage op basis van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van het programma. De technische bijstand kan worden aangevuld met gerichte maatregelen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit waarbij terugbetalingsmethoden worden gebruikt die niet gekoppeld zijn aan kosten. Over acties en resultaten alsook de overeenkomstige betalingen van de Unie kan overeenstemming worden bereikt in een stappenplan, hetgeen kan resulteren in betalingen voor het behalen van concrete resultaten.
(25)  Om de administratieve last te beperken, moet technische bijstand op initiatief van de lidstaat tot stand komen door middel van een vast percentage op basis van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van het programma. De technische bijstand kan worden aangevuld met gerichte maatregelen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit, zoals de evaluatie van de waaier aan vaardigheden van de werknemers, waarbij terugbetalingsmethoden worden gebruikt die niet gekoppeld zijn aan kosten. Over acties en resultaten alsook de overeenkomstige betalingen van de Unie kan overeenstemming worden bereikt in een stappenplan, hetgeen kan resulteren in betalingen voor het behalen van concrete resultaten.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Om de prestaties van de programma's te onderzoeken, moet de lidstaat toezichtcomités oprichten. Voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen worden vervangen door een jaarlijkse gestructureerde beleidsdialoog op basis van meest recente informatie en gegevens over de uitvoering van het programma die door de lidstaat beschikbaar zijn gesteld.
(27)  Om de prestaties van de programma's te onderzoeken, moet de lidstaat toezichtcomités oprichten, waarin ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners zetelen. Voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen worden vervangen door een jaarlijkse gestructureerde beleidsdialoog op basis van meest recente informatie en gegevens over de uitvoering van het programma die door de lidstaat beschikbaar zijn gesteld.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201616 moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de fondsen in de praktijk worden verzameld.
(28)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201616 moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de Fondsen in de praktijk worden verzameld. De indicatoren moeten zo mogelijk op genderbewuste wijze worden ontwikkeld.
_________________
_________________
16 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
16 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Om de beschikbaarheid te waarborgen van uitvoerige en bijgewerkte informatie over de uitvoering van het programma, is meer frequente digitale rapportering over de kwantitatieve data vereist.
(29)  Om de beschikbaarheid te waarborgen van uitvoerige en bijgewerkte informatie over de uitvoering van het programma, is doeltreffende en tijdige digitale rapportering over de kwantitatieve data vereist.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om de voorbereiding van gerelateerde programma's en activiteiten van de volgende programmeringsperiode te ondersteunen, moet de Commissie een tussentijdse evaluatie van de Fondsen uitvoeren. Op het einde van de programmeringsperiode moet de Commissie evaluaties achteraf uitvoeren van de Fondsen, die moeten toegespitst zijn op de effecten van de Fondsen.
(30)  Om de voorbereiding van gerelateerde programma's en activiteiten van de volgende programmeringsperiode te ondersteunen, moet de Commissie een tussentijdse evaluatie van de Fondsen uitvoeren. Op het einde van de programmeringsperiode moet de Commissie evaluaties achteraf uitvoeren van de Fondsen, die moeten toegespitst zijn op de effecten van de Fondsen. De resultaten van deze evaluaties moeten openbaar worden gemaakt.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Wat betreft de aan begunstigden verleende subsidies, moeten lidstaten steeds vaker gebruik maken van vereenvoudigde kostenopties. De drempel voor het verplichte gebruik van vereenvoudigde kostenopties moet worden gekoppeld aan de totale kosten van de concrete actie om ervoor te zorgen dat alle concrete acties onder de drempelwaarde op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of het gaat om publieke of particuliere steun.
(34)  Wat betreft de aan begunstigden verleende subsidies, moeten lidstaten steeds vaker gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties. De drempel voor het verplichte gebruik van vereenvoudigde kostenopties moet worden gekoppeld aan de totale kosten van de concrete actie om ervoor te zorgen dat alle concrete acties onder de drempelwaarde op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of het gaat om publieke of particuliere steun. Wanneer een lidstaat voornemens is het gebruik van vereenvoudigde kostenopties voor te stellen, kan hij het toezichtcomité raadplegen.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Om de benutting van medegefinancierde milieu-investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën met het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie, in het bijzonder door strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten.
(36)  Om de benutting van medegefinancierde milieu-investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën met het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie, in het bijzonder door strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten, evenals projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa en andere programma's van de Unie.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Om ervoor te zorgen dat de Fondsen een doeltreffend, billijk en duurzaam effect sorteren, zijn bepalingen nodig die het duurzame karakter van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen garanderen, en voorkomen dat de Fondsen worden gebruikt om een onrechtmatig voordeel te behalen. De beheersautoriteiten moeten in het bijzonder erop letten om geen verplaatsing te ondersteunen bij de selectie van concrete acties en om bedragen die ten onrechte zijn betaald aan concrete acties zonder te voldoen aan de duurzaamheidsvereiste als onregelmatigheden te behandelen.
(38)  Om ervoor te zorgen dat de Fondsen een inclusief, doeltreffend, billijk en duurzaam effect sorteren, zijn bepalingen nodig die het niet-discriminerende en duurzame karakter van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen garanderen, en voorkomen dat de Fondsen worden gebruikt om een onrechtmatig voordeel te behalen. De beheersautoriteiten moeten in het bijzonder erop letten om geen verplaatsing te ondersteunen bij de selectie van concrete acties en om bedragen die ten onrechte zijn betaald aan concrete acties zonder te voldoen aan de duurzaamheidsvereiste als onregelmatigheden te behandelen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd naar synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument. Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen.
(40)  Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd naar synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument. Deze beleidscoördinatie moet gebruiksvriendelijke mechanismen en meerlagig bestuur bevorderen. Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 bis (nieuw)
(42 bis)   De beheersautoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om financieringsinstrumenten uit te voeren via onderhandse gunning van een opdracht aan de EIB-groep, aan nationale stimuleringsbanken en aan internationale financiële instellingen (IFI's).
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Met volledige inachtneming van de toepasselijke regels inzake staatssteun en openbare aanbestedingen, die reeds verduidelijkt werden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moeten de beheersautoriteiten kunnen beslissen over de meeste geschikte uitvoeringsopties voor financiële instrumenten om de specifieke behoeften van de doelregio's aan te pakken.
(44)  Met volledige inachtneming van de toepasselijke regels inzake staatssteun en openbare aanbestedingen, die reeds verduidelijkt werden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moeten de beheersautoriteiten kunnen beslissen over de meeste geschikte uitvoeringsopties voor financieringsinstrumenten om de specifieke behoeften van de doelregio's aan te pakken. In dit kader moet de Commissie, in samenwerking met de Europese Rekenkamer, richtsnoeren geven aan de controleurs, beheersautoriteiten en begunstigden voor de beoordeling van de naleving van de regels inzake staatssteun en voor de ontwikkeling van regelingen voor staatssteun.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 45 bis (nieuw)
(45 bis)   Om de verantwoording en transparantie te vergroten, moet de Commissie voorzien in een systeem voor klachtenbehandeling dat in alle voorbereidings- en uitvoeringsfasen van de programma's, met inbegrip van het toezicht en de evaluatie, toegankelijk is voor alle burgers en belanghebbenden.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen van de vorige programmeringsperiode worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet - waar nodig, aangepast - gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is.
(46)  Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen, met inbegrip van bestuurlijke en IT-systemen, van de vorige programmeringsperiode indien mogelijk worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet - waar nodig, aangepast - gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 48 bis (nieuw)
(48 bis)  Om het doeltreffende gebruik van de Fondsen te ondersteunen, moet elke lidstaat op verzoek kunnen beschikken over de EIB-steun. Deze kan betrekking hebben op capaciteitsopbouw, op steun bij de identificatie, voorbereiding en uitvoering van projecten en op advies over financieringsinstrumenten en investeringsplatformen.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 50
(50)  Om te zorgen voor een passend evenwicht tussen de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en de hieraan gerelateerde administratieve kosten en lasten, moeten de frequentie, reikwijdte en dekking van beheersverificaties gebaseerd zijn op een risicobeoordeling die rekening houdt met factoren zoals het soort uitgevoerde concrete acties, de begunstigden en het door vorige beheersverificaties en audits vastgestelde risiconiveau.
(50)  Om te zorgen voor een passend evenwicht tussen de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en de hieraan gerelateerde administratieve kosten en lasten, moeten de frequentie, reikwijdte en dekking van beheersverificaties gebaseerd zijn op een risicobeoordeling die rekening houdt met factoren zoals het soort uitgevoerde concrete acties, het aantal concrete acties en de complexiteit ervan, de begunstigden en het door vorige beheersverificaties en audits vastgestelde risiconiveau. De beheers- en controlemaatregelen voor de Fondsen moeten in verhouding staan tot het niveau van het risico voor de begroting van de Unie.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 58
(58)  Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden met inbegrip van fraude door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. Voorts kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/201318 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/9519 en nr. 2185/9620 administratieve onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/193921 kan het Europees Openbaar Ministerie fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, onderzoeken en vervolgens zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/137122 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Lidstaten moeten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verleent aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgt dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Lidstaten moet bij de Commissie verslag uitbrengen over de geconstateerde onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, alsook over de follow-up die zij hieraan hebben gegeven en over de follow-up van de OLAF-onderzoeken.
(58)  Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden met inbegrip van fraude door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. Voorts kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/201318 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/9519 en nr. 2185/9620 administratieve onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/193921 kan het Europees Openbaar Ministerie fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, onderzoeken en vervolgen zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/137122 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Lidstaten moeten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verleent aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgt dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Lidstaten moeten bij de Commissie een gedetailleerd verslag indienen over de geconstateerde onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, alsook over de follow-up die zij hieraan hebben gegeven en over de follow-up van de OLAF-onderzoeken. Lidstaten die niet deelnemen aan de nauwere samenwerking in het kader van het EOM, moeten bij de Commissie verslag uitbrengen over de besluiten van de nationale strafvervolgingsautoriteiten in verband met onregelmatigheden die gevolgen hebben voor de begroting van de Unie.
__________________
__________________
18 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
18 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
19 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
19 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
20 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
20 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
21 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM"), PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
21 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM"), PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
22 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
22 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 61
(61)  Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio's en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio's in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad23, gewijzigd door Verordening (EGnr. 868/2014 van de Commissie24.
(61)  Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio's en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio's in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad23, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU2016/2066 van de Commissie24.
__________________
__________________
23 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
23 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
24 Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie van 8 augustus 2014 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 241 van 13.8.2014, blz. 1).
24 Verordening (EU) 2016/2066 van de Commissie van 21 november 2016 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 322 van 29.11.2016, blz. 1).
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 62
(62)  Met het oog op de vaststelling van een passend financieel kader voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" vaststellen samen de lijst van de subsidiabele regio's en de toewijzingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg). Rekening houdende met het feit dat de nationale toewijzingen van lidstaten moeten worden vastgesteld op basis in 2018 beschikbare statistische gegevens en prognoses en gezien de onzekerheden rond de prognoses moet de Commissie de totale toewijzingen van alle lidstaten in 2024 herzien op basis van meest recente statistieken die op dat moment beschikbaar zijn en als het gecumuleerde verschil meer bedraagt dan +/-5 %, moeten de toewijzingen voor de jaren 2025 tot 2027 worden aangepast om ervoor te zorgen dat de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de technische aanpassing worden weerspiegeld in de programmawijzigingen die dan tot stand komen.
(62)  Met het oog op de vaststelling van een passend financieel kader voor het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Cohesiefonds moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" vaststellen samen de lijst van de subsidiabele regio's en de toewijzingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg). Rekening houdend met het feit dat de nationale toewijzingen van lidstaten moeten worden vastgesteld op basis van de in 2018 beschikbare statistische gegevens en prognoses en gezien de onzekerheden rond de prognoses moet de Commissie de totale toewijzingen van alle lidstaten in 2024 herzien op basis van de meest recente statistieken die op dat moment beschikbaar zijn en als het gecumuleerde verschil meer bedraagt dan +/- 5 %, moeten de toewijzingen voor de jaren 2025 tot 2027 worden aangepast om ervoor te zorgen dat de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de technische aanpassing worden weerspiegeld in de programmawijzigingen die dan tot stand komen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 63
(63)  Projecten met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken zullen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe CEF-verordening]25 ook in het vervolg uit het Cohesiefonds worden gefinancierd, zowel via gedeeld beheer als via de modaliteit voor directe uitvoering in het kader van de Connecting Europe Facility ("CEF"). Voortbouwend op de succesvolle benadering van de programmeringsperiode 2014-2020 moet met het oog hierop een bedrag van 10 000 000 000 EUR van het Cohesiefonds worden overgedragen naar het CEF.
(63)  Projecten met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken zullen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe CEF-verordening]25 ook in het vervolg uit het Cohesiefonds worden gefinancierd, zowel via gedeeld beheer als via de modaliteit voor directe uitvoering in het kader van de Connecting Europe Facility ("CEF"). Voortbouwend op de succesvolle benadering van de programmeringsperiode 2014-2020 moet met het oog hierop een bedrag van 4 000 000 000 EUR van het Cohesiefonds worden overgedragen naar het CEF.
__________________
__________________
25 Verordening (EU) [...] van het Europees Parlement en de Raad van [...] met betrekking tot [CEF ] (PB L [...] van [...], blz. [...]).
25 Verordening (EU) [...] van het Europees Parlement en de Raad van [...] met betrekking tot [CEF ] (PB L [...] van [...], blz. [...]).
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 64
(64)  Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het Stedelijk Europa"-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd.
(64)  Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het "Stedelijk Europa"-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd. In de toekomst moet verder worden nagedacht over de specifieke steun die wordt verleend aan achtergestelde regio's en gemeenschappen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 65 bis (nieuw)
(65 bis)   Om de in het zevende cohesieverslag1 bis beschreven uitdagingen voor regio's met een gemiddeld inkomen aan te pakken (lage groei in vergelijking met meer ontwikkelde regio's, maar ook in vergelijking met minder ontwikkelde regio's, met name een probleem in regio's met een bbp per hoofd van 90 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27), moeten "overgangsregio's" toereikende steun ontvangen en omschreven worden als regio's waarvan het bbp per hoofd 75 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt.
___________________
1 bis Het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst: Het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie" (COM(2017)0583 final van 9 oktober 2017).
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 66 bis (nieuw)
(66 bis)  Vanwege hun geografische ligging en de aard en/of intensiteit van hun handelsbetrekkingen zullen verschillende regio's en lidstaten meer dan de andere te maken krijgen met de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Daarom is het belangrijk om ook in het kader van het cohesiebeleid praktische oplossingen te vinden voor steun om de uitdagingen voor de betrokken regio's en lidstaten aan te pakken zodra de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden. Bovendien zal een permanente samenwerking tot stand moeten komen, waarbij de lokale en regionale autoriteiten en lidstaten die het hardst getroffen worden informatie en goede praktijken uitwisselen.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 67
(67)  De maximale medefinancieringspercentages op het vlak van het cohesiebeleid moeten per regiocategorie worden vastgesteld teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van medefinanciering door middel van een passend niveau van publieke of private nationale steunverlening in acht wordt genomen. Deze percentages moet een weerspiegeling zijn van het niveau van economische ontwikkeling van regio's op het vlak van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27.
(67)  De maximale medefinancieringspercentages op het vlak van het cohesiebeleid moeten per regiocategorie worden vastgesteld teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van medefinanciering door middel van een passend niveau van publieke of private nationale steunverlening in acht wordt genomen. Deze percentages moeten een weerspiegeling zijn van het niveau van economische ontwikkeling van regio's op het vlak van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat verschuivingen van categorie niet tot een minder gunstige behandeling leiden.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 69
(69)  Voorst moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de onregelmatigheden die moeten worden gemeld, de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houd met kosten die van toepassing zijn op alle lidstaten alsook de vaststelling van gestandaardiseerde vlot inzetbare steekproefmethoden.
(69)  Voorts moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de wijziging van de Europese gedragscode inzake partnerschap teneinde de code aan te passen aan deze verordening, en met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de onregelmatigheden die moeten worden gemeld, de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten die van toepassing zijn op alle lidstaten alsook de vaststelling van gestandaardiseerde vlot inzetbare steekproefmethoden.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 70
(70)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden de nodige raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(70)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden met alle belanghebbenden de nodige transparante raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 73
(73)  De doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de economische, sociale en territoriale samenhang en het vaststellen van gemeenschappelijke financiële regels voor het deel van de begroting van de Unie dat in het kader van gedeeld beheer wordt uitgevoerd, kan vanwege enerzijds de mate van ongelijkheid tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de achterstand van de minst begunstigde regio's en de beperktheid van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's, en anderzijds wegens de noodzaak voor een samenhangend uitvoeringskader dat betrekking heeft op verscheidene fondsen van de Unie onder gedeeld beheer, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(73)  De doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de economische, sociale en territoriale samenhang en het vaststellen van gemeenschappelijke financiële regels voor het deel van de begroting van de Unie dat in het kader van gedeeld beheer wordt uitgevoerd, kan vanwege enerzijds de mate van ongelijkheid tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de specifieke uitdagingen voor de minst begunstigde regio's en de beperktheid van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's, en anderzijds wegens de noodzaak voor een samenhangend uitvoeringskader dat betrekking heeft op verscheidene fondsen van de Unie onder gedeeld beheer, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter a
(a)  de financiële regels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") (hierna "de Fondsen" genoemd)
(a)  de financiële regels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling ("Elfpo"), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") (hierna "de Fondsen" genoemd);
Amendement 431
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter b
b)  gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV.
b)  gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds, het EFMZV en het Elfpo als voorgeschreven in lid 1 bis van dit artikel.
Amendement 432
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Titel I, hoofdstuk I, artikel 2, lid 4 bis, hoofdstuk II, artikel 5, titel III, hoofdstuk II, de artikelen 22 tot en met 28, en titel IV, hoofdstuk III, afdeling I, de artikelen 41 tot en met 43, zijn van toepassing op door het Elfpo gefinancierde steunmaatregelen, en titel I, hoofdstuk I, artikel 2, leden 15 tot en met 25, en titel V, hoofdstuk II, afdeling II, de artikelen 52 tot en met 56 zijn van toepassing op de in artikel 74 van Verordening (EU) .../... [verordening strategische GLB-plannen] bedoelde financiële instrumenten die in het kader van het Elfpo worden ondersteund.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
(1)  "relevante landspecifieke aanbevelingen": aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2 en artikel 148, lid 4, VWEU in verband met de structurele uitdagingen die behoren te worden aangepakt via meerjarige investeringen die onder het toepassingsgebied vallen van de Fondsen zoals beschreven in de fondsspecifieke verordeningen, en de desbetreffende aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel [XX] van Verordening (EU) nr. [nummer van de nieuwe verordening inzake governance van de energie-unie] van het Europees Parlement en de Raad;
(1)  "relevante landspecifieke aanbevelingen": aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, leden 2 en 4, en artikel 148, lid 4, VWEU in verband met de structurele uitdagingen die behoren te worden aangepakt via meerjarige investeringen die onder het toepassingsgebied vallen van de Fondsen zoals beschreven in de fondsspecifieke verordeningen, en de desbetreffende aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel [XX] van Verordening (EU) nr. [nummer van de nieuwe verordening inzake governance van de energie-unie] van het Europees Parlement en de Raad;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
(1 bis)   "randvoorwaarde": een concrete en nauwkeurig omschreven voorwaarde die daadwerkelijk verband houdt met een rechtstreeks effect op de doeltreffende en efficiënte verwezenlijking van een specifieke doelstelling van het programma;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  "programma": in de context van het Elfpo, de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) [...] (de "Verordening inzake strategische GLB‑plannen");
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8 – letter c
(c)  in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt;
(c)  in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt, behalve wanneer de steun per instantie minder dan 200 000 EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd de Verordeningen (EU) nr. 1407/20131 bis, (EU) nr. 1408/20131 ter en (EU) nr. 717/2014 van de Commissie1 quater;
__________________
1 bis PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1.
1 ter PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9.
1 quater PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
(9)  "fonds voor kleinschalige projecten": een concrete actie in een Interreg-programma die gericht is op de selectie en uitvoering van projecten van beperkte financiële omvang;
(9)  "fonds voor kleinschalige projecten": een concrete actie in een Interreg-programma die gericht is op de selectie en uitvoering van projecten, met inbegrip van people-to-people-projecten, van beperkte financiële omvang;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21
(21)  "specifiek fonds": een fonds dat door een beheersautoriteit of een holdingfonds is opgericht om financiële producten te verstrekken voor de eindontvangers;
(21)  "specifiek fonds": een fonds dat door een beheersautoriteit of een holdingfonds is opgericht, waarmee zij financiële producten verstrekken voor de eindontvangers;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 36 bis (nieuw)
(36 bis)  "beginsel energie-efficiëntie eerst": dat bij het nemen van alle besluiten over energieplanning, ‑beleid en ‑investeringen prioriteit wordt gegeven aan maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 37
(37)  "klimaatbestendig maken": een proces dat ervoor moet zorgen dat infrastructuur bestendig is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering overeenkomstig nationale regelgeving en richtsnoeren en in voorkomend geval internationaal erkende normen.
(37)  "klimaatbestendig maken": een proces dat ervoor moet zorgen dat infrastructuur bestendig is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering overeenkomstig internationaal erkende normen of nationale regelgeving en richtsnoeren, in voorkomend geval, dat het beginsel energie-efficiëntie eerst in acht wordt genomen en dat scenario's voor specifieke emissiereductie en decarbonisatie worden gekozen;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 37 bis (nieuw)
(37 bis)  "EIB": de Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds of een eventuele dochterinstelling van de Europese Investeringsbank.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter a
(a)  een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie;
(a)  een competitiever en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en door de versterking van kleine en middelgrote ondernemingen;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter b
(b)  een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer;
(b)  een Europa dat groen en veerkrachtig is en koolstofarm en dat de overgang maakt naar een koolstofneutrale economie, door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter c
(c)  een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit;
(c)  een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, met inbegrip van slimme en duurzame mobiliteit, en regionale ICT-connectiviteit;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d
(d)  een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;
(d)  een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter e
(e)  een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen.
(e)  een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van alle regio's, gebieden en lokale initiatieven te bevorderen.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  De lidstaten verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I.
3.  De lidstaten zorgen ervoor relevante concrete acties tijdens het gehele plannings- en uitvoeringsproces klimaatbestendig te maken en verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  De lidstaten en de Commissie zorgen voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij zullen de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, optimaliseren om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen.
4.  Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden en in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en meerlagig bestuur, zorgen de lidstaten en de Commissie voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij optimaliseren de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de relevante staatssteunregels in acht worden genomen.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten en de Commissie voeren de begroting van de Unie die is toegewezen aan de Fondsen in gedeeld beheer uit overeenkomstig artikel [63] van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe financieel reglement] (hierna "het financieel reglement" genoemd).
1.  De lidstaten, in overeenstemming met hun institutionele en juridische kader, en de Commissie voeren de begroting van de Unie die is toegewezen aan de Fondsen in gedeeld beheer uit overeenkomstig artikel [63] van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe financieel reglement] (hierna "het financieel reglement" genoemd).
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De Commissie zorgt evenwel voor de uitvoering van het steunbedrag dat van het Cohesiefonds naar de Connecting Europe Facility (CEF), het Europees Urban-initiatief, interregionale innovatieve investeringen wordt overgedragen, het steunbedrag dat wordt overgedragen van het ESF+ naar transnationale samenwerking, de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU37 en technische bijstand op initiatief van de Commissie in direct of indirect beheer overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a) en c)] van het financieel reglement.
2.   Onverminderd artikel 1, lid 2, zorgt de Commissie voor de uitvoering van het steunbedrag dat van het Cohesiefonds naar de Connecting Europe Facility (CEF), het Europees Urban-initiatief, interregionale innovatieve investeringen wordt overgedragen, het steunbedrag dat wordt overgedragen van het ESF+ naar transnationale samenwerking, de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU37 en technische bijstand op initiatief van de Commissie in direct of indirect beheer overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a) en c)] van het financieel reglement.
_________________
_________________
37 [Verordening (EU) nr. [...] van [...] (PB L […] van […], blz. […])].
37 [Verordening (EU) nr. [...] van [...] (PB L […] van […], blz. […])].
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  De Commissie kan de samenwerking met ultraperifere gebieden in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) uitvoeren onder direct beheer.
3.  De Commissie kan, met instemming van de lidstaat en de betrokken regio, de samenwerking met ultraperifere gebieden in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) uitvoeren onder indirect beheer.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.  Elke lidstaat organiseert een partnerschap met de bevoegde regionale en lokale autoriteiten. Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:
1.  Elke lidstaat organiseert voor de partnerschapsovereenkomst en voor elk programma, in overeenstemming met zijn institutionele en juridische kader, een volwaardig en doeltreffend partnerschap. Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a
(a)  stedelijke en andere overheden;
(a)  regionale, lokale, stedelijke en andere overheden;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter c
(c)  de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, milieupartners en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.
(c)  de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)   onderzoeksinstellingen en universiteiten, in voorkomend geval.
Amendementen 78 en 459
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  De lidstaten betrekken deze partners volgens het beginsel van meerlagig bestuur bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten alsook gedurende de voorbereiding en de uitvoering van programma's, onder meer door middel van deelname aan de toezichtcomités overeenkomstig artikel 34.
2.  De lidstaten betrekken deze partners volgens het beginsel van meerlagig bestuur en volgens een bottom-upbenadering bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten alsook gedurende de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van programma's, onder meer door middel van deelname aan de toezichtcomités overeenkomstig artikel 34. In dit verband wijzen de lidstaten een passend percentage van de middelen uit de Fondsen toe voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit van de sociale partners en maatschappelijke organisaties. Indien het grensoverschrijdende programma’s betreft, betrekken de betrokken lidstaten de partners uit alle deelnemende lidstaten erbij.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3
3.  De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie38.
3.  De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie38. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 107 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 om die gedelegeerde verordening aan te passen aan deze verordening.
_________________
_________________
38 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
38 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4
4.  Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen, over de uitvoering van programma's.
4.  Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen over de uitvoering van programma's en brengt zij verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over het resultaat daarvan.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Horizontale beginselen
1.  De lidstaten en de Commissie zorgen bij de uitvoering van de Fondsen voor de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.  De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de gelijkheid van vrouwen en mannen, gendermainstreaming en de integratie van het genderperspectief worden meegewogen en bevorderd tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's, onder meer op het vlak van toezicht, rapportage en evaluatie.
3.  De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bij de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht op, de rapportage over en de evaluatie van programma's te voorkomen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt met name rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een handicap.
4.  De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, en in overeenstemming met de bevordering door de Unie van de doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en bestrijding van klimaatverandering, rekening houdend met het beginsel dat de vervuiler betaalt, als vastgesteld in artikel 191, leden 1 en 2, VWEU.
De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat bij de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt bijgedragen tot milieubescherming, efficiënt gebruik van hulpbronnen, het beginsel energie-efficiëntie eerst, een sociaal rechtvaardige energietransitie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, biodiversiteit, herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en risicobeheer. Zij trachten investeringen te voorkomen die verband houden met de productie, verwerking, distributie, opslag of verbranding van fossiele brandstoffen.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Elke lidstaat bereidt een partnerschapsovereenkomst voor waarin de regels zijn opgenomen om de Fondsen op doeltreffende en doelmatige wijze te gebruiken voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027.
1.  Elke lidstaat bereidt een partnerschapsovereenkomst voor waarin de regels zijn opgenomen om de Fondsen op doeltreffende en doelmatige wijze te gebruiken voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027. Een dergelijke partnerschapsovereenkomst wordt voorbereid in overeenstemming met de gedragscode die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  De lidstaat dient de partnerschapsovereenkomst in bij de Commissie vóór of tegelijkertijd met de indiening van het eerste programma.
2.  De lidstaat dient de partnerschapsovereenkomst in bij de Commissie vóór of tegelijkertijd met de indiening van het eerste programma, en uiterlijk op 30 april 2021.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  De partnerschapsovereenkomst kan samen met het desbetreffende jaarlijkse nationale hervormingsprogramma worden ingediend.
3.  De partnerschapsovereenkomst kan samen met het desbetreffende jaarlijkse nationale hervormingsprogramma en het nationale energie- en klimaatplan worden ingediend.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter a
(a)  de geselecteerde beleidsdoelstellingen waarbij wordt aangegeven met welke Fondsen en programma's zij zullen worden nagestreefd en een motivering daarvan, en in voorkomend geval, een motivering voor het gebruik van het uitvoeringsmodel van InvestEU, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen;
(a)  de geselecteerde beleidsdoelstellingen waarbij wordt aangegeven met welke Fondsen en programma's zij zullen worden nagestreefd en een motivering daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met en een opsomming wordt gegeven van de relevante landspecifieke aanbevelingen evenals de regionale uitdagingen;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt i
(i)  een samenvatting van de beleidskeuzes en de belangrijkste resultaten die voor elk van de Fondsen wordt verwacht, onder meer, in voorkomend geval, door het gebruik van InvestEU;
(i)  een samenvatting van de beleidskeuzes en de belangrijkste resultaten die voor elk van de Fondsen wordt verwacht;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt ii
(ii)  coördinatie, afbakening en complementariteit tussen de Fondsen en in voorkomend geval, coördinatie tussen nationale en regionale programma's;
(ii)  coördinatie, afbakening en complementariteit tussen de Fondsen en in voorkomend geval, coördinatie tussen nationale en regionale programma's, met name met betrekking tot de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) [...] (de "Verordening inzake strategische GLB-plannen");
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt iii
(iii)  complementariteit tussen de Fondsen en andere instrumenten de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten;
(iii)  complementariteit en synergie tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten, en, in voorkomend geval, projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt iii bis (nieuw)
(iii bis)   verwezenlijking van doelstellingen, beleid en maatregelen in het kader van de nationale energie- en klimaatplannen;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter c
(c)  de voorlopige financiële toewijzing voor elk van de Fondsen per beleidsdoelstelling op nationaal niveau, waarbij wordt rekening gehouden met fondsspecifieke doelstellingen inzake thematische concentratie;
(c)  de voorlopige financiële toewijzing voor elk van de Fondsen per beleidsdoelstelling op nationaal en in voorkomend geval op regionaal niveau, waarbij rekening wordt gehouden met fondsspecifieke doelstellingen inzake thematische concentratie;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter d
(d)  in voorkomend geval, de opsplitsing van financiële middelen per categorie van regio's opgesteld overeenkomstig artikel 102, lid 2 en de bedragen van de voorgestelde toewijzingen die moeten worden overgedragen tussen categorieën van regio's overeenkomstig artikel 105;
(d)  de opsplitsing van financiële middelen per regiocategorie, opgesteld overeenkomstig artikel 102, lid 2, en de bedragen van de voorgestelde toewijzingen die moeten worden overgedragen tussen regiocategorieën overeenkomstig artikel 105;
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter e
(e)  de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU;
Schrappen
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g
(g)  een samenvatting van de acties die de desbetreffende lidstaat zal ondernemen om de administratieve capaciteit van de uitvoering van de Fondsen te versterken.
(g)  een samenvatting van de acties die de desbetreffende lidstaat zal ondernemen om de bestuurlijke capaciteit van de uitvoering van de Fondsen en zijn beheers- en controlesysteem te versterken.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g bis (nieuw)
(g bis)   in voorkomend geval een geïntegreerde benadering om de demografische uitdagingen van regio's en gebieden het hoofd te bieden en/of te voorzien in hun specifieke behoeften;
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g ter (nieuw)
(g ter)   een communicatie- en zichtbaarheidsstrategie.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 bis (nieuw)
De EIB kan op verzoek van de lidstaten deelnemen aan de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomst, alsook aan activiteiten in verband met de voorbereiding van concrete acties, financieringsinstrumenten en PPP's.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 2
Met betrekking tot de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) bevat de partnerschapsovereenkomst alleen de lijst van geplande programma's.
Met betrekking tot de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) bevat de partnerschapsovereenkomst alleen de lijst van geplande programma's en de grensoverschrijdende investeringsbehoeften in de betrokken lidstaat.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen.
1.  De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met de bepalingen van de artikelen 4 en 6, de relevante landspecifieke aanbevelingen, evenals de maatregelen in verband met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de manier waarop deze worden aangepakt.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop de partnerschapovereenkomst door de lidstaat is ingediend haar opmerkingen doen toekomen.
2.  De Commissie kan binnen twee maanden na de datum waarop de partnerschapovereenkomst door de lidstaat is ingediend haar opmerkingen doen toekomen.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
3.  De lidstaat evalueert de partnerschapsovereenkomst en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.
3.  De lidstaat evalueert de partnerschapsovereenkomst en houdt rekening met de binnen een maand na de datum van indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4
4.  Uiterlijk vier maanden na indiening van de partnerschapsovereenkomst door de desbetreffende lidstaat stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van de partnerschapovereenkomst. De partnerschapovereenkomst wordt niet gewijzigd.
4.  Uiterlijk vier maanden na de eerste indiening van de partnerschapsovereenkomst door de desbetreffende lidstaat stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van de partnerschapovereenkomst. De partnerschapovereenkomst wordt niet gewijzigd.
Amendement 428
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  Lidstaten kunnen in de partnerschapsovereenkomst of in het verzoek tot wijziging van een programma het bedrag van EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Het aan InvestEU bij te dragen bedrag mag niet meer bedragen dat 5 % van de totale toewijzing van elk Fonds, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Dergelijke bijdragen zijn geen overdrachten van middelen overeenkomstig artikel 21.
1.  Vanaf 1 januari 2023 kunnen lidstaten, met instemming van de betrokken beheersautoriteiten, in het verzoek tot wijziging van een programma een bedrag van maximaal 2 % van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Verder kan maximaal 3 % van de totale toewijzing van elk Fonds aan InvestEU worden toegewezen in het kader van de tussentijdse evaluatie. Dergelijke bijdragen zijn beschikbaar voor investeringen die stroken met de doelstellingen van het cohesiebeleid en die bestemd zijn voor dezelfde regiocategorie als de middelen uit de oorspronkelijke Fondsen. Indien een bedrag van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds wordt bijgedragen aan InvestEU, zijn de in artikel 11 en in de bijlagen III en IV bij deze verordening beschreven randvoorwaarden van toepassing. Toewijzingen zijn alleen mogelijk voor middelen van toekomstige kalenderjaren.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.   Voor de partnerschapsovereenkomst kunnen middelen van het huidige en toekomstige kalenderjaar worden toegewezen. Voor een verzoek tot wijziging van een programma kunnen alleen middelen van toekomstige kalenderjaren worden toegewezen.
Schrappen
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.  Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de lidstaat.
3.  Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de respectieve lidstaat.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 1
Indien vóór 31 december 2021 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in de partnerschapsovereenkomst, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma of programma's in, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag.
Indien uiterlijk op 31 december 2023 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma of programma's in, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 2
De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een programma, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het programma gesloten.
De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een programma, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het programma gesloten of, naargelang van het geval, gewijzigd.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 5
5.  Indien binnen negen maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], is gesloten, worden de respectievelijke bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar een programma of programma's en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot programmawijziging in.
5.  Indien binnen negen maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], is gesloten, worden de respectievelijke bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar het oorspronkelijke programma of de oorspronkelijke programma's en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot programmawijziging in. In dit specifieke geval kunnen de middelen van afgelopen kalenderjaren worden gewijzigd, zolang de vastleggingen nog niet zijn uitgevoerd.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 7
7.  De middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financiële instrumenten.
7.  De middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en de bij de bijdrage betrokken lokale of regionale autoriteit en gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financieringsinstrumenten.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1
Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden ("randvoorwaarden") vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan.
Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden ("randvoorwaarden") vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan. De randvoorwaarden zijn van toepassing voor zover zij bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Bij de voorbereiding van een programma of de invoering van een nieuwe specifieke doelstelling als onderdeel van een programmawijziging, beoordeelt de lidstaat of de randvoorwaarden die samenhangen met de geselecteerde specifieke doelstelling, zijn vervuld. Een randvoorwaarde is vervuld wanneer is voldaan aan alle gerelateerde criteria. De lidstaat identificeert in elk programma of in de programmawijziging de vervulde en niet-vervulde randvoorwaarden en wanneer de lidstaat van oordeel is dat een randvoorwaarde is vervuld, wordt dit door de lidstaat gemotiveerd.
2.  Bij de voorbereiding van een programma of de invoering van een nieuwe specifieke doelstelling als onderdeel van een programmawijziging, beoordeelt de lidstaat of de randvoorwaarden die samenhangen met de geselecteerde specifieke doelstelling, zijn vervuld. Een randvoorwaarde is vervuld wanneer is voldaan aan alle gerelateerde criteria. De lidstaat identificeert in elk programma of in de programmawijziging de vervulde en niet-vervulde randvoorwaarden en wanneer de lidstaat van oordeel is dat een randvoorwaarde is vervuld, wordt dit door de lidstaat gemotiveerd. Op verzoek van een lidstaat kan de EIB bijdragen aan de beoordelingen van de acties die nodig zijn om aan de relevante randvoorwaarden te voldoen.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 – alinea 1
Binnen drie maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij de lidstaat ervan in kennis of zij akkoord gaat met de naleving.
Binnen twee maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij de lidstaat ervan in kennis of zij akkoord gaat met de naleving.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 – alinea 2
Wanneer de Commissie het oneens is met de beoordeling van de lidstaat, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van één maand kenbaar te maken.
Wanneer de Commissie het oneens is met de beoordeling van de lidstaat, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van maximaal twee maanden kenbaar te maken.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 5 – alinea 1
Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen niet worden opgenomen in de betalingsaanvragen totdat de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4.
Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen worden opgenomen in de betalingsaanvragen vóór de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4, onverminderd de schorsing van de vergoeding zelf totdat de voorwaarde is vervuld.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – alinea 1
De lidstaat stelt een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen.
De lidstaat stelt, in voorkomend geval in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  Mijlpalen en doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel [4(c)(vii)] van de ESF+ Verordening bedoelde specifieke doelstelling voor de aanpak van materiële deprivatie.
2.  Mijlpalen en doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel [4, lid 1, onder xi),] van de ESF+ Verordening bedoelde specifieke doelstelling voor de aanpak van materiële deprivatie.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – inleidende formule
1.  Voor de programma's ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verricht de lidstaat een evaluatie van elk programma, rekening houdende met de volgende punten:
1.  Voor de programma's ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verrichten de lidstaat en de bevoegde beheersautoriteiten een evaluatie van elk programma, rekening houdend met de volgende punten:
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter a
(a)  de in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen;
(a)  nieuwe, in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen, en de doelstellingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien relevant;
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter b
(b)  de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio;
(b)  de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio, met inbegrip van de stand van zaken bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en territoriale behoeften met het oog op de vermindering van verschillen, evenals economische en sociale ongelijkheden;
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  alle belangrijke negatieve financiële, economische of sociale ontwikkelingen die een aanpassing van het programma noodzakelijk maken, bijvoorbeeld naar aanleiding van symmetrische of asymmetrische schokken in de lidstaten en hun regio's.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1
De lidstaat dient uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek tot wijziging van elk programma in overeenkomstig artikel 19, lid 1. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten.
Afhankelijk van het resultaat van de herziening dient de lidstaat uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek in tot wijziging van elk programma overeenkomstig artikel 19, lid 1, of stelt de lidstaat dat er geen wijzigingen nodig zijn. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten, of motiveert in voorkomend geval waarom hij niet om wijziging van een programma verzoekt.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2 – letter a
(a)  de toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027;
(a)  de herziene initiële toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027;
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis)   de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU, in voorkomend geval;
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De Commissie stelt uiterlijk op 31 maart 2026 een verslag vast met een samenvatting van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde evaluatie. De Commissie legt het verslag voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendementen 425/rev, 444/rev, 448 en 469
Voorstel voor een verordening
Artikel 15
[...]
Schrappen
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
1.  De lidstaten bereiden programma's voor voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
1.  De lidstaten bereiden programma's voor in samenwerking met de in artikel 6 bedoelde partners voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 – alinea 1
Een programma bestaat uit prioriteiten. Elke prioriteit stemt overeen met één beleidsdoelstelling of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Met eenzelfde beleidsdoelstelling kunnen meerdere prioriteiten overeenstemmen.
Een programma bestaat uit prioriteiten. Elke prioriteit stemt overeen met een of meerdere beleidsdoelstellingen of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Met eenzelfde beleidsdoelstelling kunnen meerdere prioriteiten overeenstemmen.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt i
i)  economische, sociale en territoriale verschillen, behalve voor door het EFMZV ondersteunde programma's;
i)  economische, sociale en territoriale verschillen en ongelijkheden, behalve voor door het EFMZV ondersteunde programma's;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt ii
ii)  tekortkoming van de markt, investeringsbehoeften en een aanvulling op andere vormen van steun;
ii)  tekortkoming van de markt, investeringsbehoeften en een aanvulling op en synergieën met andere vormen van steun;
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt iii
iii)  uitdagingen die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en andere relevante aanbevelingen van de Unie aan de lidstaat;
iii)  uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen;
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt iv
iv)  uitdagingen op het vlak van administratieve capaciteit en bestuur;
iv)  uitdagingen op het vlak van administratieve capaciteit en bestuur en vereenvoudigingsmaatregelen;
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt iv bis (nieuw)
iv bis)   een geïntegreerde benadering voor de aanpak van demografische uitdagingen, in voorkomend geval;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt vi bis (nieuw)
vi bis)   uitdagingen en daarmee verband houdende doelstellingen die in de nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten zijn vastgesteld;
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt vii
vii)  voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's de vooruitgang met de uitvoering van het relevante EU-acquis en actieplannen;
vii)  voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's de vooruitgang met de uitvoering van het relevante EU-acquis en actieplannen, evenals de geconstateerde tekortkomingen;
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt i
i)  de gerelateerde soorten acties, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing
i)  de gerelateerde soorten acties, met inbegrip van een indicatieve lijst en een tijdschema voor de geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en de verwachte bijdrage daarvan aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing;
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt iii bis (nieuw)
iii bis)   acties ter waarborging van gelijkheid, inclusie en non-discriminatie;
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt v
v)  de interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;
v)  de interregionale, grensoverschrijdende en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt v bis (nieuw)
v bis)   de duurzaamheid van investeringen;
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt vii bis (nieuw)
vii bis)   een beschrijving van de wijze waarop complementariteit en synergieën met andere Fondsen en instrumenten moeten worden nagestreefd;
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter i
(i)  de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, de communicatieactiviteiten op sociale media, de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie;
(i)  de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, in voorkomend geval de communicatieactiviteiten op sociale media, evenals de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie;
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter j
(j)  de beheersautoriteit, de auditautoriteit en de instantie die de betalingen van de Commissie ontvangt.
(j)  de beheersautoriteit, de auditautoriteit, de instantie die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie overeenkomstig artikel 70, en de instantie die de betalingen van de Commissie ontvangt.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 2
De punten c) en d) van dit lid zijn niet van toepassing op in artikel 4, onder c), punt vii), van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling.
De punten c) en d) van dit lid zijn niet van toepassing op de in artikel [4, lid 1, onder xi),], van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 2 bis (nieuw)
Een milieurapport met relevante informatie over de effecten op het milieu overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG wordt als bijlage bij het programma gevoegd, rekening houdend met de behoeften ten aanzien van matiging van de klimaatverandering.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 6
6.  Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma's bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel uitsluitend de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025.
6.  Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma's bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2027.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1
1.  De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen.
1.  De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen, evenals met de relevante uitdagingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten, en met de manier waarop deze worden aangepakt.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2
2.  De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
2.  De Commissie kan binnen twee maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.
3.  De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 4
4.  De Commissie stelt uiterlijk zes maanden na indiening van het programma door de lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.
4.  De Commissie stelt uiterlijk vijf maanden na de eerste indiening van het programma door de lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
2.  De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen drie maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
2.  De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin die deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen twee maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
3.  De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.
3.  De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
4.  De Commissie keurt uiterlijk zes maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed.
4.  De Commissie keurt uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 5 – alinea 1
De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 % van de programmabegroting overdragen naar een ander fonds van hetzelfde programma. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma's heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie.
De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 7 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 5 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Fonds van hetzelfde programma. Daarbij neemt de lidstaat de gedragscode in acht die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma's heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 6
6.  Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het programma niet beïnvloeden, wordt geen goedkeuring van de Commissie vereist. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.
6.  Voor het corrigeren van tikfouten of louter technische of redactionele wijzigingen die de uitvoering van het programma niet beïnvloeden, wordt geen goedkeuring van de Commissie vereist. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2
2.  Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 % aan steun van deze fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren.
2.  Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 15 % aan steun van deze Fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander Fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1
1.  De lidstaten kunnen verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de fondsen naar een ander fonds in gedeeld beheer of naar een instrument in direct of indirect beheer.
1.  Met het oog op de flexibiliteit kunnen de lidstaten, indien het toezichtcomité van het programma daarmee instemt, verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de Fondsen naar het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds of het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij.
Amendementen 171 en 434
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2
2.  Overgedragen middelen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het fonds of instrument waarnaar de middelen worden overgedragen en, in het geval van overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer, ten voordele van de lidstaat in kwestie.
2.  Overgedragen middelen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het Fonds of instrument waarnaar de middelen worden overgedragen.
Amendementen 172, 433 en 434
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3
3.  In verzoeken op grond van artikel 1 wordt vastgesteld welk totaalbedrag jaarlijks wordt overgedragen per fonds en per regiocategorie; dergelijke verzoeken worden naar behoren gemotiveerd en gaan vergezeld van het herziene programma of de herziene programma's van waaruit overeenkomstig artikel 19 de middelen worden overgedragen, met vermelding van naar welk fonds of instrument zij worden overgedragen.
3.  In verzoeken op grond van artikel 1 wordt vastgesteld welk totaalbedrag jaarlijks wordt overgedragen per Fonds en per regiocategorie, in voorkomend geval; dergelijke verzoeken worden naar behoren gemotiveerd met het oog op de te verwezenlijken complementariteit en impact, en gaan vergezeld van het herziene programma of de herziene programma's vanwaaruit overeenkomstig artikel 19 de middelen worden overgedragen, met vermelding van naar welk Fonds of instrument zij worden overgedragen.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Titel 3 – hoofdstuk I bis (nieuw)
HOOFDSTUK I bis - Grote projecten
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 bis (nieuw)
Artikel 21 bis
Inhoud
In het kader van een of meer programma's kunnen het EFRO en het Cohesiefonds steun verlenen aan een concrete actie die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvat en die bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare taak van nauwkeurig omschreven economische of technische aard, met duidelijk omschreven doelen, te vervullen en waarvoor de totale subsidiabele kosten hoger zijn dan 100 miljoen EUR ("groot project"). Financieringsinstrumenten worden niet als grote projecten beschouwd.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 ter (nieuw)
Artikel 21 ter
Voor de goedkeuring van een groot project noodzakelijke informatie
Vooraleer een groot project wordt goedgekeurd, legt de beheersautoriteit de Commissie de volgende informatie voor:
a)  nadere gegevens betreffende de instantie die verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van het grote project en de capaciteit ervan;
b)  een beschrijving van de investering en de plaats van uitvoering;
c)  totale kosten en totale subsidiabele kosten;
d)  de uitgevoerde haalbaarheidsstudies, met inbegrip van de analyse van de opties en de resultaten;
e)  een kosten-batenanalyse, met inbegrip van een economische en financiële analyse, en een risicobeoordeling;
f)  een analyse van het milieueffect, waarin rekening wordt gehouden met de behoeften ten aanzien van aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering en herstelvermogen voor rampen;
g)  uitleg over de wijze waarop het grote project consistent is met de desbetreffende prioriteiten van het betrokken programma of de betrokken programma's, de verwachte bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van die prioriteiten en de verwachte bijdrage aan de sociaal-economische ontwikkeling;
h)  het financieringsplan, waarin het geplande totaalbedrag aan financiële middelen en de geplande steun uit de Fondsen, van de EIB en uit alle andere financieringsbronnen zijn aangegeven, met materiële en financiële indicatoren voor het toezicht op de vorderingen, rekening houdend met de vastgestelde risico's;
i)  het tijdschema voor de uitvoering van het grote project en, wanneer wordt verwacht dat de uitvoeringsperiode langer zal zijn dan de programmeringsperiode, de fasen waarvoor steun uit de Fondsen wordt gevraagd tijdens de programmeringsperiode.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 quater (nieuw)
Artikel 21 quater
Besluit over een groot project
1.  De Commissie beoordeelt het grote project aan de hand van de in artikel 21 ter bedoelde informatie, om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage voor het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project gerechtvaardigd is. De Commissie stelt uiterlijk drie maanden na indiening van de in artikel 21 ter bedoelde informatie bij uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project vast.
2.  De goedkeuring door de Commissie op grond van lid 1 is afhankelijk van de voorwaarde dat het eerste contract voor werken moet zijn gesloten, of, in het geval van in het kader van PPP-structuren uitgevoerde concrete acties, van de ondertekening van de PPP-overeenkomst tussen de overheidsinstantie en de private instantie binnen drie jaar na de datum van goedkeuring.
3.  Als de Commissie de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project niet goedkeurt, geeft zij de redenen daarvoor weer in haar besluit.
4.  Grote projecten die krachtens lid 1 ter goedkeuring worden ingediend, worden in de lijst van grote projecten van een programma opgenomen.
5.  Uitgaven voor grote projecten kunnen worden opgenomen in een betalingsaanvraag na de in lid 1 bedoelde indiening ter goedkeuring. Indien de Commissie het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project niet goedkeurt, wordt de uitgavendeclaratie na de intrekking van de aanvraag door de lidstaat of de vaststelling van het besluit van de Commissie dienovereenkomstig gerectificeerd.
(Dit amendement vereist hieruit voortvloeiende aanpassingen in bijlage V.)
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 – letter c
(c)  een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling.
(c)  een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaat zorgt voor samenhang en coördinatie wanneer strategieën voor lokale ontwikkeling door meer dan één Fonds worden gefinancierd.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1 – letter a
(a)  het geografische toepassingsgebied van de strategie;
(a)  het geografische toepassingsgebied van de strategie met inbegrip van de onderlinge economische, sociale en ecologische verbanden;
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1 – letter d
(d)  een beschrijving van de betrokkenheid van partners overeenkomstig artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie.
d)  een beschrijving van de betrokkenheid van partners uit hoofde van artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
2.  Territoriale strategieën worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties.
2.  Territoriale strategieën worden voorbereid en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende regionale, lokale en andere overheden. Reeds bestaande strategische documenten betreffende de bestreken gebieden kunnen worden bijgewerkt en gebruikt voor territoriale strategieën.
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 – alinea 1
Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken.
Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende regionale, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Bij de voorbereiding van de territoriale strategieën werken de in lid 2 bedoelde autoriteiten samen met de bevoegde beheersautoriteiten om de reikwijdte te bepalen van de in het kader van het desbetreffende programma te ondersteunen acties.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4
4.  Wanneer een stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteit of instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt de autoriteit overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie.
4.  Wanneer een regionale, lokale of andere overheid of andere instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt deze overheid of instantie door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De geselecteerde acties kunnen in het kader van meer dan een prioriteit van hetzelfde programma worden ondersteund.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
1.  Wanneer een in overeenstemming met artikel 23 uitgevoerde strategie investeringen inhoudt waarvoor steun wordt geboden uit een of meerdere fondsen, uit een of meerdere programma's of uit een of meerdere prioriteiten in eenzelfde programma, kunnen acties ter zake als geïntegreerde territoriale investering worden uitgevoerd.
1.  Wanneer een in overeenstemming met artikel 23 uitgevoerde strategie investeringen inhoudt waarvoor steun wordt geboden uit een of meerdere Fondsen, uit een of meerdere programma's of uit een of meerdere prioriteiten in eenzelfde programma, kunnen acties ter zake als geïntegreerde territoriale investering worden uitgevoerd. In voorkomend geval kan elke geïntegreerde territoriale investering worden aangevuld met financiële steun uit het Elfpo.
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, worden de desbetreffende regionale, lokale of andere overheden of instanties bij de selectie van de acties betrokken.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1
1.  Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling kan steun krijgen uit het EFRO, het ESF+ en het EFMZV.
1.  Het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Elfpo bieden steun aan vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling. In het kader van het Elfpo wordt dergelijke ontwikkeling "plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader" genoemd.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2 – letter b
(b)  wordt geleid door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming;
(b)  wordt geleid door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaal-economische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming, ook de overheidssector niet;
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2 – letter d
(d)  ondersteuning biedt voor netwerkvorming, aspecten die in de lokale context innovatief zijn en in voorkomend geval samenwerking.
(d)  ondersteuning biedt voor netwerkvorming, bottom-upbenaderingen, toegankelijkheid, aspecten die in de lokale context innovatief zijn en in voorkomend geval samenwerking.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 4
4.  Wanneer de uitvoering van een dergelijke strategie steun uit meer dan een fonds betreft, kan de bevoegde beheersautoriteit een van de fondsen als hoofdfonds aanwijzen.
4.  Wanneer de uitvoering van een dergelijke strategie steun uit meer dan een fonds betreft, kan de bevoegde beheersautoriteit een van de fondsen als hoofdfonds aanwijzen. Ook kan per fonds in kwestie worden gespecificeerd welke soorten maatregelen en concrete acties zullen worden gefinancierd.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1 – letter d
(d)  de doelstellingen van de strategie, met meetbare streefdoelen voor resultaten, en bijhorende geplande acties;
(d)  de doelstellingen van de strategie, met meetbare streefdoelen voor resultaten, en bijhorende geplande acties om in te spelen op lokale behoeften die door de lokale gemeenschap zijn vastgesteld;
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1 – letter f
(f)  een financieel plan, met daarin begrepen de geplande toewijzing uit elk betrokken fonds en programma.
(f)  een financieel plan, met daarin begrepen de geplande toewijzing uit elk betrokken fonds, waaronder het Elfpo indien van toepassing, en elk betrokken programma.
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 4
4.  In het besluit tot goedkeuring van een strategie wordt beschreven hoeveel elk fonds en elk programma krijgt toegewezen en wat de verantwoordelijkheden beschreven voor de beheers- en controletaken in het kader van het programma of de programma's zijn.
4.  In het besluit tot goedkeuring van een strategie wordt beschreven hoeveel elk fonds en elk programma krijgt toegewezen en wat de verantwoordelijkheden beschreven voor de beheers- en controletaken in het kader van het programma of de programma's zijn. Overeenkomstige nationale overheidsbijdragen worden vooraf voor de hele periode gewaarborgd.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur.
2.  De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen inclusief zijn en dat deze hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur, met het oog op het uitvoeren van taken in verband met de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – letter a
(a)  de opbouw van capaciteit van lokale actoren om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren;
(a)  de opbouw van de bestuurlijke capaciteit van lokale actoren om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren;
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 5
5.  De plaatselijke actiegroep kan een begunstigde zijn en acties uitvoeren conform de strategie.
5.  De plaatselijke actiegroep kan een begunstigde zijn en acties uitvoeren conform de strategie, waarbij een scheiding van functies binnen de plaatselijke actiegroep wordt aangemoedigd.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaat zorgt dat de steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling betrekking heeft op:
1.  Om complementariteit en synergieën te waarborgen, zorgt de lidstaat ervoor dat de steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling betrekking heeft op:
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – letter a
(a)  capaciteitsopbouw en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën;
(a)  de opbouw van de bestuurlijke capaciteit en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën;
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis)   dynamisering van de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling om uitwisseling tussen belanghebbenden te faciliteren, informatie te verstrekken aan belanghebbenden en potentiële begunstigden te ondersteunen bij de voorbereiding van aanvragen;
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen met name betrekking hebben op:
(a)  ondersteuning voor de voorbereiding en beoordeling van projecten;
(b)  steun voor institutionele versterking en vergroting van de bestuurlijke capaciteit voor een doeltreffend beheer van de Fondsen;
(c)  studies in verband met de rapportage van de Commissie over de Fondsen en het cohesieverslag;
(d)  maatregelen in verband met analyse, beheer, toezicht, uitwisseling van informatie en uitvoering van de Fondsen, alsook maatregelen in verband met de uitvoering van controlesystemen en technische en administratieve ondersteuning;
(e)  evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, ook van algemene aard, over de huidige en toekomstige werking van de Fondsen;
(f)  acties om informatie te verspreiden, netwerkvorming te ondersteunen, communicatieactiviteiten uit te voeren met bijzondere nadruk op de resultaten en meerwaarde van de steun uit de Fondsen, te zorgen voor bewustmaking en aan te zetten tot samenwerking en uitwisseling van ervaringen, ook met derde landen;
(g)  het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor beheer, toezicht, audit, controle en evaluatie;
(h)  acties om de evaluatiemethoden te verbeteren en informatie over de evaluatiepraktijk uit te wisselen;
(i)  acties in verband met auditing;
(j)  de versterking van de nationale en regionale capaciteit voor investeringsplanning, financieringsbehoeften, voorbereiding, ontwerp en uitvoering van financieringsinstrumenten, gezamenlijke actieplannen en grote projecten;
(k)  de verspreiding van goede praktijken teneinde de lidstaten te helpen bij de versterking van de capaciteit van de in artikel 6, lid 1, bedoelde betrokken partners en hun overkoepelende organisaties.
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.   De Commissie zet ten minste 15 % van de middelen voor technische bijstand op initiatief van de Commissie in om de communicatie met het publiek efficiënter te maken en de synergie tussen de op initiatief van de Commissie verrichte communicatieactiviteiten te versterken, door de kennisbasis over de resultaten uit te breiden, met name via een effectievere gegevensvergaring en -verspreiding, evaluaties en rapportage, en vooral door te benadrukken dat de Fondsen er mee voor hebben gezorgd dat de levensomstandigheden van de burgers verbeterd zijn en de zichtbaarheid van de steun uit de Fondsen te vergroten, alsook door het publiek beter bekend te maken met de resultaten en de meerwaarde van die steun. De informatie-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen met betrekking tot de resultaten en de meerwaarde van de steun uit de Fondsen, met bijzondere nadruk op concrete acties, worden in voorkomend geval voortgezet na beëindiging van de programma's. Deze maatregelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie voor zover zij verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening.
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
2.  Dergelijke acties kunnen betrekking hebben op toekomstige en eerdere programmeringsperiodes.
2.  Dergelijke acties kunnen betrekking hebben op eerdere en toekomstige programmeringsperiodes.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Teneinde situaties te voorkomen waarin betalingen worden geschorst, zorgt de Commissie ervoor dat de lidstaten en de regio's die worden geconfronteerd met nalevingsproblemen ten gevolge van een gebrek aan bestuurlijke capaciteit, passende technische bijstand ontvangen om die bestuurlijke capaciteit te verbeteren.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1
1.  Op initiatief van een lidstaat kunnen de Fondsen acties ondersteunen die betrekking kunnen hebben op eerdere en volgende programmeringsperiodes en die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze fondsen.
1.  Op initiatief van een lidstaat kunnen de Fondsen acties ondersteunen die betrekking kunnen hebben op eerdere en volgende programmeringsperiodes en die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze fondsen, voor de capaciteitsopbouw van de in artikel 6 bedoelde partners, alsook voor het waarborgen van bepaalde functies zoals voorbereiding, opleiding, beheer, monitoring, evaluatie, zichtbaarheid en communicatie.
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3
3.  Binnen elk programma krijgt de technische bijstand de vorm van een prioriteit die verband houdt met één enkel fonds.
3.  Binnen elk programma krijgt de technische bijstand de vorm van een prioriteit die verband houdt met hetzij één enkel fonds, hetzij meerdere fondsen.
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – inleidende formule
2.  Het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand is:
2.  Op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de lidstaten en met inachtneming van het financiële plan van het programma, kan het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand worden vastgesteld op maximaal:
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter a
(a)  voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en voor de Cohesiefonds-steun: 2,5 %;
(a)  voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en voor de Cohesiefonds-steun: 3 %;
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter b
(b)  voor de ESF+-steun: 4 % en voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening: 5 %;
(b)  voor de ESF+-steun: 5 % en voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening: 6 %;
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter d
(d)  voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 6 %.
(d)  voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 7 %.
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor de ultraperifere gebieden is het percentage voor de punten a), b) en c), maximaal 1 % hoger.
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – alinea 1
Bovenop artikel 31 kan de lidstaat aanvullende acties op het gebied van technische bijstand voorstellen om de capaciteit te versterken van de autoriteiten, begunstigden en relevante partners van de lidstaat die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze Fondsen.
Bovenop artikel 31 kan de lidstaat aanvullende acties op het gebied van technische bijstand voorstellen om de institutionele capaciteit en efficiëntie te versterken van overheden en openbare diensten, begunstigden en relevante partners van de lidstaat die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze Fondsen.
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – alinea 2
Steun voor dergelijke acties wordt uitgevoerd via financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89.
Steun voor dergelijke acties wordt uitgevoerd via financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89. Technische bijstand in de vorm van een optioneel specifiek programma kan worden uitgevoerd door middel van financiering die geen verband houdt met kosten voor technische bijstand, of door middel van een terugbetaling van de directe kosten.
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 1 – alinea 1
Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma ("toezichtcomité").
Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat, na raadpleging van de beheersautoriteit, een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma ("toezichtcomité").
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2
2.  Ieder toezichtcomité stelt zijn reglement van orde vast.
2.  Ieder toezichtcomité stelt zijn reglement van orde vast, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van volledige transparantie.
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5
5.  De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op in artikel [4, onder c), vi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's en daarmee samenhangende technische bijstand.
5.  De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder xi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's en daarmee samenhangende technische bijstand.
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 1
De lidstaat bepaalt de samenstelling van het toezichtcomité en zorgt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde lidstaatautoriteiten, intermediaire instanties en de in artikel 6 bedoelde partners.
De lidstaat bepaalt de samenstelling van het toezichtcomité en zorgt aan de hand van een transparant proces voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde lidstaatautoriteiten, intermediaire instanties en de in artikel 6 bedoelde partners.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2
2.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel.
2.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen als toezichthouder en met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel. Vertegenwoordigers van de EIB kunnen in voorkomend geval worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Voor het AMIF, het ISF en het BMVI nemen de relevante gedecentraliseerde agentschappen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis)   voorstellen voor mogelijke vereenvoudigingsmaatregelen voor begunstigden;
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – alinea 1 – letter b
(b)  vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen;
(b)  vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van eventuele onregelmatigheden;
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 1 – letter i
(i)  de vorderingen met de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing.
(i)  de vorderingen met de opbouw van bestuurlijke capaciteit voor overheidsinstanties, partners en begunstigden, indien van toepassing.
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 2 – letter b
(b)  de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's;
(b)  de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's;
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
(d bis)   wijzigingen in de lijst van geplande concrete acties van strategisch belang als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder d);
Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Het toezichtcomité kan de beheersautoriteit nieuwe interventiegebieden voorstellen.
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Artikel 36 – lid 1 – alinea 1
Tussen de Commissie en elke lidstaat wordt een jaarlijkse evaluatievergadering gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken.
Tussen de Commissie en elke lidstaat wordt een jaarlijkse evaluatievergadering gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken. Beheersautoriteiten worden naar behoren betrokken bij dit proces.
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 36 – lid 6
6.  Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's dient de lidstaat een jaarlijks prestatieverslag in in overeenstemming met de fondsspecifieke verordeningen.
6.  Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's dient de lidstaat een jaarlijks prestatieverslag in in overeenstemming met de fondsspecifieke verordeningen.
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 1 – alinea 2
De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.
De gegevens worden uiterlijk op 28 februari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 28 februari 2030 voor het laatst.
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 1 – alinea 3
Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend.
Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend.
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 2 – letter a
(a)  het aantal geselecteerde concrete acties, hun totale subsidiabele kost, de bijdrage van de Fondsen en het totaal van de door de begunstigden aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype;
(a)  in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november van elk jaar, het aantal geselecteerde concrete acties, hun totale subsidiabele kost, de bijdrage van de Fondsen en het totaal van de door de begunstigden aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype;
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 2 – letter b
(b)  de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties en de door de concrete acties bereikte waarden.
(b)  uitsluitend in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 mei en 30 november van elk jaar, de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties en de door de concrete acties bereikte waarden.
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 1
1.  De beheersautoriteit voert evaluatie van het programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma's.
1.  De beheersautoriteit voert evaluaties van het programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de inclusiviteit, niet-discriminerende aard, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang, zichtbaarheid en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma's.
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De in lid 2 bedoelde evaluatie omvat een evaluatie van de sociaal-economische gevolgen en de financieringsbehoeften met betrekking tot de beleidsdoelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, in het kader van en tussen de programma's, met een bijzondere nadruk op een concurrerender en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, waaronder slimme en duurzame mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit. De Commissie publiceert de resultaten van de evaluatie op haar website en deelt die resultaten mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 1 – alinea 2 – letter b
(b)  andere relevante partners en instanties.
(b)  andere relevante partners en instanties, met inbegrip van regionale, lokale en andere overheden, en economische en sociale partners.
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 1
1.  De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het programma voor een website met informatie over de programma's waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, activiteiten, beschikbare financieringsmogelijkheden en verwezenlijkingen van het programma.
1.  De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het programma voor een website met informatie over de programma's waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, de activiteiten, het indicatieve tijdschema voor de oproep tot het indienen van voorstellen, de beschikbare financieringsmogelijkheden en de verwezenlijkingen van het programma.
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 3 – alinea 1 – letter a
(a)  in het geval van rechtspersonen, de naam van de begunstigde;
(a)  in het geval van rechtspersonen, de naam van de begunstigde en van de contractant;
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter a
(a)  op de professionele website van de begunstigde of op de sociale media, indien die bestaan, een korte beschrijving – in verhouding tot de ontvangen steun – van de concrete actie op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie;
(a)  op de professionele website van de begunstigde en op de sociale media, indien die bestaan, een korte beschrijving – in verhouding tot de ontvangen steun – van de concrete actie op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie;
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter c – inleidende formule
(c)  een plaat of bord te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal van start gaat, over:
(c)  een permanente plaat of permanent bord op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal van start gaat, over:
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter d
(d)  voor concrete acties die niet onder punt c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie met vermelding van de steun uit de Fondsen, op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen;
(d)  voor concrete acties die niet onder punt c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie met vermelding van de steun uit de Fondsen, op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen;
Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
(e bis)   vanaf het moment dat de materiële uitvoering van start gaat het embleem van de Unie permanent op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen in overeenstemming met de in bijlage VIII vastgestelde technische kenmerken;
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – alinea 2
Deze vereiste is niet van toepassing voor concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii) van de ESF+-verordening.
Deze vereiste is niet van toepassing voor concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening.
Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – alinea 1
Lidstaten gebruiken de bijdrage uit de Fondsen om begunstigden steun te verlenen in de vorm van subsidies, financieringsinstrumenten of prijzen of een combinatie daarvan.
Lidstaten gebruiken de bijdrage uit de Fondsen om begunstigden steun te verlenen in de vorm van subsidies, beperkt gebruik van financieringsinstrumenten of prijzen of een combinatie daarvan.
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – letter c
(c)  een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, als dat percentage overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder a), wordt berekend.
(c)  een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, als dat percentage overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder a), of artikel 48, lid 2, onder c), wordt berekend.
Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – letter a
(a)  door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten te delen door 1720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1720 uren voor deeltijdse werknemers;
(a)  door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten, met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door 1720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1720 uren voor deeltijdse werknemers;
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – letter b
(b)  door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving.
(b)  door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten, met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving.
Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 2
2.  Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is.
2.  Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is. Deze steun kan investeringen in materiële en immateriële activa omvatten, alsmede bedrijfskapitaal, met inachtneming van de toepasselijke staatssteunregels van de Unie.
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 3 – alinea 2 – letter a
(a)  het voorgestelde bedrag aan programmabijdragen aan een financieringsinstrument en het verwachte hefboomeffect;
(a)  het voorgestelde bedrag aan programmabijdragen aan een financieringsinstrument en het verwachte hefboomeffect, vergezeld van de desbetreffende beoordelingen;
Amendement 252
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 5
5.  Financieringsinstrumenten kunnen worden gecombineerd met aanvullende programmaondersteuning in de vorm van subsidies als concrete actie in één enkel financieringsinstrument, met één financieringsovereenkomst, waarbij beide verschillende vormen van steun worden verstrekt door de instantie die het financieringsinstrument uitvoert. In dat geval gelden de op de financieringsinstrumenten toepasselijke regels voor die concrete actie in één enkel financieringsinstrument.
5.  Financieringsinstrumenten kunnen worden gecombineerd met aanvullende programmaondersteuning in de vorm van subsidies als concrete actie in één enkel financieringsinstrument, met één financieringsovereenkomst, waarbij beide verschillende vormen van steun worden verstrekt door de instantie die het financieringsinstrument uitvoert. Indien het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van subsidie minder is dan het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van een financieringsinstrument, gelden de op de financieringsinstrumenten toepasselijke regels.
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 2 – alinea 2
De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert.
De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert via een rechtstreekse of onrechtstreekse gunning van een opdracht.
Amendement 254
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
De beheersautoriteit kan via de rechtstreekse gunning van een opdracht uitvoeringstaken toevertrouwen aan:
(a)  de EIB;
(b)  een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is;
(c)  een bank of instelling in handen van de overheid, opgericht als juridische entiteit die op professionele basis financiële activiteiten uitvoert.
Amendement 255
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 7
7.  De beheersautoriteit die het financieringsinstrument beheert overeenkomstig lid 2, of de instantie die het financieringsinstrument uitvoert bij het beheer van het financieringsinstrument overeenkomstig lid 3, houdt afzonderlijke rekeningen bij of gebruikt een boekhoudkundige code per prioriteit en per regiocategorie voor elke programmabijdrage en apart voor respectievelijk in artikel 54 en artikel 56 bedoelde middelen.
7.  De beheersautoriteit die het financieringsinstrument beheert overeenkomstig lid 2, of de instantie die het financieringsinstrument uitvoert bij het beheer van het financieringsinstrument overeenkomstig lid 3, houdt afzonderlijke rekeningen bij of gebruikt een boekhoudkundige code per prioriteit en per regiocategorie of, voor het Elfpo, per type interventie, voor elke programmabijdrage en apart voor respectievelijk in artikel 54 en artikel 56 bedoelde middelen.
Amendement 256
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.   De rapportagevereisten betreffende het gebruik van het financieringsinstrument voor de beoogde doeleinden gelden alleen voor de beheersautoriteiten en financiële intermediairs.
Amendement 257
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 2
2.  Rente en andere voordelen die kunnen worden toegeschreven aan steun uit de Fondsen die aan financieringsinstrumenten is betaald, moeten worden gebruikt voor dezelfde doeleinden als de oorspronkelijke steun uit de Fondsen, hetzij binnen hetzelfde financieringsinstrument hetzij, na de vereffening van dat financieringsinstrument, in andere financieringsinstrumenten of andere vormen van steun, tot aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode.
2.  Rente en andere voordelen die kunnen worden toegeschreven aan steun uit de Fondsen die aan financieringsinstrumenten is betaald, moeten worden gebruikt voor dezelfde doeleinden als de oorspronkelijke steun uit de Fondsen, hetzij binnen hetzelfde financieringsinstrument hetzij, na de vereffening van dat financieringsinstrument, in andere financieringsinstrumenten of andere vormen van steun voor verdere investeringen in eindontvangers, of, in voorkomend geval, ter dekking van de verliezen in het nominale bedrag van de bijdrage uit de Fondsen aan het financieringsinstrument ten gevolge van negatieve rente, indien dergelijke verliezen zich voordoen ondanks een actief beheer van de kasmiddelen door de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, tot aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode.
Amendement 258
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 1
1.  Steun uit de Fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, die toe te schrijven zijn aan de steun uit de Fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken door een passende deling van de risico's en de winsten.
1.  Steun uit de Fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, die toe te schrijven zijn aan de steun uit de Fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken of voor andere vormen van Uniesteun, door een passende deling van de risico's en de winsten, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer.
Amendement 259
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 2
2.  Het niveau van een dergelijke gedifferentieerde behandeling ligt niet hoger dan wat nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van private middelen, vastgesteld door een concurrentieprocedure of een onafhankelijke beoordeling.
2.  Het niveau van een dergelijke gedifferentieerde behandeling ligt niet hoger dan wat nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van private middelen, vastgesteld door een concurrentieprocedure of een overeenkomstig artikel 52 van deze verordening uitgevoerde ex-antebeoordeling.
Amendement 260
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1
1.  Middelen die voor het einde van de subsidiabiliteitsperiode aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit uitvesteringen in eindontvangers of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal en andere gegenereerde inkomsten die zijn toe te schrijven aan de steun uit de Fondsen, worden hergebruikt voor dezelfde of andere financieringsinstrumenten voor verdere investeringen in eindontvangers, onder dezelfde specifieke doelstelling of doelstellingen en voor beheerskosten en -vergoedingen die met dergelijke investeringen samenhangen.
1.  Middelen die voor het einde van de subsidiabiliteitsperiode aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit investeringen in eindontvangers of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal en andere gegenereerde inkomsten die zijn toe te schrijven aan de steun uit de Fondsen, worden hergebruikt voor dezelfde of andere financieringsinstrumenten voor verdere investeringen in eindontvangers, onder dezelfde specifieke doelstelling of doelstellingen en voor beheerskosten en -vergoedingen die met dergelijke investeringen samenhangen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer.
Amendement 261
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Besparingen dankzij efficiëntere concrete acties worden niet beschouwd als gegenereerde inkomsten voor de toepassing van de eerste alinea. Met name kostenbesparingen als gevolg van energie-efficiëntiemaatregelen leiden niet tot een overeenkomstige verlaging van de exploitatiesubsidies.
Amendement 262
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 2 – alinea 1
Uitgaven komen voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij zijn gedaan door een begunstigde of de particuliere partner van een concrete PPP-actie en zijn betaald tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2029.
Uitgaven komen voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij zijn gedaan door een begunstigde of de particuliere partner van een concrete PPP-actie en zijn betaald tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2030.
Amendement 263
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 4
4.  Een concrete actie of een deel van een concrete actie kan buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie bijdraagt tot de doelstellingen van het programma.
4.  Een concrete actie of een deel van een concrete actie in het kader van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds kan buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie onder een van de vijf componenten van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) valt als gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) [...] (de ETS-verordening), en bijdraagt tot de doelstellingen van het programma.
Amendement 264
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 6
6.  Concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma bij de beheersautoriteit is ingediend, worden niet voor steun uit de Fondsen geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht.
6.  Concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma bij de beheersautoriteit is ingediend, worden niet voor steun uit de Fondsen geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht. Dit lid is niet van toepassing op EFMZV-compensaties voor extra kosten in de ultraperifere gebieden, noch op uitgaven die zijn gefinancierd via specifieke aanvullende EFRO- en ESF+-toewijzingen ten behoeve van de ultraperifere gebieden.
Amendement 265
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 – alinea 1 – letter a
(a)  debetrente, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen;
(a)  debetrente, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen, of met betrekking tot een bijdrage aan financieringsinstrumenten die voortkomt uit een negatieve rente;
Amendement 266
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 – alinea 1 – letter c
(c)   belasting over de toegevoegde waarde (btw), behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR.
Schrappen
Amendement 267
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De subsidiabiliteit met betrekking tot belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt per geval bepaald, behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR en voor investeringen en uitgaven van eindbegunstigden.
Amendement 268
Voorstel voor een verordening
Artikel 59 – lid 1 – alinea 2
De lidstaat kan de in de eerste alinea vastgestelde termijn verkorten tot drie jaar bij behoud van investeringen of door kleine en middelgrote ondernemingen gecreëerde banen.
De lidstaat kan in de onder a), b) en c), bedoelde naar behoren gemotiveerde gevallen de in de eerste alinea vastgestelde termijn verkorten tot drie jaar bij behoud van door kleine en middelgrote ondernemingen gecreëerde banen.
Amendement 269
Voorstel voor een verordening
Artikel 59 – lid 3
3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.
3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op programmabijdragen aan of afkomstig uit financieringsinstrumenten, noch op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.
Amendement 270
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3 – alinea 1
Voor de toepassing van lid 1, onder d), zijn de beheersvergoedingen gebaseerd op prestaties. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3, wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instanties betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van maximaal 5 % van het totaalbedrag van programmabijdragen die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, of bedragen die als overeengekomen in garantiecontracten zijn gereserveerd.
Voor de toepassing van lid 1, onder d), zijn de beheersvergoedingen gebaseerd op prestaties. Voor de eerste twaalf maanden van de uitvoering van het financieringsinstrument is een basisvergoeding voor beheerskosten en -vergoedingen subsidiabel. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 2, wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instanties betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van maximaal 5 % van het totaalbedrag van programmabijdragen die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, of bedragen die als overeengekomen in garantiecontracten zijn gereserveerd.
Amendement 271
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3 – alinea 2
Die drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de openbare aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen aantoont.
Wanneer de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de openbare aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen, die gebaseerd zijn op prestaties, aantoont.
Amendement 272
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen voor de wettigheid en regelmatigheid van in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de Commissie zijn ingediend, en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen, te verbeteren en te rapporteren.
2.  De lidstaten zorgen voor de wettigheid en regelmatigheid van in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de Commissie zijn ingediend, en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen, te verbeteren en te rapporteren. De lidstaten verlenen hun volledige samenwerking aan OLAF.
Amendement 273
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 4
4.  De lidstaten waarborgen de kwaliteit en de betrouwbaarheid van het monitoringsysteem en van de gegevens over indicatoren.
4.  De lidstaten waarborgen de kwaliteit, de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid van het monitoringsysteem en van de gegevens over indicatoren.
Amendement 274
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 6 – alinea 1
De lidstaten beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat klachten over de Fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. Op verzoek van de Commissie onderzoeken zij de bij de Commissie ingediende klachten die in het toepassingsgebied van hun programma's vallen en zij informeren de Commissie over de resultaten van de onderzoeken.
De lidstaten beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat klachten over de Fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. De lidstaten zijn overeenkomstig hun institutioneel en juridisch kader verantwoordelijk voor het toepassingsgebied, de regels en de procedures betreffende deze regelingen. Op verzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 64, lid 4 bis, onderzoeken zij de bij de Commissie ingediende klachten die in het toepassingsgebied van hun programma's vallen en zij informeren de Commissie over de resultaten van de onderzoeken.
Amendement 275
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 7 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden.
De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van gebruiksvriendelijke elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden.
Amendement 276
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 7 – alinea 2
Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's is de eerste alinea van toepassing vanaf 1 januari 2023.
Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's is de eerste alinea van toepassing vanaf 1 januari 2022.
Amendement 277
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 7 – alinea 3
Het eerste lid is niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder c), vii)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's.
Het eerste lid is niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder xi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's.
Amendement 278
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 11
11.  De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed om het model op te stellen dat moet worden gebruikt voor de rapportering van onregelmatigheden in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden te garanderen voor de uitvoering van dit artikel.
11.  De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed om het model op te stellen dat moet worden gebruikt voor de rapportering van onregelmatigheden in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden en regels te garanderen voor de uitvoering van dit artikel.
Amendement 279
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 1 – alinea 1
De Commissie vergewist zich ervan dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die aan deze verordening voldoen en dat die systemen tijdens de uitvoering van de programma's doeltreffend functioneren. De Commissie stelt een auditstrategie en een auditplan op op basis van een risicobeoordeling.
De Commissie vergewist zich ervan dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die aan deze verordening voldoen en dat die systemen tijdens de uitvoering van de programma's doeltreffend en efficiënt functioneren. De Commissie stelt voor de lidstaten een auditstrategie en een auditplan op op basis van een risicobeoordeling.
Amendement 280
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 2
2.  De audits van de Commissie worden uitgevoerd tot drie jaar na de goedkeuring van de rekeningen waar de betreffende uitgave in was begrepen. Deze termijn is niet van toepassing op concrete acties waarvoor een vermoeden van fraude bestaat.
2.  De audits van de Commissie worden uitgevoerd tot twee jaar na de goedkeuring van de rekeningen waar de betreffende uitgave in was begrepen. Deze termijn is niet van toepassing op concrete acties waarvoor een vermoeden van fraude bestaat.
Amendement 281
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 1 – letter a
(a)  behalve in dringende gevallen stelt de Commissie de bevoegde programma-autoriteit ten minste twaalf werkdagen van tevoren in kennis van de controle. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen;
(a)  behalve in dringende gevallen stelt de Commissie de bevoegde programma-autoriteit ten minste vijftien werkdagen van tevoren in kennis van de controle. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen;
Amendement 282
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 1 – letter c
(c)  de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat;
(c)  de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk twee maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat;
Amendement 283
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 1 – letter d
(d)  de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen.
(d)  de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk twee maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen. Het antwoord van de lidstaat wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden niet heeft laten weten dat er nog over te leggen documenten zijn.
Amendement 284
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 2
De Commissie kan de onder c) en d) bedoelde termijnen met drie maanden verlengen.
De Commissie kan de onder c) en d) bedoelde termijnen in naar behoren gemotiveerde gevallen met twee maanden verlengen.
Amendement 285
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Onverminderd artikel 63, lid 6, voorziet de Commissie in een klachtenbehandelingssysteem dat toegankelijk is voor burgers en belanghebbenden.
Amendement 286
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 2
2.  De auditautoriteit is een openbare autoriteit die volledig onafhankelijk is van de geauditeerde.
2.  De auditautoriteit is een openbare of particuliere autoriteit die volledig onafhankelijk is van de beheersautoriteit en de organen of entiteiten aan wie taken zijn toevertrouwd of gedelegeerd.
Amendement 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – lid 1 – letter e
(e)  in een elektronisch systeem de gegevens van elke concrete actie registreren en opslaan voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, en de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers waarborgen.
(e)  in elektronische systemen de gegevens van elke concrete actie registreren en opslaan voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, en de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers waarborgen.
Amendement 288
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 1 – alinea 1
Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.
Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, toegankelijk zijn voor personen met een handicap, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.
Amendement 289
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 – letter a
(a)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties in overeenstemming zijn met het programma en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;
(a)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties duurzaam zijn, in overeenstemming zijn met het programma en met territoriale strategieën, en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;
Amendement 290
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – alinea 3 – letter c
(c)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten vertegenwoordigen;
(c)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties een juiste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten vertegenwoordigen;
Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 – letter e
(e)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad48 worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad49;
(e)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad48 worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure en dat naar behoren rekening is gehouden met de beoordeling van alternatieve oplossingen en een uitgebreide openbare raadpleging, overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad49;
_________________
_________________
48 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
48 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
49 Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).
49 Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).
Amendement 292
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 – letter f
(f)  verifiëren dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit;
(f)  waarborgen dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit;
Amendement 293
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3– letter j
(j)  de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar.
(j)  voordat er investeringsbesluiten worden genomen, de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar, alsook de toepassing waarborgen van het beginsel "energie-efficiëntie eerst".
Amendement 294
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de beheersautoriteit eveneens beslissen om tot 5 % van de financiële middelen voor een programma in het kader van het EFRO en het ESF+ toe te wijzen aan specifieke projecten binnen de lidstaat die in aanmerking komen voor Horizon Europa, met inbegrip van de projecten die in de tweede fase worden geselecteerd, op voorwaarde dat die specifieke projecten bijdragen aan de doelstellingen van het programma in die lidstaat.
Amendement 295
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 6
6.  Wanneer de beheersautoriteit een concrete actie van strategisch belang selecteert, stelt zij de Commissie daar onmiddellijk van in kennis en verstrekt zij de Commissie alle informatie over die actie.
6.  Wanneer de beheersautoriteit een concrete actie van strategisch belang selecteert, stelt zij de Commissie daar binnen één maand van in kennis en verstrekt zij de Commissie alle informatie over die actie, met inbegrip van een kosten-batenanalyse.
Amendement 296
Voorstel voor een verordening
Artikel 68 – lid 1 – alinea 1 – letter b
(b)  waarborgt dat, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van de financiering, de begunstigde uiterlijk negentig dagen na de datum waarop hij de betalingsaanvraag heeft ingediend, het verschuldigde totale bedrag ontvangt;
(b)  waarborgt in het geval van voorfinanciering en tussentijdse betalingen dat de begunstigde uiterlijk zestig dagen na de datum waarop hij de betalingsaanvraag heeft ingediend het verschuldigde totale bedrag voor geverifieerde uitgaven ontvangt;
Amendement 297
Voorstel voor een verordening
Artikel 70 – lid 1 – letter a
(a)  betalingsaanvragen opstellen en indien bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 85 en 86;
(a)  betalingsaanvragen opstellen en indienen bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 85 en 86, en rekening houden met de audits die worden verricht door of onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit;
Amendement 298
Voorstel voor een verordening
Artikel 70 – lid 1 – letter b
(b)  rekeningen opstellen overeenkomstig artikel 92 en bescheiden bijhouden van alle elementen van de rekeningen in een elektronisch systeem;
(b)  rekeningen opstellen en presenteren, de volledigheid, nauwkeurigheid en juistheid bevestigen overeenkomstig artikel 92, en bescheiden bijhouden van alle elementen van de rekeningen in een elektronisch systeem;
Amendement 299
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De audit wordt uitgevoerd met verwijzing naar de toepasselijke norm op het moment dat de gecontroleerde actie wordt afgesproken, behalve wanneer nieuwe normen gunstiger zijn voor de begunstigde.
Amendement 300
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.   De vaststelling van een onregelmatigheid, in het kader van de audit van een actie met een financiële boete als gevolg, mag niet resulteren in het uitbreiden van het toepassingsgebied van de controle of in financiële correcties naast de uitgaven met betrekking tot het boekjaar van de gecontroleerde uitgaven.
Amendement 301
Voorstel voor een verordening
Artikel 72 – lid 1
1.  De auditautoriteit stelt een auditstrategie op op basis van een risicobeoordeling, rekening houdend met het beheers- en controlesysteem als beschreven in artikel 63, lid 9, betreffende systeemaudits en audits van concrete acties. De auditstrategie omvat systeemaudits van nieuw geïdentificeerde beheersautoriteiten en autoriteiten belast met de boekhoudfunctie binnen een termijn van negen maanden na hun eerste werkjaar. De auditstrategie wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage XVIII opgenomen model en wordt jaarlijks bijgewerkt nadat het eerste jaarlijkse controleverslag en auditoordeel bij de Commissie is ingediend. Zij kan betrekking hebben op een of meerdere programma's.
1.  De auditautoriteit stelt, na raadpleging van de beheersautoriteit, een auditstrategie op op basis van een risicobeoordeling, rekening houdend met het beheers- en controlesysteem als beschreven in artikel 63, lid 9, betreffende systeemaudits en audits van concrete acties. De auditstrategie omvat systeemaudits van nieuw geïdentificeerde beheersautoriteiten en autoriteiten belast met de boekhoudfunctie. De audit wordt binnen een termijn van negen maanden na hun eerste werkjaar uitgevoerd. De auditstrategie wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage XVIII opgenomen model en wordt jaarlijks bijgewerkt nadat het eerste jaarlijkse controleverslag en auditoordeel bij de Commissie is ingediend. Zij kan betrekking hebben op een of meerdere programma's. De auditautoriteit kan in de auditstrategie een grens vaststellen voor audits van één enkele rekening.
Amendement 302
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien de Commissie en een lidstaat het niet eens zijn over de bevindingen van een audit, wordt er een schikkingsprocedure ingesteld.
Amendement 303
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 1 – alinea 2
De Commissie en de auditautoriteiten gebruiken eerst alle in het in artikel 66, lid 1, onder e), bedoelde elektronische systeem beschikbare gegevens, met inbegrip van beheersverificaties, en vragen en verkrijgen alleen aanvullende documenten en auditbewijs van de begunstigden als zij dit, op basis van hun professionele oordeel, nodig achten ter staving van betrouwbare auditconclusies.
De Commissie en de auditautoriteiten gebruiken eerst alle in de in artikel 66, lid 1, onder e), bedoelde elektronische systemen beschikbare gegevens, met inbegrip van beheersverificaties, en vragen en verkrijgen alleen aanvullende documenten en auditbewijs van de begunstigden als zij dit, op basis van hun professionele oordeel, nodig achten ter staving van betrouwbare auditconclusies.
Amendement 304
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 1
1.  De beheersautoriteit verricht overeenkomstig artikel 68, lid 1, beheersverificaties ter plaatse, uitsluitend op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken.
1.  De beheersautoriteit verricht overeenkomstig artikel 68, lid 1, beheersverificaties ter plaatse, uitsluitend op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de beheersautoriteit, indien het financieringsinstrument voorziet in controleverslagen ter ondersteuning van de betalingsaanvraag, besluiten geen beheersverificaties ter plaatse te verrichten.
Amendement 305
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 2 – alinea 2
De EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de beheersautoriteit evenwel bij elke betalingsaanvraag een controleverslag.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 306
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 3
3.  De auditautoriteit verricht overeenkomstig de artikelen 71, 73 en 77 systeemaudits en audits van concrete acties op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken.
3.  De auditautoriteit verricht overeenkomstig de artikelen 71, 73 en 77 systeemaudits en audits van concrete acties op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de auditautoriteit, indien het financieringsinstrument de auditautoriteit een jaarlijks auditverslag bezorgt dat aan het eind van elk kalenderjaar door hun externe auditors is opgesteld en betrekking heeft op de in bijlage XVII opgenomen elementen, besluiten geen verdere audits uit te voeren.
Amendement 307
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   In het kader van garantiefondsen kunnen voor de audit van programma's verantwoordelijke instanties alleen verificaties of audits verrichten van de instanties die onderliggende nieuwe leningen verstrekken in een of meer van de volgende situaties:
a)  er zijn geen bewijsstukken ter staving van de steun uit het financieringsinstrument aan eindontvangers beschikbaar op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren;
b)  er is bewijs dat de documenten die beschikbaar zijn op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, geen waarheidsgetrouwe en nauwkeurige weergave van de verleende steun zijn.
Amendement 308
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 1
1.  Onverminderd de regels over staatssteun zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot een door de fondsen ondersteunde concrete actie op het gepaste niveau worden bewaard gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 31 december vanaf het jaar waarin de laatste betaling van de beheersautoriteit aan de begunstigde wordt verricht.
1.  Onverminderd de regels over staatssteun zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot een door de fondsen ondersteunde concrete actie op het gepaste niveau worden bewaard gedurende drie jaar te rekenen vanaf 31 december vanaf het jaar waarin de laatste betaling van de beheersautoriteit aan de begunstigde wordt verricht.
Amendement 309
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De bewaartermijn van de documenten kan op besluit van de beheersautoriteit worden teruggebracht, in verhouding met het risicoprofiel en de omvang van de begunstigden.
Amendement 310
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt:
De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, als volgt:
Amendement 311
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter b
(b)  2022: 0,5 %;
(b)  2022: 0,7 %;
Amendement 312
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter c
(c)  2023: 0,5 %;
(c)  2023: 1 %;
Amendement 313
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter d
(d)  2024: 0,5 %;
(d)  2024: 1,5 %;
Amendement 314
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter e
(e)  2025: 0,5 %;
(e)  2025: 2 %;
Amendement 315
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter f
(f)  2026: 0,5 %.
(f)  2026: 2 %.
Amendement 316
Voorstel voor een verordening
Artikel 85 – lid 3 – letter b
(b)  het bedrag voor technische bijstand dat is berekend overeenkomstig artikel 31, lid 2;
(b)  het bedrag voor technische bijstand dat is berekend overeenkomstig artikel 31;
Amendement 317
Voorstel voor een verordening
Artikel 85 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
(c bis)   in geval van staatssteun kan de betalingsaanvraag voorschotten omvatten die door de steunverlenende instantie aan de begunstigde zijn betaald, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: ze zijn gedekt door een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie, ze bedragen niet meer dan 40 % van het totale bedrag van de steun die aan een begunstigde wordt verleend voor een bepaalde concrete actie en worden binnen drie jaar gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden en gestaafd door vereffende facturen.
Amendement 318
Voorstel voor een verordening
Artikel 86 – lid 1
1.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2, bevatten de overeenkomstig bijlage XIX ingediende betalingsaanvragen de totaalbedragen die de beheersautoriteit heeft uitgekeerd aan of, in het geval van garanties, de in garantiecontracten overeengekomen bedragen die de beheersautoriteit heeft gereserveerd voor eindbegunstigden, als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), b) en c).
1.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 1, bevatten de overeenkomstig bijlage XIX ingediende betalingsaanvragen de totaalbedragen die de beheersautoriteit heeft uitgekeerd aan of, in het geval van garanties, de in garantiecontracten overeengekomen bedragen die de beheersautoriteit heeft gereserveerd voor eindbegunstigden, als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), b) en c).
Amendement 319
Voorstel voor een verordening
Artikel 86 – lid 2 – inleidende formule
2.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 3, worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten, ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden:
2.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2, worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten, ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden:
Amendement 320
Voorstel voor een verordening
Artikel 87 – lid 1
1.  Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen voert de Commissie tussentijdse betalingen uit binnen 60 dagen na de datum waarop de Commissie de betalingsaanvraag heeft ontvangen.
1.  De Commissie voert tussentijdse betalingen uit binnen 60 dagen na de datum waarop de Commissie de betalingsaanvraag heeft ontvangen.
Amendement 321
Voorstel voor een verordening
Artikel 90 – lid 1 – letter a
(a)  er zijn aanwijzingen van een ernstige tekortkoming waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen;
(a)  er zijn sterke bewijzen van een ernstige tekortkoming waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen;
Amendement 322
Voorstel voor een verordening
Artikel 91 – lid 1 – letter e
(e)  de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 15, lid 6.
Schrappen
Amendement 323
Voorstel voor een verordening
Artikel 99 – lid 1
1.  Het bedrag van een programma dat op 26 december van het tweede kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie.
1.  Het bedrag van een programma dat op 31 december van het derde kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie.
Amendement 324
Voorstel voor een verordening
Artikel 99 – lid 2
2.   Het bedrag dat binnen de in lid 1 vastgestelde termijn met betrekking tot de vastlegging in de begroting van 2021 moet worden gedekt door een voorfinanciering of betalingsaanvraag, bedraagt 60 % van die vastlegging. 10 % van de vastlegging in de begroting van 2021 wordt toegevoegd aan elke vastlegging in de begroting voor de jaren 2022 tot en met 2025 om de te dekken bedragen te berekenen.
Schrappen
Amendement 325
Voorstel voor een verordening
Artikel 99 – lid 3
3.  Het deel van de vastleggingen dat op 31 december 2029 nog openstaat, wordt vrijgemaakt indien het zekerheidspakket en het eindverslag over de prestaties voor programma's die steun ontvangen uit het ESF+, het EFRO en het Cohesiefonds niet binnen de in artikel 38, lid 1, vastgestelde termijn zijn ingediend bij de Commissie.
3.  Het deel van de vastleggingen dat op 31 december 2030 nog openstaat, wordt vrijgemaakt indien het zekerheidspakket en het eindverslag over de prestaties voor programma's die steun ontvangen uit het ESF+, het EFRO en het Cohesiefonds niet binnen de in artikel 38, lid 1, vastgestelde termijn zijn ingediend bij de Commissie.
Amendement 326
Voorstel voor een verordening
Artikel 100 – lid 1 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  niet op tijd een betalingsaanvraag kon worden ingediend als gevolg van vertragingen op het niveau van de Unie bij de oprichting van het juridisch en administratief kader voor de Fondsen voor de periode 2021-2027.
Amendement 327
Voorstel voor een verordening
Artikel 101 – lid 2
2.  De lidstaat heeft één maand de tijd om in te stemmen met het vrij te maken bedrag of zijn opmerkingen te doen toekomen.
2.  De lidstaat heeft twee maanden de tijd om in te stemmen met het vrij te maken bedrag of zijn opmerkingen te doen toekomen.
Amendement 328
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 1
1.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunen de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" in alle regio's die behoren tot niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("regio's van NUTS-niveau 2") zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 868/2014 van de Commissie.
1.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunen de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" in alle regio's die behoren tot niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("regio's van NUTS-niveau 2") zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003, gewijzigd bij Verordening (EU2016/2066 van de Commissie.
Amendement 329
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 1 – alinea 1
De middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang die voor de periode 2021-2027 voor vastlegging in de begroting beschikbaar zijn, bedragen 330 624 388 630 EUR in prijzen van 2018.
De middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang die voor de periode 2021-2027 voor vastlegging in de begroting beschikbaar zijn, bedragen 378 097 000 000 EUR in prijzen van 2018.
(Dit amendement heeft de herinvoering tot doel van een bedrag dat gelijkwaardig is aan het bedrag dat beschikbaar is voor de periode 2014-2020, met de noodzakelijke verhogingen, in overeenstemming met het standpunt van het EP inzake het MFK-voorstel voor 2021-2027. Het amendement vereist overeenkomstige aanpassingen in de berekeningen in bijlage XXII.)
Amendement 330
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 2 – alinea 1
De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio's overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode.
De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio's overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode. De minimale totale toewijzing uit de Fondsen, op nationaal niveau, moet gelijk zijn aan 76 % van de aan elke lidstaat of regio voor de periode 2014-2020 toegewezen begroting.
Amendement 429
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
Onverminderd de nationale toewijzingen ten behoeve van de lidstaten, worden de middelen voor regio's die in de programmaperiode 2021-2027 in een lagere categorie vallen, gehandhaafd op het niveau van de toewijzingen voor de periode 2014-2020.
Amendement 331
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 2 – alinea 2 ter (nieuw)
Gezien het bijzondere belang van de cohesiesteun voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking en voor de ultraperifere gebieden, mogen de subsidiabiliteitscriteria voor deze steun niet minder gunstig zijn dan in de periode 2014-2020 en moeten ze maximale continuïteit met bestaande programma's waarborgen.
(Dit amendement vereist overeenkomstige aanpassingen in de berekeningen in bijlage XXII.)
Amendement 332
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – inleidende formule
1.  De middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 97,5 % van de totale middelen (d.w.z. in totaal 322 194 388 630 EUR) en worden als volgt verdeeld:
1.  De middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 97 % van de totale middelen, d.w.z. in totaal 366 754 000 000 EUR (in prijzen van 2018). Van dit bedrag wordt 5 900 000 000 EUR toegewezen aan de kindergarantie uit de middelen van het ESF+. Het resterende bedrag van 360 854 000 000 EUR (in prijzen van 2018) wordt als volgt verdeeld:
Amendement 333
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter a
(a)  61,6 % (d.w.z. in totaal 198 621 593 157 EUR) voor de minder ontwikkelde regio's;
(a)  61,6 % (d.w.z. in totaal 222 453 894 000 EUR) voor de minder ontwikkelde regio's;
Amendement 334
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter b
(b)  14,3 % (d.w.z. in totaal 45 934 516 595 EUR) voor de overgangsregio's;
(b)  14,3 % (d.w.z. in totaal 51 446 129 000 EUR) voor de overgangsregio's;
Amendement 335
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter c
(c)  10,8 % (d.w.z. in totaal 34 842 689 000 EUR) voor de meer ontwikkelde regio's;
(c)  10,8 % (d.w.z. in totaal 39 023 410 000 EUR) voor de meer ontwikkelde regio's;
Amendement 336
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter d
(d)  12,8 % (d.w.z. in totaal 41 348 556 877 EUR) voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten;
(d)  12,8 % (d.w.z. in totaal 46 309 907 000 EUR) voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten;
Amendement 337
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter e
(e)  0,4 % (d.w.z. in totaal 1 447 034 001 EUR) als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen.
(e)  als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen.
Amendement 338
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 3 – alinea 1
De middelen die beschikbaar zijn voor het ESF+ in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 88 646 194 590 EUR.
De middelen die beschikbaar zijn voor het ESF+ bedragen 28,8 % van de middelen in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" (d.w.z. 105 686 000 000 EUR in prijzen van 2018). De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid zijn niet in dit bedrag inbegrepen.
Amendement 339
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 3 – alinea 2
Het bedrag van de in lid 1, onder e), bedoelde aanvullende financiering voor de ultraperifere gebieden dat wordt toegewezen aan het ESF+ bedraagt 376 928 934 EUR.
Het bedrag van de in lid 1, onder e), bedoelde aanvullende financiering voor de ultraperifere gebieden dat wordt toegewezen aan het ESF+ komt overeen met 0,4 % van de in de eerste alinea genoemde middelen (d.w.z. 424 296 054 EUR in prijzen van 2018).
Amendement 340
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 4 – alinea 1
De steun uit het Cohesiefonds die moet worden overgedragen naar de CEF bedraagt 10 000 000 000 EUR. Zij wordt besteed aan vervoersinfrastructuurprojecten door specifieke oproepen te doen overeenkomstig Verordening (EU) [nummer van de nieuwe CEF-verordening], uitsluitend in de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen.
De steun uit het Cohesiefonds die moet worden overgedragen naar de CEF bedraagt 4 000 000 000 EUR in prijzen van 2018. Zij wordt besteed aan vervoersinfrastructuurprojecten, rekening houdend met de investeringsbehoeften van de lidstaten en regio's op het gebied van infrastructuur, door specifieke oproepen te doen overeenkomstig Verordening (EU) [nummer van de nieuwe CEF-verordening], uitsluitend in de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen.
Amendement 341
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 4 – alinea 5
30 % van de naar de CEF overgedragen middelen worden onmiddellijk na de overdracht beschikbaar gemaakt voor alle lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening].
Schrappen
Amendement 342
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 4 – alinea 6
Op de in de eerste alinea bedoelde specifieke oproepen zijn de regels van toepassing die in het kader van Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening] gelden voor de vervoerssector. Tot en met 31 december 2023 worden bij de selectie van financierbare projecten de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds geëerbiedigd voor 70 % van de naar de CEF overgedragen middelen.
Op de in de eerste alinea bedoelde specifieke oproepen zijn de regels van toepassing die in het kader van Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening] gelden voor de vervoerssector. Tot en met 31 december 2023 worden bij de selectie van financierbare projecten de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds geëerbiedigd.
Amendement 343
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 5
5.  500 000 000 EUR van de middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan het Europees Urban-initiatief in het kader van direct of indirect beheer door de Commissie.
5.  560 000 000 EUR in prijzen van 2018 van de middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan het Europees Urban-initiatief in het kader van direct of indirect beheer door de Commissie.
Amendement 344
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 6
6.  175 000 000 EUR van de middelen uit het ESF+ voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan transnationale samenwerking waarmee steun wordt geboden aan innovatieve oplossingen in het kader van direct of indirect beheer.
6.  196 000 000 EUR in prijzen van 2018 van de middelen uit het ESF+ voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan transnationale samenwerking waarmee steun wordt geboden aan innovatieve oplossingen in het kader van direct of indirect beheer.
Amendement 345
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 7
7.  De middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) bedragen 2,5 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 8 430 000 000 EUR).
7.  De middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) bedragen 3 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 11 343 000 000 EUR in prijzen van 2018).
Amendement 346
Voorstel voor een verordening
Artikel 105 – lid 1 – letter a
(a)  van niet meer dan 15 % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio's naar overgangsregio's of meer ontwikkelde regio's en van overgangsregio's naar meer ontwikkelde regio's;
(a)  van niet meer dan 5 % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio's naar overgangsregio's of meer ontwikkelde regio's en van overgangsregio's naar meer ontwikkelde regio's;
Amendement 347
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 1 – letter a
(a)  70 % voor de minder ontwikkelde regio's;
(a)  85 % voor de minder ontwikkelde regio's;
Amendement 348
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 1 – letter b
(b)  55 % voor de overgangsregio's;
(b)  65 % voor de overgangsregio's;
Amendementen 349 en 447
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 1 – letter c
(c)  40 % voor de meer ontwikkelde regio's.
(c)  50 % voor de meer ontwikkelde regio's.
Amendement 350
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 2
De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden.
De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden en op de extra toewijzing voor de ultraperifere gebieden.
Amendement 351
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 3
Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 70 %.
Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 85 %.
Amendement 352
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 4
In de ESF+-verordening kunnen hogere medefinancieringspercentages worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [14] van die verordening.
In de ESF+-verordening kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen hogere medefinancieringspercentages van maximaal 90 % worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [13] en artikel [4, lid 1, onder x)] en[xi)] van die verordening, alsook voor programma's waarmee wordt ingespeeld op materiële deprivatie overeenkomstig artikel [9], jeugdwerkloosheid overeenkomstig artikel [10], de ondersteuning van de Europese kindergarantie overeenkomstig artikel [10 bis] en transnationale samenwerking overeenkomstig artikel [11 ter].
Amendement 353
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 4 – alinea 1
Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma's ligt niet hoger dan 70 %.
Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma's ligt niet hoger dan 85 %.
Amendement 453
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om een grotere mate van flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen. Met het oog op de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact wordt het desbetreffende verzoek zorgvuldig door de Commissie beoordeeld, met inachtneming van het strategische belang van investeringen.
Amendement 354
Voorstel voor een verordening
Artikel 107 – alinea 1
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening om in te spelen op veranderingen die zich voordoen tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met uitzondering van de bijlagen III, IV, X en XXII.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening om in te spelen op veranderingen die zich voordoen tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met uitzondering van de bijlagen III, IV, X en XXII. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in artikel 6, lid 3, bedoelde Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 204/2014 om die aan te passen aan deze verordening.
Amendement 355
Voorstel voor een verordening
Artikel 108 – lid 2
2.  De in artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 31 december 2027.
Amendement 356
Voorstel voor een verordening
Artikel 108 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, en artikel 89, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 357
Voorstel voor een verordening
Artikel 108 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 359
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 001 – kolom 1
001 Investeringen in vaste activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
001 Investeringen in vaste activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 360
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 002 – kolom 1
002 Investeringen in vaste activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
002 Investeringen in vaste activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 361
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 004 – kolom 1
004 Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
004 Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 362
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 005 – kolom 1
005 Investeringen in immateriële activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
005 Investeringen in immateriële activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 363
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 2 – rij 035 – kolom 1
035 Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico's: overstromingen (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)
035 Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico's: overstromingen en aardverschuivingen (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)
Amendement 364
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 2 – rij 043 – kolom 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

043

Beheer van huishoudelijk afval: biomechanische behandeling, thermische behandeling

0 %

100 %

Amendement

 

Schrappen

 

 

Amendement 365
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 056 – kolom 1
056 Nieuw aangelegde snelwegen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
056 Nieuw aangelegde snelwegen, bruggen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
Amendement 366
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 057 – kolom 1
057 Nieuw aangelegde snelwegen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
057 Nieuw aangelegde snelwegen, bruggen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
Amendement 367
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 060 – kolom 1
060 Heraangelegde of verbeterde snelwegen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
060 Heraangelegde of verbeterde snelwegen, bruggen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
Amendement 368
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 061 – kolom 1
061 Heraangelegde of verbeterde snelwegen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
061 Heraangelegde of verbeterde snelwegen, bruggen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
Amendement 369
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 5 – rij 128 – kolom 1
128 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van openbare toeristische activa en daarmee verband houdende toeristische diensten
128 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van openbare toeristische activa en toeristische diensten
Amendement 370
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 5 – rij 130 – kolom 1
130 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van natuurlijk erfgoed en ecotoerisme
130 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van natuurlijk erfgoed en ecotoerisme behalve Natura 2000-gebieden
Amendement 371
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 12 – kolom "Geïntegreerde territoriale investering (ITI)"
Steden, dorpen en voorsteden
Steden, dorpen, voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden
Amendement 372
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 16 – kolom "Geïntegreerde territoriale investering (ITI)"
Dunbevolkte gebieden
Landelijke en dunbevolkte gebieden
Amendement 373
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 22 – kolom "Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)"
Steden, dorpen en voorsteden
Steden, dorpen, voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden
Amendement 374
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 26 – kolom "Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)"
Dunbevolkte gebieden
Landelijke en dunbevolkte gebieden
Amendement 375
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 32 – kolom "Ander type territoriaal instrument in het kader van beleidsdoelstelling 5"
Steden, dorpen en voorsteden
Steden, dorpen, voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden
Amendement 376
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 36 – kolom "Ander type territoriaal instrument in het kader van beleidsdoelstelling 5"
Dunbevolkte gebieden
Landelijke en dunbevolkte gebieden
Amendement 377
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 4 – rij 17
17 Verschaffen van accommodatie en maaltijden
17 Verschaffen van toeristische activiteiten, accommodatie en maaltijden
Amendement 378
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – Tabel Horizontale randvoorwaarden – rij 6 – kolom 2
Er is voorzien in een nationaal kader voor de uitvoering van het UNCRPD, met onder meer:
Er is voorzien in een nationaal kader voor de uitvoering van het UNCRPD, met onder meer:
1.  Meetbare doelstellingen, gegevensverzameling en toezichtmechanismen.
1.  Meetbare doelstellingen, gegevensverzameling en toezichtmechanismen, toepasbaar op alle beleidsdoelstellingen.
2.  Regelingen om ervoor te zorgen dat het beleid, de wetgeving en de normen inzake toegankelijkheid naar behoren tot uiting komen in de voorbereiding en de uitvoering van de programma's.
2.  Regelingen om ervoor te zorgen dat het beleid, de wetgeving en de normen inzake toegankelijkheid naar behoren tot uiting komen in de voorbereiding en de uitvoering van de programma's, in overeenstemming met de bepalingen van het UNCRPD en vervat in de criteria en verplichtingen betreffende het selecteren van projecten.
2 bis.  Regelingen voor rapportage aan het toezichtcomité over de conformiteit van de ondersteunde concrete acties.
Amendement 379
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – Tabel Horizontale randvoorwaarden – rij 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uitvoering van de beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot daadwerkelijke convergentie en cohesie in de Europese Unie.

Regelingen op nationaal niveau ter waarborging van de behoorlijke uitvoering van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot opwaartse sociale convergentie en cohesie in de EU, met name de beginselen ter voorkoming van oneerlijke concurrentie op de interne markt.

Amendement 380
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – Tabel Horizontale randvoorwaarden – rij 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Doeltreffende toepassing van het partnerschapsbeginsel

Er is voorzien in een kader waarbinnen alle partners een volwaardige rol kunnen vervullen bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van programma's, waaronder:

 

1.  Regelingen die transparante procedures voor de betrokkenheid van partners waarborgen.

 

2.  Regelingen voor de verspreiding en bekendmaking van informatie waarover partners moeten beschikken voor de voorbereiding en follow-up van vergaderingen.

 

3.  Steun om de positie van partners te versterken en capaciteit op te bouwen.

Amendement 381
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 2 – rij 2 – kolom 4
Er zijn nationale energie- en klimaatplannen vastgesteld en deze omvatten:
Er zijn nationale energie- en klimaatplannen vastgesteld die voldoen aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C, en deze omvatten:
1.  alle elementen van het model in bijlage I van de verordening betreffende de governance van de energie-unie;
1.  alle elementen van het model in bijlage I van de verordening betreffende de governance van de energie-unie;
2.  een indicatief overzicht van de geplande financiële middelen en mechanismen voor maatregelen ter bevordering van koolstofarme energie.
2.  een overzicht van de geplande financiële middelen en mechanismen voor maatregelen ter bevordering van koolstofarme energie.
Amendement 382
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 2 – rij 4 – kolom 2
EFRO en Cohesiefonds:
EFRO en Cohesiefonds:
2.4  Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en herstelvermogen voor rampen
2.4  Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering en structurele veranderingen, risicopreventie en herstelvermogen voor rampen
Amendement 383
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 2 – rij 7 – kolom 4
Er is voorzien in een prioritair actiekader in de zin van artikel 8 van Richtlijn 92/43/EEG en dit kader omvat:
Er is voorzien in een prioritair actiekader in de zin van artikel 8 van Richtlijn 92/43/EEG en dit kader omvat:
1.  Alle elementen die vereist zijn in het model voor het prioritaire actiekader voor de periode 2021-2027 zoals overeengekomen door de Commissie en de lidstaten
1.  Alle elementen die vereist zijn in het model voor het prioritaire actiekader voor de periode 2021-2027 zoals overeengekomen door de Commissie en de lidstaten, waaronder de prioritaire maatregelen en een raming van de financiële behoeften
2.  De vaststelling van de prioritaire maatregelen en een raming van de financiële behoeften
Amendement 384
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – punt 3.2 – kolom 2
3.2  Ontwikkeling van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-T
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 385
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – punt 3.2 – kolom 4 – punt -1 bis (nieuw)
-1 bis.  vereist dat sociale, economische en territoriale cohesie wordt gewaarborgd en, in hogere mate, dat aandacht wordt besteed aan de ontbrekende schakels en knelpunten in het TEN-T-netwerk, hetgeen ook investeringen in harde infrastructuur inhoudt
Amendement 386
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – punt 3.2 – kolom 4 – punt 1
1.  de economische motivering van de geplande investeringen omvat, op grond van een degelijke analyse van de vraag en verkeersmodellering, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte effect van de liberalisering van de spoorwegen;
1.  de economische motivering van de geplande investeringen omvat, op grond van een degelijke analyse van de vraag en verkeersmodellering, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte effect van de openstelling van de markt voor spoorwegdiensten;
Amendement 387
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 2
2.  de luchtkwaliteitsplannen weerspiegelt, met name rekening houdend met de nationale decarbonisatieplannen;
2.  de luchtkwaliteitsplannen weerspiegelt, met name rekening houdend met de nationale strategieën ter beperking van de emissies van de vervoersector;
Amendement 388
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 3
3.  investeringen omvat in de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1316/2013, in overeenstemming met de respectieve TEN-T-werkprogramma's;
3.  investeringen omvat in de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1316/2013, in overeenstemming met de respectieve TEN-T-werkprogramma's en de geselecteerde segmenten van het uitgebreide netwerk;
Amendement 389
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 4
4.  ervoor zorgt dat investeringen buiten het TEN-T-kernnetwerk complementair zijn door de regio's en lokale gemeenschappen voldoende connectiviteit met het TEN-T-kernnetwerk en -knooppunten te bieden
4.  ervoor zorgt dat investeringen buiten het TEN-T-kernnetwerk complementair zijn door de stedelijke netwerken, regio's en lokale gemeenschappen voldoende connectiviteit met het TEN-T-kernnetwerk en de TEN-T-knooppunten te bieden
Amendement 390
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 9 bis (nieuw)
9 bis.  duurzame regionale en grensoverschrijdende toeristische initiatieven bevordert die leiden tot win-winsituaties voor zowel de toeristen als de inwoners, zoals het verbinden van het EuroVelo-netwerk met het trans-Europese spoorwegnet
Amendement 391
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 1 – kolom 2 – punt ESF
ESF:
ESF:
4.1.1  Verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden, dus ook voor jongeren, en niet-inactieven en bevordering van arbeid als zelfstandige en van de sociale economie;
4.1.1  Verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden, met name voor jongeren, langdurig werklozen en niet-inactieven, en bevordering van arbeid als zelfstandige en van de sociale economie;
4.1.2  Modernisering van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om te zorgen voor tijdige en op maat gesneden hulp en ondersteuning voor aansluiting op de arbeidsmarkt, loopbaanveranderingen en mobiliteit;
4.1.2  Modernisering van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om de behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen, en te zorgen voor tijdige en op maat gesneden hulp en ondersteuning voor aansluiting op de arbeidsmarkt, loopbaanveranderingen en mobiliteit;
Amendement 392
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 2 – kolom 2 – punt ESF
ESF:
ESF:
4.1.3  Bevordering van een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarin gezondheidsrisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden;
4.1.3  Bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarin gezondheidsrisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden;
Amendement 393
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 2 – kolom 4 – punt 2
2.  Maatregelen om de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, verloning en pensioenen aan te pakken en een evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, onder meer door betere toegang tot opvang en onderwijs voor jonge kinderen, met streefdoelen
2.  Maatregelen om de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, verloning, sociale zekerheiden pensioenen aan te pakken en een evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, onder meer door betere toegang tot opvang en onderwijs voor jonge kinderen, met streefdoelen
Amendement 394
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 3 – kolom 2 – punt ESF
ESF:
ESF:
4.2.1  Verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels op het gebied van kwaliteit, doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt;
4.2.1  Verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels op het gebied van kwaliteit, inclusiviteit, doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer digitale vaardigheden – te bevorderen en de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken;
4.2.2  Bevordering van ieders mogelijkheden tot flexibele bijscholing en omscholing, onder meer door loopbaanverandering te vergemakkelijken en beroepsmobiliteit te bevorderen
4.2.2  Bevordering van ieders mogelijkheden tot een leven lang leren, met name flexibele bijscholing en omscholing, alsook informeel en niet-formeel leren, onder meer door loopbaanverandering te vergemakkelijken en beroepsmobiliteit te bevorderen
4.2.3  Bevordering van gelijke toegang, met name voor achtergestelde groepen, tot hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, over algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, tot het tertiaire niveau;
4.2.3  Bevordering van gelijke toegang tot en afronding van hoogwaardige en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten, met name voor achtergestelde groepen, van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, over algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, tot het tertiaire niveau, evenals volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;
Amendement 395
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – rij 4.2 – kolom 4: Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde - punt 1
1.  Empirisch onderbouwde systemen om op het vlak van vaardigheden te anticiperen en prognoses te maken, alsook mechanismen voor het volgen van afgestudeerden en diensten voor kwaliteitsvolle en doeltreffende begeleiding voor lerenden van alle leeftijden
1.  Empirisch onderbouwde systemen om op het vlak van vaardigheden te anticiperen en prognoses te maken, alsook follow-upmechanismen voor het volgen van afgestudeerden en diensten voor kwaliteitsvolle en doeltreffende begeleiding voor lerenden van alle leeftijden, met inbegrip van op de lerende gerichte benaderingen
Amendement 396
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – rij 4.2 – kolom 4: Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde - punt 2
2.  Maatregelen om te zorgen voor gelijke toegang tot, participatie in en voltooiing van kwaliteitsvolle, relevante en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten en de verwerving van sleutelcompetenties op alle niveaus, met inbegrip van het hoger onderwijs
2.  Maatregelen om te zorgen voor gelijke toegang tot, participatie in en voltooiing van kwaliteitsvolle, betaalbare, relevante, niet-gesegregeerde en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten en de verwerving van sleutelcompetenties op alle niveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijs
Amendement 397
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – rij 4.2 – kolom 4: Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde - punt 3
3.  Mechanisme voor coördinatie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijs, en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden aan de betrokken nationale en/of regionale instanties
3.  Mechanisme voor coördinatie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijs en verstrekkers van niet-formeel en informeel onderwijs, en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden aan de betrokken nationale en/of regionale instanties
Amendement 398
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 2 – punt 4.3
EFRO:
EFRO:
4.3  Bespoediging van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten
4.3  Bespoediging van de sociaal-economische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, vluchtelingen en migranten die internationale bescherming genieten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten
Amendement 399
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 2 – punt 4.3.1
ESF:
ESF:
4.3.1  Bevordering van actieve inclusie, mede met het oog op de bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en verbetering van de inzetbaarheid.
4.3.1  Aanmoediging van actieve inclusie, mede met het oog op de bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en verbetering van de inzetbaarheid.
Amendement 400
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 2 – punt 4.3.1 bis (nieuw)
4.3.1 bis.   Bevordering van de sociale integratie van mensen die in een situatie van armoede of sociale uitsluiting dreigen terecht te komen, waaronder de meest hulpbehoevenden en kinderen
Amendement 401
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 4
Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader voor sociale inclusie en armoedebestrijding. Dit omvat:
Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader en een actieplan voor sociale inclusie en armoedebestrijding. Deze omvatten:
1.  Een empirisch onderbouwde diagnose van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van kinderarmoede, dakloosheid, ruimtelijke segregatie, segregatie in het onderwijs, beperkte toegang tot essentiële diensten en infrastructuur, en de specifieke behoeften van kwetsbare personen
1.  Een empirisch onderbouwde diagnose van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van kinderarmoede, dakloosheid, ruimtelijke segregatie, segregatie in het onderwijs, beperkte toegang tot essentiële diensten en infrastructuur, en de specifieke behoeften van kwetsbare personen
2.  Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van segregatie op alle gebieden, onder meer door te voorzien in passende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten voor kwetsbare personen, onder wie migranten
2.  Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van segregatie op alle gebieden, onder meer door te voorzien in passende inkomenssteun, sociale bescherming, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten voor kwetsbare personen, onder wie migranten en vluchtelingen
3.  Maatregelen voor de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg
3.  Maatregelen voor de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg op basis van een nationale de-institutionaliseringsstrategie en een actieplan
4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties
4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties
Amendement 402
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 5 – kolom 2
ESF:
ESF:
4.3.2  Bevordering van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma
4.3.2  Bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma
Amendement 403
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 6 – kolom 2
ESF:
ESF:
4.3.4  Verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten; verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels; verbetering van de toegang tot diensten voor langdurige zorg
4.3.4  Verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten; modernisering van de socialebeschermingsstelsels, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels; verbetering van de toegang tot diensten voor langdurige zorg
Amendement 404
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 6 – kolom 4 – punten 2, 3 en 3 bis (nieuw)
Er is voorzien in een nationaal of regionaal strategisch beleidskader inzake gezondheid dat het volgende omvat:
Er is voorzien in een nationaal of regionaal strategisch beleidskader inzake gezondheid dat het volgende omvat:
1.  Inventarisatie van de behoeften inzake gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van medisch personeel, met het oog op duurzame en gecoördineerde maatregelen
1.  Inventarisatie van de behoeften inzake gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van medisch personeel, met het oog op duurzame en gecoördineerde maatregelen
2.  Maatregelen om ervoor te zorgen dat gezondheidszorg en langdurige zorg efficiënt, duurzaam, toegankelijk en betaalbaar zijn, met inbegrip van een bijzondere nadruk op personen die buiten de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg vallen
2.  Maatregelen om ervoor te zorgen dat gezondheidszorg en langdurige zorg efficiënt, duurzaam, toegankelijk en betaalbaar zijn, met inbegrip van een bijzondere nadruk op personen die buiten de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg vallen en de personen die het moeilijkst te bereiken zijn
3.  Maatregelen ter bevordering van gemeenschapsdiensten, met inbegrip van preventie, eerstelijnszorg en thuiszorg
3.  Maatregelen ter bevordering van gemeenschapsdiensten, met inbegrip van preventie, eerstelijnszorg en thuiszorg, en de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg
3 bis.   Maatregelen ter waarborging van de doeltreffendheid, duurzaamheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van socialebeschermingsstelsels
Amendement 405
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – Tabel 1 T – Programmastructuur*

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

ID

Titel [300]

TA

Grondslag voor de berekening

Fonds

Categorie ondersteunde regio

Geselecteerde specifieke doelstelling

1

Prioriteit 1

Nee

 

EFRO

Meer

SD 1

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 2

Ultraperifeer en dunbevolkt

Meer

SD 3

2

Prioriteit 2

Nee

 

ESF+

Meer

SD 4

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 5

Ultraperifeer

3

Prioriteit 3

Nee

 

CF

n.v.t.

 

3

Prioriteit technische bijstand

Ja

 

 

 

n.v.t.

..

Specifieke prioriteit jeugdwerkgelegenheid

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit landspecifieke aanbevelingen

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit innovatieve acties

Nee

 

ESF+

 

SD 8

 

Specifieke prioriteit materiële deprivatie

Nee

 

ESF+

 

SD 9

 

Amendement

ID

Titel [300]

TA

Grondslag voor de berekening

Fonds

Categorie ondersteunde regio

Geselecteerde specifieke doelstelling

1

Prioriteit 1

Nee

 

EFRO

Meer

SD 1

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 2

Ultraperifeer en dunbevolkt

Meer

SD 3

2

Prioriteit 2

Nee

 

ESF+

Meer

SD 4

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 5

Ultraperifeer

3

Prioriteit 3

Nee

 

CF

n.v.t.

 

3

Prioriteit technische bijstand

Ja

 

 

 

n.v.t.

..

Specifieke prioriteit jeugdwerkgelegenheid

Nee

 

ESF+

 

 

 

Specifieke prioriteit kindergarantie

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit landspecifieke aanbevelingen

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit innovatieve acties

Nee

 

ESF+

 

SD 8

 

Specifieke prioriteit materiële deprivatie

Nee

 

ESF+

 

SD 9

Amendement 406
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2.1 – tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

[ ] Deze is een prioriteit voor een relevante landspecifieke aanbeveling

[ ] Dit is een prioriteit voor jeugdwerkgelegenheid

[ ] Dit is een prioriteit voor innovatieve acties

[ ] Dit is een prioriteit voor de aanpak van materiële deprivatie

Amendement

[ ] Dit is een prioriteit voor een relevante landspecifieke aanbeveling

[ ] Dit is een prioriteit voor jeugdwerkgelegenheid

[ ] Dit is een prioriteit voor de kindergarantie

[ ] Dit is een prioriteit voor innovatieve acties

[ ] Dit is een prioriteit voor de aanpak van materiële deprivatie

Amendement 407
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – inleidende formule
2.1.1.  Specifieke doelstelling54 (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV) – herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling of elk geselecteerd ondersteuningsgebied, voor andere prioriteiten dan technische bijstand
2.1.1.  Specifieke doelstelling54 (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV) – herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling of elk geselecteerd ondersteuningsgebied, voor andere prioriteiten dan technische bijstand
__________________
__________________
54 Met uitzondering van een specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii), van de ESF+-verordening.
54 Met uitzondering van een specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening.
Amendement 408
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – punt 2.1.1.2 – inleidende formule
2.1.1.2  Indicatoren55
2.1.1.2  Indicatoren
_________________
55 Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, uitsplitsing voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.
Amendement 409
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – punt 2.1.1.3 – inleidende formule
2.1.1.3  Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per type steunverlening56 (niet van toepassing op het EFMZV)
2.1.1.3  Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per type steunverlening (niet van toepassing op het EFMZV)
_________________
56 Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, uitsplitsing voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.
Amendement 410
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – alinea 8
Criteria voor de selectie van concrete acties57
Criteria voor de selectie van concrete acties57
__________________
__________________
57 Uitsluitend voor programma's die beperkt blijven tot de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii), van de ESF+-verordening
57 Uitsluitend voor programma's die beperkt blijven tot de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening
Amendement 411
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 3 – tabel 16
[...]
Schrappen
Amendement 412
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 3 – punt 3.2 – inleidende formule
3.2  Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering59
3.2  Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering
_________________
59 Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, financiële toewijzingen voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0043/2019).

Laatst bijgewerkt op: 14 februari 2019Juridische mededeling